Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een liedH7892 HammaalothH4609, van SalomoH8010. ZoH518 de HEEREH3068 het huisH1004 nietH3808 bouwtH1129, tevergeefsH7723 arbeidenH5998 deszelfs bouwliedenH1129 daaraan; zoH518 de HEEREH3068 de stadH5892 nietH3808 bewaartH8104, tevergeefsH7723 waaktH8245 de wachterH8104.
Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
KJV
[[A Song1
of degrees2
for Solomon.]]3
Except the LORD5
build7
the house,8
they labour10
in vain9
that build11
it: except the LORD14
keep16
the city,17
the watchman20
waketh19
but in vain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Het is tevergeefsH7723, dat gijlieden vroegH7925 opstaatH6965, laat opblijftH3427, eetH398 broodH3899 der smartenH6089; het is alzoH3651, dat Hij het Zijn bemindenH3039 als in den slaapH8142 geeftH5414.
Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
KJV
It is vain1
for you to rise up4
early,3
to sit up6
late,5
to eat7
the bread8
of sorrows:9
for so he giveth11
his beloved12
sleep.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
ZietH2009, de kinderenH1121 zijn een erfdeelH5159 des HEERENH3068; des buiksH990 vruchtH6529 is een beloningH7939.
Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
KJV
Lo, children4
are an heritage2
of the LORD:3
and the fruit6
of the womb7
is his reward.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Gelijk de pijlenH2671 zijn in de handH3027 eens heldsH1368, zodanigH3651 zijn de zonenH1121 der jeugdH5271.
Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
KJV
As arrows1
are in the hand2
of a mighty man;3
so are children5
of the youth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WelgelukzaligH835 is de manH1397, dieH834 zijn pijlkokerH827 met dezelve gevuldH4390 heeft; zij zullen nietH3808 beschaamdH954 worden, alsH3588 zij metH854 de vijandenH341 sprekenH1696 zullen in de poortH8179.
Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
KJV
Happy1
is the man2
that hath his quiver6
full4
of them: they shall not be ashamed,9
but they shall speak11
with the enemies13
in the gate.
lied Hamaälòth,
Zie Ps. 120:1 .
Hertaald:
lied Hamaälòth,
Zie Ps. 120:1.
van Sálomo
Dat is, gedicht van Salomo. Anders: voor Salomo; dat is, gedicht van David tot onderwijzing van zijn zoon Salomo. Alzo ook Ps. 72:1 .
Hertaald:
van Sálomo
Dat is: gedicht door Salomo. Anders: voor Salomo; dat is: door David gedicht tot onderwijs van zijn zoon Salomo. Zo ook Ps. 72:1.
het huis
Versta hier, door het bouwen en bewaren van het huis en der stad, niet alleen het stoffelijke gebouw, maar ook den staat en het gouvernement zo in het bijzonder als in het algemeen over koninkrijken, landen en steden, kerken en gemeenten.
Hertaald:
het huis
Versta hier onder het bouwen en bewaren van het huis en de stad niet alleen het stoffelijke gebouw, maar ook de staat en het bestuur, zowel in het bijzonder als in het algemeen, over koninkrijken, landen en steden, kerken en gemeenten.
Het is tevergeefs
Te weten, hetzij dat gij den zegen des Heeren hebt.
Hertaald:
Het is tevergeefs
Namelijk: tenzij u de zegen van de Heere hebt.
vroeg opstaat, laat
Te weten, om te arbeiden.
Hertaald:
vroeg opstaat, laat
Namelijk: om te werken.
opblijft,
Hebr. zit; te weten om met arbeiden den kost te winnen.
Hertaald:
opblijft,
Hebreeuws: zit; namelijk om met werken de kost te verdienen.
eet brood der smarten;
Dat is, zuur brood, brood met veel zorg en moeite verkregen. Zie de aantekening 1 Kon. 22:27 . Anders, brood der bekommeringen.
Hertaald:
eet brood der smarten;
Dat is: zuur brood, brood dat met veel zorg en moeite verkregen is. Zie de aantekening bij 1 Kon. 22:27. Anders: brood van de bekommernissen.
Hij het
Te weten, God.
Hertaald:
Hij het
Namelijk: God.
zijn beminden
Het schijnt dat David hier inzonderheid op Salomo ziet, die 2 Sam. 12:25 genoemd wordt Jedid Jah; dat is, beminde des Heeren.
Hertaald:
zijn beminden
Het lijkt erop dat David hier in het bijzonder op Salomo ziet, die in 2 Sam. 12:25 Jedid-Jah genoemd wordt, dat is: beminde van de Heere.
als in den
Anders: geeft Hij zijnen beminden den slaap. Alsof hij zeide: Al het woelen en zorgen zal den mens niet helpen zo hem de HEERE niet zegent; maar dien Hij bemint en zegent, die zal genoeg hebben en met gerustheid gaan slapen, zichzelven en de zijnen, na gedanen arbeid, God den Heere bevelende.
Hertaald:
als in den
Anders: geeft Hij Zijn beminden de slaap. Alsof hij zei: al het woelen en zorgen zal de mens niet helpen als de HEERE hem niet zegent; maar wie Hij liefheeft en zegent, die zal genoeg hebben en gerust gaan slapen, terwijl hij zichzelf en de zijnen na gedane arbeid aan God de Heere beveelt.
een erfdeel des HEEREN;
Dat is, een zegen van den Heere gegeven, gelijk Job 20:29 ; Ps. 61:6 ; Jes. 54:17 .
Hertaald:
een erfdeel des HEEREN;
Dat is: een zegen die door de Heere gegeven wordt, zoals Job 20:29; Ps. 61:6; Jes. 54:17.
des buiks vrucht
Dat is, de kinderen.
Hertaald:
des buiks vrucht
Dat is: de kinderen.
een beloning
Te weten, van den Heere gegeven. Men geeft somtijds beloning, die men schuldig is voor gedanen dienst, gelijk Gen. 30:28 ; Num. 18:31 . Somtijds uit gratie of uit gunst, Rom. 4:4 ; gelijk God zijnen dienaren geeft; Gen. 15:1 ; Jes. 62:11 .
Hertaald:
een beloning
Namelijk: die door de Heere gegeven wordt. Men geeft soms een beloning die men schuldig is voor bewezen diensten, zoals Gen. 30:28; Num. 18:31; soms uit genade of gunst, Rom. 4:4, zoals God die aan Zijn dienaren geeft; Gen. 15:1; Jes. 62:11.
Gelijk de pijlen
De zin is: Gelijk een sterk man zijne pijlen op den vijand schietende, dezen kwetst en ombrengt; alzo zijn de kinderen, die wel opgevoed zijn hunne ouders een hulp en bijstand tegen de vijanden.
Hertaald:
Gelijk de pijlen
De betekenis is: zoals een sterke man met zijn pijlen op de vijand schiet en hem verwondt en doodt, zo zijn goed opgevoede kinderen voor hun ouders een hulp en steun tegen de vijanden.
de zonen der jeugd
Te weten, die geteeld zijn wanneer de ouders in het beste van hun leven zijn. Want zulke kinderen zijn gemeenlijk van kloeker natuur dan anderen en zij komen de ouders spoedig in de hand. Aldus worden zonen des ouderdoms genoemd de kinderen, die in den ouderdom hunner ouders geboren worden; Gen. 37:3 .
Hertaald:
de zonen der jeugd
Namelijk: die verwekt zijn toen de ouders in de kracht van hun leven waren. Zulke kinderen zijn gewoonlijk van sterkere natuur dan andere, en zij zijn de ouders snel tot hulp. Zo worden kinderen die op hoge leeftijd van hun ouders geboren worden zonen van de ouderdom genoemd; Gen. 37:3.
die zijn pijlkoker
Die zijn huis vol van zulke kinderen heeft.
Hertaald:
die zijn pijlkoker
Wie zijn huis vol van zulke kinderen heeft.
zij zullen niet beschaamd
Dat is, zij zullen uit vrees voor hunne wederpartijders hun rechtvaardige zaak niet behoeven onbeantwoord te laten, als zij voor den rechter verschijnen.
Hertaald:
zij zullen niet beschaamd
Dat is: zij zullen hun rechtvaardige zaak niet uit vrees voor hun tegenstanders onbeantwoord hoeven te laten wanneer zij voor de rechter verschijnen.
spreken zullen in
Dat is, te pleiten hebben voor het gericht, hetwelk in de stadspoorten pleegt te geschieden. Zie de aantekening bij Gen. 34:20 .
Hertaald:
spreken zullen in
Dat is: te pleiten hebben voor het gericht, dat gewoonlijk in de stadspoorten gehouden werd. Zie de aantekening bij Gen. 34:20. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter" (Ps. 127:1). Twee voorbeelden staan er: bouwen en bewaken, dus opbouwen en beschermen. In beide gevallen wordt niet gezegd dat het werk overbodig is, maar dat het zonder God tevergeefs is. Het volgende vers gaat over de werker zelf: "Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft" (Ps. 127:2). Het opschrift noemt Salomo, de man die de tempel en de stad werkelijk gebouwd heeft. Bijbelse betekenis: De psalm bestrijdt de vlijt niet maar het vertrouwen erop. Vroeg opstaan en laat doorwerken zijn niet verkeerd; wat hier bestreden wordt is het jagen dat geen rust meer kent, omdat de uitkomst van de eigen inspanning zou afhangen. Merk op het beeld van de slaap in Ps. 127:2. Slapen is het uur waarin een mens niets doet, en juist dan geeft God; wie dat gelooft, kan het werk neerleggen. Let ten slotte op de twee voorbeelden. Het gaat om het huis en om de stad, dus om het kleinste en het grootste verband waarin een mens werkt; beide staan onder dezelfde voorwaarde. Typologie: Paulus zegt van de gemeente hetzelfde: "Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij" (1 Kor. 3:9). En de Heere Jezus wijst de volgorde: "zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid" (Matt. 6:33). Ps. 127:1-2; 1 Kor. 3:9; Matt. 6:33 "Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning" (Ps. 127:3). Het woord erfdeel wijst op iets wat men ontvangt en niet verdient. Dan volgt een beeld uit de strijd: "Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd" (Ps. 127:4), en wie zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft, zal niet beschaamd worden in de poort (Ps. 127:5). De volgende psalm werkt dat huiselijk uit: "Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt" (Ps. 128:1), en dan het beeld van de tafel: "Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel" (Ps. 128:3). Bijbelse betekenis: Deze verzen zijn zegenspraken en geen rekensom. Wie ze als een belofte leest dat elk huwelijk kinderen krijgt, maakt er iets van wat de Schrift zelf weerspreekt; het boek Samuël begint met een vrouw die er geen had, en zij wordt niet minder geacht. Merk op waar de nadruk ligt in Ps. 127:3. Kinderen komen uit Gods hand, en dat is een woord van troost voor wie ze heeft én een grens voor wie ze mist: niemand kan ze zichzelf geven. Let ten slotte op het beeld van de pijlen. Pijlen zijn gemaakt om afgeschoten te worden; kinderen blijven niet in de koker maar gaan de wereld in, en juist daarom moeten zij eerst gericht worden. Typologie: Paulus zegt hoe die opvoeding gaat en waar haar grens ligt (reeds behandeld bij Ef. 6:4). Ps. 127:3-5; Ps. 128:1-6; Ef. 6:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas 1 Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, te vergeefs… Het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft. Psalm 127: 2 Ons leven is niet vol van angstige bezorgdheid, maar vol van gelukkig… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 127
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Psalm 127
Verfrissende slaap


Psalmen 127
Psalmen 127:1-3.KruisverwijzingenSpreuken 16:9→1 Korinthe 3:7→1 Korinthe 3:9→Spreuken 21:30→Psalmen 33:16→Zacharia 2:4→Jesaja 62:6→Jeremia 51:12→
— Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft. Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
De psalmist had over het bouwen van een huis gesproken, en er is ook een opbouwen van het huis in de zin van het gezin.
Let er eerst op dat God het huis niet bouwt zonder ons arbeiden, dat God de stad niet bewaart zonder dat de wachter wakker blijft, en dat Hij ons geen brood geeft zonder dat wij ervoor zwoegen. In alles waar wij onze hand aan zetten, wordt van ons verwacht dat wij alle beschikbare middelen gebruiken. Het is ons niet toegestaan lui te zijn, stil te zitten en niets te doen.
Maar let er ook op dat al onze arbeid tevergeefs is zonder Hem. Bouwen wij het huis, dan is het de HEERE die het bouwt; waken wij over de stad, dan is het de HEERE die haar bewaart. Zo staan onze inspanning en Zijn zegen niet tegenover elkaar: zij liggen in elkaar.
Psalmen 127:4.KruisverwijzingenSpreuken 31:28→Spreuken 17:6→Jeremia 50:9→Psalmen 120:4→
— Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
Bij een pijl komt het er, zoals u weet, geheel op aan welke kant u hem afschiet. Let er daarom op dat u uw kinderen recht richt; geef hun een goede start, een ware richting van het begin af, God helpe u — en dan zullen zij van u wegvliegen als de pijlen van een machtig schutter.
Psalmen 127:5.KruisverwijzingenSpreuken 27:11→Job 5:4→Job 42:12→Job 1:2→Psalmen 18:47→Genesis 50:23→
— Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Dat wil zeggen: wanneer zij als píjlen zijn, niet wanneer zij knoestig en kromgegroeid zijn als scheve stokken. Zijn zij niet bereid onderwezen en geoefend te worden, dan worden zij een beproeving en een moeite; maar gelukkig is de man die een volle pijlkoker heeft.
Was er een rechtszaak, dan zouden deze zonen daar zijn om voor hem te pleiten; was er te vechten, dan zouden ook zij vooraan staan. Het was een gevaarlijke zaak een man aan te vallen die een huis vol sterke, trouwe, liefhebbende zonen had.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een lied Hammaälôth (Psalm 120: 1 ), van Salomo (1 Koningen 4: 32 ), Wij zijn hier op het midden van de 15 liederen der optochten, zeven liederen van die soort gaan onzen Psalm vooraf en zeven volgen hem. Dat deze gelijk het opschrift zegt, werkelijk door Salomo vervaardigd is, daarvoor spreken vorm en uitdrukking, die met die der Spreuken overeenkomen; bovendien is zijn gehele inhoud niets meer dan ene uitwerking van het thema, Spreuken 10: 22: “De zegen des Heeren maakt rijk, en Hij voegt er gene smart bij.” Wat nu van het geluk des vromen in zijn huiselijk leven gezegd wordt, scheen ene overbrenging op de gehele gemeente en alzo ene geestelijke verklaring toe te laten, zelfs te eisen. Daar Salomo echter slechts een geringen kinder-zegen had, scheen het tegendeel van zijn woord in vs. 3 vv. juist bij hem bewezen te worden (1 Koningen 11: 42 3: 14 ) Toen daarom in de eerste tijden na de ballingschap, het betrekkelijk geringe getal der teruggekeerden, het verlangen naar ene grotere uitbreiding bij de gemeente opwekte en de verstoring van den tempelbouw door de vijandige naburen het recht deed gevoelen, dat voor het bouwen van zulk een huis, zo als men het had aangevangen, aan Gods zegen alles gelegen was, toen eigende men zich zonder bedenking den Psalm als belofte van ene betere toekomst toe, en nam men dien op in het pelgrimsboekje. (Ezra 4: 24 ).
I. Vs. 1 KruisverwijzingenSpreuken 16:9→1 Korinthe 3:7→1 Korinthe 3:9→Spreuken 21:30→Psalmen 33:16→Zacharia 2:4→Jesaja 62:6→Jeremia 51:12→
— Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.
en 2. Van den Heere alleen komt het welgelukken van onzen arbeid, de gerustheid van onze nachtrust, de voorspoed in onze broodwinning; zonder Hem is alle arbeid, zorg en moeite te vergeefs. Zo de HEERE het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden zijne bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter 1), die ter bewaking gedurende den nacht gesteld is.
Dat Salomo bij het “bouwen van het huis” aan het bouwen van den tempel en zijne vele prachtige paleizen en schone lusthoven gedacht heeft, kan wel zijn, maar als hij ook spreekt van het bewaken en bewaren der stad, en van de moeilijke bezigheden der mensen, dan komt het ons voor, dat hij het oog heeft op het gehele maatschappelijke leven en bedrijf, dat van het huisgezin uitgaat. En is dit zo, dan hebben wij hier niet enkel te denken aan het bouwen van een stoffelijke woning, maar tegelijk aan de inrichting en regering van het huisgezin, en dan is de wachter, die de stad bewaakt, tegelijk het beeld van de Overheden der stad, geroepen tot hare regering en bescherming.
Het is te vergeefs, dat gijlieden, tot verkrijging van het dagelijkse brood voor u en de uwen, vroeg opstaat en laat opblijft tot in den nacht (Jes. 5: 11), te vergeefs dat gij eet brood der smarten 1), dat gij telkens het laatste genietende, vol bezorgdheid zijt, van waar gij uw volgend maal zult verkrijgen,Het is alzo, dat Hij het Zijnen Jedidjah (2 (Samuel 12: 25), Zijnen beminden als in den slaap geeft 2), die in de rechte betrekking tot Hem staan ontvangen het, zonder dat zij weten hoe (Genesis 2: 21 vv. (1 Koningen 3: 5 vv.).
De dichter geeft hier een scherpe tegenstelling tussen het werk Gods en het werk der mensen. Hij wijst er op, dat alles, ook in het dagelijkse leven, afhangt van den zegen Gods, van het alles verrichten in de gunste Gods. Ene tegenstelling, die, voor wie niet willens blind is, door de dagelijkse ervaring wordt bevestigd.
De zanger heeft hier de zodanigen voor ogen, die zonder God arbeiden en bezorgd zijn. Geheel anders zou hij spreken, wanneer hij de zodanigen op het oog had, die in vals vertrouwen op God de handen in den schoot leggen. Niet de arbeid, die na den zondeval door God is ingesteld, (ook vóór dien bebouwden de eerste mensen Eden, Genesis 2: 15), en het zorgen wordt veroordeeld, maar alleen de verderfelijke, alle gebed dodende waan, dat men zonder den Goddelijken zegen iets zou kunnen bereiken.
Menigeen begint een huis te bouwen, maar hij kan den bouw niet voltooien, of hij sterft zonder het te kunnen betrekken, of de bouw mislukt door onvoorziene schade; of wordt, wanneer zij gelukt, ene prooi van geweldadige verwoesting-wanneer God zelf het niet bouwt, zo vermoeien zich de arbeidslieden te vergeefs. Menige stad is wel bewaard, en schijnt door wijze voorzichtigheidsmaatregelen tegen ieder ongeval, tegen brand en overvallen verzekerd. Maar wanneer God zelf haar niet meer bewaakt, zo is het te vergeefs, dat de zodanigen, wien de bewaking is toevertrouwd, wakende blijven en met alle zelfverloochening hun ambt waarnemen. Velen haasten zich om vroeg op te staan en aan het werk te komen en zitten tot laat in den nacht. Het is te vergeefs, roept hun de dichter toe, het brengt u toch niet aan, wat gij meent te kunnen afdwingen, gij eet daarbij nog brood der smarten, met moeite en in kommer verkregen; even zo goed en rijkelijk als gij het door voortdurende moeite en zorgvolle inspanningen weet te verkrijgen, geeft God het Zijnen lieveling (Psalm 60: 7) in den slaap, d.i. geheel zonder zijn toedoen, zonder dat hij zich onrustig op dat eigen werken toelegt, maar geheel ontbloot van eigene kracht en zonder enige verdienstelijkheid zich aan God toevertrouwt.
In den slaap geven wil zeggen, zonder dat Zijne gunstgenoten bezorgd zijn voor de toekomst, of onrustig alles in het werk stellen, maar zich volkomen in vertrouwen overgeven aan den Heere God. Drie Z’s behoren aan God: zorgen, zegenen, zaligen. 3.
II. Vs. 3-5.KruisverwijzingenDeuteronomium 28:4→Genesis 33:5→Psalmen 128:3→Genesis 1:28→Jozua 24:3→Spreuken 27:11→Jesaja 8:18→1 Kronieken 28:5→
— Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning. Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd. Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
Hoezeer aan Gods zegen alles gelegen is, is zo duidelijk, dat ook de meest verblinden het moeten opmerken in hetgeen men den huwelijkszegen noemt; want wat is in het huisgezin meer boven alle lopen en zorgen en werken verheven, dan het bezit van kinderen? En hoe meer kinderen een vader ten deel worden des te groter zegen.
Tweede koor. Ziet, als een bijzonder in ‘t oogvallend bewijs voor de waarheid van het (vs.
gezegde, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN, dat geheel afhankelijk is van den vrijen wil van den Gever (Genesis 30: 1 vv.), des buiks vrucht, dat ene vrouw zwanger wordt, is ene beloning 1) (Genesis 33: 5).
Hier brengt Salomo één voorbeeld voor, waardoor hij voornamelijk wil erkend hebben, wat hij tot hiertoe in het algemeen heeft bewezen, dat het leven der mensen door God bestuurd wordt. Niets schijnt meer natuurlijk, dan dat mensen uit mensen worden geboren. Zo moge het grootste gedeelte dromen, dat, nadat God dit van den beginne heeft vastgesteld, Hij zelf nu terug treedt en dat nu door een verborgen aandrift der natuur het kroost wordt geboren. Ja zelfs, wie met enig gevoel van godsvrucht begaafd zijn, erkennen het niet, ofschoon zij niet ontkennen, dat God de Vader en Schepper van het menselijk geslacht is, dat Zijne zorg tot deze beweging afdaalt, maar menen dat de mensen door een algemene aandrift worden geschapen. Salomo deze verschillende dwalingen willende verbeteren, noemt de kinderen een erfdeel des Heeren. Salomo zegt hier, dat zij vaders worden, wie de Heere met die ere verwaardigt.
Kinderen zijn een erfdeel en ene vergelding en moeten dus niet als lasten, maar als zegeningen worden aangemerkt, want Hij, die de monden vermeerdert, zal ook, zo wij maar op Hem blijven hopen en vertrouwen, de spijze voor dezelve niet laten ontbreken. Obed-Edom en zijn ganse huis, waaronder acht zonen waren, werden zeer gezegend van God, omdat zij de Arke des verbonds een tijd lang geherbergd hadden.
Bijzonder werd onder de Oude Bedeling het bezit van zonen als de grootste rijkdom aangemerkt.
Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, gelijk deze reeds gereed zijn om de vijanden dadelijk bij den eersten aanval terug te drijven, zodanig zijn de zonen der jeugd 1) voor den vader, wanneer deze begint oud te worden, zij zijn steeds gereed om hem met hun jeugdige kracht te beschermen.
“Zonen der jeugd” zijn niet jeugdige mannen (Luther, Rudinger, Rosenmuller), maar het tegenovergestelde van zonen des ouderdoms (Genesis 37: 3). Als zodanig zijn zij reeds groot geworden, wanneer de vader begint oud te worden en daarom tot zijne hulp bekwaam.
Welgelukkig is de man, die zijnen pijlkoker, dat is zijn huis, met deze gevuld heeft, om de tegenstanders met zo vele pijlen als er nodig zijn, te kunnen ontmoeten; zij, die vader met de hem omringende zonen, zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen, om hun vrijmoedig hun onrecht voor te houden, of zich tegen hun aanklachten te verdedigen, in de poort, waar men de openbare aangelegenheden pleegt te behandelen (Genesis 19: 1 Ruth 4: 1 vv.). Dat een echtpaar zonen worden geboren, ligt het niet alleen aan Gods zegen? Dat zij goed opgroeien en aan de zijde der ouders staan, gelijk de pijlen in den koker tot den aanval gereed zijn, ligt het niet alleen aan Gods zegen? Dat moet ieder bekennen: alzo zijn de kinderen predikingen van Gods bestuur; zonder die wordt gene moeder zwanger, geen kind ooit geboren, noch groeit het op en wordt groot. God moet voor alles alleen zorgen, het beschikken, zegenen en wel doen gelukken. Merrick vermeldt een Chinees spreekwoord: wanneer een zoon in een huis is geboren zijn een beugel en een pijl voor de poort gehangen. Zo bouw dan, Heere! onze huizen, bescherm stad en land, zegen onze vlijt, voed onze kinderen tot burgers van Uwe Godsstad, en laat ook ons eens genade vinden in het laatste oordeel.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel