Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een liedH7892 op HammaalothH4609. Ik heb totH413 den HEEREH3068 geroepenH7121 in mijn benauwdheidH6869, en Hij heeft mij verhoordH6030.
Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
KJV
[[A Song1
of degrees.]]2
In my distress5
I cried7
unto the LORD,4
and he heard
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
O HEEREH3068! redH5337 mijn zielH5315 van de valseH8267 lippenH8193, van de bedriegelijkeH7423 tongH3956.
O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
KJV
Deliver2
my soul,3
O LORD,1
from lying5
lips,4
and from a deceitful7
tongue.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WatH4100 zal U de bedriegelijkeH7423 tongH3956 gevenH5414, of watH4100 zal zij U toevoegenH3254?
Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
KJV
What shall be given2
unto thee? or what shall be done5
unto thee, thou false8
tongue?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ScherpeH8150 pijlenH2671 eens machtigenH1368, mitsgaders gloeiende jeneverkolenH1513.
Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
KJV
Sharp3
arrows1
of the mighty,2
with coals5
of juniper.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
O, weeH190 mij, datH3588 ik een vreemdelingH1481 ben in MesechH4902, dat ik in de tentenH168 KedarsH6938 woneH7931.
O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.
KJV
Woe1
is me, that I sojourn4
in Mesech,5
that I dwell6
in the tents8
of Kedar!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Mijn zielH5315 heeft langH7227 gewoondH7931 bijH5973 degenen, die den vredeH7965 hatenH8130.
Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
KJV
My soul4
hath long1
dwelt2
with him that hateth6
peace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ik ben vreedzaamH7965; maar als ik spreekH1696, zijn zijH1992 aan den oorlogH4421.
Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
KJV
I am for peace:2
but when I speak,4
they are for war.
Hamaälòth
Dat is, der opstijging, of der trappen. Waarvan deze psalm en veertien navolgende dezen naam hebben, daar van is verscheiden gevoelen. Sommigen menen dat zij alzo genoemd werden omdat zij gezongen werden door de Levieten, staande op zekere trappen. Anderen anders.
Hertaald:
Hamaälòth
Dat is: van de opgang, of van de trappen. Waaraan deze psalm en de veertien volgende deze naam ontlenen, daarover lopen de meningen uiteen. Sommigen menen dat zij zo genoemd zijn omdat zij door de Levieten gezongen werden terwijl die op bepaalde trappen stonden. Anderen denken er anders over.
Hij heeft mij verhoord
Dat is, Hij heeft mij verlost.
Hertaald:
Hij heeft mij verhoord
Dat is: Hij heeft mij verlost.
mijn ziel
Dat is, mij, of verlos mijne ziel; dat is, mijn leven, te weten, dat het mij niet benomen worde.
Hertaald:
mijn ziel
Dat is: mij; of: verlos mijn ziel, dat is: mijn leven, namelijk dat het mij niet ontnomen wordt.
Wat zal U
Hij keert zich tot de leugensprekers, en hij spreekt elk hunner hoofd voor hoofd aan, hun verwijtende hunne boosheid. Anders: wat zal Hij u geven, o bedriegelijke tong? Hij te weten, God.
Hertaald:
Wat zal U
Hij keert zich tot de leugensprekers en spreekt ieder van hen persoonlijk aan, en verwijt hun de boosheid die zij bedrijven. Anders: wat zal Hij u geven, o bedrieglijke tong? Hij, namelijk God.
Scherpe pijlen
Dat is, pijlen die van een sterk man geschoten worden. Der kwade tongen kwade en lasterlijke woorden worden ook pijlen genoemd, Ps. 64:4 , en Spr. 25:18 .
Hertaald:
Scherpe pijlen
Dat is: pijlen die door een sterke man geschoten worden. De kwade en lasterlijke woorden van boze tongen worden ook pijlen genoemd, Ps. 64:4, en Spr. 25:18.
gloeiende
Die namelijk haast aan brand komen, zeer hittigen brand geven en de hitte lang behouden.
Hertaald:
gloeiende
Die namelijk snel vlam vatten, een zeer hete gloed geven en die hitte lang vasthouden.
jeneverkolen
Zie 1 Kon. 19:4 .
Hertaald:
jeneverkolen
Zie 1 Kon. 19:4.
in Mesech,
Dat is, onder een onheilig en goddeloos volk, gelijk de nakomelingen van Mesech en Kedar waren. Zie Gen. 10:2 , en Gen. 25:13 .
Hertaald:
in Mesech,
Dat is: onder een onheilig en goddeloos volk, zoals de nakomelingen van Mesech en Kedar waren. Zie Gen. 10:2, en Gen. 25:13.
Kedars woon
Kedar is geweest de zoon van Ismaël, Gen. 25:13 , wiens kinderen in het steenachtig Arabië woonden en zich in tenten onthielden; Jes. 21:13 , Jes. 21:17 .
Hertaald:
Kedars woon
Kedar is een zoon van Ismaël geweest, Gen. 25:13; zijn kinderen woonden in het rotsachtige Arabië en verbleven in tenten; Jes. 21:13, Jes. 21:17.
Mijn ziel heeft
Anders: mijne ziel, [dat is, ik] heeft voor hen lang gewoond; en, voor hen, of voor zich; dat is, naar hun dunken, gelijk Ps. 123:4 .
Hertaald:
Mijn ziel heeft
Anders: mijn ziel — dat is: ik — heeft voor hen lang gewoond; en: voor hen, of voor zich, dat is: naar hun idee, zoals Ps. 123:4.
bij degenen,
Met deze woorden geeft die van Mesech en Kedar verstaat.
Hertaald:
bij degenen,
Met deze woorden bedoelt hij de mensen van Mesech en Kedar.
Ik ben vreedzaam;
Hebr. Ik ben vrede. Zie de gelijke manier van spreken Ps. 109:4 , en zie de aantekening aldaar, alsook op 2 Sam. 17:3 .
Hertaald:
Ik ben vreedzaam;
Hebreeuws: ik ben vrede. Zie dezelfde manier van spreken in Ps. 109:4, en zie de aantekening daar, en ook bij 2 Sam. 17:3.
als ik spreek,
Dat is, als ik spreek of vermaan van vrede, zo vallen zij straks aan het oorlogen. Of, zij mogen mij niet horen spreken.
Hertaald:
als ik spreek,
Dat is: zodra ik over vrede spreek of ertoe vermaan, beginnen zij meteen oorlog te voeren. Of: zij kunnen mij niet horen spreken. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Een nomadisch woestijnvolk en -gebied in Noord-Arabië, ten oosten van Kanaän, zonder vaste, door de Schrift aangeduide grenzen. Geschiedenis: De psalmist klaagt in Ps. 120:5 dat hij "woont bij de tenten Kedars" — een beeld van ballingschap temidden van ruwe, twistzieke naburen, ver van Sions vrede. Kedar wordt elders geroemd om zijn talrijke kudden schapen en geiten (Jes. 60:7; Ez. 27:21) en tegelijk, in de profetieën, aangekondigd als onderworpen aan een komend oordeel om zijn hoogmoed (Jes. 21:16-17; Jer. 49:28-33). Bijbelse betekenis: De "tenten van Kedar" worden in de Schrift een blijvend beeld van het leven in een vreemde, onherbergzame omgeving temidden van hen die de vrede niet liefhebben (Ps. 120:6-7) — een treffend zinnebeeld van de staat van elke gelovige die, ver van het hemelse Sion, nog als vreemdeling en bijwoner op aarde verkeert. Recente inzichten: Wordt doorgaans gezocht onder de nomadische Arabische stammen van het huidige Noord-Arabische/Syrische woestijngebied. Gen. 25:13; Ps. 120:5-7; Jes. 21:16-17; 60:7; Jer. 49:28-33; Ez. 27:21 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas "Een lied op Hammaaloth" (Ps. 120:1). Dat opschrift staat boven vijftien psalmen op rij (Ps. 120 tot Ps. 134). Het woord betekent opgangen of trappen; het zijn vermoedelijk de liederen die de pelgrims zongen terwijl zij naar Jeruzalem optrokken. De reeks begint ver van huis: "Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord" (Ps. 120:1). De nood is het spreken van anderen: "O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong" (Ps. 120:2). Hij woont onder vreemden: "O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone" (Ps. 120:5). En het slot: "Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog" (Ps. 120:7). Bijbelse betekenis: De reeks pelgrimsliederen begint dus niet in Jeruzalem maar zo ver mogelijk daarvandaan, tussen mensen die de vrede haten. Dat is een eerlijk begin: wie optrekt naar Gods huis, komt uit een plaats waar hij zich niet thuis voelt. Merk op waar hij last van heeft. Niet van geweld maar van tongen; de valse lip is in deze psalm het scherpst getekend, met pijlen en gloeiende kolen als beeld. Let ten slotte op Ps. 120:7. Hij zegt niet dat hij vrede zoekt maar dat hij vrede ís, en zelfs dan loopt het spreken uit op strijd. Sommige verhoudingen zijn niet met goede wil recht te trekken, en dat mag gezegd worden. Typologie: Paulus erkent diezelfde grens: "Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen" (Rom. 12:18). Ps. 120:1-7; Rom. 12:18 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech verblijf, dat ik woon in de tenten van Kedar. Psalm 120 vers 5… 1 Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord. 2 O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen,… Menende dat Hij in het gezelschap op de weg was. Lucas 2:44 Allen die destijds hier tegenwoordig waren zullen zich zeker nog wel onze overdenking herinneren van de woorden:… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 120
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Als christen in een goddeloze wereld
Psalm 120
Sommigen meenden dat Hij in het gezelschap was


Psalmen 120
Psalmen 120:1.KruisverwijzingenPsalmen 18:6→Jona 2:2→Hebreeën 5:7→Psalmen 124:1→Psalmen 122:1→Psalmen 134:1→Psalmen 131:1→Psalmen 128:1→
— Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
De laster veroorzaakt de smartelijkste soort benauwdheid. Wie de snede van een wrede tong gevoeld hebben, weten zeker dat die scherper is dan het zwaard. De kwaadsprekerij wekt onze verontwaardiging door een gevoel van onrecht, en toch bevinden wij ons hulpeloos om het kwaad te bestrijden of ons te verweren. De slagen van een zwaard zouden wij kunnen afweren, maar een tong doorsteekt zonder dat men haar keren kan.
Psalmen 120:2.KruisverwijzingenPsalmen 52:2→Psalmen 109:1→Psalmen 35:11→Mattheüs 26:59→Psalmen 140:1→Spreuken 12:22→
— O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
Lippen zijn zacht; maar zijn zij valse lippen, dan zuigen zij het leven uit iemands goede naam en zijn zij zo moorddadig als scheermessen. Lippen behoren nooit rood te zijn van het bloed van de goede naam van eerlijke mensen, en nooit gezalfd met boosaardige leugens. Het vermogen van de spraak wordt een vloek wanneer het verlaagd wordt tot een laf wapen om mensen achter hun rug te slaan.
Psalmen 120:3-4.KruisverwijzingenPsalmen 45:5→Mattheüs 16:26→Job 27:8→Romeinen 6:21→Jakobus 3:5→Spreuken 19:5→Psalmen 7:13→Spreuken 11:18→
— Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen? Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
De psalmist lijkt geen passende straf te kunnen vinden. Het is de ergste van alle overtredingen, dit kleineren en belasteren; en er zou een scherp en verpletterend oordeel voor uitgemeten worden als mensen om hun overtredingen bezocht werden. Maar welke straf zou zwaar genoeg zijn? Wat zal God met valse tongen doen?
Psalmen 120:5-7.KruisverwijzingenEzechiël 27:13→Genesis 10:2→Genesis 25:13→Hooglied 1:5→Psalmen 109:4→Micha 7:1→Jeremia 49:28→Jesaja 60:6→
— O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone. Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten. Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
Wat een last is het te wonen onder mensen die de vrede haten! De psalmist was vreedzaam, en toch werd hij bestreden. Ik ben vreedzaam — maar zodra ik spreek, zijn zij voor de oorlog. Dat is het deel geweest van veel van Gods knechten, en zij mogen hier hun eigen klacht vinden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een lied Hammaälôth 1).
Wij hebben hier voor ons het eerste der 15 liederen (Psalm 120-134 vlg. (1 Kronieken 25: 31), die niet alleen ten opschrift hebben een lied (Schir), maar daarbij gevoegd “de opstijging” (hammaälôth)). Deze uitdrukking bevat veel raadselachtigs en is daarom op verschillende wijzen verklaard. De Joodse uitleggers menen, dat die naam daarop ziet, dat deze 15 Psalmen op den avond van den eersten feestdag van ‘t Loofhuttenfeest (Leviticus 23: 43 ) zullen gezongen zijn op de 15 treden van den halvemaan vormigen trap van den tempel, die uit den voorhof der vrouwen naar dien der mannen voerde (Matth. 4: 7 ), terwijl boven in het portaal twee priesters met trompetten stonden en op een geschikt ogenblik met hun geklank invielen. Alsdan zou men eigenlijk moeten overzetten “trappsalmen.” Luther brengt de uitdrukking in overeenstemming met de inrichting der Christelijke kerken in de middeleeuwen, volgens welke de priesters, die verplicht waren tot het zingen der Horae, op enige koorstoelen in de ruimte van het altaar, het zogenaamde hoge koor (1 Koningen 6: 16), hun plaats hadden, en de zangers uit de leken, die de kerkelijke muziekstukken moesten uitvoeren daarentegen op het orgelkoor tegenover het altaar geplaatst waren. Hij noemt deze Psalmen “liederen in hoger koor.” Hierbij heeft hij niet gedacht aan ene stemverheffing (2 Kronieken 20: 19), en de liederen als zeer verhevene willen aanwijzen. Dat zijn ze geenszins, integendeel ontbreekt daaraan het vuur der geestdrift en de korte zaakrijke rede, waardoor zo vele vroegere Psalmen zich onderscheiden; integendeel is hun een stille, zachte ernst, een heilige weemoed eigen, ook al gevoelt men nevens den ernst en den weemoed iets lieflijks en teders. Luther zelf heeft aan zijne vertaling de volgende verklaring gegeven: “Ik houd het daarvoor, dat deze Psalmen zo genoemd zijn, omdat zij op ene hogere plaats, in een hoger koor door de Levieten of priesters gezongen zijn.” Intussen heeft deze gehele verklaring iets zo uitwendigs, en komt die zo weinig met de betekenis van het woord overeen, dat zij moeilijk de ware kan zijn; bovendien is het minstens twijfelachtig, of de tweede tempel reeds die inrichting met 15 trappen had voordat Herodes dien had laten ombouwen. Integendeel hebben de trappen wel hun ontstaan aan onze Psalmen te danken. Veel beter is ene andere verklaring, die den naam in den zin van pelgrimsliederen opneemt, zodat het opschrift betekent: liederen, die bij het trekken naar Jeruzalem moesten gezongen worden. Hierbij is echter de mening te verwerpen, die aanneemt, dat de liederen gemaakt waren om te zingen bij het terugkeren uit de Babylonische ballingschap, dat in Ezra 7: 9 als een optrekken wordt voorgesteld; zij zijn bestemd geweest, niet om voor eenmaal, maar om op verschillende tijden en op onderscheidene tochten gebruikt te worden. Ook David en Salomo hebben enige van deze 15 liederen vervaardigd, voor wier profetische blik de Babylonische ballingschap nog verborgen was. Zonder twijfel is de mening juist, welke deze voor liederen der optochten houdt,” d.i. liederen, die door de reizigers, welke telken jare tot de hoge feesten te Jeruzalem heengingen, moesten worden gezongen. Uit Jes. 30: 29 blijkt, dat de pelgrims onder muziek en zang naar de plaats van het heiligdom heentrokken. Nog tegenwoordig ontmoet men in Palestina meermalen gezelschappen van reizigers, die onder weg hun liederen zingen (vgl. Genesis 31: 27). Wij hebben bij Ezra 4: 24 aangetoond, hoe David er toe kwam, om met het dichten van dergelijke liederen een begin te maken. Men heeft beproefd de 15 nummers van dit reispsalmboek volgens stations te rangschikken. Psalm 120 bij het opgaan uit den vreemde; 121 bij het eerste zien der vaderlandse bergen; 122 bij het intrekken in het heilige land; 123-131 herinneringen en gewaarwordingen, welke op den val en het herstel van het uitverkoren volk doelen; 132 bij het eerste zien der heilige stad; 133 bij het intrekken van haar; 134 bij het ingaan in den tempel. Dit is kunstig bedacht; toch ligt aan de gedachte iets waars ten grondslag, waarvan wij ons bij de verklaring zelf zullen overtuigen. Nog is er ene andere verklaring van de uitdrukking, waarover wij spreken, die evenveel recht heeft als de laatstgenoemde en die wij daarom daarmee verbinden; men verklaart de “liederen der opstijgingen van den eigenaardigen versbouw in deze 15 Psalmen, daar steeds het volgende vers of de volgende afdeling een hoofdwoord of ene hoofdgedachte uit het vorige vers of de vorige afdeling opneemt, en zo de rede, als op een ladder met verschillende sporten tot de hoogte opstijgt, waarnaar zij streeft. Het sterkst zien wij deze trappen-rythmus, die wij ook elders in de Hebreeuwse poëzie aantreffen (vgl. Richt 5: 3,5,6 en Jes. 17: 12 vv. 26: 5, vv.) in Psalm 121. Deze wordt ook in de andere Psalmen, die tot deze liederen behoren, gevonden.
Niet zonder reden, zegt Delitzsch, laat de verzamelaar op Psalm 119 juist dit lied der opgangen volgen: het sluit zich nauw aan het laatste vers van dien Psalm aan. De vervaardiger van Psalm 119, rondom door afval en vervolging omgeven, vergelijkt zich bij een verloren schaap, dat de Herder moet opzoeken en naar huis halen, zo het niet zal omkomen. Ook de vervaardiger van Psalm 120 is als een schaap midden onder wolven (Matth. 10: 16. Luk. 10:
. Hij bidt klagende om redding uit zijne vijandige, twistzieke omgeving. Klaar en duidelijk komt daar de zinspeling voor op de vijandige lasteringen, met welke de Samaritanen de uit de ballingschap teruggekeerde Joden vervolgden, toen deze hun deelneming aan den tempelbouw hadden geweigerd (Ezra 4: 24 ); door openbare leugenen en valse beschuldigingen wisten zij het zo ver te brengen, dat het bouwen van den tempel verboden werd, en nu klaagt hier de juist uit den nood der ballingschap geredde gemeente, door den mond van enen met den Geest vervulden zanger uit haar midden (wellicht een van de in Ezra 2: 41 vermelde kinderen van Asaf) over de op nieuw haar veroorzaakte ellende. Het lied was echter ook in lateren tijd voor degenen, die ter feestviering optrokken, geschikt, wanneer zij op hun reis naar Jeruzalem, uit Galilea langs Samaria moesten omreizen, om den haat der Samaritanen te ontgaan (Luk. 9: 51 vv.). In sommige Duitse Bijbels vindt men het opschrift: “Stille tranen in Kedar,” en zo bespeurt men ook werkelijk, merkt Rieger aan, in dezen Psalm een naar God gekeerd hart, dat zich onder den druk in het jammerdal opheft, en in ‘t bijzonder de verzoeking, om door boze tongen te worden aangegrepen, overwint.
I. Vs. 1 KruisverwijzingenPsalmen 18:6→Jona 2:2→Hebreeën 5:7→Psalmen 124:1→Psalmen 122:1→Psalmen 134:1→Psalmen 131:1→Psalmen 128:1→
— Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
en 2. Gedachtig aan de reeds opgedane ervaring, dat het bidden helpt, wendt zich, in hare tegenwoordige, weer zo treurige toestanden, toen leugenaars en lasteraars haar van rondom omringden, de gemeente tot den Heere met de bede om redding ook uit dezen nood. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijne benauwdheid, zo dikwijls ik daarin was, en Hij heeft mij verhoord, 1) dat heeft de bevrijding van de ellende der ballingschap in Babel mij genoegzaam bewezen.
Of, ik roep tot den Heere in mijne benauwdheid, zo verhoort Hij mij. Dit wil dan niet zeggen, dat hij nu alleen roept, maar dat hij deze ervaring heeft, dat telkens, wanneer hij tot den Heere riep uit de benauwdheid, de Heere hem verhoorde, en daarom te midden van zijn druk en lijden vertroostte. Ook nu verkeert bij weer in grote ellende. Valse lippen zijn tegen hem opgestaan, valse aanklachten zijn tegen hem ingediend. En daarom zal hij ook nu zijn toevlucht nemen tot zijn Verbonds-God, om van Hem alleen afwending van druk te verwachten.
a) o HEERE! zo spreek ik dan, vol van vertrouwen, dat ik op het gebed in mijnen tegenspoed verhoring zal vinden, red mijne ziel van de valse lippen, die het op vernietiging van ons volksbestaan toeleggen, terwijl zij den tempelbouw zoeken te verhinderen, van de bedrieglijke tong, die mij met dat doel bij de koningen van Perzië in verdenking zoekt te brengen (Ezra 4: 4 vv.).
1 Samuel 24: 10; 26: 19. Het is een van de voornaamste kentekenen van het volk Gods, dat het aan zijnen God, gelijk een kind aan de moeder gewend is, dat het in alle omstandigheden deze rechte deur zoekt en vindt en dat het dit ook tot roem van God gaarne belijdt. Duizendmaal spreekt Israël deze ervaring tot eigen troost en versterking uit, en alzo is ook hier aan de spits van deze volksliederen, die ieder kende en in ‘t harte droeg, ene hoog omhoog gestoken banier, onder welker beschermend teken het vast in ‘t geloof daarheen wandelt. Het wil daarmee zeggen, wat zijn zalige praxis is, hoe God Zijn volk kent, en hoe het volk zijnen God kent en weet (Jer. 9: 24): “Wij roepen, Hij antwoordt.” Zolang een hart hoopt en gelooft en bestendig in het gebed blijft, zolang is het onoverwonnen.
De gemeente des Heeren heeft behalve van openbare en besliste vijanden ook van valse broeders te lijden, die wanneer aan hunnen eis om volkomene erkenning niet kan worden voldaan, verbitterd worden en zich op elke wijze, in ‘t bijzonder door de wapenen van leugen en laster zoeken te wreken. Dat leerde Israël na het terugkeren uit de ballingschap in ene smartelijke ervaring aan de Samaritanen. Deze, die in hun hart nog voortdurend, evenals vroeger, heidenen waren, meenden dat hun halve belijdenis van Israëls God, die niet uit een dieperen wortel des geloofs voortkwam, van God, die zich nooit als hun God geopenbaard had en dien zij op eigen hand dienden, hun aanspraak gaf, om met gelijke rechten als Israël ene afdeling van het rijk van God te zijn, en als hun dit ontzegd werd, werden zij Israëls meest verbitterde vijanden.
Wonden. door ene vijandige en scherpe tong arglistig veroorzaakt, branden meer dan vuur, maar God heeft daarvoor balsem.
3.
II. Vs. 3 KruisverwijzingenMattheüs 16:26→Job 27:8→Romeinen 6:21→
— Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
en 4. De valse tong, het hoofdwoord in de vorige gedachte wordt wederopgevat: nu wil de gemeente uitspreken, hoezeer zij heeft te lijden onder hetgeen haar wordt aangedaan. Zij doet dat in den vorm ener vraag, op welke zij aanstonds het antwoord bij de hand heeft.
Wat zal U, zo zou misschien iemand, die zelf nog gene ondervinding heeft opgedaan van zulk ene treurige zaak, als mij thans nederdrukt, ten opzichte van de zo even uitgesprokene klacht mij toevoegen-wat zal U de bedrieglijke tong geven, wanneer gij slechts een grond geweten hebt; of wat zal zij U toevoegen, daar toch hare lasterende rede geen geloof zal vinden bij weldenkenden?
Dit is echter gemakkelijk te zeggen, zo lang men zelf nog niets van de valse tong te lijden had, wanneer men het echter ondervindt zal men wel integendeel zeggen: de lasterende woorden zijn a) scherpe pijlen eens machtigen vijands, pijlen die juist treffen en ter dood toe wonden (Nehemia 9: 3. (Psalm 52: 4; 64: 4), mitsgaders gloeiende jeneverkolen 1) (Num 33: 18 ), die weken lang voortglimmen en van welke de meest verterende gloed uitgaat (Jak. 3: 5 v.)
Psalm 11: 2; 59: 8.
Volgens de mening der Arabieren geeft de Genisten, brem- of jeneverstruik de beste houtskolen; deze kolen moeten volgens het bericht van Hiëronymus zeer lang aanblijven, zelfs een jaar lang onder de as voortglimmen. Het is veel gemakkelijker, zegt Fris in zijne uitlegging der Psalmen, ene grote wonde te helen, dan ene lastering goed te maken, die de leugenachtige tong heeft uitgesproken.
5.
III. Vs. 5-7.KruisverwijzingenEzechiël 27:13→Genesis 10:2→Genesis 25:13→Hooglied 1:5→Psalmen 109:4→Micha 7:1→Jeremia 49:28→Jesaja 60:6→
— O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone. Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten. Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
Met de diepe zucht: “O wee mij!” terugwijzende op de beelden, die zij te voren bezigde, om haar lijden uit te drukken, gaat de klagende gemeente aanstonds over tot ene verdere zinnebeeldige voorstelling daarvan, en heeft het met haar “wonen” en met haar verlangen naar “vrede” te doen. Zij komt niet ver boven de weeklacht, maar sluit met den schrillen wanklank: “Vrede van de ene en strijd van de andere zijde; ” naar “boven dezen dissonant zweeft het hulpgeschrei, waarmee het lied begon, en dat de opheffing van dien toestand afsmeekte.”
O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik onder mensen van zo ruwe gemoederen als de Moschers, die tussen de Zwarte en Kaspische zee wonen (Genesis 10: 2), moet vertoeven: dat ik, alhoewel ik mij hier in mijn vaderland bevind, waarin ik toch een rustig en stil leven mag verwachten, toch als in de tenten Kedars wone, alsof ik mij bevond onder de strijdzuchtige en twistzieke Kedarenen (Genesis 25: 13; 16: 12)! Volgens onze wijze van spreken zouden wij zeggen: onder Turken en Hottentotten. “De ware kerk heeft ten allen tijde onder de wreedste vijanden en onder den druk moeten leven. (2 Tim. 3: 12)” Het is uw plicht om als een Christen te midden ener goddeloze wereld te leven, en het zal u weinig baten uit te roepen: O wee mij! Jezus bad niet, dat Hij uit de wereld zou worden weggenomen, en gij behoeft niet te begeren datgene, waarom Hij niet gebeden heeft. Het is verreweg beter de moeilijkheden in de kracht des Heeren tegen te gaan en Hem daarin te verheerlijken. De vijand is immer op de wacht om enige tegenstrijdigheid in uw gedrag te ontdekken; wees daarom zeer heilig. Bedenk dat aller oog op u gevestigd is, en dat van u meer dan van andere mensen verwacht wordt. Tracht gene aanleiding tot blaam te geven. Laat uwe goedheid de enige fout zijn, die zij in u kunnen ontdekken. Dwing hen van u te zeggen, gelijk zij van Daniël zeiden: Wij zullen tegen dezen Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods. Tracht zowel nuttig als u zelven gelijk te zijn. Misschien denkt gij: indien ik in een meer gunstigen toestand verkeerde, zou ik de zaak des Heeren kunnen dienen, maar ik kan niets goeds doen, waar ik mij nu bevind; doch hoe goddelozer de mensen zijn, in wier midden gij leeft, des te meer behoefte hebben zij aan uwe pogingen om hen te behouden; indien zij gebogen zijn, des te meer behoeven zij door u te worden recht gemaakt; en indien zij afkerig zijn, des te meer moet gij hun trotse harten tot de waarheid keren. Waar is de geneesmeester anders nodig dan daar, waar vele kranken zijn? Waar elders is voor den krijgsman roem te behalen dan in het heetste van den strijd? En wanneer gij afgemat zijt door den strijd en de zonde, die u aan alle zijden ontmoeten, bedenk dan dat alle gelovigen door dezelfde beproeving zijn gegaan. Zij werden niet op donzen bedden ten hemel gedragen, en gij moet niet verwachten gemakkelijker dan zij te zullen reizen. Zij werden geroepen om hun leven tot in den dood te wagen op de hoogten des slagvelds, en gij zult niet eerder gekroond worden, voordat gij verdrukking geleden hebt als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. Zo dan, staat in het geloof, houdt u manlijk, zijt sterk.
Was Mesech een volksstam, die woonde in het tegenwoordige Iberië, en bekend was door zijn zucht naar oorlog, de Kedaren stamden af van Ismaël en waren een nomadenvolk, evenzeer strijdlustig als wreed. Nu wil natuurlijk de dichter niet zeggen, dat hij zich aldaar plaatselijk bevond, maar dat de vijanden, die hem lasterden en in wier midden hij moest verkeren, denzelfden aard hadden, als die strijdlustige volken.
Mijne ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten, zodat ik al dien strijd en twist moede ben.
Ik ben vreedzaam 1) woordelijk: ik ben vrede, maar als ik spreek, als ik slechts den mond open om iets te zeggen, al is het nog zo wel gemeend en dienende tot vrede en welzijn (Rom. 14: 19), zijn zij aan den oorlog, en zoeken in het onschuldigste woord aanleiding tot nieuwe aanvallen.
Wanneer hij zegt: ik ben vreedzaam, dan is dit een verkorte spreekwijze, maar geen duistere, nl. dat geen belediging door hem is gedaan, waardoor gelegenheid tot haat was gegeven. Verder zegt hij, dat hij heeft getracht om hen, die beledigd waren tot zachtheid te stemmen en tot eendracht te bewegen. Want spreken heeft hier dezelfde kracht, als de voorwaarden tot vrede aan te bieden, of over verzoening te handelen.
Het is onjuist vast te stellen, dat bij ontstane onenigheid aan beide zijden de schuld is.
Ook Paulus (Rom. 12: 18) vermaant met alle mensen vrede te houden, maar wel vooruit ziende dat dit niet alleen van ons zou afhangen, heeft hij er de beperking bijgevoegd: “zoveel mogelijk is, zoveel in u is.
Geloof en verdraag, bemin en waak; in weinige uren is het overwonnen (Genesis 25: 14). Daar wij niet alleen op David zien, maar op Jezus, den Vredevorst, en Hem omringd zien door lippen der leugen en door bedrieglijke tongen- daar wij zien hoe lang de heilige Redder op deze goddeloze wereld vertoefde-daar wij Zijn leven gadeslaan en de grote reden van Zijne komst in de wereld, om vrede te maken en te geven door het bloed des kruises, en toch Hem ter dood toe gehaat en vervolgd zien, kunnen wij er ons niet over verwonderen indien de wereld den gelovige haat. Wij zullen niet zoeken de vriendschap met hen, die den strijd zouden ondernemen tegen den Zoon Gods, indien Hij op aarde ware en wij zullen niet klagen, wanneer wij voor een tijd moeten wonen te midden van strijdzuchtigen en goddelozen. Maar laat ons David volgen, als het voorbeeld van Christus; laat ons in onze droefheid schreeuwen tot den Heere, en Hij zal ons horen. Dat wij onze zielen in lijdzaamheid bezitten en najagen vrede en heiligheid, strevende om het kwade te overwinnen door het goede, en in zachtmoedigheid degenen, die rondom zijn, waarschuwende voor het gevaarlijke van hun toestand.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel