Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
LoofH1288 den HEEREH3068, mijn zielH5315! O HEEREH3068, mijn GodH430! Gij zijt zeerH3966 groot, Gij zijt bekleedH3847 met majesteitH1935 en heerlijkheidH1926.
Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
KJV
Bless1
the LORD,4
O my soul.2
O LORD5
my God,6
thou art very8
great;7
thou art clothed11
with honour9
and majesty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Hij bedektH5844 Zich met het lichtH216, als met een kleedH8008; Hij rektH5186 den hemelH8064 uit als een gordijnH3407.
Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
KJV
Who coverest1
thyself with light2
as with a garment:3
who stretchest out4
the heavens5
like a curtain:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Die Zijn opperzalenH5944 zoldertH7136 in de waterenH4325, Die van de wolkenH5645 Zijn wagenH7398 maaktH7760, Die opH5921 de vleugelenH3671 des windsH7307 wandeltH1980.
Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
KJV
Who layeth the beams1
of his chambers3
in the waters:2
who maketh4
the clouds5
his chariot:6
who walketh7
upon the wings9
of the wind:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hij maaktH6213 Zijn engelenH4397 geestenH7307, Zijn dienaarsH8334 tot een vlammendH3857 vuurH784.
Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
KJV
Who maketh1
his angels2
spirits;3
his ministers4
a flaming6
fire:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Hij heeft de aardeH776 gegrondH3245 opH5921 haar grondvestenH4349; zij zal nimmermeerH5769 noch eeuwiglijkH5703 wankelenH4131.
Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
KJV
Who laid1
the foundations4
of the earth,2
that it should not be removed6
for ever.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Gij hadt ze met den afgrondH8415 als een kleedH3830 overdektH3680; de waterenH4325 stondenH5975 bovenH5921 de bergenH2022.
Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
KJV
Thou coveredst3
it with the deep1
as with a garment:2
the waters7
stood6
above the mountains.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
VanH4480 Uw scheldenH1606 vlodenH5127 zij, zij haasttenH2648 zich weg voor de stemH6963 Uws dondersH7482.
Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
KJV
At1
thy rebuke2
they fled;3
at the voice5
of thy thunder6
they hasted
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De bergenH2022 rezenH5927 op, de dalenH1237 daaldenH3381, ter plaatseH4725, dieH2088 Gij voor hen gegrondH3245 hadt.
De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
KJV
They go up1
by the mountains;2
they go down3
by the valleys4
unto the place6
which7
thou hast founded
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Gij hebt een paalH1366 gesteldH7760, dien zij niet overgaanH5674 zullen; zij zullen de aardeH776 niet weder bedekkenH3680.
Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
KJV
Thou hast set2
a bound1
that they may not pass over;4
that they turn not again6
to cover7
the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Die de fonteinenH4599 uitzendtH7971 door de dalenH5158, dat zij tussenH996 de gebergtenH2022 henen wandelenH1980.
Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.
KJV
He sendeth1
the springs2
into the valleys,3
which run6
among the hills.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Zij drenkenH8248 alH3605 het gedierteH2416 des veldsH7704; de woudezelsH6501 brekenH7665 er hun dorstH6772 mede.
Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
KJV
They give drink1
to every beast3
of the field:4
the wild asses6
quench5
their thirst.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
BijH5921 dezelve woontH7931 het gevogelteH5775 des hemelsH8064, een stemH6963 gevendeH5414 van tussenH996 de takkenH6073.
Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
KJV
By them shall the fowls2
of the heaven3
have their habitation,4
which sing7
among5
the branches.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Hij drenktH8248 de bergenH2022 uit Zijn opperzalenH5944; de aardeH776 wordt verzadigdH7646 van de vruchtH6529 Uwer werkenH4639.
Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
KJV
He watereth1
the hills2
from his chambers:3
the earth7
is satisfied6
with the fruit4
of thy works.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Hij doet het grasH2682 uitspruitenH6779 voor de beestenH929, en het kruidH6212 tot dienstH5656 des mensenH120, doende het broodH3899 uitH4480 de aardeH776 voortkomenH3318.
Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.
KJV
He causeth the grass2
to grow1
for the cattle,3
and herb4
for the service5
of man:6
that he may bring forth7
food8
out of the earth;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En den wijnH3196, die het hartH3824 des mensenH582 verheugtH8055, doende het aangezichtH6440 blinkenH6670 van olieH8081; en het broodH3899, dat het hartH3824 des mensenH582 sterktH5582.
En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
KJV
And wine1
that maketh glad2
the heart3
of man,4
and oil7
to make his face6
to shine,5
and bread8
which strengtheneth11
man's10
heart.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
De bomenH6086 des HEERENH3068 worden verzadigdH7646, de cederbomenH730 van LibanonH3844, dieH834 Hij geplantH5193 heeft;
De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
KJV
The trees2
of the LORD3
are full1
of sap; the cedars4
of Lebanon,5
which he hath planted;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Alwaar de vogeltjesH6833 nestelenH7077; des ooievaarsH2624 huisH1004 zijn de dennebomenH1265.
Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.
KJV
Where the birds3
make their nests:4
as for the stork,5
the fir trees6
are her house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De hogeH1364 bergenH2022 zijn voor de steenbokkenH3277; de steenrotsenH5553 zijn een vertrekH4268 voor de konijnenH8227.
De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
KJV
The high2
hills1
are a refuge5
for the wild goats;3
and the rocks4
for the conies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Hij heeft de maanH3394 gemaaktH6213 tot de gezette tijdenH4150, de zonH8121 weetH3045 haar ondergangH3996.
Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
KJV
He appointed1
the moon2
for seasons:3
the sun4
knoweth5
his going down.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Gij beschiktH7896 de duisternisH2822, en het wordt nachtH3915, in denwelken alH3605 het gedierteH2416 des woudsH3293 uittreedtH7430:
Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
KJV
Thou makest1
darkness,2
and it is night:4
wherein all the beasts8
of the forest9
do creep
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De jonge leeuwenH3715, briesendeH7580 om een roofH2964, en om hun spijsH400 van GodH410 te zoekenH1245.
De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
KJV
The young lions1
roar2
after their prey,3
and seek4
their meat6
from God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De zonH8121 opgaandeH2224, maken zij zich wegH622, en liggen nederH7257 in hun holenH4585.
De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
KJV
The sun2
ariseth,1
they gather themselves together,3
and lay them down6
in their dens.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
De mensH120 gaat dan uit tot zijn werkH6467, en naar zijn arbeidH5656 totH5704 den avondH6153 toe.
De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
KJV
Man2
goeth forth1
unto his work3
and to his labour4
until the evening.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
HoeH7231 groot zijn Uw werkenH4639, o HEEREH3068! Gij hebt ze alleH3605 met wijsheidH2451 gemaaktH6213; het aardrijkH776 is volH4390 van Uw goederenH7075.
Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
KJV
O LORD,4
how manifold2
are thy works!3
in wisdom6
hast thou made7
them all: the earth9
is full8
of thy riches.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Deze zeeH3220, die grootH1419 en wijdH7342 van ruimteH3027 is, daarin is het wriemelende gedierteH7431, en dat zonderH369 getalH4557, kleineH6996 gediertenH2416 metH5973 groteH1419.
Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
KJV
So is this great3
and wide4
sea,2
wherein are things creeping7
innumerable,9
both small11
and great13
beasts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
DaarH8033 wandelenH1980 de schepenH591, en de LeviathanH3882, dienH2088 Gij geformeerdH3335 hebt, om daarin te spelenH7832.
Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
KJV
There go3
the ships:2
there is that leviathan,4
whom thou hast made6
to play
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Zij allenH3605 wachtenH7663 op U, dat Gij hun hun spijzeH400 geeftH5414 te zijner tijdH6256.
Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
KJV
These wait3
all upon thee; that thou mayest give4
them their meat5
in due season.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
GeeftH5414 Gij ze hun, zij vergaderenH3950 ze; doet Gij Uw handH3027 openH6605, zij worden met goedH2896 verzadigdH7646.
Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
KJV
That thou givest1
them they gather:3
thou openest4
thine hand,5
they are filled6
with good.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
VerbergtH5641 Gij Uw aangezichtH6440, zij worden verschriktH926; neemt Gij hun ademH7307 wegH622, zij stervenH1478, en zij kerenH7725 weder totH413 hun stofH6083.
Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
KJV
Thou hidest1
thy face,2
they are troubled:3
thou takest away4
their breath,5
they die,6
and return9
to their dust.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
ZendtH7971 Gij Uw GeestH7307 uit, zo worden zij geschapenH1254, en Gij vernieuwtH2318 het gelaatH6440 des aardrijksH127.
Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
KJV
Thou sendest1
forth thy spirit,2
they are created:3
and thou renewest4
the face5
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
De heerlijkheidH3519 des HEERENH3068 zijH1961 tot in der eeuwigheidH5769; de HEEREH3068 verblijdeH8055 Zich in Zijn werkenH4639.
De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
KJV
The glory2
of the LORD3
shall endure for ever:4
the LORD6
shall rejoice5
in his works.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Als Hij de aardeH776 aanschouwtH5027, zo beeftH7460 zij; als Hij de bergenH2022 aanroertH5060, zo rokenH6225 zij.
Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.
KJV
He looketh1
on the earth,2
and it trembleth:3
he toucheth4
the hills,5
and they smoke.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Ik zal den HEEREH3068 zingenH7891 in mijn levenH2416; ik zal mijn GodH430 psalmzingenH2167, terwijlH5750 ik nog ben.
Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
KJV
I will sing1
unto the LORD2
as long as I live:3
I will sing4
praise to my God5
while I have my being.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Mijn overdenkingH7879 van Hem zal zoetH6149 zijn; ikH595 zal mij in den HEEREH3068 verblijdenH8055.
Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
KJV
My meditation3
of him shall be sweet:1
I will be glad5
in the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
De zondaarsH2400 zullen vanH4480 de aardeH776 verdaanH8552 worden, en de goddelozenH7563 zullen nietH369 meerH5750 zijn. LoofH1288 den HEEREH3068, mijn zielH5315! HallelujahH1984!
De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!
KJV
Let the sinners2
be consumed1
out of the earth,4
and let the wicked5
be no more. Bless8
thou the LORD,11
O my soul.9
Praise12
ye the LORD.
Hij bedekt
Of, Hij bekleedt; of omhangt, of bewindt zich. Zie de aantekening bij Job 40:5 .
Hertaald:
Hij bedekt
Of: Hij bekleedt Zich, of omhangt of omwindt Zich. Zie de aantekening bij Job 40:5.
zijn opperzalen
Hierbij worden verstaan de verscheidene streken, die in de lucht of in het uitspansel zijn, waar ook de wolken gelijk als hangende blijven, gelijk vs.13.
Hertaald:
zijn opperzalen
Hieronder worden de verschillende gebieden verstaan die in de lucht of in het uitspansel zijn, waar ook de wolken als het ware blijven hangen, zoals vers 13.
in de wateren,
Of, met de wateren; versta die wateren, die boven in de wolken zijn, Gen. 1:7 . Zie Job 26:8 .
Hertaald:
in de wateren,
Of: met de wateren; versta de wateren die boven in de wolken zijn, Gen. 1:7. Zie Job 26:8.
die van de wolken
Hebr. die de wolken zijnen wagen stelt.
Hertaald:
die van de wolken
Hebreeuws: Die de wolken tot Zijn wagen stelt.
die op de vleugelen
Dat is, op den wind, die snellijk voortvliegt alsof hij vleugelen had. Zie Jes. 19:1 .
Hertaald:
die op de vleugelen
Dat is: op de wind, die snel voortvliegt alsof hij vleugels had. Zie Jes. 19:1.
maakt zijn
Dat is, Hij maakt en gebruikt de engelen als boden om allerlei zaken te verrichten.
Hertaald:
maakt zijn
Dat is: Hij maakt en gebruikt de engelen als boden om allerlei zaken uit te voeren.
geesten,
De apostel, Hebr. 1:7 , op deze spreuk ziende, besluit dat de engelen schepselen en dienstbare geesten zijn, of winden, bij welke de engelen in snelheid mogen vergeleken worden.
Hertaald:
geesten,
De apostel leidt in Hebr. 1:7, met het oog op deze uitspraak, af dat de engelen schepselen en dienende geesten zijn, of winden, waarmee de engelen in snelheid vergeleken mogen worden.
tot een vlammend
Dat is, Hij geeft hun grote sterkte om zijne oordelen uit te richten, alzo dat zij voortvaren en doordringen als vuur. Hiervan worden de engelen serafim genoemd, Jes. 6:2 , hetwelk betekent brandende. Zie 2 Kon. 2:11 , en 2 Kon. 6:17 .
Hertaald:
tot een vlammend
Dat is: Hij geeft hun grote sterkte om Zijn oordelen uit te voeren, zodat zij voortgaan en doordringen als vuur. Daarom worden de engelen serafim genoemd, Jes. 6:2, wat brandende betekent. Zie 2 Kon. 2:11, en 2 Kon. 6:17.
heeft de aarde
De profeet wil hier zeggen dat het aardrijk zo vast van den Heere gegrond is, alsof het op een vasten en sterken bodem, fondament of steunsel stond. Zie de aantekening bij Ps. 24:2 , en Job 26:7 .
Hertaald:
heeft de aarde
De profeet wil hier zeggen dat de aarde zo vast door de Heere gegrond is alsof zij op een vaste en sterke bodem, fundament of steunsel stond. Zie de aantekening bij Ps. 24:2, en Job 26:7.
met den afgrond
Dat is, met de diepe en grondeloze wateren, die God op den eersten dag geschapen heeft; Gen. 1:2 .
Hertaald:
met den afgrond
Dat is: met de diepe en grondeloze wateren die God op de eerste dag geschapen heeft; Gen. 1:2.
overdekt;
Te weten, van het begin der schepping tot aan den derden dag, in welken eerst het aardrijk droog geworden is; Gen. 1:9 ,10. De wateren hebben ook het aardrijk ten tijde van den zondvloed overdekt; Gen. 7:19 .
Hertaald:
overdekt;
Namelijk: van het begin van de schepping tot de derde dag, waarop de aarde pas droog geworden is; Gen. 1:9-10. De wateren hebben de aarde ook overdekt ten tijde van de zondvloed; Gen. 7:19.
Van uw schelden
Het schijnt dat hier door het schelden Gods moeten verstaan worden de sterken winden en stormen. Zie Ps. 18:16 . Anders: van uw schelden; dat is, van uw enrstig bevel. Zie Job 26:12 .
Hertaald:
Van uw schelden
Het lijkt erop dat hier onder Gods schelden de sterke winden en stormen verstaan moeten worden. Zie Ps. 18:16. Anders: van Uw schelden, dat is: van Uw ernstige bevel. Zie Job 26:12.
voor de stem
Dat is, van uw grote en krachtige stem, die als een donder is.
Hertaald:
voor de stem
Dat is: van Uw grote en krachtige stem, die als een donder is.
bergen rezen op,
Of, zij [te weten, de wateren] rezen op de bergen en daalden door de valleien, naar de plaats, die Gij hun [te weten, de wateren] gegrond hadt.
Hertaald:
bergen rezen op,
Of: zij, namelijk de wateren, stegen op over de bergen en daalden af door de dalen, naar de plaats die U voor hen gegrond had.
ter plaatse
Dat is, in de laagten der aarde; Gen. 1:9-10 ; Job 38:10-11 .
Hertaald:
ter plaatse
Dat is: in de laagten van de aarde; Gen. 1:9-10; Job 38:10-11.
zij niet overgaan
Te weten, de wateren. Verg. met de woorden van den tekst Job 26:10 , en Job 38:8 , Job 38:10-11 ; Ps. 148:6 ; Jer. 5:22 .
Hertaald:
zij niet overgaan
Namelijk: de wateren. Vergelijk met de woorden van de tekst Job 26:10, en Job 38:8, Job 38:10-11; Ps. 148:6; Jer. 5:22.
zij zullen de
Te weten, tenzij, Heere, Gij het hun gebiedt, gelijk in den zondvloed geschied is, Hebr. zij zullen niet wederkeren om de aarde te bedekken, of bedekkende de aarde.
Hertaald:
zij zullen de
Namelijk: tenzij U het hun gebiedt, Heere, zoals bij de zondvloed gebeurd is. Hebreeuws: zij zullen niet terugkeren om de aarde te bedekken, of: de aarde bedekkend.
fonteinen
Versta hier door de fonteinen de rivieren en de beken, die haren oorsprong uit de fonteinen nemen, gelijk te zien is uit de naastvolgende woorden.
Hertaald:
fonteinen
Versta hier onder de fonteinen de rivieren en beken die hun oorsprong uit de bronnen nemen, zoals uit de volgende woorden blijkt.
wandelen
Dat is, lopen. Alzo ook Ps. 105:41 .
Hertaald:
wandelen
Dat is: lopen. Zo ook Ps. 105:41.
breken er hun
Te weten, met de wateren der fonteinen en rivieren. Anders: zij lessen er hunnen dorst mede.
Hertaald:
breken er hun
Namelijk: met het water van de bronnen en rivieren. Anders: zij lessen daarmee hun dorst.
het gevogelte
Dat is, de vogels, die in den hemel, dat is in de lucht, vliegen.
Hertaald:
het gevogelte
Dat is: de vogels die in de hemel, dat is: in de lucht, vliegen.
drenkt de
Dat is, Hij bevochtigt hen, te weten, met het regenwater.
Hertaald:
drenkt de
Dat is: Hij bevochtigt ze, namelijk met het regenwater.
uit zijn
Dat is, uit de wolken, gelijk vs.3.
Hertaald:
uit zijn
Dat is: uit de wolken, zoals vers 3.
aarde wordt
Alsof hij zeide: Het aardrijk wordt met den regen zijn dorst geblust, nadat het lang dorst geleden heeft.
Hertaald:
aarde wordt
Alsof hij zei: de dorst van de aarde wordt door de regen gelest, nadat zij lang dorst geleden heeft.
van de vrucht
Dat is, van den regen, welken God alleen geeft; Jer. 10:13 , en Jer. 14:22 . Of, van den regen, die uit uwe werken, o Heere, dat is uit de wolken gelijk als ene vrucht voortkomt. Van den regen wast het koren en gras; idem alle kruiden en boomvruchten. Verg. hiermede Job 38:26-28 ; Deut. 11:14-15 .
Hertaald:
van de vrucht
Dat is: van de regen, die God alleen geeft; Jer. 10:13, en Jer. 14:22. Of: van de regen, die uit Uw werken, o Heere, dat is: uit de wolken, als een vrucht voortkomt. Door de regen groeien het koren en het gras, en ook alle kruiden en boomvruchten. Vergelijk hiermee Job 38:26-28; Deut. 11:14-15.
het gras
Zie de aantekening bij 1 Kon. 18:5 .
Hertaald:
het gras
Zie de aantekening bij 1 Kon. 18:5.
het kruid
Te weten, allerlei kruid tot spijs en tot medicijn.
Hertaald:
het kruid
Namelijk: allerlei kruid tot voedsel en tot geneesmiddel.
het brood
Te weten, het koren, waar het brood van gemaakt wordt, gelijk Job 28:5 ; Pred. 11:1 ; Jes. 28:28 , en Jes. 30:23 . Het woord brood betekent hier, gelijk op vele plaatsen, allerlei spijs.
Hertaald:
het brood
Namelijk: het koren waarvan het brood gemaakt wordt, zoals Job 28:5; Pred. 11:1; Jes. 28:28, en Jes. 30:23. Het woord brood betekent hier, zoals op veel plaatsen, allerlei voedsel.
den wijn,
Te weten, doet Hij voortkomen. Den wijn, dat is, den wijnstok waar de druiven vol wijn aan wassen.
Hertaald:
den wijn,
Namelijk: brengt Hij voort. De wijn, dat is: de wijnstok waaraan de druiven vol wijn groeien.
verheugt,
Zie Richt. 9:9 , Richt. 9:13 ; Ps. 23:5 .
Hertaald:
verheugt,
Zie Richt. 9:9, Richt. 9:13; Ps. 23:5.
van olie;
Het was eertijds zeer gebruikelijk in het Joodse land, dat de mensen hun lichaam, inzonderheid het hoofd en het aangezicht, met olie bestreken om het te verfrissen; Ps. 23:5 .
Hertaald:
van olie;
Het was vroeger in het Joodse land zeer gebruikelijk dat mensen hun lichaam, en vooral hoofd en gezicht, met olie insmeerden om het te verfrissen; Ps. 23:5.
het brood, dat
Dat is, het koren, waar men het brood van maakt.
Hertaald:
het brood, dat
Dat is: het koren waarvan men brood maakt.
sterkt
Of, ondersteunt, onderstut. Zie 1 Kon. 13:7 .
Hertaald:
sterkt
Of: ondersteunt, schraagt. Zie 1 Kon. 13:7.
De bomen
Dat is, de zeer hoge bomen. Zie de aantekening bij Ps. 80:11 , of, die zonder mensenarbeid, alleen door Gods regering, worden opgebracht.
Hertaald:
De bomen
Dat is: de zeer hoge bomen. Zie de aantekening bij Ps. 80:11. Of: de bomen die zonder menselijke arbeid, alleen door Gods bestuur, worden voortgebracht.
worden
Te weten, van den regen. Alsof hij zeide: Hoe groot en hoe hoog de bomen zijn, zo krijgen zij voedsel of lafenis genoeg van den regen om te groeien en te wassen.
Hertaald:
worden
Namelijk: door de regen. Alsof hij zei: hoe groot en hoe hoog de bomen ook zijn, zij krijgen van de regen voedsel en lafenis genoeg om te groeien en op te schieten.
de cederbomen
Deze bomen wassen zeer hoog en groot, inzonderheid op den berg Libanon.
Hertaald:
de cederbomen
Deze bomen groeien zeer hoog en groot, vooral op de berg Libanon.
de vogeltjes
Zie Gen. 7:14 , en Lev. 14:4 .
Hertaald:
de vogeltjes
Zie Gen. 7:14, en Lev. 14:4.
ooievaars
Zie Lev. 11:19 .
Hertaald:
ooievaars
Zie Lev. 11:19.
de dennebomen
Zie 1 Kon. 5:8 .
Hertaald:
de dennebomen
Zie 1 Kon. 5:8.
de steenrotsen
Te weten, de gaten en kloven, die in en tussen de rotsachtige gebergten zijn.
Hertaald:
de steenrotsen
Namelijk: de gaten en kloven die in en tussen de rotsachtige gebergten zijn.
voor de konijnen
Zie Spr. 30:24 , Spr. 30:26 .
Hertaald:
voor de konijnen
Zie Spr. 30:24, Spr. 30:26.
tot de gezette
Zie Gen. 1:14 .
Hertaald:
tot de gezette
Zie Gen. 1:14.
weet haar
Namelijk, waar en wanneer zij tot alle tijden des jaars zal ondergaan. Hebr. haren ingang; te weten, wanneer zij in hare slaapkamer zal gaan. Zie Job 38:12 ; Ps. 19:6 .
Hertaald:
weet haar
Namelijk: waar en wanneer zij in elke tijd van het jaar zal ondergaan. Hebreeuws: haar ingang, namelijk wanneer zij haar slaapkamer binnengaat. Zie Job 38:12; Ps. 19:6.
beschikt de
Te weten, door den ondergang der zon.
Hertaald:
beschikt de
Namelijk: door het ondergaan van de zon.
denwelken
Te weten, nacht.
Hertaald:
denwelken
Namelijk: de nacht.
uittreedt
Te weten, elk uit zijn hol of schuilplaats.
Hertaald:
uittreedt
Namelijk: elk uit zijn hol of schuilplaats.
De jonge leeuwen,
Te weten, kruipen uit hunne holen.
Hertaald:
De jonge leeuwen,
Namelijk: komen uit hun holen.
briesende
Hij wil zeggen dat het briesen der leeuwen is als hun gebed, waarmede zij van God nooddruft des levens verzoeken.
Hertaald:
briesende
Hij wil zeggen dat het brullen van de leeuwen als hun gebed is, waarmee zij van God het nodige voor hun leven vragen.
maken zij zich
Te weten, naar hunne holen. Hebr. zij vergaderen zich.
Hertaald:
maken zij zich
Namelijk: naar hun holen. Hebreeuws: zij verzamelen zich.
holen
Hebr. woningen.
Hertaald:
holen
Hebreeuws: woningen.
arbeid tot
Of, akkerwerk; of landbouwerij.
Hertaald:
arbeid tot
Of: akkerwerk, of landbouw.
Hoe groot
Of, hoe vele.
Hertaald:
Hoe groot
Of: hoe vele.
uw goederen
Dat is, van rijkdommen, die U eigenlijk toebehoren.
Hertaald:
uw goederen
Dat is: van rijkdommen die U eigenlijk toebehoren.
wijd van ruimte
Hebr. wijd aan beide handen; dat is, aan beide zijden breed en ruim, gelijk Gen. 34:21 ; Neh. 7:4 .
Hertaald:
wijd van ruimte
Hebreeuws: wijd aan beide handen; dat is: aan beide zijden breed en ruim, zoals Gen. 34:21; Neh. 7:4.
leviathan, dien
Zie Ps. 74:14 . Dit zeemonster wordt wijdlopig beschreven Job 40:20 .
Hertaald:
leviathan, dien
Zie Ps. 74:14. Dit zeemonster wordt uitvoerig beschreven in Job 40:20.
om daarin te
Evenals de behemoth en andere beesten op de bergen spelen; Job 40:15 .
Hertaald:
om daarin te
Zoals de behemoth en andere dieren op de bergen spelen; Job 40:15.
Zij alle
Te weten, al die dieren, van welke boven gesproken is.
Hertaald:
Zij alle
Namelijk: al die dieren waarover hierboven gesproken is.
hun spijze
Dat is, de spijs, die Gij hun verordineerd hebt.
Hertaald:
hun spijze
Dat is: het voedsel dat U hun toebedeeld hebt.
te zijner tijd
Dat is, ter bekwamer tijd.
Hertaald:
te zijner tijd
Dat is: op de juiste tijd.
goed verzadigd
Zie Job 21:13 .
Hertaald:
goed verzadigd
Zie Job 21:13.
Verbergt Gij
Dat is, als Gij hun uwen zegen onttrekt.
Hertaald:
Verbergt Gij
Dat is: wanneer U hun Uw zegen onttrekt.
neemt Gij
Hebr. vergadert Gij hunne adem.
Hertaald:
neemt Gij
Hebreeuws: vergadert U hun adem.
adem weg,
Hebr. geest.
Hertaald:
adem weg,
Hebreeuws: geest.
zij sterven
Of, zij gaan uit, of zij geven den geest, of zij ademen uit.
Hertaald:
zij sterven
Of: zij gaan uit, of: zij geven de geest, of: zij ademen uit.
tot hun stof
Dat is, tot hetgeen waar zij van gemaakt zijn.
Hertaald:
tot hun stof
Dat is: tot datgene waaruit zij gemaakt zijn.
uw Geest uit,
Versta dit van den Heilige Geest, door welken aanvankelijk alle dingen geschapen zijn, en nu nog onderhouden en vernieuwd worden; gelijk Job 33:4 ; Ps. 33:6 .
Hertaald:
uw Geest uit,
Versta dit van de Heilige Geest, door Wie in het begin alle dingen geschapen zijn en door Wie zij nu nog onderhouden en vernieuwd worden; zoals Job 33:4; Ps. 33:6.
Gij vernieuwt
Te weten, nieuwe schepselen voortbrengende in de plaats van de verstorvene en verdorvene; Pred. 1:4 .
Hertaald:
Gij vernieuwt
Namelijk: doordat U nieuwe schepselen voortbrengt in de plaats van de gestorven en vergane; Pred. 1:4.
verblijde zich
Dat is, dat Hij een goed behagen in zijne werken hebbe om die te onderhouden en niet te verderven; hiervan is het tegendeel dat de Heere gezegd wordt berouw te hebben dat Hij den mens of ander werken geschapen heeft, en die te willen verderven.
Hertaald:
verblijde zich
Dat is: dat Hij een welgevallen in Zijn werken heeft om die te onderhouden en niet te verderven. Het tegendeel daarvan is dat van de Heere gezegd wordt dat Hij er berouw over heeft dat Hij de mens of andere werken geschapen heeft, en dat Hij die wil verderven.
beeft zij;
Te weten, voor zijn grote heerlijkheid en majesteit. Zie Ex. 19:18 .
Hertaald:
beeft zij;
Namelijk: voor Zijn grote heerlijkheid en majesteit. Zie Ex. 19:18.
roken zij
Dat is, een teken van schrik en vaardigheid; gelijk Ps. 144:5 .
Hertaald:
roken zij
Dat is: een teken van schrik en verschrikking, zoals Ps. 144:5.
Mijn overdenking
Of, mijn aandachtige rede.
Hertaald:
Mijn overdenking
Of: mijn aandachtige overdenking.
De zondaars
Anders, O dat de zondaars van de aarde verdaan werden, enz.; te weten, die zich overgeven tot zondigen, gelijk Ps. 1:1 ; Joh. 9:31 , en ondankbaar zijnde, den Heere niet eren in het gebruik zijner schepselen, van welke in deze psalm, tot Gods lof, gesproken is.
Hertaald:
De zondaars
Anders: o, dat de zondaars van de aarde verdelgd werden, enzovoort; namelijk zij die zich aan het zondigen overgeven, zoals Ps. 1:1; Joh. 9:31, en die ondankbaar de Heere niet eren in het gebruik van Zijn schepselen, waarover in deze psalm tot Gods lof gesproken is.
Hallelujah
Dat is, Looft den Heere. Het Hebr. woord Hallelujah heeft de Christelijke kerk van de Joodse kerk behouden, dienende om elkander te verwekken tot Gods lof in de heilige vergaderingen. Zie Openb. 19:1 , Openb. 19:3 .
Hertaald:
Hallelujah
Dat is: looft de Heere. Het Hebreeuwse woord Hallelujah heeft de christelijke kerk van de Joodse kerk overgenomen; het dient om elkaar in de heilige samenkomsten op te wekken tot Gods lof. Zie Openb. 19:1, Openb. 19:3. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot" (Ps. 104:1). De psalm volgt in grote lijnen de volgorde van de scheppingsdagen. God bedekt Zich met het licht als met een kleed en spant de hemel uit als een gordijn (Ps. 104:2). Van de engelen staat er: "Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur" (Ps. 104:4). Halverwege komt de uitroep: "Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt" (Ps. 104:24). En dan volgt het gedeelte dat deze psalm zo bijzonder maakt: alles wacht op God. "Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd" (Ps. 104:27), en: "neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof. Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen" (Ps. 104:29-30). Bijbelse betekenis: Deze psalm beschrijft niet alleen dat God gemaakt heeft maar dat Hij onderhoudt. De schepping staat niet los van Hem als een opgewonden uurwerk; iedere maaltijd van ieder dier komt uit Zijn open hand (Ps. 104:28). Merk op hoe kort de afstand is tussen leven en dood in Ps. 104:29-30. Adem wegnemen en Geest uitzenden zijn hier twee kanten van dezelfde hand. Let ten slotte op Ps. 104:26. De Leviathan, elders het beeld van het onbeheersbare, is hier een dier dat God formeerde om in de zee te spelen; wat de mens vreest, is voor Hem geen bedreiging. Typologie: De Hebreeënbrief haalt Ps. 104:4 aan om te laten zien dat de engelen dienaars zijn en de Zoon niet: "Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaars een vlam des vuurs" (Hebr. 1:7). Ps. 104:1-35; Hebr. 1:7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Wie leert op de juiste wijze te zien op zeeën en bergen, op dieren en vogels, op zon en maan en sterren, die ziet God in alle dingen. Ik zal voor de HEERE zingen in mijn leven, ik zal voor mijn God psalmen zingen, mijn leven lang. Mijn overdenking van Hem zal aangenaam zijn, ík zal… Daar nestelen de vogeltjes, de cipressen zijn het huis voor de ooievaar. De hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen zijn een toevluchtsoord voor de klipdassen. Psalm… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" De bomen van de HEERE worden verzadigd. Psalm 104 vers 16 Zonder sap kan een boom niet bloeien, en zelfs niet… Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten. Psalm 104:14 Hier is nog een les wat de leer betreft. Er staat: ‘Hij doet het gras uitspruiten.’ Gras groeit… Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten. Psalm 104:14 Waarom geeft God het vee gras? De reden is dat het vee van Hem is. Hier is een… Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten. Psalm 104:14 Gods werk is in het gras, want het vee laat ons iets zien van de genade. Ik ga… Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten. Psalm 104:14 Bedenk dat God werkt in dingen ver bij ons vandaan. Gras groeit niet alleen waar mensen ervoor zorgen,… Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten. Psalm 104:14 Het is aangenamer om te bedenken dat ‘gras’ in de Schrift wordt gebruikt als een beeld van Gods… Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten. Psalm 104:14 Als we naar het gras kijken, kunnen we ervan leren: het is het symbool van onze sterfelijkheid. Alle… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" De ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft… Psalm 104 vers 16 De ceders van Libanon zijn een beeld van… 31 De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken. 32 Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de… 19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang. 20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte… 7 Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders. 8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen… 1 Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid. 2 Hij bedekt Zich met het licht, als… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 104
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Tijd met God
Gelijk, maar toch verschillend
Door Goddelijk voedsel zul je leven
Toenemen in de genade
God heeft een verbond met Zijn uitverkorenen
Verzadig mijn mond met het goede, en vernieuw mijn jeugd
Hij zal voor u zorgen, de hemel vergeet u niet
Uw zegen is over Uw volk
Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten
De ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft
Psalm 104:31-35
Psalm 104:19-30
Psalm 104:7-18
Psalm 104:1-6


Psalmen 104
Psalmen 104:1.KruisverwijzingenPsalmen 103:22→Psalmen 93:1→Psalmen 104:35→Psalmen 145:3→Psalmen 96:6→Psalmen 103:1→Jesaja 59:17→Daniël 7:9→
— Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
Daar is de grondtoon. Sla hem aan, broeders, ieder van u!
Dit is een wonderlijke psalm. De wereld — en deze psalm is een wereldbeeld — is een wereld die in vlam staat van lof. Het is de hele schepping, van de bergtop tot de beken die door de valleien schitteren, die God looft. Ik heb deze psalm vaak gelezen in de bossen en op de berghelling. Wanneer wij thuiskwamen van een tocht in de Italiaanse bergen, zei ik tegen mijn reisgenoten: nu zullen wij Psalm 104 lezen. Het is de psalm van wie de natuur liefheeft — de psalm van de natuur, gezien door het oog van het geloof.
Psalmen 104:1-3.KruisverwijzingenPsalmen 103:22→Psalmen 93:1→Amos 9:6→Jesaja 40:22→Jesaja 19:1→Psalmen 104:35→Psalmen 145:3→Psalmen 96:6→
— Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid. Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn. Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
Of, zoals wij het uit het Hebreeuws mogen lezen: die Zijn zalen maakt in de wateren. Die verborgen wateren boven het uitspansel worden hier getekend als de koele, afgezonderde woonplaats van de ontzagwekkende Godheid.
Psalmen 104:3.KruisverwijzingenAmos 9:6→Jesaja 19:1→2 Samuël 22:11→Mattheüs 26:64→Psalmen 139:9→Nahum 1:3→Openbaring 1:7→Psalmen 18:10→
— Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
Een meesterlijk tafereel, alsof de HEERE rechtop stond op de twee vleugels van de wind, en alsof de wind, als een machtige geest, om de wereld heen vloog met de grote Jehova op zijn vleugels, en zo voortreed.
Psalmen 104:6.KruisverwijzingenGenesis 7:19→2 Petrus 3:5→Genesis 1:2→
— Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
Wat een luisterrijke daad van goddelijke kracht, toen de wateren die eerst als getemde leeuwen in hun holen sliepen, hongerig en fel opkwamen en de hele aarde verzwolgen!
Psalmen 104:7-8.KruisverwijzingenPsalmen 18:15→Genesis 8:1→Markus 4:39→Psalmen 114:3→Psalmen 106:9→Psalmen 77:18→Spreuken 8:28→Psalmen 33:7→
— Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
Op het geluid van Gods stem weken die machtige diepten terug in een grote orkaan. Wie water gezien heeft dat met grote snelheid voortgaat, door stormen gezweept, heeft het als tot bergen zien opgeworpen worden, met daartussen enorme gaten als geweldige valleien. Zo rezen de wateren op als bergen en vielen neer als valleien, tot zij de kanalen van de diepte vonden die God voor hen gegrond had.
Psalmen 104:9.KruisverwijzingenJob 26:10→Jeremia 5:22→Genesis 9:11→Job 38:10→Jesaja 54:9→Psalmen 33:7→
— Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
Jehova legt het gebit van zand in de mond van de zee, en zij komt niet verder dan haar gestelde grenzen. Nu moet u zich voorstellen dat de psalmist de volle straten en de vuile, stoffige, rokerige verblijven van de mensen verlaat en op de vleugels van zijn dankbaarheid en zijn lof wegvliegt naar de stilte van het vruchtbare land.
Psalmen 104:10-12.KruisverwijzingenJesaja 41:18→Psalmen 107:35→Psalmen 148:10→Jesaja 35:7→Deuteronomium 8:7→Psalmen 145:16→Job 39:5→Psalmen 104:13→
— Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen. Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede. Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
Ik weet geen plaats die iemands vreugde en lof beter naar boven lijkt te brengen dan wanneer u staat aan de kant van een klaterend beekje dat tussen de rotsen door een kloof naar beneden tuimelt, en u de dieren ziet komen drinken en de vogels vrolijk hoort zingen tussen de takken, of ziet overhangen en in de stroom zelf dopen. Zelfs het lézen van deze psalm kan als een koele en verkwikkende bries voor u zijn, en uw ziel kan in de verbeelding met David wegvliegen terwijl ook u uw God looft en zegent.
Psalmen 104:13-15.KruisverwijzingenJeremia 10:13→Psalmen 147:8→Job 28:5→Richteren 9:13→Psalmen 23:5→Prediker 10:19→Psalmen 92:10→Spreuken 31:6→
— Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken. Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
Uit die waterzalen boven het uitspansel giet Hij de regenbuien neer. De geest van de lof vliegt over de akkers die door de mens geploegd en bebouwd zijn, over de vruchtbare wijngaarden rood van druiventrossen, en over de olijfhoven en andere plaatsen waar het handwerk van de mens de aarde vruchtbaar gemaakt heeft. Nu stijgt de psalmist nog hoger en komt in de bossen.
Psalmen 104:16-18.KruisverwijzingenSpreuken 30:26→Psalmen 104:12→Job 39:1→Numeri 24:6→Leviticus 11:19→Ezechiël 17:23→Psalmen 29:5→Psalmen 92:2→
— De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft; Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen. De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
Er is dus geen deel van de aarde dat niet vol is van Gods goedheid; zelfs de rotsen, die de ploeg niets opleveren, verschaffen een toevlucht aan de konijnen, en de hoge bergen zijn een tehuis voor de steenbokken, terwijl de vruchtbare aarde beneden het hart van de mens blij maakt.
Psalmen 104:19-21.KruisverwijzingenJesaja 45:7→Job 38:39→Psalmen 74:16→Joël 1:20→Psalmen 8:3→Psalmen 19:6→Jeremia 31:35→Job 31:26→
— Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang. Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt: De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
Zal hij nu zijn lied staken? Nee, want God houdt niet op met werken. Zelfs de nacht heeft dus zijn verborgen muziek, en het brullen van de jonge leeuwen is een schatting aan de voorzienigheid van de goede God, die zelfs zorgt voor de dieren die vergaan.
Psalmen 104:22.KruisverwijzingenJob 37:8→Nahum 3:17→Johannes 3:20→Job 24:13→
— De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
U ziet het: de psalmist houdt niet op met loven, maar vindt zelfs in de rust van de dieren stof voor muziek.
Psalmen 104:23-24.KruisverwijzingenGenesis 3:19→Psalmen 40:5→Jeremia 10:12→2 Thessalonicenzen 3:8→Efeze 4:28→Prediker 5:12→Richteren 19:16→Psalmen 8:3→
— De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe. Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
De psalmist heeft een lange reis gemaakt, vliegend juist daar waar hij alles op het aardoppervlak kon zien; maar hij bedenkt dat hij nog niet de helft van Gods werken gezien heeft, want daar ligt de Middellandse Zee te glinsteren in de morgenzon. Dus neemt hij nog een vlucht.
Psalmen 104:25-26.KruisverwijzingenJesaja 27:1→Psalmen 107:23→Psalmen 74:14→Psalmen 69:34→Psalmen 95:4→Genesis 1:20→Genesis 3:1→Handelingen 28:5→
— Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
Een machtige vis springt uit de zee; het oog van de psalmist vangt er een glimp van, en hij zet zelfs dat monster in zijn lofzang.
Psalmen 104:27-28.KruisverwijzingenPsalmen 147:9→Psalmen 136:25→Job 36:31→Job 38:41→Psalmen 145:16→Psalmen 36:6→Lukas 12:24→Psalmen 145:15→
— Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
Wat een gedachte hebben wij hier van God, die alle schepselen van de aarde en de zee onderhoudt! Zij wachten alle op Hem; zij kunnen naar geen andere voorraadkamer gaan dan de Zijne, geen andere schuur kan in hun behoeften voorzien. Voorzeker hoeven wij niet bang te zijn dat Hij ons zal begeven. Voedt Hij de leviathan met zijn grote behoeften en de vele vogels met hun kleine behoeften, dan zal Hij Zijn kinderen niet vergeten; Hij zal geen werkelijk goed onthouden aan wie in oprechtheid wandelen.
En dat is alles wat Hij hoeft te doen, ziet u: enkel Zijn hand openen. Was die hand eenmaal stevig gesloten, dan zouden zij alle sterven; maar om in de behoeften van al Zijn schepselen te voorzien, hoeft Hij niets anders te doen dan Zijn hand te openen.
Psalmen 104:29-30.KruisverwijzingenJob 33:4→Openbaring 21:5→Job 34:14→Job 26:13→Ezechiël 37:9→Titus 3:5→Psalmen 30:7→Genesis 3:19→
— Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof. Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
Alsof Hij enkel Zijn hand voor de helderheid van Zijn aangezicht zette. Wanneer God het milde licht van de zomerzon wegneemt, wat een menigte schepselen sterft er dan; en wanneer dan de zachte adem van de lente over de aarde blaast, hoe snel komen de menigten insecten dan weer tevoorschijn!
Christen, hier is troost voor u! Heeft God Zijn Geest een tijdje van u onthouden, en zijn veel van uw vreugden en troostingen dood gevallen? Hij hoeft slechts te spreken, en Hij kan in een ogenblik al uw troostingen vernieuwen.
Psalmen 104:31-35.KruisverwijzingenGenesis 1:31→Psalmen 1:2→Psalmen 144:5→Exodus 19:18→Psalmen 63:4→Psalmen 119:111→Psalmen 9:2→Filippenzen 4:4→
— De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken. Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij. Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden. De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!
Het lijkt alsof de geest van de lof in de psalmist een geest van verontwaardiging tegen de zonde gewekt heeft; hij kon geen geduld meer hebben met wie zo’n groot en zo’n goed God niet wilden aanbidden. En daarom spreekt hij deze bede over hun hoofd uit, die veeleer een voorzegging is van hun lot: laten de zondaars van de aarde verdaan worden en de goddelozen niet meer zijn.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Met een “loof den Heere, mijne ziel!” begon en sloot de vorige Psalm, met dezelfde opwekking tot den lof van God begint en eindigt ook de voor ons liggende. Hij is niet voortgevloeid uit het met God vervulde hart van David, maar behoort, wat den tijd van zijn ontstaan aangaat, tot den tijd der ballingschap, toen Israël begon zich van zijne boosheden tot den Heere te bekeren (2 Kron 36: 21 ). De Psalm spreekt niet over het rijk der genade, dat toen enigermate quiesceerde, of in ene soort van rust was gekomen, maar houdt zich bezig met het besturen Gods in de natuur hij ziet terug op de scheppingsgeschiedenis (Genesis 1) en besluit zijne beschouwing van het tegenwoordige door God geregelde bestaan der wereld, met den wens dat toch uit deze schepping, die zo overvloedig en in alles Gods macht, wijsheid en goedheid openbaart het kwaad moge gebannen worden. “Het is een natuur-Psalm, maar zo als die genen dichter der heidenen mogelijk was, reeds daarom niet, omdat zulk ene natuurbeschrijving zonder ene verhouding van geestesvrijheid tegenover de natuur onmogelijk is, terwijl het natuurlijke, maar door de natuur beheerste heidendom die vrijheid niet kent.”
I. Vs. 1-9.KruisverwijzingenPsalmen 103:22→Hebreeën 1:7→Psalmen 93:1→Amos 9:6→2 Koningen 2:11→Psalmen 24:2→Jesaja 40:22→Jesaja 19:1→
— Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid. Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn. Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt. Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur. Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen. Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen. Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt. Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
Terwijl de heilige zanger zijne ziel opwekt tot lof van God, noemt hij ook aanstonds het thema of den hoofdinhoud van dien lof: Gods grootheid in de werken der schepping (vs. 1). Als hij overgaat tot de uitvoering, en Gods werken neer wil beschreven, denkt bij daaraan, hoe God aanstonds op den eersten scheppingsdag iets zo heerlijks liet ontstaan, dat nu voorkomt als het gewaad, waarin Hij Zich voor de wereld gekleed had, en dat op het duidelijkst Zijn inwendig aanzijn terugkaatst (vs. 2a). Vervolgens begint hij van den zichtbaren hemel en het aardrijk te spreken, welker scheiding van elkaar op den tweeden scheppingsdag door het uitspansel tussen de wateren bewerkt werd (vs. 2b-5); maar nog was het reeds vast gefondeerde aardrijk als met een kleed in water gewikkeld, totdat de derde scheppingsdag de vorming van het droge land bewerkte (vs. 6-9).
Loof 1) den HEERE, mijne ziel! o HEERE, mijn God! Gij zijt naar Uw geestelijk Wezen zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid 1). Gij hebt U bij de schepping der wereld, als Gij Uwe heerlijkheid wilde openbaren, pracht en majesteit (Psalm 96: 6) als Uw koninklijk gewaad aangetrokken, en vertoont U in zulk een tooi ook verder bij de onderhouding en regering der wereld.
Psalm 103: 1; 146: 1.
Men lette er wel op, dat de dichter de heerlijkheid en schoonheid der natuur schildert, niet om de natuur zelf, maar om des Heren wil. De natuur is hem het middel, om tot zijn grote doel te komen, de aanbidding van Hem, die met alleen Schepper is, maar ook Onderhouder en Bestuurder. De natuur wordt hier voorgesteld als voortgekomen uit God, als Diens handenwerk. En wel is het op te merken, dat ook de dichter spreekt van een toekomst, waarin gerechtigheid op aarde zal wonen, en de boosdoeners van de aarde zullen verdelgd zijn. Dit zal het einddoel zijn der Regering Gods.
Hij bedekt zich met het licht 1) (Genesis 1: 3 ) als met een kleed a); Hij rekt, gelijk een dekkleed over de tent, den hemel uit, het op den tweeden scheppingsdag door een enkel woord tot aan zijn geroepen firmament (Genesis 1: 6 vv.),als ene gordijn van werkelijke etherische stof (Jes. 40: 22; 44: 24).
Job 26: 7.
Een ontoegankelijk licht, dat geen sterflijk oog gezien heeft zien kan, is het zichtbaar teken van Gods bijzondere tegenwoordigheid in den derden hemel (vgl. 1 Tim. 6: 16). Een allerglansrijkst licht verstrekt den Allerhoogste als het ware tot enen koninklijken mantel, waardoor Hij Zijne onbegrijpelijke Majesteit vertoont.
In vs. 1 kwam de gehele in de schepping geopenbaarde heerlijkheid Gods voor als een kleed, dat Hij had aangedaan; hier wordt het beeld overgedragen op een enkel bijzonder gedeelte der scheppings-heerlijkheid Gods, op het licht, met welks wording het gehele scheppingswerk begon. Van dat ontoegankelijk licht in de hemelen is het licht op deze aarde een zwak afbeeldsel. Dit door God op aarde geschapen licht komt eveneens voor onder het beeld van een gewaad, waarin Hij Zich verbergt, omdat het Hem verheerlijkt, gelijk den aardsen koning zijn prachtig gewaad. Het beeld van zulk enen met zijn heerlijk gewaad, zijnen hogen burcht, zijn prachtigen lijfstoets, de glinsterende omgeving zijner dienaren ligt in ‘t algemeen aan onze afdeling ten grondslag. Daarin wil de dichter zeggen, dat alles, wat een aards koning heeft, verre overtroffen wordt door de glorie van den hemelsen Koning.
God is licht en gene duisternis is in Hem. De Heere Jezus, de Zoon Zijner liefde, is het licht der wereld, en de hemel het toneel Zijner hoogste openbaringen is de erfenis van de heiligen in het licht. De meest verhevene, zowel als de geringste zaken in de natuur zijn zo vele middelen tot openbaring van des Heren ongeschapene en eeuwige Majesteit.
Die zijne opperzalen, Zijn koningsslot hoog boven de aarde, het firmament, zoldert in de wateren, zodat de bovenste watermassa (Genesis 1: 7; 7: 11) als het ware de balken voor de zolders daarvan vormen, die van de wolken, uit welke bliksem, donderslagen en regen op de aarde neerkomen, Zijnen wagen maakt, zo dikwijls Gij in Uwe heerlijkheid als rechter U vertoont (Jes. 19: 1) a), die op de vleugelen des winds wandelt 1) (Psalm 18: 11).
Openbaring 14: 14.
Dit wil zeggen, de Heere is er de besteller van. Wie kan het doen waaien, dan de grote God? wie is de wind anders gehoorzaam (Joh. 1: 4)? Het geeft ook te kennen, dat er niemand het bestuur over heeft dan God. Hij maakt den winden het gewicht. Het is ene gelijkenis van iets, dat men weegt, opdat men weet, hoe zwaar of hoe licht het moet zijn. De Heere zegt, zo hoog zal de wind rijzen, en zo lang zal hij duren, en zo veel schade zal hij doen en niet meer.
Hij maakt Zijne engelen geesten, Zijne dienaars tot een vlammend vuur. Nadat eerst beschreven is, hoe de elementen (water, welken, winden) een spiegelbeeld der Goddelijke heerlijkheid zijn (de bovenste wateren het gebied van Zijn huis, de wolken Zijn wagen en de winden Zijne vleugelen, wanneer Hij straffend en richtend, of reddend en zegenend Zich op aarde wil openbaren), zo verwacht men in dezen samenhang op onze plaats de gedachte: die de winden tot Zijne engelen (boden of verkondigers van Zijnen wil) maakt, en vuurvlammen tot Zijne dienaars (de uitvoerders van Zijnen wil), (Psalm 148: 8. Sir. 39: 35 vv.; 43: 14 vv.); dienvolgens hebben dan ook vele uitleggers de woorden van den tekst willen overzetten en de andere vertaling, welke de Septuaginta volgt, en op welke de Apostel in Hebr. 1: 7 zijne bewijsvoering omtrent de verhevenheid des Zoons boven alleen engelen bouwt, voor vals verklaard. De nieuwere uitleggers zijn echter daarvan teruggekomen. De krachten der natuur, met welke het moderne bewustzijn zich zozeer bezighoudt, zijn toch slechts ene x ene onbekende en ongenoemde grootheid; de Heilige Schrift daarentegen heeft een bepaald getal voor deze x, daar volgens haar de engelen Gods ene levend werkzame kracht in de verschijningen der natuur zijn, gelijk hier in de stormen en in de vuurvlammen, die in den bliksem zich openbaren. Dienvolgens zou de zin van ons vers moeten verstaan worden: Uwe engelen, die als dienaars en volvoerders van Uwen wil rondom Uwen troon staan en Uwen wagen begeleiden, geeft Gij een middel om zich zelven te belichamen, of om tot zichtbare verschijning te komen in de stormwinden en bliksemen, die van den hemel nederdalen en Uwen wil volbrengen. “Ene enigszins andere verklaring is die, welke reeds bij Joodse uitleggers gevonden wordt; Gij geeft uwen engelen als boden tot bekendmaking van Uwen wil de snelheid der winden, en aan Uwe dienaren, die dien ook moeten ten uitvoer brengen, de kracht van ene verterende vlam vuurs.”.
Hij a) heeft de aarde gegrond op hare eigene grondvesten, als op het fondament, waardoor zij gedragen wordt, zij zal hoewel zij vrij in de lucht zweeft en gene zichtbare pilaren onder zich heeft, nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen, daar zij door inwendige steunsels gehouden wordt (Job 26: 7).
Job 38: 4,5,6. Psalm 78: 69. De grondvesten van een zwevenden bol zijn zijn centrum (middenpunt), waarop al de delen steunen en waardoor zij gedragen worden. (Zie Psalm 24: 2). De natuurkundigen spreken van een middelpunt vliedende en een middelpunt zoekende kracht en beweren, dat door de werking dier beide krachten alle hemellichamen in het heelal, ook deze aarde, in hun banen worden gehouden. Zij nu, die onder de natuurkundigen nog in de Schrift geloven, erkennen wel het bestaan van genoemde krachten, doch het middelpunt, het centraalpunt, van waar die krachten uitgaan en waarheen haar werking zich keert, is voor zulke Christelijke natuurkundigen de levende en almachtige God zelf, de Schepper aller dingen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijne kracht.
Gij had ze, het aardrijk, waarvan de bovenste wateren reeds waren afgescheiden, met den afgrond, met de wateren, als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen, zodat men tot het aanbreken van den derden morgen niets van het aardrijk gewaar werd.
Van Uw schelden 1), toen Gij spraakt: Dat de wateren van onder den hemel in ene plaats vergaderd worden (Genesis 1: 9),vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders naar de hun aangewezene plaatsen.
Het woord (Genesis 1: 9 wordt hier een schelden genoemd, omdat God een vijand is van de wanorde van den chaos en het water de uitvoering van Zijne raadsbesluit, om op aarde Zijne heerlijkheid te ontvouwen, in den weg staat.
De bergen rezen op, de dalen daalden, bergen en dalen kwamen te voorschijn, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond had, zoals Gij het voor beide had bepaald.
Gij hebt een paal, een grens gesteld, dien zij, de wateren, die in den beginne over de aarde stroomden, niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weer bedekken 1) (Job. 38: 8 vv.).
Hoe nu komt het, dat wij niet tegelijk worden opgeslokt, indien God niet dit woeste element door Zijn woord tempert. Slotsom is dit dat, ofschoon natuurlijker wijze de wateren de aarde zouden kunnen bedekken, dit echter niet zal plaats hebben, dewijl, zoals de waarheid eeuwig is, zo ook die orde stand houdt, welke God door Zijn woord heeft tot stand gebracht.
10.
II. Vs. 10-18.KruisverwijzingenJeremia 10:13→Psalmen 147:8→Job 28:5→Richteren 9:13→Psalmen 23:5→Spreuken 30:26→Jesaja 41:18→Prediker 10:19→
— Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen. Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede. Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken. Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken. Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt. De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft; Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen. De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
Nog een tweede werk behoort tot den derden scheppingsdag: de aarde brengt op Gods bevel gras en kruid en vruchtdragende bomen voort; maar de heilige zanger wil niet zozeer ene dichterlijke omschrijving geven van de scheppingsgeschiedenis, maar hij heeft het in elkaar grijpende geheel van de sedert lang aanwezige en sedert duizenden van jaren bestaande schepping tot zijn standpunt. Hij ziet het aardrijk voor zich, afgedeeld in bergen en dalen, bekleed met planten van allerlei aard, bevolkt met dieren des velds en vogelen des hemels, en gekomen in het bezit van den mens. Hij ziet het, hoe het thans, na het terugdringen der wateren in het hun aangewezen gebied, op ene andere, zeer lieflijke en weldadige wijze bevochtigd is, ten gevolge deze bewatering alles voedt wat het voortbrengt en draagt, en na een lieflijk beeld vormt van fris leven en vrolijken groei.
Die de fonteinen, de bronnen uitzendt door de dalen, dat zij, de tot beken en rivieren aangegroeide bronnen (Psalm 74: 15), tussen de gebergten henen wandelen, hunnen loop nemen.
Zij drenken al het gedierte des velds, de woudezels (Job 39: 5 vv.) breken er hunnen dorst mede.
Bij dezelve, bij de bomen, die aan deze bronnen groeien, woont het gevogelte des hemels, ene stem gevende van tussen de takken.
Hij, de God der almacht, drenkt door minder van Zijnen regen de bergen uit Zijne opperzalen (vs. 3), zodat ook deze, op zich zelve dor, de vochtigheid niet ontberen (Genesis 49: 25. (Deuteronomium 11: 11); de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken 1) (Psalm 65: 10 vv.), van den zegen, die van den hemel neerkomt en door den zegen uit de diepte.
De dichter wil zeggen, dat mens en dier verzadigd worden van hetgeen de aarde voortbrengt, wanneer God die aarde met Zijn zegen bezoekt, zodat het zaad kan ontkiemen en uitspruiten.
Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten en het kruid in den meer uitgebreiden zin des woords tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen (Job 28: 5).
En den wijn, die het hart des mensen verheugt (Richteren 9: 13. (Prediker 10: 19), doende het aangezicht blinken van olie 1), die de smakelijkheid en voedzaamheid der spijzen verhoogt, en om weer op de eerste van de drie hier genoemde gaven Gods terug te komen en hare hoge betekenis nog in ‘t bijzonder op den voorgrond te stellen, het brood, dat het hart des mensen verstrekt (Genesis 18: 5).
Met deze woorden zegt hij, dat God niet slechts voorziet in de noodzakelijke levensbehoeften van den mens, en verleent zoveel voor het gewone gebruik noodzakelijk is, maar naar Zijne goedertierenheid handelt Hij met hen op vrijgeviger wijze, waar Hij de harten verblijdt met wijn en olie. Want voorzeker de natuur is met het water als drank tevreden, derhalve is de wijn van wege de mildheid Gods een bijvoegsel.
De bomen des HEREN, die, welke door hun verheven groei het luidste des Heren scheppende macht verkondigen (Psalm 36: 7; 80: 11), worden verzadigd door de wateren, die van de bergtoppen aflopen, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
Alwaar de vogeltjes nestelen, des ooievaars huis zijn de dennenbomen 1).
De bomen des Heren zijn hier de cederbomen en de cipressen. Want het woord in den grondtekst door de Staten-overzetters vertaald, door dennenbomen, betekent de cipressen. En op den cipres bouwden de ooievaars hun nesten.
De hoge bergen zelf, op welke die bomen groeien, zijn met hun onbereikbare hoogten voor de steenbokken; de steenrotsen, die er op de bergen zijn, de ontoegankelijke schuilhoeken, zijn een vertrek voor de konijnen (Leviticus 11: 5 ). Het derde tafereel (vs. 10-18), dat nu voor, onze ogen gesteld wordt, en als ‘t ware het middenvak uitmaakt, waar de overige medaillons rondom geschakeerd zijn, vertoont ons verder al het overig werk van den derden dag: God zei: “Dat de aarde uitschiete gras en kruiden en vruchtbaar geboomte!” en het was alzo. De aarde treedt hier te voorschijn, vruchtbaar, in feestgewaad, de aangename woning van mens en gedierte. Bronnen ontspringen, beken doorkronkelen heuvels en dalen, waar het schuwe wild zijn dorst komt lessen, terwijl daarboven op de takken de vogel kwinkeleert. En de vogel daalt, en het groene grastapijt glinstert over de aarde, het levend brood groeit op uit de koornaar de druif uit den wijnstok, de olijf uit den bloesem. Er is overvloed en vreugde voor allen, tot voor de klipgeit toe op dien Libanon, die met zijn dennenbos den horizont sluit. Op verwonderlijke wijze komt die vastbegrensde scheiding der zee van het vaste land (vs. 6 vv.) ook in dat opzicht voor, dat de zoutachtige substantie van het zeewater de levende ontwikkeling en levensonderhouding op aarde niet meer kan verhinderen. In de zee is water genoeg, maar geen droppel tot verkwikking van de mensen-, dier- en plantenwereld; daartoe moet het scheppend Woord van God, dat alle dingen draagt, nieuwe vruchtbaar makende kanalen scheppen. Hij laat bronnen ontspringen in de diepten en drenkt de bergen met regen uit de hemelse voorraadkamers-en zie, de aarde wordt tot enen vruchtbaren moederschoot, brengt de plantenwereld voort in hare wonderbare pracht van het stille tooisel der veldbloem tot aan den ceder van den Libanon, van het grassprietje op de weide tot aan het zaadveld met zijne voedende vrucht en den wijnstok met zijne verkwikkende druiven achter het groen der bladeren. Welk ene milde trouw van God in ‘t verzorgen openbaart zich daarin aan ons; wij mogen zien op den oneindigen rijkdom der middelen om ons te voorzien van de onmisbare levensbehoeften af tot aan den overvloed en de vreugde des levens, of op de talloze menigten, die aan Gods tafel gespijzigd worden, van de eenzame dieren der wildernis en de bewoners der rotskloven, om welke zich niemand bekommert tot de kroon der schepping, den mens! Het ene is even zo behoeftig als het andere; want zelfs die vriendelijke gave, Zijne mildheid, die het hart der mensen verbergt, de wijn, is ingericht naar de behoefte van den zwakken, naar lichaam en ziel gebrekkigen mens (Psalm 8: 5). En niet slechts voedsel en verkwikking, ook woning en verblijfplaats deelt Gods liefde aan hare behoeftige schepselen toe, opdat zij gerust en blij zouden, orden onder de bescherming van den God huns levens.
Ten tijde toen deze Psalm werd gezongen, ging het Israël slechter dan den steenbok en het konijn (MATTHEUS. 8: 20); het had gene toevlucht, geen plekje op de wijde wereld, dat het zijne kon noemen; maar Hij, die zelfs den steenbok en het konijn hun plaatsje in de schepping aanwijst, en geen Zijner schepselen onverzorgd laat, zou die Zich niet over Zijne uitverkorenen ontfermen, zou die hen in ellende laten omkomen? Neen! waarheen zij zich slechts wenden in de gehele wijde wereld, overal zien zij de profetie hunner redding-de vogelen op de bomen, het wild aan de bronnen, de muis op de bergen, alles roept hun toe: weest getroost en onbevreesd, want gaat gij niet vele mussen te boven?. 19.
III. Vs. 19-30.KruisverwijzingenJesaja 45:7→Job 38:39→Genesis 3:19→Psalmen 74:16→Joël 1:20→Jesaja 27:1→Psalmen 107:23→Psalmen 74:14→
— Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang. Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt: De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken. De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen. De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe. Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen. Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen. Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
Had de heilige zanger zich aan het slot der vorige afdeling tot de bergen gericht, op welke de bomen des Heren groeien, en verder tot de hoge bergen, die ook niet ledig zijn van schepselen Gods, thans verheft hij zich nog hoger, en daar het de beide grote lichten zijn, die God ten dienste der aarde en hare bewoners gemaakt heeft, welke zijne bewondering tot zich trekken, zo is hij geleidelijk tot het werk van den vierden scheppingsdag gekomen (vs. 19-24). Wil hij daarna aan het werk van den vijfden dag denken, zo moet hij van de hoogste hoogte weer nederdalen in de diepste diepte Hij ziet dan de zee wemelen van schepselen zonder getal en van allerlei aard, en ziet daarop het leven, dat de mens op hare oppervlakte heeft overgebracht (vs. 25 en 26). Het is dus zeer natuurlijk, dat hij bij het werk van den zesden dag, niet meer het eerste ontstaan in het oog houdt, maar het tegenwoordig bestaan, met de schepping maar de onderhouding; maar nu ziet hij ook het vergaan en verdwijnen der schepselen, terwijl God die wegneemt, ook steeds weer te voorschijn roept, en zo voortdurend de gedaante der aarde vernieuwt (vs. 27-30).
Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, om het burgerlijke en kerkelijke jaar daarnaar te regelen; de zon weet haren ondergang, zodat zij niet boven haren tijd aan den hemel blijft. De maan wordt daarom voor de zon als de eigenlijke tijdverdeler of het Kalendarische tijdgesternte genoemd, omdat de Hebreeën den dag met den avond begonnen (Genesis 1: 5 ), hun jaren naar de maan berekenden (Exodus 12: 2 ), en daarnaar ook de kerkelijke feesten (Nieuwe maan, Pascha, loofhuttenfeest bepaalden; daarom volgt dan ook in vs. 20-23 eerst ene schilderij van den nacht en dan van den dag. Met hare verschillende, regelmatig terugkerende gedaanten en stellingen is de maan ook inderdaad zeer geschikt voor een tijdmeter, terwijl de regelmatige veranderingen in den stand der zon ten opzichte van de aarde niet zo in ‘t oog vallend zijn. Volgens den grondtekst is het niet in ‘t bijzonder het jaar, welks rekening op onze plaats als afhankelijk van de maan beschreven wordt, maar in het algemeen de tijd.
Gij beschikt de duisternis en het wordt nacht, in welken al het gedierte des wouds uittreedt, zich beweegt: Er ligt in deze wisseling van licht en van schaduw ene toespeling op de heldere en duistere dagen der gemeente, voor welke de Heere eveneens wonderbaar zorg draagt.
a) De jonge leeuwen, briesende om enen roof, en om hun spijs van God te zoeken.
Job 24: 5; 39: 1,2. Jer. 31: 4. Slechts in veel betekenende trekken er op wijzende, laat ons de dichter enen blik in het bonte gewoel van het bos slaan, wanneer de duistere nacht zich daarover uitstrekt. Dan ontstaat er grote beweging, en de meest verschillende dieren gaan in den onophoudelijken drang van hun wilde natuur ter stilling van hunnen honger op roof uit. Onder alle tonen en stemmen, die door elkaar heen worden vernomen, horen wij het majestueuze gebrul der jonge leeuwen naar buit, en zelfs dit op zijne gebiedende en vreselijke wijze klinkt voor het vroom gemoed als een hulpbehoevend roepen om voedsel tot den hoogsten Gever aller spijzen.
Het gebrul der leeuwen en hun jacht op buit is een vragen aan God, dat Hij zelf in hun natuur heeft gelegd.
De zon opgaande maken zij zich weg, en liggen neer in hun holen (Job 37: 8; 38: 40), zo heeft God het wijs beschikt, opdat de mensen bij dag zouden veilig zijn.
De mens gaat dan uit tot zijn werk en naar zijnen arbeid tot den avond toe. Met de eerste stralen der zon sterft het gedruismakende leven van het bos weg en het wordt daarin ledig; dan treedt de mens te voorschijn, het kind des lichts, om in het licht te werken totdat het avond wordt. Hij openbaart zijne waarde in de vervulling zijner hoge bestemming tot werkzaamheid; terwijl de nacht het drijven van het dier, dat alleen maar bevrediging van zinnelijke lusten zoekt, met zijn duistere schaduwen omgeeft, openbaart de heldere dag de werken van den mens, die in de duisternis rust, ons zich, op nieuw gesterkt tot den arbeid, bij het aanbreken van den morgen van zijn leger te verheffen.
Hoe groot zijn Uwe werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt, zodat er niets te weinig, niets te veel is en het een het andere dient; het aardrijk is vol van Uwe goederen, waarmee Gij Uwe vele schepselen onderhoudt. Door deze wijsheid, zegt hij, is er niets op aarde in verwarring; de vermenging van vele dingen is integendeel met de hoogste bedoeling verordenen, zodat er niets zou kunnen worden weggenomen of bijgedaan of verbeterd. Onder deze goederen wordt Gods barmhartigheid mede verstaan, want Hij is niet rijk voor Zich alleen, maar Hij vloeit tot ons over, zodat het ons aan niets ontbreekt.
Ziet deze zee onderhoudt de gemeenschap tussen de verschillende landen, die groot en wijd van ruimte is; daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
Daar wandelen de schepen, over wier onmetelijke grootte mijn oog blikt, en de Leviathan (Job 40: 20 ), dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen. Slechts een gering gedeelte van de werken Gods heeft de heilige zanger tot vs. 23 opgeteld; maar daar gevoelt hij zijn onvermogen, om ze alle te omvatten. Zijne verwondering is aanbidding. Van deze weinige maakt hij tot alle de gevolgtrekking: “de aarde is vol van Uwe goederen,” en “Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt.” Maar nog herinnert hij zich aan het leven in de diepte niet gedacht te hebben. Ook wanneer de wateren der zee slechts ene onbewoonde uitgestrektheid ware, zij zou in verwondering brengen door hare grootte en uitgestrektheid, maar in hare onmetelijke ruimte leeft tevens ene ontelbare wereld van grote en kleine dieren, er is beweging op de oppervlakte, het leeft en beweegt zich tot op de koraalriffen toe in de diepte. Zij draagt op hare oppervlakte den mens, wie zijne kunsten zowel als zijne hartstochten van het vaste land op de zee overplant, en handelende en strijdende, onderzoekende en uitvindende ook de vlakte der zee levend maakt; er beweegt zich vrolijk als in zijn rechte te huis een dierengeslacht, dat speelt in hare wateren.
Zij allen, alle die levende wezens, waarvan wij spraken, wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd, wanneer de tijd daartoe daar is (Psalm 1: 3; 145: 15).
Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze, zij lezen op, wat Gij hun als een brood van den hemel op aarde toedeelt (Exodus 16: 4); doet Gij Uwe hand open, zij worden met goed verzadigd.
a) Verbergt Gij Uw aangezicht, onttrekt Gij hun voor een tijd Uwe liefelijke zorg, zij worden verschrikt, daar de dood hen spoedig aangrijnst; neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven en zij keren weer tot hun stof.
Job 34: 14 vv. Psalm 30: 8.
Zendt Gij Uwen Geest, Uwen levenwekkenden adem op nieuwuit, zo worden zij, andere wezens van dezelfde soort, geschapen 1), en Gij vernieuwt alzo het gelaat des aardrijks, daar Gij steeds nieuwe schepselen in de plaats der vorige schept.
Al komt ook naar de mening van het zinnelijk oog uit geheel andere bronnen dan uit Gods hand de spijze, welke de millioenen schepselen in elk ogenblik verteren, en al is het dat de vele middenoorzaken maar al te gemakkelijk de laatste oorzaak bedekken en verbergen, de godvruchtige mens ziet toch door al die bedekselen heen. Hij aanbidt den eeuwig wijzen God, die gedurende duizend jaren op het land, op de hoogten der bergen, in de lucht, in de diepte der zee de millioenen gasten en kinderen uit Zijne hand voedt “te zijner tijd.” d.i. wanneer zij het behoeven, zonder dat in die vele duizende jaren Zijne voorraadkamer armer is geworden. Uit gene andere hand kan hun spijze toekomen, dan uit die, uit welke hun leven komt; hun leven is echter Godes, want door Hem ademt en leeft, al wat leeft, Hem behoort hun levensadem, en trekt Hij dien terug, zo vergaan zij, gelijk de gehele schepping zou vergaan. zo God wilde terugnemen wat het Zijne is.
Zeker in de nieuwe voortplanting van al wat leven heeft, zien wij een gedurige nieuwe schepping der wereld. Wanneer wij nu dagelijks zien, dat de wereld vergaat en op nieuw te voorschijn komt, in hare verschillende delen, hieruit is het gemakkelijk op te maken, dat zij niet ander bestaan, dan door de hemelse kracht Gods.
Diepzinnig en schoon is hier, gelijk overal in de Schrift, de nauwe en levende betrekking tussen den Schepper en Onderhouder en al het geschapene en wederkerig geschetst. De Heere God is de Bron en Fontein van alles, van alle goeden. Al werkt Hij in den gewonen weg van Zijn Goddelijken gang middellijk, toch is en blijft Hij de eerste, die de middelen beschikt, en de laatste, die de middelen zegent. 31.
IV. Vs. 31-35.KruisverwijzingenGenesis 1:31→Psalmen 1:2→Psalmen 144:5→Exodus 19:18→Psalmen 63:4→Psalmen 119:111→Psalmen 9:2→Filippenzen 4:4→
— De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken. Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij. Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden. De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!
Op het werk der zes dagen volgde bij de schepping de Sabbat, die des Heeren eer verkondigde, en Hem zelven een zalig welgevallen in al Zijne werken deed ondervinden. Zo de nu bestaande wereld niet leidt tot hetgeen de bedoeling van den Sabbat Gods is, zo kan de Heere met geringe moeite, met een enkelen wenk of ene blote aanraking haar tot het niets, waaruit zij is voortgekomen, terugvoeren. De heilige zanger met zijn eigen verlangen en denken, is zichzelven een bewijs, dat het daartoe niet zal komen, dat er kinderen Gods in de wereld zijn, die zich geschapen weten tot Zijnen lof, en zich verheugen in Zijne genade en gemeenschap, maar de zondaars en goddelozen, die er ook zijn, moeten verdelgd worden, zal het tot het eeuwig “Hallelujah” komen,
De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde zich in Zijne werken, gelijk Hij dit zelf (Genesis 1: 31) betuigd heeft.
Werd dat anders, kon ooit Zijn welbehagen in de wereld niet langer bestaan, hoe spoedig kon Hij ze vernietigen. Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij, van schrik over Zijnen blik vol toorn aangegrepen: als Hij de bergen aanroert, den vuurgloed Zijner grimmigheid aan hun grondslagen legt (Deuteronomium 32: 22), zo roken zij, ontstoken met een vuur, dat niemand kan uitblussen.
Ik voor mij begeer daartoe bij te dragen, dat de ere des Heeren eeuwig zij; ik zal den HEERE zingen in mijn gehele leven; ik zal mijnen God psalmzingen, terwijl ik nog ben, totdat de dood mijne lippen sluit en de nacht komt, in welken ik niet meer zingen kan (Psalm 63: 5; 146: 2; 115: 17 vv.).
Mijne overdenking van Hem, mijne rede, waarmee ik Hem prijs (vs. 24), zal zoet zijn, voor mij zal het ene vreugde zijn Zijne volmaaktheden te bepeinzen en Hij zal er een welgevallen in hebben (vs. 31); ik zal mij in den HEERE verblijden, en weet, dat ik daardoor Hem vreugde verschaf.
De zondaars daarentegen, die Zijne eer schandvlekken en Zijnen toorn doen ontbranden, zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn 1), zodat zij niet langer het bestaan der op zichzelve zo goede schepping in gevaar brengen. Loof den HEERE, mijne ziel! Hallelujah! d.i. Looft den Heere, alle gij Zijne schepselen.
Deze ontboezeming hangt ten nauwste zamen met de uitspraak: de Heere verblijde Zich in Zijne werken. Want dewijl de zondaars de wereld door hun ongerechtigheden verderven, daaruit vloeit voort, dat zij aan God minder aangenaam is en Zijn werk Hem licht mishaagt. Want het kan niet anders, of die bezoedeling beledigt Hem, welke door alle delen verspreid ligt, bederft en ontsiert Zijn zo heerlijk werk. Derhalve, dewijl de goddelozen door een verkeerd misbruik van de gave Gods maken, dat de wereld enigszins ontaardt en afwijkt van haar oorspronkelijke bestemming, begeert de Profeet terecht, dat zij uitgeroeid worden, totdat zij geheel vergaan. Laten wij ons derhalve herinneren, dat de Voorzienigheid Gods zo uitblinkt, dat wij tot gehoorzaamheid er aan geroepen, de weldaden; welke Hij tot ons gebruik heeft bestemd, zuiver en wettig gebruiken. Vervolgens, dat het ons smarte, dat zulke kostbare schatten goddeloos worden verkwist.
Tot aan het einde toe lag op het gehele lied der schepping een paradijsglans van vreugde en van vrede een glans, die van de heerlijkheid Gods afstraalde op de geschapene wereld, van welke Hij erkende, dat alles zeer goed was, en die in Hem de bron van haar leven heeft en den rijkdom Zijner grote goedheid dagelijks geniet. Maar reeds het woord van het afkeren van Zijn aangezicht, en het terugkeren van Zijn schepsel tot het stof, nog meer die innige wens, dat de Heere de echo zijner heerlijkheid uit de schepselen, op welke Hij ze gelegd heeft, steeds moge ontvangen en Zich in Zijne werken verheuge, verandert den toon van het lied des lofs in dien van heiligen ernst. Daaruit is de belofte geboren, dat hij van zijne zijde zich levenslang aan den lof zijns Gods zal houden, met zijne overdenking den Heere wil behagen en zich in zijnen God wil verheugen. Daaruit is ook voortgekomen de heilige verwensing der zondaars, die den Heere door hunnen gehelen wandel de eer ontroven en de vreugde wegnemen. Doch gelijk hij reeds te voren het verlangen naar de eeuwige eer des Heeren uitgesproken heeft, zo sluit het lied gelijk het ook bij elke prediking moet zijn, niet met de aankondiging van straf, maar de laatste toon is een uitroepen van Gods ere, en een oproepen van alle schepselen tot des Heeren lof, ene profetie van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, waar God alles in allen is en het eerste en laatste woord een Hallelujah zijn zal. Wij vinden hier het Hallelujah het laatst in dezen Psalm, en het is opmerkelijk, dat dit Hallelujah in vereniging voorkomt met het uitzicht op de gehele vernietiging der goddelozen. Vervolgens komt het nog 25 malen in de Psalmen en twee malen in de Openbaring (19: 1 en 3) voor.
Zou Hij die de gehele schepping voedt ene gekochte ziel kunnen laten sterven? Terwijl Hij alles met vreugde onderhoudt, alles bestuurt, en Zich verheugt in Zijne werken, laat gij uwe zielen, geroerd door deze genade, overpeinzen en loven. Terwijl de verharde zondaars van de aarde worden weggedaan en in de hel geworpen, mogen onze Hosanna’s en Hallelujah’s opklimmen tot Hem, die ons beminde en Zichzelven voor ons gaf. Vijfde tafereel! (vs. 34 en 35). De zee met hare ontelbare bewoners, de vloten op haren rug, de vissen in haren schoot, de onafzienbare kolk met zijn vierendertig millioen vierkante mijlen water, ene speelplaats, waar voor Gods aangezicht de reusachtige monsters dartelen, gelijk voor ons gewapendoog de infusiediertjes in een waterdrop. Ene terugkaatsing wederom van het Mozaïsch tafereel: “En God zei: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen! En God schiep de grote walvissen, en alle gevleugeld gevogelte. En God zegende ze en zei: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt! Toen was ‘t avond geweest en morgen geweest: de vijfde dag.” En gelijk op den zesden dag, de mens, meesterstuk en kroon der aardse schepping, ten laatste verschijnt om den almachtigen Schepper van al deze wonderen en heerlijkheden te aanbidden, zo lost ten slotte de Psalm zich op in één bezielden lof ter ere van Hem, Wiens grote huishouding dit alles is, de Bron van alle leven, den milden Verzorger van aller bestaan, den Heere voor Wien alles moet beven en die waardig is dat men Hem love-de tegenoverstelling van de goddelozen, die een wanklank zijn in de harmonie der schepping en ene smet op Gods schone aarde. Wat dunkt u, M.H.! had Herder geen recht om naar aanleiding van dit lied te getuigen: Deze Psalm verenigt schoonheid en waarheid. Wat heb ik aan al de Mythologiën, zo zij mij niets leren? Wat baat het mij, dat de Noordse Edda den hemel als het bekkeneel van een verslagen reus voorstelt, uit wiens gebeente de aarde, uit wiens bloed de wateren zijn voortgekomen? Deze Davidspoëzie is poëzie van het hart en het verstand. Wij kunnen bij Job misschien verhevener schilderingen van de formatie der aarde aantreffen, maar waarachtiger en schoner zijn er niet! Het is een eigenaardig kenmerk der Hebreeuwse natuurpoëzie, dat zij als ene terugkaatsing van het geloof in Gods eenheid, ook het ganse heelal in Zijne eenheid beschouwt. De natuur wordt niet afgeschetst als op zich zelf bestaande, als iets dat door eigene schoonheid wordt verheerlijkt; de gewijde zanger beschouwt ze altijd in verband met ene hogere werkzame geestelijke macht. De natuur is hem schepping, in hem zamenstel, de levendige uitdrukking aan de alomtegenwoordigheid Gods in de zichtbare wereld. Men zou kennen beweren, dat in dezen 104den Psalm alleen het beeld van het ganse heelal is opgehangen. Men moet verbaasd staan als men in een lied van zo geringen omvang in enkele grote trekken hemel en aarde geschilderd ziet. Tegenover het veel bewogen leven in de natuur staat hier het stil en moeitevol arbeiden des mensen van den opgang der zon totdat de avond een einde aan het dagwerk maakt. Deze tegenstelling, deze algemeenheid van opvatting bij de wisseling der onderwerpen, dit terugzien op de alomtegenwoordige, onzichtbare macht, die de aarde verjongen en tot stof verbrijzelen kan, dit alles brengt dat plechtige in dat lied teweeg, waardoor het behoort niet zozeer tot de gemoedelijke als tot de verhevene poëzie. Geen der vier hemelstreken is zo gezegend op aarde als het helder Oosten, waar de opgaande zon de kindsheid des mensdoms bescheen. Daar lag het paradijs der onschuld ingesloten tussen zijne wier rivieren; daar zag de eerste mens, wijs, heilig en gelukkig al de wonderen dier jonge schepping, van welke de Heere God gezien had dat zij goed was. Daar wees Jehova Zijnen vriend Abraham het land, dat Hij hem en zijn nakroost had toegedacht, aan; een land overvloeiende van melk en honing; daar lag het beloofde, het verkregene, honderdmaal verbeurde, duizendmaal gezegende land, waar Jehova met Zijn volk woonde in het Heilige der Heiligen, waar Hij, door wien de wereld gemaakt was, in het vlees verscheen. Nog heden ten dage roemen de reizigers dat land als het schoonste van het gehele Oosten. En echter hebben, sinds Jehova Zijn zegen terug nam, Zijn tempel de verwoesting overgaf, en Zijn volk in ballingschap verstrooide, zoveel rampen dien bodem geteisterd, zoveel oorlogen hem platgetreden, zoveel barbaarsheid en dwingelandij zijne akkers uitgeput, dat het nauwelijks een denkbeeld meer geven kan van wat het eenmaal moet zijn geweest, het onvergelijkelijk Kanaän, met zijn Thabor en Karmel, met zijne Palmstad en Heilige stad, met zijn leven en vruchtbaarheid uitstortende Jordaan, zijn schilderachtige meren, bloeiende valleien, welige akkers; met zijn overvloed van wijndruiven, olijven, granaten, vijgen, dadels; met zijne duizenden en tien duizenden van schapen en lammeren, rondgeweid in grazige vlakten (in dat land van weelde woestijnen genoemd) en aan de aartsvaderlijke putten gedrenkt; het Kanaän waar de dichterlijke zoon van Isaï zijns vaders schapen hoedde. Hoe open was het hart van dezen jongeling voor de schoonheden der natuur, die hem omringde, voor de wonderen, welke de dag aan den dag, de nacht aan den nacht verkondigde, zijn zoetste wellust was het den bezielden toon zijner harp te paren aan het verheven lied, dat voor zijne oren de schepping aanstemde. Ook in de stilte van den nacht welde in zijn hart menig schoon gezang op, dat bestemd was om de opgetogenheid der volgende eeuwen uit te maken. Maar het is niet slechts de schepping, die hij schildert, het is niet slechts de indruk van berg en dal, boom en beek, hemel en aarde die hij wedergeeft; zijn geest klimt tot den Schepper op, zijn gemoed is vol van God. Dien heiligt hij stem en snaren. Davids liederen zijn Psalmen, lofzangen tot heerlijkheid des Allerhoogsten, wiens handenwerk, wiens grootheid, wiens goedheid, ja al wiens volmaaktheden hij op het gelaat der schepping leest, der schepping, die hij niet slechts aanschouwt bij het licht der geschapene zon, maar ook bij het licht van den Heiligen Geest. (N. BEETS).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel