Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Als de KanaanietH3669, de koningH4428 van HaradH6166, wonendeH3427 tegen het zuidenH5045, hoordeH8085, datH3588IsraelH3478 door den wegH1870 der verspiedersH871kwamH935, zo streedH3898 hij tegen IsraelH3478, en hij voerdeH7617 enige gevangenenH7628uitH4480 denzelven gevankelijk weg.Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.
KJVAnd when king3Arad4the Canaanite,2which dwelt5in the south,6heard1tell that Israel9came8by the way10of the spies;11then he fought12against Israel,13and took14some of them prisoners.
1וַיִּשְׁמַ֞עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2הַכְּנַעֲנִ֤יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker3מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4עֲרָד֙H6166Harad, AradArad5יֹשֵׁ֣בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6הַנֶּ֔גֶבH5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)7כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8בָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way9יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10דֶּ֖רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)11הָאֲתָרִ֑יםH871verspiedersspies. b12וַיִּלָּ֨חֶם֙H3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)13בְּיִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael14וַיִּ֥שְׁבְּH7617gevankelijk, gevangen, voerden(bring away, carry, carry away, lead, lead away, take) captive(-s), drive (take) away15מִמֶּ֖נּוּH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with16שֶֽׁבִיH7628gevangenis, gevangenen, gevangenecaptive(-ity), prisoners, [idiom] take away, that was taken
2Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Toen beloofdeH5087IsraelH3478 den HEEREH3068 een gelofteH5088, en zeideH559: IndienH518 Gij ditH2088volkH5971geheelH5414 in mijn handH3027geeftH5414, zo zal ik hun stedenH5892verbannenH2763.Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.
KJVAnd Israel2vowed1a vow3unto the LORD,4and said,5If thou wilt indeed7deliver8this people10into my hand,12then I will utterly destroy13their cities.
1וַיִּדַּ֨רH5087beloofd, beloofde, belooft(make a) vow2יִשְׂרָאֵ֥לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3נֶ֛דֶרH5088gelofte, geloftenvow(-ed)4לַֽיהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5וַיֹּאמַ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet7נָתֹ֨ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield8תִּתֵּ֜ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הָעָ֤םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)12בְּיָדִ֔יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves13וְהַֽחֲרַמְתִּ֖יH2763verbannen, verbande, verbandenmake accursed, consecrate, (utterly) destroy, devote, forfeit, have a flat nose, utterly (slay, make away)14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15עָרֵיהֶֽםH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town
3De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3De HEEREH3068 dan verhoordeH8085 de stemH6963 van IsraelH3478, en gafH5414 de KanaanietenH3669 over; en hij verbandeH2763 hen en hun stedenH5892; en hij noemdeH7121 den naamH8034 dier plaatsH4725HormaH2767.De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.
KJVAnd the LORD2hearkened1to the voice3of Israel,4and delivered up5the Canaanites;7and they utterly destroyed8them and their cities:11and he called12the name13of the place14Hormah.
1וַיִּשְׁמַ֨עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3בְּק֣וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell4יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5וַיִּתֵּן֙H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הַֽכְּנַעֲנִ֔יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker8וַיַּחֲרֵ֥םH2763verbannen, verbande, verbandenmake accursed, consecrate, (utterly) destroy, devote, forfeit, have a flat nose, utterly (slay, make away)9אֶתְהֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11עָרֵיהֶ֑םH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town12וַיִּקְרָ֥אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say13שֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report14הַמָּק֖וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)15חָרְמָֽהH2767HormaHormah
4Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen reisdenH5265 zij van den bergH2022HorH2023, op den wegH1870 der SchelfzeeH5488, dat zij om het landH776 der EdomietenH123heentogenH5437; doch de zielH5315 des volksH5971 werd verdrietigH7114 op dezen wegH1870.Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.
KJVAnd they journeyed1from mount3Hor2by the way4of the Red6sea,5to compass7the land9of Edom:10and the soul12of the people13was much discouraged11because of the way.
1וַיִּסְע֞וּH5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way2מֵהֹ֤רH2023HorHor3הָהָר֙H2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion4דֶּ֣רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)5יַםH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)6ס֔וּףH5488Schelfzee, biezen, Sufflag, Red (sea), weed. Compare H5489 (סוּף)7לִסְבֹ֖בH5437rondom, keerde, omgewendbring, cast, fetch, lead, make, walk, [idiom] whirl, [idiom] round about, be about on every side, apply, avoid, beset (about), besiege, bring again, carry (about), change, cause to come about, [idiom] circuit, (fetch a) compass (about, round), drive, environ, [idiom] on every side, beset (close, come, compass, go, stand) round about, inclose, remove, return, set, sit down, turn (self) (about, aside, away, back)8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9אֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world10אֱד֑וֹםH123Edom, Edomieten, EdomsEdom, Edomites, Idumea11וַתִּקְצַ֥רH7114maaien, maaiers, inoogsten[idiom] at all, cut down, much discouraged, grieve, harvestman, lothe, mourn, reap(-er), (be, wax) short(-en, -er), straiten, trouble, vex12נֶֽפֶשׁH5315ziel, zielen, levenany, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it13הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people14בַּדָּֽרֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)
5En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En het volkH5971sprakH1696 tegen GodH430 en tegen MozesH4872: WaaromH4100 hebt gijlieden ons doen optrekkenH5927 uit EgypteH4714, opdat wij stervenH4191 zouden in de woestijnH4057? WantH3588 hier is geenH369broodH3899, ook geenH369waterH4325, en onze zielH5315walgtH6973 over dit zeer lichteH7052broodH3899.En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
KJVAnd the people2spake1against God,3and against Moses,4Wherefore have ye brought us up6out of Egypt7to die8in the wilderness?9for there is no bread,12neither is there any water;14and our soul15loatheth16this light18bread.
1וַיְדַבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2הָעָ֗םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people3בֵּֽאלֹהִים֮H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty4וּבְמֹשֶׁה֒H4872Mozes, Mozes', mozesMoses5לָמָ֤הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why6הֶֽעֱלִיתֻ֨נוּ֙H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work7מִמִּצְרַ֔יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim8לָמ֖וּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise9בַּמִּדְבָּ֑רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness10כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11אֵ֥יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)12לֶ֨חֶם֙H3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals13וְאֵ֣יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)14מַ֔יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))15וְנַפְשֵׁ֣נוּH5315ziel, zielen, levenany, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it16קָ֔צָהH6973verdrietig, afkeer, beangstigdabhor, be distressed, be grieved, loathe, vex, be weary17בַּלֶּ֖חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals18הַקְּלֹקֵֽלH7052lichtelight
6Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Toen zondH7971 de HEEREH3068vurigeH8314slangenH5175 onder het volkH5971, die betenH5391 het volkH5971; en er stierfH4191veelH7227volksH5971 van IsraelH3478.Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.
KJVAnd the LORD2sent1fiery6serpents5among the people,3and they bit7the people;9and much12people11of Israel13died.
1וַיְשַׁלַּ֨חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3בָּעָ֗םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4אֵ֚תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5הַנְּחָשִׁ֣יםH5175slang, slangenserpent6הַשְּׂרָפִ֔יםH8314draak, serafs, vurigefiery (serpent), seraph7וַֽיְנַשְּׁכ֖וּH5391bijten, woekeren, beetbite, lend upon usury8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9הָעָ֑םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people10וַיָּ֥מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise11עַםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12רָ֖בH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)13מִיִּשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
7Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Daarom kwamH935 het volkH5971totH413MozesH4872, en zij zeidenH559: Wij hebben gezondigdH2398, omdatH3588 wij tegen den HEEREH3068 en tegen u gesprokenH1696 hebben; bidH6419 den HEEREH3068, dat Hij deze slangenH5175 van ons wegnemeH5493. Toen badH6419MozesH4872 voor het volkH5971.Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.
KJVTherefore the people2came1to Moses,4and said,5We have sinned,6for we have spoken8against the LORD,9and against thee; pray11unto the LORD,13that he take away14the serpents17from us. And Moses19prayed18for the people.
1וַיָּבֹא֩H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2הָעָ֨םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מֹשֶׁ֜הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses5וַיֹּאמְר֣וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6חָטָ֗אנוּH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8דִבַּ֤רְנוּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work9בַֽיהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)10וָבָ֔ךְ11הִתְפַּלֵּל֙H6419bidden, bad, bidintreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication12אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)13יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)14וְיָסֵ֥רH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without15מֵעָלֵ֖ינוּH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17הַנָּחָ֑שׁH5175slang, slangenserpent18וַיִּתְפַּלֵּ֥לH6419bidden, bad, bidintreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication19מֹשֶׁ֖הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses20בְּעַ֥דH1157voor, om; door heenabout, at by (means of), for, over, through, up (-on), within21הָעָֽםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
8En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En de HEEREH3068zeideH559totH413MozesH4872: MaakH6213 u een vurige slangH8314, en stelH7760 ze opH5921 een stangH5251; en het zal geschiedenH1961, dat alH3605 wie gebetenH5391 is, als hij haar aanzietH7200, zo zal hij levenH2425.En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
KJVAnd the LORD2said1unto Moses,4Make5thee a fiery serpent,7and set8it upon a pole:11and it shall come to pass, that every one that is bitten,14when he looketh15upon it, shall live.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מֹשֶׁ֗הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses5עֲשֵׂ֤הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use6לְךָ֙7שָׂרָ֔ףH8314draak, serafs, vurigefiery (serpent), seraph8וְשִׂ֥יםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work9אֹת֖וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11נֵ֑סH5251banier, stang, zeilbanner, pole, sail, (en-) sign, standard12וְהָיָה֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use13כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14הַנָּשׁ֔וּךְH5391bijten, woekeren, beetbite, lend upon usury15וְרָאָ֥הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions16אֹת֖וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17וָחָֽיH2425leven, leefde, levelive, save life
9En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En MozesH4872maakteH6213 een koperenH5178slangH5175, en steldeH7760 ze opH5921 een stangH5251; en het geschieddeH1961, alsH518 een slangH5175iemandH376beetH5391, zo zagH5027 hij de koperenH5178slangH5175 aan, en hij bleef levendH2425.En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
KJVAnd Moses2made1a serpent3of brass,4and put5it upon a pole,7and it came to pass, that if a serpent11had bitten10any man,13when he beheld14the serpent16of brass,17he lived.
1וַיַּ֤עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2מֹשֶׁה֙H4872Mozes, Mozes', mozesMoses3נְחַ֣שׁH5175slang, slangenserpent4נְחֹ֔שֶׁתH5178koperen, koper, kopersbrasen, brass, chain, copper, fetter (of brass), filthiness, steel5וַיְשִׂמֵ֖הוּH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7הַנֵּ֑סH5251banier, stang, zeilbanner, pole, sail, (en-) sign, standard8וְהָיָ֗הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet10נָשַׁ֤ךְH5391bijten, woekeren, beetbite, lend upon usury11הַנָּחָשׁ֙H5175slang, slangenserpent12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13אִ֔ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)14וְהִבִּ֛יטH5027aanschouwen, aanschouwt, zag(cause to) behold, consider, look (down), regard, have respect, see15אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16נְחַ֥שׁH5175slang, slangenserpent17הַנְּחֹ֖שֶׁתH5178koperen, koper, kopersbrasen, brass, chain, copper, fetter (of brass), filthiness, steel18וָחָֽיH2425leven, leefde, levelive, save life
10Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Toen verreisdenH5265 de kinderenH1121IsraelsH3478, en zij legerdenH2583 zich te ObothH88.Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth.
KJVAnd the children2of Israel3set forward,1and pitched4in Oboth.
1וַיִּסְע֖וּH5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way2בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4וַֽיַּחֲנ֖וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent5בְּאֹבֹֽתH88ObothOboth
11Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Daarna reisdenH5265 zij van ObothH88, en legerdenH2583 zich aan de heuvelen van AbarimH5863 in de woestijnH4057, dieH834tegenoverH6440MoabH4124 is, tegen den opgangH4217 der zonH8121.Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.
KJVAnd they journeyed1from Oboth,2and pitched3at Ijeabarim,4in the wilderness6which is before9Moab,10toward the sunrising.11
1וַיִּסְע֖וּH5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way2מֵאֹבֹ֑תH88ObothOboth3וַֽיַּחֲנ֞וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent4בְּעִיֵּ֣יH5863Abarim, heuvelen AbarimIje-abarim5הָֽעֲבָרִ֗יםH5863Abarim, heuvelen AbarimIje-abarim6בַּמִּדְבָּר֙H4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness7אֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9פְּנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you10מוֹאָ֔בH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab11מִמִּזְרַ֖חH4217oosten, opgang, oostwaartseast (side, -ward), (sun-) rising (of the sun)12הַשָּֽׁמֶשׁH8121zon, Zon, glasvensters[phrase] east side(-ward), sun (rising), [phrase] west(-ward), window. See also H1053 (בֵּית שֶׁמֶשׁ)
12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Van daarH8033reisdenH5265 zij, en legerdenH2583 zich bij de beekH5158ZeredH2218.Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
KJVFrom thence they removed,2and pitched3in the valley4of Zared.
1מִשָּׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither2נָסָ֑עוּH5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way3וַֽיַּחֲנ֖וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent4בְּנַ֥חַלH5158beek, beken, dalbrook, flood, river, stream, valley5זָֽרֶדH2218ZeredZared, Zered
13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Van daarH8033reisdenH5265 zij, en legerdenH2583 zich aan deze zijde van de ArnonH769, welkeH834 in de woestijnH4057 is, uitgaandeH3318 uit de landpalenH1366 der AmorietenH567; wantH3588 de ArnonH769 is de landpaleH1366 van MoabH4124, tussenH996MoabH4124 en tussenH996 de AmorietenH567.Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.
KJVFrom thence they removed,2and pitched3on the other side4of Arnon,5which is in the wilderness7that cometh out8of the coasts9of the Amorites:10for Arnon12is the border13of Moab,14between Moab16and the Amorites.
1מִשָּׁם֮H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither2נָסָעוּ֒H5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way3וַֽיַּחֲנ֗וּH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent4מֵעֵ֤בֶרH5676gene, zijden, recht[idiom] against, beyond, by, [idiom] from, over, passage, quarter, (other, this) side, straight5אַרְנוֹן֙H769ArnonArnon6אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7בַּמִּדְבָּ֔רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness8הַיֹּצֵ֖אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter9מִגְּב֣וּלH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space10הָֽאֱמֹרִ֑יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite11כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12אַרְנוֹן֙H769ArnonArnon13גְּב֣וּלH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space14מוֹאָ֔בH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab15בֵּ֥יןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within16מוֹאָ֖בH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab17וּבֵ֥יןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within18הָאֱמֹרִֽיH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite
14(Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14(DaaromH3651 wordt gezegdH559 in het boekH5612 van de oorlogenH4421 des HEERENH3068: Tegen WahebH2052, in een wervelwindH5492, en tegen de bekenH5158ArnonH769,(Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,
KJVWherefore it is said3in the book4of the wars5of the LORD,6What he did8in the Red sea,9and in the brooks11of Arnon,
1עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with2כֵּן֙H3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you3יֵֽאָמַ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4בְּסֵ֖פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll5מִלְחֲמֹ֣תH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)6יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8וָהֵ֣בH2052Wahebwhat he did9בְּסוּפָ֔הH5492wervelwind, draaiwind, wervelwindenRed Sea, storm, tempest, whirlwind, Red sea10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הַנְּחָלִ֖יםH5158beek, beken, dalbrook, flood, river, stream, valley12אַרְנֽוֹןH769ArnonArnon
15En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En den afloopH793 der bekenH5158, dieH834 zich naar de gelegenheidH3427 van ArH6144wendtH5186, en leentH8172 aan de landpaleH1366 van MoabH4124.)En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)
KJVAnd at the stream1of the brooks2that goeth down4to the dwelling5of Ar,6and lieth7upon the border8of Moab.
1וְאֶ֨שֶׁד֙H793afloopstream2הַנְּחָלִ֔יםH5158beek, beken, dalbrook, flood, river, stream, valley3אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4נָטָ֖הH5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield5לְשֶׁ֣בֶתH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6עָ֑רH6144Ar, Ar-moabsAr7וְנִשְׁעַ֖ןH8172steunen, gesteund, leundelean, lie, rely, rest (on, self), stay8לִגְב֥וּלH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space9מוֹאָֽבH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab
16En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En van daarH8033 reisden zijH1931 naar BeerH876. Dit is de putH875, van welkenH834 de HEEREH3068 tot MozesH4872zeideH559: VerzamelH622 het volkH5971, zo zal Ik hun waterH4325gevenH5414.En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.
KJVAnd from thence they went to Beer:2that is the well4whereof the LORD7spake6unto Moses,8Gather9the people11together,and I will give12them water.
1וּמִשָּׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither2בְּאֵ֑רָהH876BeerBeer3הִ֣ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who4הַבְּאֵ֗רH875put, puts, waterputpit, well5אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6אָמַ֤רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8לְמֹשֶׁ֔הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses9אֱסֹף֙H622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12וְאֶתְּנָ֥הH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield13לָהֶ֖ם14מָֽיִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))
17(Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17(Toen zongH7891IsraelH3478ditH2063liedH7892: SpringH5927 op, gij putH875, zingtH6030 daarvan bij beurteH6030!(Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!
18Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Gij putH875, dien de vorstenH8269gegravenH2658 hebben, dien de edelenH5081 des volksH5971gedolvenH3738 hebben, door den wetgeverH2710, met hun stavenH4938.) En van de woestijnH4057 reisden zij naar MattanaH4980;Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;
KJVThe princes3digged2the well,1the nobles5of the people6digged4it, by the direction of the lawgiver,7with their staves.8And from the wilderness9they went to Mattanah:
19En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En van MattanaH4980 tot NahalielH5160; en van NahalielH5160 tot BamothH1120;En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth;
KJVAnd from Mattanah1to Nahaliel:2and from Nahaliel3to Bamoth:
20En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En van BamothH1120 tot het dalH1516, datH834 in het veldH7704 van MoabH4124 is, aan de hoogteH7218 van PisgaH6449, en dat tegenH5921 de wildernisH3452 ziet.En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.
KJVAnd from Bamoth1in the valley,2that is in the country4of Moab,5to the top6of Pisgah,7which looketh8toward10Jeshimon.
1וּמִבָּמ֗וֹתH1120Bamoth, Baal, Bamoth-baalBamoth, Bamoth-baal2הַגַּיְא֙H1516dal, dalen, valleivalley3אֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4בִּשְׂדֵ֣הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild5מוֹאָ֔בH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab6רֹ֖אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top7הַפִּסְגָּ֑הH6449PisgaPisgah8וְנִשְׁקָ֖פָהH8259keek, zag, nedergezienappear, look (down, forth, out)9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10פְּנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you11הַיְשִׁימֹֽןH3452wildernis, woestijndesert, Jeshimon, solitary, wilderness
21Toen zond Israel boden tot Sihon, den koning der Amorieten, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Toen zondH7971IsraelH3478bodenH4397totH413SihonH5511, den koningH4428 der AmorietenH567, zeggendeH559:Toen zond Israel boden tot Sihon, den koning der Amorieten, zeggende:
KJVAnd Israel2sent1messengers3unto Sihon5king6of the Amorites,7saying,
22Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Laat mij door uw landH776trekkenH5674. Wij zullen nietH3808afwijkenH5186 in de akkersH7704, noch in de wijngaardenH3754; wij zullen het waterH4325 der puttenH875 niet drinkenH8354; wij zullen op den koninklijkenH4428wegH1870gaanH3212, totdatH5704 wij uw landpaleH1366doorgetogenH5674 zijn.Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.
KJVLet me pass1through thy land:2we will not turn4into the fields,5or into the vineyards;6we will not drink8of the waters9of the well:10but we will go along13by the king's12high way,11until we be past16thy borders.
1אֶעְבְּרָ֣הH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath2בְאַרְצֶ֗ךָH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world3לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4נִטֶּה֙H5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield5בְּשָׂדֶ֣הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild6וּבְכֶ֔רֶםH3754wijngaarden, wijngaard, wijngaardsvines, (increase of the) vineyard(-s), vintage. See also H1021 (בֵּית הַכֶּרֶם)7לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8נִשְׁתֶּ֖הH8354drinken, gedronken, drinkt[idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).)9מֵ֣יH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))10בְאֵ֑רH875put, puts, waterputpit, well11בְּדֶ֤רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)12הַמֶּ֨לֶךְ֙H4428koning, konings, koningenking, royal13נֵלֵ֔ךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak14עַ֥דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet15אֲשֶֽׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16נַעֲבֹ֖רH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath17גְּבֻלֶֽךָH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space
23Doch Sihon liet Israel niet toe, door zijn landpale te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israel tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israel;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Doch SihonH5511 liet IsraelH3478nietH3808 toe, door zijn landpaleH1366 te trekkenH5674; maar SihonH5511vergaderdeH622alH3605 zijn volkH5971, en hij ging uit, IsraelH3478tegemoetH7125, naar de woestijnH4057, en hij kwamH935 te JahzaH3096, en streedH3898 tegen IsraelH3478;Doch Sihon liet Israel niet toe, door zijn landpale te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israel tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israel;
KJVAnd Sihon3would not suffer2Israel5to pass6through his border:7but Sihon9gathered8all his people12together,and went out13against14Israel15into the wilderness:16and he came17to Jahaz,18and fought19against Israel.
1וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2נָתַ֨ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield3סִיחֹ֣ןH5511SihonSihon4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5יִשְׂרָאֵל֮H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6עֲבֹ֣רH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath7בִּגְבֻלוֹ֒H1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space8וַיֶּאֱסֹ֨ףH622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw9סִיחֹ֜ןH5511SihonSihon10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12עַמּ֗וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13וַיֵּצֵ֞אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter14לִקְרַ֤אתH7125tegemoet, egemoet, ontmoette[idiom] against (he come), help, meet, seek, [idiom] to, [idiom] in the way15יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16הַמִּדְבָּ֔רָהH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness17וַיָּבֹ֖אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way18יָ֑הְצָהH3096Jahza, Jahaz, JazaJahaz, Jahazah, Jahzah19וַיִּלָּ֖חֶםH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)20בְּיִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
24Maar Israel sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24Maar IsraelH3478sloegH5221 hem met de scherpteH6310 des zwaardsH2719, en namH3423 zijn landH776 in erfelijke bezittingH3423, van de ArnonH769 af totH5704 de JabbokH2999 toe, tot aan de kinderenH1121AmmonsH5983; wantH3588 de landpaleH1366 der kinderenH1121AmmonsH5983 was vastH5794.Maar Israel sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.
KJVAnd Israel2smote1him with the edge3of the sword,4and possessed5his land7from Arnon8unto Jabbok,10even unto the children12of Ammon:13for the border16of the children17of Ammon18was strong.
1וַיַּכֵּ֥הוּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound2יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word4חָ֑רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool5וַיִּירַ֨שׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7אַרְצ֜וֹH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8מֵֽאַרְנֹ֗ןH769ArnonArnon9עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet10יַבֹּק֙H2999JabbokJabbok11עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet12בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13עַמּ֔וֹןH5983Ammons, AmmonAmmon, Ammonites14כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15עַ֔זH5794sterke, sterken, sterkfierce, [phrase] greedy, mighty, power, roughly, strong16גְּב֖וּלH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space17בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth18עַמּֽוֹןH5983Ammons, AmmonAmmon, Ammonites
25Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25Alzo namH3947IsraelH3478alH3605dezeH428stedenH5892 in; en IsraelH3478woondeH3427 in alH3605 de stedenH5892 der AmorietenH567, te HesbonH2809, en in alH3605 haar onderhorige plaatsenH1323.Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
KJVAnd Israel2took1all these cities:5and Israel8dwelt7in all the cities10of the Amorites,11in Heshbon,12and in all the villages
1וַיִּקַּח֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3אֵ֥תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5הֶעָרִ֖יםH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town6הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)7וַיֵּ֤שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry8יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10עָרֵ֣יH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town11הָֽאֱמֹרִ֔יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite12בְּחֶשְׁבּ֖וֹןH2809Hesbon, Hesbons, HezbonHeshbon13וּבְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14בְּנֹתֶֽיהָH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village
26Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26WantH3588HesbonH2809 was de stadH5892 van SihonH5511, den koningH4428 der AmorietenH567; en hijH1931 had gestredenH3898 tegen den vorigenH7223koningH4428 der MoabietenH4124, en hijH1931 had alH3605 zijn landH776 uit zijn handH3027genomenH3947, totH5704 aan de ArnonH769.Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
KJVFor Heshbon2was the city3of Sihon4the king5of the Amorites,6who had fought9against the former12king10of Moab,11and taken13all his land16out of his hand,17even unto Arnon.
1כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2חֶשְׁבּ֔וֹןH2809Hesbon, Hesbons, HezbonHeshbon3עִ֗ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town4סִיחֹ֛ןH5511SihonSihon5מֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal6הָאֱמֹרִ֖יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite7הִ֑ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8וְה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who9נִלְחַ֗םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)10בְּמֶ֤לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal11מוֹאָב֙H4124Moab, Moabieten, MoabsMoab12הָֽרִאשׁ֔וֹןH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past13וַיִּקַּ֧חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16אַרְצ֛וֹH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world17מִיָּד֖וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves18עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet19אַרְנֹֽןH769ArnonArnon
27Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27DaaromH3651zeggenH559 zij, die spreekwoordenH4911 gebruiken: KomtH935 tot HesbonH2809; men bouweH1129 en bevestigeH3559 de stadH5892 van SihonH5511!Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!
KJVWherefore they that speak in proverbs4say,3Come5into Heshbon,6let the city9of Sihon10be built7and prepared:
1עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with2כֵּ֛ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you3יֹאמְר֥וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4הַמֹּשְׁלִ֖יםH4911gebruik, spreekwoord, gebruikenbe(-come) like, compare, use (as a) proverb, speak (in proverbs), utter5בֹּ֣אוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way6חֶשְׁבּ֑וֹןH2809Hesbon, Hesbons, HezbonHeshbon7תִּבָּנֶ֥הH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely8וְתִכּוֹנֵ֖ןH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed9עִ֥ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town10סִיחֽוֹןH5511SihonSihon
28Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28WantH3588 er is een vuurH784uitgegaanH3318 uit HesbonH2809; een vlamH3852 uit de stadH7151 van SihonH5511; zij heeft verteerdH398ArH6144 der MoabietenH4124, en de herenH1167 der hoogtenH1181 van de ArnonH769.Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.
KJVFor there is a fire2gone out3of Heshbon,4a flame5from the city6of Sihon:7it hath consumed8Ar9of Moab,10and the lords of the high placesof Arnon.
1כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2אֵשׁ֙H784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot3יָֽצְאָ֣הH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter4מֵֽחֶשְׁבּ֔וֹןH2809Hesbon, Hesbons, HezbonHeshbon5לֶהָבָ֖הH3852vlam, vlammend, vlammigflame(-ming), head (of a spear)6מִקִּרְיַ֣תH7151stadcity7סִיחֹ֑ןH5511SihonSihon8אָֽכְלָה֙H398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite9עָ֣רH6144Ar, Ar-moabsAr10מוֹאָ֔בH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab11בַּעֲלֵ֖יH1167burgers, heer, man[phrase] archer, [phrase] babbler, [phrase] bird, captain, chief man, [phrase] confederate, [phrase] have to do, [phrase] dreamer, those to whom it is due, [phrase] furious, those that are given to it, great, [phrase] hairy, he that hath it, have, [phrase] horseman, husband, lord, man, [phrase] married, master, person, [phrase] sworn, they of12בָּמ֥וֹתH1116hoogten, hoogte, Bamothheight, high place, wave13אַרְנֹֽןH769ArnonArnon
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
29Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29WeeH188 u, MoabH4124! Gij, volkH5971KamozH3645 zijt verlorenH6! Hij heeft zijn zonenH1121, die ontliepenH6412, en zijn dochtersH1323 in de gevangenisH7622geleverdH5414 aan SihonH5511, den koningH4428 der AmorietenH567.Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.
KJVWoe1to thee, Moab!3thou art undone,4O people5of Chemosh:6he hath given7his sons8that escaped,9and his daughters,10into captivityunto Sihon14king12of the Amorites.
1אוֹיH188Wee, wee, Ochalas, woe2לְךָ֣3מוֹאָ֔בH4124Moab, Moabieten, MoabsMoab4אָבַ֖דְתָּH6vergaan, verloren, omkomenbreak, destroy(-uction), [phrase] not escape, fail, lose, (cause to, make) perish, spend, [idiom] and surely, take, be undone, [idiom] utterly, be void of, have no way to flee5עַםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people6כְּמ֑וֹשׁH3645Kamos, KamozChemosh7נָתַ֨ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield8בָּנָ֤יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9פְּלֵיטִם֙H6412ontkomen, ontkome, ontkomene(that have) escape(-d, -th), fugitive10וּבְנֹתָ֣יוH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village11בַּשְּׁבִ֔יתH7628gevangenis, gevangenen, gevangenecaptive(-ity), prisoners, [idiom] take away, that was taken12לְמֶ֥לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13אֱמֹרִ֖יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite14סִיחֽוֹןH5511SihonSihon
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
30En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30En wij hebben hen nedergeveldH3384! HesbonH2809 is verlorenH6 tot DibonH1769 toe; en wij hebben hen verwoestH8074totH5704NofatH5302 toe, welkeH834totH5704MedebaH4311 toe reikt.En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.
KJVWe have shot1at them; Heshbon3is perished2even unto Dibon,5and we have laid them waste6even unto Nophah,8which reacheth unto Medeba.
1וַנִּירָ֛םH3384leren, schieten, schutters([phrase]) archer, cast, direct, inform, instruct, lay, shew, shoot, teach(-er,-ing), through2אָבַ֥דH6vergaan, verloren, omkomenbreak, destroy(-uction), [phrase] not escape, fail, lose, (cause to, make) perish, spend, [idiom] and surely, take, be undone, [idiom] utterly, be void of, have no way to flee3חֶשְׁבּ֖וֹןH2809Hesbon, Hesbons, HezbonHeshbon4עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet5דִּיב֑וֹןH1769Dibon, Dibon-gadDibon. (Also, with H1410 (גָּד) added, Dibon-gad.)6וַנַּשִּׁ֣יםH8074verwoest, verwoeste, ontzettenmake amazed, be astonied, (be an) astonish(-ment), (be, bring into, unto, lay, lie, make) desolate(-ion, places), be destitute, destroy (self), (lay, lie, make) waste, wonder7עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet8נֹ֔פַחH5302NofatNophah9אֲשֶׁ֖רׄH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet11מֵֽידְבָֽאH4311MedebaMedeba
31Alzo woonde Israel in het land van den Amoriet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Alzo woondeH3427IsraelH3478 in het landH776 van den AmorietH567.Alzo woonde Israel in het land van den Amoriet.
32Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32Daarna zondH7971MozesH4872 om JaezerH3270 te verspiedenH7270; en zij namenH3920 haar onderhorige plaatsenH1323 in; en hij dreefH3423 de AmorietenH567, dieH834 er waren, uit de bezittingH3423.Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.
KJVAnd Moses2sent1to spy out3Jaazer,5and they took6the villages7thereof, and drove out8the Amorites
1וַיִּשְׁלַ֤חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2מֹשֶׁה֙H4872Mozes, Mozes', mozesMoses3לְרַגֵּ֣לH7270verspieders, verspieden, achterklaptbackbite, search, slander, (e-) spy (out), teach to go, view4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5יַעְזֵ֔רH3270Jaezer, JaezersJaazer, Jazer6וַֽיִּלְכְּד֖וּH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take7בְּנֹתֶ֑יהָH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village8וַיּ֖וֹרֶשׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הָאֱמֹרִ֥יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite11אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12שָֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
33Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33Toen wenddenH6437 zij zich en trokkenH5927 op den wegH1870 van BasanH1316; en OgH5747, de koningH4428 van BasanH1316, ging uit hen tegemoetH7125, hijH1931 en alH3605 zijn volkH5971, tot den strijdH4421, en EdreiH154.Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei.
KJVAnd they turned1and went up2by the way3of Bashan:4and Og6the king7of Bashan8went out5against9them, he, and all his people,12to the battle13at Edrei.
1וַיִּפְנוּ֙H6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)2וַֽיַּעֲל֔וּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work3דֶּ֖רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)4הַבָּשָׁ֑ןH1316Bazan, BasanBashan5וַיֵּצֵ֣אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6עוֹג֩H5747OgOg7מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal8הַבָּשָׁ֨ןH1316Bazan, BasanBashan9לִקְרָאתָ֜םH7125tegemoet, egemoet, ontmoette[idiom] against (he come), help, meet, seek, [idiom] to, [idiom] in the way10ה֧וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who11וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12עַמּ֛וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13לַמִּלְחָמָ֖הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)14אֶדְרֶֽעִיH154EdreiEdrei
34De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34De HEEREH3068 nu zeideH559totH413MozesH4872: VreesH3372 hem nietH408; wantH3588 Ik heb hem in uw handH3027gegevenH5414, en alH3605 zijn volkH5971, ook zijn landH776; en gij zult hem doenH6213, gelijk als gij SihonH5511, den koningH4428 der AmorietenH567, dieH834 te HesbonH2809woondeH3427, gedaanH6213 hebt.De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
KJVAnd the LORD2said1unto Moses,4Fear6him not: for I have delivered10him into thy hand,9and all his people,14and his land;16and thou shalt do17to him as thou didst20unto Sihon21king22of the Amorites,23which dwelt25at Heshbon.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מֹשֶׁה֙H4872Mozes, Mozes', mozesMoses5אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than6תִּירָ֣אH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)7אֹת֔וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9בְיָדְךָ֞H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves10נָתַ֧תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield11אֹת֛וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14עַמּ֖וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people15וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16אַרְצ֑וֹH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world17וְעָשִׂ֣יתָH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use18לּ֔וֹ19כַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection20עָשִׂ֗יתָH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use21לְסִיחֹן֙H5511SihonSihon22מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal23הָֽאֱמֹרִ֔יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite24אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection25יוֹשֵׁ֖בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry26בְּחֶשְׁבּֽוֹןH2809Hesbon, Hesbons, HezbonHeshbon
35En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35En zij sloegenH5221 hem, en zijn zonenH1121, en alH3605 zijn volkH5971, alzo dat hem niemandH8300overbleefH7604; en zij namenH3423 zijn landH776 in erfelijke bezittingH3423.En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.
KJVSo they smote1him, and his sons,4and all his people,7until there was none9left10him alive:12and they possessed13his land.
1וַיַּכּ֨וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound2אֹת֤וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4בָּנָיו֙H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7עַמּ֔וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people8עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet9בִּלְתִּ֥יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without10הִשְׁאִֽירH7604overgebleven, overblijven, overgelatenleave, (be) left, let, remain, remnant, reserve, the rest11ל֖וֹ12שָׂרִ֑ידH8300overigen, overgeblevenen, niemand[idiom] alive, left, remain(-ing), remnant, rest13וַיִּֽירְשׁ֖וּH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15אַרְצֽוֹH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Numeri 21:1— Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.Richteren 1:16→Numeri 33:40→Jozua 12:14→Psalmen 44:3→Jozua 11:19→Deuteronomium 2:32→Numeri 13:21→Jozua 7:5→
Numeri 21:2— Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.Genesis 28:20→Richteren 11:30→Psalmen 132:2→Psalmen 116:18→2 Samuël 15:7→Jozua 6:26→Jozua 6:17→1 Samuël 1:11→
Numeri 21:3— De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.Numeri 14:45→Deuteronomium 1:44→1 Samuël 30:30→Psalmen 102:17→Psalmen 91:15→Psalmen 10:17→
Numeri 21:4— Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.Richteren 11:18→Exodus 6:9→Numeri 33:41→1 Thessalonicenzen 3:3→Numeri 20:27→Deuteronomium 2:5→Numeri 20:18→Numeri 32:9→
Numeri 21:5— En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.Psalmen 78:19→Exodus 17:2→Numeri 11:1→Exodus 16:7→Numeri 16:13→Exodus 16:31→Exodus 16:15→Exodus 15:24→
Numeri 21:6— Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.1 Korinthe 10:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Jesaja 14:29→Jesaja 30:6→Genesis 3:14→Amos 9:3→
Numeri 21:7— Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.Numeri 11:2→Psalmen 78:34→Handelingen 8:24→Exodus 8:8→Exodus 8:28→1 Koningen 13:6→1 Samuël 15:30→Exodus 32:30→
Numeri 21:8— En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.Psalmen 145:8→Psalmen 106:43→Johannes 3:14→
Numeri 21:9— En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.2 Koningen 18:4→Johannes 3:14→Zacharia 12:10→2 Korinthe 5:21→Johannes 1:29→Romeinen 1:17→1 Johannes 3:8→Johannes 6:40→
Numeri 21:10— Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth.Numeri 33:43→
Numeri 21:12— Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.Deuteronomium 2:13→
Numeri 21:13— Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.Richteren 11:18→Numeri 22:36→Numeri 21:14→Jeremia 48:20→Jesaja 16:2→Deuteronomium 2:24→
Numeri 21:14— (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,2 Samuël 1:18→Jozua 10:13→
Numeri 21:15— En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)Deuteronomium 2:18→Numeri 21:28→Deuteronomium 2:9→Deuteronomium 2:29→Jesaja 15:1→
Numeri 21:16— En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.Richteren 9:21→Jesaja 12:3→Numeri 20:8→Exodus 17:6→Johannes 4:14→Johannes 7:37→Openbaring 21:6→Openbaring 22:17→
Numeri 21:17— (Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!Psalmen 105:2→Exodus 15:1→Jesaja 12:5→Richteren 5:1→Jakobus 5:13→Jesaja 12:1→Psalmen 106:12→
Numeri 21:18— Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;Deuteronomium 5:31→Numeri 33:45→Deuteronomium 33:4→Nehemia 3:1→Johannes 1:17→Jakobus 4:12→2 Kronieken 17:7→1 Timotheüs 6:17→
Numeri 21:20— En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.Numeri 23:28→Numeri 33:49→Deuteronomium 1:5→Numeri 23:14→Numeri 22:1→Deuteronomium 34:1→Deuteronomium 4:49→Deuteronomium 3:27→
Numeri 21:21— Toen zond Israel boden tot Sihon, den koning der Amorieten, zeggende:Richteren 11:19→Deuteronomium 2:26→Numeri 20:14→
Numeri 21:22— Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.Numeri 20:17→
Numeri 21:23— Doch Sihon liet Israel niet toe, door zijn landpale te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israel tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israel;Richteren 11:20→Deuteronomium 2:30→Deuteronomium 29:7→Jeremia 48:34→Jesaja 15:4→Numeri 20:21→
Numeri 21:24— Maar Israel sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.Amos 2:9→Nehemia 9:22→Genesis 32:22→Psalmen 136:19→Jozua 24:8→Jozua 13:8→Richteren 12:1→Psalmen 135:10→
Numeri 21:25— Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.Jeremia 48:45→Ezechiël 16:46→Ezechiël 16:49→Jeremia 48:2→Numeri 21:31→Jeremia 48:34→Jesaja 15:4→Hooglied 7:4→
Numeri 21:27— Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!Habakuk 2:6→Numeri 21:14→Jesaja 14:4→
Numeri 21:28— Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.Numeri 21:15→Jeremia 48:45→Amos 2:5→Numeri 22:41→Amos 1:14→Amos 1:7→Jesaja 15:1→Richteren 9:20→
Numeri 21:29— Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.Richteren 11:24→2 Koningen 23:13→Jeremia 48:46→1 Koningen 11:33→1 Koningen 11:7→Jeremia 48:7→Jeremia 48:13→Jesaja 15:5→
Numeri 21:30— En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.Jeremia 48:18→Jesaja 15:2→Jeremia 48:22→Numeri 32:3→Jozua 13:17→Numeri 32:34→2 Samuël 11:24→Genesis 49:23→
Numeri 21:31— Alzo woonde Israel in het land van den Amoriet.Numeri 32:33→Deuteronomium 3:16→Jozua 12:1→Jozua 13:8→
Numeri 21:32— Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.Numeri 32:1→Jeremia 48:32→Numeri 32:35→Jesaja 16:8→Numeri 32:3→
Numeri 21:33— Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei.Jozua 13:12→Deuteronomium 29:7→Deuteronomium 1:4→Deuteronomium 3:1→Jesaja 33:9→Deuteronomium 4:47→Jozua 9:10→Psalmen 22:12→
Numeri 21:34— De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.Numeri 21:24→Numeri 14:9→2 Koningen 3:18→Deuteronomium 20:3→Richteren 11:30→Deuteronomium 7:24→Jozua 8:7→Deuteronomium 3:2→
Numeri 21:35— En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.Psalmen 136:17→Jozua 12:4→Psalmen 135:10→Deuteronomium 3:3→Romeinen 8:37→Jozua 13:12→Deuteronomium 29:7→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Numeri 21 vers 1— Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.
Harad,
Harad schijnt te wezen de stad, waar deze koning zijn zetel had. Zie Joz. 12:14. Anderen menen dat Harad geweest is de naam diens konings.
Hertaald:Harad,
Harad lijkt de stad te zijn waar deze koning zijn zetel had. Zie Joz. 12:14. Anderen menen dat Harad de naam van die koning was.
het zuiden,
Te weten, van het land Kanaän, waarheen de verspieders getrokken waren, Num. 13:17. Zie ook Num. 33:40.
Hertaald:het zuiden,
Namelijk: van het land Kanaän, waarheen de verspieders getrokken waren, Num. 13:17. Zie ook Num. 33:40.
Israël door den weg der verspieders kwam,
Dat is, door den weg, dien de verspieders, welken Mozes uitgezonden had, gereisd waren. Sommigen houden Atharim [hetwelk hier is overgezet verspieders ] voor den naam van een zekere plaats.
Hertaald:Israël door den weg der verspieders kwam,
Dat is: via de weg die de verspieders, die Mozes had uitgezonden, gereisd waren. Sommigen houden Atharim [hier vertaald als verspieders] voor de naam van een bepaalde plaats.
Numeri 21 vers 2— Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.
verbannen
Dat is, ik zal hen voor mij, of tot ons voordeel niet houden, maar ik zal hen u heiligen, of u ter ere verdelgen. Zie Joz. 6:17, Joz. 6:19, Joz. 6:21, Joz. 6:24, en Lev. 27:28-29.
Hertaald:verbannen
Dat is: ik zal hen niet voor mijzelf, of tot ons voordeel houden, maar Ik zal hen aan U wijden, of tot Uw eer vernietigen. Zie Joz. 6:17, Joz. 6:19, Joz. 6:21, Joz. 6:24, en Lev. 27:28-29.
Numeri 21 vers 3— De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.
gaf de Kanaänieten over;
Te weten, in zijne hand, gelijk vs.2.
Hertaald:gaf de Kanaänieten over;
Namelijk: in zijn hand, zoals in vers 2.
verbande hen en hun steden;
Dit is niet volkomenlijk geschied ten tijde van Mozes, maar door Jozua. Zie Joz. 12:14, en Richt. 1:16-17.
Hertaald:verbande hen en hun steden;
Dit is niet volledig gebeurd in de tijd van Mozes, maar door Jozua. Zie Joz. 12:14 en Richt. 1:16-17.
hij noemde den naam dier plaats
Te weten, Israël, dat is, de Israëlieten.
Hertaald:hij noemde den naam dier plaats
Namelijk: Israël, dat is: de Israëlieten.
Horma
Dat is, verbanning.
Hertaald:Horma
Dat is: verbanning.
Numeri 21 vers 4— Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.
Schelfzee,
Zie Ex. 13:18.
Hertaald:Schelfzee,
Zie Ex. 13:18.
werd verdrietig
Hebreeuws, werd verkort. Zie Richt. 10:16.
Hertaald:werd verdrietig
Hebreeuws: werd verkort. Zie Richt. 10:16.
op dezen weg
Of, vanwege dezen weg.
Hertaald:op dezen weg
Of: vanwege deze weg.
Numeri 21 vers 5— En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
dit zeer lichte brood
Aldus noemt dit volk het hemelse brood.
Hertaald:dit zeer lichte brood
Zo noemt dit volk het hemelse brood.
Numeri 21 vers 6— Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.
vurige slangen onder het volk,
Hebreeuws, brandende. Alzo genoemd omdat zij den mensen, die zij beten, dodelijken brand en volgens dien groten dorst aanbrachten.
Hertaald:vurige slangen onder het volk,
Hebreeuws: brandende. Zo genoemd omdat zij bij de mensen die zij beten, een dodelijke brand en daaropvolgend hevige dorst veroorzaakten.
Numeri 21 vers 8— En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
een vurige slang,
vs.9 wordt zij genoemd een koperen slang. De zin dezer woorden is: maak een koperen slang, die de vurige gelijk zij.
Hertaald:een vurige slang,
In vers 9 wordt zij een koperen slang genoemd. De betekenis van deze woorden is: maak een koperen slang, gelijk aan de vurige.
stang;
Of, staak, spar. Anders, tot een teken, of op een banier
Hertaald:stang;
Of: staak, spar. Ook mogelijk: tot een teken, of op een banier.
zo zal hij leven
Dat is, hij zal genezen worden en het leven behouden.
Hertaald:zo zal hij leven
Dat is: hij zal genezen worden en in leven blijven.
Numeri 21 vers 13— Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.
aan deze zijde van de Arnon,
Anders, aan het veer van Arnon.
Hertaald:aan deze zijde van de Arnon,
Ook mogelijk: bij de doorwaadbare plaats van de Arnon.
Numeri 21 vers 14— (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,
wordt gezegd
Anders, zal gezegd worden; te weten in toekomende eeuwen.
Hertaald:wordt gezegd
Ook mogelijk: zal gezegd worden; namelijk in latere eeuwen.
boek
Dit boek, geschrift of verhaal is niet meer voorhanden, nochtans zonder kwetsing of vermindering der kanonieke boeken.
Hertaald:boek
Dit boek, geschrift of verhaal is niet meer voorhanden, echter zonder schade of vermindering voor de canonieke boeken.
oorlogen des HEEREN
Dat is, der oorlogen, die door de beschikking en kracht van God geschied zijn.
Hertaald:oorlogen des HEEREN
Dat is: van de oorlogen die door de beschikking en kracht van God gebeurd zijn.
Tegen
Hierdoor kan men verstaan: waren de oorlogen des Heeren, of, strijdende, of iets dergelijks. De volgende woorden, alsook vs.15 zijn zwaar te verstaan en worden onderscheidenlijk uitgelegd; wij stellen die hier, gelijk zij door de voornaamsten onder de geleerden vertaald worden.
Hertaald:Tegen
Hierdoor kan men verstaan: waren de oorlogen van de HEERE, of: strijdend, of iets dergelijks. De volgende woorden, evenals vers 15, zijn moeilijk te begrijpen en worden verschillend uitgelegd; wij geven ze hier weer zoals de belangrijkste geleerden ze vertalen.
Waheb,
Men meent dat dit de naam des konings van Moab is, wien Sihon zou overwonnen hebben; vs.26.
Hertaald:Waheb,
Men neemt aan dat dit de naam is van de koning van Moab, die Sihon zou hebben overwonnen; vers 26.
wervelwind,
Hebreeuws, Besupha. Eenigen nemen dit woord voor den naam ener plaats, anders genoemd Suf; Deut. 1:1. Anders, de Rode zee.
Hertaald:wervelwind,
Hebreeuws: Besupha. Sommigen nemen dit woord als de naam van een plaats, ook wel Suf genoemd; Deut. 1:1. Ook mogelijk: de Rode Zee.
Numeri 21 vers 15— En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)
gelegenheid
Of, situatie
Hertaald:gelegenheid
Of: situatie.
Ar wendt,
Ar is de naam ener stad in het land der Moabieten; vs.28.
Hertaald:Ar wendt,
Ar is de naam van een stad in het land van de Moabieten; vers 28.
leunt aan de landpale van Moab
Of, grenst, stoot, is gelegen.
Hertaald:leunt aan de landpale van Moab
Of: grenst, raakt, ligt.
Numeri 21 vers 17— (Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!
dit lied
Met dit lied zingen en roemen zij de weldaad Gods, hun bewezen door het geven van dien bornput.
Hertaald:dit lied
Met dit lied bezingen en roemen zij de weldaad van God, hun bewezen door het geven van die bron.
zingt daarvan bij beurte
Of, zingt het bij beurte. Zie Ex. 15:21, en 1 Sam. 18:7; Ps. 147:7.
Hertaald:zingt daarvan bij beurte
Of: zingt het bij beurten. Zie Ex. 15:21 en 1 Sam. 18:7; Ps. 147:7.
Numeri 21 vers 18— Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;
den wetgever,
Dat is, door het beleid des welgevers, te weten, Mozes; alzo ook Deut. 33:21; of versta, God zelf door den wetgever, gelijk Jes. 33:22.
Hertaald:den wetgever,
Dat is: door het beleid van de wetgever, namelijk Mozes; zo ook Deut. 33:21; of versta: God Zelf door de wetgever, zoals Jes. 33:22.
met hun staven
Versta dit van de staven van Mozes en Aäron, of van de regimentsstaven, die de vorsten en regeerders gemeenlijk in de hand hadden, tot een teken van hun ambt en hun macht, die zij van God ontvangen hadden.
Hertaald:met hun staven
Versta dit van de staven van Mozes en Aäron, of van de regeringsstaven, die de vorsten en leiders gewoonlijk in de hand hadden, als teken van hun ambt en macht, die zij van God ontvangen hadden.
Numeri 21 vers 20— En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.
in het veld van Moab is,
Dat is, in het land.
Hertaald:in het veld van Moab is,
Dat is: in het land.
de wildernis ziet
Anders, Jesimoth.
Hertaald:de wildernis ziet
Ook mogelijk: Jesimoth.
Numeri 21 vers 23— Doch Sihon liet Israel niet toe, door zijn landpale te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israel tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israel;
Jahza,
De naam ener stad, van welke ook gesproken wordt Deut. 2:32; Richt. 11:20; Jer. 48:21, Jer. 48:34.
Hertaald:Jahza,
De naam van een stad, waarover ook gesproken wordt in Deut. 2:32; Richt. 11:20; Jer. 48:21, Jer. 48:34.
Numeri 21 vers 24— Maar Israel sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.
scherpte des zwaards,
Hebreeuws, mond
Hertaald:scherpte des zwaards,
Hebreeuws: mond.
Arnon . . . Jabbok
Dit zijn de namen van rivieren.
Hertaald:Arnon . . . Jabbok
Dit zijn de namen van rivieren.
want de landpale der kinderen Ammons was vast
Dit is de reden, waarom Sihon de landpalen niet heeft kunnen innemen, gelijk hij het land der Moabieten had ingenomen.
Hertaald:want de landpale der kinderen Ammons was vast
Dit is de reden waarom Sihon de gebieden niet heeft kunnen innemen, zoals hij het land van de Moabieten had ingenomen.
Numeri 21 vers 25— Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
onderhorige plaatsen
Hebreeuws, dochters; dat is, kleine steden, dorpen en vlekken, die onder Hesbon behoorden, als onder haar moederstad of hoofdstad. Mozes noemt ze onbemuurde steden, Deut. 3:5.
Hertaald:onderhorige plaatsen
Hebreeuws: dochters; dat is: kleine steden, dorpen en gehuchten, die onder Hesbon vielen, als onder hun moederstad of hoofdstad. Mozes noemt ze onbemuurde steden, Deut. 3:5.
Numeri 21 vers 26— Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
tegen den vorigen koning der Moabieten,
Te weten, met dien koning, die het naast vóór Balak koning geweest was.
Hertaald:tegen den vorigen koning der Moabieten,
Namelijk: met de koning die het laatst vóór koning Balak geweest was.
Numeri 21 vers 27— Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!
men bouwe en bevestige de stad van Sihon
Te weten, groter en sterker dan het tevoren geweest is.
Hertaald:men bouwe en bevestige de stad van Sihon
Namelijk: groter en sterker dan zij tevoren was.
Numeri 21 vers 28— Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.
is een vuur uitgegaan uit Hesbon;
Dat is, Sihon, nadat hij Hesbon ingenomen had, is vandaar als een vuur voortgevlogen naar de Moabieten toe.
Hertaald:is een vuur uitgegaan uit Hesbon;
Dat is: Sihon is, nadat hij Hesbon had ingenomen, van daaruit als een vuur voortgesneld naar de Moabieten toe.
Ar der Moabieten,
Dit was de hoofdstad van het land der Moabieten, waarvan het gehele land den naam gekregen heeft.
Hertaald:Ar der Moabieten,
Dit was de hoofdstad van het land van de Moabieten, waarnaar het hele land vernoemd is.
de heren der hoogten van de Arnon
Versta, de priesters en vorsten, die de stad door hun afgod niet hebben kunnen bevrijden. Zie Jer. 48:7. Anders, de burgers van Bamoth, te Arnon.
Hertaald:de heren der hoogten van de Arnon
Versta: de priesters en vorsten, die de stad door hun afgod niet hebben kunnen bevrijden. Zie Jer. 48:7. Ook mogelijk: de burgers van Bamoth, bij de Arnon.
Numeri 21 vers 29— Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.
volk Kamoz zijt verloren
Dat is, gij volk, dat den Chamos eert en dient. Aldus werd genoemd de afgod der Moabieten, 1 Kon. 11:33.
Hertaald:volk Kamoz zijt verloren
Dat is: u volk dat Kamos vereert en dient. Zo werd de afgod van de Moabieten genoemd, 1 Kon. 11:33.
Hij heeft
Te weten, Chamos.
Hertaald:Hij heeft
Namelijk: Chamos.
zijn zonen,
Te weten, van Moab; dat is, de Moabieten.
Hertaald:zijn zonen,
Namelijk: van Moab; dat is: de Moabieten.
die ontliepen,
Dat is, Chamos heeft hen gevankelijk laten wegvoeren, zonder dat hij hen heeft kunnen beschermen.
Hertaald:die ontliepen,
Dat is: Chamos heeft hen gevankelijk laten wegvoeren, zonder hen te kunnen beschermen.
Numeri 21 vers 30— En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.
nedergeveld
Of, geschoten; te weten, met pijlen. Anders, hun lamp is vergaan; dat is, hun heerlijkheid.
Hertaald:nedergeveld
Of: neergeschoten; namelijk met pijlen. Ook mogelijk: hun lamp is vergaan; dat is: hun heerlijkheid.
Dibon toe;
Een van de hoge plaatsen of steden in het land Moab; Jes. 14:2; Jer. 48:18, Jer. 48:22.
Hertaald:Dibon toe;
Een van de hoge plaatsen of steden in het land Moab; Jes. 14:2; Jer. 48:18, Jer. 48:22.
Médeba toe reikt.
Een stad in het land Moab; Jes. 15:2.
Hertaald:Médeba toe reikt.
Een stad in het land Moab; Jes. 15:2.
Numeri 21 vers 32— Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.
Jáëzer te verspieden;
De naam ener stad, die eertijds den Moabieten had toebehoord, van welke gesproken wordt Num. 32:1, Num. 32:3, Num. 32:35, en Jer. 48:32.
Hertaald:Jáëzer te verspieden;
De naam van een stad, die vroeger aan de Moabieten had toebehoord, waarover gesproken wordt in Num. 32:1, Num. 32:3, Num. 32:35, en Jer. 48:32.
onderhorige plaatsen in;
Zie boven, vs.25.
Hertaald:onderhorige plaatsen in;
Zie hierboven, vers 25.
Numeri 21 vers 33— Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei.
Basan;
Dit was een goed, vet weiland, van hetwelk gesproken wordt Deut. 32:14; Ps. 22:13; Jer. 50:19; Am. 4:1; Mi. 7:14.
Hertaald:Basan;
Dit was een goed, vet weiland, waarover gesproken wordt in Deut. 32:14; Ps. 22:13; Jer. 50:19; Am. 4:1; Mi. 7:14.
Og,
Deze Og is ook een koning der Amorieten geweest, een reus. Zie van hem Deut. 3:1, Deut. 3:11.
Hertaald:Og,
Deze Og was ook een koning van de Amorieten, een reus. Zie hierover Deut. 3:1, Deut. 3:11.
Edreï
Een stad in het koninkrijk van Og gelegen; Deut. 3:10.
Hertaald:Edreï
Een stad in het koninkrijk van Og; Deut. 3:10.
Numeri 21 vers 35— En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.
niemand overbleef;
Hebreeuws, geen overige overbleEf
Hertaald:niemand overbleef;
Hebreeuws: geen overige bleef over.
zijn land in erfelijke bezitting
Te weten, het land van den koning Og.
Hertaald:zijn land in erfelijke bezitting
Namelijk: het land van koning Og.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Sihon — neerslaand, of: verwoester
De koning van de Amorieten, die zetelde te Hesbon en heel het land tussen de Arnon en de Jabbok bezat. Toen hij de Israëlieten niet door zijn land wilde laten trekken en hen aanviel, versloeg Israël hem en nam zijn hele land in bezit (Num. 21:21-30).
Og — reus, of: lang van hals
De koning van Basan, de laatste van de reuzen (Rafaïeten), die het gebied tussen de Jabbok en de Hermon bezat. Ook hij trok tegen Israël ten strijde en werd, samen met zijn hele volk, door Israël verslagen; zijn land werd daarna aan de stammen Ruben, Gad en de halve stam Manasse gegeven (Num. 21:33-35).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Horma — Hebreeuws voor "verbanning" of "volledige verwoesting" (van dezelfde stam als "cherem", de ban)
Ligging: Een plaats in het Zuiderland (Negeb), niet ver van Arad; de precieze locatie is onbekend.
Geschiedenis: Toen het volk, na van de HEERE gehoord te hebben dat het wegens zijn ongeloof niet in Kanaän mocht komen, eigenmachtig en zonder de ark en zonder Mozes toch de berg optrok om het land alsnog in te nemen, versloegen de Amalekieten en Kanaänieten hen en vervolgden hen tot Horma toe (Num. 14:40-45). Later, in Num. 21:1-3, versloeg Israël hier juist wél overwinnend de koning van Arad, en wijdde de plaats met een gelofte aan de ban — vandaar de naam.
Bijbelse betekenis: Eerst het toneel van een pijnlijke nederlaag door eigenwillig ongehoorzame overmoed (buiten Gods bevel om ten strijde trekken), later van een overwinning wanneer het volk wél in afhankelijkheid van de HEERE streed — een scherp contrast tussen eigen kracht en geloofsgehoorzaamheid.
Num. 14:45; 21:1-3; Deut. 1:44; Richt. 1:17
Oboth — Hebreeuws voor "(dodenbezweerders-)holen" of "waterzakken"
Ligging: Een pleisterplaats aan de oostzijde van Edom, op de route naar Moab; de precieze locatie is onbekend.
Geschiedenis: Een van de kampementen op de lange omtrekkende tocht rond Edom, na de nederlaag van Israël bij Horma (Num. 21:4-10).
Bijbelse betekenis: Eén van de vele, soms nauwelijks meer dan bij naam bekende, haltes die de trouw van de HEERE tonen om Zijn volk, ondanks zijn aanhoudend gemor (zie de koperen slang, eerder in dit hoofdstuk), stap voor stap naar het beloofde land te leiden.
Num. 21:10-11; 33:43-44
Ijje-Abarim — Hebreeuws voor "puinhopen van Abarim" of "puinhopen aan de overzijde"
Ligging: Een pleisterplaats aan de grens van Moab, in de woestijn ten oosten daarvan; de precieze locatie is onbekend.
Geschiedenis: De volgende halte na Oboth, "in de woestijn, die voor aan Moab is, tegen den opgang der zon" (Num. 21:11).
Bijbelse betekenis: Onderdeel van dezelfde geduldige, stap-voor-stap-leiding van de HEERE als de overige pleisterplaatsen in dit hoofdstuk.
Num. 21:11; 33:44-45
Dal Zered — Hebreeuws "Zered" is van onzekere afleiding, mogelijk "welig, overvloedig"
Ligging: Een dal/rivier(bed) dat de grens vormde tussen Edom en Moab, uitmondend in de zuidoosthoek van de Dode Zee.
Geschiedenis: Hier trok Israël doorheen op weg naar het gebied van de Amorieten (Num. 21:12). Mozes noemt later uitdrukkelijk dat er van Kades tot aan de doortocht door dit dal achtendertig jaar verlopen waren — de tijd die nodig was totdat het hele geslacht der strijdbare mannen uit die generatie omgekomen was, zoals de HEERE gezworen had (Deut. 2:13-14).
Bijbelse betekenis: Een stille, feitelijke markering van het einde van het oordeel over de ongelovige generatie van Kades: met het oversteken van deze grensrivier is de veertigjarige straftijd nagenoeg voorbij.
Num. 21:12; Deut. 2:13-14
Arnon — mogelijk verwant aan een Hebreeuws woord voor "ruisen, bruisen" (van stromend water)
Ligging: Een diep ingesneden rivier(dal) die in de Dode Zee uitmondt en de natuurlijke grens vormde tussen Moab (ten zuiden) en het land van de Amorieten (ten noorden).
Geschiedenis: Israël legerde zich aan de overzijde van deze rivier, die de grens van Moab vormde (Num. 21:13). Genoemd in het "Boek van de oorlogen des HEEREN" (Num. 21:14) als grensrivier, en later herhaaldelijk als de vaste noordgrens van Moab en zuidgrens van het gebied dat aan Ruben en Gad werd toegewezen.
Bijbelse betekenis: Een van de belangrijkste geografische ijkpunten van het Overjordaanse gebied doorheen de rest van de Schrift, tot in de latere oordeelsprofetieën over Moab (Jes. 16:2; Jer. 48:20).
Archeologie: Algemeen geïdentificeerd met de huidige Wadi Mujib in Jordanië, een indrukwekkende kloof die nog altijd als natuurlijke grens in het landschap zichtbaar is.
Ligging: Een pleisterplaats nabij de grens van Moab; de precieze locatie is onbekend.
Geschiedenis: Hier gaf de HEERE Mozes de opdracht het volk te vergaderen, waarna Hij hun water gaf; het volk zong bij die gelegenheid het "Lied van de put" (Num. 21:16-18) — in schril contrast met het eerdere morren over gebrek aan water.
Bijbelse betekenis: Een verkwikkend moment van dankbare lofzang temidden van de woestijnreis, alsof het volk hier, aan de vooravond van de intocht, voor het eerst weer leert Gods gaven met vreugde te ontvangen in plaats van te morren.
Num. 21:16-18
Mattana, Nahaliël en Bamoth — Mattana: Hebreeuws "geschenk"; Nahaliël: "beekdal van God"; Bamoth: "hoogten" (verwant aan het latere Bamoth-Baal)
Ligging: Opeenvolgende pleisterplaatsen tussen "de put" en het veld van Moab; de precieze locaties zijn onbekend.
Geschiedenis: Kort na elkaar genoemde haltes op de laatste etappe voor Israël het veld van Moab bereikte, tegenover de berg Nebo/Pisga (Num. 21:18-20).
Bijbelse betekenis: Ook deze bondig genoemde haltes onderstrepen dat elke stap van de woestijnreis, tot in de kleinste bijzonderheden, onder de leiding van de HEERE stond.
Num. 21:18-20
Pisga (de hoogte van Pisga) — Hebreeuws, mogelijk "gespleten (bergkam)"
Ligging: Een bergrug in het Abarimgebergte ten oosten van de Jordaan/Dode Zee, waarvan de berg Nebo een van de toppen is; ligt tegenover Jericho.
Geschiedenis: Voor het eerst genoemd als het punt vanwaar het dal in het veld van Moab overzien werd (Num. 21:20). Later, aan het einde van de woestijnreis, beklom Bileam een van de toppen van Pisga om Israël te vervloeken — en zegende in plaats daarvan (Num. 23:14). Uiteindelijk was het ook de top van Pisga (de Nebo) vanwaar Mozes, vlak voor zijn dood, het hele beloofde land mocht aanschouwen dat hijzelf niet zou binnengaan (Deut. 34:1).
Bijbelse betekenis: Een plaats die zowel een mislukte vervloeking in een onvermijdelijke zegen ziet omslaan (Bileam), als de aangrijpende plek wordt waar Mozes het land van de belofte mag zien, maar niet betreden — een diep symbool van de wet die wel naar het land wijst, maar er zelf niet in kan brengen.
Num. 21:20; 23:14; Deut. 3:27; 34:1
Ar (van Moab) — Hebreeuws voor "stad"
Ligging: Vermoedelijk de (hoofd)stad of het kernland van Moab, aan de Arnon; de precieze locatie is onbekend.
Geschiedenis: Genoemd als grenspunt bij Israëls tocht rond Moab (Num. 21:15) en in het "Boek van de oorlogen des HEEREN" aangehaald als markering van de Arnon-grens (Num. 21:28, waar het door Sihon, koning der Amorieten, veroverd bleek te zijn). De HEERE had Israël uitdrukkelijk verboden Moab zelf lastig te vallen, omdat Hij dit land aan de kinderen van Lot gegeven had (Deut. 2:9).
Bijbelse betekenis: Onderstreept dat de HEERE Zelf de grenzen van de volken bepaalt en bewaakt — ook van volken buiten Israël — en dat Israëls verovering strikt beperkt bleef tot wat God hun uitdrukkelijk gaf, namelijk het land van de Amorieten, niet dat van Moab zelf.
Num. 21:15, 28; Deut. 2:9, 18
Hesbon — Hebreeuws, mogelijk "vernuft" of "vesting"
Ligging: Gelegen ten oosten van de Jordaan, ongeveer halverwege tussen de Dode Zee en de Jabbok, op de grens tussen het latere gebied van Ruben en Gad.
Geschiedenis: De hoofdstad van Sihon, koning der Amorieten, die Israël vreedzame doortocht weigerde en zelfs ten strijde trok. Israël versloeg hem en nam zijn hele land, van de Arnon tot de Jabbok, in bezit, met Hesbon als kernstad (Num. 21:21-31). De stad werd nadien aan de Rubenieten toegewezen, maar later als Levietenstad aan de Gadieten (Joz. 13:17; 21:39).
Bijbelse betekenis: De eerste grote, blijvende gebiedsverovering van Israël in het Overjordaanse — het begin van de daadwerkelijke inbezitname van het land dat de HEERE beloofd had, na veertig jaar van omzwerving.
Archeologie: Meestal geïdentificeerd met Tell Hesban in Jordanië, waar opgravingen resten uit vele perioden hebben blootgelegd, al is directe archeologische bevestiging van de Sihon-periode zelf (rond de tijd van de uittocht) beperkt.
Ligging: Ten noorden van Hesbon, in het gebied dat later aan Gad werd toegewezen; de precieze locatie is onbekend, al wordt vaak aan Khirbet es-Sar of Khirbet Jazzir gedacht.
Geschiedenis: Door Israël verspied en op de Amorieten veroverd, kort na de inname van Hesbon (Num. 21:32). Later een Levietenstad in het gebied van Gad, en beroemd om zijn wijngaarden (Jes. 16:8-9; Jer. 48:32).
Bijbelse betekenis: Een verdere bevestiging dat de HEERE Israël stap voor stap heel het land van de Amorieten in handen gaf, zoals Hij beloofd had.
Basan — Hebreeuws, mogelijk verwant aan een woord voor "vruchtbaar, zacht (land)"
Ligging: Het hoogland ten oosten van het meer van Galilea en ten noorden van de Jabbok, bekend om zijn vruchtbare weiden, eiken en vee.
Geschiedenis: Het rijk van Og, de laatste van de reuzen (Refaïeten), die Israël bij Edreï versloeg, waarna heel Basan met zijn zestig ommuurde steden in Israëls bezit kwam (Num. 21:33-35; Deut. 3:1-11). Later toegewezen aan de halve stam van Manasse.
Bijbelse betekenis: Basans vruchtbaarheid en de kracht van zijn koning maken de tweede grote overwinning in het Overjordaanse tot een even krachtig teken van de HEERE, Die de sterkste vijanden voor Zijn volk ten val brengt — Basans stieren en eiken worden later in de profeten en psalmen juist beeld van hoogmoed die voor God moet buigen (Ps. 22:13; Jes. 2:13; Amos 4:1).
Ligging: Een van de twee hoofdsteden van Og in Basan (naast Astharoth), in het huidige zuiden van Syrië.
Geschiedenis: Hier versloeg Israël koning Og van Basan met zijn hele volk, zodat niemand van hem overbleef, en nam zijn land in bezit (Num. 21:33-35; Deut. 3:1-3).
Bijbelse betekenis: Het toneel van de tweede grote, beslissende overwinning in het Overjordaanse — samen met Hesbon het bewijs dat de HEERE, Die Zijn volk veertig jaar in de woestijn liet zwerven om zijn ongeloof, hen nu met kracht voor Zijn beloofde land toerust.
Archeologie: Doorgaans geïdentificeerd met het huidige Daraa in Zuid-Syrië, waar ondergrondse grotten/gangenstelsels uit de oudheid bewaard zijn gebleven.
Toen het volk opnieuw tegen God en Mozes sprak, zond de HEERE vurige slangen onder hen, zodat velen stierven. Op de voorbede van Mozes gebood God hem een vurige slang te maken en die op een stang te stellen: wie gebeten was en haar aanzag, bleef leven (Num. 21:4-9). Eeuwen later bleek Israël voor dit koperen beeld reukwerk te zijn gaan branden; koning Hizkia verbrijzelde het daarom en noemde het minachtend Nehustan, een naam die niet meer zegt dan een stuk koper (2 Kon. 18:4).
Bijbelse betekenis: Er was geen kruid, geen tegengif en geen inspanning: er was alleen het opzien. De genezing lag niet in de blik zelf maar in Gods belofte die eraan verbonden was, en zij stond open voor iedere gebetene zonder uitzondering — de zwaarst gebetene zag met dezelfde uitwerking op als de licht getroffene. De latere afgoderij met hetzelfde voorwerp laat zien hoe snel een teken van God tot een afgod wordt zodra men het losmaakt van Zijn Woord.
Typologie: Christus past deze geschiedenis rechtstreeks op Zichzelf toe, en het is een van de weinige plaatsen waar Hij dat met zoveel woorden doet: "En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3:14-15). In de geest van Spurgeon is dit de eenvoudigste prediking van het evangelie die er is: zien is leven, en het oog dat ziet hoeft niet sterk te zijn, alleen gericht op de Verhoogde.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De verlossing en de losserniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toefunctie
Opzien naar wat u doodde — 21:4-9
Het volk loopt om Edom heen en het geduld is op. Zij spreken tegen God en tegen Mozes, over brood dat zij verachten en water dat er niet is. Dan komen de slangen, en er sterven mensen.
Wie gebeten is moet kijken naar een koperen slang op een paal — en wie kijkt, blijft leven.
Er is geen dokter, geen tegengif en geen tijd. Mensen liggen te sterven aan het gif in hun aderen. En het middel dat God geeft is ontwapenend eenvoudig: maak een vurige slang, stel ze op een stang, en al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
Bedenk wat daar aan die stang hing. Een beeld van precies datgene wat hen aan het doden was. Wie leven wilde moest kijken naar de gedaante van zijn eigen ondergang — en juist daar was de redding.
Er staat niets over verdienen. Niet: wie berouw genoeg heeft. Niet: wie zich sterk genoeg opricht. Alleen kijken. De zwakste stervende die zijn ogen nog net die kant op kreeg, bleef leven.
Jezus heeft deze geschiedenis zelf uitgelegd, in een nachtgesprek met een schriftgeleerde die het had kunnen weten. Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. Het vers dat daarop volgt is het bekendste van heel de Bijbel — en het staat er als gevolgtrekking uit een koperen slang op een paal.
En er is een naspel. Eeuwen later stond die slang er nog, en werd zij aanbeden. Koning Hizkia verbrijzelde haar en noemde haar Nehustan, dat is: een stuk koper. Ook het beste zinnebeeld wordt een afgod zodra men erbij blijft staan in plaats van te zien op Wie het aanwees.
Numeri 21:6 — Vurige slangen bijten het volk, en er sterven mensen.
Numeri 21:8 — Zie de slang aan op de stang, en gij zult leven.
2 Koningen 18:4 — Eeuwen later verbrijzelt Hizkia haar: zij was een afgod geworden.
Johannes 3:14 — Gelijk Mozes de slang verhoogde, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.
2 Korinthe 5:21 — Hem heeft God zonde voor ons gemaakt, Die geen zonde gekend heeft.
In het Nieuwe Testament: Johannes 3:14-16; Johannes 12:32; 2 Korinthe 5:21; 2 Koningen 18:4
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Numeri 21:1-4.KruisverwijzingenRichteren 1:16→Numeri 33:40→Richteren 11:18→Exodus 6:9→Jozua 12:14→Genesis 28:20→Richteren 11:30→Numeri 14:45→ — Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg. Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma. Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg. De kinderen Israëls waren in werkelijk gevaar. Zij werden aangevallen door een woeste vijand die, waarschijnlijk wetend dat hij ten verderve gedoemd was, besloot de strijd voor te zijn door de Israëlieten aan te vallen terwijl zij onvoorbereid waren, en hun zoveel schade toe te brengen als hij kon. Arad blijkt een koning van aanzienlijke macht te zijn geweest, en zijn bekwaamheid in de oorlog blijkt uit het feit dat hij tegen de Israëlieten althans gedeeltelijk voorspoedig was.
Wil een christen opgroeien tot de volle maat van een man in Christus, dan moet hij aan de scherpe winden van beproeving en verzoeking onderworpen worden. Ik heb vaak zo’n opmerking gehoord als deze: “Ik heb nooit geweten wat een christen die-en-die was, totdat hij zijn goed verloor, of zijn vrouw, of zijn kinderen, of totdat hij op het bed van ziekte en dood werd uitgestrekt.” Iets in de scherpe winterlucht versterkt ons en maakt ons sterk voor het werk, terwijl het zomerwindje van het gemak ons vaak verzwakt.
En al mogen geloften nooit lichtvaardig of goddeloos gedaan worden, er zijn tijden waarin een gelofte op ons kan rusten als een plicht. Vele belangrijke stappen die ik gezet heb en die God gezegend heeft, heb ik gezet vanwege een gelofte die ik Hem deed toen mijn ziel in moeite was. En ik denk soms dat moeite, in mijn eigen geval, altijd een voorbereiding is op het ingaan van een nieuwe weg van plicht of het beginnen van een nieuwe onderneming voor mijn dierbare Heere en Meester.
Daarna werd hun niet toegestaan door het land Edom te trekken; zij moesten daarom omkeren en juist wegtrekken van het land waar zij eenmaal hoopten te wonen, en de weg was bijzonder zwaar, over heet en brandend zand: “doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg”.
Numeri 21:4-6.Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:9→Richteren 11:18→Exodus 6:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Psalmen 78:19→Numeri 33:41→Jesaja 14:29→ — Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg. En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel. Vele beproevingen overkwamen hen in de woestijn, meestal door hun eigen zonde. Zij waren het meest begunstigde volk op de hele aarde. En toch, met al deze voorrechten, werd de ziel des volks heel verdrietig op de weg. Soms worden Gods eigen kinderen, wanneer zij bevinden dat zij in het geestelijk leven niet zo ver gevorderd zijn als zij meenden, wanneer zij oude zonden weer zien opleven en de moeiten zich op hen samenpakken, “verdrietig op dezen weg”. Is dat onze ervaring, laten wij dan niet vallen in de zonde waarin deze Israëlieten vielen, maar laten wij ons zelfs in onze moedeloosheid tot onze God keren.
Vorige week zag ik mijn dierbare oude grootvader, die ongeveer zevenentachtig jaar is, en ik zei tegen hem: “Ik veronderstel, grootvader, dat u in uw lange leven veel moeiten hebt gehad.” Hij antwoordde: “Wel, ik heb er niet te veel gehad, behalve die ik mijzelf heb aangedaan.” En ik verwacht dat dat voor de meesten van ons waar is.
Toen de Israëlieten ongeduldig werden, brachten zij hun moeite toen tot God, zoals zij eerder gedaan hadden? O nee! In plaats daarvan “spraken zij tegen God en tegen Mozes”. Wie belijdenis van het geloof doen, leggen de schuld van hun moeiten vaak op anderen. Zij zeggen: “Als mijn vader een voorzichtiger man geweest was”, of: “Als die-en-die mij wijzer raad gegeven had”, of: “Als mijn man niet zo’n verkwister was, dan was ik niet in zulke moeite geraakt.” Vaak is dat maar een bedekte manier van morren tegen God.
Denk niet dat het een kleinigheid is tegen God te morren of over Zijn voorzienige handelingen met ons te klagen. Nee, het is in werkelijkheid ons feilbaar oordeel of onze eigen wil stellen tegenover de oneindige wijsheid van de Allerhoogste. Het is hoogverraad tegen de Koning der koningen.
Numeri 21:5.KruisverwijzingenPsalmen 78:19→Exodus 17:2→Numeri 11:1→Exodus 16:7→Numeri 16:13→Exodus 16:31→Exodus 16:15→Exodus 15:24→ — En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Men wordt, bij het lezen van de omzwervingen van Israël in de woestijn, moe van dit papegaaiengeschreeuw: “Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte?” Bijna veertig jaar lang was dit hun kreet zodra zij enige moeilijkheid ontmoetten. Hoe moe moet God van hun geroep zijn geweest, en hoe moe ook van hen! En nu werd het opgeheven omdat zij gevoed waren met “engelenspijs”, die zij “dit zeer lichte brood” noemden. Het was licht te verteren, gezond, en de allerbeste soort voedsel voor hen in de woestijn; maar zij wilden iets steviger, iets met een grover smaak, meer van de aarde en minder van de hemel. Een onwedergeboren hart is niet te verzadigen. Al hadden wij alle zegeningen van dit leven, wij zouden nog naar meer haken.
Numeri 21:6-7.Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Numeri 11:2→Psalmen 78:34→Handelingen 8:24→Exodus 8:8→Jesaja 14:29→ — Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel. Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. Als een waar middelaar was hij altijd gereed — zelfs wanneer zij hem het meest beledigd en zijn zachtmoedige en stille geest bedroefd hadden — om toch de knie te buigen en voor hen bij de Heere tussen te treden. Het volk smeekte hem te vragen of de slangen van hen weggenomen mochten worden; maar naar het schijnt bleven die hen nog kwellen. Echter, verhoort God het gebed niet op de ene wijze, dan doet Hij het op de andere.
Het krachtige gebed van een rechtvaardige mag niet altijd baten in de bepaalde richting waarin het opgezonden wordt, maar het “vermag veel” in de ene of andere richting. Zoals wanneer de nevels opstijgen: zij dalen misschien niet neer op juist die plek waaruit zij opgestegen zijn, maar zij vallen ergens neer. En het ware gebed gaat nooit verloren; het komt terug in zegen, zo niet naar onze zin, dan naar een andere zin die vriendelijker en wijzer is dan de onze.
Numeri 21:9.Kruisverwijzingen2 Koningen 18:4→Johannes 3:14→Zacharia 12:10→2 Korinthe 5:21→Johannes 1:29→Romeinen 1:17→1 Johannes 3:8→Johannes 6:40→ — En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. Na hun belijdenis en het gebed van hun middelaar gebood de Heere Mozes een koperen slang te maken, opdat zij daarop zouden zien en leven. Toen ik als een arme zondaar voor het eerst tot Christus kwam, achtte ik Hem het kostelijkste voorwerp dat mijn ogen ooit gezien hadden. Maar ik zie op Hem terwijl ik predik, mijn eigen moedeloosheden en klagen indachtig — en ik bevind mijn Heere Jezus dierbaarder dan ooit.
Ik ben ernstig ziek geweest en droevig neergedrukt. Ik vrees dat ik weerspannig geweest ben. Daarom zie ik opnieuw op Hem. Het is een verrukkelijke zaak dat er een fontein geopend is waarin zondaren zich kunnen wassen. Die fontein is niet alleen voor uitgeworpenen, maar voor de heiligen, voor de burgers van Jeruzalem, voor het huis van David. Zondigen wij nog? Ja, dat doen wij; maar “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (1 Joh. 1:7).
De koperen Slang genas mij toen ik de Heere voor het eerst zag — en de koperen Slang geneest mij vanavond, en zal dat doen totdat ik sterf. Jezus is verhoogd, opdat de heiligen niet zouden verloren gaan maar in de genade zouden volharden tot het eeuwige leven. En hoe wordt ons geestelijk leven eeuwigdurend gemaakt dan door het voortduren van dat zien? Wij hebben ons leven lang op Jezus te blijven zien: “Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus” (Hebr. 12:2). God houde ons ziende als wij gezien hebben, en brenge ons tot het zien op Jezus als wij nooit gezien hebben.
I. Vs. 1-3.KruisverwijzingenRichteren 1:16→Numeri 33:40→Jozua 12:14→Genesis 28:20→Richteren 11:30→Numeri 14:45→Deuteronomium 1:44→Psalmen 44:3→ — Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg. Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma. Nog gedurende hun oponthoud te Mosera aan de berg Hor worden de kinderen van Israël door de Amoritische koning van Harad aangevallen; zij beloven de Heere, dat, wanneer Hij de vijanden in hun handen zou geven, zij hen met hun steden zouden verbannen. Zij behalen de overwinning en spreken het vonnis van de vernietiging over hen uit.
KruisverwijzingenRichteren 1:16→Numeri 33:40→Jozua 12:14→Psalmen 44:3→Jozua 11:19→Deuteronomium 2:32→Numeri 13:21→Jozua 7:5→— Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.
Als de Kanaäniet, de koning van Harad, (= wilde ezel), wonende tegen het zuiden van Kades, van waar de kinderen van Israël zich opmaakten (hoofdstuk 20:22), hoorde, dat Israël in het land Kanaän door de weg van deverspieders kwam, 1) door dezelfde weg, die 37 jaar geleden de verspieders ingeslagen waren (hoofdstuk 13:18 vv.), zo streed hij tegen Israël, om de intocht in het land te verhinderen, en hij voerde enige gevangenen hieruit als gevangene weg.
Israël had weliswaar bij het optrekken uit Kades geenszins het doel, van het zuiden af Kanaän binnen te dringen, maar moest zich toch, nadat Edomieten en Moabieten de doortocht geweigerd hadden, weer terugwenden naar het noordeinde van de Elanitische golf, om het gebergte Seïr en het land van Moab om te trekken, en na de doortocht door het gebied van de Amorieten, dat zij veroverden, van het oosten af over de Jordaan te gaan. De koning van Harad kon echter in dat opbreken geen ander doel dan het eerstgenoemde vermoeden, vooral, daar zij waarschijnlijk hun weg noordoostelijk naar de Wady Fikreh namen en eerst van de Dschebel Madurah zich naar het zuidoosten keerden. Als de kinderen van Israël reeds van Kades vertrokken zijn en zich naar het zuiden gewend hebben, zet hij hen na, daar hij niet geheel tevergeefs tegen hen wil uitgetrokken zijn, en overvalt hen in de rug, evenals eens Amalek te Rafidim gedaan had (Exodus. 17:8). Dit gebeurde waarschijnlijk ten tijde dat Israël nog in Mosera gelegerd was en 30 dagen lang Aärons dood beweende (Numeri. 33:40 vv.).
In het Hebreeuws Dérek ha’atharim. De LXX odon Ayarein. De Statenvertaling geeft weg van de verspieders, in navolging van de Chaldese en Syrische vertaling, alsof er stond: (hatharim). Grammaticaal kan dit. Het zou dan de weg zijn, welke de verspieders gevolgd waren, om het land te verspieden. Wij verkiezen de vertaling van de Septuaginta en vertalen, hoorde, dat Israël langs de weg naar Atharim kwam. Atharim is dan een plaats of stad in het zuiden van Palestina gelegen.
KruisverwijzingenGenesis 28:20→Richteren 11:30→Psalmen 132:2→Psalmen 116:18→2 Samuël 15:7→Jozua 6:26→Jozua 6:17→1 Samuël 1:11→— Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.
Toen beloofde Israël de HEERE een gelofte, terwijl een gedeelte van de strijdbare mannen zich, wellicht onder Jozua’s bestuur, opmaakte om de aanvaller af te slaan, en zei: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft; zo zalik hun steden verbannen, 1) die geheel vernietigen.
Ook: zie Le 27.29.
KruisverwijzingenNumeri 14:45→Deuteronomium 1:44→1 Samuël 30:30→Psalmen 102:17→Psalmen 91:15→Psalmen 10:17→— De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.
De HEERE dan, ten teken dat Hij zich weer in genade tot het volk gewend had, en de tijd van de vervulling van zijn beloften daar was, verhoorde de stem van Israël en gaf de Kanäanieten over; de koning van Harad werd met al de zijnen verslagen en viel in de handen van Israël, en hij (Israël) verbande, overeenkomstig zijn belofte, hen en hun steden; hij sprak het vonnis van gehele vernietiging uit; en hij noemde de naam van die plaats, het gehele tot het gebied van de koning van Harad behorende land: Horma, 1) (= verbanning), om zich op plechtige wijze tot volvoering van de belofte te verbinden, omdat dit nu nog niet geschieden kon (Jozua 12:14 Richteren. 1:17).
Reeds in hoofdstuk 14:45 werd Zefat, de aanzienlijkste onder de steden, Horma genoemd. Meermalen komt het in het Oude Testament voor, dat reeds in vroegere geschiedenissen de naam genoemd wordt, welke de plaatsen eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen ontvingen. Dit is bij het voor ons liggend geval niet zonder betekenis, want het wijst aan, dat “beide gebeurtenissen (de toenmalige nederlaag van Israël en de tegenwoordige verbanning van deze steden) onder hetzelfde idee stonden, dat de plaats reeds door het gericht over het huis van God (1 Petr.4:17) geheiligd geworden is, voordat zij naar het gericht over de wereld haar naam verkreeg”.
II. Vs. 4-9.Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:9→2 Koningen 18:4→Richteren 11:18→Exodus 6:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Numeri 11:2→Psalmen 78:34→ — Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg. En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel. Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. Van Hor trekken de kinderen van Israël langs de Araba verder. Op de weg komt de oude mismoedigheid weer boven, over de bezwaren en ontberingen van hun reis; zij spreken lasterlijke woorden, waarom de Heere vurige slangen onder hen zendt, aan wier beet velen onder ontzettende koortsen sterven. Op de bede van het volk en de voorbede van Mozes geeft de Heere een genademiddel, welks gelovig gebruik de slangenbeet onschadelijk maakt; dit middel is een aan een staak opgericht koperen slangenbeeld; hiernaar moesten zij zien om genezen te worden.
KruisverwijzingenRichteren 11:18→Exodus 6:9→Numeri 33:41→1 Thessalonicenzen 3:3→Numeri 20:27→Deuteronomium 2:5→Numeri 20:18→Numeri 32:9→— Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.
Toen de 30 treurdagen over Aärons heengaan voorbij waren (hoofdstuk 20:29), reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, langs de Araba zuidelijk naar Ezeon-Geber aan de noordpunt van de Elanitische golf, zodat zij, door de Wady el-Ithm heen en dan zich noordelijk wendende, om het land van de Edomieten heentogen, doch de ziel van het volk werd verdrietig 1) op deze weg, daar het moeilijk reizen in de woestijn, zo vol van ontberingen, geen einde scheen te nemen: nu toch ging de weg weer van Kanaän af.
Het Hebreeuwse woord duqt betekent: “werd kort,” ongeduldig. De beproeving was voor Israël ook zwaar. Na zo vele jaren zwerven in een woestijn, waren zij eindelijk weer bij het land van de belofte, en nu leidt weer de weg van Kanaän af. Mijn lezer! zijt gij bij veel mindere en veel kortere beproevingen niet ongeduldig geworden? Zo gij het weer worden zou, denk dan aan de vorige slangen, maar meer nog aan de wijze wegen van God.
KruisverwijzingenPsalmen 78:19→Exodus 17:2→Numeri 11:1→Exodus 16:7→Numeri 16:13→Exodus 16:31→Exodus 16:15→Exodus 15:24→— En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
En het volk sprak tegen God en tegen Mozes op de oude misdadige wijze, want nog bevond zich een overblijfsel van het vorige geslacht onder hen, dat Gods genade gering achtte en in zijn zucht zich niet vinden kon: Waarom hebt gij ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in deze woestijn? want hier is geen brood, ook geen water, en, hebben wij ook het Manna, 1)onze ziel walgt over dit zeer lichte brood, dat wij nu zovele jaren met verdriet gegeten hebben.
Wel mocht Israël een gelukkig volk genoemd worden, wegens de zorg van zijn getrouwe God, die het brood van de hemel liet regenen; doch wat zullen wij zeggen van ons zelf? Wij hebben een kostelijker manna dan zij, een wonderbare hartversterkende hemelspijs, die dat Manna zo ver overtreft, als het Nieuwe Verbond heerlijker glinstert dan het Oude, als de ziel meer waard is dan het lichaam, als de hemel hoger is dan de aarde, als de zaak kostelijker is dan haar beeld en haar gelijkenis. Ik bedoel dat Manna, dat hemelbrood, waaraan wij ons gelovig en zalig eten; het kostelijkste kleinood, dat alle schatten van de aarde ver achter zich laat, de zielespijs, die elke hongerige verzadigt, elke bedroefde verkwikt, de zieken weer opricht en de stervende de laatste zoete lafenis geeft, die voor ons, reizigers door de woestijn, een dagelijkse vertroosting is-ik bedoel het Manna, waarvan de Heiland (Johannes 6:51) spreekt: “Ik ben dat levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is, zo iemand van dit brood eet, die zal tot in eeuwigheid leven.” Christus kunnen wij genieten, in Zijn sacrament en in Zijn woord; daarom zegt Luther. “Manna is ons heden het sacrament en het Evangelie. nl. die prediking, waardoor verkondigd wordt, dat het lichaam en het bloed van Christus gegeven is tot vergeving van zonden. Daarom, wanneer gij het Evangelie hoort, zo regent het Manna, en dan verzamelt gij Manna; dat wordt u dan van de hemel gegeven.” Laat ons daarover verheugd zijn, dat de Heere ons genadig dit Manna van Zijn woord verleend heeft. Het is een hemelgave aan onwaardigen; het is onaanzienlijk van gedaante en liefelijk van smaak; het is een spijs in de woestijn; het is genoeg voor een ieder; wee dengenen, die het verachten, maar de liefhebbers van dit Manna zijn zalig. Deze zijn de gedachten, die bij een vergelijking van het Manna van Israël zich aan ons opdringen.
Er is een zekere tegenzin in het leven, vooral bij mensen, die niet veel moeten arbeiden. Die tegenzin ontstaat door de eentonigheid en haar gevolg, de verveling. De moeite, de inspanning geeft het zout aan de spijze, de smaak aan het brood, en-aan het leven. God had het de kinderen van Israël zo licht en geriefelijk mogelijk gemaakt, door hun het dagelijks brood te geven zonder arbeid; omdat er in de woestijn geen arbeid, althans geen arbeid om brood, geen landbouw plaats kon vinden. Doch juist daarom verveelde het hun, het was hun, ook in zedelijke zin, een zeer licht brood. Het is evenzo met het leven zelf. Soms is het ons te zwaar, maar ook soms te licht. Wij moeten grote waarde hechten aan het leven, en toch altijd bereid zijn het over te geven, wanneer het door de enige eigenaar, God, van ons gevraagd wordt. Dit heeft zielerust en levenslust. Men heeft opgemerkt, dat juist de werkzaamste mensen, die door hun arbeid het meest aan het leven gehecht zijn, het meest bereid waren om te sterven, als het hun tijd was. In ieder geval, wij moeten zowel leren leven, als leren sterven. Wij moeten tegelijk een heilige belangstelling in, en ene heilige onverschilligheid voor het leven hebben. Wij moeten leven, om ‘s Heeren wil en zolang als de Heere het wil. Hoe kunnen wij dit leren? Het geloof kan ons leren, het geloof; dat wij om niet ontvangen, en waardoor wij alles kunnen verkrijgen.
Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Jesaja 14:29→Jesaja 30:6→Genesis 3:14→Amos 9:3→— Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.
Toen a) zond de HEERE, tot straf voor de lasterlijke woorden, vurige slangen 1) onder het volk, slangen, die door hun beet hevige brand, onlesbare dorst en grote opzwelling teweegbrachten; die beten het volk en er stierf veel volk van Israël.
1 Kor.10:9
Nog heden zijn de slangen in de nabijheid van de zeeëngte van Akaba buitengewoon talrijk; de vissers vrezen zeer voor hen en blussen ‘s avonds, voor zij gaan slapen hun vuur uit, omdat het licht hen aantrekt. G.H. v. Schubert (overl. 1860) bericht omtrent zijn reis van Akaba naar Hor: “In de middag bracht men ons ene zeer bonte, met vuurrode vlekken en strepen getekende grote slang, welke, zoals de bouw van het gebit dit toonde, tot de vergiftigste soorten van dit geslacht behoorde.” Daar hetgeen hier verhaald wordt, in de Araba, ten zuiden van Hor, plaatsvond, nemen de nieuwste uitleggers van onze tekst aan, dat Israël zich nog ten westen van het Edomietengebergte zou bevonden hebben, toen het morde en het morrende volk door die slangen bezocht werd. Zij plaatsen daarom het station Zalmona (hoofdstuk 33:41) waarvan de naam (= plaats van het beeld) doet vermoeden, dat daar deze geschiedenis heeft plaatsgehad (vs.8,9), nog in de Araba. Wij houden het er echter voor, dat deze aan de oostzijde moet gezocht worden; want het schijnt, dat het volk reeds een langere tocht sedert het optrekken van Hor achter zich gehad heeft, eer het verdrietig werd over de weg, en juist daar, waar het eigenlijk gebied van de slangen reeds verlaten heeft, zonder door deze gewond te zijn, komt het: “De Heere zond vurige slangen onder hen,” beter tot zijn recht. De plaag is verder van dien aard, dat de kinderen van Israël die over gebrek aan water zich bezwaard gevoelen, zouden leren kennen, wat dorst in de hoogste mate was.
Woordelijk: “brandende slangen,” d.i. wier beet vurig was; dat er “de” vurige slangen staat, duidt aan, dat er iets bekends wordt herinnerd, dat die slangen bedoeld worden, welke de ouden, zolang zij in het water leven “Hydrus” en wanneer zij zich op het land ophouden, “Chersydrus” noemden. In het droge jaargetijde (omdat Aäron in het begin van juli was gestorven (hoofdstuk 20:28), moest het nu in het laatst van augustus zijn) gaan deze slangen aan land, als wanneer haar beet nog veel gevaarlijker is dan anders. Er is misschien in de aard van deze straf een verband met de misdaad, waarvoor zij trof. Zij, wie het Manna te flauw is van smaak, die begeren naar meer prikkelende spijs, naar ene spijze, die meer bijtend was, zij worden gebeten door vurige slangen. Maar in het bijzonder doen deze slangen ons denken aan de voortdurende strijd, die er tussen het geslacht van de mensen en dat van de slangen moest bestaan (Genesis 3:15), en aan de verleider, die zich heeft bediend van ene slang, om de eerste mensen over te geven aan de zonde en aan de dood.
Aben Esra en anderen menen, dat deze straf zeer wel geschikt geweest is naar de zonde van de Israëlieten, welke bestond in kwalijk te spreken van de Heere, door het lasteren van Zijn voorzienigheid, want R.Salomon vergelijkt een lasteraar bij een slang, welke bijt, indien zij niet bezworen wordt (Prediker. 10:11)
KruisverwijzingenNumeri 11:2→Psalmen 78:34→Handelingen 8:24→Exodus 8:8→Exodus 8:28→1 Koningen 13:6→1 Samuël 15:30→Exodus 32:30→— Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.
Daarom 1) kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen de HEERE en tegen u gesproken hebben: bid de HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneemt. Toen bad Mozes, de getrouwe middelaar, voor het volk.
Door de ontzettende straf, ten gevolge waarvan er velen stierven, en vanwege de doodsangst, waarin de levenden verkeerden, die ieder ogenblik in gevaar waren, om gebeten te worden, kwam het volk tot bezinning en berouw, en wendde zich tot Mozes, om hun voorbede te zijn.
KruisverwijzingenPsalmen 145:8→Psalmen 106:43→Johannes 3:14→— En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
En de HEERE zei tot Mozes: Maak u daarom een koperen vurige slang, een in gedaante en kleur aan de levenden gelijk, en stel ze op een stang 1) of staak; dit zal een middel zijn voor allen, die reeds dodelijk gewond zijn, om nog hulp en genezing te verkrijgen, en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet in geloof aan Mijn belofte, zo zal hij leven; 2) wie daarentegen dit Mijn genademiddel veracht, zoals het volk van het Manna verachtelijk gesproken heeft, die rest geen hulp, hij moet in zijn zonde sterven.
Het Hebreeuwse woord on (Nes) betekent eigenlijk een banier, een veldteken.
Hierin zijn drie merkwaardige stukken: allereerst moet de slang, die Mozes op Gods bevel maken moet, van koper zijn, dat is, roodachtig, doch zonder vergif, en gelijk aan hen, die door de vurige slangen gebeten rood waren en van hitte brandden; ten tweede moet de koperen slang opgericht worden op een paal tot een teken; ten derde moet men, wil men van de vurigen slangenbeet genezen worden, en leven, de koperen slang, die aan de paal opgericht is, aanzien, anders kan men niet genezen worden. Hierin zijn de drie gezichtspunten klaar en duidelijk aangewezen, waarop het bij deze geschiedenis, die volgens de eigen verklaring van Christus (Johannes 3:14) een afschuduwing van Hem is, aankomt.
Dat de slang de gedaante en kleur van de wezenlijke slangen heeft en tevens in kleur de gebeten mensen gelijk is, doch zonder vergif en onschadelijk, beeldt Christus af, die in de gedaante van het zondig vlees verschenen en ons, doemwaardige mensen, gelijk geworden is, toen Hij onze zonden op het kruis droeg (Rom.8:3; 2 Kor.5:21; 1 Petr.2:22-24). Vervolgens wordt de koperen dode slang tot een teken, zodat de levende slangen geen dodelijke schade meer kunnen aanrichten, daarvoor dat hij op een paal als een banier geplaatst wordt; dat doelt op het kruis van Christus, dat de overwinning is over de boze machten en overheden onder de hemel, en de redding van alle schuld en van alle straffen over de zonde (Kol.2:14 vv. Rom.8:31 vv.). Eindelijk wordt de gebetene daardoor de heling deelachtig, dat hij gelovig naar het opgerichte slangenbeeld opziet; hetgeen toont, op welke wijze wij van de beet van de oude slang, van zonde, dood, duivel en hel moeten geheeld worden, namelijk door gelovig opzien tot de aan het kruis verhoogde mensenzoon. Wat dus in het Nieuwe Testament tot een daadzaak van de genade geworden is, dat is in het Oude Testament reeds als genadeteken voorhanden geweest; wat later in de vervulling van het eeuwig raadsbesluit van God tot werkelijkheid geworden is, dat een Heilige, maar als zondaar aan het kruis verhoogde, van de zonde verlost, een gedode, die geen zonde gedaan heeft, van de dood, de bezoldiging van de zonde redt, dat treedt reeds nu in een onschuldig slangenbeeld als voorzegging op, en heeft in dit bijzonder geval, bij wijze van voorafbeelding zijn krachtige uitwerking.
Wij zouden een hele bloemlezing kunnen geven van proeven tot verklaring, die bij deze plaats gemaakt zijn; het zou de moeite niet belonen. Evenmin willen wij trachten te weerleggen wat gezegd is door hen, die met het snijmes van hun onheilige kritiek, onze plaats zijn aangevallen. “Velen gaan,” zegt Menken, “met krijg in het hart en met wapens in de hand, aan de studie van de bijbel, zodat deze hun wel mocht toeroepen: “Gij zijt uitgegaan, als tegen een moordenaar, met zwaarden en met stokken gewapend, om mij te vangen.” Maar hij gaat midden door de gewapenden heen; laat hun nauwelijks het oppergewaad, en ook daarmee weten zij niets te beginnen, want-het kan niet versneden worden, het is zonder naad, van bovenaf geweven.” Wanneer wij daarentegen alle anatomische messen en chemische smeltkroezen bij de behandeling van de Heilige Schrift ter zijde laten, en ons verstand gevangen laten nemen onder de gehoorzaamheid van Christus, zo is het ons deel om te overwinnen, want, zoals Episcopius zegt (gestorven in 1843): “de grootste overwinning behaalt hij, die, hoewel overwonnen, toch de waarheid als prijs van de overwinning wegdraagt”.
De slangen beten, en haar beet was dodelijk. Zij vertegenwoordigen de eerste slang, die de eerste mensen een dodelijke beet toebracht. Zo’n straf hadden de kinderen van Israël niet verwacht; nu baden zij Mozes, dat hij voor hen bidden wilde, en daarmee zou dan naar hun mening de straf opgeheven worden en deze zaak afgedaan zijn. Velen onder ons zijn niet verder gevorderd dan zij. Doch er moest nog een ander Middelaar dan Mozes zijn tussen God en het volk; een slang en toch geen slang, want het was een slang zonder slangenbloed, zonder slangenvenijn, zonder slangenziel, het was een koperen slang, welke geen andere overeenkomst had met de wezenlijke slang, dan de gelijkenis. Zij wees rechtstreeks heen naar Christus, die in eigen persoon Nicodémus naar dit schaduwbeeld heenwees. De Messias was onder Israël bekend als het lam, het paaslammetje, maar ook als de bok en nu hier als de slang. Treffend niet waar? dat de Heilige van Israël onder zulke beelden wordt voorgesteld. Welk mens zou zo iets ooit in zijn hart hebben durven nemen. Alleen de Heilige Geest kon het doen, want Christus schaamt zich voor onze zonden geen vernedering, hoe verregaand ook Hij wil, als de drager van onze zonden, ook de lelijkste namen dragen. Christus, en die gekruisigd, tot zonde gemaakt, een vloek geworden, is dan ook alleen de ware Christus. Een ander is een valse Christus, die ons van onze dodelijke zielewond, van onze zonde niet geneest. Christus zelf zei het dan ook tot Nicodémus in de woorden: “Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet ook de Zoon van de mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” De Heere gebruikte meermalen het woord verhoogd, als aanduiding van de wijze, waarop Hij sterven zou. Het is een offerwoord; het wordt gebruikt voor de opheffing van het offer naar de hemel, of de aanbieding ervan aan God, alvorens het op het altaar verteerd wordt. Nu had alleen een gekruisigde, bij de smadelijke dood, die Hij onderging, dit eigenaardige in Zijn straf, dat Hij boven al het volk werd opgeheven, met de bedoeling, om Zijn smaad te vermeerderen, omdat de gekruisigde beschouwd werd als de aarde en de hemel even onwaardig te zijn. Doch het lijden en sterven van Jezus heeft twee zijden, want al de uitwendige smaad die Hij leed, was innerlijk voor Hem de hoogste eer, omdat Hij niet als zondaar, maar als zondenverzoener, als offer voor de zonde leed en stierf. Tevens volgt hieruit, dat Zijn wijze van sterven de kenmerken van een offerande in Zich dragen moet. Het verhogen aan het kruis is één van deze kenmerken. Christus werd op het kruis als het waarachtig offer ten hemel opgeheven, en God aangeboden. Zo verenigt dan het kruis van Christus de grootste tegenstrijdigheden: de allerdiepste smaad en de allerhoogste eer. Christus’ dood is tegelijk Zijn vernedering en Zijn verhoging. Hier is het verstand van God. De vereniging van de oorzaak van de kwaal en haar genezing in één voorwerp; zodat een slang de kwaal en wederom een slang de genezing aanbrengt, is door geen menselijk verstand uit te vinden. Zulke dingen kunnen mensen nadenken, niet uitdenken. De kinderen van Israël geven bij vele kwade voorbeelden ook wel eens een goed voorbeeld. Zij zeggen: “Wij hebben gezondigd,” en toen zo’n tegenstrijdig middel van genezing, als het aanzien van de koperen slang voorgeschreven was, maakten zij niet de minste bedenking, maar geloofden, gehoorzaamden en werden behouden. Hoe beschamen deze Israëlieten van de woestijn de hoogbeschaafde lieden onder ons, die het voor een tegenstrijdigheid houden en het daarom niet willen geloven, wanneer God zegt, dat het bloed van Zijn Zoon de bloedvlekken van onze ziel wegneemt, Zijn onschuld onze schuld bedekt, en dat de rechtvaardige geleden heeft voor ons onrechtvaardigen. En waarom geloven zij deze tegenstrijdigheden niet, ofschoon God ze verkondigt, en geloofden de Israëlieten van de woestijn ze wel? Om de eenvoudige reden, dat die Israëlieten zich dodelijk gewond en de gelovigen onder ons zich volkomen gezond voelen. Als men zijn zonde kent, dan kent men ook Christus als de enige, waarachtige verzoening van de zonde; maar wie zijn zonde niet kent, die speelt met haar, tot zolang hij zijn leven en zijn zaligheid verspeeld heeft. Mocht ieder met zijn zonde bekend, gelovig en behouden worden. De gewonde, de stervende Israëlieten moesten geloven, wilden zij behouden worden. Zij moesten geloven, dat zij niet konden genezen worden, tenzij zij de koperen slang aanzagen. Die het deden, werden genezen, die het niet deden stierven. O, het is God zo welbehagelijk, dat wij geloof oefenen.
Het zou de gebeten Israëlieten niet gebaat hebben, dat zij op hun wonden klagende en zuchtende hadden blijven zien, dat zij zichzelf verfoeid hadden vanwege hun gemor; bij dat alles zouden zij getsorven zijn. Ach zo velen, gebeten door de oude slang, door Satans, zien niets dan hun zonden, spreken over niets dan over het vergif dat in hun werkt. Van uzelf het oog af, op de gekruisigden, van de zonde af, op “de gedaante van het zondige vlees.” (Rom.8:3) Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden! Of wilt gij niet behoren tot hen, van wie het formulier van het Heilige Avondmaal zegt, dat zij hun leven buiten zichzelf in Jezus Christus zoeken? De gebeten Israëliet zal niet gevraagd hebben: “Is die slang daar wel voor mij opgericht?” Zij was opgericht voor een ieder, die er het oog op vestigen wilde; geen mate van smartgevoel was bepaald, alleen was er begeerte naar redding nodig. Het Evangelie is zo eenvoudig, ach! waarom legt men zichzelf en anderen zoveel lasten op die te zwaar zijn om te dragen? Waarom het woord van de Schrift: “Het koninkrijk van God is blijdschap” veranderd in: “Het koninkrijk van God is zuchten.” Waarom in plaats van het: “gelooft” van het Evangelie, de eis gesteld: “een benauwde geest?” Jesaja 61:3) Waarom als voor Naäman het redmiddel te eenvoudig? (2 Koningen. 5:10,11) Nog eens: Gelooft en gij zijt gered!.
Alle mensen, die daar leven, zijn in zo’n staat, als de Israëlieten waren. Satan heeft ook ons in het hart gestoken en heeft ons menige dodelijke wonde gegeven, zo wij dat konden voelen, en Christus, die door de koperen slang afgebeeld was, was evenzo verhoogd aan het kruis, om gerechtigheid en eeuwig leven een ieder van ons toe te brengen. Daarom, indien wij de eeuwige dood willen ontgaan, zo moeten wij ons zelf verzaken, en slaan de ogen van het geloof op Christus, de gekruisigde, en bidden om vergeving van onze zonden, en dan zullen onze harten en gewetens genezen worden van de wonden en beten van de duivel. En zolang wij geen genade hebben, om dit te doen, zo zullen wij niet geheeld worden, maar altijd gewond liggen met de steken van de satan, en bloedende tot de dood van het hart toe, al is het, dat wij noch pijn, noch smart voelen.
Kruisverwijzingen2 Koningen 18:4→Johannes 3:14→Zacharia 12:10→2 Korinthe 5:21→Johannes 1:29→Romeinen 1:17→1 Johannes 3:8→Johannes 6:40→— En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
En Mozes maakte een koperen slang en stelde ze, overeenkomstig het bevel van de Heere, op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, hetgeen nog dikwijls voorkwam, daar de plaag van de vurige slangen niet dadelijkophield, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. 1)
Was er eigenlijk in het zien op de verhoogde slang geen genezende kracht gelegen, noch enige waardigheid of verdienstelijkheid, waardoor de Heere zou kunnen bewogen worden, om de aanschouwers te genezen, alzo heeft het gelovig aanschouwen van Christus, of het zien op Hem mede in zichzelf geen waardigheid of verdienstelijkheid ter verkrijging van de geestelijke genezing, moetende het geloof niet aangemerkt worden als een verdienstelijk werk, maar als een gave van genade, zonder welke de genezing niet wordt verkregen, en als een middel, waardoor de genezing wordt aangegrepen en toegepast.
Hoe zullen de ongelukkigen, die de beet van een slang voelden, zich gespoed hebben, tot de koperen slang op te zien! Hoe zal de moeder het gewonde kind heengedragen, hoe zal de zoon de wankelende oude vader vergezeld, hoe zullen de broeder, de vriend, de bloedverwant zich beijverd hebben, om hun stervende betrekkingen het aanzien van het teken mogelijk te maken! O, waren wij zo ijverig om elkaar heling te verschaffen voor de dodelijke schade, die de oude slang met haar beet ons berokkend heeft, en even zo arbeidende om de onzen tot Jezus Christus de gekruisigden te leiden! In latere tijden werd de koperen slang, die de Israëlieten als een blijvend gedenkteken van de hulp, die zij in de woestijn ondervonden hadden, mee naar Kanaän brachten, een afgodische ere met offeranden gegeven; men noemde haar Nehustan (d.i. koper); koning Hiskia liet haar verbrijzelen, om een einde aan die zonde te maken (2 Koningen. 18:4).
De aanbidding van Aesculapius (de god van de geneeskunde) onder de gedaante van een slang, heeft wellicht van hier haar oorsprong.
Volgens de menselijke wijsheid was het een dwaasheid, om door het zien op een koperen slang genezen te worden van de giftige slangenbeten; evenzo is het volgens de menselijke wijsheid nog immer een dwaasheid, om door het zien op een gekruisigde Christus behouden te worden voor de eeuwigheid.
III. Vs. 10-30.KruisverwijzingenRichteren 11:18→Numeri 22:36→Deuteronomium 2:18→Numeri 21:28→Deuteronomium 2:9→Deuteronomium 2:29→Deuteronomium 2:13→Jesaja 15:1→ — Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth. Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon. Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered. Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon, En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.) En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven. (Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte! Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana; En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth; In volgorde worden nu de reisstations genoemd op welke Israël op zijn tocht om het Edomietengebergte aan de oostzijde, en het Moabietenland voorbij over de Arnon, door het zuidelijke rijk van de Amorieten heen, tot aan de berg Pisga aan het noordoostelijk einde van de Dode Zee teruggaat (vs.10-20); daarna volgt het bericht, hoe Mozes ook van de Amorieten, toen hij bij Arnon aan de grenzen van hun land stond, tevergeefs vrije doortocht gevraagd heeft, en nu op goddelijk bevel aan hun tegemoet trekkende koning Sihon, zijn hele gebied door het zwaard ontnomen heeft.
KruisverwijzingenNumeri 33:43→— Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth.
Toen vertrokken de kinderen van Israël van de legerplaats, waar de geschiedenis met de vurige slangen (vs.4-9) had plaatsgehad zij trokken voort aan de oostzijde van het gebergte van de Edomieten in noordelijke richting, en zij legerden zich, na het station Funon (hoofdstuk 33:41 vv.) 1) aangedaan te hebben, waar hun een vriendelijke behandeling van de zijde van de Edomieten ten deel viel (Deuteronomium. 2:29) 2) te Oboth (= zakken), wellicht zo genoemd, omdat zij, na zoveel gebrek, hier genoegzaam putten met water vonden.
De weg, welke de naar of van Mekka in Arabië trekkende karavanen, langs de oostzijde van het Edomietenland nog heden inslaan, loopt over een streek, die het woeste Arabië in het oosten van het bebouwde land, in het westen tot in het noorden aan de bronnen van de Jordaan van elkaar scheidt. Op deze streep land zijn de drie stations Zalmona, Funon en Oboth te zoeken; over de ligging van de eerste en de laatste kan niets met zekerheid gezegd worden. Van de tweede, Funon, bericht ons Hiëronymus, dat zij een plaats van bergwerken was, waarin misdadigers (ten tijde van de Christenvervolgingen ook de Christenen) gezonden werden; zij lag, naar de duistere opgaven te oordelen, noordoostelijk van Petra; enigszins zuidelijk daarvan lag de stad Maon (zie Jud 10.12 en zie 2Ch 26.7) in een wel rotsachtige, maar toch bebouwbare landstreek, welke abrikozen, perziken, druiven enz., van zeer goede soort oplevert, en in welke gronden vele voortreffelijke kruiden groeien; de pelgrims voorzien zich hier graag van levensmiddelen, terwijl de bewoners, wat zij niet zelf kweken van elders aanvoeren. Naar alle waarschijnlijkheid is het hetzelfde als Maon, dat bekend is door de wijsheid van zijn bewoners, die zich bijzonder in zinrijke zedespreuken openbaarde, het beroemde Theman (Jeremia. 49:7,20 Jesaja. 21:14), van waar misschien Elifaz, een van Jobs drie vrienden afkomstig was (Job 2:11). Hoewel tegelijk met Theman ook Dedan in het land van de Edomieten genoemd wordt (Jeremia. 25:23; 49:8 Ezech.25:13), zo lag dit toch niet in de onmiddellijke nabijheid; waarschijnlijk is daaronder het tegenwoordige Dhana, ten zuiden van Bozra bedoeld.
Dat de Edomieten zich thans, nu zij de kinderen van Israël aan de oostzijde van het gebergte zagen trekken, geheel anders dan vroeger jegens hen gedroegen, laat zich verklaren uit hetgeen (zie Nu 20.17) over de natuurlijke gesteldheid van hun land gezegd is; zij moesten nu voor Israëls overmacht vrezen en zochten voordeel van hen te trekken, door hun voor hoge prijs levensmiddelen te verkopen.
— Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.
Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvels van Abarim 1) (= bergpassen), heden ten dage Kaloat el Massa genaamd, in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen de opgang van de zon, in de aan de oostelijkegrenzen van Moab zich uitbreidende woestijn (hoofdstuk 33:44).
HebreeuwsMydkuh yyeb = aan de puinhopen van Abarim. De Lutherse vertaling heeft: “te Jjim aan (het gebergte van) Abarim.
Thans waren de kinderen van Israël aan de grensscheiding tussen het land van de Edomieten en het gebied van de Moabieten aangekomen. Ook dit moesten zij oostelijk omgaan, daar aanwending van geweld zowel tegen de Moabieten, als tegen de Edomieten verboden was, (Deuteronomium. 2:2-9) en de vrije doortocht door hun land evenmin was toegestaan (Deuteronomium. 2:9 Richteren. 11:17); zij hielden zich dus, zoals zij tot hier toegedaan hadden, op de Karavanenstraat, die naar Damascus leidt, en welke zich hier aan de grensrivier el-Ahsy daarom zo ver oostelijk wendt, omdat de laatste in ene diepe smalle rotsbedding loopt, en slechts aan zijn oorsprong een geschikte overtocht toelaat. Het land van de Moabieten strekte zich toen nog niet uit tot aan de Arnon, de tegenwoordige Wady Modscheb, terwijl vóór de tijd van Mozes, de Moabieten gemeenschappelijk met de Ammonieten de gehele landstreek aan de oostelijke oever van de Jordaan tot aan de Jabbok in bezit gehad hadden, zij waren echter, niet lang vóór het terugkeren van Israël, in het land van het pelgrimschap van zijn vaderen, gedeeltelijk oostwaarts, gedeeltelijk westwaarts teruggedrongen. Dit hadden de Amorieten gedaan, een Kanaänitische volksstam, die ten tijde van Abraham, in de omstreken van Hebron en Hazezon-Thamar, op het gebergte van Juda en de zuidelijke afhelling daarvan woonde (Genesis 14:7,13 Numeri. 13:30 Deuteronomium. 1:7 vv.); kort geleden waren zij de Jordaan overgetrokken en hadden daar twee rijken, een noordelijk en een zuidelijk (zie Nu 21.30) gesticht. Zo waren de Moabieten nu tot op de hoge vlakte, die aan de Dode Zee tussen de Arnon en de Wady el-Ashy gelegen is, beperkt, terwijl de Ammonieten daarentegen meer noordelijk, ten oosten van het zuidelijk rijk van de Amorieten hun zetel hadden. Beide volken, de Ammonieten zowel als de Moabieten, behoorden door hun afkomst van Lot (Genesis 19:38) evenzeer tot Israëls broedervolken, als de Edomieten wegens hun afstamming van Ezau of Edom (Genesis 36). Zij hadden met de Amalekieten in het zuiden (Ex.17:8 vv.) en de uit Abrahams tweede huwelijk met Ketûra afstammende Midianieten (Genesis 25:1-6), wier woonplaatsen aan de andere zijde van die van de Moabieten, Edomieten en Ammonieten tegen het oosten lagen (zie Ex 2.15; Richteren. 6:1) de roeping van God ontvangen, om het volk, dat Hij verkoren had, tot verwezenlijking van Zijn genaderijke gedachten, als een ringmuur af te sluiten tegenover de naburige heidense volken, en te zijner tijd het in Israël rijpende heil, waarmee alle volkeren van de aarde zouden gezegend worden, aan deze te helpen brengen. Zij hebben geen van allen hun roeping verstaan, tegen de verplichtingen, die hun verwantschap met het volk van God hun oplegden, zich verzet, en aan de zegeningen, welke Israëls nabijheid hun had kunnen geven, zich moedwillig onttrokken. De Moabieten waren in het bijzonder reeds geheel in de afgodendienst weggezonken (zie over hun volksgod Kamoz, naar welke zij (vs.29) “volk van Kamoz” heten, Leviticus. 18:21); hoever zij later hun vijandschap tegen de kinderen van Israël dreven, blijkt uit het roepen van Bileam en de verleiding tot deelneming aan hun ontuchtige godsdienst (hoofdstuk 22-25)
KruisverwijzingenDeuteronomium 2:13→— Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
Van daar reisden zij, in noordelijke richting zich naar het westen wendende, en legerden zich bij de beek Zered 1) (= prachtige bomengroei).
Volgens sommigen, Robinson, Ewald en Ritter, de Wady el Ahsy; volgens anderen, v. Raumer, Kurtz en Keil, de Wady Kereh, in de nabijheid van Katrane.
KruisverwijzingenRichteren 11:18→Numeri 22:36→Numeri 21:14→Jeremia 48:20→Jesaja 16:2→Deuteronomium 2:24→— Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.
Van daar reisden zij, langs de Karavanenstraat verder naar het noorden voorwaarts trekkende, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon (= schuimend), welke in de woestijn is, uitgaande uit het gebied van de Amorieten; zij legerdenzich ter zijde van de Arnon, daar waar zij nog in de woestijn vloeit, en wel aan een van haar bijrivieren, waardoor zij door het gebied van de Amorieten heen en in de oostelijk daarvan gelegen woestijn voortloopt. Zo stonden zij thans aan de grensscheiding van een nieuw gebied, gereed om dit te betreden; want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. 1)
Hier, nu zij het gebied van de beide broedervolken Edom en Moab achter zich en in de Amorieten een volk voor zich hadden, dat zij niet meer behoefden te sparen, daar het behoorde tot de Kanaänieten, die God aan het gericht overgegeven en die zij uitdelgen moesten, verkregen zij van de Heere de aanwijzing (Deuteronomium. 2:24 vv.): “Maakt u op, reist heen en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in de strijd. Op deze dag zal Ik beginnen uw schrik en uw vrees te geven voor het aangezicht van de volken onder de gehele hemel; die uw gerucht zullen horen, zullen sidderen en bang zijn voor uw aangezicht”.
Kruisverwijzingen2 Samuël 1:18→Jozua 10:13→— (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,
1) (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van de HEERE, van de oorlogen, die Israël, als een leger van de Heere gevoerd had (zie “Jozua 10.13): Tegen Waheb, (= wat hij deed), een Amoritische vesting, niet ver van Jahza (vs.23), in een wervelwind, en eveneens tegen de beken, de verschillende beken, die naarde Arnon 2) stromen.
Vs.14 en 15 bevatten een aanhaling uit het in vs.14 genoemd “boek van de oorlogen van de Heere,” een boek, dat een verzameling bevatte van liederen, waarin de grote daden van de Heere in de dagen van Mozes zijn bezongen. Voor ons is het verloren gegaan, zoals zovele boeken, waarvan in de Heilige Schrift hier en daar wordt melding gemaakt. Waarschijnlijk is de inhoud van deze verzen een gedeelte van het lied, dat vervaardigd werd, nadat de Heere de belofte, in Deuteronomium. 2:24 vermeld, had vervuld, nu de Israëlieten aan de grenzen van Moab waren gekomen.
Beter: Waheb in een wervelwind en de beken van de Arnon. d.i. Waheb neemt Jehova in een wervelwind en evenzo de beken van de Arnon. In vs.15 wordt dan verder vermeld, wat ingenomen of vernield werd.
KruisverwijzingenDeuteronomium 2:18→Numeri 21:28→Deuteronomium 2:9→Deuteronomium 2:29→Jesaja 15:1→— En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)
En zo ook tegen de afloop van de beken, het dal waarin die beken zich verenigen, die zich naar de gelegenheid, naar de landstreek van Ar (= stad), Moab wendt, en leent, grenst aan het gebied van Moab. 1)
Waarschijnlijk is dit gedeelte aangehaald, ten bewijze dat in Mozes’ tijd, de grenzen van Moab zich niet verder uitstrekten dan tot de Arnon, hetgeen in later tijd betwist werd, toen men beweerde, dat de Israëlieten het land tussen de Arnon en de Jabbok niet aan de Amorieten, maar aan de Ammonieten en Moabieten ontweldigd hadden (Richteren. 11:13).
De Arnon ontstaat uit de vereniging van de Saïde, die niet ver van Katrane ontspringt in de Wady Ledschum, die van het noordoosten komt, en nog twee andere riviertjes in zich opneemt; daar waar beiden zich verenigen, vormt het dal schone groene weiden, in wier midden zich een heuvel verheft, waarop naar alle waarschijnlijkheid de stad Ar-Moab zal gelegen hebben Deut.3:12 Jozua. 13:16 ). Zij is door een aardbeving verwoest, waarover Hiëronymus (geb. 331 te Stridon tussen Dalmatië en Pannonië) bij Jesaja. 15 meldt, dat zij in zijn kinderjaren voorgevallen is; waarschijnlijk is zij dus de aardbeving van het jaar 342 vóór Christus, welke vele steden van het oosten, onder andere ook Nikomedië in Bithynië verwoestte. De rivier loopt naar de Dode Zee door een dal, dat smal en diep is, door zeer hoge en steile rotsen is ingesloten, en met vele steenblokken, die van boven neergevallen zijn, bedekt is; hierdoor is zij slechts op enkele plaatsen over te gaan; een reizend volk als de Israëlieten, kon dus niet anders dan aan het bovenste gedeelte overtrekken. Dit gebeurde zonder twijfel bij Kulat Balua; dicht hierbij aan de noordelijke zijde, ligt de Amoritische stad Kedemot, van welke plaats Mozes de boden (vs.21) tot de koning Sihon zond. Zij viel later de stam Ruben ten deel, en werd vervolgens tot ene Levietenstad gemaakt (Jozua 13:18; 21:37).
KruisverwijzingenRichteren 9:21→Jesaja 12:3→Numeri 20:8→Exodus 17:6→Johannes 4:14→Johannes 7:37→Openbaring 21:6→Openbaring 22:17→— En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.
En van daar reisden zij, nadat de koning Sihon verslagen was (vs.23 vv.) naar Beër, (= put) Jesaja 15:8). Dit is de put waarvan de HEERE tot Mozes zei, toen het volk gebrek aan water had: Verzamel het volk, op de plaats, die Ik u wijzen zal, en laat het daar graven, zo zal Ik hun water geven, niet meer zoals vroeger (Exodus. 17:5 vv. Numeri. 20:8 vv.), door een eigenlijk wonder, maar terwijl zij zelf hun krachten inspannen en hun handen uitstrekken, daarom echter niet minder door Mijn trouwe zorg, waarmee Ik Mij aan hun vaderen verheerlijkt heb.
KruisverwijzingenPsalmen 105:2→Exodus 15:1→Jesaja 12:5→Richteren 5:1→Jakobus 5:13→Jesaja 12:1→Psalmen 106:12→— (Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!
(Toen de gegraven put zijn water gaf en al het volk zich daaraan verkwikte, zong Israël tot verheerlijking van Gods genade dit lied, waarvan alleen de aanvang wordt meegedeeld, en dat waarschijnlijk in zijn geheel in het (vs.14) genoemde boek van de oorlogen van de Heere opgenomen is: Spring op, wel op, gij put! zingt daarvan bij beurte, in twee elkaar afwisselende koren (Exodus. 15:1).
KruisverwijzingenDeuteronomium 5:31→Numeri 33:45→Deuteronomium 33:4→Nehemia 3:1→Johannes 1:17→Jakobus 4:12→2 Kronieken 17:7→1 Timotheüs 6:17→— Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;
Gij put, die de vorsten gegraven hebben, die de edelen van het volk gedolven hebben, door de wetgever 1) met hun staven (zie “Ge 49.10). En van de woestijn, die nog in het oosten van het gebied van de Amorieten gelegen is, reisden zij naar Mattana (= gift), de bron van Ledschum.
In het Hebreeuws Bimchokeek, niet door de wetgever, maar met de scepter. Onmiddellijk daarop volgt dan ook, met hun staven. Voor beide woorden staat hetzelfde voorzetsel. De zin van deze woorden is, dat die put gedolven is door de vorsten en de edelen van het volk, met Mozes aan het hoofd, met zijn scepter en met hun staven, nl. dat noch Mozes, noch de oudsten zich te hoog achtten, om op Gods bevel een put voor het volk te graven.
— En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth;
En van Mattana, langs de Ledschum, tot Nahaliël, 1) (= stromen van God), en van Nahaliël in noordoostelijke richting tot Bamoth (= hoge plaatsen), Baäl (hoofdstuk 22:41) op de berg Attarus.
Zo heet de Ledschum van daar af, waar zij de Balua heeft opgenomen, tot aan haar vereniging met de Saïde (zie Nu 21.15). Wanneer dit en het volgend station (hoofdstuk 33) een andere naam dragen (Nahaliël heet daar (Numeri. 33:46) Dibon Gad, Bamoth: Almon-Diblathaïm), zo is dit daaruit te verklaren, dat het grote leger van de kinderen van Israël, nu het zich in een bewoond met steden en dorpen bezet land bevond, zich over meerdere plaatsen uitbreidde; de legerplaats kan even zo goed naar het voorste (hoofdstuk 33) als naar het achterste einde genoemd worden, zoals hier gebeurt.
KruisverwijzingenNumeri 23:28→Numeri 33:49→Deuteronomium 1:5→Numeri 23:14→Numeri 22:1→Deuteronomium 34:1→Deuteronomium 4:49→Deuteronomium 3:27→— En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.
En 1) van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, het dal, dat in de vlakte westelijk van Madaba gelegen is, tot aan de hoogte van Pisga, 2)(= verdeelde rots), en dat tegen de wildernis ziet, dat over de steppen ziet, die zich aan de westelijke voet bevinden en zich tot aan het noorderstrand van de Dode Zee uitstrekken.
Of: En van Bamoth trokken zij naar het dal, dat in het veld van Moab is, op de hoogte van Pisga, en over de vlakte van de woestijn heen ziet. Hoogte van Pisga is dan een bijstelling bij het veld van Moab.
Deze wordt (hoofdstuk 33:47) met de meer algemenen naam, “de bergen Abarim” genoemd; wij hebben daaronder niet de Abarim-heuvels te verstaan (vs.11); hier is bedoeld (Abarim betekent: overgangen, en kan de naam van meer bergachtige streken geweest zijn) de gehele gebergterand van de Moabitische hoge vlakte, die in de naar de noordoostelijke oever van de Dode Zee zich uitstrekkende steppen afdaalt. Het noordelijkste gedeelte van deze bergrand, dat tegenover Jericho ligt, draagt meer in het bijzonder de naam van Pisga; op deze verheft zich de Nebo, die daarom nu eens als een berg van het gebergte Abarim, Deut.32:49) dan eens als een top van de Pisga Deut.34:1) vermeld staat.
KruisverwijzingenRichteren 11:19→Deuteronomium 2:26→Numeri 20:14→— Toen zond Israel boden tot Sihon, den koning der Amorieten, zeggende:
Toen zond Israël, toen het zich nog aan de Arnon bevond (vs.13), van Kedemot (Deut.2:26) boden tot Sihon a) (= verdrijver), de koning van de Amorieten, zeggende, evenals vroeger tot de Edomieten en Moabieten (hoofdstuk 20:17):
Richteren. 11:19
KruisverwijzingenNumeri 20:17→— Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.
Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden, wij zullen het water van de putten niet drinken, wij zullen op de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn. 1)
Hoewel Mozes geen uitdrukkelijk bevel van de Heere ontvangen had, om de Amorieten eveneens te sparen, wilde hij hen toch niet dadelijk gaan bevechten, maar eerst afwachten, hoe zij zich tegenover het volk van God zouden gedragen.
KruisverwijzingenRichteren 11:20→Deuteronomium 2:30→Deuteronomium 29:7→Jeremia 48:34→Jesaja 15:4→Numeri 20:21→— Doch Sihon liet Israel niet toe, door zijn landpale te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israel tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israel;
a) Doch Sihon liet Israël niet toe, door zijn gebied te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn krijgsvolk, en hij ging uit, Israël tegemoet naar de aan de zuidoostelijke zijde van zijn rijk gelegen woestijn, en hij kwam te Jahza (= ronde plaats) ten noordwesten van Mattana (vs.18), en streed tegen Israël, dat daarheen zijn krijgslieden tegen hem gezonden had (Deut.2:31 vv.).
Deuteronomium. 29:7 Jozua. 24:8 Richteren. 11:20
KruisverwijzingenAmos 2:9→Nehemia 9:22→Genesis 32:22→Psalmen 136:19→Jozua 24:8→Jozua 13:8→Richteren 12:1→Psalmen 135:10→— Maar Israel sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.
a) Maar Israël sloeg hem, met de scherpte van het zwaard zonder te sparen inhouwende (Genesis 34:26) en b) nam zijn land in erfelijke bezitting van de Arnon af tot de Jabbok (zie “Ge 32.22) toe c) tot aan de kinderen van Ammon, 1)die boven aan de rivier woonden: want het gebied van de kinderen van Ammon was sterk, 2) met de sterke vestingen bezet, zodat Sihon, toen hij in het land van de Moabieten binnenviel (vs.26), zijn veroveringen slechts tot hiertoe had kunnen voortzetten.
Deuteronomium. 2:33; 29:7 Jozua. 12:2; 24:8 Richteren. 11:21 b) Psalm. 135:11,12; 136:19 Amos 2:9 c) Deuteronomium. 2:37
Had God niet toegelaten, dat Israël het volk van Edom sloeg, als zeer na aan hun verwant; met het hele heidense volk van de Amorieten behoefden zij niemand te sparen. De Amorieten behoorden tot de Kanaänitische volken, wier zonden volkomen waren en die daarom rijp waren voor de dag van het gericht.
Het land van de Ammonieten heeft Israël niet veroverd, omdat dit niet behoorde tot het aan de vaderen beloofde erfland.
KruisverwijzingenJeremia 48:45→Ezechiël 16:46→Ezechiël 16:49→Jeremia 48:2→Numeri 21:31→Jeremia 48:34→Jesaja 15:4→Hooglied 7:4→— Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
a) Alzo nam Israël al deze tussen de Jabbok en de Arnon aan deze zijde van het Ammorietenland gelegene steden in; en Israël woonde, 1) toen later het gehele aan de Amorieten ontnomen land aan de stammen Gad en Ruben door Mozes ten erfdeel was aangewezen (hoofdstuk 32), in al de steden van de Amorieten, te Hesbon (= list), en in al haar onderhorige plaatsen, in alle tot haar behorende kleinere steden (hoofdstuk 32:34-38 Jozua. 13:15-20).
Deuteronomium. 2:34,35
Dit wordt wederom bij wijze van voorverhaal meegedeeld, omdat dit wonen in het land van de Amorieten eerst plaatshad, na de verdeling van het Overjordaanse onder de stammen Ruben en Gad.
— Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
Want Hesbon, een aan het bovenste deel van de rivier Hesbon op een heuvel en in een vruchtbaar oord gelegen stad, was de residentiestad van Sihon, de koning van de Amorieten, en hij had niet lang vóór de hier meegedeelde gebeurtenis gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, de voorganger van Balak (hoofdstuk 22:2), en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon, al het land, dat hij aan de linkerzijde van de Jordaan en de Dode Zee bezat, zodat de Moabieten nog slechts de landstreek tussen Wady el-Ahsy en de Arnon in bezit hadden.
KruisverwijzingenHabakuk 2:6→Numeri 21:14→Jesaja 14:4→— Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!
Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken, 1) doelende op de roemrijke overwinning over Sihon en de verovering van zijn steden: Komt, wanneer gij daartoe moed hebt, terug tot Hesbon, gij daaruit verdreven Amorieten; men bouwt en bevestigt de stad van Sihon, die wij, de kinderen van Israël, verwoest hebben. Gij zult dat niet ondernemen; uw stad is tot een puinhoop geworden; het is u vergolden, wat gij aan andere steden gedaan hebt.
In het Hebreeuws Hamscholim, de spreukendichters. De vertaling is dus juister: “Daarom zeggen de spreukendichters.” Wat zij zeiden of dichtten, wordt nu meegedeeld, of liever enkele gedeelten van het lied worden meegedeeld. Drie strofen, de eerste wordt weergegeven in vs.27b, 28, de tweede in vs.29, de derde in vs.30
KruisverwijzingenNumeri 21:15→Jeremia 48:45→Amos 2:5→Numeri 22:41→Amos 1:14→Amos 1:7→Jesaja 15:1→Richteren 9:20→— Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.
Want er is een vernielend krijgsvuur uitgegaan uit Hesbon, toen gij, Amorieten, haar nog in bezit had en van daar uw veroveringstochten ondernam, een vlam uit de stad van Sihon, zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, tussen de Ledschum en Arnon (zie “Nu 21.15), en de heren, de burgers van de hoogte van de Arnon, allen, die langs de hoge oever van de Arnon wonen.
KruisverwijzingenRichteren 11:24→2 Koningen 23:13→Jeremia 48:46→1 Koningen 11:33→1 Koningen 11:7→Jeremia 48:7→Jeremia 48:13→Jesaja 15:5→— Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.
Wee u, Moab! 1) Gij volk van de afgod a) Kamoz, die gij dient (zie “Le 18.21”; Jer.48:7), gij zijt verloren; uw machteloze god kan u tegen deze vijand niet beschermen. Zoals het bij een zo slechte beschermgod liet verwachten, zo is het ook met het arme volk, dat geen betere helper kende, gegaan; hij,Kamoz, heeft zijn zonen, die ontliepen, die op de vlucht geslagen waren, en zijn dochters in de gevangenis geleverd, om voortaan dienstbaar te zijn aan Sihon, de koning van de Amorieten.
1 Kon.11:7,33
Hier wordt aan Moab reeds op dichterlijke wijze voorspeld, dat, waar het tegen Sihon niet bestand was, het nog zo veel te minder Israël weerstand zou kunnen bieden.
KruisverwijzingenJeremia 48:18→Jesaja 15:2→Jeremia 48:22→Numeri 32:3→Jozua 13:17→Numeri 32:34→2 Samuël 11:24→Genesis 49:23→— En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.
En, hoe groot ook Sihon met de zijnen was, wij hebben hen neergeveld; wij, de krijgsknechten van de Heere Zebaoth! Hesbon is verloren tot Dibon (= treurende) toe; en wij hebben hen verwoest noordelijk tot Nofat (= rukwind) toe (Richteren. 8:11), welke 1) tot Médeba (= water van rust), 5/4 uur zuidoostelijk van Hesbon, toereikt. 2)
In het Hebreeuws Ascher ad. De Statenvertaling geeft, welke tot Medéba toe reikt. De zin is dan echter mat. De LXX geeft: pur epi, d.i. met vuur tot Médeba. Dit geeft ook een betere zin. “De Zeventigen” hebben dus gelezen, alsof er stond de sa (Eesch ad). De laatste letter van dsa is dan een schrijffout, bij het overschrijven, erbij gevoegd.
Het gehele land aan de overzijde van de Jordaan, van Hermon in het noorden tot aan de grensrivier tegen Edom, de Wady el-Ahsy, wordt door de voornaamste rivieren, die dit gebied van het oosten naar het westen doorlopen, in verschillende landschappen verdeeld. Het eerste, van de grote Hermon tot aan de in de Bijbel niet genoemde Jasmuk of Hieromax zich uitstrekkende, verheft zich noordwestelijk tot een bergrug, die ongeveer 3000 voet hoog is en waarop men goed weiland en aanzienlijke eikenbossen vindt; zo wordt het ook in het oosten van de steppen van de Eufraat gescheiden door berghoogten, die nog hoger en met eikenbos bezet zijn; het overige bestaat uit een onafzienbare vlakte, die door enkele verhevenheden en door verscheidene afgeknotte kegels van basaltsteen doorsneden wordt. De basaltsteen is de enige, welke in deze landstreek gevonden wordt, en aan haar door zijn zwarte kleur een somber aanzien geeft, vooral daar hier elk boomgewas ontbreekt. Wegens gebrek aan hout, waren dan ook de huizen meestal tot aan het dak van stenen, zelfs bestonden daaruit de deuren, die zich op sterke hengsels bewogen; hierom en omdat de landstreek met steden en dorpen als bezaaid is, toonden zich de kinderen van Israël niet weinig verwonderd, toen zij na hun aangegeven tocht, door enkel kalkstreken, voor de eerste maal deze grond betraden, en hier steden met hoge muren en poorten, en zo vele vlekken zagen (Deut.3:5; 1 Kon.4:13), terwijl zij vroeger bijna alleen rotsholen als woningen gezien hadden. De grond heeft een rijk grasgewas en biedt voortreffelijke weiden voor schapen en kamelen aan; ook groeit er voortreffelijke tarwe en de gerst levert 50 tot 60-voud. De tweede landstreek strekt zich uit van Hieromax tot de Jabbok en is van de eerste geheel verschillend; daar uitgestrekt tafelland, hier heuvels en bergen; daar slechts enkele uitstekende hoogten, hier vast aaneengesloten rechte bergmassa’s; daar gebrek aan bomen en struiken, maar grote tarwevelden op vette basaltgrond, hier vrolijke bossen op verblindend witte Jurakalk, daar dorpen en steden die op hoogten gebouwd zijn, hier bijna geen woningen boven de aarde, maar talloze onderaardse holen, waar de mensen als Troglodyten leven. Dit heuvelland, waarvan de eiken en weiden met voortreffelijke ossen en schapen in het Oude Testament zo dikwijls vermeld worden, en dat wegens zijn bekoorlijkheid en vruchtbaarheid nog heden op de reizigers een zo grote indruk maakt dat zij het met de in natuurschoon rijkste landstreken in Europa (bijv. met het landschap Entre Munho et Duero in Portugal) gelijkstellen, vormt de voorgrond van het gebergte van Gilead, dat tot het derde landschap tussen de Jabbok en de Nahr (= rivier) Hesban behoort. De naam Gilead wordt in de boeken van Mozes nu eens in ruimere, dan eens in engere zin gebruikt; in ruimere zin omvat het ook de voorgrond van het gebergte aan de overzijde van de Jabbok, die thans Dschebel Adschlun heet (Genesis 31:21); in engere zin daarentegen betekent het de aan deze zijde van de Jabbok gelegen Dschebel Dschelaad, die zich in een breedte van 2« uur van het oosten naar het westen uitstrekt en in het westen zijn hoogtepunt bereikt in de berg Oscha. Deze berg is genoemd naar het graf van de profeet Hosea, dat zich op deze zou bevinden. Aan de noordelijke helling van de berg, wiens steile zijden vele terrassen hebben, en die met wijnbergen en olijfbergen beplant zijn lag Gilead, de stad “van werkers van de ongerechtigheid, betreden met bloed” (Hos.6:8). Aan de zuidelijke voet lag Ramoth Gilead, een vrijstad voor doodslagers Jozua 21:38); deze wordt nog heden door de bewoners voor heilig gehouden. Acht uur verder naar het zuidoosten vinden wij Rabbath Ammon, de trotse hoofdstad van de kinderen van Ammon; gedurende haar belegering beging David, die te Jeruzalem gebleven was, de echtbreuk met Batseba (2 Samuel 11). Het vierde landschap, dat zich van Hesbon tot aan de Arnon uitstrekt, is van een gelijk karakter, als de hoge vlakte tussen de Hermon en Hieromax, alleen is het hier kalkgrond, die echter hier en daar, voornamelijk aan de oevers van de Arnon van basalt doorsneden is, het is evenzeer zonder bomen, maar daarbij rijk in groene weiden, en levert een soort van tarwe op, die als buitengewoon rijk in korrels geschilderd wordt en met de zeven aren uit één halm, vol en dik, die farao in de droom zag (Genesis 41:5), overeenkomt. Met dit vierde landschap komt het vijfde tussen de Arnon en de Wady el Ahsv overeen; hier waren ten tijde van onze geschiedenis de Moabieten teruggedrongen, nadat zij vroeger een veel verder naar het noorden zich uitstrekkend gebied bezeten hadden. Tussen de beide juist genoemde grensrivieren, op tamelijk gelijke afstand van deze, vloeit de van de Arabim-heuvelen afkomende Sared, aan wier einde het stadje Zoar ligt, naar de zijde van de Dode Zee; van de overige steden van de Moabieten zijn bijzonder Ar-Moab, Rabbath-Moab en Kir-Moab te noemen.
De oorspronkelijke bewoners van het land ten oosten van de Jordaan waren de Refeërs, d.i. de hooggegroeiden, een door reusachtige lichaamsgedaante zich onderscheidende volksstam, overeenkomende met de kinderen van Enak aan de westzijde van de Dode Zee (hoofdstuk 13:29,33); zij behoorden naar alle waarschijnlijkheid tot de oorspronkelijke bevolking van het land, die van Semitische oorsprong was (zie Ge 14.18); zij waren in verscheidene geslachten verdeeld. Van deze bewoonden de Refeërs (in engere zin) de beide noordelijke landschappen over de Jabbok, de Susim (= paarden) of Samme Sunim, zoals de Ammonieten hen noemden, de landstreek tussen de Jabbok en de Arnon, de Enim (= de verschrikkelijken) de vlakte tussen de Arnon en de Sared. Toen de Moabieten, die meer nabij de Dode Zee bij Zoar en de Ammonieten, die noordoostelijk daarvan woonden in het gebergte, waar Lot, na het verlaten van Zoar, heenging (Genesis 19:30), hun heerschappij steeds verder uitbreidden, onderwierpen zij zich die reusachtige bewoners, en namen het land tot aan de Jabbok voor zichzelf in bezit; niet lang toch vóór de tijd, in welke wij met onze geschiedenis zijn, waren de Amorieten uit dat deel van het land, dat ten westen van de Jordaan ligt en dat later aan de stam van Juda ten deel viel, overgekomen; zij hadden, gelijk wij reeds boven (zie Nu 21.11) opmerkten, aan Ammonieten en Moabieten hun bezitting weer ontnomen en twee rijken gesticht. Het noordelijkste van deze had tot koning Og, een nakomeling van de Refaïten, die vroeger in deze streken gezeteld hadden (Deut.3:11). Het bevatte de landstreek Basan tussen de Hermon en de Jabbok, met de heide hoofdsteden Astharoth en Edréï (Deut.1:4 Jozua. 13:12); het zuidelijke was onder de koning Sihon, en had tot residentieplaats Hesbon, het strekte zich uit over het tussen de Jabbok en de Arnon gelegen district. Door deze veroveringen waren de Ammonieten naar het oosten, de Moabieten naar het zuiden teruggedrongen. Zo weinig echter waren de laatsten hun vroegere bezitting vergeten, dat de vlakte aan de Jordaan boven de Rode Zee, nog altijd het veld van Moab heette, dat zij dadelijk de kinderen van Israël, toen deze Sihon overwonnen hadden en hun tocht door diens land naar Pisga voortgezet hadden, nagingen; daarom voerde ook koning Balak later (hoofdstuk 22:41; 23:14,28) Bileam naar dezelfde plaatsen, waar Israël tevoren gelegerd was, eer het in de velden van Moab inging (hoofdstuk 31:19,20; 22:1).
IV. Vs. 31-35.KruisverwijzingenNumeri 32:1→Jeremia 48:32→Jozua 13:12→Numeri 32:35→Deuteronomium 29:7→Deuteronomium 1:4→Deuteronomium 3:1→Numeri 32:33→ — Alzo woonde Israel in het land van den Amoriet. Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting. Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei. De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting. Van het gebergte Pisga begint Mozes ook Og, de koning van het noordelijk rijk van de Amorieten, te bevechten, en verovert zijn land, Basan.
KruisverwijzingenNumeri 32:33→Deuteronomium 3:16→Jozua 12:1→Jozua 13:8→— Alzo woonde Israel in het land van den Amoriet.
Alzo woonde Israël, nadat het Sihon overwonnen en zijn steden veroverd had (vs.22 vv.) in het land van de Amoriet, in de landstreek ten oosten van de Dode Zee (vs.20).
KruisverwijzingenNumeri 32:1→Jeremia 48:32→Numeri 32:35→Jesaja 16:8→Numeri 32:3→— Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.
Daarna zond Mozes boden uit, om Jaëzer (= die Jehova helpt), twee mijl zuidoostelijk van Rabath Ammon, te verspieden; en zij, de krijgslieden, die de verspiedersvolgden, namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting, hij roeide de inwoners uit, en maakte vee en alle goederen tot zijn buit (Deut.3:6 vv.).
KruisverwijzingenJozua 13:12→Deuteronomium 29:7→Deuteronomium 1:4→Deuteronomium 3:1→Jesaja 33:9→Deuteronomium 4:47→Jozua 9:10→Psalmen 22:12→— Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei.
Toen wendden zij zich noordwaarts, en trokken op de weg van Basan (= zandgrond) naar de bovenste delen van het rijk aan de bronnen van de Hieromax of Jarmuk; a)en Og (= een voor), de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd in Edréï (= sterk), zijn tweede residentie, 2 of 3 mijl zuidoostelijk van Astaroth; hier ontmoette hij het Israëlitische krijgsleger, waarvan het overwinnend voortdringen hij bericht ontvangen had.
Deuteronomium. 3:1; 29:7
KruisverwijzingenNumeri 21:24→Numeri 14:9→2 Koningen 3:18→Deuteronomium 20:3→Richteren 11:30→Deuteronomium 7:24→Jozua 8:7→Deuteronomium 3:2→— De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
De HEERE nu zei tot Mozes, die, hoe wel niet zelf bij het leger tegenwoordig, toch de onderneming van het hoofdkwartier aan de berg Pisga uit (vs.31) met zijn gebed geleidde: Vrees hem met, want Ik heb hem inuw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en a) gij zult hem doen, zoals gij, Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt, namelijk de ban aan hem volbrengen, zoals Ik u ten opzichte van al de Kanaänitische volken geboden heb (Deut.2:34 vv. Exodus. 23:31 vv.; 34:11 vv. zie “Le 27.29).
Psalm. 136:20
KruisverwijzingenPsalmen 136:17→Jozua 12:4→Psalmen 135:10→Deuteronomium 3:3→Romeinen 8:37→Jozua 13:12→Deuteronomium 29:7→— En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.
En zij sloegen hem en zijn zonen, die met hem ten strijde waren uitgetrokken, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting, daar hun legers zich verdeelden en onder dappereaanvoerders de een in deze, de ander in die landstreek trokken (hoofdstuk 32:39 vv.).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Denk niet dat het een kleinigheid is tegen God te morren of over Zijn voorzienige handelingen met ons te klagen. Nee, het is in werkelijkheid ons feilbaar oordeel of onze eigen wil stellen tegenover de oneindige wijsheid van de Allerhoogste. Het is hoogverraad tegen de Koning der koningen.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Numeri 21
Numeri 21:1-4.KruisverwijzingenRichteren 1:16→Numeri 33:40→Richteren 11:18→Exodus 6:9→Jozua 12:14→Genesis 28:20→Richteren 11:30→Numeri 14:45→
— Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg. Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma. Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.
De kinderen Israëls waren in werkelijk gevaar. Zij werden aangevallen door een woeste vijand die, waarschijnlijk wetend dat hij ten verderve gedoemd was, besloot de strijd voor te zijn door de Israëlieten aan te vallen terwijl zij onvoorbereid waren, en hun zoveel schade toe te brengen als hij kon. Arad blijkt een koning van aanzienlijke macht te zijn geweest, en zijn bekwaamheid in de oorlog blijkt uit het feit dat hij tegen de Israëlieten althans gedeeltelijk voorspoedig was.
Wil een christen opgroeien tot de volle maat van een man in Christus, dan moet hij aan de scherpe winden van beproeving en verzoeking onderworpen worden. Ik heb vaak zo’n opmerking gehoord als deze: “Ik heb nooit geweten wat een christen die-en-die was, totdat hij zijn goed verloor, of zijn vrouw, of zijn kinderen, of totdat hij op het bed van ziekte en dood werd uitgestrekt.” Iets in de scherpe winterlucht versterkt ons en maakt ons sterk voor het werk, terwijl het zomerwindje van het gemak ons vaak verzwakt.
En al mogen geloften nooit lichtvaardig of goddeloos gedaan worden, er zijn tijden waarin een gelofte op ons kan rusten als een plicht. Vele belangrijke stappen die ik gezet heb en die God gezegend heeft, heb ik gezet vanwege een gelofte die ik Hem deed toen mijn ziel in moeite was. En ik denk soms dat moeite, in mijn eigen geval, altijd een voorbereiding is op het ingaan van een nieuwe weg van plicht of het beginnen van een nieuwe onderneming voor mijn dierbare Heere en Meester.
Daarna werd hun niet toegestaan door het land Edom te trekken; zij moesten daarom omkeren en juist wegtrekken van het land waar zij eenmaal hoopten te wonen, en de weg was bijzonder zwaar, over heet en brandend zand: “doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg”.
Numeri 21:4-6.Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:9→Richteren 11:18→Exodus 6:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Psalmen 78:19→Numeri 33:41→Jesaja 14:29→
— Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg. En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.
Vele beproevingen overkwamen hen in de woestijn, meestal door hun eigen zonde. Zij waren het meest begunstigde volk op de hele aarde. En toch, met al deze voorrechten, werd de ziel des volks heel verdrietig op de weg. Soms worden Gods eigen kinderen, wanneer zij bevinden dat zij in het geestelijk leven niet zo ver gevorderd zijn als zij meenden, wanneer zij oude zonden weer zien opleven en de moeiten zich op hen samenpakken, “verdrietig op dezen weg”. Is dat onze ervaring, laten wij dan niet vallen in de zonde waarin deze Israëlieten vielen, maar laten wij ons zelfs in onze moedeloosheid tot onze God keren.
Vorige week zag ik mijn dierbare oude grootvader, die ongeveer zevenentachtig jaar is, en ik zei tegen hem: “Ik veronderstel, grootvader, dat u in uw lange leven veel moeiten hebt gehad.” Hij antwoordde: “Wel, ik heb er niet te veel gehad, behalve die ik mijzelf heb aangedaan.” En ik verwacht dat dat voor de meesten van ons waar is.
Toen de Israëlieten ongeduldig werden, brachten zij hun moeite toen tot God, zoals zij eerder gedaan hadden? O nee! In plaats daarvan “spraken zij tegen God en tegen Mozes”. Wie belijdenis van het geloof doen, leggen de schuld van hun moeiten vaak op anderen. Zij zeggen: “Als mijn vader een voorzichtiger man geweest was”, of: “Als die-en-die mij wijzer raad gegeven had”, of: “Als mijn man niet zo’n verkwister was, dan was ik niet in zulke moeite geraakt.” Vaak is dat maar een bedekte manier van morren tegen God.
Denk niet dat het een kleinigheid is tegen God te morren of over Zijn voorzienige handelingen met ons te klagen. Nee, het is in werkelijkheid ons feilbaar oordeel of onze eigen wil stellen tegenover de oneindige wijsheid van de Allerhoogste. Het is hoogverraad tegen de Koning der koningen.
Numeri 21:5.KruisverwijzingenPsalmen 78:19→Exodus 17:2→Numeri 11:1→Exodus 16:7→Numeri 16:13→Exodus 16:31→Exodus 16:15→Exodus 15:24→
— En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
Men wordt, bij het lezen van de omzwervingen van Israël in de woestijn, moe van dit papegaaiengeschreeuw: “Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte?” Bijna veertig jaar lang was dit hun kreet zodra zij enige moeilijkheid ontmoetten. Hoe moe moet God van hun geroep zijn geweest, en hoe moe ook van hen! En nu werd het opgeheven omdat zij gevoed waren met “engelenspijs”, die zij “dit zeer lichte brood” noemden. Het was licht te verteren, gezond, en de allerbeste soort voedsel voor hen in de woestijn; maar zij wilden iets steviger, iets met een grover smaak, meer van de aarde en minder van de hemel. Een onwedergeboren hart is niet te verzadigen. Al hadden wij alle zegeningen van dit leven, wij zouden nog naar meer haken.
Numeri 21:6-7.Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Numeri 11:2→Psalmen 78:34→Handelingen 8:24→Exodus 8:8→Jesaja 14:29→
— Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel. Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.
Als een waar middelaar was hij altijd gereed — zelfs wanneer zij hem het meest beledigd en zijn zachtmoedige en stille geest bedroefd hadden — om toch de knie te buigen en voor hen bij de Heere tussen te treden. Het volk smeekte hem te vragen of de slangen van hen weggenomen mochten worden; maar naar het schijnt bleven die hen nog kwellen. Echter, verhoort God het gebed niet op de ene wijze, dan doet Hij het op de andere.
Het krachtige gebed van een rechtvaardige mag niet altijd baten in de bepaalde richting waarin het opgezonden wordt, maar het “vermag veel” in de ene of andere richting. Zoals wanneer de nevels opstijgen: zij dalen misschien niet neer op juist die plek waaruit zij opgestegen zijn, maar zij vallen ergens neer. En het ware gebed gaat nooit verloren; het komt terug in zegen, zo niet naar onze zin, dan naar een andere zin die vriendelijker en wijzer is dan de onze.
Numeri 21:9.Kruisverwijzingen2 Koningen 18:4→Johannes 3:14→Zacharia 12:10→2 Korinthe 5:21→Johannes 1:29→Romeinen 1:17→1 Johannes 3:8→Johannes 6:40→
— En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
Na hun belijdenis en het gebed van hun middelaar gebood de Heere Mozes een koperen slang te maken, opdat zij daarop zouden zien en leven. Toen ik als een arme zondaar voor het eerst tot Christus kwam, achtte ik Hem het kostelijkste voorwerp dat mijn ogen ooit gezien hadden. Maar ik zie op Hem terwijl ik predik, mijn eigen moedeloosheden en klagen indachtig — en ik bevind mijn Heere Jezus dierbaarder dan ooit.
Ik ben ernstig ziek geweest en droevig neergedrukt. Ik vrees dat ik weerspannig geweest ben. Daarom zie ik opnieuw op Hem. Het is een verrukkelijke zaak dat er een fontein geopend is waarin zondaren zich kunnen wassen. Die fontein is niet alleen voor uitgeworpenen, maar voor de heiligen, voor de burgers van Jeruzalem, voor het huis van David. Zondigen wij nog? Ja, dat doen wij; maar “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (1 Joh. 1:7).
De koperen Slang genas mij toen ik de Heere voor het eerst zag — en de koperen Slang geneest mij vanavond, en zal dat doen totdat ik sterf. Jezus is verhoogd, opdat de heiligen niet zouden verloren gaan maar in de genade zouden volharden tot het eeuwige leven. En hoe wordt ons geestelijk leven eeuwigdurend gemaakt dan door het voortduren van dat zien? Wij hebben ons leven lang op Jezus te blijven zien: “Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus” (Hebr. 12:2). God houde ons ziende als wij gezien hebben, en brenge ons tot het zien op Jezus als wij nooit gezien hebben.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-3.KruisverwijzingenRichteren 1:16→Numeri 33:40→Jozua 12:14→Genesis 28:20→Richteren 11:30→Numeri 14:45→Deuteronomium 1:44→Psalmen 44:3→
— Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg. Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.
Nog gedurende hun oponthoud te Mosera aan de berg Hor worden de kinderen van Israël door de Amoritische koning van Harad aangevallen; zij beloven de Heere, dat, wanneer Hij de vijanden in hun handen zou geven, zij hen met hun steden zouden verbannen. Zij behalen de overwinning en spreken het vonnis van de vernietiging over hen uit.
Als de Kanaäniet, de koning van Harad, (= wilde ezel), wonende tegen het zuiden van Kades, van waar de kinderen van Israël zich opmaakten (hoofdstuk 20:22), hoorde, dat Israël in het land Kanaän door de weg van deverspieders kwam, 1) door dezelfde weg, die 37 jaar geleden de verspieders ingeslagen waren (hoofdstuk 13:18 vv.), zo streed hij tegen Israël, om de intocht in het land te verhinderen, en hij voerde enige gevangenen hieruit als gevangene weg.
Israël had weliswaar bij het optrekken uit Kades geenszins het doel, van het zuiden af Kanaän binnen te dringen, maar moest zich toch, nadat Edomieten en Moabieten de doortocht geweigerd hadden, weer terugwenden naar het noordeinde van de Elanitische golf, om het gebergte Seïr en het land van Moab om te trekken, en na de doortocht door het gebied van de Amorieten, dat zij veroverden, van het oosten af over de Jordaan te gaan. De koning van Harad kon echter in dat opbreken geen ander doel dan het eerstgenoemde vermoeden, vooral, daar zij waarschijnlijk hun weg noordoostelijk naar de Wady Fikreh namen en eerst van de Dschebel Madurah zich naar het zuidoosten keerden. Als de kinderen van Israël reeds van Kades vertrokken zijn en zich naar het zuiden gewend hebben, zet hij hen na, daar hij niet geheel tevergeefs tegen hen wil uitgetrokken zijn, en overvalt hen in de rug, evenals eens Amalek te Rafidim gedaan had (Exodus. 17:8). Dit gebeurde waarschijnlijk ten tijde dat Israël nog in Mosera gelegerd was en 30 dagen lang Aärons dood beweende (Numeri. 33:40 vv.).
In het Hebreeuws Dérek ha’atharim. De LXX odon Ayarein. De Statenvertaling geeft weg van de verspieders, in navolging van de Chaldese en Syrische vertaling, alsof er stond: (hatharim). Grammaticaal kan dit. Het zou dan de weg zijn, welke de verspieders gevolgd waren, om het land te verspieden. Wij verkiezen de vertaling van de Septuaginta en vertalen, hoorde, dat Israël langs de weg naar Atharim kwam. Atharim is dan een plaats of stad in het zuiden van Palestina gelegen.
Toen beloofde Israël de HEERE een gelofte, terwijl een gedeelte van de strijdbare mannen zich, wellicht onder Jozua’s bestuur, opmaakte om de aanvaller af te slaan, en zei: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft; zo zalik hun steden verbannen, 1) die geheel vernietigen.
Ook: zie Le 27.29.
De HEERE dan, ten teken dat Hij zich weer in genade tot het volk gewend had, en de tijd van de vervulling van zijn beloften daar was, verhoorde de stem van Israël en gaf de Kanäanieten over; de koning van Harad werd met al de zijnen verslagen en viel in de handen van Israël, en hij (Israël) verbande, overeenkomstig zijn belofte, hen en hun steden; hij sprak het vonnis van gehele vernietiging uit; en hij noemde de naam van die plaats, het gehele tot het gebied van de koning van Harad behorende land: Horma, 1) (= verbanning), om zich op plechtige wijze tot volvoering van de belofte te verbinden, omdat dit nu nog niet geschieden kon (Jozua 12:14 Richteren. 1:17).
Reeds in hoofdstuk 14:45 werd Zefat, de aanzienlijkste onder de steden, Horma genoemd. Meermalen komt het in het Oude Testament voor, dat reeds in vroegere geschiedenissen de naam genoemd wordt, welke de plaatsen eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen ontvingen. Dit is bij het voor ons liggend geval niet zonder betekenis, want het wijst aan, dat “beide gebeurtenissen (de toenmalige nederlaag van Israël en de tegenwoordige verbanning van deze steden) onder hetzelfde idee stonden, dat de plaats reeds door het gericht over het huis van God (1 Petr.4:17) geheiligd geworden is, voordat zij naar het gericht over de wereld haar naam verkreeg”.
II. Vs. 4-9.Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:9→2 Koningen 18:4→Richteren 11:18→Exodus 6:9→Deuteronomium 8:15→Jeremia 8:17→Numeri 11:2→Psalmen 78:34→
— Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg. En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel. Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
Van Hor trekken de kinderen van Israël langs de Araba verder. Op de weg komt de oude mismoedigheid weer boven, over de bezwaren en ontberingen van hun reis; zij spreken lasterlijke woorden, waarom de Heere vurige slangen onder hen zendt, aan wier beet velen onder ontzettende koortsen sterven. Op de bede van het volk en de voorbede van Mozes geeft de Heere een genademiddel, welks gelovig gebruik de slangenbeet onschadelijk maakt; dit middel is een aan een staak opgericht koperen slangenbeeld; hiernaar moesten zij zien om genezen te worden.
Toen de 30 treurdagen over Aärons heengaan voorbij waren (hoofdstuk 20:29), reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, langs de Araba zuidelijk naar Ezeon-Geber aan de noordpunt van de Elanitische golf, zodat zij, door de Wady el-Ithm heen en dan zich noordelijk wendende, om het land van de Edomieten heentogen, doch de ziel van het volk werd verdrietig 1) op deze weg, daar het moeilijk reizen in de woestijn, zo vol van ontberingen, geen einde scheen te nemen: nu toch ging de weg weer van Kanaän af.
Het Hebreeuwse woord duqt betekent: “werd kort,” ongeduldig. De beproeving was voor Israël ook zwaar. Na zo vele jaren zwerven in een woestijn, waren zij eindelijk weer bij het land van de belofte, en nu leidt weer de weg van Kanaän af. Mijn lezer! zijt gij bij veel mindere en veel kortere beproevingen niet ongeduldig geworden? Zo gij het weer worden zou, denk dan aan de vorige slangen, maar meer nog aan de wijze wegen van God.
En het volk sprak tegen God en tegen Mozes op de oude misdadige wijze, want nog bevond zich een overblijfsel van het vorige geslacht onder hen, dat Gods genade gering achtte en in zijn zucht zich niet vinden kon: Waarom hebt gij ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in deze woestijn? want hier is geen brood, ook geen water, en, hebben wij ook het Manna, 1)onze ziel walgt over dit zeer lichte brood, dat wij nu zovele jaren met verdriet gegeten hebben.
Wel mocht Israël een gelukkig volk genoemd worden, wegens de zorg van zijn getrouwe God, die het brood van de hemel liet regenen; doch wat zullen wij zeggen van ons zelf? Wij hebben een kostelijker manna dan zij, een wonderbare hartversterkende hemelspijs, die dat Manna zo ver overtreft, als het Nieuwe Verbond heerlijker glinstert dan het Oude, als de ziel meer waard is dan het lichaam, als de hemel hoger is dan de aarde, als de zaak kostelijker is dan haar beeld en haar gelijkenis. Ik bedoel dat Manna, dat hemelbrood, waaraan wij ons gelovig en zalig eten; het kostelijkste kleinood, dat alle schatten van de aarde ver achter zich laat, de zielespijs, die elke hongerige verzadigt, elke bedroefde verkwikt, de zieken weer opricht en de stervende de laatste zoete lafenis geeft, die voor ons, reizigers door de woestijn, een dagelijkse vertroosting is-ik bedoel het Manna, waarvan de Heiland (Johannes 6:51) spreekt: “Ik ben dat levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is, zo iemand van dit brood eet, die zal tot in eeuwigheid leven.” Christus kunnen wij genieten, in Zijn sacrament en in Zijn woord; daarom zegt Luther. “Manna is ons heden het sacrament en het Evangelie. nl. die prediking, waardoor verkondigd wordt, dat het lichaam en het bloed van Christus gegeven is tot vergeving van zonden. Daarom, wanneer gij het Evangelie hoort, zo regent het Manna, en dan verzamelt gij Manna; dat wordt u dan van de hemel gegeven.” Laat ons daarover verheugd zijn, dat de Heere ons genadig dit Manna van Zijn woord verleend heeft. Het is een hemelgave aan onwaardigen; het is onaanzienlijk van gedaante en liefelijk van smaak; het is een spijs in de woestijn; het is genoeg voor een ieder; wee dengenen, die het verachten, maar de liefhebbers van dit Manna zijn zalig. Deze zijn de gedachten, die bij een vergelijking van het Manna van Israël zich aan ons opdringen.
Er is een zekere tegenzin in het leven, vooral bij mensen, die niet veel moeten arbeiden. Die tegenzin ontstaat door de eentonigheid en haar gevolg, de verveling. De moeite, de inspanning geeft het zout aan de spijze, de smaak aan het brood, en-aan het leven. God had het de kinderen van Israël zo licht en geriefelijk mogelijk gemaakt, door hun het dagelijks brood te geven zonder arbeid; omdat er in de woestijn geen arbeid, althans geen arbeid om brood, geen landbouw plaats kon vinden. Doch juist daarom verveelde het hun, het was hun, ook in zedelijke zin, een zeer licht brood. Het is evenzo met het leven zelf. Soms is het ons te zwaar, maar ook soms te licht. Wij moeten grote waarde hechten aan het leven, en toch altijd bereid zijn het over te geven, wanneer het door de enige eigenaar, God, van ons gevraagd wordt. Dit heeft zielerust en levenslust. Men heeft opgemerkt, dat juist de werkzaamste mensen, die door hun arbeid het meest aan het leven gehecht zijn, het meest bereid waren om te sterven, als het hun tijd was. In ieder geval, wij moeten zowel leren leven, als leren sterven. Wij moeten tegelijk een heilige belangstelling in, en ene heilige onverschilligheid voor het leven hebben. Wij moeten leven, om ‘s Heeren wil en zolang als de Heere het wil. Hoe kunnen wij dit leren? Het geloof kan ons leren, het geloof; dat wij om niet ontvangen, en waardoor wij alles kunnen verkrijgen.
Toen a) zond de HEERE, tot straf voor de lasterlijke woorden, vurige slangen 1) onder het volk, slangen, die door hun beet hevige brand, onlesbare dorst en grote opzwelling teweegbrachten; die beten het volk en er stierf veel volk van Israël.
1 Kor.10:9
Nog heden zijn de slangen in de nabijheid van de zeeëngte van Akaba buitengewoon talrijk; de vissers vrezen zeer voor hen en blussen ‘s avonds, voor zij gaan slapen hun vuur uit, omdat het licht hen aantrekt. G.H. v. Schubert (overl. 1860) bericht omtrent zijn reis van Akaba naar Hor: “In de middag bracht men ons ene zeer bonte, met vuurrode vlekken en strepen getekende grote slang, welke, zoals de bouw van het gebit dit toonde, tot de vergiftigste soorten van dit geslacht behoorde.” Daar hetgeen hier verhaald wordt, in de Araba, ten zuiden van Hor, plaatsvond, nemen de nieuwste uitleggers van onze tekst aan, dat Israël zich nog ten westen van het Edomietengebergte zou bevonden hebben, toen het morde en het morrende volk door die slangen bezocht werd. Zij plaatsen daarom het station Zalmona (hoofdstuk 33:41) waarvan de naam (= plaats van het beeld) doet vermoeden, dat daar deze geschiedenis heeft plaatsgehad (vs.8,9), nog in de Araba. Wij houden het er echter voor, dat deze aan de oostzijde moet gezocht worden; want het schijnt, dat het volk reeds een langere tocht sedert het optrekken van Hor achter zich gehad heeft, eer het verdrietig werd over de weg, en juist daar, waar het eigenlijk gebied van de slangen reeds verlaten heeft, zonder door deze gewond te zijn, komt het: “De Heere zond vurige slangen onder hen,” beter tot zijn recht. De plaag is verder van dien aard, dat de kinderen van Israël die over gebrek aan water zich bezwaard gevoelen, zouden leren kennen, wat dorst in de hoogste mate was.
Woordelijk: “brandende slangen,” d.i. wier beet vurig was; dat er “de” vurige slangen staat, duidt aan, dat er iets bekends wordt herinnerd, dat die slangen bedoeld worden, welke de ouden, zolang zij in het water leven “Hydrus” en wanneer zij zich op het land ophouden, “Chersydrus” noemden. In het droge jaargetijde (omdat Aäron in het begin van juli was gestorven (hoofdstuk 20:28), moest het nu in het laatst van augustus zijn) gaan deze slangen aan land, als wanneer haar beet nog veel gevaarlijker is dan anders. Er is misschien in de aard van deze straf een verband met de misdaad, waarvoor zij trof. Zij, wie het Manna te flauw is van smaak, die begeren naar meer prikkelende spijs, naar ene spijze, die meer bijtend was, zij worden gebeten door vurige slangen. Maar in het bijzonder doen deze slangen ons denken aan de voortdurende strijd, die er tussen het geslacht van de mensen en dat van de slangen moest bestaan (Genesis 3:15), en aan de verleider, die zich heeft bediend van ene slang, om de eerste mensen over te geven aan de zonde en aan de dood.
Aben Esra en anderen menen, dat deze straf zeer wel geschikt geweest is naar de zonde van de Israëlieten, welke bestond in kwalijk te spreken van de Heere, door het lasteren van Zijn voorzienigheid, want R.Salomon vergelijkt een lasteraar bij een slang, welke bijt, indien zij niet bezworen wordt (Prediker. 10:11)
Daarom 1) kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen de HEERE en tegen u gesproken hebben: bid de HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneemt. Toen bad Mozes, de getrouwe middelaar, voor het volk.
Door de ontzettende straf, ten gevolge waarvan er velen stierven, en vanwege de doodsangst, waarin de levenden verkeerden, die ieder ogenblik in gevaar waren, om gebeten te worden, kwam het volk tot bezinning en berouw, en wendde zich tot Mozes, om hun voorbede te zijn.
En de HEERE zei tot Mozes: Maak u daarom een koperen vurige slang, een in gedaante en kleur aan de levenden gelijk, en stel ze op een stang 1) of staak; dit zal een middel zijn voor allen, die reeds dodelijk gewond zijn, om nog hulp en genezing te verkrijgen, en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet in geloof aan Mijn belofte, zo zal hij leven; 2) wie daarentegen dit Mijn genademiddel veracht, zoals het volk van het Manna verachtelijk gesproken heeft, die rest geen hulp, hij moet in zijn zonde sterven.
Het Hebreeuwse woord on (Nes) betekent eigenlijk een banier, een veldteken.
Hierin zijn drie merkwaardige stukken: allereerst moet de slang, die Mozes op Gods bevel maken moet, van koper zijn, dat is, roodachtig, doch zonder vergif, en gelijk aan hen, die door de vurige slangen gebeten rood waren en van hitte brandden; ten tweede moet de koperen slang opgericht worden op een paal tot een teken; ten derde moet men, wil men van de vurigen slangenbeet genezen worden, en leven, de koperen slang, die aan de paal opgericht is, aanzien, anders kan men niet genezen worden. Hierin zijn de drie gezichtspunten klaar en duidelijk aangewezen, waarop het bij deze geschiedenis, die volgens de eigen verklaring van Christus (Johannes 3:14) een afschuduwing van Hem is, aankomt.
Dat de slang de gedaante en kleur van de wezenlijke slangen heeft en tevens in kleur de gebeten mensen gelijk is, doch zonder vergif en onschadelijk, beeldt Christus af, die in de gedaante van het zondig vlees verschenen en ons, doemwaardige mensen, gelijk geworden is, toen Hij onze zonden op het kruis droeg (Rom.8:3; 2 Kor.5:21; 1 Petr.2:22-24). Vervolgens wordt de koperen dode slang tot een teken, zodat de levende slangen geen dodelijke schade meer kunnen aanrichten, daarvoor dat hij op een paal als een banier geplaatst wordt; dat doelt op het kruis van Christus, dat de overwinning is over de boze machten en overheden onder de hemel, en de redding van alle schuld en van alle straffen over de zonde (Kol.2:14 vv. Rom.8:31 vv.). Eindelijk wordt de gebetene daardoor de heling deelachtig, dat hij gelovig naar het opgerichte slangenbeeld opziet; hetgeen toont, op welke wijze wij van de beet van de oude slang, van zonde, dood, duivel en hel moeten geheeld worden, namelijk door gelovig opzien tot de aan het kruis verhoogde mensenzoon. Wat dus in het Nieuwe Testament tot een daadzaak van de genade geworden is, dat is in het Oude Testament reeds als genadeteken voorhanden geweest; wat later in de vervulling van het eeuwig raadsbesluit van God tot werkelijkheid geworden is, dat een Heilige, maar als zondaar aan het kruis verhoogde, van de zonde verlost, een gedode, die geen zonde gedaan heeft, van de dood, de bezoldiging van de zonde redt, dat treedt reeds nu in een onschuldig slangenbeeld als voorzegging op, en heeft in dit bijzonder geval, bij wijze van voorafbeelding zijn krachtige uitwerking.
Wij zouden een hele bloemlezing kunnen geven van proeven tot verklaring, die bij deze plaats gemaakt zijn; het zou de moeite niet belonen. Evenmin willen wij trachten te weerleggen wat gezegd is door hen, die met het snijmes van hun onheilige kritiek, onze plaats zijn aangevallen. “Velen gaan,” zegt Menken, “met krijg in het hart en met wapens in de hand, aan de studie van de bijbel, zodat deze hun wel mocht toeroepen: “Gij zijt uitgegaan, als tegen een moordenaar, met zwaarden en met stokken gewapend, om mij te vangen.” Maar hij gaat midden door de gewapenden heen; laat hun nauwelijks het oppergewaad, en ook daarmee weten zij niets te beginnen, want-het kan niet versneden worden, het is zonder naad, van bovenaf geweven.” Wanneer wij daarentegen alle anatomische messen en chemische smeltkroezen bij de behandeling van de Heilige Schrift ter zijde laten, en ons verstand gevangen laten nemen onder de gehoorzaamheid van Christus, zo is het ons deel om te overwinnen, want, zoals Episcopius zegt (gestorven in 1843): “de grootste overwinning behaalt hij, die, hoewel overwonnen, toch de waarheid als prijs van de overwinning wegdraagt”.
De slangen beten, en haar beet was dodelijk. Zij vertegenwoordigen de eerste slang, die de eerste mensen een dodelijke beet toebracht. Zo’n straf hadden de kinderen van Israël niet verwacht; nu baden zij Mozes, dat hij voor hen bidden wilde, en daarmee zou dan naar hun mening de straf opgeheven worden en deze zaak afgedaan zijn. Velen onder ons zijn niet verder gevorderd dan zij. Doch er moest nog een ander Middelaar dan Mozes zijn tussen God en het volk; een slang en toch geen slang, want het was een slang zonder slangenbloed, zonder slangenvenijn, zonder slangenziel, het was een koperen slang, welke geen andere overeenkomst had met de wezenlijke slang, dan de gelijkenis. Zij wees rechtstreeks heen naar Christus, die in eigen persoon Nicodémus naar dit schaduwbeeld heenwees. De Messias was onder Israël bekend als het lam, het paaslammetje, maar ook als de bok en nu hier als de slang. Treffend niet waar? dat de Heilige van Israël onder zulke beelden wordt voorgesteld. Welk mens zou zo iets ooit in zijn hart hebben durven nemen. Alleen de Heilige Geest kon het doen, want Christus schaamt zich voor onze zonden geen vernedering, hoe verregaand ook Hij wil, als de drager van onze zonden, ook de lelijkste namen dragen. Christus, en die gekruisigd, tot zonde gemaakt, een vloek geworden, is dan ook alleen de ware Christus. Een ander is een valse Christus, die ons van onze dodelijke zielewond, van onze zonde niet geneest. Christus zelf zei het dan ook tot Nicodémus in de woorden: “Zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet ook de Zoon van de mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” De Heere gebruikte meermalen het woord verhoogd, als aanduiding van de wijze, waarop Hij sterven zou. Het is een offerwoord; het wordt gebruikt voor de opheffing van het offer naar de hemel, of de aanbieding ervan aan God, alvorens het op het altaar verteerd wordt. Nu had alleen een gekruisigde, bij de smadelijke dood, die Hij onderging, dit eigenaardige in Zijn straf, dat Hij boven al het volk werd opgeheven, met de bedoeling, om Zijn smaad te vermeerderen, omdat de gekruisigde beschouwd werd als de aarde en de hemel even onwaardig te zijn. Doch het lijden en sterven van Jezus heeft twee zijden, want al de uitwendige smaad die Hij leed, was innerlijk voor Hem de hoogste eer, omdat Hij niet als zondaar, maar als zondenverzoener, als offer voor de zonde leed en stierf. Tevens volgt hieruit, dat Zijn wijze van sterven de kenmerken van een offerande in Zich dragen moet. Het verhogen aan het kruis is één van deze kenmerken. Christus werd op het kruis als het waarachtig offer ten hemel opgeheven, en God aangeboden. Zo verenigt dan het kruis van Christus de grootste tegenstrijdigheden: de allerdiepste smaad en de allerhoogste eer. Christus’ dood is tegelijk Zijn vernedering en Zijn verhoging. Hier is het verstand van God. De vereniging van de oorzaak van de kwaal en haar genezing in één voorwerp; zodat een slang de kwaal en wederom een slang de genezing aanbrengt, is door geen menselijk verstand uit te vinden. Zulke dingen kunnen mensen nadenken, niet uitdenken. De kinderen van Israël geven bij vele kwade voorbeelden ook wel eens een goed voorbeeld. Zij zeggen: “Wij hebben gezondigd,” en toen zo’n tegenstrijdig middel van genezing, als het aanzien van de koperen slang voorgeschreven was, maakten zij niet de minste bedenking, maar geloofden, gehoorzaamden en werden behouden. Hoe beschamen deze Israëlieten van de woestijn de hoogbeschaafde lieden onder ons, die het voor een tegenstrijdigheid houden en het daarom niet willen geloven, wanneer God zegt, dat het bloed van Zijn Zoon de bloedvlekken van onze ziel wegneemt, Zijn onschuld onze schuld bedekt, en dat de rechtvaardige geleden heeft voor ons onrechtvaardigen. En waarom geloven zij deze tegenstrijdigheden niet, ofschoon God ze verkondigt, en geloofden de Israëlieten van de woestijn ze wel? Om de eenvoudige reden, dat die Israëlieten zich dodelijk gewond en de gelovigen onder ons zich volkomen gezond voelen. Als men zijn zonde kent, dan kent men ook Christus als de enige, waarachtige verzoening van de zonde; maar wie zijn zonde niet kent, die speelt met haar, tot zolang hij zijn leven en zijn zaligheid verspeeld heeft. Mocht ieder met zijn zonde bekend, gelovig en behouden worden. De gewonde, de stervende Israëlieten moesten geloven, wilden zij behouden worden. Zij moesten geloven, dat zij niet konden genezen worden, tenzij zij de koperen slang aanzagen. Die het deden, werden genezen, die het niet deden stierven. O, het is God zo welbehagelijk, dat wij geloof oefenen.
Het zou de gebeten Israëlieten niet gebaat hebben, dat zij op hun wonden klagende en zuchtende hadden blijven zien, dat zij zichzelf verfoeid hadden vanwege hun gemor; bij dat alles zouden zij getsorven zijn. Ach zo velen, gebeten door de oude slang, door Satans, zien niets dan hun zonden, spreken over niets dan over het vergif dat in hun werkt. Van uzelf het oog af, op de gekruisigden, van de zonde af, op “de gedaante van het zondige vlees.” (Rom.8:3) Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden! Of wilt gij niet behoren tot hen, van wie het formulier van het Heilige Avondmaal zegt, dat zij hun leven buiten zichzelf in Jezus Christus zoeken? De gebeten Israëliet zal niet gevraagd hebben: “Is die slang daar wel voor mij opgericht?” Zij was opgericht voor een ieder, die er het oog op vestigen wilde; geen mate van smartgevoel was bepaald, alleen was er begeerte naar redding nodig. Het Evangelie is zo eenvoudig, ach! waarom legt men zichzelf en anderen zoveel lasten op die te zwaar zijn om te dragen? Waarom het woord van de Schrift: “Het koninkrijk van God is blijdschap” veranderd in: “Het koninkrijk van God is zuchten.” Waarom in plaats van het: “gelooft” van het Evangelie, de eis gesteld: “een benauwde geest?” Jesaja 61:3) Waarom als voor Naäman het redmiddel te eenvoudig? (2 Koningen. 5:10,11) Nog eens: Gelooft en gij zijt gered!.
Alle mensen, die daar leven, zijn in zo’n staat, als de Israëlieten waren. Satan heeft ook ons in het hart gestoken en heeft ons menige dodelijke wonde gegeven, zo wij dat konden voelen, en Christus, die door de koperen slang afgebeeld was, was evenzo verhoogd aan het kruis, om gerechtigheid en eeuwig leven een ieder van ons toe te brengen. Daarom, indien wij de eeuwige dood willen ontgaan, zo moeten wij ons zelf verzaken, en slaan de ogen van het geloof op Christus, de gekruisigde, en bidden om vergeving van onze zonden, en dan zullen onze harten en gewetens genezen worden van de wonden en beten van de duivel. En zolang wij geen genade hebben, om dit te doen, zo zullen wij niet geheeld worden, maar altijd gewond liggen met de steken van de satan, en bloedende tot de dood van het hart toe, al is het, dat wij noch pijn, noch smart voelen.
En Mozes maakte een koperen slang en stelde ze, overeenkomstig het bevel van de Heere, op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, hetgeen nog dikwijls voorkwam, daar de plaag van de vurige slangen niet dadelijkophield, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. 1)
Was er eigenlijk in het zien op de verhoogde slang geen genezende kracht gelegen, noch enige waardigheid of verdienstelijkheid, waardoor de Heere zou kunnen bewogen worden, om de aanschouwers te genezen, alzo heeft het gelovig aanschouwen van Christus, of het zien op Hem mede in zichzelf geen waardigheid of verdienstelijkheid ter verkrijging van de geestelijke genezing, moetende het geloof niet aangemerkt worden als een verdienstelijk werk, maar als een gave van genade, zonder welke de genezing niet wordt verkregen, en als een middel, waardoor de genezing wordt aangegrepen en toegepast.
Hoe zullen de ongelukkigen, die de beet van een slang voelden, zich gespoed hebben, tot de koperen slang op te zien! Hoe zal de moeder het gewonde kind heengedragen, hoe zal de zoon de wankelende oude vader vergezeld, hoe zullen de broeder, de vriend, de bloedverwant zich beijverd hebben, om hun stervende betrekkingen het aanzien van het teken mogelijk te maken! O, waren wij zo ijverig om elkaar heling te verschaffen voor de dodelijke schade, die de oude slang met haar beet ons berokkend heeft, en even zo arbeidende om de onzen tot Jezus Christus de gekruisigden te leiden! In latere tijden werd de koperen slang, die de Israëlieten als een blijvend gedenkteken van de hulp, die zij in de woestijn ondervonden hadden, mee naar Kanaän brachten, een afgodische ere met offeranden gegeven; men noemde haar Nehustan (d.i. koper); koning Hiskia liet haar verbrijzelen, om een einde aan die zonde te maken (2 Koningen. 18:4).
De aanbidding van Aesculapius (de god van de geneeskunde) onder de gedaante van een slang, heeft wellicht van hier haar oorsprong.
Volgens de menselijke wijsheid was het een dwaasheid, om door het zien op een koperen slang genezen te worden van de giftige slangenbeten; evenzo is het volgens de menselijke wijsheid nog immer een dwaasheid, om door het zien op een gekruisigde Christus behouden te worden voor de eeuwigheid.
III. Vs. 10-30.KruisverwijzingenRichteren 11:18→Numeri 22:36→Deuteronomium 2:18→Numeri 21:28→Deuteronomium 2:9→Deuteronomium 2:29→Deuteronomium 2:13→Jesaja 15:1→
— Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth. Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon. Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered. Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon, En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.) En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven. (Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte! Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana; En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth;
In volgorde worden nu de reisstations genoemd op welke Israël op zijn tocht om het Edomietengebergte aan de oostzijde, en het Moabietenland voorbij over de Arnon, door het zuidelijke rijk van de Amorieten heen, tot aan de berg Pisga aan het noordoostelijk einde van de Dode Zee teruggaat (vs.10-20); daarna volgt het bericht, hoe Mozes ook van de Amorieten, toen hij bij Arnon aan de grenzen van hun land stond, tevergeefs vrije doortocht gevraagd heeft, en nu op goddelijk bevel aan hun tegemoet trekkende koning Sihon, zijn hele gebied door het zwaard ontnomen heeft.
Toen vertrokken de kinderen van Israël van de legerplaats, waar de geschiedenis met de vurige slangen (vs.4-9) had plaatsgehad zij trokken voort aan de oostzijde van het gebergte van de Edomieten in noordelijke richting, en zij legerden zich, na het station Funon (hoofdstuk 33:41 vv.) 1) aangedaan te hebben, waar hun een vriendelijke behandeling van de zijde van de Edomieten ten deel viel (Deuteronomium. 2:29) 2) te Oboth (= zakken), wellicht zo genoemd, omdat zij, na zoveel gebrek, hier genoegzaam putten met water vonden.
De weg, welke de naar of van Mekka in Arabië trekkende karavanen, langs de oostzijde van het Edomietenland nog heden inslaan, loopt over een streek, die het woeste Arabië in het oosten van het bebouwde land, in het westen tot in het noorden aan de bronnen van de Jordaan van elkaar scheidt. Op deze streep land zijn de drie stations Zalmona, Funon en Oboth te zoeken; over de ligging van de eerste en de laatste kan niets met zekerheid gezegd worden. Van de tweede, Funon, bericht ons Hiëronymus, dat zij een plaats van bergwerken was, waarin misdadigers (ten tijde van de Christenvervolgingen ook de Christenen) gezonden werden; zij lag, naar de duistere opgaven te oordelen, noordoostelijk van Petra; enigszins zuidelijk daarvan lag de stad Maon (zie Jud 10.12 en zie 2Ch 26.7) in een wel rotsachtige, maar toch bebouwbare landstreek, welke abrikozen, perziken, druiven enz., van zeer goede soort oplevert, en in welke gronden vele voortreffelijke kruiden groeien; de pelgrims voorzien zich hier graag van levensmiddelen, terwijl de bewoners, wat zij niet zelf kweken van elders aanvoeren. Naar alle waarschijnlijkheid is het hetzelfde als Maon, dat bekend is door de wijsheid van zijn bewoners, die zich bijzonder in zinrijke zedespreuken openbaarde, het beroemde Theman (Jeremia. 49:7,20 Jesaja. 21:14), van waar misschien Elifaz, een van Jobs drie vrienden afkomstig was (Job 2:11). Hoewel tegelijk met Theman ook Dedan in het land van de Edomieten genoemd wordt (Jeremia. 25:23; 49:8 Ezech.25:13), zo lag dit toch niet in de onmiddellijke nabijheid; waarschijnlijk is daaronder het tegenwoordige Dhana, ten zuiden van Bozra bedoeld.
Dat de Edomieten zich thans, nu zij de kinderen van Israël aan de oostzijde van het gebergte zagen trekken, geheel anders dan vroeger jegens hen gedroegen, laat zich verklaren uit hetgeen (zie Nu 20.17) over de natuurlijke gesteldheid van hun land gezegd is; zij moesten nu voor Israëls overmacht vrezen en zochten voordeel van hen te trekken, door hun voor hoge prijs levensmiddelen te verkopen.
Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvels van Abarim 1) (= bergpassen), heden ten dage Kaloat el Massa genaamd, in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen de opgang van de zon, in de aan de oostelijkegrenzen van Moab zich uitbreidende woestijn (hoofdstuk 33:44).
HebreeuwsMydkuh yyeb = aan de puinhopen van Abarim. De Lutherse vertaling heeft: “te Jjim aan (het gebergte van) Abarim.
Thans waren de kinderen van Israël aan de grensscheiding tussen het land van de Edomieten en het gebied van de Moabieten aangekomen. Ook dit moesten zij oostelijk omgaan, daar aanwending van geweld zowel tegen de Moabieten, als tegen de Edomieten verboden was, (Deuteronomium. 2:2-9) en de vrije doortocht door hun land evenmin was toegestaan (Deuteronomium. 2:9 Richteren. 11:17); zij hielden zich dus, zoals zij tot hier toegedaan hadden, op de Karavanenstraat, die naar Damascus leidt, en welke zich hier aan de grensrivier el-Ahsy daarom zo ver oostelijk wendt, omdat de laatste in ene diepe smalle rotsbedding loopt, en slechts aan zijn oorsprong een geschikte overtocht toelaat. Het land van de Moabieten strekte zich toen nog niet uit tot aan de Arnon, de tegenwoordige Wady Modscheb, terwijl vóór de tijd van Mozes, de Moabieten gemeenschappelijk met de Ammonieten de gehele landstreek aan de oostelijke oever van de Jordaan tot aan de Jabbok in bezit gehad hadden, zij waren echter, niet lang vóór het terugkeren van Israël, in het land van het pelgrimschap van zijn vaderen, gedeeltelijk oostwaarts, gedeeltelijk westwaarts teruggedrongen. Dit hadden de Amorieten gedaan, een Kanaänitische volksstam, die ten tijde van Abraham, in de omstreken van Hebron en Hazezon-Thamar, op het gebergte van Juda en de zuidelijke afhelling daarvan woonde (Genesis 14:7,13 Numeri. 13:30 Deuteronomium. 1:7 vv.); kort geleden waren zij de Jordaan overgetrokken en hadden daar twee rijken, een noordelijk en een zuidelijk (zie Nu 21.30) gesticht. Zo waren de Moabieten nu tot op de hoge vlakte, die aan de Dode Zee tussen de Arnon en de Wady el-Ashy gelegen is, beperkt, terwijl de Ammonieten daarentegen meer noordelijk, ten oosten van het zuidelijk rijk van de Amorieten hun zetel hadden. Beide volken, de Ammonieten zowel als de Moabieten, behoorden door hun afkomst van Lot (Genesis 19:38) evenzeer tot Israëls broedervolken, als de Edomieten wegens hun afstamming van Ezau of Edom (Genesis 36). Zij hadden met de Amalekieten in het zuiden (Ex.17:8 vv.) en de uit Abrahams tweede huwelijk met Ketûra afstammende Midianieten (Genesis 25:1-6), wier woonplaatsen aan de andere zijde van die van de Moabieten, Edomieten en Ammonieten tegen het oosten lagen (zie Ex 2.15; Richteren. 6:1) de roeping van God ontvangen, om het volk, dat Hij verkoren had, tot verwezenlijking van Zijn genaderijke gedachten, als een ringmuur af te sluiten tegenover de naburige heidense volken, en te zijner tijd het in Israël rijpende heil, waarmee alle volkeren van de aarde zouden gezegend worden, aan deze te helpen brengen. Zij hebben geen van allen hun roeping verstaan, tegen de verplichtingen, die hun verwantschap met het volk van God hun oplegden, zich verzet, en aan de zegeningen, welke Israëls nabijheid hun had kunnen geven, zich moedwillig onttrokken. De Moabieten waren in het bijzonder reeds geheel in de afgodendienst weggezonken (zie over hun volksgod Kamoz, naar welke zij (vs.29) “volk van Kamoz” heten, Leviticus. 18:21); hoever zij later hun vijandschap tegen de kinderen van Israël dreven, blijkt uit het roepen van Bileam en de verleiding tot deelneming aan hun ontuchtige godsdienst (hoofdstuk 22-25)
Van daar reisden zij, in noordelijke richting zich naar het westen wendende, en legerden zich bij de beek Zered 1) (= prachtige bomengroei).
Volgens sommigen, Robinson, Ewald en Ritter, de Wady el Ahsy; volgens anderen, v. Raumer, Kurtz en Keil, de Wady Kereh, in de nabijheid van Katrane.
Van daar reisden zij, langs de Karavanenstraat verder naar het noorden voorwaarts trekkende, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon (= schuimend), welke in de woestijn is, uitgaande uit het gebied van de Amorieten; zij legerdenzich ter zijde van de Arnon, daar waar zij nog in de woestijn vloeit, en wel aan een van haar bijrivieren, waardoor zij door het gebied van de Amorieten heen en in de oostelijk daarvan gelegen woestijn voortloopt. Zo stonden zij thans aan de grensscheiding van een nieuw gebied, gereed om dit te betreden; want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. 1)
Hier, nu zij het gebied van de beide broedervolken Edom en Moab achter zich en in de Amorieten een volk voor zich hadden, dat zij niet meer behoefden te sparen, daar het behoorde tot de Kanaänieten, die God aan het gericht overgegeven en die zij uitdelgen moesten, verkregen zij van de Heere de aanwijzing (Deuteronomium. 2:24 vv.): “Maakt u op, reist heen en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in de strijd. Op deze dag zal Ik beginnen uw schrik en uw vrees te geven voor het aangezicht van de volken onder de gehele hemel; die uw gerucht zullen horen, zullen sidderen en bang zijn voor uw aangezicht”.
1) (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van de HEERE, van de oorlogen, die Israël, als een leger van de Heere gevoerd had (zie “Jozua 10.13): Tegen Waheb, (= wat hij deed), een Amoritische vesting, niet ver van Jahza (vs.23), in een wervelwind, en eveneens tegen de beken, de verschillende beken, die naarde Arnon 2) stromen.
Vs.14 en 15 bevatten een aanhaling uit het in vs.14 genoemd “boek van de oorlogen van de Heere,” een boek, dat een verzameling bevatte van liederen, waarin de grote daden van de Heere in de dagen van Mozes zijn bezongen. Voor ons is het verloren gegaan, zoals zovele boeken, waarvan in de Heilige Schrift hier en daar wordt melding gemaakt. Waarschijnlijk is de inhoud van deze verzen een gedeelte van het lied, dat vervaardigd werd, nadat de Heere de belofte, in Deuteronomium. 2:24 vermeld, had vervuld, nu de Israëlieten aan de grenzen van Moab waren gekomen.
Beter: Waheb in een wervelwind en de beken van de Arnon. d.i. Waheb neemt Jehova in een wervelwind en evenzo de beken van de Arnon. In vs.15 wordt dan verder vermeld, wat ingenomen of vernield werd.
En zo ook tegen de afloop van de beken, het dal waarin die beken zich verenigen, die zich naar de gelegenheid, naar de landstreek van Ar (= stad), Moab wendt, en leent, grenst aan het gebied van Moab. 1)
Waarschijnlijk is dit gedeelte aangehaald, ten bewijze dat in Mozes’ tijd, de grenzen van Moab zich niet verder uitstrekten dan tot de Arnon, hetgeen in later tijd betwist werd, toen men beweerde, dat de Israëlieten het land tussen de Arnon en de Jabbok niet aan de Amorieten, maar aan de Ammonieten en Moabieten ontweldigd hadden (Richteren. 11:13).
De Arnon ontstaat uit de vereniging van de Saïde, die niet ver van Katrane ontspringt in de Wady Ledschum, die van het noordoosten komt, en nog twee andere riviertjes in zich opneemt; daar waar beiden zich verenigen, vormt het dal schone groene weiden, in wier midden zich een heuvel verheft, waarop naar alle waarschijnlijkheid de stad Ar-Moab zal gelegen hebben Deut.3:12 Jozua. 13:16 ). Zij is door een aardbeving verwoest, waarover Hiëronymus (geb. 331 te Stridon tussen Dalmatië en Pannonië) bij Jesaja. 15 meldt, dat zij in zijn kinderjaren voorgevallen is; waarschijnlijk is zij dus de aardbeving van het jaar 342 vóór Christus, welke vele steden van het oosten, onder andere ook Nikomedië in Bithynië verwoestte. De rivier loopt naar de Dode Zee door een dal, dat smal en diep is, door zeer hoge en steile rotsen is ingesloten, en met vele steenblokken, die van boven neergevallen zijn, bedekt is; hierdoor is zij slechts op enkele plaatsen over te gaan; een reizend volk als de Israëlieten, kon dus niet anders dan aan het bovenste gedeelte overtrekken. Dit gebeurde zonder twijfel bij Kulat Balua; dicht hierbij aan de noordelijke zijde, ligt de Amoritische stad Kedemot, van welke plaats Mozes de boden (vs.21) tot de koning Sihon zond. Zij viel later de stam Ruben ten deel, en werd vervolgens tot ene Levietenstad gemaakt (Jozua 13:18; 21:37).
En van daar reisden zij, nadat de koning Sihon verslagen was (vs.23 vv.) naar Beër, (= put) Jesaja 15:8). Dit is de put waarvan de HEERE tot Mozes zei, toen het volk gebrek aan water had: Verzamel het volk, op de plaats, die Ik u wijzen zal, en laat het daar graven, zo zal Ik hun water geven, niet meer zoals vroeger (Exodus. 17:5 vv. Numeri. 20:8 vv.), door een eigenlijk wonder, maar terwijl zij zelf hun krachten inspannen en hun handen uitstrekken, daarom echter niet minder door Mijn trouwe zorg, waarmee Ik Mij aan hun vaderen verheerlijkt heb.
(Toen de gegraven put zijn water gaf en al het volk zich daaraan verkwikte, zong Israël tot verheerlijking van Gods genade dit lied, waarvan alleen de aanvang wordt meegedeeld, en dat waarschijnlijk in zijn geheel in het (vs.14) genoemde boek van de oorlogen van de Heere opgenomen is: Spring op, wel op, gij put! zingt daarvan bij beurte, in twee elkaar afwisselende koren (Exodus. 15:1).
Gij put, die de vorsten gegraven hebben, die de edelen van het volk gedolven hebben, door de wetgever 1) met hun staven (zie “Ge 49.10). En van de woestijn, die nog in het oosten van het gebied van de Amorieten gelegen is, reisden zij naar Mattana (= gift), de bron van Ledschum.
In het Hebreeuws Bimchokeek, niet door de wetgever, maar met de scepter. Onmiddellijk daarop volgt dan ook, met hun staven. Voor beide woorden staat hetzelfde voorzetsel. De zin van deze woorden is, dat die put gedolven is door de vorsten en de edelen van het volk, met Mozes aan het hoofd, met zijn scepter en met hun staven, nl. dat noch Mozes, noch de oudsten zich te hoog achtten, om op Gods bevel een put voor het volk te graven.
En van Mattana, langs de Ledschum, tot Nahaliël, 1) (= stromen van God), en van Nahaliël in noordoostelijke richting tot Bamoth (= hoge plaatsen), Baäl (hoofdstuk 22:41) op de berg Attarus.
Zo heet de Ledschum van daar af, waar zij de Balua heeft opgenomen, tot aan haar vereniging met de Saïde (zie Nu 21.15). Wanneer dit en het volgend station (hoofdstuk 33) een andere naam dragen (Nahaliël heet daar (Numeri. 33:46) Dibon Gad, Bamoth: Almon-Diblathaïm), zo is dit daaruit te verklaren, dat het grote leger van de kinderen van Israël, nu het zich in een bewoond met steden en dorpen bezet land bevond, zich over meerdere plaatsen uitbreidde; de legerplaats kan even zo goed naar het voorste (hoofdstuk 33) als naar het achterste einde genoemd worden, zoals hier gebeurt.
En 1) van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, het dal, dat in de vlakte westelijk van Madaba gelegen is, tot aan de hoogte van Pisga, 2)(= verdeelde rots), en dat tegen de wildernis ziet, dat over de steppen ziet, die zich aan de westelijke voet bevinden en zich tot aan het noorderstrand van de Dode Zee uitstrekken.
Of: En van Bamoth trokken zij naar het dal, dat in het veld van Moab is, op de hoogte van Pisga, en over de vlakte van de woestijn heen ziet. Hoogte van Pisga is dan een bijstelling bij het veld van Moab.
Deze wordt (hoofdstuk 33:47) met de meer algemenen naam, “de bergen Abarim” genoemd; wij hebben daaronder niet de Abarim-heuvels te verstaan (vs.11); hier is bedoeld (Abarim betekent: overgangen, en kan de naam van meer bergachtige streken geweest zijn) de gehele gebergterand van de Moabitische hoge vlakte, die in de naar de noordoostelijke oever van de Dode Zee zich uitstrekkende steppen afdaalt. Het noordelijkste gedeelte van deze bergrand, dat tegenover Jericho ligt, draagt meer in het bijzonder de naam van Pisga; op deze verheft zich de Nebo, die daarom nu eens als een berg van het gebergte Abarim, Deut.32:49) dan eens als een top van de Pisga Deut.34:1) vermeld staat.
Toen zond Israël, toen het zich nog aan de Arnon bevond (vs.13), van Kedemot (Deut.2:26) boden tot Sihon a) (= verdrijver), de koning van de Amorieten, zeggende, evenals vroeger tot de Edomieten en Moabieten (hoofdstuk 20:17):
Richteren. 11:19
Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden, wij zullen het water van de putten niet drinken, wij zullen op de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn. 1)
Hoewel Mozes geen uitdrukkelijk bevel van de Heere ontvangen had, om de Amorieten eveneens te sparen, wilde hij hen toch niet dadelijk gaan bevechten, maar eerst afwachten, hoe zij zich tegenover het volk van God zouden gedragen.
a) Doch Sihon liet Israël niet toe, door zijn gebied te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn krijgsvolk, en hij ging uit, Israël tegemoet naar de aan de zuidoostelijke zijde van zijn rijk gelegen woestijn, en hij kwam te Jahza (= ronde plaats) ten noordwesten van Mattana (vs.18), en streed tegen Israël, dat daarheen zijn krijgslieden tegen hem gezonden had (Deut.2:31 vv.).
Deuteronomium. 29:7 Jozua. 24:8 Richteren. 11:20
a) Maar Israël sloeg hem, met de scherpte van het zwaard zonder te sparen inhouwende (Genesis 34:26) en b) nam zijn land in erfelijke bezitting van de Arnon af tot de Jabbok (zie “Ge 32.22) toe c) tot aan de kinderen van Ammon, 1)die boven aan de rivier woonden: want het gebied van de kinderen van Ammon was sterk, 2) met de sterke vestingen bezet, zodat Sihon, toen hij in het land van de Moabieten binnenviel (vs.26), zijn veroveringen slechts tot hiertoe had kunnen voortzetten.
Deuteronomium. 2:33; 29:7 Jozua. 12:2; 24:8 Richteren. 11:21 b) Psalm. 135:11,12; 136:19 Amos 2:9 c) Deuteronomium. 2:37
Had God niet toegelaten, dat Israël het volk van Edom sloeg, als zeer na aan hun verwant; met het hele heidense volk van de Amorieten behoefden zij niemand te sparen. De Amorieten behoorden tot de Kanaänitische volken, wier zonden volkomen waren en die daarom rijp waren voor de dag van het gericht.
Het land van de Ammonieten heeft Israël niet veroverd, omdat dit niet behoorde tot het aan de vaderen beloofde erfland.
a) Alzo nam Israël al deze tussen de Jabbok en de Arnon aan deze zijde van het Ammorietenland gelegene steden in; en Israël woonde, 1) toen later het gehele aan de Amorieten ontnomen land aan de stammen Gad en Ruben door Mozes ten erfdeel was aangewezen (hoofdstuk 32), in al de steden van de Amorieten, te Hesbon (= list), en in al haar onderhorige plaatsen, in alle tot haar behorende kleinere steden (hoofdstuk 32:34-38 Jozua. 13:15-20).
Deuteronomium. 2:34,35
Dit wordt wederom bij wijze van voorverhaal meegedeeld, omdat dit wonen in het land van de Amorieten eerst plaatshad, na de verdeling van het Overjordaanse onder de stammen Ruben en Gad.
Want Hesbon, een aan het bovenste deel van de rivier Hesbon op een heuvel en in een vruchtbaar oord gelegen stad, was de residentiestad van Sihon, de koning van de Amorieten, en hij had niet lang vóór de hier meegedeelde gebeurtenis gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, de voorganger van Balak (hoofdstuk 22:2), en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon, al het land, dat hij aan de linkerzijde van de Jordaan en de Dode Zee bezat, zodat de Moabieten nog slechts de landstreek tussen Wady el-Ahsy en de Arnon in bezit hadden.
Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken, 1) doelende op de roemrijke overwinning over Sihon en de verovering van zijn steden: Komt, wanneer gij daartoe moed hebt, terug tot Hesbon, gij daaruit verdreven Amorieten; men bouwt en bevestigt de stad van Sihon, die wij, de kinderen van Israël, verwoest hebben. Gij zult dat niet ondernemen; uw stad is tot een puinhoop geworden; het is u vergolden, wat gij aan andere steden gedaan hebt.
In het Hebreeuws Hamscholim, de spreukendichters. De vertaling is dus juister: “Daarom zeggen de spreukendichters.” Wat zij zeiden of dichtten, wordt nu meegedeeld, of liever enkele gedeelten van het lied worden meegedeeld. Drie strofen, de eerste wordt weergegeven in vs.27b, 28, de tweede in vs.29, de derde in vs.30
Want er is een vernielend krijgsvuur uitgegaan uit Hesbon, toen gij, Amorieten, haar nog in bezit had en van daar uw veroveringstochten ondernam, een vlam uit de stad van Sihon, zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, tussen de Ledschum en Arnon (zie “Nu 21.15), en de heren, de burgers van de hoogte van de Arnon, allen, die langs de hoge oever van de Arnon wonen.
Wee u, Moab! 1) Gij volk van de afgod a) Kamoz, die gij dient (zie “Le 18.21”; Jer.48:7), gij zijt verloren; uw machteloze god kan u tegen deze vijand niet beschermen. Zoals het bij een zo slechte beschermgod liet verwachten, zo is het ook met het arme volk, dat geen betere helper kende, gegaan; hij,Kamoz, heeft zijn zonen, die ontliepen, die op de vlucht geslagen waren, en zijn dochters in de gevangenis geleverd, om voortaan dienstbaar te zijn aan Sihon, de koning van de Amorieten.
1 Kon.11:7,33
Hier wordt aan Moab reeds op dichterlijke wijze voorspeld, dat, waar het tegen Sihon niet bestand was, het nog zo veel te minder Israël weerstand zou kunnen bieden.
En, hoe groot ook Sihon met de zijnen was, wij hebben hen neergeveld; wij, de krijgsknechten van de Heere Zebaoth! Hesbon is verloren tot Dibon (= treurende) toe; en wij hebben hen verwoest noordelijk tot Nofat (= rukwind) toe (Richteren. 8:11), welke 1) tot Médeba (= water van rust), 5/4 uur zuidoostelijk van Hesbon, toereikt. 2)
In het Hebreeuws Ascher ad. De Statenvertaling geeft, welke tot Medéba toe reikt. De zin is dan echter mat. De LXX geeft: pur epi, d.i. met vuur tot Médeba. Dit geeft ook een betere zin. “De Zeventigen” hebben dus gelezen, alsof er stond de sa (Eesch ad). De laatste letter van dsa is dan een schrijffout, bij het overschrijven, erbij gevoegd.
Het gehele land aan de overzijde van de Jordaan, van Hermon in het noorden tot aan de grensrivier tegen Edom, de Wady el-Ahsy, wordt door de voornaamste rivieren, die dit gebied van het oosten naar het westen doorlopen, in verschillende landschappen verdeeld. Het eerste, van de grote Hermon tot aan de in de Bijbel niet genoemde Jasmuk of Hieromax zich uitstrekkende, verheft zich noordwestelijk tot een bergrug, die ongeveer 3000 voet hoog is en waarop men goed weiland en aanzienlijke eikenbossen vindt; zo wordt het ook in het oosten van de steppen van de Eufraat gescheiden door berghoogten, die nog hoger en met eikenbos bezet zijn; het overige bestaat uit een onafzienbare vlakte, die door enkele verhevenheden en door verscheidene afgeknotte kegels van basaltsteen doorsneden wordt. De basaltsteen is de enige, welke in deze landstreek gevonden wordt, en aan haar door zijn zwarte kleur een somber aanzien geeft, vooral daar hier elk boomgewas ontbreekt. Wegens gebrek aan hout, waren dan ook de huizen meestal tot aan het dak van stenen, zelfs bestonden daaruit de deuren, die zich op sterke hengsels bewogen; hierom en omdat de landstreek met steden en dorpen als bezaaid is, toonden zich de kinderen van Israël niet weinig verwonderd, toen zij na hun aangegeven tocht, door enkel kalkstreken, voor de eerste maal deze grond betraden, en hier steden met hoge muren en poorten, en zo vele vlekken zagen (Deut.3:5; 1 Kon.4:13), terwijl zij vroeger bijna alleen rotsholen als woningen gezien hadden. De grond heeft een rijk grasgewas en biedt voortreffelijke weiden voor schapen en kamelen aan; ook groeit er voortreffelijke tarwe en de gerst levert 50 tot 60-voud. De tweede landstreek strekt zich uit van Hieromax tot de Jabbok en is van de eerste geheel verschillend; daar uitgestrekt tafelland, hier heuvels en bergen; daar slechts enkele uitstekende hoogten, hier vast aaneengesloten rechte bergmassa’s; daar gebrek aan bomen en struiken, maar grote tarwevelden op vette basaltgrond, hier vrolijke bossen op verblindend witte Jurakalk, daar dorpen en steden die op hoogten gebouwd zijn, hier bijna geen woningen boven de aarde, maar talloze onderaardse holen, waar de mensen als Troglodyten leven. Dit heuvelland, waarvan de eiken en weiden met voortreffelijke ossen en schapen in het Oude Testament zo dikwijls vermeld worden, en dat wegens zijn bekoorlijkheid en vruchtbaarheid nog heden op de reizigers een zo grote indruk maakt dat zij het met de in natuurschoon rijkste landstreken in Europa (bijv. met het landschap Entre Munho et Duero in Portugal) gelijkstellen, vormt de voorgrond van het gebergte van Gilead, dat tot het derde landschap tussen de Jabbok en de Nahr (= rivier) Hesban behoort. De naam Gilead wordt in de boeken van Mozes nu eens in ruimere, dan eens in engere zin gebruikt; in ruimere zin omvat het ook de voorgrond van het gebergte aan de overzijde van de Jabbok, die thans Dschebel Adschlun heet (Genesis 31:21); in engere zin daarentegen betekent het de aan deze zijde van de Jabbok gelegen Dschebel Dschelaad, die zich in een breedte van 2« uur van het oosten naar het westen uitstrekt en in het westen zijn hoogtepunt bereikt in de berg Oscha. Deze berg is genoemd naar het graf van de profeet Hosea, dat zich op deze zou bevinden. Aan de noordelijke helling van de berg, wiens steile zijden vele terrassen hebben, en die met wijnbergen en olijfbergen beplant zijn lag Gilead, de stad “van werkers van de ongerechtigheid, betreden met bloed” (Hos.6:8). Aan de zuidelijke voet lag Ramoth Gilead, een vrijstad voor doodslagers Jozua 21:38); deze wordt nog heden door de bewoners voor heilig gehouden. Acht uur verder naar het zuidoosten vinden wij Rabbath Ammon, de trotse hoofdstad van de kinderen van Ammon; gedurende haar belegering beging David, die te Jeruzalem gebleven was, de echtbreuk met Batseba (2 Samuel 11). Het vierde landschap, dat zich van Hesbon tot aan de Arnon uitstrekt, is van een gelijk karakter, als de hoge vlakte tussen de Hermon en Hieromax, alleen is het hier kalkgrond, die echter hier en daar, voornamelijk aan de oevers van de Arnon van basalt doorsneden is, het is evenzeer zonder bomen, maar daarbij rijk in groene weiden, en levert een soort van tarwe op, die als buitengewoon rijk in korrels geschilderd wordt en met de zeven aren uit één halm, vol en dik, die farao in de droom zag (Genesis 41:5), overeenkomt. Met dit vierde landschap komt het vijfde tussen de Arnon en de Wady el Ahsv overeen; hier waren ten tijde van onze geschiedenis de Moabieten teruggedrongen, nadat zij vroeger een veel verder naar het noorden zich uitstrekkend gebied bezeten hadden. Tussen de beide juist genoemde grensrivieren, op tamelijk gelijke afstand van deze, vloeit de van de Arabim-heuvelen afkomende Sared, aan wier einde het stadje Zoar ligt, naar de zijde van de Dode Zee; van de overige steden van de Moabieten zijn bijzonder Ar-Moab, Rabbath-Moab en Kir-Moab te noemen.
De oorspronkelijke bewoners van het land ten oosten van de Jordaan waren de Refeërs, d.i. de hooggegroeiden, een door reusachtige lichaamsgedaante zich onderscheidende volksstam, overeenkomende met de kinderen van Enak aan de westzijde van de Dode Zee (hoofdstuk 13:29,33); zij behoorden naar alle waarschijnlijkheid tot de oorspronkelijke bevolking van het land, die van Semitische oorsprong was (zie Ge 14.18); zij waren in verscheidene geslachten verdeeld. Van deze bewoonden de Refeërs (in engere zin) de beide noordelijke landschappen over de Jabbok, de Susim (= paarden) of Samme Sunim, zoals de Ammonieten hen noemden, de landstreek tussen de Jabbok en de Arnon, de Enim (= de verschrikkelijken) de vlakte tussen de Arnon en de Sared. Toen de Moabieten, die meer nabij de Dode Zee bij Zoar en de Ammonieten, die noordoostelijk daarvan woonden in het gebergte, waar Lot, na het verlaten van Zoar, heenging (Genesis 19:30), hun heerschappij steeds verder uitbreidden, onderwierpen zij zich die reusachtige bewoners, en namen het land tot aan de Jabbok voor zichzelf in bezit; niet lang toch vóór de tijd, in welke wij met onze geschiedenis zijn, waren de Amorieten uit dat deel van het land, dat ten westen van de Jordaan ligt en dat later aan de stam van Juda ten deel viel, overgekomen; zij hadden, gelijk wij reeds boven (zie Nu 21.11) opmerkten, aan Ammonieten en Moabieten hun bezitting weer ontnomen en twee rijken gesticht. Het noordelijkste van deze had tot koning Og, een nakomeling van de Refaïten, die vroeger in deze streken gezeteld hadden (Deut.3:11). Het bevatte de landstreek Basan tussen de Hermon en de Jabbok, met de heide hoofdsteden Astharoth en Edréï (Deut.1:4 Jozua. 13:12); het zuidelijke was onder de koning Sihon, en had tot residentieplaats Hesbon, het strekte zich uit over het tussen de Jabbok en de Arnon gelegen district. Door deze veroveringen waren de Ammonieten naar het oosten, de Moabieten naar het zuiden teruggedrongen. Zo weinig echter waren de laatsten hun vroegere bezitting vergeten, dat de vlakte aan de Jordaan boven de Rode Zee, nog altijd het veld van Moab heette, dat zij dadelijk de kinderen van Israël, toen deze Sihon overwonnen hadden en hun tocht door diens land naar Pisga voortgezet hadden, nagingen; daarom voerde ook koning Balak later (hoofdstuk 22:41; 23:14,28) Bileam naar dezelfde plaatsen, waar Israël tevoren gelegerd was, eer het in de velden van Moab inging (hoofdstuk 31:19,20; 22:1).
IV. Vs. 31-35.KruisverwijzingenNumeri 32:1→Jeremia 48:32→Jozua 13:12→Numeri 32:35→Deuteronomium 29:7→Deuteronomium 1:4→Deuteronomium 3:1→Numeri 32:33→
— Alzo woonde Israel in het land van den Amoriet. Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting. Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei. De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.
Van het gebergte Pisga begint Mozes ook Og, de koning van het noordelijk rijk van de Amorieten, te bevechten, en verovert zijn land, Basan.
Alzo woonde Israël, nadat het Sihon overwonnen en zijn steden veroverd had (vs.22 vv.) in het land van de Amoriet, in de landstreek ten oosten van de Dode Zee (vs.20).
Daarna zond Mozes boden uit, om Jaëzer (= die Jehova helpt), twee mijl zuidoostelijk van Rabath Ammon, te verspieden; en zij, de krijgslieden, die de verspiedersvolgden, namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting, hij roeide de inwoners uit, en maakte vee en alle goederen tot zijn buit (Deut.3:6 vv.).
Toen wendden zij zich noordwaarts, en trokken op de weg van Basan (= zandgrond) naar de bovenste delen van het rijk aan de bronnen van de Hieromax of Jarmuk; a)en Og (= een voor), de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd in Edréï (= sterk), zijn tweede residentie, 2 of 3 mijl zuidoostelijk van Astaroth; hier ontmoette hij het Israëlitische krijgsleger, waarvan het overwinnend voortdringen hij bericht ontvangen had.
Deuteronomium. 3:1; 29:7
De HEERE nu zei tot Mozes, die, hoe wel niet zelf bij het leger tegenwoordig, toch de onderneming van het hoofdkwartier aan de berg Pisga uit (vs.31) met zijn gebed geleidde: Vrees hem met, want Ik heb hem inuw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en a) gij zult hem doen, zoals gij, Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt, namelijk de ban aan hem volbrengen, zoals Ik u ten opzichte van al de Kanaänitische volken geboden heb (Deut.2:34 vv. Exodus. 23:31 vv.; 34:11 vv. zie “Le 27.29).
Psalm. 136:20
En zij sloegen hem en zijn zonen, die met hem ten strijde waren uitgetrokken, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting, daar hun legers zich verdeelden en onder dappereaanvoerders de een in deze, de ander in die landstreek trokken (hoofdstuk 32:39 vv.).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel