Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WantG1063 het KoninkrijkG932 der hemelenG3772 isG1510 gelijk een heerG444 des huizesG3617, die met den morgenstondG260 uitgingG1831, om arbeidersG2040 te hurenG3409 in zijn wijngaardG290.
Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard.
KJV
For2
the kingdom5
of heaven7
is
like1
unto a man8
that is an householder,9
which10
went out11
early in the morning12
to hire14
labourers15
into16
his19
vineyard.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG1161 als hij metG1537 de arbeidersG2040 eens geworden was, voor een penningG1220 des daagsG2250, zondG649 hij hen heen inG1519 zijn wijngaardG290.
En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard.
KJV
And2
when he had agreed1
with3
the labourers5
for6
a penny7
a day,9
he sent10
them11
into12
his15
vineyard.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 uitgegaanG1831 zijnde omtrentG4012 de derdeG5154 ureG5610, zagG1492 hij anderen, ledigG692 staandeG2476 opG1722 de marktG58.
En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt.
KJV
And1
he went out2
about3
the third5
hour,6
and saw
others8
standing9
idle13
in10
the marketplace,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En hij zeideG2036 tot dezelve: Gaat ookG2532 gij heen inG1519 den wijngaardG290, en zoG1437 watG3739 rechtG1342 isG1510, zal ik uG4771 gevenG1325. En zij gingenG565.
En hij zeide tot dezelve: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.
KJV
And said
unto them;1
Go3
ye
also4
into6
the vineyard,8
and9
whatsoever10
is
right13
I will give14
you.
And18
they went their way.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WederomG3825 uitgegaanG1831 zijnde omtrentG4012 de zesdeG1623 enG2532 negendeG1766 ureG5610, deedG4160 hij desgelijks.
Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.
KJV
Again1
he went out2
about3
the sixth4
and5
ninth6
hour,7
and did8
likewise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En uitgegaanG1831 zijnde omtrentG4012 de elfdeG1734 ureG5610, vondG2147 hij anderen ledigG692 staandeG2476, en zeideG3004 tot henG846: WatG5101 staatG2476 gij hier den gehele dagG2250 ledigG692?
En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehele dag ledig?
KJV
And2
about1
the eleventh4
hour5
he went out,6
and found7
others8
standing9
idle,10
and11
saith12
unto them,13
Why14
stand ye16
here15
all17
the day19
idle?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zij zeidenG3004 tot hemG846: OmdatG3754 ons niemandG3762 gehuurdG3409 heeft. Hij zeideG3004 tot henG846: Gaat ookG2532 gijG4771 heen inG1519 den wijngaardG290, enG2532 zoG1437 watG3739 rechtG1342 isG1510, zult gij ontvangenG2983.
Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen.
KJV
They say1
unto him,2
Because3
no man4
hath hired6
us.
He saith7
unto them,8
Go9
ye
also10
into12
the vineyard;14
and15
whatsoever16
is
right,19
that shall ye receive.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Als het nuG1161 avondG3798 geworden wasG1096, zeideG3004 de heerG2962 des wijngaardsG290, tot zijn rentmeesterG2012: RoepG2564 de arbeidersG2040, en geefG591 hunG846 het loonG3408, beginnendeG756 vanG575 de laatstenG2078 tot de eerstenG4413.
Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.
KJV
So2
when even1
was come,3
the lord6
of the vineyard8
saith4
unto his11
steward,10
Call12
the labourers,14
and15
give16
them17
their hire,19
beginning20
from21
the last23
unto24
the first.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 als zij kwamenG2064, die ter elfderG1734 ureG5610 gehuurd waren, ontvingenG2983 zij ieder een penningG1220.
En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.
KJV
And1
when they came2
that were hired about4
the eleventh6
hour,7
they received8
every man9
a penny.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En de eerstenG4413 komendeG2064, meendenG3543, datG3754 zij meer ontvangenG2983 zouden; en zij zelven ontvingenG2983 ookG2532 elk een penningG1220.
En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning.
KJV
But2
when the first4
came,1
they supposed5
that6
they should have received8
more;
and9
they likewise11
received10
every man12
a penny.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG1161 dien ontvangenG2983 hebbende, murmureerdenG1111 zij tegenG2596 den heer des huizesG3617,
En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes,
KJV
And2
when they had received1
it, they murmured3
against4
the goodman of the house,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZeggendeG3004: DezeG3778 laatstenG2078 hebben maar eenG1520 uurG5610 gearbeidG4160, enG2532 gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den lastG922 des daagsG2250 enG2532 de hitteG2742 gedragenG941 hebben.
Zeggende: Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.
KJV
Saying,1
These3
last5
have wrought8
but one
hour,7
and9
thou hast made13
them12
equal10
unto us,
which4
have borne15
the burden17
and20
heat22
of the day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
DochG1161 hij, antwoordendeG611, zeideG2036 tot eenG1520 van henG846: VriendG2083! ik doe u geenG3756 onrechtG91; zijt gijG4771 niet met mij eens geworden voor een penningG1220?
Doch hij, antwoordende, zeide tot een van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning?
KJV
But2
he answered3
one5
of them,6
and said,
Friend,7
I do9
thee
no8
wrong:
didst13
not11
thou agree
with me
for a penny?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
NeemG142 het uwe en ga heen. Ik wilG2309 dezeG3778 laatstenG2078 ookG2532 gevenG1325, gelijk als uG4771.
Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, gelijk als u.
KJV
Take1
that thine3
is, and4
go thy way:5
I will6
give11
unto this
last,10
even13
as12
unto thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Of is het mij nietG3756 geoorloofdG1832, te doenG4160 metG1722 het mijneG1699, watG3739 ik wilG2309? Of is uw oogG3788 boosG4190, omdatG3754 ikG1473 goedG18 benG1510?
Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
KJV
Is it not2
lawful3
for me
to do5
what6
I will7
with8
mine own?10
Is
thine
eye13
evil,15
because17
I4
am16
good?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
AlzoG3779 zullen de laatstenG2078 de eerstenG4413 zijnG1510, en de eerstenG4413 de laatstenG2078; wantG1063 velenG4183 zijnG1510 geroepenG2822, maarG1161 weinigenG3641 uitverkorenG1588.
Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
KJV
So1
the last4
shall be
first,5
and6
the first8
last:9
for11
many10
be
called,13
but15
few14
chosen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 JezusG2424, opgaandeG305 naar JeruzalemG2414, namG3880 totG1519 Zich de twaalfG1427 discipelenG3101 alleen op de wegG3598, enG2532 zeideG2036 tot henG846:
En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zeide tot hen:
KJV
And1
Jesus4
going up2
to5
Jerusalem6
took7
the twelve9
disciples10
apart11
in13
the way,15
and16
said
unto them,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
ZietG3708, wij gaan op naar JeruzalemG2414, enG2532 de ZoonG5207 des mensenG444 zal den overpriesterenG749 enG2532 SchriftgeleerdenG1122 overgeleverdG3860 worden, enG2532 zij zullen Hem ter doodG2288 veroordelenG2632;
Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;
KJV
Behold,
we go up2
to3
Jerusalem;4
and5
the Son7
of man9
shall be betrayed10
unto the chief priests12
and13
unto the scribes,14
and15
they shall condemn16
him17
to death,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En zij zullen Hem den heidenenG1484 overleverenG3860, omG1519 Hem te bespottenG1702 enG2532 te geselenG3146, enG2532 te kruisigenG4717; enG2532 ten derdenG5154 dageG2250 zal Hij weder opstaanG450.
En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
KJV
And1
shall deliver2
him3
to the Gentiles5
to6
mock,8
and9
to scourge,10
and11
to crucify12
him: and13
the third15
day16
he shall rise again.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Toen kwam de moederG3384 der zonenG5207 van ZebedeusG2199 tot Hem metG3326 haar zonenG5207, HemG846 aanbiddendeG4352, enG2532 begerendeG154 wat van Hem.
Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeus tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem.
KJV
Then1
came2
to him3
the mother5
of Zebedee's8
children7
with9
her12
sons,11
worshipping13
him, and14
desiring15
a certain16
thing17
of him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En Hij zeide tot haar: WatG5101 wiltG2309 gijG4771? Zij zeide tot HemG846: ZegG2036, dat dezeG3778 mijn tweeG1417 zonenG5207 zittenG2523 mogen, de een tot Uw rechter-G1188 en de anderG1520 tot Uw linkerG2176 hand inG1722 Uw KoninkrijkG932.
En Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linker hand in Uw Koninkrijk.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
zeideG3004
KJV
And2
he said
unto her,4
What5
wilt thou?6
She saith3
unto him,8
Grant
that10
these12
my
two14
sons15
may sit,11
the one17
on18
thy
right hand,19
and21
the other22
on23
the left,24
in25
thy
kingdom.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
MaarG1161 JezusG2424 antwoorddeG611 en zeideG2036: Gijlieden weetG1492 nietG3756 wat gij begeertG154; kuntG1410 gij den drinkbekerG4221 drinkenG4095, dienG3739 IkG1473 drinkenG4095 zal, en met den doopG908 gedooptG907 worden, waarmede IkG1473 gedooptG907 worde? Zij zeidenG3004 tot Hem: Wij kunnen.
Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.
KJV
But2
Jesus4
answered1
and said,
Ye know7
not6
what8
ye ask.9
Are ye able10
to drink11
of the cup13
that14
I15
shall16
drink of,17
and18
to be baptized23
with the baptism20
that21
I22
am baptized with?24
They say5
unto him,26
We are able.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En Hij zeideG3004 tot henG846: Mijn drinkbekerG4221 zult gij wel drinkenG4095, en metG1537 den doopG908, waarmede IkG1473 gedooptG907 worde, zult gij gedooptG907 worden; maar het zittenG2523 tot Mijn rechter-G1188 en tot Mijn linkerG2176 hand staatG2076 bij MijG1473 nietG3756 te geven, maar het zal gegeven worden dienG3739 het bereidG2090 isG1510 vanG5259 Mijn VaderG3962.
En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
And1
he saith2
unto them,3
Ye shall drink8
indeed5
of my
cup,6
and9
be baptized14
with the baptism11
that12
I7
am baptized with:15
but17
to sit18
on19
my
right hand,20
and22
on23
my
left,24
is
not26
mine28
to give,29
but30
it shall be given to them for whom31
it is prepared32
of33
my
Father.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
EnG2532 als de andere tienG1176 dat hoordenG191, namen zij het zeer kwalijkG23 vanG4012 de tweeG1417 broedersG80.
En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders.
KJV
And1
when the ten4
heard2
it, they were moved with indignation5
against6
the two8
brethren.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En als JezusG2424 hen tot Zich geroepenG4341 had, zeideG2036 Hij: Gij weetG1492, datG3754 de overstenG758 der volkenG1484 heerschappij voerenG2634 over henG846, en de grotenG3173 gebruiken machtG2715 over henG846.
En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zeide Hij: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de groten gebruiken macht over hen.
KJV
But2
Jesus3
called4
them5
unto him, and said,
Ye know7
that8
the princes10
of the Gentiles12
exercise dominion over13
them,14
and15
they that are great17
exercise authority upon18
them.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Doch alzoG3779 zal het onderG1722 uG4771 nietG3756 zijn; maar zo wie onderG1722 uG4771 zal willenG2309 grootG3173 wordenG1096, die zijG1510 uw dienaarG1249;
Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;
KJV
But3
it shall
not1
be
so2
among5
you:
but7
whosoever8
will10
be14
great13
among11
you,
let him be
your
minister;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
EnG2532 zoG1437 wie onderG1722 uG4771 zal willenG2309 de eersteG4413 zijn, die zij uw dienstknechtG1401.
En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.
KJV
And1
whosoever2
will4
be
chief8
among5
you,
let him be
your
servant:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Gelijk de ZoonG5207 des mensenG444 nietG3756 is gekomenG2064 om gediendG1247 te worden, maarG235 om te dienenG1247, enG2532 Zijn zielG5590 te gevenG1325 tot een rantsoenG3083 voor velenG4183.
Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
KJV
Even as1
the Son3
of man5
came7
not6
to be ministered unto,8
but9
to minister,10
and11
to give12
his15
life14
a ransom16
for17
many.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
EnG2532 als zij vanG575 JerichoG2410 uitgingenG1607, is Hem een grote schareG3793 gevolgdG190.
En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd.
KJV
And1
as they3
departed2
from4
Jericho,5
a great9
multitude8
followed6
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
EnG2532 zietG3708, tweeG1417 blindenG5185, zittendeG2521 aan den wegG3598, als zij hoordenG191, datG3754 JezusG2424 voorbijgingG3855, riepenG2896, zeggendeG3004: HeereG2962, Gij ZoneG5207 DavidsG1138! ontfermG1653 U onzer.
En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer.
KJV
And,1
behold,
two3
blind men4
sitting5
by the way8
side,6
when they heard9
that10
Jesus11
passed by,12
cried out,13
saying,14
Have mercy15
on us,
O Lord,17
thou Son18
of David.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
EnG1161 de schareG3793 bestrafteG2008 henG846, opdatG2443 zij zwijgenG4623 zouden; maarG1161 zij riepenG2896 te meer, zeggendeG3004: OntfermG1653 U onzer, HeereG2962, Gij ZoneG5207 DavidsG1138!
En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!
KJV
And2
the multitude3
rebuked4
them,5
because6
they should hold their peace:7
but9
they cried11
the more,
saying,12
Have mercy13
on us,
O Lord,15
thou Son16
of David.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En JezusG2424, stil staandeG2476, riepG5455 henG846 enG2532 zeideG2036: WatG5101 wiltG2309 gijG4771, dat Ik u doeG4160?
En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe?
KJV
And1
Jesus4
stood still,2
and called5
them,6
and7
said,
What9
will ye10
that I shall do11
unto you?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Zij zeidenG3004 tot HemG846: HeereG2962! datG2443 onze ogenG3788 geopendG455 worden.
Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.
KJV
They say1
unto him,2
Lord,3
that4
our
eyes8
may be opened.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En JezusG2424, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheidG4697, raakteG680 hun ogenG3788 aan; en terstondG2112 werden hun ogenG3788 ziendeG308, en zij volgdenG190 Hem.
En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.
KJV
So2
Jesus4
had compassion1
on them, and touched5
their8
eyes:7
and9
immediately10
their12
eyes14
received sight,11
and15
they followed16
him.
het koninkrijk der hemelen
Hieruit blijkt dat deze gelijkenis door Christus bijgebracht wordt tot bevestiging van de spreuk in Matt. 19:30 , en ook in vs.16.
Hertaald:
het koninkrijk der hemelen
Hieruit blijkt dat Christus deze gelijkenis aanvoert ter bevestiging van de uitspraak in Matth. 19:30, en ook in vers 16.
heer des huizes,
Grieks, een mens, die een heer des huizes is.
Hertaald:
heer des huizes,
Grieks: een mens die een heer des huizes is.
penning des daags,
Grieks, denarias. Zie daarvan Matt. 18:28 ; Openb. 6:6 .
Hertaald:
penning des daags,
Grieks: denarius. Zie daarover Matth. 18:28; Openb. 6:6.
derde ure
De Joden verdeelden de dag in twaalf uren, gelijk te zien is Joh. 11:9 , zodat het uur van elf tot twaalf het laatste was van de dag en van de arbeid, en het derde met ons negende voor de middag overeenkwam.
Hertaald:
derde ure
De Joden verdeelden de dag in twaalf uren, zoals te zien is in Joh. 11:9. Zo was het uur van elf tot twaalf het laatste van de dag en van de arbeid, en het derde uur kwam overeen met ons negen uur in de ochtend.
rentmeester
Grieks, Epitropos; dat is, die de bediening of zorg had van zijn goederen, of die zorg had over het ontvangen en uitgeven van zijn inkomen.
Hertaald:
rentmeester
Grieks: epitropos; dat is: iemand die het beheer of de zorg over zijn goederen had, of die zorg droeg voor de ontvangsten en uitgaven van zijn inkomsten.
een penning
Hieruit blijkt dat het loon hiernamaals niet gegeven zal worden naar verdiensten; anders zouden deze laatsten minder hebben moeten ontvangen dan de eersten.
Hertaald:
een penning
Hieruit blijkt dat het loon hierna niet naar verdienste gegeven zal worden; anders hadden deze laatsten minder moeten ontvangen dan de eersten.
murmureerden
Hieruit volgt niet dat er ten laatste dage onder de gelovigen enige murmurering zal zijn, daar alle delen der gelijkenissen niet mogen toegepast worden; maar dit wordt hier gesteld om te tonen dat er alsdan geen oorzaak van murmureren zijn zal, overmits het loon gegeven zal worden uit Gods goedheid en naar genade, gelijk blijkt uit vs.15.
Hertaald:
murmureerden
Hieruit volgt niet dat er op de laatste dag onder de gelovigen enig gemor zal zijn, want niet alle onderdelen van een gelijkenis mogen toegepast worden. Dit staat er om te laten zien dat er dan geen reden tot morren zal zijn, aangezien het loon uit Gods goedheid en naar genade gegeven zal worden, zoals blijkt uit vers 15.
gearbeid,
Of, doorgebracht in de arbeid.
Hertaald:
gearbeid,
Of: doorgebracht in de arbeid.
Vriend,
Grieks, gezel.
Hertaald:
Vriend,
Grieks: makker.
boos,
Dat is, afgunstig, nijdig.
Hertaald:
boos,
Dat is: afgunstig, jaloers.
eersten zijn
Dat is als de eersten.
Hertaald:
eersten zijn
Dat is: als de eersten.
laatsten;
Dat is als de laatsten. Hiermede leert Christus dat niemand oorzaak heeft om te murmureren over de beloning, die namaals gegeven zal worden, al is het dat iemand meer gearbeid of langer God gediend heeft, overmits dezelve gegeven zal worden uit genade en naar de eeuwige verkiezing, gelijk Christus in de volgende woorden getuigt, als Hij zegt: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Anderen menen dat door de eersten verstaan worden die uit hun eigen werken willen gerechtvaardigd en zalig worden, hoedanig de jongeling was, waarvan in het voorgaande hoofdstuk gepsproken is; en door de laatsten degenen, die uit kracht der genadige verkiezing Gods de roeping ter zaligheid met een waarachtig geloof aannemen.
Hertaald:
laatsten;
Dat is: als de laatsten. Hiermee leert Christus dat niemand reden heeft om te morren over de beloning die hierna gegeven zal worden, ook al heeft iemand meer gearbeid of langer God gediend — aangezien die uit genade en naar de eeuwige verkiezing gegeven zal worden, zoals Christus in de volgende woorden getuigt: want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Anderen menen dat met de eersten zij bedoeld worden die uit hun eigen werken gerechtvaardigd en zalig willen worden, zoals de jongeman over wie in het vorige hoofdstuk gesproken is, en met de laatsten zij die door de kracht van Gods genadige verkiezing de roeping tot de zaligheid met een waar geloof aannemen.
moeder der zonen van Zebedeüs
Namelijk Salome, gelijk blijkt uit vergelijk van Matt. 27:56 met Marc. 15:40 .
Hertaald:
moeder der zonen van Zebedeüs
Namelijk Salome, zoals blijkt uit de vergelijking van Matth. 27:56 met Mark. 15:40.
zonen,
Namelijk Johannes en Jakobus; Matt. 10:2 en Marc. 10:35 .
Hertaald:
zonen,
Namelijk Johannes en Jakobus; Matth. 10:2 en Mark. 10:35.
zitten mogen
Dat is, dat zij de grootste of meeste na U mogen zijn. Een gelijkenis, genomen van koningen, die op hun troon zitten en degenen, die naast aan hen zijn, aan beide zijden naast hen plegen te zetten. Zie 1 Kon. 2:19 ; Ps. 45:10 en Ps. 110:1 .
Hertaald:
zitten mogen
Dat is: dat zij na U de grootsten of voornaamsten mogen zijn. Het is een vergelijking, ontleend aan koningen die op hun troon zitten en degenen die het dichtst bij hen staan aan weerszijden naast zich plegen te zetten. Zie 1 Kon. 2:19; Ps. 45:10 en Ps. 110:1.
weet niet
Want zij verstonden nog niet de staat des koninkrijks van Christus, en waartoe zij geroepen waren, niet om in de wereld te heersen, maar om te dienen en te lijden.
Hertaald:
weet niet
Want zij begrepen de aard van het Koninkrijk van Christus nog niet, en evenmin waartoe zij geroepen waren: niet om in de wereld te heersen, maar om te dienen en te lijden.
drinkbeker drinken,
Door de drinkbeker alsook door de doop verstaat Christus zwaar lijden, waardoor de mens als met een bittere drank gedrenkt en als met water overstort wordt, Ps. 75:9 ; Jes. 51:17 , Matt. 26:42 ; Luc. 12:50 .
Hertaald:
drinkbeker drinken,
Met de drinkbeker en ook met de doop bedoelt Christus zwaar lijden, waardoor de mens als met een bittere drank gedrenkt en als met water overstelpt wordt; Ps. 75:9; Jes. 51:17; Matth. 26:42; Luk. 12:50.
staat bij mij
Grieks, het is mijne niet. Namelijk in deze mijn nederige staat, en om zulke redenen als gij u inbeeldt; anders zal Christus namaals ook geven te zitten op zijn troon degenen die overwinnen, Openb. 3:21 . Of, dan wie het bereid is. Zie Marc. 10:40 .
Hertaald:
staat bij mij
Grieks: het is het Mijne niet; namelijk in deze nederige staat van Mij, en om zulke redenen als u zich inbeeldt. Overigens zal Christus hierna ook aan wie overwinnen geven met Hem op Zijn troon te zitten, Openb. 3:21. Of: dan voor wie het bereid is. Zie Mark. 10:40.
bereid is van mijn Vader
Dat is, van eeuwigheid verordineerd. Zie Matt. 25:34 .
Hertaald:
bereid is van mijn Vader
Dat is: van eeuwigheid verordend. Zie Matth. 25:34.
tien dat hoorden,
Namelijk apostelen.
Hertaald:
tien dat hoorden,
Namelijk apostelen.
volken
Anders, heidenen.
Hertaald:
volken
Anders: heidenen.
u niet zijn;
Namelijk mijn apostelen en alle anderen, die tot de dienst der kerk geroepen zullen worden, dewelken zulke wereldse wijze van heersen hier verboden wordt. Want anders zullen en mogen onder de Christenen ook koningen en heerschappijvoerders zijn; Ps. 2:10 , en Jes. 49:23 .
Hertaald:
u niet zijn;
Namelijk Mijn apostelen en alle anderen die tot de dienst van de kerk geroepen zullen worden; hun wordt zo'n wereldse manier van heersen hier verboden. Want overigens zullen en mogen er onder de christenen ook koningen en heersers zijn; Ps. 2:10 en Jes. 49:23.
ziel te geven tot
Dat is, leven. Of, zichzelven naar lichaam en ziel.
Hertaald:
ziel te geven tot
Dat is: Zijn leven. Of: Zichzelf naar lichaam en ziel.
rantsoen
Of, losgeld; hetgeen gegeven wordt tot lossing van degenen, die gevangen zitten.
Hertaald:
rantsoen
Of: losgeld; wat gegeven wordt tot vrijkoping van hen die gevangenzitten.
voor velen
Dat is, in plaats van velen, namelijk de uitverkoren kinderen Gods, om hen daarmede van de eeuwige dood te verlossen; Joh. 10:15 , en Joh. 11:52 , en Joh. 17:9 .
Hertaald:
voor velen
Dat is: in plaats van velen, namelijk de uitverkoren kinderen van God, om hen daarmee van de eeuwige dood te verlossen; Joh. 10:15, Joh. 11:52 en Joh. 17:9. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Mattheüs 13 bundelt zeven gelijkenissen over het Koninkrijk der hemelen: de zaaier, het onkruid onder de tarwe, het mosterdzaad, het zuurdeeg, de verborgen schat, de kostelijke perel en het net (Matt. 13:1-50). Christus spreekt tot de scharen "vele dingen door gelijkenissen" (Matt. 13:3), en op de vraag van de discipelen waarom, antwoordt Hij dat het hun gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk te weten, maar aan de scharen niet. Daarbij haalt Hij Jesaja aan over horen zonder verstaan (Matt. 13:10-15; Jes. 6:9-10). Van de eerste twee geeft Hij Zelf de uitlegging (Matt. 13:18-23,36-43). Het hoofdstuk merkt op dat Hij zonder gelijkenis niet tot hen sprak, opdat vervuld zou worden wat door de profeet gezegd is (Matt. 13:34-35; Ps. 78:2). Bijbelse betekenis: Een gelijkenis is geen versiering en ook geen vereenvoudiging. Zij werkt twee kanten uit: voor wie hoort ontsluit zij, voor wie niet wil horen sluit zij toe — precies wat Christus in Matt. 13:10-15 zegt. Daarom is het beeld altijd eenvoudig en de zaak nooit: iedereen in Galilea kende zaad, onkruid en netten, en juist daardoor kan niemand zeggen dat de zaak te hoog was. En de gelijkenis vraagt om een beslissing in plaats van om een verklaring: de schat en de perel worden gekocht, met alles wat men heeft. Typologie: Christus Zelf noemt de reden dat Hij zo spreekt een vervulling: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen, Ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld (Matt. 13:35, uit Ps. 78:2). Dat de verborgenheid nu geopend is, is in het Nieuwe Testament de kern van de zaak. God, Die gebood dat het licht uit de duisternis zou schijnen, heeft geschenen in onze harten tot verlichting van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Kor. 4:6). De natuurlijke mens begrijpt intussen de dingen die des Geestes Gods zijn niet (1 Kor. 2:14). De gelijkenis legt daarmee bloot wat een mens is voordat God hem opent. Matt. 13:1-52; Jes. 6:9-10; Ps. 78:2; 1 Kor. 2:14; 2 Kor. 4:6 Wanneer de zonen van Zebedeüs om de eerste plaatsen vragen en de anderen daarover verstoord worden, zet Christus de heerschappij van de volken tegenover de orde onder Zijn discipelen: wie de eerste wil zijn, moet aller dienstknecht zijn. En dan geeft Hij Zichzelf als de maatstaf, in het enige woord van Mattheüs dat de betekenis van Zijn dood uitdrukkelijk noemt: "Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen" (Matt. 20:25-28). Het woord is aan de losprijs ontleend, en veronderstelt dus een gevangenschap waaruit men niet op eigen kracht loskomt. Bijbelse betekenis: Het gewicht ligt op drie woorden. Geven — de prijs wordt niet gevorderd maar gebracht. Ziel — de prijs is niet iets dat Hij bezat maar Hijzelf. En voor velen: het rantsoen is niet in het algemeen gesteld maar in de plaats van bepaalde personen. Even opmerkelijk is het verband waarin de uitspraak staat: zij is geen leerstuk in een dogmatiek maar een terechtwijzing van eerzucht. Wie ruzie maakt over de eerste plaats, moet naar het kruis kijken. Typologie: Paulus zegt dat er één Middelaar is tussen God en de mensen, de Mens Christus Jezus, die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen (1 Tim. 2:5-6). Petrus wijst op de aard van de prijs: gij zijt niet verlost door zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van Christus als van een onbevlekt en onbestraffelijk Lam (1 Petr. 1:18-19). En Paulus leidt daaruit de eigendomsverhouding af: gij zijt niet van uzelf, want gij zijt duur gekocht (1 Kor. 6:19-20). Dit register beschrijft bij *Losser* (Lev. 25) het Oudtestamentische recht waarin dit beeld wortelt: de naaste bloedverwant die kon lossen wat verloren was. Matt. 20:25-28; 1 Kor. 6:19-20; 1 Tim. 2:5-6; 1 Petr. 1:18-19 De uitdrukking komt in Mattheüs ruim dertig maal voor en altijd uit Zijn eigen mond. Zij klinkt het eerst in armoede: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matt. 8:20). Zij klinkt in gezag: de Zoon des mensen heeft macht op de aarde de zonden te vergeven (Matt. 9:6), en Hij is een Heere ook van de sabbat (Matt. 12:8). Zij klinkt in het lijden: driemaal kondigt Hij aan dat de Zoon des mensen overgeleverd zal worden en ten derden dage opstaan (Matt. 17:22-23; 20:18-19). En zij klinkt in heerlijkheid: men zal Hem zien komen op de wolken des hemels, en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden (Matt. 24:30; 25:31-32). Bijbelse betekenis: De aanduiding is met opzet dubbelzinnig. In het gewone Aramees betekent zij niet meer dan "mens", en juist daarom kon Christus haar gebruiken zonder Zich vóór de tijd bloot te geven. Maar bij Daniël is zij een titel van hemelse waardigheid, en dáár grijpt Hij naar terug op het beslissende ogenblik. Voor de hogepriester zegt Hij onder ede dat men de Zoon des mensen zal zien zitten ter rechterhand der kracht en komen op de wolken des hemels (Matt. 26:64). Daarop volgt het vonnis. De laagheid en de hoogheid zitten dus in één woord. Typologie: Daniël zag in de nachtgezichten "Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon", en Hem werd heerschappij, eer en het koninkrijk gegeven, een eeuwige heerschappij die niet vergaan zal (Dan. 7:13-14). Stefanus ziet die Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods (Hand. 7:56). De Hebreeënbrief past Psalm 8 op Hem toe: wij zien nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn, maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond vanwege het lijden des doods (Hebr. 2:6-9). De weg van Matt. 8:20 naar Matt. 25:31 is dus geen omslag maar één weg. Matt. 8:20; Matt. 9:6; Matt. 12:8; Matt. 17:22-23; Matt. 20:18-19; Matt. 24:30; Matt. 25:31-32; Matt. 26:64; Dan. 7:13-14; Hand. 7:56; Hebr. 2:6-9 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Hij heeft zojuist voor de derde keer gezegd dat Hij in Jeruzalem overgeleverd, bespot, gegeseld en gekruisigd zal worden. En dan komt de moeder van Jakobus en Johannes met een verzoek over de zitplaatsen. Middenin een gesprek over rangorde valt de zin waarin Hij zegt waarvoor Hij gekomen is. **Het verzoek.** Twee plaatsen, links en rechts, in Zijn koninkrijk. Het is vlak na de derde aankondiging van het kruis; zij hebben dus gehoord wat Hij zei en denken aan de stoelen. **De tegenvraag.** “Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal?” Zij zeggen ja, zonder te weten wat zij zeggen. Die beker komt terug in de hof, waar Hij bidt of hij voorbij mag gaan. **De omkering.** De andere tien worden kwaad, en dan zet Hij de hele orde op zijn kop: bij de volken voeren de oversten heerschappij, en dan: “Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar.” Wie groot wil worden, is dienaar; wie eerste wil zijn, is dienstknecht. **En dan de grond eronder.** Er komt geen voorbeeld uit de geschiedenis en geen spreuk. Er komt een zin over Hemzelf: “Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.” **Wat daar staat.** De kanttekening pakt de twee woorden op die ertoe doen. Rantsoen is losgeld: hetgeen gegeven wordt tot lossing van wie gevangen zit. En voor velen betekent hier: in plaats van velen, om hen daarmee van de eeuwige dood te verlossen. Daarmee staat de hele verlossingslijn in één bijzin. Die lijn begint bij een volk dat zichzelf niet vrij kon kopen en met een sterke hand werd uitgeleid. Zij loopt door het recht van de losser, die terugkopen moest wat zijn familielid kwijt was, en er zelf voor betaalde. En zij loopt langs Psalm 49: niemand kan zijn broeder verlossen of Gode zijn rantsoen geven. Hier zegt Iemand dat Hij dat komt doen, en waarmee: niet met zilver, maar met Zijn ziel. **De volgorde blijft staan.** Hij zegt het niet als een leerstuk maar als afsluiting van een ruzie over ereplaatsen. Wie in dit koninkrijk hoog wil, moet weten hoe de Koning eraan gekomen is. In het Nieuwe Testament: Psalm 49:8-9; Jesaja 53:11-12; 1 Timotheüs 2:6; 1 Petrus 1:18-19; Mattheüs 26:39; Leviticus 25:25 Hoever dit reikt: Het woord rantsoen betekent losgeld; de kanttekening legt dat uit en verstaat voor velen als in plaats van velen. Over de vraag hoe ver die velen reiken wordt binnen de kerk verschillend gedacht; deze post volgt de bewoording en de uitleg van de kanttekening en gaat daar niet buiten.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Denk zoveel u wilt aan Golgotha — en dat behoort u ook te doen — en laat uw tranen stromen als rivieren. Maar ten slotte moet u die tranen afdrogen, want Christus is niet in het graf. En wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw slaaf zijn. (Mattheüs 20:27) Lees verder Ezechiël 34:1—24. Er zijn veel jonge Christenen die jaren geleden hebben door… Een preek gehouden op zondagmorgen 28 februari 1858, door C. H. Spurgeon in de Music Hall, Royal Surrey Gardens. De Zoon des mensen is niet gekomen om gediend… Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Mattheüs 20:28… Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Mattheüs 20:28… Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Mattheüs 20:28… Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Mattheüs 20:28… Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Mattheüs 20:28… Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Mattheüs 20:28… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Roep de arbeiders en geef hun het loon. Mattheus 20:8 God is een goede Betaalmeester; Hij beloont Zijn knechten zowel terwijl zij… Want het koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met de morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijn wijngaard . . . En uitgegaan… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Mattheüs 20
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een rantsoen voor velen — 20:20-28
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Groten dienen de kleinen
Bijzondere verzoening
Een Plaatsvervanger voor velen
In onze plaats
Hij gaf Zichzelf voor velen
De Zoon des mensen is gekomen om te dienen
Een rantsoen voor velen
De Zoon des mensen
U zult uw loon ontvangen
Vroeg en laat in de wijngaard


Mattheüs 20
Mattheüs 20:1-2.KruisverwijzingenMattheüs 13:24→Hooglied 8:11→Jesaja 5:1→Mattheüs 22:2→Mattheüs 13:33→Mattheüs 13:47→Mattheüs 9:37→Mattheüs 13:31→
— Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard.
“Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard.”
Het Koninkrijk der hemelen is geheel uit genade, en zo is ook de dienst die eraan verbonden is. Houd dat vast bij de uitleg van deze gelijkenis: de roeping tot het werk, de bekwaamheid ertoe en het loon ervoor rusten alle op genade en niet op verdienste.
Dit was geen gewone man. Zijn uitgaan om arbeiders in zijn wijngaard te huren ging niet op de gebruikelijke manier van mensen, want die willen een volle dag werk voor een vol dagloon. Deze heer des huizes dacht eerder aan de arbeiders dan aan zichzelf.
Hij was op voordat de dauw van het gras verdwenen was, vond arbeiders en zond hen naar de wijngaard. Het was een uitgelezen voorrecht om zo vroeg in de morgen met heilige dienst te mogen beginnen. Zij werden het met hem eens en gingen op zijn voorwaarden aan het werk.
Zij mochten tevreden zijn, want hun was een vol dagloon beloofd en zij zouden het zeker krijgen. Een penning per dag was het gewone en aanvaarde loon, het dagloon van een Romeins soldaat. De heer des huizes en de arbeiders werden het over het bedrag eens, en juist dat punt komt verderop terug.
Jonge gelovigen hebben een gezegend vooruitzicht. Zij mogen zich verheugen: goed werk, op een goede plaats, voor een goede Meester, en op goede voorwaarden.
Wie Christus dienen wijzen Hem nooit af. En al worden in deze gelijkenis sommigen voorgesteld als mensen die op hun loon aanmerking maken, de ware knechten van Christus doen dat niet. Hun enige bede is: ontsla mij van Uw dienst niet, Heere. Zij vinden het loon genoeg dat zij door mogen werken.
Dat is trouwens een van de manieren waarop wij ons loon onder de dag al ontvangen. Houden wij het ene gebod, dan geeft God ons genade om het volgende te houden. Doen wij de ene plicht, dan geeft God ons het voorrecht de volgende te doen. Zo worden wij goed betaald. Wij werken in het werk — wij zeggen niet: voor het werk, want wij zijn onnutte dienstknechten. En toch is er de penning per dag.
Mattheüs 20:3-4.Kruisverwijzingen1 Timotheüs 5:13→Hebreeën 6:12→Spreuken 19:15→Ezechiël 16:49→Handelingen 2:15→Mattheüs 11:16→Handelingen 17:17→Mattheüs 20:6→
— En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt. En hij zeide tot dezelve: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.
“En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt. En hij zeide tot dezelve: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.”
Hij haatte de ledigheid en het deed hem pijn dat hij anderen werkeloos op de markt zag staan. Daarom huurde hij omtrent de derde ure nog meer arbeiders. Zij zouden maar driekwart dag maken, maar het was goed voor hen dat zij ophielden met rondhangen op de straathoek.
Dit zijn de mensen wier kindsheid voorbij is maar die nog niet oud zijn. Zij hebben het voorrecht dat een goed deel van hun levensdag nog voor gewijde dienst beschikbaar is. Het was slecht voor hen daar te staan. Ledige mensen leren niets goeds in ledig gezelschap; bij elkaar ontsteken zij een vuur dat brandt als de vlammen van de hel.
Tegen hen zei de goede heer des huizes: “Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven.” Hij wees naar hen die al in het veld waren, en het woordje “ook” deed hier het werk. En hij beloofde hun geen vast bedrag, zoals hij de eersten gedaan had, maar wat recht was.
Zij gingen aan hun werk, want zij wilden geen leeglopers blijven. En als rechtgeaarde mannen konden zij geen twist maken over de afspraak van de heer des huizes om hun te geven wat recht was. Och, dat de mensen om ons heen die in hun opkomende manbaarheid zijn meteen hun gereedschap opnamen om de grote Heere te gaan dienen!
Let erop dat de eerste arbeiders een afspraak met de heer des huizes maakten. Hij werd het met hen eens voor een penning per dag en zond hen toen zijn wijngaard in. Zo scheen onze Heere tegen Petrus te zeggen: gaat u een overeenkomst sluiten over uw dienst, dan zal het u niet lonen. U zegt immers: wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden?
Die gezindheid deugt niet; Christus laat Zich niet door huurlingen dienen. Zodra de gedachte binnenkomt dat wij iets aan Zijn hand verdiend hebben, bederven wij heel onze dienst. En wie de eersten zouden kunnen zijn worden de laatsten zodra zij dat denkbeeld in het hoofd krijgen. Deze gelijkenis laat zien dat het zo is.
Mattheüs 20:5.KruisverwijzingenJohannes 11:9→Johannes 1:39→Lukas 23:44→Genesis 12:1→Hebreeën 11:24→Handelingen 10:9→Handelingen 3:1→Jozua 24:2→
— Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.
“Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.”
Was het enkel en alleen een zakelijke overeenkomst geweest, dan zou de heer des huizes gewacht hebben tot er een nieuwe dag begon. Hij zou nooit een vol dagloon geven voor een deel van een dag werk. De hele zaak was alleen uit genade.
Daarom riep hij, toen de halve dag voorbij was, omtrent de zesde ure nog arbeiders. Mannen van veertig en vijftig worden geroepen de wijngaard in te gaan. Ja, en omtrent de negende ure werden er nog mensen aangenomen: op hun zestigste roept de HEERE er velen door Zijn genade!
Het is verkeerd te beweren dat mensen na hun veertigste niet meer zalig worden. Wij weten wel beter en zouden voorbeelden kunnen noemen. God roept in de grootheid van Zijn liefde mensen in Zijn dienst bij wie de overvloed van bruikbare kracht al geweken is. Hij neemt de tanende uren van hun dag aan.
Hij heeft werk voor de zwakken zowel als voor de sterken. En Hij laat niemand voor Zich arbeiden zonder het loon van de genade, ook al hebben zij hun beste dagen in de zonde doorgebracht. Dit is geen aanmoediging om uit te stellen, maar het moet oude zondaars ertoe brengen de HEERE meteen te zoeken. Veel meer uit barmhartigheid dan om enig voordeel dat hij van hen krijgen kon riep hij hen binnen.
Mattheüs 20:6-7.KruisverwijzingenJohannes 9:4→Lukas 23:40→Handelingen 17:21→Spreuken 19:15→Hebreeën 6:12→Ezechiël 16:49→Prediker 9:10→Romeinen 10:14→
— En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehele dag ledig? Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen.
“En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehele dag ledig? Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen.”
De dag was bijna voorbij; er restte nog maar één uur. En toch ging hij omtrent de elfde ure nog uit. De milde heer des huizes was bereid nog meer werklieden aan te nemen en hun loon te geven, hoewel de zon onderging.
Hij vond een groepje dat bij de hoek van de leeglopers stond te dralen, werkeloos. Hij wilde de hele stad van luiaards schoonvegen, en dus zei hij tot hen: “Wat staat gij hier den gehele dag ledig?”
Zijn vraag laat zich lezen door elk woord om beurten nadruk te geven, en dan geeft zij een volheid van betekenis. Waárom bent u werkeloos? Wat hebt u eraan? Wat staat u híer werkeloos, waar iedereen bezig is? Wat staat u de gehele dág werkeloos — is een korter tijd niet genoeg? En wat staat u daar werkéloos? U hebt te werken, u kunt het, en u moest er meteen mee beginnen.
Waarom blijft iemand van ons tegenover God werkeloos? Heeft nog niets ons in gewijde dienst kunnen brengen? Durven wij te zeggen dat niemand ons gehuurd heeft? Bijna zeventig jaar oud en nog onbekeerd! Laten wij ons haasten. Het is tijd dat wij zonder uitstel gaan wieden en snoeien en iets voor onze Heere in Zijn wijngaard doen.
Wat anders dan rijke genade kon hem ertoe brengen de dralers van elf uur nog aan te nemen? Toch nodigt hij hen even ernstig als hen die in de morgen kwamen, en even zeker zal hij hun hun loon geven.
Mattheüs 20:8-9.KruisverwijzingenLeviticus 19:13→Deuteronomium 24:15→Mattheüs 20:2→1 Korinthe 4:1→Mattheüs 25:19→Genesis 39:4→Mattheüs 25:31→Lukas 10:7→
— Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.
“Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.”
Zo was de grote heer des huizes blij toen hij de markt van leeglopers leeggemaakt had. Van de vroege morgen tot zonsondergang had hij er zovelen binnengebracht die aan het werk konden zijn — en er gelukkig aan het werk waren.
Ik vraag mij af of hier iemand is die nog vroeg in de morgen van het leven staat en nog niet in de wijngaard gekomen is. Zo ja, dan roept de Meester u. Bent u in het midden van uw leven? Hebt u de zesde ure bereikt en bent u nog niet in Zijn dienst getreden? Dan roept de Meester u opnieuw. En bent u aan de elfde ure toe, afgeleefd, op uw staf leunend, voorovergebogen naar uw graf? Dan roept Hij u ook nu nog en gebiedt Hij u zelfs op dit late uur de wijngaard in te komen.
Want zielen die tot Christus komen, hoe laat het ook is, krijgen dezelfde blijdschap en dezelfde weergaloze en volmaakte vrede. Ja, zij krijgen dezelfde zaligheid als zij die kwamen toen zij nog jong waren. Het is waar dat zij veel dagen en veel uren van blijde dienst verloren hebben. Zij hebben de zon laten dalen en veel tijd verspild. Maar de Meester geeft hun toch hetzelfde leven vanbinnen, dezelfde aanneming tot kinderen in het gezin van God, dezelfde zegen.
Mattheüs 20:10-12.KruisverwijzingenJakobus 1:11→Lukas 12:55→Handelingen 11:2→Handelingen 13:45→Handelingen 22:21→Lukas 15:2→Judas 1:16→Lukas 19:7→
— En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning. En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes, Zeggende: Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.
“En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning. En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes, Zeggende: Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.”
Ziet u wel? Zij brachten hun aanspraak in op grond van verdienste, en dus kregen zij waarover zij afgedongen hadden, maar niet meer. Zij waren het eerst aangenomen, maar omdat zij de huurlingengeest hadden werden zij de laatsten.
Er zijn er onder ons die nu al in de wijngaard van Christus zijn sinds zij jongens waren. Maar wij moeten niet denken dat wij meer zullen of kunnen ontvangen dan zij die er pas binnengekomen zijn.
Ik heb mensen horen zeggen: kijk toch, deze mensen zijn pas bekeerd en zij zingen en juichen. En sommige ouderen die de HEERE al jaren volgen lijken niet half zoveel blijdschap te hebben. Nee, dat is waar. Het is het oude verhaal van de oudste zoon en de verloren zoon, opnieuw.
Maar laten wij dat niet eeuwig herhalen. Laten wij niet van de lijn van de vrije, rijke en soevereine genade afraken en gaan denken dat er in ons enige waardigheid, enige verdienste is. Och, broeders, ik wil graag genoeg aan de voeten zitten van het geringste kind van God, als ik maar in het gezin geduld word. Ik wil graag genoeg dezelfde zaligheid hebben die de stervende moordenaar ontving, al zag hij pas op het laatste ogenblik op Christus.
Mattheüs 20:13-16.KruisverwijzingenMattheüs 19:30→Mattheüs 26:50→Mattheüs 22:12→Deuteronomium 15:9→Mattheüs 6:23→Markus 7:22→Markus 10:31→Lukas 14:24→
— Doch hij, antwoordende, zeide tot een van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning? Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, gelijk als u. Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
“Doch hij, antwoordende, zeide tot een van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning? Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, gelijk als u. Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.”
God wil dat wij weten dat Hij, wanneer Hij met ons als Zijn knechten handelt, ons niets verplicht is. Verkiest Hij een loon te geven, dan is dat loon niet uit schuld maar uit Zijn soevereine genade.
Wij zijn gebonden Hem te dienen alleen al omdat Hij onze Schepper is, geheel los van enig loon. Wij moeten er dus niet over spreken met Hem op voet van beloning om te gaan. Dat is een te hoge toon voor ons, arme wormen, in de tegenwoordigheid van de almachtige God. Spreken wij toch zo, dan zal Hij ons spoedig op onze plaats zetten.
Het grote beginsel van de verkiezing in Gods soevereiniteit komt niet op één plaats naar boven maar op vele. God wil dat wij weten dat Híj Meester is. In het rijk van de genade ontfermt Hij Zich over wie Hij Zich ontfermen wil, en bij het uitdelen van die genade geeft Hij naar Zijn eigen welbehagen. Zodra wij beginnen te morren of aanspraken op te stellen, antwoordt Hij ons meteen: is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil?
Toch dringt die onevangelische geest zich telkens op, die inbeelding dat wij een soort aanspraak of recht hebben. Die moet streng onderdrukt worden. Het is uit genade — uit genade alleen; genade om mee te beginnen, genade om mee door te gaan, genade om mee te eindigen. Menselijke verdienste mag er nergens ook maar een vinger tussen krijgen. Waar is dan de roem, zegt de apostel? Hij is uitgesloten. De deur is voor zijn neus dichtgedaan.
Dienen u en ik God een lang leven lang, dan zullen wij in dat leven zeker veel gelukkiger zijn. Gelukkiger dan zij kunnen zijn die pas op het laatst tot Christus komen. Maar wat de evangeliezegen betreft die Christus geeft, is het dezelfde zaligheid die de pasgeboren christen geniet als die welke de meest gevorderde gelovige nu smaakt. Ieder krijgt de penning, en die draagt het beeld van de Koning zelf.
Mattheüs 20:17-19.KruisverwijzingenMattheüs 16:21→Markus 10:32→Mattheüs 27:1→Markus 15:16→Mattheüs 26:66→Handelingen 2:23→Mattheüs 27:27→Mattheüs 13:11→
— En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
“En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.”
Onze Heere besloot vastberaden naar Jeruzalem te gaan, ongeveer twee weken voor het Pascha, met het doel Gods Paaslam te worden. Jezus verliet Jeruzalem dikwijls wanneer Zijn leven gevaar liep, omdat Zijn ure nog niet gekomen was. Daarin gaf Hij ons het voorbeeld om ons niet moedwillig in gevaar te begeven en het ook niet met roekeloosheid te trotseren.
Maar nu Hij wist dat het uur van Zijn offer nabij was, aarzelde Hij niet en zocht Hij er niet aan te ontkomen. Vastbesloten ging Hij Zijn lijden en Zijn dood tegemoet.
Toen Hij op de weg naar Jeruzalem was, liep Hij vóór de kleine schare van Zijn discipelen uit. Zijn tred was zo krachtig en onverschrokken, en Zijn heldenmoed zo kalm en vastberaden, dat Zijn volgelingen met verbazing vervuld werden. Markus schrijft het zo: “En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd.”
Zij wisten uit Zijn eigen mond dat Hij het lijden en de dood tegemoet ging. En zij waren er uit hun eigen waarneming van overtuigd dat Hij op het punt stond de felste tegenstand te ontmoeten. Daarom stonden zij verbaasd over Zijn onversaagde moed en vroegen zij zich af wat Hem zo vastbesloten maakte.
Wij lezen ook dat zij bevreesd waren: enigszins voor zichzelf, maar bovenal voor Hém. Zou Zijn onverschrokkenheid niet uitlopen op een botsing met de overheid, en zouden er dan geen vreselijke dingen kunnen gebeuren, met Hem en met hen? Het was niet louter vreesachtigheid maar ontzag dat hen overviel, want Zijn houding was zo majesteitelijk en verheven.
Hij beschreef de verschrikkelijke dingen die Hem wachtten en die tot Zijn dood zouden leiden, toen Hij het Paaslam werd. En daarna zei Hij er ook bij dat Hij uit de doden zou opstaan. Dat mogen wij nooit vergeten, want Híj vergat het nooit. Hij is ten derden dage uit de doden opgestaan.
Mattheüs 20:20-21.KruisverwijzingenMattheüs 19:28→Mattheüs 4:21→Mattheüs 8:2→Mattheüs 27:56→Mattheüs 18:1→Psalmen 110:1→Esther 5:3→Markus 10:36→
— Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeus tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem. En Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linker hand in Uw Koninkrijk.
“Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeus tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem. En Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linker hand in Uw Koninkrijk.”
Dan komt daar, op het meest ongelegen ogenblik van de wereld, de moeder van de zonen van Zebedeüs met een eerzuchtig verzoek voor haar jongens. En dat terwijl Jezus sprak over bespot, gekruisigd en gedood worden.
Hij denkt aan een kruis en zij dromen van een kroon. Hij spreekt over bespot en ter dood gebracht worden, en zij hebben gedachten over koningschap en willen de eerste plaats in het komende koninkrijk.
Och, wat lijkt dat op onszelf. Onze Meester denkt erover hoe Hij Zich nog verder kan neerbuigen, en wij denken erover hoe de mensen ons behoren te achten en beter behoren te behandelen dan zij doen. Och, die zelfzucht die in ons is. Moge het voorbeeld van onze Meester haar helpen tegenhouden.
Mattheüs 20:22-24.KruisverwijzingenOpenbaring 1:9→Handelingen 12:2→Lukas 22:42→Johannes 18:11→Mattheüs 26:42→Mattheüs 25:34→Mattheüs 26:39→Markus 14:36→
— Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader. En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders.
“Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader. En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders.”
Daarmee lieten de tien zien dat zij precies zo waren als die twee. Want zij zeiden: kijk die twee nu, die Jakobus en Johannes, zij willen boven ons voorgetrokken worden; dat laten wij niet gebeuren. Bij ieder van hen leefde dezelfde gezindheid: eerzucht naar de eerste plaats in de eer.
Ach, vrienden, het gebeurt dikwijls dat wij anderen juist zo hevig veroordelen omdat wij in dezelfde zonde vallen. Ik twijfel er niet aan dat sommigen de paus haten omdat zij het wezen van het pausdom in zichzelf hebben.
Twee van hetzelfde vak worden het nooit eens. De ene mens is heel boos op de ander omdat die zo boos is; de een is heel verontwaardigd dat de ander zo hoogmoedig is. Híj is niet hoogmoedig… Hij is er trots op te zeggen dat hij nederig is, en juist daarmee bewijst hij hoe hoogmoedig hij is. Och, dat die balken uit onze eigen ogen weggenomen werden. Dan zouden wij de splinters in de ogen van onze broeders waarschijnlijk niet meer zien.
Mattheüs 20:29-30.KruisverwijzingenMarkus 10:46→Lukas 18:35→Mattheüs 22:42→Mattheüs 21:9→Mattheüs 9:27→Jesaja 42:16→Mattheüs 12:22→Psalmen 146:8→
— En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd. En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer.
“En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd. En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer.”
Op Jericho had een vloek gerust, maar de tegenwoordigheid van Jezus bracht er een zegen. Wij vermoeden dat Hij door Jericho moest gaan, zoals Hij eerder door Samaria moest gaan. Onze Heere vertrok van Jericho en een grote schare volgde Hem, want Zijn faam had zich wijd en zijd verbreid.
Er wordt niets opmerkelijks over Zijn doen vermeld totdat er twee bedelaars ten tonele komen. De barmhartigheid heeft ellende nodig om aanleiding te vinden te werken. Ziet, twee blinden zaten aan de weg. Zij konden Jezus niet zien, maar óns wordt gevraagd hén te zien.
Zij hadden een hoopvolle plaats ingenomen, aan de weg, want daar zouden zij goed nieuws horen en daar zouden zij door de meelijdenden gezien worden. Zij hadden oren, ook al hadden zij geen ogen, en zij gebruikten hun gehoor goed. Op hun vraag hoorden zij dat Jezus voorbijging. En omdat zij geloofden dat Hij hun het gezicht kon teruggeven, werden zij ernstig in het gebed: zij riepen.
Hun pleitgrond was medelijden: “ontferm U onzer”. Hun beroep gold het koninklijke hart van Jezus: “Heere, Gij Zone Davids!” De preek van onze Heere werd door het herhaalde geroep van deze twee blinde bedelaars van Jericho onderbroken. Maar dat mishaagde Hem nooit — en ware predikers van het evangelie zouden ook niet van hun stuk raken als sommigen van hun hoorders met eenzelfde vurigheid om zaligheid riepen.
Mattheüs 20:31.KruisverwijzingenMattheüs 19:13→Lukas 18:39→Lukas 18:1→Kolossenzen 4:2→Mattheüs 7:7→Lukas 11:8→Mattheüs 15:23→Genesis 32:25→
— En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!
“En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!”
De schare wilde Jezus horen, maar kon dat niet vanwege het geroep van de blinden. Daarom bestraften zij hen. Verweten zij hun onbeleefdheid, of lawaai, of een schrille toon, of zelfzucht omdat zij Jezus voor zich alleen wilden hebben? Wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok.
De mensen wilden dat zij zwegen, en zij vonden argumenten genoeg waarom dat moest. Dat ging heel goed voor wie hun vermogens nog bezaten. Maar mensen die hun gezicht verloren hebben zijn niet tot zwijgen te brengen wanneer er een gelegenheid is het terug te krijgen. En omdat die gelegenheid snel aan deze arme mannen voorbijging, werden zij heftig in hun ernst.
Door de dreigementen van de schare niet weerhouden, riepen zij des te meer. Sommige mensen worden door elke poging om hen terug te trekken juist vooruitgedreven. Zoeken wij de HEERE, dan doen wij er goed aan van elke hindernis een prikkel te maken. Wij kunnen bestraffing en afwijzing best verdragen wanneer het ons erom gaat barmhartigheid van Jezus te verkrijgen.
Onveranderd bleef de roep van de blinde bedelaars: “Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!” Zij hadden geen tijd om naar afwisseling van woorden te zoeken. Zij hadden gevraagd wat zij nodig hadden, in woorden die uit hun hart opsprongen, en zij herhaalden hun bede en hun pleitgrond — en dat was geen ijdel verhaal van woorden.
Mattheüs 20:32.KruisverwijzingenEzechiël 36:37→Filippenzen 4:6→Mattheüs 20:21→Handelingen 10:29→
— En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe?
“En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe?”
Jezus bleef staan. Op de stem van het gebed hield de Zon der gerechtigheid stil op Zijn weg. Gelovig roepen kan de Zoon van God bij de voeten grijpen.
Hij riep hen, en dat omdat zij Hém geroepen hadden. Wat een troost gaf die roep hun! Er staat niet dat zij tot Hem kwamen; dat hoeft ons ook niet verteld te worden. Zij lagen aan Zijn voeten zodra de woorden gesproken waren. Hoe treurig blind zijn zij die, duizendmaal door de stem van de barmhartigheid geroepen, toch weigeren te komen!
Onze Heere verlichtte het verstand zowel als de ogen, en daarom wilde Hij dat de blinden hun nood met inzicht zouden voelen en uitspreken. Hij stelt hun de persoonlijke vraag: “Wat wilt gij, dat Ik u doe?” Het is geen moeilijke vraag, en toch zou menigeen die onze samenkomsten bezoekt haar moeilijk kunnen beantwoorden. U zegt dat u zalig wilt worden: wat bedoelt u met die woorden?
Mattheüs 20:33.KruisverwijzingenEfeze 1:17→Psalmen 119:18→
— Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.
“Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.”
Juist zo. Zij hadden geen tijd nodig om zich te bedenken. Och, dat onze mensen even snel waren met de bede: Heere, dat onze ogen geopend worden! Zij gingen recht op de zaak af. Er is in hun uitleggende gebed geen woord te veel. Er was geen boek nodig en geen vast formulier; het verlangen kleedde zich in eenvoudige, natuurlijke en ernstige taal.
Mattheüs 20:34.Kruisverwijzingen1 Petrus 3:8→Mattheüs 14:14→Handelingen 26:18→Mattheüs 15:32→Psalmen 119:71→Psalmen 145:8→Hebreeën 4:15→Mattheüs 9:29→
— En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.
“En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.”
Omdat zij hun begeerte zo uitspraken en zo’n grote nood hadden, werd Jezus met innerlijke ontferming over hen bewogen. Hij had medelijden met hun eenzaamheid in het donker en met hun gemis aan vreugde. Hij had medelijden met hun onvermogen een ambacht uit te oefenen, en met de armoede die daarvan het gevolg was.
Hij raakte hun ogen aan. Wat waren dat voor handen, die zo’n nederige omgang met menselijk vlees aangingen en zulke daden van kracht deden! Meteen werden hun ogen ziende. Slechts een aanraking, en het licht kwam binnen. Tijd is voor de genezingen van Jezus niet nodig.
Het bewijs van hun gezicht kwam er meteen, want zij volgden Hem. Wij gebruiken ons geestelijk gezicht het best wanneer wij op Jezus zien en dicht op Zijn hielen blijven. Och, dat de lezer, als hij geestelijk blind is, om de aanraking van Jezus vraagt en die meteen ontvangt, want dan zal hij op hetzelfde ogenblik ziende worden.
Een innerlijk licht zal in een oogwenk over de ziel opgaan, en de geestelijke wereld zal voor het verlichte verstand zichtbaar worden. De Zone Davids leeft nog, en Hij opent nog steeds de ogen van blinden. Hij hoort nog het ootmoedige gebed van wie hun blindheid en hun armoede kennen. Vreest de lezer dat ook hij geestelijk blind is, laat hij dan op ditzelfde ogenblik tot de HEERE roepen. Dan zal hij zien wat hij zien zal, en dan zal hij voor eeuwig de hand zegenen die de ogen van zijn ziel het gezicht gaf.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-16.KruisverwijzingenMattheüs 13:24→Hooglied 8:11→1 Timotheüs 5:13→Johannes 9:4→Jesaja 5:1→Mattheüs 22:2→Mattheüs 13:33→Mattheüs 13:47→
— Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard. En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt. En hij zeide tot dezelve: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen. Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks. En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehele dag ledig? Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen. Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning. En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning.
De Heere sluit Zijn werkzaamheid in Perea evenals die in Galilea (Hoofdstuk 18: 23 vv. ) met een gelijkenis voor de discipelen; en evenals nu die van de boze dienstknecht aanleiding had gehad in een vraag van Petrus, zo staat ook die van de arbeiders in de wijngaard met een vraag van dezelfde apostel in onmiddellijk verband; evenals die andere, zo wordt ook deze gelijkenis alleen door Mattheüs verteld. Zij behoort wat de uitlegging aangaat tot de moeilijkste, die de mond van Jezus gesproken heeft, maar juist de verschillende proeven van uitlegging, waartoe zij aanleiding geeft en waardoor zo vele waarheden voor de godzaligheid aan de dag komen, geven het sprekend bewijs, dat een gelijkenis van Christus een goed geslepen edelsteen is, die zijn licht naar verscheidene kanten laat glinsteren.
EVANGELIE OP DE ZONDAG SEPTUAGESIMA
Nog twee Zondagen en wij treden de heilige lijdenstijd van het jaar in; naar hun latijnse naam (Septuagesimae en Sexagesimae) te oordelen, behoren zij reeds tot de lijdensweken en tellen van Pasen af terug (vgl. de aanm. over de Zondag Invocavit in Uit 4: 1), evenals men de jaren van de oude geschiedenis van Christus’ geboorte af terugtelt; de inhoud van hun Evangeliën echter en de daarin besloten zondagsgedachte plaatst ze aan het slot van de Epiphaniëntijd en neemt het vervolg van het leerambt van Christus in twee gelijkenissen naar twee kanten heen onder een algemeen overzicht samen, terwijl de Zondag Septuagesima het rijk van God als een zaak van de goddelijke genade voorstelt, maar de Zondag Sexagesimae de hindernissen, die het in ons hart vindt, optelt. Zo vormen dan de beide Zondagen een dubbele brug uit de kersttijd tot de paastijd van het jaar en uit de profetische arbeid van Christus tot Zijn hogepriesterlijk werk.
De heilige profeet Jezus Christus wil, dat Zijn profetisch werk voortgezet en Zijn woord aan alle mensen gebracht wordt; daarom heeft Hij van het begin af arbeiders geroepen, die in Zijn kracht Zijn profetisch werk moeten voortzetten.
Wanneer een mensenleven ten einde is, is het niet alsof er nu een licht uitgeblust was, maar het zal zijn, alsof er zaad uitgestrooid is en onder de grond gebracht en toegedekt, waaruit een vrucht moet opgroeien. Het zal zijn, alsof een week afgelegd was met haar moeite en plagen, alsof de zaterdag ingeluid en de zondag voor de deur was, dat men zich over de opbrengst van de week, over de zegen van de arbeid van de werkdag verheugen mag; het moet, wanneer een mensenleven ten einde is, zijn, alsof een hevige strijd ingetreden en daarmee de vrede bevochten is, de vrede met al zijn goederen en vreugde en de mens, die sterft, zal niet zeggen: “met mij is het nu uit en ten einde, ” maar slechts: “ik ben gereed, het zaad is uitgestrooid, het werk volbracht, de strijd gestreden, nu mag in Gods naam het verdere komen. ” Om echter aan het einde van zijn leven dit te kunnen zeggen, moet men zich gedurende zijn leven vlijtig voorgehouden hebben dat men met het leven een doel te bereiken en een plicht te verruilen heeft; dan komt de vraag vanzelf, hoe men het doel bereiken en de plicht vervullen zal. Ons Evangelie zegt ons: God trekt Zich de mensen aan. Hij wil niet, dat het menselijk leven een werkeloos aanzijn is, waaraan de dood vroeger of later een einde maakt, een gedachteloos schemeren door de morgen en middag van het leven, totdat eindelijk de schaduw van de dood komt; maar dat het een voortdurend werken van de mens is aan hetgeen hem tijdelijk en eeuwig tot heil moet zijn. Daarom geeft de Heere ons een roeping; en wat wij nu te doen hebben, opdat Gods bedoeling met ons bereikt wordt, is vervat in 3 regels: 1) wanneer God u roept, hoor Hem; 2) wanneer God u neemt, die Hem; 3) wanneer God u geeft, dank Hem.
Door een aan het menselijk leven ontleende gelijkenis wil Ik u duidelijk maken, wat Ik zo-even in Hoofdst. 19: 30 met betrekking tot de uitdeling van loon aan diegenen, die Mij gediend hebben, gezegd heb: Want het koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, het isin dit opzicht met het koninkrijk der hemelen evenals met een menselijke heer des huizes of grondbezitter, die, als veld en tuin en berg bebouwd wordt, met de morgenstond, wanneer het dagwerk beginnen zou, d. i, vroeg om zes uur, uitging, uit zijn huis naar de markt, waar diegenen zich gewoonlijk bevinden, die op een gelegenheid wachten om hunbrood te verdienen; zijn doel was om arbeiders te huren in zijn wijngaard, waarvoor hij werkzame handen nodig had tot het ontginnen van de grond zowel als voor het snoeien en bewaren van de wijnstok (Jes. 5: 6).
Geen soort van veldarbeid is zo vermoeiend als die in de wijngaard; maar ook geen vrucht is zo kostelijk als die van de wijnstok; daarom heeft de Heere het werk van Zijn dienaren meer dan eens met het werk in de wijngaard vergeleken. Zij moeten op onbeschrijfelijk veel moeite en zorg zijn bedacht, maar aan het einde zal het gevolg en het loon kostelijk zijn.
De wijnbouw werd in geheel Palestina beoefend, niet alleen bij Hebron en Engedi (Num. 13: 24, Hoogl. 1: 14), maar ook bij Sichem aan de Karmel, in de landstreek bij Jizreël (Richt. 9: 27, 2 Kron. 26: 10, 1 Kon 1 Kon. 21: 1 , aan de Libanon (Hoogl. 8: 11. Hos. 14: 8) en aan de andere kant van de Jordaan (Jes. 16: 8 vv. Jer. 48: 32 vv. ). Hij maakte een zeer belangrijke tak van de Israëlitische landbouw uit, terwijl de ranken zich door hun grootte en sterkte en de druiven zich door zoetheid onderscheiden. De wijnbergen of wijngaarden werden op heuvels en bergen aangelegd, terwijl men de grond omgroef en uitholde, van stenen reinigde, met een muur tegen het wegspoelen van de grond door het bergwater en met hekken tegen de verwoesting door vossen, jakhalzen, geiten en hazen beschermde, ook een wachttoren bouwde, een kelder in de rots uithieuw en goede ranken plantte, eindelijk de groei en de vruchtbaarheid probeerde te bevorderen en verhogen door het snoeien van de ranken met het snoeimes en een herhaald uithollen van de grond.
Meteen bij zijn eerste uitgaan boden er zich aan om voor hem te werken, gedurende al de werkuren van de dag. En toen hij met de arbeiders eens geworden was voor een dagpenning 30: 13″), een denarie, het gewone daggeld in die tijden (Openbaring . 6: 6), zond hij hen heen in zijn wijngaard en verwachtte vlijtige arbeid van hen, waaraan het dan ook niet ontbrak (vs. 12).
Men sluit zichzelf dadelijk de weg tot het juiste inzien in de zin en de bedoeling van de gelijkenis, wanneer men bij degenen, die de heer des huizes voor een penning huurde, met het grootste gedeelte van de uitleggers loondienaars wil zien, die de Heere hier de les wil lezen. Men meent dat Jezus tegenover deze diegenen stelt, die in de wijngaard gaan alleen op de toezegging. “Ik zal u geven wat juist is, alsof deze alle aanspraak hadden laten varen en naar hun mening voor niet gediend. De laatsten wordt echter evengoed loon beloofd als de eersten, maar het is niet het volle dagloon, waarop zij kunnen rekenen, maar alleen een loon naar mate van de werktijd. Dat is het wat boven hun verwachting en boven de klank van de woorden van de hen gegeven toezegging is. Onder die arbeiders hebben wij de discipelen van de Heere, de twaalf apostelen te verstaan. Dadelijk op de morgen van de dag van het Nieuwe Testament zijn deze geroepen tot dienaars van God in Zijn wijnberg; nu geeft de Heere hun te kennen, die geheel bijzondere, voor alle tijden beslissende dienst zij Hem en Zijn Vader in de hemel moeten geven en van hoeveel betekenis het is geweest, dat zij omwille van Hem alles hebben verlaten en Hem nagevolgd zijn, nu reeds, nu slechts weinigen Zijn heerlijkheid zagen en opmerkten dat het hemelrijk een aanvang nam. Omdat Hij op hun vraag: “wat zal het loon zijn?” de toezeggingen in Hoofdst. 19: 28 en 29 heeft gegeven, is door Zijn mond de Vader in de hemel als Heer van de wijnberg het met hen eens geworden voor één penning als loon. Het contract is nu als het ware gesloten; het gehele volle loon, dat God moet uitbetalen, is hen beloofd. Hen komt beide toe, zowel het in vs. 28 gezegde van het zitten op tronen en het richten van de twaalf geslachten van Israël, als dat, wat in vs. 29 aan allen zonder onderscheid voor deze en de volgende wereld beloofd is, aan allen, die in het vervolg verlaten huizen of broeders enz. Nu moeten echter de twaalf die gehele betaling niet als een prerogatief voor zich beschouwen, als een voorrang, waaraan geen van de arbeiders, die later worden geroepen tot de wijnberg van God deel mogen nemen. Zij mogen de loonzuchtige gedachte niet koesteren, als moest iets buitengewoons en bijzonders voor hen blijven en zo bepaald voor hen alleen bewaard blijven, dat, wanneer het in vs. 28 genoemde ook anderen nog ten deel werd, er iets nieuws, nog groters moest worden bedacht om hun diensten op buitengewone manier te belonen. Zo – dit wil de Heere verder zeggen – zal het gebeuren, dat andere, later geroepen arbeiders hetzelfde volle loon als de twaalf zullen ontvangen ook ten opzichte van hetgeen waarvan in Hoofdstuk 19: 28 sprake is. Wettige aanspraak hebben deze weliswaar alleen op de algemeen geldende belofte in Hoofdstuk die wordt voorgesteld met de woorden: “ik zal u geven wat juist is; ” maar de heer van de wijnberg heeft macht om met het zijne te doen wat hij wil en zal aan enige laatsten geven evenals aan de eersten.
Een penning, een zilveren muntstuk, omstreeks de waarde van een schelling; maar het schijnt in het Nieuwe Testament ook de onbepaalde betekenis te hebben van een stuk geld. Nu is in het Oosten de Denari een gouden munt.
En toen hij uitging na een verloop van drie uren, toen hij kon verwachten dat intussen nieuwe arbeidslieden, die werk zochten, zich op de markt zouden bevinden, omtrent het derde uur, ongeveer 9 uur voor de middag), zag hij ook werkelijk anderen, staande op de markt, aan wie die dag nog niemand werk had aangeboden.
En hij zei tot hen, omdat zij geen recht meer hadden op het volle dagloon, omdat reeds een vierde gedeelte van de dag voorbij was: Gaat u ook heen in de wijngaard evenals de eerst gehuurden (vs. 2) en wat juist is zal ik u geven. En zij, tevreden met de toezegging van 3/4 penning, gingen.
Toen hij weer uitging omtrent het zesde en daarna weer omtrent het negende uur, ‘s middags 12 en ‘s middags 3 uur, deed hij zo ook, terwijl hij ook op die beide uren de gehuurden toezegde hen te geven, wat billijk was, de ene 1/2, de anderen 1/4 penning op het minst.
En toen hij uitging voor de vijfde keer, omtrent het elfde uur, ‘s middags om 5 uur, zonder er zich aan te storen, dat er nog slechts één uur kon worden gearbeid, vond hij anderen doelloos staan en zei tot hen: Wat staat u hierde hele dag zonder werk (vs. 3, 5), want de dag is zo goed als voorbij. Hij zei dit niet om verwijten te doen, maar om hun te laten voelen het bedroevende van hun toestand en daarna tevens des te meer, hoe vriendelijk hij was, dat hij hen nog aanbood een uur te werken.
Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft, wij hadden anders graag gewerkt. Hij zei tot hen: Gaat ook u heen in de wijngaard, evenals de anderen die vroeger in mijn dienst traden en wat juist is zult u ontvangen.
“Niet de genade van een groot apostel, van een Paulus of Petrus, maar alleen die, die de moordenaar ontvangen heeft, begeer ik. ” Zo heeft een beroemd man op zijn grafsteen laten zetten. Dat is dan ook het gevoel van alle ware dienaars van Christus, die sinds de tijden van de apostelen in de wijngaard van God arbeiden. Het apostolische ambt op aarde komt hen zo groot voor, dat zij met hun eigen werk en hun roeping nooit daaraan nabij komen en het loon van de apostelen in de hemel komt hen zo buitengewoon voor, dat zij hun graag de voorrang laten en zich in de meer algemene belofte in Hoofdstuk 19: 29 verheugen. Daarbij hebben wij een aanwijzing hoe het opgemerkte over de op het derde, zesde, negende en elfde uur gehuurden ten opzichte van hun gedrag moet worden opgevat. De dag waarvan de uren hier worden geteld, is de tijd van het optreden van Christus tot aan Zijn heerschappij in het duizendjarig rijk en de uren zelf zijn de verschillende trappen in de geschiedenis van de ontwikkeling van het Godsrijk gedurende die tijdsruimte. In het bijzonder hebben wij ons oog te vestigen op degenen, die op het elfde uur gehuurd zijn. Van de kant van Israël zijn het diegenen, die bij de bekering van dit volk en bij het verrichten van zijn zendingsroeping een soort van apostolische werkzaamheid zullen ontvouwen; van de kant van de Christelijke volken uit de heidenen zijn het diegenen, die geroepen zijn om tegen de Antichrist te getuigen en het aannemen van zijn kenteken tegen te houden. Deze allen komen bij de betaling van het loon in de volgende verzen aan de beurt. Zij ontvangen ook hun penning d. i. het volle dagloon en wat dat betekent blijkt uit Openb. 20: 4 vv. Er is tot hiertoe nog veel strijd over de ware bedoeling van de Openbaring van Johannes, maar juist daarom ook over de ware uitlegging van onze gelijkenis. Met behulp van dat profetisch boek moet men beproeven de mogelijkheden van deze gelijkenis weg te nemen en hierin een heenwijzen vervat zien op degenen, die deel hebben aan de eerste opstanding en aan de heerlijkheid van het millennium (duizendjarig rijk).
Toen het avond geworden was met het begin van het twaalfde uur, of naar onze berekening zes uur was, zei de heer van de wijngaard tot zijn rentmeester, die over al zijn goederen was gesteld: Roep de arbeiders en geef hen hetloon, dat ik hen heb toegedacht, beginnende met de betaling van de laatsten (vs. 6) tot de eersten (vs. 2); want deze moeten zien, wat de laatsten ten deel wordt, om zo gelegenheid te hebben het gevoel van hun hart te openbaren.
En toen zij kwamen, die op het elfde uur gehuurd en naar de wijngaard gezonden waren, ontvingen zij ieder een penning, niet het gedeelte van het dagloon, waarop zijaanspraak hadden, maar het volle.
En de eersten die kwamen meenden, dat zij meer ontvangen zouden dan een penning; en zij zelf ontvangen ook elk een penning evenals de laatst gekomenen.
En die ontvangen hadden van de rentmeester mopperden tegen de heer des huizes, wiens plaats de rentmeester innam en wilden aanvankelijk het loon niet aannemen.
Zij zeiden: Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid van 5-6 uur en u heeft ze ons gelijk gemaakt, die de last van de dag en de hitte gedragen hebben, de hele dag van ‘s morgens 6 tot ‘s avonds 6 hebben gearbeid.
Maar hij, de heer des huizes, antwoordende door de mond van zijn vertegenwoordiger, die met zijn volmacht was bekleed en geheel in zijn naam handelde, zei tot een van hen, die het woord deed (dit doelt waarschijnlijk op Petrus, Hoofdstuk 19: 28): Vriend, ik doe u geen onrecht, wanneer ik u niet meer geef dan u nu ontvangt (vs. 10). Bent u niet met mij eens geworden voor een penning? Wat geeft u dan recht om meer dan dat te eisen?
Neem zonder verdere weigering hetgeen volgens het recht van onze overeenkomst het uwe is en ga heen naar uw huis. Maar ik wil volgens mijn recht, dat uw zaak niet is, deze laatsten ook geven zoals als u, namelijk een penning.
a) Of zou in die handelwijze een schaduw van onrecht zijn tegenover u? Bedenk: is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil? Of wanneer ik nu mijn macht gebruik om aan iemand te doen boven alle aanspraak enverwachting, is uw oog dan boos, ziet u dan naar die met het boze oog van nijd en afgunst heen, omdat ik goed ben? Moest u zich niet verheugen, dat hij door mijn goedheid met u gelijk gesteld is geworden?
Rom. 9: 21.
De Heere heeft met dit gedeelte van de gelijkenis volstrekt niet willen zeggen, dat er op de dag van de vergelding, op het uur van de uitdeling van het loon werkelijk zo’n morren zal plaats hebben van degenen, die eerst geroepen zijn; integendeel opdat het dan niet zou plaats hebben en ook niet een spoor van bevlektheid, niet een hovaardig en ijverzuchtig gemoed de Zijnen uit deze wereld in de andere vergezelt, heeft Hij ze nu reeds voor het aangezicht van de heer des huizes gesteld en de toekomende beslissing in het tegenwoordige verplaatst. In het licht van de toekomst zal het hen mogelijk worden alle donkere, duistere plaatsen van hun hart te ontdekken en zich geheel door de Geest van God te laten doordringen en zich tot kinderen van het licht te laten vormen. In de vraag van Petrus (Hoofdstuk 19: 27) lag een zeker aanspraak maken en Jezus had dit met een rijke belofte beantwoord; maar er lag ook een zekere mate van hoogmoedige vergelijking met anderen in, want Petrus dacht, toen de rijke jongeling heenging, omdat hij van zijn goederen niet kon scheiden: “Dan hebben wij apostelen toch anders gehandeld”. Hij drukte deze gedachte uit in de woorden: “Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd” (in tegenstelling van zulke mensen zoals deze jongeling er een is). Toen moest de Heere, nadat Hij hen gezegd had, wat hun voor het verlaten van hun betrekkingen en voor hun navolging ten deel zou worden, ook zeggen, in welke gezindheid van het hart het hen alleen mogelijk was om hun verheven plaats in te nemen; en Hij doet het in deze gelijkenis, die de verborgen onreinheid naar buiten drijft en die tot een zichtbaar gezwel vormt, maar ook de geneesheer met het mes ernaast plaatst, om de genezende operatie te doen. Intussen heeft de Heere met Zijn gelijkenis nog wel wat anders in de gedachte; terwijl Hij juist thans aan het einde van Zijn werkzaamheid ook in Perea was en juist op het punt was om naar Judea tot Zijn lijden en sterven te gaan (Hoofdstuk 20: 17 vv. ). Toen kwam Hem in het beeld van de rijke jongeling die Hem verlaten had en die Hij toch beminde, het volk van Zijn eigendom voor de geest, waarvan het grootste gedeelte Hem ook verlaten had en zich een lange tijd geheel van Hem zou afwenden en dat Hij desalniettemin in stille liefde toegedaan wilde blijven, om van tijd tot tijd enige zielen uit dat volk toe te brengen en ter elfder ure nog een grotere buit daarvan te behalen (Openbaring . 7: 1-8). In de gemeente van de honderdvierenveertig duizend te Zion (Openbaring . 14: 1-5) zal Hij zeker ook eens Zijn twaalf hebben en aan deze zal ook de belofte, die Hij aan de twaalf gegeven heeft in Hoofdstuk 19: 28, vervuld worden, de belofte van het zitten op twaalf tronen en het richten van de twaalf geslachten van Israël – waarom is er anders in Openbaring . 4: 4 van 24 stoelen sprake en van 24 oudsten op die stoelen? Petrus en zijn medediscipelen zullen het vooruit weten, dat in de voleinding van de tijden, kort vóór het aanbreken van de avond, de kring van de apostelen nog eens zal voorkomen; in deze kring van de apostelen zal men ook alles verlaten en Hem navolgen, ja zij zullen als maagden zijn, die zich om het koninkrijk der hemelen van het huwelijk onthouden hebben (Hoofdstuk 19: 12), maar evenwel zal men niet vragen: “wat zal ons dan geworden?” zodat in hun mond ook in dat opzicht geen valsheid gevonden zal worden en zij het Lam volgen, waar het heengaat (Openbaring . 14: 4 vv). Dat deze ook elk een penning ontvangen, waarop zij niet gerekend hebben, daaraan moeten de tegenwoordige apostelen nu reeds denken (zonder twijfel is het niet alleen een uitlating of afkorting, dat er in vs. 9 vv. slechts van diegenen, die ter elfder ure in dienst gekomen en dadelijk genomen waren, maar van de anderen geen sprake geweest, alsof ook zij ieder een penning ontvangen). Zij moeten nu hun hart reinigen van alle ijverzucht, opdat u eenmaal onstraffelijk bevonden zullen worden voor Gods troon (Openbaring . 14: 5).
a) Zo, zoals in deze gelijkenis de laatst gehuurden met de eersten weer zijn gelijkgesteld, zullen ook in het koninkrijk der hemelen de laatsten de eersten Zijn. Er zal geen onderscheid zijn van loon tussen de enen en de anderen, naardat men vroeger of later in de dienst van God is ingetreden. En aan de andere kant, om de zin in Hoofdstuk 19: 30 ook in zijn eerste helft weer op te nemen, zullen ten opzichte van degenen, als één in uw midden zich bevindt (Joh. 6: 70 v. ) de eersten de laatsten zijn, zodat zij geheel verworpen worden. Want, wat in ruimere zin van de koningszoon waar is (Hoofdstuk 22: 14), dat is in het bijzonder ook waar van de roeping tot het apostelschap en het verkrijgen van het loon, dat beloofd is aan degenen, die dat bedienen. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren, evenals dat vroeger over de apostelen gesproken woord van de eersten en laatsten ook van toepassing is op andere personen en omstandigheden (Luk. 13: 30).
Mark. 10: 31.
Wij hebben de gelijkenis eerst in zijn naaste door de samenhang duidelijk voorgestelde zin proberen te vatten; in deze zin is zij zeker voor de praktische behandeling weinig geschikt, omdat de gezichtspunten, die daarbij voorkomen, voor de gemeente verborgen zijn (Isa 65: 25); de gelijkenis is echter zo, dat zij een geheel veelzijdige toepassing op al de Christelijke waarheden toelaat en wij geven nu uit dat gebied genoeg stof tot eigenlijke stichting. De wijngaard is het rijk van God, de heer des huizes is de Heere, de arbeiders zijn wij. Jezus onderscheidt nu de mensen in de wijngaard zeer duidelijk van de mensen buiten die; de anderen noemt Hij arbeiders, deze lediggangers. Daarom moeten wij het aldus verstaan: elk werk, dat niet indirecht of onmiddellijk voor het rijk van God gebeurt, is volkomen gelijk te achten aan de lediggang en zonder aanspraak op beloning. Een scherp maar waar woord, want wij zijn hier voor het rijk van God; daarvoor heeft ons God geschapen, bestemd, geroepen, verlost – kortom alles, wat Hij aan en voor ons gedaan heeft, is ten behoeve van dat rijk. Werken wij nu niet voor het rijk van God, dan zijn wij daarvoor leeg, hoe hetzij wij ook anders mogen zijn; al werken wij van de morgen tot aan de avond in het zweet van ons aangezicht, al gunnen wij ons daarbij geen rust. Wij hebben dan bij al ons werk slechts ons aards voordeel, zingenot of ijdele roem op het oog, dan zijn wij lediggangers, op het sterfbed helpen ons alle verworven lauweren, alle gebouwde huizen en paleizen, alle rijkbezette tafels, alle schitterende titels en orden, alle sieraad en liefhebberij, kunst en wetenschap niets; ons leven was een verloren en nutteloos bestaan. Slechts wanneer wij wedergeborene kinderen van God zijn en wanneer wij de zaligheid van het rijk van Christus bij ervaring kennen, alles willen opofferen, woord en voorbeeld, oog en mond, hand en voet, om voor de Heere zielen te winnen en onszelf zalig te maken en degenen, die ons horen, slechts dan zijn wij arbeiders. O, hoeveel lediggangers zijn er naar dit woord van de Heere in de wereld! Bij duizenden staan zij op alle straten, kopen en verkopen, verliezen en winnen, spelen dan eens met bonte stenen evenals de kinderen, of liggen traag evenals de bedelaars in de zon. Hun hand naar iedere penning voor hun onderhoud of voor hun verstrooiing uitstrekkend, bekommeren zij zich om enkel vreemde, vergankelijke dingen en verzuimen daardoor de belangrijkste aangelegenheden, hun heiliging en bekering. Tot miljoenen komt de roepstem van God tevergeefs: “Wat staat u hier de hele dag doelloos? Ga ook u heen in de wijngaard en wat juist is zult u ontvangen.”
De Heere vergelijkt de mensen, zolang zij het doel van hun leven niet kennen, met mensen die doelloos op de markt staan; zij zien het gewoel mee aan, nemen aan wat het toeval hen geeft, zij kennen de ernst van het leven niet en wanneer de levenstijd voorbij is, was hij geheel verloren en heeft hen niets nagelaten dan de zekerheid, dat hij weg is en niet terugkeert. Daar wendt Zich nu God tot de mensen en roept hen, evenals de heer des huizes de luie, onnuttige dienstknechten op de markt. Hij roept hen tot Zich en roept hen in Zijn wijngaard, d. i. in Zijn rijk, daar zullen zij eerst werk en dan loon vinden. Deze roepstem van Hem komt in de verschillende tijdperken van het leven. Allereerst in de morgenstond, in de kindsheid en in deze tijd dringt die roepstem schijnbaar het gemakkelijkst in het hart; het hart van het kind is nog niet verhard en het leven in de ijdelheid van deze wereld is nog niet tot een tweede natuur geworden; het kind hoort met vreugde van de Heiland en van Zijn hemel; er komt geen twijfel op dat zijn Heiland het goed met Hem meent en dat het in de hemel goed is om te wonen. Wel hem, die reeds als kind zijn hart aan God geeft en Zijn roepstem hoort en wel het kind, voor wie door de leer en het voorbeeld van de ouders dit besluit gemakkelijk wordt. De roepstem komt weer in het derde uur d. i. in de tijd van de jeugd. Wilt u Mij dienen? vraagt God aan de jongeling en de maagd. U heeft toch reeds, u jongelingen en maagden, hoe jong u ook bent, voorbeelden genoeg gehad, wat het is één God niet te dienen en zijn leven te verbeuzelen; u heeft zo menigeen vroeger of later ten offer zien worden aan bittere ellende en knagend berouw, die zo graag nog eens wilde zijn, wat u bent, maar voor wie niets overblijft, dan nu te oogsten wat hij gezaaid heeft. De roepstem komt terug in het zesde en negende ure; ook tot u, huisvaders en huismoeders, geeft God menige roepstem: de jeugd is voorbij en alle verontschuldigingen van haar lichtzinnigheid en onervarenheid baten niet meer, niet alleen uw eigen zielen, maar ook de zielen van uw kinderen, ja van al uw huisgenoten heeft u op uw geweten – was het geen tijd om te zeggen: “Ik en mijn huis, wij willen de Heere dienen?” Merkt u het niet, dat een leven, dat geen doel in de eeuwigheid heeft, steeds armer en leger wordt? Dat de dagen en jaren beginnen zo snel daarheen te vliegen, dat de verwachtingen, die op dit leven gebouwd zijn, de ene voor de andere na dromen worden, die geen spoor van werkelijkheid achterlaten? Meent u niet dat het tijd is om ernstiger te worden? De tijd, die reeds voorbij is, kent u: hoeveel tijd er nog komt weet u niet. Wanneer u soms een walging en tegenzin heeft aan het ijdele, lege gewoel en een gevoel van berouw en een gevoel van verlangen u vervult, dat uw hart iets beters en vasters heeft – dat is alles een roepstem van God; hoor Hem! En Zijn roepstem duurt nog langer; Hij komt nog tot zelfs op het elfde uur – één uur, voor het einde van de dag. Hoor naar Hem, ouden! Ach, menigeen heeft grijze haren en is zijn Heer en God nog nooit tot iets nut geweest. God heeft hem gedurende zijn gehele leven met getrouwe handen gedragen, maar hij heeft Hem niet gediend. God heeft hem vaak met de roede getuchtigd, maar hij heeft God niet gediend, Hij heeft de hele dag doelloos gestaan, de leden zijn krachteloos geworden en het hart koud. – Wil God die nog in Zijn rijk hebben? Ook die nog, eer het twaalfde uur daar is! Wanneer hij het woord, dat hij zo lang veracht heeft, nu nog ter harte neemt, wanneer hij nu nog tracht om met een boetvaardig, gelovig hart zijn God tot eer vrucht te dragen, dan roept God hem en zegt: “Wat juist is, zult u ontvangen”, Maar wanneer het 12de uur geslagen is, wanneer uw levensweg geëindigd is, komt geen roepstem meer en doet geen deur zich meer tot het rijk van God open.
Geen mens is zo hoog en zal zo hoog komen, die niet zou hoeven te vrezen om de allerminste te worden; weer, niemand is zo diep gevallen of kan zo diep vallen, van wie het niet te hopen is, dat hij de hoogste kan worden, omdat hier alle verdienste opgeheven en alleen Gods goedheid geprezen wordt. Daarmee, dat de Heere zegt: “de eerste zal de laatste zijn”, ontneemt Hij u alle vermetelheid en verbiedt Hij u, u boven uw medezondaren te verheffen, al was u ook zoals Abraham, David, Petrus of Paulus; maar omdat Hij zegt: “de laatste zal de eerste zijn”, behoedt Hij u voor wanhoop en verbiedt Hij u, u onder de macht van enige heilige te stellen, al was u ook Pilatus en Herodes, Sodom en Gomorra.
“Help mij, dat ik mag wandelen, alsof ik hier door een vroom leven de schatten van de hemel kon verwerven maar wil mij daarbij een geloof geven, dat mijn verdiensten voor niets en U voor alles houdt; ” dit was een schone en juist edele gedachte, die een voornaam staatsminister jaren geleden in een geestelijk gedicht over de keuze van de genade heeft laten vloeien; mij dunkt, zij geeft het tegenwoordige Evangelie, dat door zoveel uitleggingen tamelijk verduisterd is geworden, een nieuw en liefelijk licht.
Over de juiste zin van de arbeiders in de dienst van de Heere, kunnen wij twee regels aan onze geschiedenis ontlenen: 1) ga ijverig aan het werk, alsof u alles moest verdienen; 2) neem ootmoedig uw loon, alsof u niets verdiend had. Ga ijverig aan het werk; vrees geen moeite en verlies geen tijd; neem ootmoedig uw loon; neem het nederig voor God en zonder nijd tegenover uw broeders.
“Velen zijn geroepenen, maar weinigen uitverkorenen”, d. i. velen zijn tot de dienst van het Godsrijk genodigd, maar weinigen kwijten zich van hun roeping zo, dat zij de naam van uitgelezenen dragen.
I. Vs. 17-19.KruisverwijzingenMattheüs 16:21→Markus 10:32→Mattheüs 27:1→Markus 15:16→Mattheüs 26:66→Handelingen 2:23→Mattheüs 27:27→Mattheüs 13:11→
— En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
Op de achtste vóór de groenen donderdag (den 7de Nisan naar de Joodse kalender) rijst onder de gekomenen tot het feest, die om hun reiniging reeds in Jeruzalem aanwezig zijn, om het paasfeest met het ganse volk te kunnen vieren (Lev. 7: 21; Num. 9: 6 vv. ), een vraag van twijfel op, of Jezus het wel zou wagen ook tot het feest te komen (Joh. 11: 55 vv. ). Het is alsof Hij bij Livias hun vragen gehoord heeft en door hetgeen Hij in dezelfde tijd tot de discipelen zegt daarop ten antwoord wil geven; “Vrager, wacht even, dan zult u zien, dat Ik juist nu In het openbaar en plechtig in de heilige stad zal intrekken, om alles aan Mij te laten vervullen, wat volgens de voorspelling van de profeten met de Zoon des mensen moet gebeuren” (vgl. Mark. 10: 32-34, Luk. 18: 31-34).
Op de morgen van de dertigste maart, een donderdag, kwam de Heere van Livias en naderde om de Jordaan over te komen de plaats van de vlakte van de Jordaan, waar de wegen van het noorden en van het noordoosten zich verenigden. Hier wilde Hij Zich aan een feestkaravaan aansluiten. En Jezus, die opging naar Jeruzalem, om op het paasfeest Zijn uitgang te volbrengen (Luk. 9: 31), nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg; Hij riep ze nog eens afzonderlijk in Zijn onmiddellijke nabijheid, voordat zij zich met de feestkaravaan verenigden om hen, die Zijn getuigen zouden zijn (Hand. 1: 8), voor te bereiden op hetgeen gebeuren zou. En Hij zei tot hen:
Wellicht waren bij Zijn vertrek uit Galilea de vrouwen, die Hem dienden van haar goederen medegegaan en was het uit deze ruimere kring van reisgenoten, dat wij ook Salóme straks tevoorschijn zien treden.
Zie, wij gaan nu op naar Jeruzalem tot het feest, opdat vervuld wordt, wat Ik reeds een half jaar geleden u heb aangekondigd (Hoofdstuk 16: 21; 17: 22 v. ) en de Zoon des mensen zal na verloop van acht dagen door het verraad van een uit uw midden aan de overpriesters en schriftgeleerden, die reeds Zijn dood besloten hadden (Joh. 11: 47 vv. ), overgeleverd worden en zij zullen Hem ter dood veroordelen (Hoofdstuk 26: 47 vv.).
a) En zij, de overpriesters en schriftgeleerden, zullen Hem aan de heidenen overleveren, opdat de Romeinse landvoogd het over Hem uitgesproken vonnis van de dood volvoert (Hoofdstuk 27: 1 vv. ). Het zal een overlevering zijn, om Hem te bespotten en te geselen en tekruisigen, zodat Hij langs deze weg de dood vindt. En op de derde dag na de kruisiging zal Hij wegens het lijden van de dood met eer worden gekroond (Hebr. 2: 9) en weer opstaan.
Luk. 23: 1. Joh. 18: 28, 31; Hand. 3: 13.
Wij staan hier aan het begin van de lijdensgeschiedenis; de kerk heeft daarom zeer goed gekozen, wanneer zij het hoofdstuk van Lukas, dat met onze plaats parallel is, tot het Evangelie voor de Zondag Quinquagesimae of Esto mihi bestemd heeft, want deze Zondag is het portaal, dat tot in de lijdenstijd leidt.
<!–
Voordat wij echter verder gaan met de verklaring van deze plaats, voegen wij hierbij het slot van het chronologisch overzicht, dat bij Hoofdst. 9: 34; 19: 2 slechts voor de vijf eerste hoofdstukken kon gegeven worden.
Nadere Gebeurtenissen in het jaar 30 na Christus tijdsbepaling
ZESDE AFDELING
Begin van de lijdenstijd tot de begrafenis van Jezus (Een tijdsruimte van 9 dagen).
30 mrt dond. Navraag naar Jezus te Jeruzalem. De bekendmaking van het lijden bij de tocht naar Jericho: Joh. 11: 55-57. MATTHEUS. 20: 17-19. Luk. 18: 31-34.
De moeder van de zoon van Zebedeus: MATTHEUS. 20: 20-28. Mark. 10: 35-45.
$harmon$ 98 Aankomst te Jericho en genezing van twee blinden: Matth. 20: 29-34.
Mark. 10: 46-52. Luk. 18: 35-43.
$harmon$ 99 Het bezoek bij Zachéüs en de gelijkenis van de toevertrouwde ponden: Luk. 19: 1-28.
31 mrt vrijd. $harmon$ 100 De zalving te Bethanië: MATTHEUS. 26: 6-13. Mark. 14: 3-9. Joh. 12: 1-11.
2 apr. zond. $harmon$ 101 De intocht in Jeruzalem: MATTHEUS. 21: 1-11. Mark. 11: 1-11. Luk. 19: 29-44. Joh. 12: 12-19.
3 apr. maand. $harmon$ 102 Vervloeking van de vijgeboom en tweede reiniging van de tempel: MATTHEUS. 21: 12-17. Mark. 11: 12-19. Luk. 19: 45-48
4 apr. Dinsd. $harmon$ 103 De verdorde vijgeboom. Vraag en wedervraag benevens een gelijkenis: MATTHEUS. 21: 18-32. Mark. 11: 20-33. Luk. 20: 1-8.
Twee nieuwe gelijkenissen, van de boze wijngaardeniers en het koninklijk bruiloftsmaal: Matth. 21: 33-22: 14 Mark. 12: 1-12.
Luk. 20: 9-19.
De Farizeeën en de didrachmen, de
Sadduceeën en de opstanding: Matth. 22: 15-33. Mark. 12: 13-27.
Luk. 20: 20-40.
De vraag over de wet van de Schriftgeleerden en de vraag over het geloof van Jezus: Matth. 22: 34-46.
Mark. 12: 38-37. Luk. 20: 41-44.
Strafrede tegen de Farizeeën en Schriftgeleerden: Matth. 23: 1-39. Mark. 12: 38-40. Luk. 20: 45-47.
Jezus aan de schatkist, De
Grieken en de mededeling van Zijn dood: Mark. 12: 41-44. Luk. 21: 1-4.
Joh. 12: 20-50.
De profetie over de toekomst: Matth. 24: 1-25, 46.
Mark. 13: 1-37. Luk. 21: 5-38
Laatste bekendmaking van het
lijden van Christus en het besluit van de hogepriesters: Matth. 26: 1-5.
Mark. 14: 1-2. Luk. 22: 1-2.
5 apr. woensd. Verbond van Judas met de overpriesters: Matth. 26: 14-16. Mark. 14: 10-11. Luk. 22: 3-6.
6 apr. dond. De toebereiding van de Paasmaaltijd: Matth. 26: 17-19. Mark. 14: 12-16. Luk. 22: 7-13.
6-9 uur De viering van het Paasfeest en ‘s avonds de inzetting van het heilig avondmaal: Matth. 26: 20-29. Mark. 14: 17-25 Luk. 22: 14-30. Joh. 13: 1-32.
9-12 uur Gesprekken van Jezus met de ‘s nachts discipelen en het hogepriesterlijk gebed. Luk. 22: 31-38. Joh. 13: 33-17: 26
7 apr. vrijd. De zielestrijd in Gethsemane: middernacht Matth. 26: 30-46. Mark. 14: 26-42. tot 1 uur Luk. 22: 39-46.
De gevangenneming van Jezus: Matth. 26: 47-56. Mark. 14: 43-52. Luk. 22: 47-53.
Joh. 18: 1-11.
1-3 uur Het verhoor en de veroordeling: Matth. 26: 57-68. Mark. 14: 53-65. Luk. 22: 54 en 63-65. Joh. 18: 12-14 en 19-24.
De verloochening van Petrus: Matth. 26: 69-75. Mark. 14: 66-72. Luk. 22: 54-62.
Joh. 18: 15-18 en 25-27.
3-4 uur De tweede gerechtszitting bij de tempel en het verschrikkelijk einde van Judas: Matth. 27: 1-10. Mark. 15: 1. Luk. 22: 66-71.
4-6 uur Het verhoor voor Pilatus, de Romeinse landvoogd: Matth. 27: 11-31. Mark. 15: 2-20. Luk. 23: 1-25. Joh. 18: 28-19: 16
9-12 uur De kruisiging: Matth. 27: 32-44. Mark. 15: 21-32. Luk. 23: 26-43. Joh. 19: 17-27.
12-3 uur De dood: Matth. 27: 45-56. Mark. 15: 33-41. Luk. 23: 44-49. Joh. 19: 28-37.
De begrafenis en de wachters aan het graf: Matth. 27: 57-66.
Mark. 15: 42-47. Luk. 23: 50-56. Joh. 19: 38-42.
ZEVENDE AFDELING
De opstanding en hemelvaart van Jezus Christus. (Een tijdsruimte van 40 dagen).
9 apr. zond. De opstanding en de eerste verschijning van de 5 uur opgestane: Matth. 28: 1-15. Mark. 16: 1-11. Luk. 24: 1-12. Joh. 20: 1-18.
namiddag De verschijning aan Simon Petrus en aan de 8 uur beide Emmaüsgangers: Matth. 16: 12-13.
Luk. 24: 13-35.
9 en 16 apr. Twee verschijningen in de kring van de Apostelen: Luk. 24: 36-43. Joh. 20: 19-31.
23 apr. De verschijning aan het meer van Gennezareth: Joh. 21: 1-25.
30 apr. De tweede openbaring in Galilea: Matth. 28: 16-20.
14 mei De laatste openbaring te Jeruzalem: Luk. 24: 44-48. Mark. 16: 14-18.
18 mei De hemelvaart: Luk. 24: 49-53. Mark. 16: 19-20.
–>
Op de vroegere, bepaalde aankondigingen van Zijn lijden volgt nu de nauwkeurige kenschetsing daarvan. De ontwikkelde vorm van dit lijden is echter ten eerste, naar de geestelijke kant van het dubbele verraad, de dubbele verraderlijke verwerping en overlevering. Wat de eerste verbreking van de trouw aangaat, zo is het reeds aangewezen, dat die uit het midden van Zijn vereerders zelf zou komen en dat zij allen met elkaar het niet zullen verhinderen; de oorzaak wordt echter nog niet genoemd, het Passivum (“Hij zal overgeleverd worden”) werpt er nog een sluier over. De tweede verbreking van trouw wordt beslist aangeduid als een daad van de overpriesters en schriftgeleerden d. i. van het Sanhedrin 2: 4) en het volk van God zelf, in zoverre het door dit bestuur verdorven is: de kring van Zijn vereerders zal Hem aan het vijandige Sanhedrin verraden en prijsgeven; het Sanhedrin en het uitverkoren volk zullen Hem aan de heidenen verraden en overleveren. Daarnaar wordt ook de uiterlijke kant van Zijn lijden in twee delen verdeeld: de hoge raad zal Hem richten en veroordelen en wel ter dood veroordelen; de heidenen zullen de manier bepalen, waarop Hij zal gedood worden – bespotting, geseling, kruisiging. In de eerste aankondiging van het lijden van de dood, dat de hogepriester Hem zal bereiden (Hoofdstuk 16: 21), ontbreekt nog het dubbele verraad en het kruis; in de tweede (Hoofdstuk 17: 22 vv. ) komt de gedachte van het verraad, maar slechts eenvoudig een overgeleverd worden in de handen van de mensen; hier daarentegen heeft zich het verraad tot een tweevoudig verraad gevormd – een dubbel verraad, een verraad van de valse vriend aan de vijanden en een verraad van het uitverkoren volk aan de heidenen komen vreselijk aan het licht. En zo ontvouwt zich ook het beeld van de dood tot een beeld van drievoudige vernietiging: de door bespotting vernietigde (gehouden voor een onmachtige dweper) zou nu ook gegeseld worden; de door geseling vernietigde (gehouden voor een gemene, onmachtige kwaaddoener) zou nu ook gekruisigd worden (gehouden voor een van de grootste misdadigers). Maar op de Messias, die door Zijn volk verraden en verworpen is, zullen al deze elkaar tegensprekende straffen neerkomen.
In de onmiddellijke nabijheid van de stad Jericho lag (daar, evenals bij Joz. 6: 1 en 2 Kon. 2: 19 aangemerkt is, deze zich vroeger tot aan de bron Ain es Sultân in het noorden uitstrekte) de Quarantania-berg 2: 16); het is aan zijn voet, dat Christus Zich hier aan de Karavanen van de pelgrims voor het paasfeest wil aansluiten; het is echter weer de woestijn van Quarantania, waar Hij 3 jaar terug (van 7 januari tot 15 februari in 27) 40 dagen en 40 nachten gevast heeft en daarop drie keer door de Duivel verzocht is geworden 4: 1). Toen was de duivel van Hem geweken “een tijd lang” (Luk. 4: 13); binnen 8 dagen van nu af (in de nacht van 6-7 April) zal hij Hem in een andere gedaante, in plaats van met de schuimende beker van de wellust met de kelk van het lijden in de hand naderen, om Hem weer te verzoeken (Hoofdstuk 26: 36 vv. ). Verder herinneren wij daaraan, dat aan de zuidwestelijke kant van deze berg tussen de wand van de klippen en het daarvoor liggende beekdal, dat in de vlakte van Jericho ligt, een weg leidt, die eens Elia, vergezeld door Eliza, van Bethel gegaan is, toen de Heere hem in een onweer in de hemel wilde opnemen (2 Kon. 2: 4). Dat is toch een treffende toepassing op de woorden hier: “Op de derde dag zal Hij weer opstaan. ” Wij zien hier duidelijk, dat het volstrekt niet onverschillig is, of men het zich bij het lezen van de Heilige Schrift door de historische, archeologische, geografische en chronologische punten, die daarbij in aanmerking komen, duidelijk gemaakt heeft of niet. Het is integendeel, evenals de lijdensgeschiedenis van zichzelf bekent: “Hoe nauwkeuriger ik mij met de tijdrekening bekend maak, hoe aanschouwelijker en levendiger mij de loop van de dingen wordt, zo veel te gemakkelijker moet het verstaan, zo veel te zekerder het echt historische karakter bijbelse boeken worden. ” Ten slotte is hier nog aan te merken dat, wanneer Jezus nog niet op deze dag, op 30 maart, naar Jeruzalem kwam, maar pas op 2 april Zijn Koninklijken intocht in de stad hield, terwijl Hij gedeeltelijk bij Zachéüs te Jericho (Luk. 19: 1 vv. ) gedeeltelijk te Bethanië (Hoofdstuk 26: 6 vv. ) Zijn verblijf hield, toch degenen, die daar in de tempel naar Hem vroegen (Joh. 11: 55 vv. ), nog op deze dag een antwoord op hun vraag kregen, door de feestkaravaan, waaraan Hij Zich te Jericho aansloot. Met deze trok de Heere door naar Jericho en verrichtte in hun midden het wonder van de genezing aan de beide blinden (vs. 29 vv. ) en omdat Hij nu ook dadelijk achter Jericho weer omkeerde, om aan het huis van Zachéüs af te stijgen, trok de feestkaravaan verder de 3-4 mijlen tot Jeruzalem en kwam zij daar ‘s avonds aan.
De Heere noemt Zijn eigen sterven een dood; de dood van de Zijnen noemt Hij een slaap. U hoort het Hem zeggen van het gestorven dochtertje van Jaïrus en van de gestorven Lazarus. Wat weer zal opstaan en wel voor dit leven, dat kan niet eigenlijk gezegd worden gestorven te zijn, maar te slapen. Maar Christus zou ook weer opstaan en nochtans noemt Hij Zijn dood geen slaap. Waarom niet? Omdat Hij de dood in zijn volle kracht, de eigenlijke dood, de dood die de vloek van God en de bezoldiging van de zonde is, zou ondergaan. En nu, wat Christus onderging, dat onderging Hij voor de Zijnen, voor allen die geloven en dat ondergaan zij zelf niet meer; daarom zullen zij, die Christus toebehoren, wel sterven voor de mensen, maar inslapen voor zichzelf en ontwaken voor en bij de Heer. Men zegt wel eens: Men moet door het kruis heenzien. Het kruis moet doorschijnend voor ons worden, zodat wij er de vreugde doorheen zien, want deze ligt achter het kruis; immers welke droefheden ons ook overkomen, ten einde er van is de blijdschap, zoals het einde van ons sterven het eeuwige leven zijn zal.
II. Vs. 20-28. Juist nu, nu de Heere met duidelijke woorden Zijn reis naar Jeruzalem als een reis naar het lijden van de dood beschreven heeft, brengen de zonen van Zebedeüs door hun moeder de bede voor Hem, dat Hij hen de eerste plaatsen naast Zijn troon, welks oprichting nu toch niet lang meer duren kon, geven zou. Hij moet hen daarom een andere weg wijzen, dan die zij in hun gedachten volgens de manier van de rijken van deze wereld, alsof het in Zijn rijk ook naar gunst en willekeur ging, die ambten en waardigheden naar goeddunken geeft. Hij moet hen in gemeenschap brengen met Zijn lijden en sterven, wanneer zij eens met Hem heersen en richten willen. Evenals nu de overige discipelen boos werden over die beiden, als hadden zij iets als een roof willen wegnemen, waarop ook zij aanspraak hadden, moet Hij hen de aard en de inrichting van Zijn rijk doen begrijpen, waarin men slechts groot kan worden door te dienen. (Vergel. Mark. 10: 35-45).
EVANGELIE OP DE DAG VAN ST. JACOBUS: vs. 20-23
Door deze dag moet men de op 25 juli vallende gedenkdag van Jakobus de oudere, de broeder van Johannes, de evangelist 10: 4) verstaan. Hij was een zoon van Zebedeus en Salóme, droeg met zijn broer tezamen de naam van Boanerges (zoon van de donder, Mark. 3: 17) en komt met deze voor in Luk. 9: 51 vv. als de vuurijveraar en vaker met Petrus en Johannes als een van de drie meest vertrouwde discipelen van de Heere (Luk. 8: 51. Mark. 13: 3. MATTHEUS. 17: 1; 26: 37). Later was hij opziener van de gemeente te Jeruzalem en werd in het jaar 44 na Christus door Herodes Agrippa onthoofd (Hand. 12: 1 v. ), zodat hij alle apostelen, als martelaars voor Christus in de dood, voorging; hij is waarschijnlijk die Jakobus, aan wie de verschijning van de opgestane Heer in 1 Kor. 15: 7 ten deel werd.
Toen Jezus de in vs. 18 v. meegedeelde woorden gesproken had, waren Zijn discipelen wel met een voorgevoel van zware dingen vervuld (Mark. 10: 32), maar zij vreesden verder in te dringen in de zin van hetgeen hun was voorgesteld, zodat zij eigenlijk niet begrepen wat gezegd was (Luk. 18: 34). Toen kwam Salóme, de moeder van de zoon van Zebedeus, een van de Galilese vrouwen, die Hem navolgden en nu, nadat Hij sinds geruime tijd niet in Galilea had gewandeld, weer tot Hem waren gekomen (Mark. 15: 40), tot Hem met haar beide zonen, Jakobus en Johannes. Deze waren zo geheel en al verenigd met haar voornemen en overtuigd dat hetgeen zij doen en zeggen wilde goed was, als deden en zeiden zij het zelf (Mark. 10: 35 v. ). Zij kwam tot Hem, aanbad Hem en wilde wat van Hem; door haar houding gaf zij te kennen, dat een vraag haar op het hart lag.
Salóme verschijnt hier als een vrouw van een hoogmoedige geest, die in zich de waarde van haar zonen voelde. Hoe het gekomen is, dat zij opeens bij Jezus en Zijn discipelen was, nog voordat dit kleine troepje bedevaartgangers zich aan de grote feestkaravaan aangesloten had, wordt niet in de tekst aangeduid; de Evangelisten verzwijgen bij hun berichten vele bijomstandigheden om onze opmerkzaamheid bij de hoofdzaak te bepalen. Het zou nu goed mogelijk zijn, dat de Galilese vrouwen zich reeds circa 14 dagen daarvoor, toen de Heere van Efraïm komende midden door Samaria en Galilea trok aan Hem aangesloten en Hem op Zijn reis door Perea vergezeld hadden zodat zij reeds sinds Hoofdstuk 19: 13 tot de kleine karavaan behoorden. Maar het komt ons waarschijnlijker voor, dat die vrouwen pas na die reis, die Jezus tot omstreeks bij Bethsean bracht (Luk. 17: 11), van Zijn wederverschijning uit de verborgenheid hoorden (Joh. 11: 54), dat zij nu uit Galilea vertrokken, om Zijn spoor na te gaan en dat nu Salóme de eerste was, die het lukte Hem met Zijn discipelen aan te treffen, nog voordat Hij Zich bij Jericho aan de grote feestkaravaan aansloot. Reeds bij de overtocht van de Jordaan konden de discipelen van het gebod in Joh. 11: 57 gehoord hebben en de zwaarmoedigheid van een Thomas maakte zich van hen meester (Joh. 11: 16); bovendien verschrikte hen de aankondiging van het lijden in vs. 18 vv Dat de Heere met deze veronderstelling juist kon hebben, voelden zij wel; want zij wisten toch hoe hoog de haat van de oversten reeds geklommen was en de reis naar Jeruzalem kon hun niet anders voorkomen, dan als een reis naar een moordkuil. Aan de andere kant toch was op het hoofd van de Heere, die als de Leeuw uit het geslacht van Juda (Openbaring . 5: 5) aan het hoofd van het kleine leger daarheen trok, ook reeds de kroon van de overwinning te zien, die Hij reeds over vlees en bloed behaald had en in de toekomende tijd ook zeker over zonde, wereld en duivel behalen zou. Deze moed, deze vrolijkheid, bracht hen niet alleen in verwondering, maar maakte ook de hoop in hen levendig, dat Hij niet de dood tegemoet ging, maar het oprichten van een rijk van de heerlijkheid, zoals zij het zich voorstelden. En daar is het dan nu bovenal Salóme, die bij zo’n vreselijk vooruitzicht, als de Meester de discipelen zo-even geopend heeft, dat de zoon haar meegedeeld hebben en dat zij zelf uit de verte mee aangehoord heeft, de banier van de hoop hoog wil planten. In het vreugdevolle vertrouwen, dat zij op haar de Heere zo geheel overgegeven zonen heeft, wil zij dezen juist bij de donkerte vooruitzichten, die de zaak van Christus nu heeft, zo vast aan Jezus verbinden, dat geen gevaar zo groot en geen strijd te zwaar zal zijn, om haar zonen van de kant van de Heere te verdrijven. Daarom alsof het reeds gebeurd was, wat haar moed zich in het geheel niet anders kan voorstellen, alsof de slag reeds geslagen, de overwinning reeds behaald en de prijs van de dapperheid aan haar beide kinderen reeds gegeven was, vraagt zij zich nu ten loon, dat deze de Koning in Zijn nieuw rijk ter linker en ter rechterkant mogen zitten. De vraag van een moeder voor de troon van Christus en wat die uitgewerkt heeft: dat is het, waarop de tekst ons opmerkzaam maakt.
En Hij zei tot haar: Wat wilt u? 1) Wat is de zaak, die u Mij wilt voorleggen? Zij zei tot Hem: Zeg, dat mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw koninkrijk, dat Gij snel onder Israël zult oprichten. Beloof hun de hoogste ereplaatsen en waardigheden daarin.
Dat zegt Hij niet, alsof Hij niet reeds vanzelf wist, wat zij begeert; maar terwijl Hij haar gelegenheid geeft om zich te verklaren, moet zij de wond blootleggen, die Hij wil genezen.
Een groot gedeelte van de redenen van de Zoon van God gedurende Zijn omwandelen op aarde bestaat in opwekkingen tot het gebed, in verzekeringen van de noodzakelijkheid van gebed. Ook deze vraag: “wat wilt u?” waarmee Hij de vraagster zo goedig tegenkomt, toont, hoe vrij men zich met zijn zaak biddend tot Hem mag wenden, ook dan, wanneer het, zoals toen, voor de mensen de schijn zou hebben, dat men ten onpas kwam.
Het schijnt dat de schriftgeleerden, door het verkeerd verstaan van de plaats Zach. 4: 2 vv. ; 11 vv. van de twee olijfbomen, die ter rechter en ter linkerkant van de gouden kandelaar in het gezicht getoond waren geworden, die mening onder het volk gebracht hebben, waarop deze vraag betrekking heeft.
Op deze vraag mochten zij komen, omdat de Heere in Hoofdstuk 19: 28 gezegd had, dat Hij zou zitten op de troon van Zijn heerlijkheid en Zijn apostelen ook op tronen zouden zitten. Maar hun vraag was daarom des te meer onrechtvaardig, omdat zij niet tevreden waren dat hen zo’n zitten beloofd was en zij zich boven hun medediscipelen verheffen wilden, omdat zij integendeel alles aan de wil en het goeddunken van hun Heer hadden moeten overlaten.
Hoogmoed is onze onderste rok, die wij het laatste uit en het eerste aantrekken.
Dat ook Johannes deel heeft aan deze eerzuchtige begeerte, terwijl hij ons in zijn brieven geheel anders voorkomt, bewijst slechts, wat een verandering door de Geest van Christus met hem heeft plaats gehad.
De inhoud van de vraag is niet geheel te verwerpen. Salóme wil toch iets goeds, iets schoons, iets groots voor haar kinderen, Zij zullen groot worden in het rijk van de Heiland, zij zullen de naasten zijn aan Zijn hart. En u moeder, u vader, wat wilt u voor uwe kinderen? Nemen uw wensen ook zo’n hoge vlucht? hebben uw zorgen ook zo’n edel doel? Ach, een bruidskrans voor de dochter ligt honderd moeders nader aan het hart dan de kroon van het eeuwige leven; aan de zoon een goede plaats in de wereld te verschaffen, een fatsoenlijke stand, een hooggeplaatste positie, een eervol ambt, een rijke vrouw, dat is voor duizend vaders gewichtiger dan een plaats in het koninkrijk der hemelen, ja, dan een plaats ter rechter- en ter linkerkant van de Heiland. O, schaamt u! Wie zijn kind waarlijk lief heeft, voor wie het niet slechts een speeltuig van zijn ijdelheid is, maar een heilig, door God toevertrouwd pand, die bidt niet tot de hemelse Vader: maak mijn kind schoon, of maak het rijk, of maak het beroemd, of help het aan een goede partij”, maar die bidt: “maak mijn kind vroom en goed, dan heeft het zijn geluk gemaakt; geen schitterende plaats op aarde, gun het slechts een plaatsje aan Uw hart, laat mij het eens terugvinden in Uw rijk.”
Ofschoon zover wij weten, deze vraag geen bepaalde aanleiding had in enige Joodse Messias verwachting aangaande een tweetal bijzitters bij de Gezalfde van de Heere, wordt haar vorm voldoende verklaard uit de algemene Oosterse voorstelling, dat het zitten ter rechter- en linkerkant van een vorst het deelgenootschap van de hoogste waardigheid in zijn koninkrijk aanduidde. Het is onzeker of de moeder dit denkbeeld bij de zoon opgewekt had, dan wel of deze laatste Salóme tot een vraag aangespoord hadden, die zij niet persoonlijk tot de Meester durfden brengen. Men moet toestemmen dat het gehele denkbeeld vooral bij Johannes raadselachtig en vreemd is, ofschoon er van de andere kant geen dadelijke grond bestaat om te geloven, dat hij reeds toen van de aardsgezinde denkbeelden van de anderen genezen geweest is. Hoe het zij, zij zijn zelf met de pas gehoorde toezegging van “twaalf tronen” niet tevreden en begeren een meer uitstekende ereplaats. Wellicht komt er enige ijverzucht tegen Petrus bij, aan wie de Meester pas die eervolle belofte gedaan heeft en wensen zij de derde uit de meer bijzonderen vriendenkring uit te sluiten, opdat hun beiden het onbeperkt genot van de schoonste onderscheiding zou wachten. Gedachtig aan het woord: “vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten”, huiveren zij om zelf uit te spreken, wat hun hoog op het hart ligt en met vreugde nemen zij de voorspraak van de vrijmoedige Salóme te hulp, die als zuster van Maria, de moeder van de Heere, tot Hem in nauwe betrekking geplaatst was en wier eerzuchtige blik reeds in de schoonste verwachtingen voor haar dierbaar tweetal zich spiegelt.
Maar Jezus wendde Zich meteen van de moeder tot de beide zoons, antwoordde en zei: Jullie weten niet, wat u voor u door de mond van uw moeder begeert 1). U denkt daarbij slechts aan heerlijkheid en eer, maar bedenkt niet, hoe Mijneigen weg tot de troon door diepe smaad en bitter lijden gaat en dus ook u alleen langs die weg kunt komen tot het zitten op de tronen, waarvan Ik zo-even sprak. Veelmeer dan naar de heerlijkheid aan het einde, is de vraag: kunt u de drinkbeker van het lijden (Jer. 49: 12) drinken, die Ik na slechts weinige dagen drinken zal (Joh. 18: 11) en met de doop, de vloed van smarten (Ps. 124: 4 v. ) gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt (Luk. 12: 50)? Zij zeiden tot Hem, bereid om met Hem in de gevangenis en in de dood te gaan (Luk. 22: 33. MATTHEUS. 26: 35): Wij kunnen alles, wat U tot verhoring van onze vraag van ons eist.
Het vlees wil altijd liever verheerlijkt dan gekruisigd, liever verhoogd dan vernederd worden.
Zij wisten wel niet, welke verschrikkelijke ereposten zij eerst verkregen zouden hebben, wanneer hun wens vervuld was geworden, namelijk de plaatsen van de beide misdadigers, die ter rechter- en linkerhand van Jezus gekruisigd werden (Hoofdstuk 27: 38). “U weet niet, wat u begeert”, zei Jezus, zonder twijfel bevend over de argeloosheid, waarmee Zijn geliefde discipelen duizend malen iets gevaarlijks, verderfelijks en vaak iets onbehoorlijks vragen kunnen.
De menselijke zwakheid verraadt zich ook in het bidden, zij mogen denken, dat zij zo verstandig zijn als zij willen, zij weten toch vaak niet, wat en hoe zij bidden: Rom. 8: 26.
De drinkbeker, die iemand te drinken gegeven wordt, staat voor het hem toegedeelde lot in goede of slechte betekenis, ten opzichte van geluk of ongeluk; hier staat het in de laatste bedoeling.
De ouden onderscheidden een drievoudige doop: fluminis (waterdoop), flaminis (doop met de Geest), sanguinis (doop met bloed); de laatste sluit de idee van de lijdende ondergang, maar dan ook van een vreugdevolle opstanding in zich.
Voor het rijk van Christus vormen de drinkbeker en de zeer veel betekenend een begrip, dat een geheel vormt. Ten eerste wijst de drinkbeker op iets, dat men van binnen smaakt en ervaart, omdat de doop aangeduid wordt als iets, dat ons van buiten overweldigt. Bij gevolg is bij de drinkbeker meer sprake van het op zich nemen in eigen, vrijwillige gehoorzaamheid (d. i. het drinken); de doop spreekt meer van de opgelegde noodzakelijkheid van het lijden, van het gedoopt worden (in geen opzicht kan iemand zichzelf dopen); ten slotte ligt, omdat de drinkbeker meer wijst op het welbehagen van de Vader, in de doop ook een vooruitwijzende wenk, dat Hij niet onder het water zal blijven, maar er weer uit opkomen en opstaan zal en deze uitdrukking voltooit pas de zin van het geheel.
Maar Jezus zag hun vermetelheid in, waarmee zij zo snel ja zeiden in een zaak, die zij niet begrepen en verplaatste hen meteen in die tijd, wanneer zij door genade en hulp van de Heilige Geest zouden kunnen, wat zij uit eigen kracht niet konden. En Hij zei tot ben: Mijn drinkbeker zult u wel drinken en met de doop, waarmee Ik gedoopt wordt, zult u gedoopt worden, wanneer de tijd van uw vervolging komt (Hand. 12: 2. Openbaring . 1: 9); maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linkerhand staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden die het bereid is door Mijn Vader.
In Openbaring 3: 21 spreekt de verheerlijkte, hier de vernederde Mensenzoon; maar dat het zitten ter rechter- en linkerhand slechts gegeven wordt aan die, die het bereid is door Zijn Vader, daarbij blijft het; want ook in Zijn heerlijkheid volbrengt de Zoon alleen de wil van Zijn Vader: Joh. 5: 19 vv.
Het antwoord van de Heere is in geen opzicht geheel ontkennend en afwijzend, maar het is hoopgevend en nog meer, het is belovend, is in zekere zin toestemmend, hoezeer het aanvankelijk scheen alsof de vraag afgeslagen werd. Mij is het, alsof de Heere de discipelen daarmee zei: wat Ik u op uw verzoek kan toestaan, sta Ik u toe; de heerlijkheid, waarom u vraagt, sla Ik u niet af; Ik zeg u ook niet, dat u ze nooit verkrijgen kunt en niet daarnaar trachten zult, bedenk slechts, wat er voor geëist wordt en welke weg Ik zelf daarvoor gaan moet – deze weg, die naar de heerlijkheid leidt, wil Ik u openen en wil er u op leiden; daar zal het slechts op uw eigen gedrag aankomen.
De vraag van de moeder, de gelofte van de zoon, de zegen van de Heere droeg edele vruchten in het leven en lijden van het heerlijke broederpaar. Toen Johannes, de enige getrouwe, alleen onder het kruis van Zijn Meester stond, toen hij op het eenzame eiland Patmos verbannen was om Jezus’ wil en misschien, zoals het verhaal zegt, de gifbeker dronk, die hem niet kon schaden, daar heeft hij ook gedronken uit de drinkbeker van zijn Meester, uit de drinkbeker van Gethsemane. En Jakobus, wiens gedachtenis wij heden vieren, de vroeg gestorvene, die de eer waardig gekeurd werd om de eerste martelaar te worden onder de Apostelen, toen hij daar te Jeruzalem op het bevel van Herodes onder het zwaard van de beul viel, is toen ook gedoopt geworden met de doop van zijn Heere, met de bloeddoop van Golgotha. Nu was het “wij kunnen” vervuld, dat zij daar zo vol vreugde hadden uitgesproken; nu was de vraag van de moeder vervuld – waarlijk anders dan zij gedacht had! Maar de kroon! maar het zitten ter rechter- en linkerhand? Nu, ook daar zijn zij niet te kort gekomen.
Wanneer de Roomse leer van Petrus waar was, moest het antwoord aan de zoon van Zebedeüs geheel anders geluid hebben; u weet toch reeds, dat daar, bij Cesarea Filippi (Hoofdstuk 16: 13 vv. ) de eerste plaats aan Petrus is beloofd. Maar hoe anders is het woord van Jezus.
En toen de andere tien discipelen dat hoorden, wat Salóme voor haar zonen had gevraagd (vs. 21), namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders, dat deze een voorrang boven de anderen hadden gewild.
Hier ziet men het beledigende, het krenkende, dat een eergierig zich op de voorgrond plaatsen boven anderen heeft: het verbitterd tegen ons.
Een ergernis kan snel andere zonden na zich slepen, zodat er een groot vuur uit ontstaat; wacht u daarom iemand ergernis te geven, Rom. 14: 13.
Zelfverheffing is niet mogelijk zonder anderen te vernederen en de vernederde verheft zich daartegen; niemand wil onderdrukt, minder geacht, terzijde of op de achtergrond gesteld worden.
En toen Jezus hen tot zich geroepen had, want de strijd over de voorrang was, evenals vroeger (Hoofdstuk 18: 1 vv. ), verder op de weg uitgebroken (Mark. 9: 33), zei Hij: a) U weet, dat de oversten van de volken heerschappij voeren over hen, die zij onderworpen hebben en de groten gebruiken macht over hen; vaak wordt dat zelfs op zeer harde manier gedaan.
Mark. 10: 42. Luk. 22: 25.
Maar zo, dat men boven anderen wil zijn om zijn meerderheid te laten voelen, zal het onder u niet zijn in het rijk, waartoe u als Mijn discipelen behoort; maar wie onder u groot zal willen worden, die zij uw dienaar.
1 Petrus . 5: 8.
a) En wie onder u de eerste zal willen zijn, die zij uw dienstknecht.
MATTHEUS. 23: 11. Mark. 9: 35; 10: 43.
De Heere heft van Zijn kant niet met geweld al het uit de natuurlijke zin van de mensen voortkomende woelen en werken van de heersers en groten op aarde op, maar Hij bouwt in en onder deze vormen van de volksgeschiedenis Zijn rijk, waarin de macht van de dienende liefde heerst en werkt. Hij verwoest niet van buiten dadelijk al de staatsordeningen, met al haar rangen en standen, ofschoon zij helaas eerzucht en eigenwilligheid met zich dragen, maar Hij geneest en vernieuwt van binnen af, terwijl Hij Zijn nederige discipelen ten minste hier en daar in de plaats van de heersenden stelt en in ieder geval hen, waar zij ook stonden. een heerschappij van geestelijke macht bereidt, totdat eens de gestalte van deze wereld voorbijgaat en de ordeningen van het rijk van God ook naar het uiterlijke zullen kunnen ingesteld worden. In dit rijk zijn zeker ook rangen en standen; maar met het recht en de weg daartoe is het geheel omgekeerd: wie waarlijk groot wil worden verdient het (een schoon woord) als dienaar; wie waarlijk de eerste wil zijn, zoekt die waardigheid en eer in de diepste vernedering, zodat bij de laatste en kleinste vrijwillig als knecht wil dienen.
De Heere keurt de begeerte naar ware grootheid niet af; maar de ware grootheid bestaat niet in anderen te overheersen, maar te dienen, in de zin van het bevorderen van het heil van de naasten, niet in de zin van het werktuig te zijn van zijn wil. De Heere spreekt hier niet van een, op welke manier dan ook, gedwongen, maar van een vrijwillig dienen. Het vrijwillig dienen is de wet van de liefde en in het koninkrijk van God bestaat geen andere wet, want God is liefde. Wie het meest liefheeft, is in dat koninkrijk de meeste. Daarom moet de Christen, die door het geloof een heer is over alle schepselen, tegelijk door de liefde een dienaar zijn van al zijn natuurgenoten: hij moet hun tijdelijk en eeuwig heil bedoelen en bewerken, zoveel in zijn vermogen is en daartoe moet tijd noch geld, rust noch kracht, ja zelfs het leven niet worden ontzien.
Hoogmoed is een van de oudste en verderfelijkste zonden. Door hoogmoed Zijn de engelen gevallen, omdat zij “hun beginsel niet hebben bewaard” (Judith 1: 6). Door hoogmoed zijn Adam en Eva verleid geworden om de verboden vrucht te eten. Zij waren niet tevreden met hun deel en meenden dat zij “als God” zouden zijn. De hoogmoed is, voor al de heiligen van God, ook nog na hun bekering, de bron geweest van vele smarten. Zeer juist zegt Hooker: “De hoogmoed is een ondeugd, die zo diep in onze harten is geworteld, dat, als wij al onze gebreken een voor een zouden bestrijden en afleggen, wij ontwijfelbaar zouden bevinden, dat de hoogmoed het laatst van allen zou overblijven en het moeilijkst van allen af te leggen zou zijn. ” Het is een geestelijke maar zeer ware uitdrukking van bisschop Hall, dat “de hoogmoed ons onderkleed is, dat wij het eerst aandoen, maar het laatst afleggen. ” De maatstaf van de wereld aangaande hetgeen groot is en de maatstaf van de Heere Jezus verschillen hemelsbreed. Niet alleen echter verschillen zij, maar zij staan lijnrecht tegenover elkaar. Onder de kinderen van deze wereld wordt hij de grootste geacht, die de meeste akkers, het meeste geld, de meeste dienstboden, de hoogsten rang en de uitgestrektste macht bezit. Onder de kinderen van God is hij de grootste, die het meeste doet om onder zijn medeschepselen geestelijk en tijdelijk geluk te verspreiden en te doen toenemen. De ware grootheid bestaat niet in het ontvangen, maar in het geven, – niet in ten zelfzuchtig genieten van goede dingen, maar in het goeddoen van anderen – niet in gediend te worden, maar in te dienen – niet in stil te zitten en zich te laten dienen, maar in uit te gaan en anderer dienstknecht te zijn. De engelen van God zien veel meer schoonheid in het werk van de zendeling dan in dat van de goudgraver in Australië. Zij stellen veel meer belang in de arbeid van mannen als Howard en Judson, dan in de schitterendste overwinningen van de krijgsvorsten, de krachtigste redevoeringen van staatslieden of raadsheren van de kroon. Houden wij deze dingen in gedachtenis. Wachten wij ons een valse grootheid na te jagen. Streven wij naar die grootheid, die alleen de ware is. Er is een diepe mijn van wijsheid verborgen in het woord van de Zaligmaker: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen” (Hand. 20: 35).
a) Zoals de Zoon des mensen, de Koning in het rijk, waarover nu wordt gehandeld, niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen (Joh. 13: 13 v. Fil. 2: 5 vv. ) en b) Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen, waardoor Hij Zich op het diepst heeft vernederd en Zich volkomen heeft overgegeven tot het dienen van allen (Joh. 15: 13. 1 Joh. 3: 16).
Luk. 22: 27. b) Efeziers . 1: 7. 1 Tim. 2: 6. 1 Petrus 1: 19.
Als losgeld voor velen geeft Hij het leven, terwijl het leven in de plaats van die velen komt, die daardoor verlost en vrijgekocht worden; het is de prijs die betaald wordt voor het goed, dat gekocht moet worden en dit goed zijn de velen. De uitdrukking “velen” is echter geen beperking van de kracht of bepaling van dit losgeld, alsof het niet voor allen gegeven ware, maar het wil slechts aanduiden, dat het getal groot is van degenen, voor wie het ten goede komt.
Jezus is de dienaar van allen in een mate, zoals geen ander mens zijn kan; als wij Zijn hoogte ook niet kunnen bereiken, moet Zijn gezindheid ons toch bezielen.
Het is eerzucht, die Jakobus en Johannes aanspoort om aan de rechter- en linkerhand van een vorst te willen zitten. Eerzucht, die hun medediscipelen beweegt hun die plaats niet te gunnen; en is ook de echtgenoot van Zebedeus te ootmoedig om het eerst aan zichzelf te denken, zij blijft toch eerzuchtig voor haar kinderen. Altijd en overal, zelfs bij de discipelen van Jezus Christus, die wij zo heilig, zelfs bij de vissers aan het meer Gennesareth, die wij zo nederig zouden verwachten, altijd en overal merken wij die natuurlijke behoefte van ons hart op, om hoog geplaatst te zijn! Elk volgt hiertoe misschien een verschillende weg, maar allen streven naar hetzelfde doel: zich boven anderen verheffen, groter schijnen dan zij zijn! Temidden van deze galerij van portretten, die meer of min op elkaar lijken en die men met grond familieportretten zou kunnen noemen, komt één enkel schitterend uit en staat op zichzelf. Het is dat van de eengeboren Zoon van God! Jezus vermaant niet alleen Zijn discipelen tot nederigheid, maar voegt als altijd het voorbeeld bij het voorschrift, door Zich, God zijnde, ten toonbeeld van Zijn eigen schepselen te stellen: “Wie onder u de eerste zal willen zijn, die zij uw dienstknecht, zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen!” En wij, die dit tafereel beschouwen, wanneer zullen wij door onze nederigheid het tegenbeeld vormen van de wereld, zoals Jezus uitblonk boven de volksmenigte en boven Zijn apostelen! Dan, wanneer in ons, zoals de apostelen later te beurt viel, de Heilige Geest in Zijn volheid in ons hart, als in Zijn tempel. Zonderen wij ons daarom af, zoals zij deden, nadat zij hun zwakheid hadden leren inzien en bidden wij, totdat verhoring hebben verlangd!
Onze Heere spreekt van Zijn dood in dezelfde termen, die Hij toegepast heeft op de offeranden van de ouden. De kracht van de uitdrukkingen, wanneer zij de idee hebben van substitutie voor anderen, is geheel bevestigd, wanneer zij in het Nieuwe Testament toegepast worden op de dood van Christus, die duidelijk gezegd wordt te zijn een offerande voor de zonde van de mensen en die de getrouwe en wezenlijke offerande is, die de offeranden van de wet slechts flauw en onvolmaakt voorstelden.
De eerzuchtige heidense vorsten stelden het leven van velen als een rantsoen voor hun eigen eer en vaak als een offer voor hun eigen luimen. Christus doet dat niet, het bloed van zijn onderhorigen is kostelijk in Zijn ogen en Hij geeft Zijn eer en Zijn leven dus als een rantsoen voor Zijn onderdanen. Onze levens werden naar de Goddelijke rechtvaardigheid door de zonde verbeurd. Christus deed, door van Zijn leven te scheiden, verzoening voor de zonde en redde ons zo. Hij werd zonde gemaakt en gefolterd voor ons en stierf niet alleen voor ons, maar in onze plaats (Hand. 20: 28. 1 Petrus . 1: 18-19). Hij was een rantsoen voor velen, voldoende voor allen, krachtig voor velen; en als het dan voor velen is, zegt de arme twijfelende ziel, waarom ook niet voor mij?
a) Zoals de Zoon des mensen, de Koning in het rijk, waarover nu wordt gehandeld, niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen (Joh. 13: 13 v. Fil. 2: 5 vv. ) en b) Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen, waardoor Hij Zich op het diepst heeft vernederd en Zich volkomen heeft overgegeven tot het dienen van allen (Joh. 15: 13. 1 Joh. 3: 16).
Luk. 22: 27. b) Efeziers . 1: 7. 1 Tim. 2: 6. 1 Petrus . 1: 19.
Als losgeld voor velen geeft Hij het leven, terwijl het leven in de plaats van die velen komt, die daardoor verlost en vrijgekocht worden; het is de prijs die betaald wordt voor het goed, dat gekocht moet worden en dit goed zijn de velen. De uitdrukking “velen” is echter geen beperking van de kracht of bepaling van dit losgeld, alsof het niet voor allen gegeven ware, maar het wil slechts aanduiden, dat het getal groot is van degenen, voor wie het ten goede komt.
Jezus is de dienaar van allen in een mate, zoals geen ander mens zijn kan; als wij Zijn hoogte ook niet kunnen bereiken, moet Zijn gezindheid ons toch bezielen.
Het is eerzucht, die Jakobus en Johannes aanspoort om aan de rechter- en linkerhand van een vorst te willen zitten. Eerzucht, die hun medediscipelen beweegt hun die plaats niet te gunnen; en is ook de echtgenoot van Zebedeus te ootmoedig om het eerst aan zichzelf te denken, zij blijft toch eerzuchtig voor haar kinderen. Altijd en overal, zelfs bij de discipelen van Jezus Christus, die wij zo heilig, zelfs bij de vissers aan het meer Gennesareth, die wij zo nederig zouden verwachten, altijd en overal merken wij die natuurlijke behoefte van ons hart op, om hoog geplaatst te zijn! Elk volgt hiertoe misschien een verschillende weg, maar allen streven naar hetzelfde doel: zich boven anderen verheffen, groter schijnen dan zij zijn! Temidden van deze galerij van portretten, die meer of min op elkaar lijken en die men met grond familieportretten zou kunnen noemen, komt één enkel schitterend uit en staat op zichzelf. Het is dat van de eengeboren Zoon van God! Jezus vermaant niet alleen Zijn discipelen tot nederigheid, maar voegt als altijd het voorbeeld bij het voorschrift, door Zich, God zijnde, ten toonbeeld van Zijn eigen schepselen te stellen: “Wie onder u de eerste zal willen zijn, die zij uw dienstknecht, zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen!” En wij, die dit tafereel beschouwen, wanneer zullen wij door onze nederigheid het tegenbeeld vormen van de wereld, zoals Jezus uitblonk boven de volksmenigte en boven Zijn apostelen! Dan, wanneer in ons, zoals de apostelen later te beurt viel, de Heilige Geest in Zijn volheid in ons hart, als in Zijn tempel. Zonderen wij ons daarom af, zoals zij deden, nadat zij hun zwakheid hadden leren inzien en bidden wij, totdat verhoring hebben verlangd!
Onze Heere spreekt van Zijn dood in dezelfde termen, die Hij toegepast heeft op de offeranden van de ouden. De kracht van de uitdrukkingen, wanneer zij de idee hebben van substitutie voor anderen, is geheel bevestigd, wanneer zij in het Nieuwe Testament toegepast worden op de dood van Christus, die duidelijk gezegd wordt te zijn een offerande voor de zonde van de mensen en die de getrouwe en wezenlijke offerande is, die de offeranden van de wet slechts flauw en onvolmaakt voorstelden.
De eerzuchtige heidense vorsten stelden het leven van velen als een rantsoen voor hun eigen eer en vaak als een offer voor hun eigen luimen. Christus doet dat niet, het bloed van zijn onderhorigen is kostelijk in Zijn ogen en Hij geeft Zijn eer en Zijn leven dus als een rantsoen voor Zijn onderdanen. Onze levens werden naar de Goddelijke rechtvaardigheid door de zonde verbeurd. Christus deed, door van Zijn leven te scheiden, verzoening voor de zonde en redde ons zo. Hij werd zonde gemaakt en gefolterd voor ons en stierf niet alleen voor ons, maar in onze plaats (Hand. 20: 28. 1 Petrus . 1: 18-19). Hij was een rantsoen voor velen, voldoende voor allen, krachtig voor velen; en als het dan voor velen is, zegt de arme twijfelende ziel, waarom ook niet voor mij?
III. Vs. 29-34.KruisverwijzingenMarkus 10:46→Lukas 18:35→Mattheüs 22:42→Mattheüs 21:9→Mattheüs 19:13→Ezechiël 36:37→Filippenzen 4:6→Efeze 1:17→
— En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd. En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer. En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids! En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe? Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden. En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.
Had de Heere reeds bij Zijn intocht in Jericho een blinde ontmoet, die Zijn hulp begeerde (Luk. 18: 35 vv), zo ontmoet Hem ook weer een blinde, bij Zijn uitgang (Mark. 10: 46a), nadat Hij door die stad getrokken is, zonder Zich daarin op te houden (Luk. 19: 1). Juist in de tijd, toen zoveel pelgrims op hun weg naar Jeruzalem Jericho in en uittrokken, hebben twee ontmoetingen met bedelaars op de weg in het minst niets opvallends en evenals nog heden door het buitengewoon warme klimaat de zonnesteek (2Ki 4: 19) niet zelden voorkomt, kon om dezelfde reden, omdat de grote hitte van de zonnestralen het vele stof en zand ongemeen verfijnd, ook blindheid een daar vaak voorkomende verschijning zijn. Het is echter in een zinnebeeldig opzicht niet zonder bijzondere betekenis, dat de Heere op die weg, die Hij op deze dag met de discipelen bewandelde, voor wie Zijn rede verborgen bleef, zodat zij niet verstonden, wat hij nu voor de derde keer tot hen gezegd had (Luk. 18: 34) en die Hem naar de Olijfberg voerde, waar hij onder tranen over de geestelijke blindheid van Zijn volk klagen moest (Luk. 19: 41 vv. ), bij de ingang van de stad zowel als hij de uitgang juist een blinde ontmoette. Beide ongelukkigen werden op hun aanroeping van Jezus als de Zoon van David, welke belijdenis de omstaande menigte met geweld had willen terughouden, maar die zich daarom des te krachtiger van hun lippen laat horen, door Jezus geholpen: dat is Israëls bekeringsgeschiedenis, naar haar begin en einde tot een beeld verenigd; want nadat de Heere sommigen uit dit volk, de overgeblevenen naar de verkiezing van de genade (Rom. 11: 5) dadelijk in het begin ziende, gemaakt heeft, moet Hij eerst Jericho doortrekken, d. i. de volheid van de heidenen in een tijdsruimte van vele eeuwen tot Zijn rijk roepen, totdat het Hem eindelijk nog gelukt van het hart van degenen, die zich tegen Hem verhard hebben het deksel weg te nemen (2 Kor. 3: 16. Rom. 11: 23 vv. ). Mattheus verenigt, in het vorige gedeelte op dezelfde wijze, die wij bij hem reeds in Hoofdst. 8: 28 vv. beschouwd hebben, de beide genezingen zonder meer tot één geschiedenis; dat is weliswaar historisch niet nauwkeurig. Voor een Evangelist echter, die hoofdzakelijk met Israël te doen heeft en graag degenen, die reeds ziende geworden zijn, met degenen, die nog blind zijn, verenigen zou, opdat ook deze laatsten de naam van hun Heiland aanroepen en door Hem zalig zouden worden, is het des te meer betekenend (Mark. 10: 41-52. Luk. 18: 35-43).
Jezus had met degenen, die Hem vergezelden (vs. 17), omstreeks 9 uur ‘s middags in het Jordaandal de feestgangers ontmoet; Hij was in hungezelschap tot Jericho gekomen en met hen dadelijk door de stad heengereisd. En toen zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote menigte gevolgd, een grote menigte feestgenoten, die met vreugde de profeet in hun midden hadden opgenomen.
En zie, twee blinden, zittende aan de weg, toen zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen: Heere, Gij Zoon van David! ontferm U over ons.
En de menigte bestrafte hen, zodat zij zwijgen zouden, want zij meenden van de feesttrein, waarin het met zijn Messias aan het hoofd nu naar Jeruzalem wilde trekken, alle ellende en gebrek verwijderd te moeten houden. Maar zijriepen te meer: Ontferm U over ons, Heere, Gij Zoon van David!
En Jezus, die niet zozeer in de vreugde van de feestgangers deelde, maar integendeel lijden en ellende tegemoet ging, stond stil, riep hen en zei: Wat wilt u dat Ik u doe?
Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden (Pred. 11: 7).
En Jezus, innerlijk bewogen met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende en zij volgden Hem.
Wanneer Lukas (18: 35 vv. ) van de genezing van een blinde bij het naderen aan Jericho; (Mark. 10: 46 vv.), daarentegen van de genezing van een blinde bij de uittocht uit Jericho spreekt, zo onderscheiden zich de beide verhalen toch wezenlijk in de beide punten, dat a) Lukas zijn blinde aanduidt als een in de Christelijke gemeente niet nader bekenden naamloze man (een zekere blinde), Markus daarentegen niet alleen de naam van de blinde zelf, maar ook die van zijn vader Bartimeüs (de zoon van Timeüs) aangeeft en dat b) de blinde bij Lukas op het bevel van Jezus bij Hem gebracht werd, terwijl de blinde bij Markus op het horen van Jezus naam zijn overkleed afwerpt, zich opricht en alsof hij, “tot een helderziende geworden, in het wonderlicht van de belofte”, de stem van degenen, die hem geroepen heeft, nagaat, om zo zelf zich bij Jezus aan te melden. Deze beide afwijkingen verbieden ons om van de twee verhalen slechts één te maken, zoals vele uitleggers gedaan hebben en de gebeurtenis of (naar Lukas) bij de intocht of (naar Markus) bij de uittocht van Jericho te doen plaats hebben; wij houden er ons veeleer aan, dat er sprake is van twee verschillende genezingen: de ene is daar, de andere hier, de ene aan een ongenoemde, de andere aan Bartimeüs, die naderhand tot de Christelijke gemeente behoorde, gebeurd. Wanneer Mattheüs nu echter in het voorafgaande bericht van de beide blinden, wier genezing hij beschouwde als bij de uittocht van Jericho te zijn gebeurd, vermeldt dat Jezus over hen geklaagd en hun ogen aangeraakt heeft, zo is het laatste evenmin als het eerste een bijzondere omstandigheid, die ons reden zou kunnen geven, nog een derde genezing, die van twee blinden, onmiddellijk na de genezing, die door Markus bericht is, aan te nemen, zoals oudere harmonisten dit doen. Men zou eerder kunnen zeggen dat de door Markus vertelde genezing eigenlijk, zoals Mattheüs meer nauwkeurig opgeeft, aan twee blinden heeft plaats gehad; maar Markus heeft de ene, die een bekend man in de Christelijke gemeente was, meer bijzonder in het oog gehouden. Intussen ligt het meer voor de hand om aan te nemen, dat Mattheüs de door Lukas berichte genezing met de anderen tot één verhaal verbonden heeft, waarbij dan de tweede genezing (bij Markus) niet alleen daardoor tot die manier van voorstelling aanleiding gaf, dat zij bij de uittocht van Jericho voorviel, maar ook in het andere opzicht, dat Jezus de blinde riep. Waarom, zo konden wij vragen heeft dan Mattheüs, wanneer hij nu van de genezing van twee blinden vertellen wilde, de twee geschiedenissen niet in haar bijzonderheid, zoals Lukas en Markus doet, verteld, maar tot één geschiedenis verenigd? Daar krijgt men het antwoord uit de op MATTHEUS. 21: 1-11 volgende afdeling, die zonder daarop terug te zien, dat de daarin verhaalde gebeurtenis eerst drie dagen later en tussen deze en onze gebeurtenis de eerste in Hoofdst 26: 6 vv. medegedeelde geschiedenis van de zalving van Jezus te Bethanië voorviel, dadelijk het hier voorafgaande gedeelte verbonden is, alsof deze beide gedeelten innerlijk door de hoofdzaak, waarvan bij beiden sprake is, bij elkaar behoren, ofschoon zij naar het uiterlijke, door tijd en plaats van de daarin verhaalde gebeurtenissen, van elkaar gescheiden waren. Wij begrijpen ook snel in hoe verre zij innerlijk tezamen behoren; er is namelijk nu in het leven van Jezus een keerpunt gekomen, de tijd van Zijn overgave aan de Messias-hoop van Zijn volk is genaderd. Na Zijn doop had Hij Zich een tijd in de woestijn teruggetrokken, omdat Hem de valse wereldse hoop van Zijn volk op de Messias als verzoeking in de weg kwam (Hoofdstuk 3: 13-4: 11 ; nu kwam Hij na een kleine tijd uit de woestijn te voorschijn (Hoofdstuk 20: 17 vv. ), om Zich over te geven aan de door Zijn openbaring gereinigde Messias-verwachting van Zijn aanhangers en omdat Hij binnen weinige dagen lijden moest, om op deze weg tot Zijn heerlijkheid in te gaan, was het gevaar van misverstand en misbruik in ieder opzicht verhoed. Terwijl Christus Zich nu wetens en willens aan de Messias-verwachting van Zijn aanhangers overgeeft, zo is het ook Zijn heilige raad en wil, dat Hij voor degenen, die Hem navolgen, als de Zoon van David, als de Koning van Israël uitgeroepen en door henzelf als zodanig erkend zou worden, terwijl Hij vroeger, wanneer men Hem bij deze naam aanriep, daar niet naar hoorde (Hoofdstuk 9: 27 vv. ). Omdat Hij dit ook werkelijk bereikt heeft, is het doel van onze Evangelist om dit aan te tonen, waarom hij dan ook deze afdeling zo nauw met de eerstvolgende verbonden heeft, dat hij de laatste begint met de woorden: “En toen zij nu Jeruzalem benaderden. ” Jericho en Jeruzalem – deze beide steden behoren op het nauwste tezamen; en wel is het de uittocht van Jericho en de intocht van Jeruzalem, die hem, de andere als het begin, deze als het einde van de lijn, waarop zij riepen: “Jezus Gij Zoon van David!” en “Hosanna de Zoon van David!” voor de ogen komen – wat daar tussenin lag, het verblijf te Bethanië en de zalving door Maria, daarvan meldt Hij vooraf niets, dat komt hem pas dan voor de geest, wanneer hij vertelt van de bloedraad van de hogepriesters en Schriftgeleerden en oudsten van het volk en van de bloedige daad van de verrader, zowel als van de inzetting van het heilig avondmaal. Weten wij nu deze manier van beschouwing van de Evangelist te vatten, dan zullen wij het hem niet kwalijk nemen, dat hij de stem aan het begin van die lijn: “Jezus, Gij Zoon van David!” versterkt heeft, door de blinde voor Jericho en de blinde achter Jericho bij elkaar te voegen. Hij had toch ook ten slotte met betrekking tot het roepen van: “Hosanna de Zoon van David! Gezegend is Hij, die daar komt in de naam van de Heere! Hosanna in de hoogte!” een volk voor zich, dat voorging en navolgde, maar hier als uit een mond sprak. Afgezien van de omstandigheid, dat hij in Hoofdst. 9: 27 vv. eveneens van twee blinden verteld heeft, die op dezelfde manier geroepen hadden, maar dat de Heere voor dit roepen als naar een voorbarige huldiging niet kon horen, moest hij nu de Messiaanse feesttocht van Jezus, die daarmee eindigde, dat Hij de heidenen overgeleverd werd, van Jericho af laten beginnen, van waar ook Jozua de verovering van het beloofde land heeft ondernomen. Wanneer het ons daarentegen te doen is om een nauwkeurig geschiedkundig en chronologisch beeld van de laatste reis van Jezus naar Jeruzalem te verkrijgen, moeten wij slechts met de overige Evangelisten te rade gaan en dan kan onze wens het beste vervuld worden. Wij wijzen hier, eer wij van Jericho scheiden, eerst op de geschiedenis van het bezoek van Jezus bij de overste van de tollenaars Zachéus (Luk. 19: 1-10). De Heere was eerst niet van plan geweest in Jericho te overnachten, al had Hij ook van Lukas af reeds een weg van 2-3 mijlen en had Hij van Jericho tot aan Bethanië nog een weg van circa 3 mijlen voor Zich. Maar als Hij nauwelijks de blinden genezen had en een klein eind verder getrokken was, ziet Hij dan tollenaar op zijn boom, die Hem tot aan deze plaats vooruit gelopen is, om zijn doel, Jezus te zien, zeker te bereiken. Hetgeen Nebe zegt is nu ook geheel juist: “De Heere is de magneet, die de mensen aantrekt; maar omdat de Zoon des mensen voor de mensen in het vlees gekomen is, zo is ook de mens de magneet, die de Heere aantrekt en vooral doet dit de verloren, maar boetvaardige, naar heil zoekende mens. Zo’n aanblik is Jezus nog niet ten deel geworden: een overste van de tollenaren op de boom zittend en naar de Heiland van zondaren uitziend met verlangende blikken! De Heere ziet van Zijn voornemen, om nog deze dag naar Bethanië te reizen, ogenblikkelijk af. Hij moet eerst het hongeren en dorsten van deze ziel naar het rijk van de gerechtigheid bevredigen. Hij keert dus weer om bij de mijn te vernachten; maar het volk, dat Hem tot hiertoe in zijn midden gehad heeft, mort en acht zich beledigd, dat Hij boven het geleide van zo’n groot reisgezelschap, de herberg hij zo’n berucht man verkiest. Niet alleen wijst nu degene, die zich op weg naar Jeruzalem alleen bevindt met het voornemen, om Zich liever met moordenaars te laten kruisigen, dan de verlorenen prijs te geven, diegenen, die van de Heiland van de wereld altijd weer een vorst van de Farizeeën willen maken, beslist van zich af. Omdat echter Zijn omgeving meent, omdat Hij nu op het punt staat Jeruzalem als Messias binnen te trekken, dat nu ook het hemelrijk van aardse-wereldlijke heerlijkheid, zoals zij het zich droomden, verschijnen zou, toont Hij hen door de gelijkenis van de toevertrouwde ponden (Luk. 19: 11-27) hoe het met de oprichting van Zijn rijk in werkelijkheid stond. Hij geeft daar duidelijk genoeg te verstaan, welk einde deze intocht van de Messias in Jeruzalem zal nemen. Daarom heeft Jezus, maar het ons toeschijnt, de feestkaravaan, waarbij Hij Zich aan de andere kant van de poort van Jericho omstreeks een uur geleden gevoegd had, het overige gedeelte van de weg alleen laten trekken en die heeft nog aan de avond van die dag het doel van haar reis, de stad Jeruzalem bereikt. Maar Jezus zelf bleef met Zijn discipelen en de andere innig aan Hem verbonden zielen het overige gedeelte van de dag en de daarop volgende nacht bij Zachéüs te Jericho, om pas de volgende morgen (Vrijdag 31 Maart) met de kleinere kring van de Zijnen Zijn reis voort te zetten. Terwijl wij Hem op deze van 3-4 mijlen ver, tussen woeste en steile bergen heenlopende weg vergezellen, waar een verzengende hitte van de rotswanden weerkaatst, waar zich nergens een spoor van groeikracht vertoont, als hier en daar een doornstruik en de voetstappen van de reiziger in de dalen weerklinkt, herinneren wij ons de bijbelse plaatsen, die wij daar ontmoeten. Daartoe behoren Adumim, Bahurim en En-Semes (Joz. 15: 7. 2 Sam. 3: 16). De naam Adumim zou van het vele bloed, dat in deze streek vergoten is, afkomen; de kerkelijke legende daarentegen beweert, dat Adam hier tegenover het paradijs over het verlies van zijn zaligheid geklaagd heeft. Wij naderen het zogenaamde moorddal: het is daar vreselijk woest en de aanblik van de donkere rotsen, die 800 voet steil in de diepte lopen, is vreesverwekkend. In deze nauwe pas schijnt de natuur zelf het aanleggen van een moordkuil begunstigd te hebben, terwijl in de doodse stilte van de landstreek iedereen, die de hoogte op of afkomt, reeds in de verte gehoord kan worden en zich wijd en zijd geen menselijke woning bevindt. Dit herinnert ons aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Luk. 10: 30 vv. ), die naar Jeruzalem reizend, hier degene, die onder de moordenaars gevallen was, die de priester en leviet voorbijgegaan waren, in zijn bloed vond liggen en het liefdewerk aan hem verrichtte. Daar behoeven wij ons slechts te herinneren, wat de Heere in Ezechiël. 16: 5 vv. zegt en wij zullen snel in de gestalte van de barmhartige Samaritaan degene herkennen, die nu dezelfde weg naar Jeruzalem reist, om Zijn Heilands werk aan de half dood neerliggende mensheid te volbrengen en hun in Zijn heilige kerk een herberg ter verpleging te bereiden tot op de dag van Zijn terugkomst van de hemel. Hij, de Zoon van David, komt dan verder tot Bahurim, waar eens Zijn grote voorvader uit Jeruzalem verdreven, door Simeï op zo’n schandelijke manier beschimpt en belasterd werd: ook Hij, zoals Hij ons in vs. 18 vv. gezegd heeft, gaat daar nu heen om uit Jeruzalem verdreven en bespot, gesmaad en gegeseld te worden. Te En-Semes, de zogenaamde apostelbron, de enige bron in deze gehele landstreek, rust nog tegenwoordig elk reiziger een weinig uit en verkwikt zich met een dronk, zich aan die herinnerende, van wie in Ps. 110: 7 geschreven staat: “Hij zal op de weg uit de beek drinken, daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.” De naastbijgelegene plaats Bethanië voert ons dan reeds tot aan de oostelijke punt van de Olijfberg en dan zijn wij niet meer dan een halve stadie van Jeruzalem verwijderd (vgl. Luk. 10: 38 vv. ). In dit dorp, dat rondom door bergen en heuvels omgeven is en dat de vermoeide reiziger tot rust uitnodigt, hield Jezus deze en de volgenden, ja ook gedeeltelijk de derde dag stil (vrijdag tot zondag: 31 maart tot 2 april) en ging naar de Hem bevriende familie van Lazarus, Maria en Martha. Hoe daar nu ter ere van de onverwachte gast nog op vrijdag een maaltijd bereid en ‘s avonds met de aanbrekenden sabbat gegeten werd, hoe de Heere bij deze gelegenheid door Maria gezalfd en in de ziel van Judas de eerste gedachte aan verraad opgewekt werd, zullen wij eerst in Hoofdst. 26: 6 vv. lezen; nu richten wij onze opmerkzaamheid voornamelijk daarop, dat nog diezelfde dag veel volk uit Jeruzalem naar het dorp ging. Men had toch van de aanwezigheid van Jezus te Bethanië gehoord door de karavaan, die vooruit getrokken was en voornamelijk wenste men ook de enige weken daarvoor opgewekte Lazarus te zien. Andere daarentegen, die nu om het aanbreken van de sabbat nog moesten achterblijven, stelden de reis tot later uit. Toen nu op Zaterdag, bij gelegenheid van het morgenoffer, de leden van de Hoge Raad de gesprekken van de mensen in de tempel hoorden en daarin een meer toenemende geestdrift voor Jezus ontdekten, hielden zij raad onder elkaar, dat dit zo niet mocht voortgaan: men moest deze gevaarlijke oproermaker, waarvoor zij Hem verklaarden, evenals het werktuig van Zijn opwekking, Lazarus, uit de weg ruimen (Joh. 12: 1-11). Daartoe hadden zij nu wel de middelen niet in handen, want hun uur was nog niet gekomen; ja, zij konden zelfs niet verhinderen dat de volgende dag (zondag 2 april – 10 nisan) in de loop van de voormiddag weer velen uit het volk zich naar Bethanië spoedden, zoals zij zich voorgenomen hadden en deze menigte trok tot in het namiddaguur verder. Van daar was Jezus reeds weggegaan, maar toch pas tien minuten ver tot Beth-fagé gekomen toen nieuwe menigten uit Jeruzalem Hem ontmoetten; wij zullen in het volgende hoofdstuk horen wat verder gebeurde.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel