Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Te dierzelfderG1565ureG5610 kwamen de discipelenG3101 tot JezusG2424, zeggendeG3004: WieG5101isG1510 toch de meesteG3187inG1722 het KoninkrijkG932 der hemelenG3772?Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?
1ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)2εκεινηG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those3τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ωραG5610ure, uur, urenday, hour, instant, season, X short, (even-)tide, (high) time5προσηλθονG4334komende, gingen, gaande(as soon as he) come (unto), come thereunto, consent, draw near, go (near, to, unto)6οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7μαθηταιG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple8τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9ιησουG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus10λεγοντεςG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter11τιςG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why12αραG687of somstherefore13μειζωνG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years14εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was15ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)16τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17βασιλειαG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign18τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19ουρανωνG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
2En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2EnG2532JezusG2424 een kindekenG3813 tot Zich geroepenG4341 hebbende, steldeG2476 dat inG1722 het middenG3319 van henG846;En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;
KJVAnd1Jesus4called2a little child5unto him,and set6him7in8the midst9of them,
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2προσκαλεσαμενοςG4341geroepen, riep, kinderkenscall (for, to, unto)3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus5παιδιονG3813kindeken, Kindeken, kinderen(little, young) child, damsel6εστησενG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)7αυτοG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)9μεσωG3319midden, middernachtamong, X before them, between, + forth, mid(-day, -night), midst, way10αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
3En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En zeideG2036: VoorwaarG281zegG3004 Ik uG4771: IndienG1437 gij u nietG3361verandertG4762, enG2532wordtG1096gelijkG5613 de kinderkensG3813, zo zult gij inG1519 het KoninkrijkG932 der hemelenG3772geenszinsG3364ingaanG1525.En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
KJVAnd1said,Verily3I say2unto you,Exceptye be converted,8and9become10as11little children,13ye shall16notenterinto17the kingdom19of heaven.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αμηνG281Voorwaar, Amen, voorwaaramen, verily4λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter5υμινG4771u, gij, gijliedenthou6εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)7μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without8στραφητεG4762omkerende, keerde, kerendeconvert, turn (again, back again, self, self about)9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10γενησθεG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought11ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed12ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13παιδιαG3813kindeken, Kindeken, kinderen(little, young) child, damsel14ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but15μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without16εισελθητεG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)17ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with18τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19βασιλειανG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign20τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21ουρανωνG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Zo wie dan zichzelvenG1438 zal vernederenG5013, gelijkG5613ditG3778kindekenG3813, dezeG3778isG1510 de meesteG3187inG1722 het KoninkrijkG932 der hemelenG3772.Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.
1οστιςG3748wie ook, die, welkeX and (they), (such) as, (they) that, in that they, what(-soever), whereas ye, (they) which, who(-soever)2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3ταπεινωσηG5013vernederd, Vernedert, vernederenabase, bring low, humble (self)4εαυτονG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)5ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed6τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7παιδιονG3813kindeken, Kindeken, kinderen(little, young) child, damsel8τουτοG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who9ουτοςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12μειζωνG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years13ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)14τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15βασιλειαG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign16τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ουρανωνG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
5En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5EnG2532zoG1437 wie zodanigG5108eenG1520kindekenG3813ontvangtG1209 in Mijn NaamG3686, die ontvangtG1209MijG1473.En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
6Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6MaarG1161 zo wieG3739 een van dezeG3778kleinenG3398, die in MijG1473gelovenG4100, ergertG4624, het wareG4851hemG846nutterG4851, dat een molensteenG3458 aan zijn halsG5137gehangenG2910, en dat hijG846verzonkenG2670 ware in de diepteG3989 der zeeG2281.Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.
KJVBut2whoso1shall offend4one5of theselittle ones7which6believe10in11me,it were better13for him14that15a millstone17were hanged16about19his22neck,21and23that he were drowned24in25the depth27of the sea.
1οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc2δG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ανG302drukt voorwaardelijkheid uit; blijft meestal onvertaald(what-, where-, wither-, who-)soever4σκανδαλισηG4624geergerd, ergert, Ergert(make to) offend5εναG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some6τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7μικρωνG3398kleinen, klein, minsteleast, less, little, small8τουτωνG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who9τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10πιστευοντωνG4100gelooft, geloven, geloofdbelieve(-r), commit (to trust), put in trust with11ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with12εμεG1473mij, ikI, me13συμφερειG4851nut, oorbaar, voordeelbe better for, bring together, be expedient (for), be good, (be) profit(-able for)14αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which15ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to16κρεμασθηG2910gehangen, hangende, hangthang17μυλοςG3458molensteen, molensmillstone18ονικοςG3684millstone19επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with20τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21τραχηλονG5137halsneck22αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which23καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet24καταποντισθηG2670neder zinken, verzonkendrown, sink25ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)26τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc27πελαγειG3989diepte, zeedepth, sea28τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29θαλασσηςG2281zeesea
7Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7WeeG3759 der wereldG2889vanG575 de ergernissenG4625, wantG1063 het isG1510noodzakelijkG318, dat de ergernissenG4625komenG2064; doch weeG3759 dien mensG444, doorG1223welkenG3739 de ergernisG4625komtG2064!Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!
KJVWoe1unto the world3because of4offences!6for8it must needs7bethat offences12come;10but13woe14to that man16by17whom18the offence21cometh!
1ουαιG3759Wee, wee, weeenalas, woe2τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3κοσμωG2889wereld, versierseladorning, world4αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with5τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6σκανδαλωνG4625ergernis, ergernissen, aanstootoccasion to fall (of stumbling), offence, thing that offends, stumblingblock7αναγκηG318nood, noodzaak, nodigdistress, must needs, (of) necessity(-sary), needeth, needful8γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet9εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was10ελθεινG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set11ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12σκανδαλαG4625ergernis, ergernissen, aanstootoccasion to fall (of stumbling), offence, thing that offends, stumblingblock13πληνG4133doch, behalvebut (rather), except, nevertheless, notwithstanding, save, than14ουαιG3759Wee, wee, weeenalas, woe15τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man17εκεινωG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those18διG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)19ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc20τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21σκανδαλονG4625ergernis, ergernissen, aanstootoccasion to fall (of stumbling), offence, thing that offends, stumblingblock22ερχεταιG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set
8Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8IndienG1487 dan uw handG5495 of uw voetG4228uG4771ergertG4624, houwtG1581 ze af en werptG906 ze vanG575 u. Het isG1510 u beterG2570, tot het levenG2222 in te gaan, kreupelG5560 of verminktG2948 zijnde, dan tweeG1417handenG5495 of tweeG1417voetenG4228hebbendeG2192, inG1519 het eeuwigeG166vuurG4442geworpenG906 te worden.Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
KJVWherefore2if1thyhand4or6thyfoot8offend thee,10cut12them13off,and14cast15them from16thee:it isbetter18for theeto enter into21life24halt25or26maimed,27rather than28having34two29hands30or31two32feet33to be cast35into22everlasting40fire.
1ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4χειρG5495handen, handhand5σουG4771u, gij, gijliedenthou6ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea7οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8πουςG4228voeten, voet, voetstapfoot(-stool)9σουG4771u, gij, gijliedenthou10σκανδαλιζειG4624geergerd, ergert, Ergert(make to) offend11σεG4771u, gij, gijliedenthou12εκκοψονG1581uitgehouwen, afgehouwen, houwtcut down (off, out), hew down, hinder13αυταG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15βαλεG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust16αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with17σουG4771u, gij, gijliedenthou18καλονG2570goede, goed, goedenX better, fair, good(-ly), honest, meet, well, worthy19σοιG4771u, gij, gijliedenthou20εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was21εισελθεινG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)22ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with23τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24ζωηνG2222leven, levens, Levenlife(-time)25χωλονG5560kreupelen, kreupel, kreupelecripple, halt, lame26ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea27κυλλονG2948lammen, verminktmaimed28ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea29δυοG1417twee, Twee, tweeenboth, twain, two30χειραςG5495handen, handhand31ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea32δυοG1417twee, Twee, tweeenboth, twain, two33ποδαςG4228voeten, voet, voetstapfoot(-stool)34εχονταG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use35βληθηναιG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust36ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with37τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc38πυρG4442vuur, vuurs, vurigenfiery, fire39τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc40αιωνιονG166eeuwige, eeuwigen, eeuwigeternal, for ever, everlasting, world (began)
9En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En indienG1487 uw oog uG4771ergertG4624, trektG1807 het uit, enG2532werptG906 het vanG575 u. Het isG1510 u beterG2570, maar een oog hebbende, totG1519 het levenG2222 in te gaan, danG2228tweeG1417ogenG3788hebbendeG2192, inG1519 het helseG1067vuurG4442geworpenG906 te worden.En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.
Ook in dit vers
oogG3442
oogG3788
KJVAnd1if2thineeye4offend6thee,pluck8it9out,and10cast11it from12thee:it isbetter14for theeto enter21into18life20with one eye,17rather than22having25two23eyes24to be cast26into27hell29fire.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4οφθαλμοςG3788ogen, oog, Ogeneye, sight5σουG4771u, gij, gijliedenthou6σκανδαλιζειG4624geergerd, ergert, Ergert(make to) offend7σεG4771u, gij, gijliedenthou8εξελεG1807trekt, Verlossende, ontnomendeliver, pluck out, rescue9αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11βαλεG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust12αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with13σουG4771u, gij, gijliedenthou14καλονG2570goede, goed, goedenX better, fair, good(-ly), honest, meet, well, worthy15σοιG4771u, gij, gijliedenthou16εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was17μονοφθαλμονG3442oogwith one eye18ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with19τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20ζωηνG2222leven, levens, Levenlife(-time)21εισελθεινG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)22ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea23δυοG1417twee, Twee, tweeenboth, twain, two24οφθαλμουςG3788ogen, oog, Ogeneye, sight25εχονταG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use26βληθηναιG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust27ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with28τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29γεεννανG1067hel, helse, hellehell30τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc31πυροςG4442vuur, vuurs, vurigenfiery, fire
10Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10ZietG3708 toe, dat gijG4771nietG3361eenG1520 van dezeG3778kleinenG3398verachtG2706. Want IkG1473zegG3004 ulieden, dat hunG846engelenG32, inG1722 de hemelenG3772, altijdG1223zienG991 het aangezichtG4383 Mijns VadersG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 is.Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
11Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11WantG1063 de ZoonG5207 des mensenG444 is gekomenG2064 om zaligG4982 te maken, dat verlorenG622 was.Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.
12Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12WatG5101dunktG1380uG4771, indienG1437enigG5100mensG444honderdG1540schapenG4263 had, enG2532eenG1520uitG1537 dezelve afgedwaaldG4105 ware, zal hij niet de negen en negentig latenG863, en opG1909 de bergenG3735heengaandeG4198, het afgedwaaldeG4105zoekenG2212?Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?
1τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why2υμινG4771u, gij, gijliedenthou3δοκειG1380meent, dunkt, meendenbe accounted, (of own) please(-ure), be of reputation, seem (good), suppose, think, trow4εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)5γενηταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought6τινιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)7ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man8εκατονG1540honderd, Honderd, honderd-hundred9προβαταG4263schapen, schaapsheep(-fold)10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11πλανηθηG4105verleiden, Dwaalt, verleidgo astray, deceive, err, seduce, wander, be out of the way12ενG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some13εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)14αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which15ουχιG3780neen, geenszinsnay, not16αφειςG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up17ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18εννενηκονταεννεαG1768negen negentigninety and nine19επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with20ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21ορηG3735berg, bergen, Olijfberghill, mount(-ain)22πορευθειςG4198reisde, reizen, reisden--depart, go (away, forth, one's way, up), (make a, take a) journey, walk23ζητειG2212zoekt, zochten, zoekenbe (go) about, desire, endeavour, enquire (for), require, (X will) seek (after, for, means)24τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25πλανωμενονG4105verleiden, Dwaalt, verleidgo astray, deceive, err, seduce, wander, be out of the way
13En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13EnG2532indienG1437 het geschiedtG1096, dat hij hetzelve vindtG2147, voorwaarG281zegG3004 Ik uG4771, datG3754 hij zich meer verblijdtG5463overG1909hetzelveG846, danG2228overG1909 de negen en negentig, die nietG3361afgedwaaldG4105 zijn geweest.En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.
Ook in dit vers
negen negentigG1768
KJVAnd1if so2be3that he find4it,5verily6I say7unto you,9he rejoiceth10more13of11that12sheep, than14of15the ninety and nine17which16went20not19astray.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)3γενηταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought4ευρεινG2147gevonden, vinden, vondenfind, get, obtain, perceive, see5αυτοG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6αμηνG281Voorwaar, Amen, voorwaaramen, verily7λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter8υμινG4771u, gij, gijliedenthou9οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why10χαιρειG5463verblijd, verblijden, verblijdtfarewell, be glad, God speed, greeting, hall, joy(- fully), rejoice11επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with12αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13μαλλονG3123meer, veeleer+ better, X far, (the) more (and more), (so) much (the more), rather14ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea15επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with16τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17εννενηκονταεννεαG1768negen negentigninety and nine18τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without20πεπλανημενοιςG4105verleiden, Dwaalt, verleidgo astray, deceive, err, seduce, wander, be out of the way
14Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14AlzoG3779isG1510 de wilG2307nietG3756 uws VadersG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 is, dat eenG1520 van dezeG3778kleinenG3398verlorenG622 ga.Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.
1ουτωςG3779alzo, aldus, zoafter that, after (in) this manner, as, even (so), for all that, like(-wise), no more, on this fashion(-wise), so (in like manner), thus, what2ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but3εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was4θελημαG2307wildesire, pleasure, will5εμπροσθενG1715vóór, voor het aangezicht vanagainst, at, before, (in presence, sight) of6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7πατροςG3962Vader, vader, vadersfather, parent8υμωνG4771u, gij, gijliedenthou9τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)11ουρανοιςG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky12ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to13αποληταιG622verloren, verliezen, verdervendestroy, die, lose, mar, perish14ειςG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some15τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16μικρωνG3398kleinen, klein, minsteleast, less, little, small17τουτωνG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who
15Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15MaarG1161 indien uw broederG80 tegen uG4771gezondigdG264 heeft, ga heen en bestrafG1651hemG846 tussen uG4771 en hemG846 alleen; indienG1437 hij uG4771hoortG191, zo hebt gijG4771 uw broederG80gewonnenG2770.Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.
16Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16MaarG1161 indien hij u nietG3361hoortG191, zoG1437neemG3880 nog eenG1520ofG2228tweeG1417metG3326 u; opdatG2443 in de mondG4750 van tweeG1417ofG2228drieG5140getuigenG3144alleG3956woordG4487bestaG2476.Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.
KJVBut2ifhe will4nothearthee, then take5with6theeone9or10two11more,8that12in13the mouth14of two15or17three18witnesses16every20word21may be established.
1εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without4ακουσηG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand5παραλαβεG3880nam, aangenomen, ontvangenreceive, take (unto, with)6μεταG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)7σουG4771u, gij, gijliedenthou8ετιG2089nog, verderafter that, also, ever, (any) further, (t-)henceforth (more), hereafter, (any) longer, (any) more(-one), now, still, yet9εναG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some10ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea11δυοG1417twee, Twee, tweeenboth, twain, two12ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to13επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with14στοματοςG4750mond, monde, mondenedge, face, mouth15δυοG1417twee, Twee, tweeenboth, twain, two16μαρτυρωνG3144getuigen, getuige, Getuigemartyr, record, witness17ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea18τριωνG5140drie, Driethree19σταθηG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)20πανG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever21ρημαG4487woorden, woord, Woord+ evil, + nothing, saying, word
17En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En indien hij denzelven geen gehoor geeftG3878; zoG1437zegG2036 het der gemeenteG1577; en indienG1437 hij ookG2532 der gemeenteG1577 geen gehoor geeftG3878, zo zij hij uG4771 als de heidenG1482 en de tollenaarG5057.En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
KJVAnd2if1he shall neglect to hear3them,4tellit unto the church:7but9if8he neglect to hear13the church,12let him beunto theeas16an heathen man18and10a publican.
1εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3παρακουσηG3878gehoor geeftneglect to hear4αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5ειπεG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7εκκλησιαG1577Gemeente, Gemeenten, gemeenteassembly, church8εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)9δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12εκκλησιαςG1577Gemeente, Gemeenten, gemeenteassembly, church13παρακουσηG3878gehoor geeftneglect to hear14εστωG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was15σοιG4771u, gij, gijliedenthou16ωσπερG5618gelijkerwijs, geschiedt(even, like) as17οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18εθνικοςG1482heiden, heidenenheathen (man)19καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet20οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21τελωνηςG5057tollenaars, tollenaren, tollenaarpublican
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
18Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18VoorwaarG281zegG3004 Ik uG4771: Al wat gij op de aardeG1093bindenG1210 zult, zal inG1722 de hemelG3772gebondenG1210wezenG1510; enG2532 al wat gij op de aardeG1093ontbindenG3089 zult, zal inG1722 den hemelG3772ontbondenG3089wezenG1510.Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
1αμηνG281Voorwaar, Amen, voorwaaramen, verily2λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3υμινG4771u, gij, gijliedenthou4οσαG3745zoveel als, allen dieall (that), as (long, many, much) (as), how great (many, much), (in-)asmuch as, so many as, that (ever), the more, those things, what (great, -soever), wheresoever, wherewithsoever, which, X while, who(-soever)5εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)6δησητεG1210gebonden, binden, verbondenbind, be in bonds, knit, tie, wind7επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with8τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world10εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11δεδεμεναG1210gebonden, binden, verbondenbind, be in bonds, knit, tie, wind12ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)13τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14ουρανωG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16οσαG3745zoveel als, allen dieall (that), as (long, many, much) (as), how great (many, much), (in-)asmuch as, so many as, that (ever), the more, those things, what (great, -soever), wheresoever, wherewithsoever, which, X while, who(-soever)17εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)18λυσητεG3089ontbonden, ontbinden, ontbindtbreak (up), destroy, dissolve, (un-)loose, melt, put off19επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with20τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world22εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was23λελυμεναG3089ontbonden, ontbinden, ontbindtbreak (up), destroy, dissolve, (un-)loose, melt, put off24ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)25τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc26ουρανωG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky
19Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19WederomG3825zegG3004IkG1473uG4771: IndienG1437 er tweeG1417 van uG4771samenstemmenG4856 op de aardeG1093, over enigeG3956zaakG4229, dieG3739 zij zouden mogen begerenG154, dat die hunG846 zal geschiedenG1096 van Mijn VaderG3962, Die inG1722 de hemelenG3772 is.Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
1παλινG3825wederom, opnieuwagain2λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3υμινG4771u, gij, gijliedenthou4οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why5εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)6δυοG1417twee, Twee, tweeenboth, twain, two7υμωνG4771u, gij, gijliedenthou8συμφωνησωσινG4856komt, overeen, overeengestemdagree (together, with)9επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with10τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11γηςG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world12περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with13παντοςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever14πραγματοςG4229zaak, zaken, daadbusiness, matter, thing, work15ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc16εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)17αιτησωνταιG154begeren, bidden, bidtask, beg, call for, crave, desire, require18γενησεταιG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought19αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which20παραG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with21τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22πατροςG3962Vader, vader, vadersfather, parent23μουG1473mij, ikI, me24τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)26ουρανοιςG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky
20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20WantG1063 waar tweeG1417ofG2228drieG5140vergaderdG4863 zijn in MijnG1699NaamG3686, daar benG1510 Ik in het middenG3319 van henG846.Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
21Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Toen kwam PetrusG4074 tot HemG846, en zeideG2036: HeereG2962! hoe menigmaalG4212 zal mijn broederG80 tegen mijG1473zondigenG264, enG2532ikG1473hemG846vergevenG863! Tot zevenmaalG2034?Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2προσελθωνG4334komende, gingen, gaande(as soon as he) come (unto), come thereunto, consent, draw near, go (near, to, unto)3αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5πετροςG4074PetrusPeter, rock6ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter7κυριεG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir8ποσακιςG4212menigmaalhow oft(-en)9αμαρτησειG264gezondigd, zondigt, zondigenfor your faults, offend, sin, trespass10ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with11εμεG1473mij, ikI, me12οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13αδελφοςG80broeders, broeder, broederenbrother14μουG1473mij, ikI, me15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16αφησωG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up17αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which18εωςG2193tot, totdateven (until, unto), (as) far (as), how long, (un-)til(-l), (hither-, un-, up) to, while(-s)19επτακιςG2034zevenmaalseven times
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
22Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22JezusG2424zeideG3004 tot hemG846: Ik zegG3004uG4771, nietG3756 tot zevenmaalG2034, maarG235 tot zeventigmaalG1441zevenG2033 maal.Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
23Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Daarom wordt het KoninkrijkG932 der hemelenG3772vergelekenG3666 bij een zekerG444koningG935, die rekeningG3056metG3326 zijn dienstknechtenG1401houdenG4868wildeG2309.Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.
KJVTherefore1is the kingdom5of heaven7likened3unto a certain8king,9which10would11take12account13of14his17servants.
1διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)2τουτοG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who3ωμοιωθηG3666vergelijken, vergelekenbe (make) like, (in the) liken(-ess), resemble4ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5βασιλειαG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign6τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ουρανωνG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky8ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man9βασιλειG935koning, Koning, koningenking10οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc11ηθελησενG2309wil, wilt, willendesire, be disposed (forward), intend, list, love, mean, please, have rather, (be) will (have, -ling, - ling(-ly))12συναραιG4868hield, houden, rekenenreckon, take13λογονG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work14μεταG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)15τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16δουλωνG1401dienstknecht, dienstknechten, dienstknechtsbond(-man), servant17αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
24Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24Als hij nuG1161begonG756 te rekenenG4868, werd tot hem gebrachtG4374eenG1520, die hem schuldigG3781 was tien duizendG3463talentenG5007.Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.
25En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En als hij nietG3361hadG2192, om te betalenG591, bevalG2753 zijn heerG2962, dat men hemG846 zou verkopenG4097, en zijn vrouwG1135 en kinderenG5043, en alG3956 wat hijG846hadG2192, en dat de schuld zou betaaldG591 worden.En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.
KJVBut forasmuch as3he4had2not1to pay,5his7lord9commanded6him10to be sold,11and12his15wife,14and16children,18and19all20that21he had,22and23payment to be made.
1μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without2εχοντοςG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use3δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)4αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5αποδουναιG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield6εκελευσενG2753beval, gebood, Beveelbid, (at, give) command(-ment)7αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir10αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11πραθηναιG4097verkocht, verkochte, verkochtensell12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14γυναικαG1135vrouw, vrouwen, Vrouwwife, woman15αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18τεκναG5043kinderen, kind, zoonchild, daughter, son19καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet20πανταG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever21οσαG3745zoveel als, allen dieall (that), as (long, many, much) (as), how great (many, much), (in-)asmuch as, so many as, that (ever), the more, those things, what (great, -soever), wheresoever, wherewithsoever, which, X while, who(-soever)22ειχενG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use23καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet24αποδοθηναιG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield
26De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26De dienstknechtG1401danG3767, nedervallendeG4098, aanbadG4352hemG846, zeggendeG3004: HeerG2962! wees lankmoedigG3114overG1909mijG1473, enG2532 ik zal uG4771allesG3956betalenG591.De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
KJVThe servant4therefore2fell down,1and worshipped5him,6saying,7Lord,8have patience9with10me,and12I will pay15theeall.
1πεσωνG4098viel, gevallen, vielenfail, fall (down), light on2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4δουλοςG1401dienstknecht, dienstknechten, dienstknechtsbond(-man), servant5προσεκυνειG4352aanbidden, aanbaden, aanbadworship6αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7λεγωνG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter8κυριεG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir9μακροθυμησονG3114lankmoedig, Wees lankmoedig, lankmoediglijk verwachtbear (suffer) long, be longsuffering, have (long) patience, be patient, patiently endure10επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with11εμοιG1473mij, ikI, me12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13πανταG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever14σοιG4771u, gij, gijliedenthou15αποδωσωG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield
27En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27En de heerG2962 van dezenG1565dienstknechtG1401, met barmhartigheidG4697 innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagenG630, en de schuldG1156hemG846kwijtgescholdenG863.En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.
KJVThen2the lord4of that7servant6was moved with compassion,1and loosed8him,9and10forgave13him14the debt.
1σπλαγχνισθειςG4697ontferming bewogen, barmhartigheid, bewogenhave (be moved with) compassion2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir5τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6δουλουG1401dienstknecht, dienstknechten, dienstknechtsbond(-man), servant7εκεινουG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those8απελυσενG630loslaten, verlaten, liet(let) depart, dismiss, divorce, forgive, let go, loose, put (send) away, release, set at liberty9αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12δανειονG1156schulddebt13αφηκενG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up14αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
28Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28MaarG1161 dezelve dienstknechtG1401, uitgaandeG1831, heeft gevondenG2147eenG1520 zijner mededienstknechtenG4889, die hem honderdG1540penningenG1220schuldigG3784 was, en hemG846aanvattendeG2902, greepG4155 hem bij de keelG4155, zeggendeG3004: BetaalG591mijG1473, watG3739 gij schuldigG3784 zijt.Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.
KJVBut2the same5servant4went out,1and found6one7of his10fellowservants,9which11owed12him13an hundred14pence:15and16he laid hands17on him,18and took him by the throat,19saying,20Pay21methatthou owest.
1εξελθωνG1831uitgegaan, gingen, uitgaandecome (forth, out), depart (out of), escape, get out, go (abroad, away, forth, out, thence), proceed (forth), spread abroad2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4δουλοςG1401dienstknecht, dienstknechten, dienstknechtsbond(-man), servant5εκεινοςG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those6ευρενG2147gevonden, vinden, vondenfind, get, obtain, perceive, see7εναG1520een, ene, enena(-n, -ny, certain), + abundantly, man, one (another), only, other, some8τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9συνδουλωνG4889mededienstknecht, mededienstknechtenfellowservant10αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc12ωφειλενG3784schuldig, moet, moetenbehove, be bound, (be) debt(-or), (be) due(-ty), be guilty (indebted), (must) need(-s), ought, owe, should13αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14εκατονG1540honderd, Honderd, honderd-hundred15δηναριαG1220penning, penningenpence, penny(-worth)16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17κρατησαςG2902grepen, houdt, vangenhold (by, fast), keep, lay hand (hold) on, obtain, retain, take (by)18αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which19επνιγενG4155greep, keel, versmoordenchoke, take by the throat20λεγωνG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter21αποδοςG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield22μοιG1473mij, ikI, me23οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc24τιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)25οφειλειςG3784schuldig, moet, moetenbehove, be bound, (be) debt(-or), (be) due(-ty), be guilty (indebted), (must) need(-s), ought, owe, should
29Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Zijn mededienstknechtG4889danG3767, nedervallendeG4098 aan zijn voetenG4228, badG3870hemG846, zeggendeG3004: Wees lankmoedigG3114overG1909mijG1473, enG2532 ik zal uG4771allesG3956betalenG591.Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
KJVAnd2his5fellowservant4fell down1at6his9feet,8and besought10him,11saying,12Have patience13with14me,and16I will pay18theeall.
1πεσωνG4098viel, gevallen, vielenfail, fall (down), light on2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4συνδουλοςG4889mededienstknecht, mededienstknechtenfellowservant5αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with7τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8ποδαςG4228voeten, voet, voetstapfoot(-stool)9αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which10παρεκαλειG3870baden, bid, vertroostbeseech, call for, (be of good) comfort, desire, (give) exhort(-ation), intreat, pray11αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which12λεγωνG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter13μακροθυμησονG3114lankmoedig, Wees lankmoedig, lankmoediglijk verwachtbear (suffer) long, be longsuffering, have (long) patience, be patient, patiently endure14επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with15εμοιG1473mij, ikI, me16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17πανταG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever18αποδωσωG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield19σοιG4771u, gij, gijliedenthou
30Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30Doch hij wildeG2309nietG3756, maar ging heenG565, enG1161wierpG906hemG846inG1519 de gevangenisG5438, totdat hij de schuldG3784 zou betaaldG591 hebben.Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.
KJVAnd2he would4not:3but9went10and cast11him12into13prison,14till15he should pay17the debt.
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but4ηθελενG2309wil, wilt, willendesire, be disposed (forward), intend, list, love, mean, please, have rather, (be) will (have, -ling, - ling(-ly))6αλλα8αλλ10απελθωνG565ging, weg, weggegaancome, depart, go (aside, away, back, out, … ways), pass away, be past11εβαλενG906geworpen, wierp, werpenarise, cast (out), X dung, lay, lie, pour, put (up), send, strike, throw (down), thrust12αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with14φυλακηνG5438gevangenis, gevangenissen, wakecage, hold, (im-)prison(-ment), ward, watch15εωςG2193tot, totdateven (until, unto), (as) far (as), how long, (un-)til(-l), (hither-, un-, up) to, while(-s)16ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc17αποδωG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield18τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19οφειλομενονG3784schuldig, moet, moetenbehove, be bound, (be) debt(-or), (be) due(-ty), be guilty (indebted), (must) need(-s), ought, owe, should
31Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31Als nuG1161 zijn mededienstknechtenG4889zagenG1492, hetgeen geschiedG1096 was, zijn zij zeer bedroefdG3076 geworden; en komendeG2064, verklaardenG1285 zij hunnenG846heerG2962alG3956 wat er geschiedG1096 was.Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.
KJVSo2when his5fellowservants4sawwhat was done,7they were very9sorry,8and10came11and told12unto their15lord14all16that was done.
1ιδοντεςG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4συνδουλοιG4889mededienstknecht, mededienstknechtenfellowservant5αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7γενομεναG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought8ελυπηθησανG3076bedroefd, droevig, bedroefcause grief, grieve, be in heaviness, (be) sorrow(-ful), be (make) sorry9σφοδραG4970zeerexceeding(-ly), greatly, sore, very10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11ελθοντεςG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set12διεσαφησανG1285verklaardentell unto13τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14κυριωG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir15αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which16πανταG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever17ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18γενομεναG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
32Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32Toen heeft hem zijn heerG2962 tot zich geroepenG4341, en zeideG3004 tot hem: Gij bozeG4190dienstknechtG1401, alG3956dieG1565schuldG3782 heb ik u kwijtgescholdenG863, dewijl gij mijG1473gebedenG3870 hebt;Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt;
KJVThen1his3lord,5after that he had called2him,6said7unto him,8O thou wicked10servant,9I forgave15theeall11that14debt,13because17thou desiredst18me:
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2προσκαλεσαμενοςG4341geroepen, riep, kinderkenscall (for, to, unto)3αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir6αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7λεγειG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter8αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which9δουλεG1401dienstknecht, dienstknechten, dienstknechtsbond(-man), servant10πονηρεG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)11πασανG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever12τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13οφειληνG3782schuld, schuldigdebt, due14εκεινηνG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those15αφηκαG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up16σοιG4771u, gij, gijliedenthou17επειG1893anderszins, Anders, overmitsbecause, else, for that (then, -asmuch as), otherwise, seeing that, since, when18παρεκαλεσαςG3870baden, bid, vertroostbeseech, call for, (be of good) comfort, desire, (give) exhort(-ation), intreat, pray19μεG1473mij, ikI, me
33Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33BehoordetG1163 gij ookG2532nietG3756 u over uw mededienstknechtG4889 te ontfermenG1653, gelijkG5613 ik ookG2532 mij over uG4771ontfermdG1653 heb?Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?
KJVShouldest2not1thoualso3have had compassion5on thyfellowservant,7even10as9I11had pity13on thee?
1ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but2εδειG1163moet, moest, moetenbehoved, be meet, must (needs), (be) need(-ful), ought, should3καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet4σεG4771u, gij, gijliedenthou5ελεησαιG1653ontferm, barmhartigheid, ontfermdhave compassion (pity on), have (obtain, receive, shew) mercy (on)6τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7συνδουλονG4889mededienstknecht, mededienstknechtenfellowservant8σουG4771u, gij, gijliedenthou9ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11εγωG1473mij, ikI, me12σεG4771u, gij, gijliedenthou13ηλεησαG1653ontferm, barmhartigheid, ontfermdhave compassion (pity on), have (obtain, receive, shew) mercy (on)
34En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34EnG2532 zijn heerG2962, vertoorndG3710 zijnde, leverdeG3860hemG846 den pijnigersG930 over, totdat hij zou betaaldG591 hebben alG3956watG3739 hij hem schuldigG3784 was.En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
KJVAnd1his5lord4was wroth,2and delivered6him7to the tormentors,9till10he should pay12all13that was due15unto him.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2οργισθειςG3710toornig, vergrimde, vertoorndbe angry (wroth)3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir5αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which6παρεδωκενG3860overgeleverd, overgegeven, verradenbetray, bring forth, cast, commit, deliver (up), give (over, up), hazard, put in prison, recommend7αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9βασανισταιςG930pijnigerstormentor10εωςG2193tot, totdateven (until, unto), (as) far (as), how long, (un-)til(-l), (hither-, un-, up) to, while(-s)11ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc12αποδωG591vergelden, betaald, betalendeliver (again), give (again), (re-)pay(-ment be made), perform, recompense, render, requite, restore, reward, sell, yield13πανG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever14τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15οφειλομενονG3784schuldig, moet, moetenbehove, be bound, (be) debt(-or), (be) due(-ty), be guilty (indebted), (must) need(-s), ought, owe, should16αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
35Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35AlzoG3779 zal ookG2532 Mijn hemelseG2032VaderG3962 u doenG4160, indienG1437 gij nietG3361vanG575harteG2588vergeeftG863 een iegelijkG1538 zijn broederG80 zijn misdadenG3900.Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Mattheüs 18:1— Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?Mattheüs 20:20→Lukas 9:46→Markus 9:33→Markus 10:35→Mattheüs 3:2→Lukas 22:24→Markus 10:14→
Mattheüs 18:2— En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;Mattheüs 19:13→Jeremia 1:7→Markus 9:36→1 Koningen 3:7→
Mattheüs 18:3— En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.1 Petrus 2:2→Markus 10:14→Mattheüs 19:14→1 Korinthe 14:20→Jakobus 5:19→Lukas 18:16→Mattheüs 5:20→Lukas 22:32→
Mattheüs 18:4— Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.Mattheüs 23:11→Psalmen 131:1→Mattheüs 18:1→Lukas 9:48→1 Petrus 5:5→Mattheüs 20:26→Lukas 14:11→Jesaja 57:15→
Mattheüs 18:5— En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.Mattheüs 25:40→Galaten 4:14→Mattheüs 10:40→Lukas 17:1→Lukas 9:48→Mattheüs 25:45→Markus 9:37→Johannes 13:20→
Mattheüs 18:6— Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.Markus 9:42→2 Thessalonicenzen 1:6→Mattheüs 18:10→Psalmen 105:15→Romeinen 14:13→Zacharia 2:8→Mattheüs 18:14→Zacharia 13:7→
Mattheüs 18:7— Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!Lukas 17:1→1 Korinthe 11:19→Mattheüs 26:24→1 Samuël 2:17→2 Thessalonicenzen 2:3→Romeinen 2:23→2 Samuël 12:14→Markus 13:7→
Mattheüs 18:8— Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.Mattheüs 5:29→Mattheüs 25:41→Deuteronomium 13:6→Jesaja 33:14→Mattheüs 25:46→Lukas 16:24→Openbaring 20:15→Openbaring 14:10→
Mattheüs 18:9— En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.Mattheüs 5:22→Mattheüs 5:29→Mattheüs 18:8→Markus 9:47→Openbaring 21:27→Lukas 9:24→Mattheüs 19:23→Hebreeën 4:11→
Mattheüs 18:10— Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.Hebreeën 1:14→Psalmen 91:11→Psalmen 34:7→Romeinen 14:10→Romeinen 14:21→Handelingen 12:23→1 Koningen 22:19→Handelingen 12:7→
Mattheüs 18:12— Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?Lukas 15:4→Ezechiël 34:12→Jeremia 50:6→Ezechiël 34:16→Ezechiël 34:28→Mattheüs 21:28→Ezechiël 34:6→Jesaja 53:6→
Mattheüs 18:13— En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.Johannes 4:34→Sefanja 3:17→Jakobus 2:13→Micha 7:18→Psalmen 147:11→Lukas 15:5→Jesaja 62:5→Lukas 15:23→
Mattheüs 18:14— Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.2 Petrus 3:9→Johannes 17:12→Johannes 21:15→Lukas 12:32→1 Petrus 1:3→Efeze 1:5→Romeinen 8:28→Mattheüs 6:32→
Mattheüs 18:15— Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.Leviticus 19:17→Kolossenzen 3:13→2 Thessalonicenzen 3:15→Leviticus 6:2→Lukas 17:3→1 Korinthe 9:19→1 Petrus 3:1→Psalmen 141:5→
Mattheüs 18:16— Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.Deuteronomium 19:15→1 Timotheüs 5:19→Johannes 8:17→2 Korinthe 13:1→Hebreeën 10:28→Numeri 35:30→Deuteronomium 17:6→1 Koningen 21:13→
Mattheüs 18:17— En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.2 Thessalonicenzen 3:6→1 Korinthe 5:3→Efeze 4:17→Ezechiël 11:12→1 Korinthe 5:9→Ezra 6:21→3 Johannes 1:9→2 Thessalonicenzen 3:14→
Mattheüs 18:18— Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.Mattheüs 16:19→Johannes 20:23→2 Korinthe 2:10→Openbaring 3:7→
Mattheüs 18:19— Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.1 Johannes 5:14→Markus 11:24→Jakobus 5:14→Mattheüs 7:7→Johannes 16:23→Handelingen 4:24→Efeze 6:18→Mattheüs 21:22→
Mattheüs 18:20— Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.Johannes 20:26→Openbaring 21:3→1 Korinthe 5:4→Johannes 20:19→Zacharia 2:5→Genesis 49:10→Exodus 20:24→Mattheüs 28:20→
Mattheüs 18:21— Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?Lukas 17:3→Mattheüs 18:15→
Mattheüs 18:22— Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.Kolossenzen 3:13→Markus 11:25→Efeze 4:31→Mattheüs 6:14→Mattheüs 6:11→Efeze 4:26→Romeinen 12:21→1 Timotheüs 2:8→
Mattheüs 18:23— Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.Mattheüs 13:24→Mattheüs 13:47→Mattheüs 25:19→Romeinen 14:12→Mattheüs 13:33→Mattheüs 13:31→1 Korinthe 4:5→Mattheüs 25:14→
Mattheüs 18:24— Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.Lukas 13:4→Psalmen 40:12→Lukas 7:41→Lukas 16:7→Ezra 9:6→Psalmen 130:3→Psalmen 38:4→1 Kronieken 29:7→
Mattheüs 18:25— En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.2 Koningen 4:1→Nehemia 5:5→Leviticus 25:39→Nehemia 5:8→Lukas 7:42→Jesaja 50:1→Exodus 21:2→
Mattheüs 18:26— De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.Lukas 7:43→Mattheüs 8:2→Mattheüs 18:29→Romeinen 10:3→
Mattheüs 18:27— En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.Psalmen 145:8→Nehemia 9:17→Psalmen 86:5→Psalmen 78:38→Psalmen 86:15→Richteren 10:16→Hosea 11:8→
Mattheüs 18:28— Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.Mattheüs 20:2→Jesaja 58:3→Nehemia 10:31→Nehemia 5:7→Nehemia 5:10→Ezechiël 45:9→Deuteronomium 15:2→
Mattheüs 18:29— Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.Mattheüs 18:26→Mattheüs 6:12→Filemon 1:18→
Mattheüs 18:30— Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.1 Koningen 22:27→1 Koningen 21:27→
Mattheüs 18:31— Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.Markus 3:5→Hebreeën 13:17→Genesis 37:2→Hebreeën 13:3→Lukas 14:21→Romeinen 9:1→Psalmen 119:158→Psalmen 119:136→
Mattheüs 18:32— Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt;Lukas 19:22→Mattheüs 25:26→Romeinen 3:19→
Mattheüs 18:33— Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?Kolossenzen 3:13→Efeze 4:32→Mattheüs 6:12→Mattheüs 5:44→Lukas 6:35→
Mattheüs 18:34— En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.Mattheüs 5:25→Lukas 12:58→Jakobus 2:13→2 Thessalonicenzen 1:8→Openbaring 14:10→Mattheüs 18:30→
Mattheüs 18:35— Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.Lukas 6:37→Mattheüs 6:14→Markus 11:25→Mattheüs 6:12→Mattheüs 7:1→Jakobus 2:13→Spreuken 21:2→Lukas 16:15→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Mattheüs 18 vers 1— Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?
ure
Dat is, tijd.
Hertaald:ure
Dat is: tijd.
is toch de meeste
Dat is, zal toch de meeste zijn.
Hertaald:is toch de meeste
Dat is: zal toch de grootste zijn.
Mattheüs 18 vers 3— En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
verandert
Grieks, keert; dat is afkeert, namelijk van dezen hoogmoed en eergierigheid.
Hertaald:verandert
Grieks: keert; dat is: zich afkeert, namelijk van deze hoogmoed en eerzucht.
kinderkens,
Namelijk gelijk David van zichzelven getuigt Psa 131 .
Hertaald:kinderkens,
Namelijk zoals David van zichzelf getuigt in Ps. 131.
Mattheüs 18 vers 5— En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
kindeken ontvangt in Mijn naam,
Namelijk niet alleen in ouderdom, maar ook degenen die als kinderen nederig van gemoed zijn, gelijk het volgende genoeg uitwijst, Matt. 17:6 .
Hertaald:kindeken ontvangt in Mijn naam,
Namelijk niet alleen wat de leeftijd betreft, maar ook hen die als kinderen nederig van gemoed zijn, zoals uit het vervolg voldoende blijkt, Matth. 18:6.
Mattheüs 18 vers 6— Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.
ergert,
Dat is, iets doet, spreekt of leert waardoor hij een ander tot zondigen of afval beweegt.
Hertaald:ergert,
Dat is: iets doet, zegt of leert waardoor hij een ander tot zonde of afval brengt.
molensteen aan zijn hals
Grieks, ezels molensteen; gelijk wij zouden zeggen, een rosmolensteen.
Hertaald:molensteen aan zijn hals
Grieks: een ezelsmolensteen; zoals wij zouden zeggen: een rosmolensteen.
Mattheüs 18 vers 7— Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!
noodzakelijk
Namelijk ten aanzien van de boosheid des duivels, der mensen verdorvenheid en Gods rechtvaardige toelating en oordeel. Zie 1 Kor. 11:19 ; 2 Thess. 2:11-12 .
Hertaald:noodzakelijk
Namelijk met het oog op de boosheid van de duivel, de verdorvenheid van de mensen en Gods rechtvaardige toelating en oordeel. Zie 1 Kor. 11:19; 2 Thess. 2:11-12.
Mattheüs 18 vers 8— Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
hand of uw voet
Zie hiervan de aantekening bij Matt. 5:29 .
Hertaald:hand of uw voet
Zie hierover de aantekening bij Matth. 5:29.
Mattheüs 18 vers 10— Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
hun engelen
Dat is, die tot hun beschutting en dienst gezonden worden; Hebr. 1:14 .
Hertaald:hun engelen
Dat is: de engelen die tot hun bescherming en dienst gezonden worden; Hebr. 1:14.
zien het aangezicht
Dat is, hebben altijd toegang tot den troon Gods, om bevelen te ontvangen tot hunne bescherming,en tot straf dergenen, die hen zouden mogen verachten of verdrukken. Ene gelijkenis, genomen van de koningen in het oosten, die hunnen voornaamsten dienaars, door welke zij hun rijk regeerden, toegang gaven om hun aangezicht te zien; gelijk te zien is Est. 1:14 ; zie ook Luc. 1:19 ; Openb. 8:2 .
Hertaald:zien het aangezicht
Dat is: zij hebben altijd toegang tot de troon van God om bevelen te ontvangen tot bescherming van hen, en tot straf van wie hen zouden verachten of verdrukken. Het is een vergelijking, ontleend aan de koningen in het oosten, die hun voornaamste dienaren — door wie zij hun rijk regeerden — toegang gaven om hun aangezicht te zien, zoals te zien is in Est. 1:14; zie ook Luk. 1:19; Openb. 8:2.
Mattheüs 18 vers 12— Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?
indien enig mens honderd schapen had,
Met deze gelijkenis wil Christus leren dat wanneer iemand van de gelovigen zou verleid worden, Hij niet ophoudt voordat Hij dien terecht gebracht zal hebben.
Hertaald:indien enig mens honderd schapen had,
Met deze vergelijking wil Christus leren dat Hij, wanneer een van de gelovigen verleid zou worden, niet ophoudt voordat Hij hem terechtgebracht heeft.
Mattheüs 18 vers 14— Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.
uws Vaders,
Grieks, voor uwen Vader.
Hertaald:uws Vaders,
Grieks: voor uw Vader.
deze kleinen verloren ga
Namelijk die in mij geloven, gelijk vs.6, uitgedrukt staat.
Hertaald:deze kleinen verloren ga
Namelijk zij die in Mij geloven, zoals in vers 6 uitgedrukt staat.
Mattheüs 18 vers 15— Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.
tegen u gezondigd heeft,
Dat is, u enigen aanstoot geeft, hetzij dat hij u zelf verongelijkt of anderzins tegen God of den naaste misdoet met uwe kennis, zonder dat zulks openbaar is. Want openbare zonden moeten openbaar bestraft worden; 1 Tim. 5:20 .
Hertaald:tegen u gezondigd heeft,
Dat is: u enige aanstoot geeft, hetzij doordat hij u zelf onrecht doet, hetzij doordat hij anderszins tegen God of de naaste misdoet terwijl u ervan weet, zonder dat het openbaar is. Want openbare zonden moeten openbaar bestraft worden; 1 Tim. 5:20.
bestraf hem
Dat is: vermaan en overtuig hem van zijne misdaad.
Hertaald:bestraf hem
Dat is: vermaan hem en overtuig hem van zijn misdaad.
Mattheüs 18 vers 16— Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.
alle woord besta
Dat is, alle zaken of waarheid voor vast gehouden worde; Deut. 19:15 .
Hertaald:alle woord besta
Dat is: opdat elke zaak of waarheid als vaststaand aangenomen wordt; Deut. 19:15.
Mattheüs 18 vers 17— En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
gemeente;
Dat is, de regeerders der gemeente, die de ganse gemeente als vertegenwoordigen. Zie 1 Kor. 12:28 , en 2 Kor. 2:6 .
Hertaald:gemeente;
Dat is: de bestuurders van de gemeente, die de hele gemeente als het ware vertegenwoordigen. Zie 1 Kor. 12:28 en 2 Kor. 2:6.
als de heiden en de tollenaar
Dat is, als een die vreemd is van de gemeente van Christus; Hand. 10:28 .
Hertaald:als de heiden en de tollenaar
Dat is: als iemand die vreemd is aan de gemeente van Christus; Hand. 10:28.
Mattheüs 18 vers 18— Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
al wat gij op de aarde binden zult,
Zie hiervan Matt. 16:19 .
Hertaald:al wat gij op de aarde binden zult,
Zie hierover Matth. 16:19.
Mattheüs 18 vers 19— Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
die zij zouden mogen begeren,
Namelijk uit het geloof en naar Gods wil; Jak. 1:6 , en 1 Joh. 5:14 .
Hertaald:die zij zouden mogen begeren,
Namelijk uit het geloof en naar Gods wil; Jak. 1:6 en 1 Joh. 5:14.
geschieden van mijnen Vader,
Of, geworden.
Hertaald:geschieden van mijnen Vader,
Of: geschonken worden.
Mattheüs 18 vers 20— Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
daar ben Ik
Namelijk met mijn Geest en genade; Joh. 14:16 , Joh. 14:23 .
Hertaald:daar ben Ik
Namelijk met Mijn Geest en genade; Joh. 14:16, Joh. 14:23.
Mattheüs 18 vers 22— Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
zeventigmaal zeven- maal.
Dat is, zo menigmaal als hij u misdoet, en zeker getal voor een groot en onzeker getal genomen zijnde, gelijk Gen. 4:24 .
Hertaald:zeventigmaal zeven- maal.
Dat is: zo vaak als hij tegen u misdoet — waarbij een bepaald getal genomen wordt voor een groot en onbepaald getal, zoals Gen. 4:24.
Mattheüs 18 vers 23— Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.
houden wilde
Grieks, opnemen.
Hertaald:houden wilde
Grieks: opnemen.
Mattheüs 18 vers 24— Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.
een, die hem schuldig was
Grieks, een schuldenaar van tienduizend talenten.
Hertaald:een, die hem schuldig was
Grieks: een schuldenaar van tienduizend talenten.
talenten
Een gewoon talent wordt geschat op zeshonderd gouden kronen.
Hertaald:talenten
Een gewoon talent wordt geschat op zeshonderd gouden kronen.
Mattheüs 18 vers 25— En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.
verkopen,
Dit was in het Ouden Testament gebruikelijk, dat de kinderen met hunne ouders om derzelver schuld tot slaven verkocht mochten worden. Zie Ex. 22:3 ; 2 Kon. 4:1 .
Hertaald:verkopen,
Het was in het Oude Testament gebruikelijk dat de kinderen samen met hun ouders vanwege hun schuld als slaven verkocht mochten worden. Zie Ex. 22:3; 2 Kon. 4:1.
Mattheüs 18 vers 28— Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.
penningen
Grieks, denariën. Een denarie was een zilvergeld, wegende omtrent een drachme of vierendeel lood zilvers, waarde zijnde omtrent een enkele reaal of zes stuivers.
Hertaald:penningen
Grieks: denarii. Een denarie was een zilverstuk dat ongeveer een drachme of een kwart lood zilver woog en ongeveer een enkele reaal of zes stuivers waard was.
greep hem bij de keel,
Grieks, worgde; dat is, greep hem bij de keel, dat hij hem bijna worgde.
Hertaald:greep hem bij de keel,
Grieks: wurgde; dat is: hij greep hem zo bij de keel dat hij hem bijna wurgde.
Mattheüs 18 vers 34— En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
leverde hem den pijners over,
Het oogmerk van Christus is hier niet om te leren dat God, de zonden eens vergeven hebbende, dezelve daarna nog zou straffen, want dat doet God niet Hebr. 8:12 , maar HIj verklaart zijn oogmerk zelf, vs.35, en het is bekend dat de parabelen of gelijkenissen niet verder behoren getrokken te worden dan het voornaamste oogmerk derzelve lijden kan.
Hertaald:leverde hem den pijners over,
Christus wil hier niet leren dat God zonden die Hij eenmaal vergeven heeft daarna alsnog zou straffen, want dat doet God niet, Hebr. 8:12. Hij verklaart Zijn bedoeling Zelf in vers 35, en het is bekend dat gelijkenissen niet verder doorgetrokken moeten worden dan hun hoofdbedoeling toelaat.
totdat hij zou betaald hebben
Dat is, in de eeuwigheid, want de zondaar kan voor zijne zonden nimmermeer voldoen: Matt. 16:26 , en Matt. 25:46 .
Hertaald:totdat hij zou betaald hebben
Dat is: in eeuwigheid, want de zondaar kan voor zijn zonden nooit voldoen: Matth. 16:26 en Matth. 25:46.
Mattheüs 18 vers 35— Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.
van harte vergeeft
Grieks, van uwe harten.
Hertaald:van harte vergeeft
Grieks: uit uw harten.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Simon Petrus — Simon: hij heeft gehoord; Petrus: steen, rots
Een visser aan het meer van Galilea, broer van Andreas. Jezus riep hem, samen met zijn broer, om Hem te volgen en "vissers der mensen" te worden; hij liet terstond zijn netten achter en volgde Jezus na (Matth. 4:18-20). Hij zou uitgroeien tot de voorman onder de twaalf apostelen.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Koninkrijk der hemelen — Grieks: basileia ton ouranon; bij de andere Evangelisten "Koninkrijk Gods" — Mattheüs vermijdt uit eerbied de Godsnaam
Het is de uitdrukking waarmee zowel Johannes de Doper als Christus Zelf begint: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matt. 3:2; 4:17). Mattheüs gebruikt haar meer dan dertig maal. Zij duidt niet een gebied aan maar een heerschappij: God die regeert, en mensen die zich onder die regering stellen. De Bergrede opent en sluit met dat Koninkrijk (Matt. 5:3,10). Het staat ook in het middelpunt van het gebed dat de Heere Zijn discipelen leert — "Uw Koninkrijk kome" (Matt. 6:10) — en het is de zaak die men eerst zoeken moet (Matt. 6:33). In hoofdstuk 13 legt Christus met zeven gelijkenissen uit hoe het zich in deze wereld gedraagt. Het begint klein als een mosterdzaad, het werkt verborgen als zuurdeeg, en het groeit op tussen onkruid dat pas bij de oogst gescheiden wordt (Matt. 13:24-33,47-50).
Bijbelse betekenis: Het Koninkrijk is in Mattheüs tegelijk nabij en nog niet voleindigd, en die spanning is geen onduidelijkheid maar de zaak zelf. Het is nabij gekomen in de Koning die er staat, het wordt ingegaan door bekering en niet door afkomst of prestatie, en het wordt pas bij de oogst van alle vermenging gezuiverd. Vandaar dat het geweld aangedaan wordt (Matt. 11:12) en tegelijk gegeven wordt aan wie als een kind wordt (Matt. 18:3; 19:14). En vandaar dat de eis om het eerst te zoeken niet zwaar valt: wie het zoekt, ontvangt de rest toe.
Typologie: Daniël zag reeds dat de God des hemels een Koninkrijk zou oprichten dat in eeuwigheid niet verstoord zal worden (Dan. 2:44). Hij zag ook dat de Zoon des mensen heerschappij, eer en het koninkrijk ontving (Dan. 7:13-14) — de woorden waarmee Christus Zich voor de hogepriester bekende (Matt. 26:64). Paulus zegt dat de Zoon het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgeven wanneer Hij alle vijanden onder Zijn voeten gesteld heeft (1 Kor. 15:24-25). En Openbaring bezingt dat de koninkrijken der wereld de koninkrijken van onze Heere geworden zijn (Op. 11:15).
Gemeente (kerk) — Grieks: ekklesia, "samengeroepen vergadering", in de Griekse overzetting van het Oude Testament het woord voor Israëls vergadering (qahal)
Mattheüs is het enige Evangelie waarin dit woord voorkomt, en het staat er tweemaal. Op de belijdenis van Petrus antwoordt Christus: "op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen", waarna Hij hem de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen toezegt met de macht van binden en ontbinden (Matt. 16:16-19). De tweede plaats staat in het onderwijs over de broeder die zondigt: eerst onder vier ogen, dan met twee of drie getuigen, en hoort hij dan nog niet, "zo zeg het der gemeente". Hoort hij ook de gemeente niet, dan moet hij als een heiden en tollenaar gelden. Daarop volgt dezelfde macht van binden en ontbinden, nu aan de gemeente, met de belofte dat Hij in het midden is waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn (Matt. 18:15-20).
Bijbelse betekenis: Drie dingen staan hier bij elkaar die in de praktijk gemakkelijk uiteenvallen. De gemeente is Zíjn gemeente en Hij bouwt haar — het werkwoord staat in de eerste persoon, en de belofte tegen de poorten der hel hangt daaraan. Zij is gegrond op de belijdenis die de Vader geopenbaard heeft (Matt. 16:17), niet op een menselijke instemming. En zij heeft werkelijk gezag over haar leden, want de tucht van Matt. 18 wordt door de Heere Zelf met de hemel verbonden. Dat de belofte van Zijn tegenwoordigheid bij twee of drie juist in dat verband staat, is opmerkelijk: zij geldt niet los van de tucht maar er middenin.
Typologie: Paulus noemt Christus het Hoofd van het lichaam, namelijk der gemeente, en de eerstgeborene uit de doden (Kol. 1:18), en spreekt van de gemeente die Hij Zich heeft verkregen door Zijn eigen bloed (Hand. 20:28). De gelovigen worden als levende stenen gebouwd tot een geestelijk huis (1 Petr. 2:5), en het einde is een gemeente zonder vlek of rimpel, die Hij Zichzelf heerlijk voorstelt (Ef. 5:25-27). Wie zo over de gemeente denkt, kan haar niet lichtvaardig nemen: zij is met bloed gekocht.
Gebed (het Onze Vader) — Grieks: proseuche; het gebed dat de Heere Zijn discipelen leerde wordt naar de aanhef het Onze Vader genoemd
In de Bergrede onderwijst Christus het gebed eerst negatief. Het moet niet zijn zoals bij de huichelaars, die staande in de synagogen en op de hoeken der straten bidden om van de mensen gezien te worden. Het moet ook niet met een overvloed van woorden als bij de heidenen, want de Vader weet wat men nodig heeft voordat men bidt (Matt. 6:5-8). Daarop volgt het gebed zelf, met een aanspraak en zes beden: de eerste drie voor Gods Naam, Koninkrijk en wil, de laatste drie voor brood, vergeving en bewaring (Matt. 6:9-13). Onmiddellijk erna staat de enige bede die Hij uitlegt, en het is de moeilijkste: wie de mensen hun misdaden niet vergeeft, wordt ook zelf niet vergeven (Matt. 6:14-15). Elders leert Hij volharding in het gebed — bidt, en u zal gegeven worden (Matt. 7:7-11) — en dat waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, Hij in het midden is (Matt. 18:19-20).
Bijbelse betekenis: De orde van de beden is het onderwijs. Er wordt niet begonnen bij de nood van de bidder maar bij de eer van God, en het brood komt pas op de vierde plaats. Het meervoud valt eveneens op: ons, onze, wij — het is een gebed dat men niet alleen bidt. En de aanspraak zelf is het grootste: dat een mens God "onze Vader" mag noemen, is in het Oude Testament nauwelijks gehoord en hier het uitgangspunt.
Typologie: Dat dit geen aangeleerde formule maar een geschonken vrijmoedigheid is, legt Paulus uit: wij hebben niet ontvangen de geest der dienstbaarheid tot vrees, maar de Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader (Rom. 8:15; vgl. Gal. 4:6). En omdat wij niet weten wat wij bidden zullen, pleit de Geest Zelf voor ons (Rom. 8:26). Daarbij komt de voorbede van Christus: Hij leeft altijd om voor hen te bidden (Hebr. 7:25), en door Hem hebben wij de toegang tot de Vader in één Geest (Ef. 2:18). Het Onze Vader is dus niet de prestatie van de bidder maar de vrucht van het werk van de Middelaar.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Daar ben Ik in het midden van hen — 18:11-14, 18-20
God bij Zijn volkniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
De discipelen hebben gevraagd wie de meeste is in het koninkrijk. Hij zet een kind in het midden en spreekt daarna over kleinen die afdwalen, over vermaning onder vier ogen, en over wat een gemeente bindt en ontbindt.
Middenin een stuk over kerkelijke tucht staat een belofte over Zijn eigen tegenwoordigheid.
**Waar het over gaat.** Dit hoofdstuk is nuchter en praktisch: hoe men iemand terughaalt die dwaalt, hoe men een zaak uitpraat, en wat er gebeurt als dat niet lukt.
**De herder.** Eerst het beeld dat alles draagt: honderd schapen, één afgedwaald, en de negenennegentig worden achtergelaten om dat ene te zoeken. En met zoveel woorden: “Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.”
**Het gezag.** Dan de zin over binden en ontbinden: wat op aarde gebonden wordt, zal in de hemel gebonden zijn. Dat is groot gesproken over een groepje mensen dat bij elkaar zit.
**En dan de grond eronder.** Waarom dat kan, staat in één zin: “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.”
De kanttekening zegt hoe: namelijk met Zijn Geest en genade.
**Waarom dit de hele lijn samenvat.** Van de tabernakel af gaat het over een plaats waar God in het midden woont. Er was een tent met een wolk erboven, en een tempel waar de heerlijkheid het huis vervulde. Er waren maten, hoven, een voorhangsel, en priesters die wisten hoe men naderen moest.
Hier is de opgave: twee of drie mensen, en Zijn Naam.
Geen gebouw, geen dienstrooster, geen minimumaantal. Twee is genoeg. En de kleinste vergadering is niet minder bezet dan de tempel was, want Degene om Wie het in de tempel ging, staat er middenin.
**Wat dat betekent voor de tucht.** Daarom is het geen vergadering van mensen die over elkaar oordelen. Wie iemand terughaalt, doet wat de Herder in vers 12 doet — en Hij is erbij.
Exodus 25:8 — Een heiligdom, opdat Ik in het midden van hen wone.
Ezechiël 34:11 — Ik zal Mijn schapen zoeken en ze opzoeken.
Mattheüs 18:11 — De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken wat verloren was.
Mattheüs 18:20 — Waar twee of drie in Zijn Naam samen zijn, is Hij in het midden.
Johannes 14:23 — Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.
Mattheüs 28:20 — En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding.
In het Nieuwe Testament: Exodus 25:8; Ezechiël 34:11-12; Mattheüs 28:20; Johannes 14:23; Openbaring 1:13; Lukas 15:4
Hoever dit reikt: De belofte in vers 20 staat in het verband van vermaning en gebed. Hoe ver zij reikt, wordt niet omschreven; de kanttekening verklaart de tegenwoordigheid als die met Zijn Geest en genade. Het binden en ontbinden wordt hier niet uitgewerkt; deze post gaat daar niet op in.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Mattheüs 18:1.KruisverwijzingenMattheüs 20:20→Lukas 9:46→Markus 9:33→Markus 10:35→Mattheüs 3:2→Lukas 22:24→Markus 10:14→ — Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen? “Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?”
Die vraag hebben wij ook wel in andere vormen horen stellen: welk ambt staat het hoogst, en welke dienst krijgt de meeste eer? Alsof wij hovelingen waren die hun plaats naar rang moeten innemen.
Mattheüs 18:2.KruisverwijzingenMattheüs 19:13→Jeremia 1:7→Markus 9:36→1 Koningen 3:7→ — En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen; “En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;”
Zij vroegen zich allemaal af wat Hij ging doen. Het kind was er ongetwijfeld blij mee dat het zich in zulk vriendelijk gezelschap bevond.
Mattheüs 18:3.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:2→Markus 10:14→Mattheüs 19:14→1 Korinthe 14:20→Jakobus 5:19→Lukas 18:16→Mattheüs 5:20→Lukas 22:32→ — En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. “En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.”
“Voorwaar zeg Ik u” — dat is gericht tot u, mannen of vrouwen, die niet gering over uzelf denkt en graag wilt weten wie de meeste is. Dat u die vraag stelt, betekent dat ieder van u zichzelf al tamelijk goed vindt zoals hij is.
Iemand zei vanmorgen tegen mij dat het een dag was om te groeien. Ik antwoordde dat ik hoopte dat wij allen geestelijk mochten groeien. Welke kant op, vroeg hij, kleiner of groter? Laat het kleiner zijn, broeders; dat is beslist de zekerste weg om te groeien. Kunnen wij vandaag veel minder worden, dan groeien wij. Wij zijn opgegroeid, zoals wij dat noemen. Laten wij vandaag naar beneden toe groeien en als de kinderkens worden, want anders zullen wij het Koninkrijk der hemelen niet ingaan.
Mattheüs 18:4.KruisverwijzingenMattheüs 23:11→Psalmen 131:1→Mattheüs 18:1→Lukas 9:48→1 Petrus 5:5→Mattheüs 20:26→Lukas 14:11→Jesaja 57:15→ — Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen. “Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.”
Hoe lager, hoe hoger. In zekere zin gaat de weg naar de hemel omlaag — in onze eigen achting in elk geval. “Hij moet wassen, maar ik minder worden.” En wanneer dat kaarsrechte woordje ik, dat zich zo vaak op de voorgrond dringt, helemaal verdwijnt tot er geen letter van over is, dan worden wij aan onze Heere gelijk.
Mattheüs 18:5.KruisverwijzingenMattheüs 25:40→Galaten 4:14→Mattheüs 10:40→Lukas 17:1→Lukas 9:48→Mattheüs 25:45→Markus 9:37→Johannes 13:20→ — En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. “En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.”
De geringste en de kleinste in het gezin van de goddelijke liefde brengt, wanneer hij ontvangen wordt, dezelfde zegen mee als het ontvangen van Christus Zelf.
Mattheüs 18:6.KruisverwijzingenMarkus 9:42→2 Thessalonicenzen 1:6→Mattheüs 18:10→Psalmen 105:15→Romeinen 14:13→Zacharia 2:8→Mattheüs 18:14→Zacharia 13:7→ — Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. “Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.”
Het gaat er niet om dat u hem uit zijn humeur brengt doordat hij zich dwaas gekwetst voelt. Het betekent: hem tot zonde brengen, hem doen struikelen, hem tot een aanstoot zijn. Over wie dát doet gaat dit woord.
De molensteen waarover hier gesproken wordt is niet de gewone steen die vrouwen plachten te draaien. Het is een grotere steen die door een ezel gedraaid werd, in een molen die dus in zijn geheel groter was. Zelfs het zwaarste vonnis dat wij ons denken kunnen zou beter zijn dan een struikelblok te zijn op de weg van de allergeringste van Gods kinderen.
Toch heb ik mensen horen zeggen dat de zaak geoorloofd is. Staat het een zwakke broeder niet aan, dan kunnen zij daar niets aan doen; hij moest maar niet zo zwak zijn. Nee, broeder, zo zou Christus u niet willen horen spreken. U moet rekening houden met de zwakheid van uw broeder. Alle dingen mogen u geoorloofd zijn, maar alle dingen zijn niet oorbaar. Paulus zegt: “Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.”
Bedenk dat wij het tempo waarin de kudde reizen kan uiteindelijk moeten afmeten aan de zwakste van de kudde. Doen wij dat niet, dan zullen wij veel van de schapen van Christus achter ons moeten laten. Het tempo waarin een gezelschap gaan moet, hangt af van hoe snel de zwakken en de zieken kunnen lopen. Is het niet zo? Het zou alleen anders zijn als wij bereid waren van hen te scheiden, en ik vertrouw dat wij dat niet zijn.
Laten wij er dus voor zorgen dat wij zelfs de zwaksten niet doen struikelen door iets wat wij zonder schade voor onszelf kunnen laten, maar wat hun schade zou doen. En dan weet ik nog niet of iets wat de zwakste schaadt niet ook óns zou schaden, want wij zijn niet zo sterk als wij denken. Zouden wij ons beter meten, dan zouden wij onszelf misschien ook bij de zwaksten rekenen.
Mattheüs 18:7-8.KruisverwijzingenLukas 17:1→Mattheüs 5:29→1 Korinthe 11:19→Mattheüs 25:41→Mattheüs 26:24→Deuteronomium 13:6→Jesaja 33:14→Mattheüs 25:46→ — Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt! Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. “Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt! Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.”
Doe weg wat u het meest van dienst is, wat u het meest onmisbaar lijkt, liever dan dat u zich erdoor laat afdwalen en tot zonde brengen.
Bedenk dat dit het woord van Jezus is: het eeuwige vuur. Het is niet het woord van een van die ruwe, wrede godgeleerden over wie u tegenwoordig zoveel hoort, maar het woord van Jezus Christus, de Meester Zelf. U kunt niet tederder zijn dan Hij; te doen alsof dat wel zo is bewijst alleen dat wij heel dwaas zijn.
Mattheüs 18:9.KruisverwijzingenMattheüs 5:22→Mattheüs 5:29→Mattheüs 18:8→Markus 9:47→Openbaring 21:27→Lukas 9:24→Mattheüs 19:23→Hebreeën 4:11→ — En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden. “En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.”
Het oog is zo nodig voor uw vreugde, voor uw kennis en voor de weg die u gaat. En toch, als het u tot zonde brengt…
Beter een verminkt gelovige te zijn dan een volleerd ongelovige. Beter een onontwikkelde heilige dan een ontwikkeld modern denker. Het is beter dat u een oog verliest of een hand, dan dat u uw geloof in God en in Zijn Woord verliest. Dat laatste kost u uw ziel en werpt u in het helse vuur.
Mattheüs 18:10.KruisverwijzingenHebreeën 1:14→Psalmen 91:11→Psalmen 34:7→Romeinen 14:10→Romeinen 14:21→Handelingen 12:23→1 Koningen 22:19→Handelingen 12:7→ — Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is. “Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.”
Wij zijn er zo toe geneigd. Wanneer iemand geen volmaakte kennis blijkt te hebben en geen grote aanspraken maakt, denken wij zo gemakkelijk: och, hij is een nul.
Er is een engel om over elk kind van God te waken. De erfgenamen van de hemel hebben die heilige geesten om hen te bewaken en te bewaren. En deze gewijde wezens, die over het volk van God waken, aanschouwen tegelijk het aangezicht van God. Zij doen Zijn geboden, gehoorzaam aan de stem van Zijn woord, en zien al die tijd Zijn aangezicht.
Worden deze kleinen zo eervol door de engelen van God begeleid, veracht hen dan nooit. Zij mogen in grof linnen gekleed gaan, zij mogen de armoedigste katoen dragen, maar zij worden als vorsten begeleid. Behandel hen daarom ook zo.
Mattheüs 18:11. — Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was. “Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.”
Dat is nog een reden waarom u hen niet verachten mag. Wat dunkt u? Zet uw denkmuts op en denk er eens een ogenblik over na.
Mattheüs 18:12-14.KruisverwijzingenLukas 15:4→Ezechiël 34:12→Jeremia 50:6→Ezechiël 34:16→Ezechiël 34:28→Mattheüs 21:28→Ezechiël 34:6→Johannes 4:34→ — Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga. “Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.”
En zij zullen ook niet verloren gaan. Christus is juist daarvoor gekomen, om hen op te zoeken; en Hij zál hen vinden. Heeft Hij er honderd die Zijn Vader Hem gegeven heeft, dan zal Hij Zich niet tevredenstellen met negenennegentig, maar zullen die honderd er alle zijn.
En dan, alsof Hij ons wil tonen dat wij zelfs de allerkleinste in het gezin niet mogen verachten en ook de meest afdwalende niet, brengt Hij het ons persoonlijk thuis.
Mattheüs 18:15.KruisverwijzingenLeviticus 19:17→Kolossenzen 3:13→2 Thessalonicenzen 3:15→Leviticus 6:2→Lukas 17:3→1 Korinthe 9:19→1 Petrus 3:1→Psalmen 141:5→ — Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen. “Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.”
Zeg niet: hij moet maar naar mij toe komen. Ga naar hém toe; hij heeft tegen u gezondigd, het is een persoonlijke zaak, ga hem opzoeken.
Het heeft geen zin te verwachten dat wie het onrecht deed vrede zal proberen te sluiten. Het is altijd de gekwetste die vergeven moet, hoewel hijzelf niets te laten vergeven heeft. Daar komt het altijd op neer. En het is de gekwetste die, als hij de gezindheid van Christus heeft, met de verzoening beginnen moet.
Mattheüs 18:16-17.Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 3:6→Deuteronomium 19:15→1 Timotheüs 5:19→Johannes 8:17→2 Korinthe 13:1→Hebreeën 10:28→Numeri 35:30→1 Korinthe 5:3→ — Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. “Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.”
Verlaat zijn gezelschap. Hij heeft de laatste rechtbank veracht; nu moet u hem laten gaan. Wees niet boos op hem. Vergeef hem van harte, maar ga niet meer met hem om.
Mattheüs 18:18.KruisverwijzingenMattheüs 16:19→Johannes 20:23→2 Korinthe 2:10→Openbaring 3:7→ — Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. “Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.”
Waar de gemeente juist handelt, heeft zij de plechtige goedkeuring van God. Wat deze mindere rechtbank op aarde besluit, wordt door de grote rechtbank daarboven bekrachtigd. Daarmee wordt dit binden en ontbinden dat Christus aan Zijn gemeente gegeven heeft een heel ernstige zaak.
Mattheüs 18:19-20.Kruisverwijzingen1 Johannes 5:14→Johannes 20:26→Markus 11:24→Jakobus 5:14→Openbaring 21:3→Mattheüs 7:7→1 Korinthe 5:4→Johannes 16:23→ — Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen. “Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.”
Het is dus niet een grote gemeente die met deze wonderlijke kracht van het gebed omgord is, maar zelfs twee of drie. Christus wil niet dat wij één mens verachten, en Hij wil ook niet dat wij twee of drie verachten. “Want wie veracht den dag der kleine dingen?”
Meet integendeel naar hoedanigheid en niet naar hoeveelheid. En schiet zelfs de hoedanigheid tekort, meet dan naar de liefde, en niet naar een of andere regel van recht die u zelf hebt opgesteld.
Mattheüs 18:21.KruisverwijzingenLukas 17:3→Mattheüs 18:15→ — Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? “Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?”
Petrus dacht dat hij zijn mond wel heel wijd opendeed toen hij dat zei.
Mattheüs 18:22.KruisverwijzingenKolossenzen 3:13→Markus 11:25→Efeze 4:31→Mattheüs 6:14→Mattheüs 6:11→Efeze 4:26→Romeinen 12:21→1 Timotheüs 2:8→ — Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. “Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.”
Het verwondert mij niet dat wij elders lezen dat de discipelen zeiden: “Vermeerder ons het geloof.” Want er is veel geloof nodig om zoveel geduld te hebben en steeds maar weer te blijven vergeven.
V. Vs. 1-20.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:2→Hebreeën 1:14→Mattheüs 19:14→1 Korinthe 14:20→Psalmen 91:11→Psalmen 34:7→Jakobus 5:19→Lukas 18:16→ — Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen? En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen; En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen. En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt! Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden. Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is. De discipelen hadden op de weg gestreden, wie bij de oprichting van het rijk van Jezus de hoogste plaats daarin ontvangen zou, en deze strijd moet na hetgeen bij het terugkeren naar Kapérnaüm, volgens de inhoud van het vorige hoofdstuk voorgevallen was, als nu openbaar worden. De Heere brengt, als de discipelen op het punt zijn zelf Zijn beslissing in te roepen (vs. 1), hen allereerst door een voorkomende vraag tot bewustzijn, dat Hij hun gedachten van verre verstaat en al hun wegen weet, en maakt hierop van hun vraag gebruik in een drievoudige richting: 1) Tegenover de hoogmoed, waaruit de strijd voortgekomen is, plaatst Hij, terwijl Hij er een kind bij roept, de kinderzin en de nederige zorg voor de kleinen (vs. 2-5); 2) zowel de ergernis, die door de strijd gegeven was als de vooruitziende blik op al de ergernissen, die zulke kinderen zouden treffen, geeft Hem aanleiding tot een waarschuwing tegen het geven van ergernis en tot een vernieuwing om de ergernis uit zichzelf uit te roeien en de ergernissen, die van de wereld uitgaan daar, waar zij het meest te bejammeren zijn, met zoveel te meer trouw in de waarneming van hun apostolisch ambt te bestrijden (vs. 6-14); 3) De onderlinge schade, die de discipelen met hun strijd aangericht hebben, doet Hem een voorschrift geven, hoe, wanneer Hij er niet meer zijn zal, de Zijnen zich in twistzaken te houden zullen hebben.
(Evangelie op de St. Michaëlsdag; vs. 1-11)
De naam MICHAËL (d. i. : wie is als God?) ontmoeten wij in de Heilige Schrift het eerst als de naam van een mens (Num. 13: 14), dan verschijnt hij echter op het gebied van de later ontwikkelde engelenleer (Dan. 10: 13), en duidt daar die van de voornaamste engelenvorsten aan, die het volk Israël onder zijn bijzondere bescherming heeft, en diens zaak verdedigt tegenover de machten van de duisternis (Dan. 12: 1 Judas 1: 9). Als zodanig moet hij ook in Openbaring . 12: 7vv. beschouwd worden, wanneer men de zinnebeeldige gebeurtenis goed verstaan wil. Omdat de Roomsch-Katholieke kerk zich veel, wat allereerst aan het verbondsvolk van het Oude Testament gegeven en beloofd was, toegeëigend heeft, zo is ook deze aartsengel hun lievelingssymbool. Reeds vroegtijdig werd vóór 29 september het Michaëlsfeest ingesteld (door Paus Felix in het jaar 480 na Chr. ), en kwam in het bijzonder in Frankrijk in grote eer, als het feest van voorgewende verschijningen van de aartsengel. De Evangelische kerk behield de dag, maar gaf hem de algemene bedoeling van de engelen, in het algemeen, opdat op die gehandeld zou worden over de natuur, het ambt en de weldaden van de heilige engelen. Voor dat doel zal het voor ons liggende hoofdstuk, dat tegen het einde op de engelen wijst, voldoende zijn. Hij heeft echter tegelijk stof aangeboden, dat later meer aan de kinderen en hun Christelijke opvoeding, dan aan de engelen zelf gedacht wordt, en de dag bestemd is tot het houden van een eigenlijke predikatie voor de schooljeugd.
KruisverwijzingenMattheüs 20:20→Lukas 9:46→Markus 9:33→Markus 10:35→Mattheüs 3:2→Lukas 22:24→Markus 10:14→— Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?
In die tijd, waarin op de eerder (hoofdstuk 17: 25vv. ) meegedeelde wijze een gesprek tussen de Heere en Petrus plaatsvond, en de laatste met het geldstuk van de visvangst terugkeerde, kwamen de discipelen totJezus. Zij wilden Hem gezamenlijk vragen, zeggende: Wie is toch de meeste in het koninkrijk der hemelen? Wie van ons zal in het hemelrijk, dat Gij zult oprichten, de hoogste plaats bezetten?
In het begin van het vorig hoofdstuk waren de discipelen uit elkaar gegaan, terwijl bij het terugkeren naar Kapérnaüm de één zich hier, de andere daarheen verstrooid had, en in deze tijd valt hetgeen Johannes naderhand (Mark. 9: 38 Luk. 9: 49) van zichzelfen van zijn broeder Jakobus bericht. Petrus, aan wie de ontvangers van de schatting gevraagd hadden, hoe hun Meester het dit jaar met de didrachmen doen zou, of Hij ze dacht te betalen of niet, waarbij zij het eerste veronderstellen, en, uit de mond van de discipel ook dadelijk de bevestiging van deze veronderstelling horen, heeft dientengevolge Jezus weer het eerst ontmoet. Op de terugweg van zijn gang naar het meer heeft hij, naar het schijnt, buiten op de straat zijn medediscipelen nog ontmoet, heeft hun de geschiedenis van de didrachmen verteld en zijn vondst in de mond van de vis meegedeeld. Hij heeft daarmee de strijd over de rang, die de discipelen reeds op hun terugreis naar Galilea in samenhang met de verkondiging in hoofdstuk 17: 22vv. met elkaar gehad hebben (Mark. 9: 33 Luk. 9: 46), opnieuw opgewekt, of daaraan een andere wending gegeven. Indien het woord van de Heere tot Petrus in hoofdstuk 16: 17vv. hem een zekere voorrang boven de overige discipelen toegekend had, zo zou dat toen toch nog geen aanleiding voor de discipelen geweest zijn, om over de rangen en het toekomstige rijk van Christus te twisten; ten eerste omdat de gedachte aan de spoedige oprichting van dit rijk hun nog niet zo duidelijk was, maar de Heere eerst nog van het stichten van Zijn gemeente sprak; en ten tweede omdat Petrus naderhand zelf aanleiding gaf tot een scherpe terechtwijzing. De discipelen kwamen echter wel door de herhaalde aankondiging van Jezus in hoofdstuk 17: 22vv. tot het levend bewustzijn, dat zij nu een omkering van de dingen, een beslissend punt met betrekking tot de oprichting van het Messiaanse rijk tegemoet gingen. Zij lieten de treurige inhoud van die aankondiging rusten en bleven aan de veronderstelling vasthouden, dat dit ongeluk slechts voorbijgaand kon zijn, maar dat het einde verblijdend moest wezen; en zo scheen het hun toe, nog vóórdat zij te Kapérnaüm gekomen waren, dat het tijd was, om de waardigheden in dat toekomstig rijk onder elkaar te verdelen, waarbij Petrus de hem door de Heere gegeven belofte deed gelden, maar Jakobus en Johannes er echter gewicht aan hechtten, dat zij eveneens mede op de berg van de verheerlijking geweest waren. De overige negen daarentegen moest het een steek in het hart geven, dat zij die maanzieke knaap niet hadden kunnen genezen, ofschoon zij daarom toch niet bij de drie wilden achterstaan, en daarom besloten hun zaak zo spoedig mogelijk aan de Heere ter beslissing voor te leggen. Toen nu echter bij hun hierboven beschreven ontmoeting met Petrus, deze hun van het geval met de didrachmen en van het bevel van Jezus, dat hij intussen uitgevoerd had, vertelde, toen werkte het “geef die aan hem voor Mij en voor u, ” zeer terneerslaande op hen. De Heere scheen Petrus daarmee naast Zich geplaatst te hebben, hem uit het getal van zijn medediscipelen, die de didrachmen wel voor zich uit de gemeenschappelijke kas betaald hadden, door de wonderbare verschaffing van de schatting gerukt te hebben, en zó reeds beslist te hebben, wie van hen allen de meeste zou zijn in het koninkrijk der hemelen. Hun verzoek had zich toen reeds tot de vraag gevormd, zoals zij in de grondtekst – eigenlijk luidt: “Wie is dus (zo als de zaken nu staan) de meeste?” “hebt Gij werkelijk reeds over de eerste plaats in Uw rijk beschikt?” De Heere echter, evenals in hoofdstuk 17: 25 bij Petrus, laat hen niet aan het woord komen, maar komt hen met een vraag voor; en dan neemt Hij hun vraag niet in die vorm op, zoals zij door het geval met de didrachmen en de stater zich gevormd heeft, maar Hij verplaatst de gehele zaak weer in de status quo ante, d. i. in die gesteldheid, waarin zij zich vroeger op de weg bevonden hadden, waarom de beide andere Evangelisten die zaak ook alleen van dit standpunt uit behandelen. De discipelen waren door de vraag zelf: “Wat handelt gij met elkaar op de weg?” reeds beschaamd; zij erkenden, dat zij met hun aanspraken op de voorrang op dwaalwegen geraakt waren, en waagden het niet, hun zaak noch in de ene, noch in de andere vorm voor te dragen; het was toch alles reeds naakt en geopend voor Zijn ogen. Zo is het bericht van Markus met dat van Mattheüs op een eenvoudige wijze met elkaar te verenigen; en ook Lukas heeft gelijk, wanneer hij alleen van de “gedachten van hun hart spreekt, die Jezus gezien heeft, ” en waarop Hij vervolgens antwoord gegeven heeft. Met zulke woorden als deze beschrijven de apostelen van de Heere zichzelf, en zeggen zij: “Zulke mensen zijn wij geweest. ” Geweest, want toen zij dit schreven, waren zij geheel andere mensen geworden, en vroegen zij niet meer onder elkaar wie de meeste van hen was, maar stelde zich de een vanzelf beneden de ander. Nochtans zijn zij niet vergeten, wat zij vroeger waren, maar stellen zij zich in de evangelische geschiedenis niet voor, dan van de minst eervolle en meest berispelijke zijde. Is dit niet een van de vele treffende bewijzen van de waarheid van hun schriften, en waar heeft ooit iets ter wereld zo’n volslagen verandering in dezelfde mensen teweeggebracht, dan het Christendom? – Wij vragen echter: hoe is het mogelijk, dat de discipelen, die nog zo kort de ernstige onderwijzingen van de Heere aangaande de verloochening van Zichzelf en het dragen van het kruis ontvangen hadden, nu opnieuw tot zo’n kinderachtige zelfverheffing vervallen? Ach, de heerlijkste woorden, zoals de woorden van de Heere waren, hebben op het hart van de mens geen kracht, zonder de Heilige Geest. De Schrift noemt het hart van de onherboren mens een stenen hart, waar de zegen van Gods woord bij afvloeit als het water, zonder vrucht voort te brengen. De Heilige Geest moet dat stenen hart eerst tot een hart van vlees, tot een gevoelig hart maken, zal het de indrukken van het woord van God aannemen. Daarom was de straks volgende zending van de Heilige Geest even onmisbaar als de nu voorafgaande zending van de Zoon. Juist door de weinige vrucht van Zijn woorden, bewees Jezus de volstrekte noodzakelijkheid van Zijn lijden en sterven, tot verkrijging van de belofte van de Vader, – tot het doen uitstorten van de Heilige Geest.
KruisverwijzingenMattheüs 19:13→Jeremia 1:7→Markus 9:36→1 Koningen 3:7→— En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;
En Jezus wilde wat Hij hun te zeggen had door aanschouwen duidelijk maken en een kindje, dat zich in de nabijheid bevond, tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen, terwijl Hij zelf ging zitten als op de rechterstoeltot plechtige beslissing van de hoogst gewichtige vraag.
Volgens de overlevering was dit de latere bisschop Ignatius van Antiochië, die omtrent het jaar 108 n. Chr. onder keizer Trajanus de marteldood onderging.
Kruisverwijzingen1 Petrus 2:2→Markus 10:14→Mattheüs 19:14→1 Korinthe 14:20→Jakobus 5:19→Lukas 18:16→Mattheüs 5:20→Lukas 22:32→— En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
En Hij zei: Voorwaar zeg Ik U: a) Indien gij u niet verandert van die hooggevoeligheid, waarin gij denkt uiterlijk boven anderen verheven te zullen zijn, en wordt als de kinderen, zo eenvoudig en in de kring van ouderen zich klein voelende, zo zult gij in het koninkrijk derhemelen geenszins ingaan, laat staan dat gij tot een hoge plaats daarin komen zou.
Matth. 19: 14; 1 Kor. 14: 20; 1 Petrus . 2: 2.
Zo waren dan zelfs de apostelen het koninkrijk der hemelen nog niet ingegaan? Zo lang de Heere niet was opgestaan, had niets in het koninkrijk der hemelen zijn beslag, zijn onveranderlijke grond en zeker gevolg. Onder de apostelen was nog één verrader, één verloochenaar, en geen van allen had nog de vaste martelaarsmoed, maar allen zouden vluchtelingen zijn. Het was met de apostelen, als het is met alle gelovigen: zo lang zij het zegel van de Heilige Geest niet ontvangen hebben, zo lang zij nog niet kunnen zeggen: “Gods Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn, ” zo lang zij nog niet verzekerd zijn onder de verlosten van de Heere te behoren, verkeren zij nog in een voorlopige toestand, die echter ophouden zal.
KruisverwijzingenMattheüs 23:11→Psalmen 131:1→Mattheüs 18:1→Lukas 9:48→1 Petrus 5:5→Mattheüs 20:26→Lukas 14:11→Jesaja 57:15→— Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.
a) Zo wie het dan in ootmoed en zelfverloochening, de hoofdvoorwaarden om het hemelrijk in te gaan, het verst gebracht zal hebben 3: 24″), die zichzelf zal vernederen, zoals dit kind voor uw ogen zich de geringste acht en tot aller dienaar maakt (Mark. 9: 35), die is de meeste in het koninkrijk der hemelen.
1 Petrus . 5: 6
Hoewel de algemene zondigheid van de menselijke natuur zich ook in het kind openbaart, zo is toch de ootmoed, het gevoel van kleinheid iets, dat aan de kinderlijke natuur eigen is: de koningszoon schaamt zich niet om te spelen met de zoon van de bedelaar. Die kleinheid is hier het punt van vergelijking; weliswaar is die bij kinderen een onbewuste, terwijl zij bij de gelovigen een bewuste moet worden; maar aan de andere zijde is de plaats ook geheel parallel met de gewichtige plaats in Joh. 3: 3 Het worden als de kinderen is de wedergeboorte, waardoor alleen zo’n klein gevoelende kinderzin wordt gewerkt. Door voornemens en inspanningen van de natuurlijke mens kan die niet worden teweeggebracht.
Het kind is juist daardoor groot, omdat het zich in zijn kleinheid en afhankelijkheid op zijn plaats vindt. Zo men hoogmoedig van de toekomst iets verwacht, verliest men het tegenwoordige, met het tegenwoordige het leven, de werkelijkheid. Het kind bezit door zijn kleingevoeligheid en zorgeloosheid een werkelijk leven in het tegenwoordige van ogenblik tot ogenblik. Juist dat is de voorwaarde om groot te worden, een kind, dat zich overspant, moet in die overspanning te gronde gaan.
God houdt Zijn kinderen klein, zoals wij de onze groot maken, en het toenemen van de innerlijke mens is steeds een omgekeerd toenemen in ootmoed en eenvoudigheid. Wat is het punt van vergelijking voor het alles zeggende “gelijk?” Het kan nauwelijks met enig ander woord dan even kinderlijk worden uitgedrukt. Toch treden twee hoofdbegrippen, die op al het daarin gegevene wijzen, dadelijk in het woord van de Heere zelf op de voorgrond: 1) de ootmoed, waarin men zichzelf vernedert (vs. 4); vervolgens 2) het daardoor geschonken vertrouwen van degenen, die in Hem geloven (vs. 6). “Gelijk dit kindje” – ziet het slechts aan en merkt op, hoe het zich thans vertoont en voor u staat; een kind wordt geroepen en komt, wordt geplaatst en laat zich plaatsen, wordt geliefkoosd (Mark. 9: 36) en laat zich liefkozen; het volgt, gehoorzaamt, ontvangt of neemt aan (Mark. 10: 15), wantrouwt niet, weerstreeft niet, is gereed en volgzaam voor iedere oudere, juist omdat het weet, ik ben een kind en dat is een vriendelijk man. Zo’n ootmoedig vertrouwen in het aannemen en gehoorzamen, zo’n eenvoudige overgave aan de liefde en macht van God, die ons in Christus omarmen, en van de aarde naar de hemel wil verheffen, is de kinderlijkheid, die naar het hemelrijk leidt.
Het schijnt het onbeduidendste en nietswaardigste te zijn, klein als de kinderen te wezen, en toch is het het moeilijkste; veel eerder verwoest de mens grote koninkrijken, en maakt zijn naam gevreesd en geëerd op de aardbodem, dan dat hij het zo ver brengt tot de kinderlijke stand terug te keren. Ja, dit is het grootste werk, dat een mens op aarde volbrengen kan; het is het werk, dat weliswaar geen roem bij de wereld, maar eeuwige, onvergankelijke roem bij God heeft. Eens zal God de Voornaamste kroon reiken aan degene, die het hierin het verste gebracht heeft; en die zal Hij op de hoogste stoel plaatsen, die hier het geringste geworden is.
Is er dan een bron van de jeugd en een stroom van de verjonging voor een oud zondaarshart, voor een leven, dat door de zonde verdorven is? Ja, er is een bron, waarin gij de zonden van de vorige jaren voor eeuwig kunt afwassen en doen verzinken. Er is een wonderbare bron, waaruit gij, oude zondaar, verjongd en wedergeboren kunt uitkomen als een kind, als een zalig kind van God; er is een nieuw leven, een paradijs, een hemelrijk voor u te verkrijgen op aarde. De bron, de wonderbare stroom, het koninkrijk der hemelen, dat is Gods genade en erbarming, opgesloten in Christus Jezus; laat daar uw vroeger leven in hartelijke boete verzinken, laat u daar reinigen door het bloed van Christus in het geloof, heiligen door Christus’ Geest tot een nieuwe gehoorzaamheid, en gij zult een nieuw mens worden, gij zult een heilig kind van God zijn, zult opvaren met vleugels als die van een arend, wiens gevederte vernieuwd is.
Het kind is gelijk aan een knop, die nog in de groene kelk het purper besloten houdt, maar iedere dag nieuwe heerlijkheid ontvouwt; het sluimert zo zoet en lief in zijn weg, alsof engelen met hem speelden; het leeft op de dag zo geheel voor zijn spel, alsof geen ernst van het leven voor hem ooit bereid was, en alsof zijn dagwerk slechts genieten zou zijn; het vergeet elke smart zo spoedig alsof het geboren was, om zich te verheugen en nooit te treuren. Willen wij volwassenen ons een mooie tijd van het leven denken, wij verplaatsen ons in onze kinderjaren, noemen die tijd het beeld van het verloren paradijs: en zelfs de kunst, wanneer zij de engelen in de hemel wilde voorstellen, vond geen beter, sprekender beeld, dan het beeld van een kind, dikwijls alleen het aangezicht van een kind, met vleugels. O, hoeveel zouden duizenden ervoor willen geven, wanneer die gouden dagen van hun leven ooit konden terugkomen. Welaan, wordt kinderen van God in Christus, en die gouden dagen zijn voor u teruggekomen; ja nog mooier dan in uw kindsheid, omdat zij niet meer zonder bewustzijn, maar met het volle bewustzijn zijn. In Christus hebt en geniet gij een vrede, die hoger is dan alle kennis en die de wereld niet geven, maar ook niet nemen kan. De hartstochten zwijgen, de zonden zijn vergeven, het geweten is verzoend, de begeerlijkheden zijn gestild, de strijd in het hart tussen willen en niet willen is uitgestreden, en midden in de smarten van het aardse leven rust het begenadigde gemoed zalig in de armen van de goddelijke liefde.
Zich niet groot, maar klein voordoen, – ziedaar het geheim van de Christen. Het kind van deze wereld trekt de ogen graag tot zich en wil geacht en geëerd zijn. De Christen maakt op dat alles niet de minste aanspraak, en doet ook niet de minste moeite om het recht ertoe te verkrijgen. Hij gaat eenvoudig, biddend en werkend zijn weg, en probeert hiermee de Heere te behagen. Het is dus geen wonder, dat de wereld zulke mensen niet kan gebruiken, die wereld, die uitsluitend de hoogste ijver vraagt voor de bevordering van haar belangen. Aan de andere kant is het een hart innemende gedachte, dat wij alleen als kindertjes tot God kunnen komen. Immers wij zijn, hoe hooggeplaatst en hoe veelzijdig ontwikkeld, bij God, tot wie wij komen, toch wel niet meer dan wat kleine kinderen bij ons zijn. Wat is onze hoogheid bij Gods hoogheid, en ons verstand bij Zijn verstand, en wij zouden tot Hem durven komen als wijzen en verstandigen, als wetenschappelijke mannen, die wat weten, die veel weten, die alles weten, die onze eigen wereldbeschouwing hebben, ver verheven boven de wereldbeschouwing, die de Schrift openbaart als de wereldbeschouwing van God, en van het kind van God? Wat zou de hoogleraar zeggen, wanneer de studenten hem wilden meesteren? Zien wij dan toe, dat wij met een klein gevoel van onszelf tot God komen; alleen als kinderen vinden wij in God een Vader; die in een andere houding tot Hem komt, vindt ook Hem in een andere betrekking. Die met Hem wil rechten, diens Rechter zal Hij Zijn.
KruisverwijzingenMattheüs 25:40→Galaten 4:14→Mattheüs 10:40→Lukas 17:1→Lukas 9:48→Mattheüs 25:45→Markus 9:37→Johannes 13:20→— En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
En als wie, aldus ging Jezus voort, terwijl Hij een kind in Zijn armen nam (Mark. 9: 36), zo’n kind, een bij wie de kinderlijke gezindheid is geworden, bijzonder liefheeft, en ontvangt in Mijn naam, dus niet uit menselijke vriendschap en wereldse berekening, maar om geloofsgemeenschap te oefenen, of om tot diezelfde kinderzin te komen, die ontvangt Mij. Wat aan zo iemand gedaan wordt, zal Ik in de dag van het gericht achten, aan Mij gedaan te zijn.
Omdat Christus van Zijn discipelen ten opzichte van zo’n kind geen lichamelijke verpleging en verzorging eisen kan, zo moet Hij wel op hun toekomstig leraarsambt (Joh. 21: 15) doelen, dat zij in het bijzonder op het onderwijs van de kinderen in de Christelijke leer zouden letten, bij wie zij nog eerder iets zouden uitrichten, dan bij de ouderen, omdat kinderen nog niet zoveel vooroordelen hebben.
O zalige arbeid, o heerlijk genadeloon, zich kinderen, wezen en eenvoudigen aan te trekken en hen door getrouw onderricht en godsdienstige opvoeding naar Christus te leiden!
Met deze opneming van het kind in de naam van Jezus is het uitgesproken, dat het natuurlijke kind hier geen tegenstelling van het geestelijke kind vormen zal; ook de volwassen arme neger, die de school van Jezus wil betreden, kan zo’n kind zijn. In meer algemene zin duidt het kind de schijnbaar kleinen in het koninkrijk der hemelen aan in tegenstelling tot de schijnbaar groten, dus de catechisanten tegenover de mondigen, de gemeente, die geleid wordt, tegenover degenen, die haar leiden; en weliswaar de dienst aan een enkele heeft reeds de gehele belofte.
Tussen vs. 5 en 6 komt nu de door Markus en Lukas aangehaalde vraag van Johannes over de onbekende discipel, die tot hiertoe niet tot de gemeenschap van de volgelingen van Jezus behoorde, maar die toch in Jezus’ naam duivels uitwierp en aan wie de apostelen het verboden hadden. Hierop heeft dus de waarschuwing van de Heere ook betrekking: “Wie iemand die in Mij gelooft, ergert” – beledigt, veracht, niet laat begaan, en hem in zijn stil, afgescheiden geloof, dat nog aan het ontkiemen is, maar dat toch reeds een geloof kan zijn, dat zeer te eerbiedigen is, aan het dwalen brengt. Dit komt er echter ongezocht tussen.
Mattheüs laat de Heere met recht voortgaan, zonder van dit voorval te spreken want Hij zou werkelijk ook zonder dat Zijn rede zó voortgezet hebben.
De Heere bedoelt hiermee én de discipelen, die als de kinderen zijn, én de kleine kinderen zelf. De Heere wil, wat wij om Zijnentwil ook bijzonder de kindertjes liefhebben; dat wij ons hun lot aantrekken, dat wij ze opnemen, tot ons nemen, ja als op de armen nemen om ze Hem toe te brengen, door ze tot Hem te brengen. In de naam van de Heere is zoveel als in de plaats van de Heere. Wij moeten de kinderen beschouwen als geheiligden van de Heere, 1 Kor. 7: 14 , en ze als zodanig opvoeden en onderwijzen. Het is daarom onverantwoordelijk voor God om de kinderen op de scholen in alles onderwijs te geven uitgenomen in de kennis van God, zoals Hij Zichzelf in Zijn Woord geopenbaard heeft.
KruisverwijzingenMarkus 9:42→2 Thessalonicenzen 1:6→Mattheüs 18:10→Psalmen 105:15→Romeinen 14:13→Zacharia 2:8→Mattheüs 18:14→Zacharia 13:7→— Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.
Maar zo wie juist het tegendeel doet, en in plaats van de kinderen in Mijn naam te ontvangen, een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, omdat Hij, wat bij de natuurlijk of geestelijk kleinen, reeds van geloof aanwezig is, doordwaalredenen of kwaad voorbeeld weer doodt, die stelt zich tegenover Mij. Het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte van de zee. Hen wacht een goddelijke straf, waarbij die doodstraf, waardoor mensen zich van een grote misdadiger proberen te ontdoen, voor niets te rekenen is.
Wie zou de Heere niet graag bij zich willen opnemen, al ware het ook, dat hij Hem van het einde van de wereld moest halen. Er is geen liever, voornamer gast; waar Hij komt, daar brengt Hij het hemelrijk mee en geeft iedereen koninklijke geschenken. Wilt gij deze gast herbergen? Hij woont nu ver van u in de hoge hemel, maar Hij heeft u de weg aangewezen, hoe gij tot Hem kunt komen; Hij heeft nog een plaats op aarde, waar Hij te vinden is. Gij vindt de Grootste, Hij de kleinste; de vrome kinderschaar is Zijn hofgezin; zij zijn Zijn vorsten, graven, raadgevers en machtigen, en de dingen die hen aangaan, zijn voor Hem gewichtige rijksaangelegenheden. De weg tot de moeders gaat door het hart van de kinderen; wie deze wint, heeft ook de moeders. Dezelfde weg voert ook tot de Heere: wie Hem wil hebben, vrage bij de kinderen, en wie Hem wil opnemen, bevele zich aan de kinderen. Hun zaak is geheel de zaak van de Heere; daarom moet men zich aan de kinderen laten gelegen liggen, voor hen bidden, hen in Gods Woord en alle goede en nuttige dingen voor deze en de andere wereld onderrichten en hen zo opvoeden, dat zij in alle goede deugden opgroeien. Wie dat doet, doet een recht goddelijk werk, en neemt de Heere Jezus zelf bij zich op. Hoe verschrikkelijk is het daarentegen, wanneer men de kinderen zo weinig acht, zoals het meestal gebeurt! Men laat de kinderen opgroeien, evenals het gras op het veld; gelukken zij, zo gelukken zij. En dat is nog niet het ergste; men gaat hen voor met een slecht voorbeeld; men spoort hen aan tot vloeken, liegen en stelen, men vergiftigt hun zielen door slechte redenen, men lastert voor hun oren het Woord van God, alsof men ze niet vroeg genoeg tot kinderen van de duivel kan maken. Dat is de Heere naar Zijn kroon en naar Zijn rijk steken; daarom zegt Hij: “Zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert enz. ” Een moordenaar en hoogverrader brengt men met het zwaard ter dood; maar een mens, die een kind tot het kwaad verleidt en tot de val brengt, is veel grotere straf waard. Hij is een zielenmoorder, die honderdmaal erger is dan een moordenaar van het lichaam; hij verdient verdronken te worden in het diepste van de zee, en dat er een zware molensteen aan zijn hals gebonden wordt, opdat hij onder in de zee verrotte, of door de vissen opgegeten worde, en nooit weer, ook niet een lid van zijn lichaam, te voorschijn kome. Die straf verdient hij, en dat zou nog een zachte straf zijn; maar God zal zulke heilloze zielenmoordenaars nog anders weten te straffen, en wanneer de tijd komen zal, zullen zij het voelen, dat het voor hen inderdaad beter geweest zou zijn, als zij in het diepste van de zee verdronken waren.
Evenals de kerk aan het bevel van de Heere om zo’n kind op te nemen in Zijn naam, van haar zijde in een onbeperkte omvang daardoor beantwoordt, dat zij reeds de pasgeboren kinderen door de ouders tot de doop roept, zo hebben ook ouders en opvoeders zich van hun zijde voor het geven van ergernis te wachten; het is daarom van groot gewicht, te erkennen, dat ook de kleinste kinderen tot de klasse, “van deze kleinen, die in Christus geloven, ” kunnen behoren.
De kinderen zijn nog klein (niet eenmaal paidia volgens Lukas), en werden waarschijnlijk op de armen van hun moeders tot Jezus gebracht, opdat Hij ze zegenend aanraken en een gebed over hen uitspreken zou. Wel was het meermalen gewoonte in Israël zo’n weldaad van Rabbijnen en synagogenvoorstanders te vragen; maar dat men het nog in dit laatste tijdperk van Jezus’ leven te midden van klimmende tegenstand van Hem begeerde, legt zowel van de indruk, die Zijn prediking in deze streken gemaakt had als van de stemming van die moederlijke harten een vererend getuigenis af. Zij zien, dat de Meester gereed is te gaan; wellicht ontwaakt bij sommigen het voorgevoel, dat men Hem in lange tijd, wellicht in het geheel niet zal terugzien: nu brengt men de kinderen tot Hem, opdat Hij Zijn afscheidszegen zou achterlaten op hun jeugdige hoofden. Eer echter de heilbegerige moeders, gedreven door een dergelijk gevoel als waaruit later de begeerte naar de kinderdoop ontstaan is, tot de Meester zelf genaderd zijn, hebben zij door een groep van tegenstanders te dringen, in wie zij wellicht voorsprekers en vrienden gewacht hadden. De discipelen bestraffen haar, in de ernstige mening, dat het ongepast is de grote Profeet met zo kleine aangelegenheid bezig te houden, en thans vooral begerig, dat Hij Zijn huwelijksonderwijs zonder enige verhindering voortzette. Maar nauwelijks heeft Jezus ontdekt, wie Hem naderen willen, en wie het zijn, die hen stuiten, of aan Hem komt de beurt van bestraffen, en met ernst en liefde kwijt Hij zich van deze nodige taak. Hebben de discipelen gemeend, dat kinderen minder dan anderen in Zijn nabijheid behoren, Hij geeft te kennen, dat Hij hen meer dan velen bij voorkeur in Zijn omgeving verlangt. Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet, want voor hen (hunner, en aan wie evenals zij zijn gezind) is het koninkrijk van God. ” Dachten de discipelen, dat de kinderen eerst moesten worden als zij, zouden zij voorwerpen van Jezus’ belangstelling wezen, de Heere verzekert hun, dat zij eerst moesten worden als de kinderen, zouden zij deelgenoten van Zijn hoge goedkeuring zijn. Hij vertelt, wat Hij reeds vroeger gezegd had, in enigzins andere vorm: “voorwaar zeg Ik u, zo wie het koninkrijk van God niet zal ontvangen als een kind, die zal er geenszins inkomen. ” Zo doet Hij hun bij vernieuwing voelen, dat kinderlijke nederigheid en eenvoudigheid volstrekt noodzakelijk is, om het koninkrijk van God te kennen, te zoeken, te schatten, werkelijk in te gaan, en als een waar onderdaan door zijn wandel te versieren. En als had Hij het willen tonen, hoe ook kinderen vatbaar zijn voor Zijn hemelse zegeningen, Hij voldoet aan de wens van het moederhart, en legt zegenende handen op de jeugdig gebogen hoofden. Wij weten niet, wie deze gelukkigen waren, maar zover is het ervan verwijderd, dat wij met de eerste discipelen deze ontmoeting als een onwelkome stoornis beschouwen, dat wij haar integendeel als een heldere lichtstraal begroeten over de aard, de waarde en de grondwet van het koninkrijk van God. De Koning van dat rijk is niet slechts beminnelijk, maar ook eerbiedwaardig in ons oog, waar Hij, die de gehele wereld op het hart droeg, kinderen aan dat hart drukt en zegent. Zo’n afscheidsgroet aan de streek, die Hem zo vaak “de armen het Evangelie had horen verkondigen. ” betaamde Hem, die aan kinderen en eenvoudigen openbaarde, wat aan wijzen en verstandigen verborgen bleef.
KruisverwijzingenLukas 17:1→1 Korinthe 11:19→Mattheüs 26:24→1 Samuël 2:17→2 Thessalonicenzen 2:3→Romeinen 2:23→2 Samuël 12:14→Markus 13:7→— Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!
Wee de wereld, al degene, die vijandig tegenover Mijn gemeente staan 1: 9″), van de ergernissen, die zij bereidt aan hen, die in Mij geloven, omdat zij zelf niet ingaat, noch ook anderen wil laten ingaan (hoofdstuk 23: 13)! want het is noodzakelijk, het kan niet anders, nu de wereld eenmaal zo is, dat de ergernissen komen. En wat onvermijdelijk is, is aan de andere zijde reeds in het Goddelijk raadsbesluit opgenomen, en heeft tot doel de rechtvaardigen te doen openbaar worden, en te richten allen, die lust in de ongerechtigheid hebben (1 Kor. 11: 19; 2 Thessalonicenzen. 2: 11vv. ). a) Maar wee toch in elk geval, waar wat vooruitgezien en vooruit bedacht is, tot werkelijkheid komt; wee die mens, door wie de ergernis komt!
MATTHEUS. 26: 24 Hand. 2: 23; 4: 27, 28
KruisverwijzingenMattheüs 5:29→Mattheüs 25:41→Deuteronomium 13:6→Jesaja 33:14→Mattheüs 25:46→Lukas 16:24→Openbaring 20:15→Openbaring 14:10→— Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
a) Indien dan de wereld, die ergernis geeft, in uzelf is, zo volbreng het gericht ook zelf daar, waar zij ontstaat, opdat niet uw gehele mens haar tot buit worde en aan het gericht worde overgegeven. Wanneer, zoals op gelijke wijze omtrent het zesde gebod is gezegd, uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
Deut. 13: 6 Mark. 9: 43 MATTHEUS. 5: 29, 36
KruisverwijzingenMattheüs 5:22→Mattheüs 5:29→Mattheüs 18:8→Markus 9:47→Openbaring 21:27→Lukas 9:24→Mattheüs 19:23→Hebreeën 4:11→— En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.
En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werp het van u. Het is beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.
In de bergrede werd het eerst van de overspelige lust van het vlees gesproken; hier wordt elke prikkeling tot zonde in het algemeen bedoeld, en gerekend onder de grote ergernissen in de wereld, die van de mensen komen, of liever de ergernis van binnen, die bij ieder uit het eigen vlees voortkomt, wordt als haar eerste kiem en wortel, die men af moet houwen, opengelegd. Wilt gij daar buiten geen ergernis geven, opdat het wee u niet treft, nu zo doe de ergernis van binnen te niet, en wel ernstig; dood zelfs met de heilzame dood ten leven de oude mens, uit wie de ergernis komt. “Indien dan uw hand of uw voet, ” daarmee spreekt de Heere nu weer Zijn discipelen aan, en ieder, die het is, of graag zou willen worden. Dat ik door mijn eigen ledematen, door mijzelf geërgerd wordt, geeft reeds de innerlijke strijd van de oude met de nieuwe mens te kennen; de wereld kent en voelt dat niet – wie het voelt, is reeds niet meer van deze wereld. En toch is aan de andere zijde de wereld die ergernis geeft, nog in hem, die daar te overwinnen is niet als iets, dat gemakkelijk gaat. In de bergrede nam de Heere na de eerste schrede van het aanzien tot het begeren, van de lust tot het doen, het oog tot voorbeeld; nu keert Hij het ook om, omdat de ergernis helaas steeds opnieuw komt, en na het afhouwen van hand en voet toch weer tot het oog komt. De ergernis kan zich als het ware, in plaats van het onderdrukte handelen en wandelen, ten minste met de verborgen lust nog tevreden stellen; indien gij echter die stille lust niet afweert, zo zal de ergernis spoedig weer aan hand en voet komen.
Het gaat niet zonder scherpe pijnen en zware offers, wanneer wij de ergernissen willen uitroeien; indien het nodig ware, dat wij handen, voeten en ogen moesten geven, zij moesten er allen aan, om de ziel te redden. Maar er zijn nog andere handen, voeten en ogen, die veel moeilijker af te houwen en uit te rukken zijn, en die noodzakelijk afgehouwen en uitgerukt moeten worden: het is het hovaardige, toornige oog, het zijn de diefachtige, gewelddadige handen, het zijn de voeten, die de weg van de vrede niet willen bewandelen; voeg daarbij nog de lastertong en de leugenmond, hoeveel onheil wordt daardoor aangericht, hoeveel ergernis wordt daardoor gegeven, hoeveel zielen worden daardoor in het tijdelijk en eeuwig, verderf gestort! Lieve Christen, houw al zulke ledematen af, houw ze dagelijks af, omdat ze dagelijks weer aangroeien, en in het bijzonder, wanneer gij met de kleine majesteiten van de hemel, met de kinderen te doen hebt, neem dan uzelf in acht, dat gij ze niet met een van uw leden ergert.
Het besluit, oog, hand en voet op te offeren omwille van de Heere, is zoveel te zwaarder, omdat de wereld iedereen uitlacht en bespot, die de Heere in het kleine getrouw wil zijn en wil navolgen. De wereld noemt hem een dwaas, gek, dweper, waanzinnige, en doet hem allerlei hartenleed aan. Ja, het besluit is zelfs onmogelijk, wanneer wij niet een goed bezitten, dat ons meer is dan de hoogste goederen van de aarde, dat ons liever is dan de liefste mensen, dat ons onontbeerlijker is dan de onontbeerlijkste behoeften van de wereld, dat ons het goed van alle goederen, onze roem en onze lust, onze eer en heerlijkheid, onze zon en vreugde, ons hoogste en liefste, ons één en ons alles is. – Is u uw lichaam en aards leven reeds zo dierbaar, dat gij u, om het te behouden, aan de smartelijke operatie aan het oog, aan de hand en aan de voet onderwerpt, hoeveel nodiger is zo’n operatie aan de ziel, al kostte zij ook ons vermogen, onze roem, onze tot hiertoe gelukkige werkkring, ons huiselijk geluk, onze beste vrienden en bloedverwanten, ja zelfs gezondheid en leven, wanneer wij daarmee een innerlijke blijvende zielenvrede kunnen kopen, de troost van de gemeenschap van de heiligen, het bewustzijn van de goddelijke genade en de zekerheid van de toekomstige heerlijkheid en zaligheid. Beter een oog, dat op God ziet, dan twee ogen, waarvan het een zich naar de hemel, het ander zich naar de wereld wendt; beter, zoals iemand het eens krachtig en bondig uitdrukte, in de kerker of aan de galg zalig te sterven, dan op het paradebed naar de duivel te gaan.
In Mark. 9: 49vv. gaat de Heere nog verder voort met hetgeen hier gezegd is, en besluit het met een vermaning, die terugziet op de strijd van de discipelen over de rang, en hun geeft te bedenken, dat zij zich, om hun bestemming als het zout van de aarde te bereiken, in het bijzonder ook op de vreedzaamheid onder elkaar moeten toeleggen, opdat, hetgeen de een bouwt, de andere niet weer verwoeste. Hier sluit zich aan hetgeen wij op de voorgaande plaats lezen: alleen met het vermijden van ergernis geven hebben de discipelen nog lang niet hun hoge, heilige roeping vervuld; zij moeten zich veeleer degenen, die het meest met de ergernis, die van de wereld uitgaat, bedreigd zijn, en het gemakkelijkst ervoor bezwijken, met bijzondere opoffering en zorg aantrekken. Daarom mogen zij de handeling van de hovaardige schriftgeleerden, die meenden dat het beneden hun waardigheid was, zich met de kleinen te bemoeien, niet tot voorbeeld nemen, maar moeten zich liever door hun Vader in de hemel en door Zijn bedoelingen laten leiden.
KruisverwijzingenHebreeën 1:14→Psalmen 91:11→Psalmen 34:7→Romeinen 14:10→Romeinen 14:21→Handelingen 12:23→1 Koningen 22:19→Handelingen 12:7→— Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
Ziet toe bij het volbrengen van uw apostolische roeping, dat gij niet, zoals de schriftgeleerden (hoofdstuk 19: 13), een van deze kleinen veracht, alsof zij te gering en te onbeduidend waren, dan dat men zich om hen zou bekommeren. Zij zijn integendeel voor God in waarde en worden door Hem op het tederst verzorgd. Want Ik zeg u, Ik, die van hemelse zaken wel weet te spreken (Joh. 3: 12), a) dat hun engelen in de hemelen, die met de bescherming van deze kleinen zijn belast en tot hun bewaking zijn gesteld, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is. Zij bevinden zich als Zijn meest vertrouwde dienaren bestendig in Zijn nabijheid (Jer. 52: 25 Esth. 1: 14), en leggen het aanstonds voor Hem neer, zo hun iets onbehoorlijks wordt aangedaan.
Ps. 34: 8
De naam engel, afgeleid van het Griekse aggelov betekent een bode of afgezant. Het is dus geen naam van hun wezen (deze is “geesten”; Hebr. 1: 14), maar om hun ambt te noemen. Die naam heeft in de Schrift een uitgestrekte betekenis. Elk schepsel kan die dragen, die een openbaring van God heeft mee te delen, die een boodschap aan de mensen moet brengen. Zelfs de gepersonifieerde natuurverschijningen, die Zijn macht en heerlijkheid bekend maken, als storm en bliksem, worden boden of engelen genoemd (Ps. 104: 4 Ps. 148: 8); zo ook mensen die de openbaringen van God bewaren en verkondigen Mal. 2: 7 , de profeten Jes. 6: 8 , Johannes de Doper Mal. 3: 1 Mark. 1: 2 Luk. 7: 27 , ook de apostelen evenals de opzichters van de gemeenten Openbaring . 1: 20). In meer beperkte zin zijn engelen die hogere geesten, die in de dienst van God tot bekendmaking en uitvoering van Zijn wil uitgezonden worden, evenals de Zoon van God zelf, de ongeschapen Engel, die als Engel van het Verbond in het vlees komen zou (Mal. 3: 1) om de volkomen openbaring van God aan de mensen mee te delen, die daarom zowel de naam van Engel als ook de naam van apostel (d. i. gezondene; Hebr. 3: 1) draagt; zowel de eigen Zoon en Heer is, van wie alle kindschap en heerschappij van de schepselen afstamt, als de oorspronkelijke bode, van wie het ambt van alle geschapen boden afkomstig is. Daarom wordt nu ook in Joh. 8: 28 de Vader als de waarachtige Zender aangeduid, terwijl de Zoon de waarachtige afgezant is, in wie de idee van de zending volkomen is verwezenlijkt. Wanneer nu gewichtige natuurverschijnselen slechts in de eigenlijke zin als boden van God aangewezen worden, de Zoon van God slechts voor een tijd gedurende Zijn menswording de naam van Engel des Heren draagt, onder de mensen slechts de bijzonder daartoe geroepenen en aan wie het ambt toevertrouwd is, als gezanten van God optreden, zo worden die hogere geesten in die eigenlijke en engere zin, zonder uitzondering en blijvend engelen genoemd, omdat zij in het oude zowel als in het nieuwe verbond slechts op aarde verschijnen om de goddelijke boodschap over te brengen, en hun bestemming voor de wereld daarin geheel vervat is. Dat de engelen echter schepselen van de alleen ongeschapen God zijn, blijkt uit de algemene Christelijke regel van het geloof van zelf. Naar die regel is er behalve die drie-enige God niets ongeschapens, zijn “ongeschapen zijn” en Godheid, begrippen die nauw met elkaar verenigd zijn, bestaat er geen God behalve die Ene; en is alles wat buiten Hem bestaat, van Hem als Vader, door Hem als Zoon en in Hem als Heilige Geest geschapen, dan zijn ook de engelen geschapen wezens. Wanneer in het scheppingsverhaal van het eerste boek van Mozes van hun schepping niet gesproken wordt, zo heeft dit daarin zijn reden, dat in dit verhaal de mens als het hoogste doel van de schepping, en al het andere als hem ondergeschikt en dienstbaar voorgesteld moet worden, en dit oogmerk door het bericht van de schepping van een hogere geestenwereld licht bedekt of verdonkerd zou kunnen worden. Uit Hebr. 1: 14 waar de engelen uitdrukkelijk geesten genoemd worden, blijkt hun volstrekte onlichamelijkheid. Weliswaar hebben reeds velen van onze kerkvaders gemeend, dat men hun geen grof zinnelijk lichaam mag toeschrijven, zoals in Luk. 24: 39 gezegd wordt, een geest heeft geen vlees en benen, waarom het nog altijd waar kon zijn, dat een geest door een fijner etherisch lichaam omgeven zou zijn, maar naderhand heeft het vierde Lateraanse concilie van het jaar 1215 hun volstrekte onlichamelijkheid uitgesproken. Dat stemden dan ook de schoolse godgeleerden evenals de oudere leraars van onze kerk toe, die de engelen voor reine geestelijke persoonlijkheden hielden; de lichamen, waarin zij verschijnen, zijn slechts aangenomen, opdat zij voor de mensen zichtbaar zouden zijn; daarom ook de afwisselende vormen van die lichamen. In hoofdstuk 22: 30 moet dus in het geheel niet gezegd worden, dat het opstandingslichaam van de mensen gelijk zal zijn aan de lichamen van de engelen, maar alleen, dat het geestelijk zal zijn. Het huwelijk dient slechts voor dit aardse, aan de dood onderworpen leven, voor de noodzakelijke voortplanting van de geslachten, na de opstanding daarentegen zullen de mensen ook naar de lichamelijke zijde van hun wezen geheel geestelijk worden en aan de dood ontrukt, en evenmin als de engelen, die reine onsterfelijke hemelgeesten, behoefte hebben aan of zelfs geschikt zijn voor de aardse gemeenschap van het huwelijk. Daaruit nu, dat de engelen reine, geestelijke schepselen zijn, laten zich vanzelf enige verdere gevolgtrekkingen afleiden. Allereerst zullen zij boven elke natuurlijke verandering verheven zijn, die bij ons het gevolg is van ons lichaam, zoals namelijk de natuurlijke voortplanting, groei, ouderdom en dood. Hun getal moet daarom door de schepping voor ééns door God bepaald zijn, zonder naderhand voor een vermeerdering uit en door zichzelf vatbaar te zijn. Ook God zelf heeft dit getal niet langzamerhand vergroot, omdat Zijn scheppingswerk met de werken van de zesde dag gedaan was, maar evenals het menselijk geslacht zich door de afstamming van één paar tot in het oneindige vermeerderd heeft, zo zijn ook de engelen door een gelijktijdige schepping in een onmetelijk groot aantal voorhanden (Dan. 7: 10). Een bijzondere vraag is die van de verhouding van de engelen tot het plaatselijke. Als geschapen geesten zullen wij hun geen alomtegenwoordigheid toeschrijven, die alleen aan God, als de oneindige Geest toekomt. Men moet hun aanwezigheid denken altijd op een bepaalde plaats beperkt te zijn, zodat zij niet gelijktijdig op deze en aan de andere plaats aanwezig kunnen zijn; deze definitieve aanwezigheid zal echter, wanneer zij volstrekt onlichamelijk geesten zijn, op een onlichamelijke, de ruimte niet vervullende wijze plaats hebben, waarom wij die als punctuele aanwezigheid kunnen aanduiden. Tot een bepaalde plaats met hun aanwezigheid beperkt, moeten wij echter niet denken dat zij altijd aan een en dezelfde plaats gebonden zijn, waartegen ook hun gedurig verschijnen, hun komen en gaan, hun opvaren en neerdalen, waarvan de Schrift ons spreekt, getuigt. Omdat zij aan die lichamelijke hindernissen onderworpen zijn, zo zal hun verandering van plaats met een voor ons onmetelijke snelheid gaan, omdat zij, ofschoon niet alomtegenwoordig, toch, wanneer zij slechts willen, in het volgend ogenblik in staat zijn zich van de ene plaats naar de andere te verplaatsen, zodat even als hun aanwezigheid een punctuele is, zo ook hun snelheid een ogenblikkelijke, d. i. een snelheid, die slechts een ogenblik tijd vordert, genoemd zou kunnen worden. Gewichtiger en praktisch belangrijker dan de gevolgtrekkingen, die uit het negatieve begrip van de onlichamelijkheid van de engelen voortvloeien, zijn die, welke uit het positieve begrip van hun geestelijkheid voortkomen. Als persoonlijke geesten zullen zij kennis, macht en vrije wil bezitten; als hogere en toch geschapen, niet oneindige geesten zal hun toestand in al deze betrekkingen tussen God en de mensen in zijn. Zo staat hun weten in het midden tussen goddelijke alwetendheid en menselijke beperktheid van weten: hun weten is niet alles omvattend, want zij kennen de dag van het gericht niet (hoofdstuk 24: 36), zij begeren in te zien in het geheimzinnige raadsbesluit van de verlossing (1 Petrus . 1: 12), dat zich ook langzamerhand voor hen ontvouwt, naar de mate van zijn ontwikkeling (Efe. 3: 10). Hun verstand is echter hoger en veel omvattender dan het menselijke, want zij treden op als boden van God en uitvoerders van goddelijke, de mensen onbekende bevelen, en als overbrengers van aan de mensen verborgen boodschappen; want terwijl zelfs de engelen evenals de Zoon de dag van het gericht niet weten (Mark. 13: 32), is door die beperktheid toch tegelijk de bovenmenselijke hoogte van hun verstand (2 Sam. 14: 20) uitgedrukt. De macht van de engelen zal dezelfde plaats innemen tussen goddelijke almacht en menselijke begrensdheid van macht, evenals hun kennis: zij bezitten bovenmenselijke kracht, want zij worden geweldige of sterke helden (Ps. 103: 20), engelen van de kracht (2 Thessalonicenzen. 1: 7 Luk. 11: 21) genoemd, wier hulp beter is dan de menselijke), die groter sterkte en macht hebben dan de overmoedige mensen (2 Petrus . 2: 11). Daarom kunnen zij als niet oneindige schepselen niet almachtig zijn, en in zo verre het doen van wonderen een scheppende macht is, is en blijft God degene, die alleen wonderen doet (Ps. 72: 18; 136: 4), maar in zoverre de met vrijheid en macht begiftigde mens in zijn toestand als heerser van de natuur als een wonderdoener in relatieve zin van het woord aangeduid kan worden, kan dit nog in hogere zin van de engelen worden gezegd, zoals zij dan ook in de Schrift als uitvoerders van bovenmenselijke werken optreden (hoofdstuk 28: 2 Hand. 12: 7, 10; 2 Thessalonicenzen. 2: 9). Het laat zich van het begin af veronderstellen, dat de menigte van individuele onderscheidingen, de menigvuldige afdalingen en rangen, die het heelal tot op de mensenwereld doorgaan, zich ook in de onzichtbare wereld van de hogere geesten zullen bevinden. De Schrift bevestigt deze veronderstelling; in alle tijden heeft men met recht in de Schrift in haar onderscheidingen van aartsengelen en engelen (1 Thessalonicenzen. 4: 16 Judas 1: 9), van cherubs en serafs (Gen. 3: 24 Jes. 6: 2, 6), van tronen en heerschappijen, vorstendommen, overheden en machten (Rom. 8: 38 Efe. 1: 21; 3: 10) aangeduid gevonden, dat er rangen in de engelenwereld bestaan. Aan hen zal dus niet alleen persoonlijkheid, maar ook individualiteit, verscheidenheid van de gaven van kennis en macht toe te schrijven zijn, waarop de afdalingen van de waardigheid, de standen, van het beroep en de bestemming berusten. Het is ons verboden nader in het wezen en de geheimen van dit onderscheid in te dringen; de Schrift geeft hier alleen het dat, niet het hoe aan, en uit de verscheidene namen van engelen, die de Schrift bevat, laat zich geen zekere theorie over de bijzondere hoedanigheid van hun rangen en klassen afleiden. Een beter inzicht in het wezen van dit onderscheid is ons daarom ontzegd gebleven, omdat de engelen voor ons, in hun verhouding tot de mensen, allen tezamen slechts één algemeen geheel vormen, en het onderscheid, dat tussen ons en hen bestaat, zeer doorgrijpend en bij allen hetzelfde is. Maar ook in hun verhouding tot God wordt in de voor ons verborgen verscheidenheid één voor elk gemeenschappelijk ambt, ene algemene werkzaamheid genoemd. Hoe hoger nu de engelen volgens hun natuur en hoe nader ze tot God geplaatst zijn, in des te hogere mate zullen zij het werk van ieder schepsel, van de worm in het stof tot de bewoner van de hemel toe, te vervullen hebben, namelijk God te verheerlijken en Hem te dienen. Daarin liggen ook volgens de Schrift de verrichtingen of bezigheden van de engelen besloten. Zij zijn onafgebroken in aanbidding en lof van de Heere, of de heerlijkheid van Zijn wezen en van Zijn werken. De serafs verbergen hun aangezicht en roepen: “heilig, heilig, heilig is de Heere Zebaoth enz. ” (Jes. 6: 3). Aan het hoofd van het lovende heelal, dat uit even zo vele boden van God als uit schepselen bestaat, staan de engelen, de sterke helden (Ps. 103: 20vv. ; 148). Hem, de Heere, juichten alle kinderen van God toe bij de schepping (Job 38: 7), Hem loofden de hemelse heerscharen bij de geboorte van de Verlosser (Luk. 1: 13vv. ); en evenals voor de Vader, zo ook voor de Zoon, buigen allen, die in de hemel zijn, hun knieën en belijden Zijn naam, die boven alle namen is (Fil. 2: 9vv. ). Evenals nu reeds hun altijddurende lof van de heerlijkheid des Heren hun ware engelen godsdienst is, zo dienen zij ook de Heere, omdat zij de mensen dienen, door de uitvoering van Zijn bevelen, door hun ambt als boden, waarvan zij de naam dragen; en juist in hun gewillige dienst bestaat hun volmaakte verheerlijking van de Heere. Bij alle grote tijdpunten van de ontwikkeling van de goddelijke openbaring, bij de schepping, de wetgeving, de verlossing vinden wij de medewerking van de engelen. Dadelijk bij de schepping zien wij hen de werken van de Schepper bewonderen, en ze in vereniging met de morgensterren prijzen (Job); de wetgeving op Sinaï is door hun dienst gegeven (Hand. 7: 53 Gal. 3: 19); en evenals bij de eerste schepping, klinkt hun lof en wordt hun dienst gebruikt bij de tweede schepping, die met de geboorte van de Verlosser begon (Luk. 1: 13vv. ; 30vv. ; 2: 10vv. MATTHEUS. 4: 11 Joh. 1: 51 Luk. 22: 43 MATTHEUS. 28: 2, 5vv. Hand. 1: 10vv. ). En zo zullen zij ook bij de laatste grote catastrofe, het wonder van de voleindiging van de geschiedenis van de goddelijke openbaring en de genade, bij de wederkomst van de Heere en het laatste oordeel aanwezig zijn, Hem als Zijn hemels heerleger vergezellende, en Hem helpende, en dienstbaar bij de uitvoering van Zijn groot doel ter zijde staande (hoofdstuk 13: 41, 49; 16: 27; 24: 31; 25: 31; 1 Thessalonicenzen. 4: 16; 2 Thessalonicenzen. 1: 7). Maar niet alleen bij de grote gebeurtenissen, het scheppende begin en de wonderbare ontwikkeling van het rijk van God op aarde zijn zij met woord en daad, prijzend, verkondigend en werkend aanwezig, maar ook in de tijd tussen de hemelvaart en de wederkomst van de Heere, gedurende de tijd van de natuurlijke voortdurende loop en de geordende geschiedkundige ontwikkeling van de kerk van Christus vergezellen zij de gemeente van de heiligen met hun deelneming; zij verheugen zich in de hemel over de zondaren, die boete doen op aarde en zich tot de Heere bekeren (Luk. 15: 10); zij zijn bij de vergadering van de gelovigen aanwezig (1 Kor. 11: 10; 1 Tim. 5: 21) en volgen met gespannen aandacht de wegen van de Heere met Zijn kerk, zowel als de voortgaande openbaring van Zijn heerlijkheid aan haar (Efe. 3: 10; 1 Petrus . 1: 12). Dat overigens de engelen van God het volk van God ook in zijn belangen en in de vervulling en bereiking van het door God gegeven ambt beschermend en helpend tegen boze en vijandig tegenstrevende machten ter zijde staan, blijkt uit Dan. 10: 13vv. Evenals door de gemeente van God in haar hemels en aards algemeen ambt, zo zijn zij ook voor de vrome van de wieg tot aan het graf juist voor het gevaar en de druk, de onmacht en de hulpeloosheid als een bescherming en wacht tegen de listige aanvallen van het rijk van de duisternis (Ps. 34: 8; 91: 11vv. ). Deze bescherming en hulp van de engelen werd in de tijd van de geschiedenis van de openbaring en de genade dikwijls zichtbaar en wonderdadig tot het welzijn van de uitverkorenen van God gezien (Gen. 19; Dan. 3: 25, 28; 6: 22 Hand. 5: 19; 12: 7vv. ), zoals aan die uitverkorenen ook meermalen de op lichamelijk of geestelijk heil betrekking hebbende boodschappen en openbaringen van de Heere door deze hemelboden werden overgebracht (hoofdstuk 1: 19vv. ; 2: 13, 19 Hand. 10: 3, 5; 27: 23vv. nadat het leven van de vromen van de jeugd af tot de ouderdom toe onzichtbaar door de engelen is beschermd, wordt hun ziel ook eindelijk na hun dood door de handen van de engelen gedragen in Abrahams schoot (Luk. 16: 22). Maar evenals tot bescherming en heil van de vromen, zo staan zij ook tot straf en tot de ondergang en het verderf van de goddelozen, van de vijanden en tegenstanders van het rijk van God gereed (2 Kon. 19: 35 Ps. 78: 49 Hand. 12: 23), zoals zij ook zelf in strijd treden met de boze geesten, die de uitverkorenen van God aanvallen, of de gemeente van God in het verderf willen storten (Judas 1: 9 Openbaring . 12: 7vv. ; 20: 1vv. ). Zo verstaan wij nu het woord uit de brief aan de Hebreeën (1: 14), dat de engelen allen gedienstige geesten zijn, die tot dienst uitgezonden zijn, omwille van hen die de zaligheid beërven zullen. Hun werkzaamheid behoort inderdaad, zoals het gehele woord van God van het begin tot het einde betuigt, niet zozeer aan de natuursfeer, maar aan de sfeer van de openbaring. Zij dienen het Rijk van God en degenen, die daartoe behoren, en zijn bemiddelaars van de bijzondere voorzienigheid Gods. Slechts in buitengewone gevallen, gedurende de tijd van de openbaring en de wonderen, waar zij een nieuw ogenblik van het heil hadden te verkondigen, brengen zij aan sommigen op het heil van de zielen betrekking hebbende boodschappen over, terwijl in de tijd van de kerk volgens de geschiedenis de geordende dienaars van het Woord de engelen van God voor de gemeenten zijn. Maar ook tegenwoordig beperkt zich hun onzichtbare dienst, zelfs in zoverre zij slechts lichaam en leven te beschermen heeft, toch slechts tot de gelovigen, die de zaligheid beërven zullen, wier leven juist daarom behouden wordt, opdat hun de tijd van de voorbereiding en de genade niet verkort zou worden. Op de vraag, of voor elk mens een eigen beschermengel beschikt is, hetgeen door de kerkvaders en schoolse geleerden toegestemd is, hebben de oudere godgeleerden van onze kerk een wijze terughouding in acht genomen; zij houden het weliswaar voor waarschijnlijk, en beweren ook, dat de bescherming van een mens in geen geval slechts aan één engel mag worden toegeschreven, zodat hij van de hulp van de overige engelen beroofd zou zijn. Voor zo’n waarschijnlijkheid geven de bekende plaatsen MATTHEUS. 18: 10 en Hand. 12: 15 inderdaad ook geen opheldering; het apocrieve boek van Tobias (hoofdstuk 5) kan echter nog minder een zekere opheldering geven.
Het woord van Christus: “hun engelen in de hemelen zien altijd het aangezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is, ” wijst zeker, ofschoon slechts met een wenk, op bijzondere beschermengelen van de personen (het Oude Testament spreekt slechts van beschermengelen van de koninkrijken; Dan. 10: 13, 20), maar niet in die zin, dat elk mens als zodanig zijn beschermengel heeft en zijn leven lang behoudt; dat is een voorrecht van deze “kleinen, ” d. i. zowel van de natuurlijke als van de geestelijke kinderen, omdat de eersten voor de uitbarsting van het verderf, de anderen weer daarna op de weg van de zaligheid zo’n leiding behoeven en ervoor geschikt zijn. Ieder kind heeft zijn engel, totdat de zonde hem verdrijft, zoals wij ook nog een afschijnsel van een engelengezicht in het aangezicht en de gestalte van de kinderen kunnen bemerken; de kinderen behoren als zodanig nog mede tot de “kinderen van God” (Job 1: 6), totdat de ergernis van buiten en van binnen maakt dat zij verloren gaan. Ieder gelovige, die door de genade van de verlossing zalig wordt, krijgt als nieuw geestelijk kind zijn engel weer, en heeft in het bijzonder aan hem behoefte in de zwakheid van het begin, nu tot dieper indruk makende vermaningen en bewaringen, dan de zwakke, onnozele kindertjes in lichaamsgevaar (beter is het te zeggen: wegens de eenvoudigheid evenals de duiven, aan wie tegenover de wereld nog de rechte listigheid als van de slangen ontbreekt). Wij vergeten de engelen maar al te zeer, ofschoon de Heere ons in het dagelijks gebed aan hen herinnert; wij spreken in het bijzonder onze kinderen veel te weinig van hun engelen, omdat wij zelf als gelovigen niet genoeg aan de onze denken.
De engelen worden uitgezonden tot dienst van hen, die de zaligheid beërven zullen; de kinderen zijn de zodanige, die de zaligheid beërven zullen, want aan hen heeft de Heere het koninkrijk der hemelen beloofd; wanneer Hij zelf op aarde gekomen is, om ook hen te zoeken en zalig te maken, durven de engelen bij de Heere niet achter blijven. Hij heeft de kinderen geliefkoosd en gezegend, wat zullen de engelen beter doen dan de kinderen ter zijde gaan en hen dienen? Kinderen kunnen zichzelf niet helpen; zij hebben nog niet zoveel verstand, dat zij hun gevaren kennen en vermijden kunnen – zij spelen met het vuur en schertsen met de slang, zij schrikken niet voor de afgrond en wagen zich op de gevaarlijkste plaatsen. Het is zeer te verwonderen, dat er niet veel meer schade en onheil gebeurt dan het geval is, omdat de duivel er lust in heeft, onheil aan te richten, en met zijn boze geesten dag en nacht rondsluipt om te verderven. Toch wordt zo menig kind in het grootste gevaar bewaard en wanneer men zou denken, dat het hem alle leden moest verbroken hebben, komt het er behouden en lachend af. Soms gebeurt het zelfs, dat de kinderen, die met zeer veel zorg bewaakt worden, op de effe grond een been breken, of in een onbewaakt ogenblik vergif nemen; hierdoor wil God tonen, dat Hij het opzicht houdt en dat het Hem niet behaagt, wanneer men zo’n slecht vertrouwen op Zijn opzicht heeft. Waartoe heeft Hij dan de engelen verordend, wanneer zij tot niets dienen en alleen behoeven toe te zien! Het is weliswaar niet goed, wanneer men de kinderen verwaarloost, maar daarmee wordt de zaak nog niet verbeterd, dat men de kinderen aan deze hemelse hoede en macht wil ontrukken, en ze onder bescherming van kortzichtige, zondige mensen wil stellen. De Heere zegt: “hun engelen in de hemelen, ” en geeft dus de kinderen engelen, die Hij hun bijzondere engelen noemt, die zorg voor hen moeten dragen, en er is niets tegen, ze hun beschermengelen te noemen; het is God niet genoeg, dat Hij Zijn oog op de tedere, zwakke kinderen richt, Hij bestelt hun ook zulke heerlijke wachters, dat zij als de kinderen in het rijk van God behandeld worden. En nu zegt de Heere verder: “hun engelen in de hemelen zien altijd het aangezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is; ” geplaatst voor de troon van God, zien zij God naar de ogen, en lezende in het grote boek van het aangezicht van God, en door Zijn aangezicht verlicht, verstaan zij veel beter dan wij de wil van God en kunnen hun werk veel meer naar Zijn heilige raad inrichten. Eindelijk zegt de Heere: “hun engelen zien altijd het gezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is; ” want de kinderen, zo lang zij nog in die zalige, kinderlijke staat leven, zijn ook altijd in het rijk van God en hebben altijd het welbehagen van God. Er is geen ogenblik, dat zij buiten de genade van God zijn, omdat zij nooit de Geest van God bedroeven; hun kinderlijk werk, dat zij doen, wordt alleen voor goed werk geleverd daarom kunnen ook hun engelen altijd voor God verschijnen, hun gevaren voor God brengen, voor hen van God hulp afsmeken, en Zijn genadige bevelen ontvangen om Hem in de kinderen te dienen. Tussen God en de kinderen staat nooit een wolk; slechts de engel van het licht staat tussenbeide om de kinderen altijd in het licht van het goddelijk aanschijn te dragen. Och, dat dit altijd zo bleef! Maar er komen jaren, waar in plaats van een engel van het licht een donkere wolk tussenbeide treedt. Wanneer de zonde in de mens ontwaakt, wanneer boze lusten en begeerlijkheden een onheilig vuur in het hart aansteken, wanneer de hand naar de verboden vrucht grijpt en de voet de weg van het verderf betreedt, waar blijft dan de engel van het licht? Hij moet wegtrekken, evenals iemand wiens huis en have door de bliksem vernietigd is, want er komen andere gasten, die zich van de mens meester maken, en die zijn de donkere wolk, die tussen hem en God staat. Daarom, wie een kind ergert en tot het kwade verleidt, die doet grote zonde en ontneemt hem meer dan wanneer hij hem huis en hof en zijn vaderlijk erfdeel ontnam, want hij ontneemt hem zijn engel en geeft hem over aan de onreine en boze geesten – wee die mens, hem zal het evenzo gebeuren!
— Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.
En zoals gij geen van deze kleinen zult verachten, zo ook niemand van degenen, die door Farizeeën en Schriftgeleerden voor te gering en te slecht worden gehouden, dan dat men zich met hen zou mogen bemoeien (Luk. 15: 2; 18: 9). Want de Zoon des mensen, in wie gij uw Meester hebt en het richtsnoer voor uw gedrag, is gekomen om zalig te maken, wat verloren was (Luk. 19: 10); juist omtrent verlorenen moet de meeste zorgvuldigheid worden aangewend.
Dit is de grond, waarop het vorige rust; heeft liefde Hem gedreven verloren zondaars te redden, hoezeer moeten Hem juist de geringsten en de zwaksten onder de Zijnen, die aan het grootste gevaar zijn blootgesteld, ter harte gaan.
Wat een alles omvattende overgang in de onvergelijkelijke rede van de Heere! van een kindje, dat de apostelen ootmoed moet prediken (vs. 2vv. ) tot de gehele wereld vol ergernis en wee daar buiten (vs. 6vv. ); van het eeuwige helse vuur (vs. 8vv. ) tot de engelen in de hemel voor Gods aangezicht en troon (vs. 9); van het scherpste wee (vs. 6) weer tot de tederste liefde, die niet wil dat een arm mensenkind gering zal worden geacht).
Juist wat klein is voor de wereld is groot van betekenis in de ogen van de Heere en over het geringe en verachte ontfermt Hij Zich het meest. De voornaamste engelen, die altijd voor Gods troon staan en dienen, stelt God juist bij de kleinen en geringen. Het verlorene wordt door de Heere zo dierbaar geacht, dat Hij het met alle vlijt zoekt (vs. 12vv. ). Zoals Hij is, zo moeten ook Zijn discipelen zijn; zoals Hij het verlorene zoekt en Zich over het kleine en geringe ontfermt, zo moeten ook Zijn discipelen doen. De Vader in de hemel wil ook hen, die voor de wereld klein en gering zijn, niet laten verloren gaan, maar Hij roept ze allen tot Zijn genade.
KruisverwijzingenLukas 15:4→Ezechiël 34:12→Jeremia 50:6→Ezechiël 34:16→Ezechiël 34:28→Mattheüs 21:28→Ezechiël 34:6→Jesaja 53:6→— Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?
Om u een beeld te geven van de liefde van de Mensenzoon tot iedere verloren ziel in het bijzonder en om Zijn zorgvuldigheid tot redding van die duidelijk te maken – deze gelijkenis. Wat dunkt u? Indien enig mens honderd schapen had en een uit deze afgedwaald ware, zal hij niet de negenennegentig laten, en op de bergen, waarop zij weiden, heengaande, het afgedwaalde zoeken?
Het verlorene is juist het uitverkorene. Niemand vraagt naar hetgeen hij heeft, maar naar hetgeen hij niet meer heeft. Christus heeft de heilige engelen in de hemel verlaten, die daar voor eeuwig veilig zijn, om op aarde de verloren mens te zoeken.
KruisverwijzingenJohannes 4:34→Sefanja 3:17→Jakobus 2:13→Micha 7:18→Psalmen 147:11→Lukas 15:5→Jesaja 62:5→Lukas 15:23→— En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.
En indien het gebeurt, dat hij het vindt, voorwaar Ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over dit, dan over de negenennegentig, die niet afgedwaald zijn geweest (Luk. 15: 4-6).
De getrouwe Herder, die Zijn duizenden (de engelenscharen – zo Cyrillus van Jeruzalem in Catech. 15) op de hemelse bergen verliet en het verloren schaap van de mensheid zoekt, is Christus. Zo is het de plicht van de zielenherders de verdwaalden, de voor verbetering geschikten, zich in het bijzonder aan te trekken.
Hoe aandoenlijk schetst hier de Heere de liefde van de Vader en Zijn liefde en die van de Heilige Geest in het behoud van de zondaar. Nee! het is God niet onverschillig, of er mensen behouden worden of dat zij verloren gaan. Hij wil niet, dat zij verloren gaan. Hij wil dat zij behouden worden, en om ze te behouden heeft Hij Zijn enige Zoon gezonden, als het enig mogelijke middel tot hun behoud.
De bedoeling van deze gelijkenis is duidelijk, om aan te tonen, dat het verlorene, juist omdat het verloren is, niet alleen meer zorg vereist, dan hetgeen niet verloren is, maar dat ook de eigenaar uit die hoofde zich daarvoor meer moeite geeft. Deze gelijkenis doet dus alle bevreemding ophouden over de komst van de Zoon van God, juist om diegenen, die verloren waren. Jezus houdt Zich van de toestemming van Zijn hoorders op de in het 14de vers voorgestelde vraag zo verzekerd, dat Hij niet aarzelt die zelf te beantwoorden en de belangstelling in het weergevonden als groter voorstelt dan in hetgeen niet verloren was geweest; en zo wij ooit iets terugvonden wat wij verloren hadden, zullen wij de waarheid van deze voorstelling geredelijk erkennen.
Zo betuigde Christus, dat Hij, de Zoon des mensen, van wie zij wisten, dat Hij de Zoon van God was, in de wereld was gekomen om het verlorene te redden. Hij verachtte de mens niet, hoewel die dood was in zonde, ja zelfs vreemdeling en vijand omtrent Hem. Vernederde Hij Zich zo diep om hem te redden, zouden dan hun zwakke broeders verachten, die Jezus tot Zich probeerde terecht te brengen. De gelijkenis toont de hulpeloze toestand van verloren zondaars. Afgedwaald van God zijn zij geschikt om door satan te worden vernield en ter helle te varen. Hij wijst aan hoe de goede Herder Zijn uitverkorenen uit de kudde kent en bemint, dat Hij haar zoekt, vóór zij zoekt naar Hem, dat Hij Zich verheugt in de redding en niet toelaat, dat één van haar verloren ga. Christus kwam in de wereld om zielen te redden, en Zijn hart is zo geheel bij dat werk, dat Hij Zich stellen zal tegenover allen, die Hem daarin verhinderen, door terug te houden degenen, die hun aangezicht hemelwaarts wenden. Zal iemand ons weigeren Zijn opmerkzaamheid te geven aan degenen, die de Zoon van God kwam zoeken en redden? omtrent wie het de wil van de Vader is, dat geen van hen verloren ga? Indien wij gezocht zijn als verloren schapen, maar gekocht zijn door het bloed van de goede Herder en bij Zijn kudde zijn gebracht, laat ons dan gedenken uit welke toestand wij gered zijn, en trachten te zijn als een schaap van Zijn weide behoort te zijn. Zijn zorg strekt zich uit tot alle leden van de kudde, zelfs tot de minste. Wij mogen denken, dat indien slechts een of twee zijn geërgerd en verstrikt, het geen zaak van groot gewicht is, en wij er ons niet om behoeven te bekommeren. Maar Gods gedachten van liefde en tederheid Zijn boven de onze. Zij, die iets doen, waardoor één van deze kleinen gebracht wordt in gevaar van verloren te gaan, stelt zich tegenover de wil van God en ergert Hem ten hoogste.
Kruisverwijzingen2 Petrus 3:9→Johannes 17:12→Johannes 21:15→Lukas 12:32→1 Petrus 1:3→Efeze 1:5→Romeinen 8:28→Mattheüs 6:32→— Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.
Zo is de wil niet van uw Vader, die in de hemelen is, en Zijn Zoon heeft gezonden, opdat Hij, de 99 schapen achterlatende, tot het verlorene, tot de gehele mensheid zou heengaan, dat een van deze kleinen van deze kinderen (vs. 10), zowel als van de verachte zondaren (vs. 11) verloren ga.
Door de meesten wordt hier niet bij de uitdrukking “rechtvaardigen” aan engelen gedacht. Bijv. lezen wij hier van dezen, die niet afgedwaald zijn geweest, dan spreekt het wel vanzelf, dat wij hier niet aan de mens kunnen denken, zoals hij van nature is, want de woorden van de profeet (Jer. 17: 9) en die van de Heere (MATTHEUS. 7: 21-23) weerspreken dit met kracht, en zo moet de Heere onder de 99 wel de zodanige bedoelen, die door Gods genade uit de dienst van de wereld en de zonde waren teruggebracht en voor verdere afdwaling behoed; terwijl dit één onder de goddelijke toelating door de verleiding van de wereld voor een tijd was afgetrokken, maar nu door de getrouwe Herder, die ook hem gekocht had met Zijn dierbaar bloed, weer was opgezocht om voor altoos onlosmakelijk aan Hem verbonden te wezen, waarbij wij als vanzelf aan de apostel Petrus denken. Troostvolle waarheid! Indien wij struikelen en vallen, zo worden wij niet weggeworpen, maar Hij, die Zichzelf noemt de goede Herder, zal Zijn scharen opzoeken en terugbrengen, en Hij zal ons in Zijn kracht bewaren door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd (1 Petrus . 1: 5).
Evenzo, op menselijke wijze gesproken, is uw hemelse Vader aangedaan over Zijn schapen, die verstrooid waren door gevaarlijke vertragingen, verzoekingen en verleidingen, en verblijdt Hij Zich over die, als Hij ze heeft teruggebracht meer dan over het behoud van hen, die nimmer verleid waren, nadat Hij ze in Zijn schaapskooi had gebracht. Want het is Zijn voornemen en welbehagen, dat geen van de minste daarvan zal verloren gaan, maar dat zij allen metterdaad zullen zalig worden. Het is Zijn gebiedende wil, dat gij niet iets doet, dat hen kan vertragen of verhinderen op de weg naar de hemel, maar alles, zoveel in u is om hen behulpzaam en bevorderlijk te zijn tot zaligheid.
KruisverwijzingenLeviticus 19:17→Kolossenzen 3:13→2 Thessalonicenzen 3:15→Leviticus 6:2→Lukas 17:3→1 Korinthe 9:19→1 Petrus 3:1→Psalmen 141:5→— Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.
a) Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, indien hij door zijn gedrag, dat een Christen onwaardig is, u ergernis veroorzaakt, zo wacht u, dat gij niet een aanleiding wordt tot ergernis voor hem. Overwin het kwade door het goede (Rom. 12: 21); ga heen tot hem volgens het voorbeeld van Hem, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is (vs. 11vv. ), en bestraf hem, overtuig hem van zijn onrecht door het hem openlijk voor te houden (Luk. 17: 3 Joh. 16: 8 Lev. 19: 17), tussen u en hem alleen; want indien dit in bijzijn van anderen plaats had, zou gij misschien meer kwaad dan goed doen. Indien hij u hoort, uw bestraffing aanneemt, zijn onrecht inziet en om vergeving vraagt, zo hebt gij, door terugbrenging van een weg, waarop hij in gevaar was om verloren te gaan, uw broeder niet alleen voor u, maar ook voor uw Heere en voor de gemeente (1 Kor. 9: 19vv. ; 1 Petrus . 3: 1) gewonnen en zijn ziel van de dood gered (Jak. 5: 19vv. ).
Spr. 17: 10 Luk. 17: 3
KruisverwijzingenDeuteronomium 19:15→1 Timotheüs 5:19→Johannes 8:17→2 Korinthe 13:1→Hebreeën 10:28→Numeri 35:30→Deuteronomium 17:6→1 Koningen 21:13→— Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.
Maar indien hij u niet hoort, integendeel wat hij misdaan heeft loochent of probeert te verontschuldigen, zo neem, wanneer gij ten tweeden male tot hem gaat, een of twee broeders in Christus met u, a) opdat nu het tot eengerechterlijke zaak in Christelijke zin wordt, ook het daarop doelende voorschrift in Deut. 19: 15 in acht worde genomen, namelijk dat in de mond van twee of drie getuigen elk woord besta (Joh. 8: 17; 2 Kor. 13: 1), en de schuldige geen uitvlucht meer hebbe.
Num. 35: 30 Deut. 17: 6 Hebr. 10: 28
Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 3:6→1 Korinthe 5:3→Efeze 4:17→Ezechiël 11:12→1 Korinthe 5:9→Ezra 6:21→3 Johannes 1:9→2 Thessalonicenzen 3:14→— En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
En indien hij deze, die hem vermanen en terecht wijzen, geen gehoor geeft, a) zo zeg het de gemeente, of misschien de zedelijke macht, die in de gemeente is, zijn tegenstand overwinne. En indien hij ook de gemeente geen gehoor geeft, en door zijn verharding tegen alle bekering duidelijk toont, geen voor onkruid overmeesterd tarwegraan te zijn, maar een onkruid, dat het koren verstikt, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar; hef dan alle verdere broederlijke gemeenschap met hem op, en bepaal u tot slechtsburgerlijk algemeen verkeer (Rom. 16: 17; 2 Thessalonicenzen. 3: 6, 14).
1 Kor. 5: 9
De broederlijke tucht, zoals de Heere die hier voorschrijft, is zowel zielezorg voor ieder in het bijzonder, die misdeed, als bewaring van het geestelijk welzijn van allen. Zij begint met de bestraffing onder vier ogen, waarvan wij in Gal. 2: 11vv. een voorbeeld met heilzaam gevolg lezen. Zoals Dr. Luther zegt, is het hier gegeven gebod van Christus even noodzakelijk als het “gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen. ” Het is echter een van de geboden van onze Heiland, dat het minste in acht wordt genomen; want wat doet men in het algemeen? Wanneer men zijn broeder in het geheim moest bestraffen, prijst men hem in zijn aanwezigheid en veracht en bepraat hem in het openbaar. – “Men moet de mensen zelf zeggen, wat men tegen hen heeft, maar niemand iets daarvan vertellen. ” Men mag niet voorbijzien, dat er een weldaad in ligt, dat in het burgerlijke of gezellige verkeer van de mensen onder elkaar zekere grenzen door de algemene zeden gesteld zijn, die het dikwijls zeer moeilijk maken om iemand in het aangezicht te zeggen, wat men van hem denkt, en dat een bepaalde maat van wederkerige achting en van eerbetoning en bescheiden terughouding vooral tegenover meerderen in het oog moet worden gehouden. Wat toch zou ervan worden, wanneer daardoor niet werd teruggehouden, dat de een jegens de ander zonder meer zijn argwaan en nijd, zijn haat en verbittering, zijn gekrenkte ijdelheid en spottende blijdschap in andermans leed uitte! De Heere heeft het echter hier over Zijn Gemeente, niet over de burgerlijke maatschappij als zodanig. Hij gebruikt het “gij” en spreekt dus niet van de grote menigte, maar bedoelt die reeds van Zijn gezindheid zijn geworden en Zijn woord reeds weten op te volgen. Ook is het bestraffen geheel iets anders dan wat de kinderen van deze wereld “iemand de waarheid zeggen” noemen. Die kunnen dat niet, omdat zij zelf niet uit de waarheid zijn, zij kunnen het woord van de waarheid niet horen, noch zich door de geest van de waarheid laten heiligen (hoofdstuk 7: 3vv. ). Zij kunnen alleen de innerlijke boosheid naar buiten laten komen en het vergif van het hart, dat de naaste haat, hem in het aangezicht spuwen. De broederlijke bestraffing daarentegen is een overtuigen van de zonde en een helpen tot bekering, een opheffen van ergernis in waarheid en zoeken van het verlorene in liefde. “Evenals ik mijn eigen zonde in mij veroordeel tot heiligmaking voor God, zo ook die van een ander, opdat niet hun schuld mijn eigen worde door verzuim van deze liefdedienst. ” Stil en zacht voor God beginnende klimt zij eerst bij gebrek aan uitwerking op tot meerdere ernst. Wat het naast aan de bestraffing onder vier ogen staat is het medenemen van 1-2 broeders. Het is een versterking van de kracht van de heilige liefde, die redding zoekt en in de gemeente van Christus leeft, om de krachten van de duisternis te overwinnen, die in de zondigende broeder zijn, nadat deze door de tegenstand van zijn hart zich tegen de eerste aanval heeft versterkt en zich meer heeft bevestigd. “Kunt gij niet reeds bij de eerste verborgen samenkomst uw broeder winnen, zo geef hem niet dadelijk op, omdat uw wijsheid en liefde niets bij hem uitwerkt. Kom niet dadelijk met uw oordeel: hij hoort niet en zal niet horen, omdat hij mij niet heeft gehoord. Neem tot u een of twee, natuurlijk niet de eerste de beste, maar die de zaak en u beiden in bekendheid en liefde de naaste zijn, de zodanige, die ook broederlijk kunnen zeggen: “gij hebt voor ons en tegen ons gezondigd, ” die hij ook als zijn broeders kan eren, zo hij slechts wil. Het gesprek verkrijgt dan reeds meer de vorm van een vredegerecht. In de derde plaats moet de gehele broederlijke gemeente in de zaak worden betrokken, of niet de macht, die geconcentreerd in haar werkt, de macht van de liefde, die het verlorene zoekt, zou mogen doordringen. Behouden echter ook daartegen de duistere machten in hem, die gezondigd heeft, de overhand, zo moet ook de verharde in zonde beschouwd en behandeld worden als een, die niet meer tot de gemeente behoort. De Heere veronderstelt bij dit voorschrift duidelijk apostolische Christenen en een apostolische vorm van de gemeente. Waar die ontbreekt kan Zijn aanwijzing niet worden gevolgd. Luther maakt onderscheid tussen een kerkelijke toestand, waarbij men nog geen geordende vergadering heeft, waarin men volgens het Evangelie het volk kan regeren, maar alleen een openbare opwekking tot geloof en Christendom heeft, een onderwijzen van de jeugd enz. en tussen een ware Evangelische regeling, waarbij zij, die ernstig begeren Christenen te zijn, hun namen inschrijven en bijzondere bijeenkomsten houden, waar dan ook naar dit voor ons liggende woord van Christus kan worden gehandeld. Tot zo’n gemeente had hij de mensen nog niet kunnen brengen, zegt hij, en daarom had hij het alzo nog niet kunnen inrichten. Dergelijke bedenkingen zijn het dan ook, die hebben doen betwijfelen Uit (13: 30 Aanm. 2), of men de afgevallenen en ongelovigen in de ban mocht doen. Intussen zou reeds tot zegen van het begrip van kerk als een inrichting tot opvoeding, die de Christenen het woord van de waarheid en de sacramentele genadegaven mededeelt, eisen, dat zij, om het heilige niet aan de honden te geven, en de parels niet voor de zwijnen te werpen (hoofdstuk 7: 6), openbare en verharde zondaars van de sacramenten uitsloot. Zelfs ten tijde, toen de nieuwtestamentische gemeente nog slechts een predikende, nog geen werkelijk geconstitueerde was, ontvingen de apostelen het bevel (hoofdstuk 10: 14) het stof van een huis of van een stad, waar zij niet werden opgenomen, van hun voeten te schudden, en zich daardoor los te maken van alle innerlijke gemeenschap met zo’n huis of zo’n stad. Het onthouden van kerkelijke voorrechten is onder alle omstandigheden tegenover ongelovigen en verachters niet alleen een goddelijk recht, maar ook een heilige plicht. Er komen toch omstandigheden, dat men niet kan wachten totdat de afgevallenen zichzelf van de kerk uitsluiten, maar integendeel de kerk van haar zijde met hen moet breken, zal zij de eer van haar Heer niet geheel en al prijs geven. Op een eigenlijke excommunicatie, of uitsluiting uit de kerkgemeenschap doelt dan ook het volgende, waarin de Heere niet meer één lid van Zijn gemeente met het “gij” aanspreekt, en diens gedrag tegenover een zondigende en in zijn zonde volhardende medebroeder regelt, maar met een “gij” Zich tot diegenen wendt, die Hij tot leiding van de kerk en tot waarneming van haar rechten en plichten geroepen heeft. Hij kent die macht van de sleutels, die Hij in hoofdstuk 16: 19 in de eerste plaats aan Petrus gaf, als de eerste fundamentsteen, waarop de gemeente gebouwd is (Efe. 2: 20), de medeapostelen en mede-ouderlingen (1 Petrus . 5: 1) in gelijke omvang toe. Hij doet het met dezelfde opdracht, dat zij, terwijl het bijzondere gemeentelid niets meer kan doen, dan hem, die zich innerlijk van de gemeente heeft losgemaakt, ook niet meer als werkelijk lid te beschouwen en te behandelen, diens uitsluiting uiterlijk en werkelijk te volbrengen. Zij moeten hem uitdrukkelijk in een verhouding tot de gemeente plaatsen, als de heidenen en tollenaars tegenover haar innemen.
KruisverwijzingenMattheüs 16:19→Johannes 20:23→2 Korinthe 2:10→Openbaring 3:7→— Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
a) Voorwaar zeg Ik u, die in de gemeente tot Mijn dienaars en uitdelers van de goddelijke zegeningen gesteld zijt: al wat gij krachtens uw ambt, en gedragen door Mijn Geest, op de aarde binden zult, wanneer gij iemand, die zijn zonde niet heeft willen erkennen, noch zich heeft willen bekeren, volgens de boven gegeven regel uitsluit, het zal in de hemel gebonden wezen, werkelijk zal Gods toorn op hem blijven en zich over hem openbaren; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. Wanneer iemand, van de kerkelijke gemeenschap uitgesloten, daarin weer kan worden opgenomen, evenals een heiden en tollenaar, die tot berouw en geloof is gekomen, zo zal hem zijn vorige zonde vergeven zijn, en hij niet in het gericht komen (2 Kor. 2: 6vv. ).
MATTHEUS. 16: 19 Joh. 20: 23
Om ons bijbelwerk niet al te veel uit te breiden moeten wij nalaten te antwoorden op de moeilijke vragen, die aan het artikel “kerktucht”, voornamelijk ook over haar doorzetten in onze tijd, verbonden zijn. De toestand is waarlijk van dien aard geworden, dat wij alleen onze hoop hebben op een gehele omkering door de Heere zelf, die volgens Openbaring . 11: 11-13 zeker zal komen. Anders dan met de Evangelische kerken is het in onze tijd met de katholieke. Aan de eerste worden de handen hoe langer hoe meer gebonden, tot tenslotte de twee getuigen overwonnen zijn en hun lijken op de straat van de grote stad liggen (Openbaring . 11: 7vv. ). De Roomse kerk bewijst wat een macht de Heere aan Zijn gemeente heeft verleend en zij zou hebben kunnen bezitten. Maar het is niet de zaak van Christus, die het Katholicisme voorstaat, maar integendeel van hen, in wiens dienst tenslotte die partij zal overgaan, die thans de heersende in de Katholieke kerkelijke bewegingen is (Openbaring . 13: 11vv. ). Zij zal deze kerk door het misbruik van Jezus naam tenslotte brengen daar, waar het heet: “ga uit van haar, Mijn volk!” en waarop de stem zal klinken: “zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon”; Openbaring . 18). Een Romeins bisschop (Silvester II aan het einde van de 10de en het begin van de 11de eeuw) heeft zelf bekend: “wanneer de Roomse paus tegen een broeder zondigde en na openlijke vermaning de gemeente niet wilde horen, zo zou hij volgens het gebod van de Heere voor een heiden en tollenaar moeten worden gehouden, want hoe groter hij schijnt te zijn, des te dieper kan hij vallen. ” Hoe de taal sinds het vijfde jaar voor het begin van het laatste vierde deel van onze eeuw geheel anders luidt, en de wieg gereed is gemaakt, waarin de antichrist, als hij komt, zich zeer geschikt kan neerleggen (2 Thessalonicenzen. 2: 4), behoeven wij niet uitvoerig uiteen te zetten. De tijd kan dan ook niet uitblijven, dat onze kerk, die de steeds zwaardere toekomst, die haar wacht, mag tegengaan met de troost (Micha 7: 8): “Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin, wanneer ik gevallen ben zal ik weer opstaan” de erfenis van de macht van de Heere zal aanvaarden.
Kruisverwijzingen1 Johannes 5:14→Markus 11:24→Jakobus 5:14→Mattheüs 7:7→Johannes 16:23→Handelingen 4:24→Efeze 6:18→Mattheüs 21:22→— Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Opnieuw zeg Ik u omtrent een ander punt, dat de toegang van Mijn gemeente tot alle schatten van het koninkrijk der hemelen aangaat: indien er twee van u, het allerkleinste gedeelte van de gemeente, samenstemmen op de aarde over enige zaak, die zij zouden mogen begeren in het gebed, dat die hun zal overkomen van Mijn Vader, die in de hemelen is (Hand. 12: 5). Want het is hun door Mijn Geest in het hart gegeven, die alleen kan ingeven, wat volgens de goddelijke wil is.
KruisverwijzingenJohannes 20:26→Openbaring 21:3→1 Korinthe 5:4→Johannes 20:19→Zacharia 2:5→Genesis 49:10→Exodus 20:24→Mattheüs 28:20→— Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
a) Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, Mij tot eer, op Mijn bevel en in vertrouwen op Mijn belofte om elkaar uit Mijn woord op te bouwen en alle goeds voor zich en anderen af te bidden, daar ben Ik in het midden van hen en leg door Mijn Geest in hun mond, wat zij moeten bidden en bid met hen.
Luk. 24: 15, 36
Met het binden en ontbinden gaat het als met de gebedsverhoring. Het is in de hemel van kracht, omtrent het alleen getuigenis was van hetgeen reeds in de hemel was besloten, evenals het gebed verhoort wordt, omdat het door de drang van de Geest in geloof reeds uit de hoogste raad en de goddelijke wil is voortgekomen.
De algemene uitdrukking: “over enige zaak” beperkt men gewoonlijk zo, dat men daaronder verstaat alles wat het welzijn van de gemeente bevordert en tot het Christelijk levensgebied behoort. Dat is zeker in zoverre juist, als het geestelijke het enige voorwerp is van de werkzaamheid van de gelovigen, waarin al het andere, in zoverre het goed is, opgesloten ligt. Maar juist omdat al het andere daaraan verbonden is, is het “enige zaak” ook in eigenlijke zin te nemen, omdat alles, in zoverre het in verband staat met de behoeften van de kerk, voorwerp van het gebed van de gelovigen kan worden. De mogelijkheid van het misbruik van dit bevel, of liever van deze verheven toestemming van de Verlosser voor de Zijnen is daardoor weggenomen, dat juist de Geest van de Vader in Christus Jezus het zelf is, die de gemeenschap met de Geest, het daaruit voortvloeiende één worden voor elk bijzonder geval en het gebed zelf teweegbrengt en opwekt. Waar dus dit niet alles werkelijk aanwezig is, of slechts in zelfmisleiding gemeend wordt, hebben de woorden van de Heere geen toepassing. Waar het werkelijk aanwezig is, daar hebben Zijn woorden ook hun eeuwige waarheid.
Op de overeenstemming komt het aan, zodat men niet naar bijzonder belang, noch persoonlijke begeerte gelooft, dat de zaak goed is. Het talrijke gezelschap doet het ook niet, maar dit doet het, dat Hij daarbij is, dat Hij de derde of vierde man onder hen is.
Wie zeggen kan: “gij en ik” kan van een gemeente spreken en aanspraak maken op de genade van de gemeente toegezegd.
Wat een treffend bewijs voor de Godheid van de Heere! God toch alleen kan op meer dan één plaats tegelijkertijd zijn.
Ieder van ons herinnere zich wat ondervinding hiervan hij bij zijn aardse Vader smaakte. Was deze wel ooit gunstiger gestemd om aan uw wensen gehoor te geven, dan wanneer gij met uw broeders en zusters verenigd één en dezelfde wens uitte, één en hetzelfde gunstbewijs vroegt, dat vele gelukkig maken zou? Nee, niets is hartroerender dan een gemeenschappelijke bede.
VI. Vs. 21-35.KruisverwijzingenLukas 17:3→Kolossenzen 3:13→2 Koningen 4:1→Nehemia 5:5→Leviticus 25:39→Markus 11:25→Efeze 4:31→Mattheüs 6:14→ — Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde. Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten. En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden. De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden. Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt. Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben. Petrus geeft door een vraag de Heere aanleiding tot nader onderricht. Het woord over het heengaan tot de broeder, die zondigt en van het winnen van hem, wanneer hij de bestraffing aanneemt, veronderstelde van zelf, dat hij, die heenging, bereid was te vergeven, ja zozeer bereid, dat het bestraffen als middel voorkomt, en dus eigenlijk niet de straf, maar de vergeving in het huis van hen, die misdeed, moet worden gebracht. Dit kan de discipel niet begrijpen, die groot geworden is in een tijd, waarin de Farizese schriftverdraaiing reeds zozeer is doorgedrongen. Het komt hem voor, dat men toch ook met de bereidwilligheid om te vergeven niet te ver mocht gaan, hij meent de grenzen ver genoeg te hebben geplaatst, wanneer hij bereid is zevenmaal te vergeven; maar alle grenzen worden weggerukt, en tot waarschuwing de gelijkenis van de boze dienstknecht voorgehouden. Evenals de inhoud van vs. 7vv. en Luk. 17: 1 en 2 in het kort is weergegeven, als de inhoud van vs. 15vv. in Luk. 17: 3 en 4.
KruisverwijzingenLukas 17:3→Mattheüs 18:15→— Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?
Toen de Heere in vs. 15vv. het juiste gedrag ten opzichte van een broeder, die tegen ons zondigde, voorstelde, kwam Petrus tot Hem. Hem was daarbij een bedenking in het hart opgekomen, of namelijk zulk heengaan tot de belediger met een hart tot vergeven bereidwillig, niet zijn grenzen had, zou het niet een grenzenloos, altijd meer zich opeenhopend zondigen ten gevolge hebben. En hij zei: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en Ik hem vergeven? Is het genoeg, wanneer ik als maat aanneem: tot zevenmaal?
KruisverwijzingenKolossenzen 3:13→Markus 11:25→Efeze 4:31→Mattheüs 6:14→Mattheüs 6:11→Efeze 4:26→Romeinen 12:21→1 Timotheüs 2:8→— Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
Jezus zei tot hem: Ik zeg u niet, a) tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. Wanneer hij zevenmaal daags tegen u zondigde en zevenmaal terugkwam en zei: het is mij leed, zo zult gij hem moeten vergeven (Luk. 17: 4), en zo dat 70 dagen na elkaar werd herhaald, zo zou gij hem moeten vergeven. Er mag geen maat noch perk worden gesteld; het moet integendeel tot blijdschap zijn, wanneer de broeder, die zondigt, door berouwvolle gezindheid het u mogelijk maakt, hem altijd en te allen tijde te vergeven.
MATTHEUS. 6: 14 Mark. 11: 25 Kol. 3: 13
De Talmoed 5: 22) zegt: men vergeve een, twee, tot driemaal, maar de vierde maal vergeve men niet. Deze Joodse traditie is misschien toen reeds bekend geweest, en Petrus wilde het misschien tot het dubbele versterken.
Hij meende daardoor iets zeer buitengewoons te doen, zich zeer groot van hart te betonen en verwachtte een toestemmend antwoord op zijn ruime uitbreiding.
Het getal van de Heere tegenover het getal van de apostel zegt, dat er over het vergeven geen boek moet worden gehouden, dat het integendeel een voortgaan in het onbegrensde is, dat niet geteld, maar steeds blijmoedig moet worden vergeven.
Als ik nog tellen kan, heb ik het vorige nog niet vergeten, dus ook niet van harte vergeven.
Er is een oude spreuk: goed met kwaad te vergelden, is duivels, kwaad met kwaad te vergelden is dierlijk; goed met goed te beantwoorden is menselijk, goed tegenover kwaad te doen is goddelijk.
Zo’n huis is de kerk, dat, waar de zondaar zich laat gezeggen en zich laat bestraffen, hij vergeving van de zonde heeft, en de vergeving zo dikwijls zijn deel wordt, als zij door hem wordt begeerd en gezocht.
Er wordt hier gedoeld op het oude woord van wraak, door een Lamech gesproken Gen. 4: 24
Het is zo gemakkelijk niet te vervullen wat de Heere Petrus oplegt; niet slechts tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal te vergeven. Drie dingen moeten worden bestreden. Allereerst de boze hartstocht, die voldoening eist; in de tweede plaats, het berekenend verstand, dat nieuwe beledigingen en grotere schade wil voorkomen, en ten derde, het gevoel van rechtvaardigheid; dat zich inbeeldt de zucht naar wraak te kunnen wettigen. Voor de zwakke mens is het niet gemakkelijk deze drie vijanden allen tegelijk, niet gemakkelijk ze een voor een te verslaan.
(Evangelie op de 22e zondag na Trinitatis)
Tot ware heiligmaking behoort ook barmhartige, vergevensgezinde liefde jegens den naaste. De Heere heeft onze schuld vergeven, daarom moeten wij ook gewillig zijn om de naaste te vergeven, en niet, zoals de onbarmhartige dienstknecht in het Evangelie, onze schuldenaars doden.
Stelde het vorige Evangelie het levend geloof voor als hetgeen ons gelukkig maakt, nu horen wij dat dit geloof zich moet openbaren in een leven, dat liefde en vergeving beoefent.
Het huis is de eerste en naaste plaats, waarin zich de heerlijkheid van het nieuwe leven in Christus openbaart; de tweede kring is de omgang en het verkeer met andere mensen dan met onze huisgenoten, met hen met wie ons ons beroep, ons lot, de leiding van God, de nabuurschap of vriendschap in betrekking brengt. Ook op dit gebied is een werkelijk onderscheid tussen doen en laten van de wedergeborene en de natuurlijke mens. Ons Evangelie wijst ons op de verschillende gesteldheid en op de verschillende gevolgen van beider omgang.
De vermaning tot vergevensgezindheid, zo dikwijls die komt, is altijd weer tijdig en op de juiste plaats, en men mag zelfs beweren, dat men tot deze deugd veel meer dan tot andere deugden mag vermanen, omdat zij een bijzonder mooie, en juist daarom ook een bijzonder moeilijke deugd is. Daarom keert ook de vermaning tot vergevensgezindheid in zo menig Zondagsevangelie van het kerkelijk jaar terug; daarom spreekt de Heilige Schrift zo dikwijls daarvan; daarom wordt er zelfs in de zeven beden van het “Onze Vader” aan gedacht.
Hoe leer ik de moeilijke kunst om mijn schuldenaar van harte te vergeven? 1) Zie uw schuldenaar aan: hoe klein is zijn schuld! 2) Zie op uzelf: hebt ook gij niet nodig, dat men met u geduld hebbe? 3) Zie op tot uw God: hoe groot is Zijn genade!
KruisverwijzingenMattheüs 13:24→Mattheüs 13:47→Mattheüs 25:19→Romeinen 14:12→Mattheüs 13:33→Mattheüs 13:31→1 Korinthe 4:5→Mattheüs 25:14→— Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.
Ik wil u door een gelijkenis leren, waarom een zo onbegrensde bereidwilligheid tot vergeven uw plicht is, en hoe strafbaar en verkeerd daarentegen de onverzoenlijkheid omtrent de broeder is. Daarom wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken, is het ten opzichte van afrekening of betaling van schuld evenals bij een zeker koning, niet slechts een gewoon mens, maar een hoog verhevene: een machthebbende, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde, met zijn dienaren, die hij zijn land en de inkomsten daarvan tot besturing had opgedragen om zich te overtuigen van de stand van zaken, wat hun bestuur omtrent zijn vermogen aanging.
Wij moeten vooral letten op het woordje: “koninkrijk der hemelen, ” want zo’n gebod van het vergeven van de zonden kan men niet op het rijk van de wereld toepassen, waar ambten en personen ongelijk zijn, en daarbij steeds de een over de ander macht heeft. Men mag (vader, heer, meesteres, wereldse overheid) daar de boosheid niet toezien, noch ieder laten doen wat hem behaagt, maar moet het kwaad straffen en de mensen onder de tucht houden. Het wereldlijk bestuur is daartoe door God ingesteld, dat het de boosheid van de wereld zou weten en straffen – niet dat het alle boosheid zou kunnen straffen (want daartoe is het veel te nietig), maar dat het uiterlijke grote zonden zou straffen, die metterdaad gebeuren, dat niemand misdaad bedrijve aan zijns naasten lichaam, vrouw, goederen enz. In dit wereldlijk besturen is geen vergeving maar straf (Gen. 9: 6 Rom. 13: 4). Zo men in het wereldlijk bestuur moest vergeven, zo zouden gij en ik niets behouden. Het is, helaas! waar, dat degenen, die in het wereldlijk bestuur zijn, dikwijls niet alleen nalatig zijn in het straffen van het kwaad, maar zelfs het kwaad steunen en sterken, het laten gaan zoals het gaat. Daarom moet men deze leer vlijtig voorstaan, opdat men lere en wete, dat het uiterlijk bestuur gestreng moet zijn (1 Sam. 15: 3, 9, 19vv. ; 1 Kon. 20: 29vv. ; 22: 31). Dit bevel van het vergeven van de zonden behoort in het koninkrijk der hemelen of in het geestelijk bestuur, waar wij gelijk zijn en slechts een Heer boven ons hebben, wie wij allen eigen zijn. Zo’n Koninkrijk der hemelen begint hier op aarde en wordt met een andere naam genoemd de Christelijke kerk, waar God door Zijn Woord en Zijn Geest regeert. In diezelfde kerk moet gij, in zoverre gij geen bijzonder ambt hebt, doen zoals Jezus hier beveelt: de een moet de ander vergeven; niemand mag zich wreken; ieder moet barmhartigheid en vriendelijkheid jegens zijn naaste bewijzen.
De Koning, die met Zijn knechten rekening wil houden, is God; de knechten zijn wij. Omdat Hij aan ieder van ons Zijn goed heeft gegeven, om het te besturen, zo moeten wij ook daarmee winst doen, dat zijn de goede werken, die God van ons verlangt. Hij laat ons op eigen verantwoordelijkheid handelen, maar van tijd tot tijd roept Hij Zijn knechten voor Zich, en laat Hij Zich de rekeningen voorleggen. Dat gebeurt, wanneer Hij ons in ons geweten tot verantwoording roept, en al onze werken in het licht van Zijn aangezicht stelt; want er zijn tijden, dat wij de nabijheid van de levende God, de Rechter van allen, opmerken en de stem horen: geef rekenschap van uw rentmeesterschap.
Wij tellen het zo licht, vooral wat gedachten en woorden aangaat. God rekent echter anders dan wij, en voor Hem is niets verborgen en wordt niets voorbij gezien. Zo dikwijls Zijn heilige wet vermanend aan ons hart klopt, wil Hij met ons rekenschap houden. Zo dikwijls een dag voorbij is, en een jaar zijn loop heeft geëindigd, is dat een herinnering voor ons, dat God rekening wil houden. Wij verschuiven echter de afrekening zo graag, totdat de Heere aan het einde onze rekening sluit door de dood. Op de jongste dag zal ons dan ons schuldenboek worden voorgehouden, ook al wilden wij het op aarde nooit zien.
KruisverwijzingenLukas 13:4→Psalmen 40:12→Lukas 7:41→Lukas 16:7→Ezra 9:6→Psalmen 130:3→Psalmen 38:4→1 Kronieken 29:7→— Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.
Als hij nu begon te rekenen, werd dadelijk in de eerste en hoogst geplaatste, die hij komen liet, tot hem gebracht een, die ten gevolge van verwaarlozing en ontrouw hem schuldig was tienduizend talenten 30: 13″) 1) die hij thans had moeten overgeven.
Zeer verschillend is de berekening van de waarde.
De knechten zijn natuurlijk geen slaven, ook niet gewone onderdanen, maar ministers, kroondienaars. Hun rekening wijst in de ontzaglijke grote som om zo te zeggen “koninklijke schulden” aan. De eerste toepassing moet dientengevolge gemaakt worden op de apostelen en de groten in de gemeente, die te meer kunnen schuldig zijn, naarmate hun meer is toevertrouwd. Toch wordt daardoor de verdere toepassing op de rekening van ieder mens voor God volgens zijn hogere roeping niet buitengesloten. Men denke nu aan talenten zilver of goud, altijd zijn tienduizend zoveel, dat ook Haman in Esth. 3: 9 de rijkdom van de Joden in het land zo hoog waardeert, om zeer veel te noemen. Het getal is bij wijze van spreekwoord voor bijzonder veel, evenals het “zeventigmaal zeven maal. ” Omdat echter toch van rekenen sprake is wil de Heere tevens zeggen, dat God onze zonden werkelijk telt en weegt. Waarlijk reeds het getal is voor ons onbetaalbaar, en het zware gewicht van een meetellende zonde reeds een talent, want er zijn geen zogenaamde kleine of lichte zonden. God wil rekening houden met Zijn knechten, en Hij moet het willen, hoewel Hij slechts de rekening opmaakt, om ze te kwiteren, de schuld slechts doet kennen, om ze te vergeven (Jes. 1: 18). Zonder rekenen geen kwijtschelden, er is hier geen vergeven en kwiteren zonder dat er optelling, narekening heeft plaats gehad.
Zoals wij zagen verschillen de uitleggers in de waardering van de talenten; het is voor ons slechts van belang te weten, hoe de schuld een onmetelijke is: “Wie weet, hoe dikwijls hij zondigt?” (Ps. 19: 13). Boos berekent deze schuld op een eenvoudige wijze; hij zegt: de rechtvaardige valt zevenmaal daags (Spr. 24: 16), omdat nu een jaar 365 dagen heeft valt hij in een jaar reeds 2555 maal – hoe dikwijls dan in zijn gehele leven? Augustinus denkt bij de 10. 000 talenten aan de tien geboden, en zegt dat elk van die 1000 maal door ons wordt overtreden – een recht praktische vingerwijzing!
Wanneer God rekening wil houden, zo laat Hij de prediking van Zijn wet uitgaan, waardoor wij leren kennen, wat wij schuldig zijn. Wanneer God tot het geweten zegt: “Gij zult geen andere God hebben, maar Mij alleen voor God houden, Mij lief hebben van ganser harte en uw vertrouwen alleen op Mij zetten, ” dat is de rekening en het register, waarin geschreven staat, wat wij schuldig zijn. Dat neemt Hij in de hand, leest het ons voor, en zegt: Zie, dat moest gij doen; gij moest Mij alleen vrezen, liefhebben en eren; gij moest op Mij Vertrouwen en u geheel aan Mij overgeven, – gij doet echter het tegendeel en zijt vijandig tegen Mij, gelooft niet in Mij, en stelt uw vertrouwen op andere dingen – summa summarum, gij ziet, dat gij geen letter van de wet houdt. Wanneer nu het geweten dat hoort, en de wet recht op iemands gemoed komt, zo ziet de mens, wat hij schuldig is te doen en niet gedaan heeft, hij wordt gewaar, dat hij geen letter heeft gehouden, en hij moet belijden, dat hij God geen ogenblik geloofd of bemind heeft.
Kruisverwijzingen2 Koningen 4:1→Nehemia 5:5→Leviticus 25:39→Nehemia 5:8→Lukas 7:42→Jesaja 50:1→Exodus 21:2→— En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.
En als hij, zoals vanzelf sprak, niet had om te betalen, beval zijn heer volgens het oude recht, dat men hem zou verkoper tot slaaf, en zijn vrouw en kinderen en al wat bij had, en dat de schuld zoveel mogelijk zou betaald worden.
De knecht heeft niet om te betalen: van waar zou de zondaar het verkrijgen, die wel in zonde kan voortgaan en nieuwe zonden kan opeenhopen, maar niet één zonde kan goed maken. Toch moet hij een voldoening geven. Hij moet voelen, dat men de wet van God niet straffeloos kan overtreden, opdat hij zijn moedwil aflere en God vreze. Hij moet met vrouw en kind en alles wat hij heeft in slavernij worden verkocht. Uit de dienst van de koning verstoten, moet hij zijn goed en zijn vrijheid verliezen en onder harde arbeid zijn leven doorbrengen. Dat is een zwaar lot, van Gods aangezicht verstoten, een lijfeigene van de wereld en van de vorst van de wereld zijn. Is dat ook nog niet het uiterste en hoogste verderf, zo is het toch de weg daarheen, en dat is het verdiende loon van hen, die zich tegen de goede, grote God verzondigen, en Hem niet de eer geven, Hem niet boven alle dingen vrezen, liefhebben en vertrouwen.
De te verwachten opbrengst is natuurlijk niet toereikend om de enorme schuld te dekken. Daarop wordt ook niet gedoeld, recht en gerechtigheid moet worden uitgeoefend, of de schade hersteld of niet. De mens handelt dikwijls zo, dat hij de schuldige laat lopen, omdat hij van hem toch geen herstel meer kan hopen. God, de Heere, handelt nooit zo; Hij lijdt, wanneer een knecht 10. 000 talenten doorbrengt, geen schade, want Hij is de Heer over alles; maar Hij wil, dat recht wedervare aan hem, die tegen Hem heeft misdaan.
Voordat de Koning met hem rekening houdt, heeft de knecht geen geweten, hij voelt de schuld niet en zou nooit zijn heengegaan om te bidden; hij zou meer schuld hebben gemaakt, en er niet naar hebben gevraagd. Als echter de rekening gehouden is en zijn heer beveelt hem zijn vrouw enz. te verkopen en te betalen, voelt hij en ziet beide zijn grote schuld, vervolgens zijn onvermogen en de straf, daarom valt hij voor de heer neer, bidt hem en zegt. Heb geduld met mij. Dat noemen wij “naar het kruis kruipen” en genade begeren, dat wil de Heere, dat wij zullen leren, indien wij van schuld bevrijd willen worden; want wie de schuld niet wil bekennen, maar die ontkent, zoals de Farizeeën doen, die zichzelf voor vroom en rechtvaardig houden, die zou zijn zaak slechts erger maken.
KruisverwijzingenLukas 7:43→Mattheüs 8:2→Mattheüs 18:29→Romeinen 10:3→— De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
De dienstknecht dan, met angst en schrik vervuld, neervallende, aanbad hem naar de wijze van de oosterse verootmoediging (Ge 33: 3; 1 Kon. 1: 16), zeggende: Heere! wees lankmoedig over mij, vertraag de uitvoering van dit vonnis, en ik zal ualles betalen.
Welke gedachten heeft de knecht, als hij zegt: “ik zal alles betalen. ” Alles betalen, 10. 000 talenten, van waar zal de arme dat verkrijgen? Als een mens in nood is moeten zijn woorden niet op de goudschaal worden gelegd. De eigenlijke bedoeling is zeker, dat hij zijn gedrag wil verbeteren en de veroorzaakte schade weer wil goed maken. Dat is een loffelijke belofte; men merkt het echter bij deze soort van berouw op, dat hij nog zeer zwak is. De knecht zoekt zijn heil niet alleen in de vrije ontferming van de koning; maar ook voor een goed deel in zijn eigen doen en werken. Hij wil een gedeelte van de schuld uitdelgen en hoopt dan voor het overige vergeving te verkrijgen. Hij is daarin gelijk aan vele van onze Christenen, die daarom op de vergeving der zonden rekenen, omdat zij zich verbeteren en goede werken doen. Zij zijn ook soms zo stout, dat zij God gouden bergen beloven en nooit weer willen zondigen, wanneer Hij hun voor ditmaal de schuld wil vergeven. Zij weten nog niet, dat beide een geschenk van de genade is: De vergeving van schuld en de verbetering van het zondige leven. Wij moeten God daarom om beide bidden, zoals in het “Onze Vader” op de vijfde bede als zesde bede volgt: “Leid ons niet in verzoeking.”
De arme man is de eerste papist geweest, die van eigen betaling sprak, maar met dit onderscheid, dat hij het in angst en vermaning zei, en deze het ernstig beweren. Men moest van dat zelf betalen geheel afzien en zich alleen op genade en barmhartigheid beroepen.
De schuldenaar kan niet bidden om kwijtschelding van schuld, dit zou, gij voelt het, in zijn toestand een vermetelheid geweest zijn. De verloren zoon kwam ook niet tot zijn vader, om weer als kind, maar als een van zijn huurlingen aangenomen te worden. Er moet dan ook bij ieder mens, die zich bekeert een gevoel in het hart en een gelofte jegens de Heer gevonden worden, om, ware het mogelijk, door verdubbeling van gehoorzaamheid iets van de schuld af te doen. Maar dat is niet mogelijk, de Heere weet dit, daarom neemt de koning de belofte niet aan, maar scheldt hij de schuld kwijt naar zijn vrije, onvoorwaardelijke genade.
KruisverwijzingenPsalmen 145:8→Nehemia 9:17→Psalmen 86:5→Psalmen 78:38→Psalmen 86:15→Richteren 10:16→Hosea 11:8→— En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.
En de heer van deze dienstknecht, die beloofde wat onmogelijk was, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, zodat er van verkopen verder geen sprake meer was, en de schuld, (woordelijk: het op rente gegeven geld) het geld, dat hij zich onrechtvaardig had toegeëigend, en al het overige, dat hij had moeten betalen, hem kwijtgescholden. Hij gaf hem veel meer dan hij had gevraagd, toen de knecht beloofde wat boven zijn bereik was.
Dat is een gouden vers, dat wij wel mogen ter harte nemen, want hier wordt ons met weinig woorden als in een somma het gehele Evangelie voorgesteld, dat toch niets anders is dan de blijde boodschap, dat God Zich over onze ellende ontfermd heeft, en genade voor recht heeft laten gelden en onze schuld vergeven heeft, Hij werd over ons bewogen, daarom heeft Hij Zijn eengeboren Zoon overgegeven, en heeft ons losgelaten, omdat Jezus Zich als borg heeft gesteld. De schuld is vergeven, omdat Jezus Christus ze voor ons betaald heeft. De schuldbrief is met het kruis uitgewist, wij mogen in geloof aannemen, wat Gods vrije genade ons aanbiedt. Daarop wijst de Heilige Schrift gedurig weer, en wij kunnen het niet dikwijls genoeg bedenken, dat wij rechtvaardig en zalig worden door de vrije genade van God in Christus Jezus.
Het Rooms-Katholieke geloof en het natuurlijke hart stemmen zeer goed overeen ook zonder wedergeboorte, het Evangelisch geloof en het menselijk hart alleen door middel van de wedergeboorte. De papisten zeggen van een Protestant, die Katholiek geworden is, dat hij (in de schoot van de kerk) teruggekeerd is. Zeer juist, de Katholieke gezindheid en het Katholieke geloof is de oude mens, die heeft ieder onder de Christenen van nature – de mens wordt echter evangelisch in gezindheid en geloof door de Heilige Geest.
Gods rechtvaardigheid eist de volle straf; Gods liefde de volle kwijtschelding; bij God is niets ten dele, maar alles geheel en volkomen.
KruisverwijzingenMattheüs 20:2→Jesaja 58:3→Nehemia 10:31→Nehemia 5:7→Nehemia 5:10→Ezechiël 45:9→Deuteronomium 15:2→— Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.
Maar die dienstknecht, aan wie zoveel barmhartigheid was geschonken, wiens hart vol moest zijn van de genade, die in zo bijzondere mate hem was geschonken, uitgaande uit het paleis van de koning, heeft op de weg naar huis gevonden eenvan zijn mede-dienstknechten, die hem honderd penningen, denariën schuldig was en hem aanvattende, als had hij een goede vangst gedaan, greep hem bij de keel om hem voor de rechtbank te slepen, zeggende: Betaal mij dadelijk wat gij schuldig zijt, tot de laatste penning toe, of ik breng u voor de rechter.
KruisverwijzingenMattheüs 18:26→Mattheüs 6:12→Filemon 1:18→— Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.
Zijn mede-dienstknecht dan, onbewust hem het beeld voor ogen houdende, hoe hij zo kort geleden zelf in grote angst voor de koning had gelegen (vs. 26), neervallende aan zijn voeten, bad hem, zonder het te weten, dezelfde woorden zeggende, die hij te voren had gebezigd: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. Hier was het echter geen belofte, die niet te vervullen was, zoals eerder de zijne; zij kon in elk geval na een korte tijd worden vervuld.
Kruisverwijzingen1 Koningen 22:27→1 Koningen 21:27→— Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.
Maar hij wilde niet doen wat hem zo dringend gebeden was: maar hij ging heen, en bracht hem werkelijk tot de rechter, en wierp hem volgens het rechterlijk vonnis in de gevangenis, totdat hij de schuld betaald zou hebben; zo was het natuurlijk voor hem zonder hoop, omdat niet anders dan met zijn dood de deuren van de kerker voor hem zouden worden geopend.
Jezus zwijgt van de dank, die de knecht met woorden betuigd heeft; want Hij heeft te getuigen van een dankbaarheid, die zich in werken openbaart en die elk woord over de eerste overbodig maakt. Nauwelijks is de knecht uit het koninklijk paleis uitgegaan, hij is nog niet tot vrouw en kinderen teruggekeerd, geen tijdverloop kon de vrome voornemens, die hij opgevat heeft, de indrukken, die hij ontvangen heeft, hebben uitgewist. Hij moest nog geheel vervuld zijn van de genade van zijn heer; hart en mond moest jubelen met de woorden van de psalmist (Ps. 103: 1vv. ): “Loof de Heere, mijn ziel. ” Daar vindt hij zijn mededienstknecht, dus een knecht die, als hij zelf, ook die grote heer en koning dient. Zouden wij niet verwachten, dat zich nu het hart van de knecht wijd zou openen om met blijde mond zijn mededienstknecht de lof van de heer te verkondigen? Deze mededienstknecht is aan onze knecht 100 penningen schuldig; wat zijn 100 penningen bij 10. 000 talenten? een kleinigheid! Wij verwachten, de knecht, aan wie barmhartigheid is bewezen, zal aan zijn mededienstknecht barmhartigheid betonen. Erkent hij niet de hand van God, die deze mededienstknecht tot hem leidt, opdat hij gelegenheid hebbe, zijn heer en koning in de geringsten van zijn knechten zijn dank te betuigen? Maar wat gebeurt? Nauwelijks heeft de knecht zijn mededienstknecht gezien, of hij denkt aan diens schuld, valt op de schuldenaar aan, pakt hem en zet hem in de gevangenis.
Deze slechte knecht, die de Heere tot een waarschuwend voorbeeld stelt, heeft niets geleerd, heeft de genade volstrekt in zijn hart niet verstaan noch aangenomen, maar voert die als een roof weg. Hij gaat uit zodra hij kan, blij en vrolijk, dat hij nu weer alles kan voortzetten als voorheen. Hij vindt, zoals wij bij iedere voetstap vinden, wanneer wij het zoeken, een van zijn mededienstknechten. Het is wellicht een geringere dan hij, die een zo hoge betrekking heeft bij de koning, waardoor hij zo grote schulden kon maken; maar ook de dagloner is de onderdaan van de koning, tegen wie men geen verkeerdheden kan plegen zonder de koning te vertoornen. Hier kan de schuld in elk geval slechts gering zijn in verhouding tot die grote; want de lichtzinnige verkwister uit de kas van de koning had wel veel lust en bekwaamheid om te verspillen, maar weinig om anderen te lenen. Eerst nu hem door het gebeurde in het geheugen is geroepen het kwijtschelden of betalen, denkt hij aan hetgeen hij te ontvangen heeft. Nu de betaling niet kan plaatshebben, doet hij al het mogelijke tot dwang. Die verkeerdheid laat ons de Farizese gezindheid zien, die door gestrengheid van het harde gericht over de naaste zich voor God wil rechtvaardigen. Hoofdzaak blijft echter in de gelijkenis de verkeerdheid, dat men zich niet ontfermt, wanneer God Zich over ons ontfermd heeft (Sir. 28: 3vv. ). De koning wees op de wet van Israël (vs. 25): de knecht past op zijn mededienstknecht het nog hardere Romeinse recht toe, dat de schuldeiser veroorloofde, de schuldenaar bij de keel te grijpen en voor het gerecht te brengen.
Wij moeten de schade en de onbillijkheid, die ons van anderen overkomt, echt inzien en goed wegen, dan zullen wij zeker bevinden, wanneer wij het op de goudschaal leggen, dat de schuld, die wij tegenover de Heere, onze God, hebben, zal zijn als 10. 000 talenten bij 100 penningen, die ons onze naaste schuldig is. De Heere wil zeggen: al wilt gij de geleden schade ook nog zo hoog opvoeren, zodat gij meent reden te hebben om toornig te zijn, wat is het dan? het is nog niet één gulden tegen de 100. 000 gulden, die gij onze Heere God schuldig zijt. Indien dan God voor u het oog sluit – dat Hij zo grote schuld niet wil rekenen noch gedenken, hoe kunt gij dan zulke onbarmhartige, harde mensen zijn, dat gij niets wilt nalaten en alles zo nauwkeurig wilt nemen? Om Gods wil, doet het niet! Legt uw zonde op een weegschaal, en ook die van uw naaste en doe niet anders dan uw hemelse Vader met uw vele en grote zonden gedaan heeft, zo zijt gij ware Christenen.
Waarom is onze schuld tegenover God zo bijzonder hoog gesteld? Het is God, de majestueuze God, tegen wie wij zondigen, en zo groot als God is, zo groot is ook onze zonde. Wat betekent daarentegen de schuld van de knechten onderling? Zo ver God van de mens af is, en zo diep als de mens beneden God staat, zo ver en diep moet beiderlei schuld worden gescheiden; wat onze broeder ons ten nadele doet is niet de moeite waard bij hetgeen wij God smart aandoen; – men zou kunnen vragen, of de som van 100 penningen niet nog te hoog gesteld zou zijn. Er zijn er helaas! velen, die maar al te gelijk zijn aan de harde man, die zonder te letten op eigen schuld, anderen hard is en alleen van streng recht wil weten, hoewel hij zelf door genade vrij kan worden. Zij hebben een goed en nauwkeurig geheugen voor alles, wat hun is aangedaan, en het geheugen faalt niet, al is het dat hun overige krachten verminderen. Zij dragen dat met zich mee en zoeken elke gelegenheid, dat zij hun naaste schade kunnen doen, en hem zijn onrecht niet eenmaal maar tienvoudig vergelden. Zijn ze onbeschaafde mensen, dan varen zij op lompe wijze uit; zijn het beschaafde mensen zo wreken zij zich met spot en bijtende gezegden, en treden overal heimelijk hun belediger in de weg om hem in zijn vooruitgang te hinderen en zijn plannen te verijdelen. Vlijtig helpen zij om hem te benadelen en met vreugde zien zij zijn ongeluk. Wil echter hun belediger zich met hen verzoenen zo werpen zij hem zo verre weg, dat hem de moed moet ontzinken, om hen te naderen, en gebeurt het evenwel, dat het tot een verzoening komt, zo maken zij daarvan een ijdel schouwspel en zeggen iets met de mond, waarop het hart “nee” zegt.
Een handwerksman in Westfalen had aan een ver af wonende kleine handelaar jarenlang garen geleverd en geen betaling van hem verkregen, zodat de schuld tot over de 50 thaler was aangegroeid. De schuldeiser, zelf niet rijk, ging eindelijk persoonlijk op weg, om zijn geld in te vorderen en zo nodig met hulp van het gericht te verkrijgen. Hij treedt de kamer van de schuldenaar binnen en ontwaart daar de sporen van de hoogste armoede, van de diepste ellende; vooral valt hem een verwaarloosde knaap in lompen gekleed in het oog. Hij bedenkt zich niet lang. Lieve meester, zegt hij, ik zie wel, mijn geld krijg ik niet, ik wil dus uw zoon hier in de plaats tot betaling aannemen. De arme man wist eerst zelf niet wat hij van dat voorstel maken moest, en was ten hoogste verblijd en verwonderd, toen zijn schuldeiser hem zijn schuld kwijtschold, en zijn verwaarloosd kind aannam om het te verzorgen en op te voeden. Voorwaar, een mooie tegenhanger van onze schuldeiser in de gelijkenis.
KruisverwijzingenMarkus 3:5→Hebreeën 13:17→Genesis 37:2→Hebreeën 13:3→Lukas 14:21→Romeinen 9:1→Psalmen 119:158→Psalmen 119:136→— Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.
Toen nu zijn mede-dienstknechten, die te voren getuigen van zijn begenadiging (vs. 27) waren geweest, nu ook getuigen waren van zijn gedrag jegens zijn schuldenaar (vs. 30), en zagen hetgeen gebeurd was met de laatste, zijn zij, voor wie de genade vande koning een wonder was, zeer bedroefd geworden. Zij waren verontwaardigd over zo’n misbruik van het edelste kleinood voor arme ellendige zondaars, als alle mensenkinderen zijn, en van welke die knecht een voornaamste was bevonden: en komende, verklaarden zij hun heer al wat er gebeurd was, omdat zij niet konden dulden, dat de genade zo snood werdveracht, en toch gelaten werd in het bezit van hem, die haar verachtte.
KruisverwijzingenLukas 19:22→Mattheüs 25:26→Romeinen 3:19→— Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt;
Evenals de voorbede van de vromen niet tevergeefs is, zo is ook de vloek, het klagen over het kwade niet tevergeefs (Hebr. 13: 17). Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en hij zei tot hem: Gij boze dienstknecht! al die schuld, die gij aan mij had, toen gij de vorige maal voor mij stond, (vs. 24) heb ik u kwijtgescholden, omdat gij mijgebeden hebt. Ik heb u niet alleen uitstel geschonken, totdat gij mij zou kunnen betalen, maar heb mij over u ontfermd tot gehele kwijtschelding, omdat gij toch nooit zou hebben kunnen betalen.
KruisverwijzingenKolossenzen 3:13→Efeze 4:32→Mattheüs 6:12→Mattheüs 5:44→Lukas 6:35→— Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?
Behoorde gij ook niet, naar de plicht van de dankbaarheid, u over uw mede-dienstknecht te ontfermen, die u om lankmoedigheid vroeg, zoals ik ook mij over u ontfermd heb, zodat gij hem niet alleen had laten gaan, maar ook alleschuld had kwijtgescholden.
KruisverwijzingenMattheüs 5:25→Lukas 12:58→Jakobus 2:13→2 Thessalonicenzen 1:8→Openbaring 14:10→Mattheüs 18:30→— En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
En zijn heer, die reeds vroeger zo veel reden had gehad om vertoornd op hem te zijn, maar in plaats daarvan genade en ontferming had betoond, vertoornd zijnde, omdat zijn genade zo was misbruikt, leverde hem aan de pijners over, liet hem niet slechts in de gevangenis werpen, maar vorderde pijnlijke lijfstraf, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
De Heere vergeeft ook op uiterlijke verootmoediging, omdat zij stilzwijgend een belofte is van wederliefde. Wie om genade smeekt en genade ontvangt, die moet dankbaar zijn voor deze weldaad, en dankbaar zijn is te doen wat de weldoener genoegen doet. Door de ondankbare liefdeloosheid van de hoogst begenadigde knecht bleek het, dat zijn verootmoediging niet van harte was, maar enkel uit de persing van de nood ontstond. Ach, hoe vele bekeringen ontstaan er nog heden uit dezelfde oorzaak, en hebben dezelfde afloop! Hooggaande tijdelijke nood of benauwdheid van het geweten, of vrees voor de naderende dood en het oordeel kunnen een mens uiterlijk ver brengen; maar indien de liefde van Christus niet in het hart is uitgestort, waardoor de mens innerlijk veranderd, vernieuwd en met liefde tot Christus vervuld wordt, zo houdt met de nood ook de verootmoediging op, en de oude mens herneemt al zijn rechten. En wie voor de liefde geen plaats geeft, maar enkel wil handelen naar het strenge recht, met die zal ook enkel naar het strenge recht gehandeld worden.
Er zijn ook goedaardige dienstknechten, die beter verstaan, wat de koning in zijn onderdanen welgevallig is, die partij trekken voor de hard behandelde met een hartelijke ontferming, en het niet over hun hart kunnen verkrijgen hun heer, met wie zij in de vertrouwelijke verhouding van gelijke gezindheid staan, met de hen bedroevende geschiedenis bekend te maken “strengheid uit medelijden tegenover de hardheid uit medelijden. “
Dat zijn de vromen, die over alle liefdeloosheid voor hun ogen zuchten tot hen God van de liefde; de Heere wil ons met dit beeld leren, dat in elk geval niet alleen volgens Gods alwetendheid, maar ook op deze middellijke weg, tot onze diepe beschaming, onze nieuwe schuld, wanneer wij de schulden niet vergeven, voor God moeten komen. Daar moet zich de onbarmhartige niet alleen voor de Albarmhartige, maar reeds voor de barmhartige mededienstknechten schamen, en reeds daarin ligt zijn oordeel: “waarom gij ook niet alzo?” De zondige mens treurt (Ps. 119: 136), de onderdaan wordt bedroefd en klaagt het aan de Heere; maar God zelf de Koning in Zijn Majesteit, wordt toornig en noemt de knecht een “boze” – nu pas boos in de eigenlijke zin van het woord, vroeger nog niet bij al het moedwillig schulden maken in de verblinding, nu echter, omdat hij geen barmhartigheid oefent, omdat hij zelf toch barmhartigheid ervaren heeft. Want dat is de kroon van onze verworpenheid, dat wij voor God bedelaars, jegens onze medebroeders echter tirannen zijn.
God kan vele zwakheden en gebreken in de Zijnen verdragen, Hij vergeeft zelfs zware zonden, evenals Hij aan koning David zijn moord en echtbreuk en aan Petrus zijn verloochening vergeven heeft; want geen zonde is zo groot, dat zij niet vergeven zou kunnen worden, wanneer de zondaar boete doet en om vergeving bidt. Dit blijkt zelfs uit deze gelijkenis, en dat houdt de koning de boze dienstknecht nog eens uitdrukkelijk voor. Daarentegen is het anders met de zonde van de onverzoenlijkheid, dat iemand zijn broeder niet vergeven wil, die er hem om bidt. Deze zonde behoort tot degenen, die ten hemel schreien, want zij klimt op tot de rechtvaardige God en laat haar luide stem met de stem van de bedroefde gemeente voor Zijn troon horen, dat God de boze dienstknecht voor Zijn gericht moet eisen. Alle andere zonden, wanneer men er berouw over heeft, worden ook uitgewist en weggedaan, maar deze zonde wil noch zich zelf laten verbeteren noch verbetering van anderen aannemen, zij wil onbestraft en onverbeterd blijven. En toch is zij zo schandelijk, dat zij de genade van God veracht en haar niet dankt, al de liefde en ontferming in zich verstikt en vernietigt, de eenheid van de gemeente stoort, en de vrede in oorlog keert. Wil God Zijn gemeente redden en Zijn Evangelie niet geheel te gronde laten gaan, dan moet Hij met ernst tussenbeide komen en aan deze zonde paal en perk stellen. De onboetvaardige mensen menen waarlijk dat, nadat de Heere hun alle schuld heeft kwijtgescholden, Hij die niet meer zou mogen invorderen; zij laten zich de zonde vergeven, en geloven, daarna hun zondig leven weer opnieuw te kunnen beginnen, omdat de oude schuld hen niet meer drukt, en er voor de nieuwe goede raad is, evenals voor de oude. Zij moeten echter hier leren, dat met de nieuwe schuld de oude weer levend wordt, dat deze nieuwe, als men zijn mededienstknecht de 100 penningen niet wil kwijtschelden, hem toegerekend wordt als 10. 000 talenten; deze moeten nu betaald worden, en wel, omdat dit een oneindige schuld is, opdat de schuldenaar eeuwige pijn lijde; het is dus een wezenlijke betaling, maar een, die geen einde neemt.
De wraak komt de mens dikwijls zoet voor, maar ach! zij is slechts gesuikerd vergif, slechts zoet gemaakte gal, en haar nasmaak is bitter als de hel. Zoet en zaligheid alleen is de vergevende en verdragende liefde, zij heeft vrede en het bewustzijn van de goddelijke genade. Omdat zij vergeeft, neemt zij dadelijk de belediging weg en vernietigt haar; zij beschouwt en behandelt haar belediger, alsof hij haar niet beledigd had, en voelt de smarten en steken niet meer, die hij haar toegevoegd heeft. Vergeving is een schild, waartegen alle vurige pijlen van de boze afstuiten, zonder schade aangericht te hebben.
Wanneer deze man tevoren volkomen vergeving en kwijtschelding had verkregen, hoe wordt dan nu de volle betaling van hem geëist? Het is zeker, dat God de zonden, die Hij eenmaal vergeven heeft, nimmer straft; want de vergeving van Hem gaat over alle zonden. Hij vergeeft alle overtredingen, hoe menigvuldig zij ook zijn, en scheldt de schuld kwijt zo groot als zij is. De behandeling van genade wordt nooit weer ingetrokken. Het is een van Zijn giften, die onberouwelijk zijn. Dat rust op en komt voort uit de volkomen genoegdoening voor de zonde, door Zijn eigen Zoon gedaan, en daarom zou het onrechtvaardig zijn die te straffen; hierdoor is de zonde weggenomen en voor altijd uitgedelgd. Hierom menen sommigen, dat deze man alleen de aanbieding had van vergeving en niet de vergeving zelf. Maar het is geen aanbieding van vergeving, die Christus door Zijn bloed teweeg heeft gebracht, en waartoe Hij verhoogd is om die te geven, maar de vergeving zelf. Deze man was zijn schuld, ja zijn gehele schuld kwijtgescholden. Anderen menen, dat dit een vergeving was van de kerk, die hem aanmerkte, van hem oordeelde en hem ontving als een die vergeving was deelachtig geworden, maar hem om zijn wrede behandeling aan de pijnigers overleverde, hem veroordeelde en uitwierp totdat hij volkomen voldoening zou hebben gegeven. Anderen menen dat deze vergeving alleen bestond in zijn verbeelding; hij verbeeldde zich en hoopte, dat hij vergeving ontvangen had, terwijl hij ze inderdaad niet deelachtig was; maar dan kon zijn misdaad niet zo verwaard worden, zoals gebeurt. Men moet veel meer deze vergeving verstaan van de afwending van rampen en oordelen, die hem lichtelijk om zijn ongerechtigheden zouden overkomen zijn, dat soms de mening van die spreekwijze is (1 Kon. 8: 34, 36, 39), en zo kan zijn overgave aan de pijnigers worden opgevat voor de wroeging van zijn schuldig geweten, een kwelduivel, vele ongelukken en tijdelijke rampen. Wij hebben dit echter niet met strengheid toe te passen op enig bijzonder geval of persoon; er moet alleen op het oogmerk van de gelijkenis worden gezien. Dat is om de mensen onderling vergeving te leren uit de volkomen en vrije vergeving, die zij van God ontvangen, en dat er zonder de eerste geen reden is om de laatste te verwachten, zoals blijkt uit hetgeen volgt.
KruisverwijzingenLukas 6:37→Mattheüs 6:14→Markus 11:25→Mattheüs 6:12→Mattheüs 7:1→Jakobus 2:13→Spreuken 21:2→Lukas 16:15→— Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.
Zoals in deze gelijkenis de koning een onbarmhartig oordeel liet gaan over degene, die geen barmhartigheid had gedaan (Jak. 2: 13), zal ook Mijn hemelse Vader (hoofdstuk 6: 15) u doen, die tot de gemeente behoort, als wier lid vroeger Petrus heeft gesproken. Zo zal Hij doen, indien gij niet van harte vergeeft, een ieder zijn broeder, zijn misdaden. Doet gij het de eerste maal oprecht, zo maakt dit het tweede en derde geval gemakkelijker, en het wordt u tenslotte zo eigen, dat gij het zeventigmaal zeven maal vanzelf leert.
Wij moeten onszelf weinig, anderen veel vergeven.
De Heere zegt hier niet uw Vader, nee! want wie God waarlijk tot zijn Vader heeft, in hem valt zo’n onbarmhartigheid niet.
Zoals wij uit Lukas 17: 5 vernemen, voelden de discipelen de kracht van hun geloof nog niet opgewassen voor hetgeen de Heere hier van de Zijnen vorderde, en zij baden Hem, dat Hij dit in hen wilde versterken. Hij herinnert ze nu met een woord, geheel gelijk aan het gezegde in hfdst. 17: 20 , dat het eigenlijk niet aankomt op de uiterlijke maat van het reeds aanwezig geloof, maar op het bezit van het innerlijk ware geloof; want dat volbrengt reeds in de omvang van een mosterdzaadje alle dingen, die voor het natuurlijk oog onmogelijk schijnen. Daarom geeft Hij hun te verstaan, dat zij eigenlijk dat geloof nog in het geheel niet hadden, zo lang hun hart nog niet was ontledigd van alle aanspraak op eigen verdienste tegenover God, de Heere. Dat dit nog niet het geval was, had Petrus met zijn “is zeven maal genoeg?” duidelijk gehoord, daarbij toch rekende hij het zich tot een bijzondere verdienste, dat hij met zijn tellen zo ver was gegaan. Het woord van de Heere, dat hij zegt van de knecht, die zijn Heer zonder enige aanspraak op loon dient, is onmiskenbaar een wijzen op Zijn eigen dienende liefde, die de discipelen op het hoogst zullen zien in het lijden en sterven, dat nu spoedig daar zou zijn. Pas op deze grond zon Hij dan in staat zijn, hun Zijn Heilige Geest te schenken en door deze het geloof van de ware aard in hen te scheppen.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Mattheüs 18
Mattheüs 18:1.KruisverwijzingenMattheüs 20:20→Lukas 9:46→Markus 9:33→Markus 10:35→Mattheüs 3:2→Lukas 22:24→Markus 10:14→
— Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?
“Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?”
Die vraag hebben wij ook wel in andere vormen horen stellen: welk ambt staat het hoogst, en welke dienst krijgt de meeste eer? Alsof wij hovelingen waren die hun plaats naar rang moeten innemen.
Mattheüs 18:2.KruisverwijzingenMattheüs 19:13→Jeremia 1:7→Markus 9:36→1 Koningen 3:7→
— En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;
“En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;”
Zij vroegen zich allemaal af wat Hij ging doen. Het kind was er ongetwijfeld blij mee dat het zich in zulk vriendelijk gezelschap bevond.
Mattheüs 18:3.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:2→Markus 10:14→Mattheüs 19:14→1 Korinthe 14:20→Jakobus 5:19→Lukas 18:16→Mattheüs 5:20→Lukas 22:32→
— En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
“En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.”
“Voorwaar zeg Ik u” — dat is gericht tot u, mannen of vrouwen, die niet gering over uzelf denkt en graag wilt weten wie de meeste is. Dat u die vraag stelt, betekent dat ieder van u zichzelf al tamelijk goed vindt zoals hij is.
Iemand zei vanmorgen tegen mij dat het een dag was om te groeien. Ik antwoordde dat ik hoopte dat wij allen geestelijk mochten groeien. Welke kant op, vroeg hij, kleiner of groter? Laat het kleiner zijn, broeders; dat is beslist de zekerste weg om te groeien. Kunnen wij vandaag veel minder worden, dan groeien wij. Wij zijn opgegroeid, zoals wij dat noemen. Laten wij vandaag naar beneden toe groeien en als de kinderkens worden, want anders zullen wij het Koninkrijk der hemelen niet ingaan.
Mattheüs 18:4.KruisverwijzingenMattheüs 23:11→Psalmen 131:1→Mattheüs 18:1→Lukas 9:48→1 Petrus 5:5→Mattheüs 20:26→Lukas 14:11→Jesaja 57:15→
— Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.
“Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.”
Hoe lager, hoe hoger. In zekere zin gaat de weg naar de hemel omlaag — in onze eigen achting in elk geval. “Hij moet wassen, maar ik minder worden.” En wanneer dat kaarsrechte woordje ik, dat zich zo vaak op de voorgrond dringt, helemaal verdwijnt tot er geen letter van over is, dan worden wij aan onze Heere gelijk.
Mattheüs 18:5.KruisverwijzingenMattheüs 25:40→Galaten 4:14→Mattheüs 10:40→Lukas 17:1→Lukas 9:48→Mattheüs 25:45→Markus 9:37→Johannes 13:20→
— En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
“En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.”
De geringste en de kleinste in het gezin van de goddelijke liefde brengt, wanneer hij ontvangen wordt, dezelfde zegen mee als het ontvangen van Christus Zelf.
Mattheüs 18:6.KruisverwijzingenMarkus 9:42→2 Thessalonicenzen 1:6→Mattheüs 18:10→Psalmen 105:15→Romeinen 14:13→Zacharia 2:8→Mattheüs 18:14→Zacharia 13:7→
— Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.
“Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.”
Het gaat er niet om dat u hem uit zijn humeur brengt doordat hij zich dwaas gekwetst voelt. Het betekent: hem tot zonde brengen, hem doen struikelen, hem tot een aanstoot zijn. Over wie dát doet gaat dit woord.
De molensteen waarover hier gesproken wordt is niet de gewone steen die vrouwen plachten te draaien. Het is een grotere steen die door een ezel gedraaid werd, in een molen die dus in zijn geheel groter was. Zelfs het zwaarste vonnis dat wij ons denken kunnen zou beter zijn dan een struikelblok te zijn op de weg van de allergeringste van Gods kinderen.
Toch heb ik mensen horen zeggen dat de zaak geoorloofd is. Staat het een zwakke broeder niet aan, dan kunnen zij daar niets aan doen; hij moest maar niet zo zwak zijn. Nee, broeder, zo zou Christus u niet willen horen spreken. U moet rekening houden met de zwakheid van uw broeder. Alle dingen mogen u geoorloofd zijn, maar alle dingen zijn niet oorbaar. Paulus zegt: “Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.”
Bedenk dat wij het tempo waarin de kudde reizen kan uiteindelijk moeten afmeten aan de zwakste van de kudde. Doen wij dat niet, dan zullen wij veel van de schapen van Christus achter ons moeten laten. Het tempo waarin een gezelschap gaan moet, hangt af van hoe snel de zwakken en de zieken kunnen lopen. Is het niet zo? Het zou alleen anders zijn als wij bereid waren van hen te scheiden, en ik vertrouw dat wij dat niet zijn.
Laten wij er dus voor zorgen dat wij zelfs de zwaksten niet doen struikelen door iets wat wij zonder schade voor onszelf kunnen laten, maar wat hun schade zou doen. En dan weet ik nog niet of iets wat de zwakste schaadt niet ook óns zou schaden, want wij zijn niet zo sterk als wij denken. Zouden wij ons beter meten, dan zouden wij onszelf misschien ook bij de zwaksten rekenen.
Mattheüs 18:7-8.KruisverwijzingenLukas 17:1→Mattheüs 5:29→1 Korinthe 11:19→Mattheüs 25:41→Mattheüs 26:24→Deuteronomium 13:6→Jesaja 33:14→Mattheüs 25:46→
— Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt! Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
“Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt! Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.”
Doe weg wat u het meest van dienst is, wat u het meest onmisbaar lijkt, liever dan dat u zich erdoor laat afdwalen en tot zonde brengen.
Bedenk dat dit het woord van Jezus is: het eeuwige vuur. Het is niet het woord van een van die ruwe, wrede godgeleerden over wie u tegenwoordig zoveel hoort, maar het woord van Jezus Christus, de Meester Zelf. U kunt niet tederder zijn dan Hij; te doen alsof dat wel zo is bewijst alleen dat wij heel dwaas zijn.
Mattheüs 18:9.KruisverwijzingenMattheüs 5:22→Mattheüs 5:29→Mattheüs 18:8→Markus 9:47→Openbaring 21:27→Lukas 9:24→Mattheüs 19:23→Hebreeën 4:11→
— En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.
“En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.”
Het oog is zo nodig voor uw vreugde, voor uw kennis en voor de weg die u gaat. En toch, als het u tot zonde brengt…
Beter een verminkt gelovige te zijn dan een volleerd ongelovige. Beter een onontwikkelde heilige dan een ontwikkeld modern denker. Het is beter dat u een oog verliest of een hand, dan dat u uw geloof in God en in Zijn Woord verliest. Dat laatste kost u uw ziel en werpt u in het helse vuur.
Mattheüs 18:10.KruisverwijzingenHebreeën 1:14→Psalmen 91:11→Psalmen 34:7→Romeinen 14:10→Romeinen 14:21→Handelingen 12:23→1 Koningen 22:19→Handelingen 12:7→
— Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
“Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.”
Wij zijn er zo toe geneigd. Wanneer iemand geen volmaakte kennis blijkt te hebben en geen grote aanspraken maakt, denken wij zo gemakkelijk: och, hij is een nul.
Er is een engel om over elk kind van God te waken. De erfgenamen van de hemel hebben die heilige geesten om hen te bewaken en te bewaren. En deze gewijde wezens, die over het volk van God waken, aanschouwen tegelijk het aangezicht van God. Zij doen Zijn geboden, gehoorzaam aan de stem van Zijn woord, en zien al die tijd Zijn aangezicht.
Worden deze kleinen zo eervol door de engelen van God begeleid, veracht hen dan nooit. Zij mogen in grof linnen gekleed gaan, zij mogen de armoedigste katoen dragen, maar zij worden als vorsten begeleid. Behandel hen daarom ook zo.
Mattheüs 18:11.
— Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.
“Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.”
Dat is nog een reden waarom u hen niet verachten mag. Wat dunkt u? Zet uw denkmuts op en denk er eens een ogenblik over na.
Mattheüs 18:12-14.KruisverwijzingenLukas 15:4→Ezechiël 34:12→Jeremia 50:6→Ezechiël 34:16→Ezechiël 34:28→Mattheüs 21:28→Ezechiël 34:6→Johannes 4:34→
— Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.
“Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.”
En zij zullen ook niet verloren gaan. Christus is juist daarvoor gekomen, om hen op te zoeken; en Hij zál hen vinden. Heeft Hij er honderd die Zijn Vader Hem gegeven heeft, dan zal Hij Zich niet tevredenstellen met negenennegentig, maar zullen die honderd er alle zijn.
En dan, alsof Hij ons wil tonen dat wij zelfs de allerkleinste in het gezin niet mogen verachten en ook de meest afdwalende niet, brengt Hij het ons persoonlijk thuis.
Mattheüs 18:15.KruisverwijzingenLeviticus 19:17→Kolossenzen 3:13→2 Thessalonicenzen 3:15→Leviticus 6:2→Lukas 17:3→1 Korinthe 9:19→1 Petrus 3:1→Psalmen 141:5→
— Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.
“Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.”
Zeg niet: hij moet maar naar mij toe komen. Ga naar hém toe; hij heeft tegen u gezondigd, het is een persoonlijke zaak, ga hem opzoeken.
Het heeft geen zin te verwachten dat wie het onrecht deed vrede zal proberen te sluiten. Het is altijd de gekwetste die vergeven moet, hoewel hijzelf niets te laten vergeven heeft. Daar komt het altijd op neer. En het is de gekwetste die, als hij de gezindheid van Christus heeft, met de verzoening beginnen moet.
Mattheüs 18:16-17.Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 3:6→Deuteronomium 19:15→1 Timotheüs 5:19→Johannes 8:17→2 Korinthe 13:1→Hebreeën 10:28→Numeri 35:30→1 Korinthe 5:3→
— Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
“Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.”
Verlaat zijn gezelschap. Hij heeft de laatste rechtbank veracht; nu moet u hem laten gaan. Wees niet boos op hem. Vergeef hem van harte, maar ga niet meer met hem om.
Mattheüs 18:18.KruisverwijzingenMattheüs 16:19→Johannes 20:23→2 Korinthe 2:10→Openbaring 3:7→
— Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
“Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.”
Waar de gemeente juist handelt, heeft zij de plechtige goedkeuring van God. Wat deze mindere rechtbank op aarde besluit, wordt door de grote rechtbank daarboven bekrachtigd. Daarmee wordt dit binden en ontbinden dat Christus aan Zijn gemeente gegeven heeft een heel ernstige zaak.
Mattheüs 18:19-20.Kruisverwijzingen1 Johannes 5:14→Johannes 20:26→Markus 11:24→Jakobus 5:14→Openbaring 21:3→Mattheüs 7:7→1 Korinthe 5:4→Johannes 16:23→
— Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
“Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.”
Het is dus niet een grote gemeente die met deze wonderlijke kracht van het gebed omgord is, maar zelfs twee of drie. Christus wil niet dat wij één mens verachten, en Hij wil ook niet dat wij twee of drie verachten. “Want wie veracht den dag der kleine dingen?”
Meet integendeel naar hoedanigheid en niet naar hoeveelheid. En schiet zelfs de hoedanigheid tekort, meet dan naar de liefde, en niet naar een of andere regel van recht die u zelf hebt opgesteld.
Mattheüs 18:21.KruisverwijzingenLukas 17:3→Mattheüs 18:15→
— Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?
“Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?”
Petrus dacht dat hij zijn mond wel heel wijd opendeed toen hij dat zei.
Mattheüs 18:22.KruisverwijzingenKolossenzen 3:13→Markus 11:25→Efeze 4:31→Mattheüs 6:14→Mattheüs 6:11→Efeze 4:26→Romeinen 12:21→1 Timotheüs 2:8→
— Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
“Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.”
Het verwondert mij niet dat wij elders lezen dat de discipelen zeiden: “Vermeerder ons het geloof.” Want er is veel geloof nodig om zoveel geduld te hebben en steeds maar weer te blijven vergeven.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
V. Vs. 1-20.Kruisverwijzingen1 Petrus 2:2→Hebreeën 1:14→Mattheüs 19:14→1 Korinthe 14:20→Psalmen 91:11→Psalmen 34:7→Jakobus 5:19→Lukas 18:16→
— Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen? En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen; En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen. En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt! Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden. Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
De discipelen hadden op de weg gestreden, wie bij de oprichting van het rijk van Jezus de hoogste plaats daarin ontvangen zou, en deze strijd moet na hetgeen bij het terugkeren naar Kapérnaüm, volgens de inhoud van het vorige hoofdstuk voorgevallen was, als nu openbaar worden. De Heere brengt, als de discipelen op het punt zijn zelf Zijn beslissing in te roepen (vs. 1), hen allereerst door een voorkomende vraag tot bewustzijn, dat Hij hun gedachten van verre verstaat en al hun wegen weet, en maakt hierop van hun vraag gebruik in een drievoudige richting: 1) Tegenover de hoogmoed, waaruit de strijd voortgekomen is, plaatst Hij, terwijl Hij er een kind bij roept, de kinderzin en de nederige zorg voor de kleinen (vs. 2-5); 2) zowel de ergernis, die door de strijd gegeven was als de vooruitziende blik op al de ergernissen, die zulke kinderen zouden treffen, geeft Hem aanleiding tot een waarschuwing tegen het geven van ergernis en tot een vernieuwing om de ergernis uit zichzelf uit te roeien en de ergernissen, die van de wereld uitgaan daar, waar zij het meest te bejammeren zijn, met zoveel te meer trouw in de waarneming van hun apostolisch ambt te bestrijden (vs. 6-14); 3) De onderlinge schade, die de discipelen met hun strijd aangericht hebben, doet Hem een voorschrift geven, hoe, wanneer Hij er niet meer zijn zal, de Zijnen zich in twistzaken te houden zullen hebben.
(Evangelie op de St. Michaëlsdag; vs. 1-11)
De naam MICHAËL (d. i. : wie is als God?) ontmoeten wij in de Heilige Schrift het eerst als de naam van een mens (Num. 13: 14), dan verschijnt hij echter op het gebied van de later ontwikkelde engelenleer (Dan. 10: 13), en duidt daar die van de voornaamste engelenvorsten aan, die het volk Israël onder zijn bijzondere bescherming heeft, en diens zaak verdedigt tegenover de machten van de duisternis (Dan. 12: 1 Judas 1: 9). Als zodanig moet hij ook in Openbaring . 12: 7vv. beschouwd worden, wanneer men de zinnebeeldige gebeurtenis goed verstaan wil. Omdat de Roomsch-Katholieke kerk zich veel, wat allereerst aan het verbondsvolk van het Oude Testament gegeven en beloofd was, toegeëigend heeft, zo is ook deze aartsengel hun lievelingssymbool. Reeds vroegtijdig werd vóór 29 september het Michaëlsfeest ingesteld (door Paus Felix in het jaar 480 na Chr. ), en kwam in het bijzonder in Frankrijk in grote eer, als het feest van voorgewende verschijningen van de aartsengel. De Evangelische kerk behield de dag, maar gaf hem de algemene bedoeling van de engelen, in het algemeen, opdat op die gehandeld zou worden over de natuur, het ambt en de weldaden van de heilige engelen. Voor dat doel zal het voor ons liggende hoofdstuk, dat tegen het einde op de engelen wijst, voldoende zijn. Hij heeft echter tegelijk stof aangeboden, dat later meer aan de kinderen en hun Christelijke opvoeding, dan aan de engelen zelf gedacht wordt, en de dag bestemd is tot het houden van een eigenlijke predikatie voor de schooljeugd.
In die tijd, waarin op de eerder (hoofdstuk 17: 25vv. ) meegedeelde wijze een gesprek tussen de Heere en Petrus plaatsvond, en de laatste met het geldstuk van de visvangst terugkeerde, kwamen de discipelen totJezus. Zij wilden Hem gezamenlijk vragen, zeggende: Wie is toch de meeste in het koninkrijk der hemelen? Wie van ons zal in het hemelrijk, dat Gij zult oprichten, de hoogste plaats bezetten?
In het begin van het vorig hoofdstuk waren de discipelen uit elkaar gegaan, terwijl bij het terugkeren naar Kapérnaüm de één zich hier, de andere daarheen verstrooid had, en in deze tijd valt hetgeen Johannes naderhand (Mark. 9: 38 Luk. 9: 49) van zichzelfen van zijn broeder Jakobus bericht. Petrus, aan wie de ontvangers van de schatting gevraagd hadden, hoe hun Meester het dit jaar met de didrachmen doen zou, of Hij ze dacht te betalen of niet, waarbij zij het eerste veronderstellen, en, uit de mond van de discipel ook dadelijk de bevestiging van deze veronderstelling horen, heeft dientengevolge Jezus weer het eerst ontmoet. Op de terugweg van zijn gang naar het meer heeft hij, naar het schijnt, buiten op de straat zijn medediscipelen nog ontmoet, heeft hun de geschiedenis van de didrachmen verteld en zijn vondst in de mond van de vis meegedeeld. Hij heeft daarmee de strijd over de rang, die de discipelen reeds op hun terugreis naar Galilea in samenhang met de verkondiging in hoofdstuk 17: 22vv. met elkaar gehad hebben (Mark. 9: 33 Luk. 9: 46), opnieuw opgewekt, of daaraan een andere wending gegeven. Indien het woord van de Heere tot Petrus in hoofdstuk 16: 17vv. hem een zekere voorrang boven de overige discipelen toegekend had, zo zou dat toen toch nog geen aanleiding voor de discipelen geweest zijn, om over de rangen en het toekomstige rijk van Christus te twisten; ten eerste omdat de gedachte aan de spoedige oprichting van dit rijk hun nog niet zo duidelijk was, maar de Heere eerst nog van het stichten van Zijn gemeente sprak; en ten tweede omdat Petrus naderhand zelf aanleiding gaf tot een scherpe terechtwijzing. De discipelen kwamen echter wel door de herhaalde aankondiging van Jezus in hoofdstuk 17: 22vv. tot het levend bewustzijn, dat zij nu een omkering van de dingen, een beslissend punt met betrekking tot de oprichting van het Messiaanse rijk tegemoet gingen. Zij lieten de treurige inhoud van die aankondiging rusten en bleven aan de veronderstelling vasthouden, dat dit ongeluk slechts voorbijgaand kon zijn, maar dat het einde verblijdend moest wezen; en zo scheen het hun toe, nog vóórdat zij te Kapérnaüm gekomen waren, dat het tijd was, om de waardigheden in dat toekomstig rijk onder elkaar te verdelen, waarbij Petrus de hem door de Heere gegeven belofte deed gelden, maar Jakobus en Johannes er echter gewicht aan hechtten, dat zij eveneens mede op de berg van de verheerlijking geweest waren. De overige negen daarentegen moest het een steek in het hart geven, dat zij die maanzieke knaap niet hadden kunnen genezen, ofschoon zij daarom toch niet bij de drie wilden achterstaan, en daarom besloten hun zaak zo spoedig mogelijk aan de Heere ter beslissing voor te leggen. Toen nu echter bij hun hierboven beschreven ontmoeting met Petrus, deze hun van het geval met de didrachmen en van het bevel van Jezus, dat hij intussen uitgevoerd had, vertelde, toen werkte het “geef die aan hem voor Mij en voor u, ” zeer terneerslaande op hen. De Heere scheen Petrus daarmee naast Zich geplaatst te hebben, hem uit het getal van zijn medediscipelen, die de didrachmen wel voor zich uit de gemeenschappelijke kas betaald hadden, door de wonderbare verschaffing van de schatting gerukt te hebben, en zó reeds beslist te hebben, wie van hen allen de meeste zou zijn in het koninkrijk der hemelen. Hun verzoek had zich toen reeds tot de vraag gevormd, zoals zij in de grondtekst – eigenlijk luidt: “Wie is dus (zo als de zaken nu staan) de meeste?” “hebt Gij werkelijk reeds over de eerste plaats in Uw rijk beschikt?” De Heere echter, evenals in hoofdstuk 17: 25 bij Petrus, laat hen niet aan het woord komen, maar komt hen met een vraag voor; en dan neemt Hij hun vraag niet in die vorm op, zoals zij door het geval met de didrachmen en de stater zich gevormd heeft, maar Hij verplaatst de gehele zaak weer in de status quo ante, d. i. in die gesteldheid, waarin zij zich vroeger op de weg bevonden hadden, waarom de beide andere Evangelisten die zaak ook alleen van dit standpunt uit behandelen. De discipelen waren door de vraag zelf: “Wat handelt gij met elkaar op de weg?” reeds beschaamd; zij erkenden, dat zij met hun aanspraken op de voorrang op dwaalwegen geraakt waren, en waagden het niet, hun zaak noch in de ene, noch in de andere vorm voor te dragen; het was toch alles reeds naakt en geopend voor Zijn ogen. Zo is het bericht van Markus met dat van Mattheüs op een eenvoudige wijze met elkaar te verenigen; en ook Lukas heeft gelijk, wanneer hij alleen van de “gedachten van hun hart spreekt, die Jezus gezien heeft, ” en waarop Hij vervolgens antwoord gegeven heeft. Met zulke woorden als deze beschrijven de apostelen van de Heere zichzelf, en zeggen zij: “Zulke mensen zijn wij geweest. ” Geweest, want toen zij dit schreven, waren zij geheel andere mensen geworden, en vroegen zij niet meer onder elkaar wie de meeste van hen was, maar stelde zich de een vanzelf beneden de ander. Nochtans zijn zij niet vergeten, wat zij vroeger waren, maar stellen zij zich in de evangelische geschiedenis niet voor, dan van de minst eervolle en meest berispelijke zijde. Is dit niet een van de vele treffende bewijzen van de waarheid van hun schriften, en waar heeft ooit iets ter wereld zo’n volslagen verandering in dezelfde mensen teweeggebracht, dan het Christendom? – Wij vragen echter: hoe is het mogelijk, dat de discipelen, die nog zo kort de ernstige onderwijzingen van de Heere aangaande de verloochening van Zichzelf en het dragen van het kruis ontvangen hadden, nu opnieuw tot zo’n kinderachtige zelfverheffing vervallen? Ach, de heerlijkste woorden, zoals de woorden van de Heere waren, hebben op het hart van de mens geen kracht, zonder de Heilige Geest. De Schrift noemt het hart van de onherboren mens een stenen hart, waar de zegen van Gods woord bij afvloeit als het water, zonder vrucht voort te brengen. De Heilige Geest moet dat stenen hart eerst tot een hart van vlees, tot een gevoelig hart maken, zal het de indrukken van het woord van God aannemen. Daarom was de straks volgende zending van de Heilige Geest even onmisbaar als de nu voorafgaande zending van de Zoon. Juist door de weinige vrucht van Zijn woorden, bewees Jezus de volstrekte noodzakelijkheid van Zijn lijden en sterven, tot verkrijging van de belofte van de Vader, – tot het doen uitstorten van de Heilige Geest.
En Jezus wilde wat Hij hun te zeggen had door aanschouwen duidelijk maken en een kindje, dat zich in de nabijheid bevond, tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen, terwijl Hij zelf ging zitten als op de rechterstoeltot plechtige beslissing van de hoogst gewichtige vraag.
Volgens de overlevering was dit de latere bisschop Ignatius van Antiochië, die omtrent het jaar 108 n. Chr. onder keizer Trajanus de marteldood onderging.
En Hij zei: Voorwaar zeg Ik U: a) Indien gij u niet verandert van die hooggevoeligheid, waarin gij denkt uiterlijk boven anderen verheven te zullen zijn, en wordt als de kinderen, zo eenvoudig en in de kring van ouderen zich klein voelende, zo zult gij in het koninkrijk derhemelen geenszins ingaan, laat staan dat gij tot een hoge plaats daarin komen zou.
Matth. 19: 14; 1 Kor. 14: 20; 1 Petrus . 2: 2.
Zo waren dan zelfs de apostelen het koninkrijk der hemelen nog niet ingegaan? Zo lang de Heere niet was opgestaan, had niets in het koninkrijk der hemelen zijn beslag, zijn onveranderlijke grond en zeker gevolg. Onder de apostelen was nog één verrader, één verloochenaar, en geen van allen had nog de vaste martelaarsmoed, maar allen zouden vluchtelingen zijn. Het was met de apostelen, als het is met alle gelovigen: zo lang zij het zegel van de Heilige Geest niet ontvangen hebben, zo lang zij nog niet kunnen zeggen: “Gods Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn, ” zo lang zij nog niet verzekerd zijn onder de verlosten van de Heere te behoren, verkeren zij nog in een voorlopige toestand, die echter ophouden zal.
a) Zo wie het dan in ootmoed en zelfverloochening, de hoofdvoorwaarden om het hemelrijk in te gaan, het verst gebracht zal hebben 3: 24″), die zichzelf zal vernederen, zoals dit kind voor uw ogen zich de geringste acht en tot aller dienaar maakt (Mark. 9: 35), die is de meeste in het koninkrijk der hemelen.
1 Petrus . 5: 6
Hoewel de algemene zondigheid van de menselijke natuur zich ook in het kind openbaart, zo is toch de ootmoed, het gevoel van kleinheid iets, dat aan de kinderlijke natuur eigen is: de koningszoon schaamt zich niet om te spelen met de zoon van de bedelaar. Die kleinheid is hier het punt van vergelijking; weliswaar is die bij kinderen een onbewuste, terwijl zij bij de gelovigen een bewuste moet worden; maar aan de andere zijde is de plaats ook geheel parallel met de gewichtige plaats in Joh. 3: 3 Het worden als de kinderen is de wedergeboorte, waardoor alleen zo’n klein gevoelende kinderzin wordt gewerkt. Door voornemens en inspanningen van de natuurlijke mens kan die niet worden teweeggebracht.
Het kind is juist daardoor groot, omdat het zich in zijn kleinheid en afhankelijkheid op zijn plaats vindt. Zo men hoogmoedig van de toekomst iets verwacht, verliest men het tegenwoordige, met het tegenwoordige het leven, de werkelijkheid. Het kind bezit door zijn kleingevoeligheid en zorgeloosheid een werkelijk leven in het tegenwoordige van ogenblik tot ogenblik. Juist dat is de voorwaarde om groot te worden, een kind, dat zich overspant, moet in die overspanning te gronde gaan.
God houdt Zijn kinderen klein, zoals wij de onze groot maken, en het toenemen van de innerlijke mens is steeds een omgekeerd toenemen in ootmoed en eenvoudigheid. Wat is het punt van vergelijking voor het alles zeggende “gelijk?” Het kan nauwelijks met enig ander woord dan even kinderlijk worden uitgedrukt. Toch treden twee hoofdbegrippen, die op al het daarin gegevene wijzen, dadelijk in het woord van de Heere zelf op de voorgrond: 1) de ootmoed, waarin men zichzelf vernedert (vs. 4); vervolgens 2) het daardoor geschonken vertrouwen van degenen, die in Hem geloven (vs. 6). “Gelijk dit kindje” – ziet het slechts aan en merkt op, hoe het zich thans vertoont en voor u staat; een kind wordt geroepen en komt, wordt geplaatst en laat zich plaatsen, wordt geliefkoosd (Mark. 9: 36) en laat zich liefkozen; het volgt, gehoorzaamt, ontvangt of neemt aan (Mark. 10: 15), wantrouwt niet, weerstreeft niet, is gereed en volgzaam voor iedere oudere, juist omdat het weet, ik ben een kind en dat is een vriendelijk man. Zo’n ootmoedig vertrouwen in het aannemen en gehoorzamen, zo’n eenvoudige overgave aan de liefde en macht van God, die ons in Christus omarmen, en van de aarde naar de hemel wil verheffen, is de kinderlijkheid, die naar het hemelrijk leidt.
Het schijnt het onbeduidendste en nietswaardigste te zijn, klein als de kinderen te wezen, en toch is het het moeilijkste; veel eerder verwoest de mens grote koninkrijken, en maakt zijn naam gevreesd en geëerd op de aardbodem, dan dat hij het zo ver brengt tot de kinderlijke stand terug te keren. Ja, dit is het grootste werk, dat een mens op aarde volbrengen kan; het is het werk, dat weliswaar geen roem bij de wereld, maar eeuwige, onvergankelijke roem bij God heeft. Eens zal God de Voornaamste kroon reiken aan degene, die het hierin het verste gebracht heeft; en die zal Hij op de hoogste stoel plaatsen, die hier het geringste geworden is.
Is er dan een bron van de jeugd en een stroom van de verjonging voor een oud zondaarshart, voor een leven, dat door de zonde verdorven is? Ja, er is een bron, waarin gij de zonden van de vorige jaren voor eeuwig kunt afwassen en doen verzinken. Er is een wonderbare bron, waaruit gij, oude zondaar, verjongd en wedergeboren kunt uitkomen als een kind, als een zalig kind van God; er is een nieuw leven, een paradijs, een hemelrijk voor u te verkrijgen op aarde. De bron, de wonderbare stroom, het koninkrijk der hemelen, dat is Gods genade en erbarming, opgesloten in Christus Jezus; laat daar uw vroeger leven in hartelijke boete verzinken, laat u daar reinigen door het bloed van Christus in het geloof, heiligen door Christus’ Geest tot een nieuwe gehoorzaamheid, en gij zult een nieuw mens worden, gij zult een heilig kind van God zijn, zult opvaren met vleugels als die van een arend, wiens gevederte vernieuwd is.
Het kind is gelijk aan een knop, die nog in de groene kelk het purper besloten houdt, maar iedere dag nieuwe heerlijkheid ontvouwt; het sluimert zo zoet en lief in zijn weg, alsof engelen met hem speelden; het leeft op de dag zo geheel voor zijn spel, alsof geen ernst van het leven voor hem ooit bereid was, en alsof zijn dagwerk slechts genieten zou zijn; het vergeet elke smart zo spoedig alsof het geboren was, om zich te verheugen en nooit te treuren. Willen wij volwassenen ons een mooie tijd van het leven denken, wij verplaatsen ons in onze kinderjaren, noemen die tijd het beeld van het verloren paradijs: en zelfs de kunst, wanneer zij de engelen in de hemel wilde voorstellen, vond geen beter, sprekender beeld, dan het beeld van een kind, dikwijls alleen het aangezicht van een kind, met vleugels. O, hoeveel zouden duizenden ervoor willen geven, wanneer die gouden dagen van hun leven ooit konden terugkomen. Welaan, wordt kinderen van God in Christus, en die gouden dagen zijn voor u teruggekomen; ja nog mooier dan in uw kindsheid, omdat zij niet meer zonder bewustzijn, maar met het volle bewustzijn zijn. In Christus hebt en geniet gij een vrede, die hoger is dan alle kennis en die de wereld niet geven, maar ook niet nemen kan. De hartstochten zwijgen, de zonden zijn vergeven, het geweten is verzoend, de begeerlijkheden zijn gestild, de strijd in het hart tussen willen en niet willen is uitgestreden, en midden in de smarten van het aardse leven rust het begenadigde gemoed zalig in de armen van de goddelijke liefde.
Zich niet groot, maar klein voordoen, – ziedaar het geheim van de Christen. Het kind van deze wereld trekt de ogen graag tot zich en wil geacht en geëerd zijn. De Christen maakt op dat alles niet de minste aanspraak, en doet ook niet de minste moeite om het recht ertoe te verkrijgen. Hij gaat eenvoudig, biddend en werkend zijn weg, en probeert hiermee de Heere te behagen. Het is dus geen wonder, dat de wereld zulke mensen niet kan gebruiken, die wereld, die uitsluitend de hoogste ijver vraagt voor de bevordering van haar belangen. Aan de andere kant is het een hart innemende gedachte, dat wij alleen als kindertjes tot God kunnen komen. Immers wij zijn, hoe hooggeplaatst en hoe veelzijdig ontwikkeld, bij God, tot wie wij komen, toch wel niet meer dan wat kleine kinderen bij ons zijn. Wat is onze hoogheid bij Gods hoogheid, en ons verstand bij Zijn verstand, en wij zouden tot Hem durven komen als wijzen en verstandigen, als wetenschappelijke mannen, die wat weten, die veel weten, die alles weten, die onze eigen wereldbeschouwing hebben, ver verheven boven de wereldbeschouwing, die de Schrift openbaart als de wereldbeschouwing van God, en van het kind van God? Wat zou de hoogleraar zeggen, wanneer de studenten hem wilden meesteren? Zien wij dan toe, dat wij met een klein gevoel van onszelf tot God komen; alleen als kinderen vinden wij in God een Vader; die in een andere houding tot Hem komt, vindt ook Hem in een andere betrekking. Die met Hem wil rechten, diens Rechter zal Hij Zijn.
En als wie, aldus ging Jezus voort, terwijl Hij een kind in Zijn armen nam (Mark. 9: 36), zo’n kind, een bij wie de kinderlijke gezindheid is geworden, bijzonder liefheeft, en ontvangt in Mijn naam, dus niet uit menselijke vriendschap en wereldse berekening, maar om geloofsgemeenschap te oefenen, of om tot diezelfde kinderzin te komen, die ontvangt Mij. Wat aan zo iemand gedaan wordt, zal Ik in de dag van het gericht achten, aan Mij gedaan te zijn.
Omdat Christus van Zijn discipelen ten opzichte van zo’n kind geen lichamelijke verpleging en verzorging eisen kan, zo moet Hij wel op hun toekomstig leraarsambt (Joh. 21: 15) doelen, dat zij in het bijzonder op het onderwijs van de kinderen in de Christelijke leer zouden letten, bij wie zij nog eerder iets zouden uitrichten, dan bij de ouderen, omdat kinderen nog niet zoveel vooroordelen hebben.
O zalige arbeid, o heerlijk genadeloon, zich kinderen, wezen en eenvoudigen aan te trekken en hen door getrouw onderricht en godsdienstige opvoeding naar Christus te leiden!
Met deze opneming van het kind in de naam van Jezus is het uitgesproken, dat het natuurlijke kind hier geen tegenstelling van het geestelijke kind vormen zal; ook de volwassen arme neger, die de school van Jezus wil betreden, kan zo’n kind zijn. In meer algemene zin duidt het kind de schijnbaar kleinen in het koninkrijk der hemelen aan in tegenstelling tot de schijnbaar groten, dus de catechisanten tegenover de mondigen, de gemeente, die geleid wordt, tegenover degenen, die haar leiden; en weliswaar de dienst aan een enkele heeft reeds de gehele belofte.
Tussen vs. 5 en 6 komt nu de door Markus en Lukas aangehaalde vraag van Johannes over de onbekende discipel, die tot hiertoe niet tot de gemeenschap van de volgelingen van Jezus behoorde, maar die toch in Jezus’ naam duivels uitwierp en aan wie de apostelen het verboden hadden. Hierop heeft dus de waarschuwing van de Heere ook betrekking: “Wie iemand die in Mij gelooft, ergert” – beledigt, veracht, niet laat begaan, en hem in zijn stil, afgescheiden geloof, dat nog aan het ontkiemen is, maar dat toch reeds een geloof kan zijn, dat zeer te eerbiedigen is, aan het dwalen brengt. Dit komt er echter ongezocht tussen.
Mattheüs laat de Heere met recht voortgaan, zonder van dit voorval te spreken want Hij zou werkelijk ook zonder dat Zijn rede zó voortgezet hebben.
De Heere bedoelt hiermee én de discipelen, die als de kinderen zijn, én de kleine kinderen zelf. De Heere wil, wat wij om Zijnentwil ook bijzonder de kindertjes liefhebben; dat wij ons hun lot aantrekken, dat wij ze opnemen, tot ons nemen, ja als op de armen nemen om ze Hem toe te brengen, door ze tot Hem te brengen. In de naam van de Heere is zoveel als in de plaats van de Heere. Wij moeten de kinderen beschouwen als geheiligden van de Heere, 1 Kor. 7: 14 , en ze als zodanig opvoeden en onderwijzen. Het is daarom onverantwoordelijk voor God om de kinderen op de scholen in alles onderwijs te geven uitgenomen in de kennis van God, zoals Hij Zichzelf in Zijn Woord geopenbaard heeft.
Maar zo wie juist het tegendeel doet, en in plaats van de kinderen in Mijn naam te ontvangen, een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, omdat Hij, wat bij de natuurlijk of geestelijk kleinen, reeds van geloof aanwezig is, doordwaalredenen of kwaad voorbeeld weer doodt, die stelt zich tegenover Mij. Het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte van de zee. Hen wacht een goddelijke straf, waarbij die doodstraf, waardoor mensen zich van een grote misdadiger proberen te ontdoen, voor niets te rekenen is.
Wie zou de Heere niet graag bij zich willen opnemen, al ware het ook, dat hij Hem van het einde van de wereld moest halen. Er is geen liever, voornamer gast; waar Hij komt, daar brengt Hij het hemelrijk mee en geeft iedereen koninklijke geschenken. Wilt gij deze gast herbergen? Hij woont nu ver van u in de hoge hemel, maar Hij heeft u de weg aangewezen, hoe gij tot Hem kunt komen; Hij heeft nog een plaats op aarde, waar Hij te vinden is. Gij vindt de Grootste, Hij de kleinste; de vrome kinderschaar is Zijn hofgezin; zij zijn Zijn vorsten, graven, raadgevers en machtigen, en de dingen die hen aangaan, zijn voor Hem gewichtige rijksaangelegenheden. De weg tot de moeders gaat door het hart van de kinderen; wie deze wint, heeft ook de moeders. Dezelfde weg voert ook tot de Heere: wie Hem wil hebben, vrage bij de kinderen, en wie Hem wil opnemen, bevele zich aan de kinderen. Hun zaak is geheel de zaak van de Heere; daarom moet men zich aan de kinderen laten gelegen liggen, voor hen bidden, hen in Gods Woord en alle goede en nuttige dingen voor deze en de andere wereld onderrichten en hen zo opvoeden, dat zij in alle goede deugden opgroeien. Wie dat doet, doet een recht goddelijk werk, en neemt de Heere Jezus zelf bij zich op. Hoe verschrikkelijk is het daarentegen, wanneer men de kinderen zo weinig acht, zoals het meestal gebeurt! Men laat de kinderen opgroeien, evenals het gras op het veld; gelukken zij, zo gelukken zij. En dat is nog niet het ergste; men gaat hen voor met een slecht voorbeeld; men spoort hen aan tot vloeken, liegen en stelen, men vergiftigt hun zielen door slechte redenen, men lastert voor hun oren het Woord van God, alsof men ze niet vroeg genoeg tot kinderen van de duivel kan maken. Dat is de Heere naar Zijn kroon en naar Zijn rijk steken; daarom zegt Hij: “Zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert enz. ” Een moordenaar en hoogverrader brengt men met het zwaard ter dood; maar een mens, die een kind tot het kwaad verleidt en tot de val brengt, is veel grotere straf waard. Hij is een zielenmoorder, die honderdmaal erger is dan een moordenaar van het lichaam; hij verdient verdronken te worden in het diepste van de zee, en dat er een zware molensteen aan zijn hals gebonden wordt, opdat hij onder in de zee verrotte, of door de vissen opgegeten worde, en nooit weer, ook niet een lid van zijn lichaam, te voorschijn kome. Die straf verdient hij, en dat zou nog een zachte straf zijn; maar God zal zulke heilloze zielenmoordenaars nog anders weten te straffen, en wanneer de tijd komen zal, zullen zij het voelen, dat het voor hen inderdaad beter geweest zou zijn, als zij in het diepste van de zee verdronken waren.
Evenals de kerk aan het bevel van de Heere om zo’n kind op te nemen in Zijn naam, van haar zijde in een onbeperkte omvang daardoor beantwoordt, dat zij reeds de pasgeboren kinderen door de ouders tot de doop roept, zo hebben ook ouders en opvoeders zich van hun zijde voor het geven van ergernis te wachten; het is daarom van groot gewicht, te erkennen, dat ook de kleinste kinderen tot de klasse, “van deze kleinen, die in Christus geloven, ” kunnen behoren.
De kinderen zijn nog klein (niet eenmaal paidia volgens Lukas), en werden waarschijnlijk op de armen van hun moeders tot Jezus gebracht, opdat Hij ze zegenend aanraken en een gebed over hen uitspreken zou. Wel was het meermalen gewoonte in Israël zo’n weldaad van Rabbijnen en synagogenvoorstanders te vragen; maar dat men het nog in dit laatste tijdperk van Jezus’ leven te midden van klimmende tegenstand van Hem begeerde, legt zowel van de indruk, die Zijn prediking in deze streken gemaakt had als van de stemming van die moederlijke harten een vererend getuigenis af. Zij zien, dat de Meester gereed is te gaan; wellicht ontwaakt bij sommigen het voorgevoel, dat men Hem in lange tijd, wellicht in het geheel niet zal terugzien: nu brengt men de kinderen tot Hem, opdat Hij Zijn afscheidszegen zou achterlaten op hun jeugdige hoofden. Eer echter de heilbegerige moeders, gedreven door een dergelijk gevoel als waaruit later de begeerte naar de kinderdoop ontstaan is, tot de Meester zelf genaderd zijn, hebben zij door een groep van tegenstanders te dringen, in wie zij wellicht voorsprekers en vrienden gewacht hadden. De discipelen bestraffen haar, in de ernstige mening, dat het ongepast is de grote Profeet met zo kleine aangelegenheid bezig te houden, en thans vooral begerig, dat Hij Zijn huwelijksonderwijs zonder enige verhindering voortzette. Maar nauwelijks heeft Jezus ontdekt, wie Hem naderen willen, en wie het zijn, die hen stuiten, of aan Hem komt de beurt van bestraffen, en met ernst en liefde kwijt Hij zich van deze nodige taak. Hebben de discipelen gemeend, dat kinderen minder dan anderen in Zijn nabijheid behoren, Hij geeft te kennen, dat Hij hen meer dan velen bij voorkeur in Zijn omgeving verlangt. Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet, want voor hen (hunner, en aan wie evenals zij zijn gezind) is het koninkrijk van God. ” Dachten de discipelen, dat de kinderen eerst moesten worden als zij, zouden zij voorwerpen van Jezus’ belangstelling wezen, de Heere verzekert hun, dat zij eerst moesten worden als de kinderen, zouden zij deelgenoten van Zijn hoge goedkeuring zijn. Hij vertelt, wat Hij reeds vroeger gezegd had, in enigzins andere vorm: “voorwaar zeg Ik u, zo wie het koninkrijk van God niet zal ontvangen als een kind, die zal er geenszins inkomen. ” Zo doet Hij hun bij vernieuwing voelen, dat kinderlijke nederigheid en eenvoudigheid volstrekt noodzakelijk is, om het koninkrijk van God te kennen, te zoeken, te schatten, werkelijk in te gaan, en als een waar onderdaan door zijn wandel te versieren. En als had Hij het willen tonen, hoe ook kinderen vatbaar zijn voor Zijn hemelse zegeningen, Hij voldoet aan de wens van het moederhart, en legt zegenende handen op de jeugdig gebogen hoofden. Wij weten niet, wie deze gelukkigen waren, maar zover is het ervan verwijderd, dat wij met de eerste discipelen deze ontmoeting als een onwelkome stoornis beschouwen, dat wij haar integendeel als een heldere lichtstraal begroeten over de aard, de waarde en de grondwet van het koninkrijk van God. De Koning van dat rijk is niet slechts beminnelijk, maar ook eerbiedwaardig in ons oog, waar Hij, die de gehele wereld op het hart droeg, kinderen aan dat hart drukt en zegent. Zo’n afscheidsgroet aan de streek, die Hem zo vaak “de armen het Evangelie had horen verkondigen. ” betaamde Hem, die aan kinderen en eenvoudigen openbaarde, wat aan wijzen en verstandigen verborgen bleef.
Wee de wereld, al degene, die vijandig tegenover Mijn gemeente staan 1: 9″), van de ergernissen, die zij bereidt aan hen, die in Mij geloven, omdat zij zelf niet ingaat, noch ook anderen wil laten ingaan (hoofdstuk 23: 13)! want het is noodzakelijk, het kan niet anders, nu de wereld eenmaal zo is, dat de ergernissen komen. En wat onvermijdelijk is, is aan de andere zijde reeds in het Goddelijk raadsbesluit opgenomen, en heeft tot doel de rechtvaardigen te doen openbaar worden, en te richten allen, die lust in de ongerechtigheid hebben (1 Kor. 11: 19; 2 Thessalonicenzen. 2: 11vv. ). a) Maar wee toch in elk geval, waar wat vooruitgezien en vooruit bedacht is, tot werkelijkheid komt; wee die mens, door wie de ergernis komt!
MATTHEUS. 26: 24 Hand. 2: 23; 4: 27, 28
a) Indien dan de wereld, die ergernis geeft, in uzelf is, zo volbreng het gericht ook zelf daar, waar zij ontstaat, opdat niet uw gehele mens haar tot buit worde en aan het gericht worde overgegeven. Wanneer, zoals op gelijke wijze omtrent het zesde gebod is gezegd, uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.
Deut. 13: 6 Mark. 9: 43 MATTHEUS. 5: 29, 36
En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werp het van u. Het is beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.
In de bergrede werd het eerst van de overspelige lust van het vlees gesproken; hier wordt elke prikkeling tot zonde in het algemeen bedoeld, en gerekend onder de grote ergernissen in de wereld, die van de mensen komen, of liever de ergernis van binnen, die bij ieder uit het eigen vlees voortkomt, wordt als haar eerste kiem en wortel, die men af moet houwen, opengelegd. Wilt gij daar buiten geen ergernis geven, opdat het wee u niet treft, nu zo doe de ergernis van binnen te niet, en wel ernstig; dood zelfs met de heilzame dood ten leven de oude mens, uit wie de ergernis komt. “Indien dan uw hand of uw voet, ” daarmee spreekt de Heere nu weer Zijn discipelen aan, en ieder, die het is, of graag zou willen worden. Dat ik door mijn eigen ledematen, door mijzelf geërgerd wordt, geeft reeds de innerlijke strijd van de oude met de nieuwe mens te kennen; de wereld kent en voelt dat niet – wie het voelt, is reeds niet meer van deze wereld. En toch is aan de andere zijde de wereld die ergernis geeft, nog in hem, die daar te overwinnen is niet als iets, dat gemakkelijk gaat. In de bergrede nam de Heere na de eerste schrede van het aanzien tot het begeren, van de lust tot het doen, het oog tot voorbeeld; nu keert Hij het ook om, omdat de ergernis helaas steeds opnieuw komt, en na het afhouwen van hand en voet toch weer tot het oog komt. De ergernis kan zich als het ware, in plaats van het onderdrukte handelen en wandelen, ten minste met de verborgen lust nog tevreden stellen; indien gij echter die stille lust niet afweert, zo zal de ergernis spoedig weer aan hand en voet komen.
Het gaat niet zonder scherpe pijnen en zware offers, wanneer wij de ergernissen willen uitroeien; indien het nodig ware, dat wij handen, voeten en ogen moesten geven, zij moesten er allen aan, om de ziel te redden. Maar er zijn nog andere handen, voeten en ogen, die veel moeilijker af te houwen en uit te rukken zijn, en die noodzakelijk afgehouwen en uitgerukt moeten worden: het is het hovaardige, toornige oog, het zijn de diefachtige, gewelddadige handen, het zijn de voeten, die de weg van de vrede niet willen bewandelen; voeg daarbij nog de lastertong en de leugenmond, hoeveel onheil wordt daardoor aangericht, hoeveel ergernis wordt daardoor gegeven, hoeveel zielen worden daardoor in het tijdelijk en eeuwig, verderf gestort! Lieve Christen, houw al zulke ledematen af, houw ze dagelijks af, omdat ze dagelijks weer aangroeien, en in het bijzonder, wanneer gij met de kleine majesteiten van de hemel, met de kinderen te doen hebt, neem dan uzelf in acht, dat gij ze niet met een van uw leden ergert.
Het besluit, oog, hand en voet op te offeren omwille van de Heere, is zoveel te zwaarder, omdat de wereld iedereen uitlacht en bespot, die de Heere in het kleine getrouw wil zijn en wil navolgen. De wereld noemt hem een dwaas, gek, dweper, waanzinnige, en doet hem allerlei hartenleed aan. Ja, het besluit is zelfs onmogelijk, wanneer wij niet een goed bezitten, dat ons meer is dan de hoogste goederen van de aarde, dat ons liever is dan de liefste mensen, dat ons onontbeerlijker is dan de onontbeerlijkste behoeften van de wereld, dat ons het goed van alle goederen, onze roem en onze lust, onze eer en heerlijkheid, onze zon en vreugde, ons hoogste en liefste, ons één en ons alles is. – Is u uw lichaam en aards leven reeds zo dierbaar, dat gij u, om het te behouden, aan de smartelijke operatie aan het oog, aan de hand en aan de voet onderwerpt, hoeveel nodiger is zo’n operatie aan de ziel, al kostte zij ook ons vermogen, onze roem, onze tot hiertoe gelukkige werkkring, ons huiselijk geluk, onze beste vrienden en bloedverwanten, ja zelfs gezondheid en leven, wanneer wij daarmee een innerlijke blijvende zielenvrede kunnen kopen, de troost van de gemeenschap van de heiligen, het bewustzijn van de goddelijke genade en de zekerheid van de toekomstige heerlijkheid en zaligheid. Beter een oog, dat op God ziet, dan twee ogen, waarvan het een zich naar de hemel, het ander zich naar de wereld wendt; beter, zoals iemand het eens krachtig en bondig uitdrukte, in de kerker of aan de galg zalig te sterven, dan op het paradebed naar de duivel te gaan.
In Mark. 9: 49vv. gaat de Heere nog verder voort met hetgeen hier gezegd is, en besluit het met een vermaning, die terugziet op de strijd van de discipelen over de rang, en hun geeft te bedenken, dat zij zich, om hun bestemming als het zout van de aarde te bereiken, in het bijzonder ook op de vreedzaamheid onder elkaar moeten toeleggen, opdat, hetgeen de een bouwt, de andere niet weer verwoeste. Hier sluit zich aan hetgeen wij op de voorgaande plaats lezen: alleen met het vermijden van ergernis geven hebben de discipelen nog lang niet hun hoge, heilige roeping vervuld; zij moeten zich veeleer degenen, die het meest met de ergernis, die van de wereld uitgaat, bedreigd zijn, en het gemakkelijkst ervoor bezwijken, met bijzondere opoffering en zorg aantrekken. Daarom mogen zij de handeling van de hovaardige schriftgeleerden, die meenden dat het beneden hun waardigheid was, zich met de kleinen te bemoeien, niet tot voorbeeld nemen, maar moeten zich liever door hun Vader in de hemel en door Zijn bedoelingen laten leiden.
Ziet toe bij het volbrengen van uw apostolische roeping, dat gij niet, zoals de schriftgeleerden (hoofdstuk 19: 13), een van deze kleinen veracht, alsof zij te gering en te onbeduidend waren, dan dat men zich om hen zou bekommeren. Zij zijn integendeel voor God in waarde en worden door Hem op het tederst verzorgd. Want Ik zeg u, Ik, die van hemelse zaken wel weet te spreken (Joh. 3: 12), a) dat hun engelen in de hemelen, die met de bescherming van deze kleinen zijn belast en tot hun bewaking zijn gesteld, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is. Zij bevinden zich als Zijn meest vertrouwde dienaren bestendig in Zijn nabijheid (Jer. 52: 25 Esth. 1: 14), en leggen het aanstonds voor Hem neer, zo hun iets onbehoorlijks wordt aangedaan.
Ps. 34: 8
De naam engel, afgeleid van het Griekse aggelov betekent een bode of afgezant. Het is dus geen naam van hun wezen (deze is “geesten”; Hebr. 1: 14), maar om hun ambt te noemen. Die naam heeft in de Schrift een uitgestrekte betekenis. Elk schepsel kan die dragen, die een openbaring van God heeft mee te delen, die een boodschap aan de mensen moet brengen. Zelfs de gepersonifieerde natuurverschijningen, die Zijn macht en heerlijkheid bekend maken, als storm en bliksem, worden boden of engelen genoemd (Ps. 104: 4 Ps. 148: 8); zo ook mensen die de openbaringen van God bewaren en verkondigen Mal. 2: 7 , de profeten Jes. 6: 8 , Johannes de Doper Mal. 3: 1 Mark. 1: 2 Luk. 7: 27 , ook de apostelen evenals de opzichters van de gemeenten Openbaring . 1: 20). In meer beperkte zin zijn engelen die hogere geesten, die in de dienst van God tot bekendmaking en uitvoering van Zijn wil uitgezonden worden, evenals de Zoon van God zelf, de ongeschapen Engel, die als Engel van het Verbond in het vlees komen zou (Mal. 3: 1) om de volkomen openbaring van God aan de mensen mee te delen, die daarom zowel de naam van Engel als ook de naam van apostel (d. i. gezondene; Hebr. 3: 1) draagt; zowel de eigen Zoon en Heer is, van wie alle kindschap en heerschappij van de schepselen afstamt, als de oorspronkelijke bode, van wie het ambt van alle geschapen boden afkomstig is. Daarom wordt nu ook in Joh. 8: 28 de Vader als de waarachtige Zender aangeduid, terwijl de Zoon de waarachtige afgezant is, in wie de idee van de zending volkomen is verwezenlijkt. Wanneer nu gewichtige natuurverschijnselen slechts in de eigenlijke zin als boden van God aangewezen worden, de Zoon van God slechts voor een tijd gedurende Zijn menswording de naam van Engel des Heren draagt, onder de mensen slechts de bijzonder daartoe geroepenen en aan wie het ambt toevertrouwd is, als gezanten van God optreden, zo worden die hogere geesten in die eigenlijke en engere zin, zonder uitzondering en blijvend engelen genoemd, omdat zij in het oude zowel als in het nieuwe verbond slechts op aarde verschijnen om de goddelijke boodschap over te brengen, en hun bestemming voor de wereld daarin geheel vervat is. Dat de engelen echter schepselen van de alleen ongeschapen God zijn, blijkt uit de algemene Christelijke regel van het geloof van zelf. Naar die regel is er behalve die drie-enige God niets ongeschapens, zijn “ongeschapen zijn” en Godheid, begrippen die nauw met elkaar verenigd zijn, bestaat er geen God behalve die Ene; en is alles wat buiten Hem bestaat, van Hem als Vader, door Hem als Zoon en in Hem als Heilige Geest geschapen, dan zijn ook de engelen geschapen wezens. Wanneer in het scheppingsverhaal van het eerste boek van Mozes van hun schepping niet gesproken wordt, zo heeft dit daarin zijn reden, dat in dit verhaal de mens als het hoogste doel van de schepping, en al het andere als hem ondergeschikt en dienstbaar voorgesteld moet worden, en dit oogmerk door het bericht van de schepping van een hogere geestenwereld licht bedekt of verdonkerd zou kunnen worden. Uit Hebr. 1: 14 waar de engelen uitdrukkelijk geesten genoemd worden, blijkt hun volstrekte onlichamelijkheid. Weliswaar hebben reeds velen van onze kerkvaders gemeend, dat men hun geen grof zinnelijk lichaam mag toeschrijven, zoals in Luk. 24: 39 gezegd wordt, een geest heeft geen vlees en benen, waarom het nog altijd waar kon zijn, dat een geest door een fijner etherisch lichaam omgeven zou zijn, maar naderhand heeft het vierde Lateraanse concilie van het jaar 1215 hun volstrekte onlichamelijkheid uitgesproken. Dat stemden dan ook de schoolse godgeleerden evenals de oudere leraars van onze kerk toe, die de engelen voor reine geestelijke persoonlijkheden hielden; de lichamen, waarin zij verschijnen, zijn slechts aangenomen, opdat zij voor de mensen zichtbaar zouden zijn; daarom ook de afwisselende vormen van die lichamen. In hoofdstuk 22: 30 moet dus in het geheel niet gezegd worden, dat het opstandingslichaam van de mensen gelijk zal zijn aan de lichamen van de engelen, maar alleen, dat het geestelijk zal zijn. Het huwelijk dient slechts voor dit aardse, aan de dood onderworpen leven, voor de noodzakelijke voortplanting van de geslachten, na de opstanding daarentegen zullen de mensen ook naar de lichamelijke zijde van hun wezen geheel geestelijk worden en aan de dood ontrukt, en evenmin als de engelen, die reine onsterfelijke hemelgeesten, behoefte hebben aan of zelfs geschikt zijn voor de aardse gemeenschap van het huwelijk. Daaruit nu, dat de engelen reine, geestelijke schepselen zijn, laten zich vanzelf enige verdere gevolgtrekkingen afleiden. Allereerst zullen zij boven elke natuurlijke verandering verheven zijn, die bij ons het gevolg is van ons lichaam, zoals namelijk de natuurlijke voortplanting, groei, ouderdom en dood. Hun getal moet daarom door de schepping voor ééns door God bepaald zijn, zonder naderhand voor een vermeerdering uit en door zichzelf vatbaar te zijn. Ook God zelf heeft dit getal niet langzamerhand vergroot, omdat Zijn scheppingswerk met de werken van de zesde dag gedaan was, maar evenals het menselijk geslacht zich door de afstamming van één paar tot in het oneindige vermeerderd heeft, zo zijn ook de engelen door een gelijktijdige schepping in een onmetelijk groot aantal voorhanden (Dan. 7: 10). Een bijzondere vraag is die van de verhouding van de engelen tot het plaatselijke. Als geschapen geesten zullen wij hun geen alomtegenwoordigheid toeschrijven, die alleen aan God, als de oneindige Geest toekomt. Men moet hun aanwezigheid denken altijd op een bepaalde plaats beperkt te zijn, zodat zij niet gelijktijdig op deze en aan de andere plaats aanwezig kunnen zijn; deze definitieve aanwezigheid zal echter, wanneer zij volstrekt onlichamelijk geesten zijn, op een onlichamelijke, de ruimte niet vervullende wijze plaats hebben, waarom wij die als punctuele aanwezigheid kunnen aanduiden. Tot een bepaalde plaats met hun aanwezigheid beperkt, moeten wij echter niet denken dat zij altijd aan een en dezelfde plaats gebonden zijn, waartegen ook hun gedurig verschijnen, hun komen en gaan, hun opvaren en neerdalen, waarvan de Schrift ons spreekt, getuigt. Omdat zij aan die lichamelijke hindernissen onderworpen zijn, zo zal hun verandering van plaats met een voor ons onmetelijke snelheid gaan, omdat zij, ofschoon niet alomtegenwoordig, toch, wanneer zij slechts willen, in het volgend ogenblik in staat zijn zich van de ene plaats naar de andere te verplaatsen, zodat even als hun aanwezigheid een punctuele is, zo ook hun snelheid een ogenblikkelijke, d. i. een snelheid, die slechts een ogenblik tijd vordert, genoemd zou kunnen worden. Gewichtiger en praktisch belangrijker dan de gevolgtrekkingen, die uit het negatieve begrip van de onlichamelijkheid van de engelen voortvloeien, zijn die, welke uit het positieve begrip van hun geestelijkheid voortkomen. Als persoonlijke geesten zullen zij kennis, macht en vrije wil bezitten; als hogere en toch geschapen, niet oneindige geesten zal hun toestand in al deze betrekkingen tussen God en de mensen in zijn. Zo staat hun weten in het midden tussen goddelijke alwetendheid en menselijke beperktheid van weten: hun weten is niet alles omvattend, want zij kennen de dag van het gericht niet (hoofdstuk 24: 36), zij begeren in te zien in het geheimzinnige raadsbesluit van de verlossing (1 Petrus . 1: 12), dat zich ook langzamerhand voor hen ontvouwt, naar de mate van zijn ontwikkeling (Efe. 3: 10). Hun verstand is echter hoger en veel omvattender dan het menselijke, want zij treden op als boden van God en uitvoerders van goddelijke, de mensen onbekende bevelen, en als overbrengers van aan de mensen verborgen boodschappen; want terwijl zelfs de engelen evenals de Zoon de dag van het gericht niet weten (Mark. 13: 32), is door die beperktheid toch tegelijk de bovenmenselijke hoogte van hun verstand (2 Sam. 14: 20) uitgedrukt. De macht van de engelen zal dezelfde plaats innemen tussen goddelijke almacht en menselijke begrensdheid van macht, evenals hun kennis: zij bezitten bovenmenselijke kracht, want zij worden geweldige of sterke helden (Ps. 103: 20), engelen van de kracht (2 Thessalonicenzen. 1: 7 Luk. 11: 21) genoemd, wier hulp beter is dan de menselijke), die groter sterkte en macht hebben dan de overmoedige mensen (2 Petrus . 2: 11). Daarom kunnen zij als niet oneindige schepselen niet almachtig zijn, en in zo verre het doen van wonderen een scheppende macht is, is en blijft God degene, die alleen wonderen doet (Ps. 72: 18; 136: 4), maar in zoverre de met vrijheid en macht begiftigde mens in zijn toestand als heerser van de natuur als een wonderdoener in relatieve zin van het woord aangeduid kan worden, kan dit nog in hogere zin van de engelen worden gezegd, zoals zij dan ook in de Schrift als uitvoerders van bovenmenselijke werken optreden (hoofdstuk 28: 2 Hand. 12: 7, 10; 2 Thessalonicenzen. 2: 9). Het laat zich van het begin af veronderstellen, dat de menigte van individuele onderscheidingen, de menigvuldige afdalingen en rangen, die het heelal tot op de mensenwereld doorgaan, zich ook in de onzichtbare wereld van de hogere geesten zullen bevinden. De Schrift bevestigt deze veronderstelling; in alle tijden heeft men met recht in de Schrift in haar onderscheidingen van aartsengelen en engelen (1 Thessalonicenzen. 4: 16 Judas 1: 9), van cherubs en serafs (Gen. 3: 24 Jes. 6: 2, 6), van tronen en heerschappijen, vorstendommen, overheden en machten (Rom. 8: 38 Efe. 1: 21; 3: 10) aangeduid gevonden, dat er rangen in de engelenwereld bestaan. Aan hen zal dus niet alleen persoonlijkheid, maar ook individualiteit, verscheidenheid van de gaven van kennis en macht toe te schrijven zijn, waarop de afdalingen van de waardigheid, de standen, van het beroep en de bestemming berusten. Het is ons verboden nader in het wezen en de geheimen van dit onderscheid in te dringen; de Schrift geeft hier alleen het dat, niet het hoe aan, en uit de verscheidene namen van engelen, die de Schrift bevat, laat zich geen zekere theorie over de bijzondere hoedanigheid van hun rangen en klassen afleiden. Een beter inzicht in het wezen van dit onderscheid is ons daarom ontzegd gebleven, omdat de engelen voor ons, in hun verhouding tot de mensen, allen tezamen slechts één algemeen geheel vormen, en het onderscheid, dat tussen ons en hen bestaat, zeer doorgrijpend en bij allen hetzelfde is. Maar ook in hun verhouding tot God wordt in de voor ons verborgen verscheidenheid één voor elk gemeenschappelijk ambt, ene algemene werkzaamheid genoemd. Hoe hoger nu de engelen volgens hun natuur en hoe nader ze tot God geplaatst zijn, in des te hogere mate zullen zij het werk van ieder schepsel, van de worm in het stof tot de bewoner van de hemel toe, te vervullen hebben, namelijk God te verheerlijken en Hem te dienen. Daarin liggen ook volgens de Schrift de verrichtingen of bezigheden van de engelen besloten. Zij zijn onafgebroken in aanbidding en lof van de Heere, of de heerlijkheid van Zijn wezen en van Zijn werken. De serafs verbergen hun aangezicht en roepen: “heilig, heilig, heilig is de Heere Zebaoth enz. ” (Jes. 6: 3). Aan het hoofd van het lovende heelal, dat uit even zo vele boden van God als uit schepselen bestaat, staan de engelen, de sterke helden (Ps. 103: 20vv. ; 148). Hem, de Heere, juichten alle kinderen van God toe bij de schepping (Job 38: 7), Hem loofden de hemelse heerscharen bij de geboorte van de Verlosser (Luk. 1: 13vv. ); en evenals voor de Vader, zo ook voor de Zoon, buigen allen, die in de hemel zijn, hun knieën en belijden Zijn naam, die boven alle namen is (Fil. 2: 9vv. ). Evenals nu reeds hun altijddurende lof van de heerlijkheid des Heren hun ware engelen godsdienst is, zo dienen zij ook de Heere, omdat zij de mensen dienen, door de uitvoering van Zijn bevelen, door hun ambt als boden, waarvan zij de naam dragen; en juist in hun gewillige dienst bestaat hun volmaakte verheerlijking van de Heere. Bij alle grote tijdpunten van de ontwikkeling van de goddelijke openbaring, bij de schepping, de wetgeving, de verlossing vinden wij de medewerking van de engelen. Dadelijk bij de schepping zien wij hen de werken van de Schepper bewonderen, en ze in vereniging met de morgensterren prijzen (Job); de wetgeving op Sinaï is door hun dienst gegeven (Hand. 7: 53 Gal. 3: 19); en evenals bij de eerste schepping, klinkt hun lof en wordt hun dienst gebruikt bij de tweede schepping, die met de geboorte van de Verlosser begon (Luk. 1: 13vv. ; 30vv. ; 2: 10vv. MATTHEUS. 4: 11 Joh. 1: 51 Luk. 22: 43 MATTHEUS. 28: 2, 5vv. Hand. 1: 10vv. ). En zo zullen zij ook bij de laatste grote catastrofe, het wonder van de voleindiging van de geschiedenis van de goddelijke openbaring en de genade, bij de wederkomst van de Heere en het laatste oordeel aanwezig zijn, Hem als Zijn hemels heerleger vergezellende, en Hem helpende, en dienstbaar bij de uitvoering van Zijn groot doel ter zijde staande (hoofdstuk 13: 41, 49; 16: 27; 24: 31; 25: 31; 1 Thessalonicenzen. 4: 16; 2 Thessalonicenzen. 1: 7). Maar niet alleen bij de grote gebeurtenissen, het scheppende begin en de wonderbare ontwikkeling van het rijk van God op aarde zijn zij met woord en daad, prijzend, verkondigend en werkend aanwezig, maar ook in de tijd tussen de hemelvaart en de wederkomst van de Heere, gedurende de tijd van de natuurlijke voortdurende loop en de geordende geschiedkundige ontwikkeling van de kerk van Christus vergezellen zij de gemeente van de heiligen met hun deelneming; zij verheugen zich in de hemel over de zondaren, die boete doen op aarde en zich tot de Heere bekeren (Luk. 15: 10); zij zijn bij de vergadering van de gelovigen aanwezig (1 Kor. 11: 10; 1 Tim. 5: 21) en volgen met gespannen aandacht de wegen van de Heere met Zijn kerk, zowel als de voortgaande openbaring van Zijn heerlijkheid aan haar (Efe. 3: 10; 1 Petrus . 1: 12). Dat overigens de engelen van God het volk van God ook in zijn belangen en in de vervulling en bereiking van het door God gegeven ambt beschermend en helpend tegen boze en vijandig tegenstrevende machten ter zijde staan, blijkt uit Dan. 10: 13vv. Evenals door de gemeente van God in haar hemels en aards algemeen ambt, zo zijn zij ook voor de vrome van de wieg tot aan het graf juist voor het gevaar en de druk, de onmacht en de hulpeloosheid als een bescherming en wacht tegen de listige aanvallen van het rijk van de duisternis (Ps. 34: 8; 91: 11vv. ). Deze bescherming en hulp van de engelen werd in de tijd van de geschiedenis van de openbaring en de genade dikwijls zichtbaar en wonderdadig tot het welzijn van de uitverkorenen van God gezien (Gen. 19; Dan. 3: 25, 28; 6: 22 Hand. 5: 19; 12: 7vv. ), zoals aan die uitverkorenen ook meermalen de op lichamelijk of geestelijk heil betrekking hebbende boodschappen en openbaringen van de Heere door deze hemelboden werden overgebracht (hoofdstuk 1: 19vv. ; 2: 13, 19 Hand. 10: 3, 5; 27: 23vv. nadat het leven van de vromen van de jeugd af tot de ouderdom toe onzichtbaar door de engelen is beschermd, wordt hun ziel ook eindelijk na hun dood door de handen van de engelen gedragen in Abrahams schoot (Luk. 16: 22). Maar evenals tot bescherming en heil van de vromen, zo staan zij ook tot straf en tot de ondergang en het verderf van de goddelozen, van de vijanden en tegenstanders van het rijk van God gereed (2 Kon. 19: 35 Ps. 78: 49 Hand. 12: 23), zoals zij ook zelf in strijd treden met de boze geesten, die de uitverkorenen van God aanvallen, of de gemeente van God in het verderf willen storten (Judas 1: 9 Openbaring . 12: 7vv. ; 20: 1vv. ). Zo verstaan wij nu het woord uit de brief aan de Hebreeën (1: 14), dat de engelen allen gedienstige geesten zijn, die tot dienst uitgezonden zijn, omwille van hen die de zaligheid beërven zullen. Hun werkzaamheid behoort inderdaad, zoals het gehele woord van God van het begin tot het einde betuigt, niet zozeer aan de natuursfeer, maar aan de sfeer van de openbaring. Zij dienen het Rijk van God en degenen, die daartoe behoren, en zijn bemiddelaars van de bijzondere voorzienigheid Gods. Slechts in buitengewone gevallen, gedurende de tijd van de openbaring en de wonderen, waar zij een nieuw ogenblik van het heil hadden te verkondigen, brengen zij aan sommigen op het heil van de zielen betrekking hebbende boodschappen over, terwijl in de tijd van de kerk volgens de geschiedenis de geordende dienaars van het Woord de engelen van God voor de gemeenten zijn. Maar ook tegenwoordig beperkt zich hun onzichtbare dienst, zelfs in zoverre zij slechts lichaam en leven te beschermen heeft, toch slechts tot de gelovigen, die de zaligheid beërven zullen, wier leven juist daarom behouden wordt, opdat hun de tijd van de voorbereiding en de genade niet verkort zou worden. Op de vraag, of voor elk mens een eigen beschermengel beschikt is, hetgeen door de kerkvaders en schoolse geleerden toegestemd is, hebben de oudere godgeleerden van onze kerk een wijze terughouding in acht genomen; zij houden het weliswaar voor waarschijnlijk, en beweren ook, dat de bescherming van een mens in geen geval slechts aan één engel mag worden toegeschreven, zodat hij van de hulp van de overige engelen beroofd zou zijn. Voor zo’n waarschijnlijkheid geven de bekende plaatsen MATTHEUS. 18: 10 en Hand. 12: 15 inderdaad ook geen opheldering; het apocrieve boek van Tobias (hoofdstuk 5) kan echter nog minder een zekere opheldering geven.
Het woord van Christus: “hun engelen in de hemelen zien altijd het aangezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is, ” wijst zeker, ofschoon slechts met een wenk, op bijzondere beschermengelen van de personen (het Oude Testament spreekt slechts van beschermengelen van de koninkrijken; Dan. 10: 13, 20), maar niet in die zin, dat elk mens als zodanig zijn beschermengel heeft en zijn leven lang behoudt; dat is een voorrecht van deze “kleinen, ” d. i. zowel van de natuurlijke als van de geestelijke kinderen, omdat de eersten voor de uitbarsting van het verderf, de anderen weer daarna op de weg van de zaligheid zo’n leiding behoeven en ervoor geschikt zijn. Ieder kind heeft zijn engel, totdat de zonde hem verdrijft, zoals wij ook nog een afschijnsel van een engelengezicht in het aangezicht en de gestalte van de kinderen kunnen bemerken; de kinderen behoren als zodanig nog mede tot de “kinderen van God” (Job 1: 6), totdat de ergernis van buiten en van binnen maakt dat zij verloren gaan. Ieder gelovige, die door de genade van de verlossing zalig wordt, krijgt als nieuw geestelijk kind zijn engel weer, en heeft in het bijzonder aan hem behoefte in de zwakheid van het begin, nu tot dieper indruk makende vermaningen en bewaringen, dan de zwakke, onnozele kindertjes in lichaamsgevaar (beter is het te zeggen: wegens de eenvoudigheid evenals de duiven, aan wie tegenover de wereld nog de rechte listigheid als van de slangen ontbreekt). Wij vergeten de engelen maar al te zeer, ofschoon de Heere ons in het dagelijks gebed aan hen herinnert; wij spreken in het bijzonder onze kinderen veel te weinig van hun engelen, omdat wij zelf als gelovigen niet genoeg aan de onze denken.
De engelen worden uitgezonden tot dienst van hen, die de zaligheid beërven zullen; de kinderen zijn de zodanige, die de zaligheid beërven zullen, want aan hen heeft de Heere het koninkrijk der hemelen beloofd; wanneer Hij zelf op aarde gekomen is, om ook hen te zoeken en zalig te maken, durven de engelen bij de Heere niet achter blijven. Hij heeft de kinderen geliefkoosd en gezegend, wat zullen de engelen beter doen dan de kinderen ter zijde gaan en hen dienen? Kinderen kunnen zichzelf niet helpen; zij hebben nog niet zoveel verstand, dat zij hun gevaren kennen en vermijden kunnen – zij spelen met het vuur en schertsen met de slang, zij schrikken niet voor de afgrond en wagen zich op de gevaarlijkste plaatsen. Het is zeer te verwonderen, dat er niet veel meer schade en onheil gebeurt dan het geval is, omdat de duivel er lust in heeft, onheil aan te richten, en met zijn boze geesten dag en nacht rondsluipt om te verderven. Toch wordt zo menig kind in het grootste gevaar bewaard en wanneer men zou denken, dat het hem alle leden moest verbroken hebben, komt het er behouden en lachend af. Soms gebeurt het zelfs, dat de kinderen, die met zeer veel zorg bewaakt worden, op de effe grond een been breken, of in een onbewaakt ogenblik vergif nemen; hierdoor wil God tonen, dat Hij het opzicht houdt en dat het Hem niet behaagt, wanneer men zo’n slecht vertrouwen op Zijn opzicht heeft. Waartoe heeft Hij dan de engelen verordend, wanneer zij tot niets dienen en alleen behoeven toe te zien! Het is weliswaar niet goed, wanneer men de kinderen verwaarloost, maar daarmee wordt de zaak nog niet verbeterd, dat men de kinderen aan deze hemelse hoede en macht wil ontrukken, en ze onder bescherming van kortzichtige, zondige mensen wil stellen. De Heere zegt: “hun engelen in de hemelen, ” en geeft dus de kinderen engelen, die Hij hun bijzondere engelen noemt, die zorg voor hen moeten dragen, en er is niets tegen, ze hun beschermengelen te noemen; het is God niet genoeg, dat Hij Zijn oog op de tedere, zwakke kinderen richt, Hij bestelt hun ook zulke heerlijke wachters, dat zij als de kinderen in het rijk van God behandeld worden. En nu zegt de Heere verder: “hun engelen in de hemelen zien altijd het aangezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is; ” geplaatst voor de troon van God, zien zij God naar de ogen, en lezende in het grote boek van het aangezicht van God, en door Zijn aangezicht verlicht, verstaan zij veel beter dan wij de wil van God en kunnen hun werk veel meer naar Zijn heilige raad inrichten. Eindelijk zegt de Heere: “hun engelen zien altijd het gezicht van Mijn Vader, die in de hemelen is; ” want de kinderen, zo lang zij nog in die zalige, kinderlijke staat leven, zijn ook altijd in het rijk van God en hebben altijd het welbehagen van God. Er is geen ogenblik, dat zij buiten de genade van God zijn, omdat zij nooit de Geest van God bedroeven; hun kinderlijk werk, dat zij doen, wordt alleen voor goed werk geleverd daarom kunnen ook hun engelen altijd voor God verschijnen, hun gevaren voor God brengen, voor hen van God hulp afsmeken, en Zijn genadige bevelen ontvangen om Hem in de kinderen te dienen. Tussen God en de kinderen staat nooit een wolk; slechts de engel van het licht staat tussenbeide om de kinderen altijd in het licht van het goddelijk aanschijn te dragen. Och, dat dit altijd zo bleef! Maar er komen jaren, waar in plaats van een engel van het licht een donkere wolk tussenbeide treedt. Wanneer de zonde in de mens ontwaakt, wanneer boze lusten en begeerlijkheden een onheilig vuur in het hart aansteken, wanneer de hand naar de verboden vrucht grijpt en de voet de weg van het verderf betreedt, waar blijft dan de engel van het licht? Hij moet wegtrekken, evenals iemand wiens huis en have door de bliksem vernietigd is, want er komen andere gasten, die zich van de mens meester maken, en die zijn de donkere wolk, die tussen hem en God staat. Daarom, wie een kind ergert en tot het kwade verleidt, die doet grote zonde en ontneemt hem meer dan wanneer hij hem huis en hof en zijn vaderlijk erfdeel ontnam, want hij ontneemt hem zijn engel en geeft hem over aan de onreine en boze geesten – wee die mens, hem zal het evenzo gebeuren!
En zoals gij geen van deze kleinen zult verachten, zo ook niemand van degenen, die door Farizeeën en Schriftgeleerden voor te gering en te slecht worden gehouden, dan dat men zich met hen zou mogen bemoeien (Luk. 15: 2; 18: 9). Want de Zoon des mensen, in wie gij uw Meester hebt en het richtsnoer voor uw gedrag, is gekomen om zalig te maken, wat verloren was (Luk. 19: 10); juist omtrent verlorenen moet de meeste zorgvuldigheid worden aangewend.
Dit is de grond, waarop het vorige rust; heeft liefde Hem gedreven verloren zondaars te redden, hoezeer moeten Hem juist de geringsten en de zwaksten onder de Zijnen, die aan het grootste gevaar zijn blootgesteld, ter harte gaan.
Wat een alles omvattende overgang in de onvergelijkelijke rede van de Heere! van een kindje, dat de apostelen ootmoed moet prediken (vs. 2vv. ) tot de gehele wereld vol ergernis en wee daar buiten (vs. 6vv. ); van het eeuwige helse vuur (vs. 8vv. ) tot de engelen in de hemel voor Gods aangezicht en troon (vs. 9); van het scherpste wee (vs. 6) weer tot de tederste liefde, die niet wil dat een arm mensenkind gering zal worden geacht).
Juist wat klein is voor de wereld is groot van betekenis in de ogen van de Heere en over het geringe en verachte ontfermt Hij Zich het meest. De voornaamste engelen, die altijd voor Gods troon staan en dienen, stelt God juist bij de kleinen en geringen. Het verlorene wordt door de Heere zo dierbaar geacht, dat Hij het met alle vlijt zoekt (vs. 12vv. ). Zoals Hij is, zo moeten ook Zijn discipelen zijn; zoals Hij het verlorene zoekt en Zich over het kleine en geringe ontfermt, zo moeten ook Zijn discipelen doen. De Vader in de hemel wil ook hen, die voor de wereld klein en gering zijn, niet laten verloren gaan, maar Hij roept ze allen tot Zijn genade.
Om u een beeld te geven van de liefde van de Mensenzoon tot iedere verloren ziel in het bijzonder en om Zijn zorgvuldigheid tot redding van die duidelijk te maken – deze gelijkenis. Wat dunkt u? Indien enig mens honderd schapen had en een uit deze afgedwaald ware, zal hij niet de negenennegentig laten, en op de bergen, waarop zij weiden, heengaande, het afgedwaalde zoeken?
Het verlorene is juist het uitverkorene. Niemand vraagt naar hetgeen hij heeft, maar naar hetgeen hij niet meer heeft. Christus heeft de heilige engelen in de hemel verlaten, die daar voor eeuwig veilig zijn, om op aarde de verloren mens te zoeken.
En indien het gebeurt, dat hij het vindt, voorwaar Ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over dit, dan over de negenennegentig, die niet afgedwaald zijn geweest (Luk. 15: 4-6).
De getrouwe Herder, die Zijn duizenden (de engelenscharen – zo Cyrillus van Jeruzalem in Catech. 15) op de hemelse bergen verliet en het verloren schaap van de mensheid zoekt, is Christus. Zo is het de plicht van de zielenherders de verdwaalden, de voor verbetering geschikten, zich in het bijzonder aan te trekken.
Hoe aandoenlijk schetst hier de Heere de liefde van de Vader en Zijn liefde en die van de Heilige Geest in het behoud van de zondaar. Nee! het is God niet onverschillig, of er mensen behouden worden of dat zij verloren gaan. Hij wil niet, dat zij verloren gaan. Hij wil dat zij behouden worden, en om ze te behouden heeft Hij Zijn enige Zoon gezonden, als het enig mogelijke middel tot hun behoud.
De bedoeling van deze gelijkenis is duidelijk, om aan te tonen, dat het verlorene, juist omdat het verloren is, niet alleen meer zorg vereist, dan hetgeen niet verloren is, maar dat ook de eigenaar uit die hoofde zich daarvoor meer moeite geeft. Deze gelijkenis doet dus alle bevreemding ophouden over de komst van de Zoon van God, juist om diegenen, die verloren waren. Jezus houdt Zich van de toestemming van Zijn hoorders op de in het 14de vers voorgestelde vraag zo verzekerd, dat Hij niet aarzelt die zelf te beantwoorden en de belangstelling in het weergevonden als groter voorstelt dan in hetgeen niet verloren was geweest; en zo wij ooit iets terugvonden wat wij verloren hadden, zullen wij de waarheid van deze voorstelling geredelijk erkennen.
Zo betuigde Christus, dat Hij, de Zoon des mensen, van wie zij wisten, dat Hij de Zoon van God was, in de wereld was gekomen om het verlorene te redden. Hij verachtte de mens niet, hoewel die dood was in zonde, ja zelfs vreemdeling en vijand omtrent Hem. Vernederde Hij Zich zo diep om hem te redden, zouden dan hun zwakke broeders verachten, die Jezus tot Zich probeerde terecht te brengen. De gelijkenis toont de hulpeloze toestand van verloren zondaars. Afgedwaald van God zijn zij geschikt om door satan te worden vernield en ter helle te varen. Hij wijst aan hoe de goede Herder Zijn uitverkorenen uit de kudde kent en bemint, dat Hij haar zoekt, vóór zij zoekt naar Hem, dat Hij Zich verheugt in de redding en niet toelaat, dat één van haar verloren ga. Christus kwam in de wereld om zielen te redden, en Zijn hart is zo geheel bij dat werk, dat Hij Zich stellen zal tegenover allen, die Hem daarin verhinderen, door terug te houden degenen, die hun aangezicht hemelwaarts wenden. Zal iemand ons weigeren Zijn opmerkzaamheid te geven aan degenen, die de Zoon van God kwam zoeken en redden? omtrent wie het de wil van de Vader is, dat geen van hen verloren ga? Indien wij gezocht zijn als verloren schapen, maar gekocht zijn door het bloed van de goede Herder en bij Zijn kudde zijn gebracht, laat ons dan gedenken uit welke toestand wij gered zijn, en trachten te zijn als een schaap van Zijn weide behoort te zijn. Zijn zorg strekt zich uit tot alle leden van de kudde, zelfs tot de minste. Wij mogen denken, dat indien slechts een of twee zijn geërgerd en verstrikt, het geen zaak van groot gewicht is, en wij er ons niet om behoeven te bekommeren. Maar Gods gedachten van liefde en tederheid Zijn boven de onze. Zij, die iets doen, waardoor één van deze kleinen gebracht wordt in gevaar van verloren te gaan, stelt zich tegenover de wil van God en ergert Hem ten hoogste.
Zo is de wil niet van uw Vader, die in de hemelen is, en Zijn Zoon heeft gezonden, opdat Hij, de 99 schapen achterlatende, tot het verlorene, tot de gehele mensheid zou heengaan, dat een van deze kleinen van deze kinderen (vs. 10), zowel als van de verachte zondaren (vs. 11) verloren ga.
Door de meesten wordt hier niet bij de uitdrukking “rechtvaardigen” aan engelen gedacht. Bijv. lezen wij hier van dezen, die niet afgedwaald zijn geweest, dan spreekt het wel vanzelf, dat wij hier niet aan de mens kunnen denken, zoals hij van nature is, want de woorden van de profeet (Jer. 17: 9) en die van de Heere (MATTHEUS. 7: 21-23) weerspreken dit met kracht, en zo moet de Heere onder de 99 wel de zodanige bedoelen, die door Gods genade uit de dienst van de wereld en de zonde waren teruggebracht en voor verdere afdwaling behoed; terwijl dit één onder de goddelijke toelating door de verleiding van de wereld voor een tijd was afgetrokken, maar nu door de getrouwe Herder, die ook hem gekocht had met Zijn dierbaar bloed, weer was opgezocht om voor altoos onlosmakelijk aan Hem verbonden te wezen, waarbij wij als vanzelf aan de apostel Petrus denken. Troostvolle waarheid! Indien wij struikelen en vallen, zo worden wij niet weggeworpen, maar Hij, die Zichzelf noemt de goede Herder, zal Zijn scharen opzoeken en terugbrengen, en Hij zal ons in Zijn kracht bewaren door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd (1 Petrus . 1: 5).
Evenzo, op menselijke wijze gesproken, is uw hemelse Vader aangedaan over Zijn schapen, die verstrooid waren door gevaarlijke vertragingen, verzoekingen en verleidingen, en verblijdt Hij Zich over die, als Hij ze heeft teruggebracht meer dan over het behoud van hen, die nimmer verleid waren, nadat Hij ze in Zijn schaapskooi had gebracht. Want het is Zijn voornemen en welbehagen, dat geen van de minste daarvan zal verloren gaan, maar dat zij allen metterdaad zullen zalig worden. Het is Zijn gebiedende wil, dat gij niet iets doet, dat hen kan vertragen of verhinderen op de weg naar de hemel, maar alles, zoveel in u is om hen behulpzaam en bevorderlijk te zijn tot zaligheid.
a) Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, indien hij door zijn gedrag, dat een Christen onwaardig is, u ergernis veroorzaakt, zo wacht u, dat gij niet een aanleiding wordt tot ergernis voor hem. Overwin het kwade door het goede (Rom. 12: 21); ga heen tot hem volgens het voorbeeld van Hem, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is (vs. 11vv. ), en bestraf hem, overtuig hem van zijn onrecht door het hem openlijk voor te houden (Luk. 17: 3 Joh. 16: 8 Lev. 19: 17), tussen u en hem alleen; want indien dit in bijzijn van anderen plaats had, zou gij misschien meer kwaad dan goed doen. Indien hij u hoort, uw bestraffing aanneemt, zijn onrecht inziet en om vergeving vraagt, zo hebt gij, door terugbrenging van een weg, waarop hij in gevaar was om verloren te gaan, uw broeder niet alleen voor u, maar ook voor uw Heere en voor de gemeente (1 Kor. 9: 19vv. ; 1 Petrus . 3: 1) gewonnen en zijn ziel van de dood gered (Jak. 5: 19vv. ).
Spr. 17: 10 Luk. 17: 3
Maar indien hij u niet hoort, integendeel wat hij misdaan heeft loochent of probeert te verontschuldigen, zo neem, wanneer gij ten tweeden male tot hem gaat, een of twee broeders in Christus met u, a) opdat nu het tot eengerechterlijke zaak in Christelijke zin wordt, ook het daarop doelende voorschrift in Deut. 19: 15 in acht worde genomen, namelijk dat in de mond van twee of drie getuigen elk woord besta (Joh. 8: 17; 2 Kor. 13: 1), en de schuldige geen uitvlucht meer hebbe.
Num. 35: 30 Deut. 17: 6 Hebr. 10: 28
En indien hij deze, die hem vermanen en terecht wijzen, geen gehoor geeft, a) zo zeg het de gemeente, of misschien de zedelijke macht, die in de gemeente is, zijn tegenstand overwinne. En indien hij ook de gemeente geen gehoor geeft, en door zijn verharding tegen alle bekering duidelijk toont, geen voor onkruid overmeesterd tarwegraan te zijn, maar een onkruid, dat het koren verstikt, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar; hef dan alle verdere broederlijke gemeenschap met hem op, en bepaal u tot slechtsburgerlijk algemeen verkeer (Rom. 16: 17; 2 Thessalonicenzen. 3: 6, 14).
1 Kor. 5: 9
De broederlijke tucht, zoals de Heere die hier voorschrijft, is zowel zielezorg voor ieder in het bijzonder, die misdeed, als bewaring van het geestelijk welzijn van allen. Zij begint met de bestraffing onder vier ogen, waarvan wij in Gal. 2: 11vv. een voorbeeld met heilzaam gevolg lezen. Zoals Dr. Luther zegt, is het hier gegeven gebod van Christus even noodzakelijk als het “gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen. ” Het is echter een van de geboden van onze Heiland, dat het minste in acht wordt genomen; want wat doet men in het algemeen? Wanneer men zijn broeder in het geheim moest bestraffen, prijst men hem in zijn aanwezigheid en veracht en bepraat hem in het openbaar. – “Men moet de mensen zelf zeggen, wat men tegen hen heeft, maar niemand iets daarvan vertellen. ” Men mag niet voorbijzien, dat er een weldaad in ligt, dat in het burgerlijke of gezellige verkeer van de mensen onder elkaar zekere grenzen door de algemene zeden gesteld zijn, die het dikwijls zeer moeilijk maken om iemand in het aangezicht te zeggen, wat men van hem denkt, en dat een bepaalde maat van wederkerige achting en van eerbetoning en bescheiden terughouding vooral tegenover meerderen in het oog moet worden gehouden. Wat toch zou ervan worden, wanneer daardoor niet werd teruggehouden, dat de een jegens de ander zonder meer zijn argwaan en nijd, zijn haat en verbittering, zijn gekrenkte ijdelheid en spottende blijdschap in andermans leed uitte! De Heere heeft het echter hier over Zijn Gemeente, niet over de burgerlijke maatschappij als zodanig. Hij gebruikt het “gij” en spreekt dus niet van de grote menigte, maar bedoelt die reeds van Zijn gezindheid zijn geworden en Zijn woord reeds weten op te volgen. Ook is het bestraffen geheel iets anders dan wat de kinderen van deze wereld “iemand de waarheid zeggen” noemen. Die kunnen dat niet, omdat zij zelf niet uit de waarheid zijn, zij kunnen het woord van de waarheid niet horen, noch zich door de geest van de waarheid laten heiligen (hoofdstuk 7: 3vv. ). Zij kunnen alleen de innerlijke boosheid naar buiten laten komen en het vergif van het hart, dat de naaste haat, hem in het aangezicht spuwen. De broederlijke bestraffing daarentegen is een overtuigen van de zonde en een helpen tot bekering, een opheffen van ergernis in waarheid en zoeken van het verlorene in liefde. “Evenals ik mijn eigen zonde in mij veroordeel tot heiligmaking voor God, zo ook die van een ander, opdat niet hun schuld mijn eigen worde door verzuim van deze liefdedienst. ” Stil en zacht voor God beginnende klimt zij eerst bij gebrek aan uitwerking op tot meerdere ernst. Wat het naast aan de bestraffing onder vier ogen staat is het medenemen van 1-2 broeders. Het is een versterking van de kracht van de heilige liefde, die redding zoekt en in de gemeente van Christus leeft, om de krachten van de duisternis te overwinnen, die in de zondigende broeder zijn, nadat deze door de tegenstand van zijn hart zich tegen de eerste aanval heeft versterkt en zich meer heeft bevestigd. “Kunt gij niet reeds bij de eerste verborgen samenkomst uw broeder winnen, zo geef hem niet dadelijk op, omdat uw wijsheid en liefde niets bij hem uitwerkt. Kom niet dadelijk met uw oordeel: hij hoort niet en zal niet horen, omdat hij mij niet heeft gehoord. Neem tot u een of twee, natuurlijk niet de eerste de beste, maar die de zaak en u beiden in bekendheid en liefde de naaste zijn, de zodanige, die ook broederlijk kunnen zeggen: “gij hebt voor ons en tegen ons gezondigd, ” die hij ook als zijn broeders kan eren, zo hij slechts wil. Het gesprek verkrijgt dan reeds meer de vorm van een vredegerecht. In de derde plaats moet de gehele broederlijke gemeente in de zaak worden betrokken, of niet de macht, die geconcentreerd in haar werkt, de macht van de liefde, die het verlorene zoekt, zou mogen doordringen. Behouden echter ook daartegen de duistere machten in hem, die gezondigd heeft, de overhand, zo moet ook de verharde in zonde beschouwd en behandeld worden als een, die niet meer tot de gemeente behoort. De Heere veronderstelt bij dit voorschrift duidelijk apostolische Christenen en een apostolische vorm van de gemeente. Waar die ontbreekt kan Zijn aanwijzing niet worden gevolgd. Luther maakt onderscheid tussen een kerkelijke toestand, waarbij men nog geen geordende vergadering heeft, waarin men volgens het Evangelie het volk kan regeren, maar alleen een openbare opwekking tot geloof en Christendom heeft, een onderwijzen van de jeugd enz. en tussen een ware Evangelische regeling, waarbij zij, die ernstig begeren Christenen te zijn, hun namen inschrijven en bijzondere bijeenkomsten houden, waar dan ook naar dit voor ons liggende woord van Christus kan worden gehandeld. Tot zo’n gemeente had hij de mensen nog niet kunnen brengen, zegt hij, en daarom had hij het alzo nog niet kunnen inrichten. Dergelijke bedenkingen zijn het dan ook, die hebben doen betwijfelen Uit (13: 30 Aanm. 2), of men de afgevallenen en ongelovigen in de ban mocht doen. Intussen zou reeds tot zegen van het begrip van kerk als een inrichting tot opvoeding, die de Christenen het woord van de waarheid en de sacramentele genadegaven mededeelt, eisen, dat zij, om het heilige niet aan de honden te geven, en de parels niet voor de zwijnen te werpen (hoofdstuk 7: 6), openbare en verharde zondaars van de sacramenten uitsloot. Zelfs ten tijde, toen de nieuwtestamentische gemeente nog slechts een predikende, nog geen werkelijk geconstitueerde was, ontvingen de apostelen het bevel (hoofdstuk 10: 14) het stof van een huis of van een stad, waar zij niet werden opgenomen, van hun voeten te schudden, en zich daardoor los te maken van alle innerlijke gemeenschap met zo’n huis of zo’n stad. Het onthouden van kerkelijke voorrechten is onder alle omstandigheden tegenover ongelovigen en verachters niet alleen een goddelijk recht, maar ook een heilige plicht. Er komen toch omstandigheden, dat men niet kan wachten totdat de afgevallenen zichzelf van de kerk uitsluiten, maar integendeel de kerk van haar zijde met hen moet breken, zal zij de eer van haar Heer niet geheel en al prijs geven. Op een eigenlijke excommunicatie, of uitsluiting uit de kerkgemeenschap doelt dan ook het volgende, waarin de Heere niet meer één lid van Zijn gemeente met het “gij” aanspreekt, en diens gedrag tegenover een zondigende en in zijn zonde volhardende medebroeder regelt, maar met een “gij” Zich tot diegenen wendt, die Hij tot leiding van de kerk en tot waarneming van haar rechten en plichten geroepen heeft. Hij kent die macht van de sleutels, die Hij in hoofdstuk 16: 19 in de eerste plaats aan Petrus gaf, als de eerste fundamentsteen, waarop de gemeente gebouwd is (Efe. 2: 20), de medeapostelen en mede-ouderlingen (1 Petrus . 5: 1) in gelijke omvang toe. Hij doet het met dezelfde opdracht, dat zij, terwijl het bijzondere gemeentelid niets meer kan doen, dan hem, die zich innerlijk van de gemeente heeft losgemaakt, ook niet meer als werkelijk lid te beschouwen en te behandelen, diens uitsluiting uiterlijk en werkelijk te volbrengen. Zij moeten hem uitdrukkelijk in een verhouding tot de gemeente plaatsen, als de heidenen en tollenaars tegenover haar innemen.
a) Voorwaar zeg Ik u, die in de gemeente tot Mijn dienaars en uitdelers van de goddelijke zegeningen gesteld zijt: al wat gij krachtens uw ambt, en gedragen door Mijn Geest, op de aarde binden zult, wanneer gij iemand, die zijn zonde niet heeft willen erkennen, noch zich heeft willen bekeren, volgens de boven gegeven regel uitsluit, het zal in de hemel gebonden wezen, werkelijk zal Gods toorn op hem blijven en zich over hem openbaren; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. Wanneer iemand, van de kerkelijke gemeenschap uitgesloten, daarin weer kan worden opgenomen, evenals een heiden en tollenaar, die tot berouw en geloof is gekomen, zo zal hem zijn vorige zonde vergeven zijn, en hij niet in het gericht komen (2 Kor. 2: 6vv. ).
MATTHEUS. 16: 19 Joh. 20: 23
Om ons bijbelwerk niet al te veel uit te breiden moeten wij nalaten te antwoorden op de moeilijke vragen, die aan het artikel “kerktucht”, voornamelijk ook over haar doorzetten in onze tijd, verbonden zijn. De toestand is waarlijk van dien aard geworden, dat wij alleen onze hoop hebben op een gehele omkering door de Heere zelf, die volgens Openbaring . 11: 11-13 zeker zal komen. Anders dan met de Evangelische kerken is het in onze tijd met de katholieke. Aan de eerste worden de handen hoe langer hoe meer gebonden, tot tenslotte de twee getuigen overwonnen zijn en hun lijken op de straat van de grote stad liggen (Openbaring . 11: 7vv. ). De Roomse kerk bewijst wat een macht de Heere aan Zijn gemeente heeft verleend en zij zou hebben kunnen bezitten. Maar het is niet de zaak van Christus, die het Katholicisme voorstaat, maar integendeel van hen, in wiens dienst tenslotte die partij zal overgaan, die thans de heersende in de Katholieke kerkelijke bewegingen is (Openbaring . 13: 11vv. ). Zij zal deze kerk door het misbruik van Jezus naam tenslotte brengen daar, waar het heet: “ga uit van haar, Mijn volk!” en waarop de stem zal klinken: “zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon”; Openbaring . 18). Een Romeins bisschop (Silvester II aan het einde van de 10de en het begin van de 11de eeuw) heeft zelf bekend: “wanneer de Roomse paus tegen een broeder zondigde en na openlijke vermaning de gemeente niet wilde horen, zo zou hij volgens het gebod van de Heere voor een heiden en tollenaar moeten worden gehouden, want hoe groter hij schijnt te zijn, des te dieper kan hij vallen. ” Hoe de taal sinds het vijfde jaar voor het begin van het laatste vierde deel van onze eeuw geheel anders luidt, en de wieg gereed is gemaakt, waarin de antichrist, als hij komt, zich zeer geschikt kan neerleggen (2 Thessalonicenzen. 2: 4), behoeven wij niet uitvoerig uiteen te zetten. De tijd kan dan ook niet uitblijven, dat onze kerk, die de steeds zwaardere toekomst, die haar wacht, mag tegengaan met de troost (Micha 7: 8): “Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin, wanneer ik gevallen ben zal ik weer opstaan” de erfenis van de macht van de Heere zal aanvaarden.
Opnieuw zeg Ik u omtrent een ander punt, dat de toegang van Mijn gemeente tot alle schatten van het koninkrijk der hemelen aangaat: indien er twee van u, het allerkleinste gedeelte van de gemeente, samenstemmen op de aarde over enige zaak, die zij zouden mogen begeren in het gebed, dat die hun zal overkomen van Mijn Vader, die in de hemelen is (Hand. 12: 5). Want het is hun door Mijn Geest in het hart gegeven, die alleen kan ingeven, wat volgens de goddelijke wil is.
a) Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, Mij tot eer, op Mijn bevel en in vertrouwen op Mijn belofte om elkaar uit Mijn woord op te bouwen en alle goeds voor zich en anderen af te bidden, daar ben Ik in het midden van hen en leg door Mijn Geest in hun mond, wat zij moeten bidden en bid met hen.
Luk. 24: 15, 36
Met het binden en ontbinden gaat het als met de gebedsverhoring. Het is in de hemel van kracht, omtrent het alleen getuigenis was van hetgeen reeds in de hemel was besloten, evenals het gebed verhoort wordt, omdat het door de drang van de Geest in geloof reeds uit de hoogste raad en de goddelijke wil is voortgekomen.
De algemene uitdrukking: “over enige zaak” beperkt men gewoonlijk zo, dat men daaronder verstaat alles wat het welzijn van de gemeente bevordert en tot het Christelijk levensgebied behoort. Dat is zeker in zoverre juist, als het geestelijke het enige voorwerp is van de werkzaamheid van de gelovigen, waarin al het andere, in zoverre het goed is, opgesloten ligt. Maar juist omdat al het andere daaraan verbonden is, is het “enige zaak” ook in eigenlijke zin te nemen, omdat alles, in zoverre het in verband staat met de behoeften van de kerk, voorwerp van het gebed van de gelovigen kan worden. De mogelijkheid van het misbruik van dit bevel, of liever van deze verheven toestemming van de Verlosser voor de Zijnen is daardoor weggenomen, dat juist de Geest van de Vader in Christus Jezus het zelf is, die de gemeenschap met de Geest, het daaruit voortvloeiende één worden voor elk bijzonder geval en het gebed zelf teweegbrengt en opwekt. Waar dus dit niet alles werkelijk aanwezig is, of slechts in zelfmisleiding gemeend wordt, hebben de woorden van de Heere geen toepassing. Waar het werkelijk aanwezig is, daar hebben Zijn woorden ook hun eeuwige waarheid.
Op de overeenstemming komt het aan, zodat men niet naar bijzonder belang, noch persoonlijke begeerte gelooft, dat de zaak goed is. Het talrijke gezelschap doet het ook niet, maar dit doet het, dat Hij daarbij is, dat Hij de derde of vierde man onder hen is.
Wie zeggen kan: “gij en ik” kan van een gemeente spreken en aanspraak maken op de genade van de gemeente toegezegd.
Wat een treffend bewijs voor de Godheid van de Heere! God toch alleen kan op meer dan één plaats tegelijkertijd zijn.
Ieder van ons herinnere zich wat ondervinding hiervan hij bij zijn aardse Vader smaakte. Was deze wel ooit gunstiger gestemd om aan uw wensen gehoor te geven, dan wanneer gij met uw broeders en zusters verenigd één en dezelfde wens uitte, één en hetzelfde gunstbewijs vroegt, dat vele gelukkig maken zou? Nee, niets is hartroerender dan een gemeenschappelijke bede.
VI. Vs. 21-35.KruisverwijzingenLukas 17:3→Kolossenzen 3:13→2 Koningen 4:1→Nehemia 5:5→Leviticus 25:39→Markus 11:25→Efeze 4:31→Mattheüs 6:14→
— Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde. Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten. En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden. De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden. Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt. Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.
Petrus geeft door een vraag de Heere aanleiding tot nader onderricht. Het woord over het heengaan tot de broeder, die zondigt en van het winnen van hem, wanneer hij de bestraffing aanneemt, veronderstelde van zelf, dat hij, die heenging, bereid was te vergeven, ja zozeer bereid, dat het bestraffen als middel voorkomt, en dus eigenlijk niet de straf, maar de vergeving in het huis van hen, die misdeed, moet worden gebracht. Dit kan de discipel niet begrijpen, die groot geworden is in een tijd, waarin de Farizese schriftverdraaiing reeds zozeer is doorgedrongen. Het komt hem voor, dat men toch ook met de bereidwilligheid om te vergeven niet te ver mocht gaan, hij meent de grenzen ver genoeg te hebben geplaatst, wanneer hij bereid is zevenmaal te vergeven; maar alle grenzen worden weggerukt, en tot waarschuwing de gelijkenis van de boze dienstknecht voorgehouden. Evenals de inhoud van vs. 7vv. en Luk. 17: 1 en 2 in het kort is weergegeven, als de inhoud van vs. 15vv. in Luk. 17: 3 en 4.
Toen de Heere in vs. 15vv. het juiste gedrag ten opzichte van een broeder, die tegen ons zondigde, voorstelde, kwam Petrus tot Hem. Hem was daarbij een bedenking in het hart opgekomen, of namelijk zulk heengaan tot de belediger met een hart tot vergeven bereidwillig, niet zijn grenzen had, zou het niet een grenzenloos, altijd meer zich opeenhopend zondigen ten gevolge hebben. En hij zei: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en Ik hem vergeven? Is het genoeg, wanneer ik als maat aanneem: tot zevenmaal?
Jezus zei tot hem: Ik zeg u niet, a) tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. Wanneer hij zevenmaal daags tegen u zondigde en zevenmaal terugkwam en zei: het is mij leed, zo zult gij hem moeten vergeven (Luk. 17: 4), en zo dat 70 dagen na elkaar werd herhaald, zo zou gij hem moeten vergeven. Er mag geen maat noch perk worden gesteld; het moet integendeel tot blijdschap zijn, wanneer de broeder, die zondigt, door berouwvolle gezindheid het u mogelijk maakt, hem altijd en te allen tijde te vergeven.
MATTHEUS. 6: 14 Mark. 11: 25 Kol. 3: 13
De Talmoed 5: 22) zegt: men vergeve een, twee, tot driemaal, maar de vierde maal vergeve men niet. Deze Joodse traditie is misschien toen reeds bekend geweest, en Petrus wilde het misschien tot het dubbele versterken.
Hij meende daardoor iets zeer buitengewoons te doen, zich zeer groot van hart te betonen en verwachtte een toestemmend antwoord op zijn ruime uitbreiding.
Het getal van de Heere tegenover het getal van de apostel zegt, dat er over het vergeven geen boek moet worden gehouden, dat het integendeel een voortgaan in het onbegrensde is, dat niet geteld, maar steeds blijmoedig moet worden vergeven.
Als ik nog tellen kan, heb ik het vorige nog niet vergeten, dus ook niet van harte vergeven.
Er is een oude spreuk: goed met kwaad te vergelden, is duivels, kwaad met kwaad te vergelden is dierlijk; goed met goed te beantwoorden is menselijk, goed tegenover kwaad te doen is goddelijk.
Zo’n huis is de kerk, dat, waar de zondaar zich laat gezeggen en zich laat bestraffen, hij vergeving van de zonde heeft, en de vergeving zo dikwijls zijn deel wordt, als zij door hem wordt begeerd en gezocht.
Er wordt hier gedoeld op het oude woord van wraak, door een Lamech gesproken Gen. 4: 24
Het is zo gemakkelijk niet te vervullen wat de Heere Petrus oplegt; niet slechts tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal te vergeven. Drie dingen moeten worden bestreden. Allereerst de boze hartstocht, die voldoening eist; in de tweede plaats, het berekenend verstand, dat nieuwe beledigingen en grotere schade wil voorkomen, en ten derde, het gevoel van rechtvaardigheid; dat zich inbeeldt de zucht naar wraak te kunnen wettigen. Voor de zwakke mens is het niet gemakkelijk deze drie vijanden allen tegelijk, niet gemakkelijk ze een voor een te verslaan.
(Evangelie op de 22e zondag na Trinitatis)
Tot ware heiligmaking behoort ook barmhartige, vergevensgezinde liefde jegens den naaste. De Heere heeft onze schuld vergeven, daarom moeten wij ook gewillig zijn om de naaste te vergeven, en niet, zoals de onbarmhartige dienstknecht in het Evangelie, onze schuldenaars doden.
Stelde het vorige Evangelie het levend geloof voor als hetgeen ons gelukkig maakt, nu horen wij dat dit geloof zich moet openbaren in een leven, dat liefde en vergeving beoefent.
Het huis is de eerste en naaste plaats, waarin zich de heerlijkheid van het nieuwe leven in Christus openbaart; de tweede kring is de omgang en het verkeer met andere mensen dan met onze huisgenoten, met hen met wie ons ons beroep, ons lot, de leiding van God, de nabuurschap of vriendschap in betrekking brengt. Ook op dit gebied is een werkelijk onderscheid tussen doen en laten van de wedergeborene en de natuurlijke mens. Ons Evangelie wijst ons op de verschillende gesteldheid en op de verschillende gevolgen van beider omgang.
De vermaning tot vergevensgezindheid, zo dikwijls die komt, is altijd weer tijdig en op de juiste plaats, en men mag zelfs beweren, dat men tot deze deugd veel meer dan tot andere deugden mag vermanen, omdat zij een bijzonder mooie, en juist daarom ook een bijzonder moeilijke deugd is. Daarom keert ook de vermaning tot vergevensgezindheid in zo menig Zondagsevangelie van het kerkelijk jaar terug; daarom spreekt de Heilige Schrift zo dikwijls daarvan; daarom wordt er zelfs in de zeven beden van het “Onze Vader” aan gedacht.
Hoe leer ik de moeilijke kunst om mijn schuldenaar van harte te vergeven? 1) Zie uw schuldenaar aan: hoe klein is zijn schuld! 2) Zie op uzelf: hebt ook gij niet nodig, dat men met u geduld hebbe? 3) Zie op tot uw God: hoe groot is Zijn genade!
Ik wil u door een gelijkenis leren, waarom een zo onbegrensde bereidwilligheid tot vergeven uw plicht is, en hoe strafbaar en verkeerd daarentegen de onverzoenlijkheid omtrent de broeder is. Daarom wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken, is het ten opzichte van afrekening of betaling van schuld evenals bij een zeker koning, niet slechts een gewoon mens, maar een hoog verhevene: een machthebbende, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde, met zijn dienaren, die hij zijn land en de inkomsten daarvan tot besturing had opgedragen om zich te overtuigen van de stand van zaken, wat hun bestuur omtrent zijn vermogen aanging.
Wij moeten vooral letten op het woordje: “koninkrijk der hemelen, ” want zo’n gebod van het vergeven van de zonden kan men niet op het rijk van de wereld toepassen, waar ambten en personen ongelijk zijn, en daarbij steeds de een over de ander macht heeft. Men mag (vader, heer, meesteres, wereldse overheid) daar de boosheid niet toezien, noch ieder laten doen wat hem behaagt, maar moet het kwaad straffen en de mensen onder de tucht houden. Het wereldlijk bestuur is daartoe door God ingesteld, dat het de boosheid van de wereld zou weten en straffen – niet dat het alle boosheid zou kunnen straffen (want daartoe is het veel te nietig), maar dat het uiterlijke grote zonden zou straffen, die metterdaad gebeuren, dat niemand misdaad bedrijve aan zijns naasten lichaam, vrouw, goederen enz. In dit wereldlijk besturen is geen vergeving maar straf (Gen. 9: 6 Rom. 13: 4). Zo men in het wereldlijk bestuur moest vergeven, zo zouden gij en ik niets behouden. Het is, helaas! waar, dat degenen, die in het wereldlijk bestuur zijn, dikwijls niet alleen nalatig zijn in het straffen van het kwaad, maar zelfs het kwaad steunen en sterken, het laten gaan zoals het gaat. Daarom moet men deze leer vlijtig voorstaan, opdat men lere en wete, dat het uiterlijk bestuur gestreng moet zijn (1 Sam. 15: 3, 9, 19vv. ; 1 Kon. 20: 29vv. ; 22: 31). Dit bevel van het vergeven van de zonden behoort in het koninkrijk der hemelen of in het geestelijk bestuur, waar wij gelijk zijn en slechts een Heer boven ons hebben, wie wij allen eigen zijn. Zo’n Koninkrijk der hemelen begint hier op aarde en wordt met een andere naam genoemd de Christelijke kerk, waar God door Zijn Woord en Zijn Geest regeert. In diezelfde kerk moet gij, in zoverre gij geen bijzonder ambt hebt, doen zoals Jezus hier beveelt: de een moet de ander vergeven; niemand mag zich wreken; ieder moet barmhartigheid en vriendelijkheid jegens zijn naaste bewijzen.
De Koning, die met Zijn knechten rekening wil houden, is God; de knechten zijn wij. Omdat Hij aan ieder van ons Zijn goed heeft gegeven, om het te besturen, zo moeten wij ook daarmee winst doen, dat zijn de goede werken, die God van ons verlangt. Hij laat ons op eigen verantwoordelijkheid handelen, maar van tijd tot tijd roept Hij Zijn knechten voor Zich, en laat Hij Zich de rekeningen voorleggen. Dat gebeurt, wanneer Hij ons in ons geweten tot verantwoording roept, en al onze werken in het licht van Zijn aangezicht stelt; want er zijn tijden, dat wij de nabijheid van de levende God, de Rechter van allen, opmerken en de stem horen: geef rekenschap van uw rentmeesterschap.
Wij tellen het zo licht, vooral wat gedachten en woorden aangaat. God rekent echter anders dan wij, en voor Hem is niets verborgen en wordt niets voorbij gezien. Zo dikwijls Zijn heilige wet vermanend aan ons hart klopt, wil Hij met ons rekenschap houden. Zo dikwijls een dag voorbij is, en een jaar zijn loop heeft geëindigd, is dat een herinnering voor ons, dat God rekening wil houden. Wij verschuiven echter de afrekening zo graag, totdat de Heere aan het einde onze rekening sluit door de dood. Op de jongste dag zal ons dan ons schuldenboek worden voorgehouden, ook al wilden wij het op aarde nooit zien.
Als hij nu begon te rekenen, werd dadelijk in de eerste en hoogst geplaatste, die hij komen liet, tot hem gebracht een, die ten gevolge van verwaarlozing en ontrouw hem schuldig was tienduizend talenten 30: 13″) 1) die hij thans had moeten overgeven.
Zeer verschillend is de berekening van de waarde.
De knechten zijn natuurlijk geen slaven, ook niet gewone onderdanen, maar ministers, kroondienaars. Hun rekening wijst in de ontzaglijke grote som om zo te zeggen “koninklijke schulden” aan. De eerste toepassing moet dientengevolge gemaakt worden op de apostelen en de groten in de gemeente, die te meer kunnen schuldig zijn, naarmate hun meer is toevertrouwd. Toch wordt daardoor de verdere toepassing op de rekening van ieder mens voor God volgens zijn hogere roeping niet buitengesloten. Men denke nu aan talenten zilver of goud, altijd zijn tienduizend zoveel, dat ook Haman in Esth. 3: 9 de rijkdom van de Joden in het land zo hoog waardeert, om zeer veel te noemen. Het getal is bij wijze van spreekwoord voor bijzonder veel, evenals het “zeventigmaal zeven maal. ” Omdat echter toch van rekenen sprake is wil de Heere tevens zeggen, dat God onze zonden werkelijk telt en weegt. Waarlijk reeds het getal is voor ons onbetaalbaar, en het zware gewicht van een meetellende zonde reeds een talent, want er zijn geen zogenaamde kleine of lichte zonden. God wil rekening houden met Zijn knechten, en Hij moet het willen, hoewel Hij slechts de rekening opmaakt, om ze te kwiteren, de schuld slechts doet kennen, om ze te vergeven (Jes. 1: 18). Zonder rekenen geen kwijtschelden, er is hier geen vergeven en kwiteren zonder dat er optelling, narekening heeft plaats gehad.
Zoals wij zagen verschillen de uitleggers in de waardering van de talenten; het is voor ons slechts van belang te weten, hoe de schuld een onmetelijke is: “Wie weet, hoe dikwijls hij zondigt?” (Ps. 19: 13). Boos berekent deze schuld op een eenvoudige wijze; hij zegt: de rechtvaardige valt zevenmaal daags (Spr. 24: 16), omdat nu een jaar 365 dagen heeft valt hij in een jaar reeds 2555 maal – hoe dikwijls dan in zijn gehele leven? Augustinus denkt bij de 10. 000 talenten aan de tien geboden, en zegt dat elk van die 1000 maal door ons wordt overtreden – een recht praktische vingerwijzing!
Wanneer God rekening wil houden, zo laat Hij de prediking van Zijn wet uitgaan, waardoor wij leren kennen, wat wij schuldig zijn. Wanneer God tot het geweten zegt: “Gij zult geen andere God hebben, maar Mij alleen voor God houden, Mij lief hebben van ganser harte en uw vertrouwen alleen op Mij zetten, ” dat is de rekening en het register, waarin geschreven staat, wat wij schuldig zijn. Dat neemt Hij in de hand, leest het ons voor, en zegt: Zie, dat moest gij doen; gij moest Mij alleen vrezen, liefhebben en eren; gij moest op Mij Vertrouwen en u geheel aan Mij overgeven, – gij doet echter het tegendeel en zijt vijandig tegen Mij, gelooft niet in Mij, en stelt uw vertrouwen op andere dingen – summa summarum, gij ziet, dat gij geen letter van de wet houdt. Wanneer nu het geweten dat hoort, en de wet recht op iemands gemoed komt, zo ziet de mens, wat hij schuldig is te doen en niet gedaan heeft, hij wordt gewaar, dat hij geen letter heeft gehouden, en hij moet belijden, dat hij God geen ogenblik geloofd of bemind heeft.
En als hij, zoals vanzelf sprak, niet had om te betalen, beval zijn heer volgens het oude recht, dat men hem zou verkoper tot slaaf, en zijn vrouw en kinderen en al wat bij had, en dat de schuld zoveel mogelijk zou betaald worden.
De knecht heeft niet om te betalen: van waar zou de zondaar het verkrijgen, die wel in zonde kan voortgaan en nieuwe zonden kan opeenhopen, maar niet één zonde kan goed maken. Toch moet hij een voldoening geven. Hij moet voelen, dat men de wet van God niet straffeloos kan overtreden, opdat hij zijn moedwil aflere en God vreze. Hij moet met vrouw en kind en alles wat hij heeft in slavernij worden verkocht. Uit de dienst van de koning verstoten, moet hij zijn goed en zijn vrijheid verliezen en onder harde arbeid zijn leven doorbrengen. Dat is een zwaar lot, van Gods aangezicht verstoten, een lijfeigene van de wereld en van de vorst van de wereld zijn. Is dat ook nog niet het uiterste en hoogste verderf, zo is het toch de weg daarheen, en dat is het verdiende loon van hen, die zich tegen de goede, grote God verzondigen, en Hem niet de eer geven, Hem niet boven alle dingen vrezen, liefhebben en vertrouwen.
De te verwachten opbrengst is natuurlijk niet toereikend om de enorme schuld te dekken. Daarop wordt ook niet gedoeld, recht en gerechtigheid moet worden uitgeoefend, of de schade hersteld of niet. De mens handelt dikwijls zo, dat hij de schuldige laat lopen, omdat hij van hem toch geen herstel meer kan hopen. God, de Heere, handelt nooit zo; Hij lijdt, wanneer een knecht 10. 000 talenten doorbrengt, geen schade, want Hij is de Heer over alles; maar Hij wil, dat recht wedervare aan hem, die tegen Hem heeft misdaan.
Voordat de Koning met hem rekening houdt, heeft de knecht geen geweten, hij voelt de schuld niet en zou nooit zijn heengegaan om te bidden; hij zou meer schuld hebben gemaakt, en er niet naar hebben gevraagd. Als echter de rekening gehouden is en zijn heer beveelt hem zijn vrouw enz. te verkopen en te betalen, voelt hij en ziet beide zijn grote schuld, vervolgens zijn onvermogen en de straf, daarom valt hij voor de heer neer, bidt hem en zegt. Heb geduld met mij. Dat noemen wij “naar het kruis kruipen” en genade begeren, dat wil de Heere, dat wij zullen leren, indien wij van schuld bevrijd willen worden; want wie de schuld niet wil bekennen, maar die ontkent, zoals de Farizeeën doen, die zichzelf voor vroom en rechtvaardig houden, die zou zijn zaak slechts erger maken.
De dienstknecht dan, met angst en schrik vervuld, neervallende, aanbad hem naar de wijze van de oosterse verootmoediging (Ge 33: 3; 1 Kon. 1: 16), zeggende: Heere! wees lankmoedig over mij, vertraag de uitvoering van dit vonnis, en ik zal ualles betalen.
Welke gedachten heeft de knecht, als hij zegt: “ik zal alles betalen. ” Alles betalen, 10. 000 talenten, van waar zal de arme dat verkrijgen? Als een mens in nood is moeten zijn woorden niet op de goudschaal worden gelegd. De eigenlijke bedoeling is zeker, dat hij zijn gedrag wil verbeteren en de veroorzaakte schade weer wil goed maken. Dat is een loffelijke belofte; men merkt het echter bij deze soort van berouw op, dat hij nog zeer zwak is. De knecht zoekt zijn heil niet alleen in de vrije ontferming van de koning; maar ook voor een goed deel in zijn eigen doen en werken. Hij wil een gedeelte van de schuld uitdelgen en hoopt dan voor het overige vergeving te verkrijgen. Hij is daarin gelijk aan vele van onze Christenen, die daarom op de vergeving der zonden rekenen, omdat zij zich verbeteren en goede werken doen. Zij zijn ook soms zo stout, dat zij God gouden bergen beloven en nooit weer willen zondigen, wanneer Hij hun voor ditmaal de schuld wil vergeven. Zij weten nog niet, dat beide een geschenk van de genade is: De vergeving van schuld en de verbetering van het zondige leven. Wij moeten God daarom om beide bidden, zoals in het “Onze Vader” op de vijfde bede als zesde bede volgt: “Leid ons niet in verzoeking.”
De arme man is de eerste papist geweest, die van eigen betaling sprak, maar met dit onderscheid, dat hij het in angst en vermaning zei, en deze het ernstig beweren. Men moest van dat zelf betalen geheel afzien en zich alleen op genade en barmhartigheid beroepen.
De schuldenaar kan niet bidden om kwijtschelding van schuld, dit zou, gij voelt het, in zijn toestand een vermetelheid geweest zijn. De verloren zoon kwam ook niet tot zijn vader, om weer als kind, maar als een van zijn huurlingen aangenomen te worden. Er moet dan ook bij ieder mens, die zich bekeert een gevoel in het hart en een gelofte jegens de Heer gevonden worden, om, ware het mogelijk, door verdubbeling van gehoorzaamheid iets van de schuld af te doen. Maar dat is niet mogelijk, de Heere weet dit, daarom neemt de koning de belofte niet aan, maar scheldt hij de schuld kwijt naar zijn vrije, onvoorwaardelijke genade.
En de heer van deze dienstknecht, die beloofde wat onmogelijk was, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, zodat er van verkopen verder geen sprake meer was, en de schuld, (woordelijk: het op rente gegeven geld) het geld, dat hij zich onrechtvaardig had toegeëigend, en al het overige, dat hij had moeten betalen, hem kwijtgescholden. Hij gaf hem veel meer dan hij had gevraagd, toen de knecht beloofde wat boven zijn bereik was.
Dat is een gouden vers, dat wij wel mogen ter harte nemen, want hier wordt ons met weinig woorden als in een somma het gehele Evangelie voorgesteld, dat toch niets anders is dan de blijde boodschap, dat God Zich over onze ellende ontfermd heeft, en genade voor recht heeft laten gelden en onze schuld vergeven heeft, Hij werd over ons bewogen, daarom heeft Hij Zijn eengeboren Zoon overgegeven, en heeft ons losgelaten, omdat Jezus Zich als borg heeft gesteld. De schuld is vergeven, omdat Jezus Christus ze voor ons betaald heeft. De schuldbrief is met het kruis uitgewist, wij mogen in geloof aannemen, wat Gods vrije genade ons aanbiedt. Daarop wijst de Heilige Schrift gedurig weer, en wij kunnen het niet dikwijls genoeg bedenken, dat wij rechtvaardig en zalig worden door de vrije genade van God in Christus Jezus.
Het Rooms-Katholieke geloof en het natuurlijke hart stemmen zeer goed overeen ook zonder wedergeboorte, het Evangelisch geloof en het menselijk hart alleen door middel van de wedergeboorte. De papisten zeggen van een Protestant, die Katholiek geworden is, dat hij (in de schoot van de kerk) teruggekeerd is. Zeer juist, de Katholieke gezindheid en het Katholieke geloof is de oude mens, die heeft ieder onder de Christenen van nature – de mens wordt echter evangelisch in gezindheid en geloof door de Heilige Geest.
Gods rechtvaardigheid eist de volle straf; Gods liefde de volle kwijtschelding; bij God is niets ten dele, maar alles geheel en volkomen.
Maar die dienstknecht, aan wie zoveel barmhartigheid was geschonken, wiens hart vol moest zijn van de genade, die in zo bijzondere mate hem was geschonken, uitgaande uit het paleis van de koning, heeft op de weg naar huis gevonden eenvan zijn mede-dienstknechten, die hem honderd penningen, denariën schuldig was en hem aanvattende, als had hij een goede vangst gedaan, greep hem bij de keel om hem voor de rechtbank te slepen, zeggende: Betaal mij dadelijk wat gij schuldig zijt, tot de laatste penning toe, of ik breng u voor de rechter.
Zijn mede-dienstknecht dan, onbewust hem het beeld voor ogen houdende, hoe hij zo kort geleden zelf in grote angst voor de koning had gelegen (vs. 26), neervallende aan zijn voeten, bad hem, zonder het te weten, dezelfde woorden zeggende, die hij te voren had gebezigd: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. Hier was het echter geen belofte, die niet te vervullen was, zoals eerder de zijne; zij kon in elk geval na een korte tijd worden vervuld.
Maar hij wilde niet doen wat hem zo dringend gebeden was: maar hij ging heen, en bracht hem werkelijk tot de rechter, en wierp hem volgens het rechterlijk vonnis in de gevangenis, totdat hij de schuld betaald zou hebben; zo was het natuurlijk voor hem zonder hoop, omdat niet anders dan met zijn dood de deuren van de kerker voor hem zouden worden geopend.
Jezus zwijgt van de dank, die de knecht met woorden betuigd heeft; want Hij heeft te getuigen van een dankbaarheid, die zich in werken openbaart en die elk woord over de eerste overbodig maakt. Nauwelijks is de knecht uit het koninklijk paleis uitgegaan, hij is nog niet tot vrouw en kinderen teruggekeerd, geen tijdverloop kon de vrome voornemens, die hij opgevat heeft, de indrukken, die hij ontvangen heeft, hebben uitgewist. Hij moest nog geheel vervuld zijn van de genade van zijn heer; hart en mond moest jubelen met de woorden van de psalmist (Ps. 103: 1vv. ): “Loof de Heere, mijn ziel. ” Daar vindt hij zijn mededienstknecht, dus een knecht die, als hij zelf, ook die grote heer en koning dient. Zouden wij niet verwachten, dat zich nu het hart van de knecht wijd zou openen om met blijde mond zijn mededienstknecht de lof van de heer te verkondigen? Deze mededienstknecht is aan onze knecht 100 penningen schuldig; wat zijn 100 penningen bij 10. 000 talenten? een kleinigheid! Wij verwachten, de knecht, aan wie barmhartigheid is bewezen, zal aan zijn mededienstknecht barmhartigheid betonen. Erkent hij niet de hand van God, die deze mededienstknecht tot hem leidt, opdat hij gelegenheid hebbe, zijn heer en koning in de geringsten van zijn knechten zijn dank te betuigen? Maar wat gebeurt? Nauwelijks heeft de knecht zijn mededienstknecht gezien, of hij denkt aan diens schuld, valt op de schuldenaar aan, pakt hem en zet hem in de gevangenis.
Deze slechte knecht, die de Heere tot een waarschuwend voorbeeld stelt, heeft niets geleerd, heeft de genade volstrekt in zijn hart niet verstaan noch aangenomen, maar voert die als een roof weg. Hij gaat uit zodra hij kan, blij en vrolijk, dat hij nu weer alles kan voortzetten als voorheen. Hij vindt, zoals wij bij iedere voetstap vinden, wanneer wij het zoeken, een van zijn mededienstknechten. Het is wellicht een geringere dan hij, die een zo hoge betrekking heeft bij de koning, waardoor hij zo grote schulden kon maken; maar ook de dagloner is de onderdaan van de koning, tegen wie men geen verkeerdheden kan plegen zonder de koning te vertoornen. Hier kan de schuld in elk geval slechts gering zijn in verhouding tot die grote; want de lichtzinnige verkwister uit de kas van de koning had wel veel lust en bekwaamheid om te verspillen, maar weinig om anderen te lenen. Eerst nu hem door het gebeurde in het geheugen is geroepen het kwijtschelden of betalen, denkt hij aan hetgeen hij te ontvangen heeft. Nu de betaling niet kan plaatshebben, doet hij al het mogelijke tot dwang. Die verkeerdheid laat ons de Farizese gezindheid zien, die door gestrengheid van het harde gericht over de naaste zich voor God wil rechtvaardigen. Hoofdzaak blijft echter in de gelijkenis de verkeerdheid, dat men zich niet ontfermt, wanneer God Zich over ons ontfermd heeft (Sir. 28: 3vv. ). De koning wees op de wet van Israël (vs. 25): de knecht past op zijn mededienstknecht het nog hardere Romeinse recht toe, dat de schuldeiser veroorloofde, de schuldenaar bij de keel te grijpen en voor het gerecht te brengen.
Wij moeten de schade en de onbillijkheid, die ons van anderen overkomt, echt inzien en goed wegen, dan zullen wij zeker bevinden, wanneer wij het op de goudschaal leggen, dat de schuld, die wij tegenover de Heere, onze God, hebben, zal zijn als 10. 000 talenten bij 100 penningen, die ons onze naaste schuldig is. De Heere wil zeggen: al wilt gij de geleden schade ook nog zo hoog opvoeren, zodat gij meent reden te hebben om toornig te zijn, wat is het dan? het is nog niet één gulden tegen de 100. 000 gulden, die gij onze Heere God schuldig zijt. Indien dan God voor u het oog sluit – dat Hij zo grote schuld niet wil rekenen noch gedenken, hoe kunt gij dan zulke onbarmhartige, harde mensen zijn, dat gij niets wilt nalaten en alles zo nauwkeurig wilt nemen? Om Gods wil, doet het niet! Legt uw zonde op een weegschaal, en ook die van uw naaste en doe niet anders dan uw hemelse Vader met uw vele en grote zonden gedaan heeft, zo zijt gij ware Christenen.
Waarom is onze schuld tegenover God zo bijzonder hoog gesteld? Het is God, de majestueuze God, tegen wie wij zondigen, en zo groot als God is, zo groot is ook onze zonde. Wat betekent daarentegen de schuld van de knechten onderling? Zo ver God van de mens af is, en zo diep als de mens beneden God staat, zo ver en diep moet beiderlei schuld worden gescheiden; wat onze broeder ons ten nadele doet is niet de moeite waard bij hetgeen wij God smart aandoen; – men zou kunnen vragen, of de som van 100 penningen niet nog te hoog gesteld zou zijn. Er zijn er helaas! velen, die maar al te gelijk zijn aan de harde man, die zonder te letten op eigen schuld, anderen hard is en alleen van streng recht wil weten, hoewel hij zelf door genade vrij kan worden. Zij hebben een goed en nauwkeurig geheugen voor alles, wat hun is aangedaan, en het geheugen faalt niet, al is het dat hun overige krachten verminderen. Zij dragen dat met zich mee en zoeken elke gelegenheid, dat zij hun naaste schade kunnen doen, en hem zijn onrecht niet eenmaal maar tienvoudig vergelden. Zijn ze onbeschaafde mensen, dan varen zij op lompe wijze uit; zijn het beschaafde mensen zo wreken zij zich met spot en bijtende gezegden, en treden overal heimelijk hun belediger in de weg om hem in zijn vooruitgang te hinderen en zijn plannen te verijdelen. Vlijtig helpen zij om hem te benadelen en met vreugde zien zij zijn ongeluk. Wil echter hun belediger zich met hen verzoenen zo werpen zij hem zo verre weg, dat hem de moed moet ontzinken, om hen te naderen, en gebeurt het evenwel, dat het tot een verzoening komt, zo maken zij daarvan een ijdel schouwspel en zeggen iets met de mond, waarop het hart “nee” zegt.
Een handwerksman in Westfalen had aan een ver af wonende kleine handelaar jarenlang garen geleverd en geen betaling van hem verkregen, zodat de schuld tot over de 50 thaler was aangegroeid. De schuldeiser, zelf niet rijk, ging eindelijk persoonlijk op weg, om zijn geld in te vorderen en zo nodig met hulp van het gericht te verkrijgen. Hij treedt de kamer van de schuldenaar binnen en ontwaart daar de sporen van de hoogste armoede, van de diepste ellende; vooral valt hem een verwaarloosde knaap in lompen gekleed in het oog. Hij bedenkt zich niet lang. Lieve meester, zegt hij, ik zie wel, mijn geld krijg ik niet, ik wil dus uw zoon hier in de plaats tot betaling aannemen. De arme man wist eerst zelf niet wat hij van dat voorstel maken moest, en was ten hoogste verblijd en verwonderd, toen zijn schuldeiser hem zijn schuld kwijtschold, en zijn verwaarloosd kind aannam om het te verzorgen en op te voeden. Voorwaar, een mooie tegenhanger van onze schuldeiser in de gelijkenis.
Toen nu zijn mede-dienstknechten, die te voren getuigen van zijn begenadiging (vs. 27) waren geweest, nu ook getuigen waren van zijn gedrag jegens zijn schuldenaar (vs. 30), en zagen hetgeen gebeurd was met de laatste, zijn zij, voor wie de genade vande koning een wonder was, zeer bedroefd geworden. Zij waren verontwaardigd over zo’n misbruik van het edelste kleinood voor arme ellendige zondaars, als alle mensenkinderen zijn, en van welke die knecht een voornaamste was bevonden: en komende, verklaarden zij hun heer al wat er gebeurd was, omdat zij niet konden dulden, dat de genade zo snood werdveracht, en toch gelaten werd in het bezit van hem, die haar verachtte.
Evenals de voorbede van de vromen niet tevergeefs is, zo is ook de vloek, het klagen over het kwade niet tevergeefs (Hebr. 13: 17). Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en hij zei tot hem: Gij boze dienstknecht! al die schuld, die gij aan mij had, toen gij de vorige maal voor mij stond, (vs. 24) heb ik u kwijtgescholden, omdat gij mijgebeden hebt. Ik heb u niet alleen uitstel geschonken, totdat gij mij zou kunnen betalen, maar heb mij over u ontfermd tot gehele kwijtschelding, omdat gij toch nooit zou hebben kunnen betalen.
Behoorde gij ook niet, naar de plicht van de dankbaarheid, u over uw mede-dienstknecht te ontfermen, die u om lankmoedigheid vroeg, zoals ik ook mij over u ontfermd heb, zodat gij hem niet alleen had laten gaan, maar ook alleschuld had kwijtgescholden.
En zijn heer, die reeds vroeger zo veel reden had gehad om vertoornd op hem te zijn, maar in plaats daarvan genade en ontferming had betoond, vertoornd zijnde, omdat zijn genade zo was misbruikt, leverde hem aan de pijners over, liet hem niet slechts in de gevangenis werpen, maar vorderde pijnlijke lijfstraf, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
De Heere vergeeft ook op uiterlijke verootmoediging, omdat zij stilzwijgend een belofte is van wederliefde. Wie om genade smeekt en genade ontvangt, die moet dankbaar zijn voor deze weldaad, en dankbaar zijn is te doen wat de weldoener genoegen doet. Door de ondankbare liefdeloosheid van de hoogst begenadigde knecht bleek het, dat zijn verootmoediging niet van harte was, maar enkel uit de persing van de nood ontstond. Ach, hoe vele bekeringen ontstaan er nog heden uit dezelfde oorzaak, en hebben dezelfde afloop! Hooggaande tijdelijke nood of benauwdheid van het geweten, of vrees voor de naderende dood en het oordeel kunnen een mens uiterlijk ver brengen; maar indien de liefde van Christus niet in het hart is uitgestort, waardoor de mens innerlijk veranderd, vernieuwd en met liefde tot Christus vervuld wordt, zo houdt met de nood ook de verootmoediging op, en de oude mens herneemt al zijn rechten. En wie voor de liefde geen plaats geeft, maar enkel wil handelen naar het strenge recht, met die zal ook enkel naar het strenge recht gehandeld worden.
Er zijn ook goedaardige dienstknechten, die beter verstaan, wat de koning in zijn onderdanen welgevallig is, die partij trekken voor de hard behandelde met een hartelijke ontferming, en het niet over hun hart kunnen verkrijgen hun heer, met wie zij in de vertrouwelijke verhouding van gelijke gezindheid staan, met de hen bedroevende geschiedenis bekend te maken “strengheid uit medelijden tegenover de hardheid uit medelijden. “
Dat zijn de vromen, die over alle liefdeloosheid voor hun ogen zuchten tot hen God van de liefde; de Heere wil ons met dit beeld leren, dat in elk geval niet alleen volgens Gods alwetendheid, maar ook op deze middellijke weg, tot onze diepe beschaming, onze nieuwe schuld, wanneer wij de schulden niet vergeven, voor God moeten komen. Daar moet zich de onbarmhartige niet alleen voor de Albarmhartige, maar reeds voor de barmhartige mededienstknechten schamen, en reeds daarin ligt zijn oordeel: “waarom gij ook niet alzo?” De zondige mens treurt (Ps. 119: 136), de onderdaan wordt bedroefd en klaagt het aan de Heere; maar God zelf de Koning in Zijn Majesteit, wordt toornig en noemt de knecht een “boze” – nu pas boos in de eigenlijke zin van het woord, vroeger nog niet bij al het moedwillig schulden maken in de verblinding, nu echter, omdat hij geen barmhartigheid oefent, omdat hij zelf toch barmhartigheid ervaren heeft. Want dat is de kroon van onze verworpenheid, dat wij voor God bedelaars, jegens onze medebroeders echter tirannen zijn.
God kan vele zwakheden en gebreken in de Zijnen verdragen, Hij vergeeft zelfs zware zonden, evenals Hij aan koning David zijn moord en echtbreuk en aan Petrus zijn verloochening vergeven heeft; want geen zonde is zo groot, dat zij niet vergeven zou kunnen worden, wanneer de zondaar boete doet en om vergeving bidt. Dit blijkt zelfs uit deze gelijkenis, en dat houdt de koning de boze dienstknecht nog eens uitdrukkelijk voor. Daarentegen is het anders met de zonde van de onverzoenlijkheid, dat iemand zijn broeder niet vergeven wil, die er hem om bidt. Deze zonde behoort tot degenen, die ten hemel schreien, want zij klimt op tot de rechtvaardige God en laat haar luide stem met de stem van de bedroefde gemeente voor Zijn troon horen, dat God de boze dienstknecht voor Zijn gericht moet eisen. Alle andere zonden, wanneer men er berouw over heeft, worden ook uitgewist en weggedaan, maar deze zonde wil noch zich zelf laten verbeteren noch verbetering van anderen aannemen, zij wil onbestraft en onverbeterd blijven. En toch is zij zo schandelijk, dat zij de genade van God veracht en haar niet dankt, al de liefde en ontferming in zich verstikt en vernietigt, de eenheid van de gemeente stoort, en de vrede in oorlog keert. Wil God Zijn gemeente redden en Zijn Evangelie niet geheel te gronde laten gaan, dan moet Hij met ernst tussenbeide komen en aan deze zonde paal en perk stellen. De onboetvaardige mensen menen waarlijk dat, nadat de Heere hun alle schuld heeft kwijtgescholden, Hij die niet meer zou mogen invorderen; zij laten zich de zonde vergeven, en geloven, daarna hun zondig leven weer opnieuw te kunnen beginnen, omdat de oude schuld hen niet meer drukt, en er voor de nieuwe goede raad is, evenals voor de oude. Zij moeten echter hier leren, dat met de nieuwe schuld de oude weer levend wordt, dat deze nieuwe, als men zijn mededienstknecht de 100 penningen niet wil kwijtschelden, hem toegerekend wordt als 10. 000 talenten; deze moeten nu betaald worden, en wel, omdat dit een oneindige schuld is, opdat de schuldenaar eeuwige pijn lijde; het is dus een wezenlijke betaling, maar een, die geen einde neemt.
De wraak komt de mens dikwijls zoet voor, maar ach! zij is slechts gesuikerd vergif, slechts zoet gemaakte gal, en haar nasmaak is bitter als de hel. Zoet en zaligheid alleen is de vergevende en verdragende liefde, zij heeft vrede en het bewustzijn van de goddelijke genade. Omdat zij vergeeft, neemt zij dadelijk de belediging weg en vernietigt haar; zij beschouwt en behandelt haar belediger, alsof hij haar niet beledigd had, en voelt de smarten en steken niet meer, die hij haar toegevoegd heeft. Vergeving is een schild, waartegen alle vurige pijlen van de boze afstuiten, zonder schade aangericht te hebben.
Wanneer deze man tevoren volkomen vergeving en kwijtschelding had verkregen, hoe wordt dan nu de volle betaling van hem geëist? Het is zeker, dat God de zonden, die Hij eenmaal vergeven heeft, nimmer straft; want de vergeving van Hem gaat over alle zonden. Hij vergeeft alle overtredingen, hoe menigvuldig zij ook zijn, en scheldt de schuld kwijt zo groot als zij is. De behandeling van genade wordt nooit weer ingetrokken. Het is een van Zijn giften, die onberouwelijk zijn. Dat rust op en komt voort uit de volkomen genoegdoening voor de zonde, door Zijn eigen Zoon gedaan, en daarom zou het onrechtvaardig zijn die te straffen; hierdoor is de zonde weggenomen en voor altijd uitgedelgd. Hierom menen sommigen, dat deze man alleen de aanbieding had van vergeving en niet de vergeving zelf. Maar het is geen aanbieding van vergeving, die Christus door Zijn bloed teweeg heeft gebracht, en waartoe Hij verhoogd is om die te geven, maar de vergeving zelf. Deze man was zijn schuld, ja zijn gehele schuld kwijtgescholden. Anderen menen, dat dit een vergeving was van de kerk, die hem aanmerkte, van hem oordeelde en hem ontving als een die vergeving was deelachtig geworden, maar hem om zijn wrede behandeling aan de pijnigers overleverde, hem veroordeelde en uitwierp totdat hij volkomen voldoening zou hebben gegeven. Anderen menen dat deze vergeving alleen bestond in zijn verbeelding; hij verbeeldde zich en hoopte, dat hij vergeving ontvangen had, terwijl hij ze inderdaad niet deelachtig was; maar dan kon zijn misdaad niet zo verwaard worden, zoals gebeurt. Men moet veel meer deze vergeving verstaan van de afwending van rampen en oordelen, die hem lichtelijk om zijn ongerechtigheden zouden overkomen zijn, dat soms de mening van die spreekwijze is (1 Kon. 8: 34, 36, 39), en zo kan zijn overgave aan de pijnigers worden opgevat voor de wroeging van zijn schuldig geweten, een kwelduivel, vele ongelukken en tijdelijke rampen. Wij hebben dit echter niet met strengheid toe te passen op enig bijzonder geval of persoon; er moet alleen op het oogmerk van de gelijkenis worden gezien. Dat is om de mensen onderling vergeving te leren uit de volkomen en vrije vergeving, die zij van God ontvangen, en dat er zonder de eerste geen reden is om de laatste te verwachten, zoals blijkt uit hetgeen volgt.
Zoals in deze gelijkenis de koning een onbarmhartig oordeel liet gaan over degene, die geen barmhartigheid had gedaan (Jak. 2: 13), zal ook Mijn hemelse Vader (hoofdstuk 6: 15) u doen, die tot de gemeente behoort, als wier lid vroeger Petrus heeft gesproken. Zo zal Hij doen, indien gij niet van harte vergeeft, een ieder zijn broeder, zijn misdaden. Doet gij het de eerste maal oprecht, zo maakt dit het tweede en derde geval gemakkelijker, en het wordt u tenslotte zo eigen, dat gij het zeventigmaal zeven maal vanzelf leert.
Wij moeten onszelf weinig, anderen veel vergeven.
De Heere zegt hier niet uw Vader, nee! want wie God waarlijk tot zijn Vader heeft, in hem valt zo’n onbarmhartigheid niet.
Zoals wij uit Lukas 17: 5 vernemen, voelden de discipelen de kracht van hun geloof nog niet opgewassen voor hetgeen de Heere hier van de Zijnen vorderde, en zij baden Hem, dat Hij dit in hen wilde versterken. Hij herinnert ze nu met een woord, geheel gelijk aan het gezegde in hfdst. 17: 20 , dat het eigenlijk niet aankomt op de uiterlijke maat van het reeds aanwezig geloof, maar op het bezit van het innerlijk ware geloof; want dat volbrengt reeds in de omvang van een mosterdzaadje alle dingen, die voor het natuurlijk oog onmogelijk schijnen. Daarom geeft Hij hun te verstaan, dat zij eigenlijk dat geloof nog in het geheel niet hadden, zo lang hun hart nog niet was ontledigd van alle aanspraak op eigen verdienste tegenover God, de Heere. Dat dit nog niet het geval was, had Petrus met zijn “is zeven maal genoeg?” duidelijk gehoord, daarbij toch rekende hij het zich tot een bijzondere verdienste, dat hij met zijn tellen zo ver was gegaan. Het woord van de Heere, dat hij zegt van de knecht, die zijn Heer zonder enige aanspraak op loon dient, is onmiskenbaar een wijzen op Zijn eigen dienende liefde, die de discipelen op het hoogst zullen zien in het lijden en sterven, dat nu spoedig daar zou zijn. Pas op deze grond zon Hij dan in staat zijn, hun Zijn Heilige Geest te schenken en door deze het geloof van de ware aard in hen te scheppen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel