23 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Één verloren schaap

Één verloren schaap

“Wat dunkt u? Indien enig mens honderd schapen had en één uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? En indien het geschiedt, dat hij het vindt, voorwaar ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. Mattheus 18:12,13

Deze schriftuurplaats komt voor in een rede van onze Zaligmaker tegen het verachten van één van deze kleinen, die in Hem geloven. Hij voorzegt een schrikkelijk oordeel over hen, die in hun minachting voor de kleinen, hen doet struikelen; en Hij verbiedt deze minachting door verscheidene zeer krachtige argumenten, waarbij wij heden niet kunnen verwijlen. Er is in onze dagen blijkbaar een neiging om zeer gering te denken over individuele bekering, en het werk van de Heilige Geest op iedere afzonderlijk persoon te beschouwen als iets dat veel te langzaam gaat in onze eeuw van vooruitgang en spoed. Wij horen grote theorieën over een soort van godsregering, onbekend in de Heilige Schrift: een half-en-half politieke heerschappij van de Heere over de massa’s, waarvan de eenlingen nog niet wedergeboren zijn. Wij luisteren naar grote, prachtige woorden over de opheffing van de volkeren en de vooruitgang van het menselijk geslacht; maar deze hoog verheven denkbeelden brengen geen feiten voort, en bezitten geen de minste zedelijke kracht. Onze “beschaafde en ontwikkelde” leraren zijn het langzame, vervelende werk van individuele zielen tot het licht te brengen moe geworden; zij verlangen naar werk in het groot door een veel snellere methode dan die van de persoonlijke verlossing. Zij zijn het beu eenlingen te zien; hun grote geest verwijlt bij “de solidariteit (gemeenschappelijke verantwoordelijkheid) van het menselijk geslacht.” Ik verstout mij te zeggen, dat wij, zo wij ooit de methode van individuele bekering minachten, dan geheel en al tot een ongezonde en onware manier van beschouwing zullen komen en op de klippen van de huichelarij verzeild zullen raken. Zelfs in die heerlijke tijd als het Evangelie zijn volkomen vrije loop zal hebben en in de ruimste mate verheerlijkt zal worden, zal zijn voortgang toch wezen naar de oude manier van overtuiging, bekering en heiligmaking van individuen, dat is: van afzonderlijke personen, die ieder voor zich zullen geloven en gedoopt zijn overeenkomstig het Woord des Heeren.

Daar men heden ten dage deze ruime en filosofische methode zo hemelhoog verheft, vrees ik, dat ook in sommigen van u iets van die minachting voor het éne verloren schaap wordt gevonden. Ik wens, dat gij het goud van het persoonlijk christendom niet zult inruilen voor het onedele metaal van een christelijk socialisme. Indien de afgedwaalden in grote getale terecht gebracht worden – en ik bid God, dat dit moge geschieden, dan moet dit toch geschieden door dat zij één voor één toegebracht worden. Een nationale wedergeboorte tot stand te brengen zonder persoonlijke wedergeboorte, dat is alsof men een huis zou willen bouwen zonder afzonderlijke stenen er voor te gebruiken. In die ijdele poging om en gros, in ‘t groot, te werken, zullen wij de practische uitkomst moeten derven, die uit de arbeid in ‘t klein zou zijn voortgekomen. Laat de overtuiging bij ons vaststaan, dat wij niet beter kunnen doen dan het voorbeeld te volgen van de Heere Jezus, hetwelk wij vinden in onze tekst; en het éne schaap zoeken, dat verloren is.

Onze tekst waarschuwt er ons voor, om iemand te verachten, zelfs vanwege zijn slecht karakter. De eerste verzoeking is om één te verachten, omdat het maar één is; de volgende, en wellicht de gevaarlijkste verzoeking is, om iemand te verachten wijl hij afgedwaald is. De persoon is niet op de rechte weg, hij gehoorzaamt niet aan de Wet; hij doet geen eer aan de gemeente; maar wèl doet hij veel, dat de geestelijk gezinden kwelt, en de heiligen smart aandoet. En toch moeten wij hem hierom niet verachten. Leest het 11e vers: “De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.” In het oorspronkelijk Grieks staat voor dit woord “verloren” een zeer krachtige uitdrukking. Wij kunnen er voor lezen, “dat verwoest of vernield was.” Het betekent niet “hetgeen niet bestaat,” gelijk gij duidelijk genoeg zien kunt; maar hetgeen vernield, onbruikbaar is geworden voor de herder, verwoest met betrekking tot deszelfs eigen welzijn en de vervulling van het doel, waartoe het was geschapen. Indien sommigen zo volkomen bedorven zijn door de zonde, dat hun bestaan een groter ramp is dan hun niet-bestaan zijn zou; indien zij thans dood zijn door de misdaden en de zonde, ja zelfs door hun karakter schadelijk zijn voor anderen, zo moeten wij hen toch niet verachten. De Zoon des mensen heeft de zodanigen niet veracht, want Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.” Menige ziel, die zo verwoest was, dat zij verloren was voor zichzelf, verloren voor God, verloren voor zijn volk, verloren voor alle hoop en voor alle heiligheid, heeft de Heere Jezus Christus door zijn genaderijke macht verlost en gered. Hij stelt prijs op een iegelijk van hun. Dit is de les, die ik heden wens te leren; moge de Heilige Geest mij daartoe bekrachtigen, en die lering ingang bij u doen vinden.

Bij de overdenking van deze woorden van onze Heere verzoek ik u in de eerste plaats op te merken, dat de Heere Jezus hierin zijn bijzondere belangstelling toont in een ziel, die verloren is; ten tweede, dat Hij zich zeer bijzonder moeite geeft om die éne verloren ziel te redden; en ten derde, dat Hij een bijzondere blijdschap toont als die verloren ziel gered is. Als wij over dit alles nagedacht zullen hebben, dan zullen wij in de vierde plaats opmerken, dat Hij ons hierin een treffend voorbeeld geeft, daar Hij ons leert bekommerd te zijn om elke ziel, die verwoest is door de zonde.

1. Ten eerste dan: ONZE HEILAND TOONT in de woorden, die nu voor ons liggen, EEN BIJZONDERE BELANGSTELLING IN ÉÉN ENKELE ZIEL, DIE VERLOREN IS.

Merk op bij de aanvang dat onze Heere om de wil van deze verlorenen een bijzonder karakter aanneemt. Dit zien wij in vers 2: “De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.” Hij was oorspronkelijk niet bekend als “de Zoon des mensen,” maar als “de Zone Gods.” Eer de werelden geschapen waren, was Hij in de schoot van de Vader, en Hij “heeft het geen roof geacht Gode even gelijk te zijn.” Maar om de mensen te verlossen is de Zoon van de Allerhoogste “de Zoon des mensen” geworden. Hij was geboren uit de maagd en door zijn geboorte erfde Hij de onschuldige zwakheden van onze natuur en droeg Hij het lijden, dat uit die zwakheden voortvloeit. En toen heeft Hij ook onze zonde en haar straf op zich genomen, en daarom stierf Hij aan het kruis. Hij is in alles zijn broederen gelijk geworden. Hij zou de Herder van de mensen niet geworden kunnen zijn, zonder hun gelijk te worden; en daarom heeft het Woord zich verwaardigd om vlees te worden. Aanschouwt het ontzaglijk wonder van de vleeswording! Niets kan het wonder van “Immanuel, God met ons” overtreffen!” In gedaante gevonden als een mens, heeft hij zich zelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood van het kruis. O verlorene, die u bewust zijt verloren te zijn, grijp moed als de naam van Jezus genoemd wordt. Hij is God, maar Hij is ook Mens, en als God en Mens maakt Hij zijn volk zalig van hun zonde.

En om nu verder aan te tonen welk een prijs door Jezus gesteld wordt op een verloren ziel, wijs ik u op zijn verbazingwekkende afdaling. “De Zoon des mensen is gekomen.” Hij is altijd bekend geweest als “de Komende;” maar ten opzichte van de redding van de verlorenen is Hij ook werkelijk gekomen. Ten opzichte van het oordeel is Hij nog altijd “de Komende”; maar voor onze verlossing en zaligheid verblijden wij er ons in dat de Zaligmaker gekomen is. De vergaderingen van de volmaakten verlatende, is Hij hier geweest als de Vriend van tollenaren en zondaren. De Heere van de engelen zijnde, heeft Hij zich neergebogen om “een man van smarten en verzocht in krankheid” te zijn. Ja Hij is gekomen, en dat niet te vergeefs. Zij, die de komende Zaligmaker hebben gepredikt, hadden zulk een blijde boodschap te verkondigen, dat hun voeten lieflijk waren op de bergen, en hun stem als hemelse muziek was; maar wij, die prediken, dat Hij gekomen is, en dat Hij, door te komen, het werk heeft volbracht, dat Hij op zich had genomen, hebben voorzeker de kostelijkste boodschap te brengen. Onze Heere Jezus heeft het zoenoffer volbracht en de rechtvaardigmakende gerechtigheid tot stand gebracht, waardoor verloren mensen behouden worden. Zalig is de prediker van zulk een goede boodschap, en zalig zijn uw oren, die haar horen! De Goede Herder heeft alles tot stand gebracht wat nodig was voor de verlossing van de kudde, die de Vader in Zijn hand heeft gegeven. Geliefden, laat ons moed vatten. Wij zijn verloren, maar Christus is gekomen om ons zalig te maken. Hij is gekomen tot de plaats van onze verwoesting en ellende. Zijn komen en zoeken zal niet te vergeefs zijn. Broeders, op hoe hoge prijs behoren wij de zielen van de mensen te stellen, als Jezus om hunnentwil Mens is geworden, in deze zondige wereld onder ons schuldig geslacht is gekomen, ten einde de verlossing te werken van hen, die verloren zijn!

Merk hier op, dat hij dit doet voor hen, die nog verloren zijn, die zich nog op de dwaalweg bevinden. Toen ik de Griekse tekst nazag, bemerkte ik, dat er eigenlijk staat: “Hij zoekt hetgeen verdwaalt.” De Herder zoekt het schaap terwijl het wegdwaalt; Hij zoekt het, omdat het wegdwaalt en dus nodig heeft gezocht te worden. Zeer velen van de verlosten van de Heere dwalen ook thans, en thans volgt hen de Herder om hen te zoeken. De Heiland zoekt hen, die zelfs nu nog zondigen. Dat Hij liefde heeft voor hen, die zich bekeren, kan ik verstaan; maar dat Hij zich bekommert om hen, die moedwillig dwalen, dat is nog veel meer genade. Jezus zoekt hen, die Hem de rug toekeren, die al verder en verder wegdwalen van de schaapskooi; hierin is vrije en vrijmachtige genade. Het is waarlijk zo. Ofschoon gij u verhardt tegen de Heere; ofschoon gij weigert terug te keren op zijn bestraffing, zal toch, zo gij zijn verlosten zijt, zijn oog der liefde u ontdekken, en u in alle moedwillige afdwalingen volgen. Hij ziet u, Hij zoekt u; O, dat gij u aan Hem gewonnen gaaft, zodat gij bevindt, dat Hij zalig maakt! O gij, die thans in de kudde zijt, denk aan de liefde van Christus voor u, toen gij nog buiten de schaapskooi waart, toen gij volstrekt niet hebt gewenst weer te keren; toen gij, bemerkende dat Hij u volgde, des te sneller liep om aan zijn almachtige liefde te ontkomen. Niettegenstaande al mijn rebelleren en al mijn moedwillige overtredingen heeft Hij mij toch liefgehad met zijn hart, en mij achtervolgd met zijn Woord. O, hoe moesten wij de zondaars liefhebben, daar Jezus ons liefgehad heeft, en voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren! Wij moeten ons met liefde het lot aantrekken van dronkaards, ook reeds terwijl zij de beker nog laten rondgaan; van vloekers, zelfs terwijl wij hen nog horen vloeken; van losbandigen, terwijl wij nog de smart hebben van hen des middernachts onze straten te horen verontreinigen. Wij moeten niet wachten, totdat wij iets beters in hen ontdekken, maar innige belangstelling voor hen koesteren om hetgeen zij zijn – afgedwaalden en verlorenen. Als het schaap gewond is door de doornen van de woestijn: als het krank is, uitgeput en uitgemergeld door het langdurige dwalen en de honger, dan moeten wij trachten het terecht te brengen, al zien wij ook niet de minste begeerte om zich aan de zorg en heerschappij van de Herder te onderwerpen. Zodanig was de liefde van de Heiland voor ons: zodanig moet onze liefde wezen voor de verlorenen.

De Heiland stelt zeer bijzonder belang in de verlorenen, niet slechts als op dit ogenblik dwalende, maar als reeds ver weggedwaald zijnde. Beschouwt aandachtig deze woorden: “Indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt.” Dat “indien” spreekt voor zichzelf. Het schaap was zo schrikkelijk verdwaald, dat het niet waarschijnlijk was, dat de herder het zou vinden. Het was in zulk een dicht kreupelhout verward geraakt, of in zulk een woeste plaats gekomen, dat het nauwelijks mogelijk scheen te hopen, dat het ooit ontdekt en terecht gebracht zou worden. Wij zien niet dikwijls een “indien” in verband met het werk van Christus; maar hier is een “Indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt.” Dit openbaart geen onmacht in de Herder, maar wel de ontzettend gevaarlijke toestand van het schaap. Ik heb dikwijls door hen, die komen om Christus te belijden en zijn liefde voor hen te erkennen, horen zeggen, dat zij getroffen Zijn van verbazing, dat zij, eerder dan anderen, zoiets zouden doen. Als wij aanzitten aan de tafel van de Heere, dan is het feestmaal een wondere zaak: maar het grootste wonder is de gast, als ik die gast ben. Maar zo is het. De goede Herder zoekt heden velen, wier verlossing hoogst onwaarschijnlijk schijnt te wezen, indien al niet geheel onmogelijk. Hierin is de liefde; dat Hij uitgaat om diegenen te zoeken, van wie het geheel niet zeker, ja niet eens waarschijnlijk is, dat zij gevonden zullen worden! Zeer onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk is de taak, die Hij onderneemt! En toch stelt Hij er zulk een groot belang in.

En daarenboven zij, over wie onze Heere deze gedachten van de liefde heeft, hebben dikwijls gezondigd op zulk een wijze, dat zij zich zelf in het grootste gevaar gebracht hebben. “Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.” Dit zaligmaken of verlossen doet aan verderf en gevaar denken, ja aan een verderf en verwoesting, dat in zekere mate reeds over hen gekomen is. Zijn er niet velen, die thans nog spelen met het vuur van de hel? Want, wat is dit onuitblusselijk vuur? Wat anders dan de zonde in haar aard en in haar gevolgen? De mensen beuzelen op de rand van de eeuwige ellende: “Ten tijde als hunlieder voet zal wankelen.” Met scherpe werktuigen te spelen betekent niets in vergelijking van het gevaar om met uw lusten en begeerlijkheden te spelen; en er zijn velen, die dit doen. En toch, in weerwil van het gevaar, worden zij door Jezus gezocht. Ziet gij niet hoe deze schapen zorgeloos weiden bij het hol van de wolf? In een ogenblik zal het monster ze verscheuren. Zij zijn ver van huis, ver van hun voedsel, ver van rust en van veiligheid. Zij hebben geen begeerte om terug te keren, maar zijn vast besloten nog verder van de schaapskooi weg te dwalen. Deze schrikkelijk misleiden is de Heere Jezus komen zoeken. Zolang gij de ijzeren poort nog niet door zijt gegaan, zal het Evangelie u nodigen om terug te keren. Indien gij nog één duimbreed van de hel verwijderd zijt, zal de liefde u achtervolgen, zal de goedertierenheid u volgen. Zolang er nog één lam in leven is, is onze glorierijke David in staat het uit de muil van de leeuw en de klauw van de beer te verlossen. Ofschoon een ziel, gelijk Jona, nedergedaald is in de diepte, en buiten het bereik ligt van de mens, kan toch een woord van Jezus haar ophalen uit de diepste kuil. Ere zij de gezegende naam van de Almachtige Heiland: Hij kan volkomen zalig maken. Zijn macht om de verlorenen te redden is zodanig, dat niemand te slecht is om door Hem verlost te worden.

Indien wij deze gelijkenis recht beschouwen, dan zullen wij zien, dat Hij in deze verloren schapen bijzonder belang stelt, omdat zij de zijnen zijn. Deze man heeft geen wilde dieren achtervolgd; en hij ging ook niet de schapen van anderen zoeken; maar hij bezat honderd schapen, en toen hij ze geteld had, miste hij er één. De huurling, wien de schapen niet eigen zijn, zou gezegd hebben: ” Wij hebben bijna de honderd voltallig, over het ene, dat ontbreekt, behoeven wij ons niet zo te bekommeren.” Maar deze honderd schapen behoren de herder zelf toe; zij waren de zijnen door keus, door erfenis, door goddelijke schenking, door glorierijke verovering en door zeer dure aankoop; hij kon geen negen en negentig voor honderd aannemen. “Niemand uit hen is verloren gegaan”, zegt Hij. “Die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.” Jezus kon het niet dragen om een verlies te moeten melden uit de kudde, die Hem door de Vader gegeven is. Negen en negentig zijn geen honderd, en de Heiland wil ze niet als zodanig aanmerken, want wèl weet Hij, dat het “de wil niet is van zijn Vader, die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.” Waarde vrienden, daar Jezus nu zelfs in één afgedwaalde ziel zulk een belang stelt, moet gij het niet gering achten, als gij geroepen wordt om ook maar voor één enkele ziel te zorgen. Denkt niet, dat een gehoor van veertig of vijftig mensen te gering in aantal is om er al uw krachten en gaven aan te wijden. Indien uw klas in de zondagsschool door allerlei omstandigheden tot een zeer klein aantal kinderen is verminderd, dan moet gij haar daarom niet opgeven. Neen, neen. Stelt één enkele ziel op hogere prijs dan al de schatten van de wereld. Het gezelschap van de verlosten is nog alles behalve voltallig, en de Heere heeft veel volks in deze stad, die nog niet aan zijn voeten gebracht zijn; denkt er dan niet aan om met uw arbeid op te houden. Rust niet, voordat alle Gods uitverkorenen toegebracht zijn en eer brengen aan zijn naam.

II.

Moge de Geest van God mij zijn bijstand verlenen, terwijl ik u in de tweede plaats er op wijs, DAT ONZE HEERE ZICH ZEER BIJZONDERE MOEITE GEEFT OM EEN ENKELE ZIEL TE VERLOSSEN.

Merk op in deze gelijkenis – want het is een gelijkenis, schoon in zeer korte bewoordingen verhaald – dat de Herder liefelijker bezigheden voor het ogenblik verlaat. Onder zijn aan Hem gehechte en getrouwe kudde gevoelde Hij zich thuis. Zij waren niet afgedwaald, zij vergaderden zich rondom Hem; Hij voedde hen en vond een welbehagen in hen. Er is aan schapen altijd heel veel te doen: zij hebben vele ziekten, vele zwakheden, vele behoeften; maar als gij een kudde rondom u hebt, die aan u gehecht is en u liefheeft, dan gevoelt gij u thuis en op uw gemak met haar. Zo stelt de grote Herder zich zelf voor als de negen en negentig schapen, de keur der kudde, de schapen, die gemeenschap met Hem oefenen, en met welke Hij gemeenschap oefent, te verlaten. Ja, Hij laat hen, in wie Hij een welbehagen heeft, om hem te zoeken, die Hem smart veroorzaakt. Ik zal er thans niet over spreken, dat Hij het paradijs hier Boven en al de genietingen van het huis van zijn Vader heeft verlaten, en tot deze sombere wereld is gekomen; maar ik bid u, denkt er aan, dat Hij dit gedaan heeft. Het was een verwonderlijke neerdaling, toen Hij kwam van boven de sterren om op deze bewolkte aarde te wonen, ten einde de kinderen van de mensen te verlossen. Maar gedenkt, dat Hij nog altijd komt door zijn Geest. Zijn uitgangen der ontferming zijn eeuwig. De Geest van God beweegt zijn dienstknechten, die de vertegenwoordigers zijn van Christus, om het weiden der bijeenvergaderde kudde voor het ogenblik na te laten en door hun prediking de verlossing te zoeken van de afgedwaalden, in wier aard en gedrag niets is om ons te bemoedigen. Het hart van mijn Meester is vol van zorg voor allen, die Hem liefhebben; Hij draagt hun namen gegraveerd op de edelgesteenten van zijn borstlap; maar toch gaat zijn hart immer uit naar hen, die nog niet tot Hem zijn gekomen; en naar diegenen, welke eens in zijn schaapskooi geweest zijn, maar terzijde zijn afgewend en de kudde hebben verlaten. Hij laat de gelukkigen en de heiligen, en wijdt zijn beste gedachten aan de verlorenen.

Onze Heere gaat uit om deze te zoeken. Het is niet bloot een uitgaan van de gedachten, maar een uitgaan van kracht. Zijn goddelijke genade gaat uit, naar ik vertrouw ook op deze dag, buiten het gezelschap van hen, die Zijn genade heeft geroepen, naar die andere schapen, die nog niet van zijn stal zijn, en die Hij ook moet toebrengen. Hij wil niet, dat zijn gemeente al haar zorgen wijdt aan de kudde, die Hij in haar grazige weiden heeft geleid; Hij wil, dat zij uitgaat en hen zoekt, die zich nog niet in haar gelukkig gezelschap bevinden.

Volgens de tekst gaat de Herder in de bergen: dat is: Hij begeeft zich in moeilijkheden en gevaren. Hij wil arbeiden en zijn leven in de waagschaal stellen om de verlorenen te redden. Zijn liefde kan door geen moeilijkheid of ontbering afgeschrikt worden. Gij weet door wat sombere bergkloven Hij is heengegaan om de mensen te verlossen. Gij hebt gehoord hoe Hij heeft moeten klimmen om de hoogmoedige zielen te bereiken; hoe Hij zich heeft moeten neerbuigen om wanhopenden te bevrijden. In het Oosten is het schaap lichter van voet dan in ons land; het huppelt als een gazelle en klimt op de bergen als een gems; en zo zijn de zondaren snel in de overtreding, en roekeloos stoutmoedig in verwaandheid. Zij wagen een sprong in hun ongerechtigheid, waar de kinderen Gods huiveren om hen ook maar in hun gedachten te volgen. Zij geven niet het minst om de sprong in Godslastering, die het bloed doet stollen in de aderen van hem, die aan de voeten van Jezus Christus de vreze Gods heeft geleerd. Toch is de Heere Jezus deze roekelozen nagegaan. Wat moeilijkheden heeft Hij overwonnen, wat lijden heeft Hij verduurd, over wat bergen is Hij heengegaan om te zoeken en zalig te maken! O broeders, Hij draagt nog hetzelfde hart met zich om: voortdurend gaat Hij uit in de prediking van het Woord. Onder veel zuchten van zijn verkoren dienstknechten, gaat Hij op de bergen om te zoeken hetgeen afgedwaald is. Ik bid God, dat Hij het streven van zijn onwaardige dienstknecht heden met zijn zegen zal achtervolgen, zodat ook door middel van deze leerrede enige verlorenen terecht worden gebracht.

Om zijn arbeid voor de verlorenen te doen zien, stelt onze Heere zich voor als zoekende met ijver en volharding. Hij ziet uit naar alle kanten, maar bespeurt niets. Hij houdt zijn hand boven zijn ogen, en ziet scherp en langdurig. Hij dacht het schaap te zien. Gewis! daar beweegt zich een levend voorwerp op de bergrug! Hij staart er naar met grote aandacht. Neen, het beweegt zich niet: het is een wit rotsblok! Het verloren schaap is wellicht daar in die holte! Het is een lange weg om er heen te komen, maar Hij wenst zo vurig het schaap te vinden, dat Hij weldra dáár is; maar het schaap is nergens te zien. Waar kan het zijn? Hij reist voort met snelle tred, want hij weet niet wat het schaap overkomen kan terwijl hij talmt. Nu en dan blijft hij stilstaan, wijl hij meent geblaat te horen. Gewis! dat is de stem van het schaap! Hij vergist zich. Door zijn liefde meent zijn oor geluiden te horen, waar geen geluid is. Al deze lange uren heeft hij het niet gezien of gehoord; maar toch wil hij het blijven zoeken totdat hij het vindt. De alwetendheid van Christus wordt in werking gebracht voor een ziel, die afdwaalt; Hij zoekt haar in al haar boze begeerten en slechte gewaarwordingen. Hij ziet uit naar bekering, en bemerkt met droefheid de verharding van het hart. Dit is het wat onze Heere doet voor hen, die verlost zijn door zijn bloed, maar nog niet tot de schaapskooi terug zijn gebracht. Hij brengt oog en verstand, zowel als voet en hand in beweging om zijn afgedwaald schaap te zoeken.

Eindelijk verlost Hij – verlost Hij volkomen. Hij is niet gekomen om de verlossing van zijn volk slechts mogelijk te maken; maar om hen te verlossen. Hij is niet gekomen om hen op weg te brengen om zichzelf te verlossen; maar opdat Hij hen geheel en al zou verlossen. Als mijn Heere in de majesteit van zijn vrije genade uitgaat om een ziel te verlossen, dan zal Hij in weerwil van zonde, dood en hel zijn doel tot stand brengen. De wolf moge knarsetanden; maar de Herder is Meester van de wolf. Het schaap zelf moge gedurende lange tijd afgedwaald zijn, en ten laatste zelfs tegen Hem worstelen; maar Hij grijpt zijn voeten, legt het op zijn schouder en draagt het naar huis; want Hij is vast besloten het te redden. Het schaap verheugt zich aldus gedragen te worden, want door een enkele aanraking vormt de Herder deszelfs wil naar zijn eigen volmaakte wil. Zijn genade is de overwinnende kracht, waardoor het verlorene terecht gebracht wordt.

De redding van één enkele ziel is als een ganse massa van wonderen. Er was eens brand in de winkel van een juwelier, en toen de brand uitgewoed was, vond men onder het puin een menigte van gouden en zilveren voorwerpen en kostbare edelgesteenten, die tot één massa waren samengesmolten. Welk een redding van die schatten! Zodanig is de verlossing van één enkel mens: het is een massa van onwaardeerbare goedertierenheden, samengesmolten tot een grote onschatbare baar van goud, gewijd aan de eer en heerlijkheid van zijn genade, die ons “begenadigd heeft in de Geliefde.” Als ik denk aan de kracht, die de Heere aanwendt om één enkele ziel te redden, dan gevoel ik mijn hart bewogen, en ik wens dat ook uw harten bewogen zullen worden, om alle krachten in te spannen en heen te gaan om de verlorenen van de Heere te zoeken. Laat ons zijn medearbeiders zijn in zijn groot werk van zoeken hetgeen verloren is. O, mocht de Heilige Geest die gezindheid in ons werken en in ons houden!

III.

Ik ben genoodzaakt mij enigszins te haasten. Merk dan nu in de derde plaats op, DAT DE HEERE ZICH ZEER BIJZONDER VERHEUGT OVER HET WEER VINDEN VAN EEN VERLOREN SCHAAP. Nu moet gij hier geen vergissing begaan. Gij moet niet denken, dat de Heere de éne ziel, die afgedwaald is, méér liefheeft dan de negen en negentig, die door zijne genade voor afdwalen werden behoed. O neen! Hij denkt negen en negentig maal meer van negen en negentig dan van één, want Zijn schapen zijn Hem allen even lief. Wij moeten niet denken, dat Hij op één van zijn verlosten ziet met een tederheid negen en negentig maal grooter dan de tederheid, die Hij voor anderen heeft. Maar gij zult de betekenis van de schriftuurplaats begrijpen door een voorbeeld uit uw eigen ervaring. Gij hebt een gezin, en gij hebt al uw kinderen even lief. Maar één van hun is zeer ziek, hij heeft koorts en is de dood nabij. Nu denkt gij meer aan hem dan aan al de anderen. Hij wordt beter, en gij draagt hem in uw armen naar beneden, en op dat ogenblik is hij het liefste kind van het hele gezin. Niet dat hij werkelijk meer gewaardeerd wordt dan zijn broeders en zusters; maar omdat hij zo ziek is geweest en op het punt was van te sterven, hebt gij meer aan hem gedacht, hebt gij meer zorg over hem gehad, en daarom verheugt gij u meer in hem van wege zijn genezing. De grote diepten van Christusí liefde zijn voor alle de zijnen gelijk; maar aan de oppervlakte is er soms een heilige storm van vreugde als één van hun, na afgedwaald te zijn geweest, weer teruggebracht wordt.

Verneemt de gelegenheid van deze zo merkbare vreugde. De afgedwaalde heeft grote smart veroorzaakt. Wij hebben er allen leed om gedragen, dat onze broeder zo ontzettend afkerig is geworden; dat zulk een ernstig christen, als hij scheen te zijn, zijn belijdenis zo zeer onteerd heeft. Onze Heere gevoelt er nog meer smart om dan wij. Als de dwalende terugkeert, dan gevoelen wij nieuwe blijdschap in hem .Naar de mate van de smart, die wij gevoeld hebben over de afgedwaalde, naar die zelfde mate is de blijdschap, die wij over hem tentoonspreiden, als hij weerkeert.

Er was daarenboven grote vrees en bezorgdheid gewekt. Wij vreesden, dat hij de Heere niet toebehoorde, en dat hij ten verderve zou gaan. Wij sidderden voor hem. Die sombere vrees is nu voorbij: het schaap is veilig; hij, aan wie wij hebben getwijfeld, is behouden tot de schaapskooi weergebracht. Naarmate de bezorgdheid groter was, wordt de verlichting inniger en dieper gevoeld.

De Herder had ook zware arbeid verricht voor het verloren schaap. Hij ging het gebergte in om het te zoeken, maar thans is zijn arbeid ten volle beloond, want Hij heeft zijn schaap gevonden. In de vreugde over de redding van het schaap vergeet Hij de arbeid en de moeite, die het Hem gekost heeft om het te zoeken.

Er zijn daarenboven in dit weergevonden schaap tekenen van redding en verlossing, die grote vreugde veroorzaken. De doornen hadden het gescheurd, maar nu komt het tot rust. Ziet hoe het zich neervleit in het malse gras! Het was uitgeput van vermoeienis door al zijn dwalen, maar hoe gelukkig is het thans in de tegenwoordigheid van de Herder! Hoe zorgvuldig volgt het de voetstappen van de herders. Dit alles strekt de herder tot vreugde.

De herder is blij als hij zijn verloren schaap weervindt, omdat dit hun ook de gelegenheid geeft om een feestdag te vieren. Hij wil dat al zijn schapen zullen bemerken welk een welbehagen hij in hen allen heeft door het welbehagen, dat hij toont in dit ene. Ik weet, dat het zo is in de gemeente. Ik loof de Heere, als Hij de voeten van zijn heiligen voor struikelen behoedt. Ik loof Hem eIke dag voor zijn bewarende genade: maar als een ver afgedwaalde wordt weergebracht, dan loven wij Hem gans nadrukkelijk. Dan hebben wij gezang en gerei. De oudste broeder is verwonderd en vraagt zich af wat de oorzaak is van deze uitbundige vreugde; maar ieder ander ziet uitnemende redenen voor bijzondere blijdschap als de verlorene weergebracht is. De herders en hun kudden kunnen niet elke dag feestvieren; maar als een verloren schaap weergebracht is, dan gevoelen zij zulk een wederkerige blijdschap in elkaar; en zulk een vreugde over de redding van het verlorene, dat zij de gelegenheid aangrijpen om vrolijk te zijn en feest te vieren. Ik wens, dat gij allen erkent, dat gij, zo gij de gemeente van Christus liefhebt, verplicht zijt een feestdag te houden, als de gevallenen worden opgericht; en dat gij, om die feestdag te kunnen vieren, verplicht zijt al uw krachten aan te wenden om het verlorene weer te brengen.

IV.

Zien wij thans op onze goddelijke Herder terwijl Hij ons zulk EEN TREFFEND VOORBEELD geeft.

Wij kunne deze tekst beschouwen als onze persoonlijke zendingsvolmacht. Wij zijn heden geroepen om aan de zending te denken, en daar ik het onnut vind om op hoogdravende wijze over de zending te prediken, zal ik slechts enige geheel gewone, doch praktische zaken te berde brengen. Broeders, wij allen moeten zendelingen zijn voor Christus, en de tekst is voor een iegelijk van ons de volmacht en het bevel om ijverig aan de arbeid te gaan om zielen te winnen.

Wat zullen wij dan doen om onze Heere na te volgen? Het antwoord is – laat ons arbeiden om een enkele ziel voor de Heere te winnen. Ik kan heden geen keus voor u doen, maar ik smeek u allen, die Gods medearbeiders zijt, om de eenlingen te zoeken. Er is een bepaalde gave om tot enkele personen te spreken – niet iedereen bezit die gave – maar ieder gelovige moest er naar streven om haar te verkrijgen. Zoekt de zielen van de mensen één voor één. Het is voor mij veel gemakkelijker om tot u allen te spreken, dan om ieder van u afzonderlijk over de belangen van uw ziel te onderhouden; en toch zou zulk spreken tot u één voor één wellicht meer vrucht dragen dan deze leerrede, die voor u allen tegelijk wordt uitgesproken. En daar nu de grote Herder zelf uitgaat om de eenling te zoeken, zo smeek ik u, acht niet, dat het een vernedering voor u is, om te arbeiden aan één arme man of vrouw, of kind; maar doet het thans.

Luistert nogmaals: laat die een iemand wezen, die geheel en al buiten de weg is. Tracht aan iemand te denken, die op zeer bedenkelijke wijze afgedwaald is. Wellicht hebt gij zo iemand in uw eigen familie, of wellicht ontmoet gij zo iemand in de zaken van uw beroep. Denkt met zorg aan die ene ziel, denkt na over haar zonde en het gevaar, waarin zij zich bevindt. Gij zoudt wel graag iemand willen bearbeiden, bij wie gij hoop hebt te zullen slagen; maar doet ditmaal anders: zoekt juist diegene, die zó zeer is afgedwaald dat er voor hem geen hoop meer schijnt te bestaan Volgt het voorbeeld van uw Heere; zoekt diegene, van wien het het minst waarschijnlijk is, dat hij gevonden zal worden. Wilt gij dit beproeven? Zo neen, dan verlaat gij de weg, waarop uw Heere heeft gewandeld.

“Ik heb mijn klas in de Zondagsschool; ik heb mijn werk,” zegt iemand. Ja, maar ik wens, dat gij voor een wijle de negen en negentig zult laten. Ik bid God, dat gij u geroepen moogt gevoelen om te zien naar iemand, die zeer verdorven is, of naar een geheel verwaarloosd kind. Ga voort met uw klas van negen en negentig, zo u dit mogelijk is; maar ga in elk geval dat ene opzoeken. Doe een gans buitengewone poging. Ga eens buiten uw weg. Laat de gewone dienst eens voor een wijle de tweede plaats innemen. Het zal een heilzame afwisseling voor u zijn, en misschien ook een grote verlichting. Wie weet, of gij dan naderhand niet terug zoudt kunnen komen en meer goed doen aan de negen en negentig, na voor een wijle bij de afgedwaalde vertoefd te hebben. Gij zijt wellicht de eentonigheid van uw werk enigszins moe geworden. Elke Zondag dezelfde meisjes, of dezelfde jongens, en dezelfde soort van lessen. Welnu, laat het alles voor het ogenblik eens daar en zoek het ene schaap, dat verloren is. “Gij geeft ons daar een wonderlijke raad, Dominee.” Indien die raad niet in mijn tekst is opgesloten, zo volgt hem niet; maar indien de woorden van onze dierbare Meester aldus luiden, dan vertrouw ik, dat gij er ook moedig naar zult handelen.

Als gij dat ene schaap gaat zoeken, dan moet gij al uw verstandgebruiken. Ga heen en zoek; maar dat kunt gij niet doen, tenzij gij wakker en vlug zijt. Ga de afdwalende na. Zegt gij, dat gij wilt wachten, totdat hij bij u aan huis komt? Is dat uw denkbeeld van het verloren schaap te zoeken? Is dat de manier, waarop de jagers in de herfst te werk gaan? Blijven zij in hun kamers zitten totdat de fazanten hun vensters binnen komen vliegen? Dat zou een armzalige jacht zijn! Volgt hen, want dat heeft de herder gedaan. Hij trotseerde de glibberige bergrug. Ik denk niet, dat die herder meer van bergpaden hield dan gij er van houdt; maar toch heeft hij die ruwe, steile paden beklommen, ten einde het schaap te kunnen zoeken. Ga heen, zoek de zondaars op in hun armoede en ellende, en rust niet voor gij hen hebt gevonden.

Hier is iets om u te bemoedigen. Indien gij zulk een ziel wint, dan zult gij meer blijdschap smaken, dan door de verlossing van hen, voor wie gij geregeld arbeidt – meer blijdschap over die verlorene dan over de negen en negentig, die zoveel hoop geven. Het zal zulk een ondersteuning zijn voor uw geloof, zulk een opwekking van uw vreugde, zulk een helder licht voor uw arbeid, dat gij juist zulk een bijzonder schuldige hebt gewonnen. Het zou mij niet verwonderen, zo gij er dagen lang van spreekt, en dat het u een bron van kracht zijn zal in de tijd, wanneer de dingen niet zullen gaan, zoals gij wel zoudt wensen. Zulke bekeerlingen zijn onze kroon en onze blijdschap. Mag ik u zeer bijzonder aanbevelen om eens de proef te nemen van dit extra zoeken naar schapen? Indien gij niet slaagt, zult gij geen kwaad gedaan hebben; want gij zult uw Heere en Meester hebben nagevolgd. Maar gij zult slagen, want Hij is met u, en zijn Geest werkt door u.

Ik wens u er aan te herinneren, dat gij zelfs onder de oude wet verplicht zoudt zijn dit te doen. Leest het drie en twintigste hoofdstuk van Exodus, het vierde en vijfde vers. “Wanneer gij uws vijands os, of zijn dwalende ezel ontmoet, gij zult hem denzelve ganselijk wederbrengen. Wanneer gij uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.” Gij zijt verplicht goed te doen, zelfs aan uw vijand. Zult gij dan uw beste vriend niet dienen? Indien de os of ezel van uw vijand tot hem teruggebracht moest worden, dan waart gij verplicht dit te doen. Hoe veel te meer dan niet als het schaap Hem toebehoort, die gij van ganser harte liefhebt! Bewijs uw liefde tot Jezus door Hem zijn verlorenen terug te brengen.

Slaat nu het twee en twintigste hoofdstuk van Deuteronomium op, en gij zult in het eerste tot het vierde vers nog een deel van de wet vinden. “Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; gij zult ze uwen broeder ganselijk weder toesturen.” O! wilt gij dan niet het verloren schaap van uw grotere Broeder, “de Eerstgeborene onder vele broederen”, terugbrengen?” En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kent, zo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoekt en gij ze hem weergeeft.” Indien gij een ziel niet terstond tot Christus kunt brengen, zo tracht haar ten minste tot u zelf te doen komen. Indien gij haar niet terstond tot bekering kunt brengen, zo betoon haar enige gastvrijheid in uw eigen huis door haar zo veel in uw vermogen is vertroosting en lieflijkheid te doen smaken. Doe wat gij kunt om het verslagen hart van de afgedwaalde te bemoedigen totdat Christus zelf tot hem komt. “Gij zult de ezel of os van uw broeder niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; gij zult ze met hem ganselijk oprichten.” Als gij weet, dat mensen zeer slecht zijn, dan is de gewone wijze van doen hun alles goeds toe te wensen, maar hun uit de weg te blijven. De voorzichtigheid eist, dat gij u voor hen verbergt. De ganse straat mag wemelen van diep gezonken vrouwen; maar ziet gij, uw deur is gesloten en gij begeeft u ter ruste. Wat heeft haar zonde van doen met u? Er zijn vele dronken lieden op straat; maar gij zijt niet onmatig in het gebruik van sterke drank: wat heeft hun drinken van doen met u? Dat is het wat bedoeld wordt met u van hen te verbergen. Hoe gemakkelijk kan dit niet geschieden! Neemt een voorbeeld, dat wel der moeite waard is om het mede te delen. Onlangs ging een schip de Atlantische Oceaan over en ontmoette het ontredderde emigrantenschip “De Danmark.” Gesteld nu eens, dat de kapitein zijn koers had blijven houden. Hij zou naar een andere kant hebben kunnen zien en besloten hebben zich niet te laten ophouden. Hij zou aldus hebben kunnen redeneren: “Ik ben verplicht de belangen van de reders te behartigen. Het zal mij veel tijd kosten als ik mij met dat schip ga bemoeien. Het beste is om voort te zeilen en het schip niet te zien; of wel om zo spoedig mogelijk naar de haven trachten te komen om van daar uit hulp te zenden.” Dat zou hebben kunnen geschieden, zonder dat iemand er iets van te weten was gekomen, want het schip zou spoedig gezonken zijn. Maar de kapitein was van meer edele aard. Hij heeft zich niet verborgen, hij heeft zijn ogen niet gesloten voor het schip in nood. Wat deed hij? Hij naderde het schip en nam het op sleeptouw. Dat was niet alles. Hij bemerkte, dat het niet vlot kon blijven en nu besloot hij om die honderden emigranten allen bij zich aan boord te nemen. Maar hij kon niet de mensen en ook zijn cargo bergen. Wat moest hij nu doen? Zijn besluit strekt hem grotelijks tot eer. De cargo over boord! Gods zegen ruste over deze man. De gehele lading werd in zee geworpen en de passagiers aan boord genomen en naar de naastbij gelegen haven gebracht. Niet waar? Hij had zich zeer gemakkelijk kunnen verbergen. Dat kunt ook gij, die u zelf Christenen noemt. Kunt gij heengaan door de wereld en altijd uw ogen sluiten voor de toestand van verloren zondaren? Kunt gij in dit kerkgebouw in- en uitgaan en nooit een woord spreken tot de vreemdelingen, die zich hier verdringen? Wilt gij hen ongewaarschuwd naar de hel laten gaan? Kunt gij u van hen verbergen! Hoe durft gij u Christenen te noemen? Hoe zult gij er u ten laatsten dage voor kunnen verantwoorden? Broeders, zusters, laat ons deze onmenselijke onverschilligheid afschudden, en ons rust, gemak en eer ontzeggen, ten einde die arme zielen te redden, die anders ten verderve zouden gaan. Werpt blijmoedig de cargo over boord, opdat gij in de kracht van de Heilige Geest zielen van de dood moogt redden.

Nog eens, deze tekst is de grote zendingsvolmacht voor geheel de kerk van God. Wij moeten, evenals de Heiland, heengaan om te zoeken en te redden, wat verloren was; en wij moeten dit doen, niet alleen voor het groot aantal van de heidenen; maar ook voor één enkele van hen. Ik erken, dat er een grote kracht is in het argument van grote getallen – zó vele honderden millioenen in China, zó vele honderden miljoenen in India; maar indien er ergens in de wereld nog slechts één enkel onbekeerd persoon was, dan zou het voor geheel de christelijke kerk de moeite waard zijn om die ene persoon op te zoeken; want Hij, die groter is dan de Kerk, gelijk de Bruidegom groter is dan de bruid, heeft de hemel verlaten, ja, en het lieflijke gezelschap van Zijn eigen geliefden verlaten, om uit te gaan naar die ene, die afgedwaald was. Geeft dus niet zo veel om grote getallen: gaat heen en redt de kleinste stammen. Denkt aan de dorpjes en gehuchten van ons land. Ik geloof, dat de verspreide hutten in ons land in slechtere toestand verkeren dan in de dorpen. Trekt u het lot aan van de enkelen. Uw Heere heeft dit gedaan; en hier is uw volmacht om hetzelfde te doen.

Merk ook op, dat wij ons nooit door de veronderstelde superioriteit of voortreffelijkheid van een mensenras moeten laten bewegen. Ik heb wel eens horen zeggen, dat het veel beter zou zijn om te trachten de hogere mensenrassen, de rassen, die zeer vatbaar zijn voor beschaving en ontwikkeling tot bekering te brengen, dan zijn krachten te verspillen aan volkstammen, die zó diep zijn gezonken, dat zij, om zo te zeggen, niet meer opgeheven kunnen worden. Is het niet veel beter de Brahminen toe te brengen dan de wilde bergbewoners? “Welk een voortreffelijk soort van mensen zijn deze filosofische Hindoes! Als wij hen voor het christendom konden winnen, dan zou dat nog eens de moeite waard zijn!” Dat is volstrekt niet naar de bedoeling van Christus. De Herder zocht een verloren schaap; en toen Hij het had gevonden, was dit voor Hem geen bijzonder grote aanwinst, want het was zó uitgeput, dat het niets dan een ziek schaap was. Toch heeft Hij juist dit arme schaap opgezocht. Laat ons de overtuiging hebben, dat de diep gezonken Afrikanen, de Bosdwergen, de kannibalen van Nieuw Guinea en alle de zodanigen even goed opgezocht en geëvangeliseerd moeten worden als de hogere rassen. Zij zijn mensen, dat is genoeg.

Nog eens: de beweegreden tot zendingsarbeid moet nooit wezen de voortreffelijkheid van karakter van de mensen. De herder ging het schaap niet zoeken, omdat het nooit afgedwaald was, maar juist omdat het afgedwaald en niet volgzaam was. In de zonden van de mensen is hun aanspraak gelegen op de Kerk van God. Hoe meer zonde, hoe meer reden er is om overvloedige genade te betonen. O, dat de gemeente mocht beseffen, dat het haar plicht is, om, zo al niet tot de diepst gezonkenen het eerst te gaan, hen ten minste niet tot het allerlaatste te laten wachten! Waar gij het minste schijnt te zullen slagen, gaat daar terstond, want dáár zult gij plaats vinden voor geloof; en waar het geloof plaats vindt, en de plaats vervult, daar zal God zijn zegen geven.

 

Waarde vrienden, daar gij niet allen uit kunt gaan tot de heidenen -ofschoon sommigen van u dit behoorden te doen – zo vraag ik u te doen wat gij kunt. Ondersteunt de zendingsarbeid door uw gaven en uw gebed. Hier is een kleine gelegenheid voor u om Gods koninkrijk te helpen bevorderen; zo gij daar geen gebruik van maakt, zult gij waarschijnlijk wel nooit het grotere doen, waartoe ik u uitgenodigd heb. De Heere zegene u! Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend