Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het boekG976 des geslachtsG1078 van JEZUSG2424 CHRISTUSG5547, den ZoonG5207 van DavidG1138, den zoonG5207 van AbrahamG11.
Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van David, den zoon van Abraham.
KJV
The book1
of the generation2
of Jesus3
Christ,4
the son5
of David,6
the son7
of Abraham.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
AbrahamG11 gewonG1080 IzakG2464, en IzakG2464 gewonG1080 JakobG2384, en JakobG2384 gewonG1080 JudaG2455, en zijn broedersG80;
Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;
KJV
Abraham1
begat2
Isaac;4
and6
Isaac5
begat7
Jacob;9
and11
Jacob10
begat12
Judas14
and15
his18
brethren;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En JudaG2455 gewonG1080 FaresG5329 en ZaraG2196 bij ThamarG2283; en FaresG5329 gewonG1080 EsromG2074, en EsromG2074 gewonG1080 AramG689;
En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
And2
Judas1
begat3
Phares5
and6
Zara8
of9
Thamar;11
and13
Phares12
begat14
Esrom;16
and18
Esrom17
begat19
Aram;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En AramG689 gewonG1080 AminadabG284, en AminadabG284 gewonG1080 NahassonG3476, enG1161 NahassonG3476 gewonG1080 SalmonG4533;
En Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon;
KJV
And2
Aram1
begat3
Aminadab;5
and7
Aminadab6
begat8
Naasson;10
and12
Naasson11
begat13
Salmon;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG1161 SalmonG4533 gewonG1080 BoozG1003 bij RachabG4477, enG1161 BoozG1003 gewonG1080 ObedG5601 bij RuthG4503, enG1161 ObedG5601 gewonG1080 JessaiG2421;
En Salmon gewon Booz bij Rachab, en Booz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai;
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
And2
Salmon1
begat3
Booz5
of6
Rachab;8
and10
Booz9
begat11
Obed13
of14
Ruth;16
and18
Obed17
begat19
Jesse;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG1161 JessaiG2421 gewonG1080 DavidG1138, den koningG935; enG1161 DavidG1138, den koningG935, gewonG1080 SalomonG4672 bij degene, die UriaG3774's vrouw was geweest;
En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
And2
Jesse1
begat3
David5
the king;7
and9
David8
the king11
begat12
Solomon14
of15
her4
that had been the wife of Urias;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En SalomonG4672 gewonG1080 RoboamG4497, en RoboamG4497 gewonG1080 AbiaG7, enG1161 AbiaG7 gewonG1080 AsaG760;
En Salomon gewon Roboam, en Roboam gewon Abia, en Abia gewon Asa;
KJV
And2
Solomon1
begat3
Roboam;5
and7
Roboam6
begat8
Abia;10
and12
Abia11
begat13
Asa;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En AsaG760 gewonG1080 JosafatG2498, en JosafatG2498 gewonG1080 JoramG2496, enG1161 JoramG2496 gewonG1080 OziasG3604;
En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias;
KJV
And2
Asa1
begat3
Josaphat;5
and7
Josaphat6
begat8
Joram;10
and12
Joram11
begat13
Ozias;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En OziasG3604 gewonG1080 JoathamG2488, en JoathamG2488 gewonG1080 AchazG881, enG1161 AchazG881 gewonG1080 EzekiasG1478;
En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias;
KJV
And2
Ozias1
begat3
Joatham;5
and7
Joatham6
begat8
Achaz;10
and12
Achaz11
begat13
Ezekias;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En EzekiasG1478 gewonG1080 ManasseG3128, en ManasseG3128 gewonG1080 AmonG300, enG1161 AmonG300 gewonG1080 JosiasG2502;
En Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias;
KJV
And2
Ezekias1
begat3
Manasses;5
and7
Manasses6
begat8
Amon;10
and12
Amon11
begat13
Josias;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En JosiasG2502 gewonG1080 JechoniasG2423, en zijn broedersG80, omtrent de BabylonischeG897 overvoeringG3350.
En Josias gewon Jechonias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.
KJV
And2
Josias1
begat3
Jechonias5
and6
his9
brethren,8
about the time10
they were carried away12
to Babylon:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En naG3326 de BabylonischeG897 overvoeringG3350 gewonG1080 JechoniasG2423 SalathielG4528, enG1161 SalathielG4528 gewonG1080 ZorobabelG2216;
En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiel, en Salathiel gewon Zorobabel;
KJV
And2
after1
they were brought4
to Babylon,5
Jechonias6
begat7
Salathiel;9
and11
Salathiel10
begat12
Zorobabel;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En ZorobabelG2216 gewonG1080 AbiudG10, en AbiudG10 gewonG1080 EljakimG1662, enG1161 EljakimG1662 gewonG1080 AzorG107;
En Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;
KJV
And2
Zorobabel1
begat3
Abiud;5
and7
Abiud6
begat8
Eliakim;10
and12
Eliakim11
begat13
Azor;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En AzorG107 gewonG1080 SadokG4524, en SadokG4524 gewonG1080 AchimG885, enG1161 AchimG885 gewonG1080 Eliud;
En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;
Ook in dit vers
ElihudG1664
KJV
And2
Azor1
begat3
Sadoc;5
and7
Sadoc6
begat8
Achim;10
and12
Achim11
begat13
Eliud;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En Eliud gewonG1080 EleazarG1648, en EleazarG1648 gewonG1080 MatthanG3157, enG1161 MatthanG3157 gewonG1080 JakobG2384;
En Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;
Ook in dit vers
ElihudG1664
KJV
And2
Eliud1
begat3
Eleazar;5
and7
Eleazar6
begat8
Matthan;10
and12
Matthan11
begat13
Jacob;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG1161 JakobG2384 gewonG1080 JozefG2501, den manG435 van MariaG3137, uitG1537 welkeG3739 geborenG1080 is JEZUSG2424, gezegdG3004 ChristusG5547.
En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.
KJV
And2
Jacob1
begat3
Joseph5
the husband7
of Mary,8
of9
whom10
was born11
Jesus,12
who4
is called14
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
AlG3956 de geslachtenG1074 danG3767, vanG575 AbrahamG11 tot DavidG1138, zijn veertienG1180 geslachtenG1074; enG2532 vanG575 DavidG1138 tot de BabylonischeG897 overvoeringG3350, zijn veertienG1180 geslachtenG1074; enG2532 vanG575 de BabylonischeG897 overvoeringG3350 tot ChristusG5547, zijn veertienG1180 geslachtenG1074.
Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten.
KJV
So2
all1
the generations4
from5
Abraham6
to7
David8
are fourteen10
generations;9
and11
from12
David13
until14
the carrying away16
into Babylon17
are fourteen19
generations;18
and20
from21
the carrying away23
into Babylon24
unto25
Christ27
are fourteen29
generations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De geboorteG1083 van JezusG2424 ChristusG5547 was nuG1161 aldusG3779; wantG1063 als MariaG3137, ZijnG1510 moederG3384, met JozefG2501 ondertrouwdG3423 was, eerG4250 zij samengekomenG4905 waren, werd zij zwangerG1722 bevondenG2147 uitG1537 den HeiligenG40 GeestG4151.
De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.
KJV
Now2
the birth6
of Jesus3
Christ4
was
on this wise:7
When as10
his13
mother12
Mary14
was espoused9
to Joseph,16
before17
they20
came together,19
she was found21
with child22
of25
the Holy27
Ghost.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
JozefG2501 nuG1161, haar manG435, alzo hijG846 rechtvaardigG1342 wasG1510, en haar nietG3361 wildeG2309 openbaarlijk te schande maken, was van wilG1014 haarG846 heimelijkG2977 te verlatenG630.
Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten.
Ook in dit vers
openbaarlijk schandeG3856
KJV
Then2
Joseph1
her5
husband,4
being
a just6
man, and8
not9
willing10
to make12
her11
a publick example,
was minded13
to put15
her16
away
privily.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG1161 alzo hij dezeG3778 dingen in den zinG1760 had, zietG3708, de engelG32 des HeerenG2962 verscheenG5316 hemG846 in den droomG3677, zeggendeG3004: JozefG2501, gij zoneG5207 DavidsG1138! weesG3361 niet bevreesdG5399 MariaG3137, uw vrouwG1135, tot uG4771 te nemenG3880; wantG1063 hetgeen inG1722 haarG846 ontvangenG1080 is, dat is uitG1537 den HeiligenG40 GeestG4151;
En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest;
KJV
But2
while he3
thought on4
these things,
behold,
the angel6
of the Lord7
appeared10
unto him11
in8
a dream,9
saying,12
Joseph,13
thou son14
of David,15
fear17
not16
to take18
unto thee
Mary19
thy wife:21
for24
that which is conceived27
in25
her26
is
of28
the Holy31
Ghost.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En zijG846 zal een ZoonG5207 barenG5088, en gij zult Zijn naamG3686 hetenG2564 JEZUSG2424; wantG1063 HijG846 zal Zijn volkG2992 zaligG4982 maken vanG575 hunG846 zondenG266.
En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
KJV
And2
she shall bring forth1
a son,3
and4
thou shalt call5
his8
name7
JESUS:9
for11
he10
shall save12
his15
people14
from16
their19
sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG1161 ditG3778 allesG3650 is geschiedG1096, opdatG2443 vervuldG4137 zou worden, hetgeen vanG5259 den HeereG2962 gesprokenG4483 is, door den profeetG4396, zeggendeG3004:
En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende:
KJV
Now2
all3
this
was done,4
that5
it might be fulfilled6
which7
was spoken
of9
the Lord11
by12
the prophet,14
saying,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
ZietG3708, de maagdG3933 zal zwangerG1722 worden, en een ZoonG5207 barenG5088, enG2532 gij zult Zijn naamG3686 hetenG2564 EmmanuelG1694; hetwelkG3739 isG1510, overgezetG3177 zijnde, GodG2316 metG3326 ons.
Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.
KJV
Behold,
a virgin3
shall be with child,4
and7
shall bring forth8
a son,9
and10
they shall call11
his14
name13
Emmanuel,15
which16
being interpreted18
is,
God22
with19
us.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
JozefG2501 danG1161, opgewektG1326 zijnde vanG575 den slaapG5258, deedG4160, gelijkG5613 de engelG32 des HeerenG2962 hemG846 bevolenG4367 had, en heeft zijn vrouwG1135 tot zich genomenG3880;
Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;
KJV
Then2
Joseph4
being raised1
from5
sleep7
did8
as9
the angel13
of the Lord14
had bidden10
him,11
and15
took16
unto him19
his wife:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
EnG2532 bekendeG1097 haar nietG3756, totdat zij dezenG846 haar eerstgeborenG4416 ZoonG5207 gebaardG5088 had; enG2532 heetteG2564 Zijn naamG3686 JEZUSG2424.
En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
KJV
And1
knew3
her4
not2
till5
she had brought forth7
her10
firstborn12
son:9
and13
he called14
his17
name16
JESUS.
boek des geslachts
Dit is geslachtregister, of boom der voorouders van Christus. Het is een Hebreeuwse wijze van spreken. Gen. 5:1 .
Hertaald:
boek des geslachts
Dit is het geslachtsregister, of de stamboom van de voorouders van Christus. Het is een Hebreeuwse manier van spreken. Gen. 5:1.
den zoon van David, den zoon van Abraham
Deze twee, David en Abraham, worden hier vooraan gesteld, en Christus wordt bijzonder hun beider zoon genaamd, omdat dezen beiden bijzondere beloften waren gedaan, dat Hij uit hun zaad zou geboren worden. Gen. 22:18 ; 2 Sam. 7:12 ; Ps. 89:30 en Ps. 132:11 . Waarom ook Mattheus dit geslachtsregister eerst van Abraham heeft willen beginnen, gelijk hij ook, vs.6, David bijzonder een koning noemt, omdat David de eerste koning uit den stam van Juda is geweest en een duidelijk voorbeeld van Christus' eeuwig koninkrijk. Luc. 1:32
Hertaald:
den zoon van David, den zoon van Abraham
Deze twee, David en Abraham, worden hier vooropgesteld, en Christus wordt in het bijzonder hun beider zoon genoemd, omdat aan hen beiden bijzondere beloften gedaan waren dat Hij uit hun zaad geboren zou worden. Gen. 22:18; 2 Sam. 7:12; Ps. 89:30 en Ps. 132:11. Daarom heeft Mattheüs dit geslachtsregister ook bij Abraham willen beginnen, zoals hij in vers 6 David ook in het bijzonder een koning noemt, omdat David de eerste koning uit de stam van Juda geweest is en een duidelijke voorafbeelding van Christus' eeuwige koninkrijk. Luk. 1:32.
gewon
De andere overzetting heeft: gegenereerd, hetwelk, daar het een Latijns woord is, beter geacht is te behouden het woord gewinnen, hetwelk meest alle oude Nederduitse overzettingen hier gebruiken.
Hertaald:
gewon
De andere vertaling heeft: gegenereerd. Omdat dat een Latijns woord is, is het beter geacht het woord gewinnen aan te houden, dat vrijwel alle oude Nederduitse vertalingen hier gebruiken.
bij Thamar
Gr. uit. Deze vrouw, alsook hierna Rachab en Ruth, vs.5, en Bathseba, vs.6, worden van den evangelist hier vermeld, omdat de Schriftuur van haar iets zegt, dienende tot den staat der vernedering van Christus, en ook omdat enige harer van heidense afkomst zijn geweest; opdat daarmede aangewezen zou worden dat ook grote zondaren, en de heidenen zelf, deel zouden hebben aan de vruchten der geboorte van Christus.
Hertaald:
bij Thamar
Grieks: uit. Deze vrouw, en verderop ook Rachab en Ruth in vers 5 en Bathseba in vers 6, worden hier door de evangelist vermeld omdat de Schrift over hen iets zegt dat bij de staat van Christus' vernedering hoort, en ook omdat sommigen van hen van heidense afkomst geweest zijn. Daarmee wordt aangeduid dat ook grote zondaren, en zelfs de heidenen, deel zouden hebben aan de vruchten van de geboorte van Christus.
Aram
Deze Aram wordt Ram genaamd Ruth 4:19 .
Hertaald:
Aram
Deze Aram wordt Ram genoemd in Ruth 4:19.
Sálomo
Lukas stelt in plaats van Salomo en zijne nakomelingen Nathan, een anderen zoon van David, met zijne nakomelingen. De reden van deze verscheidenheid zie: Luc. 3:31 .
Hertaald:
Sálomo
Lukas noemt in plaats van Salomo en zijn nakomelingen Nathan, een andere zoon van David, met zijn nakomelingen. Zie voor de reden van dit verschil Luk. 3:31.
degene
Namelijk Bathseba; bij welke David Salomo gewon, toen zij na de dood van haren man Uria met hem getrouwd was. 2 Sam. 11:3 , 2 Sam. 11:27 en 2 Sam. 12:24 .
Hertaald:
degene
Namelijk Bathseba, bij wie David Salomo verwekte toen zij na de dood van haar man Uria met hem getrouwd was. 2 Sam. 11:3, 2 Sam. 11:27 en 2 Sam. 12:24.
Ozias;
Hier worden drie koningen overgeslagen en voorbijgegaan, namelijk Ochosias, Joas, en Amasias, om het getal van veertien niet te buiten te gaan, vs.17. Zie van dergelijke uitlatingen een voorbeeld Ezra 7:3 , verg. met 1 Kron. 6:7 , en wordt deze Ozias ook Azarias genaamd, 1 Kron. 3:12
Hertaald:
Ozias;
Hier worden drie koningen overgeslagen, namelijk Ahazia, Joas en Amazia, om het getal van veertien niet te overschrijden, vers 17. Zie een voorbeeld van zulke weglatingen in Ezra 7:3, vergeleken met 1 Kron. 6:7. Deze Uzzia wordt ook Azaria genoemd, 1 Kron. 3:12.
Jechónias
Enigen voegen hier bij Jakim; en Jakim gewon Jechoniam, hetwelk met het register der koningen van Juda, 1 Kron. 3:16 , enz. en met het getal van veertien alhier, vs.17, niet kwalijk schijnt overeen te komen. Dat alzo meest alle oude boeken en overzettingen dit bijvoegsel van Jakim niet hebben, zo wordt dit hier nagelaten; te meer omdat door Jechonias in dit 11e vs. verstaan kan worden de vader, die ook Joakim is genaamd, en door Jechonias in het 12e vs. de zoon, die ook Joachin is genaamd, en aldus wordt hier het getal van veertien ook vervuld.
Hertaald:
Jechónias
Sommigen voegen hier Jojakim tussen: en Jojakim verwekte Jechonia. Dat lijkt niet slecht overeen te komen met het register van de koningen van Juda, 1 Kron. 3:16, enzovoort, en met het getal van veertien hier in vers 17. Maar omdat vrijwel alle oude handschriften en vertalingen die toevoeging van Jojakim niet hebben, wordt zij hier weggelaten — te meer omdat men onder Jechonia in dit vers 11 de vader kan verstaan, die ook Jojakim genoemd wordt, en onder Jechonia in vers 12 de zoon, die ook Jojachin genoemd wordt. Zo wordt het getal van veertien hier ook vervuld.
omtrent de Babylonische overvoering
Of in, of ten tijde; dat is, tegen den tijd van de gevankelijke wegvoering der Joden naar Babylonië.
Hertaald:
omtrent de Babylonische overvoering
Of: in, of ten tijde van; dat is: tegen de tijd van de wegvoering van de Joden naar Babylonië.
Saláthiël
Velen menen dat dezen Salathiël niet is geweest een natuurlijke zoon van Jechonias, alzo bij Luc. 3:27 gezegd wordt te zijn een zoon van Neri, en het Jer. 22:30 schijnt dat Jechonias geen kinderen nagelaten heeft; maar dat hij zijn zoon genaamd zou worden omdat hij, als zijn naaste bloedverwant, hem in de regering van het Israëlietische volk opgevolgd is; gelijk 1 Kron. 3:16 Zedekias genaamd wordt een zoon van Jechonias, omdat hij hem ook in het rijk opgevolgd is, die nochtans 2 Kron. 24:17 zijn oom genaamd wordt; te meer omdat Luc. 3:27 gezegd wordt dat Salathiël afkomstig is geweest van het geslacht Nathan, bij hetwelk na de Babylonische gevangenis de regering des Joodsen volks is geweest, gelijk schijnt afgeleid te kunnen worden uit Zach. 12:12 . Doch anderen menen dat deze Salathiël is geweest een natuurlijke zoon van Jechonias, en dat Salathiël, van wien Luc. 3:27 , spreekt een andere Salathiël is geweest dan deze, alzo deze aldaar genaamd wordt een zoon van Neri. Zie de aantekening bij Ezra 3:2 .
Hertaald:
Saláthiël
Velen menen dat deze Sealthiël geen natuurlijke zoon van Jechonia geweest is, omdat er in Luk. 3:27 gezegd wordt dat hij een zoon van Neri is, en omdat het er in Jer. 22:30 op lijkt dat Jechonia geen kinderen nagelaten heeft. Zij menen dat hij zijn zoon genoemd wordt omdat hij hem als naaste bloedverwant opgevolgd is in het bestuur van het Israëlitische volk — zoals in 1 Kron. 3:16 Zedekia een zoon van Jechonia genoemd wordt omdat hij hem in het koninkrijk opgevolgd is, terwijl hij in 2 Kron. 24:17 zijn oom genoemd wordt. Te meer omdat in Luk. 3:27 gezegd wordt dat Sealthiël afkomstig was uit het geslacht van Nathan, waarbij na de Babylonische gevangenschap het bestuur van het Joodse volk berustte, zoals uit Zach. 12:12 afgeleid lijkt te kunnen worden. Maar anderen menen dat deze Sealthiël wél een natuurlijke zoon van Jechonia geweest is, en dat de Sealthiël over wie Luk. 3:27 spreekt een andere is dan deze, aangezien die daar een zoon van Neri genoemd wordt. Zie de aantekening bij Ezra 3:2.
Jozef
Dit geslachtsregister wordt gebracht op Jozef, omdat het bij de Hebreën niet gebruikelijk was de geslachtsregisters te brengen op de vrouwen; nochtans kan daaruit blijken dat Christus is uit het geslacht Davids, omdat het bij de Joden gebruikelijk was te trouwen, en Mattheus hierover vs.1, getuigt, dat hij hier het geslachtsregister van Jezus Christus verhaalt. Want dat Christus uit Juda en David afkomstig is, wordt doorgaans in de Heilige Schrift klaarlijk geleerd. Zie Luc. 1:32 ; Rom. 1:3 ; Hebr. 7:14 .
Hertaald:
Jozef
Dit geslachtsregister wordt op Jozef teruggevoerd, omdat het bij de Hebreeën niet gebruikelijk was geslachtsregisters op de vrouwen terug te voeren. Toch kan daaruit blijken dat Christus uit het geslacht van David is, omdat het bij de Joden gebruikelijk was binnen de eigen stam te trouwen, en omdat Mattheüs in vers 1 verklaart dat hij hier het geslachtsregister van Jezus Christus vertelt. Want dat Christus uit Juda en David afkomstig is, wordt overal in de Heilige Schrift duidelijk geleerd. Zie Luk. 1:32; Rom. 1:3; Hebr. 7:14.
gezegd
Dat is, die toegenaamd wordt. Zie van dezen naam Joh. 1:42 .
Hertaald:
gezegd
Dat is: Die toegenaamd wordt. Zie over deze naam Joh. 1:42.
veertien geslachten
De evangelist heeft ook maar veertien koningen en vorsten uitgedrukt, omdat van Abraham tot David maar veertien geslachten van voorvaders zijn geweest, waarom hij enige geslachten der koningen en vorsten heeft overgeslagen. Zie vs.8, en Luc. 3:24 , enz.
Hertaald:
veertien geslachten
De evangelist heeft ook maar veertien koningen en vorsten genoemd, omdat er van Abraham tot David maar veertien geslachten voorouders geweest zijn; daarom heeft hij enkele geslachten van de koningen en vorsten overgeslagen. Zie vers 8 en Luk. 3:24, enzovoort.
eer zij samengekomen waren
Dat is, eer hij haar tot zich genomen had, gelijk blijkt uit vs.20.
Hertaald:
eer zij samengekomen waren
Dat is: voordat hij haar tot zich genomen had, zoals uit vers 20 blijkt.
zwanger
nders, bevrucht; echter het woord zwanger komt hier beter, alzo Christus eigenlijk geen vrucht des Heiligen Geestes, maar een vrucht des buiks van Maria; Luc. 1:42 .
Hertaald:
zwanger
Anders: bevrucht. Toch past het woord zwanger hier beter, aangezien Christus eigenlijk geen vrucht van de Heilige Geest is, maar een vrucht van de buik van Maria; Luk. 1:42.
uit den Heiligen Geest
Dat is, door de werking des Heiligen Geestes, gelijk blijkt Luc. 1:35 . Zo wordt het woordje uit ook elders genomen, gelijk Rom. 11:35 , en 1 Joh. 5:1 . Dit was Jozef toen nog niet bekend, maar wordt hem daarna door de engel geopenbaard, zie vs.20.
Hertaald:
uit den Heiligen Geest
Dat is: door de werking van de Heilige Geest, zoals uit Luk. 1:35 blijkt. Zo wordt het woordje uit ook elders opgevat, zoals Rom. 11:35 en 1 Joh. 5:1. Dit was Jozef toen nog niet bekend, maar wordt hem daarna door de engel geopenbaard, zie vers 20.
openbaarlijk te schande maken
Het Griekse woord betekent zoveel als iemand tot een voorbeeld openlijk tentoonstellen en smaadheid aandoen.
Hertaald:
openbaarlijk te schande maken
Het Griekse woord betekent zoveel als: iemand openlijk tentoonstellen als voorbeeld en hem smaad aandoen.
te verlaten
Grieks: haar te ontbinden.
Hertaald:
te verlaten
Grieks: haar te ontbinden.
ontvangen is
Grieks: gegenereerd of geteeld is; voor welke woorden, alzo het ene Latijn is en het andere duister, beter geacht is het woord ontvangen te stellen. Van deze generatie en ontvangenis, zie Luc. 1:35 , Luc. 1:42 .
Hertaald:
ontvangen is
Grieks: gegenereerd of geteeld is. Omdat het ene woord Latijn is en het andere duister, is het beter geacht het woord ontvangen te gebruiken. Zie over deze generatie en ontvangenis Luk. 1:35, Luk. 1:42.
zijn volk
Dat is, degenen, die Hem van den Vader gegeven waren om die te verlossen of behouden; Ps. 2:8 ; Jes. 8:18 ; Joh. 6:37 , en Joh. 17:24 ; Hand. 18:10 ; Rom. 11:1-2
Hertaald:
zijn volk
Dat is: degenen die Hem door de Vader gegeven waren om die te verlossen of te behouden; Ps. 2:8; Jes. 8:18; Joh. 6:37 en Joh. 17:24; Hand. 18:10; Rom. 11:1-2.
de maagd
De Hebreeuwse en Griekse teksten spreken hier van een bijzondere maagd.
Hertaald:
de maagd
De Hebreeuwse en Griekse teksten spreken hier over een bepaalde maagd.
gij zult
Anders zij zal, of zij zullen; dat is, men zal.
Hertaald:
gij zult
Anders: zij zal, of: zij zullen; dat is: men zal.
Emmanuël
Wordt alzo genaamd ten aanzien van zijn persoon en ambt, omdat Hij in een persoon beiden waarachtig God en mens is, en ons met God verenigt.
Hertaald:
Emmanuël
Hij wordt zo genoemd met het oog op Zijn persoon en Zijn ambt, omdat Hij in één persoon zowel waarachtig God als mens is en ons met God verenigt.
bevolen had
Grieks: verordineerd had.
Hertaald:
bevolen had
Grieks: verordend had.
totdat
Hieruit kan men niet besluiten dat Jozef haar daarna zou hebben bekend; want deze manier van spreken dit altijd niet medebrengt. Zie 2 Sam. 6:23 en Matt. 28:20 .
Hertaald:
totdat
Hieruit kan men niet afleiden dat Jozef haar daarna wél bekend zou hebben, want deze manier van spreken brengt dat niet altijd met zich mee. Zie 2 Sam. 6:23 en Matth. 28:20.
eerstgeboren zoon gebaard had
Een eerstgeboren zoon is die de moeder eerst opent, Ex. 13:2 , al is het dat er geen zonen of kinderen na geboren worden. Want als Ex. 11:5 gezegd wordt dat de eerstgeborenen van Egypte zouden gedood worden, zijn onder dezelven zonder twijfel ook de eniggeborenen te verstaan.
Hertaald:
eerstgeboren zoon gebaard had
Een eerstgeboren zoon is degene die de moederschoot het eerst opent, Ex. 13:2, ook al worden er daarna geen zonen of kinderen meer geboren. Want wanneer in Ex. 11:5 gezegd wordt dat de eerstgeborenen van Egypte gedood zouden worden, moet men daaronder ongetwijfeld ook de enige kinderen verstaan. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De Zoon van God en Zoon van David, geboren uit de maagd Maria te Bethlehem, aan wie door de engel bevolen werd de naam Jezus te geven, "want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden" (Matth. 1:21). Na Zijn doop door Johannes de Doper en Zijn verzoeking in de woestijn begon Hij het Koninkrijk der hemelen te prediken, riep Hij Zijn discipelen, leerde Hij het volk (o.a. in de Bergrede), genas Hij zieken, en werd Hij uiteindelijk gekruisigd, gestorven, begraven en opgewekt uit de doden, zoals beschreven in de vier Evangeliën. De maagd, ondertrouwd met Jozef, die door de Heilige Geest zwanger werd van Jezus, in vervulling van de profetie dat een maagd een Zoon zou baren, Wiens naam Emmanuel (God met ons) zou zijn (Matth. 1:18-23). Een rechtvaardig man, ondertrouwd met Maria; toen bleek dat zij zwanger was, wilde hij haar in stilte verlaten, maar een engel verscheen hem in de droom en gebood hem haar tot zich te nemen, want het kind was uit de Heilige Geest. Hij noemde het Kind Jezus, vluchtte met Maria en het Kind naar Egypte voor Herodes, en vestigde zich na diens dood te Nazareth (Matth. 1:18-25; 2). Niet te verwarren met andere personen die deze naam droegen. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Mattheüs opent zijn boek met de titel en niet met de naam: "Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den zoon van David, den zoon van Abraham" (Matt. 1:1). Het geslachtsregister loopt vervolgens naar dat woord toe: het sluit af met de vermelding dat uit Maria geboren is "JEZUS, gezegd Christus", en telt de geslachten in drie reeksen van veertien (Matt. 1:16-17). Het woord is een ambtsnaam: koningen, priesters en profeten werden in Israël met olie gezalfd en daarmee tot hun dienst afgezonderd. Dat Jezus dé Gezalfde is, betekent dat de drie ambten in Hem samenkomen. Op de belijdenis van Petrus — "Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" — antwoordt de Heere dat vlees en bloed hem dat niet geopenbaard heeft maar Zijn Vader (Matt. 16:16-17). En Mattheüs verbindt de geboorte aan de naam die Jesaja gaf: Emmanuël, "God met ons" (Matt. 1:22-23). Bijbelse betekenis: Dat de titel vóór de naam komt, is geen stijlfiguur. Mattheüs schrijft voor lezers die de belofte kennen, en zijn eerste zin zegt dat de wachttijd om is. Tegelijk laat het geslachtsregister zien hóe die belofte door de geschiedenis liep: er staan een Thamar, een Rachab, een Ruth en de vrouw van Uria in (Matt. 1:3,5-6) — geen zuivere lijn van verdienste, maar een lijn van genade. En de erkenning van deze titel is nergens een zaak van doorzien: waar Petrus haar belijdt, wordt uitdrukkelijk gezegd dat de Vader haar geopenbaard heeft. Typologie: Het woord Christus bindt heel het Oude Testament aan Eén Persoon samen. Hij is de Profeet als Mozes naar Wie men horen zal (Deut. 18:15; Hand. 3:22), de Priester naar de ordening van Melchizedek (Ps. 110:4; Hebr. 7:17), en de Koning uit Juda aan Wie de volken gehoorzaam zijn (Gen. 49:10). Daarom bidt de gezalfde Koning in Psalm 2 en wordt Hij door de apostelen op Christus toegepast (Ps. 2:2; Hand. 4:26-27). Zie in dit register ook *Zalving* (Lev. 8), waar het gebruik zelf beschreven wordt. Matt. 1:1,16-17,22-23; Matt. 16:16-17; Gen. 49:10; Deut. 18:15; Ps. 2:2; Ps. 110:4; Hand. 3:22; Hand. 4:26-27; Hebr. 7:17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De eerste bladzijde van het Nieuwe Testament, en zij begint met een naamlijst. Voor wie het Oude Testament gelezen heeft, is dat geen droge opsomming maar de afrekening van eeuwen wachten. Het geslachtsregister loopt precies langs de beloften, en het Kind krijgt twee namen die samen alles zeggen. Mattheüs opent met: het boek des geslachts van Jezus Christus, den Zoon van David, den zoon van Abraham. Twee namen, en beide dragen een belofte. Aan Abraham was gezegd dat in zijn zaad alle geslachten gezegend zouden worden; aan David dat zijn troon vast zou zijn tot in eeuwigheid. In de lijst staan namen die men er niet zou plaatsen. Thamar, die zich voordeed als hoer. Rachab uit Jericho. Ruth de Moabietische. En de vrouw van Uria, die Mattheüs niet eens bij naam noemt. Vier vrouwen, alle vier met een geschiedenis die men liever oversloeg — en zij staan er. De lijn loopt ook door de ballingschap heen, waar het koningshuis tot een stronk werd, en komt uit bij een timmerman in Nazareth. Dan de naam. Gij zult Zijn naam heten JEZUS, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. De naam is de opdracht: Jezus betekent de HEERE redt. De kanttekening legt uit wie dat volk is: degenen die Hem door de Vader gegeven waren om die te verlossen — met verwijzing naar Johannes 6 en 17. En dan de tweede naam, die uit Jesaja komt: Emmanuël, dat is overgezet: God met ons. De ene naam zegt wat Hij doet, de andere Wie Hij is. Zonder het eerste is het tweede ondraaglijk, want God met ons zou dan oordeel betekenen. Samen zijn zij het Evangelie. Mattheüs sluit zijn boek met dezelfde klank waarmee hij het opent: ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 1:21-23; Lukas 1:31-33; Galaten 4:4; Handelingen 4:12
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De eerste schakel tussen mijn ziel en Christus is niet mijn goedheid maar mijn slechtheid, niet mijn verdienste maar mijn ellende, niet mijn staan maar mijn vallen, niet mijn rijkdom maar mijn nood. Immanuel, God met ons: Spurgeon's boodschap dat Christus onze natuur aannam en ons op elke levensreis vergezelt. Gij zult Zijn Naam heten JEZUS. Mattheüs 1:21 Wanneer iemand ons dierbaar is, worden ook alle dingen die met die persoon te maken hebben voor ons waardevol. Zo… U zult Hem de naam Jezus geven. Mattheüs 1:21 Als iemand je dierbaar is, dan wordt alles wat met hem of haar te maken heeft ook kostbaar voor… ...en gij zult Zijn Naam heten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Mattheüs 1:21 Het Kind Christus werd toevertrouwd aan de zorg van… En zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Mattheüs 1:21 Bernardus van… Een klein begin: CH Spurgeon in Waterbeach Voordat Spurgeon predikant was van de grootste kerk in Londen, voorzitter van het Pastors College, oprichter van een weeshuis en tientallen… Het boek des geslachts van Jezus Christus, de Zoon van David, de zoon van Abraham. Mattheüs 1:1 Het boek van het nieuwe verbond begint met Jezus. En kijk… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" … u zult Hem de naam Jezus geven… Mattheüs 1 vers 21 Als wij iemand liefhebben, hebben wij ook alles wat… Een preek uitgesproken op 26 december 1875, door C.H. Spurgeon, in de Metropoltan Tabernacle. En gij zult Zijn naam heten Emmanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. Mattheüs… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Mattheus 1:21 Veel mensen zullen, als hun gevraagd wordt wat ze onder… Gij zult Zijn Naam heten Immanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. Mattheus 1:23 De woorden die overgezet zijn hebben een zoete klank. Hoe zou het woord… Gij zult Zijn Naam heten Immanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. Mattheus 1:23 Laat ons deze waarheid bewonderen. ‘God met 'ons’. Laat ons op een eerbiedige… Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Mattheus 1:21 Heere, verlos mij van mijn zonden. Door de Naam ‘Jezus’ word ik aangemoedigd om op deze… Gij zult Zijn Naam heten Immanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. Mattheus 1:23 Deze tekst zouden we in tweeën kunnen verdelen: ‘God’, en dan ‘God met… ...en gij zult Zijn Naam heten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Mattheus 1:21 Het kind Christus werd toevertrouwd aan de zorg van Jozef… Gij zult Zijn Naam heten Immanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. Mattheus 1:23 God met ons. Als wij dit wonder verder beschouwen, dan zien wij een… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Mattheüs 1
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Gij zult Zijn naam heten JEZUS — 1:1-25
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
God met ons
De Naam boven alle namen
De Naam boven alle namen
Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden
En u zult Hem de naam Jezus geven
Een klein begin: CH Spurgeon in Waterbeach
In Zijn naam
U zult Hem de naam Jezus geven
God met ons (Kerstpreek)
Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden
God met ons
Goddelijke liefde
Van iedere zonde
Een uitnemende blijdschap
Een onuitsprekelijke gave
Onderpand en zegel


Mattheüs 1
Mattheüs 1:21.KruisverwijzingenHandelingen 13:23→Handelingen 5:31→Johannes 1:29→Lukas 2:21→Handelingen 4:12→Lukas 1:31→Kolossenzen 1:20→Openbaring 1:5→
— En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
“En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.”
De Naam van Jezus is door God Zelf beschikt en verklaard. Naar de tekst heeft een engel van de HEERE gezegd dat Zijn Naam Jezus zou zijn. Het is een Naam die, zoals Hij Die hem draagt, uit de hemel is neergedaald.
Onze Heere heeft ook andere namen van ambt en van betrekking, maar deze is in het bijzonder en op een eigen wijze Zijn persoonlijke Naam. God de Vader heeft Hem deze Naam gegeven. En de Heilige Geest verklaart de Naam, want Hij zegt ons de reden ervan: Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
“Zaligmaker” is de betekenis van de Naam, maar er ligt een voller gevoelen in verborgen. In de Hebreeuwse vorm betekent hij “de zaligheid van de HEERE”, of “de HEERE van de zaligheid”, of “de Zaligmaker”. De engel legt hem uit als “Hij zal zalig maken”. De goddelijke Naam, de onmededeelbare titel van de allerhoogste God, ligt besloten in “Josua”, de Hebreeuwse vorm van Jezus. Voluit betekent de Naam dus “Jehova Zaligmaker”, en kort gezegd “Zaligmaker”.
Hij is Hem gegeven omdat Hij zalig máákt. En dat niet naar een tijdelijke en gewone verlossing, van vijanden en van moeiten, maar Hij maakt zalig van geestelijke vijanden en in het bijzonder van zonden.
Josua was van ouds een verlosser; Gideon was een verlosser; David was een verlosser. Maar de titel wordt onze Heere boven alle anderen gegeven, omdat Hij een Zaligmaker is in een zin waarin niemand anders het is of kan zijn. Hij maakt Zijn volk zalig van hun zonden.
Hij komt Zijn volk bezoeken. Niet om hun schoonheden te bewonderen, maar om hun mismaaktheden weg te nemen. Niet om hun deugden te belonen, maar om hun zonden te vergeven.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-17.KruisverwijzingenGenesis 22:18→Galaten 3:16→Romeinen 1:3→Openbaring 22:16→Psalmen 132:11→Johannes 7:42→Jesaja 9:6→Jesaja 11:1→
— Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van David, den zoon van Abraham. Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders; En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram; En Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon; En Salmon gewon Booz bij Rachab, en Booz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai; En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest; En Salomon gewon Roboam, en Roboam gewon Abia, en Abia gewon Asa; En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias; En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias; En Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias;
Het doel van Mattheus met zijn Evangelie, dat in de eerste plaats voor Christenen uit het Jodendom is bestemd, is om het duidelijk bewijs te leveren, dat aan Jezus van Nazareth alle merk- en kentekenen gevonden worden, die in de schriften van het Oude Testament in betrekking tot Israël’s Messias gevonden worden, en dat Hij dus inderdaad de Messias, de beloofde Zaligmaker van Zijn volk is. Hij begint met een geslachtsregister, dat Hem van de zijde van Jozef, de man van Maria, als een zoon van David, de zoon van Abraham, doet kennen (Luk. 3: 23-38).
Deze opgaaf van paragrafen heeft betrekking op de harmonie van de vier Evangeliën naar de tijdsorde van de gebeurtenissen. De lezer wordt daardoor in staat gesteld, zich wat de chronologische samenhang van elke afdeling die hij voor zich heeft, aangaat te oriënteren en zo gemakkelijk tot een goed begrip te komen.
(Evangelie op de dag van Maria’s geboorte vs. 1-16.)
Deze dag valt op 8 september, en is het eerste feest, dat ter verheerlijking van Maria gevierd werd.
Het nu volgende is het boek van het geslacht van Jezus Christus, de zoon van a) David, de zoon van Abraham, die dus ook door Zijn menselijke afstamming bewezen heeft de ware Messias te zijn, want deze zou volgens Gen. 12: 3 een zoon van Abraham en volgens 2 Sam. 7: 12vv. een zoon van David zijn.
Luk. 1: 31, 32
De wondervolle geboorte van onze Heere Jezus Christus, de Zoon van God en de Zoon der mensen, de verschijningen en getuigenissen van de engelen, die Zijn geboorte aankondigden, de getuigenis van Johannes de Doper, Zijn eigen goddelijke daden gedurende Zijn verblijf op aarde, de stemmen van de hemel, de tekens en wonderen, waarmee God van Hem getuigde, en Zijn opstanding uit de dood – dat alles samengenomen had nog geen volledig bewijs gegeven, dat deze, onze hoog geprezen Heer, de Christus was, de Messias die aan de vaderen van Israël, vooral aan Abraham en David beloofd was, en men alzo de vervulling van alle beloften van God van Hem en door Hem had te verwachten. Met dat alles hadden ook de vroomste Israëlieten nog kunnen blijven twijfelen, wanneer hun een zeer gewichtig, boven alles geldend kenteken ontbroken had, dat bij dat alles niet alleen bijkomen, maar het voorafgaande reeds aanwezig zijn moest, zodra van Hem onder de mensen sprake was, namelijk de vervulling van de Heilige Schriften van het Oude Testament – wanneer dus Zijn afstamming, Zijn geboorte, Zijn vaderland, Zijn gehele leven en lijden niet nauwkeurig overeenkomstig de Schrift plaats had gevonden. Daarom wijst de Apostel Mattheus aan, wiens Evangelie meer dan de overige ten dienste van de Israëlieten van die en van latere tijd is ingericht, doorgaans in de persoon en de lotgevallen van Jezus, de Messias, dat de Schriften in Hem vervuld zijn; hij wijst, voordat hij de geboorte van de Heere beschrijft, reeds vooraf Zijn afstamming aan. Wat nu het voor ons liggende genealogische stuk voor een Jood moet zijn, die het Christendom onderzoekt en naar overtuiging omtrent de waarheid daarvan verlangt, dat kunnen wij, Christenen, ons moeilijk voorstellen; men leze echter de bewonderenswaardige leiding van God in de levensgeschiedenis van de Rabbi Chr. Zal. Duits.
De geslachtsregisters van Jezus Christus waren voor de tijd, waarin de Evangelisten schreven, daarom bijzonder gewichtig, omdat men vóór de verwoesting van Jeruzalem en de verstrooiing van het Joodse volk op de plaats zelf uit de echte oorkonden, die de Joden zorgvuldig bewaarden, en waaruit de Evangelisten hun geslachtsregisters ontleenden, de afstamming van Jezus uit David kon nagaan. In onze dagen blijkt ons ook daaruit, hoe ijdel hoop is, die de Joden nog altijd op de komst van een Messias hebben, als die nu wel bij geen mogelijkheid zou kunnen bewijzen, dat Hij uit David’s geslacht was.
Met de dood en de opstanding van Jezus houdt de betekenis van de genealogieën op; want zoals Hij slechts naar het vlees de zoon van Abraham en van Adam is, maar naar de Geest de Zoon van God (Rom. 1: 3vv. ; 9: 5), zodat in deze geestelijke betrekking Melchizedek juist als “zonder geslachtrekening” zijn voorbeeld genoemd wordt (Hebr. 7: 3), zo brengt Hij, nadat Hij het vlees in de dood heeft gegeven en tot een levendmakende Geest geworden is een nieuw geslacht uit goddelijk zaad voort, en heeft daardoor de betekenis van de lichamelijke afkomst opgeheven.
Abraham gewon Izaak (Gen. 21: 2vv.), en Izaak gewon Jakob (Gen. 25: 25vv.), en Jakob gewon Judas, of Juda en zijn broeders, de 12 stamvaders van het Joodse volk (Gen. 29: 31vv. ; 35: 16vv. ; 1 Kron. 2: 1 waaronder Juda, hoewel hij naar ouderdom de vierde zoon was, toch voor de geschiedenis van het Godsrijk de meest gewichtige is, omdat uit zijn geslacht de Messias zou voortkomen (Gen. 49: 8vv.).
En Juda gewon de tweeling Perez en Zerah bij Thamar, de achtergelaten weduwe van zijn zoon Er, die door list de leviraatsecht had weten te ontgaan (en Perez gewon Chesron (Gen. 46: 12), en Chesron gewon Aram (Ruth 4: 18vv.).
En Ram gewon Amminadab (Exod. 6: 23), en Amminadab gewon Nachson (Num. 1: 7; 2: 3; 7: 12), en Nachson gewon Salmon;
En Salmon gewon indirect, door een van zijn nakomelingen (Baoz bij Rachab, de vroegere hoer te Jericho, en Baoz gewon Obed bij Ruth, de Moabitische (Ruth 4: 13vv.), en Obed gewon eveneens op indirecte wijze door zijn zoon, wiens naam niet bekend is, Jessai of Isaï “Ruth 4: 22”).
En Jesse gewon David, den koning; en David, de koning, gewon Salomon bij degene die Uría’s vrouw was geweest;
En Salomo gewon Roboam, of Rehabeam (1 Kron. 3: 1vv.), en Rehabeam gewon Abia, en Abia gewon Asa.
En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ahazia, Ahazia gewon Joas, Joas gewon Amazia, Amazia gewon Ozias, Uzzia of Azaria.
Dergelijke samentrekkingen worden ook elders in de Bijbelse geslachtsregisters gevonden (vgl. Ezra 7: 1-5 met 1 Kron. 6: 13). Het is de heilige schrijvers voornamelijk om de hoofdpersonen te doen, en daarbij houden zij zekere getallen, die betekenis hebben, in het oog – zoals hier het getal 14 in alle drie de rijen (1 Kronieken 1: 42). (Dat nu in dit vers juist de namen van Ahazia, Joas en Amazia zijn uitgelaten, is zeker niet willekeurig; deze toch zijn de nakomelingen van de afgodische Izebel van de zijde van haer even zo heidens gezinde dochter Athalia, en wel tot in het 3de en 4de lid. Aan deze wordt de goddelijke bedreiging in Ex. 20: 5 vervuld, zij waren door het vonnis van God ter zijde gesteld (2 Kon. 9: 27; 12: 20vv. ; 14: 19); men moest daarom eigenlijk niet van uitlatingen spreken, de Evangelist slaat slechts die namen over, die de Heere zelf uitgewist heeft, om Zijn woord te bekrachtigen en Zijn waarheid in het helderste daglicht te plaatsen.
En Azaria gewon Joatham of Jotham, en Jotham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias of Hizkia.
En Hizkia gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josia.
En Josia gewon Jechonias, of beter Jojakim, en zijn broeders, Jojakim gewon Jojachin of Jechonia omstreeks de Babylonische ballingschap.
En na de Babylonische ballingschap, toen de ballingschap wel begonnen, maar nog geenszins geëindigd was, gewon Jechonia Salathiël, of Sealthiël, en a) Sealthiël gewon Zerubbabel.
Ezra 3: 2
Volgens 1 Kron. 3: 15-19 is de genealogie van de hier genoemde personen de volgende:
Josia
Johanan – Jojakim – Zedekia (Mattanja) – Sallum
Jechonia (zoon van Jojakim)
Zedekia – Assir
dochter. N. N, Neri (nakomelingen van David door Nathan) van Assir
Sealthiël, Malchiram, Pedaja, Senazan, Jekamja, enz.
Zerubbabel, Simeï.
Zonder twijfel zijn het weer theocratische gezichtspunten, waarom de Evangelist de afstamming niet naar de uitwendige werkelijkheid heeft voorgesteld, maar in de plaats van Jojakim Jechonia (Jojachin) geplaatst heeft zonder zich erom te bekommeren, dat hierdoor de broeder van de vader van de laatste als zijn broeders voorkomen. Een nadere oplossing daaromtrent geven ons de profetische plaatsen Jer. 22: 10vv. en 36: 30vv. Daar wordt Jojakim bedreigd, dat hem tot straf voor zijn ongerechtigheid geen eervolle begrafenis ten deel zal worden en geen van de zijnen op de stoel van David zal zitten. Is nu aanstonds deze aankondiging niet in zeer letterlijke zin vervuld omdat hij, nadat zijn lijk een tijd lang in de open lucht gelegen had, tenslotte toch begraven werd, (en zijn zoon Jechonia of Jojachim hem voor het ogenblik in de regering opvolgde (2 Kon. 24: 8 vv, ), zo is toch zijn naam in een geheel bijzondere zin uit het boek van David weggedaan. Zijn naam, die hij aangenomen schijnt te hebben (2 Kon. 23: 34) in de trotse inbeelding, dat de aan David gegeven belofte op hem sloeg: “Ik zal uw zaad na u doen opstaan hekim), dat uit uw lijf voortkomen zal en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. ” God had hem niet doen opstaan, maar heeft hem ter zijde geplaatst en zijn nakomelingen voor altijd vervallen van de troon verklaard; daarom wordt hij door de Evangelist niet meer genoemd. Aan de ene zijde heeft dan wel zijn zoon Jechonia eveneens zijn vonnis ontvangen; hij werd na slechts 100 dagen geregeerd te hebben in de Babylonische ballingschap weggevoerd (2 Kon. 24: 8vv.), en van zijn nakomelingen heeft niemand meer op de stoel van David gezeten, daar zelfs de laatste koning van Juda, Zedekia, niet zijn zoon, maar zijn oom was (2 Kon. 24: 17vv.). Aan de andere zijde toch was Jechonia degene, die de Heere in de trouw aan Zijn belofte (2 Sam. 7: 12vv.), werkelijk bevestigde of weer oprichtte, zoals zijn naam aanduidt hechin; want niet slechts werd hij in het 37ste jaar van zijn gevangenschap uit de kerker ontslagen (2 Kon. 25: 27vv.), maar door hem werd ook het geslacht van David voortgeplant, daar zijn kleindochter in een nevenlijn van het koninklijk huis huwde. Zo wordt zijn naam in onze stamboom twee maal geteld (vs. 17), eens in geestelijke zin in plaats van de uitgedelgde naam van zijn vader Jojakim (vs. 11), de andere keer ook in lichamelijke zin (vs. 12), zodat wij werkelijk aan hem moeten denken. Het nadere omtrent de afstamming van Zerubbabel, die nu eens als zoon van Sealthiël, dan als zoon van Pedaja wordt voorgesteld, is bij 1 Kron. 3: 19 ontwikkeld. Terwijl daarbij twee wetten, de wet van de erfdochters en die van de leviraatsecht in aanmerking komen, blijkt de veelvuldige wijsheid van God, die deels Zijn woord over Jechonia in Jer. 22: 30 bevestigde: “Schrijft deze man kinderloos, ” en toch aan de andere zijde door hem de koninklijke geslachtslijn van David wilde laten voortbestaan, totdat de Messias kwam, opdat de aan David gegeven belofte vervuld zou worden. Wij zien dus, dat het geenszins onverschillig is, of men over alle namen en leden spoedig heenstapt of ze nader beschouwt. “O had Abraham, had David slechts dit begin van het Evangelie, dit stuk, waarover wij zo spoedig heenstappen, reeds toen gehad, hoe hoog zouden zij het gewaardeerd hebben!”
En Zerubbabel gewon Abiud (1 Kron. 3: 21), en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor.
En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud.
En Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob.
En Jakob gewon Jozef, de man van Maria (vs. 18vv.), uit wie geboren is Jezus, die gezegd, genoemd wordt, om hem van andere mannen met die naam te onderscheiden, met de naam, die Zijn ambt uitdrukt, Christus, d. i. Gezalfde, omdat Hij de Messias is, die aan Israël beloofd is (Joh. 1: 41, 45).
Al de in vs. 2-6 opgetelde geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten (1 Abraham, 2 Izak, 3 Jakob, 4 Juda, 5 Peres, 6 Chesron, 7 Ram, 8 Amminadab, 9 Nachson, 10 Salmon, 11 Baoz, 12 Obed, 13 Isaï, 14 David); en van David tot de Babylonische ballingschap (vs. 6-11), zijn veertien geslachten (1 Salomon, 2 Rehobeam, 3 Abia, 4 Asa, 5 Josafat, 6 Joram, 7 Azaria, 8 Jotham, 9 Achaz, 10 Hizkia, 11 Manasse, 12 Ammon, 13 Josia, 14 Jojakim); en van de Babylonische ballingschap tot Christus (vs. 12-16 zijn veertien geslachten, (1 Jechonia, 2 Sealthiël, 3 Zerubbabel, 4 Abiud, 5 Eljakim, 6 Azor, 7 Sadok, 8 Achim, 9 Eliud, 10 Eleazar, 11 Matthan, 12 Jakob, 13 Jozef, 14 Jezus).
De eerste veertien leden tonen ons naar de aardse verhoudingen een opklimmende lijn; het gaat opwaarts tot aan de troon; de tweede lijn vormt een verhevene rij van koninklijke namen; de derde lijn komt voort uit het gericht van de Babylonische ballingschap en stelt een afdalende lijn voor, die tenslotte op de timmerman Jozef uitloopt.
Onder de drie perioden van deze stamtafel bevat de eerste de Patriarchen; het is de tijd van de belofte; de tweede bevat de koningen; het is de tijd, waarin de Messias nader wordt voorgesteld, de tijd van de profetie; de derde bevat de bijzondere personen; het is de tijd van de verwachting.
Wij ontmoeten hier en in Luk. 3 in de beide geslachtsregisters weliswaar slechts een kale stamboom van namen; maar een boom, die bij een nadere beschouwing begint groen te worden, ja met welig loof overdekt wordt en een dieper indringen zelfs met duizend geurige bloesems en verkwikkende hemelvruchten zal belonen. Reeds het register op zichzelf, zoals het in zijn leden door duizenden jaren heengaande, voor ons ligt, dwingt ons een niet geringe bewondering af. Er zijn families onder ons, die het zich tot hoge roem en adel rekenen, hun geslachtslijn tot op het 18de of 20ste lid te kunnen terugvoeren. In het familieregister van de maagd Maria (Luk. 3) hebben wij een stamboom voor ons, die in rechte lijn door 40 eeuwen op 117 voorvaders terugziet, en die met zijn laatste wortelvezels tot het begin van de wereld reikende, al die oudvaders met name opvoert. Reeds dit is iets onvergelijkelijks en ongehoords; reeds dit is een omstandigheid, die meer dan een gewoon menselijke schikking laat vermoeden. Beschouwen wij nu de voorvaders van onze Heere in vs. 2vv. nader, dan zijn de personen, die de stamboom vormen, over het geheel zodanige aan wie grote genade bewezen is, zij zijn mensen, die pas toen begonnen iets te zijn, toen het God behaagde iets tot lof van Zijn heerlijke genade van hen te maken. Waardoor toch had een Juda het verdiend, dat God hem tot een stamvader van Christus verhief? Waardoor maakte een Abraham het zich waardig, dat hij uit de heidenen geroepen werd en tot een voorvader van de beloofde Middelaar werd uitverkoren? Waardoor verkreeg David de eer, dat de Messias Davids zoon genoemd zou worden? Het is duidelijk, dat ons dit een vingerwijzing moet zijn, hoe het geestelijke huis van de Heere uit enkel kinderen van de genade bestaat, dat hier die eigen waardigheid in aanmerking komt, en geen andere verdienste dan die van het hoofd, hier wordt toegelaten. Zien wij verder, zo ontmoeten wij in de rijen van de vaderen van Christus ook enkele heidenen. Een heidin was de Moabitische Ruth, een heidin de Kanaänitische Rachab. Een liefelijke wenk! Ja, de Beloofde wilde komen om met Zijn zaligend licht de perken van het Jodendom door te breken en Zich ook door diegenen te laten vinden, die Hem niet zochten en degene, die niet naar Hem vroegen, toe te roepen: “Ziet hier ben Ik, hier ben Ik” (Jes. 65: 1). Zien wij de leden van deze stam uit een moreel oogpunt aan, die mensen waren het in dat opzicht? Slechts heiligen en uitzonderingen, wat vlekkeloosheid en deugd aangaat? Men zou het gedacht hebben, maar hoe geheel anders bevinden wij het! Ziet, daar is Juda. Waarlijk niet in een lichtgewaad van de onschuld treedt hij u tegemoet (Gen. 38); daar is Rachab, en gij weet, bij wie zij geplaatst moet worden, voordat God Zich over haar ontfermde (Jos. 2); daar is David, er wordt, en niet zonder betekenis, van hem gezegd: “Hij gewon Salomo bij degene, die Uria’s vrouw was geweest” (2 Sam. 11 en 12). Wat zegt gij van dit gezelschap? Ziet, zulke zondaars schaamde de Heere van de hemel Zich niet Zijn broeders te noemen! En dat de Messias midden in de hoop van zulke mensen staat, hoe luid predikt dit de grote waarheid: “waar de zonde meerder is geworden, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; ” hoe duidelijk wordt hier de vertroosting voor ogen gesteld dat geen zondaar, al ware hij de slechtste onder de slechten, enige reden of oorzaak heeft, vanwege zijn zonden zich van het heil in Christus uitgesloten te beschouwen, en hoe hartroerend en bemoedigend roept het de bevreesden en beangsten in de voorhoven van het rijk van de genade toe: “De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. “
Wie Maria kenden als een erfdochter, die naar de wet verplicht was in haar geslacht te trouwen, moesten uit dit register besluiten dat ook zij uit het geslacht van David was. Wie haar niet kenden en het wonderbare bij de geboorte van de Heiland of niet wisten of het niet geloofden, konden door dit geslachtsregister van het vooroordeel, dat de lust tot nader onderzoek van de waarheid bij hen uitdoofde, het vooroordeel tegen een Messias, die de zoon van een timmerman was uit Nazareth in Galilea, genezen worden omdat deze timmerman van David’s geslacht was. Dit geslachtsregister gaf dus Mattheus bepaaldelijk ten dienst van de Palestijnse Joden van zijn tijd.
Abraham en David staan aan het hoofd – voorzeker! ieder van deze namen is een centenaar zwaar, en is tot een geestelijk logaritme en symbool geworden; doch wat zijn hun namen bij de gezegende naam van de Zoon van God, dan stofjes aan de weegschaal, dan druppels aan de emmer? – In deze geslachtslijn vinden wij alle soorten van mensen, groten en geringen, gelovigen en ongelovigen; en daarmee is deze geslachtslijst reeds op zichzelf een prediking van het Evangelie, die Gods vrije genade verkondigt in Christus aan allen zonder aanzien des persoons; en naast de goddelijke waarheid: dat ook de gruwelijkste zonde in Christus vergeving heeft, staat de andere goddelijke waarheid: dat alleen Gods verkiezing en Gods weg Gods doel bereiken.
II. Vs. 18-25.KruisverwijzingenJesaja 7:14→Jesaja 9:6→Handelingen 13:23→Handelingen 5:31→Johannes 1:29→Lukas 2:21→Handelingen 4:12→Lukas 1:31→
— De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten. En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest; En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende: Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen; En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
In het voorafgaande geslachtsregister had de Evangelist Jezus in genealogisch opzicht geheel als een lichamelijke zoon van Jozef behandeld, hoewel Hij slechts zijn pleegzoon was. Het is thans zijn doel aan de ene zijde de lichamelijke afstamming van Jozef tegenover het gewone volksgeloof (hoofdstuk . 13: 55vv.) met evenveel beslistheid tegen te spreken, als aan de andere zijde het genealogisch behoren tot Jozef aan te wijzen, even alsof er een lichamelijke afstamming aanwezig geweest ware. Dit dubbele doel bereikt hij door een familiegeschiedenis mee te delen, waarin een bepaalde belofte van het Oude Testament vervuld wordt. Jezus, door Zijn moeder in haar maagdelijke staat ontvangen door de Heilige Geest, is in de volle zin, wat volgens het woord van de profeet Jesaja de toekomstige Messias zou zijn, namelijk de Emmanuel, d. i. God met ons. Daar vervolgens Jozef Maria met de nog ongeboren vrucht, overeenkomstig het goddelijk bevel, in echtelijke verbintenis opgenomen heeft, en voor de gehele tijd tot aan de geboorte zich van echtelijke gemeenschap onthouden heeft, heeft hij daardoor aan de eerste zoon van zijn vrouw zijn eigen karakter als David’s zoon meegedeeld op een wijze, die aan Zijn karakter als Emmanuel geen schade veroorzaakt.
De geboorte van Jezus Christus was nu aldus. Was in vs. 16 gezegd – niet, dat Jozef Hem gewon, maar dat hij de man was van Maria, uit wie Jezus geboren is, zo willen wij nu nadere verklaring van dit grote geheim geven: a) want als Maria, Zijn moeder, te voren met Jozef ondertrouwd was, met hem verloofd was, eer zij als gehuwden samengekomen waren, werd zij na haar terugkeer van het bezoek aan Elizabeth tegen het einde van het jaar 5 voor Chr. Luk. 1: 56), als reeds gedurende drie maanden zwanger bevonden, en wel uit de Heilige Geest, hetgeen echter Jozef, haar bruidegom niet wist; hij kon, toen haar toestand openbaar geworden was, slechts denken, dat zij de hem verschuldigde trouw gebroken had.
a)Luk. 1: 27, 34
Wat in Luk. 1: 35 aan Maria was gezegd, en ook spoedig na het heengaan van de engel met haar gebeurde, was veel te teder en te onbegrijpelijk om daarvan Jozef verteld te kunnen hebben. Zij haastte zich liever naar haar bloedverwante Elizabeth en ontdekte dat daar haar geheim reeds bekend was, zodat zij zelf het niet behoefde te ontdekken (Luk. 1: 39vv.). Maar hoe zwaar zal haar na het oponthoud van drie maanden te Hebron, het terugkeren naar Nazareth zijn geweest! Wat zou zij tegen Jozef zeggen? en wanneer zij het zei, hoe zou hij hier geloof aan hechten? Toen heeft zij zich gedragen volgens Ps. 39: 10 en haar woord in Luk. 1: 38 nog eens bevestigd.
Het eerste wat de Heer der heerlijkheid, nadat Zijn bestaan bekend was geworden, droeg nog onder het hart van Zijn moeder, was smaad. De moeder van de Heere behoeft niet voor haar eer te zorgen, daar zorgt God voor, ook haar Zoon zou zich niet verdedigen en niet zelf Zijn eer zoeken (Joh. 8: 50). Maria zweeg. Door heel het Evangelie heen is het karakter van Maria: stil te zijn en te zwijgen; zij bewaarde de woorden van God in haar hart en dacht er veel over na zonder er veel over te spreken. Er is een zwijgen uit zwakheid en uit ontzag voor de mensen, maar ook een zwijgen uit zelfbeheersende onderwerping aan het woord van God. Dit laatste is een zwijgen uit geloof, en dit was het zwijgen van Maria.
Het geheim van Christus’ vleeswording moet verheerlijkt worden, niet in nieuwsgierigheid onderzocht. Het was zo beschikt, dat Christus deelgenoot van onze natuur zou worden en toch vrij zou zijn van de vlek van de erfzonde, die al het nageslacht van Adam gemeen heeft.
Jozef nu, haar man, haar verloofde, die na de ontdekking zich tegenover haar in dezelfde rechtstoestand bevond, als een gehuwd man ten opzichte van zijn hem trouweloos geworden vrouw (Deut. 22: 13vv.), als hij rechtvaardig was, aan de ene zijde op zijn eer stond en die, zoals hij meende, geschonden tot zijn vrouw wilde nemen, aan de andere zijde ook verschonend, omdat hij aan haar overigens hem bekende edele gezindheid dacht, en haar niet openbaar te schande wilde maken, haar niet voor het gerecht wilde brengen en openlijk als echtbreekster laten veroordelen, was van zins haar heimelijk te verlaten, haar in stilte te laten gaan, haar zonder opgaaf van de eigenlijke reden een scheidsbrief (Deut. 24: 1) te doen toekomen.
De Evangelist laat ons een blik werpen in de ontzettend treurige toestand van de maagd, die door haar verloofde miskend en verlaten werd, en daarin een opmerkelijk voorteken van de toekomstige miskenning en van de verlatenheid van haar zoon zien. Daarom is echter ook haar rechtvaardiging door de engel (vs. 20) des Heren een voorteken van de verheerlijking van Christus, Maria’s verlatenheid was een type van de verlatenheid van Gethsemané en aan het kruis.
Tot het geven van zo’n scheidbrief waren slechts twee getuigen nodig en daarbij werd alle opspraak vermeden.
En als hij deze dingen in de zin had, 1) nog voordat hij het besluit ten uitvoer kon brengen, ziet, de engel des Heren, die de eenvoudigen bewaart, opdat zij niet tot dwaasheid keren (Ps. 116: 6; 85: 9), verscheen hem in de droom, 2), zeggende: Jozef, gij zoon van David, afstammeling van het geslacht, waaruit de Messias moet voortkomen! wees niet bevreesd Maria, uw bruid, hoewel zij zwanger is, als uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, de vrucht, die zij nog ongeboren onder het hart draagt, dat is niet zoals gij meent, een vrucht van ontrouw, maar het is uit de Heilige Geest.
Blijkbaar haastte Jozef zich niet, maar overdacht bij deze allergewichtigste zaak met grote behoedzaamheid. Bij ons doet de boosheid zulke zaken gewoonlijk in allerijl plaatsvinden, maar daarom is er ook bij ons zo veel overhaasting.
Het is opmerkelijk, dat de nieuwtestamentische Jozef, Jakob’s zoon, eveneens zijn openbaringen doorgaans in de vorm van dromen ontvangt, als de oudtestamentische. Dit wijst twee zaken aan 1) een nog minder ontwikkeld leven van de geeste, 2) een bijzondere reinheid van het tot God gekeerd gemoed.
En zij zal op haar tijd een zoon baren, en gij, a) de door God verkoren pleegvader, zult Zijn naam geven 1) Jezus, 2) d. i, de Heere helpt of redt (Num. 13: 7): want b) Hij zal Zijn volk, allen die geloven, zalig maken van hun zonden. 3)
Luk. 1: 31 b) Hand. 4: 12
Hiermee gaf de engel aan Jozef het pleegvaderschap over het kindeke.
In hoeverre Jozua, de zoon van Hun, een voorbeeld van Christus was, vergelijk daarover het opschrift boven het boek van Jozua 1: 1). Behalve deze Jozua komen nog mannen met dezelfde naam voor in 1 Sam. 6: 14 en 2 Kon. 3: 8 In de tijd na de ballingschap vinden wij daarvoor de naam Jozua. Zo heet 1) de Hogepriester (Zach. 3: 1vv. ; 6: 11vv.), zoon van Jozadak, die bij de vrijlating van de Joden uit de Babylonische ballingschap naar Jeruzalem terugkeerde en naast Zerubbabel aan het hoofd van het volk stond (Ezra 2: 2). 2) Jezus, de zoon van Sirach, een te Jeruzalem wonende Jood, vervaardiger van de verzameling van zedenspreuken, die onder zijn naam in de apocriefe boeken aanwezig is (Sir. 50: 29vv.). Ten tijde van het Nieuwe Testament was de naam in het geheel niet ongewoon Kol. 4: 11); naderhand werd hij echter aan niemand meer gegeven, want voor de Christenen was de naam te heilig en te verheven, voor de Joden daarentegen te veracht en gehaat geworden.
Verlost worden van de zonden en zalig worden van de zonden is één.
De Heere Jezus is niet gekomen, om gelukkigen gelukkiger, goeden nog beter te maken; Hij is niet gekomen tot een mensengeslacht, dat Hem ook zou hebben kunnen missen, zich desnoods ook zonder Hem had kunnen redden en raad zou hebben geweten, en dat ook zonder Hem, al was het dan iets minder, gelukkig geweest en zalig zou geworden zijn. Neen! Hij is tot een geslacht gekomen dat, aan zichzelf overgelaten, in zijn natuurlijke toestand, ongeneeslijk verdorven, onherstelbaar verloren, hulpeloos ellendig is, en in zichzelf en in de gehele het omgevende natuur niets heeft, waardoor het geholpen zou kunnen worden; zo verdorven, dat het het verderf niet meer als zodanig kent, zover verdwaald, dat het in het geheel niet meer weet, waarvan het is afgedwaald en in het geheel aan geen terugkeren meer denkt en gelooft; zo hoogst ellendig, dat het zich van ellende en jammer gewend heeft en vrolijk is in een toestand, waarin eigenlijk niemand meer vrolijk kan zijn, dan wanneer hij niet goed bij zijn zinnen is. Want werkelijk zijn zonde en dood twee zulke verschrikkelijke zaken, dat men zou denken dat een mens geen enkel vrolijk ogenblik zou kunnen hebben, zolang hij niet hoopte en wist daarvan verlost te zijn; en voorzeker, hij zou dat ook niet hebben, wanneer hij goed bij zijn verstand was. Wanneer nu echter de mens door Jezus Christus van het verderf gered en geheeld wordt, wanneer Deze de ellende uit hem wegneemt, dan komt hij juist daardoor tot heil, zo wordt hij juist daardoor zalig gemaakt, en daarom staat hier het woord “zalig maken” op de juiste plaats, want dat is het doel, daarnaar het streven.
De Zaligmaker van Zijn volk, dat is van allen, die geloven uit Israël en uit de volken, want in Christus geldt besnijdenis noch voorhuid, maar enkel het nieuwe schepsel dat geboren wordt uit water en Geest en leeft uit het geloof. De Zaligmaker van de zondaren! Ziedaar dan de naam en de titel van onze Heer. Werelden van zaligheid en heerlijkheid liggen erin. De eeuwige halleluja’s van allen, die zalig worden, worden eruit geboren. Mochten wij allen gelovig zeggen: “voor ons is Hij geboren, want wij zijn zondaren en Hij is de Zaligmaker van de zondaren”. Doch let nu op de juistheid van de Schrift. De engel zegt niet in het algemeen: “Hij zal de zondaren, ” maar: “Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden, ” die zondaren, die Zijn volk zouden uitmaken, Christus zou zich uit de zondaren een eigen volk reinigen, dat ijverig zou zijn in goede werken (Tit. 2: 14). Dat dan niemand mene zalig te zullen worden, zonder tot het volk van de Heere te behoren, en om tot het volk van de Heere te behoren, moet men zich zoals men is, als zondaar afzonderen, aan Hem overgeven, om in Hem en in Hem alleen gereinigd, gezaligd en verheerlijkt te worden door de Heilige Geest tot heerlijkheid van de Vader.
Hij verlost hen van de schuld van de zonde door hen te wassen in Zijn eigen schulduitdelgend, verzoenend bloed. Hij verlost hen van de heerschappij van de zonde door in hun harten uit te storten de heiligmakende Geest. Hij verlost hen van het aanwezig zijn van de zonde, wanneer Hij hen uit deze wereld neemt, om bij Hem te zijn, Hij zal hen verlossen van al de gevolgen van de zonde, wanneer Hij hun op de laatste dag een heerlijk lichaam geven zal. “Jezus” is een zeer moedgevende naam voor zwaar beladen zondaars. De zielen, die naar zaligheid verlangen, mogen met vrijmoedigheid dicht tot de Vader naderen en hebben de toegang met vertrouwen door Christus, “Jezus” is de naam, die voor de gelovigen bijzonder liefelijk en dierbaar is. Het Hooglied spreekt de ervaring uit van menigeen, waar het zegt (Hoogl. 1: 8): “Uw naam is een olie, die uitgestort wordt. ” Gelukkig de mens, die niet vertrouwt op onbestemde begrippen van Gods barmhartigheid en goedertierenheid, maar op Jezus.
Het volk van Jezus is een wondervolk van de wonderkoning. Het is één in Christus en verstrooid onder de volken. Het is er, voordat het verschijnt (de uitverkorenen), en het verschijnt voordat het er is (het typische volk van God onder het Oude Verbond). Het lijdt met Christus tot aan schijnbare ondergang en triomfeert met Hem in eeuwigheid.
En dit alles, namelijk dat Maria zwanger werd, nog voordat zij van een man wist, en wel, zoals de engel verklaarde, uit de Heilige Geest, en dat nu de zoon, die zij zou baren, niet anders dan Jezus zou heten, is gebeurd, opdat vervuld zou worden, hetgeen 735 jaar eerder over de Heere gesproken is door de profeet Jesaja in Jes. 7: 14 van zijn boek, zeggende:
Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een zoon baren, en gij zult Zijn naam noemen Emmanuel; dat is vertaald in onze taal: God met ons, welke naam niet alleen de goddelijke oorsprong aanwijst, maar Hem ook voorstelt, als degene, in wie de Heere helpt.
God brengt niet een uitkomst teweeg, omdat enig profeet die voorzegd heeft, maar de profeet was geïnspireerd om het te voorzeggen, omdat God de uitkomst vooraf besloten had.
De toepassing van de profetieën door de Evangelisten op Christus moet juist zijn, want indien dezelfde Geest, die de profetieën in het Oude Testament heeft ingegeven, de verklaring in het Nieuwe ingaf, kon Hij het best verzekeren van wie zij verklaard moesten worden.
Wanneer de Evangelisten in de geschiedenis van het leven van Gods Zoon op aarde de uitdrukking gebruiken: “opdat vervuld zou worden” en daarbij plaatsen uit het Oude Testament aanhalen, dan is hun mening niet, wat men hun zo menigmaal als hun mening opdringt, dat zij slechts willen wijzen op enige, dikwijls ver verwijderde gelijkvormigheid tussen die uitspraken van het profetische geschrift, dat zij aanhalen, en de gebeurtenissen, die zij meedelen, ongeveer alsof zij slechts wilden zeggen: “Hier kan men toepassen, wat daar of daar staat geschreven, hier mag men wel zeggen wat de profeet zegt”. Neen! zij zien integendeel deze gebeurtenissen als over het algemeen noodzakelijke, bepaald en lang te voren voorzegde gevolgen aan, die zo moesten plaatsvinden, die niet anders konden gebeuren en niet mochten uitblijven omwille van Gods waarheid. Zij geloofden, dat bij die uitspraken reeds op deze gebeurtenissen gezien was, dat men, voordat deze gebeurtenissen plaats hadden gevonden, het recht had, ze juist zoals zij plaatsvonden, te verwachten, en dat men ze zo heeft moeten verwachten, wanneer men die uitspraken voor goddelijk hield en aan de waarachtigheid van God niet twijfelde. Zij halen echter dikwijls uitspraken aan van de profeten, die ten tijde dat de profeten ze voordroegen, zonder twijfel met toen aanwezige of zeer spoedig volgende gebeurtenissen verklaard werden, en ook volgens Gods bedoeling daarmee verklaard moesten worden. Maar het goddelijk doel, de bedoeling van de Heere bij zo’n woord, reikte verder in de toekomst, alzo, dat zij toen slechts in het kleine en bijna slechts in oneigenlijken zin, daarentegen door de geschiedenis van de Messias in het groot en in de eigenlijke zin werd vervuld, en het nabij zijnde, het spoedig volgende, het kleine tot een symbool, beeld en onderpand van het verwijderde, toekomstige en grote kon en moest dienen.
Deze eigenaardige inrichting en voorstelling van de Schrift dat het leven en zijn van het Oude Testament een spiegel van het nieuwtestamentische leven moest zijn, en voornamelijk in de persoon van Christus, als de vertegenwoordiger van het Nieuwe Testament, alle draden van de oudtestamentische gedachten en inrichtingen zich als in hun middelpunt verenigen, spreekt zij ook in de hier aangehaalde passage van Jesaja uit. De onmiddellijke zin van de woorden in die passage vordert zeker, dat zij van iets toen aanwezigs verklaard worden; de maagd, waarvan sprake is, is de in Jes. 8: 3 vermelde gade van de profeet, en de uit haar ten gevolge van buitengewone werking van God (Jes. 7: 16) geboren zoon, is voor de koning Achaz een nabijzijnd, een kennelijk teken, dat binnen bepaalde tijd de hem gegeven toezegging vervuld zal worden, Haar hogere betrekking echter heeft de voorzegging op de Messias, die eens als een teken van de ongelovige wereld, die Achaz vertegenwoordigt, uit een maagd in de eigenlijke zin van het woord geboren zou worden en wezenlijk en waarachtig een Emmanuel zou zijn.
“Naar het mij voorkomt, ” zo verklaart van Heiningen naar onze mening terecht: “bevat vers 14 en 15 op de aangehaalde passage van Jesaja een tussenrede, waarin de Geest van de voorspelling eeuwen vooruitloopt en zich Maria voorstelt, David’s dochter, de moeder van de grote Koning. Deze voorstelling werd in de geest van de profeet levendig door het ongeloof van Achaz, die weigerde de voorspelling aan te nemen, dat hij van zijn vijanden, die niets minder dan de uitroeiing van het gehele geslacht van David in de zin hadden, verlost zou worden. De gedachte aan de uitroeiing van David’s geslacht verheft zijn geest tot de belofte van God aan deze gedaan, en die herinnering dringt hem tot de uitroep: “Zie de maagd enz. , ” waardoor hij het onmogelijke van deze uitroeping als levendig voor zich ziet. En nu gaat hij over tot de aankondiging van het teken, dat de Heere geven zou, dat namelijk het land, dat Achaz nu zo veel bekommering baarde, spoedig van zijn twee koningen verlaten zijn. Het knechtje, waarvan in vs. 16 gesproken wordt, is niet de zoon van de maagd, maar het jongetje van Jesaja, dat hij op uitdrukkelijk bevel van de Heere met zich genomen had (vs. 3). Indien hier een kind bedoeld was, dat nog geboren moest worden, dan zou er nog vrij veel hebben kunnen voorvallen, vóórdat het geruststellend teken kwam. De gehele toon van vs. 14 en 15 is die van de uitroeping. Alle Joodse Schriftverklaarders verstonden deze plaats op dergelijke wijze.
God gaf niet aan Achaz, maar aan zijn stamhuis een teken tegelijk uit de hoogste hoogte en de diepste diepte, niet voor het ogenblik, waarin Jesaja sprak, maar voor geheel de toekomst. De Zoon van God zou neerdalen uit de hoogste hemelen en neerdalen in de nederste delen van de aarde, onder het hart van een vrouw, en vandaar op de aarde, en in het hart van de aarde, in het graf, om vandaar weer op te staan en weer op te varen boven alle hemelen. De naam Emmanuel is een profetische naam, die meer bepaald Zijn persoonlijk wezen, Zijn God- en mensheid, uitdrukt, terwijl de naam Jezus, behalve Zijn wezen meer bepaald Zijn werk uitdrukt. In het “met ons zijn” ligt het zalig maken opgesloten.
De aanhaling van die beroemde godsspraak was bijzonder geschikt, om Jozef te verzekeren, dat de wonderzoon, waarvan Maria door een buitengewone tussenkomst van het goddelijk alvermogen bevrucht was, de beloofde Messias was, de goddelijke Verlosser van zondaren, die reeds in het paradijs werd toegezegd.
Jozef dan, opgewekt zijnde van de slaap, en zich zeer goed bewust dat het droomgezicht geen voortbrengsel van zijn eigen verbeeldingskracht, maar een goddelijke openbaring was, deed in eenvoudige gehoorzaamheid, zoals de engel des Heren hem bevolen had, en heeft Maria als zijn vrouw), tot zich genomen, in zijn huis, waardoor hij, naar het gebruik van die tijd, toen er nog geen sluiten van het huwelijk op de bij ons gewone wijze bestond), de echt met haar sloot.
En bekende haar niet, uit eerbied voor de heilige vrucht, die zij onder haar hart droeg, totdat zij haar eerstgeboren zoon gebaard had (Luk. 2: 1vv.), en noemde Zijn naam, bij gelegenheid van de besnijding van het kind op de achtste dag (Luk. 2: 21): Jezus, zoals de engel des Heren hem dat bevolen had.
De uitdrukking “totdat zij haar eerste zoon gebaard had” wil slechts zo veel zeggen, dat Jozef tot aan het genoemde tijdstip niet in geslachtsgemeenschap met Maria getreden is, zonder iets aan te geven, of naderhand zo’n gemeenschap heeft plaatsgevonden of niet (Gen. 8: 7, Ps. 110: 1; 1 Tim. 4: 13); aan de laatste zaak was tot zaligheid niets gelegen; slechts tot aan de geboorte van de Heiland zelf is de bewaring van het maagdelijke van Maria van belang. Terwijl men in het begin in de Christelijke kerk meestal aannam, dat Maria later met Jozef naar de vorm gehuwd en hem kinderen gebaard heeft, vond reeds Basilius de Grote (geb. 330 of 331 na Chr. ; overl. 379) hierin een tegenspraak tegen het godsdienstig gevoel; spoedig daarna bestreed Epifanius (geb. 439, overl. 494 na Chr.) de aanhangers daarvan onder de naam van Antidikomarianieten (tegenstanders van Maria) als ketters, en Hieronymus (geb. 331 overl. 420 na Chr.) plaatste Hebridius, die dezelfde mening voorstond, op een gelijke trap met de verwoester van de tempel te Efezus, Herostratus (1 Makk. 1: 4); want hij ontwijdde door zijn bewering de tempel van de Heilige Geest, de moederschoot van Maria. De mening breidde zich zo steeds meer uit, dat het ondenkbaar was, dat uit dezelfde schoot, die Christus naar het vlees gebaard had, nog een andere geboorte zou voortgekomen zijn; de echt van Maria met Jozef was integendeel slechts een schijnecht geweest, volgens Origenes (geb. 185 overl. 255 na Chr.) daarom noodzakelijk, opdat de vorst van de wereld het geheim van de maagdelijke geboorte van Jezus verborgen zou blijven en voor Jozef daardoor mogelijk, dat hem op bijzondere wijze de gave van de kuisheid door God was verleend. Dergelijke gedachten hebben er ook vele protestantse theologen toe gebracht, om een bestendige maagdelijke staat van Maria aan te nemen (waaronder ook Luther), waardoor dan de volgende vraag, of de in hoofdstuk . 13: 55vv. vermelde broeders van de Heere Zijn lichamelijke broeders of slechts zijn neven zijn, van zelf opgelost is. Men neemt dan de uitdrukking “haar eerstgeboren zoon, ” (wat in die zin bedoeld is, waarin ook Ex. 13: 2 staat, en waardoor slechts gezegd wordt, dat voor hen geen ander uit de moederschoot is voortgekomen, zonder enigszins te bepalen, of er na hem nog andere kinderen gevolgd zijn of niet) in de zin van haar enige zoon en zegt: Het schijnt nu ook geheel overeenkomstig de aard van de zaak, dat de laatste Davidische, uit het geslacht waaruit de Messias geboren is, nu ook met deze laatste spruit haar geslacht besloot. ” Anderen daarentegen verwerpen de gedachte van een voortdurende maagdelijke staat van Maria en een schijnhuwelijk van Jozef en houden de broeders van de Heere voor Zijn lichamelijke broeders. Wij komen daarop in hoofdstuk . 2: 23 terug; hier hebben wij nog een andere vraag te beantwoorden. Wanneer aan de ene zijde de ontvangenis van Christus door de Heilige Geest met Zijn gehele bestemming, om de Heelmeester en Verlosser van de zieke mensheid te zijn, in noodzakelijke samenhang staat, omdat onmogelijk iemand, die zelf uit de verloren mensheid voortkwam, de ellenden waaraan zij lijdt, zou hebben kunnen helen, zo komt aan de andere zijde deze ontvangenis alleen overeen met de voor het geloof onwankelbaar vaststaande daadzaak, dat in Christus het woord vlees geworden is, terwijl Hij, die reeds te voren bestond, op generlei wijze, ook niet naar Zijn menselijke natuur, eerst nog verwekt kon worden. Hiermee is de gedachte, die men nu en dan heeft willen doen gelden, dat even zo goed, als bij de ontvangenis de overgang van het zondige van Maria op Jezus moest verhinderd worden, die ook bij een verwekking door Jozef had kunnen teruggehouden worden, als een onnutte en verkeerde aangewezen; bovendien had God dat, wat Hem wordt toegeschreven, namelijk de menselijke wil van elke zondige lust in de daad tot de verwekking te bevrijden, slechts op magische en gewelddadige wijze tegen de natuur van de door Hemzelf gestelde vrijheid kunnen volbrengen. Ook afgezien daarvan zou het product van de verwekking door de ouders steeds een zelfstandige, in zichzelf afgesloten persoonlijkheid zijn geweest, waarmee de Zoon van God Zich slechts op mystische wijze had kunnen verbinden, waarmee Hij echter niet een ondeelbare godmenselijke persoonseenheid had kunnen vormen. Wat eindelijk de ware voorstelling over de ontvangenis door de Heilige Geest aangaat, zo hebben wij daaraan te denken, dat de stof voor de vorming van een nieuw mensenleven in de vrouw ligt; de man komt het toe slechts de in de vrouw voorhanden kiem op te wekken, levend te maken en tot individuele ontwikkeling te brengen; deze functie van het opwekken is het dus, die de Heilige Geest te verrichten heeft, terwijl de omstandigheid, dat de stof tot vorming van de mensheid van Christus alleen van de vrouw wordt genomen, de waarheid, werkelijkheid en volkomenheid van Zijn mensheid bewijst.
Op welke voet Jozef en Maria later leefden is voor ons van zo weinig belang, dat het een wonder is, dat het een onderwerp van twist geweest is.
Dat Jezus de eerstgeboren zoon van Maria was, veronderstelt dat Maria ook uit haar huwelijk met Jozef de moederzegen ontving, anders zou de Heer de eniggeboren Zoon van Maria genoemd zijn, dat Hij nergens in de Schrift genoemd wordt. De tegenovergestelde mening is een Roomse dwaling om daarmee Maria te verafgoden. Het huwelijk is geen onheilige, maar een heilige zaak voor heilige mensen, maar wij mensen willen altijd nog heiliger zijn dan de Schrift, en maken daardoor het heilige onheilig. Waren onder de ceremoniële wet alle eerstgeborenen het bijzonder eigendom van de Heere, zo worden nu allen, die geloven, gerekend in Christus eerstgeborenen van God te zijn. Daarom noemt de Schrift (Hebr. 12: 23) de opgeschrevenen in de hemel de gemeente van de eerstgeborenen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel