Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
InG1722 dezelfde dagenG2250, als er een geheelG3827 grote schareG3793 wasG1510, enG2532 zij niets haddenG2192 watG5101 zij etenG5315 zouden, riepG4341 JezusG2424 Zijn discipelenG3101 tot Zich, en zeideG3004 tot henG846:
In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niets hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen:
KJV
In1
those2
days4
the multitude6
being
very great,5
and8
having10
nothing9
to eat,12
Jesus15
called13
his18
disciples17
unto him, and saith19
unto them,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik word innerlijk met ontferming bewogenG4697 overG1909 de schareG3793; wantG3754 zij zijn nu drieG5140 dagenG2250 bij MijG1473 geblevenG4357, enG2532 hebbenG2192 nietG3756, watG5101 zij etenG5315 zouden.
Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden.
KJV
I have compassion1
on2
the multitude,4
because5
they have9
now6
been
with me
three8
days,7
and11
have13
nothing12
to eat:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 indien Ik hen nuchterenG3523 naarG1519 hun huisG3624 laat gaan, zo zullen zijG846 op den wegG3598 bezwijkenG1590; wantG1063 sommigenG5100 van henG846 komenG2240 van verreG3113.
En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.
KJV
And1
if2
I send3
them4
away
fasting5
to6
their own8
houses,7
they will faint9
by10
the way:12
for14
divers13
of them15
came17
from far.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 Zijn discipelenG3101 antwoorddenG611 HemG846: Van waar zal iemandG5100 dezenG5128 met brodenG740 hier in de woestijnG2047 kunnen verzadigenG5526?
En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?
KJV
And1
his3
disciples5
answered2
him,6
From whence7
can9
a man10
satisfy12
these
men with bread13
here11
in14
the wilderness?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En Hij vraagdeG1905 hunG846: HoeveelG4214 brodenG740 hebtG2192 gij? En zij zeidenG2036: ZevenG2033.
En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven.
KJV
And1
he asked2
them,3
How many4
loaves6
have ye?5
And8
they said,
Seven.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG2532 Hij geboodG3853 de schareG3793 neder te zitten opG1909 de aardeG1093, enG2532 Hij namG2983 de zevenG2033 brodenG740, en gedanktG2168 hebbende, brakG2806 Hij ze, enG2532 gafG1325 ze Zijn discipelenG3101, opdatG2443 zijG846 ze zouden voorleggenG3908; enG2532 zij legden ze de schareG3793 voor.
En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze de schare voor.
Ook in dit vers
neder zittenG377
leidenG3908
KJV
And1
he commanded2
the people4
to sit down5
on6
the ground:8
and9
he took10
the seven12
loaves,13
and gave thanks,14
and brake,15
and16
gave17
to his20
disciples19
to21
set before22
them; and23
they did set them before24
the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En zij hadden weinigeG3641 visjesG2485; enG2532 als Hij gezegendG2127 had, zeideG2036 Hij, dat zij ookG2532 die zouden voorleggenG3908.
En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen.
KJV
And1
they had2
a few4
small fishes:3
and5
he blessed,6
and commanded
to set8
them10
also9
before
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En zij hebben gegetenG5315, en zijn verzadigdG5526 geworden, en zij namenG142 het overschotG4051 der brokkenG2801 op, zevenG2033 mandenG4711.
En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.
KJV
So2
they did eat,1
and3
were filled:4
and5
they took up6
of the broken8
meat that was left7
seven9
baskets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Die nuG1161 gegetenG5315 hadden, warenG1510 omtrent vier duizendG5070; en Hij lietG630 hen gaan.
Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.
KJV
And2
they that had eaten4
were
about5
four thousand:6
and7
he sent8
them9
away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 terstondG2112 inG1519 het schipG4143 gegaanG1684 zijnde metG3326 Zijn discipelenG3101, is HijG846 gekomenG2064 inG1519 de delenG3313 van DalmanuthaG1148.
En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha.
KJV
And1
straightway2
he entered3
into4
a ship6
with7
his10
disciples,9
and came11
into12
the parts14
of Dalmanutha.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En de FarizeenG5330 gingenG1831 uit, enG2532 begonnenG756 met Hem te twistenG4802, begerendeG2212 van HemG846 een tekenG4592 vanG575 den hemelG3772, HemG846 verzoekendeG3985.
En de Farizeen gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende.
KJV
And1
the Pharisees4
came forth,2
and5
began6
to question7
with him,8
seeking9
of10
him11
a sign12
from13
heaven,15
tempting16
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 HijG846, zwaarlijk zuchtendeG389 in Zijn geestG4151, zeideG3004: WatG5101 begeertG1934 ditG3778 geslachtG1074 een tekenG4592? VoorwaarG281, Ik zegG3004 uG4771: ZoG1487 aan ditG3778 geslachtG1074 een tekenG4592 gegevenG1325 zal worden!
En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!
KJV
And1
he sighed deeply2
in his5
spirit,4
and saith,6
Why7
doth12
this10
generation9
seek after
a sign?11
verily13
I say14
unto you,
There shall no16
sign21
be given17
unto this
generation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En Hij verlietG863 hen, en wederomG3825 inG1519 het schipG4143 gegaanG1684 zijnde, voer Hij wegG565 naarG1519 de andere zijde.
En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.
KJV
And1
he left2
them,3
and entering4
into6
the ship8
again5
departed9
to10
the other side.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En Zijn discipelenG1950 hadden vergeten broodG740 medeG2532 te nemenG2983, en hadden niet dan eenG1520 broodG740 met zichG1438 inG1722 het schipG4143.
En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip.
KJV
Now1
the disciples had forgotten2
to take8
bread,9
neither10
had16
they in19
the ship21
with17
them18
more than
one13
loaf.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 Hij geboodG1291 hunG846, zeggendeG3004: ZietG3708 toe, wachtG991 u vanG575 den zuurdesemG2219 der FarizeenG5330, enG2532 van den zuurdesemG2219 van HerodesG2264.
En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeen, en van den zuurdesem van Herodes.
KJV
And1
he charged2
them,3
saying,4
Take heed,5
beware6
of7
the leaven9
of the Pharisees,11
and12
of the leaven14
of Herod.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG2532 zij overlegdenG1260 onder elkanderG240, zeggendeG3004: Het is, omdatG3754 wij geenG3756 brodenG740 hebbenG2192.
En zij overlegden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And1
they reasoned2
among3
themselves,4
saying,5
It is because6
we have9
no8
bread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 JezusG2424, dat bekennendeG1097, zeideG3004 tot henG846: WatG5101 overlegtG1260 gij, datG3754 gij geen brodenG740 hebtG2192? BemerktG3539 gij nogG3768 niet, en verstaatG4920 gij niet, hebtG2192 gij nog uw verhardeG4456 hartG2588?
En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart?
KJV
And1
when Jesus4
knew2
it, he saith5
unto them,6
Why7
reason ye,8
because9
ye have12
no11
bread?10
perceive ye14
not yet,13
neither15
understand?16
have ye19
your
heart21
yet17
hardened?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
OgenG3788 hebbendeG2192, ziet gij nietG3756? EnG2532 orenG3775 hebbendeG2192, hoortG191 gij nietG3756?
Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?
KJV
Having2
eyes,1
see ye4
not?3
and5
having7
ears,6
hear ye9
not?8
and10
do ye12
not11
remember?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En gedenktG3421 gij niet, toen Ik de vijfG4002 brodenG740 brakG2806 onder de vijf duizendG4000 mannen, hoeveelG4214 volleG4134 korvenG2894 met brokkenG2801 gij opnaamtG142? Zij zeidenG3004 HemG846: TwaalfG1427.
En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeiden Hem: Twaalf.
KJV
When1
I brake5
the five3
loaves4
among6
five thousand,8
how many9
baskets10
full11
of fragments12
took ye up?13
They say14
unto him,15
Twelve.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG1161 toen Ik de zevenG2033 brak onder de vier duizendG5070 mannen, hoeveelG4214 volleG4138 mandenG4711 met brokkenG2801 gij opnaamtG142? EnG1161 zij zeidenG2036: ZevenG2033.
En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.
Ook in dit vers
[brak]G1519
KJV
And2
when1
the seven4
among5
four thousand,7
how many8
baskets9
full10
of fragments11
took ye up?12
And14
they said,
Seven.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
EnG2532 Hij zeideG3004 tot henG846: HoeG4459 verstaatG4920 gij nietG3756?
En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?
KJV
And1
he said2
unto them,3
How4
is it that ye do6
not5
understand?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En Hij kwamG2064 te BethsaidaG966; enG2532 zij brachtenG5342 totG1519 HemG846 een blindeG5185, enG2532 badenG3870 HemG846, datG2443 Hij hemG846 aanraakteG680.
En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte.
KJV
And1
he cometh2
to3
Bethsaida;8
and9
they bring10
a blind man12
unto him,11
and13
besought14
him15
to16
touch18
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En de handG5495 des blindenG5185 genomenG1949 hebbende, leiddeG1806 Hij hemG846 uit buitenG1854 het vlekG2968, enG2532 spoogG4429 inG1519 zijn ogenG3659, en legdeG2007 de handenG5495 op hemG846, en vraagdeG1905 hemG846, ofG1487 hij ietsG1536 zagG991.
En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.
KJV
And1
he took2
the blind man6
by the hand,4
and led7
him8
out of9
the town;11
and12
when he had spit13
on14
his17
eyes,16
and put18
his hands20
upon him,21
he asked22
him23
if
he saw26
ought.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
EnG2532 hij, opziendeG308, zeideG3004: Ik zie de mensenG444, wantG3754 ik zie hen, alsG5613 bomenG1186, wandelenG4043.
En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.
Ook in dit vers
zieG991
zieG3708
KJV
And1
he looked up,2
and said,3
I see4
men6
as11
trees,12
walking.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Daarna legdeG2007 Hij de handenG5495 wederomG3825 opG1909 zijn ogenG3788, enG2532 deedG4160 hemG846 opzienG308. EnG2532 hij werd hersteldG600, enG2532 zagG1689 hen allen ver en klaar.
Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.
Ook in dit vers
ver klaarG5081
KJV
After1
that he put3
his hands5
again2
upon6
his9
eyes,8
and10
made11
him12
look up:13
and14
he was restored,15
and16
saw17
every man19
clearly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
EnG2532 HijG846 zondG649 hemG846 naarG1519 zijn huisG3624, zeggendeG3004: Ga niet in het vlekG2968, en zegG2036 het niemandG5100 in het vlekG2968.
En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.
KJV
And1
he sent2
him3
away
to4
his7
house,6
saying,8
Neither9
go13
into10
the town,12
nor14
tell
it to any16
in17
the town.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
EnG2532 JezusG2424 ging uit enG2532 Zijn discipelenG3101 naarG1519 de vlekkenG2968 van CesareaG2542 FilippiG5376. EnG2532 op den wegG3598 vraagdeG1905 Hij Zijn discipelenG3101, zeggendeG3004 tot henG846: WieG5101 zeggenG3004 de mensenG444, dat IkG1473 benG1510?
En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?
KJV
And1
Jesus4
went out,2
and5
his8
disciples,7
into9
the towns11
of Caesarea12
Philippi:14
and15
by16
the way18
he asked19
his22
disciples,21
saying23
unto them,24
Whom25
do27
men29
say
that I
am?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En zij antwoorddenG611: JohannesG2491 de DoperG910; en anderen: EliasG2243; en anderen: EenG1520 van de profetenG4396.
En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Een van de profeten.
KJV
And2
they answered,3
John4
the Baptist:6
but11
some8
say, Elias;9
and7
others,10
One12
of the prophets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En Hij zeideG3004 tot henG846: MaarG1161 gijlieden, wieG5101 zegtG3004 gij dat IkG1473 benG1510? En PetrusG4074, antwoordendeG611, zeideG3004 tot HemG846: GijG4771 zijtG1510 de ChristusG5547.
En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Gij zijt de Christus.
KJV
And1
he2
saith3
unto them,4
But6
whom7
say9
ye
that I
am?
And12
Peter14
answereth11
and saith15
unto him,16
Thou5
art
the Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
EnG2532 Hij geboodG2008 hun scherpelijkG2008, datG2443 zij het niemandG3367 zouden zeggenG3004 vanG4012 Hem.
En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.
KJV
And1
he charged2
them3
that4
they should tell6
no man5
of7
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
EnG2532 Hij begonG756 hun te lerenG1321, datG3754 de ZoonG5207 des mensenG444 veelG4183 moestG1163 lijdenG3958, enG2532 verworpenG593 worden vanG575 de ouderlingenG4245, enG2532 overpriestersG749, enG2532 SchriftgeleerdenG1122, enG2532 gedoodG615 worden, enG2532 naG3326 drieG5140 dagenG2250 wederom opstaanG450.
En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan.
KJV
And1
he began2
to teach3
them,4
that5
the Son8
of man10
must6
suffer12
many things,11
and13
be rejected14
of15
the elders,17
and18
of the chief priests,19
and20
scribes,21
and22
be killed,23
and24
after25
three26
days27
rise again.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En dit woordG3056 sprakG2980 Hij vrijG3954 uit; enG2532 PetrusG4074, HemG846 tot zich genomenG4355 hebbende, begonG756 HemG846 te bestraffenG2008;
En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen;
KJV
And1
he spake5
that saying4
openly.2
And6
Peter10
took7
him,8
and began11
to rebuke12
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Maar HijG846, Zich omkerendeG1994, en Zijn discipelenG3101 aanziendeG1492, bestrafteG2008 PetrusG4074, zeggendeG3004: Ga heen, achterG3694 Mijn, satanasG4567, wantG3754 gij verzintG5426 nietG3756 de dingen, die GodsG2316 zijn, maar die der mensenG444 zijn.
Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga heen, achter Mijn, satanas, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
KJV
But2
when he had turned about3
and4
looked
on his8
disciples,7
he rebuked9
Peter,11
saying,12
Get thee13
behind14
me,
Satan:16
for17
thou savourest19
not18
the things that be of God,22
but23
the things that be of men.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
EnG2532 tot Zich geroepenG4341 hebbende de schareG3793 met Zijn discipelenG3101, zeideG2036 Hij tot hen: Zo wie achterG3694 MijG1473 wilG2309 komenG2064, die verloocheneG533 zichzelvenG1438, enG2532 nemeG142 zijn kruisG4716 op, enG2532 volgeG190 MijG1473.
En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zeide Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
KJV
And1
when he had called2
the people4
unto him with5
his8
disciples7
also, he said
unto them,10
Whosoever11
will12
come15
after13
me,
let him deny16
himself,17
and18
take up19
his22
cross,21
and23
follow24
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
WantG1063 zo wie zijn levenG5590 zal willenG2309 behoudenG4982, die zal hetzelveG846 verliezenG622; maarG1161 zo wieG3739 zijn levenG5590 zal verliezenG622, om MijnentwilG1700, en om des EvangeliesG2098 wilG1752, die zal hetzelveG846 behoudenG4982.
Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en om des Evangelies wil, die zal hetzelve behouden.
KJV
For2
whosoever1
will4
save8
his7
life6
shall lose9
it;10
but12
whosoever11
shall lose14
his17
life16
for18
my sake
and20
the gospel's,22
the same23
shall save24
it.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
WantG1063 watG5101 zou het den mensG444 batenG5623 zoG1437 hijG846 de gehele wereldG2889 wonG2770, enG2532 zijner zieleG5590 schade leedG2210?
Want wat zou het den mens baten zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed?
KJV
For2
what1
shall it profit3
a man,4
if5
he shall gain6
the whole9
world,8
and10
lose11
his own14
soul?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
OfG2228 watG5101 zal een mensG444 gevenG1325, tot lossingG465 van zijn zielG5590?
Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?
KJV
Or1
what2
shall3
a man4
give
in exchange5
for his8
soul?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
WantG1063 zo wieG3739 zich Mijns en Mijner woordenG3056 zal geschaamdG1870 hebben, inG1722 ditG3778 overspeligG3428 enG2532 zondigG268 geslachtG1074, diensG846 zal Zich de ZoonG5207 des mensenG444 ook schamenG1870, wanneer Hij zal komenG2064 inG1722 de heerlijkheidG1391 Zijns VadersG3962, met de heiligeG40 engelenG32.
Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen.
KJV
Whosoever1
therefore2
shall be ashamed4
of me
and6
of my8
words9
in10
this
adulterous15
and16
sinful17
generation;12
of him24
also18
shall23
the Son20
of man22
be ashamed,
when25
he cometh26
in27
the glory29
of his32
Father31
with33
the holy37
angels.
dezelfde dagen,
Dat is, omtrent denzelfden tijd.
Hertaald:
dezelfde dagen,
Dat is: ongeveer in dezelfde tijd.
innerlijk met ontferming bewogen over de schare;
Of, van harte, hartelijk.
Hertaald:
innerlijk met ontferming bewogen over de schare;
Of: van harte, hartelijk.
drie dagen bij Mij gebleven,
In de hete Oosterse landen konden de mensen den honger langer verdragen dan men in deze landen kan doen.
Hertaald:
drie dagen bij Mij gebleven,
In de hete oosterse landen konden de mensen de honger langer verdragen dan men in deze streken kan.
nuchteren naar hun huis laat gaan,
Dat is, zonder eten.
Hertaald:
nuchteren naar hun huis laat gaan,
Dat is: zonder eten.
En Zijn discipelen antwoordden Hem
Van dit gehele wonder zie ook Matt. 15:32 .
Hertaald:
En Zijn discipelen antwoordden Hem
Zie over dit hele wonder ook Matth. 15:32.
neder te zitten op de aarde,
Grieks, neder te vallen.
Hertaald:
neder te zitten op de aarde,
Grieks: neer te vallen.
gezegend had,
Of, gedankt; zie hiervan Matt. 15:36 .
Hertaald:
gezegend had,
Of: gedankt; zie hierover Matth. 15:36.
in de delen van Dalmanûtha
Zie hiervan Matt. 15:39 .
Hertaald:
in de delen van Dalmanûtha
Zie hierover Matth. 15:39.
twisten,
Dat is, in twist en geschil te komen.
Hertaald:
twisten,
Dat is: in twist en geschil te komen.
zuchtende in Zijn geest,
Namelijk over hunne verkeerdheid en hardnekkigheid.
Hertaald:
zuchtende in Zijn geest,
Namelijk over hun verkeerdheid en hardnekkigheid.
Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden
Dit is een afgebroken manier van spreken, bij de Hebreën gebruikelijk, wanneer men als met ede wil bevestigen dat zulks niet zal geschieden, gelijk te zien is Gen. 14:23 ; Ps. 95:11 ; Hebr. 3:11 . Anders, dit geslacht zal geen teken gegeven worden; namelijk zulk een als zij begeren van den hemel.
Hertaald:
Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden
Dit is een afgebroken manier van spreken die bij de Hebreeën gebruikelijk is, wanneer men als met een eed wil bevestigen dat iets niet zal gebeuren, zoals te zien is in Gen. 14:23; Ps. 95:11; Hebr. 3:11. Anders: aan dit geslacht zal geen teken gegeven worden, namelijk zo'n teken uit de hemel als zij verlangen.
naar de andere zijde
Namelijk van de zee Gennesareth naar Bethsaïda toe, gelijk te zien is vs.22.
Hertaald:
naar de andere zijde
Namelijk van de zee van Gennesareth naar Bethsaïda toe, zoals te zien is in vers 22.
wacht u
Grieks, ziet.
Hertaald:
wacht u
Grieks: ziet toe.
zuurdesem der Farizeën,
Zie hiervan Matt. 16:12 .
Hertaald:
zuurdesem der Farizeën,
Zie hierover Matth. 16:12.
Heródes
Van welken de Herodianen genoemd werden. Zie van dezelve Matt. 22:16 .
Hertaald:
Heródes
Naar wie de Herodianen genoemd werden. Zie over hen Matth. 22:16.
verharde hart?
Grieks, verweerd, of vereeld. Zie de aantekeningen Marc. 6:52 .
Hertaald:
verharde hart?
Grieks: verweerd, of vereelt. Zie de aantekeningen bij Mark. 6:52.
hoeveel volle manden
Grieks, hoe veler manden volheden met brokken.
Hertaald:
hoeveel volle manden
Grieks: hoeveel manden vol met brokken.
verstaat gij niet?
Namelijk hetgeen zo kort en zo openbaarlijk geschied is.
Hertaald:
verstaat gij niet?
Namelijk wat zo kort geleden en zo openlijk gebeurd is.
Bethsáïda;
Een stadje of vlek, gelegen aan de Galilese zee, vanwaar Petrus, Andreas en Filippus afkomstig waren, Joh. 1:45 ; waar Christus ook vele wonderen gedaan heeft, Matt. 11:21 .
Hertaald:
Bethsáïda;
Een stadje of vlek aan de zee van Galilea, waar Petrus, Andreas en Filippus vandaan kwamen, Joh. 1:45, en waar Christus ook veel wonderen gedaan heeft, Matth. 11:21.
spoog in zijn ogen,
Dit teken gebruikt Christus om te tonen dat deze genezing van Hem kwam, en het heeft enige gelijkenis met oogwater, waardoor de zwakke ogen gesterkt worden.
Hertaald:
spoog in zijn ogen,
Dit teken gebruikt Christus om te laten zien dat deze genezing van Hem kwam. Het heeft ook enige overeenkomst met oogwater, waardoor zwakke ogen versterkt worden.
hij, opziende,
Namelijk de blinde.
Hertaald:
hij, opziende,
Namelijk de blinde.
ik zie hen, als bomen, wandelen
Anders, ik zie mensen, als bomen, wandelende.
Hertaald:
ik zie hen, als bomen, wandelen
Anders: ik zie mensen als bomen wandelen.
wederom op zijn ogen,
Christus kon dezen blinde wel dadelijk genezen hebben, gelijk Hij op andere tijden gedaan heeft, maar het schijnt dat Hij zulks alhier allengskens heeft willen doen, om af te beelden dat onze geestelijke verlichting allengskens meer en meer geschiedt.
Hertaald:
wederom op zijn ogen,
Christus had deze blinde ook meteen kunnen genezen, zoals Hij bij andere gelegenheden gedaan heeft. Maar het lijkt erop dat Hij het hier geleidelijk heeft willen doen, om af te beelden dat ook onze geestelijke verlichting geleidelijk meer en meer gebeurt.
Ga niet in het vlek,
Zie de reden van dit verbod, Matt. 12:16-17 .
Hertaald:
Ga niet in het vlek,
Zie de reden van dit verbod bij Matth. 12:16-17.
Cesarea Filippi
Zie van deze stad Matt. 16:13 .
Hertaald:
Cesarea Filippi
Zie over deze stad Matth. 16:13.
de Christus
Dat is, de beloofde Messias of Gezalfde; Joh. 1:42 .
Hertaald:
de Christus
Dat is: de beloofde Messias of Gezalfde; Joh. 1:42.
na drie dagen wederom opstaan
Dat is, binnen drie dagen, gelijk de overpriesters zelf, die manier van spreken gebruikende, tonen en verklaren alzo verstaan te hebben; Matt. 27:63-64 .
Hertaald:
na drie dagen wederom opstaan
Dat is: binnen drie dagen, zoals de overpriesters zelf laten zien het begrepen te hebben toen zij dezelfde manier van spreken gebruikten; Matth. 27:63-64.
satanas,
Zie van dit woord Matt. 16:23 .
Hertaald:
satanas,
Zie over dit woord Matth. 16:23.
leven zal willen behouden,
Grieks, ziel. Zie Matt. 16:25 .
Hertaald:
leven zal willen behouden,
Grieks: ziel. Zie Matth. 16:25. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Markus opent met dit woord: "Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zone Gods" (Mark. 1:1). Het is geen boektitel maar een aanduiding van de zaak zelf, en Markus gebruikt het meer dan de andere Evangelisten. Christus komt in Galilea "predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods" en vat Zijn boodschap samen in vier woorden: de tijd is vervuld, het Koninkrijk is nabij gekomen, bekeert u, en gelooft het Evangelie (Mark. 1:14-15). Verderop staat het naast Hemzelf, als iets waarvoor men zijn leven verliezen kan — "om Mijnentwil, en om des Evangelies wil" (Mark. 8:35) — en aan het eind wordt het bevel gegeven het te prediken "aan alle kreaturen" (Mark. 16:15). Bijbelse betekenis: Het Evangelie is naar zijn aard een bericht en geen program: iets wat gebeurd is, wordt aangezegd. Daarom staat de oproep in Mark. 1:15 in die orde — eerst de mededeling dat de tijd vervuld is, dan de eis van bekering en geloof. Opmerkelijk is dat Markus het woord zowel voor de boodschap áls voor de Persoon kan gebruiken: in Mark. 8:35 staan "om Mijnentwil" en "om des Evangelies wil" naast elkaar als één zaak. Er is dus geen Evangelie los van Christus, en geen Christus los van de aanzegging. Typologie: Paulus geeft de kortste inhoudsopgave die de Schrift kent: dat Christus gestorven is voor onze zonden naar de Schriften, en dat Hij begraven is en opgewekt ten derden dage naar de Schriften (1 Kor. 15:1-4). Hij noemt het een kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft, waarin de rechtvaardigheid Gods geopenbaard wordt uit geloof tot geloof (Rom. 1:16-17). En hij houdt vast dat er maar één is: wie een ander evangelie verkondigt, zij vervloekt — al ware het een engel uit de hemel (Gal. 1:6-9). Jesaja had de bode al gezien die goede boodschap brengt en tot Sion zegt: uw God is Koning (Jes. 52:7; vgl. Rom. 10:15). Mark. 1:1,14-15; Mark. 8:35; Mark. 16:15; Jes. 52:7; Rom. 1:16-17; Rom. 10:15; 1 Kor. 15:1-4; Gal. 1:6-9 Het loopt door heel Markus heen. De onreine geesten die Hem kennen, moeten zwijgen (Mark. 1:25,34; 3:11-12). De genezen melaatse krijgt te horen: "Zie, dat gij niemand iets zegt" (Mark. 1:44). Bij de dochter van Jaïrus beveelt Hij nadrukkelijk dat niemand het weten zal (Mark. 5:43). Na de genezing van de dove bij Dekapolis verbiedt Hij het opnieuw, en en hoe meer Hij het verbood, hoe meer zij het uitriepen (Mark. 7:36). Het scherpst staat het bij de belijdenis van Petrus: op "Gij zijt de Christus" volgt niet een bevestiging voor het volk maar een streng gebod dat zij het niemand zouden zeggen van Hem (Mark. 8:29-30). Onmiddellijk daarna volgt de eerste aankondiging van Zijn lijden (Mark. 8:31). Na de verheerlijking op de berg geldt het verbod tot na de opstanding (Mark. 9:9). Bijbelse betekenis: De reden ligt in de tekst zelf en niet in geheimzinnigheid. De titel Christus was in die dagen met politieke verwachtingen beladen; wie Hem als Messias uitriep zonder het kruis, riep iets anders uit dan Hij was. Vandaar de vaste orde in Markus 8: eerst de belijdenis, dan het zwijggebod, dan het lijden — en wie die orde omkeert, krijgt hetzelfde antwoord als Petrus. Opvallend is dat het verbod eindigt waar het lijden begint: vanaf Mark. 9:9 geldt het tot na de opstanding, en voor de hogepriester zwijgt Hij niet meer maar belijdt Hij openlijk (Mark. 14:61-62). Wie Hij is, kan pas gezegd worden als duidelijk is wat Hij doen zou. Typologie: Jesaja had die stilte al getekend: Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem op de straten laten horen (Jes. 42:2), en juist die woorden past Mattheüs op Hem toe bij een van deze verboden (Matt. 12:16-19). Paulus noemt hetzelfde met een ander woord een verborgenheid die van alle eeuwen verzwegen is geweest maar nu geopenbaard (Rom. 16:25-26). Hij zegt ook dat geen van de oversten dezer wereld haar gekend heeft, want indien zij haar gekend hadden, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben (1 Kor. 2:7-8). Het zwijgen was dus geen achterhouden maar een tijdorde: eerst het kruis, dan de prediking — en na de opstanding volgt het bevel om het juist overal te zeggen (Mark. 16:15). Mark. 1:25,34,44; Mark. 3:11-12; Mark. 5:43; Mark. 7:36; Mark. 8:29-31; Mark. 9:9; Mark. 14:61-62; Mark. 16:15; Jes. 42:2; Matt. 12:16-19; Rom. 16:25-26; 1 Kor. 2:7-8 Onmiddellijk na de eerste aankondiging van Zijn lijden en na de terechtwijzing van Petrus roept Christus de schare mét Zijn discipelen tot Zich. Dan zegt Hij: zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Mark. 8:34). Daarop volgt de tegenstelling die dit onderwijs draagt: wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen, maar wie het verliezen zal om Zijnentwil en om des Evangelies wil, zal het behouden (Mark. 8:35). En dan twee vragen die geen antwoord verwachten: wat baat het een mens zo hij de gehele wereld won en schade leed aan zijn ziel, en wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel (Mark. 8:36-37)? Het gedeelte sluit met de waarschuwing tegen schaamte: wie zich Zijner en Zijner woorden schaamt in dit geslacht, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen als Hij komt in de heerlijkheid Zijns Vaders (Mark. 8:38). Bijbelse betekenis: Het woord dat hier voor verloochenen staat, is hetzelfde dat Markus later voor Petrus gebruikt bij het vuur: iemand zeggen dat men hem niet kent. Zelfverloochening is dus niet vooral afzien van dingen, maar de eigen persoon niet meer als de beslissende partij erkennen. Het kruis in vers 34 was in die tijd geen sieraad en geen beeldspraak: wie zijn kruis droeg, liep naar zijn terechtstelling. Even opmerkelijk is dat dit onderwijs niet apart aan de twaalf gegeven wordt maar aan de schare erbij — en dat het volgt op de eerste aankondiging van Zijn eigen lijden. Niemand wordt naar een weg geroepen die Hij niet zelf ging. Typologie: De grond staat in de brieven. Paulus zegt dat hij met Christus gekruist is, en niet meer hij leeft maar Christus in hem (Gal. 2:20), en dat wie Christus toebehoren het vlees gekruist hebben met de bewegingen en begeerlijkheden (Gal. 5:24). Wie gedoopt is, is met Hem begraven opdat hij in nieuwheid des levens wandelt (Rom. 6:4-6). Petrus verbindt het aan het voorbeeld van de Meester: Christus heeft voor ons geleden en ons een voorbeeld nagelaten opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen (1 Petr. 2:21). En de Hebreeënbrief geeft er de blijdschap onder die het draagbaar maakt: Hij heeft om de vreugde die Hem voorgesteld was het kruis verdragen (Hebr. 12:2). Zelfverloochening is daarmee geen zuurheid maar een ruil, en de vraag van Mark. 8:37 heeft haar antwoord in het rantsoen van Mark. 10:45. Mark. 8:34-38; Mark. 10:45; Rom. 6:4-6; Gal. 2:20; Gal. 5:24; 1 Petr. 2:21; Hebr. 12:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt Vlak vóór de belijdenis bij Cesarea Filippi staat een genezing die alleen Markus vertelt: een blinde die in twee keer gaat zien. De twee taferelen staan met opzet naast elkaar. Een man ziet eerst half en dan helder, en de discipelen doen precies hetzelfde. **De blinde bij Bethsaida.** Hij wordt bij de hand het dorp uitgeleid, en na de eerste aanraking zegt hij iets merkwaardigs: “Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.” Hij ziet wel, maar niet goed. Dan legt Hij opnieuw de handen op, en hij ziet allen ver en klaar. Het is de enige genezing in de Evangeliën die in twee stappen gaat. Markus zet hem niet voor niets hier neer. **De vraag onderweg.** Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Johannes de Doper, Elia, een van de profeten — allemaal eervol, allemaal te klein. En dan de vraag die scheidt: “Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben?” **Het antwoord.** “Gij zijt de Christus.” Drie woorden, en er staat een ambt in. Christus betekent Gezalfde: in Israël werden er drie soorten mensen gezalfd — de profeet, de priester en de koning. Petrus zegt dus niet dat Hij een goede leraar is; hij zegt dat Hij Degene is op Wie die drie ambten uitliepen. **En dan blijkt hij het half te zien.** Want zodra Christus zegt dat de Zoon des mensen veel lijden moet, verworpen worden en gedood, neemt Petrus Hem apart en bestraft Hem. Hij heeft de titel goed en de inhoud niet. Zoals de man bij Bethsaida: hij zag mensen als bomen. **Wat er dan gezegd wordt.** “Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.” De volgorde is niet omkeerbaar. Eerst wordt gezegd wie Hij is, dan wat Zijn weg is, en pas daarna wat dat voor Zijn volgelingen betekent. **Waarom dit bij de ambten hoort.** Het hele register volgt profeet, priester en koning door de Schrift heen. Hier valt het woord dat ze alle drie samenbindt, uit de mond van een visser — en hij begrijpt er nog maar de helft van. In het Nieuwe Testament: 1 Samuël 16:13; Exodus 29:7; Psalm 2:2; Jesaja 61:1; Handelingen 10:38; Jesaja 53:3 Hoever dit reikt: Dat de twee taferelen — de blinde in twee stappen en de halve belijdenis van Petrus — met opzet naast elkaar staan, is een gevolgtrekking uit de plaatsing; Markus zegt dat niet. De betekenis van het woord Christus als Gezalfde is een gegeven van de taal, en het zalven van profeten, priesters en koningen staat in de wet en de geschiedenis.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben in dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal de Zoon des mensen Zich ook schamen. Markus… Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt? Markus 8:36 Spurgeon ontmoette veel mensen, jong en oud,… En Hij kwam te Bethsaïda; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij Hem aanraakte. En de hand van de blinde genomen hebbend, leide… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Markus 8
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Gij zijt de Christus — 8:22-29, 34-35
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Zou ik mij schamen voor Jezus?
Zou je willen ruilen?
Ziende en niet ziende, of de mensen als bomen wandelende


Markus 8
Markus 8:1-4.KruisverwijzingenMattheüs 15:32→Mattheüs 9:36→Markus 6:34→Mattheüs 6:32→Psalmen 145:15→Mattheüs 4:2→Micha 7:19→Johannes 4:30→
— In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niets hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?
“In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niets hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?”
Waarom vroegen zij hun Meester niet wat Híj in zo’n nood doen kon? Na zoveel ondervinding van Zijn macht als zij al hadden, is het verbazend dat zij de zaak niet aan Hem voorlegden.
Zij hadden kunnen zeggen: Heere, U kunt de schare spijzigen; wij smeken U het te doen. Maar zo wijs handelden zij niet. In plaats daarvan begonnen zij te vragen naar wegen en middelen: “Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?”
Markus 8:5-9.KruisverwijzingenMattheüs 14:19→Mattheüs 14:15→2 Koningen 4:42→Markus 6:38→Mattheüs 15:34→Lukas 9:13→Romeinen 14:6→1 Samuël 9:13→
— En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven. En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze de schare voor. En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen. En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.
“En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven. En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze de schare voor. En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen. En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.”
Christus is de grote Meester in de kunst van het vermenigvuldigen. Hoe klein de voorraad ook is waarmee wij beginnen, wij hoeven die alleen maar geheel aan Hem toe te wijden. Dan zal Hij haar vermenigvuldigen en vermeerderen tot ver boven onze uiterste verwachting, en er zal na de maaltijd meer overblijven dan er vóór het begin was.
Breng uw kleine talenten, breng de weinige genade die u hebt, tot Christus. Want Hij kan uw voorraad zó vermeerderen dat u nooit gebrek zult kennen. U zult juist des te groter overvloed hebben naarmate er meer van die voorraad gevraagd wordt.
Waren deze vierduizend mensen niet door Christus op wonderbare wijze gespijzigd, dan waren de zeven broden en de weinige visjes gebleven zoals zij waren. Maar nu de vierduizend gespijzigd moeten worden, worden de broden en de vissen door Christus op een heel buitengewone manier vermenigvuldigd. Zo is er aan het eind veel meer voorraad dan er in het begin was.
Verwacht dus, geliefden, door uw verliezen verrijkt te worden. Verwacht te groeien door wat u lijkt te zullen verpletteren, en groter te worden door wat u dreigt te vernietigen. Geef uzelf maar in de handen van Christus. Dan zal Hij goed gebruik van u maken en u beter achterlaten dan u was voordat Hij u gebruikte om anderen te helpen en te zegenen.
Markus 8:10-12.KruisverwijzingenMattheüs 12:38→Markus 7:34→Mattheüs 15:39→Lukas 11:16→Johannes 4:48→Deuteronomium 6:16→Lukas 10:25→Johannes 6:30→
— En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha. En de Farizeen gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende. En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!
“En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha. En de Farizeen gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende. En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!”
Het ongeloof stak Hem altijd in het hart en bedroefde Hem zeer. Vertrouwden mensen Hem, dan verheugde Hij Zich erin Zijn weergaloze genade te tonen. Maar vitten en vroegen zij, dan was Zijn hart zwaar en wendde Hij Zich van hen af.
Markus 8:13.KruisverwijzingenJohannes 12:36→Jeremia 23:33→Johannes 8:21→Handelingen 13:45→Zacharia 11:8→Lukas 8:37→Hosea 9:12→Psalmen 81:12→
— En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.
“En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.”
Maar helaas, zelfs aan boord van dat scheepje was er ongeloof. Ook uit de kleine en uitgelezen kring van Zijn eigen discipelen kreeg Hij om diezelfde reden nieuwe grond tot droefheid.
Markus 8:14-21.KruisverwijzingenMarkus 4:12→Jeremia 5:21→Handelingen 28:26→Jesaja 6:9→Ezechiël 12:2→Mattheüs 13:14→Romeinen 11:8→Johannes 12:40→
— En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip. En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeen, en van den zuurdesem van Herodes. En zij overlegden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben. En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart? Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet? En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeiden Hem: Twaalf. En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven. En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?
“En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip. En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeen, en van den zuurdesem van Herodes. En zij overlegden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben. En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart? Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet? En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeiden Hem: Twaalf. En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven. En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?”
Kunnen wij dan niets uit het verleden leren? Heeft de HEERE ons eerder geholpen, is Hij dan niet even bereid ons opnieuw te helpen?
Wat! Er zijn maar een paar discipelen aan boord, en dan begint u uw Heere te wantrouwen omdat u nog maar één brood hebt? Terwijl Hij voedsel genoeg vond voor vijfduizend en voor vierduizend uit een paar karige broden?
O ongelovige kinderen van God, wat een oneindig geduld heeft uw genadige God met u, hoewel u Hem zo vaak en zo schandelijk wantrouwt! “Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?” En: “Hoe verstaat gij niet?”
Kan het zijn dat alle lessen van liefde en alle daden van vriendelijkheid van uw Heere u niets geleerd hebben? Twijfelt u nog altijd aan Hem, wantrouwt u Hem nog altijd? Heeft Hij u uit zes benauwdheden verlost, en kunt u Hem in de zevende niet vertrouwen? Heeft Hij u door Zijn genade bewaard tot u zeventig jaar oud bent, en kunt u Hem de weinige jaren die u nog rest niet toevertrouwen? Och, schande over ons, dat wij zulke trage leerlingen zijn in de school van Christus!
Markus 8:22-26.KruisverwijzingenMarkus 7:33→Mattheüs 11:21→Markus 6:45→Handelingen 9:8→Mattheüs 8:15→Mattheüs 8:3→Markus 2:3→Markus 5:23→
— En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte. En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag. En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen. Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar. En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.
“En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte. En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag. En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen. Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar. En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.”
Het is alsof Hij zei: uw huis ligt buiten Bethsaïda, ga dus om de stad heen en kom thuis zonder er binnen te gaan. En komt een van uw buren u bezoeken, zeg hun dan niets over Mij, want Ik wil voorlopig verborgen blijven.
Markus 8:27.KruisverwijzingenLukas 9:18→Mattheüs 16:13→
— En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?
“En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?”
Het was de gewoonte van Christus om, wanneer Hij met Zijn discipelen wandelde, de tijd met heilig gesprek te korten. Het zou goed zijn als wij dat altijd deden. Wij zouden veel goed kunnen doen, en wij zouden veel goeds kunnen krijgen, als wij onze Heere Jezus tot het onderwerp van onze gesprekken onderweg maakten.
Het was een belangrijke vraag die Hij Zijn discipelen stelde: wie zeggen de mensen dat Ik ben?
Markus 8:28-29.KruisverwijzingenJohannes 6:69→Johannes 11:27→Maleachi 4:5→Mattheüs 14:2→Johannes 1:21→Mattheüs 16:14→Markus 9:11→Markus 6:14→
— En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Een van de profeten. En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Gij zijt de Christus.
“En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Een van de profeten. En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Gij zijt de Christus.”
Dat is het voornaamste punt. Het doet er weinig toe wat andere mensen over Mij zeggen; of zij gelijk hebben of niet, gaat u misschien niet aan. Maar wat is uw eigen oordeel? Wat weet u van Mij? “Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben?”
“Gij zijt de Christus”, antwoordde Petrus — U bent de Messias. Wij weten uit het evangelie van Mattheüs dat het over deze belijdenis was dat onze Heere tot Petrus zei: “Zalig zijt gij, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.”
Markus 8:30.KruisverwijzingenLukas 9:21→Mattheüs 16:20→Markus 9:9→Markus 8:26→Markus 7:36→Mattheüs 8:4→
— En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.
“En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.”
Hij wilde in die tijd betrekkelijk in de beslotenheid blijven; het was Hem er niet om te doen dat Zijn wonderen rondgebazuind werden.
Hij zou spoedig sterven. En Hij ontleende Zijn roem liever aan Zijn dóód dan aan Zijn leven, en oogstte Zijn eer liever van Zijn kruis dan van Zijn wonderen.
Hij gebood nooit iemand te zwijgen over Zijn dood aan het kruis. Maar wanneer Hem van Zijn wonderen eer onder de mensen dreigde toe te komen, gebood Hij dikwijls dat zij niemand van Hem zeggen zouden. Die beperking geldt niet meer; zij is na de opstanding van onze Heere geheel opgeheven, toen Hij Zijn discipelen uitzond om alle volken te onderwijzen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenMattheüs 15:32→Mattheüs 9:36→Mattheüs 14:19→Markus 6:34→Mattheüs 15:39→Mattheüs 6:32→Psalmen 145:15→Mattheüs 4:2→
— In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niets hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen? En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven. En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze de schare voor. En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen. En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan. En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha.
Op Zijn verdere tocht langs de oostzijde van het Galilese meer komt de Heere in de noordelijke helft van die kust. Deze is zo goed als onbebouwd en onbevolkt. Daar had Hij 7 weken eerder, ten tijde van het Paasfeest, de vijfduizend gespijzigd met vijf broden en twee vissen (Hoofdstuk 6: 32 vv. ). Weer volgen grote menigten, wier getal 4. 000 bedraagt, Hem; ook voor deze verricht Hij met zeven broden en enkele vissen een wonder van spijziging. Wanneer Hij toen voor het Israel naar het vlees Zich als Degene geopenbaard had die eens hun vaderen in de woestijn met manna van de hemel gespijzigd had en die nu persoonlijk onder hen was verschenen om het woord in Ps. 107: 4 vv. aan hen te vervullen, dan was het hier meer een Israel van God dat Hij voor Zich heeft, een voorbeeld van Zijn Nieuw-Testamentische gemeente. Hij geeft ook aan deze een onderpand, dat zij ten allen tijde van haar zijn in de wereld, evenmin in haar aardse nooddruft gebrek zal lijden, als haar geestelijk iets ontbreekt tot opbouw in het geloof.
(EVANGELIE OP DE 7de ZONDAG NA TRINITATIS).
Dit Evangelie vertelt ons hoe de Heere het hongerige volk in de woestijn wonderbaar spijzigt. Dit Godswoord wijst ons de Heilige Geest aan, waarheen wij ons moeten wenden om leven en overvloed te hebben. Erkennen wij onze zonde en de onmogelijkheid om door eigen gerechtigheid zalig te worden, dan wordt daardoor de honger en dorst naar de ware gerechtigheid opgewekt. Het Evangelie wijst ons naar Hem, die ons kan en wil verzadigen, die ons leven en vrede geeft, naar onze Heere en Heiland.
In die dagen maakte de Heere de sinds Hoofdstuk 7: 24 beschreven reis, die een ontwijken was en kwam aan de bergachtige noordzijde van de Galilese zee, volgens onze berekening op de pinksterdag of de 7de Juni van het jaar 29. Toen er in die onbewoonde streek een hele grote menigte gedurende vele dagen achter elkaar bij Hem was om Zijn prediking te horen en Zijn zegeningen te genieten en zij ten gevolge van dat lange oponthoud alle voorraad van levensmiddelen hadden verteerd en niet hadden wat zij eten moesten, riep Jezus, nu Hij het volk weer dacht te laten gaan, Zijn discipelen tot Zich en zei tot hen:
Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, wanneer Ik Mij voorstel hoe het haar zal gaan op de weg naar huis; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven omdat zij, vol begeerte naar zaligheid, de lichamelijke behoeften vergaten en zij hebben niet wat zij eten moeten, terwijl zij juist eerst versterkt moeten worden, voor zij de terugweg beginnen.
En als Ik, zoals volgens de uitwendige toestand zou moeten gebeuren, hen nuchter naar hun huis laat gaan (Dan. 6: 18) zullen zij op de weg bezwijken, vooral in dit warme jaargetijde, want sommigen van hen komen van ver; zij hebben dus een lange weg naar huis. Wat denkt u dat gedaan moet worden?
Het schijnt dat zo’n wonderwerk juist op deze tijd (7de Zondag na Trinitatis) als prediking is aangegeven, opdat, omdat juist in deze tijd van het jaar de oogst begint en men de veldvruchten begint binnen te halen (evenals het wonder van de spijziging der 5. 000 in de tijd van de lente valt, wanneer de zaaier het zaad begint uit te strooien), ieder door dit Evangelie eraan zou worden herinnerd dat het Gods zegen was en dat Hij nog vandaag bij ons het wonder doet, dat Hij toen in de woestijn heeft gedaan, dat men met weinig door Zijn zegen ver kan komen en velen kan voeden, opdat wij Hem voor die weldaad van harte danken, dat Hij ons jaarlijks de vruchten van de aarde geeft en ons zegent.
Hoeveel lijkt de oogst op dit wonder van de spijziging! De woestijn daar komt overeen met de leegte in schuur en kelder; de oogst is ook Gods gave en deze gave is een bijzondere zegen. Toch is nog meer de voortgang op te merken in de op elkaar volging van de perikopen: wanneer het vorige Zondags-evangelie (MATTHEUS. 5: 20 vv. ) de Christen het doel voor ogen stelt, waarom hij te worstelen heeft, de betere gerechtigheid, zo leert dit: u mag blijmoedig die gerechtigheid zoeken, u zult daarom in het aardse geen nood hebben; de Heere laat u, wanneer u slechts zorgt voor het ene nodige, al het andere toekomen.
Hier wordt drieerlei bezwaar van de natuurlijken mens tegen de noodzakelijkheid van de bekering en wedergeboorte weerlegd. De eerste (5de Zondag na Trinitatis) had bedoeld dat zij hinderlijk was bij de arbeid van zijn roeping; wat zo weinig waar is, dat, zoals het Evangelie van de Zondag (Luk. 5: 1 vv. ) aanwijst, de wedergeboorte ons aardse beroep pas echt bevordert. De tweede (6de Zondag na Trinitatis) dat zij onnodig was, waar al deugd en rechtschapenheid aanwezig is, waartegen het Evangelie van de Zondag (MATTHEUS. 5: 20 vv. ) duidelijk maakt dat de natuurlijke eigengerechtigheid en deugd niet genoeg is, maar er een betere Gerechtigheid is. De derde beweert dat zij hoogst bedenkelijk is, omdat zij de mens niets dan nood en ellende bereidt. Zeker kan niet worden ontkend dat het levende Christendom en de oprechte bekering tot de Heere soms aanleiding is dat de mens zijn brood wordt onttrokken. De wereld kan het niet dulden dat iemand in waarheid bekeerd wordt, dat is haar een doorn in het oog; ieder nieuw geval van die aard brengt haar in het harnas, omdat het een nieuwe aanklacht tegen haar verheft, dat zij blijft in haar zonde en zich niet wil veranderen. Lukt het haar nu niet de bekeerde kinderen van God te vervolgen; in nood te brengen, modder en stenen op hen te werpen, hen te verbannen of hen naar het leven te staan, dan zoekt zij minstens hun op alle wijzen het leven zo bitter mogelijk te maken en in het bijzonder hen de broodwinning te ontnemen. Horen wij niet van negerslaven in Amerika, aan wie hun blanke meesters alle denkbare kwellingen doen zodra zij beginnen de kerken van de zendelingen te bezoeken, de bijbel te lezen en te bidden? Horen wij niet van gedoopte Israelieten die na hun overgang tot het Christendom niet alleen door hun naaste bloedverwanten worden vervloekt, maar aan wie ook door hen alle mogelijkheid wordt ontnomen om eerlijk hun onderhoud te verdienen? Horen wij niet van Christelijke gezellen en leerlingen, aan wie hun meesters en fabrikanten dadelijk de dienst opzeggen, wanneer zij op Zondag naar de kerk gaan en niet willen werken, of die daarom door hun medeknechten gehoond en benadeeld worden? Horen wij niet van vrome kinderen, aan wie zelfs door hun eigen ouders in dat opzicht allerlei hindernissen in de weg worden gelegd? In al die gevallen maakt de levende bekering tot het Christendom zeker vaak brodeloos, of dreigt ten minste hen brodeloos te maken; en deze verzoeking is geen kleinigheid; er behoort integendeel veel vastheid en beslistheid in het geloof toe, zal de inwendige mens geen schipbreuk lijden. Duizenden bezwijken voor de macht van de verzoeking en houden het op den duur niet uit, onderhandelen, verloochenen, vallen af en gaan verloren.
Het is ruim een mensenleeftijd geleden dat er in de Engelse stad Bath een man leefde die William Kind heette. Deze was een eerlijk en vlijtig barbier, die niemand enig leed deed, rustig en ordelijk de ene dag na de andere zijn werk verrichtte, bij al zijn klanten graag gezien en ook in zijn huis als een goed echtgenoot en vader geroemd werd. Wegens zijn werk was hij niet in staat op een Zon- of feestdag het huis van God te bezoeken, omdat juist op zulke dagen de voorname en rijke wereld, die bijna geheel tot zijn klanten behoorde, zijn dienst het meest nodig had. Als hij zijn werk volbracht had, voelde hij zich in de avond naar lichaam en geest zo moe, dat hij nog wel eerst door een bezoek in de herberg zich zocht te versterken, maar om in de Bijbel, of in enig ander stichtelijk boek te lezen, daartoe voelde hij geen roeping. Zo leefde hij lang voort in de mening dat het zeer goed met hem was en dat hij een even gelukkig als voortreffelijk man was. Hij had er geen gedachte naar dat al zijn vriendelijkheid en burgerdeugd, die hij bezat, in zelfzucht en eigenbaat opging en dat hem, hoe ook zijn vermogen vermeerderde, toch het ene nodige ontbrak. Toen leidde op een Zondag, toen hij al een groot deel van zijn klanten bediend had, zijn weg langs een kerk. De deur stond open en daarbinnen werd bij diepe stilte alleen de stem van de prediker gehoord. Gedreven, zoals hij meende, door een opwelling van nieuwsgierigheid, trad hij binnen om een blik te slaan in het Godshuis en op de vergadering en juist las de prediker de tekstwoorden uit Ex. 20: 8-11 voor: “Ja, ja, ” zei Kind zacht bij zichzelf, “dat was zo in de oude tijd, maar dat gaat nu niet meer, ” en wilde zijn weg verder gaan, maar een onverklaarbaar gevoel hield hem terug: “ik wil toch zien, hoe de man dat uitlegt. ” Na de eerste inleidende woorden van de prediking zag hij op zijn horloge en schrok omdat hij al verscheidene minuten had verzuimd, hij maakte zich gereed om te gaan en wilde door een sneller lopen het verzuimde weer inhalen. Toch bleef hij aan de deur weer staan: “op een paar minuten zal het wel niet aankomen, die man spreekt een bijzondere taal; ” en hij kwam op zijn vorige plaats terug. Een krachtige gemoedsbeweging had er in hem plaats, toen hij verder en verder luisterde, gedachten die vijandig aanklaagden en verontschuldigden gingen door zijn ziel, totdat het op het laatst klonk: “wie van zeven uren niet een, van zeven dagen niet een Zijn Heere en God heiligt en zonder alle gedachten aan de eeuwigheid, dag aan dag zonder onderscheid, zijn arme ziel in de lusten en lasten van deze wereld begraaft en de tijd en het uur van zijn zelfonderzoek, van zijn bekering, van zijn gebed, van zijn heiliging voor geld en goed verkoopt, die heeft als de tollenaar zijn loon al en zal in de tijd van werkelijke nood zonder zegen, zonder vrede zijn enz. ” Een zekere angst en beklemdheid die hij niet meester kon worden greep de hoorder aan. Hij keek naar de open kerkdeur als naar een weg van redding en snelde met neergeslagen ogen uit het Godshuis; daarbuiten in de vrije lucht haalde hij lang en diep adem en toen hij op zijn horloge zag en bemerkte dat hij meer dan een half uur had vertoefd, verdubbelde hij zijn schreden om zijn wachtende klanten tevreden te stellen, maar van de ene tot de andere vergezelde hem een angel, die zich diep in zijn hart had gedrukt. “Domme kerel, met die dwaze gedachten die in mij opkomen, ” zei hij bij het naar huis gaan tot zichzelf, “herendienst gaat boven godsdienst, ik weet het beter dan de prediker daar op de kansel, die het hele jaar niets te doen heeft dan te prediken, maar een ieder moet zich richten naar Zijn stand. ” Toch wilde de zelfvertroosting niet lukken. “De lieve God weet wat er met mij gebeurd is, ” sprak hij tot zichzelf, toen hij in de avond niet naar de herberg, maar naar buiten ging; “erger kan het een misdadiger niet te moede zijn dan mij en wat heb ik dan eigenlijk gedaan? Ik heb die onrust mede uit de kerk gebracht en dat is voor mij juist het onverklaarbare; de mensen gaan toch in de kerk om daar rust en vrede te verkrijgen, zij komen daar, zoals ik van sommigen gehoord heb, met een bezwaard hart binnen en gaan met een opgeruimd hart weer heen en bij mij heeft het juist omgekeerd plaats gehad – deze morgen nog zo blij en vrolijk en gelukkig en deze avond draag ik een zo zware last met mij rond, alsof ik de allerongelukkigste mens was. ” Wij zouden hem graag vergezellen op zijn verdere inwendige weg die hij doorliep, wij moeten ons echter haasten naar het einde daarvan: dit was de belijdenis, dat het zonde was de Zondag tot een werkdag te maken en het besluit: ik werk voortaan op Zondag niet meer, maar ga, zoals het betamelijk is, naar de kerk, de klanten blijven door mij onbediend. Een zware strijd had hij nu met zijn vrouw, een des te sterkere steun daarentegen in zijn vrome en al bevestigde dochter. Hij bleef aan zijn besluit trouw, wat ten gevolge had, dat na jaar en dag, omdat hij al zijne voorname klanten had verloren, de vrouw in wraakzucht daarover, dat hij zich van zijn gedachten niet liet afbrengen, door haar verkwisting de ondergang van alle bezittingen had bespoedigd; dat hij met zijn slecht huisraad een slechte kelderwoning moest betrekken en zijn klanten onder de ruwste en meest gewone mensen van die plaats moest zoeken. De trotse en verwende wilde hem daar niet vergezellen, maar ging in het geheim weg; Gods bekerende genade wist haar intussen op haar dwaalwegen te vinden en haar met een nieuw hart en een vaste geest tot hem en de dochter terug te leiden. Op een Zaterdag steeg de nood en de behoefte bij de familie ten hoogste top; ook niet een enkele klant was op die dag in het gewelf neergedaald, de kleine verdienste van de vorige dag was geheel verteerd, toen in de avond zich een vreemdeling aanmeldde, die gedurende de verwisseling van paarden op de dichtbij zijnde post nog snel geschoren wilde worden. Kind moest van deze eerst zoveel geld vragen om het nodige licht te verkrijgen. Maar juist nu was ook het uur van de Heere gekomen om de trouw van de man te kronen. Deze vreemdeling was op reis als executeur van het testament van een rijke koopman Thomas Kind, die in Indie gestorven was, om diens neef en erfgenaam te vinden en deze was geen ander dan onze William Kind. Hij, die omwille van God en van zijn ziel, uit de overvloed van de rijkdom in de nood van de armoede was afgedaald, zou nu ook ten loon van zijn betoond geloof weer verheven worden. Hij kocht het huis waar hij de dagen van zijn beproeving had doorgebracht en hoewel hij snel tot de aanzienlijkste en rijkste personen van de stad behoorde, behield hij toch het keldergewelf als zijn eigenlijke werkplaats en heeft aan de armen en geringen uit het volk, die hij eveneens als zijn klanten behield, menige vrucht door woord en getuigenis mogen hebben. (Een ware geschiedenis door A. Wildenhahn, in het vijfde deel van zijn verhalen uitvoerig meegedeeld).
En Zijn discipelen antwoordden Hem: Wanneer de spijziging die Gij wenst, op de gewone weg moet plaats hebben, vanwaar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen? Wij kunnen niet helpen, besluit Gij zelf wat Gij wilt doen 15: 37).
En Hij, opzettelijk op dezelfde wijze als vroeger voortgaande (Hoofdstuk 6: 38, vroeg hen: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: zeven. Nu haastten zij zich die zeven broden te halen.
En Hij gebood door de mond van Zijn discipelen als Zijn meewerkende helpers de menigte neer te zetten op de aarde en Hij nam de zeven broden en gedankt hebbende, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggenen zij legden ze de schare voor.
En zij hadden enkele visjes; en toen Hij, toen ook de vis Hem gebracht was, gezegend en gedankt had, zei Hij dat zij ook die zouden voorleggen.
En zij, de velen van welke in vs. 1 vv. gesproken is, hebben gegeten en zijn verzadigd geworden en zij namen het overschot van de brokken op, zeven manden naar het getal van de broden.
Degenen die gegeten hadden waren ongeveer vierduizend in getal en Hij liet hen gaan zonder dat Hij het nu nodig had, zoals in Joh. 6: 14 vv. , Zich aan een vleselijk voornemen van de mensen te onttrekken.
Jezus vraagt aan Zijn discipelen: “Hoe veel broden hebt u?” Eerst wordt de gehele voorraad nagezien en ter kennis van een ieder gebracht, opdat niemand naderhand zou zeggen: “wie weet vanwaar het brood gekomen is? Er zal wel heimelijk een grote menigte geweest zijn en daarmee is het volk gespijzigd. ” De Heere Jezus toch kent onze verkeerdheid zeer goed. Als Hij ons heeft geholpen zijn wij dadelijk geneigd dat voor onszelf te verklaren. Nu heeft het aan deze, dan aan die omstandigheid en bijzonder toeval gelegen dat wij geholpen zijn en Hij, die ons zo mild heeft geholpen, mist de dank en de eer, alsof Hij slechts een toeschouwer geweest was die de dingen laat gaan. Het is daarom goed dat Hij ons diep en nauwkeurig de lege kasten en kamers laat zien, opdat wij ons vooraf overtuigen, al is het ook dat wij daarover hevig zouden schrikken. Toch heeft Hij nog een ander doel, waarom Hij de zeven broden te voorschijn laat halen en nazien. Met zeven broden kan men geen vierduizend mensen voeden; er hadden nog gehele wagens met brood moeten worden aangebracht, wanneer men had willen uitdelen. Dit doet echter Jezus niet, hoewel Hij het toch had kunnen doen; met deze zeven broden wil Hij de vierduizend voeden en van de zeven broden moet alles worden genomen wat de vierduizend eten. Hij wil Zijn zegen leggen op dat wat de mensenhand bereidt en zolang er nog menselijke hulpmiddelen zijn moeten wij die niet verachten. Wij moeten niet wachten, dat God de vensters van de hemel opendoet en brood laat regenen, wanneer op aarde nog hulp te vinden is. Al is het nog zo weinig, al werpt uw moeite en uw arbeid de allerkleinste verdiensten af, veracht die niet: zeven broden waren het, waarmee de Heere Jezus vierduizend voedde en misschien zijn het zeven penningen, die u hulp in nood kunnen brengen.
Men bedenkt voor zich het geval, dat de discipelen hadden moeten antwoorden: “wij hebben volstrekt niets!” zou dan de Heere gezegd hebben: dan moet het arme volk maar versmachten? Of zou Hij met of zonder spijze ze toch niet hebben verzadigd en volgens Zijn ontferming met hen gedaan hebben?
Wanneer Hij gebiedt dat het volk op de grond gaat zitten, dan is dat een vriendelijke uitnodiging, om plaats te nemen aan de tafel, die hier in de woestijn voor hen zal worden gedekt en rijkelijk bezet. Onder Zijn zegenende handen wordt het brood vermeerderd. Terwijl anders door breken en verdelen een geheel in meer of minder delen wordt verdeeld, zo wordt hier elk, ook het kleinste deel, tot een nieuw geheel. Terwijl de Heere deelt, wordt het vermenigvuldigd en wat geen rekenmeester, ook de scherpzinnigste en geoefendste niet kan, dat kan Hij, want Hij is de Heere, aan wie alle macht in hemel en op aarde is gegeven.
De discipelen ontvingen slechts zeven broden en gaven wel meer dan zeventigmaal zeven. Onder het breken wordt het vergroot, bij het geven vermeerderd. Met verwondering nemen de discipelen en geven, gaan en komen weer en de Heere breekt altijd nog, geeft altijd weer en bij het nemen neemt het niet af en bij het geven raakt de voorraad niet uitgeput voordat allen verzadigd zijn.
Van de zeven broden, die er aanvankelijk waren, maar bij het genieten vermeerderden, worden de brokken in zeven korven verzameld. Ik denk bij deze zeven korven aan de zeven tijden van het Nieuwe Testament (Openbaring 2 en 3), hoe de hele kerk haar brood en hoe iedere tijd zijn eigen broodkorf heeft en wat een buitengewone volheid van zaligheid in Christus Jezus voor zo veel duizendmaal duizenden zielen moet zijn, die allen verzadigd worden en in Hem volkomen bevrediging vinden, zodat niet alleen van de allervolkomenste Heiland niets afgaat, maar zich altijd weer een nieuwe voorraad van Zijn genade openbaart, die zich pas echt zal openbaren in de eeuwigheid die ons wacht.
De Heere vermag alles: 1) drie dagen houdt Hij het volk door Zijn woord bij Zich; 2) de woestijn verandert Hij in een eetzaal; 3) Zijn zegen legt Hij in de hand van de discipelen
4) en verzadigt alles met blijdschap. – De Heere een voorbeeld voor alle huisvaders: 1) in trouwe zorg voor de Zijnen, 2) in vertrouwen op Zijn God, 3) in blijde mildheid jegens de armen, 4) in zuinig huishouden met Gods zegen.
Het beeld van deze was de weldoener: 1) Hij vindt in alle plaatsen genoeg behoeftigen en heeft daarbij ten alle tijden een open hart; 2) Hij weet in de moeilijkste omstandigheden nog middelen en blijft Zichzelf bij de aandrang van de menigte; 3) Hij dankt God, wanneer Hij kan geven en zorgt dat Hij nogmaals kan geven; 4) Hij geeft het liefst door handen van anderen en ontwijkt elke dank.
De wonderbare spijziging van de vierduizend: 1) De Heiland heeft medelijden met de nood van Zijn volk. 2) Zegenend breekt Hij het brood van het leven voor de Zijnen. 3) Vergeet dat niet en houdt Zijn geboden.
En meteen nadat Hij van het volk afscheid had genomen en in het schip ging met Zijn discipelen, voer Hij recht de zee over en is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha, in het zuiden van de Galilese zee 15: 39″), dus weer in de nabijheid van de stad Gadara, waar Hij vroeger de genezenen bezetene als een getuige van Zijn heerlijkheid had achtergelaten (Hoofdstuk 5: 1 vv. ). Vandaar groeiden op Zijn tocht door die landstreken de volksmenigten tot zo vele duizenden aan (Luk. 12:1).
Van Dalmanutha, dat reeds een goed eind (ongeveer 4 uren) beneden de zee aan de Jordaan lag, leidde de weg van de Heere over de rivier tot beneden Bethsean naar Magadan en van daar keerde Hij later naar de eerste plaats terug. In die tijd, ongeveer een week, valt volgens het aangewezene bij MATTHEUS. 16: 1 de geschiedenis in Luk. 12: 13-31 voor, toen een uit het volk Jezus tot een scheidsrechter in een familietwist wilde maken, maar de Heere, die zaak afwijzend, de gelijkenis van de rijken landman voordroeg en daarop voor Zijn discipelen enige woorden uit de bergrede herhaalde, om ze los te maken van alle zorg voor het aardse en hun streven alleen te richten op het rijk van God.
V. Vs. 11-21.KruisverwijzingenMarkus 4:12→Jeremia 5:21→Handelingen 28:26→Jesaja 6:9→Ezechiël 12:2→Mattheüs 13:14→Romeinen 11:8→Johannes 12:40→
— En de Farizeen gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende. En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden! En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde. En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip. En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeen, en van den zuurdesem van Herodes. En zij overlegden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben. En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart? Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet? En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeiden Hem: Twaalf. En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.
Bij het ontwijken van Jezus naar de grenzen van Tyrus en Sidon (Hoofdstuk 7: 24 vv. ) hadden de schriftgeleerden, die van Jeruzalem kwamen, het moeten nalaten Hem ditmaal verder lastig te vallen; zij hadden echter, voordat zij naar de heilige stad terugkeerden, nog langs de gehele westelijke oever van de Galilese zee tot Tiberias, de daar wonende farizeeën, sadduceeën en herodianen tot een verspieders-vereniging georganiseerd. Zodra Jezus Zich op enig punt van die landstreek liet zien moesten zij Hem tegengaan met de eis van een teken van de hemel die Zijn Messianiteit zou bewijzen en wanneer Hij die eis niet wilde inwilligen moesten zij Hem in de ogen van de menigte te schande maken. Zo komen zij hier uit hun sluiphoeken te voorschijn en doen hun eis. De Heere wijst ze met weinige woorden af en trekt Zich weer terug over de zee naar Bethsaida-Julias; bij het overvaren waarschuwt Hij Zijn discipelen voor het zuurdeeg van de farizeeën en van Herodes.
Bij Zijn terugkeren van Magadan kwam de Heere weer te Dalmanutha en de farizeeën gingen uit het huis, waarin zij met de sadduceeën en Herodianen op Hem hadden geloerd en begonnen met Hem te twisten. Zij wilden dat Hij het ook alvroeger van Hem geeiste bewijs voor Zijn Messiaanse zending (MATTHEUS. 12: 38) zou geven. Dat moest Hij toch kunnen geven wanneer Hij werkelijk de Messias was. Daarbij was het hen niet te doen om van de waarheid overtuigd te worden, maar om iets tegen Hem te vinden. Zij kwamen dan tot Hem en a) wilden van Hem een teken van de hemel, Hem verzoekend.
Luk. 11: 29. Joh. 6: 30.
En Hij, zwaar zuchtend in Zijn geest over zo’n vleselijk, eigenzinnig ongeloof, zei: Waarom wil dit geslacht een teken? Voorwaar Ik zeg u, aan dit geslacht zal geen teken gegeven worden; behalve het reeds vroeger genoemde (MATTHEUS. 12: 39 vv. Luk. 11: 29 vv. ).
En Hij verliet hen, nadat Hij nog met meer andere woorden het ongeloof van dit geslacht bestraft had, dat wel in de dingen van de wereld thuis was, maar voor geestelijkezaken zo weinig vatbaarheid en verstand had (MATTHEUS. 16: 2 vv. Luk. 12: 54 vv. ). En Hij ging weer in het schip en voer weg naar de andere zijde, naar de noordoostzijde van het meer.
Het antwoord van Jezus op de verzoeking wordt door Markus in een enkel vers weergegeven: “Waarom wil dit geslacht een teken (het kan toch door geen woorden geholpen worden). Voorwaar Ik zeg u, aan dit geslacht zal geen teken gegeven worden (want dat van de profeet Jona dat hun gegeven zal worden, is er geen zoals zij het willen en wordt niet nu, maar pas later gegeven). De Evangelist laat dus de eis volstrekt afwijzen.
De kortheid van de mededeling, bij welke Markus de woorden van de farizeeën niet wil aanhalen, terwijl hij toch de zin aangeeft waaruit het verlangen is voortgekomen en voor het antwoord van Jezus niet meer plaats inruimt dan de opmerking dat Jezus hen ontweken is, geeft het bewijs, dat hij ook deze ontmoeting van de Heere en de farizeeën niet om haar zelf bericht, maar dat hij zich haast tot het volgende meer uitvoerige gesprek van Jezus en Zijn discipelen.
Het gevolg van het door de farizeeën geeiste bewijs zou geweest zijn dat Christus had moeten optreden als een Messias volgens hun mening; daarom staat er dat zij Hem daarmee verzochten. De eis van een hemelteken was dan ook aan de verzoeking in de woestijn gelijk. Wat nu de Heere de farizeeën weigerde geeft Hij spoedig daarop (Hoofdstuk 9: 1 v. ) aan de drie meest vertrouwde discipelen: het hemelteken van Zijn verheerlijking. Zijn teruggaan naar de anderen oever is daarentegen een voorteken van Zijn terugkeren naar de andere wereld.
Het is een vreselijk gezicht, wanneer de waarheid de mensen geheel verlaat en zij aan zichzelf worden overgelaten.
En Zijn discipelen, (om dit tot opheldering van hun verkeerde opvatting in vs. 16 nog vooraf op te merken) hadden, omdat zij zo spoedig en onverwachtterugvoeren, vergeten brood mee te nemen en hadden niets dan een enkel brood met zich in het schip, dat hen nog was overgebleven.
En Hij gebood hen, toen Hij met hen in het schip was gegaan en al een eind op de zee was gevaren, omdat Zijn ziel nog vol was van de indrukken die Hij in vs. 11 had ontvangen 16: 4″), zeggende: Zie toe, hoedt u voor de zuurdesem van de farizeeën en voor de zuurdesem van Herodes.
En zij, niet verstaande wat Hij daarmee bedoelde, overlegden onder elkaar, zeggende, alsof zij het door hun nadenken eindelijk gevonden hadden: Het is omdat wij geen broden hebben, want nu zullen wij spoedig brood moetenkopen en kunnen dan gemakkelijk bedrogen worden.
En Jezus bekende dat zij zich bij hun verkeerde opvatting zulke zorgvolle gedachten maakten en zei tot hen: Waarom komt u tot de conclusie dat u geen broden hebt? bemerkt u nog niet en begrijpt u niet (Hoofdstuk 7: 18)? Hebt u nog Uw verharde hart (Hoofdstuk 6: 52)?
U hebt ogen en u ziet niet? en u hebt oren en u hoort niet?
En denkt u niet aan hetgeen nu al twee keer onder uw medewerking is gebeurd? weet u niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijfduizend mannen, hoeveel volle korven met brokken u verzamelde? Zij zeiden Hem: Twaalf. (Hoofdstuk 6: 34 vv. ).
En toen Ik de zeven brak onder de vierduizend mannen, hoeveel volle manden met brokken u verzamelde? En zij zeiden: zeven. (vs. 1 vv. ).
En Hij zei tot hen: Waarom begrijpt u niet?
Markus is hier gekomen tot het duidelijk bewijs van gebrek aan bevatting waarmee de discipelen de daden en woorden van de Heere volgden. Deze voorstelling begon al met het vijfde stuk van de vierde groep van verhalen (Hoofdstuk : 6: 45 vv. ), zij werd voortgezet in het eerste stuk van de vijfde groep (Hoofdstuk 7: 1 vv. ) en eindigt in dit vijfde stuk van diezelfde groep met een geval dat het duidelijkst toont hoe de discipelen, bij al hun liefde voor Jezus persoon, onbekwaam geweest zijn uit Zijn werken en woorden een duidelijke kennis te trekken, die voor het praktische leven vruchtbaar was. Hier toch is het onbegrijpelijke voorgevallen dat zij, na twee keer achter elkaar op de duidelijkste manier te hebben ondervonden dat Jezus de absoluut vrije Heer was over de dingen die voor dit leven nodig waren, in een derde overeenkomstig maar veel lichter geval liever in hun kleingelovige zorgen verstrikt blijven. Ja, zij willen liever aan Jezus zelf dezelfde zorg en verlegenheid toeschrijven dan dat zij uit die beide gevallen ook voor dit derde de mogelijkheid zouden hebben bedacht dat het op dezelfde manier als vroeger zou worden opgelost. Juist om het beschamende van dit gebrek aan begrip duidelijk te doen uitkomen heeft Markus de rede van Jezus zo weergegeven, dat deze hen aan die gevallen herinnert en hen door hun antwoorden zelf het recht tot bezorgdheid geheel laat wegnemen.
Het is wel vreemd dat de discipelen de omstandigheid van het vergeten van brood mee te nemen in verbintenis brengen met het waarschuwend woord van Christus: waar zouden zij
dan toch een bakker vinden, die niet in enig opzicht farizeeer of sadduceeer was. Daarop moest de Meester toch doelen.
Toch heeft de Heere met hun onwetendheid en zwakheid geduld; Hij verlaat hen niet en stoot hen niet van Zich af. Ook zij werpen de liefde, het vertrouwen en de eerbied voor Hem daarom niet weg, maar verdragen als ware discipelen de kastijding van hun Meester graag en worden daardoor verbeterd. Dit moeten ook wij doen wanneer wij uit- of inwendig gestraft worden, dat wij niet dadelijk menen dat dit uit toorn van God geschiedt en wij daarom verworpen zouden moeten worden; maar het geweten is een tedere zaak, dat zo’n vertrouwen in de verzoeking moeilijk behoudt.
VI. Vs. 22-26.KruisverwijzingenMarkus 7:33→Mattheüs 11:21→Markus 6:45→Handelingen 9:8→Mattheüs 8:15→Mattheüs 8:3→Markus 2:3→Markus 5:23→
— En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte. En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag. En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen. Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar. En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.
Niet zonder betekenis staat midden tussen de vorige geschiedenis en die in de volgende 7de afdeling, juist deze van de genezing van de blinde bij Bethsaida. Zij is als een spiegelbeeld van de discipelen van de Heere, aan welke in vs. 18 nog moest worden voorgehouden: “u hebt ogen en ziet niet, ” en die vervolgens in vs. 29 zich betonen als degenen die scherp zien in het geestelijk opvatten van het woord; nu zijn zij nog als de blinde, die mensen zag wandelen alsof het bomen waren, maar de Heere gaat met hen ongeveer een vierde jaar in een eenzame plaats om Zijn handen nogmaals op hun ogen te leggen, opdat zij geheel terecht zouden gebracht worden. Dus omwille der discipelen, om hun een gelijkenis te geven van hun genezing van geestelijke blindheid, is Jezus een zo bijzonderen weg met die lichamelijk blinde bij diens genezing ingeslagen en juist voor die Petrus, die in vs. 29 de spreker van de nu alles scherp zienden is, was die geschiedenis van zo grote betekenis dat zijn geestelijke zoon Markus die in het Evangelie heeft opgenomen.
En Hij belandde met Zijn discipelen aan de Noordoostelijke oever van de zee en zette Zijn weg op het land in dezelfde richting voort die Hij bij Zijn overvaren was ingeslagen en kwam te Bethsaida, toegenaamd Julias in het gebied van de viervorst Filippus (“Uit). En zij, enige mensen, die Hem van Zijn vorige reis (Hoofdstuk 7: 31) in die landstreek kenden, brachten tot Hem dadelijk bij Zijn aankomst een blinde, die dat niet van zijn geboorte was geweest, maar het ten gevolge van een ziekte was geworden (vs. 24) en zij baden Hem dat Hij hem aanraakte, om hem weer door Zijn genezende krachtgezonde ogen te geven.
En de hand van de blinde genomen hebbende en zo zijn ogen wordende (Job 29: 15. Num. 10: 31) in de plaats van degenen, die hem tot Hem hadden gebracht, leidde Hij hem uit tot buiten het dorp. Zo handelde de Heere met deze, evenals met de doofstomme inHoofdst. 7: 33 en spuugde in zijn ogen en legde de handen op hem, om bij hem de algemene hoofdkrachten van het zien te herstellen en vroeg hem, nu de eerste trap tot zijn vernieuwing bereikt was en hij zich daarvan ook bewust moest worden, of hij iets zag, hoewel nog in algemene, onbepaalde omtrekken.
Soms was de manier waarop de Heere genezingen deed zinnebeeldig. In verband met het voorafgaand verhaal van de geestelijke onwetendheid van de discipelen doet de Heere de blinde de opvolgende toestanden, of de overgangen van de nacht tot de dag net zo doorgaan als dit vaak met het geestelijk verband in de bekering gebeurt. Niet alle verlichtingen van de Heilige Geest, niet alle bekeringen zijn plotseling en van een ogenblikkelijke volmaaktheid.
Daarom is het verkeerd een bekeringsweg te willen vaststellen. De Heere heeft een afkeer van alle eenvormigheid. Het wezen van de zaak moet een zijn, maar de vormen van dat wezen mogen en moeten uiteenlopen. De Heere begint met de blinde af te zonderen van de menigte, evenals Hij de bekering bij sommigen begint door hen van de grote menigte af te zonderen. De Heere zal eindigen met de genezene te doen terugkeren naar zijn huis, om de grote daden van God die hem gebeurd zijn aan anderen te vertellen, evenals Hij de bekeerde zich soms doet bepalen bij de kleine wereld van medegelovigen, waarin deze zich dan alleen thuis bevindt. – De blinde leeft bij het gevoel. Er moest iets buitengewoon stoffelijks aan zijn ogen gebeuren zou hij opmerkzaam worden dat het te doen was om zijn ogen te openen en zijn opmerkzaamheid en zijn geloof te wekken. – De Heere wist dat de blindheid niet ineens zou wijken, daarom liet Hij die man zeggen in hoeverre de blindheid geweken was. Ook gebeurde dit om de man op te wekken en uit te lokken tot spreken, opdat zijn genezing niet werktuiglijk zou zijn. De Heere stelt vaak vragen aan degenen die tot Hem komen en in het bijzonder aan Zijn discipelen. Ook wij moeten vaak door vragen de lippen en harten van de mensen zoeken te openen, om er het goede zaad van het woord in uit te kunnen storten.
En hij zag op om dit te beproeven en zei: Ik zie de mensen, want ik zie hen als bomen wandelen. Ik zie wandelenden, die er echter als bomen uitzien; zo zijn zijzonder gedaante en zo groot; alleen uit dat zij zich bewegen bemerk ik dat het mensen zijn.
Het was blijkbaar bij de man nog een verward gezicht. De blinde kan geen begrip van een boom hebben dan door het gevoel en daardoor stelde hij zich een boom voor als een rechtopstaande figuur of staak. Nu zag hij een menigte van zulke rechtstandige figuren zich bewegen en hij maakte er de gevolgtrekking uit dat dit mensen waren. DA COSTA).
Daarna, voortgaande tot het tweede gedeelte van Zijn werk, leide Hij de handen weer op zijn ogen en deed hem opzien, nadat Hij de handen weer teruggetrokken had. En hij werd, zoals de proef bewees, hersteld en zag hen allen ver en duidelijk, zonder bij het zien in de verte het juiste afmetingsvermogen te missen zoals vroeger. (vs. 24).
Wij vinden telkens dezelfde Heer terug, die ook in de schepping datgene wat Hij in een ogenblik kon doen, om wijze redenen bij opvolging deed.
En Hij zond hem naar zijn huis tot de stilte van het familieleven, zeggende: Ga niet in het dorp Bethsaida en zeg het niemand in het dorp, opdat Ik niet dagelijks door hulpbehoevenden word overvallen terwijl Ik hier met Mijndiscipelen enige tijd alleen wil zijn 16: 12″), hetgeen de genezene dan ook nauwkeurig opvolgde, geheel anders dan de lieden in Hoofdstuk 7: 36.
Het was voor de Heere genoeg het wonder te hebben verricht; de verbreiding ervan was niet nodig. Zo wil de Heere ook niet, dat wij onze bekering aan de grote klok hangen, maar dat wij haar stil in onze kring beoefenen.
Zijn wij van nature allen geestelijk blind, dan zal ook aan ons moeten gebeuren wat de Heere aan deze blinde deed, zullen wij in waarheid zien; en zoals het hier naar het lichaam ging, gaat het dan ook naar de geest; als het zielsoog geopend wordt ziet de zondaar zijn schuld slechts ten dele; maar naarmate het licht in hem opgaat ontdekt hij trapsgewijze zijn hele onreinheid en dat hij melaats is van het hoofd tot aan de voetzolen toe; dan echter leert hij Christus ook in al Zijn dierbaarheid en onmisbaarheid kennen en wordt het Evangelie hem in waarheid een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad, ja een woord dat tot het eeuwige leven leidt. De Heere doet ons de heilswaarheden juist verstaan en met het geloofsoog door lucht en wolken dringen, opdat wij ons hier al bij aanvang verlustigen in de dingen die daar zijn, totdat wij ze zullen aanschouwen en eeuwig genieten.
Het komt wel voor dat de Heere opeens het deksel van de ogen weg neemt, zodat de mens dadelijk alles met juistheid kan zien. Wij hebben een duidelijk voorbeeld in de Apostel Paulus, bij wie de opening van het geestelijk oog op een merkwaardige manier verenigd werd met een tijdelijke lichamelijke. Toen hij het stoffelijk oog open deed, kon hij op het hogere gebied alles duidelijk doorzien. Van een ontwikkeling van kennis is bij hem geen sprake, dadelijk was het hem alsof de schellen van het inwendig gezicht afvielen. Dat is echter geen regel maar uitzondering – een uitzondering, die wij begrijpen bij hem, die er toe geroepen was om de ogen van de heidenen te openen, dat zij zich zouden bekeren van de duisternis tot het licht. (Hand. 26: 18). Het licht in het algemeen ziet men zeker zodra het blinde oog geopend is, maar dat men in dit licht alles duidelijk en juist erkent, zonder vergissing en dwaling alle voorwerpen, verhoudingen, ordeningen in het rijk van God, daaraan ontbreekt zeer veel. “In Uw licht zien wij het licht, ” dat is in de regel het resultaat van het proces dat zich ontwikkelt. In zekere zin komt dit wel gedurende ons aardse leven niet tot zijn einde. Paulus betuigt: “Wij zien dan door een spiegel in een duistere rede; nu ken ik ten dele” (1 Kor. 13: 12); maar in zekere zin is er ook weer een duidelijk erkennen van de hemelse dingen in dat leven; men kan namelijk de Zoon van God zien met ongedekt gezicht (Joh. 9: 38. 2 Kor. 4: 6). In vs. 27 wordt gezegd dat Jezus, nadat Hij met Zijn discipelen Bethsaida verlaten had, hen op de weg gevraagd heeft wat de mensen toch over Hem dachten en dat zij Hem geantwoord hadden dat de een Hem hield voor Johannes de Doper, de ander voor Elias en de derde voor een van de profeten; zij zelf zagen echter in Hem de Christus. Kan men wel een juistere verklaring van het voorbijgaand proces van die blindengenezing wensen, dan hierdoor gegeven wordt? Iets (vs. 23) van de waarheid zien ook zij, die in Christus Johannes de Doper of Elias of een profeet vermoeden, maar ook slechts iets. Zij zagen mensen als bomen, terwijl de discipelen scherp zagen toen als zij gelovig de Zoon van God aanschouwden. Maar ook zijzelf, de discipelen, hebben Hem niet dadelijk daarvoor erkend, maar Hem als zodanig eerst leren kennen en wel door Hem, de Heere zelven; Hij heeft hen ook pas langzamerhand ziende gemaakt. In een merkwaardige overeenstemming bevindt zich dan het slot van de genezing (vs. 26) met het einde van Jezus gesprek met de discipelen (vs. 30): in beide gevallen het gebod om te zwijgen, terwijl tevens een stille vreugde genoten wordt in het ontvangen, voor hen opgegaan licht.
De uitleiding van de blinde uit het dorp gebeurde naar alle waarschijnlijkheid in noordelijke richting. Deze, toen hij genezen was, ging waarschijnlijk oostelijk of zuidoostelijk met degenen die hem tot Jezus gebracht hadden, naar zijn huis; hij hoefde dus, wanneer hij niet uitdrukkelijk Bethsaida wilde inlopen, die plaats niet eerst aan te doen. Wanneer men zich voorstelt dat de woonplaats van de man bij Gaulan ligt, dan wordt alles duidelijk. De Heere zelf bleef aan de overzijde van het dorp, terwijl Hij zeker gedurende de volgende
zomermaand dichtbij Zijn verblijfplaats nam; Hij verkeerde daar hoofdzakelijk met Zijn discipelen, al sloot Hij Zich ook niet geheel van het volk af, want in vs. 34 zien wij Hem bij Zijn heengaan van daar door een menigte vergezeld. In Luk. 12: 32-53 hebben wij een van Zijn redenen, waarmee Hij in deze tijd van stilte Zijn kleine gemeente gesterkt en onderwezen heeft.
VII. Vs. 27KruisverwijzingenLukas 9:18→Mattheüs 16:13→
— En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?
-Hoofdstuk 9:1. Na het voorbijgaan van de grootste zomerhitte is het nu weer zo ver dat de Heere uit de stilte in het meer bedrijvige leven terugkeert. Het is een geheel nieuwe periode die zich nu opent; Hij moet nu al de eerste schreden doen op de lijdensweg, al moeten tot dan eerst nog 6-7 maanden verlopen. Terwijl Hij met de discipelen van de landstreek bij Bethsaida verder naar het noorden tot de omtrek van Caesarea Filippi heengaat, onderzoekt Hij hoe ver zij nu in de kennis van Zijn wezen en van Zijn waardigheid zijn vooruitgegaan. Zonder terughouding spreekt Hij met hen van Zijn naderend lijden, sterven en opstaan. Hij richt tot Zijn volgelingen een verklaring over de plichten, die de geestelijke navolging van Hem oplegt, maar ook over het loon dat deze meebrengt.
En Jezus ging tegen de tweede helft van september in het jaar 29 uit Zijn verblijfplaats bij Bethsaida, en Zijn discipelen met Hem, gevolgd door een kleinere menigte (vs. 34). Hij begaf Zich naar de dorpen van Caesarea Filippi, welke stad meer noordelijk gelegen is. En op de weg daarheen wilde Hij Zijn jongeren aanleiding geven om zich door hun belijdenis van de openbare mening nu meer bepaald af te scheiden en zich als Zijn gemeente te constitueren. Daarom vroeg hij aan Zijn discipelen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?
En zij antwoordden dat sinds lang de rondlopende meningen van het volk waren (Hoofdstuk 6: 14 vv. ): Sommigen zeggen, dat Gij Johannes de Doper bent, die uit de dood weer is opgestaan en anderen: Elias en anderen: Een van de profeten, Jeremia of Elisa
En Hij zei tot hen: Maar U, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus, om hier alleen de ene kant van zijn antwoord te berichten, waarin hij tevens in de naam van de overige discipelen sprak, terwijl de andere kant, waardoor hij de anderen vooruit was, buiten beschouwing blijft 16: 16″), antwoordde: a) Gij zijt de christus.
Joh. 6: 69.
En Hij, om nu ook alleen mee te delen wat betrekking heeft op het eerste deel van Petrus betuiging, gebood hen streng dat zij het niemand zouden zeggen van Hem, totdat zij als Zijn met de Geest vervulde getuigen zouden zijn opgetreden.
Het is zeker niet toevallig, geen menselijk overslaan noch willekeur, dat Markus hier het woord van de Heere over de prioriteit van Petrus in de kring van de apostelen, de hem geschonken onderscheiding en daarom ook dat deel van zijn belijdenis, waarop deze rustte, overslaat. Het is alsof Petrus had vooruitgezien, welk misbruik men eens te Rome zou maken van dat gedeelte van onze geschiedenis, zoals het bij Mattheus wordt gevonden. Het is alsof hij het allerminst daartoe aanleiding had willen geven, daarom liet hij het Markus niet mee in zijn Evangelie opnemen (wie zou kunnen geloven dat Petrus zelf of Markus dat “Gij zijt Petrus enz. ” zouden hebben overgeslagen, wanneer zij gemeend hadden dat op die woorden het fundament van de Christelijke kerk rustte Daarentegen laat hij uitdrukkelijk het volgende in vs. 32 v. opnemen, dat hij, die zich tegen het kruis en de leer van het kruis van Jezus verzet, een satan is, al zou hij ook Petrus heten. Heeft nu Petrus het zelf niet vooruitgezien, toen hij te Rome was en daar het Markus-evangelie onder zijn leiding werd geschreven, dan heeft toch de Heilige Geest alle dingen van tevoren erkend en gedachten en pen van de heilige schrijvers bestuurd zoals het nodig was. Het is duidelijk dat de schijnbare tegenspraak, onnauwkeurigheden, halfheden en duisterheden, die wij bij de Evangelisten en Apostelen aantreffen, hun oorzaak niet hebben in hun menselijkheid, maar in de diepte van de rijkdom, beide van de wijsheid en van de kennis van God. Het woord van God is een helder, duidelijk licht, dat ons nergens in duisternis laat wandelen. Alleen de mensen maken het tot een dof brandende lantaarn, of plaatsen het licht onder een kandelaar, omdat zij het licht haten en daartoe niet willen komen, opdat hun werken niet bestraft worden. Ook Lukas heeft zich bij het mededelen van onze geschiedenis op dezelfde wijze bekort als Markus, omdat hij eveneens in een tijd en voor een kring schreef die het nodig maakte aan het misbruik geen steun te geven en er dadelijk het oordeel van de verwerping over uit te spreken. Anders is het bij Mattheus en wanneer dat volk, waarvoor hij hoofdzakelijk zijn evangelie schreef, zich eens tot Christus zal bekeren, waarop wij niet lang meer hoeven te wachten (evenals Peter d?Ailly aan het einde van de 14de eeuw bepaald berekende dat in het jaar 1789 grote en buitengewone omwentelingen in de politiek binnen zijn vaderland plaats zouden hebben en dit verwezenlijkt is, zo kan ook onze berekening, dat het jaar 1897 het einde van de verwerping van Israel zal zijn, wel bewaarheid worden), dan zal opeens het primaat van Rome, dat de Heere nu nog voor een groot deel van de Christenheid om wijze redenen toelaat, een einde nemen en Rome zal dan krachtig bewezen worden een Babel te zijn, om te zijner tijd het voorzegde over “de grote hoer” te vervullen.
a) En Hij, wijzend op de tijd, dat zijn zo even uitgesproken woord van kracht zou zijn, begon hen te leren dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen, wanneer de verrotting reeds begonnen moest zijn, alsof Hij een wettige prooi van de dood, laat staan, een rechtvaardig veroordeelde geweest was, ter betoning van Zijn heerlijkheid (Rom. 1: 4) weer opstaan.
MATTHEUS. 17: 22; 20: 18. Mark. 9: 31; 10: 33. Luk. 18: 31; 24: 7.
En dit woord over Zijn lijden en sterven, waarop Hij vroeger slechts meer bedekt gedoeld had, sprak Hij nu vrij uit, zodat het niet kon worden misverstaan en Petrus, die het ook geheel juist had opgevat, maar het met zijn meningniet kon rijmen, nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen, opdat Hij Zich toch niet zo onnodig aan het ergste zou blootstellen.
Maar Hij keerde, toen Petrus Hem zo bij de arm nam en zijn vermaning tot Hem richtte, Zich om en zag al Zijn discipelen aan omdat zij in hun hart met dat terughoudende woord instemden en bestrafte Petrus, zeggende: a)Ga heen, achter Mij, satan! ga ver weg (MATTHEUS. 4: 10); want u verzint niet de dingen, die van God zijn, maar die van de mensen zijn.
2 Sam. 19: 22.
En Hij riep de menigte, die Hem nog op de weg volgden, met Zijn discipelen tot Hem en zei tot hen: Degene die mij wil navolgen, die moet zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen, hij moet gewillig zijn en vastbesloten om wat hem bij het volgen van Mij wordt opgelegd, om het kruis te dragen dat de Meester is opgelegd en om mij te volgen; hij draagt ook werkelijk en op dezelfde manier als Ik zijn kruis.
Alle last dragen, of het zichzelf opleggen van een last zonder zelfverloochening, is niet het kruis waarvan de Heere tot de Zijnen spreekt. Alle opofferingen en overgaven zijn tevergeefs,
wanneer het niet gebeurt omwille van Hem of omwille van het Evangelie, d. i. opdat men dit, het daarin aangeboden hemelrijk, deelachtig wordt (1 Kor. 9: 23). God bereidt u het kruis. Werp dat niet weg, maar houd het als het uwe, volgens de wil van de gehoorzaamheid, alsof u het zelf had gekozen. Verloochen uzelf, spreek van uzelf zoals Petrus van de Heere zei, toen hij Hem verloochende: “ik ken die mens niet. ” Spreek tegen de weigerende wil van het vlees: “niet gelijk ik wil” – dat is de grond en het eerste. Zo gebeurt het opnemen van het kruis en nu komt daarbij het andere, dat de kracht en de volharding te kennen geeft, dat wat de Heere spreekt: “Volg Mij na!”
Het woord “kruis” is onder Christenen een zeer gewoon woord; men verstaat daaronder gewoonlijk alle aardse nood en elke plaag die een hart wonden en bezwaren kan. Wie een doornen weg door dit leven bewandelt, voor wie het ongeluk door de vensters heen breekt, of bedachtzamer door de deur gaand als huisvriend en dagelijkse gast, zich met hem aan de tafel zet, wiens schouders een langdurige, smartelijke ziekte moeten dragen, die noemt men een kruisdrager. Dat rust op een misverstand. De uitdrukking “kruis” is geheel uitsluitend een Christelijk begrip en onafscheidbaar van het navolgen van Christus; in geen taal van enig volk van de wereld is ooit lijden met de naam van kruis aangeduid. Dat is als iets geheel nieuws uit de mond van Christus uitgegaan en wel voor de eerste maal bij de uitzending van de twaalf (MATTHEUS. 10: 38). De discipelen hoorden dat; zij bemerkten wel dat daarmee iets zeer ernstigs bedoeld was, maar zonder dat het bij de latere herhaling van het woord ten volle begrepen werd. Pas toen geschiedde wat onmogelijk was geacht, toen Christus zelf, door Israel verworpen, ter slachting gebonden, in het midden van twee misdadigers met het kruis op de schouders door de straten van Jeruzalem naar de gerechtsplaats werd gevoerd, toen werd opeens het deksel weggenomen en het duistere woord werd hen in de volle betekenis duidelijk. Bij het licht dat daardoor op de zaak valt, wordt het ons boven alle twijfel zeker, dat “zijn kruis in de navolging van Christus op zich nemen, ” niet is zich onder een reeds aanwezig lijden bukken en zich daarbij toeleggen op de navolging van het geduld en de gelatenheid van Christus; iets veel grotere en gewichtigers wordt daardoor aangeduid. Een Christen moet dadelijk bij het begin van de navolging van Christus zo afscheid nemen van de wereld en van het leven in de wereld, als een ter dood veroordeeld misdadiger, die is aangemaand om zich tot de ter dood brenging te laten leiden. De navolging van Christus is voor hem iedere dag op nieuw een navolgen tot sterven, zoals het daarmee verbondene woord over vinden en verliezen van het leven zo duidelijk aantoont. Maar het kruis, dat hij tot aan de dood moet dragen, kan zeer verschillende gedaanten aannemen en dikwijls verhinderen; nu wordt het onmiddellijk door de hemel over hem beschikt, dan schijnbaar slechts door mensenhanden op zijn schouders gelegd; nu is het een lijden, dat hemzelf bepaald aangaat, dan wordt het hem aangedaan door medelijden met de nood en het lijden van anderen; nu eens drukt het langdurig en zwaar zonder ophouden, zodat men de dood wensen zou en dan is er een snelle volvoering met daartussen komende ogenblikken van verlichting; nu eens is het uitwendig zichtbaar in allerlei ongeluk, noden en plagen en draagt het een Lazarus gedaante met zich, bij welker aanzien ook anderen mensen vochtige ogen krijgen, dan verbergt het zich voor de ogen van de mensen als een inwendig kruis, waarover men nauwelijks kan klagen, als een zielenkruis van dorheid, verzoeking, van God verlaten zijn, van lijden door de vurige pijlen van de boze en van de vuistslagen van de engel van de satan. In de eerste plaats moet echter onder het kruis, dat de Heiland Zijn discipelen en navolgers voorspelt, een lijden om Christus wil verstaan worden. Wel zijn in deze tijd de gewelddadige, bloedige handen van de wereld gebonden, maar daarom kan men toch haar haat niet ontgaan, dat kan niemand die godzalig wil leven, in Christus Jezus alleen; heeft zij geen touwen om de hals te doen, geen gesels te zwaaien, geen foltertuigen ter verschrikking, geen inquisitie- of revolutiekerkers voor de belijders van de Heere, maar gebruikt zij haar tong om daarmee dood te slaan. Lasteringen, spotachtige blikken, verachtelijk schouder ophalen, honend met de vinger nawijzen, beschimpingen enz. , dat zijn zaken die de wereld hen aandoet die uit de wereld zijn uitverkoren en die dat als hun kruis op zich moeten nemen om het de Heiland na te dragen, terwijl zij niet zullen sterven, zonder dat zij in dit leven een rechtvaardiging verkrijgen.
Ondanks die schijnbaar moeilijke toestand, waarin hij daardoor komt, bevindt hij zich toch in een zeer goede toestand in vergelijking met anderen die die niet leren kennen: a) want wie zijn leven zal willen behouden, diezal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en het Evangelie (want na Mijn opname in de hemel zal het omwille van Mij alleen zo kunnen gebeuren dat hij het omwille van het Evangelie doet), die zal het behouden.
MATTHEUS. 10: 39. Luk. 17: 33. Joh. 12: 25.
Wie de waarheid omwille van het kruis, dat zij met zich voert, omwille van het lijden, dat met haar aanneming verbonden kan zijn, laat varen; wie de neigingen en hartstochten, die hem beheersen, niet doodt en zich verloochent, wie de goede dagen van deze wereld geniet en zich juist dan in zijn element, in zijn leven voelt, die verliest in waarheid zijn leven; hij wijkt hoe langer hoe verder van het ware leven af, hij verliest het leven dat de mens alleen door aannemen, erkennen en gehoorzamen van de waarheid ten dele kan worden. Wie daarentegen de waarheid aanneemt, belijdt, haar gehoorzaam is, wie in de verloochening van zijn eigen wil, in het afleggen van zijn vooroordelen en dwalingen, in het overwinnen van zijn hartstochten en begeerten zijn eigen natuurlijk leven verliest en onder het kruis, onder het lijden, dat hem omwille van de waarheid treft, nu ook nog datgene verliest wat hem het leven in deze wereld lief en waard maakte, wat hem het leven van het leven was en zo in- en uitwendig wat tot hiertoe zijn leven en lust was, er aan geeft, die vindt het ware, hogere, eeuwige leven; met dit hogere leven en zijn eeuwige vrede en zijn onvergankelijke vreugde wordt hem elke ontbering en elke verloochening beloond. De eerste weg schijnt de weg tot steeds vrolijker en rijker levensgenot te zijn en is in waarheid de weg tot steeds grotere levenloosheid; de tweede weg schijnt tot steeds groter, droeviger levensgebrek, ja tot de dood te zijn en is de weg tot een leven, dat alleen waardig is het leven genoemd te worden.
Want wat zou het de mens, die zijn leven wil behouden, baten als hij de hele wereld won en zijn ziel schade leed?
Of wat zal voor een mens voldoende zijn om te geven in ruil voor de a) verlossing van zijn ziel, wanneer die eenmaal verloren is.
Ps. 49: 9.
Wat is het toch, dat de mens zozeer de vrede zoekt en vlucht voor het kruis? Gesteld, dat de gehele wereld met al haar goederen de zijne ware, maar buiten Mij, tegen Mij en zonder Mij, welke winst zou hij daarvan hebben, omdat hij intussen in de eeuwige verdoemenis snelt? Waarom zoekt hij zozeer de druppels van vrede of de kleine deeltjes van de hele wereld als de hele wereld vol goederen hem slechts ter eeuwige verdoemenis zou strekken? Deze vrede, die men zoekt, is kort, is verder gering, omdat zij het geringste deel van de vrede of van het goed van de hele wereld is; daarentegen is het kruis ook kort en het geringste deel van de eeuwige verdoemenis; toch rennen zij door een korte en geringe vrede in een eeuwig en eindeloos kruis en deze vinden door een kort en gering kruis de eeuwigen en eindeloze vrede (2 Kor. 4: 17 v. Ps. 92: 7 v. ). Maar wie bedenkt de kortheid, de geringheid, de onzekerheid van dit leven, van deze vrede, van deze heerlijkheid, van deze wellust? en ook de eeuwigheid, de oneindigheid, de zekerheid van de dood, van het kruis, van de smaad, van de smart? En integendeel, welke vrome overdenkt genoegzaam de kortheid, de geringheid, het lichte van het kruis en ook de eeuwigheid, de oneindigheid, de zekerheid van het leven, van de vreugde, van de zaligheid? O vlees, hoe bent u toch zo machtig, dat u deze dingen ook in de heiligen kunt verduisteren!
Denk aan het uur wanneer u op uw sterfbed zult liggen; alles wat u van de wereld hebt, blijft achter; alleen u, u helemaal alleen komt voor de troon van God. Wanneer u dan uzelf, uw ziel verloren hebt, dan hebt u alles verloren en kunt dan niets geven om haar van de eeuwige verdoemenis te verlossen. Nu kunt u nog iets geven, het bloed van Jezus Christus, het ware losgeld – “dit is het rantsoen van uw misdaden; breng dat voor Gods troon en u bent gered.”
Wanneer het tot sterven komt, zou men graag alles voor zijn zaligheid willen geven; in het leven denkt men er niet eens aan; wij willen niets doen, wanneer wij kunnen en alles doen wanneer wij niets meer kunnen – o blindheid en verkeerdheid!
Want degene die, in plaats van omwille van Mij en het Evangelie zijn leven wil verliezen, zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben in dit overspelig en zondig geslacht, dat van God is afgevallen en weerspannig is, voor deze zal de Zoon des mensen Zich ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader met de heilige engelen tot het laatste oordeel.
MATTHEUS. 10: 32. Luk. 12: 8. 2 Tim. 2: 12. 1 Joh. 2: 23.
Als u niet met Hem bent in de wedergeboorte dan zult u het evenmin zijn wanneer Hij komt in Zijn heerlijkheid. Als u terugschrikt voor de donkere kant van de gemeenschap met Hem zult u ook geen begrip hebben van die heerlijke, gelukkige tijd, wanneer de Koning zal komen en al Zijn heilige engelen met Hem. Hoe! Zijn engelen met Hem? En nochtans heeft Hij de engelen niet aangenomen, maar het zaad van Abraham. Zijn de heilige engelen met Hem? Kom, mijn ziel! als u in waarheid de Zijne bent, kunt u niet ver van Hem zijn. Als Zijn vrienden en buren samengeroepen worden om Zijn heerlijkheid te zien, wat zal u dan gebeuren die Zijn bruid zijt? Zult u van ver staan? Hoewel het de dag van het gericht is, nochtans kunt u niet ver zijn van het hart dat met engelen vertrouwelijk is en zich met u heeft verenigd. Heeft Hij niet tot u gezegd, o mijn ziel: “Ik zal Mij aan u verbinden in rechtvaardigheid en in oordeel en in barmhartigheid?” Heeft Zijn mond niet gesproken: “Ik heb u getrouwd en Mijn welbehagen is in u?” Als de engelen, die slechts vrienden en buren zijn, met Hem zullen zijn, is het meer dan zeker dat Zijn eigen beminde Hephziba (Jes. 62: 4), in wie al Zijn welbehagen is, met Hem zal zijn en zitten aan Zijn rechterhand. Hier is een morgenster van de hoop voor u, zo helder schitterend dat zij de donkerste en meest treurige ondervindingen wel verhelderen mag.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel