24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Ziende en niet ziende, of de mensen als bomen wandelende

Ziende en niet ziende, of de mensen als bomen wandelende

“En Hij kwam te Bethsaïda; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij Hem aanraakte. En de hand van de blinde genomen hebbend, leide Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag. En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen; want ik zie hen, als bomen, wandelen. Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.” Markus 8:22-25

Onze Zaligmaker genas zeer dikwijls de zieken door een aanraking, want het was Zijn bedoeling ons de waarheid in te prenten, dat de krankheden van de gevallen mensheid alleen kunnen worden weggenomen door in aanraking te komen met Zijn eigen gezegende mensheid. Hij had evenwel andere lessen te geven, en daarom nam Hij ook andere handelwijzen te baat bij het genezen van de zieken. Daarenboven was het wijs om andere redenen, verscheidenheid te brengen in Zijn wijze van doen. Had onze Heer al Zijn wonderen in één vorm gegoten, zo zouden de mensen een onbetamelijk gewicht gehecht hebben aan de manier, waarop Hij ze tot stand bracht, en zij zouden op bijgelovige wijze meer daaraan gedacht hebben dan aan de Goddelijke macht, waardoor het wonder verricht werd. Dienovereenkomstig laat onze Meester ons een grote verscheidenheid zien in de vorm van de wonderen. Ofschoon zij altijd met dezelfde goedheid gepaard gaan en dezelfde wijsheid en dezelfde macht ten toon spreiden, draagt Hij er nochtans zorg voor, dat het een van het ander onderscheiden is, opdat wij de geopenbaarde goedheid Gods mogen aanschouwen, en niet op de gedachte komen, dat de Goddelijke Zaligmaker zo beperkt is in Zijn handelwijzen, dat Hij uit nood telkens in herhaling moet vervallen. Het is de doorgaande zonde van onze vleselijke natuur om te blijven hangen in hetgeen gezien wordt en het onzienlijke te vergeten; hierom verandert de Heere Jezus de uitwendige wijze van werken, opdat het duidelijk moge zijn, dat Hij aan geen enkele methode van genezing gebonden is, en dat de uitwendige bewerking in zichzelf niets is. Hij wil ons doen verstaan, dat zo Hij al verkoos door de aanraking te genezen, Hij het ook kon doen door het woord; en zo Hij genezing bracht door het woord, Hij het ook nog wel buiten dat woord kon doen en alleen door Zijn wil kon werken; dat een blik van Zijn ogen even krachtdadig was als een aanraking met Zijn hand, en dat zelfs zonder zichbaar tegenwoordig te zijn; Zijn onzichtbare tegenwoordigheid het wonder kon werken, terwijl Hij Zich nog op een afstand bevond.

In het geval, dat ons bezig houdt, week onze Zaligmaker van Zijn doorlopende praktijk af, niet bloot in de methode van genezing, maar ook in het karakter, dat deze genezing droeg. In de meeste wonderen van de Zaligmaker was de persoon, die genezen werd, terstond hersteld. Wij lezen van de man, die doof en stom was, dat niet alleen zijn mond geopend werd, maar, wat opmerkelijker was bij iemand die nimmer te voren een klank had gehoord, dat hij recht sprak, en alzo niet slechts de gave der taal ontving, maar ook het vermogen om verstaanbare klanken voort te brengen. In andere gevallen verliet de koorts de patiënt terstond: de melaatsheid werd op de plaats zelf terstond genezen, en het bloedvloeien werd gestelpt; maar hier ging de beminde Geneesmeester meer op Zijn gemak te werk en schonk in het begin slechts een deel van de zegen, om dan eerst op te houden en zijn patiënt te doen bedenken, hoeveel er gegeven en hoeveel er nog onthouden was, en daarna door een tweede bewerking het goede werk te volmaken. Misschien werd de handeling van onze Heere in dit geval niet alleen bestuurd door de begeerte om ieder wonder weer anders te maken, opdat de mensen niet zouden denken, dat Hij, evenals een tovenaar, slechts één wijze van genezing had; maar mogelijk werd ze aan de hand gedaan door de bijzondere vorm van de kwaal en de geestelijke krankheid waarvan deze een type is. Jezus zoude sommige ziekten nauwelijks bij trappen hebben willen genezen; het scheen nodig een beslissende slag toe te brengen en er een einde aan te maken. Het uitwerpen van een duivel bij voorbeeld, moet geheel ineens worden volbracht, of anders geschiedt het in het geheel niet; en een melaatse is nog een melaatse als er maar een vlekje overblijft. Het is evenwel mogelijk de blindheid bij trappen te genezen, eerst een kleine schemering te geven en dan daarna op de oogappels het volle licht van de dag uit te storten; wellicht is het in sommige gevallen zelfs nodig een trapsgewijze genezing tot stand te brengen, opdat de gezichtszenuw aan het licht gewend mocht raken. Daar het oog het zinnebeeld is van het verstand, is het zeer wel mogelijk, neen, is het de gewone weg, het menselijke verstand bij trappen te genezen. De wil moet terstond worden omgezet; de genegenheden moeten ogenblikkelijk worden omgekeerd; het merendeel van de vermogens der menselijke natuur moeten een sprekende en volkomen verandering ondergaan; maar de verlichting van het verstand kan langzamerhand plaats hebben. Het stenen hart kan niet van lieverlede verzacht worden, maar moet ogenblikkelijk in een vlesen hart worden veranderd; maar dit is niet noodzakelijk ten aanzien van het verstand. Het vermogen om te denken en te beslissen kan langzamerhand in het rechte evenwicht, in de juiste verhouding gebracht worden. De ziel kan in het eerst slechts een geringe kennis der waarheid ontvangen, en daarin met betrekkelijke veiligheid rusten; naderhand komt zij er dan wel toe om klaarder de mening van de Geest te verstaan, en in die mate van verlichting kan zij zonder ernstig gevaar vertoeven, ofschoon niet zonder verlies; dit kan omschreven worden als ziende, maar niet ver ziende; en daarna kan de volkomen verlichting van het verstand bewaard blijven tot rijper ervaring. Waarschijnlijk zal het geestelijk gezicht, in volstrekte volmaaktheid, ons nimmer geschonken worden, totdat wij ingaan in het licht, voor hetwelk de geestelijke staat bestemd is; namelijk, de heerlijkheid van die plaats, waar men geen kaars van node heeft, noch het licht der zon, want de Heere God geeft daar het licht. Het wonder, dat ons bezighoudt, geeft ons een schildering van de voortgaande genezing van een verduisterd verstand. Het wonder kan niet gebruikt worden als een schilderij van het terugbrengen van de dwaling zijns wegs van een moedwillig zondaar, of van het terugkeren van de loszinnige en ongebondene uit het slijk der zonde; het is een beeld van de ziel, die in duisternis verkeert en langzamerhand door de Heilige Geest verlicht en door Jezus Christus in het heldere licht van Zijn koninkrijk gebracht wordt.

Deze morgen zal ik, in de overtuiging dat er vele halfverlichte zielen tegenwoordig zijn, onder de bijstand van de Heilige Geest, het geval schilderen; daarna zullen wij letten op de middelen ter genezing; vervolgens zullen wij ons een korte tijd ophouden met de beschouwing van de hoopvolle toestand; en dan besluiten met een korte opmerking aangaande de volkomenheid van de genezing.

I.

In de eerste plaats hebben wij HET GEVAL TE SCHILDEREN. Het is er zoals er heden ten dage bijzonder veel voorkomen; zeer algemeen vooral komt dit geval voor onder degenen, die zich nieuw bij deze gemeente voegen; want er komen zeer velen bij ons, die het voorgaande gedeelte van hun leven geestelijk blind waren, alleen voor de vorm naar de kerk gingen of voor het uitwendige zich alleen godsdienstig betoonden.

Merkt nauwkeurig op het voor ons liggende geval. Wij hebben te doen met een persoon met een verduisterd verstand. Het is geen man die vergeleken kan worden met iemand, die door de duivel bezeten is. Die door de duivel bezeten is, raast en tiert, en is gevaarlijk voor de maatschappij; hij moet met ketenen gebonden, bewaakt en opgepast worden, want het kan gebeuren, dat hij zich zelf verscheurt en anderen leed berokkend; maar deze blinde man doet niemand het minste kwaad. Het is hem er niet om te doen om anderen leed te berokkenen, er bestaat weinig gevaar, dat hij geweld pleegt jegens zich zelf. Hij is matig, rustig, eerlijk en vriendelijk, en zijn geestelijke krankheid kan ons medelijden opwekken, maar niet onze vreze. Indien deze niet verlichte personen in aanraking komen met het volk des Heeren, razen en tieren zij niet tegen de heiligen, maar zij betonen jegens hen hun eerbied en beminnen hun gezelschap. Zij zijn geen haters van het kruis van Christus; zij zijn op hun armzalige blinde wijze zelfs liefhebbers daarvan. Zij zijn geen vervolgers, smaders of spotters; ook lopen zij niet met boze opzet op de weg der goddeloosheid; integendeel, ofschoon zij de dingen Gods niet kunnen zien, voelen zij nochtans op een zeer bewonderenswaardige manier hun weg op de paden der zedelijkheid, zodat ze in sommige opzichten zelfs voorbeelden zouden kunnen zijn voor hen, die zien kunnen. Verder nog, het vóór ons liggende geval is niet dat van een persoon, die bezoedeld is met een besmettelijke kwaal, vuil en walgelijk gelijk de melaatsheid. De melaatse moet alleen gesteld worden; er moet een plaats voor hem worden afgezonderd, want hij steekt allen aan, met wie hij in aanraking komt. Niet alzo met deze blinde, die tot de Zaligmaker komt. Hij is blind, maar hij maakt anderen niet blind. Als hij zich te midden van andere blinden bevindt doet hij hun blindheid niet toenemen, en als hij in gemeenschap gebracht wordt met hen, die zien kunnen, brengt hij aan hun gezicht niet de minste schade toe; deze laatsten zouden er zelfs voordeel uit kunnen trekken door met hem om te gaan, want zij worden er toe geleid om dankbaar te zijn voor het gezicht der ogen, hetwelk zij bezitten, wanneer zij de duisternis opmerken, waarin hij op zo treurige wijze gehuld is. Het is derhalve niet het geval van een persoon met een losbandig leven, of van iemand die vuile taal uitslaat; in het geheel niet het geval van een man, die uw kinderen zou bederven, die uw zoon of uw dochter op het pad der zonde zou brengen. De niet verlichte lieden, van welke wij spreken, worden in onze familiekring geliefd, en daar bestaat alle reden toe, want zij verspreiden geen schadelijke leerstellingen en geven geen slechte voorbeelden; zelfs wanneer zij over geestelijke dingen spreken, zijn zij oorzaak, dat wij hen beklagen, omdat zij zo weinig weten en dankbaar zijn jegens God, wanneer wij er aan denken, dat Hij onze ogen heeft geopend om de wondervolle dingen van Zijn woord te aanschouwen. Het zijn geen verwoede haters van God en ook geen mensen, die een afschuwelijk leven leiden, waardoor zij kwaad zouden aanrichten onder hun geslacht; neen, deze lieden zijn niet eens onbekwaam in enig opzicht, uitgezonderd ten aanzien van het ene orgaan van het oog des geestes; het is het verstand, hetwelk verduisterd is; maar in elke andere zin zijn de mensen, welke ik thans afschilder, hoopgevend, zo niet gezond. Zij zijn niet geheel en al doof, zij horen het evangelie met een aanmerkelijk genot en ernstige belangstelling. Het is waar, zij verstaan het niet helder; het is weinig meer dan de letter, welke zij ontvangen en slechts in een zeer geringe mate de geest; maar toch, zij horen het en zij bevinden zich in de weg om een grotere zegen te ontvangen, want “het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God.” En daarenboven, stom zijn zij tot op zekere hoogte ook niet, want op hun wijze bidden zij. Wel is waar is hun gebed nauwelijks geestelijk, maar er is toch een zekere mate van vurigheid in, die niet veracht moet worden. Van hun jeugd af aan hebben zij een plaats der samenkomst bezocht en nooit hebben zij de uitwendige vormen van de godsdienst veronachtzaamd. Helaas! dat wij van hen moeten getuigen, dat zij nog blind zijn. Maar zijn zij zeer begerig om te horen en te bidden, en wij vertrouwen, dat zij nog in staat zullen worden gesteld om beide te doen; zij zijn derhalve niet in volstrekte zin doof of stom. Ook schrijven zij in andere opzichten niet onbekwaam te zijn. De hand is niet verdord, zoals in het geval van iemand, die door Christus in de synagoge werd aangetroffen. Evenmin zijn zij neergebogen door een smartelijke gedruktheid en neerslachtigheid, gelijk die dochter van Abraham, die vele jaren achtereen een neergebogene was. Zij zijn vrolijk zowel als ijverig in de wegen des Heeren. Indien de zake Gods bijstand vordert, zijn zij gereed die bijstandd te verlenen; en ofschoon zij tengevolge van het verlies van hun geestelijke ogen niet in de volle genieting van Goddelijke dingen kunnen treden, zo behoren zij toch onder de ijverigste mensen, die wij kennen, om een goede zaak vooruit te helpen; niet omdat zij de geest daarvan volkomen begrijpen of daarin kunnen doordringen, want ter oorzaak van hun natuurlijke blindheid zijn zij daaromtrent nog vreemdelingen; maar toch is er in hen iets gewrocht, hetwelk zeer lieflijk en zeer hoopgevend is, want zij zijn begerig zoveel aan hen ligt de zaak van Christus te bevorderen.

In vereniging met alle Christelijke gemeenten hebben wij een hele massa mensen van deze soort, en in vereniging met sommige christelijke kerken zijn de meesten van de leden zelfs zeer weinige beter: zij hebben niet meer dan voldoend onderricht ontvangen om hen in staat te stellen in geestelijke zaken hun rechterhand van hun linker te onderscheiden. Bij gemis aan leerstellig onderricht verkeren zij in het duister, en omdat de klank der gezonde woorden hun niet wordt voorgehouden, bleven zij in een toestand van halve blindheid, nog niet in staat om de heerlijke vooruitzichten te genieten, welke het oog van de verlichte gelovige bekoren.

II.

Wij hebben nu te letten op DE WIJZE VAN GENEZING ONZES HEEREN. Ieder deel van het wonder bevat een wenk, een aanrading, een voorslag. Het eerste, dat moet worden opgemerkt, is een vriendelijke tussenkomst. Zijn vrienden brachten de blinde tot Jezus. Hoevelen zijn er, die de fundamentele leer van het evangelie van Christus niet recht verstaan en de hulp van de gelovigen nodig hebben. Zij hebben in het afgetrokkene een zekere toegenegenheid tot de godsdienst, maar zij weten niet ten volle wat zij moeten doen om zalig te worden. De grote waarheid van de plaatsvervanging, welke het voornaamste stuk is in het evangelie, hebben zij nog niet gevat. Zij weten nauwelijks wat het is, geheel en al op de Heere Jezus te gaan rusten, vanwege de voldoening, welke Hij door de almachtige gerechtigheid heeft aangeboden. Zij hebben een soort van geloof, maar zij hebben zulk een geringe kennis, dat hun geloof hun weinig of geen voordeel aanbrengt. Zulke mensen zouden dikwijls een zegen kunnen ontvangen, indien verder gevorderde christenen wilden beproeven hen tot een heldere kennis aangaande de Zaligmaker te brengen. Waarom kunt gij zodanige zielen niet brengen onder het geklank van die bediening, welke voor uzelf tot lering is geweest? Waarom kunt gij dat boek niet op hun weg leggen, hetwelk het middel was tot het openen van uw ogen? Waarom kunt gij die tekst uit de Schrift niet voorhouden of dat deel uit Gods Woord, hetwelk het eerst voor u tot verlichting heeft gediend? Zou het niet een zeer hoopgevend werk voor ons zijn, ons er mee bezig te houden om dezulken op te sporen, die niet vijandig staan tegenover het evangelie, maar er alleen onkundig van zijn; die een ijver voor God hebben, maar niet met verstand; en die, indien zij maar het eerst door het licht konden worden bestraald, alsdan het ene nodige zouden gevonden hebben? Voorzeker, indien wij omzien naar de gezonkenen, de bedorvenen, de snoden, die onze stegen en achterbuurten verontreinigen, dienen wij met evenveel vuur en ijver er op uit te gaan om die hoopgevende mensen op te zoeken, die onder het geklank van een prediking zitten, welke geen evangelieprediking is of die het zuivere woord horen maar het niet bemerken. Broeders en zusters, gij zoudt er goed aan doen, indien gij voor de zodanigen ging bidden, en als gij daarenboven die uitnemende jongelingen en die beminnelijke jonge dochters ging opzoeken, en ging trachten de vraag van hun tedere consciëntie te beantwoorden: “O dat wij wisten waar wij Hem konden vinden!” Het zou in de hand Gods voor hen de eerste stap kunnen zijn tot het ontvangen van het geestelijk gezicht der ogen, indien gij u om deze kinderen van de nevel en van de nacht wilde bekommeren.

Toen de blinde tot de Zaligmaker gebracht was, kwam hij eerst met Jezus in aanraking, want Jezus nam hem bij de hand. Het is een gelukkige dag voor een ziel, wanneer zij in persoonlijke aanraking met de Heere Jezus komt. Broeders, wanneer wij ons in staat van ongeloof bevinden, zitten wij in het huis Gods, en Christus schijnt voor ons op een afstand te zijn; wij horen van Hem, maar het is als van iemand, die vertrokken is naar de ivoren paleizen, en nu niet meer onder ons is. En zelfs als Hij voorbijgaat, hebben wij een gevoel, alsof Hij niet nabij ons komt; en zo zitten wij neer, en zuchten, en verlangen te gevoelen dat Zijn schaduw op ons valt, of als het ware de zoom van Zijn kleed aan te raken. Maar wanneer de ziel zich werkelijk met Jezus begint bezig te houden, wanneer Hij het voorwerp wordt van vrome opmerkzaamheid, wanneer wij gevoelen, dat er door Hem iets is te verkrijgen en te verwezenlijken, dat Hij geen verwijderde en ongrijpbare schaduw is, maar een wezenlijk bestaan heeft, een bestaan, dat invloed op ons uitoefent, dan is het, dat Hij ons bij de hand neemt. Ik weet, dat sommigen uwer dit gevoeld hebben. Het is menigmaal gebeurd op de Sabbat, dat gij gevoelde, dat gij moest bidden; gij gevoelde, dat de prediking bestemd was voor u; de gedachte kwam bij u op, dat door een of ander de prediker mededelingen aangaande u had gedaan, zozeer was de waarheid op u toepasselijk, iedere bijzonderheid van de woorden van de prediker paste op de toestand van uw geest: dat was, naar mijn gedachten onze gezegende Heere, die u bij de hand vatte. De dienst was voor u niet bloot een spreken en een horen van woorden, maar een geheimzinnige hand raakte u aan, uw gevoel werd aangedaan en uw hart was zich bewust van bijzondere aandoeningen, voortvloeiende uit de tegenwoordigheid van de Zaligmaker. Natuurlijk komt Jezus niet lichamelijk met ons in aanraking; de aanraking is geestelijk, het is een aanraking van het gemoed; het gemoed van de Heere Jezus legt zijn hand op het gemoed van de zondaar en oefent door de Heilige Geest een zachte invloed op de ziel ten aanzien van heiligheid en waarheid.

Let op de volgende handeling, want er gebeurt iets eigenaardigs. De Zaligmaker bracht de man in de eenzaamheid, want Hij leidde hem uit buiten het vlek. Ik heb opgemerkt, dat wanneer er mensen bekeerd worden, die eerder geestelijk blind waren dan snood en roekeloos, die niet zozeer vijandig als wel onkundig waren, een van de eerste tekenen, dat zij christen zijn geworden, is, dat zij zich in de eenzaamheid terugtrekken en hun persoonlijke verantwoordelijkheid gevoelen. Broeders, ik heb altijd hoop voor de mens, die aan zichzelf begint te denken zoals hij alleen voor God staat, want er zijn tienduizenden in Engeland, die zich zelf beschouwen als delen van een natie van christenen en geboren als leden van een kerk, en zich alzo nimmer beschouwen als persoonlijk verantwoordelijk voor God. Ze doen belijdenis van zonden, maar het is altijd met de gehele gemeente. Ze zingen lofzangen, maar het is niet persoonlijk, het zijn algemene lofzangen. Maar wanneer een mens er toe gebracht wordt, al bevindt hij zich ook in de vergadering der gemeente, om te gevoelen alsof hij alleen was, wanneer hij het denkbeeld machtig wordt, dat de ware godsdienst een persoonlijke zaak en niet een zaak van de gemeenschap is en dat de belijdenis van zonden gepaster is van zijn lippen dan van iemand anders, dan is er een begin van een werk der genade. Er is hoop voor het blindste verstand, wanneer de geest over zijn eigen toestand begint na te denken en zijn vooruitzichten nagaat. Het is een zeker teken, dat de Heere in gunst met u handelt, wanneer Hij u buiten het vlek leidt; wanneer gij alle anderen vergeet en nu alleen maar meer aan uzelf denkt. Noem dat geen zelfzuchtigheid; het is alleen zulk een zelfzuchtigheid als de hoogste wet van onze natuur voorschrijft. Ieder mens, die op het punt is om te verdrinken, moet aan zichzelf denken; en als het een veroordelenswaardige zelfzuchtigheid is, wanneer men tracht zijn eigen leven te behouden, veel meer is dit dan het geval, wanneer men in arbeid is om aan het eeuwig verderf te ontkomen. Wanneer uw eigen zaligheid verzekerd is, zult gij niet meer aan u zelf behoeven te denken, maar gij zult u om de zielen van anderen bekommeren; maar nu is het de hoogste wijsheid aan u zelf te denken in uw verhouding tegenover God, en uw blikken te richten naar de Zaligmaker, opdat gij zelf het eeuwige leven moogt hebben. “En de hand van de blinde genomen hebbende, leidde Hij hem buiten het vlek.”

Wat nu volgde was een zeer vreemde handeling; Hij bracht hem onder verordineerde, maar verachtelijke middelen: Hij spoog in zijn ogen. De zaligmaker gebruikte menigmaal het speeksel van Zijn mond als een middel tot genezing, naar men wel gezegd heeft, omdat het door geneesheren onder de ouden was aanbevolen. Maar ik kan niet denken, dat hun gevoelen bij onze wonderwerkende Heere veel gewicht in de schaal legde. Het schijnt mij toe, dat het gebruik van speeksel de opening der ogen in verband bracht met des Zaligmakers mond; dat wil zeggen dat het zinnebeeldig de verlichting van het verstand in verband bracht met de waarheid, welke van Christus uitgaat. Natuurlijk komt het geestelijk gezicht der ogen door middel van de geestelijke waarheid: en het oog van het verstand wordt geopend door de leer, welke Christus predikt. Het denkbeeld, dat wij van nature aan het speeksel verbinden, is dat van walging en afkeer. En zo schijnt het mij toe, dat het daarom opzettelijk door de Zaligmaker juist tot dat doel gebruikt werd. Het was niets anders dan speeksel, ofschoon het speeksel was uit de mond van de Zaligmaker. En merk alzo op, mijn vriend, dat het zeer wel mogelijk is, dat God u zegenen wil door diezelfde waarheid, welke gij eens veracht hebt; en het zou mij niets verwonderen, dat Hij u juist zegende door dien man tegen wie gij met de meeste bitterheid hebt gesproken. Het heeft God menigmaal behaagt aan Zijn knechten in de bediening een soort van genadige wraakneming te gunnen; tal van malen is het gebeurd, dat zij, die het vinnigst en het meest verwoed waren tegen Gods eigen dienaren, de beste zegeningen ontvangen hebben uit de handen van hen, die zij het meest verachtten. Gij noemt het spuw of speeksel; maar niets anders dan dat zal uw ogen openen. Gij zegt: “Het evangelie is iets zeer alledaags”, maar door zoiets alledaags zult gij het leven ontvangen. Gij hebt honende verklaard, dat die en die man de waarheid verkondigt op een platte en onbeschaafde manier; maar gij zult eens die platheid zegenen, en blijde genoeg zijn op nog onbeschaafder manier de waarheid te ontvangen, gelijk zijn Meester hem die geeft uit te spreken. Ik denk, dat velen van ons in onze bekering dit hadden op te merken, dat de Heere onze trots gekastijd heeft door tot ons te zeggen: “Die arme mensen, van wie gij zulk een lage gedachte had, zullen voor u tot een zegen gesteld worden; en mijn dienstknecht, tegen wie gij het meest met vooroordeel vervuld waart, zal de man zijn om u tot volmaakte vrede te brengen.” Het treft mij, dat dit alles, en nog veel meer dan dit, in het denkbeeld van des Zaligmakers spuwen in de ogen van de blinde ligt. Geen poeders van de apotheker merkt gij, geen mirre en wierook, geen kostbare specerijen, maar niets anders dan een weinig speeksel op de lippen; en wanneer gij de diepten Gods wilt zien, mijn hoorder, dan zal dit evenzo niet geschieden door de wijsgeren of de diepe denkers van onze tijd; maar die tot u zegt: “Stel uw vertrouwen op Christus en gij zult leven”, leert u een betere wijsbegeerte dan de wijsgeren, en die u zegt, dat in Hem, in de Heere Jezus, al de schatten zijn van wijsheid en van kennis, zegt u in die eenvoudige mededeling meer dan gij zoudt kunnen leren, al was het, dat Socrates en Plato van de doden opstonden en gij als leerling aan hun voeten kon zitten. Jezus Christus wil uw ogen openen, en dit zal door zulk een onaanzienlijk middel, het speeksel van Zijn mond, geschieden.

Gij zult verder opmerken, dat toen Hij in zijn ogen gespogen had, er bijgevoegd wordt, dat Hij de handen op hem legde. Deed Hij zulks bij wijze van hemelse zegening? Verleende Hij door het opleggen der handen de man Zijn zegen, en liet Hij daardoor kracht uit Zijn eigen persoon in de blinde overgaan? Ik denk het wel. Evenzo, broeders, is het niet het speeksel, is het niet het uitleiden van de mens buiten de menigte als het er op aankomt; het is niet de bediening, het is niet de prediking van het woord, het is niet de opmerkzaamheid van de hoorder, die de geestelijke zegeningen verwerft; het is de zegening van Hem, Die voor zondaars stierf, welke ons alles deelachtig maakt. Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd om te geven bekering en vergeving der zonden. Het is door Hem die door de mensen veracht en verworpen werd, en door Hem alleen, dat zulk een onwaardeerbaar gunstbewijs als het gezicht voor de blinden aan de kinderen der mensen gegeven wordt. Wij moeten de middelen gebruiken, en ze niet verachten, nog daarop vertrouwen. Wij moeten alleen gaan want de afzondering is een grote zegen; maar wij moeten tenslotte opzien tot de Heere en Gever van alle goede gave, anders zou het speeksel wel met walging kunnen worden weggevaagd, en het alleen zijn zou slechts daartoe dienen, dat die blinde zijn weg nog meer bijster raakte en in nog diepere duisternis zonder hulp en voorlichting kwam te verkeren. Deze schets is de afbeelding van sommigen alhier. Ik geloof, dat hier personen zijn, die van hun jeugd af aan de plaatsen der godsdienstoefening hebben bezocht zonder het geringste besef van het geestelijk leven, en bij wie dit ook zo zou gebleven zijn, had het de Heere niet behaagd gebruik te maken van vrienden; gelukkige, vrolijke christenvrienden, die zeiden: “Komaan, ik geloof, dat ik u iets vertellen kan, wat gij nog niet weet.” Deze vrienden brachten u door gebed en onderricht in aanraking met Jezus. Jezus raakte u aan, deed Zijn invloed gelden op uw gemoed, maakte u nadenkend, deed u zien, dat er meer in de godsdienst is dan juist het bloot uitwendige, deed u gevoelen, dat het gaan naar kerk of kapel niet alles is, ja, dat het niets is, tenzij gij het geheim, het wezenlijk geheim leert van het eeuwige leven. Door dit alles zijt gij begonnen te gevoelen, dat er een macht is in dat evangelie, hetwelk gij eens veracht hebt; en datgene waarover gij u zo smadelijk hebt uitgelaten als Methodisme en bombast, is nu voor u het evangelie van uw zaligheid. Laat ons God daarvoor danken, want het is door zulke middelen dat de ogen geopend worden.

III.

Wij zijn nu gekomen tot het derde punt, en wij willen een wijle vertoeven bij EEN HOOPVOLLE TOESTAND. De Zaligmaker had ‘s mans oogappels het vermogen gegeven om te zien, maar Hij had nog niet volkomen het vliesje weggenomen, hetwelk het licht buitensloot. Hoort de man. Jezus zegt tot hem: “Kunt gij iets zien?” Hij ziet op, en het eerste blijde woord is: Ik zie!” Wat een zegen! “Ik zie!” Sommigen van u, waarde vrienden, kunnen alzo spreken: Eens was ik blind, maar nu zie ik. Ja, Heere, het is nu geen totale duisternis. Ik zie niet zoveel als het wel behoorde, ook niet zoveel als ik wel zou wensen, maar ik zie dan toch. Er zijn vele, vele dingen, waar ik niets van af wist, waaromtrent ik nu toch enige kennis heb. De duivel zelf kan op dit punt, namelijk omtrent mijn zien, geen twijfel bij mij opwekken. Ik weet, dat ik zie. Ik placht volkomen voldaan te zijn met de uitwendige vorm; als ik aan het gezang en de gebeden maar deelnam, gevoelde ik mij bevredigd; maar nu, ofschoon ik gevoel, dat ik niet kan zien zoals ik gaarne zou willen zien, kan ik toch zoveel zien. Al kan ik het licht niet zien, de duisternis is toch in ieder geval zichtbaar. Al kan ik de zaligheid niet zien, mijn eigen verderf kan ik wel zien. Ik zie mijn eigen noden en behoeften; al zie ik dan ook niets meer, die zie ik wel.” Nu dan, indien iemand iets zien kan, het doet er niet toe wat, heeft hij voorzeker het gezicht. Of het een schoon voorwerp of een lelijk ding is, dat hij ziet, doet er niets toe; bloot het zien van het een of ander is een stellig bewijs, dat er gezicht in zijn ogen is. Zo is ook het geestelijk besef van het een of ander een bewijs, dat het geestelijk leven aanwezig is; hetzij dat het besef u doet treuren, hetzij het u blijde doet zijn; hetzij het u maakt tot een gebrokene van harte, of uw hart verbindt; als gij dat ziet, moet gij het vermogen van het gezicht bezitten, dat is duidelijk genoeg, niet waar? Maar hoort de mens opnieuw. Hij zegt: Ik zie de mensen.” Dat is nog beter. Natuurlijk was de arme man eens in staat geweest om te zien, anders zou hij de gedaante van een mens niet gekend hebben. “Ik zie de mensen”, zegt hij. En ook hier zijn sommigen, die genoeg gezicht hebben om hen in staat te stellen tussen de dingen te onderscheiden, zodat zij het ene van het andere kennen. Ofschoon zij eens zo blind waren als een mol, zou niemand u kunnen doen geloven, dat de wederbaring bij de doop hetzelfde zou zijn als de wederbaring door het Woord van God; gij kunt het onderscheid tussen deze twee dingen in ieder geval zien. Men zou denken, dat iedereen dat wel kon; maar zeer velen kunnen dat niet. Gij kunt het onderscheid zien tussen het bloot formele en uitwendige dienen van God, en het geestelijke dienen van Hem; dat kunt gij toch wel zien. Gij kunt genoeg zien om te weten, dat er een Zaligmaker is, dat gij een Zaligmaker nodig hebt, dat de weg der zaligheid door het geloof in Christus is, dat de zaligheid, welke Jezus geeft, ons werkelijk van de zonde behoudt, en degenen, die haar ontvangen, veilig naar de eeuwige heerlijkheid brengt. Alzo is het duidelijk, dat gij iets kunt zien, en gij weet binnenkort wat dat iets is. Luistert evenwel naar de blinde, want hier krijgen wij een woord te horen, dat weer veel bederft: “Ik zie de mensen, als bomen, wandelen”. Hij kon niet zeggen of het bomen of mensen waren, behalve dat zij wandelden, en hij wist dat bomen niet wandelen en dus konden het geen bomen zijn. De voorwerpen waren voor zijn ogen een verwarde massa. Hij wist in hun beweging dat het mensen moesten zijn, maar hij kon niet nauwkeurig door het gezicht van zijn ogen zeggen of het mensen of bomen waren. Vele dierbare zielen wachten in deze hoopvolle, maar lastige staat. Zij kunnen zien. Dankt God daarvoor! Zij zullen nimmer weer geheel en al blind zijn. Want als zij de Mens Jezus kunnen zien, en de boom, het vloekhout waaraan Hij stierf, maken zij daarvan als het hun behaagt maar één voorwerp, want Christus en Zijn kruis zijn één. Ogen, welke Jezus niet duidelijk kunnen zien, zien Hem daarom mogelijk nog wel schemerende en zelfs een schemerachtig gezicht zal de ziel behouden.

Merkt op, dat het gezicht van deze man zeer onduidelijk was – een mens of een boom, dat kon hij niet zeggen. Evenzo is het met het eerste gezicht, hetwelk aan vele geestelijk blinden gegeven wordt. Zij kunnen tussen leer en leer niet onderscheiden. Het werk van de Geest en het werk van de Zaligmaker verwarren zij dikwijls in hun gemoed. Zij bezitten de rechtvaardigmaking en zij bezitten de heiligmaking, maar het is waarschijnlijk, dat zij u niet zouden kunnen zeggen, wat het ene en wat het andere is. Zij hebben medegedeelde gerechtigheid van het hart ontvangen, en zij hebben ook de toegerekende gerechtigheid van Christus ontvangen, maar tussen de meegedeelde gerechtigheid en de toegerekende gerechtigheid kunnen zij nauwelijks onderscheiden; zij bezitten ze beide, maar zij kunnen ze niet uit elkander houden, ten minste niet in die mate, dat zij in staat zijn er een bepaling van te geven of ze voor hun medemensen te omschrijven. Zij kunnen zien, maar zij kunnen niet zien zoals het behoort. Zij zien de mensen als bomen wandelen. Hun gezicht, behalve dat het onduidelijk is, leidt hen ook tot overdreven voorstellingen. Een mens is niet zo groot als een boom, maar zij vergroten de menselijke statuur tot de hoogte der bomen. En zo gaat het ook met half verlichte mensen: zij vervallen tot overdrijving ten aanzien van de leer. Indien hun de leer der uitverkiezing wordt voorgesteld, zijn zij er niet mee tevreden om zover te gaan als de Schrift gaat: zij maken van de mens een boom door de verwerping er bij te halen. Indien zij vat krijgen op het voorschrift, de doop of wat hier ook zijn mag, overdrijven zij zijn afmetingen en maken er alles en nog wat van. Sommigen gaan hier mank en anderen daar, en dat komt alles daarvandaan, dat zij een mens voor een boom aanzien. Het is een grote genade, dat zij een gezicht hebben op de leer en op het voorschrift, maar het zou nog groter genade zijn, als zij die konden zien gelijk zij zijn, en niet gelijk zij zich aan hen voordoen.

Deze overdrijving leidt gewoonlijk tot verontrusting, want als ik een man naar mij toe zie komen zo groot als een boom, ben ik natuurlijk bevreesd, dat hij op mij zal aanvallen, en dan ga ik uit de weg. Vele mensen zijn bevreesd voor Gods leerstukken, omdat die naar hun gedachten zo hoog zijn als bomen. Zij zijn volstrekt niet te hoog. God heeft ze van de rechte statuur gemaakt, maar hun blindheid overdrijft ze en maakt ze verschrikkelijker en hoger dan zij misschien wel zijn. Zij zijn bevreesd boeken te lezen over zekere waarheden, en zij zijn schuw ten aanzien van alle mensen, die ze prediken, alleen omdat zij die leerstukken niet in het rechte licht kunnen zien, maar door hun eigen verward gezicht, dat zij daarop hebben, verontrust worden.

In verband met deze overdrijving en deze vrees bestaat er voor zulke mensen een volkomen verlies van de genieting, welke daarvandaan komt, dat men in staat is schoonheid en liefelijkheid op te merken. Het edelste deel van een mens is tenslotte zijn gelaat. Wij houden er van de gelaatstrekken van onze vriend in ons op te nemen; dat zachte oog, die tedere uitdrukking, die innemende blik, die bekoorlijke glimlach, die u zo toesprekende glans van welwillendheid op het gelaat, dat hoge gewelfde voorhoofd, wij mogen ze gaarne zien; maar deze arme man kon niets van dat alles aanschouwen, want hij kon nauwelijks een mens van een boom onderscheiden; hij kon die zachtere lijnen van de grote meester in de kunst welke de ware schoonheid vormen, niet ontdekken. Hij kon alleen zeggen: “Het is een mens”, maar of het een zwarte was, zwart als de nacht, of blond als de morgen, dat wist hij niet en dat kon hij niet zeggen; en of hij bits en gemelijk, dan wel vriendelijk en zachtmoedig was, dat kon hij niet onderscheiden. Zo is het ook met die mensen, welke enig geestelijk licht hebben ontvangen. Zij kunnen de bijzonderheden, de onderdelen van de leerstukken niet onderscheiden. Gij weet, broeders, dat het de onderdelen zijn, waarin de schoonheid ligt. Indien ik mij aan Jezus, aan mijn Zaligmaker toevertrouw, zal ik behouden worden, maar de genieting des geloofs komt hiervan, dat men Hem kent in Zijn persoon, in Zijn ambten, in Zijn werk, in Zijn heden, Zijn verleden en Zijn toekomst. Wij bemerken Zijn ware schoon heid door Hem nauwkeurig gade te slaan en met heilige waakzaamheid te beschouwen. Zo is het ook met de leerstukken; de leer in haar geheel, in onze gedachten als een eenheid samengevat, is heerlijk; maar de zuiverste genieting verkrijgen wij, wanneer wij de verschillende delen van de leer afzonderlijk beschouwen. “Ja,” zegt een oningewijde, wanneer hij een schoon schilderij beziet, zoals bijvoorbeeld de beroemde Stier van Paulus Potter in den Haag, “het is gewis een zeldzaam schilderstuk”, en dan gaat hij weg. Maar de kunstenaar gaat er bij zitten en bestudeert de onderdelen. Voor hem ligt in iedere tint en schaduw een schoonheid, welke hij verstaat en weet te waarderen. Vele gelovigen hebben licht genoeg om het geloof te kennen zo in zijn omtrekken, maar de opvulling, het fijne van de zaak, datgene waarin steeds de zoetste troost zal worden gevonden door het geestelijk opgevoede kind van God, dat merken zij niet op. Zij kunnen zien, maar zij zien de mensen, als bomen wandelen.

Ofschoon ik weet, dat de meesten van u, mijn broederen, dit station al lang voorbij zijn, zo weet ik toch ook, dat er honderden onder het volk van God zijn, die zich daar nog ophouden; en daar komt het ook vandaan, wanneer satan de overhand krijgt, dat secten, en partijen en theoriën oprijzen. Als een aantal mensen met goede ogen elkander ontmoeten en naar een voorwerp staren, zullen zij vrijwel overeenkomen in beschrijving van hetgeen zij zien; maar als gij een gelijk aantal mensen uitkiest met ogen zo zwak, dat zij nauwelijks een mens van een boom kunnen onderscheiden, dan is er een verwarring zonder einde, en alle kans, dat het op twist en tweedracht uitloopt. “Het is een mens”, roept de een, “hij wandelt”. “Het is een boom”, roept een ander, “hij is te groot voor een mens”. Wanneer halfblinde mensen eigenzinnig worden en hun leermeesters verachten, wanneer zij niet willen aannemen zoals de Heilige Geest heeft verordineerd dat er geleerd moet worden, geven zij hun onkunde voor kennis uit, en leiden wellicht andere half verlichte lieden met hen in de sloot. Zelfs waar een heilige bescheidenheid deze jammerlijke uitkomst verhoedt, moet dit ten halve zien toch nog betreurd worden; want het laat de mensen in zorg, waar zij reden hadden om blijde te zijn, het doet hen treuren over waarheden, die, indien zij verstaan werden, hun mond de ganse dag met lofliederen zou vervullen. Velen verkeren in onrust ten opzichte van de uitverkiezing; en wanneer er nu één leerstuk is, dat de gelovige behoorde de gehele dag te doen zingen, en de gehele nacht daarbij, is het juist het leerstuk van de verkiezende liefde en de onderscheidende genade. Sommige mensen zitten vol vrees en schrik over dit, en anderen over dat, terwijl zij, indien zij de waarheid verstonden, in plaats van haar te ontvluchten als een vijandin, haar in de armen zouden snellen.

Na u deze schets van de man in zijn staat van overgang te hebben gegeven, sluiten wij met DE VOLKOMENHEID VAN DE GENEZING op te merken.

Broeders, weest dankbaar voor iedere mate van licht. Zonder de genade van God konden wij geen straal daarvan deelachtig zijn. Een straal van licht is meer dan wij verdienen. Indien wij voor eeuwig in de duisternis waren opgesloten, hoe zouden wij kunnen klagen? Verdienen wij niet, aangezien wij onze ogen tegen God sluiten, naar de eeuwige duisternis verwezen te worden? Weest dus dankbaar voor de geringste flikkering van het licht, maar hecht u niet zozeer aan hetgeen gij hebt, dat gij niet naar méér wenst. Die mens is nog droevig blind, die er niet om geeft of hij meer ziet. Het is een slecht teken, een teken dat wij niet gezond zijn, wanneer wij geen begeerte hebben om te groeien. Wanneer wij er over voldaan zijn, dat wij de gehele waarheid kennen, en dat ons niets meer geleerd kan worden, is het waarschijnlijk, dat het nodig voor ons is om weer bij het begin te beginnen. Een van de eerste lessen in de school der wijsheid is te weten, dat wij van nature dwazen zijn, en die mens neemt toe in wijsheid, die zich hoe langs zo meer bewust wordt van zijn eigen gebrekkigheid en onkunde. Maar wanneer de Heere Jezus Christus een mens er toe brengt om een weinig te zien en om te begeren meer te zien, verlaat Hij de zodanige niet voordat Hij hem in alle waarheid heeft geleid.

Het blijkt ons, dat de Zaligmaker, om de genezing volkomen te maken, Zijn patiënt opnieuw aanraakte. Een vernieuwing van uw aanraking met de Zaligmaker moet het middel zijn tot uw volmaking, gelijk zij eerst het middel was tot uw verlichting. Nabij Christus te zijn, in nauwe kennis met Zijn gezegende persoon, in volstrekte afhankelijkheid van Zijn verdienste, met de begeerte om voor uzelf met Hem gemeenschap te oefenen en Hem met uw eigen ogen door het geloof te zien en niet met de ogen van een ander – dat zal het middel zijn om u helderder licht te geven. De Goddelijke aanranding, daar moet het van komen. Ik veronderstel, dat toen ‘s mans ogen ten volle geopend werden, de eerste persoon, die hij zag, Jezus was, want hij was mede weggevoerd uit de menigte, en kon de mensen alleen maar op een afstand zien. Gezegend visioen, het gezicht van dat gelaat in te drinken, de schoonheden op te merken van die weergaloze Liefhebber van onze ziel. O welk een vreugde! Men zou er mee tevreden kunnen zijn voor altijd blind te wezen, als Hij niet te zien was; maar wanneer Hij gezien wordt, o welk een hemels genot, verlost te zijn van de blindheid, welke Hem voor onze ogen verborgen hield. Gelovige, bid, boven alle dingen, dat gij Hem moogt kennen en verstaan. Tracht bij al uw streven meer kennis te verkrijgen van Hem. Acht de leer kostelijk, alleen omdat ze een troon is, op welke Hij zit. Houdt het voorschrift in hoge waarde, maar maak er geen steen van om Hem in het graf te verbergen; beschouw het alleen gelijk het vertoond en voorgesteld is in Zijn leven; en zelfs uw eigen bevinding, tel ze weinig, indien zij niet als met de vinger naar Christus wijst. Bedenk, dat gij slechts wast, wanneer gij opwast in Hem. “Wast op in de genade”, zegt de apostel, maar hij voegt er bij “en in de kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus”. “Wast op,” zegt hij, maar wat voegt hij er aan toe? “Wast op in alle dingen in Hem, Die het hoofd is, namelijk Christus Jezus.” Vraag om te zien, maar kleed uw gebed in deze vorm in: “Heere, wij wilden Jezus wel zien.” Bid om het gezicht, maar laat het een gezicht zijn op de Koning in Zijn schoonheid, opdat gij eens het vergelegen land moogt zien. Gij komt steeds nader tot de helderheid van het gezicht, wanneer gij Jezus alleen kunt zien; gij komt uit het land van nevelen in de helderheid van de zonneschijn, wanneer gij, inplaats van de mensen als bomen te zien, de Zaligmaker aanschouwt. Dan kunt gij de mensen en de bomen aan hun lot overlaten.

Wij lezen, dat onze Heere Zijn patiënt deed opzien. Als wij zien willen, moeten wij niet naar beneden kijken; geen licht ontspringt er aan deze donkere aarde. Als wij zien willen, moeten wij niet naar binnen staren; het is daar een donker, zwart hol, vol van alles wat onrein en boos is. Wij moeten opwaarts zien. Alle goede gave en alle volmaakte gift komt van boven, en wij moeten daarnaar opzien. Over Jezus peinzende en op Hem rustende, moeten wij opzien tot onze God. Onze ziel moet de volmaaktheid haars Heeren overdenken en niet van haar eigen volmaaktheid dromen. Zij moet Zijn grootheid bepeinzen en niet enerlei gewaande grootheid van zich zelf. Wij moeten opzien – niet naar onze mededienstknechten, of naar de uitwendigheden van de godsdienst, maar tot God zelf. Wij moeten opzien, en waar wij opzien, zullen wij het licht vinden.

 

Er wordt ons gezegd, dat de man ten slotte iedereen ver en klaar kon zien. Ja, wanneer de grote Geneesmeester de patiënt huiswaarts zendt, kunt gij er van verzekerd wezen, dat Zijn genezing volkomen is. Het was bovenmate wel met hem. Hij zag iedereen, hij zag iedereen duidelijk. Moge dit het gelukkig lot zijn van menig half verlichte hier tegenwoordig! WEEST NIET VOLDAAN, waarde vrienden, met uw behoudenis; begeert te weten hoe gij behouden wordt, waarom gij behouden wordt, de methode volgens welke gij behouden wordt. Het is een rots waarop gij staat, dat weet ik; maar denkt nu over de vragen na: hoe gij op die rots gesteld werd, door wiens liefde gij daar kwaamt en waarom die liefde zich tot u wendde. Gave God, dat al de leden van deze kerk niet slechts in Christus Jezus waren, maar Hem recht kenden, en door de verzekerdheid als gevolg van die kennis wisten, waartoe zij gekomen zijn. Weest altijd bereid om rekenschap te geven van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze. Bedenkt, dat er vele betekenisvolle onderscheidingen in de Schrift zijn, die, zo gij ze kent en onthoudt, u een wereld van onrust zullen besparen. Tracht het onderscheid te verstaan tussen de oude natuur en de nieuwe. Verwacht nooit, dat de oude natuur zich zodanig verbetert, dat zij in de nieuwe opgaat; want dat zal nooit gebeuren. De oude natuur kan nooit iets anders doen dan zondigen, en de nieuwe natuur kan nooit zondigen. Het zijn twee onderscheiden grondbeginselen, verwart ze nooit met elkander. Zorgt, dat gij de mensen niet als bomen ziet wandelen. Verwart de heiligmaking niet met de rechtvaardigmaking. Bedenkt, dat gij op het ogenblik, waarop gij uw vertrouwen in Christus stelt, gerechtvaardigd zijt zo volkomen als dit het geval zal zijn in de hemel; maar de heiligmaking is een trapsgewijs voortgaand werk, dat van dag tot dag door God de Heilige Geest wordt voortgezet. Onderscheidt tussen de grote waarheid, dat de zaligheid geheel van God is, en de grote leugen, dat de schuld niet bij de mensen ligt, als zij verloren gaan. Weest wel verzekerd, dat de zaligheid van de Heere is; maar legt de verdoemenis niet aan de deur van God. Schaamt u niet, als de mensen u een Calvinist noemen; maar haat met uw ganse hart het Antinomianisme. Aan de andere zijde, vervalt nooit in dwaling, dewijl gij gelooft aan de verantwoordelijkheid van de mens, van te veronderstellen, dat de mens door zijn eigen vrije wil zich ooit tot God zou wenden. Er is een nauwkeurige grenslijn tussen de twee dwalingen, vraagt om genade om die te zien. Vraagt om genade om niet in de draaikolk te vallen aan de ene zijde, en u eveneens te stoten tegen de rots; om geen slaaf te zijn van het ene of van het andere stelsel. Zegt nooit van een tekst uit de Schrift: “Zwijg stil, ik kan u niet verdragen,” noch ook van een andere: “U geloof ik, u alleen.” Zoekt het gehele woord van God lief te hebben; in iedere geopenbaarde waarheid een inzicht te verlangen; en daar Gods woord u gegeven is niet als uit schijnbaar tegenstrijdige delen bestaande, maar als een geheel, zo zoekt de waarheid te grijpen, zoals zij in al haar beknoptheid en eenheid in Jezus is. Ik spoor u aan, indien gij het gezicht ontvangen hebt, hetwelk u in staat stelt om aanvankelijk te zien, op uw knieën te vallen en tot de grote Gever van het gezicht uit te roepen in WARE oprechtheid des harten: “O Meester, ga steeds voort; neem ieder bedeksel weg; verwijder iedere hindernis; en al is het ook pijnlijk, dat mijn vooroordelen worden weggesneden of uitgebrand uit mijn ogen, Heere, doe het toch, totdat ik kan zien in het klare licht van de Heilige Geest en geschikt zal zijn om in te gaan door de poorten van de heilige stad, waar men u zal zien van aangezicht tot aangezicht.” AMEN.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend