Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En van daar opgestaanG450 zijnde, ging Hij naarG1519 de landpalenG3725 van JudeaG2449, doorG1223 de overzijdeG4008 van de JordaanG2446; en de scharenG3793 kwamenG2064 wederomG3825 samenG4848 bijG4314 Hem, enG2532 gelijkG5613 Hij gewoonG1486 was, leerdeG1321 Hij hen wederomG3825.
En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.
KJV
And1
he arose2
from thence,
and cometh3
into4
the coasts6
of Judaea8
by9
the farther side11
of Jordan:13
and14
the people17
resort15
unto18
him19
again;16
and,20
as21
he was wont,22
he taught24
them25
again.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 de FarizeenG5330, tot Hem komendeG4334, vraagdenG1905 HemG846, ofG1487 het een manG435 geoorloofdG1832 is, zijn vrouwG1135 te verlatenG630, HemG846 verzoekendeG3985.
En de Farizeen, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende.
KJV
And1
the Pharisees4
came to him,2
and asked5
him,6
Is it7
lawful8
for a man9
to put away11
his wife?10
tempting12
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
MaarG1161 Hij antwoordendeG611, zeideG2036 tot henG846: WatG5101 heeft uG4771 MozesG3475 gebodenG1781?
Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden?
KJV
And2
he answered3
and said
unto them,5
What6
did Moses9
command8
you?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En zij zeidenG2036: MozesG3475 heeft toegelatenG2010 een scheidbriefG975 te schrijvenG1125, en haar te verlatenG630.
En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.
KJV
And2
they said,
Moses4
suffered5
to write8
a bill6
of divorcement,7
and9
to put her away.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG2532 JezusG2424, antwoordendeG611, zeideG2036 totG4314 henG846: Vanwege de hardigheidG4641 uwer hartenG4641 heeft hij ulieden datG3778 gebodG1785 geschrevenG1125.
En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.
KJV
And1
Jesus4
answered2
and said
unto them,6
For7
the hardness9
of your
heart
he wrote11
you
this
precept.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
MaarG1161 vanG575 het beginG746 der scheppingG2937 heeft ze GodG2316 manG730 en vrouwG2338 gemaaktG4160.
Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.
KJV
But2
from1
the beginning3
of the creation4
God11
made8
them9
male5
and6
female.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarom zal een mensG444 zijn vaderG3962 enG2532 zijn moederG3384 verlatenG2641, enG2532 zal zijn vrouwG1135 aanhangenG4347;
Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;
Ook in dit vers
totG4314
KJV
For this cause1
shall3
a man4
leave
his7
father6
and8
mother,10
and11
cleave12
to13
his16
wife;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG2532 die tweeG1417 zullen totG1519 eenG1520 vleesG4561 zijn, alzo dat zij niet meer tweeG1417 zijn, maarG235 eenG1520 vleesG4561.
En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees.
KJV
And1
they twain4
shall be
one5
flesh:6
so then8
they are
no more9
twain,11
but12
one
flesh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
HetgeenG3739 danG3767 GodG2316 samengevoegdG4801 heeft, scheideG5563 de mensG444 nietG3361.
Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
KJV
What1
therefore2
God4
hath joined together,5
let8
not7
man6
put asunder.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 inG1722 het huisG3614 vraagdenG1905 HemG846 Zijn discipelenG3101 wederomG3825 vanG4012 hetzelveG846.
En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve.
KJV
And1
in2
the house4
his8
disciples7
asked12
him11
again5
of9
the same
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG2532 Hij zeideG3004 tot henG846: ZoG1437 wieG3739 zijn vrouwG1135 verlaatG630, enG2532 een andere trouwtG1060, die doet overspelG3429 tegenG1909 haarG846.
En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
KJV
And1
he saith2
unto them,3
Whosoever4
shall put away6
his9
wife,8
and10
marry11
another,12
committeth adultery13
against14
her.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En indienG1437 een vrouwG1135 haarG846 manG435 zal verlatenG630, enG2532 met een anderen trouwenG1060, die doet overspelG3429.
En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.
KJV
And1
if2
a woman3
shall put away4
her7
husband,6
and8
be married9
to another,10
she committeth adultery.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En zij brachtenG4374 kinderkensG3813 tot Hem, opdatG2443 Hij ze aanrakenG680 zou; en de discipelenG3101 bestraftenG2008 degenen, die ze tot Hem brachtenG4374.
En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.
KJV
And1
they brought2
young children4
to him,3
that5
he should touch6
them:7
and9
his disciples10
rebuked11
those that brought
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 JezusG2424, dat ziendeG1492, nam het zeer kwalijkG23, en zeideG2036 totG4314 henG846: Laat de kinderkensG3813 tot MijG1473 komenG2064, en verhindertG2967 ze nietG3361; wantG1063 derzulkenG5108 isG1510 het KoninkrijkG932 GodsG2316.
Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.
KJV
But2
when Jesus4
saw
it, he was much displeased,5
and6
said
unto them,8
Suffer9
the little children11
to come12
unto13
me,
and15
forbid17
them18
not:16
for20
of such21
is
the kingdom24
of God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
VoorwaarG281 zegG3004 Ik uG4771: ZoG1437 wieG3739 het KoninkrijkG932 GodsG2316 niet ontvangtG1209, gelijkG5613 een kindekenG3813, die zal inG1519 hetzelveG846 geenszinsG3364 ingaanG1525.
Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.
KJV
Verily1
I say2
unto you,
Whosoever4
shall7
not
receive
the kingdom9
of God11
as12
a little child,13
he shall16
not
enter
therein.17
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En Hij omvingG1723 ze met Zijn armenG1723, en de handenG5495 opG1909 hen gelegdG5087 hebbende, zegendeG2127 Hij dezelve.
En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.
KJV
And1
he took2
them3
up in his arms,
put4
his hands6
upon7
them,8
and blessed9
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En als Hij uitgingG1607 opG1519 den wegG3598, liepG4370 eenG1520 tot Hem, enG2532 voor Hem op de knieen vallendeG1120, vraagdeG1905 HemG846: GoedeG18 MeesterG1320! watG5101 zal ik doenG4160, opdatG2443 ik het eeuwigeG166 levenG2222 beerveG2816?
En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve?
KJV
And1
when he was gone forth2
into4
the way,3
there came6
one7
running,
and8
kneeled9
to him,10
and asked11
him,12
Good14
Master,13
what15
shall I do16
that17
I may inherit20
eternal19
life?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG1161 JezusG2424 zeideG2036 tot hemG846: WatG5101 noemtG3004 gij MijG1473 goedG18? NiemandG3762 is goedG18, dan EenG1520, namelijk GodG2316.
En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.
KJV
And2
Jesus3
said
unto him,5
Why6
callest thou4
me
good?9
there is none10
good11
but
one,14
that is, God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Gij weetG1492 de gebodenG1785: Gij zult geen overspelG3431 doen; gij zult niet dodenG5407; gij zult niet stelenG2813; gij zult geen valse getuigenisG5576 geven; gij zult niemandG3361 te kortG650 doen; eerG5091 uw vaderG3962 enG2532 uw moederG3384.
Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder.
KJV
Thou knowest3
the commandments,2
Do5
not4
commit adultery,
Do7
not6
kill,
Do9
not8
steal,
Do11
not10
bear false witness,
Defraud13
not,12
Honour14
thy
father16
and18
mother.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DochG1161 hij, antwoordendeG611, zeideG2036 tot HemG846: MeesterG1320! alG3956 dezeG3778 dingen heb ikG1473 onderhoudenG5442 vanG1537 mijn jonkheidG3503 af.
Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.
KJV
And2
he answered3
and said
unto him,5
Master,6
all8
these
have I observed9
from10
my
youth.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En JezusG2424, hem aanziendeG1689, bemindeG25 hemG846, en zeideG2036 tot hemG846: Een dingG1520 ontbreektG5302 uG4771; ga heen, verkoopG4453 allesG3745, wat gij hebtG2192, en geefG1325 het den armenG4434, en gij zult een schatG2344 hebbenG2192 inG1722 den hemelG3772; en komG1204 herwaarts, neemG142 het kruisG4716 op, en volgG190 MijG1473.
En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.
KJV
Then2
Jesus3
beholding4
him5
loved6
him,7
and8
said
unto him,10
One thing11
thou
lackest:13
go thy way,14
sell17
whatsoever15
thou hast,16
and18
give19
to the poor,21
and22
thou shalt have23
treasure24
in25
heaven:26
and27
come,28
take up31
the cross,33
and follow29
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
MaarG1161 hij, treurigG4768 geworden zijnde overG1909 dat woordG3056, ging bedroefdG3076 wegG565; wantG1063 hij hadG2192 veleG4183 goederenG2933.
Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.
KJV
And2
he was sad3
at4
that saying,6
and went away7
grieved:8
for10
he had11
great13
possessions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG2532 JezusG2424 rondom ziendeG4017, zeideG3004 tot Zijn discipelenG3101: HoeG4459 bezwaarlijkG1423 zullen degenen, die goedG5536 hebbenG2192, inG1519 het KoninkrijkG932 GodsG2316 inkomenG1525!
En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!
KJV
And1
Jesus4
looked round about,2
and saith5
unto his8
disciples,7
How9
hardly10
shall they that have14
riches13
enter20
into15
the kingdom17
of God!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
EnG1161 de discipelenG3101 werden verbaasdG2284 overG1909 deze Zijn woordenG3056. MaarG1161 JezusG2424, wederomG3825 antwoordendeG611, zeideG3004 tot henG846: KinderenG5043! HoeG4459 zwaarG1422 isG1510 het, dat degenen, die op het goedG5536 hun betrouwenG3982 zetten, inG1519 het KoninkrijkG932 GodsG2316 ingaanG1525!
En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!
KJV
And2
the disciples3
were astonished4
at5
his8
words.7
But10
Jesus11
answereth13
again,12
and saith14
unto them,15
Children,16
how17
hard18
is it
for them that trust21
in22
riches24
to enter30
into25
the kingdom27
of God!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Het isG1510 lichterG2123, dat een kemelG2574 ga doorG1223 het oogG5168 van een naaldG4476, danG2228 dat een rijkeG4145 inG1519 het KoninkrijkG932 GodsG2316 ingaG1525.
Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.
KJV
It is
easier1
for a camel3
to go10
through4
the eye6
of a needle,8
than14
for a rich man15
to enter21
into16
the kingdom18
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En zij werden nog meer verslagenG1605, zeggendeG3004 totG4314 elkander: WieG5101 kanG1410 danG1161 zaligG4982 worden?
En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?
KJV
And2
they were astonished4
out of measure,3
saying5
among6
themselves,7
Who9
then can10
be saved?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Doch JezusG2424, henG846 aanziendeG1689, zeideG3004: Bij de mensenG444 is het onmogelijkG102, maar nietG3756 bij GodG2316; wantG1063 alleG3956 dingen zijnG1510 mogelijkG1415 bij GodG2316.
Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.
KJV
And2
Jesus5
looking upon1
them3
saith,6
With7
men8
it is impossible,9
but10
not11
with12
God:14
for16
with19
God21
all things15
are
possible.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
EnG2532 PetrusG4074 begonG756 tot HemG846 te zeggenG3004: ZieG2400, wij hebben allesG3956 verlatenG863, enG2532 zijn UG4771 gevolgdG190.
En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
KJV
Then1
Peter4
began2
to say5
unto him,6
Lo,
we
have left9
all,10
and11
have followed12
thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En JezusG2424, antwoordendeG611, zeideG2036: VoorwaarG281 zegG3004 IkG1473 ulieden: Er isG1510 niemandG3762, dieG3739 verlatenG863 heeft huisG3614, ofG2228 broedersG80, ofG2228 zustersG79, ofG2228 vaderG3962, ofG2228 moederG3384, ofG2228 vrouwG1135, ofG2228 kinderenG5043, ofG2228 akkersG68, om MijnentwilG1700 en des EvangeliesG2098 wilG1752,
En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil,
KJV
And2
Jesus4
answered1
and said,
Verily6
I say5
unto you,
There is
no man9
that11
hath left12
house,13
or14
brethren,15
or16
sisters,17
or18
father,19
or20
mother,21
or22
wife,23
or24
children,25
or26
lands,27
for my
sake,28
and30
the gospel's,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Of hij ontvangtG2983 honderdvoudG1542, nu inG1722 dezenG5129 tijdG2540, huizenG3614, enG2532 broedersG80, enG2532 zustersG79, enG2532 moedersG3384, enG2532 kinderenG5043, enG2532 akkersG68, met de vervolgingenG1375, enG2532 inG1722 de toekomendeG2064 eeuwG165 het eeuwigeG166 levenG2222.
Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
KJV
But
he shall receive3
an hundredfold4
now5
in6
this
time,8
houses,10
and11
brethren,12
and13
sisters,14
and15
mothers,16
and17
children,18
and19
lands,20
with21
persecutions;22
and23
in24
the world26
to come28
eternal30
life.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
MaarG1161 veleG4183 eerstenG4413 zullen de laatstenG2078 zijn, en velen, die de laatstenG2078 zijn, de eerstenG4413.
Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten.
KJV
But2
many1
that are first4
shall be
last;5
and6
the last8
first.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En zij warenG1510 op den wegG3598, gaandeG305 op naarG1519 JeruzalemG2414; en JezusG2424 ging voor hen; en zij waren verbaasdG2284, en Hem volgendeG190, waren zij bevreesdG5399. En de twaalvenG1427 wederomG3825 tot Zich nemendeG3880, begonG756 Hij hunG846 te zeggenG3004 de dingen, die HemG846 overkomenG4819 zouden;
En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;
KJV
And2
they were
in3
the way5
going up6
to7
Jerusalem;8
and9
Jesus14
went
before11
them:12
and15
they were amazed;16
and17
as they followed,18
they were afraid.19
And20
he took21
again22
the twelve,24
and began25
to tell27
them26
what things should29
happen31
unto him,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Zeggende: ZietG3708, wij gaan op naar JeruzalemG2414, enG2532 de ZoonG5207 des mensenG444 zal den overpriesterenG749, enG2532 den SchriftgeleerdenG1122 overgeleverdG3860 worden, enG2532 zij zullen Hem ter doodG2288 veroordelenG2632, enG2532 Hem den heidenenG1484 overleverenG3860;
Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;
Ook in dit vers
[Zeggende]G3754
KJV
Saying,1
Behold,
we go up3
to4
Jerusalem;5
and6
the Son8
of man10
shall be delivered11
unto the chief priests,13
and14
unto the scribes;16
and17
they shall condemn18
him19
to death,20
and21
shall deliver22
him23
to the Gentiles:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En zij zullen Hem bespottenG1702, enG2532 Hem geselenG3146, en Hem bespuwenG1716, enG2532 Hem dodenG615; enG2532 ten derdenG5154 dageG2250 zal Hij weder opstaanG450.
En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
KJV
And1
they shall mock2
him,3
and4
shall scourge5
him,6
and7
shall spit upon8
him,9
and10
shall kill11
him:12
and13
the third15
day16
he shall rise again.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
EnG2532 tot HemG846 kwamen JakobusG2385 enG2532 JohannesG2491, de zonenG5207 van ZebedeusG2199, zeggendeG3004: MeesterG1320! wij wildenG2309 wel, dat Gij ons deedtG4160, zoG1437 watG3739 wij begerenG154 zullen.
En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen.
KJV
And1
James4
and5
John,6
the sons8
of Zebedee,9
come2
unto him,3
saying,10
Master,11
we would12
that13
thou shouldest do17
for us
whatsoever14
we shall desire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
EnG1161 Hij zeideG2036 tot hen: WatG5101 wiltG2309 gijG4771, dat IkG1473 u doeG4160?
En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe?
KJV
And2
he said
unto them,4
What5
would6
ye that I
should do7
for you?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En zij zeidenG2036 tot HemG846: GeefG1325 ons, datG2443 wij mogen zittenG2523, de een aan Uw rechterG1188 hand, en de anderG1520 aan Uw linkerG2176 hand inG1722 Uw heerlijkheidG1391.
En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter hand, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
They said
unto him,4
Grant5
unto us
that7
we may sit,17
one8
on9
thy
right hand,10
and12
the other13
on14
thy
left hand,15
in18
thy
glory.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
MaarG1161 JezusG2424 zeideG2036 tot henG846: Gij weetG1492 nietG3756, wat gij begeertG154. KuntG1410 gij den drinkbekerG4221 drinkenG4095, dienG3739 IkG1473 drinkG4095, en met den doopG908 gedooptG907 worden, daar IkG1473 mede gedooptG907 word?
Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word?
KJV
But2
Jesus3
said
unto them,5
Ye know7
not6
what8
ye ask:9
can ye10
drink11
of the cup13
that14
I15
drink of?16
and17
be baptized22
with the baptism19
that20
I21
am baptized with?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
En zij zeidenG2036 tot Hem: Wij kunnen. DochG1161 JezusG2424 zeideG2036 tot henG846: Den drinkbekerG4221, dienG3739 IkG1473 drinkG4095, zult gij wel drinkenG4095, en met den doopG908 gedooptG907 worden, daar IkG1473 mede gedooptG907 word;
En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word;
KJV
And2
they said
unto him,4
We can.5
And7
Jesus8
said
unto them,10
Ye shall16
indeed12
drink17
of the cup13
that14
I15
drink of;
and18
with the baptism20
that21
I22
am baptized withal23
shall ye be baptized:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
Maar het zittenG2523 tot Mijn rechterG1188 hand en tot Mijn linkerG2176 hand staatG2076 bij MijG1473 nietG3756 te geven; maar het zal gegeven worden dienG3739 het bereidG2090 isG1510.
Maar het zitten tot Mijn rechter hand en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJV
But2
to sit3
on4
my
right hand5
and7
on8
my
left hand9
is
not11
mine13
to give;14
but15
it shall be given to them for whom16
it is prepared.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En als de andere tienG1176 dit hoordenG191, begonnenG756 zij het vanG4012 JakobusG2385 enG2532 JohannesG2491 zeer kwalijkG23 te nemen.
En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.
KJV
And1
when the ten4
heard2
it, they began5
to be much displeased6
with7
James8
and9
John.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
MaarG1161 JezusG2424, het tot Zich geroepenG4341 hebbende, zeideG3004 tot henG846: Gij weetG1492, datG3754 degenen, die geachtG1380 worden overstenG757 te zijn der volkenG1484, heerschappij voerenG2634 over hen, en hun grotenG3173 gebruiken machtG2715 over hen.
Maar Jezus, het tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen, en hun groten gebruiken macht over hen.
KJV
But2
Jesus3
called4
them5
to him, and saith6
unto them,7
Ye know8
that9
they which are accounted11
to rule12
over the Gentiles14
exercise lordship15
over them;16
and17
their20
great ones19
exercise authority21
upon them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Doch alzoG3779 zal het onder uG4771 nietG3756 zijn; maar zo wie onder uG4771 grootG3173 zal willenG2309 wordenG1096, die zal uw dienaarG1249 zijnG1510.
Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn.
KJV
But3
so2
shall it
not1
be
among5
you:
but7
whosoever8
will10
be11
great12
among13
you,
shall be
your
minister:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
EnG2532 zo wie van uG4771 de eersteG4413 zal willenG2309 wordenG1096, die zal allerG3956 dienstknechtG1401 zijnG1510.
En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.
KJV
And1
whosoever2
of you
will4
be6
the chiefest,7
shall be
servant10
of all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
WantG1063 ookG2532 de ZoonG5207 des mensenG444 is nietG3756 gekomenG2064, om gediendG1247 te worden, maarG235 om te dienenG1247, enG2532 Zijn zielG5590 te gevenG1325 tot een rantsoenG3083 voor velenG4183.
Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
KJV
For2
even1
the Son4
of man6
came8
not7
to be ministered unto,9
but10
to minister,11
and12
to give13
his16
life15
a ransom17
for18
many.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
En zij kwamenG2064 te JerichoG2410. En als Hij en Zijn discipelenG3101, enG2532 een grote schareG3793 van JerichoG2410 uitgingG1607, zat de zoonG5207 van TimeusG5090, Bar-timeusG924, de blindeG5185, aanG1519 den wegG3598, bedelendeG4319.
En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende.
KJV
And1
they came2
to3
Jericho:4
and5
as he7
went6
out of8
Jericho9
with10
his13
disciples12
and14
a great16
number of people,15
blind21
Bartimaeus,19
the son17
of Timaeus,18
sat22
by23
the highway side25
begging.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
EnG2532 horendeG191, datG3754 het JezusG2424 de NazarenerG3480 wasG1510, begonG756 hij te roepenG2896 enG2532 te zeggenG3004: JezusG2424, Gij ZoneG5207 DavidsG1138! ontfermG1653 U mijner.
En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.
KJV
And1
when he heard2
that3
it was
Jesus4
of Nazareth,6
he began8
to cry out,9
and10
say,11
Jesus,15
thou Son13
of David,14
have mercy16
on me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
En velenG4183 bestraftenG2008 hem, opdatG2443 hij zwijgenG4623 zou; maarG1161 hij riepG2896 zoveelG3123 temeerG4183: Gij ZoneG5207 DavidsG1138! ontfermG1653 U mijner.
En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner.
KJV
And1
many4
charged2
him3
that5
he should hold his peace:6
but8
he cried11
the more10
a great deal,9
Thou Son12
of David,13
have mercy14
on me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
En JezusG2424, stil staandeG2476, zeideG2036, dat men hem roepenG5455 zou; enG2532 zijG846 riepenG5455 den blindeG5185, zeggendeG3004 tot hemG846: Heb goeden moedG2293; staG1453 op; Hij roeptG5455 uG4771.
En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u.
KJV
And1
Jesus4
stood still,2
and commanded
him6
to be called.7
And8
they call9
the blind man,11
saying5
unto him,13
Be of good comfort,14
rise;15
he calleth16
thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50
En hijG846, zijn mantelG2440 afgeworpenG577 hebbende, stondG450 op, en kwamG2064 totG4314 JezusG2424.
En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.
KJV
And2
he, casting away3
his6
garment,5
rose,7
and came8
to9
Jesus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51
En JezusG2424, antwoordendeG611, zeide tot hemG846: WatG5101 wiltG2309 gij, dat Ik uG4771 doenG4160 zal? En de blindeG5185 zeide tot HemG846: RabboniG4462! datG2443 ik ziendeG308 mag worden.
En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.
Ook in dit vers
zeideG3004
KJV
And1
Jesus6
answered2
and said3
unto him,4
What7
wilt8
thou that I should do9
unto thee?12
The blind man13
said
unto him,15
Lord,16
that17
I might receive my sight.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
52
En JezusG2424 zeideG2036 tot hemG846: Ga heen, uw geloofG4102 heeft uG4771 behoudenG4982. En terstondG2112 werd hij ziendeG308, en volgdeG190 JezusG2424 opG1722 den wegG3598.
En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.
KJV
And2
Jesus3
said
unto him,5
Go thy way;6
thy
faith8
hath made10
thee
whole.
And12
immediately13
he received his sight,14
and15
followed16
Jesus18
in19
the way.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
van daar opgestaan zijnde,
Namelijk van Kapernaüm, uit het huis, waar Hij tevoren ene vermaning gedaan had aan zijne discipelen.
Hertaald:
van daar opgestaan zijnde,
Namelijk uit Kapernaüm, uit het huis waar Hij tevoren een vermaning aan Zijn discipelen gedaan had.
de overzijde van de Jordaan;
Namelijk ten aanzien van de woestijn. Of, nevens de Jordaan. Zie Matt. 19:1 , enz.
Hertaald:
de overzijde van de Jordaan;
Namelijk gezien vanuit de woestijn. Of: langs de Jordaan. Zie Matth. 19:1, enzovoort.
scharen kwamen wederom samen bij Hem,
Namelijk die Hem uit Galilea gevolgd waren; Matt. 19:2 .
Hertaald:
scharen kwamen wederom samen bij Hem,
Namelijk de scharen die Hem uit Galilea gevolgd waren; Matth. 19:2.
scheidbrief te schrijven,
Van den scheidsbrief en dit gehele antwoord van Christus, zie Matt. 19:3 , enz.
Hertaald:
scheidbrief te schrijven,
Zie over de scheidbrief en over dit hele antwoord van Christus Matth. 19:3, enzovoort.
aanhangen;
Of, aankleven. Zie Matt. 19:5 .
Hertaald:
aanhangen;
Of: aankleven. Zie Matth. 19:5.
tot een vlees zijn,
Dat is, gelijk een lichaam of een mens.
Hertaald:
tot een vlees zijn,
Dat is: als één lichaam of één mens.
samengevoegd heeft,
Grieks, tezamen als in een juk ingespannen heeft.
Hertaald:
samengevoegd heeft,
Grieks: samen als in één juk gespannen heeft.
scheide de mens niet
Namelijk tegen of buiten Gods ordonnantie. Of, anders dan om overspel; gelijk uitgedrukt wordt Matt. 5:32 , en Matt. 19:9 .
Hertaald:
scheide de mens niet
Namelijk tegen of buiten Gods ordening in. Of: anders dan om overspel, zoals uitgedrukt wordt in Matth. 5:32 en Matth. 19:9.
tegen haar
Namelijk die Hij verlaat, omdat hij de trouw niet houdt, die hij haar beloofd heeft; Mal. 2:14 .
Hertaald:
tegen haar
Namelijk tegenover haar die hij verlaat, omdat hij de trouw niet houdt die hij haar beloofd heeft; Mal. 2:14.
brachten kinderkens tot Hem,
Of, droegen.
Hertaald:
brachten kinderkens tot Hem,
Of: droegen.
aanraken zou;
Dat is, met oplegging der handen zegenen, Matt. 19:13 , gelijk Hij gedaan heeft, vs.16.
Hertaald:
aanraken zou;
Dat is: met oplegging van de handen zegenen, Matth. 19:13, zoals Hij gedaan heeft, vers 16.
gelijk een kindeken,
Namelijk in eenvoudigheid, oprechtheid en nederigheid.
Hertaald:
gelijk een kindeken,
Namelijk in eenvoud, oprechtheid en nederigheid.
noemt gij Mij goed?
Grieks, zegt gij.
Hertaald:
noemt gij Mij goed?
Grieks: zegt u.
Niemand is goed, dan Een,
Zie hiervan de aantekeningen Matt. 19:17 .
Hertaald:
Niemand is goed, dan Een,
Zie hierover de aantekeningen bij Matth. 19:17.
te kort doen;
Namelijk hetzij door bedrog of anderszins, waarvoor van Christus gesteld wordt Matt. 19:19 :Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Zodat dit als een kort begrip is van al de voorgaande geboden.
Hertaald:
te kort doen;
Namelijk hetzij door bedrog, hetzij op andere wijze. In plaats daarvan staat bij Christus in Matth. 19:19: u zult uw naaste liefhebben als uzelf. Dat is als een korte samenvatting van alle voorgaande geboden.
beminde hem
Dat is, toonde Hem tekenen van toegenegenheid, gelijk dit woord somwijlen ook betekent. Want Christus heeft die ook enigszins lief, die zich uiterlijk naar Gods geboden schikken. Zie voorts de aantekeningen Matt. 19:17 , enz.
Hertaald:
beminde hem
Dat is: Hij toonde hem tekenen van genegenheid, zoals dit woord soms ook betekent. Want Christus heeft ook hen enigszins lief die zich uiterlijk naar Gods geboden schikken. Zie verder de aantekeningen bij Matth. 19:17, enzovoort.
ontbreekt u;
Namelijk dat gij niet God en zijn Woord bovenal liefhebt, hetwelk nochtans het voornaamste is in de wet.
Hertaald:
ontbreekt u;
Namelijk dat u God en Zijn Woord niet boven alles liefhebt, wat toch het voornaamste in de wet is.
verkoop alles, wat gij hebt,
Dit was een buitengewoon gebod, hetwelk Christus dezen jongeling geeft om hem te beproeven en zijne onvolmaaktheid te doen blijken.
Hertaald:
verkoop alles, wat gij hebt,
Dit was een buitengewoon gebod, dat Christus deze jongeman geeft om hem te beproeven en zijn onvolmaaktheid te laten blijken.
treurig geworden zijnde over dat woord,
Of, onlustig, moeilijk.
Hertaald:
treurig geworden zijnde over dat woord,
Of: neerslachtig, bezwaard.
goederen
Grieks, bezittingen.
Hertaald:
goederen
Grieks: bezittingen.
een kemel ga door het oog van een naald,
Zie hiervan de aantekeningen Matt. 19:24 .
Hertaald:
een kemel ga door het oog van een naald,
Zie hierover de aantekeningen bij Matth. 19:24.
Bij de mensen is het onmogelijk,
Zie hiervan ook Matt. 19:26 .
Hertaald:
Bij de mensen is het onmogelijk,
Zie hierover ook Matth. 19:26.
honderdvoud,
Dat is, veelvoudiglijk, of dat honderdmaal en veel meer waard is dan hetgeen hij verlaat. Want de minste zegen Gods met een geruste conscientie is meer dan al het goed der wereld, 1 Tim. 6:6 .
Hertaald:
honderdvoud,
Dat is: veelvoudig, of: wat honderdmaal en veel meer waard is dan wat hij verlaat. Want de kleinste zegen van God met een gerust geweten is meer dan al het goed van de wereld, 1 Tim. 6:6.
met de vervolgingen,
Dat is, in het midden van alle verdrukkingen.
Hertaald:
met de vervolgingen,
Dat is: te midden van alle verdrukkingen.
eersten zullen de laatsten zijn,
Dat is, die in uiterlijken ijver en godsdienstigheid schijnen de eersten te zijn.
Hertaald:
eersten zullen de laatsten zijn,
Dat is: zij die in uiterlijke ijver en godsdienstigheid de eersten lijken te zijn.
ging voor hen;
Namelijk om Zijne gewilligheid te tonen tot het lijden.
Hertaald:
ging voor hen;
Namelijk om Zijn bereidwilligheid tot het lijden te tonen.
bevreesd
Omdat Christus hun tevoren gezegd had, gelijk Hij hetzelfde daarna wederom verhaalt wat Hij te Jeruzalem zou moeten lijden, Joh. 11:8 , en zij wisten dat de Joden besloten hadden in hunnen raad Hem te doden, Joh. 11:53 , Joh. 11:57 .
Hertaald:
bevreesd
Omdat Christus hun tevoren gezegd had — en daarna opnieuw vertelt — wat Hij in Jeruzalem zou moeten lijden, Joh. 11:8. En zij wisten dat de Joden in hun raad besloten hadden Hem te doden, Joh. 11:53, Joh. 11:57.
zeggende
Namelijk door hunne moeder, gelijk blijkt uit Matt. 20:20 .
Hertaald:
zeggende
Namelijk door hun moeder, zoals blijkt uit Matth. 20:20.
zitten,
Zie hiervan Matt. 20:21 .
Hertaald:
zitten,
Zie hierover Matth. 20:21.
drinkbeker drinken,
Zie hiervan de verklaring Matt. 20:22 .
Hertaald:
drinkbeker drinken,
Zie hierover de verklaring bij Matth. 20:22.
staat bij Mij niet te geven;
Grieks, is mijn ziel; of, staat bij mij niet te geven dan wien het bereid is; zie Matt. 20:23 .
Hertaald:
staat bij Mij niet te geven;
Grieks: is het Mijne niet; of: staat bij Mij niet te geven, dan aan wie het bereid is; zie Matth. 20:23.
zeer kwalijk te nemen
Omdat zij meenden dat dit verzoek hun nadelig was.
Hertaald:
zeer kwalijk te nemen
Omdat zij meenden dat dit verzoek voor hen nadelig was.
Gij weet,
Zie hiervan ook Matt. 20:25 .
Hertaald:
Gij weet,
Zie hierover ook Matth. 20:25.
die geacht worden oversten te zijn
Of, die zich laten dunken (er voor gehouden willen worden).
Hertaald:
die geacht worden oversten te zijn
Of: die zich laten voorstaan dat zij het zijn, of die daarvoor gehouden willen worden.
der volken,
Anders, der heidenen.
Hertaald:
der volken,
Anders: van de heidenen.
ziel te geven
Of, leven.
Hertaald:
ziel te geven
Of: leven.
een rantsoen voor velen
Of, losgeld, dat gegeven wordt voor de verlossing der gevangenen.
Hertaald:
een rantsoen voor velen
Of: losgeld, dat gegeven wordt voor de vrijkoping van gevangenen.
Jericho
Deze stad was gelegen bij Gilgal omtrent de Jordaan, van welke zie Joz. 4:19 .
Hertaald:
Jericho
Deze stad lag bij Gilgal, dicht bij de Jordaan; zie daarover Joz. 4:19.
de zoon van Timeüs, Bar-timeüs,
De evangelist Mattheüs zegt van twee blinden; maar Markus verhaalt alleen van dengene, die meest bekend was, en die van beiden meest riep.
Hertaald:
de zoon van Timeüs, Bar-timeüs,
De evangelist Mattheüs spreekt over twee blinden, maar Markus vertelt alleen over degene die het bekendst was en die van beiden het meest riep.
zijn mantel afgeworpen hebbende,
Grieks, zijn kleed; dat is zijn opperkleed.
Hertaald:
zijn mantel afgeworpen hebbende,
Grieks: zijn kleed; dat is: zijn bovenkleed.
Rabboni
Dit betekent hetzelfde als het woord rabbi, hetwelk uitgelegd wordt meester, Joh. 20:16 .
Hertaald:
Rabboni
Dit betekent hetzelfde als het woord rabbi, dat vertaald wordt met meester, Joh. 20:16.
behouden
Dat is, gezond, of ziende gemaakt. Niet dat zulks geschied is uit kracht des geloofs, maar omdat hetzelve op Christus en zijne kracht steunende, een middel daarvan was.
Hertaald:
behouden
Dat is: gezond of ziende gemaakt. Niet dat dit gebeurd is door de kracht van het geloof, maar omdat het geloof, steunend op Christus en Zijn kracht, daarvan het middel was. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een blinde bedelaar, zoon van Timeüs, die bij Jericho aan de weg zat; toen hij hoorde dat Jezus voorbijkwam, riep hij luid om ontferming, en Jezus gaf hem zijn gezicht terug (Mark. 10:46-52). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Onmiddellijk na de eerste aankondiging van Zijn lijden en na de terechtwijzing van Petrus roept Christus de schare mét Zijn discipelen tot Zich. Dan zegt Hij: zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Mark. 8:34). Daarop volgt de tegenstelling die dit onderwijs draagt: wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen, maar wie het verliezen zal om Zijnentwil en om des Evangelies wil, zal het behouden (Mark. 8:35). En dan twee vragen die geen antwoord verwachten: wat baat het een mens zo hij de gehele wereld won en schade leed aan zijn ziel, en wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel (Mark. 8:36-37)? Het gedeelte sluit met de waarschuwing tegen schaamte: wie zich Zijner en Zijner woorden schaamt in dit geslacht, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen als Hij komt in de heerlijkheid Zijns Vaders (Mark. 8:38). Bijbelse betekenis: Het woord dat hier voor verloochenen staat, is hetzelfde dat Markus later voor Petrus gebruikt bij het vuur: iemand zeggen dat men hem niet kent. Zelfverloochening is dus niet vooral afzien van dingen, maar de eigen persoon niet meer als de beslissende partij erkennen. Het kruis in vers 34 was in die tijd geen sieraad en geen beeldspraak: wie zijn kruis droeg, liep naar zijn terechtstelling. Even opmerkelijk is dat dit onderwijs niet apart aan de twaalf gegeven wordt maar aan de schare erbij — en dat het volgt op de eerste aankondiging van Zijn eigen lijden. Niemand wordt naar een weg geroepen die Hij niet zelf ging. Typologie: De grond staat in de brieven. Paulus zegt dat hij met Christus gekruist is, en niet meer hij leeft maar Christus in hem (Gal. 2:20), en dat wie Christus toebehoren het vlees gekruist hebben met de bewegingen en begeerlijkheden (Gal. 5:24). Wie gedoopt is, is met Hem begraven opdat hij in nieuwheid des levens wandelt (Rom. 6:4-6). Petrus verbindt het aan het voorbeeld van de Meester: Christus heeft voor ons geleden en ons een voorbeeld nagelaten opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen (1 Petr. 2:21). En de Hebreeënbrief geeft er de blijdschap onder die het draagbaar maakt: Hij heeft om de vreugde die Hem voorgesteld was het kruis verdragen (Hebr. 12:2). Zelfverloochening is daarmee geen zuurheid maar een ruil, en de vraag van Mark. 8:37 heeft haar antwoord in het rantsoen van Mark. 10:45. Mark. 8:34-38; Mark. 10:45; Rom. 6:4-6; Gal. 2:20; Gal. 5:24; 1 Petr. 2:21; Hebr. 12:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt Zij zijn op weg naar Jeruzalem en Christus loopt voorop. Hij heeft zojuist voor de derde keer gezegd wat daar met Hem gebeuren zal. En terwijl dat nog in de lucht hangt, komen Jakobus en Johannes vragen wie er straks links en rechts van Hem mag zitten. Op een vraag over de beste plaatsen antwoordt Christus met het waarom van Zijn komst. De vraag is pijnlijk misplaatst, en Christus wijst haar niet af met een verwijt maar met een tegenvraag: kunt gij den drinkbeker drinken dien Ik drink? Zij zeggen ja, zonder te weten wat zij zeggen. Dan roept Hij hen allen bijeen en zet de wereld op zijn kop. Bij de volken heersen de oversten, maar zo zal het onder u niet zijn: wie de eerste wil worden, die zij aller dienstknecht. En dan komt de grond eronder, met het woordje want. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Dat woord rantsoen is de losprijs — het bedrag waarmee iemand vrijgekocht werd uit slavernij of van een doodvonnis. Het staat in dezelfde lijn als de losser uit Leviticus en het lossen van de eerstgeborenen in Exodus. Maar wat hier betaald wordt is geen zilver: Zijn ziel. En let op dat kleine woord vóór: tot een rantsoen vóór velen. Niet in plaats van niemand, en niet enkel als voorbeeld. Iemand komt vrij omdat een ander betaalt. Petrus schrijft later precies dat: gij weet dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. En Paulus vat het in één zin: Die Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen. In het Nieuwe Testament: 1 Timotheüs 2:6; 1 Petrus 1:18-19; Titus 2:14; Filippenzen 2:5-8
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods. Een krachtige preek van Spurgeon over kinderdoop. En zij kwamen in Jericho. En toen Hij en Zijn discipelen en een grote menigte Jericho uitgingen, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, de blinde, aan de weg… En Jezus stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u. Markus 10:49 Jezus… En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. Markus 10:50 De blinde te Jericho bleef niet halverwege staan, maar door Jezus’ woord opgewekt, ging… En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus. Markus 10:50 Hij stond op. Hij had tot nu toe gezeten. Gezeten in zijn mantel, die… En Jezus, stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed; sta op; Hij roept u. Markus 10:49 Bartimeüs… Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeke, die zal in hetzelve geenszins ingaan. Markus 10:15 Wat is het mijn wens dat… Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeke, die zal in hetzelve geenszins ingaan. Markus 10:15 Het onderwijs van Christus was niet… Maar Jezus dat ziende, nam het zeer kwalijk. Markus 10:14 De Heere Jezus was niet vaak geïrriteerd, en zeker was Hij niet vaak zéér geïrriteerd - en als… En zij brachten kinderkens tot Hem opdat Hij hen aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen die hen tot Hem brachten. Markus 10:13 Ouders zondigen wanneer ze de godsdienst weglaten… En zij brachten kinderkens tot Hem opdat Hij hen aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen die hen tot Hem brachten. Markus 10:13 Sommigen hebben de kinderen tegengehouden doordat… En zij brachten kinderkens tot Hem opdat Hij hen aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen die hen tot Hem brachten. Markus 10:13 Dat de apostelen de kinderen bestraften, kwam… Onze Heere Jezus Christus heeft nog nooit een volgeling afgewezen omdat hij jong is in het geloof. Verre van dat. In Zijn oneindige tederheid, is Hij blij om… En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs de blinde, aan de… En Jezus stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u. Markus 10:49 Bent… En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus. Markus 10:50 Bartimeüs dankte hun niet voor hun troost. Hij vertoefde geen minuut om die aan… Jezus, stilstaande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Hebt goede moed: sta op; Hij roept u. Markus 10:49 Hier bij… En Jezus, stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Hebt goede moed: sta op; Hij roept u. Markus 10:49 Zou… En volgde Jezus op de weg. Markus 10:52c De weg van Jezus werd Bartimeüs’ weg. Hij zei metterdaad: „Heere, laat mij U mogen volgen. Ik kan nu zelf… En Jezus stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u. Markus 10:49 Er… En Jezus, stilstaande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Hebt goede moed: sta op; Hij roept u. Markus 10:49 Wanneer… En Jezus stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u. Markus 10:49 De… En Jezus, stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed, sta op; Hij roept u. Markus 10:49 Bartiméus… En Jezus, stilstaande, zeide dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Hebt goede moed: sta op; Hij roept u. Markus 10:49 De ontmoediging… En terstond werd hij ziende en volgde Jezus op de weg. Markus 10:52b Stort heel uw ziel uit en verberg niets voor Jezus. Kom ermee voor de dag!… Hij (…) volgde Jezus op de weg. Markus 10:52c Deze Bartimeüs, de zoon van Timeüs, is een uitnemend man. Zodra hij zien kan, bemerken wij nog beter zijn standvastig,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Markus 10
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een rantsoen voor velen — 10:32-45
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Breng kinderen tot Christus, niet ten doop
De blinde bedelaar
Uitgenodigd om te komen
Bij Jezus komen
Haast u
Wat Bartimeüs kon en wat u kunt
Kom als een kind
Kom nu tot de Heere
De ergenis van Jezus
Ouders, onderwijs uw kinderen!
Veracht de kleine kinderen niet
Breng de kinderen tot Jezus
De tederheid van Christus als voorbeeld
Hebt goede moed, Hij roept u
Persoonlijke uitnodiging
Christus alleen
Tegenwind
Zielenheil
Jezus’ weg
Hoort Hij wel?
Goede moed
Houd moed
Voor zoekers
Bestraffing
Verberg niets!
Standvastig


Markus 10
Markus 10:13.KruisverwijzingenMattheüs 19:13→Lukas 18:15→Markus 10:48→Joël 2:16→Markus 9:38→Exodus 10:9→Deuteronomium 31:12→
— En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.
“En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.”
Zij vonden hen te klein, te onbeduidend, en meenden dat de Meester grotere dingen te doen had. Maar Hij denkt daar niet zo over. Niemand is voor Hem te klein. Hij neemt zelfs de eer van kinderen aan.
Markus 10:14.KruisverwijzingenMattheüs 18:10→Mattheüs 18:4→1 Petrus 2:2→Mattheüs 19:14→2 Timotheüs 1:5→2 Timotheüs 3:15→Lukas 18:15→Efeze 4:26→
— Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.
“Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.”
Velen van hen komen in dat koninkrijk, en allen die erin komen moeten aan hen gelijk zijn. Het kind is niet het moeilijkste voorwerp van bekering; eerder het tegendeel.
Markus 10:15.KruisverwijzingenMattheüs 18:3→Lukas 18:17→Johannes 3:3→
— Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.
“Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.”
In plaats van wijzer te worden om voor Christus geschikt te zijn, moeten wij ons meer bewust worden van onze onwetendheid. Wij moeten Hem meer vertrouwen, meer van Hem afhankelijk zijn, meer als kinderen worden.
Markus 10:17-18.KruisverwijzingenLukas 18:18→Markus 1:40→Mattheüs 19:16→1 Samuël 2:2→Lukas 18:19→Lukas 10:25→Mattheüs 19:17→Handelingen 16:30→
— En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve? En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.
“En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve? En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.”
Hij ontsluierde Zijn Godheid hier niet voor die jongeman, maar had die even nagedacht, dan had hij haar kunnen zien. Het was een wenk dat Christus meer was dan een mens. Was Hij werkelijk de titel waard die de vrager Hem gaf, dan was Hij God zowel als mens, want er is niemand goed dan Eén, namelijk God.
Hij beantwoordde zijn vraag toch. Het was alsof Hij zei: moet u door uw doen behouden worden, dan is dít wat u te doen hebt. Geen sacramenten waarnemen en plechtigheden doorlopen, maar dít.
Markus 10:19-20.KruisverwijzingenRomeinen 13:9→Exodus 20:12→Lukas 18:20→Filippenzen 3:6→Mattheüs 19:20→Romeinen 3:20→Deuteronomium 5:16→Markus 12:28→
— Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder. Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.
“Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder. Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.”
En dat had hij waarschijnlijk heel zorgvuldig en angstvallig gedaan. En toch had hij al die geboden niet werkelijk zonder gebrek gehouden. Daar zijn wij heel zeker van, maar zijn ogen waren nog niet geopend om zijn eigen tekortkomingen te zien.
In de gewone zin van de woorden had hij deze geboden mogelijk onderhouden, maar Christus toetste of zijn verklaring waar was.
Markus 10:21-22.KruisverwijzingenHandelingen 2:45→Lukas 12:33→1 Timotheüs 6:17→Lukas 16:9→Mattheüs 6:19→Mattheüs 19:21→1 Timotheüs 6:9→1 Johannes 2:15→
— En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij. Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.
“En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij. Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.”
Er was zoveel beminnelijks aan hem.
Hij wist dat er een zwakke plek in het karakter van de jongeman was. Hij had God nog niet boven alles lief maar had zijn rijkdom lief, en hij leefde ten slotte voor deze wereld.
En zijn er niet velen zo, hoogst onberispelijk van karakter? Niemand kan één smet in hun zeden aanwijzen, maar zij leven zuiver voor zichzelf, geheel om te kopen en te verkopen en gewin te maken. Geen gedachte aan God, behalve de vrees dat zij onder Zijn roede zouden komen. Maar geen gedachte om Hem te dienen en zich voor Zijn eer in te zetten, en ook niet veel gedachten voor hun medemensen.
Christus had de zwarte plek getroffen en die voor hem aangewezen. Zo bewees Hij dat de jongeman geen van beide tafelen van de wet volmaakt gehouden had. Hij had de HEERE niet lief met heel zijn hart, en hij had zijn naaste niet lief als zichzelf.
Markus 10:23-24.KruisverwijzingenLukas 18:24→Markus 3:5→1 Korinthe 1:26→Spreuken 11:28→Johannes 13:33→Psalmen 52:7→Johannes 21:5→1 Timotheüs 6:17→
— En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen! En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!
“En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen! En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!”
De rabbijnen hadden vrijwel geleerd dat geld overal antwoord op gaf: kon u zoveel geven en zoveel betalen, dan was alles wel met u. Christus ging tegen al zulk onderwijs in en liet zien dat geld in dit opzicht van geen dienst was — sterker nog, dat het dikwijls een hindernis was.
Het is onmogelijk voor een mens om, zonder de hulp van de Geest van God, het Koninkrijk der hemelen in te gaan. Maar wat voor de mens uit zichzelf onmogelijk is, wordt mogelijk gemaakt door de genade en de kracht van God.
Markus 10:25-27.KruisverwijzingenMattheüs 19:26→Lukas 1:37→Job 42:2→Jeremia 32:17→Lukas 18:27→Jeremia 32:27→Genesis 18:13→Numeri 11:21→
— Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden? Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.
“Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden? Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.”
Het is een onmogelijkheid. Alleen God kan het doen.
Markus 10:28.KruisverwijzingenLukas 14:33→Lukas 18:28→Mattheüs 19:27→Markus 1:16→Mattheüs 4:20→Mattheüs 4:22→Filippenzen 3:7→
— En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
“En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.”
Hij sprak alsof zij gedaan hadden wat de rijke man had nagelaten, en kennelijk meende hij dat zij daarvoor beloond moesten worden. Want volgens Mattheüs voegde hij eraan toe: wat zal ons dan geworden?
Markus 10:29-31.KruisverwijzingenOpenbaring 2:3→Markus 8:35→Genesis 12:1→1 Korinthe 9:23→Hebreeën 11:24→Mattheüs 19:30→Lukas 22:28→Mattheüs 5:10→
— En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil, Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten.
“En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil, Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten.”
Bij de eindafrekening zal blijken dat niemand er verlies bij geleden heeft dat hij iets om de Heere Jezus Christus prijsgaf. Al heeft Hij Zijn eigen manier om uit te maken wie de eersten en wie de laatsten zullen zijn.
Markus 10:32.KruisverwijzingenMattheüs 20:17→Lukas 9:51→Johannes 11:8→Mattheüs 11:25→Zacharia 3:8→Lukas 18:31→Mattheüs 13:11→Johannes 11:16→
— En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;
“En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;”
Zij wisten allen heel goed dat het beslissende ogenblik in de geschiedenis van onze Zaligmaker vlak voor de deur stond, en er lag een soort onbestemde vrees op hen allen.
De dapperste geest in het hele gezelschap was hun gezegende Heere en Meester. Hij wist dat Hij naar Jeruzalem opging om te sterven. U mag Hem dus zien als het Offer dat naar het altaar gaat, of als de Held Die naar de strijd gaat waarin Hij sterven en toch overwinnen zal.
De discipelen mochten wel met heilige moed vervuld zijn, want hun Leidsman ging vooraan. Dat geldt voor heel het leven van alle heiligen: Jezus ging voor hen uit. Al liggen er beproevingen voor hen, en al ligt de donkere rivier zelf voor hen: Jezus gaat voor hen uit. Zij hoeven dus niet bang te zijn Hem te volgen.
Zij wisten niet veel van wat er gebeuren ging, maar een grote neerslachtigheid lag op hun geest. Zij moeten zich verwonderd hebben over de blijmoedige dapperheid van hun Meester, terwijl zij allen bereid waren van deze droevige tocht terug te keren.
Markus 10:33-34.KruisverwijzingenMattheüs 27:2→Mattheüs 26:67→Markus 14:65→Handelingen 3:13→Mattheüs 26:66→Markus 8:31→Mattheüs 16:21→Markus 14:64→
— Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren; En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
“Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren; En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.”
Hij achtte het goed dat de twaalven, die vooropgingen, beter dan de anderen op de hoogte waren van de droeve geschiedenis die zo spoedig plaatsvinden zou. Daarom vertelt Hij hun erover in het bijzonder.
Let erop hoe Hij bij Zijn lijden in het bijzonder blijft stilstaan. Hij beschrijft het niet in algemene bewoordingen, maar Hij brengt elke afzonderlijke smaad scherp naar voren: zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden.
Uit het aantal van deze zinnen blijkt dat onze Zaligmaker heel uitvoerig op Zijn lijden inging, en bij elke bijzonderheid stilstond die Hij duidelijk voorzag. Daarin zien wij Zijn profetische ambt.
Maar het raakt ons meer om te zien dat Hij vooraf wist wat het Hem kosten zou onze zielen te verlossen. Toen de Zaligmaker wist dat de prijs van de vergeving Zijn bloed was, trok Zijn ontferming zich niet terug. Dat was een mededogen als van God Zelf.
Hij wist niet alleen dat Hij sterven moest, maar Hij wist alle omstandigheden van pijn en schande waarmee die dood gepaard zou gaan. Zij zouden Hem veroordelen; Hem aan de heidenen overleveren; Hem bespotten; Hem geselen; Hem bespuwen; Hem doden. Daarom mogen wij Zijn goddelijke moed en Zijn volkomen zelfopoffering bewonderen. Gewone mensen kunnen beloven iets te doen zonder te weten wat het meebrengen zal — Híj niet.
Zo leren wij dat ook wij bij elk punt van het lijden van onze Heere in heilige, dankbare overdenking behoren stil te staan. Daar zit iets in. Hij zou het niet zo uitgedeeld hebben en stuk voor stuk neergelegd hebben zonder bedoeling. Hij wilde dat wij ermee zouden doen wat men oudtijds met het brandoffer deed, toen men het in delen legde.
Wij behoren geen vreemdelingen te zijn aan de voet van het kruis, en evenmin in Gethsemane. Maar wat een blijde slotnoot is er: en ten derden dage zal Hij weder opstaan. De dood kan Hem niet in haar banden houden; het graf kan Hem niet in zijn duistere kerker blijven opsluiten.
Markus 10:35.KruisverwijzingenMattheüs 20:20→1 Koningen 2:20→Markus 14:33→Markus 1:19→1 Koningen 2:16→2 Samuël 14:4→Markus 5:37→Markus 9:2→
— En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen.
“En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen.”
Een vreemd verzoek! Lees eerst die woorden: “wij wilden wel, dat Gij ons deedt”. De echte gezindheid van een christen is niet te vragen dat er iets voor hem gedaan wordt. Zij is zijn Meester te vragen wat híj voor Hém doen kan — en in zo’n tijd als deze het allermeest.
Christus was enkel onbaatzuchtigheid, maar Zijn discipelen hadden die les nog niet geleerd. En zie dan hoezeer zij hun eerzucht botvierden: “wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen”.
En toch vraag ik mij af of iemand van ons vrij is van deze gezindheid. Want wanneer de HEERE ons een beetje bestraft en wij niet in alles onze zin krijgen, hoe geneigd zijn wij dan te morren! Moet het naar óns hoofd gaan? Moet de leerling zijn Meester voorschrijven? Moet het kind de heer van het gezin zijn?
Markus 10:36-37.KruisverwijzingenMarkus 10:51→Mattheüs 19:28→Johannes 15:7→1 Koningen 3:5→Psalmen 45:9→Markus 16:19→Markus 8:38→1 Petrus 1:11→
— En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe? En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter hand, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid.
“En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe? En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter hand, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid.”
De vraag van onze Zaligmaker geeft ons de verstandige les nooit in het duister te beloven. Zegt iemand tegen u: beloof dat u doen zult wat ik ook vraag, volg dan het voorbeeld van Christus en vraag eerst: wat wilt u dat ik voor u doe? Anders kunt u uzelf in uw eigen woorden verstrikken.
Deze jonge mannen hadden het duidelijk nodig dat hun deze vraag gesteld werd, want zij hadden zelf niet grondig overwogen wat zij hun Heere vroegen te doen.
Er was ongetwijfeld veel verkeerds aan dit verzoek, en die kant van de zaak hebt u vaak genoeg horen behandelen. Daarom vraag ik uw aandacht voor wat er góéd aan was.
Deze discipelen toonden hun geloof dat deze zelfde Jezus, Die bespot, gegeseld, bespuwd en gedood zou worden, toch regeren zou. Zij hadden uit Zijn eigen mond de droevige beschrijving gehoord van hoe Hij sterven zou. En toch geloofden zij zo volkomen in Zijn koninkrijk dat zij vroegen in de eer ervan te mogen delen. Ik vind dat een wonderlijk geloof.
Het is waar dat zij eerzuchtig waren, maar hun eerzucht was om dicht bij de Zaligmaker te zijn. Het zou goed zijn als allen die om plaatsen aan de rechter- en de linkerhand vragen, die aan de réchter- en de línkerhand van de Zaligmaker begeerden.
Markus 10:38-39.KruisverwijzingenLukas 12:50→Handelingen 12:2→Openbaring 1:9→Johannes 18:11→Markus 14:36→Lukas 22:42→Jesaja 51:22→Romeinen 8:26→
— Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word? En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word;
“Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word? En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word;”
Heeft de HEERE ooit tot ons gezegd, wanneer wij aan het bidden waren: “Gij weet niet, wat gij begeert”? Ik vermoed dat dat in zekere zin meestal waar is. Wij verstaan de omvang van de meeste van onze gebeden niet ten volle, en soms vragen wij zo onbedacht dat wij bewijzen dat wij niet weten wat wij vragen.
“Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink?” Het is alsof Hij zegt: kunt u met Mij delen wat Ik in Gethsemane drink, en hoe Ik op Golgotha wegzink?
Zij wisten niet wat zij zeiden, maar zij voelden dat hun liefde zo sterk was dat zij alles delen konden wat met Christus te maken had. Zijn troon? Ja, zij zouden graag aan de rechterhand ervan zitten. Zijn beker? Ja, daaruit kunnen zij drinken. Ondergedompeld worden in Zijn lijden? Ja, die doop kunnen zij verdragen.
Zij waren niet tevreden met zelf eerzuchtig te zijn; zij wilden ook Hém met eerzucht ontsteken. En dat terwijl Hij de nederige, ootmoedige Knecht van God was, Die de macht om kronen en tronen uit te delen voor een tijd afgelegd had. Maar Hij vergat Zichzelf niet, en evenmin de plaats die Hij tegenover de Vader ingenomen had, en zei: het staat bij Mij niet te geven.
Markus 10:43-44.KruisverwijzingenMattheüs 23:8→1 Korinthe 9:19→Markus 9:35→Lukas 18:14→Mattheüs 20:26→Johannes 13:13→Lukas 9:48→Romeinen 12:2→
— Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn. En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.
“Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn. En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.”
En dat is de manier om werkelijk groot te zijn in de gemeente van God: steeds minder te worden in uw eigen achting en bereid te zijn niets te wezen.
De weg omhoog is de weg omlaag. Dat is geen tegenstrijdigheid maar een paradox. Zink weg, en u zult rijzen. Wees bereid de allergeringste te dienen, en u zult eer hebben onder uw broeders. Bedenk dat de Koning der koningen de Dienstknecht van de dienstknechten was.
Markus 10:46-47.KruisverwijzingenMattheüs 20:29→Mattheüs 9:27→Johannes 9:8→Lukas 18:35→Lukas 18:36→Markus 1:24→Lukas 16:20→Handelingen 3:2→
— En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende. En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.
“En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende. En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.”
Zijn tocht naar de veldslag was nu als een zegetocht, die spoedig vergezeld zou gaan van het wuiven met palmtakken en het roepen van Hosanna.
Jezus de Nazarener: meer wist de schare niet te zeggen. Maar Bartimeüs was veel verder gekomen dan de massa van het volk. Voor hem was het niet Jezus de Nazarener, maar: “Jezus, Gij Zone Davids!”
Markus 10:49-50.KruisverwijzingenJohannes 11:28→Hebreeën 2:17→Psalmen 145:8→Lukas 18:40→Psalmen 86:15→Mattheüs 20:32→Hebreeën 12:1→Filippenzen 3:7→
— En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u. En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.
“En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u. En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.”
Heb goede moed: dat zou een heel nauwkeurige vertaling zijn van wat zij hem toeriepen.
Blind als hij was, vond hij zijn weg naar de Zaligmaker. Ik vermoed dat zijn oor, geleid door de stem, hem daarbij hielp.
Markus 10:51.KruisverwijzingenMarkus 10:36→2 Kronieken 1:7→Mattheüs 6:8→Mattheüs 7:7→Filippenzen 4:6→Mattheüs 23:7→Johannes 20:16→Lukas 18:41→
— En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.
“En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.”
Ziet u hier een zachte bestraffing die de Zaligmaker aan Jakobus en Johannes geeft? Aan hen zei Hij: “Wat wilt gij, dat Ik u doe?” En nu is hier een blinde bedelaar, en Hij stelt hem liefelijk dezelfde vraag.
En hier had Bartimeüs Johannes en Jakobus wel beschaamd kunnen maken. Hij vroeg niet om tronen of koninkrijken. Zijn verzoek was eenvoudig gesteld, maar het was hoogst eerbiedig en zelfs aanbiddend tot Christus gericht.
Markus 10:52.KruisverwijzingenMattheüs 9:22→Lukas 7:50→Markus 8:25→Markus 5:34→Mattheüs 9:28→Lukas 9:48→Mattheüs 21:14→Psalmen 146:8→
— En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.
“En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.”
Het is heel opmerkelijk dat u de Heere Jezus Christus niet vaak een gunst ziet verlenen zonder die aan een of andere voortreffelijkheid in de ontvanger toe te schrijven. Meestal is het: groot is uw geloof, of iets van dien aard.
Dat is heel opmerkelijk, want wij weten dat er in die mensen werkelijk niets was waardoor zij Zijn grote gunst verdienden.
U zult merken dat het dikwijls de manier van de Zaligmaker is om de eer van Zijn eigen werk aan het geloof van de patiënt te geven. Uw geloof heeft u behouden, zegt Hij. Terwijl u en ik, als wij iets goeds doen, er heel bezorgd voor zijn dat niemand anders er de eer voor krijgt.
Wij willen graag alle eer op onszelf gelegd zien. Maar Jezus zegt niet: Ík heb u behouden — al was dat waar genoeg. Hij zegt: uw geloof heeft u behouden.
En waarom, denkt u, neemt Christus de kroon van Zijn eigen hoofd om die op het hoofd van het geloof te zetten? Omdat Hij het geloof liefheeft, en omdat het geloof die kroon zeker niet dragen zal maar haar aan Zijn voeten leggen. Want van alle genadegaven is het geloof het zekerst zichzelf te verloochenen en alles toe te schrijven aan Hem op Wie zij vertrouwt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-12.KruisverwijzingenGenesis 5:2→Genesis 1:27→Deuteronomium 24:1→Genesis 2:24→Romeinen 7:1→Johannes 10:40→Mattheüs 19:8→2 Petrus 3:4→
— En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom. En de Farizeen, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende. Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden? En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven. Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt. Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve.
Onze Evangelist stelt ons nu de tijd voor van het heengaan van de Heere uit Galilea tot aan Zijn koninklijke intocht in Jeruzalem. Die tijdruimte van een half jaar, die wordt aangevuld tot aan de eerste helft van het oponthoud in Jeruzalem en Judea, gedurende het loofhuttenfeest en dat van de tempelinwijding en in welker tweede helft de reis naar Bethani? tot opwekking van Lazarus en het stille verblijf gedurende enkele weken in Efra?m valt, vat hij eveneens samen tot de voorstelling van een eenvoudige reis door Perea, zoals de eerste Evangelist al voor hem gedaan heeft. Jeruzalem en Judea moeten echter voor het ogenblik nog buiten beschouwing blijven, daarom bepaalt hij zich tot enkele voorvallen uit de tijd van de openbare werkzaamheid in het land aan de andere kant van de Jordaan. Ook hier vinden wij het eerst het gesprek met de farizee?n over de echtscheiding.
En Jezus stond ten tijde van het loofhuttenfeest van daar op en ging in het begin van Oktober in het jaar 29 uit Galilea, waar Hij nu Zijn werk had be?indigd. Omdat Hij ook Jeruzalem, waarheen Hij eerst gegaan was, weer verlaten had, begaf Hij Zich in het begin van het jaar 30 naar de landpalen van Judea door de overzijde van de Jordaan, door Perea; en de menigte kwam weer samen bij Hem, zoals daarvoor in Galilea, zoals blijkt uit de geschiedenissen Luk. 13: 22-16 : 13, die in deze tijd plaatshadden, hoewel het natuurlijk een andere menigte was dan die Hem daar volgden. En, zoals het Zijn gewoonte was, leerde Hij hen weer in redenen en gelijkenissen.
In de streek buiten Galilea, aan de andere kant van de Jordaan, waarheen Jezus om vroeger opgegeven redenen Zijn verblijf verplaatste, kon nu weer openbare werkzaamheid plaats hebben evenals vroeger plaats had gehad voordat Hij Zich aan het volk onttrok. Daarop doelt het herhaalde “weer. ” Meteen zullen wij echter ook horen dat nu ook de verzoeking door de farizee?n vernieuwd werd. Daartoe was hen door het vernieuwen van de openbare werkzaamheid gelegenheid gegeven. “Een leraar, die een grote aanhang heeft en die graag wordt gehoord, volgt de nijd op de voet, zodat hij de verzoekingen niet kan ontgaan.”
En de farizee?n kwamen tot Hem toen Hij eens weer volk rondom Zich had en bezig was te leren en vroegen Hem of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verlaten; een groot deel van de schriftgeleerden leerde toch dat men dit doen mochtom verschillende redenen. Zij stelden hem die vraag om Hem te verzoeken. Zij rekenden er toch op dat hij die vraag beslist zou ontkennen en Zich daardoor afkeer bij het volk, vervolging door de viervorst Herodes en misschien een spoedig einde van Zijn openbare werkzaamheid op Zijn hals zou halen.
Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Wat heeft Mozes u hiervoor geboden?
En zij zeiden: a) Mozes heeft (Deut. 24: 1) toegelaten een scheidbrief te schrijven en de man, die aan deze voorwaarde voldoet, toegestaan haar te verlaten, wanneer zij geen genade meer in zijn ogen vindt.
Jer. 3: 1. MATTHEUS. 5: 31.
En Jezus antwoorde en zei tot hen: Vanwege de hardheid van uw harten, die hem wel bekend was en die Hij door de wet niet kon overwinnen, heeft hij voor u dat gebod geschreven;
Maar van het begin van de schepping heeft ze God tot man en vrouw gemaakt, zoals Hij ons zelf heeft meegedeeld in Gen. 1: 27 en 2: 24.
a) Daarom zal, zoals Adam zelf heeft uitgeroepen toen hij de bedoeling van God hierin erkende, zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zal hij zijn vrouw aanhangen;
1 Kor. 6: 16. Efeze. 5: 31.
En die twee zullen tot ??n vlees zijn, zodat zij, man en vrouw, wanneer eens de band van de echt hen verbindt, volgens die oorspronkelijke inrichting van God, niet meer twee zijn, maar een vlees.
a)Hetgeen dan God door deze beschikking samengevoegd heeft, scheidt de mens niet door eigen willekeur.
1 Kor. 7: 10.
Markus rangschikt het gesprek hier in zoverre anders dan het bij Matthe?s wordt gevonden, dat hij Jezus zelf pas door een vraag van de farizee?n de zin laat ontlokken, waarop zij meenden hun aanval te kunnen gronden. Dit is echter een verschil in voorstelling die niet het wezen van de zaak aangaat, maar alleen nog duidelijker voorstelt dan bij Matthe?s, waarop de farizee?n van het begin af hun plan gevestigd hadden. Zij verwachtten namelijk dat Jezus iets zou zeggen tegen de gewone echtscheiding en dan hoopten zij Hem in een tegenspraak met de wet van Mozes gewikkeld te zien, waarop die gewoonte steunde. Met hun plan van aanval, zoals zij dat hadden ontworpen, komt de mededeling van het gesprek bij Matthe?s overeen. Eerst moest de Heere Zich tegen het geoorloofde van de echtscheiding in het algemeen verklaren; vervolgens wilden zij met hun vermeend bolwerk, met de stelling in Deut. 24: 1 tegen Hem aanvallen en Hem als iemand voorstellen die het gebod van Mozes als van een te zachten wetgever op zou heffen en de door hem vastgestelde orde niet geldend zou verklaren. Jezus doorzag echter meteen hun plan en om dit te doen opmerken laat Markus hen meteen met hun bolwerk optreden, omdat hij ze aanleiding geeft het Moza?sche voorschrift aan te halen waaraan zij zich in hun praktijk vasthielden. Terwijl zij dit doen noemt de Heere dat wat zij een toelating noemen en daardoor op het gebied van het zedelijk geoorloofde plaatsen, veel meer een gebod, maar een gebod van een wetgever die met harde, onbuigzame harten te doen heeft, die hij niet kan veranderen. Op die plaats wordt niet gesproken van een toelating van de echtscheiding, maar zij bevat het gebod van een scheidbrief en zo wordt zij een aanklacht tegen hen, die onder zo?n gebod moesten worden gesteld, opdat de instelling van de echt ten minste niet geheel aan eigen willekeur zon worden prijsgegeven. Uit een andere vorige plaats, waar Mozes niet te doen heeft met het volk van een harde onbuigzame nek, maar bij de oorspronkelijke mensheid vertoeft die nog niet is gevallen, geeft de Heere Zijn beslissing omtrent de vraag van de echtscheiding. Deze is geen andere dan de herstelling van de oorspronkelijke instelling van God. Op die beslissing kwam het voor onze Evangelist hoofdzakelijk aan; deze is voor hem het voorname punt van het gehele gesprek met het oog op de Nieuw Testamentische Christen-gemeente, die uit de Oud Testamentische gemeente van de wet was afgezonderd. Daarom heeft hij ook aan dit gesprek een vorm gegeven waarbij die werkelijk in dit hoofdpunt uitloopt, terwijl Mattheus zich met zijn verhaal aan de geschiedkundige gang houdt.
En toen zij in het huis waren gekomen waar Hij in die streek Zijn verblijf had, vroegen Zijn discipelen Hem weer daarover; zij namen nog eens de vraag op, die Hij met de farizee?n behandeld had, namelijk of de echtscheiding dan werkelijk in elke omstandigheid zo ongeoorloofd was.
En Hij zei tot hen, Zijn woord in MATTHEUS. 5: 31 vv. herhalende: Wie zijn vrouw verlaat, tenzij, zoals vanzelf spreekt, om werkelijk door haar gepleegde echtbreuk (MATTHEUS. 19: 9) en een ander trouwt, die doet overspel tegen haar, van wie hij zich heeft afgescheiden.
En als een vrouw haar man zal verlaten en met een andere trouwen, die doet overspel tegen de verlaten man.
De zin in vs. 12 is, in vergelijking met Matthe?s, aan Markus eigenaardig. Terwijl de eerste Evangelist zijn oog voornamelijk op Isra?l heeft gevestigd en daar het woord over de vrouw weggelaten kon worden omdat volgens Joods gebruik en wet, dat een vrouw de man verliet, van haar kant de huwelijksband oploste, ondenkbaar was en alleen van de man zo?n oplossing kon uitgaan, kwam het tegendeel dat de vrouw scheidde, bij Grieken en Romeinen vaak genoeg voor (vgl. 1 Kor. 7: 13 ook het scheiden van Herodias van haar man Filippus gebeurde volgens dit heidens gebruik, niet volgens het Joodse, hoewel zij uitwendig het Jodendom beleed). Markus, die in de eerste plaats voor Romeinse Christenen schreef, moest dan ook deze zin mee opnemen. Daarentegen heeft onze Evangelist weinig belang bij hetgeen Matthe?s van het gesprek over het ongehuwd blijven nog mededeelt. Dat heeft zijn bijzondere betekenis voor Isra?l (Openbaring . 14: 4), terwijl de weglating juist bij Markus, de zoon van Petrus, als een opmerkelijk getuigenis voorkomt tegen de bijzondere heiligheid, die in de Roomse Kerk aan het celibaat wordt toegekend 19: 13). “De ongehuwde staat is niet heiliger dan de gehuwde; nog minder kan men daarmee de zaligheid verdienen, zoals degenen die in de kloosters zijn menen. Hij is echter goed, wanneer men zich daarbij des te beter kan houden aan Gods woord, te beter God kan dienen en zijn zaligheid bevorderlijk kan zijn (1 Kor. 7: 34).
II. Vs. 13-16.KruisverwijzingenMattheüs 19:13→Lukas 18:15→Mattheüs 18:10→Mattheüs 18:4→1 Petrus 2:2→Mattheüs 19:14→2 Timotheüs 1:5→2 Timotheüs 3:15→
— En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.
De vorige geschiedenis viel nog in de tijd van de eerste werkzaamheid van Jezus in Perea, toen Hij in het begin van het jaar 30, van Jeruzalem komend, in de eerste plaats te Bethabara Zijn werkzaamheid ontwikkelde en vervolgens ook door andere steden van het land ten oosten van de Jordaan, tot aan de residentiestad Livias doortrok. De volgende geschiedenis van het zegenen van de kinderen verplaatst ons ineens in de tijd van Jezus latere werkzaamheid in die streek, welke 7 weken later plaats had. Jezus is intussen in Bethani? geweest en heeft Lazarus opgewekt, Zich daarna naar Efra?m terug getrokken en Zich daar 40 dagen verborgen gehouden. Nu is Hij door Samaria en de zuidelijke grenzen van Galilea naar Perea gereisd en van het noordelijk deel van dit landschap weer naar het zuiden gekomen. Onmiddellijk voor de stad Livias, of misschien wel in het midden van haar, heeft het voorval van deze tweede afdeling van de hier voor ons liggende groep van weer vijf verhalen plaats.
En zij, de moeders uit Livias, brachten op hun armen kinderen tot Hem, opdat Hij door oplegging van de handen ze aanraken zou en ze biddend zou zegenen; en de discipelen bestraften in hun onverstand degenen die ze tot Hem brachten.
Een oud prediker zegt: zij droegen de kleinsten op de armen, de groteren geleidden zij aan de hand en zij, de moeders, gingen zelf mee. Weet u, o vader, moeder! hoe ook u uw kind kunt dragen tot de Heere, wanneer het zelf nog te klein is om te gaan? Bidt voor uw kind, breng het op de armen van de priesterlijke voorbede voor zijn God en Heiland, niet alleen op de doopdag, maar iedere dag. Het gebed van een vrome moeder, van een godvruchtige vader voor het kind, is een engelenwacht om zijn bedje, omringt het met een heilzame, hemelse atmosfeer waarin het vrolijker opgroeien kan en zich ontwikkelen kan naar lichaam en ziel. Ja het gebed zweeft als een onzichtbaar, hemelse geleide rondom het verwijderde kind nog op zijn tocht, ook om de verloren zoon op zijn dwaalwegen en veel bekommerde ouders, die veel geld, veel woorden, veel tranen tot hiertoe voor hun kind gaven, zou ik willen vragen: hebt u ook al echt gebeden voor uw kind? – Maar leidt ook uw kinderen tot de Heere door leer en vermaning, als zij zelf kunnen gaan. Gij moeders! vertel hen de schone geschiedenissen van de Heiland, die zij zo graag horen en leer ze vriendelijk hun eerste teksten en gebeden. Gij vaders! wijst hen de Schepper in de natuur aan, laat hen de Almachtige, Alwijze, Algoede zien in de sterren aan de hemel en in de bronnen op het veld en wijst niet hoogmoedig hun dikwijls zo kinderlijk vrome, dikwijls zo juiste vragen naar de grond en oorsprong van alle dingen af. Wanneer zij een leugen hebben gezegd, wanneer zij iets kwaads hebben gedaan, jaagt dan hun jeugdige hart een heilige vrees aan voor de heilige, alwetende God, die in het verborgen ziet en voor wie de duisternis is als het licht. En wanneer zij vrezen voor de verschrikkingen van de nacht en voor het rollen van de donder, leer ze dan vertrouwen op de trouwe Vader in de hemel, die met de vleugels van Zijn almacht de vromen in nood en gevaar dekt. Maar wanneer u zo uw kind tot de Heere leidt door leer en vermaning, dan moet u ook zelf meegaan. De moeders in het Evangelie zonden haar kinderen niet tot Jezus, maar zij brachten ze. Zo hebt ook u uw plicht nog niet gedaan, wanneer u uw kind tot de Heere zendt, in de school, in de kerk, in de zondagschool, op de catechisatie; u moet ook zelf met het voorbeeld van godsvrucht, van liefde tot Zijn woord en huis hen voorgaan. Zo brengt u ook uw kind nog niet tot de Heere, wanneer u het vaak het goede predikt, streng het kwade verbiedt, terwijl u zelf niet naar uw woorden handelt; niet het goede doet dat u toch van hen verlangt, het kwaad niet vermijdt dat u toch bij hen bestraft. Geloof het, lieve ouders! uw kinderen hebben scherpe ogen en oren – door een leugen, die u zich in hun tegenwoordigheid veroorlooft, maakt u al uw preken over de waarheid te schande en door een Christelijke wandel in de wegen van God richt u meer in hun harten uit dan door de roerendste gebeden en de strengste straffen, ja door de vroomste redenen waardoor men, wanneer zij bovenmate veel worden aangebracht, de kinderen dikwijls aan huichelarij gewent, of hun een tegenzin tegen de vroomheid inboezemt.
Hebben wij de juiste opvatting over tijd en plaats, dan staat deze geschiedenis van de moeders die haar kinderen tot Jezus brengen, opdat Hij ze zal aanraken, in een uitwendig verband met die van een andere moeder, die haar dochter in de dienst van de vorst van de hel stelde, van Herodias (Hoofdstuk 6: 21 vv. ). Wat de tijd betreft verschillen zij ongeveer een jaar, de stad is voor beide dezelfde Wij zien in dit contrast de verschillende manier van opvoeding van de kinderen, naar dat die in een werelds of Christelijk huisgezin plaats heeft. “Ach, hoe veel ouders leiden hun kinderen niet tot Christus, maar tot de duivel. “
Maar Jezus zag dat, merkte op hoe de discipelen de moeders wilden terughouden en nam het zeer kwalijk 1), dat zij zich zo ongeroepen en dwaas daarmee bemoeiden en zei tot hen: Laat de kinderen tot Mij komen en degenen, die ze brengen en voor hen handelen en verhinder ze niet, a)want degenen bij wie die eenvoudig kinderlijke en graag ontvangende zin nog ongeschonden aanwezig is, is het koninkrijk Gods 2).
Matth. 18: 3. 1 Kor. 14: 20. 1 Petrus . 2: 2.
Wij lezen twee keer van een omarmen van de Heere (vgl. Hoofdstuk 9: 36); het werd aan de kinderen ten deel. De Mensenzoon onder de kinderen van de mensen: 1) als de hemels-nieuwe en reine, verwant met wat naar de aarde nieuw en rein is; 2) als de rijke in ootmoed met hetgeen zich nergens op verheft; 3) als de Vorst van het geloof met degenen die zich overgeven.
Alles, wat ons tot mensen maakt, verstand, geweten, wil, elk vermogen van de geest, is al in het kleinste kind aanwezig. Het is gevormd naar Gods beeld en zo kan het de zegen van de verlossing al ontvangen; het kan dit niet alleen, maar het moet dit. Laat ons toch niet wijzer zijn dan Christus, dan de Heere; daar wij zouden willen tegenspreken: “Het kind kan toch de zegen van zijn Heere niet verstaan, ” alsof de kracht van de zegen van het verstaan afhing, of als werkte een geneesmiddel op het zieke lichaam alleen, naarmate men de wijze en manier van de werking kent. Zouden wij dan menen, dat die zegenende hand van de Heere op de hoofden van die kinderen tevergeefs zou hebben gerust en geen werking zou hebben achtergelaten?
Evenals hier de lichamelijke aanraking, zo is het later de doop in de naam van Jezus, door welke de kinderen aanvankelijk de zegen ontvangen en daarnaar moet de Christen zijn betrekking tot zijn kinderen inrichten. Over de betrekking van het huiselijk leven tot het Christendom gaat zowel het vorige stuk over de echt, als dit dat op kinderen betrekking heeft. Zoals daar de verloochening van willekeurige begeerte wordt ge?ist, om de oorspronkelijke van God gestelde orde weer te verkrijgen, zo wordt hier een eis gedaan die alleen de ootmoed van het zelfverloochenende geloof kan vervullen.
De discipelen meenden het niet kwaad met de kinderen, toen zij die met hun moeders tegenhielden op de weg tot Jezus. Zij dachten: wat hebben die kleinen aan onze Heere, die zij toch niet begrijpen, die wij zelf nauwelijks begrijpen? Zij meenden het goed met hun Heer en Meester, voor wie zij die moeite wilden besparen; want zij dachten: Hij heeft genoeg te doen met de volwassenen, zullen nu ook de onmondigen Hem lastig vallen? En toch nam de Heere het hen kwalijk en zei Hij: laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet. Op de boosaardige verleiders, die het er op toeleggen jeugdige zielen te verderven, de kiem van geloof en vroomheid in hen te vernietigen door gespot, die hen tot zonde verleiden, door duivelse slangenkunsten, op die is boven alle andere het vreselijke woord in Hoofdstuk 9: 42 van toepassing. Maar men kan zich ook zonder het te weten en te willen verzondigen aan onsterfelijke kinderzielen; men kan een kind terughouden op de weg tot zaligheid ook door onverstand, door valse grondstellingen van opvoeding, omdat men meent dat het nog te vroeg is om tot hen van God te spreken, ze naar de kerk te leiden, waar zij toch nog zo weinig begrijpen. Waarom zou men tot hen van zaken spreken waarover de volwassenen het niet eens zijn? Waarom zou het kind teksten leren die het toch nog niet begrijpt? Toch zei een vrome kinderziel: weet u niet dat Ik zijn moet in de dingen van Mijn Vader? Toch moet in de lente het zaad in de aarde, zodat het daar in het verborgen ontkiemt en tot vruchten rijpt.
Voorwaar Ik zeg u: Wie van u volwassenen het koninkrijk van God niet ontvangt zoals een kind, waartoe vooraf door inwendige bekering mogelijkheid moet ontstaan, die zal het niet ingaan.
Wie kan opnieuw een kind worden wanneer hij al volwassen is? De vraag is gelijk aan die van Nicodemus (Joh. 3: 4). “Hoe kan een mens opnieuw geboren worden wanneer hij oud geworden is?” Maar ook het antwoord is al door de Heere gegeven: “Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. ” Hij kan en wil ons helpen om alle nutteloze ballast over boord te werpen, waarop wij ons verheffen en waarmee wij onszelf belasten; Hij wil daarentegen onze ziel klein maken, zodat voor haar de enge poort tot het rijk van God wijd genoeg en de smalle weg, die tot het leven leidt, breed genoeg is. Laat ons toch onze oren niet sluiten voor Zijn roepstem tot bekering, dan zullen wij vele en grote zonden in ons bevinden en opeengehoopte schulden; dan zal van alles in ons, waarin wij een welgevallen hadden, niets overblijven en onze hele gedroomde schoonheid, onze wijsheid, onze sterkte zal worden verteerd als een spinnenweb, wanneer het vuur er aan lekt; want met geen van deze dingen kunnen wij in het gericht van God bestaan, de vuurvlammen van Zijn ogen zullen het verteren, de adem van Zijn mond zal het als kaf wegwaaien en onze zonde zal ons naar de hel voeren. Wel hem, die nu daarvoor zich de ogen laat openen! Hij wordt wat onze tekst eist: een kind om het Koninkrijk Gods aan te nemen, want hij verliest de trotsheid, die hem daarvan uitsluit. Een kind is niet te bits, dat het zich niet graag iets zou laten geven, maar de mensen die in eigen ogen groot zijn weren Gods genade af, willen zelf rechtvaardig zijn, willen aan zichzelf het leven te danken hebben, willen niet ootmoedig voor Hem neervallen om te bidden: Heere, Heere! ontferm U; wanneer Gij niet helpt ben ik verloren! – totdat berouw hen week gemaakt heeft. Dan komen zij; dan is het hun niet te veel, te smeken en te roepen; dan houdt de nietige schaduw van kwalijk geplaatst eergevoel op hen te verblinden; dan danken zij God, wanneer Hij in Christus het Abba, lieve Vader roepen hun nog toestaat en houden het voor zaligheid van Hem te mogen aannemen vergeving, vrede, levenskracht.
En Hij omving ze met Zijn armen, legden de handen op hen en zegende ze, zoals de moeders van Hem hadden verlangd, juist erkennende wat haar kinderen ten zegen was.
Christus zelf is de enige ware Beschermer, Patroon en Heilige van de kinderen – niet de aartsengel Michael, niet de heilige Nikolaus, niet de heilige Martijn, hoewel onder de Heere alle engelen en heiligen geroepen zijn tot bescherming van de kinderen.
Lichamelijk doet de Heere niet meer aan onze kinderen dan wat hier uit de dagen van Zijn vleeswording van Hem wordt verteld; maar geestelijk moet het voor ons een beeld zijn voor Zijn bescherming en Zijn zegen, waarmee ook wij ons mogen vertroosten voor de onzen, wanneer wij ze Hem gelovig overgeven. Hij sloot ze in Zijn armen en drukte ze aan Zijn hart: dat moet ons een beeld zijn van Zijn trouwe bescherming, waaraan wij blijmoedig onze kinderen mogen overgeven onder alle noden en gevaren van deze wereld en vertrouwen op Zijn woord: “Niemand zal ze uit Mijn hand rukken. ” Hij legde Zijn handen op hen en zegende ze: dat moet ons een beeld zijn van de geestelijke krachten, van de gezegende indrukken die een jeugdige ziel in de nabijheid van Jezus, in het licht van Zijn aanschijn, onder het opleggen van Zijn handen voor het hele leven ontvangt. Een godvruchtige jeugd werpt een zegen af voor tijd en eeuwigheid; wie op de morgen van Zijn leven als kindje aan het hart van Jezus heeft gerust, die weet ook als man bij de last en de hitte van de dag, waarheen hij kan vluchten: die bezit ook op de avond van zijn leven datgene waarop hij stervende zijn hoofd kan neerleggen en wat hij hier beneden als kind op aarde geleerd en geloofd heeft, dat zal hij daarboven in de hemelse staat van de kinderen van God zien en ondervinden.
III. Vs. 17-31.KruisverwijzingenLukas 18:18→Markus 1:40→Handelingen 2:45→Mattheüs 19:16→1 Samuël 2:2→Lukas 18:19→Lukas 12:33→Lukas 10:25→
— En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve? En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God. Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder. Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af. En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij. Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen. En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen! En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan! Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga. En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?
In de zo even behandelde afdeling komt het rijk van God voor als een goed dat zonder enig werk van de mens hem ten dele wordt, als iets dat gemakkelijk te verkrijgen is. In het nu volgende stuk treedt het op als iets dat moeilijk te verkrijgen is. Het is echter een merkwaardige beschikking van de goddelijke voorzienigheid dat beide afdelingen, die zakelijk zo nauw verbonden zijn, ook wat de tijd betreft zo onmiddellijk bij elkaar behoren, waarom wij ze in onze Evangeli?n-harmonie onder een en dezelfde paragraaf hebben gesteld. Het is volkomen waar wat Joh. Angelus zegt: “Christen! houd de hemel niet voor zo ver verwijderd, de hele weg daarheen is geen stap breed; ” maar even zo waar is het woord van Fr. v. Logau: “De hemel is zeer ver, is niet zo gemakkelijk te vinden, maar de hel is dichtbij, de blinden vinden die. ” Hadden wij het eerst over jonge kinderen en vermaande de Heere toen: “Wie het koninkrijk der hemelen niet ontvangt als een kind, die zal het niet ingaan,” zo geeft nu de Heere uit de geschiedenis van de rijke jongeling met het woord over de kameel en het oog van de naald de verklaring, wat een kindje boven de volwassenen vooruit heeft – het heeft nog geen bult en draagt nog geen lasten.
En toen Hij de stad uitging op de weg die naar Jericho leidde, liep een nog jonge overste van de synagoge, die een vraag op het hart had en die Jezus niet wilde laten gaan, voordat hij antwoord had ontvangen. Hij liep tot Hem, viel voor Hem op de knie?n en vroeg: Goede Meester! Welk buitengewoon goed werk zal ik doen om het eeuwige leven te beerven?
En Jezus zei tot hem: Wat noemt u goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God.
En waarom vraagt u Mij over het goede? U kent de geboden: a) Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen, niemand iets onthouden of onttrekken van hetgeen gij hem schuldig zijt (Lev. 19: 13. Deut. 24: 14. Jer. 22: 13); eer uw vader en uw moeder. Houd al die geboden en zo doet u het goede en u zult dan ook de belofte verkrijgen, die in de wet aan degenen gegeven is, die God liefhebben en Zijn geboden houden.
Ex. 20: 13. 21: 12. Deut. 5: 17. Rom. 13: 9.
Hij antwoordde Hem echter: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af en toch heb ik de ware bevrediging niet ontvangen, noch de verzekerdheid van het eeuwige leven.
En Jezus zag Hem met een betekenisvolle blik aan en beminde hem. Er lag toch enige waarheid in hetgeen hij van zichzelf had getuigd. Hij had werkelijk de geboden gehouden in die mate dat hij ze begreep en ook lag in zijn hele wezen een zekere oprechtheid en openhartigheid. Graag zou Jezus hem verder geholpen hebben en zei tot hem: a) Een ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen en u zult een schat hebben in de hemel; en volg Mij en neem het kruis op dat u tengevolge van die navolging ten deel wordt (Hoofdstuk 8: 34).
MATTHEUS. 6: 19. Luk. 12: 33; 16: 9. 1 Tim. 6: 17.
Maar hij was treurig geworden over dat woord en ging bedroefd weg, omdat voor geen lichtere prijs zijn verlangen kon worden bevredigd: want hij had veel goederen en aan deze hing zijn hart, zodat hij ze niet voor het eeuwige leven wilde overgeven.
De jongeling denkt niet als het volk: ik ben Abrahams zoon en ik ben dus van het hemelrijk zeker. Hij denkt niet als de farizee?n: ik heb al een schat van deugden en goede werken vergaderd en heb verder niets meer nodig – nee, hij heeft er iets voor over, hij wil iets goeds doen om het eeuwige leven te verwerven. Hij zegt tot de Heere: gebied slechts: ik zal het doen; eis maar, ik zal het geven; laad op, ik zal het dragen! Menig oud Christen kan van hem leren, want er zijn mensen genoeg die menen: het eeuwige leven komt vanzelf na dit leven op aarde, evenals het dessert na het eten, als de Zondag na de Zaterdag, als de zon de volgende morgen, wanneer men zich ?s avonds tot slapen heeft neergelegd. Vraagt men naar de gronden voor hun hoop op het eeuwige leven, dan ontbreekt ook daaraan niets. Daar is de Vaderliefde van God, die ons niet zal laten eindigen met de vluchtige broodkruimels van deze aarde; daar is de verdienste van Christus, die ons door Zijn bloed de zaligheid heeft verworven; daar is het woord van God, waarin het toch zwart op wit staat dat deze verdrukking niet te waarderen is bij de heerlijkheid, die aan ons geopenbaard zal worden; daar is het lijden van dit leven, waarvoor men vergoeding kan eisen in de eeuwigheid; daar is de doop in Christus? naam, door welke men een erfgenaam van het eeuwige leven geworden is. Wat aan dat alles nog ontbreekt denkt men op het sterfbed erbij te voegen door een boetvaardig gebed. Lieve arme ziel! in welk een treurige verblinding leeft u; hoe bitter zou u zich bedrogen kunnen vinden bij de eerste poorten van de eeuwigheid, boven welke in schitterend schrift staat geschreven: “Zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien” – zo bitter bedrogen als de dwaze maagden, die geen olie in haar lampen hadden! Hebt u dan het woord van Uw Heiland vergeten: “Niet een ieder die tot Mij zegt: “Heere! Heere!” zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, die in de hemelen is, ” en de vermaning van Zijn Apostel: “Werkt uw eigen zaligheid met vrezen en beven?” Nee echt, met de wens om zalig te worden is het niet gedaan, daartoe behoort ook de verstandelijke wil; nee echt, het eeuwige leven is geen erfgoed dat ons in de slaap toekomt en ons in het huis wordt gedragen, het is een parel die men moet zoeken en kopen, een kleinood, waarom men moet lopen, een kroon, waarom men moet strijden, een oogst, waarvoor men zaad moet uitstrooien. Daarom, wie in waarheid zalig wil worden, bij die moet bij de hartelijke wens ook een verstandig willen komen, bij die moet de eerste stap deze zijn dat hij blij en vrolijk met de jongeling in het Evangelie zich bij de Heere voegt: Meester! wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te mogen hebben.
De Heere verdiende zeker de naam van “Goede Meester, ” want Hij was dat; maar de Heere wijst die naam af in de zin waarin de jongeling Hem die geeft. Hij spreekt dat woord uit alsof hij hier te doen had met een mens die al was wat ook hij wilde worden en erop vertrouwde dat zeker te zullen worden, omdat hij het zich heeft voorgenomen. Dat tussen hem en de Heilige nog een kloof gevestigd is die door menselijk doen niet kan worden overgegaan, noch kan worden gevuld, daarvan heeft hij geen begrip, de wezenlijke toestand van zijn hart kent hij niet. Dat goed te zijn de voorwaarde is, niet het gevolg van het doen van het waarlijk goede; dat voordat wij goed kunnen doen in de eigenlijke volle zin van het woord, eerst de bodem van onze harten genezen moet zijn van alle verkeerde liefde; dat God en het goede twee begrippen zijn, die één zijn; God de oorsprong en bron van alle goeds is en alleen goed, wat uit God is en op God rust en in God zijn doel heeft, dat is hem nog verborgen. Hij gebruikt het woord “goed” op menselijke wijze en naar menselijke voorstelling en is daarmee mild, omdat hij het te licht neemt. Daarover moet hij eerst in het reine komen en bij zichzelf het besluit nemen: neemt Jezus de benaming “goed” niet aan, maar kent Hij die alleen aan God toe en kent Hij buiten deze aan niemand die toe, wat moet ik dan van Mijzelf denken?, ben ik niet over mijzelf in een sterke dwaling? ontbreekt mij niet iets anders dan alleen de bijzondere werken, die ik mij graag voor het eeuwige leven zou getroosten? ben ik zelf goed? of wanneer ik het niet ben, hoe kan God dan een welgevallen hebben in hetgeen ik doe? De rijken jongeling ontbreekt kennis van zonde, omdat zijn voorstellingen van Gods gerechtigheid en zaligheid beperkt en duister zijn. Hij mist het inzicht dat tot het eeuwige leven voor schepselen, als wij zijn, de eerste voorwaarde is, dat wij vergeving van zonde hebben, dat onze eerste vraag dus niet mag zijn: “Wat moet ik doen, opdat ik het eeuwige leven heb?” Waartoe kan ik zondaar voor God genade vinden? hoe kan ik, die boos ben, van nature goed worden, opdat ik dan goede werken kan verrichten? De vraag wat gedaan moet worden, lost zich dan gemakkelijk en als vanzelf op: want de begenadigde wordt zo’n gezindheid geschonken, dat hij het goede niet alleen kan weten, maar ook willen en volbrengen.
Wat wordt zeldzamer gevonden ook bij verstandige, scherpziende mensen, dan een grondige zelfkennis? Wat is ook bij betergezinde zielen, bij aangegrepene harten vaak een verhindering tot besliste gemoedsverandering, dan de zelfmisleiding die voor een ernstige blik in het hart bevreesd is? Wij willen niet spreken van die lage mensen, die gemene zielen, die in het bezit van hun aardse goederen, in het genot van hun aardse vreugde, in de drukte van hun aardse zorgen nooit tot de vraag komen: “Wat ontbreekt mij nog?” dan op zijn hoogst in die zin: “Wat ontbreekt nog aan mijn aardse geluk, aan een zeer aanzienlijk vermogen, aan een zeer genoeglijk leven, aan een zeer schitterende plaats in de wereld? Nee! U heeft een beter gevoel in u, zoals de jongeling in de tekst; u zoekt iets hogers dan deze wereld u kan geven; u staat niet vreemd en onverschillig tegenover uw God; Zijn geboden hebben hun heilige majesteit voor uw hart nog niet verloren en vaak zucht u met de psalmist: “Och dat mijn leven gericht werd naar Uw geboden!” U bent niet onbekend met Jezus en Zijn rijk; al vaak heeft Zijn beeld u geroerd, Zijn woord u getroffen, Zijn Geest u toegeademd, zodat u zich aangetrokken voelde door de goede Meester en tot Hem kwam met de vraag: “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te hebben?” U bent ook niet geheel onbekend met uw eigen hart en zijn diepere behoeften, zijn hogere begeerten en verborgen zonden, zodat u niet met trotse eigengerechtigheid, maar werkelijk vaak met diepe smart vraagt: wat ontbreekt mij nog tot ware vrede, tot een rechtschapen wandel in de wegen van de Heere? Maar waarom wordt het mij ondanks dat alles geen ernst met de navolging van de Heere? Wanneer u niet ver bent van het rijk van God, waarom bent u tot op dit uur niet ingegaan? Wanneer zes grendels van uw hart weken voor de heilige vinger van Hem die spreekt: “Zie Ik sta aan de deur en klop” wat was dan de zevende grendel aan de binnenste kamer van uw hart, die niet week en voor welke de Heere steeds weer terug moest keren? Wanneer al honderdmaal in uw eigen hart de vraag klonk: “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te hebben?” waarom is er toch nog niets goeds, nog niets beslissends gebeurd? Wat ontbreekt u nog om geheel een Christen te zijn? Wat u ontbreekt, wat duizenden ontbreekt is hetzelfde wat de jongeling in het Evangelie ontbrak: de grondige kennis van uzelf. Men waagt het wel niet de jongeling woordelijk na te zeggen: “dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af”; men heeft integendeel zoveel uit Gods woord geleerd, dat men instemt met de belijdenis: “wij zijn allen zondaars, ” enz. ; maar met dit “alles” breekt men weer aan de belijdenis de spits af. Zijn wij allen zondaars, dan kan ik wel geen uitzondering maken, dan hoef ik mij er ook niet al te zeer over te bekommeren. En kan ik niet beweren dat ik alle geboden Gods volkomen vervuld heb, o zo ben ik toch nog beter dan honderd anderen; er is tegenover hetgeen mij ontbreekt weer zoveel dat ik v??r heb, dat ik mij weer geruststel en mij troost en God dank dat ik niet ben als deze en gene. Is God heilig en rechtvaardig, dan is Hij toch ook genadig en barmhartig en zal het zo streng niet opnemen. Zeg het zelf, mijn vrienden! hebben niet zulke gedachten, sterker of meer bedekt, al honderdmaal uw harten ingenomen en uw gewetens weer in slaap gezongen, wanneer die juist waren opgewekt; hebben die u niet teruggehouden in uw besluit tot een waarachtige bekering? Deze is de laatste grendel van de deur van ons hart, de eigen gerechtigheid, die spreekt: ik heb alles of het meeste gehouden van mijn jeugd af; ik heb mij niets bijzonders te wijten, ik heb geen gevaar. Dat is het wat ons ontbreekt tot waar berouw, een ernstige blik in ons eigen hart, een grondige kennis van ons natuurlijk verderf; daarom gaan zoveel uren van de genade zonder blijvende uitwerking voorbij, waarin wij niet ver waren van het rijk van God; daarom vallen zoveel tranen van berouw ter aarde, die voor ons een heilzaam bad van de wedergeboorte hadden kunnen worden, omdat de hoogmoed ons verblindt, die zijn ellende niet inziet en op hetzelfde ogenblik waarop hij vraagt: “wat ontbreekt mij nog?” toch weer recht wil hebben tegen God en Zijn geboden, “alsof eigenlijk niets meer ontbrak. ” – Ik moet het toch eenmaal ondervinden, wat ik hier was en hier deed. O laat het mij toch niet uitstellen tot de tijd wanneer berouw niets kan baten! Maak mij hier wijs voor de hemel en vrij van snood zelfbedrog.
Terwijl de jongeling meent dat hij de liefde heeft die de wet eist, bewijst Jezus hem het tegendeel, omdat Hij eenvoudig beweert dat de liefde voor God en voor de broeders elke andere uitsluit en geen andere liefde naast zich duldt; dat, wie God waarlijk liefheeft en inderdaad niets anders zoekt dan het eeuwige leven, ook zonder bezwaar alles wat hij heeft, aan God ter beschikking moet kunnen stellen en geen uitzondering meer mag maken. Als prijs voor het eeuwige leven is alle have en goed van de wereld toch veel te min; wie zich echter gedraagt, zoals deze jongeling doet, als was hij bereid en geschikt om alles, ook het hoogste te doen, als was in zijn gezindheid en in zijn wil niet het geringste gebrek, als behoefde men hem slechts te zeggen wat hij moet doen en het werd dadelijk door hem gedaan, die moet worden aangetoond dat hem het beste nog ontbreekt, juist de liefde voor God boven alles; dat zijn bereidwilligheid tot al het gevorderde nog slechts schijn is en op zelfbedrog berust. Want wie werkelijk zo gezind is dat God geheel zijn leven is, dat hij geen andere goden naast Hem heeft, maar God, zijn Heere inderdaad en in waarheid boven alle dingen vreest, bemint en Hem vertrouwt, voor die heeft de overgave van al het overige, wat hij op aarde het zijne noemt, geen moeilijkheid, zodra die op de weg van zijn plicht ligt en hem wordt opgelegd van een kant die daartoe recht en macht heeft. Dit recht en deze macht heeft Jezus: de jongeling zelf heeft ze Hem toegekend door Zijn aanspraak en zijn vraag: wat kan hem in het volbrengen van de hem gegeven raad verhinderen, dan alleen de voor hem verborgen en, zonder dat hij het weet of bedoelt, de hem nog beheersende grotere liefde tot zijn goed? dan een hangen aan zijn tijdelijke bezitting, die hij zich tot op dit uur niet helder bewust was, maar toch voldoende zijn roem: “al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af” weerlegt en tot schande maakt? Ja, zijn roem gaat te niet; want al had hij ook alles gehouden, dan had toch niet de zuivere liefde voor God hem daartoe gedreven, dan had hij toch niet alleen God daarin gediend, maar daarbij altijd zijn eigen belang op het oog gehad; zo was toch niet het eeuwige leven het doel van zijn proberen geweest, maar dit zoeken zou steeds zijn voorwaarde hebben gehad in het stilzwijgend voorbehoud, ook het tijdelijke naar eigen lust te genieten; ja, als het op de proef komt dan is het tijdelijke hem toch liever en dringt dat het verlangen naar het eeuwige op de achtergrond. In den rijke jongeling zien wij het beeld van een mens, die het eeuwige leven zoekt en toch den weg daarheen niet vindt.
En toen de rijke jongeling heenging (vs. 22) zag Jezus rondom, zoals hij vaker deed wanneer Hij een gewichtig, veel betekenend woord wilde spreken (Hoofdstuk 3: 34) en zei tot Zijn discipelen: a) Hoe moeilijk zullen degenen, die bezithebben, in het koninkrijk van God inkomen!
Spr. 11: 28.
En de discipelen werden verbaasd over deze woorden. Niets toch scheen hen nog onoverwonnen vleselijke verwachtingen over het rijk van God meer tegen te staan danzo?n uitsluiting juist van die klasse van mensen, van wie het gewicht en medewerking zij zich het meest beloofden. Maar Jezus antwoordd e weer en zei tot hen: Kinderen! 1) Hoe zwaar is het voor degenen, die op het bezit hun vertrouwen zetten om in het koninkrijk van God in te gaan!
Met deze aanspraak wil de Heere te kennen geven dat Hij tot degenen sprak die door Zijn nu volgend woord niet meer onmiddellijk getroffen werden; desalniettemin is de schildering van de moeilijkheid, die Hij vervolgens geeft, zo sterk, dat de discipelen daaruit het besluit trekken dat, omdat iedereen meer of minder aan enig natuurlijk goed gehecht is, evenals de rijken aan hun rijkdom, het zeer weinigen moesten zijn of misschien wel geen, aan wie de zaligheid ten deel wordt. Jezus billijkt dat besluit bij de veronderstelling, dat de mens bij het zoeken naar zaligheid aan zichzelf blijft overgelaten. Omdat echter God zelf de zaligheid uitwerkt en de mens daarmee in betrekking brengt, zo is het van deze kant ook voor de rijken mogelijk om gered te worden.
Het is makkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om het koninkrijk van God in te gaan.
Wanneer de Verlosser tot verklaring zegt dat de rijken degenen zijn die hun vertrouwen op hun rijkdom stellen, dan komen ook de armen, zoals zij van nature zijn, moeilijk in het Koninkrijk der hemelen; deze vertrouwen toch al te zeer op het geld dat zij nog niet hebben, terwijl er rijken zijn die niet op hun rijkdom vertrouwen, bijvoorbeeld Abraham en Jozef van Arimathea. Het is dus de lust die zich naar geld en goed richt, waarover hier wordt gesproken, de mens mag het hebben of niet, rijk zijn of rijk willen worden (niet zozeer degene is rijk die veel bezit, maar degene die door veel bezeten wordt). Die gezindheid maakt het ingaan moeilijk, ja onmogelijk. Daarentegen eist de Heere tot het zalig worden de gezindheid van zelf- en wereld verloochening; en de eis treft allen hard, omdat op geld en goed het hart alle dagen, al omwille van het lieve brood, gesteld wordt.
En zij werden nog meer verslagen en zeiden tot elkaar: Wie kan dan zalig worden? Gij maakt de ingang in het rijk Gods zo nauw, dat eigenlijk niemand daardoor kan gaan.
Jezus zag hen echter aan en zei: Bij de mensen is het onmogelijk dat iemand, wie hij ook zij, zalig wordt, maar niet bij God: a) want alle dingen zijn mogelijk bij God (Luk. 1: 37). Men hoeft zich slechts zonder tegenstand Hem over te geven en Zijn werk aan zich te laten gebeuren, dan kan ook een rijke, die dat doet, het eeuwige leven beerven.
Job 42: 2. Jer. 32: 17. Zach. 8: 6.
Wat voor u onmogelijk is in die gewichtige zaken wil God door Zijn kracht in u mogelijk maken. Hij eist niets van u, van uw eigen werken, uit uw eigen macht – u moet alleen rusten in Hem. Hij weet wel dat u zelf niets goeds teweeg kunt brengen, u moet ook alleen een leeg hart tot Hem brengen, dat niets dan genade wil. Zo vult Hij alles aan en werkt alles zelf, wat men niet zelf kan. Dat is de aard van de kinderen die het rijk van God zullen be?rven: ootmoedig te zijn, klein van zichzelf te denken, Gods gave gewillig aan te nemen, de hoogmoed, de eergierigheid af te leggen, die zelf iets voor God wil betekenen en Hem daardoor verhindert uit niets iets te maken. Tot die kinderlijke zin moeten wij bekeerd worden.
a) En Petrus gaf aan het gesprek een andere wending, omdat hij wilde weten, hoe het met die schat in de hemel zou gaan, die de Heere de jongeling had voorgesteld als deze aan Zijn eis gehoor zou geven (vs. 21). Hij begon tot Hem te zeggen: Zie, wij, Uw twaalf discipelen, hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, wat zal ons daarvoor in Uw rijk gegeven worden?
MATTHEUS. 4: 20. Luk. 5: 11.
En Jezus antwoordde en zei, voorbijgaande aan hetgeen Hij de twaalf in hun verhouding tot Isra?l nog in het bijzonder beloofde (MATTHEUS. 19: 28) en de belofte toepassende op allen die in latere tijden zoals zij zouden doen: Voorwaar zeg Ik u: er is niemand, die huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten heeft omwille van Mij en het evangelie (Hoofdstuk 8: 35).
Of hij ontvangt honderdvoud nu in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers met (d. i. te midden van) de vervolgingen, die hem nog van alles beroven wat hij niet zelf verlaten heeft, of uitwendig wegnemen, waarvan hij inwendig al afstand deed (vs. 29) en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
Maar vele eersten van degenen die tot het eeuwige leven geroepen zijn, zullen, ten opzichte van hetgeen zij aan het einde krijgen, de laatsten zijn en omgekeerd zullen velen, die de laatsten zijn wat hun roeping aangaat, de eersten zijn ten opzichte van hetgeen zij ontvangen. Daarom behoren de eerstgeroepenen er wel voor te waken dat zij zich niet verheffen boven anderen, terwijl de later geroepenen geen reden hebben zich te beklagen over hun latere roeping.
Het voor ons liggende gedeelte van het gesprek dient niet zozeer, zoals op het eerste gezicht zou kunnen lijken, om tegenover het gedrag van de rijke jongeling dat van de apostelen in een gunstig licht te stellen en om hun hoofd de krans van roem te vlechten. Het heeft integendeel ten doel om tegenover de zwaren eis tot het verlaten van alle goederen in de dienst van Jezus, het evenwicht te herstellen door nader te spreken over de inhoud van de belofte die met de eis verbonden is en de bijzondere grootte daarvan te doen kennen. Zoals wij al bij Matthe?s hebben aangewezen, komt hier weer het karakter van de beide Evangeli?n van Markus en van Lukas, wat hun bestemming voor de gelovigen uit de heidenen aangaat, zeer duidelijk voor de dag. Zij hebben dat gedeelte van Jezus? antwoord, dat in het bijzonder de apostelen aangaat en op de “wedergeboorte” of de herstelling van het duizendjarig rijk ziet, weggelaten, omdat het duizendjarig rijk alleen een vervulling van in het bijzonder aan Isra?l gegeven beloften is en de verwezenlijking van toestanden zoals de profeten die voor die tijd van de terugkomst van hun volk hadden aangekondigd. In die vervulling en verwezenlijking hebben echter de gelovigen uit de heidenen geen onmiddellijk en vol aandeel, voor wie dan ook het begrijpen van de profetie?n die daarop betrekking hebben gesloten is gebleven en pas nu de vervulling van het voorzegde met snelle stappen vordert, enigermate helder begint te worden. Terwijl echter Markus en Lukas datgene wat voor Matthe?s omwille van Isra?l van bijzondere betekenis was, terzijde hebben gelaten, heeft daarentegen Markus datgene wat Matthe?s en ook Lukas in zijn hoofdpunten aanvoerde met alle nauwkeurigheid bericht en in bijzonderheden meegedeeld, waarop het honderd – of veelvuldig weer ontvangen van het verlaten nog “nu in deze tijd” betrekking heeft en in welke zin het moet worden verstaan. Plaatsen wij eerst onder a bij elkaar wat iemand omwille van het Evangelie verlaat en dan onder b wat hij daarvoor honderdvoudig ontvangen zal, dan krijgen wij: a. huis, broeders, zusters, vader, moeder, vrouw, kinderen, akkers. b. huizen, broeders, zusters, moeders, kinderen, akkers. Zo is de kanttekening van Luther nu juist: “Die gelooft moet vervolging lijden en alles er voor afstaan; toch heeft hij genoeg; waar hij komt, vindt hij vader, moeder, broeders, goederen, meer dan hij ooit kon verlaten”; juist de vaders zijn onder b weggelaten, zo ook de vrouwen. Hier wordt duidelijk gezien op een geestelijk weer ontvangen; daarom zijn onder die personen de broeders en zusters vooropgesteld als de verwantschap die het meest algemeen op de voorgrond treedt, en alle deelgenoten van hetzelfde heil in Christus omvat. (Hand. 9: 17; 11: 29. Rom. 14: 10 vv. 1 Kor. 6: 5 v. ; 7: 15. Filippenzen . 1: 14. Jak. 2: 15 enz. ). Voor “kinderen” dient tot verklaring de betrekking die Paulus tot de Korinthi?rs en tot Timothe?s inneemt in 1 Kor. 4: 14 , evenals die van Petrus tot Markus in 1 Petr. 5: 13;
Vergelijk bij “moeders” Rom. 16: 13 en bij alle uitdrukkingen tezamen het eigen woord van de Heere in vs. 24 en Hoofdstuk 3: 34 v. Zoals nu de vrouw buiten beschouwing blijft, omdat dit geen overbrenging op geestelijk gebied duldt, zo wordt het “vader” hoewel een overbrenging alleszins gepast is (1 Kor. 4: 15) evenwel weggelaten met het oog op hetgeen de Heere in MATTHEUS. 23: 9 zegt. Wat de zaken of goederen aangaat, die de personen van voren en achteren insluiten, zo denkt men bij “huizen” aan de huizen van gastvrienden of broeders (Rom. 12: 13. 1 Petrus . 4: 9. Hebr. 13: 2) en bij “akkers” aan de gemeenschap van goederen onder de eerste Christenen (Hand. 2: 45; 4: 36 v. ) en aan de collecten of giften, waarmee de gemeenten elkaar wederkerig ondersteunden (Hand. 11: 29 v. 2 Kor. 8: 1 vv. 9: 1 vv. ), maar ook geestelijk aan nieuwe arbeidsvelden in de dienst van de kerk. Wanneer er wordt bijgevoegd: “met vervolgingen” dan is dat moeilijk te nemen als iets dat nog daarbij komt (“vervolgingen het beste, dat men verkrijgt” P. Lange), maar de uitdrukking moet worden verklaard zoals boven is aangegeven. Daardoor moet worden gezegd dat de nieuwe bezittingen, van welke zo even sprake was, niet door vervolgingen kunnen worden ontroofd. Zij vergezellen de mens door de vervolgingen heen en duren tot in de hele toekomst, zelfs wanneer men niet meer in de wereld is. Klostermann merkt zeer juist op dat de voorstelling van het weer te ontvangen in deze wereld duidelijk gegeven is uit het bewustzijn van iemand die in de zegeningen die hem uit zijn zelfverloochenend belijden van Jezus zouden toekomen, weet en ziet dat zij rijkelijk en overvloedig opwogen tegen hetgeen hij verlaten heeft. Bij de slotzin vs. 31 heeft Markus weer de algemeen toepasselijke zin op het oog, zoals ook Lukas (13: 30) duidelijk is. De bijzondere bedoeling voor de apostelen en de met hen gelijkgestelden van de laatsten tijd heeft voor de heiden-Christenen geen onmiddellijke, henzelf aangaande betekenis, waarom hij ook de gelijkenis die tot opheldering dient van het gezegde naar die kant, welke in MATTHEUS. 20: 1-16 er wordt bijgevoegd, niet aanvoert. Deze weglating dient tot een feitelijk bewijs dat wij die gelijkenis vroeger 20: 7) en 20: 15) juist hebben verklaard, zoals ook weer de mogelijkheid van een juiste en met de samenhang overeenkomstige verklaring van die zo moeilijke gelijkenis de juistheid van onze opvatting van de Openbaring van Johannes waarborgt, zoals wij die al vaak met een enkel woord gaven.
IV. Vs. 32-45.KruisverwijzingenLukas 12:50→Handelingen 12:2→Openbaring 1:9→Mattheüs 20:17→Mattheüs 27:2→Mattheüs 26:67→Markus 14:65→Lukas 9:51→
— En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden; Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren; En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan. En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen. En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe? En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter hand, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid. Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word? En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word; Maar het zitten tot Mijn rechter hand en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is. En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.
De tot hiertoe behandelde drie stukken van onze groep verhalen gingen allen over het huisgezin, het eerste over de echt, het tweede over de kinderen, het derde over de wereldse bezittingen. Tot dit drievoudig onderricht van de Heere met de geschiedkundige aanleiding, hebben de beide eerste Evangelisten (want de gelijkenis bij Mattheus 20: 1-16 is alleen een nadere opheldering van het woord in MATTHEUS. 19: 30 vv. en behoort werkelijk tot het onderricht) bij hun voorstelling van Zijn werkzaamheid in Perea zich bepaald, terwijl de derde evangelist juist deze werkzaamheid tot het voorname punt van zijn voorstelling gemaakt heeft. Nu gaat de Heere uit Perea over de Jordaan naar Jericho; want de tijd is nu gekomen dat Hij naar Jeruzalem gaat om te lijden en te sterven. Wij nemen de aankondiging van het lijden bij het gaan van Jericho en de bede van de zonen van Zach?us tot een beeld tezamen.
a) En zij waren op weg naar Jeruzalem. Zij kwamen op deze weg, die zij in vs. 17 naar de stad Livias waren ingeslagen, op een punt waarop het de discipelen duidelijk werd dat die reis naar Jeruzalem ging. En Jezus ging voor hen, zoals een veldheer de zijnen voorgaat wanneer hij hen in de slag leidt. Dit versterkte hen nog meer in de overtuiging dat Hij de bepaalde bedoeling had om nu tot volvoering te laten komen wat Hij in Hoofdst. 8: 31; 9: 12 en 31 had voorzegd. En zij waren verbaasd, zij waren vervuld met het voorgevoel van de ernstige, moeilijke toekomst, die zij nu tegemoet werden geleid; een groot getal bleef daarom al treuzelend achter. Slechts enigen bleven bij Hem, volgde Hem en waren bevreesd, zij gingen in grote angst mee. En Hij stond stil om de twaalf weer tot Zich te nemen, om Zijn twaalf discipelen bij elkaar te doen komen en begon hen de dingen te zeggen die Hem zouden overkomen.
MATTHEUS. 16: 21; 17: 22. Mark. 8: 31; 9: 31. Luk. 9: 22; 24: 7.
En Hij zei: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren.
En zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden en op de derde dag zal Hij weer opstaan (vgl. bij Matth. 20: 19).
“Hij zegt hen niets meer dan over de opstanding, omdat Hij hen dan alles weer verklaren zal. Tot die tijd zegt Hij hen alles vooraf, opdat zij gedurende het lijden hun geloof behouden en niet op enig punt tot de wanhopige gedachte zouden komen dat het nu met Hem gedaan was. “
En tot Hem kwamen, dadelijk nadat de Heere in de zo even medegedeelte rede aan de discipelen de toekomst bekend had gemaakt die zij nu tegemoet gingen, Jakobus en Johannes, de zonen van Zebede?s, geleid door hun moeder Salomo, die voorhen sprak en nu weer tot Jezus was gekomen, zeggende: Meester! wij zouden willen dat Gij het volgende voor ons doet.
En Hij zei tot hen, opdat het openbaar zou worden wat zij wilden, hoewel Hij het al wist: Wat wilt u dat Ik voor u doe?
En zij zeiden tot Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter- en de ander aan Uw linkerhand in Uw heerlijkheid, wanneer Gij in Uw koninkrijk gekomen zult zijn.
De twee zonen van Zebede?s zijn Johannes, de Evangelist en de grote St. Jakob; deze waren de naaste vrienden van de Heere, daarom wilden zij bij Hem iets bijzonders zijn. Nu hadden zij vaak van Hem gehoord dat Hij een Koning was en een rijk zou hebben, wat zij als goede ontwikkelde mensen als een werelds rijk hadden begrepen. Daarom doen zij ook een goede slag, zij zijn echt moedige vissers; zij denken dat zij er snel bij moeten zijn v??r anderen komen en hen de eer ontnemen; zij denken er nu over hoe zij de anderen zullen voorkomen en het eerst er bij zullen zijn. Om dit echter soepel te laten gaan bespreken zij het met hun moeder, om de zaak te volvoeren. Zij dachten: wanneer wij niet goed handelen zal Hij zeggen dat de moeder als een vrouw dwaas gehandeld heeft en wanneer het lukt dan hebben zij de eer. Maar Hij zal het hun moeder niet licht kunnen afslaan, zoals gewoonlijk de vrouwen gemakkelijker iets kunnen verkrijgen dan de mannen; want zij kunnen het zo goed overleggen. Zij gaan heen, de moeder en de zonen en doen de bede: “Laat ons zitten enz. “
Maar Jezus zei tot hen: U weet niet wat u verlangt. Kunt u gewillig al het bittere aannemen dat u zal worden toegedeeld, de drinkbeker drinken die Ik drink en door u geheel over te geven tot het lijden van de dood met de doopgedoopt worden, a) waarmee Ik gedoopt wordt?
Luk. 12: 50.
Ach hoe vaak is dat ook waar van bidden voor ons en de onzen? Hoeveel dwaasheid, ijdelheid, vleselijke gezindheid vermengt zich met onze wensen en gebeden! Hoe vaak is het vergif, dat wij met sterk handenwringen willen afbidden en afsmeken van de Vader in de hemel! Hoeveel vaders, die dit of dat schijnbaar geluk voor zijn kind hebben afgedwongen, hebben later, nadat zij hun kind ongelukkig zagen, met smart erkend: ik wist niet wat ik deed! Hoeveel moeders, die het leven van haar zieke lieveling in het gebed als het ware afgedwongen hebben, spraken na jaren met zuchten: ik wist niet wat ik bad; als u toen gestorven was, was u onschuldig gestorven, u was gelukkig heengegaan, nu leeft u, maar u leeft mij tot schande! “U weet niet wat u verlangt, ” dat heeft vooral betrekking van alle wensen van de ijdelheid, van de grootsheid, van de eergierigheid. Rijkdom, roem en eer wilt u voor uzelf en de uwen; maar vergeet niet: hoe hoger men staat, hoe dieper men vallen kan; hoe groter de waardigheid, des te groter de verantwoording; hoe groter de bezitting, des te groter de zorg!
En zij konden nog niet in zijn hele omvang weten wat zij op zich zouden nemen, maar toch wilden zij al als jeugdige adelaars de vleugels uitslaan en als toekomstige leeuwen hun moed openbaren. Zij zeiden tot Hem: Dat kunnen wij. Jezus zei echter tot hen: De drinkbeker die Ik drink, zult u wel drinken en met de doop gedoopt worden, waar Ik mee gedoopt wordt;
Maar het zitten aan Mijn rechter- en Mijn linkerhand is niet aan mij, maar het zal gegeven worden aan degene die Mijn vader wil.
U denkt er over hoe u tot grote eer zult komen; dat zal vanzelf komen: de troon waarop u zult zitten is allang gemaakt; zie alleen toe hoe u daartoe mag komen; maar u zult er op dezelfde manier toe komen als Ik er toe komen zal.
De toedeling van de eer waar zij om gevraagd hadden, was niet de zaak van een bijzondere gunst die de Zoon naar willekeur kon schenken; zij behoorde ook niet tot Zijn ambt zolang Hij nog in de staat van de vernedering was; zij hing af van Gods heilige wil en van Zijn raadsbesluit, dat pas op de dag van het oordeel zou worden volvoerd. Dan zal de Zoon eer en heerlijkheid toedelen aan degenen die door de Vader daartoe verordend en bereid zijn.
En toen de andere tien, de medeapostelen, dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen dat zij zich als het hoogste in het rijk van Christus beschouwden.
Maar Jezus wilde het ontstaan van ergernis in zijn meteen teniet doen, riep hen tot Zich en zei tot hen: U weet dat degenen, die geacht worden oversten te zijn van de volken, degenen, die in de regering zijn, zonder nader onderscheid hoe zij daartoe gekomen zijn, heerschappij voeren over hen, over de hun onderworpen volken, die ook genoodzaakt zijn onder hun scepter te buigen en hun groten, de magnaten van deze vorsten, gebruiken macht over hen die hen de vorstelijke gunst of willekeur heeft toegedeeld.
a) Onder u zal het echter niet zo zijn dat u daarom boven anderen verhoogd zou willen worden om hen dan uw heerschappij te laten voelen, maar wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn.
1 Petrus . 5: 3.
En wie van u de eerste zal willen worden, die zal ieders dienstknecht zijn (Hoofdstuk 9: 35).
Want ook de Zoon des mensen, uw Meester en Heer, aan wie u gelijkvormig behoort te zijn, is niet gekomen a) om gediend te worden, maar om te dienen en om dat in de volste en rijkste mate te doen, om b) Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
Joh. 13: 14. Filippenzen . 2: 7. b)Efeze 1: 7. Kol. 1: 14. 1 Tim. 2: 6. Tit. 2: 14.
Dat de wereldlijke vorsten heersen en de machtigen onder hen macht bezitten, daarin wil Ik niet ingrijpen, want God heeft het zo beschikt en dus moet het zo zijn; maar u goede mensen, meent u dat ook Ik zulk een bestuur wil voeren en instellen? Dat is vroeger gesticht en geregeld, daarom ben Ik niet hier, maar Ik ben gekomen om ieder te dienen; en in Mijn rijk moet het dus zo gaan: wie een groot Heer wil zijn, die moet veel, veel dienen en wie tot grote eer wil komen, die moet ieders knecht zijn, dan gaat het goed. Als iemand grote macht en
heerlijkheid zou hebben, dan zou Ik die met recht boven alle anderen hebben omdat Ik Gods Zoon ben en dit bevel meebreng, dat Ik de mensen het Godsrijk aanwijs. Maar dat bevel en dat ambt heb Ik daartoe niet nodig, dat Ik daardoor groot en machtig wordt. Ik dien en dien met Mijn lichaam en leven, dat Ik daardoor voor de zonde betaal. Leer dus u in uw roeping te schikken; laat de duivel u niet verleiden, alsof Mijn rijk een rijk van de wereld was.
V. Vs. 46-52.KruisverwijzingenMattheüs 9:22→Mattheüs 20:29→Mattheüs 9:27→Johannes 9:8→Lukas 18:35→Lukas 18:36→Markus 1:24→Mattheüs 19:13→
— En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende. En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner. En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner. En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u. En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.
Van de beide genezingen van blinden, die Jezus te Jericho verrichtte, de ene v??r de ingang in de stad, de andere bij het uitgaan, bericht Markus de tweede, waarbij hij niet alleen naam en afkomst van de man vermeldt, maar ook de bijzondere omstandigheden in schilderachtige trekken onder de aandacht plaatst. Daarentegen is hij in de beschrijving van de manier waarop de Heere de blinden geneest, zeer eenvoudig. Hij spreekt in helemaal niet over het aanraken van de ogen en legt des te meer gewicht op de getuigenis van het geloof. Het is alsof hij voorzag, dat men te Rome eens omgekeerd zou handelen en met veel uitwendige manipulaties, maar zo veel te minder met het levend geloof van het hart te doen zou hebben. Nu wilde hij in Petrus naam tegen zo?n vernietigen van de juiste verhouding protesteren.
En zij kwamen, na zich bij Quarantania aan een gezelschap van feestreizigers te hebben aangesloten, te Jericho, waar dadelijk bij het ingaan van de stad een blinde hen tegemoet kwam (Luk. 18: 35 vv. ). En toen Hij, de Heere met Zijn discipelen en een grote menigte uit Jericho ging, zat de zoon van Time?s (= eerwaardig), Bartime?s de blinde, bedelend aan de weg.
Bartime?s is eigenlijk al “zoon van Time?s”, maar is zozeer tot eigen naam van de bedelaar geworden dat de bijvoeging “zoon van Time?s” niet als overzetting, maar als opzettelijk daarbij gevoegde nadere aanwijzing beschouwd moet worden.
Die nauwkeurige opgaaf van de persoon is hetzelfde als die in Hoofdst. 15: 21 , dat Simon van Cyrene de vader van Alexander en Rufus was.
Timeus was waarschijnlijk later een bekend Christen.
Deze vroeg aan de mensen wat de grote optocht betekende, waarvan hij het gedruis vernam, hoorde dat het Jezus de Nazarener was, die als in een koninklijke optocht voorbij ging en begon, door de Geest van God aangegrepen, te roepen en te zeggen: Jezus, gij Zoon van David! ontferm U over mij.
En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou en de feesttrein niet door zijn geschreeuw zou storen, maar hij riep des te meer: Gij Zoon van David! ontferm U over mij.
Een groot geloof is het, dat de blinde Hem Davids Zoon noemt, van wie de mensen hem hadden gezegd, dat het Jezus van Nazareth was.
Het was natuurlijk dat degenen die Christus omringden bij de gedachte aan het begin van Zijn Koninkrijk zich tevens aan de voorstelling overgaven dat nu de gewoonten van het hof en hierarchische orde vereist werden, maar ook natuurlijk, dat de ontferming van Jezus die nevel deed wijken. Hier vertoont zich een beeld van de tegenstelling tussen de hi?rarchische en de evangelische gemeente. Daar worden de ellendigen en armen gedreigd om te zwijgen, wanneer zij de Heere onmiddellijk aanroepen; hier is het: “Heb goede moed, sta op, Hij roept u. “
En Jezus stond stil toen Hij openlijk voor al het volk het geroep: Zoon van David hoorde, dat Hij eerst opzettelijk niet gehoord had (MATTHEUS. 9: 27 vv. ), zei dat men hem roepen zou en zij riepen de blinde en zeiden tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u.
Het gedruis heeft de blinde opmerkzaam gemaakt; de vele medelopers in de gemeente kunnen de ellendige wel niet helpen, toch wekken zij zijn verwachting op; hij leert door hen dat de hulp nabij is. Heeft hij ook niets aan de grote trein, zo is toch de Heere in die trein en deze Heere, de Zoon van David, roept hij aan om ontferming. De medelopers, ver van hem te helpen, willen hem zelfs afschrikken; zij willen niet hebben, dat de bedelaar iets bijzonders verlangt; hij moet de Koning in Zijn zegetocht niet hinderen; er moet geen sterker verlangen naar redding zijn dan dat in de grote menigte. Maar laat zich het geloof door die tegenstand uitwissen? Het ware geloof nooit, de tegenstand wekt dat op, het wordt van het zien op mensen vrij, het roept des te luider tot de Heere om ontferming en later vallen ook de mensen hem toe wanneer zij gewaar worden wat voor een andere Helper de Heere is dan alle mensen. Want hoewel Hij op reis is naar Jeruzalem en zonder Zijn groot doel uit het oog te verliezen, is het Hem toch niet te gering om terwille van ??n ongelukkige stil te staan.
En hij vergat zijn blindheid in de grote vreugde geheel. Hij wierp Zijn mantel af om bij het lopen hierdoor niet te worden belemmerd, stond op en kwam tot Jezus, zonder dat iemand hem leidde.
En Jezus antwoordde Hem: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En de blinde zei tot Hem: Rabboni!, dat ik ziende mag worden.
En Jezus zei tot hem: Ga heen, a) uw geloof heeft u behouden. En meteen hij ziende en volgde Jezus op de verdere weg.
MATTHEUS. 9: 22. Mark. 5: 34.
Het was een koninklijke optocht, waarvan het gedruis zelfs de opmerkzaamheid van de blinde opwekte; en hij, de blinde, die Hem niet zag, misschien omdat hij Hem niet zag, riep Hem, terwijl het volk, dat Hem zag, alleen de man van Nazareth zag; hij riep Hem alleen op grond van hetgeen hij gehoord had, als een Koning aan en begroette Hem als Zoon van David. Toen hij ondanks veel verwijten in zijn roepen volhardde, betoonde hij daardoor zijn vertrouwen, dat Jezus barmhartiger zou zijn en zijn roepen anders zou opnemen dan zij, die in Zijn gevolg waren en hem terughielden. Daarom blijft Jezus staan en het vertrouwen van de blinde wordt gerechtvaardigd, omdat juist zij hem de verhoring van zijn roepen verzekeren, die hem daarvan hadden willen terughouden, als was het te vergeefs. De vreugde, die uit zijn haasten bleek, was een bewijs dat zijn roepen een geloof van grotere verwachting veronderstelde dan de bede om een gewone aalmoes. Alleen daarom dan vroeg Jezus, opdat openbaar zou worden in welke mate hij van Hem ontferming verwachtte en terwijl Hij vervolgens doet wat de blinde begeerd had, in het geloof, dat Hij de beloofde Koning was, gaf Jezus aan dit geloof een heerlijk getuigenis. Het is opmerkelijk dat de blinde het herkregen vermogen om zelfstandig te kunnen gaan, tot niets anders bezigt dan dat hij Jezus op Zijn weg volgde, hoewel de aanblik die Hij nu had misschien zijn verwachting tegensprak.
Markus slaat de geschiedenis van, die hierop volgt, over. Het lag in de hoofdgedachte van het Lukas-evangelie dat de begenadiging van de rijke tollenaar niet mocht ontbreken. Mattheus en Markus zijn er echter te zeer op bedacht om deze grote feesttocht te schilderen, dan dat zij ook, behalve de genezing van de blinde, nog dit geval zouden mededelen en er bij zouden kunnen stilstaan. Mattheus wilde ook uit bescheidenheid de herhaalde begenadiging van tollenaars niet op de voorgrond stellen; Markus vermeed misschien voor de Romeinse Christenen een nieuwe herinnering aan de haat van de Joden tegen Rome.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel