Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En het geschieddeG1096opG1722 den tweeden eerstenG1207sabbatG4521, dat HijG846 door het gezaaideG4702 ging; en Zijn discipelenG3101pluktenG5089arenG4719, en atenG2068 ze, die wrijvendeG5597 met de handenG5495.En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
KJVAnd2it came to pass1on3the second5sabbath4after the first,that he7went6through8the corn fields;10and11his15disciples14plucked12the ears of corn,17and18did eat,19rubbing20them in their hands.
1εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)4σαββατωG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week5δευτεροπρωτωG1207tweeden eerstensecond … after the first6διαπορευεσθαιG1279doorreisden, doorreizen, reisdego through, journey in, pass by7αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8διαG1223door, om, vanwegeafter, always, among, at, to avoid, because of (that), briefly, by, for (cause) … fore, from, in, by occasion of, of, by reason of, for sake, that, thereby, therefore, X though, through(-out), to, wherefore, with (-in)9τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10σποριμωνG4702gezaaidecorn(-field)11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12ετιλλονG5089plukken, pluktenpluck13οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14μαθηταιG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple15αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which16τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17σταχυαςG4719aren, aarear (of corn)18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19ησθιονG2068eet, eten, atendevour, eat, live20ψωχοντεςG5597wrijvenderub21ταιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22χερσινG5495handen, handhand
2En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2EnG1161sommigenG5100 der FarizeenG5330zeidenG2036 tot henG846: WaaromG5101doetG4160 gij, wat nietG3756geoorloofdG1832 is te doenG4160opG1722 de sabbattenG4521?En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
KJVAnd2certain1of the Pharisees4saidunto them,6Why7do ye8that which9is11not10lawfulto do12on13the sabbath days?
1τινεςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4φαρισαιωνG5330Farizeen, Farizeer, FarizeersPharisee5ειπονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why8ποιειτεG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield9οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc10ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but11εξεστινG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)12ποιεινG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield13ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)14τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15σαββασινG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
3En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En JezusG2424, hunG846antwoordendeG611, zeideG2036: Hebt gij ook dat niet gelezenG314, hetwelkG3739DavidG1138deedG4160, wanneer hemG846hongerdeG3983, enG2532 dengenen, die metG3326hemG846warenG1510?En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
Ook in dit vers
totG4314
KJVAnd1Jesus7answering2them3said,Have ye10not8readso much asthis,what11David13did,12when14himself4was an hungred,15and17they which6werewith19him;
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αποκριθειςG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer3προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)4αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus8ουδεG3761ook niet, nochneither (indeed), never, no (more, nor, not), nor (yet), (also, even, then) not (even, so much as), + nothing, so much as9τουτοG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who10ανεγνωτεG314gelezen, leest, lezenread11οG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc12εποιησενG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield13δαβιδG1138David, DavidsDavid14οποτεG3698when15επεινασενG3983hongerde, hongerig, hongerenbe an hungered16αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which17καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet18οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)20αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which21οντεςG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4HoeG5613 hij ingegaanG1525 is inG1519 het huisG3624GodsG2316, enG2532 de toonbrodenG740genomenG2983enG2532gegetenG5315 heeft, enG2532ookG2532gegevenG1325 dengenen, die metG3326hemG846 waren, welkeG3739 niet zijn geoorloofdG1832 te etenG5315, dan alleen den priesterenG2409.Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.
KJVHow1he went2into3the house5of God,7and8did take13and14eat15the shewbread,10and16gave17also18to them that were with20him;21which22it is24not23lawfulto eat25but forthe priests30alone?
1ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed2εισηλθενG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)3ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with4τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5οικονG3624huis, huize, huizenhome, house(-hold), temple6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10αρτουςG740brood, broden, Brood(shew-)bread, loaf11τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12προθεσεωςG4286voornemen, toonbrodenpurpose, shew(-bread)13ελαβενG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15εφαγενG5315eten, gegeten, eeteat, meat16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17εδωκενG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)21αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which22ουςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc23ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but24εξεστινG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)25φαγεινG5315eten, gegeten, eeteat, meat26ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether27μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without28μονουςG3441alleen, enigalone, only, by themselves29τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc30ιερειςG2409priester, priesters, priesteren(high) priest
5En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5EnG2532 Hij zeideG3004 tot henG846: De ZoonG5207 des mensenG444isG1510 een HeereG2962ookG2532 van den sabbatG4521.En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
KJVAnd1he said2unto them,3That4the Son8of man10isLord5also11of the sabbath.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter3αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why5κυριοςG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir6εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was7οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8υιοςG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son9τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ανθρωπουG444mensen, mens, Menscertain, man11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13σαββατουG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week
6En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En het geschieddeG1096ookG2532 op een anderen sabbatG4521, dat HijG846 in de synagogeG4864 ging, en leerdeG1321. En daar was een mensG444, en zijnG1510rechterhandG1188 was dorG3584.En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.
KJVAnd2it came to pass1also3on4another5sabbath,6that he8entered7into9the synagogue11and12taught:13and14there16wasa man17whose18right23hand20waswithered.
1εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet4ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)5ετερωG2087ander, anders, zoekealtered, else, next (day), one, (an-)other, some, strange6σαββατωG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week7εισελθεινG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)8αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which9ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with10τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11συναγωγηνG4864synagoge, synagogen, vergaderingassembly, congregation, synagogue12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13διδασκεινG1321lerende, leerde, lerenteach14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was16εκειG1563daar, aldaarthere, thither(-ward), (to) yonder (place)17ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20χειρG5495handen, handhand21αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which22ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23δεξιαG1188rechter, rechterhand, rechter-right (hand, side)24ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was25ξηραG3584dorre, dor, drogedry land, withered
7En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En de SchriftgeleerdenG1122 en de FarizeenG5330namenG3906 Hem waar, ofG1487 Hij opG1722 den sabbatG4521genezenG2323 zou; opdatG2443 zij enige beschuldigingG2724 tegen Hem mochten vindenG2147.En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
KJVAnd2the scribes5and6Pharisees8watched1him,3whether9he would heal13on10the sabbath day;12that14they might find15an accusation16against him.
1παρετηρουνG3906namen, bewaarden, onderhoudtobserve, watch2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5γραμματειςG1122Schriftgeleerden, Schriftgeleerde, schriftgeleerdescribe, town-clerk6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8φαρισαιοιG5330Farizeen, Farizeer, FarizeersPharisee9ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether10ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)11τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12σαββατωG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week13θεραπευσειG2323genezen, genas, genezendecure, heal, worship14ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to15ευρωσινG2147gevonden, vinden, vondenfind, get, obtain, perceive, see16κατηγοριανG2724beschuldigingaccusation (X -ed)17αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
8Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8DochG1161 Hij kendeG1492 hun gedachtenG1261, en zeideG2036 tot den mensG444, die de dorreG3584handG5495hadG2192: RijsG1453 op, en staG2476inG1519 het middenG3319. En hij opgestaanG450 zijnde, stondG2476 overeind.Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.
KJVBut2he1knew3their6thoughts,5and7saidto the man10which4had13the withered12hand,15Rise up,16and17stand forth18in19the midst.21And23he arose24and stood forth.
1αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ηδειG1492weet, zag, ziendebe aware, behold, X can (+ not tell), consider, (have) know(-ledge), look (on), perceive, see, be sure, tell, understand, wish, wot4τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5διαλογισμουςG1261overleggingen, gedachten, overleggingdispute, doubtful(-ing), imagination, reasoning, thought6αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter9τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man11τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12ξηρανG3584dorre, dor, drogedry land, withered13εχοντιG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use14τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15χειραG5495handen, handhand16εγειραιG1453opgewekt, opgestaan, Staawake, lift (up), raise (again, up), rear up, (a-)rise (again, up), stand, take up17καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet18στηθιG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)19ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with20τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21μεσονG3319midden, middernachtamong, X before them, between, + forth, mid(-day, -night), midst, way22οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)24ανασταςG450stond, opgestaan, opstaanarise, lift up, raise up (again), rise (again), stand up(-right)25εστηG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
9Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9ZoG3767zeideG2036 dan JezusG2424totG4314henG846: Ik zal uG4771vragenG1905: WatG5101 is geoorloofdG1832 op de sabbattenG4521, goedG15 te doen, ofG2228kwaadG2554 te doen, een mensG5590 te behoudenG4982, ofG2228 te verdervenG622?Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?
KJVThen2saidJesus4unto5them,6I will ask7youone thing;10Is it lawful14on the sabbath days16to do good,17or18to do evil?19to save21life,20or22to destroy
1ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4ιησουςG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus5προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)6αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7επερωτησωG1905vraagde, vraagden, vragenask (after, questions), demand, desire, question8υμαςG4771u, gij, gijliedenthou10τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why12τιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)14εξεστινG1832geoorloofdbe lawful, let, X may(-est)15τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16σαββασινG4521sabbat, week, sabbatssabbath (day), week17αγαθοποιησαιG15goed, weldoende, weldoet(when) do good (well)18ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea19κακοποιησαιG2554kwaaddo(ing) evil20ψυχηνG5590ziel, leven, zielenheart (+ -ily), life, mind, soul, + us, + you21σωσαιG4982zalig, behouden, gezondheal, preserve, save (self), do well, be (make) whole22ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea23απολεσαιG622verloren, verliezen, verdervendestroy, die, lose, mar, perish
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
10En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En hen allenG3956rondom aangezienG4017 hebbende, zeideG2036 Hij tot den mensG444: StrekG1614 uw handG5495 uit. En hij deedG4160alzoG3779; en zijn handG5495 werd hersteldG600, gezondG5199gelijkG5613 de andere.En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
KJVAnd1looking round about upon2them4all,3he saidunto the man,7Stretch forth8thyhand.10And13he did14so:15and16his20hand19was restored17whole21as22the other.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2περιβλεψαμενοςG4017rondom aangezien, rondom ziende, overzienlook (round) about (on)3πανταςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever4αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter6τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man8εκτεινονG1614strekte, Strek, uitstrekkendecast, put forth, stretch forth (out)9τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10χειραG5495handen, handhand11σουG4771u, gij, gijliedenthou12οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)14εποιησενG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield15ουτωςG3779alzo, aldus, zoafter that, after (in) this manner, as, even (so), for all that, like(-wise), no more, on this fashion(-wise), so (in like manner), thus, what16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17αποκατεσταθηG600hersteld, oprichten, wedergegevenrestore (again)18ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19χειρG5495handen, handhand20αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which21υγιηςG5199gezond, genezensound, whole22ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed23ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24αλληG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
11En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En zijG846 werden vervuldG4130 met uitzinnigheidG454, en spraken samenG1255 met elkanderG240, watG5101 zij JezusG2424doenG4160 zouden.En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.
Ook in dit vers
totG4314
KJVAnd2they1were filled3with madness;4and5communed6one with another7what9they might do11to Jesus.
1αυτοιG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3επλησθησανG4130vervuld, vulden, gevuldaccomplish, full (…come), furnish4ανοιαςG454uitzinnigheidfolly, madness5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6διελαλουνG1255gesproken, spraken samencommune, noise abroad7προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)8αλληλουςG240elkander, ander, onderlingeeach other, mutual, one another, (the other), (them-, your-)selves, (selves) together (sometimes with G3326 (μετά) or G4314 (πρός))9τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why10ανG302drukt voorwaardelijkheid uit; blijft meestal onvertaald(what-, where-, wither-, who-)soever11ποιησειανG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield12τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13ιησουG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus
12En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En het geschieddeG1096 in die dagenG2250, datG3778 Hij uitgingG1831naarG1519 den bergG3735, om te biddenG4336, en Hij bleef den nachtG1273 over in het gebedG4335 tot GodG2316.En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.
KJVAnd2it came to pass1in3thosedays,5that he went out7into8a mountain10to pray,11and12continued all night14in15prayer17to God.
1εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)4ταιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5ημεραιςG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years6ταυταιςG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who7εξηλθενG1831uitgegaan, gingen, uitgaandecome (forth, out), depart (out of), escape, get out, go (abroad, away, forth, out, thence), proceed (forth), spread abroad8ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with9τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10οροςG3735berg, bergen, Olijfberghill, mount(-ain)11προσευξασθαιG4336bidden, bidt, badpray (X earnestly, for), make prayer12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13ηνG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was14διανυκτερευωνG1273nachtcontinue all night15ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)16τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17προσευχηG4335gebeden, gebed, biddenX pray earnestly, prayer18τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)
13En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13EnG2532 als het dagG2250 was geworden, riepG4377 Hij Zijn discipelenG3101 tot Zich, enG2532verkoosG1586 er twaalfG1427uitG575 hen, dieG3739 Hij ookG2532apostelenG652noemdeG3687:En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
KJVAnd1when2it was3day,4he called5unto him his8disciples:7and9of11them12he chose10twelve,13whom14also15he named17apostles;
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2οτεG3753toen, wanneerafter (that), as soon as, that, when, while3εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought4ημεραG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years5προσεφωνησενG4377riep, toeroepen, aansprakcall unto, speak (un-)to6τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7μαθηταςG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple8αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10εκλεξαμενοςG1586uitverkoren, verkiezen, verkorenmake choice, choose (out), chosen11απG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with12αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13δωδεκαG1427twaalf, twaalven, Twaalftwelve14ουςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16αποστολουςG652apostelen, apostel, Apostelapostle, messenger, he that is sent17ωνομασενG3687genoemd, genaamd, noemdecall, name
14Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Namelijk SimonG4613, welkenG3739HijG846ookG2532PetrusG4074noemdeG3687; enG2532AndreasG406 zijn broederG80, JakobusG2385enG2532JohannesG2491, FilippusG5376enG2532BartholomeusG918;Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus;
15Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15MattheusG3156enG2532ThomasG2381, JakobusG2385, den zoon van AlfeusG256, enG2532SimonG4613genaamdG2564ZelotesG2208;Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;
KJVMatthew1and2Thomas,3James4the5son of Alphaeus,7and8Simon9called11Zelotes,
1ματθαιονG3156MattheusMatthew2καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet3θωμανG2381ThomasThomas4ιακωβονG2385Jakobus, JakobiJames5τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7αλφαιουG256AlfeusAlpheus8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9σιμωναG4613Simon, SimonsSimon10τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11καλουμενονG2564genaamd, geroepen, genoodbid, call (forth), (whose, whose sur-)name (was (called))12ζηλωτηνG2207ijverig, ijveraar, ijveraarszealous
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
16Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16JudasG2455, den broeder van JakobusG2385, enG2532JudasG2455IskariotG2469, dieG3739ookG2532 de verraderG4273gewordenG1096 is.Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
KJVAnd Judas1the brother of James,2and3Judas4Iscariot,5which6also7was8the traitor.
1ιουδανG2455Judas, JudaJuda(-h, -s); Jude2ιακωβουG2385Jakobus, JakobiJames3καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet4ιουδανG2455Judas, JudaJuda(-h, -s); Jude5ισκαριωτηνG2469IskariotIscariot6οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought9προδοτηςG4273Verraders, verrader, verradersbetrayer, traitor
17En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17EnG2532 met hen afgekomenG2597 zijnde, stondG2476 Hij opG1909 een vlakkeG3977plaatsG5117, enG2532 met Hem de schareG3793 Zijner discipelenG3101, enG2532 een grote menigteG4128 des volksG2992vanG575geheelG3956JudeaG2449enG2532JeruzalemG2419, enG2532 van den zeekantG3882 van TyrusG5184enG2532SidonG4605;En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon;
Ook in dit vers
genezenG2390
KJVAnd1he came down2with3them,4and stood5in6the plain,8and9the company10of his12disciples,11and13a great15multitude14of people17out of18all19Judaea21and22Jerusalem,23and24from the sea coast26of Tyre27and28Sidon,29which30came31to hear32him,33and34to be healed35of36their39diseases;
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2καταβαςG2597afgekomen, nederdalen, nedergedaaldcome (get, go, step) down, fall (down)3μετG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)4αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5εστηG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)6επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with7τοπουG5117plaats, plaatsen, Hoofdschedelplaatscoast, licence, place, X plain, quarter, + rock, room, where8πεδινουG3977vlakkeplain9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10οχλοςG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press11μαθητωνG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple12αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14πληθοςG4128menigte, hoop, menigtenbundle, company, multitude15πολυG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly16τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17λαουG2992volk, volks, volkepeople18αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with19πασηςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever20τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21ιουδαιαςG2449JudeaJudæa22καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet23ιερουσαλημG2419Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem24καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet25τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc26παραλιουG3882zeekantsea coast27τυρουG5184TyrusTyre28καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet29σιδωνοςG4605Sidon, SidonisSidon30οιG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc31ηλθονG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set32ακουσαιG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand33αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which34καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet35ιαθηναιG2390gezond, genezen, genezeheal, make whole36αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with37τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc38νοσωνG3554ziekten, ziektedisease, infirmity, sickness39αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
18Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Die gekomen waren, om Hem te horenG191, en om van hun ziektenG3554 genezen te worden, en die vanG5259onreineG169geestenG4151gekweldG3791 waren; en zij werden genezen.Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.
Ook in dit vers
genezenG2323
KJVAnd1they that were vexed3with4unclean6spirits:5and7they were healed.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3οχλουμενοιG3791gekweldvex4υποG5259van, onder, dooramong, by, from, in, of, under, with5πνευματωνG4151Geest, geest, Geestesghost, life, spirit(-ual, -ually), mind6ακαθαρτωνG169onreine, onreinen, onreinfoul, unclean7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8εθεραπευοντοG2323genezen, genas, genezendecure, heal, worship
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
19En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19EnG2532alG3956 de schareG3793zochtG2212 Hem aan te rakenG680; wantG3754 er ging krachtG1411 van HemG846 uit, enG2532 Hij genasG2390 ze allenG3956.En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.
KJVAnd1the whole2multitude4sought5to touch6him:7for8there went12virtue9out10of him,11and13healed14them all.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2παςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4οχλοςG3793schare, scharen, volkcompany, multitude, number (of people), people, press5εζητειG2212zoekt, zochten, zoekenbe (go) about, desire, endeavour, enquire (for), require, (X will) seek (after, for, means)6απτεσθαιG680raakte, aangeraakt, aanrakentouch7αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why9δυναμιςG1411kracht, krachten, vermogenability, abundance, meaning, might(-ily, -y, -y deed), (worker of) miracle(-s), power, strength, violence, mighty (wonderful) work10παρG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with11αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which12εξηρχετοG1831uitgegaan, gingen, uitgaandecome (forth, out), depart (out of), escape, get out, go (abroad, away, forth, out, thence), proceed (forth), spread abroad13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14ιατοG2390gezond, genezen, genezeheal, make whole15πανταςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever
20En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20EnG2532HijG846, Zijn ogenG3788opslaandeG1869 over Zijn discipelenG3101, zeideG3004: ZaligG3107 zijt gij, armenG4434, wantG3754 uwer isG1510 het KoninkrijkG932GodsG2316.En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
KJVAnd1he2lifted up3his6eyes5on7his10disciples,9and said,11Blessed12be ye poor:14for15yours16isthe kingdom19of God.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which3επαραςG1869opheffende, verheft, verhievenexalt self, poise (lift, take) up4τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5οφθαλμουςG3788ogen, oog, Ogeneye, sight6αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with8τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9μαθηταςG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple10αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11ελεγενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter12μακαριοιG3107Zalig, zalig, zaligeblessed, happy(X -ier)13οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14πτωχοιG4434armen, arme, armbeggar(-ly), poor15οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why16υμετεραG5212uw, het uweyour (own)17εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was18ηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19βασιλειαG932Koninkrijk, koninkrijk, Koninkrijkskingdom, + reign20τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21θεουG2316God, Gods, GodeX exceeding, God, god(-ly, -ward)
21Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21ZaligG3107 zijt gij, die nu hongertG3983; wantG3754 gij zult verzadigdG5526 worden. ZaligG3107 zijt gij, die nu weentG2799; wantG3754 gij zult lachenG1070.Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
KJVBlessed1are ye that hunger3now:4for5ye shall be filled.6Blessed7are ye that weep9now:10for11ye shall laugh.
1μακαριοιG3107Zalig, zalig, zaligeblessed, happy(X -ier)2οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3πεινωντεςG3983hongerde, hongerig, hongerenbe an hungered4νυνG3568nu, thanshenceforth, + hereafter, of late, soon, present, this (time)5οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why6χορτασθησεσθεG5526verzadigd, verzadigenfeed, fill, satisfy7μακαριοιG3107Zalig, zalig, zaligeblessed, happy(X -ier)8οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9κλαιοντεςG2799weent, wenende, weendebewail, weep10νυνG3568nu, thanshenceforth, + hereafter, of late, soon, present, this (time)11οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why12γελασετεG1070lachen, lachtlaugh
22Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22ZaligG3107zijtG1510 gij, wanneer u de mensenG444hatenG3404, enG2532 wanneer zij uG4771afscheidenG873, enG2532smadenG3679, enG2532 uw naamG3686alsG5613kwaadG4190verwerpenG1544, om des ZoonsG5207 des mensenG444wilG1752.Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
KJVBlessed1are ye,when3men7shall hate4you,and8when9they shall separate10youfrom their company, and12shall reproach13you, and14cast out15yourname17as19evil,20for the Son23of man's25sake.
1μακαριοιG3107Zalig, zalig, zaligeblessed, happy(X -ier)2εστεG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was3οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while4μισησωσινG3404haat, gehaat, hatenhate(-ful)5υμαςG4771u, gij, gijliedenthou6οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ανθρωποιG444mensen, mens, Menscertain, man8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while10αφορισωσινG873afgezonderd, afscheiden, scheiddedivide, separate, sever11υμαςG4771u, gij, gijliedenthou12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13ονειδισωσινG3679smaden, gesmaad, smaaddencast in teeth, (suffer) reproach, revile, upbraid14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15εκβαλωσινG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)16τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ονομαG3686Naam, naam, namecalled, (+ sur-)name(-d)18υμωνG4771u, gij, gijliedenthou19ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed20πονηρονG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)21ενεκαG1752wil, aanzien, oorzaakbecause, for (cause, sake), (where-)fore, by reason of, that22τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23υιουG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son24τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25ανθρωπουG444mensen, mens, Menscertain, man
23Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23VerblijdtG5463uG4771inG1722dienG1565dagG2250, enG2532 zijt vrolijkG4640; wantG1063, zietG3708, uw loonG3408 is groot inG1722 den hemelG3772; wantG1063hunG846vadersG3962dedenG4160 desgelijks den profetenG4396.Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.
KJVRejoice ye1in2that3day,5and6leap for joy:7for,9behold,yourreward11is great13in14heaven:16for19in17the like mannerdid20their25fathers24unto the prophets.
1χαιρετεG5463verblijd, verblijden, verblijdtfarewell, be glad, God speed, greeting, hall, joy(- fully), rejoice2ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)3εκεινηG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those4τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5ημεραG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7σκιρτησατεG4640sprong, vrolijkleap (for joy)8ιδουG3708ziet, gezien, Ziebehold, perceive, see, take heed9γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet10οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11μισθοςG3408loonhire, reward, wages12υμωνG4771u, gij, gijliedenthou13πολυςG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly14ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)15τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16ουρανωG3772hemel, hemelen, hemelsair, heaven(-ly), sky17καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with18ταυταG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who19γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet20εποιουνG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield21τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22προφηταιςG4396profeten, profeet, Profeetprophet23οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc24πατερεςG3962Vader, vader, vadersfather, parent25αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24Maar weeG3759 u, gij rijkenG4145, wantG3754 gij hebt uw troostG3874wegG568.Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg.
KJVBut1woe2unto youthat are rich!5for6ye have received7yourconsolation.
1πληνG4133doch, behalvebut (rather), except, nevertheless, notwithstanding, save, than2ουαιG3759Wee, wee, weeenalas, woe3υμινG4771u, gij, gijliedenthou4τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5πλουσιοιςG4145rijk, rijken, rijkerich6οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why7απεχετεG568weg, houdt, ontvangenbe, have, receive8τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9παρακλησινG3874vertroosting, vermaning, vermanencomfort, consolation, exhortation, intreaty10υμωνG4771u, gij, gijliedenthou
25Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25WeeG3759uG4771, die verzadigdG1705 zijt, wantG3754 gij zult hongerenG3983. WeeG3759uG4771, die nu lachtG1070, wantG3754 gij zult treurenG3996enG2532wenenG2799.Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
KJVWoe1unto youthat are full!4for5ye shall hunger.6Woe7unto youthat laugh10now!11for12ye shall mourn13and14weep.
1ουαιG3759Wee, wee, weeenalas, woe2υμινG4771u, gij, gijliedenthou3οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4εμπεπλησμενοιG1705verzadigd, vervuld, vervullendefill5οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why6πεινασετεG3983hongerde, hongerig, hongerenbe an hungered7ουαιG3759Wee, wee, weeenalas, woe8υμινG4771u, gij, gijliedenthou9οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10γελωντεςG1070lachen, lachtlaugh11νυνG3568nu, thanshenceforth, + hereafter, of late, soon, present, this (time)12οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why13πενθησετεG3996treuren, rouw, leed gedragenmourn, (be-)wail14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15κλαυσετεG2799weent, wenende, weendebewail, weep
26Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26WeeG3759uG4771, wanneer alG3956 de mensenG444 wel van uG4771sprekenG2036, wantG1063hunG846vadersG3962dedenG4160 desgelijks den valsen profetenG5578.Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.
KJVWoe1unto you,when3all7men9shall speakwell4of you!for12so10did13their18fathers17to the false prophets.
1ουαιG3759Wee, wee, weeenalas, woe2υμινG4771u, gij, gijliedenthou3οτανG3752wanneer, zodraas long (soon) as, that, + till, when(-soever), while4καλωςG2573wel, goed, recht(in a) good (place), honestly, + recover, (full) well5υμαςG4771u, gij, gijliedenthou6ειπωσινG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter7παντεςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever8οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9ανθρωποιG444mensen, mens, Menscertain, man10καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with11ταυταG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who12γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet13εποιουνG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield14τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15ψευδοπροφηταιςG5578valse profeten, valse profeet, valsen profeetsfalse prophet16οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17πατερεςG3962Vader, vader, vadersfather, parent18αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
27Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27MaarG235 Ik zegG3004 ulieden, die dit hoortG191: Hebt uw vijandenG2190liefG25; doetG4160 wel dengenen, die uG4771hatenG3404.Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
KJVBut1I say3unto youwhich4hear,5Love6yourenemies,8do11good10to them which7hate13you,
1αλλG235maar, dochand, but (even), howbeit, indeed, nay, nevertheless, no, notwithstanding, save, therefore, yea, yet2υμινG4771u, gij, gijliedenthou3λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter4τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5ακουουσινG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand6αγαπατεG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)7τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8εχθρουςG2190vijanden, vijand, vijandigenemy, foe9υμωνG4771u, gij, gijliedenthou10καλωςG2573wel, goed, recht(in a) good (place), honestly, + recover, (full) well11ποιειτεG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield12τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13μισουσινG3404haat, gehaat, hatenhate(-ful)14υμαςG4771u, gij, gijliedenthou
28Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28ZegentG2127 degenen, die u vervloekenG2672, enG2532bidtG4336 voor degenen, die uG4771geweldG1908 doen.Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.
KJVBless1them that curse3you,and5pray6for7them which despitefully use9you.
1ευλογειτεG2127gezegend, zegende, Gezegendbless, praise2τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3καταρωμενουςG2672vervloeken, vervloekt, vervloektencurse4υμινG4771u, gij, gijliedenthou5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6προσευχεσθεG4336bidden, bidt, badpray (X earnestly, for), make prayer7υπερG5228voor, ten behoeve van; boven, meer dan(+ exceeding, abundantly) above, in (on) behalf of, beyond, by, + very chiefest, concerning, exceeding (above, -ly), for, + very highly, more (than), of, over, on the part of, for sake of, in stead, than, to(-ward), very8τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9επηρεαζοντωνG1908geweld, lasterenuse despitefully, falsely accuse10υμαςG4771u, gij, gijliedenthou
29Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Dengene, die u aanG1909 de wangG4600slaatG5180, biedtG3930ookG2532 de andere; enG2532 dengene, die uG4771 den mantelG2440neemtG142, verhindertG2967ookG2532 den rokG5509nietG3361 te nemen.Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
KJVAnd unto him that smiteth2theeon4the one cheek6offer7also8the other;10and11him12that taketh away14thycloke17forbid22not21to take thy coat20also.
1τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2τυπτοντιG5180slaan, sloegen, kwetsendebeat, smite, strike, wound3σεG4771u, gij, gijliedenthou4επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with5τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6σιαγοναG4600wangcheek7παρεχεG3930Betoon, bewezen, biedtbring, do, give, keep, minister, offer, shew, + trouble8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10αλληνG243ander, andersmore, one (another), (an-, some an-)other(-s, -wise)11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with13τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14αιροντοςG142weggenomen, namen, neemaway with, bear (up), carry, lift up, loose, make to doubt, put away, remove, take (away, up)15σουG4771u, gij, gijliedenthou16τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ιματιονG2440klederen, kleed, kleedsapparel, cloke, clothes, garment, raiment, robe, vesture18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20χιτωναG5509rok, rokken, klederenclothes, coat, garment21μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without22κωλυσηςG2967verhindert, verhinderd, verbodenforbid, hinder, keep from, let, not suffer, withstand
30Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30MaarG1161geeftG1325 een iegelijkG3956, die van uG4771begeertG154; en van dengene, die het uwe neemtG142, eistG523nietG3361 weder.Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.
KJVGive6to every man1that asketh4of thee;and7of8him that taketh away10thy goods12ask14them not13again.
1παντιG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4αιτουντιG154begeren, bidden, bidtask, beg, call for, crave, desire, require5σεG4771u, gij, gijliedenthou6διδουG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with9τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10αιροντοςG142weggenomen, namen, neemaway with, bear (up), carry, lift up, loose, make to doubt, put away, remove, take (away, up)11ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12σαG4674uw, de uwethine (own), thy (friend)13μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without14απαιτειG523afeisen, eistask again, require
31En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31EnG2532 gelijk gij wiltG2309, datG2443uG4771 de mensenG444doenG4160 zullen, doet gij hunG846ookG2532 desgelijks.En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.
32En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En indienG1487 gij liefhebtG25, die u liefhebbenG25, wat dankG5485 hebt gij? WantG1063ookG2532 de zondaarsG268 hebben liefG25 degenen, die henG846liefhebbenG25.En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.
KJVFor1if2ye love3them which love5you,what7thank9haveye?for12sinners14also11love16those that love18them.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether3αγαπατεG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)4τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5αγαπωνταςG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)6υμαςG4771u, gij, gijliedenthou7ποιαG4169welk?, wat voor een?what (manner of), which8υμινG4771u, gij, gijliedenthou9χαριςG5485genade, Genade, dankacceptable, benefit, favour, gift, grace(- ious), joy, liberality, pleasure, thank(-s, -worthy)10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet13οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14αμαρτωλοιG268zondaars, zondaren, zondaarsinful, sinner15τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16αγαπωνταςG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)17αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which18αγαπωσινG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)
33En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33EnG2532indienG1437 gij goedG15 doet dengenen, die u goedG15 doen, wat dankG5485 hebt gij? WantG1063ookG2532 de zondaarsG268doenG4160 hetzelfde.En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
KJVAnd1if2ye do good3to them which do good5to you,what7thank9haveye?for12sinners14also do17even11the same.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)3αγαθοποιητεG15goed, weldoende, weldoet(when) do good (well)4τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5αγαθοποιουνταςG15goed, weldoende, weldoet(when) do good (well)6υμαςG4771u, gij, gijliedenthou7ποιαG4169welk?, wat voor een?what (manner of), which8υμινG4771u, gij, gijliedenthou9χαριςG5485genade, Genade, dankacceptable, benefit, favour, gift, grace(- ious), joy, liberality, pleasure, thank(-s, -worthy)10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet13οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14αμαρτωλοιG268zondaars, zondaren, zondaarsinful, sinner15τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16αυτοG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which17ποιουσινG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield
34En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34EnG2532indienG1437 gij leentG1155 dengenen, van welkeG3739 gij hooptG1679 weder te ontvangenG618, wat dankG5485 hebt gij? WantG1063ookG2532 de zondaarsG268lenenG1155 den zondarenG268, opdatG2443zijG1510evengelijkG2470 weder mogen ontvangenG618.En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
KJVAnd1if2ye lend3to them of4whom5ye hope7to receive,11what12thank14haveye?for17sinners19also16lend21to sinners,20to22receive23as much25again.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2εανG1437indien, zo, warebefore, but, except, (and) if, (if) so, (what-, whither-)soever, though, when (-soever), whether (or), to whom, (who-)so(-ever)3δανειζητεG1155leent, lenenborrow, lend4παρG3844van, bij, naastabove, against, among, at, before, by, contrary to, X friend, from, + give (such things as they), + that (she) had, X his, in, more than, nigh unto, (out) of, past, save, side…by, in the sight of, than, (there-)fore, with5ωνG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc7ελπιζετεG1679hoop, hoopt, hopen(have, thing) hope(-d) (for), trust9ελπιζητεG1679hoop, hoopt, hopen(have, thing) hope(-d) (for), trust11απολαβεινG618ontvangen, genomen, ontvangendereceive, take12ποιαG4169welk?, wat voor een?what (manner of), which13υμινG4771u, gij, gijliedenthou14χαριςG5485genade, Genade, dankacceptable, benefit, favour, gift, grace(- ious), joy, liberality, pleasure, thank(-s, -worthy)15εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was16καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet17γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet18οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19αμαρτωλοιG268zondaars, zondaren, zondaarsinful, sinner20αμαρτωλοιςG268zondaars, zondaren, zondaarsinful, sinner21δανειζουσινG1155leent, lenenborrow, lend22ιναG2443opdat, dat, wilalbeit, because, to the intent (that), lest, so as, (so) that, (for) to23απολαβωσινG618ontvangen, genomen, ontvangendereceive, take24ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25ισαG2470even, evengelijk, eenparig+ agree, as much, equal, like
35Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35Maar hebt uw vijandenG2190liefG25, enG2532 doet goedG15, enG2532leentG1155, zonder ietsG3367 weder te hopenG560; enG2532 uw loonG3408 zal groot zijnG1510, enG2532gij zultG25kinderenG5207 des AllerhoogstenG5310 zijn; wantG3754HijG846 is goedertierenG5543overG1909 de ondankbarenG884enG2532bozenG4190.Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
KJVBut1love ye2yourenemies,4and6do good,7and8lend,9hoping11for nothing10again;and12yourreward15shall begreat,17and18ye shall bethe children20of the Highest:22for23he24iskind25unto27the unthankful29and30to the evil.
1πληνG4133doch, behalvebut (rather), except, nevertheless, notwithstanding, save, than2αγαπατεG25liefhebben, lief, liefgehad(be-)love(-ed)3τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4εχθρουςG2190vijanden, vijand, vijandigenemy, foe5υμωνG4771u, gij, gijliedenthou6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7αγαθοποιειτεG15goed, weldoende, weldoet(when) do good (well)8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9δανειζετεG1155leent, lenenborrow, lend10μηδενG3367niemand, niets, dingany (man, thing), no (man), none, not (at all, any man, a whit), nothing, + without delay11απελπιζοντεςG560hopenhope for again12καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet13εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was14οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15μισθοςG3408loonhire, reward, wages16υμωνG4771u, gij, gijliedenthou17πολυςG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19εσεσθεG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was20υιοιG5207Zoon, zoon, kinderenchild, foal, son21τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22υψιστουG5310Allerhoogsten, hoogste, Allerhoogstemost high, highest23οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why24αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which25χρηστοςG5543goedertieren, beter, goedebetter, easy, good(-ness), gracious, kind26εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was27επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with28τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29αχαριστουςG884ondankbaar, ondankbarenunthankful30καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet31πονηρουςG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)
36Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36Weest danG3767barmhartigG3629, gelijk ookG2532 uw VaderG3962barmhartigG3629isG1510.Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
1γινεσθεG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3οικτιρμονεςG3629barmhartig, Ontfermermerciful, of tender mercy4καθωςG2531gelijk, zoalsaccording to, (according, even) as, how, when5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7πατηρG3962Vader, vader, vadersfather, parent8υμωνG4771u, gij, gijliedenthou9οικτιρμωνG3629barmhartig, Ontfermermerciful, of tender mercy10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was
37En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37En oordeeltG2919 niet, enG2532 gij zult niet geoordeeldG2919 worden; verdoemtG2613 niet, enG2532 gij zult niet verdoemdG2613 worden; laat losG630, enG2532 gij zult losgelatenG630 worden.En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
KJVJudge6not,5and2ye shall10notbe judged:condemn12not,9and7ye shall16notbe condemned:forgive,17and13ye shall be forgiven:
2καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet5μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without6κρινετεG2919oordeelt, geoordeeld, oordelenavenge, conclude, condemn, damn, decree, determine, esteem, judge, go to (sue at the) law, ordain, call in question, sentence to, think7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but9μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without10κριθητεG2919oordeelt, geoordeeld, oordelenavenge, conclude, condemn, damn, decree, determine, esteem, judge, go to (sue at the) law, ordain, call in question, sentence to, think11μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without12καταδικαζετεG2613veroordeeld, verdoemd, verdoemtcondemn13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but15μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without16καταδικασθητεG2613veroordeeld, verdoemd, verdoemtcondemn17απολυετεG630loslaten, verlaten, liet(let) depart, dismiss, divorce, forgive, let go, loose, put (send) away, release, set at liberty18καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet19απολυθησεσθεG630loslaten, verlaten, liet(let) depart, dismiss, divorce, forgive, let go, loose, put (send) away, release, set at liberty
38Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38GeeftG1325, enG2532 u zal gegevenG1325 worden; een goedeG2570, neergedrukteG4085, enG2532geschuddeG4531enG2532overlopendeG5240maatG3358 zal men inG1519 uw schootG2859 geven; wantG1063 met dezelfde maatG3358, waarmede gijliedenG4771meetG3354, zal ulieden wedergemetenG488 worden.Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.
KJVGive,1and2it shall be given3unto you;good6measure,5pressed down,7and8shaken together,9and10running over,11shall men give12into13yourbosom.15For18with the same19measure20that21ye mete withal22it shall be measured23to youagain.
1διδοτεG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield2καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet3δοθησεταιG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield4υμινG4771u, gij, gijliedenthou5μετρονG3358maat, matemeasure6καλονG2570goede, goed, goedenX better, fair, good(-ly), honest, meet, well, worthy7πεπιεσμενονG4085neergedruktepress down8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9σεσαλευμενονG4531bewogen, bewegelijk, bewegelijkemove, shake (together), which can(-not) be shaken, stir up10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11υπερεκχυνομενονG5240overlopenderun over12δωσουσινG1325gegeven, geven, gafadventure, bestow, bring forth, commit, deliver (up), give, grant, hinder, make, minister, number, offer, have power, put, receive, set, shew, smite (+ with the hand), strike (+ with the palm of the hand), suffer, take, utter, yield13ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with14τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15κολπονG2859schoot, inhambosom, creek16υμωνG4771u, gij, gijliedenthou17τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc18γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet19αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which20μετρωG3358maat, matemeasure21ωG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc22μετρειτεG3354meet, mat, metenfiguratively, to estimate:--measure, mete23αντιμετρηθησεταιG488wedergemetenmeasure again24υμινG4771u, gij, gijliedenthou
39En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39EnG1161 Hij zeideG2036 tot hen een gelijkenisG3850: KanG1410 ook wel een blindeG5185 een blindeG5185 op den weg leidenG3594? Zullen zij niet beidenG297inG1519 de grachtG999vallenG4098?En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
1ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3παραβοληνG3850gelijkenis, gelijkenissen, afbeeldingcomparison, figure, parable, proverb4αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5μητιG3385toch niet?not (the particle usually not expressed, except by the form of the question)6δυναταιG1410kan, kunt, konbe able, can (do, + -not), could, may, might, be possible, be of power7τυφλοςG5185blinden, blind, blindeblind8τυφλονG5185blinden, blind, blindeblind9οδηγεινG3594Leidsman, leiden, leidtguide, lead10ουχιG3780neen, geenszinsnay, not11αμφοτεροιG297beiden, beide, zamenboth12ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with13βοθυνονG999grachtditch, pit14πεσουνταιG4098viel, gevallen, vielenfail, fall (down), light on
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
40De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40De discipelG3101isG1510nietG3756 boven zijn meesterG1320; maarG1161 een iegelijkG3956volmaaktG2675 discipel zal zijnG1510gelijkG5613 zijn meesterG1320.De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
KJVThe disciple3isnot1above4his7master:6but9every one10that is perfect8shall beas12his15master.
1ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but2εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was3μαθητηςG3101discipelen, discipel, discipelsdisciple4υπερG5228voor, ten behoeve van; boven, meer dan(+ exceeding, abundantly) above, in (on) behalf of, beyond, by, + very chiefest, concerning, exceeding (above, -ly), for, + very highly, more (than), of, over, on the part of, for sake of, in stead, than, to(-ward), very5τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6διδασκαλονG1320Meester, leraars, meesterdoctor, master, teacher7αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8κατηρτισμενοςG2675toebereid, vermakende, volmaaktfit, frame, mend, (make) perfect(-ly join together), prepare, restore9δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)10παςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever11εσταιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was12ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed13οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14διδασκαλοςG1320Meester, leraars, meesterdoctor, master, teacher15αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
41En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41En watG5101 ziet gij den splinterG2595, die inG1722 uws broedersG80oogG3788 is, enG1161 den balkG1385, die inG1722 uw eigenG2398oogG3788 is, merktG2657 gij nietG3756?En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
KJVAnd2why1beholdest thou3the mote5that is in7thybrother's11eye,9but14perceivest22not21the beam15that is in17thine own19eye?
1τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3βλεπειςG991zien, zie, ziendebehold, beware, lie, look (on, to), perceive, regard, see, sight, take heed4τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5καρφοςG2595splintermote6τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)8τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9οφθαλμωG3788ogen, oog, Ogeneye, sight10τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11αδελφουG80broeders, broeder, broederenbrother12σουG4771u, gij, gijliedenthou13τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)15δοκονG1385balkbeam16τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)18τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19ιδιωG2398eigen, bijzonder, eigenenX his acquaintance, when they were alone, apart, aside, due, his (own, proper, several), home, (her, our, thine, your) own (business), private(-ly), proper, severally, their (own)20οφθαλμωG3788ogen, oog, Ogeneye, sight21ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but22κατανοειςG2657Aanmerkt, bemerkt, bezienbehold, consider, discover, perceive
42Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42OfG2228hoeG4459kuntG1410gijG4771 tot uw broederG80zeggenG3004: BroederG80, laat toe, dat ik den splinterG2595, die inG1722 uw oogG3788 is, uitdoeG1544; daar gijG4771zelfG846 den balkG1385, die inG1722 uw oogG3788 is, nietG3756 ziet? GijG4771geveinsdeG5273! doe eerstG4412 den balkG1385uitG1537 uw oogG3788, enG2532 dan zult gijG4771bezienG1227, om den splinterG2595 uit te doen, die inG1722 uws broedersG80oogG3788 is.Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.
KJVEither1how2canst thou3say4to thybrother,6Brother,8let me9pull out10the mote12that is in14thineeye,16when thou26thyself18beholdestnot25the beam24that is in20thineown eye?22Thou hypocrite,27cast out28first29the beam31out of32thine owneye,34and36then37shalt thou see clearly38to pull out39the mote41that is in43thybrother's47eye.
1ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea2πωςG4459hoe?, op welke wijzehow, after (by) what manner (means), that3δυνασαιG1410kan, kunt, konbe able, can (do, + -not), could, may, might, be possible, be of power4λεγεινG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter5τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6αδελφωG80broeders, broeder, broederenbrother7σουG4771u, gij, gijliedenthou8αδελφεG80broeders, broeder, broederenbrother9αφεςG863vergeven, verlaten, lietcry, forgive, forsake, lay aside, leave, let (alone, be, go, have), omit, put (send) away, remit, suffer, yield up10εκβαλωG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)11τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12καρφοςG2595splintermote13τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)15τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16οφθαλμωG3788ogen, oog, Ogeneye, sight17σουG4771u, gij, gijliedenthou18αυτοςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which19τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)21τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22οφθαλμωG3788ogen, oog, Ogeneye, sight23σουG4771u, gij, gijliedenthou24δοκονG1385balkbeam25ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but26βλεπωνG991zien, zie, ziendebehold, beware, lie, look (on, to), perceive, regard, see, sight, take heed27υποκριταG5273geveinsden, geveinsdehypocrite28εκβαλεG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)29πρωτονG4412eerst, eerste, Eerstelijkbefore, at the beginning, chiefly (at, at the) first (of all)30τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc31δοκονG1385balkbeam32εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)33τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc34οφθαλμουG3788ogen, oog, Ogeneye, sight35σουG4771u, gij, gijliedenthou36καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet37τοτεG5119toen, daarnathat time, then38διαβλεψειςG1227beziensee clearly39εκβαλεινG1544werpt, wierpen, uitgeworpenbring forth, cast (forth, out), drive (out), expel, leave, pluck (pull, take, thrust) out, put forth (out), send away (forth, out)40τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc41καρφοςG2595splintermote42τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc43ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)44τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc45οφθαλμωG3788ogen, oog, Ogeneye, sight46τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc47αδελφουG80broeders, broeder, broederenbrother48σουG4771u, gij, gijliedenthou
43Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43WantG1063 het isG1510geenG3756goedeG2570boomG1186, die kwadeG4550vruchtG2590voortbrengtG4160, en geen kwadeG4550boomG1186, die goedeG2570vruchtG2590voortbrengtG4160;Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;
44Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44WantG1063iederG1538boomG1186 wordt uitG1537 zijn eigenG2398vruchtG2590gekendG1097; wantG1063 men leestG4816geenG3756vijgenG4810 van doornenG173, en men snijdtG5166 geen druifG4718 van bramenG942.Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.
Ook in dit vers
uit/metG1537
uit/metG1537
KJVFor2every1tree3is known8by4his own6fruit.7For10of11thorns12men do not9gather13figs,14nor15of16a bramble bush17gather they18grapes.
1εκαστονG1538iegelijk, elk, iegelijksany, both, each (one), every (man, one, woman), particularly2γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet3δενδρονG1186boom, bomentree4εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)5τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6ιδιουG2398eigen, bijzonder, eigenenX his acquaintance, when they were alone, apart, aside, due, his (own, proper, several), home, (her, our, thine, your) own (business), private(-ly), proper, severally, their (own)7καρπουG2590vrucht, vruchten, oorbaarfruit8γινωσκεταιG1097gekend, weten, kentallow, be aware (of), feel, (have) know(-ledge), perceived, be resolved, can speak, be sure, understand9ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but10γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet11εξG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)12ακανθωνG173doornenthorn13συλλεγουσινG4816vergaderen, Leest, Vergadertgather (together, up)14συκαG4810vijgenfig15ουδεG3761ook niet, nochneither (indeed), never, no (more, nor, not), nor (yet), (also, even, then) not (even, so much as), + nothing, so much as16εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)17βατουG942doornenbos, bramenbramble, bush18τρυγωσινG5166sneed, snijd, snijdtgather19σταφυληνG4718druif, druivengrapes
45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45De goedeG18mensG444brengtG4393 het goedeG18voortG4393uitG1537 den goedenG18schatG2344 zijns hartenG2588; enG2532 de kwadeG4190mensG444brengtG4393 het kwadeG4190voortG4393uitG1537 den kwadenG4190schatG2344 zijns hartenG2588; wantG1063uitG1537 den overvloedG4051 des hartenG2588spreektG2980 zijn mondG4750.De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
KJVA good2man3out of4the good6treasure7of his10heart9bringeth forth11that which is good;13and14an evil16man17out of18the evil20treasure21of his24heart23bringeth forth25that which is evil:27for29of28the abundance31of the heart33his37mouth36speaketh.
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2αγαθοςG18goede, goed, goedenbenefit, good(-s, things), well3ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man4εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)5τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6αγαθουG18goede, goed, goedenbenefit, good(-s, things), well7θησαυρουG2344schat, schattentreasure8τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9καρδιαςG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)10αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11προφερειG4393brengt, voortbring forth12τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13αγαθονG18goede, goed, goedenbenefit, good(-s, things), well14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16πονηροςG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)17ανθρωποςG444mensen, mens, Menscertain, man18εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)19τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20πονηρουG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)21θησαυρουG2344schat, schattentreasure22τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23καρδιαςG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)24αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which25προφερειG4393brengt, voortbring forth26τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc27πονηρονG4190boze, boos, bozenbad, evil, grievous, harm, lewd, malicious, wicked(-ness)28εκG1537uit, van, metafter, among, X are, at, betwixt(-yond), by (the means of), exceedingly, (+ abundantly above), for(- th), from (among, forth, up), + grudgingly, + heartily, X heavenly, X hereby, + very highly, in, …ly, (because, by reason) of, off (from), on, out among (from, of), over, since, X thenceforth, through, X unto, X vehemently, with(-out)29γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet30τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc31περισσευματοςG4051overvloed, overschotabundance, that was left, over and above32τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc33καρδιαςG2588hart, harten, harte(+ broken-)heart(-ed)34λαλειG2980spreken, gesproken, sprakpreach, say, speak (after), talk, tell, utter35τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc36στομαG4750mond, monde, mondenedge, face, mouth37αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
46En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46En wat noemtG2564 gij MijG1473, HeereG2962, HeereG2962! en doetG4160nietG3756hetgeenG3739 Ik zegG3004?En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?
KJVAnd2why1call ye4me,Lord,5Lord,6and7do9not8the things which10I say?
1τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3μεG1473mij, ikI, me4καλειτεG2564genaamd, geroepen, genoodbid, call (forth), (whose, whose sur-)name (was (called))5κυριεG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir6κυριεG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but9ποιειτεG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield10αG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc11λεγωG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter
47Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47Een iegelijkG3956, die totG4314MijG1473komtG2064, en Mijn woordenG3056hoortG191, enG2532 dezelve doetG4160, IkG1473 zal uG4771tonenG5263, wien hij gelijk isG1510.Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.
KJVWhosoever1cometh3to4me,and6heareth7mysayings,10and11doeth12them,13I will shew14youto whom16he islike:
1παςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever2οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3ερχομενοςG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set4προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)5μεG1473mij, ikI, me6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7ακουωνG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand8μουG1473mij, ikI, me9τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10λογωνG3056woord, Woord, woordenaccount, cause, communication, X concerning, doctrine, fame, X have to do, intent, matter, mouth, preaching, question, reason, + reckon, remove, say(-ing), shew, X speaker, speech, talk, thing, + none of these things move me, tidings, treatise, utterance, word, work11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12ποιωνG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield13αυτουςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14υποδειξωG5263tonen, aangewezen, getoondshow, (fore-)warn15υμινG4771u, gij, gijliedenthou16τινιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why17εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was18ομοιοςG3664hoornen, gelijkelike, + manner
48Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48HijG846isG1510 gelijk een mensG444, die een huisG3614bouwdeG3618, en groefG4626, en verdiepteG900, en leideG5087 het fondamentG2310opG1909 een steenrotsG4073; als nuG1161 de hoge vloedG4132 kwam, zo sloegG4366 de waterstroomG4215 tegen datG3739huisG3614 aan, en konG2480 het nietG3756bewegenG4531; wantG1063 het was opG1909 de steenrotsG4073gegrondG2311.Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.
KJVHe islike1a man3which6built4an house,5and8digged7deep,9and10laid11the foundation12on13a rock:15and17when the flood16arose,18the stream21beat vehemently19upon that24house,23and25could27not26shake28it:29for31it was founded30upon32a rock.
1ομοιοςG3664hoornen, gelijkelike, + manner2εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was3ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man4οικοδομουντιG3618bouwen, gebouwd, bouwde(be in) build(-er, -ing, up), edify, embolden5οικιανG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)6οςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc7εσκαψενG4626Graven, gegraven, groefdig8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9εβαθυνενG900verdieptedeep10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11εθηκενG5087gelegd, gesteld, gezet+ advise, appoint, bow, commit, conceive, give, X kneel down, lay (aside, down, up), make, ordain, purpose, put, set (forth), settle, sink down12θεμελιονG2310fondament, fondamenten, fundamentenfoundation13επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with14τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15πετρανG4073steenrots, steenrotsen, rotsrock16πλημμυραςG4132hoge vloedflood17δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)18γενομενηςG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought19προσερρηξενG4366aansloeg, sloegbeat vehemently against (upon)20οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21ποταμοςG4215rivier, rivieren, waterstromenflood, river, stream, water22τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23οικιαG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)24εκεινηG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those25καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet26ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but27ισχυσενG2480konden, kracht, Kuntbe able, avail, can do(-not), could, be good, might, prevail, be of strength, be whole, + much work28σαλευσαιG4531bewogen, bewegelijk, bewegelijkemove, shake (together), which can(-not) be shaken, stir up29αυτηνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which30τεθεμελιωτοG2311gegrond, fondere, gefondeerd(lay the) found(- ation), ground, settle31γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet32επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with33τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc34πετρανG4073steenrots, steenrotsen, rotsrock
49Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49MaarG1161 die ze gehoordG191, en nietG3361gedaanG4160 zal hebben, isG1510 gelijk een mensG444, die een huisG3614bouwdeG3618opG1909 de aardeG1093 zonder fondamentG2310; tegen hetwelkG3739 de waterstroomG4215aansloegG4366, en het vielG4098terstondG2112, en de valG4485 van datzelve huisG3614 was grootG3173.Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ακουσαςG191gehoord, horen, hoordegive (in the) audience (of), come (to the ears), (shall) hear(-er, -ken), be noised, be reported, understand4καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet5μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without6ποιησαςG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield7ομοιοςG3664hoornen, gelijkelike, + manner8εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was9ανθρωπωG444mensen, mens, Menscertain, man10οικοδομησαντιG3618bouwen, gebouwd, bouwde(be in) build(-er, -ing, up), edify, embolden11οικιανG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)12επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with13τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14γηνG1093aarde, land, Egyptelandcountry, earth(-ly), ground, land, world15χωριςG5565zonder, afgescheiden vanbeside, by itself, without16θεμελιουG2310fondament, fondamenten, fundamentenfoundation17ηG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc18προσερρηξενG4366aansloeg, sloegbeat vehemently against (upon)19οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20ποταμοςG4215rivier, rivieren, waterstromenflood, river, stream, water21καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet22ευθεωςG2112terstond, dadelijkanon, as soon as, forthwith, immediately, shortly, straightway23επεσενG4098viel, gevallen, vielenfail, fall (down), light on24καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet25εγενετοG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought26τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc27ρηγμαG4485valruin28τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29οικιαςG3614huis, huizen, huizehome, house(-hold)30εκεινηςG1565die, dien, dezenhe, it, the other (same), selfsame, that (same, very), X their, X them, they, this, those31μεγαG3173grote, groot, groten(+ fear) exceedingly, great(-est), high, large, loud, mighty, + (be) sore (afraid), strong, X to years
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Lukas 6:1— En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.Deuteronomium 23:25→Mattheüs 12:1→Markus 2:23→Leviticus 23:10→Exodus 12:15→Leviticus 23:7→Leviticus 23:15→
Lukas 6:2— En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?Mattheüs 12:2→Exodus 31:15→Johannes 5:9→Exodus 35:2→Markus 2:24→Lukas 5:33→Jesaja 58:13→Exodus 22:10→
Lukas 6:3— En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?1 Samuël 21:3→Mattheüs 21:16→Markus 2:25→Markus 12:26→Mattheüs 22:31→Mattheüs 21:42→Markus 12:10→Mattheüs 12:3→
Lukas 6:4— Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.Leviticus 24:5→
Lukas 6:5— En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.Markus 9:7→Markus 2:27→Openbaring 1:10→
Lukas 6:6— En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.Markus 3:1→Mattheüs 12:9→Mattheüs 4:23→Johannes 9:16→Lukas 4:31→Lukas 13:10→Lukas 6:1→Johannes 5:3→
Lukas 6:7— En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.Lukas 11:53→Lukas 20:20→Markus 3:2→Psalmen 38:12→Jesaja 29:21→Psalmen 37:32→Lukas 13:14→Johannes 9:16→
Lukas 6:8— Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.Mattheüs 9:4→1 Kronieken 29:17→Lukas 5:22→1 Petrus 4:1→Johannes 2:25→Johannes 9:4→Job 42:2→Hebreeën 4:13→
Lukas 6:9— Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?Lukas 14:3→Johannes 7:19→Mattheüs 12:12→Markus 3:4→Lukas 9:56→
Lukas 6:10— En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.Markus 3:5→Exodus 4:6→Psalmen 107:20→Johannes 5:8→1 Koningen 13:6→
Lukas 6:11— En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.Handelingen 5:33→Mattheüs 12:14→Lukas 4:28→Johannes 11:47→Handelingen 26:11→Handelingen 4:15→Mattheüs 21:45→Johannes 7:1→
Lukas 6:12— En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.Hebreeën 5:7→Mattheüs 14:23→Psalmen 22:2→Mattheüs 6:6→Markus 1:35→Kolossenzen 4:2→Genesis 32:24→Daniël 6:10→
Lukas 6:13— En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:Markus 6:7→Markus 6:30→Openbaring 21:14→Markus 3:13→Efeze 2:20→Lukas 9:1→Handelingen 1:13→Efeze 4:11→
Lukas 6:14— Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus;Handelingen 1:13→Mattheüs 4:21→Mattheüs 4:18→Markus 14:33→Johannes 1:45→Johannes 1:40→Markus 1:19→Johannes 21:15→
Lukas 6:15— Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;Mattheüs 9:9→Handelingen 1:13→Markus 3:18→Galaten 1:19→Jakobus 1:1→Markus 2:14→Handelingen 15:13→Johannes 11:16→
Lukas 6:16— Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.Johannes 14:22→Mattheüs 10:3→Judas 1:1→Markus 3:18→Handelingen 1:16→Johannes 6:70→Handelingen 1:25→Mattheüs 26:14→
Lukas 6:17— En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon;Mattheüs 11:21→Lukas 6:12→Markus 3:7→Psalmen 103:3→Markus 7:24→Mattheüs 12:15→Mattheüs 15:21→Lukas 5:15→
Lukas 6:18— Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.Mattheüs 17:15→Handelingen 5:16→Mattheüs 15:22→
Lukas 6:19— En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.Mattheüs 14:36→Mattheüs 9:20→Markus 5:30→Markus 3:10→Lukas 8:45→2 Koningen 13:21→Markus 6:56→Lukas 5:17→
Lukas 6:20— En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.Jakobus 2:5→Jakobus 1:9→Lukas 6:20→2 Korinthe 8:9→Openbaring 2:9→2 Korinthe 6:10→Lukas 12:32→Psalmen 37:16→
Lukas 6:21— Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.Mattheüs 5:6→Jakobus 1:12→Mattheüs 5:4→Lukas 1:53→Jesaja 55:1→Jesaja 61:1→Lukas 6:25→1 Korinthe 4:11→
Lukas 6:22— Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.Mattheüs 10:22→Mattheüs 5:10→Johannes 16:2→1 Petrus 2:19→1 Thessalonicenzen 2:14→1 Petrus 3:14→Johannes 12:42→1 Petrus 4:12→
Lukas 6:23— Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.Mattheüs 5:12→2 Kronieken 36:16→Openbaring 21:7→Openbaring 2:7→Lukas 6:35→Hebreeën 11:32→Jakobus 1:2→Openbaring 2:17→
Lukas 6:25— Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.Jesaja 65:13→Spreuken 14:13→Jakobus 4:9→Psalmen 49:19→Job 20:5→Lukas 12:20→Amos 8:10→Prediker 2:2→
Lukas 6:26— Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.Jeremia 5:31→Jesaja 30:10→Jakobus 4:4→Johannes 15:19→Micha 2:11→Mattheüs 7:15→2 Petrus 2:1→2 Thessalonicenzen 2:8→
Lukas 6:27— Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.Lukas 6:35→1 Thessalonicenzen 5:15→Galaten 6:10→Romeinen 12:17→Mattheüs 5:43→Spreuken 25:21→Spreuken 24:17→Exodus 23:4→
Lukas 6:28— Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.1 Petrus 3:9→Romeinen 12:14→Lukas 23:34→1 Korinthe 4:12→Jakobus 3:10→Handelingen 14:5→Lukas 6:27→Lukas 6:35→
Lukas 6:29— Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.Hebreeën 10:34→1 Korinthe 4:11→Mattheüs 26:67→Klaagliederen 3:30→Handelingen 23:2→1 Korinthe 6:7→Lukas 22:64→Jesaja 50:6→
Lukas 6:30— Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.Spreuken 21:26→Deuteronomium 15:7→Mattheüs 18:27→Mattheüs 6:12→2 Korinthe 8:9→Exodus 22:26→2 Korinthe 9:6→Handelingen 20:35→
Lukas 6:31— En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.Mattheüs 7:12→Mattheüs 22:39→Jakobus 2:8→Galaten 5:14→
Lukas 6:32— En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.Mattheüs 5:46→1 Petrus 2:19→
Lukas 6:34— En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.Mattheüs 5:42→Lukas 14:12→Lukas 6:35→Deuteronomium 15:8→
Lukas 6:35— Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.Mattheüs 5:44→Johannes 13:35→2 Korinthe 8:9→Spreuken 22:9→Psalmen 145:9→Psalmen 112:5→1 Johannes 3:10→Psalmen 37:26→
Lukas 6:36— Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.Mattheüs 5:48→Efeze 5:1→Efeze 4:31→1 Petrus 1:15→
Lukas 6:37— En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.Romeinen 14:3→Markus 11:25→Kolossenzen 3:13→Jakobus 4:11→Mattheüs 18:34→Jakobus 5:9→Lukas 17:3→1 Korinthe 4:3→
Lukas 6:38— Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.Markus 4:24→2 Korinthe 9:6→Mattheüs 7:2→Spreuken 3:9→Deuteronomium 15:10→Spreuken 22:9→Spreuken 19:17→Spreuken 10:22→
Lukas 6:39— En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?Mattheüs 15:14→2 Timotheüs 3:13→1 Timotheüs 6:3→Jesaja 9:16→Mattheüs 23:16→Jeremia 14:15→Romeinen 2:19→Jesaja 56:10→
Lukas 6:40— De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.Johannes 13:16→Johannes 15:20→Mattheüs 10:24→Mattheüs 23:15→
Lukas 6:41— En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?Johannes 8:7→Jakobus 1:24→1 Koningen 2:32→2 Samuël 12:5→Mattheüs 7:3→Jeremia 17:9→Romeinen 2:21→Ezechiël 18:28→
Lukas 6:42— Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.Handelingen 9:9→Psalmen 51:9→Filemon 1:10→Mattheüs 26:75→Mattheüs 23:13→Romeinen 2:21→Handelingen 2:38→Romeinen 2:1→
Lukas 6:43— Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;Jeremia 2:21→Mattheüs 7:16→Jesaja 61:3→Mattheüs 12:33→Mattheüs 3:10→Jesaja 5:4→Psalmen 92:12→
Lukas 6:44— Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.Jakobus 3:12→Mattheüs 12:33→Titus 2:11→Galaten 5:19→Judas 1:12→
Lukas 6:45— De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.Spreuken 4:23→Efeze 4:29→Mattheüs 12:34→Kolossenzen 4:6→Johannes 7:38→Jakobus 3:5→Kolossenzen 3:16→Spreuken 10:20→
Lukas 6:46— En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?Maleachi 1:6→Mattheüs 7:21→Lukas 13:25→Galaten 6:7→Johannes 13:13→Mattheüs 25:24→Mattheüs 25:44→Mattheüs 25:11→
Lukas 6:47— Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.Jakobus 1:22→Mattheüs 7:24→Jakobus 4:17→Lukas 11:28→Romeinen 2:7→Johannes 14:15→Johannes 15:9→Johannes 5:40→
Lukas 6:48— Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.1 Korinthe 3:10→Jesaja 28:16→Psalmen 62:2→Judas 1:24→Johannes 16:33→2 Samuël 22:32→2 Samuël 22:5→Psalmen 93:3→
Lukas 6:49— Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.Spreuken 28:18→Ezechiël 33:31→Jakobus 2:17→Jakobus 1:22→Lukas 19:27→1 Johannes 2:19→Johannes 15:2→Lukas 11:24→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Lukas 6 vers 1— En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
tweeden eersten sabbat,
Deze sabbat wordt genaamd de tweede eerste, omdat, gelijk voorname leraars menen, het eerste sabbat was na den tweeden dag van pasen, waarvan men zeven sabbaten moest rekenen tot het pinksteren, Lev. 23:15 , van welke zeven sabbaten deze de eerste was, welken de Joden nog hedendaags noemen den eersten sabbat na den tweeden dag. Want dat ook omtrent dien tijd in het Joodse land de aren groot waren, blijkt Lev. 23:10 ; Deut. 16:9 . Anderen menen dat het geweest is de laatste dag van het paasfeest, die een bijzondere rustdag was, zowel als de eerste, Num. 28:25 , gelijk de laatste dag van het feest der tabernakelen de grote dag van dat feest genaamd wordt, Joh. 7:37 . Doch anderen menen dat hij alzo genaamd wordt, omdat hij geweest zou zijn de sabbat in het tweede grote feest, namelijk van pinksteren, op welken de eerstelingen van de rijpe vruchten opgeofferd werden, Ex. 34:22 .
Hertaald:tweeden eersten sabbat,
Deze sabbat wordt de tweede eerste genoemd omdat het, zoals vooraanstaande leraars menen, de eerste sabbat was na de tweede paasdag. Vanaf die dag moest men zeven sabbatten tellen tot het pinksterfeest, Lev. 23:15, en van die zeven was deze de eerste. De Joden noemen die vandaag de dag nog de eerste sabbat na de tweede dag. Dat de aren in het Joodse land in die tijd al groot waren, blijkt uit Lev. 23:10 en Deut. 16:9. Anderen menen dat het de laatste dag van het paasfeest geweest is, die net als de eerste een bijzondere rustdag was, Num. 28:25 — zoals de laatste dag van het loofhuttenfeest de grote dag van dat feest genoemd wordt, Joh. 7:37. Weer anderen menen dat hij zo genoemd wordt omdat het de sabbat zou zijn geweest in het tweede grote feest, namelijk het pinksterfeest, waarop de eerstelingen van de rijpe vruchten geofferd werden, Ex. 34:22.
Lukas 6 vers 4— Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.
huis Gods,
Zie van het huis Gods en van de toonbroden de aantekeningen Matt. 12:4 .
Hertaald:huis Gods,
Zie over het huis van God en over de toonbroden de aantekeningen bij Matth. 12:4.
Lukas 6 vers 5— En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
een Heere ook van den sabbat
Zie hiervan de verklaring Matt. 12:8 .
Hertaald:een Heere ook van den sabbat
Zie hierover de verklaring bij Matth. 12:8.
Lukas 6 vers 7— En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
beschuldiging tegen Hem mochten vinden
Grieks zijne beschuldiging; dat is, enige stof of aanleiding van beschuldiging, om daarmede Hem als een overtreder der wet bij het volk verdacht te maken.
Hertaald:beschuldiging tegen Hem mochten vinden
Grieks: Zijn beschuldiging; dat is: enige stof of aanleiding tot beschuldiging, om Hem daarmee bij het volk verdacht te maken als een overtreder van de wet.
Lukas 6 vers 8— Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.
gedachten,
Of, overleggingen.
Hertaald:gedachten,
Of: overleggingen.
Lukas 6 vers 9— Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?
een mens te behouden,
Grieks ene ziel; dat is een mens. Eene wijze van spreken, waardoor een deel voor het geheel wordt genomen. Want wie een mens niet helpt als hij kan, die is schuldig aan zijn verderf.
Hertaald:een mens te behouden,
Grieks: een ziel; dat is: een mens. Een manier van spreken waarbij een deel voor het geheel genomen wordt. Want wie een mens niet helpt terwijl hij dat kan, is schuldig aan zijn ondergang.
Lukas 6 vers 10— En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
aangezien hebbende,
Namelijk met toorn. Zie Marc. 3:5 .
Hertaald:aangezien hebbende,
Namelijk met toorn. Zie Mark. 3:5.
Lukas 6 vers 11— En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.
met uitzinnigheid,
Dat is met een razenden haat.
Hertaald:met uitzinnigheid,
Dat is: met een razende haat.
Lukas 6 vers 12— En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.
in het gebed tot God
Grieks in het gebed Gods; namelijk om zich door den gebede tot het verkiezen van zijne apostelen voor te bereiden, gelijk de apostelen ook naar dit voorbeeld gedaan hebben, Hand. 13:3 .
Hertaald:in het gebed tot God
Grieks: in het gebed van God; namelijk om Zich door het gebed voor te bereiden op het kiezen van Zijn apostelen, zoals de apostelen naar dit voorbeeld ook gedaan hebben, Hand. 13:3.
Lukas 6 vers 13— En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
apostelen noemde
Dat is, afgezondenen, of gezanten, omdat zij van Hem eerst door het Joodse land, Matt. 10:6 , en daarna in de wereld uitgezonden zouden worden om het Evangelie te prediken.
Hertaald:apostelen noemde
Dat is: afgezondenen of gezanten, omdat zij door Hem eerst door het Joodse land, Matth. 10:6, en daarna de wereld in gezonden zouden worden om het Evangelie te prediken.
Lukas 6 vers 14— Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus;
Petrus noemde;
Waarom hij alzo toegenaamd is geworden, zie Marc. 3:16 , en heeft ook deze toenaam gediend om hem te onderscheiden van den tweeden Simon, die ook daarom hier toegenaamd wordt, Zelotes, vs.15. Zie Matt. 10:4 .
Hertaald:Petrus noemde;
Zie waarom hij die toenaam gekregen heeft bij Mark. 3:16. Die toenaam heeft ook gediend om hem te onderscheiden van de tweede Simon, die daarom hier de toenaam Zelotes krijgt, vers 15. Zie Matth. 10:4.
Lukas 6 vers 15— Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;
Zelótes;
Dat is, ijveraar; zie Matt. 10:4 .
Hertaald:Zelótes;
Dat is: ijveraar; zie Matth. 10:4.
Lukas 6 vers 19— En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.
kracht van Hem uit,
Dat is, Hij bewees aan haar Zijn goddelijke kracht, waardoor Hij haar genas. Zie Marc. 5:30 .
Hertaald:kracht van Hem uit,
Dat is: Hij bewees aan hen Zijn goddelijke kracht, waardoor Hij hen genas. Zie Mark. 5:30.
Lukas 6 vers 20— En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
armen,
Namelijk van geest.Zie Matt. 5:3 .
Hertaald:armen,
Namelijk van geest. Zie Matth. 5:3.
Lukas 6 vers 21— Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
hongert;
Namelijk naar de gerechtigheid, Matt. 5:6 .
Hertaald:hongert;
Namelijk naar de gerechtigheid, Matth. 5:6.
weent;
Namelijk lijdende om Christus en des Evangelies van Christus' wil, gelijk blijkt uit vs.22.
Hertaald:weent;
Namelijk terwijl u lijdt om Christus en om Zijn Evangelie, zoals blijkt uit vers 22.
Lukas 6 vers 22— Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
wanneer zij u afscheiden,
Of, afsnijden; namelijk van hunne vergaderingen en gezelschappen. Zie Joh. 16:2 .
Hertaald:wanneer zij u afscheiden,
Of: afsnijden; namelijk van hun vergaderingen en gezelschappen. Zie Joh. 16:2.
smaden,
Namelijk als goddelozen of ketters.
Hertaald:smaden,
Namelijk als goddelozen of ketters.
Lukas 6 vers 23— Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.
zijt vrolijk;
Grieks springt op; namelijk van vreugde.
Hertaald:zijt vrolijk;
Grieks: springt op, namelijk van vreugde.
loon is
Van dit loon, zie Matt. 5:12 .
Hertaald:loon is
Zie over dit loon Matth. 5:12.
groot in den hemel;
Grieks veel.
Hertaald:groot in den hemel;
Grieks: veel.
Lukas 6 vers 24— Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg.
gij rijken,
Dat is, die u op uwen rijkdom verlaat, en uw troost daarin zoekt, Marc. 10:24 .
Hertaald:gij rijken,
Dat is: u die op uw rijkdom vertrouwt en daarin uw troost zoekt, Mark. 10:24.
Lukas 6 vers 25— Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
verzadigd zijt,
Grieks vervuld; dat is, die uw lust hebt in uw lichaam met spijs en drank op te vullen. Zie Jak. 5:5 .
Hertaald:verzadigd zijt,
Grieks: vervuld; dat is: u die er uw lust in hebt uw lichaam met eten en drinken te vullen. Zie Jak. 5:5.
lacht,
Dat is, die uw vermaak hebt in allerlei wereldse blijdschap, Joh. 16:20 , en in de verdrukking der vromen, Openb. 11:10 .
Hertaald:lacht,
Dat is: u die uw vermaak hebt in allerlei wereldse blijdschap, Joh. 16:20, en in de verdrukking van de vromen, Openb. 11:10.
treuren en wenen
Namelijk eeuwiglijk. Jak. 5:1 .
Hertaald:treuren en wenen
Namelijk eeuwig. Jak. 5:1.
Lukas 6 vers 26— Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.
al de mensen wel van u spreken,
Namelijk de wereldse mensen, Joh. 15:19 ; als gij hun zoudt zoeken te behagen en gelijk te zijn, Gal. 1:10 .
Hertaald:al de mensen wel van u spreken,
Namelijk de wereldse mensen, Joh. 15:19, wanneer u hun zou proberen te behagen en aan hen gelijk te worden, Gal. 1:10.
Lukas 6 vers 28— Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.
geweld doen
Of, lasteren; gelijk 1 Petr. 2:16 .
Hertaald:geweld doen
Of: lasteren, zoals 1 Petr. 2:16.
Lukas 6 vers 29— Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
biedt ook de andere;
Namelijk liever dan dat gij uzelven zoudt wreken, of kwaad met kwaad vergelden.
Hertaald:biedt ook de andere;
Namelijk liever dan dat u uzelf zou wreken of kwaad met kwaad zou vergelden.
Lukas 6 vers 30— Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.
een iegelijk, die van u begeert;
Dit moet verstaan worden van de rechte armen, die gebrek lijden, welken wij ook geven moeten naar ons vermogen. Zie hiervan den regel van Paulus, 2 Kor. 8:12-14 .
Hertaald:een iegelijk, die van u begeert;
Dit moet opgevat worden van de werkelijk armen, die gebrek lijden, aan wie wij naar ons vermogen ook moeten geven. Zie hiervoor de regel van Paulus, 2 Kor. 8:12-14.
eist niet weder
Namelijk zo daardoor de liefde des naasten zou worden gekwetst, of aan anderen ergernis gegeven, 1 Kor. 6:7 .
Hertaald:eist niet weder
Namelijk wanneer daardoor de liefde tot de naaste gekwetst zou worden of aan anderen aanstoot gegeven, 1 Kor. 6:7.
Lukas 6 vers 32— En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.
dank hebt gij?
Of, genade; dat is genadige weldaad of vergelding van God.
Hertaald:dank hebt gij?
Of: genade; dat is: een genadige weldaad of vergelding van God.
de zondaars hebben lief degenen,
Dat is openbare en grote zondaars, hoedanige gehouden werden de tollenaars, die in de plaats derzelve, Matt. 5:46-47 , gesteld worden.
Hertaald:de zondaars hebben lief degenen,
Dat is: openlijke en grote zondaars, waarvoor de tollenaars gehouden werden, die in Matth. 5:46-47 op hun plaats genoemd worden.
Lukas 6 vers 34— En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
weder te ontvangen,
Namelijk het geleende geld, of dergelijke vriendschap wanneer gij zulks nodig zoudt hebben, gelijk uit de volgende woorden in het einde van het vs. blijkt.
Hertaald:weder te ontvangen,
Namelijk het geleende geld, of dezelfde vriendendienst wanneer u die nodig zou hebben, zoals uit de volgende woorden aan het einde van het vers blijkt.
Lukas 6 vers 35— Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
zonder iets weder te hopen;
Of, zonder daarvan iets te hopen; dat is, niet alleen dengenen, die gij hoopt dat het zullen wedergeven, of dergelijke vriendschap wederdoen, maar ook dengenen waarvan gij die hoop niet hebt; gelijk hij hier ook gebiedt niet alleen de vrienden, maar ook de vijanden lief te hebben.
Hertaald:zonder iets weder te hopen;
Of: zonder daarvan iets te hopen; dat is: niet alleen aan hen van wie u hoopt dat zij het zullen teruggeven, of dat zij dezelfde vriendendienst zullen bewijzen, maar ook aan hen van wie u die hoop niet hebt. Zo gebiedt Hij hier ook niet alleen de vrienden maar ook de vijanden lief te hebben.
groot zijn,
Grieks veel.
Hertaald:groot zijn,
Grieks: veel.
zijn;
Dat is, tonen metterdaad dat gij het zijt.
Hertaald:zijn;
Dat is: metterdaad tonen dat u het bent.
goedertieren
Of, weldadig.
Hertaald:goedertieren
Of: weldadig.
Lukas 6 vers 37— En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
oordeelt niet,
Namelijk lichtvaardig of verkeerd, gelijk Matt. 7:1 .
Hertaald:oordeelt niet,
Namelijk lichtvaardig of verkeerd, zoals Matth. 7:1.
laat los,
Of, vergeeft, en u zal vergeven worden.
Hertaald:laat los,
Of: vergeeft, en u zal vergeven worden.
Lukas 6 vers 38— Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.
maat zal men in
Eene gelijkenis, genomen van het meten van droge waren, als men elk het zijne ruim wil toemeten.
Hertaald:maat zal men in
Een vergelijking die ontleend is aan het meten van droge waren, wanneer men ieder het zijne ruim wil toemeten.
uw schoot geven;
Eene manier van spreken, genomen van de wijze der volken in het Oosten, die lange wijde klederen droegen, waarin zij ontvangen konden hetgeen hun gegeven werd; Ps. 79:12 ; Jer. 32:18 .
Hertaald:uw schoot geven;
Een manier van spreken die ontleend is aan de gewoonte van de volken in het oosten, die lange wijde kleren droegen waarin zij konden opvangen wat hun gegeven werd; Ps. 79:12; Jer. 32:18.
Lukas 6 vers 40— De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
meester;
Grieks leraar, of leermeester.
Hertaald:meester;
Grieks: leraar of leermeester.
volmaakt
Dat is, een oprecht, waar en getrouw discipel.
Hertaald:volmaakt
Dat is: een oprecht, waar en trouw discipel.
Lukas 6 vers 41— En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
splinter,
Wat door den splinter en den balk verstaan wordt, zie Matt. 7:3 .
Hertaald:splinter,
Zie wat er met de splinter en de balk bedoeld wordt bij Matth. 7:3.
Lukas 6 vers 42— Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.
uitdoe;
Grieks uitwerpe.
Hertaald:uitdoe;
Grieks: uitwerpe.
Lukas 6 vers 43— Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;
voortbrengt,
Grieks maakt.
Hertaald:voortbrengt,
Grieks: maakt.
kwade boom,
Grieks verrotte.
Hertaald:kwade boom,
Grieks: verrotte.
Lukas 6 vers 45— De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
brengt het kwade voort
Namelijk gemeenlijk, of voor het merendeel. Want de geveinsden spreken anders dikwijls wat zij niet menen, hoewel hunne geveinsdheid veeltijds aan den dag komt.
Hertaald:brengt het kwade voort
Namelijk gewoonlijk, of voor het grootste deel. Want de huichelaars zeggen vaak iets anders dan zij menen, hoewel hun huichelarij meestal aan het licht komt.
Lukas 6 vers 48— Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.
en verdiepte,
Dat is, groef diep, namelijk om te vaster fondament te leggen.
Hertaald:en verdiepte,
Dat is: groef diep, namelijk om een steviger fundament te leggen.
de hoge vloed kwam,
Grieks de volle vloed; waardoor, alsook door de stromen, verstaan worden de verleidingen, verzoekingen, verdrukkingen en vervolgingen, Matt. 13:21 .
Hertaald:de hoge vloed kwam,
Grieks: de volle vloed. Daarmee worden, evenals met de stromen, de verleidingen, verzoekingen, verdrukkingen en vervolgingen bedoeld, Matth. 13:21.
sloeg de waterstroom tegen dat huis aan,
Grieks bak.
Hertaald:sloeg de waterstroom tegen dat huis aan,
Grieks: bak.
Lukas 6 vers 49— Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.
de val van datzelve huis was groot
Grieks de breuk, of scheur.
Hertaald:de val van datzelve huis was groot
Grieks: de breuk of scheur.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een Heere ook van den sabbat — 6:1-5, 12-16, 19-20
Profeet, priester en koningniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenambt
Zijn discipelen plukken aren op een sabbat en wrijven ze uit. De Farizeeën zien het en spreken Hem erop aan. Wat volgt is geen uitleg over wat mag, maar een uitspraak over gezag.
Hij beroept Zich niet op een uitzondering maar op Zichzelf, en kiest daarna twaalf mannen uit.
**Het antwoord dat Hij geeft.** Eerst wijst Hij op David, die at van de toonbroden die alleen voor de priesters waren. En dan komt de zin die alles verandert: “De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.”
De sabbat is niet iets waar Hij een uitzondering op vraagt. Het is Zijn eigendom. Wie de rustdag heeft ingesteld, kan zeggen waar hij voor dient.
**De nacht ervoor.** Wat er dan volgt begint met iets dat Lukas met opzet vermeldt: “dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.”
Een hele nacht. De kanttekening zegt waarvoor: om Zich door het gebed voor te bereiden op het verkiezen van Zijn apostelen. En zij merkt erbij dat de apostelen het Hem naderhand hebben nagedaan.
**De keuze.** “En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde.” De kanttekening vertaalt dat woord: afgezondenen, gezanten — omdat zij uitgezonden zouden worden.
Twaalf. Zoveel als er stammen waren. Dat getal is geen toeval bij Iemand Die een volk aan het verzamelen is.
**Waarom dit bij de ambten staat.** In deze lijn gaat het om profeet, priester en koning, en telkens om iemand die gezonden wordt en niet zichzelf stuurt. Hier gebeurt beide tegelijk: Hij spreekt met een gezag dat niemand vóór Hem had — Heere van de sabbat — en Hij stelt zelf mensen aan die in Zijn Naam gaan.
Mozes stelde Jozua aan met handoplegging voor het aangezicht van de priester. Elia wierp zijn mantel op Elisa. Hier bidt Iemand een nacht lang, en roept dan bij name.
**Wat er onmiddellijk op volgt.** “En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.” En dan begint de rede, en de eerste zin ervan gaat over armen die het koninkrijk krijgen.
Genesis 2:3 — God zegent de zevende dag en heiligt hem.
1 Samuël 21:6 — David eet van de toonbroden, die alleen voor de priesters waren.
Lukas 6:5 — De Zoon des mensen is een Heere ook van de sabbat.
Lukas 6:12 — Hij bidt een hele nacht voor Hij kiest.
Numeri 27:18 — Zoals Mozes Jozua aanstelde, stelt Hij hier twaalf aan.
Lukas 6:13 — En Hij noemt hen apostelen: gezondenen.
In het Nieuwe Testament: 1 Samuël 21:6; Genesis 2:3; Exodus 20:8; Numeri 27:18; Markus 2:28; Lukas 6:19
Hoever dit reikt: Dat Hij Heere van de sabbat is, zegt Hij hier Zelf; wat dat voor de onderhouding van de rustdag betekent, wordt in dit gedeelte niet uitgewerkt. Het getal twaalf wordt door de tekst niet uitgelegd; dat het naar de stammen verwijst, is een gevolgtrekking die elders in de Evangeliën wel met zoveel woorden gemaakt wordt.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Lukas 6:6-10.KruisverwijzingenMarkus 3:1→Mattheüs 12:9→Lukas 14:3→Markus 3:5→Mattheüs 4:23→Lukas 11:53→Lukas 20:20→Markus 3:2→ — En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. “En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.”
Ik meen die doordringende blik te zien, die tot in hun hart las en de boosheid veroordeelde die Hij daar zag. Hij zag hen allen rondom aan.
Lukas 6:11.KruisverwijzingenHandelingen 5:33→Mattheüs 12:14→Lukas 4:28→Johannes 11:47→Handelingen 26:11→Handelingen 4:15→Mattheüs 21:45→Johannes 7:1→ — En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden. “En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.”
Dit was het tweede wonder dat onze Heere op de sabbat werkte, en ook dit was heel opmerkelijk.
Lukas 6:32-34.KruisverwijzingenMattheüs 5:42→Mattheüs 5:46→Lukas 14:12→1 Petrus 2:19→Lukas 6:35→Deuteronomium 15:8→ — En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde. En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen. “En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde. En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.”
Deze verzen laten ons zien dat christenen mensen van de diénst moeten zijn. Zij moeten niet menen dat zij in de wereld gekomen zijn om aan een gastmaal aan te zitten. Zij moeten hun Meester bedienen terwijl Híj aan tafel zit.
Wij moeten los komen van die benauwende invloed van de geest die zelfs de godsdienst tot een zelfzuchtige voorziening voor onszelf maakt. Wij zijn er om te diénen, niet om op ons gemak aan te liggen.
Wat doen wij toch, dat wij zo bezorgd zijn om te rusten en onszelf goed te doen? De Heere Jezus Christus wil niet dat wij altijd vragen: hoe kan ik gelukkig zijn? Hoe kom ik aan geestelijk genot?
Van dienstknechten wordt niet verwacht dat zij hun tijd besteden aan hun eigen genoegen en aan het zoeken van hun eigen voordeel. Een knecht wiens hele tijd opging aan het bewaken van zijn eigen bezit zou voor zijn werkgever weinig waard zijn. Zo hebben ook wij nog iets anders te doen dan over onze eigen innerlijke gevoelens te waken.
Een brandhout uit het vuur te rukken is beter dan onze eigen handen te warmen. Een hongerige ziel te voeden met het brood van de hemel is een veel hogere daad dan zelf het vette te eten en het zoete te drinken.
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenDeuteronomium 23:25→1 Samuël 21:3→Mattheüs 12:1→Markus 2:23→Mattheüs 12:2→Mattheüs 21:16→Markus 2:25→Leviticus 24:5→ — En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen. En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten? En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren? Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren. En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat. En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. In de voorgaande tweede rij van verhalen (Hoofdstuk 5: 12-39) geeft de Evangelist het begin aan van de vijandige verhouding van de Schriftgeleerden en Farizeeën tegen Jezus weer, zowel om Zijn genadige neerbuiging tot boetvaardige en gelovige zondaars, alsook om de vrijheid van menselijke instellingen, die Hij Zijn discipelen veroorloofde. Nu volgt een derde reeks, waarvan dadelijk de eerste geschiedenis van de tweede eerste sabbat en de andere sabbat zo’n graad van vijandschap van de kant van de Schriftgeleerden en Farizeeën vertoont, dat men over Jezus’ ondergang denkt. Hiertegenover is de Heere geheel in Zijn recht wanneer Hij in de keus van de twaalf apostelen de grond legt tot een nieuw Israël, dat in de plaats moet treden van het oude, het in goddeloosheid verharde. Hij spreekt dan ook in de daaraan zich aansluitende prediking op een plaats op het veld, die een voor het volk ingerichte herhaling van de bergrede is, in twee hoofdstellingen uit, welke geest Zijn gemeente moet bezielen, die tegenover het farizees ongelovige Jodendom staat: aan de een kant het verloochenen van alles wat op aarde is, om te beslister en onverdeelder te streven naar hetgeen boven is en aan de andere kant de onbeperkte liefde voor de naaste, ook voor de vijand, een Liefde die niet vloekt, maar zegent, niet neemt, maar geeft, niet anderen oordeelt, maar bovenal het eigen leven betert. Maar de Heere ziet, zoals Hij al aan het slot van Zijn rede te kennen geeft, het al vooruit, dat Hij in Israël weinigen zou vinden die Zijn rede zouden horen en doen, dat integendeel het nieuwe Israël hoofdzakelijk uit de heidenen zou worden verzameld, die Zijn woord zouden aannemen en zich gelovig aan Hem zouden overgeven. Dat bleek ook snel daarop in de geschiedenis van de hoofdman te Kapernaüm en terwijl Lukas met deze geschiedenis de rij sluit, keert hij aan het einde van de derde groep tot het begin van de tweede terug en verenigt beide tot een groot geheel, waarvan de hoofdgedachte die is, die aan het slot van de opmerkingen bij MATTHEUS. 8: 7 is uitgesproken. Wat nu de eerste geschiedenis van de drie die deze groep uitmaken betreft, bestaat die uit de beide voorvallen op twee op elkaar volgende sabbatdagen, het aren plukken van de discipelen aan de ene kant en de genezing van de man met de verdorde hand aan de andere kant, die in de paasweek van het jaar 29 na Christus vallen. De Evangelist gaat daarmee eigenlijk verder dan die periode van Christus’ werkzaamheid in Galilea, waarbinnen hij Zich in de tweede en derde groep houdt; maar omdat Hij in de voorgaande geschiedenis Jezus al op Zijn geweldige dood heeft laten wijzen (Hoofdstuk 5: 34 vv. ), moet hij de lezer ook nu met de voorbereiding van die verwezenlijking bekend maken en zonder bedenking kan hij zo ver gaan, omdat voor zijn gezichtskring de hele omvang van de gebeurtenissen van Luc. 4: 14-6: 11 een nauw bij elkaar behorende periode vormt.
KruisverwijzingenDeuteronomium 23:25→Mattheüs 12:1→Markus 2:23→Leviticus 23:10→Exodus 12:15→Leviticus 23:7→Leviticus 23:15→— En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
En a)het gebeurde op de tweede eerste sabbat, d. i. op de eersten van de zeven sabbatten 12: 1″), die volgens Lev. 23: 15 van de tweede dag van het paasfeest geteld moeten worden, dat Hij te Chorazin, waar Hij Zich toen ophield, aan het einde van de godsdienst in de daar aanwezige synagoge een wandeling met de discipelen maakte en door het gezaaide op een weg, die door de akkers leidde, ging. En Zijn discipelen, die hongerig waren, plukten aren, zoals de Mozaïsche wet dat toeliet, wreven ze met de handen om er de zaadkorrels uit te krijgen en aten ze. Dit was echter een werk dat volgens de farizese grondstellingen verboden was.
Deut. 23: 25.
KruisverwijzingenMattheüs 12:2→Exodus 31:15→Johannes 5:9→Exodus 35:2→Markus 2:24→Lukas 5:33→Jesaja 58:13→Exodus 22:10→— En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
En sommigen van de Farizeeën zeiden tot Hem: Waarom doet gij, omdat u door het wrijven van de aren en het eten van de korrels enigermate dorst en maalt a), wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
Efod. 20: 10.
Kruisverwijzingen1 Samuël 21:3→Mattheüs 21:16→Markus 2:25→Markus 12:26→Mattheüs 22:31→Mattheüs 21:42→Markus 12:10→Mattheüs 12:3→— En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
En Jezus antwoordde: Hebt u ook niet gelezen wat David deed toen hij honger had en degenen die met hem waren (1 Sam. 21: 1 vv. ).
KruisverwijzingenLeviticus 24:5→— Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.
Hoe hij ingegaan is in het huis van God en de toonbroden genomen en gegeten heeft en ook gegeven heeft aan degenen die met hem waren, terwijl de toonbroden volgens Lev. 24: 9 alleen door de priesters gegeten mogen worden?
KruisverwijzingenMarkus 9:7→Markus 2:27→Openbaring 1:10→— En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.
En Hij zei tot hen, om bij Zijn verdediging nog een belangrijke aanmerking te voegen: De Zoon des mensen is ook een Heere van de sabbat.
Men heeft geen recht om wegens het door Lukas in Hoofdstuk 1: 3 beloofde orde te verwachten, dat hij nu ook nauwkeurig de geschiedkundige volgorde bij zijn verhalen zal vasthouden. Hij was geen onmiddellijk oog- en oorgetuige van Jezus’ daden en woorden, ten minste in deze eerste tijd. De Evangelische traditie hield zich niet zo streng aan de opvolging van tijd. Zo had hij dan of bijzondere chronologische studie moeten maken, of in het bijzonder, wat de chronologie betreft, door de Heilige Geest moeten worden verlicht en geleid, terwijl geen van beide behoorde tot zijn ambt of in de bedoeling van zijn evangelie lag. Belangrijker is het in Hoofdstuk 1: 4 genoemde doel: “Opdat u mag kennen de zekerheid van de dingen, waarover u onderwezen bent. ” Daarmee is duidelijk het Paulinische Evangelie, of het Evangelie van Paulus (Rom. 16: 25) bedoeld, dat door de Judaïstisch gezinden niet volgens zijn geschiedkundige inhoud, maar wel naar zijn dogmatische opvatting zo veelvuldig is aangevallen en in zijn echtheid bestreden en dat nu aan Theophilus in zijn onomstotelijke juistheid uit Christus’ eigen woorden en werken zou worden aangewezen. Het was te doen om een geschiedkundige weerlegging van de bewering dat het evangelie van Paulus zowel de feiten van Jezus leven als Zijn leer tegensprak; nu sluit Lukas zich in hoofdzaak geheel aan de volgorde van de gebeurtenissen aan, zoals die gebruikelijk was geworden door de prediking van de door Judaïstisch gezinden zo hoog gestelde Petrus en die ook in het Evangelie van Markus in het oog gehouden is. Hij schrijft dus inderdaad “in orde”, maar laat nu ook in het oog springen hoe van het begin af het farizese Judaïsme zich tegen Christus aankantte, Hem lasterde en vervolgde, omdat Zijn leer en Zijn werk vrijheid zocht van het juk van uitwendige instellingen, zodat integendeel het Christendom, dat door de Judaïstisch gezinden tegenover het Paulinische was gesteld, het door de Heere bestredene en verworpene was. In de geschiedenis die voor ons ligt bepaalt hij zich bij die woorden van Christus, die het Christelijke van uitspraken van Paulus, als: Gal. 4: 3 en 9 bevestigt en wat de Zondag (Hand. 19: 7. 1 Kor. 16: 2) die al veel in ere was bij de Paulinische gemeenten, als de nieuwe Sabbatdag 12: 8), door Jezus al vroeg bedoeld, deed kennen.
KruisverwijzingenMarkus 3:1→Mattheüs 12:9→Mattheüs 4:23→Johannes 9:16→Lukas 4:31→Lukas 13:10→Lukas 6:1→Johannes 5:3→— En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.
En het gebeurde ook op een andere sabbat, die de volgende dag inviel (MATTHEUS. 12: 9), dat Hij in de synagoge ging en leerde. En daar was een mens met een dorre rechterhand.
KruisverwijzingenLukas 11:53→Lukas 20:20→Markus 3:2→Psalmen 38:12→Jesaja 29:21→Psalmen 37:32→Lukas 13:14→Johannes 9:16→— En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
En de Schriftgeleerden en de Farizeeën, nog verstoord over het gesprokene van de vorige dag, letten op of Hij op de sabbat genezen zou, zodat zij enige beschuldiging tegen Hem zouden vinden, een gelegenheid waarbij zij met beter gevolg dan bij het aren plukken Zijn discipelen op de vorige dag Hem van sabbatsschennis zouden kunnen beschuldigen.
KruisverwijzingenMattheüs 9:4→1 Kronieken 29:17→Lukas 5:22→1 Petrus 4:1→Johannes 2:25→Johannes 9:4→Job 42:2→Hebreeën 4:13→— Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.
Maar Hij kende hun gedachten en zei – met opzet duidelijk voorstellend wat Hij bedoelde -tot de mens die de dorre hand had: Sta op en ga in het midden staan. En hij stond op.
KruisverwijzingenLukas 14:3→Johannes 7:19→Mattheüs 12:12→Markus 3:4→Lukas 9:56→— Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?
Zo zei dan Jezus tot hen, die op Hem loerden (vs. 7): Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten: goed te doen of kwaad te doen? Een mens te behouden of te verderven?
10.
KruisverwijzingenHandelingen 5:33→Mattheüs 12:14→Lukas 4:28→Johannes 11:47→Handelingen 26:11→Handelingen 4:15→Mattheüs 21:45→Johannes 7:1→— En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.
En zij werden vervuld met uitzinnigheid en spraken samen buiten voor de synagoge, waar zij ook dienaren van Herodes ontmoetten 12: 14″) met elkaar, om te overleggen wat zij met Jezus zouden doen om Hem om te brengen.
Voor de zieke mens was beide, de boosheid van de Farizeeën en de liefde van Jezus tot een zegen. Wees getroost liefhebbend hart: Zijn werk kan niemand verhinderen, Zijn arbeid kan niet ophouden, wanneer Hij wil doen wat voor Zijn kinderen nuttig is. De Farizeeën werd de liefde van Jezus, die zij in hun verstoktheid van zich stootten, tot een vloek; hoe meer Hij beminde, des te meer haatten zij.
De ontmaskering van de zonde wekt of boete, of als de mens die weg niet inslaat, verbittering. De partij die in haar meest geheime zonde was aangevallen, sloten zich nu aaneen om voor haar rijk te strijden en nu was er voortaan niet meer alleen een aanval van enkelen, maar een aaneengesloten lichaam van tegenstanders.
II. Vs. 12-49.KruisverwijzingenMattheüs 9:9→Mattheüs 11:21→Mattheüs 14:36→Jakobus 2:5→Mattheüs 5:6→Jakobus 1:12→Mattheüs 5:4→Markus 3:18→ — En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God. En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus; Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes; Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon; Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen. En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen. Ook bij Markus wordt met de beide geschiedenissen op de eerste tweede sabbat en de daaropvolgenden dag de afzondering van de twaalf verbonden. Terwijl echter de tweede Evangelist van de bergrede, die zich daaraan aansluit, niets heeft, zoals hij in het algemeen van langere reden van Jezus niets heeft, volgt Lukas bij de verderen voortgang van zijn voorstelling de traditie die door de eerste Evangelist was voorgesteld. Hij gaat van de apostelkeuze over, wel niet tot de bergrede zelf, zoals zij voor de twaalf is gehouden, maar tot de herhaling van de prediking op het vlakke veld beneden de berg, zoals zij was ingericht voor de daar vergaderde menigte. Van de onmiddellijke aanleiding tot de scheiding, die de Heere tegenover het farizees-ongelovige Jodendom door de grondlegging van een nieuwe bijzondere gemeente maakte, hebben de tweede en derde Evangelist niets gemeld, omdat zij de geschiedenis van de genezing van de twee blinden, van de stomme bezetene en van de eerste beschuldiging van de Heere door de Farizeeën, als was Hij met de duivel in gemeenschap, niets vermelden. Zij hebben echter dezelfde geschiedenissen van de beide op elkaar volgende aanvallen op Jezus wegens vermeende sabbatsschennis, die met de eerste gedachten van de vijanden, om Jezus te doden, eindigden, ten grondslag voor de keuze van het apostel-college en de oprichting van een nieuwe theocratie gemaakt. Dit onderscheid hangt daarmee samen, dat Markus en Lukas, toen zij hun evangeliën schreven, een nog meer beslist doorgezette afscheiding van de Christelijke kerk van de Joodse synagoge voor zich hadden en daarom ook een nog verder gaande vijandschap van de Joodse overheden tegen de Stichter van het Nieuwe Verbond moesten melden. Mattheüs daarentegen, die voor Joden schrijft, houdt nog de samenhang met het oude verbondsvolk vast en kon tevreden zijn met de aanleiding, door de geschiedenis gegeven, omdat hij eerst nog slechts de scheiding binnen Israël zelf voor ogen had, die tussen farizees-ongelovigen en Christelijk-gelovige Israëlieten.
KruisverwijzingenHebreeën 5:7→Mattheüs 14:23→Psalmen 22:2→Mattheüs 6:6→Markus 1:35→Kolossenzen 4:2→Genesis 32:24→Daniël 6:10→— En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.
En het gebeurde in die dagen, toen Jezus duidelijk zag dat Hij Zichzelf en Zijn rijk van de oversten van de Joden en van de menigte, die door hen geleid werd, scherp moest afscheiden en een bijzondere, geheel nieuwe gemeente moeststichten, dat Hij bij gelegenheid van een reis, die Hij door het omliggende land, door veel volk vergezeld, had ondernomen, ging naar de berg (zie bij MATTHEUS. 5: 1) om te bidden 5: 16″). En Hij bleef de nacht over in het gebed tot God, omdat hetgeen Hij Zich had voorgenomen de volgende dag te doen van zo ernstige en grote betekenis was.
Als er ooit iemand, uit vrouwen geboren, zonder gebed geleefd kon hebben, dan was het onze vlekkeloze, volmaakte Heer en toch bad niemand zoals Hij. Zo groot was Zijn liefde tot Zijn Vader, dat Hij blijvend met Hem in gemeenschap was; zo groot was Zijn liefde voor Zijn volk, dat Hij steeds hun voorspraak wilde zijn. Dit verheven bidden van Jezus is een les voor ons; Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, zodat wij Zijn voetstappen zouden navolgen. De tijd die Hij daartoe koos was eigenaardig geschikt: het was in het stille uur, als de menigte Hem niet kon storen, de tijd van de werkeloosheid, als allen, behalve Hij, de arbeid geëindigd hadden, de tijd wanneer de sluimering de mensen hun smarten deed vergeten en hun smeekgebed om uitkomst tot Hem deed ophouden. Terwijl anderen rust vonden in de slaap verkwikte Hij Zich met het gebed. De plaats was ook juist gekozen; Hij was alleen, waar niemand Hem kon storen, niemand Hem kon bespieden. Zo was Hij bevrijd van Farizese bespieding en van verhindering van het volk. De duistere en zwijgende heuvelen waren een geschikt bedehuis voor de Zoon van God. Hemel en aarde hoorden in middernachtelijk zwijgen de smekingen en zuchten van het geheimzinnig Wezen, waarin beide werelden verenigd waren. Het aanhouden van Zijn smekingen is opmerkelijk; de lange nachten waren niet te lang, de koude wind stremde Zijn godsdienstoefeningen niet, de akelige donkerheid verduisterde Zijn geloof niet, de eenzaamheid stuitte Zijn aandrang niet. Wij kunnen niet één uur met Hem waken, maar Hij waakt voor ons hele nachten. De gelegenheid waarbij dit gebed plaats had is merkwaardig; het gebeurde nadat Zijn vijanden in woede ontstoken waren geweest; het gebed was Zijn toevlucht en vertroosting: het gebeurde nadat Hij Zijn twaalf apostelen uitgezonden had; het gebed was de aanvang van Zijn onderneming, de heraut van Zijn nieuwe arbeid. Zouden wij niet van Jezus leren hoofdzakelijk tot het gebed de toevlucht te nemen als wij een bijzondere beproeving hebben of nieuwe pogingen tot eer van de Meester in het werk gaan stellen? Heere Jezus, leer ons bidden!
KruisverwijzingenMarkus 6:7→Markus 6:30→Openbaring 21:14→Markus 3:13→Efeze 2:20→Lukas 9:1→Handelingen 1:13→Efeze 4:11→— En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
En toen het dag was geworden riep Hij Zijn discipelen tot Zich op de hoogte van de berg, omdat deze met het volk beneden op het vlakke veld hadden overnacht en koos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde.
KruisverwijzingenHandelingen 1:13→Mattheüs 4:21→Mattheüs 4:18→Markus 14:33→Johannes 1:45→Johannes 1:40→Markus 1:19→Johannes 21:15→— Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus;
Namelijk Simon, die Hij ook Petrus noemde en Andreas, zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs.
KruisverwijzingenMattheüs 9:9→Handelingen 1:13→Markus 3:18→Galaten 1:19→Jakobus 1:1→Markus 2:14→Handelingen 15:13→Johannes 11:16→— Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;
Mattheus en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, genaamd Zelotes.
KruisverwijzingenJohannes 14:22→Mattheüs 10:3→Judas 1:1→Markus 3:18→Handelingen 1:16→Johannes 6:70→Handelingen 1:25→Mattheüs 26:14→— Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Judas, de broeder van Jakobus (Hand. 1: 13) en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Het is heel belangrijk dat aan de apostelkeuze een nacht van gebed voorafgaat en deze dus een vrucht van de meest onmiddellijke omgang van de Zoon met de Vader genoemd kan worden. Wij horen een echo van dit gebed in de innige voorbede van de Heere (Joh. 17: 6-9) voor allen die Hem door de Vader zijn gegeven.
De meeste discipelen brachten zeker de nacht door niet ver van Hem in de nabijheid van de bergtop waarop Hij Zich had teruggetrokken. Gedurende Zijn afzondering liet Hij ze allen voor het aangezicht van Zijn Vader voorbijgaan en zag in zekeren zin de vinger van God Hem de twaalf mannen aanwijzen, die Hij roepen moest om de schat te dragen die Hij de wereld had te brengen. Toen Hij eindelijk over hetgeen Hij te doen had volledige duidelijkheid had verkregen, riep Hij ze tegen de morgen tot Zich en volbracht de zo voorbereide keuze. Tot hiertoe was het de Heere genoeg geweest gelovigen rondom Zich te vergaderen, omdat Hij enigen onder hen riep om Hem op de duur als leerlingen te vergezellen. Nu had Hij erkend dat het ogenblik daar was om Zijn werk een vastere vorm te geven, Zijn aanhangers te organiseren. Het vijandelijke leger maakt zich tot de aanval gereed, daarom is het tijd het Zijne samen te trekken, daarom begint Hij zo te zeggen met de vorming van Zijn kader. Met de keuze van de twaalf verbindt Hij ook de titel van hun ambt, omdat Hij hen apostelen noemt; daarmee geeft Hij te kennen dat hun werk niet beperkt is om eenvoudig getuigen te zijn van Zijn leven en hoorders van Zijn woord en daaromtrent aan de wereld bericht te geven, maar de titel “apostelen” drukt uit wat in 2 Kor. 5: 20 wordt gezegd: “Wij zijn gezanten vanwege Christus, alsof God door ons bad: “Wij bidden vanwege Christus, laat u met God verzoenen.”
Eerst worden zij discipelen, vervolgens apostelen; zij worden niet dadelijk uitgezonden om te prediken en niet dadelijk in de hele wereld. Christus is geen dweper geweest die Zijn apostelen zonder onderricht, als het ware met ongewassen handen tot het predikambt zou hebben geroepen. Lange tijd heeft Hij ze met grote vlijt onderwezen en zorgvuldig voor hun toekomstige roeping opgeleid en toch moest aan de apostelen een bijzonder wonder van de Heilige Geest plaats hebben! Hoe veel temeer zal het ons betamen ons daaraan te houden, dat de dienaren van het woord met aanhoudende vlijt en heilige leergierigheid ernstig studeren en bekwaam worden om te leren.
Er zijn onder de twaalf van wie generlei uitnemendheid, van wie geen enkele daad, geen enkel woord tot onze kennis gekomen is, wier namen wij zelfs vaak moeite hebben ons te herinneren. Toch zijn ook deze apostelen van de Heere en die een Woord Gods aan ons hebben. Zij prediken u, door hun stilzwijgen, dat er uitnemendheden zijn, verborgen voor de mensen, voor het oog van de Heere openbaar; dat ook in stille, geen het minst opzienbarende gemoederen, die door geen bijzondere genadegave uitmunten, de gave van de genade zo groot kan zijn, dat zij, ook zij, voor de Heere tot de grootste dingen kunnen worden geroepen en tot de gewichtigste in staat zijn. Zij prediken ons dat de gemeente van de Heere, waarvan de apostelkring de aanvang en het toonbeeld is, niet zijn kan zonder hen. Zeker de kring der apostelen is slechts door de rijke verscheidenheid, die in haar is opgenomen, volledig en door die verscheidenheid te meer één. Wat een schoon schouwspel is, onder het stilzwijgend bestuur van de Heere, ieder van deze mannen door zijn natuurlijke aanleg en karakter, naar de plaats en de taak te zien gedwongen waarop hij staan moet en die door niemand anders dan door hem kan worden vervuld. Een Petrus niet op de hoogste, maar op de voorste plaats, als aller voorman, aller mond op die eerste pinksterdag; een Jakobus aan het hoofd van de eerste gemeente van zijn volk te Jeruzalem; een Johannes als verzet in de hemel om voor ons het Evangelie te schrijven van het vleesgeworden Woord. Hoe liefelijk is het zich een Thomas naast Filippus voor te stellen en een Petrus en Johannes tezamen te zien wandelen, werken en lijden. Zij behoeven elkaar, zij eren elkaar, zij vullen elkaar aan. Zij hebben elk een deel van die volheid en volkomenheid, die in de enige Heer en Meester is. En dat zelfde schouwspel is naar de wijze wil van de Heere ook in Zijn gemeente te aanschouwen. In haar is plaats en niet alleen plaats, maar behoefte voor allerlei karakters, allerlei gemoeds- en geestesrichtingen. Wat de gemeente wezen moet kan zij slechts door de rijke verscheidenheid, die zij in zich vereent, kweekt en bewaart. Dit behoort tot de voorwaarden van haar inwendige ontwikkeling; wasdom en bloei tot de voorwaarden van haar uitbreiding. Het uitwendige van de apostelkring moet in de zo veel wijdere kring van de gemeente aanwezig zijn, zal zij door haar woord de hele wereld aan de voeten van de Heiland brengen en in Hem doen geloven. Maar al het menselijke moet daartoe door het Goddelijke doordrongen, gelouterd en geheiligd wezen. Dit werd het meer en meer bij de apostelen door de werking van de hand en Geest van de Heere, totdat zij bij de volle uitstorting van de Geest op schitterende wijze de wijsheid van de Heere rechtvaardigen die hen tot Zijn apostelen had gekozen. Zo wordt het meer en meer bij die gemeente, die door Zijn Woord in Hem gelooft en die geroepen is bij verscheidenheid van gaven, van werkingen en van bedieningen de eenheid van de Geest te bewaren en steeds duidelijker te verkondigen de deugden van Hem, die haar overgebracht heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
KruisverwijzingenMattheüs 11:21→Lukas 6:12→Markus 3:7→Psalmen 103:3→Markus 7:24→Mattheüs 12:15→Mattheüs 15:21→Lukas 5:15→— En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon;
En Hij ging, nadat Hij voor hen de rede in MATTHEUS. 5: 3-7: 29 zittend gehouden had, naar beneden en stond op een vlakke plaats, aan de hellingen van de berg. En met Hem waren de menigte van zijn discipelen of blijvende volgelingen, waaruit Hij later zeventig koos (Hoofdstuk 10: 1 vv. ) en een grote menigte van geheel Judea en Jeruzalem en van de zeekant van Tyrus en Sidon.
KruisverwijzingenMattheüs 17:15→Handelingen 5:16→Mattheüs 15:22→— Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.
Die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden en die door onreine geesten gekweld waren; en zij werden allen genezen.
KruisverwijzingenMattheüs 14:36→Mattheüs 9:20→Markus 5:30→Markus 3:10→Lukas 8:45→2 Koningen 13:21→Markus 6:56→Lukas 5:17→— En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.
En de hele menigte probeerde Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit en Hij genas ze allen door deze van Hem uitgaande kracht (Hoofdstuk 4: 40. MATTHEUS. 4: 23-25).
Wij moeten ons dus de Heere denken als omgeven door een drievoudigen kring van hoorders: de eerste wordt genoemd in het “met hen” en bevat de zo-even genoemde twaalf in zich; de tweede wordt beschreven als “de schare van Zijn discipelen” en deze laatste weer zijn ingesloten door “een grote menigte”, die zelfs gedeeltelijk van de andere kant van de grenzen was gekomen. Evenals aan de apostelkeuze stil gebed voorafging, zo gaan aan de nu volgende prediking onmiddellijk wonderwerken vooraf, hier in de volste zin de verhevenste symbolen van het rijk der hemelen, waarvan Hij de grondwetten meteen aan de wereld openbaar zal maken. De macht van de daad moet de macht van het woord ondersteunen: zo wordt het geloof van de zo-even verkorenen versterkt en het volk bereid om te horen
Eerst bewees Jezus door Zijn daden de Heiland van het volk te zijn; maar voor wie Hij in de ware zin van het woord een Heiland zou zijn, leerde Hij ze in de rede, die Hij nu begon; want deze rede handelt over de gezindheid die nodig is om deel te hebben aan het Koninkrijk der hemelen, over de gerechtigheid die de Heere wil zien bij diegenen die in Hem hun Heiland zullen hebben.
Augustinus heeft al een dubbele voordracht van deze rede aangenomen, een meer uitvoerige, die Christus op de top van de berg voor de apostelen heeft gehouden, degene die Mattheüs meedeelt, en een kortere, die in de vlakte voor het volk werd gehouden.
Wij zien hoe Christus in de eenzaamheid van de berg Zijn vertrouwden inwijdt in de leer van Zijn rijk en vervolgens bij Zijn terugkeren onder het volk ook aan deze diezelfde leer in haar grondtrekken voordraagt, maar in een vorm die begrijpelijk was voor het volk.
KruisverwijzingenJakobus 2:5→Jakobus 1:9→Lukas 6:20→2 Korinthe 8:9→Openbaring 2:9→2 Korinthe 6:10→Lukas 12:32→Psalmen 37:16→— En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
En Hij Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen; want uwe is het Koninkrijk Gods.
KruisverwijzingenMattheüs 5:6→Jakobus 1:12→Mattheüs 5:4→Lukas 1:53→Jesaja 55:1→Jesaja 61:1→Lukas 6:25→1 Korinthe 4:11→— Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
a)Zalig bent u die nu honger heeft; want u zult verzadigd worden. b)Zalig bent u die nu weent, want u zult lachen.
Jes. 65: 13. b) Jes. 61: 3; 66: 10.
KruisverwijzingenMattheüs 10:22→Mattheüs 5:10→Johannes 16:2→1 Petrus 2:19→1 Thessalonicenzen 2:14→1 Petrus 3:14→Johannes 12:42→1 Petrus 4:12→— Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
a)Zalig bent u wanneer de mensen u haten, wanneer zij u afscheiden van hun gemeenschap (Jes. 66: 5), u smaden en uw naam als kwaad verwerpen, als een die men niet in de mond durft nemen, omwille van de Zoon des mensen, wiens naam zelfs voor hen is als een samenvatting van alle slechtheid en wiens persoon zij als een uitvaagsel van de mensheid beschouwen (Jak. 2. 5-7).
1 Petr. 2: 19; 3: 14; 4: 14.
KruisverwijzingenMattheüs 5:12→2 Kronieken 36:16→Openbaring 21:7→Openbaring 2:7→Lukas 6:35→Hebreeën 11:32→Jakobus 1:2→Openbaring 2:17→— Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.
Verblijdt u in die dag dat u dit overkomt en wees vrolijk, want daardoor is u een geluk overkomen. Zie, uw loon is groot in de hemel. U bent afgezonderd van de menigte die aan het verderf is overgegeven (Jes. 65: 12)en die uitwerping zal u niet schaden, al wordt die ook voltooid door een overleveren ten dode (Hoofdstuk 11: 36-38); want hun vaders deden hetzelfde met de profeten.
Hand. 5: 41; 7: 51.
KruisverwijzingenMattheüs 6:2→Psalmen 49:6→Psalmen 49:16→Jeremia 5:4→Amos 6:1→Jakobus 2:6→Spreuken 1:32→Lukas 16:19→— Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg.
a)Maar wee u, rijken! Want u heeft uw troost al, zodat, wat u in plaats van het koninkrijk der hemelen tot uw deel hebt gekozen, van u zal worden weggenomen nadat het u slechts een korte tijd is gelaten (Hoofdstuk 6: 1 vv. ).
Amos. 6: 1, 8.
KruisverwijzingenJesaja 65:13→Spreuken 14:13→Jakobus 4:9→Psalmen 49:19→Job 20:5→Lukas 12:20→Amos 8:10→Prediker 2:2→— Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.
a)Wee u die verzadigd bent! Want u zult hongeren; b) wee u, die nu lacht! Want u zult treuren en wenen (Jak. 4: 9. Openbaring 6: 15 vv. ).
Jes. 65: 13. b) Jak. 5: 1
KruisverwijzingenJeremia 5:31→Jesaja 30:10→Jakobus 4:4→Johannes 15:19→Micha 2:11→Mattheüs 7:15→2 Petrus 2:1→2 Thessalonicenzen 2:8→— Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.
Wee u, woordvoerders van dit geheel overspelige geslacht (MATTHEUS. 12: 39. 16: 4), wanneer al de mensen goed van u spreken, terwijl men de belijders van de Mensenzoon haat en belastert (vs. 22)! Want hun vaders, de vaders van degenen die u de ware leidslieden noemen, deden hetzelfde met de valse profeten (Jer. 5: 31; 14: 13 vv. ; 27: 9 v. ; 28: 1 vv. Ezechiël. 13: 4 vv. ).
Dit begin doet het al duidelijk uitkomen dat wij hier een andere rede voor ons hebben dan bij Mattheus: het getal van de zaligsprekingen is niet hetzelfde als daar, ook luidt de vorm van de zinnen anders; bovendien volgt dadelijk een tegenstelling tegenover de zaligsprekingen in parallelle aankondigingen van wee, die zeker zakelijk ook in MATTHEUS. 23: 13 vv. gevonden worden in de schildering van de farizese gerechtigheid en haar gevolgen; de vorm is echter hier toch een geheel andere.
Om deze rede als het ware te zien ontstaan kan men een vergelijking maken. Stellen wij ons de woordvoerder van een grote sociale revolutie in onze dagen voor: op een bepaald uur verschijnt hij, omgeven door zijn meest geachte aanhangers op de openbare plaats; de menigte vergadert zich, hij maakt zijn doel bekend. In de eerste plaats noemt hij de klasse van mensen, waartoe hij zich in het bijzonder wendt: armen, arbeiders, lijdende, ongelukkige bevolking en schildert voor hun ogen de verwachtingen van de nieuwe tijd, die begint. Vervolgens verkondigt hij het nieuwe beginsel, dat in de mensheid het heersende moet worden: “Weg met de voorrang van den ene mens boven de anderen! Gerechtigheid, algemene liefde!” Ten slotte komt de plechtige bevestiging van de verkondigde wet, de straf van de overtreders en de beloning van de getrouwe aanhangers. Dit is de karikatuur (MATTHEUS. 7: 15 vv; 24: 11 v. ); merken wij nauwkeurig op de trekken, dan baat het ons om het ware beeld duidelijk te maken. Wat bevat inderdaad deze prediking? Drie hoofdpunten: 1) aanwijzing van diegenen waartoe Jezus Zich hoofdzakelijk wendt, om het nieuwe volk te vormen vs. 20-26 vgl. MATTHEUS. 5: 1-12) 2); aankondiging van de grondwet van de nieuwe gemeenschap (vs. 27-45 vgl. MATTHEUS. 5: 13, 7: 12); 3); aankondiging van het oordeel dat de leden van het nieuwe volk van God hebben te wachten (vs. 46-49 MATTHEUS. 7: 13-27). De rede is tot de volksmenigte gericht, in wiens midden de nieuwe orde moet worden ingevoerd en verwezenlijkt, maar ziet natuurlijk ook op hen waardoor de nieuwe vorm van zaken zal worden bewerkt.
Met deze eerste afdeling, de oproeping, moet de gelijkluidende plaats Jak. 5: 1-11 worden vergeleken; die begint echter met het “wee” en gaat met het “zalig” voort. Nu zijn, zoals wij later zullen zien, de brieven van Jakobus en het evangelie van Lukas bijna op dezelfde tijd geschreven, het eerste te Jeruzalem, het andere te Rome; het was de tijd toen in het heilige land de afzondering van de Christelijke gemeente van het oude Joodse volk, dat haar haatte, belasterde en vervolgde, volbracht werd en de vervulling kwam van de profetie in Jes. 66: 4 vv. , waarop in vs. 22 zo uitdrukkelijk wordt gedoeld.
Als de uitleggers deze bijzondere, geschiedkundige kleur van de rede van Lukas niet zo miskenden als in de regel geschiedt, zouden zij die ook niet voor een uittreksel uit die bij Mattheüs houden, welke laatste een veel uitgestrektere gezichtskring heeft, tot buiten het gebied van het Joodse land in de hele wereld ziet en verder gaat dan de dichtstbijzijnde toekomst van het rijk van God tot aan het einde der tijden. Lukas verplaatst zich daarentegen hier al op dat standpunt, waarop hij later aan de Hebreeën de bekende brief heeft geschreven en deze over hun uitsluiting van de Joodse godsdienst en van de Israëlitische gemeente, ook over de andere moeilijkheden, die zij van haar broeders naar het vlees te lijden hadden, onderricht, vertroost en vermaant. Niet de armen in letterlijke zin prijst de Heere zalig, alleen omdat zij arm zijn; niet de hongerigen en wenenden, als verdienden zij door hun honger en hun tranen het rijk van God, verzadiging en liefelijke vreugde; maar het laatste woord: “omwille van de Zoons des mensen” bewijst dat Hij diegenen zalig prijst die Hem aanhangen; maar die dat deden, waren toen arm, hongerig, wenend en werden het steeds meer door de vijandschap van de wereld.
Wie de zaligheid en de goederen wil hebben, waarvan Christus hier spreekt, die moet het hart verheffen boven alle zintuigen en het verstand en niet oordelen van zichzelf naardat hij voelt, maar besluiten: ben ik arm dan ben ik niet arm – arm ben ik uiterlijk naar het vlees, maar voor God in het geloof ben ik rijk. Wanneer hij zich dus treurig, bedroefd en bekommerd voelt, moet hij ook daarnaar niet oordelen, noch zeggen dat hij een ongelukkig mens is, maar het anders beschouwen en zeggen: ik voel wel treurigheid, smart en harteleed, evenwel ben ik zalig, vrolijk en getroost op grond van Gods Woord. Zo is het ook in de wereld het tegenovergestelde, dat degene die rijk en zalig genoemd worden het niet zijn; want Christus roept wee over hen en noemt het ongelukkig, hoewel het schijnt, dat het hen zeer goed gaat. Daarom moesten zij ook hun gedachten verheffen boven rijkdommen en goede dagen, die zij genieten en zeggen: “Ik ben wel rijk en leef in enkel vreugde, maar wee mij wanneer ik niet iets anders heb! Want er moet zeker enkel ellende, jammer en harteleed onder verborgen zijn, die over mij zullen komen voordat ik het denk of ondervind. Zo komt door al deze stukken dat alles een ander aanzien heeft voor de wereld, dan het volgens deze woorden heeft.
Alle mensen, die volgens de gewone spreekwijze “ongelukkigen” heten begroet Jezus met het predikaat: “zalig. ” Wat nu in het bijzonder de vierde zaligspreking betreft, dan is deze tot aanzijn geroepen door het optreden van hevige vijandschap die de Heere zelf moest ondervinden; zo’n optreden heeft de evangelist in de vorige afdeling ons uitdrukkelijk voor ogen gesteld. Hij ziet die tegenstanden die het zwaard van de vervolging tegen Hem gewet hebben (vs. 11), in de geest, het zijn de rijken en machtige te Jeruzalem, wier afgezanten Hem in Galilea omringen (vgl MATTHEUS. 9: 27). Misschien ziet Hij op dat ogenblik enige van hun spionnen in de uiterste rijen van de vergadering; natuurlijk spreekt Hij dat “wee” niet uit over de rijken als zodanig, zo min als Hij de armen als zodanig zalig spreekt. Hij neemt het feit zoals het zich aan Hem op het tegenwoordige ogenblik voordoet. De verwoesting van Jeruzalem heeft dat door Jezus zo plechtig uitgesproken “wee” letterlijk vervuld.
KruisverwijzingenLukas 6:35→1 Thessalonicenzen 5:15→Galaten 6:10→Romeinen 12:17→Mattheüs 5:43→Spreuken 25:21→Spreuken 24:17→Exodus 23:4→— Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
Maar Ik zeg aan u die dit hoort en Mijn ware discipelen wilt zijn: a) Heb uw vijanden lief; doe goed aan degenen die u haten.
Ex. 23: 4. Spr. 5: 21. 1 Kor. 4: 12.
Kruisverwijzingen1 Petrus 3:9→Romeinen 12:14→Lukas 23:34→1 Korinthe 4:12→Jakobus 3:10→Handelingen 14:5→Lukas 6:27→Lukas 6:35→— Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.
Zegen degenen die u vervloeken en a) bid voor degenen die u geweld aandoen, want het kwaad, dat u door hen lijdt, zal volgens vs. 24-26 ook zwaar door God worden gewroken; zie daarom toe hoe u de wraak afwendt door het winnen van de tegenstanders (Rom. 12: 20 v. ) in plaats van die op te wekken (Jak. 5: 9. 1 Petr. 2: 21 vv. ; 3: 9).
Luk. 23: 34. Hand. 7: 60.
In vs. 20-26 was de aanspraak verdeeld onder de toehoorders, naar hun gemoedsstemming over Christus en Zijn rijk; in vs. 27 wendt zij zich bepaald en duidelijk tot dat gedeelte dat lust heeft in de waarheid. “Die het hoort” is niet slechts zoveel als: u “die nu Mijn toehoorders bent”, maar het woord heeft dezelfde nadruk als in de bekende eis: “Die oren heeft om te horen, die hore. ” Dit horen, dat de toegenegenheid tot aanneming van het gehoorde in zich sluit, veronderstelt de Heere bij diegenen die Hij aanspreekt, maar de tegenstelling, die in het “Maar Ik zeg u” tot het voorgaande, het vaak herhaalde “wee” ligt, drukt uit dat de daarin aangekondigde vergelding niet de zaak is van hen die toehoren.
Nadat de Heere Zijn aanhangers heeft verklaard, wat zij van hun tegenstanders te wachten hadden, verklaart Hij hen nu hoe zij dat van hun kant moeten beantwoorden, de leer van de liefde tot vijanden wordt daar meegedeeld in een vorm van vier leden, die zich naar alle zijden heen uitstrekt.
KruisverwijzingenHebreeën 10:34→1 Korinthe 4:11→Mattheüs 26:67→Klaagliederen 3:30→Handelingen 23:2→1 Korinthe 6:7→Lukas 22:64→Jesaja 50:6→— Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
a)Biedt degenen die u op de wang slaat ook de andere en verhinder degene die uw mantel afneemt niet om ook de rok te nemen.
1 Kor. 6: 7.
KruisverwijzingenSpreuken 21:26→Deuteronomium 15:7→Mattheüs 18:27→Mattheüs 6:12→2 Korinthe 8:9→Exodus 22:26→2 Korinthe 9:6→Handelingen 20:35→— Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.
a)Maar geef een ieder, hetzij vriend of vijand, wat deze van u wil en eist niet meer van degene die het uwe neemt.
Deut. 15: 7.
KruisverwijzingenMattheüs 7:12→Mattheüs 22:39→Jakobus 2:8→Galaten 5:14→— En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.
En over het algemeen geldt de regel: zoals uw wilt dat de mensen met u zullen doen, doe hetzelfde met hen (MATTHEUS. 7: 12).
Wanneer iemand u en het uwe aantast, wat welt dan in uw harten op? Zie, als de wraakzucht zich daarin verheft, dan wil de Heere door de woorden: “Die u op de rechterwang slaat, biedt ook de andere, en degene die u de mantel afneemt, verhinder ook de rok niet te nemen” uw hand en uw tong binden en zegt tot u: “Wilt u niet liever onrecht lijden dan onrecht doen?” Wanneer u liefde hebt, dan zou u vanwege het medelijden met uw broeder, die tegen u zondigt, het lijden vergeten dat hij u geeft! Dit is het geheim van de liefde tot vijanden: de ziel van mijn vijand moet voor mij belangrijker zijn dan mijn aangezicht, mijn rok en mijn geld, mijn hand moet geen tijd hebben om zich tegen hem op te heffen, omdat zij in voorbede voor hem gevouwen is; mijn tong moet geen tijd hebben om hem te schelden, omdat zij bidt dat God hem van zijn zonde mag verlossen; en wanneer hij mij intussen op de andere wang slaat en mij de rok ontneemt (hij zal het echter zeldzaam wagen), dan is niets zoeter dan lijden. Zo moet het hart van een Christen gezond zijn jegens zijn vijanden. Bent u echt verlost van alle wraakzucht en zondigen toorn, dan zal de liefde u ook in ieder bijzonder geval leren, of de welgevallige liefdedienst voor God is de kwaaddoener te bestraffen, de belediger te weerstaan, de bidder de bede te ontzeggen.
De eerste twee aanwijzingen, hoe men in liefde moet verdragen, leerde Hij al in de bergprediking (MATTHEUS. 5: 39-42) kennen; de derde: “van degene, die u het uw neemt, eist niet weer” wil een christelijke verjaringswet opstellen, dat aan de oneindige twist, die uit legitimiatische reclamaties, tegen verouderd en oud onrecht en politieke, hiërarchische en civiele omstandigheden aan de dag treedt, een einde moet maken. Hierop volgt de instelling van de hoge voorschriften met de regel vs. 33 : “Zoals u wilt, dat de mensen tegen zullen doen, doet hetzelfde tegen hen”, want wanneer de mens zichzelf bewust wordt, zo moet hij in zich bevinden dat hij eigenlijk van zijn evenmens steeds die hoge bewijzen van christelijke liefde verwacht, maar ze niet van anderen moet verlangen, maar ze zelf moet bewijzen en zichzelf daarvoor een kind van Gods Geest moet betonen.
KruisverwijzingenMattheüs 5:46→1 Petrus 2:19→— En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.
En vraag niet of anderen zich aan die regel jegens u houden. Als u alleen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank heeft u dan? Zou u daardoor iets hebben gedaan, dat loon van God had verdiend? Immers nee, want ook de zondaars, naar wier gedrag u toch nooit het uw mag regelen, hebben degenen lief die hen liefhebben.
— En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
En als u alleen goed doet aan degenen waarvan u mag hopen dat zij ook u weer goed zullen doen, wat voor dank heeft u dan? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
KruisverwijzingenMattheüs 5:42→Lukas 14:12→Lukas 6:35→Deuteronomium 15:8→— En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
a) En als u alleen iets leent aan degenen waarvan u hoopt het terug te ontvangen, wat voor dank heeft u dan? Want ook de zondaars lenen de zondaren, zodat zij eveneens weer mogen ontvangen.
Deut. 15: 8.
KruisverwijzingenMattheüs 5:44→Johannes 13:35→2 Korinthe 8:9→Spreuken 22:9→Psalmen 145:9→Psalmen 112:5→1 Johannes 3:10→Psalmen 37:26→— Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
In tegenstelling tot dezen, die slechts met zelfzuchtige berekening een weldaad bewijzen, moet u een heel ander voorbeeld voor uw wandel kennen. Doe niet als die zondaars, maar heb uw vijanden lief en doe goed en leen zonder ietsterug te hopen en uw loon zal groot zijn en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn; want hij, wiens vaderschap voor u het hoogste loon moet zijn en die u daarom in Zijn gedrag moet navolgen (Efeze. 6: 1), is goedgunstig tegenover de ondankbaren en bozen (MATTHEUS. 5: 39-48).
Voor wie de groet geldt, die komt het danken toe. U doet nu, wil de Heere zeggen, in alle deze dingen niets uit liefde tot God; waarvoor zou Hij u dan danken? Ondanks deze uitdrukkelijke verklaring uit de mond van de Heere maken veel mensen de werken van een liefde die zij met Joden, Turken en heidenen gemeen hebben, ja met de redeloze dieren, tot de grond van hun aanspraak goede Christenen te zijn. Om Zijn discipelen voor zo’n bedrog te bewaren schrijft de Heere hen nogmaals in vs. 35 het gebod van de ware liefde (vs. 35) in het hart en zegt tevens bij wie die liefde te verkrijgen is.
Nadat Jezus heeft aangewezen wat de liefde is waarboven Zijn discipelen verheven moeten zijn, namelijk de natuurlijke, toont Hij hen ook wat de liefde is die zij moeten evenaren, namelijk de goddelijke (- het beeld van de liefde zonder eigenbaat, vol van zelfverloochening.
EVANGELIE OP DE 4e ZONDAG NA TRINITATIS
God heeft ons Zijn barmhartigheid rijkelijk betoond; wij moeten dat met dankbaarheid erkennen en jegens onze broeders ook barmhartigheid en liefde betonen. Wie Gods barmhartigheid echt heeft erkend en aangegrepen, die kan niet onbarmhartig zijn jegens de naaste; de heilige openbaring van de liefde jegens de naaste is de zekere getuigenis van eigen roeping, de ware lof en dank voor Gods barmhartigheid. Daardoor zoeken wij tevens het meest het heil van de ziel van de naaste en roepen zo door daden hen, die het woord niet aannemen (1 Petrus 3: 1 vv. ) en dus hun eigen roeping niet volgen.
Twee zondagen achter elkaar is ons in onze evangeliën Gods rijke barmhartigheid voorgesteld: op de ene hadden wij de gelijkenis van het grote avondmaal, waartoe de Godmens Jezus Christus velen nodigde; op de tweeden hadden wij het zoeken van Christus naar de verdwaalde zielen, in de gelijkenissen van het verloren schaap en van de verloren penning. Heeft Hij u dan tweemaal voorgehouden wat Hij aan u doet, heeft Hij u tweemalen de blik geopend in de zee van Zijn barmhartigheid, welker diepte niemand kan peilen, dan mag Hij u nu ook wel een eis voorstellen. Hij heeft u getoond hoeveel duizend pond onverdiende liefde Hij voor u en aan u heeft betaald; daarom kan Hij u ook van de penning van de barmhartigheid spreken, die u aan uw broeder moet betalen. Wanneer het regent op grote bomen met dicht loof, dan vangen zij de druppels op die liggen op hun bladeren. Daar moeten zij echter niet blijven, daarom komt met de regen en na de regen de wind, ruist door de bladeren en schudt die, zodat de druppels neervallen, zodat het arme kruid en het gras, dat in de schaduw staat, ook hun deel krijgen. Zo wil dan de Heere, onze God, door dit Evangelie ons als door een goede wind schudden, zodat wij de druppels van Zijn gerechtigheid, die op ons zijn gevallen, niet alleen bewaren, maar ze laten overvloeien op onze broeders, die naast ons staan.
Wat is ervoor nodig om barmhartigheid te kunnen betonen? 1) een begenadigd hart, 2) een ootmoedig hart, 3) een oprecht hart.
KruisverwijzingenMattheüs 5:48→Efeze 5:1→Efeze 4:31→1 Petrus 1:15→— Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
Wees dan, omdat het de roeping van u, als Mijn discipelen, is om als God te worden en kinderen van de Allerhoogste te zijn (vs. 35) barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is. Deze heeft een zo warmhart, dat Hij snel bewogen is als Hij een ellendige ziet en niet rust voordat Hij hem heeft geholpen. Hij is goedgunstig ook over bozen en ondankbaren, omdat juist hun ellende Hem ter harte gaat en Hij gedenkt hun boosheid en ondankbaarheid niet.
Evenals Christus het verdervende woord van de slang (Gen. 3: 4): “U zult niet sterven”, dat ons van het leven tot de dood bracht, voor Zijn discipelen heeft veranderd in een woord van belofte (Joh. 11: 25 vv. ), dat hen het leven uit de dood waarborgde, zo heeft Hij ook het verzoekingswoord (Gen. 3: 5): “U zult als God zijn”, dat ons van Gods schone beeltenis tot een beeld van de satans heeft gemaakt, verwisseld in een zeer vriendelijke en zalige vermaning (MATTHEUS. 5: 48): “U moet als God worden”. Zal de mens ook maar in een enkel opzicht worden als God, zo moet hij zichzelf verloochenen en in geestelijke zin doden, want van nature is hij juist het tegendeel van God. Dat heeft in het bijzonder betrekking op het barmhartig worden; is de barmhartigheid het goddelijkste in God, dan is juist daarin ons diep menselijk verderf het meest op te merken, dat van nature zelfs geen vonkje van barmhartigheid in ons is. Zijn wij oprecht en eerlijk, dan kunnen wij het niet loochenen dat wij van nature onbarmhartig zijn jegens anderen d. i., wij hebben geen waarachtig warm hart voor hen, maar een hart dat zichzelf in hen liefheeft, of hen slechts in zoverre liefheeft als zij onze eigenliefde vleien, onze ijdelheid voeden, onze hebzucht en heerszucht dienen, onze wil doen, ons vreugde verschaffen, onze eer bevorderen, ons zelfbevrediging en genot veroorzaken. Onze liefde en genegenheid tot hen heeft dadelijk haar einde gevonden zodra zij hun eigen wil doen gelden of ons te na komen, ons openlijk de waarheid zeggen en ons onverschillig behandelen of pijn aandoen. Ook onze natuurlijke onbarmhartigheid vertoont zich in ons spreken, voelen en geven: wij richten en veroordelen, berispen, bestraffen met onverbiddelijke ernst, laten geen goede draad aan de anderen, laten geen verontschuldiging gelden en houden zelfs een afdoend gericht over de doden. Wij vergeven niet wat men ons gedaan heeft, mokken en blijven onverzoenlijk; wij willen altijd voldoening hebben en zelfs als deze heeft plaats gehad zijn wij in onze dorst naar wraak nog niet bevredigd, maar blijven hatelijk. Wij geven òf in het geheel niet, zijn gierig en hebzuchtig en kunnen van geen penning scheiden die van ons is, òf geven alleen met bedoelingen, maar niet vrijwillig en blij. De Heilige Geest verandert alleen het menselijk hart, zodat het barmhartig wordt jegens de broeders in de volle zin van het woord, omdat Hij hogere en bovennatuurlijke krachten meedeelt, de liefde van God daarin uitstort en het de goddelijke natuur deelachtig maakt. Wordt barmhartig, zegt daarom de Heere volgens de juistere vertaling. Die zo vermaant, veronderstelt, dat de vermaande het niet uit zichzelf is, dat hij integendeel van zichzelf onbarmhartig is.
KruisverwijzingenRomeinen 14:3→Markus 11:25→Kolossenzen 3:13→Jakobus 4:11→Mattheüs 18:34→Jakobus 5:9→Lukas 17:3→1 Korinthe 4:3→— En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.
a) En oordeel niet en u zult niet geoordeeld worden; verdoem niet en u zult niet verdoemd worden, laat los en u zult losgelaten worden.
MATTHEUS. 7: 1. Rom. 2: 1. 1 Kor. 4: 5.
KruisverwijzingenMarkus 4:24→2 Korinthe 9:6→Mattheüs 7:2→Spreuken 3:9→Deuteronomium 15:10→Spreuken 22:9→Spreuken 19:17→Spreuken 10:22→— Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.
a)Geef en u zal gegeven worden 1); een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat (vier uitdrukkingen evenals in vs. 34 vier vermaningen) zal men in uw schoot geven (liever: in uwboezem: de zak of vouw die het kleed op de borst vormt en die voor het dragen wordt gebruikt (Ruth. 2: 18); want met dezelfde maat waarmee u meet, zal u weer gemeten worden 2) (MATTHEUS. 7: 2. Mark. 4: 24).
Spr. 10: 22. 19: 17.
Dat de Evangelist op het getal vier als het getal van de wereld drukt, bleek al in vs. 20-26 in de 4 zaligsprekingen en het viermaal herhaalde wee. Ook in de schildering van de vorige werkzaamheid van Jezus in Galilea zijn het 4 wonderen die daar worden verteld (Hoofdstuk 4: 33 vv. 38 vv. ; 5: 4 vv. , 12 vv. ) en vier conflicten met de tegenstanders (Hoofdstuk 5: 17 vv. 30 vv. 6: 1 vv; 6 vv. ). Zo vertoont zich dan op onze plaats ook het liefdevolle erbarmen omtrent de naaste op viervoudige wijze, in het niet-oordelen, niet-verdoemen en vergeven en geven. De Heere eist hier een zacht oordeel over de naaste, 2) een vergevend hart omtrent de naaste 3) een open hand voor de naaste.
Hoe zijn wij daarentegen gewoon ons te gedragen 1) bij de verkeerdheden van de naaste, 2) bij het van hem geleden onrecht, 3) bij zijn ons bekende nooddruft?
Bij de vermaning: “Oordeel niet” ziet de Heere duidelijk op het oordelen dat de Schriftgeleerden en Farizeeën in Israël verrichtten, dat door zijn hardheid en aanmatiging meer schadelijk dan nuttig werd, zoals dat bleek in de uitwerking op tollenaars en dergelijke mensen (Hoofdstuk 15: 18-20).
De mens is buitengewoon geneigd om over zijn naaste gericht uit te oefenen; heeft hij slechts een beetje van Gods geboden gehoord dan wendt hij het ook dadelijk aan, niet om zichzelf, maar om andere daarnaar te beoordelen. Zo’n gebruik maakten vooral de Joden van de rijke mate van kennis, die hen in vergelijking met de heidenen verleend was (Rom. 2: 1 vv. ). Zo iets wil de Heere bij Zijn discipelen niet dulden; wanneer wij meer licht ontvangen dan anderen, dan moeten wij het aanwenden om onszelf daarnaar te beoordelen en onze groei en kennis moet tevens een groei zijn in ootmoed en zachtheid. Maar zo is de mens, dat hij denkt door een scherp oordeel over anderen het beste bewijs van zijn vroomheid te zullen geven, ja de verblinding gaat zo ver dat de huichelaars menen, door het opmerken van splinters zichzelf bij God en mensen aan te bevelen, alsof de Heere hun eigen gebreken des te minder zou opmerken hoe erger zij tegen anderen losbranden.
Het slechtste is die zonde van oordelen, wanneer zij zich verbergt onder Christelijke vormen, want er zijn velen, die boven anderen Christenen willen zijn en menen dit niet beter te kunnen betonen, dan wanneer zij zich strenge zedenmeesters betonen. Met zorg zoeken zij alle fouten en gebreken bij een Christen op en maken daaruit een wonder beeld. Hij is geen Christen, zegt men dan; het is niets dan huichelarij bij hem; hij heeft het woord van God op de tong -laat hem lopen! Zo vinden niet eens diegenen genade in hun ogen, die de genade van de Heere in verzorging en bescherming genomen heeft; en men moet al bijzonder de kunst verstaan, om zich naar hun manier en luimen te schikken, wanneer zij hem niet met schouderophalen wegzenden en van de lijst van ware Christenen zullen schrappen. Die willen dan ware pilaren van het rijk van God zijn, terwijl zij hier een paar balken, daar stenen uitrukken of het hele dak afnemen en zich er voorstaan zelf alles in allen – zuilen, dak en balken – te zijn.
Die zich als rechter over anderen opwerpt doet dit niet om anderen te verhogen, maar om hen te verkleinen, te veroordelen, daarom gaat de Heere opklimmende voort: “Verdoem niet. ” Hoe kunnen wij onze naaste willen verdoemen? Al ligt hij, wanneer wij hem geheel juist beoordelen, in zware zonde, hebben wij dan enig recht of de plicht hem te verdoemen? Recht zeker niet, want ieder staat en valt zijn Heer en plicht ook niet, want de mensenzoon is niet gekomen om de zielen van de mensen te verderven, maar te behouden. Wij moeten geen stenen tegen onze broeder, die zondigt, opheffen, opdat hij sterft, maar biddende handen opheffen, opdat hij leeft.
Wanneer u ootmoedig bent, zult u niet alleen over het doen en laten van de naaste, maar ook over de persoon van de naaste barmhartig oordelen; U hoeft hoeft er slechts aan te denken hoe God de staf over u zou kunnen breken, hoe Hij daartoe wel recht zou hebben en het toch niet doet. – O echt, dan zult u het nooit over uw hart kunnen verkrijgen de naaste alle goeds te ontzeggen en een gedrukte maat van schuld op hem te wentelen en zijn naam voor uitgeschrapt te verklaren uit het boek des levens. En wanneer de naaste u gekrenkt heeft en beledigd of nog voortdurend u krenkt en beledigt, dan zult u het niet voor een schande houden die belediging op u te laten blijven, niet menen dat het noodzakelijk zou zijn om het hem meteen te vergelden en af te rekenen en bitterheid tegenover bitterheid te plaatsen; maar u moet bedenken hoe vaak u reden hebt de vijfde bede te bidden en hoeveel geduld en lankmoedigheid God met u moet hebben. U moest u integendeel schamen en een oog toedrukken bij wat de naaste u doet en hem uw hart weer schenken en naar hem de hand uitsteken en zo het gebod vervullen: “Vergeef”. Pas wanneer u bedenkt hoeveel gaven u van God hebt ontvangen, hoeveel u nog nodig hebt, hoe u van het begin tot het einde uw levens zo arm en behoeftig voor Hem staat en alleen van Zijn aalmoezen leeft, dan zult u in alles wat u hebt, in uw eigendom geen nieuwe bezitting zien, maar goederen die u God heeft toevertrouwd, om de naaste daarmee te dienen. U zult, als een van uw broeders met biddende blik om de gave van de barmhartigheid vraagt, hem niet verachten, maar bedenken, dat, als
God aan Zijn goedheid een einde wilde maken, u snel evenzo hongerig, evenzo naakt, evenzo zonder dak, armzalig en veracht daar zou staan, als hij, die u nu een bedelaar noemt en u zult gewillig het gebod van de barmhartigheid vervullen: “Geef.”
De liefde werkt niet om loon en dank; zij stamt af van Hem, die dagelijks zowel ondankbaren als dankbaren met de volheid van Zijn weldaden overlaadt; en zo ziet ook zij de algemene ellende in de wereld, evenals haar Vader aan en verheugt zij zich, door ontferming, verschoning en hulp, zoveel mogelijk tot verzachting mee te werken. Toch is de liefde in onze borst niet alleen goddelijk, maar ook menselijk en haar kleeft daarom, evenals elke andere menselijke deugd, zwakheid, lauwheid en afmatting aan; zij heeft tijden van opwekking nodig om niet te zeggen dat zij die altijd nodig heeft. Daarom heeft ook de Heere, die ons kent, bij Zijn woorden en geboden zo vlijtig beloften en bedreigingen gevoegd, dat Zijn dienaars beide aan Zijn volk voorhouden en in haar waarheid en grootte aanwijzen. Dan verschrikt de bedreiging de trage en drijft hem van het bed van de zonde weg; de schone kroon van de belofte lokt en trekt ook de vlijtige aan. Wat nu de bijzondere belofte van onze tekst betreft, zo wijzen de woorden: “Men zal geven” op een vergelding door mensen. De Heere wil de barmhartige door mensen barmhartigheid laten overkomen en een onbarmhartig oordeel zal de onbarmhartige door mensen treffen. Belofte en dreiging van de Heere verwijzen ons dus niet in de eerste plaats naar het einde der dagen en in de eeuwigheid, maar in de geschiedenis en in de ervaring van het dagelijks leven. Wij moeten echter bekennen dat wij, hoe vast Gods woorden zijn, toch niet met gelijke zekerheid de vervulling in dit leven tegemoet kunnen zien; wij zien niet overal de vervulling van de goddelijke gerichten, maar wachten op de dag die alles duidelijk maakt. Velerlei en veel openbaart de Heere vaan Zijn knechten, maar de volheid van Zijn openbaring ligt toch aan het einde. Zeer gemakkelijk is het zeker de bewijzen ervoor te vinden, dat hij die oordeelt en verdoemt, ook weer veroordeling en verdoeming en dat hij die niet graag oordeelt en het vonnis van de verdoemenis terughoudt, ook weer verschoning bij zijn medemensen vindt; in het bijzonder wacht de gewraakte verkeerdheid van oordelen en verdoemen een zekere vergelding. Welk mens, die zijn tong misbruikt tot oordelen en verdoemen van zijn broeders, zou gebleven zijn zonder geoordeeld en verdoemd te worden? Al zeldzamer is het bewijs voor de rechtvaardige wedervergelding van hen die niet oordelen en verdoemen en nog veel zeldzamer zal het zijn dat de mensen Gods beloften volbrengen aan degenen die vergeven en geven. Tot wraak van al wat kwaad is, vindt de Heere handen en werktuigen genoeg onder de vromen en goddelozen; maar wie leent Hem graag Zijne hand, wanneer Hij de zachte harten en handen, die graag vergeven en geven, desgelijks wil doen? Dan moeten Hem vaak de raven dienen, omdat de mensen ontbreken. Toch moeten wij ook niet al te treurig zijn: de Heere heeft altijd en op veel plaatsen ook nog dienaren en dienaressen die graag Zijn woorden waar maken en met vreugde en aanbidding aan Zijn beloften vervulling geven. Hij zelf leidt vele vromen en vele goddelozen, dat zij wel niet weten wat zij doen, maar toch voor geopende ogen duidelijk blijkt dat zij werktuigen zijn in de hand van de Heere, om alles te volvoeren wat Zijn mond heeft gezegd. Wanneer aan het einde der dagen de scheiding zal plaats hebben, dan zal het blijken dat geen vergevensgezind hart zijn tweede gemist heeft, dat in Gods naam antwoordde en eveneens vergevensgezind was; dat geen zacht woord zonder echo, geen beker koud water, in de naam van de Heere gegeven, zonder beker bleef die bescheid deed. Er gaat door het leven een gerechtigheid, die, wanneer zij zich laat zien, met majesteit verschijnt en op de knieën werpt, maar vaak wordt gevoeld dan gezien en nog vaker onopgemerkt en ongekend daden verricht, waaruit op de jongste dag Gods bestuur door alle mensenkinderen gerechtvaardigd zal worden. Laat ons met geduld en goede werken naar het eeuwige leven zoeken. Ten slotte zullen allen met de vergeldende gerechtigheid van God tevreden zijn; en als geen mens zal hebben vergolden, dan zal toch Eén vergelden en deze volkomen, namelijk de Vader, die in het verborgene ziet.
In de woorden: “Een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat” zien wij, hoe zij, die de barmhartige zijn weldaden willen belonen, het niet rijkelijk genoeg kunnen maken, hoe zij zich beijveren om hen de volle zegen in de schoot te brengen. Een schone, grote, volle maat brengen zij; maar het komt hen te weinig voor, al is er ook nog zoveel in; zij drukken er nog met de hand op om ruimte te maken, zij schudden er aan opdat de korrels nog dichter tot elkaar komen, ja zij hopen nog op zodat het koren over de rand van de maat heenloopt.
Wij mogen ons niet laten afvoeren, als vaak alle liefde verdwenen en verloren schijnt te zijn; wij worden vaak tienmalen bedrogen en misleid voordat wij een vrucht van onze bemoeiingen en verdrietelijkheden zien. Behoud dan de wereld haar loon, betaalt zij met haat ten vloek wat zegenende handen haar met liefde hebben toegereikt! Voor ons moet dat een getuigenis zijn dat wij in dit leven nog niet beloond zijn, maar een beter loon hebben te wachten. De eeuwige beloften van de Heere zijn veel te groot en te gewichtig dan dat wij die voor het karige tijdelijke loon zouden weggeven, of ons zouden beklagen dat onze arbeid tevergeefs en ons zaaien verloren zou zijn.
Zou bij het “men” niet voornamelijk gedacht moeten worden aan de vrienden, waarvan in Hoofdstuk 16: 9 sprake is?
KruisverwijzingenMattheüs 15:14→2 Timotheüs 3:13→1 Timotheüs 6:3→Jesaja 9:16→Mattheüs 23:16→Jeremia 14:15→Romeinen 2:19→Jesaja 56:10→— En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
En Hij vertelde hen een gelijkenis met het oog op degenen die met hun streng oordelen over anderen zich als de geroepen leidslieden van het volk en als de meesters in Israël voordoen. Die gelijkenis luidde 1) Kan ook wel een blinde (MATTHEUS. 23: 16 v. , 19, 26) een blinde op de weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? 2) (MATTHEUS. 15: 14).
Jes. 42: 19.
Het afbreken van de doorlopende rede geeft een ogenblik van stil nadenken te kennen. Jezus zoekt een beeld om Zijn hoorders de beklagenswaardige uitwerksels van het Farizese oordelen te doen voelen.
Waren de Farizeeën niet de lichamelijke tegenbeelden van wat de Heere Zijn toehoorders op het hart drukte? Wie stelde zich zo graag op de rechterstoel, wie brak met vrolijk welbehagen de staf over de naaste als de Farizeeër? Blind waren deze leidslieden in Israël en deze mannen, met de ergste blindheid geslagen, boden zich het volk, dat ook blind was, als wegwijzers aan. Hoe zou dat gaan? Die anderen de weg wil wijzen, hen daarop leiden wil, die moet zelf de juiste weg weten en bewandelen. Die zelf de juiste weg niet kent, noch bewandelt, die kan degene slechts doen dwalen en in de groeve doen vallen die zich aan zijn leiding overgeeft.
KruisverwijzingenJohannes 13:16→Johannes 15:20→Mattheüs 10:24→Mattheüs 23:15→— De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
De discipel is niet boven zijn meester, dat hij die zou overtreffen, maar iedere volmaakte discipel, ieder, die zover gekomen is, als hij door die meester komen kan, zal zijn gelijk zijn meester. De discipelen van de Farizeeën zullen het er niet toe brengen, dat zij hun leermeesters ooit in verlichting overtreffen, zij zullen het slechts daartoe brengen, dat zij zijn als deze. Zij moeten daarom ophouden in hun school te gaan en van hen te leren, anders worden zij nooit van hun blindheid, die naar het verderfvoert, verlost.
Het “in de gracht vallen” zal eindelijk nog het hele volk overkomen, wanneer het onder de leiding van de Farizeeën blijft. Hoe groter voortgang het maakt in de school van zodanige leermeesters, des te nader komt het bij zijn verderf. Inderdaad hebben dan ook de Farizeeën op het hele volk zozeer hun stempel gedrukt, dat Israël ten slotte een volk is geworden dat door en door Farizees was! Wanneer de apostel niet zei dat hij de Jood schilderde, wij zouden denken dat een Farizeeër hem tot dat beeld had gediend dat hij ons in Rom. 2: 17 vv. voorhoudt. In MATTHEUS. 10: 24 vv. (vgl. Joh. 15: 20) is de spreuk van ons vers in een andere zin gebruikt als hier: de dienaren van Christus moeten niet verwachten beter behandeld te zullen worden dan hun Heer en Meester.
KruisverwijzingenJohannes 8:7→Jakobus 1:24→1 Koningen 2:32→2 Samuël 12:5→Mattheüs 7:3→Jeremia 17:9→Romeinen 2:21→Ezechiël 18:28→— En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
En waarom ziet u de splinter die in uw broeders oog en de balk die in uw eigen oog is, merkt u niet op.
KruisverwijzingenHandelingen 9:9→Psalmen 51:9→Filemon 1:10→Mattheüs 26:75→Mattheüs 23:13→Romeinen 2:21→Handelingen 2:38→Romeinen 2:1→— Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.
Of hoe kunt u tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik de splinter, die in uw oog is, uitdoe, omdat u zelf de balk, die in uw oog is, niet ziet? Geveinsde! a) Doe eerst de balk uit uw eigen oog en dan zult u de splinter uit uw het oog van uw broeder doen (MATTHEUS. 7: 3-5).
Spr. 18: 17.
Van de vier openbaringen van barmhartige liefde, in de tekst genoemd, worden de twee mindere: “Niet oordelen, niet verdoemen” betrekkelijk het zeldzaamst gevonden. Men zou denken, oordelen, verdoemen, brengt volstrekt niets aangenaams, geen bevrediging aan, brengt integendeel zoveel pijn aan en heeft zoveel kwade gevolgen achter zich, dat ieder het graag zou willen afwennen. Dat is echter in het geheel het geval niet. Er is in het menselijk hart zo’n lust om te oordelen en te verdoemen, dat blijvend de een tegen de ander die zonde misdrijft. Daarom keert ook de Heere in onze hele hier voor ons liggende afdeling nog eens tot deze afschuwelijke paar lusten en gebreken terug en probeert Hij ze ons door de beide gelijkenissen, van de blinde die de andere blinde de weg wilde wijzen en van de splinter en de balk, te doden, ons daarvan te verlossen en te reinigen.
U bent blind en kent de weg naar het leven niet, wil de Heere zeggen: laat u door Mij verlichten, anders valt u met degenen die u volgen in het verderf. U kunt toch uw leerlingen niet geven wat u niet hebt; al nemen zij ook alles van u aan, al zijn zij uitgeleerd, dan zijn zij toch slechts volkomen zoals u, dat is volkomen blind. Het is zeker gemakkelijker om de weg te wijzen, dan de weg zelf te gaan, gemakkelijker en aangenamer voor een andere deur te vegen, dan voor zijn eigen; maar er is geen zegen bij, noch voor de meester, noch voor de discipel en het allerminst strekt het hen tot eer. Te Scethe in Egypte spraken eens de vergaderde gelovigen veel met elkaar over de gebreken van anderen. Lang zweeg de oude vader Pior, toen ging hij naar buiten, vulde een zak met zand, legde die op zijn rug en droeg een beetje zand in een mandje voor zich. Zo trad hij weer bij de broeders binnen. Toen deze hem vroegen wat dat moest betekenen, antwoordde hij: de zak op mijn rug zijn mijn zonden; ik heb hem daarom op mijn rug gelegd, omdat ik ze niet wil zien; in de plaats daarvan draag ik de verkeerdheden van mijn broeders voor mij, want ik heb er behagen in die te beschouwen. Ach, de Heere zal onze ver uitziende ogen omkeren en de kracht van hun zien naar binnen keren.
Er zijn twee vruchten welke de Heilige Geest in het hart wil scheppen; de ene heet zachtheid jegens anderen, de tweede strengheid tegen onszelf. Pas wanneer ons leven deze beide vruchten heeft voortgebracht, staan wij in de juiste betrekking tot anderen en tot onszelf en zijn wij beide, waar en gelukkig tegelijk.
KruisverwijzingenJeremia 2:21→Mattheüs 7:16→Jesaja 61:3→Mattheüs 12:33→Mattheüs 3:10→Jesaja 5:4→Psalmen 92:12→— Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;
Wat uwe leer en uw onderwijs teweeg zal brengen hangt helemaal af van hoe uw eigen hart gesteld is. Is dit gezond, dan zal ook uw arbeid een heilzame zijn, in het tegenovergesteld geval kunt u slechts verderf stichten; want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt.
KruisverwijzingenJakobus 3:12→Mattheüs 12:33→Titus 2:11→Galaten 5:19→Judas 1:12→— Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.
Want iedere boom wordt door zijn eigen vrucht gekend; want men ziet geen vijgen van doornen en men snijdt geen druif van bramen (Hoofdstuk 7: 16 vv. ; 12: 33).
De samenhang van deze beide verzen met de vorige inhoud van de rede is de volgende: anderen te verbeteren zou een goede vrucht zijn, maar die kan niet verwacht worden van een boom, die zelf niet goed is.
De vruchten van de boom zijn noch de zedelijke handelingen van de levende personen, noch hun leringen, maar de uitwerkingen van hun arbeid bij anderen: een hoogmoedige kan ootmoed, een egoïst liefde prediken zoveel hij wil, de uitwerking van zijn woord zal verlamd zijn door het aanstekelijke van zijn voorbeeld.
Deze altijd hard woorden van de Farizeeën en Schriftgeleerden, die vitterijen, instellingen, nietigheden, vervloekingen, zijn zij niet oneetbaar als de vruchten aan de doornenstruik: wie zou die vruchten voor de eigenlijke levensvrucht van de theocratie, voor de vijgen, het fijne brood, voor de druiven, die gezochte lafenis in het rijk van de liefde houden? In de rede tot het volk is wat doelt op de Farizeeën en Schriftgeleerden onmiskenbaar, zoals dat in de eigenlijke bergrede wordt gehouden, met de hoogste wijsheid in meer algemene uitdrukkingen samengevat, overeenkomstig het geestelijk standpunt van het volk, zonder dat iets aan de waarheid tekort werd gedaan; de discipelen ontvangen dus in deze twee redenen van de Heere ook een levendig voorbeeld van deze hemelse vrije wijsheid in het leren, die een is met de hoogste moed tot prediking, omdat zij deze in het vervolg zozeer nodig hadden.
KruisverwijzingenSpreuken 4:23→Efeze 4:29→Mattheüs 12:34→Kolossenzen 4:6→Johannes 7:38→Jakobus 3:5→Kolossenzen 3:16→Spreuken 10:20→— De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
Ja, in waarheid zal uw leer en uw onderwijs door hun aard zelf al de toestand van uw hart openbaren. De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart en de kwade mens brengt het kwade voort uit de kwade schatvan zijn harten; want waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over (MATTHEUS. 12: 34, 35).
De liefde in al haar openbaringen als zachtmoedigheid, geduld, barmhartigheid, dat zijn de rijpe vijgen en zoete druiven, die de Heere aan Zijn discipelen wil leren. Wat moeten wij daarvoor doen? Wij moeten eerst vijgenbomen en wijnranken worden, wij, die van nature doornen en bramen zijn; moeten eerst een goede schat van het hart ons laten schenken, wij die van nature een boze schat van het hart hebben. Onze lieve Heere Christus wil die verandering bij ons bewerkstelligen. Hij wil onze woestijnen tot lusthoven maken, onze harten moeten worden als een bevochtigde tuin en als een waterbron, die het nooit aan water ontbreekt (Jes. 51: 3; 58: 11). Wij moeten bomen van de gerechtigheid genoemd worden, planten van de Heere, Hem tot eer; wij moeten kracht en leven uit Hem trekken, als uit de wijnstok en vele vruchten voortbrengen (Jes. 61: 3. Joh. 15: 5). Dat moet met ons gebeuren in de weg van boete en geloof; het is vergeefse moeite wanneer men iets goeds wil doen voordat men kan, of vroom leven voordat men tot het leven uit God is wedergeboren.
KruisverwijzingenMaleachi 1:6→Mattheüs 7:21→Lukas 13:25→Galaten 6:7→Johannes 13:13→Mattheüs 25:24→Mattheüs 25:44→Mattheüs 25:11→— En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?
a) En waarom noemt u Mij: Heere, Heere! en doet niet wat Ik zeg (MATTHEUS. 7: 21).
KruisverwijzingenJakobus 1:22→Mattheüs 7:24→Jakobus 4:17→Lukas 11:28→Romeinen 2:7→Johannes 14:15→Johannes 15:9→Johannes 5:40→— Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.
Een ieder, die tot Mij komt en Mijn woorden hoort en die ook doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is.
Kruisverwijzingen1 Korinthe 3:10→Jesaja 28:16→Psalmen 62:2→Judas 1:24→Johannes 16:33→2 Samuël 22:32→2 Samuël 22:5→Psalmen 93:3→— Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.
Hij is als een mens, die een huis bouwde en groef en verdiepte en het fundament legde op een steenrots. Toen nu de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan en kon het niet bewegen, niet aan het wankelen brengen; want het was op de steenrots gegrond.
KruisverwijzingenSpreuken 28:18→Ezechiël 33:31→Jakobus 2:17→Jakobus 1:22→Lukas 19:27→1 Johannes 2:19→Johannes 15:2→Lukas 11:24→— Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.
Maar die ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is als een mens die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; waartegen de waterstroom sloeg en het viel meteen, het stortte dadelijk ineen en de val van dat huis was groot, omdat het geheel werd omvergeworpen (MATTHEUS. 7: 24-27).
Vs. 45 handelde over de vrucht van de boom, of over wat uit de schat van het hart voortkomt, zover het in woorden bestaat; vs. 46 leidt de gedachte verder: wat baten de juiste woorden, wanneer de daden er niet mee overeenkomen? Hiermee hangt dan het slot van de rede samen.
Wat de gelijkenis aan het slot betreft is aan de hellingen van de heuvels rondom het meer van Gennezareth de rots op veel plaatsen met een dunne laag aarde of zand overdekt; de verstandige graaft door deze zachte aarde heen, hij graaft diep tot op de rots, waarop en waarin hij het fundament legt; maar de dwaas houdt op met graven voordat hij aan de rots komt. Op de aarde bouwen wil zeggen de wil van de Heere slechts in het verstand, het meest oppervlakkige en het meest persoonlijke deel van ons ik, opnemen, maar er het geweten voor sluiten en de toestemming van de wil, het waarachtig persoonlijke element van ons wezen, daaraan ontzeggen. De beproeving van ons geestelijk gebouw heeft plaats door de verzoeking, door de vervolging, eindelijk door de dood, waarop het oordeel volgt; zijn val wordt voltooid door het ongeloof op aarde en door de verdoemenis daarna.
Deze profetische gelijkenis wordt vervuld in het individuele leven overal in de tegenstelling tussen de ware gelovigen en de schijn- en ongelovigen. In het groot werd zij vervuld in de tegenstelling van de vleselijke en geestelijke gemeente, waarin Israël werd verdeeld tegenover Jezus’ woord en zonder twijfel heeft Christus hier met bewustzijn gewezen op de ontwikkeling van deze wereld historische tegenstelling. De wijze man zijn de ware discipelen van Jezus; deze hebben gegraven in de diepte om het fundament van hun huis te leggen. Zij hebben het in de diepte van het kruislijden, van verloochening van de wereld gelegd op de rotssteen, op Gods trouw en Christus’ strijd en overwinning; en de grote wereldstorm is gekomen in winden en regenstromen en heeft in zijn aanval op het huis de kracht daarvan beproefd – het is vast blijven staan, het is een burcht! Daarentegen heeft de dwaze man zijn huis gebouwd op de onvaste aarde, op zand; zo bouwde de vleselijke gemeente in Israël; ook zij hoorde het woord van Christus, maar zij bewaarde het niet. Dat heeft de storm van kritiek aan de dag gebracht, dat haar huis geen grond had; zodra de grote wereldstorm over haar kwam en tegen haar fundament aanviel, stortte het dadelijk ineen en de val van het huis was groot, was een wereldbewegende gebeurtenis.
Hoe het volk, nadat het de rede van de Heere had gehoord, zich verwonderde over de macht waarmee Hij predikte, zie daarover MATTHEUS. 7: 28 v.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Te veel mensen menen dat de diensten van het heiligdom er alleen zijn om hén te voeden. Zij zien het huis van God nooit als een kazerne voor soldaten, of als een plaats waar werklieden samenkomen om hun gereedschap te slijpen. Zij houden het enkel voor een gewijde winkel, een geestelijke provisiekamer, waar veel te ontvangen valt en weinig of niets teruggegeven wordt. Er is meer eer in het steken van uw arm tot aan de elleboog in de modder om een juweel voor Christus te vinden, dan in het wassen van uw ledige handen met de geurige zeep van de fatsoenlijke welvoeglijkheid.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Lukas 6
Lukas 6:6-10.KruisverwijzingenMarkus 3:1→Mattheüs 12:9→Lukas 14:3→Markus 3:5→Mattheüs 4:23→Lukas 11:53→Lukas 20:20→Markus 3:2→
— En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
“En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.”
Ik meen die doordringende blik te zien, die tot in hun hart las en de boosheid veroordeelde die Hij daar zag. Hij zag hen allen rondom aan.
Lukas 6:11.KruisverwijzingenHandelingen 5:33→Mattheüs 12:14→Lukas 4:28→Johannes 11:47→Handelingen 26:11→Handelingen 4:15→Mattheüs 21:45→Johannes 7:1→
— En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.
“En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.”
Dit was het tweede wonder dat onze Heere op de sabbat werkte, en ook dit was heel opmerkelijk.
Lukas 6:32-34.KruisverwijzingenMattheüs 5:42→Mattheüs 5:46→Lukas 14:12→1 Petrus 2:19→Lukas 6:35→Deuteronomium 15:8→
— En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde. En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
“En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde. En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.”
Deze verzen laten ons zien dat christenen mensen van de diénst moeten zijn. Zij moeten niet menen dat zij in de wereld gekomen zijn om aan een gastmaal aan te zitten. Zij moeten hun Meester bedienen terwijl Híj aan tafel zit.
Wij moeten los komen van die benauwende invloed van de geest die zelfs de godsdienst tot een zelfzuchtige voorziening voor onszelf maakt. Wij zijn er om te diénen, niet om op ons gemak aan te liggen.
Wat doen wij toch, dat wij zo bezorgd zijn om te rusten en onszelf goed te doen? De Heere Jezus Christus wil niet dat wij altijd vragen: hoe kan ik gelukkig zijn? Hoe kom ik aan geestelijk genot?
Van dienstknechten wordt niet verwacht dat zij hun tijd besteden aan hun eigen genoegen en aan het zoeken van hun eigen voordeel. Een knecht wiens hele tijd opging aan het bewaken van zijn eigen bezit zou voor zijn werkgever weinig waard zijn. Zo hebben ook wij nog iets anders te doen dan over onze eigen innerlijke gevoelens te waken.
Een brandhout uit het vuur te rukken is beter dan onze eigen handen te warmen. Een hongerige ziel te voeden met het brood van de hemel is een veel hogere daad dan zelf het vette te eten en het zoete te drinken.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-11.KruisverwijzingenDeuteronomium 23:25→1 Samuël 21:3→Mattheüs 12:1→Markus 2:23→Mattheüs 12:2→Mattheüs 21:16→Markus 2:25→Leviticus 24:5→
— En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen. En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten? En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren? Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren. En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat. En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
In de voorgaande tweede rij van verhalen (Hoofdstuk 5: 12-39) geeft de Evangelist het begin aan van de vijandige verhouding van de Schriftgeleerden en Farizeeën tegen Jezus weer, zowel om Zijn genadige neerbuiging tot boetvaardige en gelovige zondaars, alsook om de vrijheid van menselijke instellingen, die Hij Zijn discipelen veroorloofde. Nu volgt een derde reeks, waarvan dadelijk de eerste geschiedenis van de tweede eerste sabbat en de andere sabbat zo’n graad van vijandschap van de kant van de Schriftgeleerden en Farizeeën vertoont, dat men over Jezus’ ondergang denkt. Hiertegenover is de Heere geheel in Zijn recht wanneer Hij in de keus van de twaalf apostelen de grond legt tot een nieuw Israël, dat in de plaats moet treden van het oude, het in goddeloosheid verharde. Hij spreekt dan ook in de daaraan zich aansluitende prediking op een plaats op het veld, die een voor het volk ingerichte herhaling van de bergrede is, in twee hoofdstellingen uit, welke geest Zijn gemeente moet bezielen, die tegenover het farizees ongelovige Jodendom staat: aan de een kant het verloochenen van alles wat op aarde is, om te beslister en onverdeelder te streven naar hetgeen boven is en aan de andere kant de onbeperkte liefde voor de naaste, ook voor de vijand, een Liefde die niet vloekt, maar zegent, niet neemt, maar geeft, niet anderen oordeelt, maar bovenal het eigen leven betert. Maar de Heere ziet, zoals Hij al aan het slot van Zijn rede te kennen geeft, het al vooruit, dat Hij in Israël weinigen zou vinden die Zijn rede zouden horen en doen, dat integendeel het nieuwe Israël hoofdzakelijk uit de heidenen zou worden verzameld, die Zijn woord zouden aannemen en zich gelovig aan Hem zouden overgeven. Dat bleek ook snel daarop in de geschiedenis van de hoofdman te Kapernaüm en terwijl Lukas met deze geschiedenis de rij sluit, keert hij aan het einde van de derde groep tot het begin van de tweede terug en verenigt beide tot een groot geheel, waarvan de hoofdgedachte die is, die aan het slot van de opmerkingen bij MATTHEUS. 8: 7 is uitgesproken. Wat nu de eerste geschiedenis van de drie die deze groep uitmaken betreft, bestaat die uit de beide voorvallen op twee op elkaar volgende sabbatdagen, het aren plukken van de discipelen aan de ene kant en de genezing van de man met de verdorde hand aan de andere kant, die in de paasweek van het jaar 29 na Christus vallen. De Evangelist gaat daarmee eigenlijk verder dan die periode van Christus’ werkzaamheid in Galilea, waarbinnen hij Zich in de tweede en derde groep houdt; maar omdat Hij in de voorgaande geschiedenis Jezus al op Zijn geweldige dood heeft laten wijzen (Hoofdstuk 5: 34 vv. ), moet hij de lezer ook nu met de voorbereiding van die verwezenlijking bekend maken en zonder bedenking kan hij zo ver gaan, omdat voor zijn gezichtskring de hele omvang van de gebeurtenissen van Luc. 4: 14-6: 11 een nauw bij elkaar behorende periode vormt.
En a)het gebeurde op de tweede eerste sabbat, d. i. op de eersten van de zeven sabbatten 12: 1″), die volgens Lev. 23: 15 van de tweede dag van het paasfeest geteld moeten worden, dat Hij te Chorazin, waar Hij Zich toen ophield, aan het einde van de godsdienst in de daar aanwezige synagoge een wandeling met de discipelen maakte en door het gezaaide op een weg, die door de akkers leidde, ging. En Zijn discipelen, die hongerig waren, plukten aren, zoals de Mozaïsche wet dat toeliet, wreven ze met de handen om er de zaadkorrels uit te krijgen en aten ze. Dit was echter een werk dat volgens de farizese grondstellingen verboden was.
Deut. 23: 25.
En sommigen van de Farizeeën zeiden tot Hem: Waarom doet gij, omdat u door het wrijven van de aren en het eten van de korrels enigermate dorst en maalt a), wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
Efod. 20: 10.
En Jezus antwoordde: Hebt u ook niet gelezen wat David deed toen hij honger had en degenen die met hem waren (1 Sam. 21: 1 vv. ).
Hoe hij ingegaan is in het huis van God en de toonbroden genomen en gegeten heeft en ook gegeven heeft aan degenen die met hem waren, terwijl de toonbroden volgens Lev. 24: 9 alleen door de priesters gegeten mogen worden?
En Hij zei tot hen, om bij Zijn verdediging nog een belangrijke aanmerking te voegen: De Zoon des mensen is ook een Heere van de sabbat.
Men heeft geen recht om wegens het door Lukas in Hoofdstuk 1: 3 beloofde orde te verwachten, dat hij nu ook nauwkeurig de geschiedkundige volgorde bij zijn verhalen zal vasthouden. Hij was geen onmiddellijk oog- en oorgetuige van Jezus’ daden en woorden, ten minste in deze eerste tijd. De Evangelische traditie hield zich niet zo streng aan de opvolging van tijd. Zo had hij dan of bijzondere chronologische studie moeten maken, of in het bijzonder, wat de chronologie betreft, door de Heilige Geest moeten worden verlicht en geleid, terwijl geen van beide behoorde tot zijn ambt of in de bedoeling van zijn evangelie lag. Belangrijker is het in Hoofdstuk 1: 4 genoemde doel: “Opdat u mag kennen de zekerheid van de dingen, waarover u onderwezen bent. ” Daarmee is duidelijk het Paulinische Evangelie, of het Evangelie van Paulus (Rom. 16: 25) bedoeld, dat door de Judaïstisch gezinden niet volgens zijn geschiedkundige inhoud, maar wel naar zijn dogmatische opvatting zo veelvuldig is aangevallen en in zijn echtheid bestreden en dat nu aan Theophilus in zijn onomstotelijke juistheid uit Christus’ eigen woorden en werken zou worden aangewezen. Het was te doen om een geschiedkundige weerlegging van de bewering dat het evangelie van Paulus zowel de feiten van Jezus leven als Zijn leer tegensprak; nu sluit Lukas zich in hoofdzaak geheel aan de volgorde van de gebeurtenissen aan, zoals die gebruikelijk was geworden door de prediking van de door Judaïstisch gezinden zo hoog gestelde Petrus en die ook in het Evangelie van Markus in het oog gehouden is. Hij schrijft dus inderdaad “in orde”, maar laat nu ook in het oog springen hoe van het begin af het farizese Judaïsme zich tegen Christus aankantte, Hem lasterde en vervolgde, omdat Zijn leer en Zijn werk vrijheid zocht van het juk van uitwendige instellingen, zodat integendeel het Christendom, dat door de Judaïstisch gezinden tegenover het Paulinische was gesteld, het door de Heere bestredene en verworpene was. In de geschiedenis die voor ons ligt bepaalt hij zich bij die woorden van Christus, die het Christelijke van uitspraken van Paulus, als: Gal. 4: 3 en 9 bevestigt en wat de Zondag (Hand. 19: 7. 1 Kor. 16: 2) die al veel in ere was bij de Paulinische gemeenten, als de nieuwe Sabbatdag 12: 8), door Jezus al vroeg bedoeld, deed kennen.
En het gebeurde ook op een andere sabbat, die de volgende dag inviel (MATTHEUS. 12: 9), dat Hij in de synagoge ging en leerde. En daar was een mens met een dorre rechterhand.
En de Schriftgeleerden en de Farizeeën, nog verstoord over het gesprokene van de vorige dag, letten op of Hij op de sabbat genezen zou, zodat zij enige beschuldiging tegen Hem zouden vinden, een gelegenheid waarbij zij met beter gevolg dan bij het aren plukken Zijn discipelen op de vorige dag Hem van sabbatsschennis zouden kunnen beschuldigen.
Maar Hij kende hun gedachten en zei – met opzet duidelijk voorstellend wat Hij bedoelde -tot de mens die de dorre hand had: Sta op en ga in het midden staan. En hij stond op.
Zo zei dan Jezus tot hen, die op Hem loerden (vs. 7): Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten: goed te doen of kwaad te doen? Een mens te behouden of te verderven?
10.
En zij werden vervuld met uitzinnigheid en spraken samen buiten voor de synagoge, waar zij ook dienaren van Herodes ontmoetten 12: 14″) met elkaar, om te overleggen wat zij met Jezus zouden doen om Hem om te brengen.
Voor de zieke mens was beide, de boosheid van de Farizeeën en de liefde van Jezus tot een zegen. Wees getroost liefhebbend hart: Zijn werk kan niemand verhinderen, Zijn arbeid kan niet ophouden, wanneer Hij wil doen wat voor Zijn kinderen nuttig is. De Farizeeën werd de liefde van Jezus, die zij in hun verstoktheid van zich stootten, tot een vloek; hoe meer Hij beminde, des te meer haatten zij.
De ontmaskering van de zonde wekt of boete, of als de mens die weg niet inslaat, verbittering. De partij die in haar meest geheime zonde was aangevallen, sloten zich nu aaneen om voor haar rijk te strijden en nu was er voortaan niet meer alleen een aanval van enkelen, maar een aaneengesloten lichaam van tegenstanders.
II. Vs. 12-49.KruisverwijzingenMattheüs 9:9→Mattheüs 11:21→Mattheüs 14:36→Jakobus 2:5→Mattheüs 5:6→Jakobus 1:12→Mattheüs 5:4→Markus 3:18→
— En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God. En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus; Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes; Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon; Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen. En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
Ook bij Markus wordt met de beide geschiedenissen op de eerste tweede sabbat en de daaropvolgenden dag de afzondering van de twaalf verbonden. Terwijl echter de tweede Evangelist van de bergrede, die zich daaraan aansluit, niets heeft, zoals hij in het algemeen van langere reden van Jezus niets heeft, volgt Lukas bij de verderen voortgang van zijn voorstelling de traditie die door de eerste Evangelist was voorgesteld. Hij gaat van de apostelkeuze over, wel niet tot de bergrede zelf, zoals zij voor de twaalf is gehouden, maar tot de herhaling van de prediking op het vlakke veld beneden de berg, zoals zij was ingericht voor de daar vergaderde menigte. Van de onmiddellijke aanleiding tot de scheiding, die de Heere tegenover het farizees-ongelovige Jodendom door de grondlegging van een nieuwe bijzondere gemeente maakte, hebben de tweede en derde Evangelist niets gemeld, omdat zij de geschiedenis van de genezing van de twee blinden, van de stomme bezetene en van de eerste beschuldiging van de Heere door de Farizeeën, als was Hij met de duivel in gemeenschap, niets vermelden. Zij hebben echter dezelfde geschiedenissen van de beide op elkaar volgende aanvallen op Jezus wegens vermeende sabbatsschennis, die met de eerste gedachten van de vijanden, om Jezus te doden, eindigden, ten grondslag voor de keuze van het apostel-college en de oprichting van een nieuwe theocratie gemaakt. Dit onderscheid hangt daarmee samen, dat Markus en Lukas, toen zij hun evangeliën schreven, een nog meer beslist doorgezette afscheiding van de Christelijke kerk van de Joodse synagoge voor zich hadden en daarom ook een nog verder gaande vijandschap van de Joodse overheden tegen de Stichter van het Nieuwe Verbond moesten melden. Mattheüs daarentegen, die voor Joden schrijft, houdt nog de samenhang met het oude verbondsvolk vast en kon tevreden zijn met de aanleiding, door de geschiedenis gegeven, omdat hij eerst nog slechts de scheiding binnen Israël zelf voor ogen had, die tussen farizees-ongelovigen en Christelijk-gelovige Israëlieten.
En het gebeurde in die dagen, toen Jezus duidelijk zag dat Hij Zichzelf en Zijn rijk van de oversten van de Joden en van de menigte, die door hen geleid werd, scherp moest afscheiden en een bijzondere, geheel nieuwe gemeente moeststichten, dat Hij bij gelegenheid van een reis, die Hij door het omliggende land, door veel volk vergezeld, had ondernomen, ging naar de berg (zie bij MATTHEUS. 5: 1) om te bidden 5: 16″). En Hij bleef de nacht over in het gebed tot God, omdat hetgeen Hij Zich had voorgenomen de volgende dag te doen van zo ernstige en grote betekenis was.
Als er ooit iemand, uit vrouwen geboren, zonder gebed geleefd kon hebben, dan was het onze vlekkeloze, volmaakte Heer en toch bad niemand zoals Hij. Zo groot was Zijn liefde tot Zijn Vader, dat Hij blijvend met Hem in gemeenschap was; zo groot was Zijn liefde voor Zijn volk, dat Hij steeds hun voorspraak wilde zijn. Dit verheven bidden van Jezus is een les voor ons; Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, zodat wij Zijn voetstappen zouden navolgen. De tijd die Hij daartoe koos was eigenaardig geschikt: het was in het stille uur, als de menigte Hem niet kon storen, de tijd van de werkeloosheid, als allen, behalve Hij, de arbeid geëindigd hadden, de tijd wanneer de sluimering de mensen hun smarten deed vergeten en hun smeekgebed om uitkomst tot Hem deed ophouden. Terwijl anderen rust vonden in de slaap verkwikte Hij Zich met het gebed. De plaats was ook juist gekozen; Hij was alleen, waar niemand Hem kon storen, niemand Hem kon bespieden. Zo was Hij bevrijd van Farizese bespieding en van verhindering van het volk. De duistere en zwijgende heuvelen waren een geschikt bedehuis voor de Zoon van God. Hemel en aarde hoorden in middernachtelijk zwijgen de smekingen en zuchten van het geheimzinnig Wezen, waarin beide werelden verenigd waren. Het aanhouden van Zijn smekingen is opmerkelijk; de lange nachten waren niet te lang, de koude wind stremde Zijn godsdienstoefeningen niet, de akelige donkerheid verduisterde Zijn geloof niet, de eenzaamheid stuitte Zijn aandrang niet. Wij kunnen niet één uur met Hem waken, maar Hij waakt voor ons hele nachten. De gelegenheid waarbij dit gebed plaats had is merkwaardig; het gebeurde nadat Zijn vijanden in woede ontstoken waren geweest; het gebed was Zijn toevlucht en vertroosting: het gebeurde nadat Hij Zijn twaalf apostelen uitgezonden had; het gebed was de aanvang van Zijn onderneming, de heraut van Zijn nieuwe arbeid. Zouden wij niet van Jezus leren hoofdzakelijk tot het gebed de toevlucht te nemen als wij een bijzondere beproeving hebben of nieuwe pogingen tot eer van de Meester in het werk gaan stellen? Heere Jezus, leer ons bidden!
En toen het dag was geworden riep Hij Zijn discipelen tot Zich op de hoogte van de berg, omdat deze met het volk beneden op het vlakke veld hadden overnacht en koos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde.
Namelijk Simon, die Hij ook Petrus noemde en Andreas, zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs.
Mattheus en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon, genaamd Zelotes.
Judas, de broeder van Jakobus (Hand. 1: 13) en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Het is heel belangrijk dat aan de apostelkeuze een nacht van gebed voorafgaat en deze dus een vrucht van de meest onmiddellijke omgang van de Zoon met de Vader genoemd kan worden. Wij horen een echo van dit gebed in de innige voorbede van de Heere (Joh. 17: 6-9) voor allen die Hem door de Vader zijn gegeven.
De meeste discipelen brachten zeker de nacht door niet ver van Hem in de nabijheid van de bergtop waarop Hij Zich had teruggetrokken. Gedurende Zijn afzondering liet Hij ze allen voor het aangezicht van Zijn Vader voorbijgaan en zag in zekeren zin de vinger van God Hem de twaalf mannen aanwijzen, die Hij roepen moest om de schat te dragen die Hij de wereld had te brengen. Toen Hij eindelijk over hetgeen Hij te doen had volledige duidelijkheid had verkregen, riep Hij ze tegen de morgen tot Zich en volbracht de zo voorbereide keuze. Tot hiertoe was het de Heere genoeg geweest gelovigen rondom Zich te vergaderen, omdat Hij enigen onder hen riep om Hem op de duur als leerlingen te vergezellen. Nu had Hij erkend dat het ogenblik daar was om Zijn werk een vastere vorm te geven, Zijn aanhangers te organiseren. Het vijandelijke leger maakt zich tot de aanval gereed, daarom is het tijd het Zijne samen te trekken, daarom begint Hij zo te zeggen met de vorming van Zijn kader. Met de keuze van de twaalf verbindt Hij ook de titel van hun ambt, omdat Hij hen apostelen noemt; daarmee geeft Hij te kennen dat hun werk niet beperkt is om eenvoudig getuigen te zijn van Zijn leven en hoorders van Zijn woord en daaromtrent aan de wereld bericht te geven, maar de titel “apostelen” drukt uit wat in 2 Kor. 5: 20 wordt gezegd: “Wij zijn gezanten vanwege Christus, alsof God door ons bad: “Wij bidden vanwege Christus, laat u met God verzoenen.”
Eerst worden zij discipelen, vervolgens apostelen; zij worden niet dadelijk uitgezonden om te prediken en niet dadelijk in de hele wereld. Christus is geen dweper geweest die Zijn apostelen zonder onderricht, als het ware met ongewassen handen tot het predikambt zou hebben geroepen. Lange tijd heeft Hij ze met grote vlijt onderwezen en zorgvuldig voor hun toekomstige roeping opgeleid en toch moest aan de apostelen een bijzonder wonder van de Heilige Geest plaats hebben! Hoe veel temeer zal het ons betamen ons daaraan te houden, dat de dienaren van het woord met aanhoudende vlijt en heilige leergierigheid ernstig studeren en bekwaam worden om te leren.
Er zijn onder de twaalf van wie generlei uitnemendheid, van wie geen enkele daad, geen enkel woord tot onze kennis gekomen is, wier namen wij zelfs vaak moeite hebben ons te herinneren. Toch zijn ook deze apostelen van de Heere en die een Woord Gods aan ons hebben. Zij prediken u, door hun stilzwijgen, dat er uitnemendheden zijn, verborgen voor de mensen, voor het oog van de Heere openbaar; dat ook in stille, geen het minst opzienbarende gemoederen, die door geen bijzondere genadegave uitmunten, de gave van de genade zo groot kan zijn, dat zij, ook zij, voor de Heere tot de grootste dingen kunnen worden geroepen en tot de gewichtigste in staat zijn. Zij prediken ons dat de gemeente van de Heere, waarvan de apostelkring de aanvang en het toonbeeld is, niet zijn kan zonder hen. Zeker de kring der apostelen is slechts door de rijke verscheidenheid, die in haar is opgenomen, volledig en door die verscheidenheid te meer één. Wat een schoon schouwspel is, onder het stilzwijgend bestuur van de Heere, ieder van deze mannen door zijn natuurlijke aanleg en karakter, naar de plaats en de taak te zien gedwongen waarop hij staan moet en die door niemand anders dan door hem kan worden vervuld. Een Petrus niet op de hoogste, maar op de voorste plaats, als aller voorman, aller mond op die eerste pinksterdag; een Jakobus aan het hoofd van de eerste gemeente van zijn volk te Jeruzalem; een Johannes als verzet in de hemel om voor ons het Evangelie te schrijven van het vleesgeworden Woord. Hoe liefelijk is het zich een Thomas naast Filippus voor te stellen en een Petrus en Johannes tezamen te zien wandelen, werken en lijden. Zij behoeven elkaar, zij eren elkaar, zij vullen elkaar aan. Zij hebben elk een deel van die volheid en volkomenheid, die in de enige Heer en Meester is. En dat zelfde schouwspel is naar de wijze wil van de Heere ook in Zijn gemeente te aanschouwen. In haar is plaats en niet alleen plaats, maar behoefte voor allerlei karakters, allerlei gemoeds- en geestesrichtingen. Wat de gemeente wezen moet kan zij slechts door de rijke verscheidenheid, die zij in zich vereent, kweekt en bewaart. Dit behoort tot de voorwaarden van haar inwendige ontwikkeling; wasdom en bloei tot de voorwaarden van haar uitbreiding. Het uitwendige van de apostelkring moet in de zo veel wijdere kring van de gemeente aanwezig zijn, zal zij door haar woord de hele wereld aan de voeten van de Heiland brengen en in Hem doen geloven. Maar al het menselijke moet daartoe door het Goddelijke doordrongen, gelouterd en geheiligd wezen. Dit werd het meer en meer bij de apostelen door de werking van de hand en Geest van de Heere, totdat zij bij de volle uitstorting van de Geest op schitterende wijze de wijsheid van de Heere rechtvaardigen die hen tot Zijn apostelen had gekozen. Zo wordt het meer en meer bij die gemeente, die door Zijn Woord in Hem gelooft en die geroepen is bij verscheidenheid van gaven, van werkingen en van bedieningen de eenheid van de Geest te bewaren en steeds duidelijker te verkondigen de deugden van Hem, die haar overgebracht heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
En Hij ging, nadat Hij voor hen de rede in MATTHEUS. 5: 3-7: 29 zittend gehouden had, naar beneden en stond op een vlakke plaats, aan de hellingen van de berg. En met Hem waren de menigte van zijn discipelen of blijvende volgelingen, waaruit Hij later zeventig koos (Hoofdstuk 10: 1 vv. ) en een grote menigte van geheel Judea en Jeruzalem en van de zeekant van Tyrus en Sidon.
Die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden en die door onreine geesten gekweld waren; en zij werden allen genezen.
En de hele menigte probeerde Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit en Hij genas ze allen door deze van Hem uitgaande kracht (Hoofdstuk 4: 40. MATTHEUS. 4: 23-25).
Wij moeten ons dus de Heere denken als omgeven door een drievoudigen kring van hoorders: de eerste wordt genoemd in het “met hen” en bevat de zo-even genoemde twaalf in zich; de tweede wordt beschreven als “de schare van Zijn discipelen” en deze laatste weer zijn ingesloten door “een grote menigte”, die zelfs gedeeltelijk van de andere kant van de grenzen was gekomen. Evenals aan de apostelkeuze stil gebed voorafging, zo gaan aan de nu volgende prediking onmiddellijk wonderwerken vooraf, hier in de volste zin de verhevenste symbolen van het rijk der hemelen, waarvan Hij de grondwetten meteen aan de wereld openbaar zal maken. De macht van de daad moet de macht van het woord ondersteunen: zo wordt het geloof van de zo-even verkorenen versterkt en het volk bereid om te horen
Eerst bewees Jezus door Zijn daden de Heiland van het volk te zijn; maar voor wie Hij in de ware zin van het woord een Heiland zou zijn, leerde Hij ze in de rede, die Hij nu begon; want deze rede handelt over de gezindheid die nodig is om deel te hebben aan het Koninkrijk der hemelen, over de gerechtigheid die de Heere wil zien bij diegenen die in Hem hun Heiland zullen hebben.
Augustinus heeft al een dubbele voordracht van deze rede aangenomen, een meer uitvoerige, die Christus op de top van de berg voor de apostelen heeft gehouden, degene die Mattheüs meedeelt, en een kortere, die in de vlakte voor het volk werd gehouden.
Wij zien hoe Christus in de eenzaamheid van de berg Zijn vertrouwden inwijdt in de leer van Zijn rijk en vervolgens bij Zijn terugkeren onder het volk ook aan deze diezelfde leer in haar grondtrekken voordraagt, maar in een vorm die begrijpelijk was voor het volk.
En Hij Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen; want uwe is het Koninkrijk Gods.
a)Zalig bent u die nu honger heeft; want u zult verzadigd worden. b)Zalig bent u die nu weent, want u zult lachen.
Jes. 65: 13. b) Jes. 61: 3; 66: 10.
a)Zalig bent u wanneer de mensen u haten, wanneer zij u afscheiden van hun gemeenschap (Jes. 66: 5), u smaden en uw naam als kwaad verwerpen, als een die men niet in de mond durft nemen, omwille van de Zoon des mensen, wiens naam zelfs voor hen is als een samenvatting van alle slechtheid en wiens persoon zij als een uitvaagsel van de mensheid beschouwen (Jak. 2. 5-7).
1 Petr. 2: 19; 3: 14; 4: 14.
Verblijdt u in die dag dat u dit overkomt en wees vrolijk, want daardoor is u een geluk overkomen. Zie, uw loon is groot in de hemel. U bent afgezonderd van de menigte die aan het verderf is overgegeven (Jes. 65: 12)en die uitwerping zal u niet schaden, al wordt die ook voltooid door een overleveren ten dode (Hoofdstuk 11: 36-38); want hun vaders deden hetzelfde met de profeten.
Hand. 5: 41; 7: 51.
a)Maar wee u, rijken! Want u heeft uw troost al, zodat, wat u in plaats van het koninkrijk der hemelen tot uw deel hebt gekozen, van u zal worden weggenomen nadat het u slechts een korte tijd is gelaten (Hoofdstuk 6: 1 vv. ).
Amos. 6: 1, 8.
a)Wee u die verzadigd bent! Want u zult hongeren; b) wee u, die nu lacht! Want u zult treuren en wenen (Jak. 4: 9. Openbaring 6: 15 vv. ).
Jes. 65: 13. b) Jak. 5: 1
Wee u, woordvoerders van dit geheel overspelige geslacht (MATTHEUS. 12: 39. 16: 4), wanneer al de mensen goed van u spreken, terwijl men de belijders van de Mensenzoon haat en belastert (vs. 22)! Want hun vaders, de vaders van degenen die u de ware leidslieden noemen, deden hetzelfde met de valse profeten (Jer. 5: 31; 14: 13 vv. ; 27: 9 v. ; 28: 1 vv. Ezechiël. 13: 4 vv. ).
Dit begin doet het al duidelijk uitkomen dat wij hier een andere rede voor ons hebben dan bij Mattheus: het getal van de zaligsprekingen is niet hetzelfde als daar, ook luidt de vorm van de zinnen anders; bovendien volgt dadelijk een tegenstelling tegenover de zaligsprekingen in parallelle aankondigingen van wee, die zeker zakelijk ook in MATTHEUS. 23: 13 vv. gevonden worden in de schildering van de farizese gerechtigheid en haar gevolgen; de vorm is echter hier toch een geheel andere.
Om deze rede als het ware te zien ontstaan kan men een vergelijking maken. Stellen wij ons de woordvoerder van een grote sociale revolutie in onze dagen voor: op een bepaald uur verschijnt hij, omgeven door zijn meest geachte aanhangers op de openbare plaats; de menigte vergadert zich, hij maakt zijn doel bekend. In de eerste plaats noemt hij de klasse van mensen, waartoe hij zich in het bijzonder wendt: armen, arbeiders, lijdende, ongelukkige bevolking en schildert voor hun ogen de verwachtingen van de nieuwe tijd, die begint. Vervolgens verkondigt hij het nieuwe beginsel, dat in de mensheid het heersende moet worden: “Weg met de voorrang van den ene mens boven de anderen! Gerechtigheid, algemene liefde!” Ten slotte komt de plechtige bevestiging van de verkondigde wet, de straf van de overtreders en de beloning van de getrouwe aanhangers. Dit is de karikatuur (MATTHEUS. 7: 15 vv; 24: 11 v. ); merken wij nauwkeurig op de trekken, dan baat het ons om het ware beeld duidelijk te maken. Wat bevat inderdaad deze prediking? Drie hoofdpunten: 1) aanwijzing van diegenen waartoe Jezus Zich hoofdzakelijk wendt, om het nieuwe volk te vormen vs. 20-26 vgl. MATTHEUS. 5: 1-12) 2); aankondiging van de grondwet van de nieuwe gemeenschap (vs. 27-45 vgl. MATTHEUS. 5: 13, 7: 12); 3); aankondiging van het oordeel dat de leden van het nieuwe volk van God hebben te wachten (vs. 46-49 MATTHEUS. 7: 13-27). De rede is tot de volksmenigte gericht, in wiens midden de nieuwe orde moet worden ingevoerd en verwezenlijkt, maar ziet natuurlijk ook op hen waardoor de nieuwe vorm van zaken zal worden bewerkt.
Met deze eerste afdeling, de oproeping, moet de gelijkluidende plaats Jak. 5: 1-11 worden vergeleken; die begint echter met het “wee” en gaat met het “zalig” voort. Nu zijn, zoals wij later zullen zien, de brieven van Jakobus en het evangelie van Lukas bijna op dezelfde tijd geschreven, het eerste te Jeruzalem, het andere te Rome; het was de tijd toen in het heilige land de afzondering van de Christelijke gemeente van het oude Joodse volk, dat haar haatte, belasterde en vervolgde, volbracht werd en de vervulling kwam van de profetie in Jes. 66: 4 vv. , waarop in vs. 22 zo uitdrukkelijk wordt gedoeld.
Als de uitleggers deze bijzondere, geschiedkundige kleur van de rede van Lukas niet zo miskenden als in de regel geschiedt, zouden zij die ook niet voor een uittreksel uit die bij Mattheüs houden, welke laatste een veel uitgestrektere gezichtskring heeft, tot buiten het gebied van het Joodse land in de hele wereld ziet en verder gaat dan de dichtstbijzijnde toekomst van het rijk van God tot aan het einde der tijden. Lukas verplaatst zich daarentegen hier al op dat standpunt, waarop hij later aan de Hebreeën de bekende brief heeft geschreven en deze over hun uitsluiting van de Joodse godsdienst en van de Israëlitische gemeente, ook over de andere moeilijkheden, die zij van haar broeders naar het vlees te lijden hadden, onderricht, vertroost en vermaant. Niet de armen in letterlijke zin prijst de Heere zalig, alleen omdat zij arm zijn; niet de hongerigen en wenenden, als verdienden zij door hun honger en hun tranen het rijk van God, verzadiging en liefelijke vreugde; maar het laatste woord: “omwille van de Zoons des mensen” bewijst dat Hij diegenen zalig prijst die Hem aanhangen; maar die dat deden, waren toen arm, hongerig, wenend en werden het steeds meer door de vijandschap van de wereld.
Wie de zaligheid en de goederen wil hebben, waarvan Christus hier spreekt, die moet het hart verheffen boven alle zintuigen en het verstand en niet oordelen van zichzelf naardat hij voelt, maar besluiten: ben ik arm dan ben ik niet arm – arm ben ik uiterlijk naar het vlees, maar voor God in het geloof ben ik rijk. Wanneer hij zich dus treurig, bedroefd en bekommerd voelt, moet hij ook daarnaar niet oordelen, noch zeggen dat hij een ongelukkig mens is, maar het anders beschouwen en zeggen: ik voel wel treurigheid, smart en harteleed, evenwel ben ik zalig, vrolijk en getroost op grond van Gods Woord. Zo is het ook in de wereld het tegenovergestelde, dat degene die rijk en zalig genoemd worden het niet zijn; want Christus roept wee over hen en noemt het ongelukkig, hoewel het schijnt, dat het hen zeer goed gaat. Daarom moesten zij ook hun gedachten verheffen boven rijkdommen en goede dagen, die zij genieten en zeggen: “Ik ben wel rijk en leef in enkel vreugde, maar wee mij wanneer ik niet iets anders heb! Want er moet zeker enkel ellende, jammer en harteleed onder verborgen zijn, die over mij zullen komen voordat ik het denk of ondervind. Zo komt door al deze stukken dat alles een ander aanzien heeft voor de wereld, dan het volgens deze woorden heeft.
Alle mensen, die volgens de gewone spreekwijze “ongelukkigen” heten begroet Jezus met het predikaat: “zalig. ” Wat nu in het bijzonder de vierde zaligspreking betreft, dan is deze tot aanzijn geroepen door het optreden van hevige vijandschap die de Heere zelf moest ondervinden; zo’n optreden heeft de evangelist in de vorige afdeling ons uitdrukkelijk voor ogen gesteld. Hij ziet die tegenstanden die het zwaard van de vervolging tegen Hem gewet hebben (vs. 11), in de geest, het zijn de rijken en machtige te Jeruzalem, wier afgezanten Hem in Galilea omringen (vgl MATTHEUS. 9: 27). Misschien ziet Hij op dat ogenblik enige van hun spionnen in de uiterste rijen van de vergadering; natuurlijk spreekt Hij dat “wee” niet uit over de rijken als zodanig, zo min als Hij de armen als zodanig zalig spreekt. Hij neemt het feit zoals het zich aan Hem op het tegenwoordige ogenblik voordoet. De verwoesting van Jeruzalem heeft dat door Jezus zo plechtig uitgesproken “wee” letterlijk vervuld.
Maar Ik zeg aan u die dit hoort en Mijn ware discipelen wilt zijn: a) Heb uw vijanden lief; doe goed aan degenen die u haten.
Ex. 23: 4. Spr. 5: 21. 1 Kor. 4: 12.
Zegen degenen die u vervloeken en a) bid voor degenen die u geweld aandoen, want het kwaad, dat u door hen lijdt, zal volgens vs. 24-26 ook zwaar door God worden gewroken; zie daarom toe hoe u de wraak afwendt door het winnen van de tegenstanders (Rom. 12: 20 v. ) in plaats van die op te wekken (Jak. 5: 9. 1 Petr. 2: 21 vv. ; 3: 9).
Luk. 23: 34. Hand. 7: 60.
In vs. 20-26 was de aanspraak verdeeld onder de toehoorders, naar hun gemoedsstemming over Christus en Zijn rijk; in vs. 27 wendt zij zich bepaald en duidelijk tot dat gedeelte dat lust heeft in de waarheid. “Die het hoort” is niet slechts zoveel als: u “die nu Mijn toehoorders bent”, maar het woord heeft dezelfde nadruk als in de bekende eis: “Die oren heeft om te horen, die hore. ” Dit horen, dat de toegenegenheid tot aanneming van het gehoorde in zich sluit, veronderstelt de Heere bij diegenen die Hij aanspreekt, maar de tegenstelling, die in het “Maar Ik zeg u” tot het voorgaande, het vaak herhaalde “wee” ligt, drukt uit dat de daarin aangekondigde vergelding niet de zaak is van hen die toehoren.
Nadat de Heere Zijn aanhangers heeft verklaard, wat zij van hun tegenstanders te wachten hadden, verklaart Hij hen nu hoe zij dat van hun kant moeten beantwoorden, de leer van de liefde tot vijanden wordt daar meegedeeld in een vorm van vier leden, die zich naar alle zijden heen uitstrekt.
a)Biedt degenen die u op de wang slaat ook de andere en verhinder degene die uw mantel afneemt niet om ook de rok te nemen.
1 Kor. 6: 7.
a)Maar geef een ieder, hetzij vriend of vijand, wat deze van u wil en eist niet meer van degene die het uwe neemt.
Deut. 15: 7.
En over het algemeen geldt de regel: zoals uw wilt dat de mensen met u zullen doen, doe hetzelfde met hen (MATTHEUS. 7: 12).
Wanneer iemand u en het uwe aantast, wat welt dan in uw harten op? Zie, als de wraakzucht zich daarin verheft, dan wil de Heere door de woorden: “Die u op de rechterwang slaat, biedt ook de andere, en degene die u de mantel afneemt, verhinder ook de rok niet te nemen” uw hand en uw tong binden en zegt tot u: “Wilt u niet liever onrecht lijden dan onrecht doen?” Wanneer u liefde hebt, dan zou u vanwege het medelijden met uw broeder, die tegen u zondigt, het lijden vergeten dat hij u geeft! Dit is het geheim van de liefde tot vijanden: de ziel van mijn vijand moet voor mij belangrijker zijn dan mijn aangezicht, mijn rok en mijn geld, mijn hand moet geen tijd hebben om zich tegen hem op te heffen, omdat zij in voorbede voor hem gevouwen is; mijn tong moet geen tijd hebben om hem te schelden, omdat zij bidt dat God hem van zijn zonde mag verlossen; en wanneer hij mij intussen op de andere wang slaat en mij de rok ontneemt (hij zal het echter zeldzaam wagen), dan is niets zoeter dan lijden. Zo moet het hart van een Christen gezond zijn jegens zijn vijanden. Bent u echt verlost van alle wraakzucht en zondigen toorn, dan zal de liefde u ook in ieder bijzonder geval leren, of de welgevallige liefdedienst voor God is de kwaaddoener te bestraffen, de belediger te weerstaan, de bidder de bede te ontzeggen.
De eerste twee aanwijzingen, hoe men in liefde moet verdragen, leerde Hij al in de bergprediking (MATTHEUS. 5: 39-42) kennen; de derde: “van degene, die u het uw neemt, eist niet weer” wil een christelijke verjaringswet opstellen, dat aan de oneindige twist, die uit legitimiatische reclamaties, tegen verouderd en oud onrecht en politieke, hiërarchische en civiele omstandigheden aan de dag treedt, een einde moet maken. Hierop volgt de instelling van de hoge voorschriften met de regel vs. 33 : “Zoals u wilt, dat de mensen tegen zullen doen, doet hetzelfde tegen hen”, want wanneer de mens zichzelf bewust wordt, zo moet hij in zich bevinden dat hij eigenlijk van zijn evenmens steeds die hoge bewijzen van christelijke liefde verwacht, maar ze niet van anderen moet verlangen, maar ze zelf moet bewijzen en zichzelf daarvoor een kind van Gods Geest moet betonen.
En vraag niet of anderen zich aan die regel jegens u houden. Als u alleen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank heeft u dan? Zou u daardoor iets hebben gedaan, dat loon van God had verdiend? Immers nee, want ook de zondaars, naar wier gedrag u toch nooit het uw mag regelen, hebben degenen lief die hen liefhebben.
En als u alleen goed doet aan degenen waarvan u mag hopen dat zij ook u weer goed zullen doen, wat voor dank heeft u dan? Want ook de zondaars doen hetzelfde.
a) En als u alleen iets leent aan degenen waarvan u hoopt het terug te ontvangen, wat voor dank heeft u dan? Want ook de zondaars lenen de zondaren, zodat zij eveneens weer mogen ontvangen.
Deut. 15: 8.
In tegenstelling tot dezen, die slechts met zelfzuchtige berekening een weldaad bewijzen, moet u een heel ander voorbeeld voor uw wandel kennen. Doe niet als die zondaars, maar heb uw vijanden lief en doe goed en leen zonder ietsterug te hopen en uw loon zal groot zijn en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn; want hij, wiens vaderschap voor u het hoogste loon moet zijn en die u daarom in Zijn gedrag moet navolgen (Efeze. 6: 1), is goedgunstig tegenover de ondankbaren en bozen (MATTHEUS. 5: 39-48).
Voor wie de groet geldt, die komt het danken toe. U doet nu, wil de Heere zeggen, in alle deze dingen niets uit liefde tot God; waarvoor zou Hij u dan danken? Ondanks deze uitdrukkelijke verklaring uit de mond van de Heere maken veel mensen de werken van een liefde die zij met Joden, Turken en heidenen gemeen hebben, ja met de redeloze dieren, tot de grond van hun aanspraak goede Christenen te zijn. Om Zijn discipelen voor zo’n bedrog te bewaren schrijft de Heere hen nogmaals in vs. 35 het gebod van de ware liefde (vs. 35) in het hart en zegt tevens bij wie die liefde te verkrijgen is.
Nadat Jezus heeft aangewezen wat de liefde is waarboven Zijn discipelen verheven moeten zijn, namelijk de natuurlijke, toont Hij hen ook wat de liefde is die zij moeten evenaren, namelijk de goddelijke (- het beeld van de liefde zonder eigenbaat, vol van zelfverloochening.
EVANGELIE OP DE 4e ZONDAG NA TRINITATIS
God heeft ons Zijn barmhartigheid rijkelijk betoond; wij moeten dat met dankbaarheid erkennen en jegens onze broeders ook barmhartigheid en liefde betonen. Wie Gods barmhartigheid echt heeft erkend en aangegrepen, die kan niet onbarmhartig zijn jegens de naaste; de heilige openbaring van de liefde jegens de naaste is de zekere getuigenis van eigen roeping, de ware lof en dank voor Gods barmhartigheid. Daardoor zoeken wij tevens het meest het heil van de ziel van de naaste en roepen zo door daden hen, die het woord niet aannemen (1 Petrus 3: 1 vv. ) en dus hun eigen roeping niet volgen.
Twee zondagen achter elkaar is ons in onze evangeliën Gods rijke barmhartigheid voorgesteld: op de ene hadden wij de gelijkenis van het grote avondmaal, waartoe de Godmens Jezus Christus velen nodigde; op de tweeden hadden wij het zoeken van Christus naar de verdwaalde zielen, in de gelijkenissen van het verloren schaap en van de verloren penning. Heeft Hij u dan tweemaal voorgehouden wat Hij aan u doet, heeft Hij u tweemalen de blik geopend in de zee van Zijn barmhartigheid, welker diepte niemand kan peilen, dan mag Hij u nu ook wel een eis voorstellen. Hij heeft u getoond hoeveel duizend pond onverdiende liefde Hij voor u en aan u heeft betaald; daarom kan Hij u ook van de penning van de barmhartigheid spreken, die u aan uw broeder moet betalen. Wanneer het regent op grote bomen met dicht loof, dan vangen zij de druppels op die liggen op hun bladeren. Daar moeten zij echter niet blijven, daarom komt met de regen en na de regen de wind, ruist door de bladeren en schudt die, zodat de druppels neervallen, zodat het arme kruid en het gras, dat in de schaduw staat, ook hun deel krijgen. Zo wil dan de Heere, onze God, door dit Evangelie ons als door een goede wind schudden, zodat wij de druppels van Zijn gerechtigheid, die op ons zijn gevallen, niet alleen bewaren, maar ze laten overvloeien op onze broeders, die naast ons staan.
Wat is ervoor nodig om barmhartigheid te kunnen betonen? 1) een begenadigd hart, 2) een ootmoedig hart, 3) een oprecht hart.
Wees dan, omdat het de roeping van u, als Mijn discipelen, is om als God te worden en kinderen van de Allerhoogste te zijn (vs. 35) barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is. Deze heeft een zo warmhart, dat Hij snel bewogen is als Hij een ellendige ziet en niet rust voordat Hij hem heeft geholpen. Hij is goedgunstig ook over bozen en ondankbaren, omdat juist hun ellende Hem ter harte gaat en Hij gedenkt hun boosheid en ondankbaarheid niet.
Evenals Christus het verdervende woord van de slang (Gen. 3: 4): “U zult niet sterven”, dat ons van het leven tot de dood bracht, voor Zijn discipelen heeft veranderd in een woord van belofte (Joh. 11: 25 vv. ), dat hen het leven uit de dood waarborgde, zo heeft Hij ook het verzoekingswoord (Gen. 3: 5): “U zult als God zijn”, dat ons van Gods schone beeltenis tot een beeld van de satans heeft gemaakt, verwisseld in een zeer vriendelijke en zalige vermaning (MATTHEUS. 5: 48): “U moet als God worden”. Zal de mens ook maar in een enkel opzicht worden als God, zo moet hij zichzelf verloochenen en in geestelijke zin doden, want van nature is hij juist het tegendeel van God. Dat heeft in het bijzonder betrekking op het barmhartig worden; is de barmhartigheid het goddelijkste in God, dan is juist daarin ons diep menselijk verderf het meest op te merken, dat van nature zelfs geen vonkje van barmhartigheid in ons is. Zijn wij oprecht en eerlijk, dan kunnen wij het niet loochenen dat wij van nature onbarmhartig zijn jegens anderen d. i., wij hebben geen waarachtig warm hart voor hen, maar een hart dat zichzelf in hen liefheeft, of hen slechts in zoverre liefheeft als zij onze eigenliefde vleien, onze ijdelheid voeden, onze hebzucht en heerszucht dienen, onze wil doen, ons vreugde verschaffen, onze eer bevorderen, ons zelfbevrediging en genot veroorzaken. Onze liefde en genegenheid tot hen heeft dadelijk haar einde gevonden zodra zij hun eigen wil doen gelden of ons te na komen, ons openlijk de waarheid zeggen en ons onverschillig behandelen of pijn aandoen. Ook onze natuurlijke onbarmhartigheid vertoont zich in ons spreken, voelen en geven: wij richten en veroordelen, berispen, bestraffen met onverbiddelijke ernst, laten geen goede draad aan de anderen, laten geen verontschuldiging gelden en houden zelfs een afdoend gericht over de doden. Wij vergeven niet wat men ons gedaan heeft, mokken en blijven onverzoenlijk; wij willen altijd voldoening hebben en zelfs als deze heeft plaats gehad zijn wij in onze dorst naar wraak nog niet bevredigd, maar blijven hatelijk. Wij geven òf in het geheel niet, zijn gierig en hebzuchtig en kunnen van geen penning scheiden die van ons is, òf geven alleen met bedoelingen, maar niet vrijwillig en blij. De Heilige Geest verandert alleen het menselijk hart, zodat het barmhartig wordt jegens de broeders in de volle zin van het woord, omdat Hij hogere en bovennatuurlijke krachten meedeelt, de liefde van God daarin uitstort en het de goddelijke natuur deelachtig maakt. Wordt barmhartig, zegt daarom de Heere volgens de juistere vertaling. Die zo vermaant, veronderstelt, dat de vermaande het niet uit zichzelf is, dat hij integendeel van zichzelf onbarmhartig is.
a) En oordeel niet en u zult niet geoordeeld worden; verdoem niet en u zult niet verdoemd worden, laat los en u zult losgelaten worden.
MATTHEUS. 7: 1. Rom. 2: 1. 1 Kor. 4: 5.
a)Geef en u zal gegeven worden 1); een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat (vier uitdrukkingen evenals in vs. 34 vier vermaningen) zal men in uw schoot geven (liever: in uwboezem: de zak of vouw die het kleed op de borst vormt en die voor het dragen wordt gebruikt (Ruth. 2: 18); want met dezelfde maat waarmee u meet, zal u weer gemeten worden 2) (MATTHEUS. 7: 2. Mark. 4: 24).
Spr. 10: 22. 19: 17.
Dat de Evangelist op het getal vier als het getal van de wereld drukt, bleek al in vs. 20-26 in de 4 zaligsprekingen en het viermaal herhaalde wee. Ook in de schildering van de vorige werkzaamheid van Jezus in Galilea zijn het 4 wonderen die daar worden verteld (Hoofdstuk 4: 33 vv. 38 vv. ; 5: 4 vv. , 12 vv. ) en vier conflicten met de tegenstanders (Hoofdstuk 5: 17 vv. 30 vv. 6: 1 vv; 6 vv. ). Zo vertoont zich dan op onze plaats ook het liefdevolle erbarmen omtrent de naaste op viervoudige wijze, in het niet-oordelen, niet-verdoemen en vergeven en geven. De Heere eist hier een zacht oordeel over de naaste, 2) een vergevend hart omtrent de naaste 3) een open hand voor de naaste.
Hoe zijn wij daarentegen gewoon ons te gedragen 1) bij de verkeerdheden van de naaste, 2) bij het van hem geleden onrecht, 3) bij zijn ons bekende nooddruft?
Bij de vermaning: “Oordeel niet” ziet de Heere duidelijk op het oordelen dat de Schriftgeleerden en Farizeeën in Israël verrichtten, dat door zijn hardheid en aanmatiging meer schadelijk dan nuttig werd, zoals dat bleek in de uitwerking op tollenaars en dergelijke mensen (Hoofdstuk 15: 18-20).
De mens is buitengewoon geneigd om over zijn naaste gericht uit te oefenen; heeft hij slechts een beetje van Gods geboden gehoord dan wendt hij het ook dadelijk aan, niet om zichzelf, maar om andere daarnaar te beoordelen. Zo’n gebruik maakten vooral de Joden van de rijke mate van kennis, die hen in vergelijking met de heidenen verleend was (Rom. 2: 1 vv. ). Zo iets wil de Heere bij Zijn discipelen niet dulden; wanneer wij meer licht ontvangen dan anderen, dan moeten wij het aanwenden om onszelf daarnaar te beoordelen en onze groei en kennis moet tevens een groei zijn in ootmoed en zachtheid. Maar zo is de mens, dat hij denkt door een scherp oordeel over anderen het beste bewijs van zijn vroomheid te zullen geven, ja de verblinding gaat zo ver dat de huichelaars menen, door het opmerken van splinters zichzelf bij God en mensen aan te bevelen, alsof de Heere hun eigen gebreken des te minder zou opmerken hoe erger zij tegen anderen losbranden.
Het slechtste is die zonde van oordelen, wanneer zij zich verbergt onder Christelijke vormen, want er zijn velen, die boven anderen Christenen willen zijn en menen dit niet beter te kunnen betonen, dan wanneer zij zich strenge zedenmeesters betonen. Met zorg zoeken zij alle fouten en gebreken bij een Christen op en maken daaruit een wonder beeld. Hij is geen Christen, zegt men dan; het is niets dan huichelarij bij hem; hij heeft het woord van God op de tong -laat hem lopen! Zo vinden niet eens diegenen genade in hun ogen, die de genade van de Heere in verzorging en bescherming genomen heeft; en men moet al bijzonder de kunst verstaan, om zich naar hun manier en luimen te schikken, wanneer zij hem niet met schouderophalen wegzenden en van de lijst van ware Christenen zullen schrappen. Die willen dan ware pilaren van het rijk van God zijn, terwijl zij hier een paar balken, daar stenen uitrukken of het hele dak afnemen en zich er voorstaan zelf alles in allen – zuilen, dak en balken – te zijn.
Die zich als rechter over anderen opwerpt doet dit niet om anderen te verhogen, maar om hen te verkleinen, te veroordelen, daarom gaat de Heere opklimmende voort: “Verdoem niet. ” Hoe kunnen wij onze naaste willen verdoemen? Al ligt hij, wanneer wij hem geheel juist beoordelen, in zware zonde, hebben wij dan enig recht of de plicht hem te verdoemen? Recht zeker niet, want ieder staat en valt zijn Heer en plicht ook niet, want de mensenzoon is niet gekomen om de zielen van de mensen te verderven, maar te behouden. Wij moeten geen stenen tegen onze broeder, die zondigt, opheffen, opdat hij sterft, maar biddende handen opheffen, opdat hij leeft.
Wanneer u ootmoedig bent, zult u niet alleen over het doen en laten van de naaste, maar ook over de persoon van de naaste barmhartig oordelen; U hoeft hoeft er slechts aan te denken hoe God de staf over u zou kunnen breken, hoe Hij daartoe wel recht zou hebben en het toch niet doet. – O echt, dan zult u het nooit over uw hart kunnen verkrijgen de naaste alle goeds te ontzeggen en een gedrukte maat van schuld op hem te wentelen en zijn naam voor uitgeschrapt te verklaren uit het boek des levens. En wanneer de naaste u gekrenkt heeft en beledigd of nog voortdurend u krenkt en beledigt, dan zult u het niet voor een schande houden die belediging op u te laten blijven, niet menen dat het noodzakelijk zou zijn om het hem meteen te vergelden en af te rekenen en bitterheid tegenover bitterheid te plaatsen; maar u moet bedenken hoe vaak u reden hebt de vijfde bede te bidden en hoeveel geduld en lankmoedigheid God met u moet hebben. U moest u integendeel schamen en een oog toedrukken bij wat de naaste u doet en hem uw hart weer schenken en naar hem de hand uitsteken en zo het gebod vervullen: “Vergeef”. Pas wanneer u bedenkt hoeveel gaven u van God hebt ontvangen, hoeveel u nog nodig hebt, hoe u van het begin tot het einde uw levens zo arm en behoeftig voor Hem staat en alleen van Zijn aalmoezen leeft, dan zult u in alles wat u hebt, in uw eigendom geen nieuwe bezitting zien, maar goederen die u God heeft toevertrouwd, om de naaste daarmee te dienen. U zult, als een van uw broeders met biddende blik om de gave van de barmhartigheid vraagt, hem niet verachten, maar bedenken, dat, als
God aan Zijn goedheid een einde wilde maken, u snel evenzo hongerig, evenzo naakt, evenzo zonder dak, armzalig en veracht daar zou staan, als hij, die u nu een bedelaar noemt en u zult gewillig het gebod van de barmhartigheid vervullen: “Geef.”
De liefde werkt niet om loon en dank; zij stamt af van Hem, die dagelijks zowel ondankbaren als dankbaren met de volheid van Zijn weldaden overlaadt; en zo ziet ook zij de algemene ellende in de wereld, evenals haar Vader aan en verheugt zij zich, door ontferming, verschoning en hulp, zoveel mogelijk tot verzachting mee te werken. Toch is de liefde in onze borst niet alleen goddelijk, maar ook menselijk en haar kleeft daarom, evenals elke andere menselijke deugd, zwakheid, lauwheid en afmatting aan; zij heeft tijden van opwekking nodig om niet te zeggen dat zij die altijd nodig heeft. Daarom heeft ook de Heere, die ons kent, bij Zijn woorden en geboden zo vlijtig beloften en bedreigingen gevoegd, dat Zijn dienaars beide aan Zijn volk voorhouden en in haar waarheid en grootte aanwijzen. Dan verschrikt de bedreiging de trage en drijft hem van het bed van de zonde weg; de schone kroon van de belofte lokt en trekt ook de vlijtige aan. Wat nu de bijzondere belofte van onze tekst betreft, zo wijzen de woorden: “Men zal geven” op een vergelding door mensen. De Heere wil de barmhartige door mensen barmhartigheid laten overkomen en een onbarmhartig oordeel zal de onbarmhartige door mensen treffen. Belofte en dreiging van de Heere verwijzen ons dus niet in de eerste plaats naar het einde der dagen en in de eeuwigheid, maar in de geschiedenis en in de ervaring van het dagelijks leven. Wij moeten echter bekennen dat wij, hoe vast Gods woorden zijn, toch niet met gelijke zekerheid de vervulling in dit leven tegemoet kunnen zien; wij zien niet overal de vervulling van de goddelijke gerichten, maar wachten op de dag die alles duidelijk maakt. Velerlei en veel openbaart de Heere vaan Zijn knechten, maar de volheid van Zijn openbaring ligt toch aan het einde. Zeer gemakkelijk is het zeker de bewijzen ervoor te vinden, dat hij die oordeelt en verdoemt, ook weer veroordeling en verdoeming en dat hij die niet graag oordeelt en het vonnis van de verdoemenis terughoudt, ook weer verschoning bij zijn medemensen vindt; in het bijzonder wacht de gewraakte verkeerdheid van oordelen en verdoemen een zekere vergelding. Welk mens, die zijn tong misbruikt tot oordelen en verdoemen van zijn broeders, zou gebleven zijn zonder geoordeeld en verdoemd te worden? Al zeldzamer is het bewijs voor de rechtvaardige wedervergelding van hen die niet oordelen en verdoemen en nog veel zeldzamer zal het zijn dat de mensen Gods beloften volbrengen aan degenen die vergeven en geven. Tot wraak van al wat kwaad is, vindt de Heere handen en werktuigen genoeg onder de vromen en goddelozen; maar wie leent Hem graag Zijne hand, wanneer Hij de zachte harten en handen, die graag vergeven en geven, desgelijks wil doen? Dan moeten Hem vaak de raven dienen, omdat de mensen ontbreken. Toch moeten wij ook niet al te treurig zijn: de Heere heeft altijd en op veel plaatsen ook nog dienaren en dienaressen die graag Zijn woorden waar maken en met vreugde en aanbidding aan Zijn beloften vervulling geven. Hij zelf leidt vele vromen en vele goddelozen, dat zij wel niet weten wat zij doen, maar toch voor geopende ogen duidelijk blijkt dat zij werktuigen zijn in de hand van de Heere, om alles te volvoeren wat Zijn mond heeft gezegd. Wanneer aan het einde der dagen de scheiding zal plaats hebben, dan zal het blijken dat geen vergevensgezind hart zijn tweede gemist heeft, dat in Gods naam antwoordde en eveneens vergevensgezind was; dat geen zacht woord zonder echo, geen beker koud water, in de naam van de Heere gegeven, zonder beker bleef die bescheid deed. Er gaat door het leven een gerechtigheid, die, wanneer zij zich laat zien, met majesteit verschijnt en op de knieën werpt, maar vaak wordt gevoeld dan gezien en nog vaker onopgemerkt en ongekend daden verricht, waaruit op de jongste dag Gods bestuur door alle mensenkinderen gerechtvaardigd zal worden. Laat ons met geduld en goede werken naar het eeuwige leven zoeken. Ten slotte zullen allen met de vergeldende gerechtigheid van God tevreden zijn; en als geen mens zal hebben vergolden, dan zal toch Eén vergelden en deze volkomen, namelijk de Vader, die in het verborgene ziet.
In de woorden: “Een goede, neergedrukte, geschudde en overlopende maat” zien wij, hoe zij, die de barmhartige zijn weldaden willen belonen, het niet rijkelijk genoeg kunnen maken, hoe zij zich beijveren om hen de volle zegen in de schoot te brengen. Een schone, grote, volle maat brengen zij; maar het komt hen te weinig voor, al is er ook nog zoveel in; zij drukken er nog met de hand op om ruimte te maken, zij schudden er aan opdat de korrels nog dichter tot elkaar komen, ja zij hopen nog op zodat het koren over de rand van de maat heenloopt.
Wij mogen ons niet laten afvoeren, als vaak alle liefde verdwenen en verloren schijnt te zijn; wij worden vaak tienmalen bedrogen en misleid voordat wij een vrucht van onze bemoeiingen en verdrietelijkheden zien. Behoud dan de wereld haar loon, betaalt zij met haat ten vloek wat zegenende handen haar met liefde hebben toegereikt! Voor ons moet dat een getuigenis zijn dat wij in dit leven nog niet beloond zijn, maar een beter loon hebben te wachten. De eeuwige beloften van de Heere zijn veel te groot en te gewichtig dan dat wij die voor het karige tijdelijke loon zouden weggeven, of ons zouden beklagen dat onze arbeid tevergeefs en ons zaaien verloren zou zijn.
Zou bij het “men” niet voornamelijk gedacht moeten worden aan de vrienden, waarvan in Hoofdstuk 16: 9 sprake is?
En Hij vertelde hen een gelijkenis met het oog op degenen die met hun streng oordelen over anderen zich als de geroepen leidslieden van het volk en als de meesters in Israël voordoen. Die gelijkenis luidde 1) Kan ook wel een blinde (MATTHEUS. 23: 16 v. , 19, 26) een blinde op de weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? 2) (MATTHEUS. 15: 14).
Jes. 42: 19.
Het afbreken van de doorlopende rede geeft een ogenblik van stil nadenken te kennen. Jezus zoekt een beeld om Zijn hoorders de beklagenswaardige uitwerksels van het Farizese oordelen te doen voelen.
Waren de Farizeeën niet de lichamelijke tegenbeelden van wat de Heere Zijn toehoorders op het hart drukte? Wie stelde zich zo graag op de rechterstoel, wie brak met vrolijk welbehagen de staf over de naaste als de Farizeeër? Blind waren deze leidslieden in Israël en deze mannen, met de ergste blindheid geslagen, boden zich het volk, dat ook blind was, als wegwijzers aan. Hoe zou dat gaan? Die anderen de weg wil wijzen, hen daarop leiden wil, die moet zelf de juiste weg weten en bewandelen. Die zelf de juiste weg niet kent, noch bewandelt, die kan degene slechts doen dwalen en in de groeve doen vallen die zich aan zijn leiding overgeeft.
De discipel is niet boven zijn meester, dat hij die zou overtreffen, maar iedere volmaakte discipel, ieder, die zover gekomen is, als hij door die meester komen kan, zal zijn gelijk zijn meester. De discipelen van de Farizeeën zullen het er niet toe brengen, dat zij hun leermeesters ooit in verlichting overtreffen, zij zullen het slechts daartoe brengen, dat zij zijn als deze. Zij moeten daarom ophouden in hun school te gaan en van hen te leren, anders worden zij nooit van hun blindheid, die naar het verderfvoert, verlost.
Het “in de gracht vallen” zal eindelijk nog het hele volk overkomen, wanneer het onder de leiding van de Farizeeën blijft. Hoe groter voortgang het maakt in de school van zodanige leermeesters, des te nader komt het bij zijn verderf. Inderdaad hebben dan ook de Farizeeën op het hele volk zozeer hun stempel gedrukt, dat Israël ten slotte een volk is geworden dat door en door Farizees was! Wanneer de apostel niet zei dat hij de Jood schilderde, wij zouden denken dat een Farizeeër hem tot dat beeld had gediend dat hij ons in Rom. 2: 17 vv. voorhoudt. In MATTHEUS. 10: 24 vv. (vgl. Joh. 15: 20) is de spreuk van ons vers in een andere zin gebruikt als hier: de dienaren van Christus moeten niet verwachten beter behandeld te zullen worden dan hun Heer en Meester.
En waarom ziet u de splinter die in uw broeders oog en de balk die in uw eigen oog is, merkt u niet op.
Of hoe kunt u tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik de splinter, die in uw oog is, uitdoe, omdat u zelf de balk, die in uw oog is, niet ziet? Geveinsde! a) Doe eerst de balk uit uw eigen oog en dan zult u de splinter uit uw het oog van uw broeder doen (MATTHEUS. 7: 3-5).
Spr. 18: 17.
Van de vier openbaringen van barmhartige liefde, in de tekst genoemd, worden de twee mindere: “Niet oordelen, niet verdoemen” betrekkelijk het zeldzaamst gevonden. Men zou denken, oordelen, verdoemen, brengt volstrekt niets aangenaams, geen bevrediging aan, brengt integendeel zoveel pijn aan en heeft zoveel kwade gevolgen achter zich, dat ieder het graag zou willen afwennen. Dat is echter in het geheel het geval niet. Er is in het menselijk hart zo’n lust om te oordelen en te verdoemen, dat blijvend de een tegen de ander die zonde misdrijft. Daarom keert ook de Heere in onze hele hier voor ons liggende afdeling nog eens tot deze afschuwelijke paar lusten en gebreken terug en probeert Hij ze ons door de beide gelijkenissen, van de blinde die de andere blinde de weg wilde wijzen en van de splinter en de balk, te doden, ons daarvan te verlossen en te reinigen.
U bent blind en kent de weg naar het leven niet, wil de Heere zeggen: laat u door Mij verlichten, anders valt u met degenen die u volgen in het verderf. U kunt toch uw leerlingen niet geven wat u niet hebt; al nemen zij ook alles van u aan, al zijn zij uitgeleerd, dan zijn zij toch slechts volkomen zoals u, dat is volkomen blind. Het is zeker gemakkelijker om de weg te wijzen, dan de weg zelf te gaan, gemakkelijker en aangenamer voor een andere deur te vegen, dan voor zijn eigen; maar er is geen zegen bij, noch voor de meester, noch voor de discipel en het allerminst strekt het hen tot eer. Te Scethe in Egypte spraken eens de vergaderde gelovigen veel met elkaar over de gebreken van anderen. Lang zweeg de oude vader Pior, toen ging hij naar buiten, vulde een zak met zand, legde die op zijn rug en droeg een beetje zand in een mandje voor zich. Zo trad hij weer bij de broeders binnen. Toen deze hem vroegen wat dat moest betekenen, antwoordde hij: de zak op mijn rug zijn mijn zonden; ik heb hem daarom op mijn rug gelegd, omdat ik ze niet wil zien; in de plaats daarvan draag ik de verkeerdheden van mijn broeders voor mij, want ik heb er behagen in die te beschouwen. Ach, de Heere zal onze ver uitziende ogen omkeren en de kracht van hun zien naar binnen keren.
Er zijn twee vruchten welke de Heilige Geest in het hart wil scheppen; de ene heet zachtheid jegens anderen, de tweede strengheid tegen onszelf. Pas wanneer ons leven deze beide vruchten heeft voortgebracht, staan wij in de juiste betrekking tot anderen en tot onszelf en zijn wij beide, waar en gelukkig tegelijk.
Wat uwe leer en uw onderwijs teweeg zal brengen hangt helemaal af van hoe uw eigen hart gesteld is. Is dit gezond, dan zal ook uw arbeid een heilzame zijn, in het tegenovergesteld geval kunt u slechts verderf stichten; want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt.
Want iedere boom wordt door zijn eigen vrucht gekend; want men ziet geen vijgen van doornen en men snijdt geen druif van bramen (Hoofdstuk 7: 16 vv. ; 12: 33).
De samenhang van deze beide verzen met de vorige inhoud van de rede is de volgende: anderen te verbeteren zou een goede vrucht zijn, maar die kan niet verwacht worden van een boom, die zelf niet goed is.
De vruchten van de boom zijn noch de zedelijke handelingen van de levende personen, noch hun leringen, maar de uitwerkingen van hun arbeid bij anderen: een hoogmoedige kan ootmoed, een egoïst liefde prediken zoveel hij wil, de uitwerking van zijn woord zal verlamd zijn door het aanstekelijke van zijn voorbeeld.
Deze altijd hard woorden van de Farizeeën en Schriftgeleerden, die vitterijen, instellingen, nietigheden, vervloekingen, zijn zij niet oneetbaar als de vruchten aan de doornenstruik: wie zou die vruchten voor de eigenlijke levensvrucht van de theocratie, voor de vijgen, het fijne brood, voor de druiven, die gezochte lafenis in het rijk van de liefde houden? In de rede tot het volk is wat doelt op de Farizeeën en Schriftgeleerden onmiskenbaar, zoals dat in de eigenlijke bergrede wordt gehouden, met de hoogste wijsheid in meer algemene uitdrukkingen samengevat, overeenkomstig het geestelijk standpunt van het volk, zonder dat iets aan de waarheid tekort werd gedaan; de discipelen ontvangen dus in deze twee redenen van de Heere ook een levendig voorbeeld van deze hemelse vrije wijsheid in het leren, die een is met de hoogste moed tot prediking, omdat zij deze in het vervolg zozeer nodig hadden.
Ja, in waarheid zal uw leer en uw onderwijs door hun aard zelf al de toestand van uw hart openbaren. De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart en de kwade mens brengt het kwade voort uit de kwade schatvan zijn harten; want waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over (MATTHEUS. 12: 34, 35).
De liefde in al haar openbaringen als zachtmoedigheid, geduld, barmhartigheid, dat zijn de rijpe vijgen en zoete druiven, die de Heere aan Zijn discipelen wil leren. Wat moeten wij daarvoor doen? Wij moeten eerst vijgenbomen en wijnranken worden, wij, die van nature doornen en bramen zijn; moeten eerst een goede schat van het hart ons laten schenken, wij die van nature een boze schat van het hart hebben. Onze lieve Heere Christus wil die verandering bij ons bewerkstelligen. Hij wil onze woestijnen tot lusthoven maken, onze harten moeten worden als een bevochtigde tuin en als een waterbron, die het nooit aan water ontbreekt (Jes. 51: 3; 58: 11). Wij moeten bomen van de gerechtigheid genoemd worden, planten van de Heere, Hem tot eer; wij moeten kracht en leven uit Hem trekken, als uit de wijnstok en vele vruchten voortbrengen (Jes. 61: 3. Joh. 15: 5). Dat moet met ons gebeuren in de weg van boete en geloof; het is vergeefse moeite wanneer men iets goeds wil doen voordat men kan, of vroom leven voordat men tot het leven uit God is wedergeboren.
a) En waarom noemt u Mij: Heere, Heere! en doet niet wat Ik zeg (MATTHEUS. 7: 21).
Mal. 1: 6. MATTHEUS. 25: 11. Luk. 13: 25. Rom. 2: 13. Jak. 1: 22.
Een ieder, die tot Mij komt en Mijn woorden hoort en die ook doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is.
Hij is als een mens, die een huis bouwde en groef en verdiepte en het fundament legde op een steenrots. Toen nu de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan en kon het niet bewegen, niet aan het wankelen brengen; want het was op de steenrots gegrond.
Maar die ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is als een mens die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; waartegen de waterstroom sloeg en het viel meteen, het stortte dadelijk ineen en de val van dat huis was groot, omdat het geheel werd omvergeworpen (MATTHEUS. 7: 24-27).
Vs. 45 handelde over de vrucht van de boom, of over wat uit de schat van het hart voortkomt, zover het in woorden bestaat; vs. 46 leidt de gedachte verder: wat baten de juiste woorden, wanneer de daden er niet mee overeenkomen? Hiermee hangt dan het slot van de rede samen.
Wat de gelijkenis aan het slot betreft is aan de hellingen van de heuvels rondom het meer van Gennezareth de rots op veel plaatsen met een dunne laag aarde of zand overdekt; de verstandige graaft door deze zachte aarde heen, hij graaft diep tot op de rots, waarop en waarin hij het fundament legt; maar de dwaas houdt op met graven voordat hij aan de rots komt. Op de aarde bouwen wil zeggen de wil van de Heere slechts in het verstand, het meest oppervlakkige en het meest persoonlijke deel van ons ik, opnemen, maar er het geweten voor sluiten en de toestemming van de wil, het waarachtig persoonlijke element van ons wezen, daaraan ontzeggen. De beproeving van ons geestelijk gebouw heeft plaats door de verzoeking, door de vervolging, eindelijk door de dood, waarop het oordeel volgt; zijn val wordt voltooid door het ongeloof op aarde en door de verdoemenis daarna.
Deze profetische gelijkenis wordt vervuld in het individuele leven overal in de tegenstelling tussen de ware gelovigen en de schijn- en ongelovigen. In het groot werd zij vervuld in de tegenstelling van de vleselijke en geestelijke gemeente, waarin Israël werd verdeeld tegenover Jezus’ woord en zonder twijfel heeft Christus hier met bewustzijn gewezen op de ontwikkeling van deze wereld historische tegenstelling. De wijze man zijn de ware discipelen van Jezus; deze hebben gegraven in de diepte om het fundament van hun huis te leggen. Zij hebben het in de diepte van het kruislijden, van verloochening van de wereld gelegd op de rotssteen, op Gods trouw en Christus’ strijd en overwinning; en de grote wereldstorm is gekomen in winden en regenstromen en heeft in zijn aanval op het huis de kracht daarvan beproefd – het is vast blijven staan, het is een burcht! Daarentegen heeft de dwaze man zijn huis gebouwd op de onvaste aarde, op zand; zo bouwde de vleselijke gemeente in Israël; ook zij hoorde het woord van Christus, maar zij bewaarde het niet. Dat heeft de storm van kritiek aan de dag gebracht, dat haar huis geen grond had; zodra de grote wereldstorm over haar kwam en tegen haar fundament aanviel, stortte het dadelijk ineen en de val van het huis was groot, was een wereldbewegende gebeurtenis.
Hoe het volk, nadat het de rede van de Heere had gehoord, zich verwonderde over de macht waarmee Hij predikte, zie daarover MATTHEUS. 7: 28 v.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel