24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Blinde leidslieden der blinden

Blinde leidslieden der blinden

“En hij zei tot hen een gelijkenis: kan ook wel een blinde een blinde op de weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.” Lucas 6:39,40

 Al is de mens ook naar de plaats van de wijsheid heengebracht, dan is het nog moeilijk hem er te houden. De waarheid ligt tussen twee uitersten, en de mens zal, evenals de slinger van een uurwerk, nu eens te veel naar deze zijde, en dan weer te veel naar de andere zijde overhellen. Hij blijft niet lang in één positie, maar wordt heen en weer geslingerd, nooit, behalve door Goddelijke genade, rust vindende in het middelpunt van de wijsheid. Er zijn met betrekking tot het pelgrimschap en het leerlingschap van het leven twee uitersten. Sommigen beweren, dat de mens hoegenaamd geen behoefte heeft aan een gids. Is hij niet een edel wezen begaafd met een groot en veelomvattend verstand? Kan hij niet redeneren en oordelen, begrijpen en onderscheiden? Gewis! Hij kan zijn weg best vinden, zonder dat hij van buitenaf aanwijzingen ontvangt. Als leerling: waartoe heeft hij een leraar nodig? Hij kan zichzelf onderwijzen. Bezit hij geen wetenschap? Heeft hij niet reeds vele uitvindingen gedaan? Zulke zelfgenoegzame snoevers zullen zich dus niet verwaardigen aan de voeten van een meester te zitten, of het spoor te volgen van een gids. En bijgevolg worden zij dikwijls dwalend, zonderling, willekeurig en onredelijk in hun wijze van denken, ja zelfs in hun wijze van handelen. Zulke pelgrims zullen in de doolhof van het ongeloof en van de godloochening verdwalen; zulke leraars van zich zelf zullen hun eigen geest in dwaasheid en zelfbegoocheling doen verzinken. Dit plan is gevaarlijk, maar de tegenovergestelde pool is het niet minder. Verlos een mens van rationalisme, en hij zal dikwijls de prooi worden van bijgeloof, en zeggen: “Ik zie, dat ik een gids behoef, ik zal er de eerste de beste voor aannemen.” Een gids vindende, aangesteld door het gezag van deze of van die, zal de mens, die ophoudt zijn eigen oordeel te gebruiken, zich terstond aan zijn leiding overgeven, en achtten, dat te betwijfelen is zich schuldig te maken aan boos ongeloof. Zonder te vragen of de gids ziende is of blind, of de leraar een wel onderwezen en bevoegd onderwijzer is, geven de lichtgelovigen zich over aan priesters of aan leiders, en worden misleid. Het denken moe, vragen zij, dat anderen voor hen zullen denken, en daarbij laten zij de zaken blijven. Dat is de godsdienst van zeer velen, en zij vinden er veel vrede in, de vrede van sluimering en stompzinnigheid. Zij komen in een kerk, die aanspraak maakt op het eerwaardige van hoge oudheid, en dan geloven zij alles wat die kerk leert. Zij achten, dat zij niet langer het recht hebben van te oordelen, of van hun verstand te gebruiken. Zij hangen het geweten en het verstand in een slinger, alsof zij gebroken armen waren, die niet meer te gebruiken zijn, en laten zich als kranken en zwakken rondrijden in de wagen van de overlevering en van de dogma’s. Zij durven geen vraag opwerpen; – dat zou alles bederven; – zij sluiten hun ogen, en laten andere mensen voor hen zien, ja zij sluiten hun ogen en laten zich leiden door blinden. Zij denken niet meer, en laten zich besturen door hen, die ook niet meer denken, en reeds voor zeer lang hun ogen gesloten, en hun mond geopend hebben, om alles in zich op te nemen wat een concilie of een paus er in gelieft te doen. Tussen deze twee uitersten ligt een smal pad van recht, en zalig is hij, die het vindt, namelijk het eerlijk en oprecht beoordelen wie de leider en leraar behoort te wezen, de ontdekking, dat een Leider verordineerd is in de Persoon van de Heere Jezus, en een Leraar in de Persoon van de Heilige Geest. En daarna een volkomen, gewillige en gelovige onderwerping aan deze onfeilbare leiding. Zalig hij, die noch in de hoogmoed van zijn verstand besluit zijn eigen gids te wezen, en aldus de gids wordt van een dwaas, noch in de slapheid en traagheid van het bijgeloof zich er aan onderwerpt geleid te worden door zijn evenmens, hij zij priester, paus, of predikant, of wie ook; maar die, bevonden hebbende, dat God zijn Zoon in de wereld gezonden heeft, om de Overste Leidsman van onze zaligheid te zijn, die vele kinderen tot de heerlijkheid leiden zal, volgt, waar zijn Gebieder voorgaat. En deze zelfde Jezus verordineerd gezien hebbende om de Profeet van zijn volk te zijn, er zich in verlustigt neder te zitten aan zijn voeten en zijn woorden te ontvangen, terwijl zijn verstand, zijn genegenheid en zijn wil volkomen rust in Hem vinden. Met zijn ogen wijd open volgt Hij de Alziende. En zijn verstand verlicht zijnde, wordt hij een discipel van het Eeuwige Licht.

Als wij het hieromtrent eens zijn geworden, dat wij een gids nodig hebben, dan is het klaarblijkelijk van het allergrootste belang de aanspraken te onderzoeken van hen, die dit ambt willen vervullen. Sommigen nemen een gids, omdat, gelijk ik reeds heb opgemerkt, hij door het gezag van dezen of genen is aangewezen. Hij is wellicht de leraar van de gemeente, en dan wordt hij terstond en zonder nadenken als zodanig aangenomen. Het zou wel een grote dwaas moeten zijn, die bij het beklimmen van de Zwitserse bergen een persoon tot gids neemt, op het blote zeggen van die persoon, dat hij een gids is, en de gewone getuigschriften vertoont, terwijl hij, hem aanziende, ontdekt dat de man stekeblind is. Zou gij dan zeggen, dat het er niet toe doet, daar hij toch door het openbaar gezag als gids is aangesteld? Zou gij de Mont Blanc met hem bestijgen? Zo ja, hij zou u spoedig in een afgrond voeren, waar dan ook het einde van uw dwaasheid zou zijn. Toch zijn er een menigte van mensen, die een godsdienst aannemen volgens het voorschrift van een ander, daar zij vertrouwen, dat hetgeen beschermd wordt door de groten en machtigen van de aarde, ingesteld en begiftigd is door geheel het volk, natuurlijk het ware moet wezen. Of de gids zien kan of niet zien kan, schijnt een kleinigheid, een beuzeling te zijn, maar wel moet hij een behoorlijke aanstelling hebben. Als dat uitgemaakt is, dan zal de onnadenkende menigte naar niets meer vragen. Ik voor mij, zie mijn gids gaarne in de ogen. Ik wil gaarne weten, of hij het land al doorgetrokken is, en of hij kennis en ervaring heeft van de weg, en zo hij mij hieromtrent geen zekerheid kan geven, dan zie ik uit naar iemand anders, naar iemand, die een en al oog is, en alle ervaring heeft opgedaan, namelijk de Heere Jezus. Zijn gezag kan ik niet in twijfel trekken; wat Hij mij leert, geloof ik waar en recht te zijn. Ik verheug er mij in een ziend mens te wezen, die een ziende gids volgt. En ik tracht een verstandig leerling te zijn, die door een wijs en simpathetisch leraar onderwezen wordt.

Er is hieromtrent veel wijsheid in onze tekst; want in de eerste plaats maakt hij ons alom bekend met een groot, algemeen beginsel, als een waarschuwing, namelijk, dat een discipel niet boven zijn meester is, maar gelijk zijn meester wordt. In de tweede plaats geeft hij van dit grote, algemene beginsel een bijzondere toepassing op Christus, nl. dat wij, volmaakt wordend, Hem gelijk worden, evenals andere discipelen, die gelijk hun meesters worden. Daarna zal ik de tekst trachten te gebruiken tot bemoediging van hen, die Christus begeren tot hun Meester, door te zeggen: dat wij het feit, vermeld in de tekst, praktisch op de proef mogen stellen.

I.

Laat ons dan HET GROTE ALGEMENE BEGINSEL gebruiken als een waarschuwing.

Er zijn verschillende waarheden opgesloten in de tekst, die allen tot verklaring kunnen dienen van het grootste punt. Het is blijkbaar, dat de discipel over het algemeen aangetrokken wordt tot de meester, die de meeste overeenkomst met hem heeft; – de blinde wordt geleid door de blinde. “Soort zoekt soort,” van daar dat mensen van enerlei zin en richting zich met elkaar verbinden. Maar er is bovendien nog een natuurlijke neiging in ons om ons eigen beeld te bewonderen, en ons gewillig te onderwerpen aan iemand, die boven ons staat, onze meerdere is, maar toch ook van ons type. Een leraar, die onze vooroordelen niet kwetst, maar sympathie betoont met onze smaak, met hem voelen wij ons terstond op ons gemak. De priester is gelijk aan de gemeente, omdat het aan de gemeente behaagt hem aldus te hebben. Wat van afgoden waar is, is ook waar van leraars: “Die hen maken, zijn hun gelijk.” Indien de blinde slechts zien kon, dan zou hij geen blinde tot gids nemen; maar daar hij niet zien kan, ontmoet hij iemand, die spreekt, gelijk de blinden spreken, die over de dingen oordeelt gelijk zij in het duister zijn, en niet weet, wat ziende mensen weten, en daarom de blinde nooit aan zijn gebrek herinneren. En terstond zegt deze nu: “Dat is mijn ideaal van een man; hij is juist de gids, die ik nodig heb, aan hem zal ik mij toevertrouwen.” En zo neemt dan de blinde de blinde tot gids. En dat is de reden, waarom de dwaling zo populair is. Geen dwaling zou kunnen blijven bestaan, indien zij niet overeen kwam met de een of andere boze neiging in de menselijke natuur, niet de een of andere dwaling vleide in de mens, waarmee zij overeenstemt. Afgoderij is een heersende zonde, omdat de mens vervreemd is van God, die een Geest is, en in zijn dwaasheid een god eist, die hij met zijn zinnen kan waarnemen. Als gij hoort, dat er gehele menigten naar het Pausdom overlopen, moet gij u hierover niet verwonderen. Het Pausdom is de godsdienst van de verdorven menselijke natuur, waaraan de duivel een gestalte heeft gegeven; en daarom is het niet te verwonderen, dat de natiën er door bekoord worden, want wat zij liefhebben en wat de God van deze wereld aangenaam maakt voor hun zinnen, zal hun welkom wezen. Het Pausdom en ook nog andere vormen van godsdienst, waarbij men aan de uiterlijke plechtigheden blijft hangen, zijn zachte bedden voor luie leden, en even gewis als een luiaard zich neerlegt, even gewis zal een bijgelovige deze stelsels volgen. Gij kunt in den beginne niet begrijpen, hoe de blinde, die zich als gids opwerpt, nog zo velen kan vinden, die hem willen volgen, en dat zou hij ook niet, indien er niet zo vele andere blinden waren, die van zijn blindheid niets weten, en hem tot hun gids aannemen. Hoed u er voor zelf zo blind te zijn van hun voorbeeld te volgen. Jongeling, zie wel toe, wie het is, die gij tot gids kiest. Uw natuurlijke neiging zal er u toe leiden om de verkeerde te kiezen, wijl uw neigingen zelf verkeerd zijn. Bid, dat gij de levensreis op de rechte wijze mocht beginnen, dat gij, door de genade, die in uw hart is uitgestort, de Christus Gods kiest, die “de weg, de waarheid en het leven” is. O Heere, laat toch niemand hier zo blind zijn, om blinde godloochening, blinde twijfelzucht of blind bijgeloof tot gids te kiezen; maar neem Gij de blinden bij de hand, en leidt hen langs een weg, die zij niet weten, en langs paden, die zij niet kennen. Doe hun dit, O Heere, en verlaat hen niet.

Zijn onderwijzer gekozen hebbende, zal de leerling langzamerhand al meer en meer zijn meester gelijk worden, of wel, zijn gids aangenomen hebbende, zal de neiging om al meer en meer in zijn voetstappen te wandelen, en zijn regels stipter op te volgen, met iedere dag sterker worden. Wij moeten er ons allen van bewust zijn, dat wij hen, die wij bewonderen, ook navolgen. Liefde oefent een vreemde invloed uit over onze natuur om haar te kneden in de vorm van de geliefde. Een waar discipel is als leem, en zijn Meester vormt hem naar zijn beeld. Wij mogen er ons wellicht nauwelijks van bewust zijn; maar wij zullen zeer stellig gevormd worden naar het beeld van hen, wiens invloed wij willen ondergaan. Wie dan ook uw Meester mocht wezen, mijn vriend, gij zult veranderd worden naar zijn beeld. Indien gij verkiest geleid te worden door hem, die zich aan werelds genot en vermaak wijdt, dan zult gij hoe langer hoe beuzelachtiger worden. Indien gij de slaaf van de gierigheid bewondert, dan zult gij gierig worden. Indien gij de invloed gevoelt van hem, die zich aan ondeugd overgeeft, dan zult gij slecht worden. Indien iemand, die het Woord Gods veracht, uw held wordt, dan zult ook gij het eerlang verachten. Terwijl gij hem vol bewondering aanstaart, heeft er een soort van fotografische werking plaats, en zult gij, evenals het fotopapier, zijn beeld ontvangen. Ik bid u, zie dan wel toe, wie uw gids wordt.

En let wel: de leerling gaat niet verder dan de leermeester, en zo zal de man, die er zich aan onderwerpt geleid te worden, ook zijn gids niet voorbij streven. Zulk een geval komt zeer zelden voor, ja ik mag wel zeggen, dat het nooit voorkomt, want wanneer hij, die geleid wordt, verder gaat dan zijn leider, dan wordt hij in waarheid niet langer geleid; maar ook dit heeft zeer zelden plaats. Indien de mensen hun leiders voorbij streven, dan doen zij dat gewoonlijk in een verkeerde richting. Zelden zullen zij hun deugden overdrijven, zij zullen ze zeer dikwijls vermijden; maar wèl zullen zij hun eigenaardigheden, hun dwaasheden, hun gebreken en hun zwakheden in nog veel sterkere mate vertonen. Men zegt, dat de hovelingen van Richard III langzamerhand allen gebocheld werden, omdat de koning hoge schouders had. En wij hebben – niet in de vorige eeuw, maar in deze tegenwoordige eeuw – geheel een volk zó verdwaasd gezien, dat bijna alle vrouwen mank gingen, omdat een algemeen beminde vorstin gedurende enige tijd door lamheid gekweld was. Dat is zo der mensen wijze van doen. Als door instinkt volgen zij elkaar na. En dit is de enige verontschuldiging, die ik weet bij te brengen tegen Darwins theorie, die ons van een aap doet afstammen. De gave van de navolging is goed in ons ontwikkeld, maar als zij aan zich zelf overgelaten wordt, dan werkt zij met een overhelling naar de verkeerde zijde, en dan openbaart zich de navolging het sterkst in de richting van mismaaktheid en gebrekkigheid. In muziek en schilderkunst, in poëzie en letterkunde zullen de beoefenaars, die tot een school behoren, zelden hun meester overtreffen. En zo dit wel het geval is, dan verlaten zij hem; maar over het algemeen zullen zij de eigenaardigheden en zwakheden van de meesters blijven vertonen. Dit is nog meer waar in de kunst van leven. Jonge lieden, als gij een meester moet kiezen voor uw geloof, o ik smeek u, draagt zorg, dat gij geen ander dan de beste kiest; want gij zult de meester, die gij volgt, niet overtreffen; veeleer zult gij bij hem achter blijven. Indien gij een leider kiest, zo kiest er een, die de weg kent; want zo hij zich vergist heeft, zult gij u nog tien maal meer vergissen. En naar alle waarschijnlijkheid zullen zijn vergissingen bij u nog veel sterker uitkomen dan bij hem.

Als iemand een verkeerde leidsman kiest voor zijn ziel, dan zal hij ondervinden, dat aan het einde van elke verkeerde leiding een “gracht” is. Iemand onderwijst een dwaling, die hij zegt aan de Schrift te hebben ontleend. En hij ondersteunt haar met teksten, die verwrongen of verkeerd aangehaald worden. Volgt gij nu die dwaling, en neemt gij hem, die haar leert, tot uw leidsman, dan kunt gij een tijd lang zeer ingenomen zijn met u zelf, wijl gij meer weet, dan de arme, eenvoudige lieden, die zich aan de oude goede weg houden; maar, gij kunt er zeker van zijn, dat er aan het einde van die dwaling een gracht is. Gij ziet haar nog niet; maar zij is er, en gij zult er voorzeker in vallen, zo gij uw leidsman blijft volgen. Zeer dikwijls loopt een dwaling uit op een zedelijke gracht, en daarin verzinken de mensen, terwijl zij nauwelijks weten waarom, totdat zij, na leerstellige dwaling in zich opgenomen te hebben, ook hun zedelijke beginselen vergiftigd zien. En zij zich als dronken lieden in het slijk van de zonde wentelen. Op een andere keer zal een dwaling van geringe betekenis uitlopen in de gracht van een volstrekt doemwaardige leer. De eerste vergissing was, vergelijkenderwijs, onbeduidend, maar daar zij de geest als op een hellend vlak plaatst, ging de mens schier als van zelf naar de diepte, en vond hij zich, eer hij het recht wist, overgegeven aan een kracht der dwaling om de leugen te geloven. Wat de blinde en zijn leidsman ook mogen missen, zeer stellig zullen zij de gracht vinden, zij hebben geen ogen nodig om daarin een ruime ingang te hebben. In de gracht te vallen is, helaas, zeer gemakkelijk, maar hoe zullen zij er uit komen? Als er nieuwe leerstellingen gepredikt worden, dan zou ik inzonderheid hen, die belijden christenen te zijn, ernstig willen smeken om wèl toe te zien. Ik bid u, denkt aan de gracht. Een kleine wending van de wissel zal de spoortrein naar het verre Oosten of het verre Westen doen gaan; de eerste wending is uiterst klein en gering, maar de punten van aankomst zijn zeer ver van elkaar verwijderd. Er zijn nieuwe dwalingen ontstaan, die uw vaders niet gekend hebben, en waarmee sommigen zeer ijverig in de weer zijn; maar ik heb opgemerkt, dat de mensen, als zij die dwalingen hebben aangenomen, ophouden nuttig te wezen. Ik heb leraren gezien, die zich slechts een beetje aan speculatieve theorieën hebben gewaagd, en langzamerhand gleden zij af, van het latitudinarisme 1) naar het Socinianisme of de godloochening. In deze grachten vallen duizenden. Anderen worden in een even afgrijselijke poel gestort, namelijk in die van alle leerstellingen aan te nemen in theorie, maar geen van allen in praktijk te brengen. Heden ten dage geloven de mensen in waarheden, waar het leven en de betekenis van weggenomen zijn. Er zijn leden en leraren van Evangelische kerken, die niet in de Evangelische leerstellingen geloven, of zo zij ze al geloven, hechten zij er slechts zeer weinig betekenis aan. Hun preken zijn opstellen over de filosofie met een Evangelisch tintje er over heen. Het vierendeel van een grein van het Evangelie doen zij in een Atlantische zee van veel gepraat. En zo worden de arme zielen overstroomd met woorden, waarin niet de minste nuttigheid isGod beware ons er voor om ooit het oude Evangelie te verlaten, of de geest er van kwijt te raken, en de degelijke vertroosting, die het met zich brengt; maar zo wij ons aan een verkeerde leiding overgeven, dan zullen wij spoedig genoeg in de gracht van een levenloze belijdenis en filosofische dromerij terechtkomen. Dit alles moest ons beletten van enig mens, wie hij ook zijn moge, tot onze leidsman te kiezen; want zo wij op een bloot mens gaan betrouwen, al heeft hij het negen en negentig maal van de honderd bij het rechte eind, dan heeft hij toch ergens onrecht in. En onze neiging zal dan meer wezen om onder de invloed te komen van dat ene verkeerde punt, dan onder die van al zijn rechte punten. Geloof het vrij: in zaken aangaande de godsdienst is de aloude vervloeking overvloediglijk uitgekomen: “vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt.” Eén is er, die gij onbepaald en onvoorwaardelijk kunt volgen, en die Ene alleen. Eén is er, die gij onvoorwaardelijk kunt vertrouwen, en die Ene alleen, – de mens Christus Jezus, de Zoon van God. Doch indien gij niet wenst in dwalingen van het hart of dwalingen van de praktijk geleid te worden, zo wacht u voor mensen, en volgt niemand dan Jezus, en geen andere voetstappen, dan die van de kudde, welke Hem volgt. Zelfs zal het het beste wezen, zo gij niet de schapen, maar alleen de Herder volgt. En dit te doen, zelfs als gij alleen wandelt. Mocht de Heilige Geest u geschonken worden om u in alle waarheid te leiden.

II.

DE BIJZONDERE TOEPASSING VAN DIE TEKST OP ONZE HEERE JEZUS CHRISTUS IS ONZE BEMOEDIGING. Indien wij de Heere Jezus Christus tot onze Gids hebben, dan kunnen wij hem gewis niet voorbij streven, maar wij zullen het voorrecht hebben aan Hem al meer en meer gelijk te worden. En overeenkomstig onze tekst, zullen wij volmaakt worden gelijk onze Gids volmaakt is.

Ten eerste: dit is wat wij konden verwachten. Gelijk wij reeds gezegd hebben: over het algemeen zien wij, dat de discipel zijn meester gelijk wordt, maar met zulk een Meester is dit nog meer zeker. Met zulk een Meester, van wie deze mijn lippen nooit met genoeg lof kunnen spreken, een Meester, wiens schoenriemen ik niet waardig ben te ontbinden, zal het wel kunnen geschieden, dat wij, gesmolten door de warmte van de liefde, uitgegoten worden in de vorm van de gehoorzaamheid. Hij is de Schepper; kan Hij zijn beeld niet in ons scheppen? Van zodanig Een, als Hij is, kunnen wij dit vertrouwend verwachten.

Want, merk op, dat het onderwijs zelf van zodanige aard is, dat het wel macht moet hebben over de harten, die er zich onder buigen. Zijn leer is alvermogende liefde; al zijn onderwijs is goddelijk, en toch zó geschikt gemaakt voor de menselijke bevatting, dat het volkomen past bij de mens, die het juk van Christus op zich genomen, en besloten heeft van Hem te leren. Andere meesters leren ons verdraaide, twijfelachtige leringen. En als wij ze geleerd hebben, dan is het maar al te vaak het verstandigst om ze weer af te leren; maar het onderwijs van onze Heere is gewis, hemels, machtig. En wij gevoelen, dat het zó waar, zó edel, zó verheven is, dat het tot ons komt met gezag, en niet als het woord van een mens.

Indien ik alleen maar wist, wat Jezus leert, dan zou ik nog tot de gevolgtrekking komen, dat een leraar, die zulk een leer verkondigt, en zulke geboden geeft, invloed moet uitoefenen op zijn discipelen, maar zijn invloed is niet slechts gelegen in zijn leer, zij ligt bovenal in Hem zelf. Toen Hij hier beneden gesproken heeft, zei men: “Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze mens.” En de reden was, dat “nooit een mens alzo geleefd heeft, gelijk deze mens.” Zijn woord was met macht; maar dit kon ook niet anders, want Hij zelf was het Woord. Indien gij Christus’ geboden beschouwt als belichaamd in zijn leven, dan stralen zij van schoonheid en schitteren zij van macht. Van zulk een Leraar kunt gij dragen, wat gij van niemand anders had kunnen dragen, want zijn karakter geeft Hem recht tot spreken. Velen van zijn geboden zouden volkomen ongerijmd hebben geschenen, indien zij voor het eerst van de lippen van een feilbaar mens waren gevloeid, want die ze gehoord hadden zouden hebben uitgeroepen: “Geneesmeester, genees u zelf.” Komende van Hem zijn zij natuurlijk, evenals goede vruchten van een goede boom; zij zijn de noodwendige uitstortingen van zulk een natuur en van zulk een leven. Wie kan anders dan overtuigd en overreed zijn, als de argumenten voor onze ogen leven? Wij zijn overweldigd door het majestueuze van de goedheid van de Verlosser, door de glans van zijn liefde, het oneindige van zijn offerande van zichzelf. Door zich zelf te openbaren dwingt Jezus ons geloof af, en door die zelfde openbaring doet Hij ons aan zich gelijkvormig worden. Was er ooit een leven als het zijne? Was er ooit zulk een dood? Was er ooit iemand, die zó gans en al begeerlijk was? Was er ooit zulk een volmaaktheid? In zijn leven was Hij zo oprecht en openhartig en tegelijk ook zó zachtmoedig, zó kloekmoedig en tevens zó vriendelijk, zó onbuigzaam en toch ook zó teder, zó geheel doorzichtig van waarheid, maar met dat al voorzichtig en zich met onfeilbare wijsheid bewakende; opgewassen tegen ieder, hoe men Hem ook aanviel. En toch blijkbaar nooit op zijn hoede, maar verkerende onder hen als een kind, – het heilig kind Jezus. O, indien gij neerzit aan Jezus’ voeten, dan zult gij niet slechts van Hem leren, en zijn onderwijs zal niet slechts macht over u hebben, maar gij zult Hem leren, want Hij zelf is zijn beste leerling. Nooit hebben ogen in de dierbare ogen van Jezus geblikt, die ogen, welke zijn “als die der druiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kastjes der ringen,” of zij werden zelf gereinigd en gezuiverd, zodat zij werden “als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim.” Wie zou de Heere Jezus als een bundeltje mirre op zijn hart kunnen dragen en niet welriekend gemaakt worden door zijn tegenwoordigheid? Wie zou met Hem kunnen zijn, zonder Hem gelijk te worden?

Wij zijn er volkomen van overtuigd, dat Jezusí discipelen Hem gelijk zullen worden, omdat Hij hen een innige vurige liefde voor zich instort, een liefde, die zich openbaart in gloeiende geestdrift voor Hem. Neem een leermeester, die al de scholieren liefhebben en bewonderen, en zij zullen voorspoedig leren. Beziel hen met geestdrift voor hun meester, en geen les zal hun te moeilijk wezen. Dit heeft onze dierbare Heere, van wie mijn lippen niet kunnen spreken, zoals zij van Hem moesten spreken, gedaan. Wij bewonderen, wij beminnen, ja wij aanbidden Hem. Hij is onze God, ons Alles in allen, vandaar dat wij er naar smachten gevormd te worden naar zijn wil. Voor Hem leven? O ja, wij bevinden, dat dit onze blijdschap is, want de liefde van Christus dringt ons. Voor Hem sterven? O ja! In alle tijden hebben de heiligen met vreugde hun leven voor Hem gegeven. Vol van ijver, aangevuurd door geestdrift, hebben zij verliezen geleden, en smaadheid verdragen om den wille van zijn naam. Indien de Meester zulk een geestdrift opwekt, dan zal Hij zijn discipelen voorzeker wel vormen naar zijn beeld.

En het beste van alles is, dat onze grote Meester een Geest met zich heeft, een machtige Geest, God zelf, de Heilige Geest. En als Hij onderwijst, dan onderwijst Hij niet slechts met woorden, maar met een kracht, die verder gaat dan tot het oor, en het hart zelf bereikt. Andere leraars zijn, tenzij zij Christus volgen, afhankelijk van de bekoring van de welsprekendheid, of van de kracht van het argument; maar onze Heere, ofschoon Hij het welsprekendst is van allen; want zijn lippen zijn druppende van vloeiende mirre; ofschoon vol van argumenten; want zijner is de wijsheid Gods, steunend op de kracht, die Hij in zich ontwaardde toen Hij zei: “De geest van de Heere HEERE is op mij, omdat de HEERE mij gezalfd heeft.” De Geest Gods geeft licht in de ziel, en wellicht van zulk een helderheid, dat de dingen, die niet gezien worden, met de grootst mogelijke duidelijkheid te voorschijn treden. En de dingen, die wij hopen, in hun substantie en werkelijkheid worden aangegrepen. Met dat licht komt ook leven om te gevoelen, kracht om te verwezenlijken, en onderscheidingsvermogen, om te oordelen. En aldus wordt de ziel in alle waarheid geleid, en ontvangt de discipel de lessen van zijn Heere in haar leven en haar kracht. Wie anders kan deze Geest geven? Door welke andere leraar kan de Heilige Geest ons worden ingeblazen? Wie zou niet willen neerzitten aan de voeten van een Meester, die door het bezit van zulk een oneindige gave alle anderen zo ver overtreft? O, ik bid het van God, dat terwijl ik spreek, sommigen, hier tegenwoordig, er toegebracht worden om te zeggen: “Aan die grote Leraar wil ik mij toevertrouwen.” Herinnert u, geliefden, dat, zo gij Hem verlangt als uw Meester, Hij evenzeer verlangt u tot discipel te hebben.

Ik meen thans aangetoond te hebben, dat het te verwachten was, dat de discipel van zulk een Meester Hem gelijk moet worden. Zo laat mij als nu er op wijzen, dat dit ook werkelijk beloofd was. Het is ons beloofd in het grote raadsbesluit van de voorverordinering: “Die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren verordineerd, den beelde van zijn Zoon gelijkvormig te zijn.” Dit is de grote bedoeling van God, dat Christus de Eerstgeborene zij onder vele broederen, en dat die broederen een gezelschap zullen uitmaken, op het gelaat waarvan de Heere het beeld van de Eerstgeborene zal ontdekken. Hetgeen God voorverordineert, kunnen wij vertrouwend verwachten.

Het is ons beloofd tot zelfs in de naam van Jezus Christus. Immers die naam is Jezus, “want Hij zal zijn volk zalig maken van hun zonden.” De mensen zalig te maken van hun zonden, dat is hen terug te brengen tot een toestand van reinheid en heiligheid. Dit, voorwaar is de zaligheid, die wij prediken, niet alleen de vergeving van de zouden, gelijk sommigen denken, maar het overwinnen van de zonden, het door de Geest van God gelijkvormig worden van de mens aan de Heere Jezus. Tot zelfs de naam Jezus zegt ons, dat het zijn bedoeling is zijn discipelen even vrij te maken van zonden als Hij zelf is.

Wij weten ook, dat dit het einddoel van onze Heere was, want het plan van Christus’ leven wordt duidelijk gezien in zijn laatste gebed, toen Hij bad: “Heilig ze in uw waarheid; uw woord is de waarheid. . . En ik heilig mij zelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.” Gij kunt zien, dat dit zijn enige doel is: zijn volk heilig te maken, gelijk Hij heilig is; hen te bewaren voor de boze, gelijk Hij bewaard was; hen overwinnaars te maken van de zonde, gelijk als Hij overwinnaar was. Zijn ganse leven lang heeft hij hieraan gearbeid met de twaalven en met anderen, die Hem volgden. En zijn laatste bede is: “Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze. Overal blijkt dit waar te zijn. De betrekking van Broeder, en Vriend, waarin Hij zich verwaardigde tot ons te staan, doet dit reeds vermoeden, want broeders zijn gelijk hun broeder, en vrienden zijn gelijk hun vriend. De zinnebeelden, die Hij gebruikt, wijzen heen naar dezelfde zaak, want de ingeënte tak neemt de natuur aan van de stam, de echtgenote wordt gelijk aan haar echtgenoot, en de leden van het lichaam zijn van dezelfde natuur als hun hoofd. De mystieke Christus is niet gelijk aan het beeld in de droom van de Babylonische monarch, het beeld met het gouden hoofd en de voeten van leem; neen, Christus is gans en al één. De genade, die verwijlt in het hoofd, doet het gehele lichaam van gedaante veranderen. Het is onze heerlijke, kostelijke verwachting, dat “wij hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is,” en dan zullen wij verzadigd worden met zijn beeld, als wij zullen opwaken.

Welnu, mijn broeders, wat wij konden verwachten, en wat God aldus krachtelijk heeft beloofd, is ook werkelijk gezien, want de discipelen zijn hun Meester gelijkvormig geworden. En dit is het, waarop ik de meeste nadruk wens te leggen. Zijn de discipelen niet gelijk hun Heer geweest ten opzichte van hun karakter? Het zou ongerijmd zijn te beweren, dat de heiligen van het Oude Testament in letterlijke zin discipelen van Christus geweest zijn; maar wèl waren zij dit in de geest, want het Evangelie is in alle eeuwen hetzelfde. Het is hetzelfde licht, hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld. Het innerlijk onderwijs van de Geest was hetzelfde voor Abel en Noach, als het was voor Johannes en Paulus; en gelijk de apostelen terugzagen op Jezus en verlicht werden, hebben de patriarchen voorwaarts gezien en hadden zij evenzeer licht. Nu had elk der heiligen van de oude tijd de ene of andere gelijkenis met de Heere Jezus Christus. Stel u enigen van hun voor de geest, en gij zult sommige van zijn schone trekken gewaar worden. Abel openbaart zijn rechtvaardigheid en Henoch wandelt met God. Job toont zijn geduld, en Abraham zijn geloof; Mozes zijn zachtmoedigheid, en Samuël zijn macht van voorbidding. Daniël gelijkt Hem in zijn oprechtheid en Jeremia in zijn wenen. Alle dezen hebben als morgendauwdroppen het licht weerkaatst van de Zon der Gerechtigheid. In het Nieuwe Testament zien wij in vele voorbeelden de natuurveranderende kracht van zijn onderwijs. Petrus en Johannes waren gelijk hun Meester, want wij lezen van hun vijanden: “zij nu de vrijmoedigheid ziende van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.” De gelijkenis was zó treffend, dat zij verplicht waren het te erkennen. Neemt voor een ogenblik alleen Johannes; wie kan zijn brieven lezen zonder te zeggen: “Aldus heeft zijn Meester gesproken.” Johannes stond zeer ver achter bij zijn Heere en toch, hoe verwonderlijk was hij Hem gelijk! Het dwong u bij tijd en wijle een glimlach af, als gij zag hoe uw eigenaardigheden, uw wijze van doen, afgespiegeld werden in uw kinderen. Schier onbewust waren zij de miniatuur van uzelf. Zo was het ook blijkbaar met Johannes. Indien het waar is, wat de overlevering van hem verhaalt, dat hij, te oud geworden zijnde om te kunnen lopen, zich in de bijeenkomsten van de gelovigen liet dragen, en dan gewoon was tot hen te zeggen: “Kinderkens, hebt elkander lief, kinderkens, hebt elkander lief,” dan was dit zó gelijk aan onze Heere Jezus Christus, dat gij gedacht zou hebben, dat de Meester weer op aarde was teruggekeerd. In zeer veel opzichten is Paulus een weerspiegeling van zijn Meester. En als ik die plaats lees in zijn brief aan de Romeinen, die plaats, waardoor sommigen als het ware verschrikt en ontzet worden, waar hij zegt: “Ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees,” dan word ik er toe geneigd te zeggen: “Hierin gelijkt hij op die Gezegende, die werkelijk een ban, een vloek voor ons gemaakt is, gelijk geschreven is: vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.” Nu zullen alle heiligen Gods, al naar mate zij ten volle discipelen van Jezus geweest zijn, min of meer deze karaktertrekken openbaren. Ik kan heden morgen mij niet ophouden om u te zeggen, welke karaktertrekken ik in u zie, die gelijken op mijn Heere. Het is mij een blijdschap in de ziel, dat ik broeders en zusters hier ken, van wie ik dikwijls bij mij zelf gezegd heb: “In hen kan ik mijn Meester zien.” Ik wenste wel, dat ik dit van u allen kon zeggen; maar toch verheugt het mij in zo velen punten van ware overeenkomst te zien met Jezus, de familietrekken, die alle de kinderen Gods met elkaar gemeen hebben. In al de erfgenamen van de zaligheid kunnen wij trekken vinden van hun Vader, hetgeen ons doet gevoelen, dat zij met Jezus tot hetzelfde huisgezin behoren. Die wijze van handelen en van zijn doen zouden zij niet hebben kunnen aanleren, zij moet hun door de wedergeboorte van boven zijn ingeplant.

Het is opmerkelijk, dat zij, die Christus’ discipelen zijn, Hem zelfs gelijk worden in de geschiedenis van hun leven. Teruggaande tot de heiligen vanouds, die wezenlijk discipelen zijn geweest van de leer van de Verlosser, zien wij Melchizedek, die brood en wijn brengt om Abraham te verkwikken – zou gij niet gedacht hebben, dat het Christus zelf was? Daar is Izak, die zich zachtmoedig onderwerpt aan zijn vader, terwijl deze het mes opneemt om hem te slachten – zou gij niet hebben kunnen zeggen, dat het Jezus was? Daar is Jozef, die zich bekend maakt aan zijn broeders, en gans Egypte regeert, hun ten goede – zouden wij niet hebben kunnen denken, dat het onze Heere was, die vóór zijn tijd op aarde is gekomen om zijn uitverkorenen te zegenen? Daar is David, terugkomende met Goliaths hoofd, terwijl al de maagden van Israël hem juichend tegemoet gaan – zou gij niet hebben kunnen denken, dat het onze Heere was, terugkomende van Edom met besprenkelde klederen van Bozra? De heiligen zijn typen van Hem, omdat zij met Hem van hetzelfde type zijn. Wat aangaat de discipelen nadat Christus gekomen was, gij zult hen dikwijls in toestanden vinden, waarin Jezus Christus u voor de ogen geschilderd is. Zie Stefanus vrijmoedig het Evangelie verkondigen, totdat zijn vijanden hem stenigen. Hebt gij van zijn Meester niet dikwijls gelezen: “Zij zochten hem te grijpen om hem te stenigen, maar hij ontging uit hun hand?” Zie Paulus te Lystra. Zij staan op het punt voor hem te offeren; het doet u denken aan de dagen, toen de schare riep: “Hosanna!” Zie, de apostel bestraft de menigte, en nu stenigen zij hem. En het herroept in uw geheugen de tijd, toen de schare riep: “Kruis hem! Kruis hem! Weg met hem!” Leest de geschiedenis van Paulus in de schipbreuk, als hij tot de kapitein van het schip en de hoofdman over honderd zegt “Alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn, want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u.” Gij zou bijna gedacht hebben, dat het de Heiland zelf was, zeggende tot de wind en de golven: “Zwijgt, wees stil!” Want er was zó veel van zijn Meester in hem. Voorwaar! Christus is in al zijn leden; zijn leven is opnieuw geschreven in hun leven. Geliefden, ik zou vele heiligen uit de latere tijden kunnen noemen, in wier leven wij Jezus kunnen aanschouwen. Die arme vrouw, die haar twee penninkjes in de schatkist wierp, de twee penningskes, die haar ganse leeftocht waren: is zij niet zeer gelijk aan Hem, die zijn alles voor ons heeft overgegeven, en arm werd, opdat wij door zijn armoede rijk zouden worden? Anderen zijn gelijk aan de vrouw, die haar albasten fles met zeer kostelijke zalf brak, ten einde het beste wat zij heeft aan de Heere te geven. Herinneren zij u niet aan Hem, die onze ziel liefheeft, en de kostbare albasten fles van zijn lichaam verbrak, en aarde en hemel met de geur er van vervulde? Een iegelijk, die het eigen ik opgeeft voor de eer van God is Jezus in miniatuur. Zie John Howard, die geheel Europa doorreist om de gevangenissen te bezoeken ten einde te zien op wat wijze hij aan de gevangenen wel kan doen. Is dat niet weerom Christus met de blijde boodschap voor de gevangenen? Of John Williams, landende te Erromanga, zijn leven in de waagschaal gesteld hebbende om kannibalen tot Christus te brengen: was dat niet zijn leven af te leggen voor zijn schapen? Welaan, mijn vriend, als uw leven voor ons ontvouwd werd, denkt gij, dat wij er iets in zouden vinden dat op Jezus Christus gelijkt? Indien gij zijn discipel bent, dan zal dit voorzeker zo wezen. Dan zal er iets staan in uw levensbeschrijving, gelijk uw kinderen haar zullen lezen – want zij zullen haar lezen, en wel veel beter dan iemand anders – gelijk uw vrouw haar zal lezen; gelijk zij, die met u arbeiden, haar zullen lezen; iets dat er uitziet, alsof het uit het leven van Jezus was genomen.

De leerlingen in de school van Christus moeten als hun Leermeester worden, en dat worden zij ook. Ik denk, dat de broeder, van wie ik zal spreken, hier tegenwoordig is, en indien dat zo is, dan zal het hem leed doen, dat ik de geschiedenis verhaal. En als hij kon, zou hij mij beletten te spreken; doch ik zal zo vrij zijn van voort te gaan. Ik ken een huisschilder, die met andere mannen ergens op een zeer grote hoogte aan het werk was. Eén van zijn medewerkers had meer sterke drank gedronken dan hij verdragen kon, en stond onvast op de hoge steiger.

“Die man komt stellig niet levend naar beneden,” zei hij bij zichzelf, en veeleer dan hem te zien omkomen, bood hij aan hem naar beneden te dragen. Ik geloof, dat het hun beiden het leven gekost zou hebben, indien de proef genomen was, maar goedsmoeds bood hij het aan. “Mijn ziel is geborgen,” zei hij, “ik ben een christen. Ik vrees, dat gij zult sterven, als gij alleen naar beneden gaat, en dan zal uw ziel verloren gaan. Zo gij u slechts stil wilt houden, zal ik u naar beneden dragen.” In weerwil van zijn dringend aanhouden, – heeft de man dit vriendelijk aanbod echter afgewezen; en helaas! Toen hij trachtte naar beneden te gaan, viel hij van een ontzettende hoogte, en werd dood opgenomen. Toen ik hoorde dat mijn geliefde broeder, een nederig lid van onze gemeente, dat gedaan had, dacht ik: “Daar is onze Meester, geopenbaard in zijn discipel.” Ons leven is een schilderij. En zo wij in Christus’ atelier zijn, zullen wij zijn hand herkennen, en dan zullen de mensen zeggen, dat dit geen gewoon schilder was. Die penseelstreek, deze lijn, is juist de lijn, die de grote Meester placht te maken. Die trekken zijn stellig van zijn hand. O, mijn broeders, niemand van ons behoeft te wensen origineel te zijn, laten wij maar zoveel mogelijk van Christus overnemen, dan zal dit voor ons de beste oorspronkelijkheid zijn. God helpe ons hierin.

Ik had nu nog willen zeggen – maar de tijd is bijna voorbij, en er rest mij nog slechts een ogenblik, – dat Christus’ discipelen Hem gelijk worden in hun worstelingen en in hun verzoekingen. Satan treedt hen tegen, gelijk hij Christus tegen getreden is; de wereld beproeft hen, zoals zij Christus beproefd heeft. Zij worden aangerand door Sadduceesch ongeloof en Farizeesch bijgeloof, gelijk Christus er door aangerand was. Zij moeten heengaan door dezelfde strijd. En Gode zij dank, zij behalen dezelfde overwinningen. Christus’ discipelen overwinnen de zonde; door de hulp van hun Meester komen zij twijfelingen te boven, overwinnen zij de wereld, staan zij in reinheid en in geloof. Weldra zullen zij Hem gelijk wezen in hun loon. “Die overwint,” zegt Hij, “Ik zal hem geven met mij te zitten in mijn troon, gelijk als ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijn Vader in zijn troon.”

Zo ik het vermogen had om het uit te werken, zou het een schoon onderwerp zijn om over te spreken, die wijze, waarop de discipel van Jezus aldus met vaste tred voortgaat op de weg om het beeld van Christus gelijkvormig te worden, totdat de gelijkenis zó treffend is, dat zelfs de benevelde ogen van de boze wereld in de duistere atmosfeer van haar onwetendheid wel moeten zien, dat die mens gelijk zijn Meester is.

III.

En nu zullen wij tenslotte nog enkele ogenblikken verwijlen bij het bemoedigend feit, DAT WIJ DIT ALLES HEDEN OP DE PROEF KUNNEN STELLEN.

Broeders en zusters, indien gij nog geen discipelen bent van Jezus Christus zo gedenkt, dat Hij u als zodanig wil aannemen. Hij zal u nog aannemen, al bent gij ook naar andere meesters gegaan, en al hebt gij ook zeer veel van hen geleerd, dat gij wederom af zult hebben te leren. Het is zeer gemakkelijk iemand te onderwijzen, wiens geest helder en blank is, dat is, die nog als wit papier is, waarop niets geschreven staat. Maar gij hebt reeds zeer veel geleerd, dat gij weer zult moeten vergeten. O gij, mensen van veertig, vijftig, zestig jaren, welk een wereld van kwaad is er in u, dat uitgedreven zal moeten worden. Welnu, mijn Meester wil u als zijn leerlingen aannemen, al bent gij ook al die tijd bij andere leermeesters geweest, en al weet gij ook nog de allereerste beginselen niet van hetgeen Hij u zal leren. Mijn Heere Jezus houdt een A B C school; Hij begint met de kinderkens. Welk een genade is het, dat Hij zulke arme, stompzinnige leerlingen, als wij zijn, wil aannemen, die niets weten dan hetgeen wij niet moesten weten. En ik zal er bij voegen, dat er in het geheel niets toe doet, of gij weinig of geen bekwaamheid hebt. Niet vele groten, niet vele machtigen zijn verkoren; maar God heeft de armen dezer wereld verkoren, en hetgeen niets is en hetgeen veracht is, ja het zwakke en dwaze heeft God verkoren. Komt tot Hem, want zo gij onbekwaam bent, Hij is het niet, en zijn bekwaamheid zal uw onbekwaamheid spoedig te boven komen. “Ik kan niet leren,” zegt gij. Ach; maar gij weet niet, hoe goed Hij kan onderwijzen; want Hij kan zó goed onderwijzen, dat zelfs diegenen, die denken niet te kunnen leren, in zijn school weldra onderwezen zullen zijn. Blijf ook niet weg, mijn vriend, terwijl gij denkt niet voor uw onderwijs te kunnen betalen, want de school van mijn Meesters is een vrije school. Hij neemt niets van ons, en Hij geeft ons alles.

De enige toegangskaart, die gij nodig hebt, is eenvoudig gewillig te zijn om te leren, u bewust te zijn, dat gij onderwijs en leiding nodig hebt, en u aan zijn leiding en zijn onderwijs te onderwerpen. Bent gij hiertoe bereid? “O!” zegt gij, “ik zal Hem zo veel smart aandoen, dat Hij mij moet opgeven.” Dat heb ik ook dikwijls gedacht. Het verwondert mij niet, dat gij door deze gedachte wordt gekweld; zij is dikwijls bij mij opgekomen, als ik zag, hoe weinig vorderingen ik maakte, na zo lang in Zijn school geweest te zijn. Als ik een mens tot leermeester had gehad, hij zou al lang het geduld met mij verloren hebben; maar de Heere Jezus Christus geeft nooit een leerling op. Als Hij eens begonnen is ons te onderwijzen, dan zet Hij zijn goddelijk onderwijs voort, totdat wij volleerd zijn. En hoe moeilijker het voor Hem is ons te onderwijzen, hoe meer eer Hij er door zal ontvangen, als al zijn leerlingen ten volle onderwezen en toebereid zijn voor de hemel. Hij zal zich in deze zaak niet laten teleurstellen. Hij zal de overhand behouden boven onwetendheid, en zonde, en hardheid des harten, en zwakheid en onbekwaamheid, totdat Hij ons in de kennis van de hemel zal hebben onderwezen, en ons geschikt gemaakt heeft om te delen in de erve der heiligen in het licht. Komt, waarde broeders en zusters, gij, die Christus’ leerlingen bent, laat ons aan zijn voeten zitten, en Hem meer dan ooit getrouw navolgen. En gij, mijne vrienden, die nog niet in zijn school bent, tot u zegt Hij: “Wie is slecht? Hij keert zich herwaarts.” En tot de verstandeloze zegt Hij: “Kom, eet van mijn brood, en drink van de wijn, die ik gemengd heb.” Moge de Heere uw hart neigen om van Hem te willen leren, om Christus wil. Amen.

 

1) De latitudinairen zijn godgeleerden, die laks zijn ten opzichte van godsdienstige beginselen en meningen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend