Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 Jezus, ingekomenG1525 zijnde, ging door JerichoG2410.
En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.
KJV
And1
Jesus entered2
and passed through3
Jericho.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En zieG2400, er was een manG435, met nameG3686 gehetenG2564 ZacheusG2195; enG2532 dezeG3778 wasG1510 een overste der tollenaren, enG2532 hijG846 wasG1510 rijkG4145;
En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;
Ook in dit vers
overste tollenarenG754
KJV
And,1
behold,
there was a man3
named4
Zacchaeus,6
which7
was
the chief among the publicans,10
and11
he12
was
rich.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 zochtG2212 JezusG2424 te zienG1492, wieG5101 Hij wasG1510; enG2532 konG1410 nietG3756 vanwege de schareG3793, omdatG3754 hij kleinG3398 vanG575 persoonG2244 wasG1510.
En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.
KJV
And1
he sought2
to see
Jesus5
who6
he was;
and8
could10
not9
for11
the press,13
because14
he was
little17
of stature.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 vooruitlopendeG4390, klomG305 hij opG1909 een wilden vijgeboomG4809, opdatG2443 hij Hem mocht zienG1492; wantG3754 Hij zou doorG1223 dienG1565 weg voorbijgaanG1330.
En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.
KJV
And1
he ran2
before,3
and climbed up4
into5
a sycomore tree6
to7
see
him:9
for10
he was13
to pass14
that
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En alsG5613 JezusG2424 aanG1909 die plaatsG5117 kwamG2064, opwaarts ziendeG308, zagG1492 Hij hem, en zeideG2036 totG4314 hemG846: ZacheusG2195! haastG4692 uG4771, en komG2597 af; wantG1063 IkG1473 moetG1163 hedenG4594 inG1722 uw huisG3624 blijven.
En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.
KJV
And1
when2
Jesus9
came3
to4
the place,6
he looked up,7
and saw
him,11
and12
said
unto14
him,15
Zacchaeus,16
make haste,17
and come down;18
for20
to day19
I
must25
abide27
at21
thy
house.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En hij haastteG4692 zich en kwam af, en ontvingG5264 HemG846 met blijdschapG5463.
En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
KJV
And1
he made haste,2
and came down,3
and4
received5
him6
joyfully.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 allen, die het zagenG1492, murmureerdenG1234, zeggendeG3004: Hij is tot een zondigenG268 manG435 ingegaanG1525, om te herbergenG2647.
En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.
KJV
And1
when they saw
it, they4
all3
murmured,
saying,5
That6
he was gone10
to be guest11
with7
a man9
that is a sinner.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En ZacheusG2195 stondG2476, en zeideG2036 totG4314 den HeereG2962: ZieG2400, de helftG2255 van mijn goederenG5224, HeereG2962, geef ik den armenG4434; en indienG1487 ik iemandG5100 ietsG5100 door bedrog ontvreemdG4811 heb, dat geef ik vierdubbelG5073 weder.
En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.
Ook in dit vers
geefG591
geefG1325
KJV
And2
Zacchaeus3
stood,1
and said
unto5
the Lord;7
Behold,
Lord,14
the half10
of my
goods
I give15
to the poor;17
and18
if
I have taken22
any thing
from any man20
by false accusation,
I restore23
him fourfold.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En JezusG2424 zeideG2036 totG4314 hemG846: HedenG4594 is dezenG5129 huizeG3624 zaligheidG4991 geschiedG1096, nademaalG2530 ookG2532 dezeG3778 een zoonG5207 van AbrahamG11 isG1510.
En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.
KJV
And2
Jesus6
said
unto3
him,4
This day8
is13
salvation9
come
to this
house,11
forsomuch as14
he16
also15
is
a son17
of Abraham.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 de ZoonG5207 des mensenG444 is gekomenG2064, om te zoekenG2212 enG2532 zaligG4982 te maken, dat verlorenG622 was.
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
KJV
For2
the Son4
of man6
is come1
to seek7
and8
to save9
that which was lost.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En als zij dat hoordenG191, voegdeG4369 HijG846 daarbij, en zeideG2036 een gelijkenisG3850; omdat HijG846 nabijG1451 JeruzalemG2419 wasG1510, en omdat zij meendenG1380, dat het KoninkrijkG932 GodsG2316 terstondG3916 zou openbaarG398 worden.
En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden.
KJV
And2
as they3
heard1
these things,
he added5
and spake
a parable,7
because8
he11
was
nigh10
to Jerusalem,13
and14
because they16
thought15
that17
the kingdom21
of God23
should19
immediately18
appear.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Hij zeideG2036 danG3767: Een zekerG5100 welgeborenG2104 manG444 reisdeG4198 in een verG3117 gelegen landG5561, om voor zichzelvenG1438 een koninkrijkG932 te ontvangenG2983, enG2532 dan weder te kerenG5290.
Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.
KJV
He said
therefore,2
A certain4
nobleman3
went6
into7
a far9
country8
to receive10
for himself11
a kingdom,12
and13
to return.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En geroepenG2564 hebbende zijn tienG1176 dienstknechtenG1401, gafG1325 hij hun tienG1176 pondenG3414, en zeideG2036 totG4314 henG846: Doet handelingG4231, totdat ik komeG2064.
En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling, totdat ik kome.
KJV
And2
he called1
his5
ten3
servants,4
and delivered6
them7
ten8
pounds,9
and10
said
unto12
them,13
Occupy14
till15
I come.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En zijn burgersG4177 haattenG3404 hemG846, en zondenG649 hemG846 gezantenG4242 na, zeggendeG3004: Wij willenG2309 nietG3756, dat dezeG3778 overG1909 ons koningG936 zij.
En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij.
KJV
But2
his4
citizens3
hated5
him,6
and7
sent8
a message9
after10
him,11
saying,12
We will14
not13
have
this
man to reign16
over17
us.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 het geschieddeG1096, toen hij wederkwamG1880, als hijG846 het koninkrijkG932 ontvangenG2983 had, dat hij zeideG2036, dat die dienstknechtenG1401 tot hemG846 zouden geroepenG5455 worden, wien hij het geldG694 gegevenG1325 had; opdatG2443 hij wetenG1097 mocht, wat een iegelijk metG1722 handelen gewonnenG1281 had.
En het geschiedde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide, dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, wien hij het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat een iegelijk met handelen gewonnen had.
KJV
And1
it came to pass,2
that when3
he6
was returned,5
having received7
the kingdom,9
then10
he commanded
these
servants15
to be called12
unto him,13
to whom17
he had given18
the money,20
that21
he might know22
how much23
every man24
had gained by trading.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En de eersteG4413 kwam, en zeideG3004: HeerG2962, uw pondG3414 heeft tienG1176 pondenG3414 daartoe gewonnenG4333.
En de eerste kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen.
KJV
Then2
came1
the first,4
saying,5
Lord,6
thy
pound8
hath gained10
ten11
pounds.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 hij zeideG2036 tot hem: Wel, gij goedeG18 dienstknechtG1401, dewijlG3754 gij inG1722 het minsteG1646 getrouwG4103 zijtG1510 geweestG1096, zo hebG2192 machtG2468 over tienG1176 stedenG4172.
En hij zeide tot hem: Wel, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden.
KJV
And1
he said
unto him,3
Well,4
thou good5
servant:6
because7
thou hast been11
faithful10
in8
a very little,9
have14
thou authority13
over15
ten16
cities.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En de tweedeG1208 kwamG2064, en zeideG3004: HeerG2962, uw pondG3414 heeft vijfG4002 pondenG3414 gewonnenG4160.
En de tweede kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen.
KJV
And1
the second4
came,2
saying,5
Lord,6
thy
pound8
hath gained10
five11
pounds.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En hij zeideG2036 ookG2532 tot dezenG5129: En gijG4771, weesG1096 over vijfG4002 stedenG4172.
En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden.
KJV
And2
he said
likewise3
to him,
Be7
thou6
also5
over8
five9
cities.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG2532 een anderG2087 kwamG2064, zeggendeG3004: HeerG2962, zieG2400 hier uw pondG3414, hetwelkG3739 ik inG1722 een zweetdoekG4676 weggelegdG606 hadG2192;
En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had;
KJV
And1
another2
came,3
saying,4
Lord,5
behold,
here is thy
pound,8
which10
I have11
kept laid up12
in13
a napkin:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Want ik vreesdeG5399 u, omdatG3754 gijG4771 een strafG840 mensG444 zijtG1510; gij neemt wegG142, watG3739 gij nietG3756 gelegdG5087 hebt, enG2532 gij maaitG2325, watG3739 gij nietG3756 gezaaidG4687 hebt.
Want ik vreesde u, omdat gij een straf mens zijt; gij neemt weg, wat gij niet gelegd hebt, en gij maait, wat gij niet gezaaid hebt.
KJV
For2
I feared1
thee,
because4
thou art
an austere6
man:5
thou takest up8
that9
thou layedst11
not10
down,
and12
reapest13
that14
thou didst16
not15
sow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
MaarG1161 hij zeideG3004 tot hemG846: UitG1537 uw mondG4750 zal ik uG4771 oordelenG2919, gijG4771 bozeG4190 dienstknechtG1401! Gij wistG1492, dat ikG1473 een strafG840 mensG444 benG1510, nemende wegG142, watG3739 ik nietG3756 gelegdG5087 heb, en maaiendeG2325, watG3739 ik nietG3756 gezaaidG4687 heb.
Maar hij zeide tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb.
KJV
And2
he saith1
unto him,3
Out of4
thine own
mouth6
will I judge8
thee,
thou wicked10
servant.11
Thou knewest12
that13
I14
was17
an austere16
man,15
taking up18
that19
I laid21
not20
down,
and22
reaping23
that24
I did26
not25
sow:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
WaaromG5101 hebt gij dan mijn geldG694 nietG3756 in de bankG5132 gegevenG1325, enG2532 ikG1473, komendeG2064, had hetzelveG846 met woekerG5110 mogenG302 eisenG4238?
Waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelve met woeker mogen eisen?
KJV
Wherefore
then1
gavest5
not4
thou
my
money7
into9
the bank,11
that12
at my coming14
I8
might17
have required18
mine own19
with15
usury?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En hij zeideG2036 tot degenen, die bij hem stondenG3936: NeemtG142 dat pondG3414 vanG575 hem weg, enG2532 geeftG1325 het dien, die de tienG1176 pondenG3414 heeftG2192.
En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien, die de tien ponden heeft.
KJV
And1
he said
unto them that stood by,3
Take5
from6
him7
the pound,9
and10
give11
it to him that hath16
ten14
pounds.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
EnG2532 zij zeidenG2036 tot hem: HeerG2962, hij heeftG2192 tienG1176 pondenG3414.
En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden.
KJV
(And1
they said
unto him,3
Lord,4
he hath5
ten6
pounds.)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Want ik zegG3004 uG4771, dat een iegelijkG3956, die heeftG2192, zal gegevenG1325 worden; maarG1161 vanG575 degene, die nietG3361 heeftG2192, vanG575 dienG3739 zal genomenG142 worden ookG2532 wat hijG846 heeftG2192.
Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.
KJV
For2
I say1
unto you,
That4
unto every one5
which6
hath7
shall be given;8
and10
from9
him that hath13
not,12
even14
that15
he hath16
shall be taken away17
from18
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Doch deze mijn vijandenG2190, dieG1565 nietG3361 hebben gewildG2309, dat ikG1473 overG1909 henG846 koningG936 zoude zijn, brengtG71 ze hier, enG2532 slaatG2695 ze hier voor mijG1473 doodG2695.
Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.
KJV
But1
those5
mine
enemies,3
which2
would8
not7
that I
should reign10
over11
them,12
bring13
hither,14
and15
slay16
them before17
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En ditG3778 gezegdG2036 hebbende, reisdeG4198 Hij voor hen heen, en ging opG1519 naar JeruzalemG2414.
En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem.
KJV
And1
when he had thus
spoken,
he went4
before,5
ascending up6
to7
Jerusalem.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En het geschiedde, alsG5613 Hij nabijG1519 Beth-fageG967 enG2532 BethanieG963 gekomen was, aanG4314 den bergG3735, genaamdG2564 den OlijfbergG1636, dat HijG846 tweeG1417 van Zijn discipelenG3101 uitzondG649,
En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fage en Bethanie gekomen was, aan den berg, genaamd den Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond,
KJV
And1
it came to pass,2
when3
he was come nigh4
to5
Bethphage6
and7
Bethany,8
at9
the mount11
called13
the mount of Olives,14
he sent15
two16
of his19
disciples,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
ZeggendeG2036: Gaat henen in dat vlekG2968, dat tegenoverG2713 is; in hetwelkG3739 inkomendeG1531, zult gij een veulenG4454 gebondenG1210 vindenG2147, waarop geen mensG444 ooitG3762 heeft gezetenG2523; ontbindtG3089 hetzelveG846, en brengtG71 het.
Zeggende: Gaat henen in dat vlek, dat tegenover is; in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbindt hetzelve, en brengt het.
KJV
Saying,
Go ye2
into3
the village6
over against5
you; in7
the which8
at your entering9
ye shall find10
a colt11
tied,12
whereon13
yet never15
man17
sat:18
loose19
him,20
and bring
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
EnG2532 indienG1437 iemandG5100 uG4771 vraagtG2065: WaaromG5101 ontbindtG3089 gij dat, zo zult gij alzoG3779 tot hemG846 zeggenG2046: OmdatG3754 het de HeereG2962 van nodeG5532 heeftG2192.
En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat, zo zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat het de Heere van node heeft.
KJV
And1
if2
any man3
ask5
you,
Why
do ye loose8
him? thus9
shall ye say10
unto him,11
Because12
the Lord14
hath17
need16
of him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
EnG1161 die uitgezondenG649 waren, heengegaanG565 zijnde, vondenG2147 het, gelijk Hij hun gezegdG2036 had.
En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had.
KJV
And2
they that were sent4
went their way,1
and found5
even as6
he had said
unto them.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
EnG1161 als zij het veulenG4454 ontbondenG3089, zeidenG2036 de herenG2962 van hetzelveG846 totG4314 henG846: WaaromG5101 ontbindtG3089 gij het veulenG4454?
En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen?
KJV
And2
as they3
were loosing1
the colt,5
the owners8
thereof9
said
unto10
them,11
Why12
loose ye13
the colt?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
EnG1161 zijG846 zeidenG2036: De HeereG2962 heeftG2192 het van nodeG5532.
En zij zeiden: De Heere heeft het van node.
KJV
And2
they said,
The Lord5
hath8
need7
of him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
En zij brachtenG71 hetzelveG846 totG4314 JezusG2424. EnG2532 hun klederenG2440 opG1909 het veulenG4454 geworpenG1977 hebbende, zettenG1913 zij JezusG2424 daarop.
En zij brachten hetzelve tot Jezus. En hun klederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop.
KJV
And1
they brought2
him3
to4
Jesus:6
and7
they cast8
their9
garments11
upon12
the colt,14
and
they set15
Jesus17
thereon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
EnG1161 als Hij voort reisdeG4198, spreiddenG5291 zij hun klederenG2440 onder Hem op den wegG3598.
En als Hij voort reisde, spreidden zij hun klederen onder Hem op den weg.
KJV
And2
as he3
went,1
they spread4
their7
clothes6
in8
the way.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En als HijG846 nu genaakteG1448 aanG4314 den afgangG2600 des OlijfbergsG3735, begonG756 al de menigteG4128 der discipelenG3101 zich te verblijdenG5463, en GodG2316 te lovenG134 met groteG3173 stemmeG5456, vanwege alG3956 de krachtige dadenG1411, dieG3739 zij gezienG3708 hadden;
En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden;
KJV
And when he3
was come nigh,1
even2
now4
at5
the descent7
of the mount9
of Olives,11
the whole13
multitude15
of the disciples17
began12
to rejoice18
and praise19
God21
with a loud23
voice22
for24
all25
the mighty works28
that26
they had seen;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
ZeggendeG3004: GezegendG2127 is de KoningG935, Die daar komtG2064 inG1722 den NaamG3686 des HeerenG2962! VredeG1515 zij inG1722 den hemelG3772, enG2532 heerlijkheidG1391 inG1722 de hoogsteG5310 plaatsen!
Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!
KJV
Saying,1
Blessed2
be the King5
that cometh4
in6
the name7
of the Lord:8
peace9
in10
heaven,11
and12
glory13
in14
the highest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
EnG2532 sommigenG5100 der FarizeenG5330 uitG575 de schareG3793 zeidenG2036 totG4314 HemG846: MeesterG1320, bestrafG2008 Uw discipelenG3101.
En sommigen der Farizeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.
KJV
And1
some2
of the Pharisees4
from5
among the multitude7
said
unto9
him,10
Master,11
rebuke12
thy
disciples.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
EnG2532 Hij, antwoordendeG611, zeideG2036 tot henG846: Ik zegG3004 ulieden, dat, zoG1437 dezeG3778 zwijgenG4623, de stenenG3037 haast roepenG2896 zullen.
En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.
KJV
And1
he answered2
and said
unto them,4
I tell3
you
that,7
if8
these9
should hold their peace,10
the stones12
would immediately cry out.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En alsG5613 Hij nabijG1448 kwam, en de stadG4172 zagG1492, weendeG2799 Hij overG1909 haar,
En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,
KJV
And1
when2
he was come near,3
he beheld
the city,6
and wept7
over8
it,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
ZeggendeG3004: OchG1487, of gijG4771 ook bekendetG1097, ookG2532 nog inG1722 dezenG5026 uw dagG2250, hetgeen totG4314 uw vredeG1515 dient! Maar nu is het verborgenG2928 voor uw ogenG3788.
Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.
Ook in dit vers
[dient]G1161
KJV
Saying,1
If2
thou hadst known,4
even5
thou,6
at least
in9
this
thy
day,11
the things10
which belong unto15
thy
peace!16
but19
now18
they are hid20
from21
thine
eyes.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Want er zullen dagenG2250 overG1909 u komenG2240, datG3754 uw vijandenG2190 een begravingG5482 rondomG4016 uG4771 zullen opwerpenG4016, enG2532 zullen uG4771 omsingelenG4033, enG2532 uG4771 van alle zijdenG3840 benauwenG4912;
Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;
KJV
For1
the days3
shall come2
upon4
thee,
that6
thine
enemies9
shall cast7
a trench11
about
thee,
and13
compass14
thee
round,
and16
keep17
thee
in
on every side,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
En zullen u totG1909 den grond nederwerpenG1474, enG2532 uw kinderenG5043 inG1722 uG4771; en zij zullen inG1722 uG4771 den enen steenG3037 op den anderen steenG3037 nietG3756 latenG863; daarom datG3739 gijG4771 den tijdG2540 uwer bezoekingG1984 nietG3756 bekendG1097 hebt.
En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.
KJV
And1
shall lay2
thee
even with the ground,
and4
thy
children6
within8
thee;
and10
they shall12
not11
leave
in13
thee
one stone15
upon16
another;17
because18
thou knewest21
not20
the time23
of thy
visitation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
EnG2532 gegaanG1525 zijnde in den tempelG2411, begonG756 HijG846 uit te drijvenG1544 degenen, die daarin verkochtenG4453 enG2532 kochtenG59,
En gegaan zijnde in den tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten,
KJV
And1
he went2
into3
the temple,5
and began6
to cast out7
them that sold9
therein,10
and12
them that bought;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
ZeggendeG3004 tot henG846: Er is geschrevenG1125: Mijn huisG3624 is een huisG3624 des gebedsG4335; maarG1161 gijG4771 hebt dat tot een kuilG4693 der moordenarenG3027 gemaaktG4160.
Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.
KJV
Saying1
unto them,2
It is written,3
My
house5
is
the house7
of prayer:8
but11
ye
have made13
it12
a den14
of thieves.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
En Hij leerdeG2258 dagelijksG2596 inG1722 den tempelG2411; en de overpriestersG749, en de SchriftgeleerdenG1122, en de overstenG4413 des volksG2992 zochtenG2212 HemG846 te dodenG622.
En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden.
KJV
And1
he taught3
daily5
in7
the temple.9
But11
the chief priests12
and13
the scribes15
and19
the chief21
of the people23
sought16
to destroy18
him,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
EnG2532 zij vondenG2147 nietG3756, watG5101 zij doenG4160 zouden; wantG1063 al het volkG2992 hingG1582 HemG846 aan, en hoordeG191 Hem.
En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.
KJV
And1
could3
not2
find
what5
they might do:6
for9
all10
the people8
were very attentive11
to hear13
him.
ingekomen zijnde,
Namelijk in de stad. Zie Luc. 18:35 .
Hertaald:
ingekomen zijnde,
Namelijk in de stad. Zie Luk. 18:35.
Jericho
Van de ligging van deze stad zie Marc. 10:46 .
Hertaald:
Jericho
Zie over de ligging van deze stad Mark. 10:46.
overste der tollenaren,
In elke provincie en stad waren verscheidene tollenaars, onder welken een de opperste was, die de tollen aan de Romeinen moest verantwoorden. Zie dergelijke bij Josefus Antiq.lib.12 cap.4.
Hertaald:
overste der tollenaren,
In elke provincie en stad waren verscheidene tollenaars, van wie er één de hoogste was; die moest de tollen aan de Romeinen verantwoorden. Zie iets dergelijks bij Josefus, Antiquitates boek 12, hoofdstuk 4.
van persoon was
Grieks statuur, of lengte.
Hertaald:
van persoon was
Grieks: gestalte of lengte.
wilden vijgeboom,
Grieks Sycomoraea; dit was een boom in Syrië en Egypte, hebbende de grootte en bladeren van een moerbeziënboom, en vruchten als vijgen, doch zonder pitten. Plin.lib.13, cap.7.
Hertaald:
wilden vijgeboom,
Grieks: sykomoraia; dit was een boom in Syrië en Egypte, met de grootte en de bladeren van een moerbeiboom en vruchten als vijgen, maar zonder pitten. Plinius, boek 13, hoofdstuk 7.
blijven
Dat is, herbergen, gelijk vs.7 verklaard wordt.
Hertaald:
blijven
Dat is: overnachten, zoals in vers 7 verklaard wordt.
met blijdschap
Grieks blijde zijnde.
Hertaald:
met blijdschap
Grieks: blij zijnde.
te herbergen
Grieks uit te spannen; ene wijze van spreken genomen van het uitspannen der paarden, als men voor de herberg komt.
Hertaald:
te herbergen
Grieks: uit te spannen; een manier van spreken die ontleend is aan het uitspannen van de paarden wanneer men bij de herberg aankomt.
door bedrog ontvreemd heb,
Of, door vals aanbrengen, of beschuldigen, afgenomen heb. Zie Luc. 3:14 .
Hertaald:
door bedrog ontvreemd heb,
Of: door valse aangifte of beschuldiging afgenomen heb. Zie Luk. 3:14.
vierdubbel weder
Namelijk volgens de wet der straf over de dieverij; Ex. 22:1 ; 2 Sam. 12:6 .
Hertaald:
vierdubbel weder
Namelijk volgens de wet op de straf voor diefstal; Ex. 22:1; 2 Sam. 12:6.
huize zaligheid geschied,
Dat is, huisgezin; alzo de huisvader in Christus gelovende, het gehele huisgezin in het verbond ook gerekend wordt, volgens de belofte Gen. 17:7 ; Hand. 2:39 , en Hand. 16:15 , Hand. 16:33 , tenzij dat zij door hunne ongelovigheid deze genade verwerpen.
Hertaald:
huize zaligheid geschied,
Dat is: huisgezin. Want wanneer de huisvader in Christus gelooft, wordt het hele huisgezin ook tot het verbond gerekend, volgens de belofte in Gen. 17:7; Hand. 2:39 en Hand. 16:15, Hand. 16:33 — tenzij zij deze genade door hun ongeloof verwerpen.
een zoon van Abraham is
Namelijk niet alleen naar het vlees, maar ook naar de belofte; Rom. 9:8 .
Hertaald:
een zoon van Abraham is
Namelijk niet alleen naar het vlees, maar ook naar de belofte; Rom. 9:8.
het Koninkrijk Gods
Namelijk hetwelk zij zich inbeeldden een werelds koninkrijk te zullen zijn.
Hertaald:
het Koninkrijk Gods
Namelijk het Koninkrijk waarvan zij zich inbeeldden dat het een werelds koninkrijk zou zijn.
man reisde in een ver gelegen land,
Grieks mens. Door dezen welgeboren man verstaat Hij zichzelven; door de dienstknechten Zijne discipelen, en voornamelijk de leraars; door deze burgers de hardnekkige Joden; door het vergelegen land den hemel; door de ponden de geestelijke gaven; door het wederkomen Zijn laatste komst om te oordelen, en door het geven der steden de geestelijke en eeuwige beloning.
Hertaald:
man reisde in een ver gelegen land,
Grieks: mens. Met deze welgeboren man bedoelt Hij Zichzelf; met de dienstknechten Zijn discipelen en vooral de leraars; met deze burgers de hardnekkige Joden; met het verre land de hemel; met de ponden de geestelijke gaven; met het terugkomen Zijn laatste komst om te oordelen. En met het geven van de steden bedoelt Hij de geestelijke en eeuwige beloning.
ponden,
Grieks Mna, in het Latijn mina; welke gerekend wordt op zestig gemene sikkels, of honderd en twintig denariën of drachmen zilvers; zie Ezech. 45:12 ; en wat een denarie doet, zie Matt. 18:28 . Zo men deze mina wil verstaan van goud, zo bedraagt zij zoveel meer als het goud meer waard is dan het zilver.
Hertaald:
ponden,
Grieks: mna, in het Latijn mina. Die wordt gerekend op zestig gewone sikkels, of honderdtwintig zilveren denarii of drachmen; zie Ezech. 45:12. Zie wat een denarie waard is bij Matth. 18:28. Wanneer men deze mina van goud wil verstaan, bedraagt zij zoveel meer als goud meer waard is dan zilver.
zeide,
Dat is, beval.
Hertaald:
zeide,
Dat is: beval.
het geld gegeven had;
Grieks het zilver.
Hertaald:
het geld gegeven had;
Grieks: het zilver.
macht over tien steden
Of, gebied.
Hertaald:
macht over tien steden
Of: gezag.
gewonnen
Grieks gemaakt.
Hertaald:
gewonnen
Grieks: gemaakt.
zweetdoek weggelegd had;
Of, neusdoek, of linnen doek.
Hertaald:
zweetdoek weggelegd had;
Of: neusdoek, of linnen doek.
bank gegeven,
Grieks tafel; dat is, dengenen, die tafel bank houden, om geld op wissel of winst uit te geven.
Hertaald:
bank gegeven,
Grieks: tafel; dat is: aan hen die een wisselbank houden om geld op wissel of tegen winst uit te lenen.
woeker mogen eisen?
Dat is, winst. Niet dat de Heere onbehoorlijken woeker zou prijzen, maar dat hij daarmede wil leren dat men zijne gaven tot winst en stichting van onze naasten en tot Gods eer moet besteden. Zie dergelijke Matt. 25:27 .
Hertaald:
woeker mogen eisen?
Dat is: winst. Niet dat de Heere onbehoorlijke woeker zou prijzen, maar Hij wil daarmee leren dat men zijn gaven moet besteden tot winst en stichting van onze naasten en tot Gods eer. Zie iets dergelijks in Matth. 25:27.
dat een iegelijk,
Deze rede past niet op het naaste, maar op vs.24, waarvan zie Matt. 13:12 .
Hertaald:
dat een iegelijk,
Deze uitspraak past niet bij wat er direct aan voorafgaat, maar bij vers 24; zie daarover Matth. 13:12.
deze mijn vijanden,
Hierdoor worden de hardnekkige Joden verstaan, die vs.24 zijne burgers genaamd worden, en door hunne wederspannigheid zijne vijanden waren geworden.
Hertaald:
deze mijn vijanden,
Hiermee worden de hardnekkige Joden bedoeld, die in vers 14 Zijn burgers genoemd worden en die door hun weerspannigheid Zijn vijanden geworden waren.
slaat ze hier voor mij dood
Grieks slacht hen.
Hertaald:
slaat ze hier voor mij dood
Grieks: slacht hen.
voor hen heen,
Of, voor henen; om zijne gewilligheid en vrijmoedigheid in het aangaan van Zijn lijden te betonen.
Hertaald:
voor hen heen,
Of: voor hen uit; om Zijn bereidwilligheid en vrijmoedigheid te tonen bij het ingaan van Zijn lijden.
Beth-fage
Hoe ver deze plaatsen van Jeruzalem gelegen waren, zie Matt. 21:1 .
Hertaald:
Beth-fage
Zie hoe ver deze plaatsen van Jeruzalem lagen bij Matth. 21:1.
den Olijfberg,
Grieks der olijven; namelijk berg.
Hertaald:
den Olijfberg,
Grieks: van de olijven, namelijk de berg.
een veulen gebonden vinden,
Namelijk van ene ezelin met hare moeder; zie Matt. 21:2 ; Marc. 11:2 .
Hertaald:
een veulen gebonden vinden,
Namelijk het veulen van een ezelin, samen met zijn moeder; zie Matth. 21:2; Mark. 11:2.
brachten hetzelve tot Jezus
Grieks leidden het.
Hertaald:
brachten hetzelve tot Jezus
Grieks: leidden het.
klederen op het veulen geworpen hebbende,
Dat is, opperklederen of mantels.
Hertaald:
klederen op het veulen geworpen hebbende,
Dat is: bovenkleren of mantels.
zij Jezus daarop
Namelijk velen uit de schare, Marc. 11:8 .
Hertaald:
zij Jezus daarop
Namelijk velen uit de schare, Mark. 11:8.
der discipelen zich te verblijden,
Namelijk zo die Hem gevolgd waren, als die Hem uit Jeruzalem tegemoet gekomen waren, Joh. 12:12-13 .
Hertaald:
der discipelen zich te verblijden,
Namelijk zowel zij die Hem gevolgd waren als zij die Hem uit Jeruzalem tegemoet gekomen waren, Joh. 12:12-13.
de krachtige daden,
Grieks de krachten.
Hertaald:
de krachtige daden,
Grieks: de krachten.
Gezegend is de Koning,
Zie hiervan Matt. 21:9 .
Hertaald:
Gezegend is de Koning,
Zie hierover Matth. 21:9.
Vrede zij in den hemel,
Dat is, God zij bevredigd en verzoend met de mensen, door de komst van dezen koning, en daardoor verheerlijkt.
Hertaald:
Vrede zij in den hemel,
Dat is: God is verzoend met de mensen door de komst van deze Koning, en wordt daardoor verheerlijkt.
dezen uw dag,
Namelijk op welken ik nu voor de laatste reis tot u kom, en u waarschuw, tot uw behoud en zaligheid. Dit is een afgebroken rede, waarop moet worden verstaan: hoe gelukkig zoudt gij dan zijn? of iets dergelijks.
Hertaald:
dezen uw dag,
Namelijk de dag waarop Ik nu voor de laatste keer tot u kom en u waarschuw, tot uw behoud en zaligheid. Dit is een afgebroken zin, waarbij aangevuld moet worden: hoe gelukkig zou u dan zijn — of iets dergelijks.
vijanden
Namelijk de Romeinen. Zie de vervulling hiervan bij Josefus, van de Joodse oorlogen in het zesde Boek.
Hertaald:
vijanden
Namelijk de Romeinen. Zie de vervulling hiervan bij Josefus, De Joodse oorlog, boek 6.
een begraving rondom
Of, wat van uitgegraven aarde opgeworpen.
Hertaald:
een begraving rondom
Of: een wal van uitgegraven en opgeworpen aarde.
kinderen in u;
Dat is, inwoners, gelijk Matt. 23:37 .
Hertaald:
kinderen in u;
Dat is: inwoners, zoals Matth. 23:37.
den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt
Namelijk in welke u door de predikatie des Evangelies de genade Gods nu wordt aangeboden.
Hertaald:
den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt
Namelijk de tijd waarin u door de prediking van het Evangelie de genade van God aangeboden wordt.
Mijn huis is een huis des gebeds;
Dat is, de tempel.
Hertaald:
Mijn huis is een huis des gebeds;
Dat is: de tempel.
de oversten des volks
Grieks de eerste, of voornaamste.
Hertaald:
de oversten des volks
Grieks: de eersten, of voornaamsten.
te doden
Grieks verderven, of vernielen.
Hertaald:
te doden
Grieks: verderven of vernietigen.
hing Hem aan,
Grieks hing van Hem; dat is, hing Hem aan; of was zeer begerig om Hem te horen.
Hertaald:
hing Hem aan,
Grieks: hing aan Hem; dat is: was zeer begerig om Hem te horen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een overste der tollenaren te Jericho, rijk maar klein van gestalte; hij klom in een wilde vijgenboom om Jezus te kunnen zien, waarop Jezus hem opriep en bij hem te gast ging. Zacheüs beleed zijn onrecht en beloofde de helft van zijn bezit aan de armen te geven en viervoudig te vergoeden wat hij door bedrog verkregen had; Jezus verklaarde dat het heil dat huis was binnengekomen (Luk. 19:1-10). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het hoofdstuk begint met een verwijt: alle tollenaren en zondaren kwamen tot Hem om Hem te horen, en de Farizeeën en Schriftgeleerden morden dat Hij zondaren aanneemt en met hen eet (Luk. 15:1-2). Daarop volgen drie gelijkenissen die alle hetzelfde zeggen en telkens sterker. Een herder laat negenennegentig schapen om één te zoeken tot hij het vindt, en er is blijdschap in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen (Luk. 15:3-7). Een vrouw ontsteekt een kaars en keert het huis om voor één penning, en er is blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar die zich bekeert (Luk. 15:8-10). En dan de langste: een zoon die zijn deel opeist en verkwist, tot zichzelf komt bij de zwijnen, en van verre gezien wordt door een vader die hem tegemoet loopt (Luk. 15:11-24). Het slot gaat niet over hem maar over de oudste zoon, die buiten blijft staan en niet mee wil aanzitten (Luk. 15:25-32). Bijbelse betekenis: De drie gelijkenissen zijn één antwoord op één verwijt, en het antwoord is niet dat de aanklacht onwaar is: Hij eet werkelijk met zondaren, en dat is de zaak zelf. Let op de klim: bij het schaap zoekt de herder, bij de penning zoekt de vrouw, bij de zoon komt de vader hem tegemoet lopen — het initiatief ligt telkens buiten het verlorene. En de gelijkenis eindigt met opzet onafgemaakt bij de oudste zoon, want hem was het verhaal gericht. Wie zich in hem niet herkent, heeft Lukas 15 nog niet gelezen. Typologie: Christus zegt elders in Lukas wat deze drie gelijkenissen samenvat: de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk. 19:10). Elders noemt Hij Zich de goede Herder die Zijn leven stelt voor de schapen en die de Zijne bij naam kent (Joh. 10:11,14). Jesaja had de andere kant getekend: wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg, doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jes. 53:6). Petrus haalt juist dat beeld aan: gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen (1 Petr. 2:25). De blijdschap in de hemel rust dus niet op het terugvinden van de weg maar op een Herder die kwam zoeken. Luk. 15:1-32; Luk. 19:10; Jes. 53:6; Joh. 10:11,14; 1 Petr. 2:25 Lukas noemt hen vaker dan de andere Evangelisten en altijd in verband met de vraag wie bij Christus mag komen. Hij roept de tollenaar Levi rechtstreeks uit het tolhuis (Luk. 5:27-28), en op de maaltijd bij hem morren de Schriftgeleerden en Farizeeën: waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren? Het antwoord is het beginsel van het hele Evangelie: die gezond zijn hebben de geneesmeester niet nodig, maar die ziek zijn — "Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering" (Luk. 5:29-32). Tollenaren komen tot Johannes' doop en krijgen een concreet gebod: eist niet meer dan u gezet is (Luk. 3:12-13). Zij hoorden Hem graag (Luk. 15:1), een tollenaar is de gerechtvaardigde in de gelijkenis (Luk. 18:9-14), en de oppertollenaar Zacheüs geeft de helft van zijn goederen aan de armen (Luk. 19:1-10). Bijbelse betekenis: Het gaat hier niet om medelijden met een miskende beroepsgroep. De verwijten waren doorgaans waar: het beroep leefde van afpersing, en juist daarom is de bekering in Lukas telkens concreet in geld. Wat het Evangelie ondersteboven keert, is niet het oordeel over de zonde maar de veronderstelling dat de nette mens dichter bij het Koninkrijk staat. Vandaar dat Christus de scheiding niet tussen fatsoenlijk en onfatsoenlijk legt, maar tussen wie zich ziek weten en wie zich gezond wanen. Typologie: Christus vat de aanklacht tegen Hem Zelf samen als een erenaam: de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk. 19:10). Paulus maakt daar de belijdenis van de gemeente van: dit is een getrouw woord, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1 Tim. 1:15). En hij zegt van de gemeente te Korinthe dat zij zulke mensen waren, maar afgewassen, geheiligd en gerechtvaardigd zijn in de Naam van de Heere Jezus (1 Kor. 6:11). Luk. 3:12-13; Luk. 5:27-32; Luk. 15:1; Luk. 18:9-14; Luk. 19:1-10; 1 Kor. 6:11; 1 Tim. 1:15 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Christus trekt door Jericho, op weg naar Jeruzalem en naar het kruis. In die stad woont een overste der tollenaren, en Lukas voegt er twee dingen aan toe: hij was rijk, en hij was klein van persoon. Een man klimt in een boom om te kijken, en wordt bij zijn naam geroepen door Iemand die hem nooit ontmoet had. Zachéüs wil zien wie Hij is, maar hij komt er niet bij vanwege de schare. Wat hij dan doet is voor een man van aanzien vernederend: hij loopt vooruit en klimt in een wilde vijgenboom. Wie in een boom zit, staat er niet meer boven. Het gedeelte kantelt in één vers: en als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem, Zachéüs, haast u en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven. Drie dingen staan daarin. Hij kijkt omhóóg — de tollenaar zit boven Hem. Hij noemt hem bij zijn náám, terwijl niemand Hem die verteld heeft. En Hij zegt niet dat het mag maar dat het moet: Ik moet heden in uw huis blijven. Zachéüs komt haastig af en ontvangt Hem met blijdschap. En allen die het zien beginnen te murmureren: Hij is tot een zondigen man ingegaan om te herbergen. Wat de tollenaar dan zegt, komt uit zijn eigen mond en niet als eis: de helft van mijn goederen geef ik den armen, en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. Dat vierdubbele staat in Exodus 22 als vergoeding voor gestolen vee; hij legt zich dus vrijwillig een maatstaf op die de wet voor dieven had. Het antwoord van Christus zet hem terug in de lijn waar hij bij hoort: heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal hij ook Abrahams zoon is. Een tollenaar heet daar een zoon van Abraham. En dan komt de zin waarmee dit gedeelte zijn plaats in het hele Evangelie krijgt: want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Daarin klinkt Ezechiël 34 na, waar God zei dat Hij het verlorene zou zoeken omdat de herders het niet deden. Zachéüs klom in een boom om te kijken; er stond Iemand onder die kwam zoeken. In het Nieuwe Testament: Ezechiël 34:11-16; Lukas 15:1-7; 1 Timotheüs 1:15; Romeinen 5:8
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Als ik van iemand iets heb afgeperst... geef ik dat vierdubbel terug. Lukas 19:8 Zoals je weet heette de kerk van Spurgeon de Metropolitan Tabernacle in Londen, daar… En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u? (Genesis 3:9) Lees verder Lukas 5:1—10; 27—32. Verloren zondaren, jullie vergaan, hoor de stem van… En toen Hij nu naderde aan de helling van de Olijfberg, begon de gehele menigte van de discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stem,… Schepen worden soms omringd door een dichte mist en omdat men vroeger geen navigatieapparatuur had, wisten de zeelieden niet of ze nu in de buurt van het land… En als Hij nabijkwam en de stad zag, weende Hij over haar. Lukas 19:41 Onze Heiland weende in het meevoelen met de zorgen van Zijn land, en heiligde… En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied. Lukas 19:9 De zegen die in het huis van Zacheüs was gekomen, is een blijvende zegen geweest.… En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied. Lukas 19:9 De zaligheid is een volmaakte zegen. Nog maar een dag daarvoor, op dezelfde tijd, had… En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied. Lukas 19:9 De zaligheid is een zegen die met haast komt. Zij kan in een dag bezit… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Ik zeg u, dat zo dezen zwijgen, de stenen haast roepen zullen. Lukas 19:40 Maar kunnen de stenen roepen? Zekerlijk zouden zij kunnen,… Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zich zelf een koninkrijk te ontvangen en dan weer te keren. En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Lukas 19
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Om te zoeken en zalig te maken wat verloren was — 19:1-10
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Een dief
Waar bent u?
O Sion! Loof uw God
Een boodschap voor zondaren
Tranen van betrokkenheid
Niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders
Heden is dezen huize zaligheid geschied
Levendmaking in een ogenblik
Ik zeg u, dat zo dezen zwijgen, de stenen haast roepen zullen
De dienstknechten en de ponden


Lukas 19
Lukas 19:1-10.KruisverwijzingenEzechiël 34:16→1 Timotheüs 1:13→Lukas 15:4→Lukas 15:32→Mattheüs 1:21→Mattheüs 10:6→Mattheüs 15:24→Galaten 3:7→
— En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho. En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan. En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven. En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap. En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen. En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
“En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho. En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan. En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven. En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap. En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen. En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.”
Jezus Christus had zojuist een blinde man gezegend die arm was, zo arm dat hij een gewone bedelaar aan de weg was; zal Hij ook de rijke man zegenen? Ja, gewis! Hij maakt geen onderscheid naar de persoon, Hij is gereed alle standen te zegenen, of zij rijk zijn of arm, het maakt Hem niet uit. Veel van die tollenaren waren rijk; zij pachtten doorgaans de belastingen en zorgden ervoor zoveel mogelijk uit de armoede van het volk te persen.
Denk eraan dat de Heere Jezus op weg was naar Jeruzalem, om er te lijden en te sterven; en daar was Hij het geduldige, lijdende Lam van God. Maar hier spreekt Hij met dat gezaghebbende geluid dat de Vorst uit het Huis van David wel paste: “Zacheus, haast u en kom af, want Ik moet heden in uw huis blijven.”
Wellicht had Zacheus niet veel eerbied, maar wel grote nieuwsgierigheid; hij wilde graag de Man zien over wie iedereen sprak: hij zocht Jezus te zien, wie Hij was. De menigte rondom Hem was zo dicht dat de kleine man niet over de hoofden van de langere mensen kon uitkijken. Hoewel hij duwde en probeerde vooraan te komen, stond er altijd wel iemand groter voor hem, zodat hij de grote Leraar niet kon zien. Hij zocht niet Hem te hóren; zijn nieuwsgierigheid lag in een andere richting — hij verlangde Hem te zién. Wie kon deze man toch zijn die zoveel opschudding veroorzaakte? Wat voor man was Hij?
Zacheus klom in de wilde vijgeboom om Jezus te kunnen zien, maar werd daar zelf door Jezus gezien. En dat, waarde vrienden, is de eerste daad in het werk van de zaligheid. Jezus ziet ons aan, en dan zien wij Hem aan. Zo spiedde de Heere hier Zacheus op tussen de takken van de boom: Hij zag opwaarts en zag hem. Ziet u niet de kleine man vooraan de menigte rennen, en klimmend in een boom die aan de weg stond? Rijke mannen klimmen doorgaans niet in bomen, maar hier was een man wiens nieuwsgierigheid zijn waardigheid overwon. Kunt u Zich niet voorstellen dat de gezegende Meester bleef staan en opkeek naar die boom? Op de een of andere manier maakte Hij Zich altijd één met hen die Hij wilde zegenen. Toen Hij tot de blinde man sprak, stond Hij daar als was Hijzelf blind. En nu blijft Hij staan onder deze vijgeboom en kijkt op naar de nieuwsgierige Zacheus, alsof ook Hij door nieuwsgierigheid bevangen was, en vraagt: wie is daar boven in die boom?
O, hoe verbaasd moet de kleine Jood geweest zijn toen hij Christus’ woorden hoorde! Nooit was een man zo overweldigd door verrassing. Maar met dat woord kwam er een goddelijke verzachting in het hart van de overste van de tollenaars, en hij gaf gehoor aan die zo neerbuigende uitnodiging, dat zo onverwachte bevel. Zijn verrassing bij het ontvangen van zo’n boodschap moet overweldigend geweest zijn, en toch liet hij die verrassing zijn gehoorzaamheid aan het bevel van Christus niet vertragen. Er had een plotselinge, grote verandering in hem plaatsgevonden. De opening van de ogen van de blinde man was niet opmerkelijker dan de vernieuwing van het hart van Zacheus: hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
Zulke woorden van de murmurerende menigte kent u wel: deze zogenaamd voortreffelijke leraar, deze zuivere, deze leraar van de hoogste zedelijkheid, is te gast gegaan bij deze tollenaar. Een man die zo goed als een uitgestotene is, een geheel verdachte persoon. Ach, hoezeer verheft de wettische geest in zelfrechtvaardige mensen zich tegen de zoete goedertierenheid van onze gezegende Meester! Die komt juist daarom in de wereld: om de Gast van zondaren te zijn, opdat Hij de Medicijnmeester van zondaren mag wezen. Ik vraag mij af waar Hij héén zou hebben kunnen gaan zonder gast te worden van iemand die een zondaar was. Maar Zacheus werd gehouden voor een zondaar die de gewone zondaren nog overtrof. Onze Heere houdt er nog steeds van de Gast te zijn van een mens die zondaar is, Hij wil nog een plaats hebben om te verblijven. O mens, die een zondaar bent, vraag Hem bij u thuis! O vrouw, die zelfs in uw handel en wandel een zondares bent, vraag Hem bij u thuis. Dan zullen wij weer zeggen, niet murmurerend maar met vreugde: Hij is gegaan om te gast te zijn bij iemand die een zondaar is.
Hun gedachten waren vol van Christus’ komst als Koning, en zij hadden zeer misleide voorstellingen van Zijn Koninkrijk. Daarom laat Hij hun weten dat het praktische punt om nu te onthouden was dat Hij gekomen was om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Waren zij niet zo vol geweest van hun ijdele dromen van een aardse heerschappij, dan hadden zij begrepen dat Christus, in de roeping van Zacheus, Zijn koningschap had geopenbaard in het rijk van de barmhartigheid. Daar had Hij de soevereiniteit van Zijn genade uitgeoefend.
Dat was een groot bewijs dat de bekering van Zacheus echt was; ik zou dit soort bewijs graag zien bij menige belijder die ik ken. Zie, Heere, de helft van mijn goederen geef ik aan de armen. Hij handelt naar barmhartigheid en gerechtigheid tegelijk, want hij is vastbesloten het juiste te doen met zijn bezit. Hij was immers een rijk man, dus zijn geld was voor hem een bron van moeite. De blinde bedelaar had die moeilijkheid niet, want hij had geen geld te verdelen toen hij bekeerd werd. Maar deze rijke man, deze kameel, zoals onze Zaligmaker zulke mensen noemde, ging door het oog van de naald door de genade Gods. Zo bewees de Heere de echtheid van zijn bekering. Er was niemand onder die zelfrechtvaardige mensen geweest die een tiende zou hebben gedaan van wat Zacheus verklaarde te zullen doen. Er was niemand onder de murmureerders geweest die het gedurfd zou hebben zoveel te zeggen. Er zijn veel mensen die snel klaarstaan om anderen te veroordelen die honderdmaal beter zijn dan zijzelf; ik zou mij niet verbazen als er ook hier zulke mensen aanwezig zijn.
Zo klonk het ook toen: hij ziet er niet naar uit, hij is een tollenaar voor de Romeinen geworden, hij heeft zijn eigen landgenoten verdrukt. Maar hij is een zoon van Abrahams, en de zaligheid is tot hem gekomen. Toen onze Heere hier op aarde was, richtte Zijn eigen zending als Zielenwinner zich tot de Joden, tot hen die van het huis van Abraham waren. Zo toont Hij dat deze man, hoe veracht hij ook was, binnen het bereik viel van Christus’ onmiddellijke zending: aangezien ook deze een zoon van Abraham is. Indien wij nu vragen: waarheen gaat U, goddelijke Meester? dan blijft Zijn antwoord: Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Komt U achter hen aan die zichzelf goed genoeg achten zonder U? Hij schudt Zijn hoofd en zegt: Ik ben een Medicijnmeester, en de gezonden hebben geen medicijnmeester nodig, maar zij die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering. Het Evangelie van Gods genade is voor de schuldigen. Bent u niet schuldig, er is voor u geen Evangelie. Maar bent u schuldig, en belijdt u het, dan is het woord van deze zaligheid tot u gezonden.
Lukas 19:11-27.KruisverwijzingenMattheüs 13:12→Lukas 17:20→Lukas 8:18→Handelingen 1:6→Mattheüs 25:14→Lukas 16:10→Mattheüs 25:28→Markus 4:25→
— En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden. Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren. En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling, totdat ik kome. En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij. En het geschiedde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide, dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, wien hij het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat een iegelijk met handelen gewonnen had. En de eerste kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen. En hij zeide tot hem: Wel, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden. En de tweede kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden. En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had; Want ik vreesde u, omdat gij een straf mens zijt; gij neemt weg, wat gij niet gelegd hebt, en gij maait, wat gij niet gezaaid hebt. Maar hij zeide tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb. Waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelve met woeker mogen eisen? En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien, die de tien ponden heeft. En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden. Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft. Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.
“En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden. Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.”
Sommigen onder hen droomden van een aardse heerschappij met Christus aan het hoofd, en daarom leerde Hij hun dat Zijn Koninkrijk van een geheel andere aard was. De heer draagt zijn knechten op met het toevertrouwde geld voor hem te handelen totdat hij terugkeert. Later, bij zijn terugkomst, wil hij precies weten wat elk van hen met dat handelen gewonnen heeft.
De eerste dienstknecht meldt een winst van het tienvoudige, en hij doet dat in bescheiden bewoording: niet dat hijzelf gewonnen had, maar dat het pond van zijn heer die winst had opgebracht. Wanneer God iemand zo zegent dat hij een rijke opbrengst mag brengen uit wat hem is toevertrouwd, behoort hij dat geheel aan God toe te schrijven, niet aan zichzelf. De ware dienstknecht stelt zich met gepaste bescheidenheid op de achtergrond: niet hij heeft die winst gemaakt, maar het kapitaal van zijn heer heeft in zijn handen gewerkt. Hij draagt de opbrengst graag aan, en toch strijkt hij er zelf geen eer van op.
Merk op dat, wat de triomf van Christus ook zal zijn, Zijn getrouwe dienstknechten daarin zullen delen. Hij zal Koning zijn over de vele steden in de rijke gewesten van het domein van Zijn Vader. Aan de een van Zijn dienstknechten zal Hij tien steden geven, en aan de ander vijf steden. Wat een geweldig gebied moet dat zijn, waaruit Hij zulke beloningen kan geven! Tien steden — kan enig aards koning op deze wijze schenken? Er zijn koninklijke beloningen aan het einde weggelegd voor wie nu getrouw is. Geen armzalige penningen zullen ten deel vallen aan wie de Heere Christus ijverig dient. Zij zullen een rijke beloning ontvangen, niet uit schuld maar uit genade, en juist daarom des te groter. Er is geen vergelijking tussen het werk van de dienstknecht en de beloning voor zijn getrouwe vervulling. Die tien ponden, al had zijn heer ze hem allemaal gegeven, zouden geen huis in een dorp gekocht hebben — hoogstens een hut in een wijngaard, of een loofhut in een tuin van komkommers. En toch geeft zijn heer hem gezag over tien steden.
En de tweede kwam en zei: heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. Hoe moeten zijn ogen geopend zijn geweest toen hij gezag over vijf steden ontving! Maar dan komt een ander: heer, zie, hier is uw pond, dat ik in een zweetdoek heb weggelegd. Hij had het niet verloren, niet uitgegeven, zelfs geen gat gegraven om het te verbergen; hij had slechts een fraaie linnen doek gebruikt om het in te wikkelen, en er zorgvuldig voor gezorgd. En daar was het, precies zoals toen hij het ontving — niet verminderd, maar ook niet vermeerderd. Die doek, waarmee hij het zweet van zijn voorhoofd had moeten vegen, had hij enkel gebruikt als omhulsel voor het pond dat zijn heer hem juist had toevertrouwd om ermee te handelen. Hij had er niets mee gedaan, en dacht dat hij goed zat omdat hij ook geen kwaad met het geld van zijn heer had gedaan. Hij had zich tenminste niet aangesloten bij de oproerige burgers die zeiden: wij willen niet dat deze man over ons koning is. Trots op zijn eigen voorzichtigheid zei hij: Heer, zie, hier is uw pond, dat ik in een doek bewaard heb.
Zo bestaat er ook een slaafse vrees, een schrik, een afgrijzen van God, die mensen zelfs buiten Zijn dienst zal houden. Zij zou daartoe rechtens geen aanleiding mogen geven. Maar er zijn zonder twijfel mensen die uit een boze vreesachtigheid bang zijn iets voor God of de mens te ondernemen, en zo wordt hun leven nutteloos. Hun talent verroest en vergaat in de doek waarin zij het gewikkeld hebben. Dit was inderdaad brutaal. Maar zijn heer nam hem op zijn eigen woorden, en toonde dat hij, zelfs al was zijn bewering waar geweest, daarom des te ijveriger had moeten zijn om het gebod van zijn heer te gehoorzamen.
Dat was uw eigen mening; naar uw eigen belijdenis was dat uw voorstelling van Mij: u wist dat Ik een streng man ben. God bekommert zich niet erom Zijn karakter tegenover goddeloze mensen te zuiveren. Wij zijn heel voorzichtig en nauwgezet in het verdedigen van onszelf tegen valse beschuldigingen; maar Gods karakter behoeft geen zuivering. Het is zo doorzichtig, dat, als goddeloze mensen het bezoedelen willen, Hij op hun eigen grond met hen redetwist, en geen tijd verspilt aan het beantwoorden van hun laster. Wanneer ik mensen over God heb horen zeggen dat Hij onrechtvaardig is of te streng, dan was alles wat ik geneigd was te antwoorden dit: wat Hij ook mag zijn, Hij is de God Die u aan het einde zal oordelen. En denkt u zo over Hem, dan is er des te meer reden waarom u zich aan Hem zou moeten onderwerpen, en Zijn oneindige majesteit erkennen. Want Hij is de Koning der koningen en de Heere der heren. Het is een kwade dag wanneer wij ons opwerpen tot rechter van onze Rechter, en ons voordoen als de god van God. Hij is oneindig heerlijk, laten wij ons dus voor Hem buigen.
Wie iets hebben zal er meer gegeven worden, vooral in de zaak van de genade. Dient u God goed, dan zal Hij u meer te doen geven. Hebt u Hem vurig lief, dan zal Hij u belonen door u in staat te stellen Hem meer lief te hebben. Oefent u een groot geloof, dan zal Hij u nog meer geloof geven. De weg om waarlijk geestelijk verrijkt te worden, is getrouw te zijn aan God in wat wij hebben.
Hoor opnieuw de klank van de soevereiniteit. Christus zal doen wat Hij wil. Zijn wijze van handelen zal soms zo eigenaardig zijn dat zelfs Zijn eigen dienaren zich erover zullen verwonderen, en zich zullen afvragen: hoe kan dit? Maar zoals Elihu tot Job zei: Hij geeft van geen van Zijn daden rekenschap. Welke deze woorden ook betekenen, zeker is het dat er een verschrikkelijk oordeel wacht op allen die Gods vijanden zijn. Mocht niemand van ons daaronder gevonden worden!
Hier zien wij Christus’ ware koningschap opnieuw doorbreken vanonder de vernedering van Zijn menswording. Hij laat ons weten dat Hij naar Jeruzalem opgaat om te sterven, en dat niet omdat Hij niet de Heere van alles zou zijn. Juist omdat Hij Heere van alles is, maakt Hij Zichzelf van geen naam. Hij neemt de gestalte van een dienstknecht aan, wordt de mensen gelijk, en, gevonden in gedaante als een mens, vernedert Hij Zichzelf en wordt gehoorzaam tot de dood — ja, tot de kruisdood.
Het woord van de Koning werkte opnieuw met macht, en de eigenaars van het veulen lieten het dier gaan, omdat de Koning het van node had. Wellicht waren zij verborgen discipelen van de Heere Jezus Christus, maar hierover hebben wij geen zekerheid. Onze Konings bevel gaat overal door. Zelfs waar Zijn persoonlijke aanwezigheid niet bewust erkend wordt, regeert Zijn koninklijk en goddelijk woord nog steeds de gedachten en harten van de mensen.
Zij waren zo verheugd dat zij enige tonen schenen op te vangen van het lied dat de engelen zongen bij de geboorte van de Zaligmaker: eer aan God in de hoogste hemelen. Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Er was oorlog geweest in de hemel, maar deze discipelen van Christus zongen: vrede in de hemel, en eer in de hoogste plaatsen.
Wat een tegenstelling! De hovelingen van de Koning juichten van vreugde — en de Koning Zelf weende over de schuldige stad. Daar stond de grootste tragedie in de geschiedenis van het gehele heelal op het punt zich te voltrekken. De Koning zag, in de nabije en verder verwijderde toekomst, wat niemand anders kon zien; daarom, toen Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar.
Lukas 19:45-48.KruisverwijzingenJesaja 56:7→Jeremia 7:11→Mattheüs 21:12→Markus 11:15→Markus 11:18→Mattheüs 26:55→Johannes 2:13→Deuteronomium 14:25→
— En gegaan zijnde in den tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten, Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt. En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden. En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.
“En gegaan zijnde in den tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten, Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt. En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden. En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.”
Want de dagen zullen komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, en u omsingelen, en u van alle zijden benauwen. Zij zullen u tot de grond neerwerpen, en uw kinderen in u, en geen steen op de andere steen laten — omdat u de tijd van uw bezoeking niet gekend hebt. Er was een tijdelijke opwelling van geestdrift in Zijn voordeel; maar helaas, die ebde snel weer weg, en de menigten die “Hosanna” hadden geroepen, riepen weldra even luid: kruis Hem, kruis Hem!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-28. Als Jezus door Jericho gaat, probeert de overste van de tollenaars, die daar geplaatst is, gelegenheid om Hem, die al door Zijn woord en evangelie uit de verte een Verlosser van zonde en een Middelaar voor het eeuwige leven voor hem geworden is (Hoofdstuk 16: 9), ook eens persoonlijk te zien. Omdat hij ten gevolge van zijn kleinheid zijn bedoeling niet kan bereiken door naast de menigte te gaan, snelt hij die vooruit en klimt hij in een vijgeboom. Daar ontdekt Jezus hem bij het voorbijgaan en neemt bij hem intrek voor het overige gedeelte van de dag en de volgende nacht, maar Hij moet nu ook Zijn gedrag rechtvaardigen tegenover degenen, die, met farizese vooroordelen vervuld, zich daaraan ergeren. (vs. 1-10). Terwijl hierop de menigte, die Hij wegens Zijn terugkeren naar Jericho nu niet verder kan vergezellen, laat heengaan, kondigt Hij aan deze, die menen dat Hij naar Jeruzalem ging om daar het rijk van God op te richten, in de gelijkenis van de heer die naar een ver land ging, om een koninkrijk in te nemen en dan weer te komen, aan, dat dit zeker zou plaats hebben, maar anders dan zij dachten; daarmee verbindt Hij een zeer ernstige vermaning en waarschuwing.
EVANGELIE OP DE DAG VAN DE KERKINWIJDING. Vs. 1-10.
Kerkinwijding is vooreerst die handeling, waardoor een pas gebouwde kerk tot godsdienstig gebruik wordt gegeven en genomen, dat niet slechts een wettelijke maar ook een godsdienstige handeling moet zijn, dat zich de idee van cultus in het gebouw zelf belichaamt, het een heilige plaats is. Zolang daaraan wordt gebouwd, daarin getimmerd en geklopt, is het dit niet, het moet eerst tot heiligdom verklaard, gewijd worden, waartoe de evangelische noch een reliquie noch een beschermheilige nodig hebben, maar genoeg hebben aan Gods woord en aan gebed. Gewoonlijk verstaat men intussen onder kerkinwijding de jaarlijkse gedachtenisviering van de inwijding van een kerk. Die gebeurtenis is zo’n viering wel waard, omdat een tal van Christenen pas van die dag af een gemeente is, dat een godshuis voor hen daar staat; de inwijding daarvan is als het ware de bruiloft van de gemeente. De kerkinwijding is een oud gebruik, maar ook al vroeg, omdat men in de plaats van heidense feestelijkheden deze Christelijke feesten onder het volk probeerde te doen ingaan, met gastmalen verbonden; – een van de punten, waarop de momenten van het kerkelijk leven, die zeker ook momenten van het volksleven moesten worden, veranderden en in plaats van edele volksgewoonte te worden tot vrolijkheden werden, die de maat te buiten gingen en zich steeds als een erfenis van de heidenen vertoonden.
Wel waren er bij het begin van het Christendom en in de tijden, toen onze Heere tot stichting van Zijn rijk op aarde was, zoals dat vanzelf spreekt, nog geen Christelijke bedehuizen en men kon daarom voor de dagen van kerkinwijding van de latere gemeenten geen tekst kiezen uit het Nieuwe Testament, die juist en naar de klank van de woorden ook voor het feest gepast was; maar die grote wijsheid, die de oudheid bij het kiezen van teksten in het gehele kerkelijk jaar betoonde, betoont zich niet minder in de keuze van deze tekst, want wat in de hele wereld
zou voor de dag van de kerkwijding meer gepast zijn, wat dieper uit het hart van de feestvierende gemeente gesproken zijn, dan de woorden van de Heere: “Ik moet heden in uw huis blijven?” Maar wij kunnen de vraag ons nog nader voorstellen: “Wat heeft dit huis, onze lieve kerk en haar inwijding met het huis van Zachéüs en het bezoek van Jezus in Zachéüs’ huis te maken?” Het is 1) door dezelfde handen gebouwd als het huis van Zachéüs en zo zijn ook de bezitters, die in beide huizen in en uitgingen of gaan, aan elkaar gelijk; maar 2) Zachéüs’ huis wordt door Jezus opgemerkt en de Heeren dat niet voorbijgaan, maar er intrekken, opdat de bezitter tijd krijgt om de grote profeet beter dan van de vijgeboom naar hartelust te zien. Bovendien wil Hij niet leeg komen, maar aan Zachéüs en zijn huis moet zaligheid geschieden; Hij wil hem en de zijnen zoeken en zalig maken – en ook daarin staat ons Godshuis niet achter bij Zachéus’ huis.
In de geschiedenis van Jezus’ ingaan in Zachéüs huis bieden zich drie zaken aan onze nadere beschouwing aan: 1) het verlangen naar de Heere, dat op de wacht staat 2) het genadige bezoeken door de Heere, 3) de wonderbare verandering door de genade van de Heere.
1. En Jezus kwam in de stad en ging door Jericho totdat Hij een eind van de plaats kwam, die in vs. 5. wordt bedoeld.
2. En zie, er was een Joodse man, Zachéüs geheten (d. i. rein. 2 Makk. 10: 19); en deze was een overste van de tollenaars en hij was rijk).
3. En hij probeerde Jezus te zien, wie Hij was en kon niet, zoals hij vooruit zag, vanwege de schare zijn doel bereiken, omdat hij klein van persoon was, zodat hij niet over de anderen kon heen zien.
4. En met verstandige berekening de menigte vooruitlopend klom hij op een wilde vijgenboom 27: 28″), zodat hij Hem mocht zien, want Hij zou door die weg voorbijgaan, omdat de weg van Jericho naar de woestijn, die zich naar Bethanië uitstrekte, langs die boom leidde.
5. En toen Jezus aan die plaats kwam keek Hij op, zag Hij Hem en zei tot hem: Zachéus! haast u en kom af! want Ik moet vandaag in uw huis blijven 20: 34″) om er te overnachten (Joh. 1: 39).
Hij kende hem en kon hem bij name noemen, zoals Hij Saulus kende, toen Hij hem riep en Zich aan hem openbaarde. Zijn naam was geschreven in het boek des levens van het Lam en dus moest hij aan Christus bekend zijn, die tegenwoordig was bij het maken van dat boek, deel had in het schrijven van de namen daarin en dat boek bewaarde. Zachéüs was een van de schapen, die de Vader Hem gegeven had, waarvoor Hij Zijn leven kwam afleggen en die Hij zo volmaakt kende, dat Hij ze bij name noemde, zoals Hij al de uitverkorenen en verlosten kent; zie Jes. 63: 1. Joh. 10: 3 Het moest zeer verbazend zijn voor Zachéüs om te horen dat Christus hem bij zijn naam noemde, die hem helemaal vreemd was en die hij nooit te voren gezien had en dit is een zeer opmerkelijk voorbeeld van Christus’ alwetendheid, zowel als van Zijn vriendelijkheid, toegenegenheid en gemeenzaamheid omtrent de Zijn.
In wat een rijke verscheidenheid toch openbaart zich in deze Schriften die grote daad van de Zoon van God: zondaren te zoeken en zalig te maken! En hoe geheel vers wederom en naar iets anders in de omstandigheden gelijkende, is de hier verhaalde roeping van die Overste van tollenaars te Jericho. Jericho, de naam van de plaats al wekt ontzaglijke herinneringen op uit dagen en gebeurtenissen, beschreven in Israëls jaarboeken van ouds. Aldus werd eenmaal vanuit het midden van de heidense afgoderij een vrouw, ook zelfs van een onder de haar diep verachte stand, door het geloof ingeënt op de olijfboom van Abrahams nakomelingschap. Een later Jericho getuigt hier de roeping tot zaligheid van een zoon van Abraham, naar het vlees, die het in antwoord op de stem van de roepende insgelijks wordt door het geloof. Tot dat geloof worden mensen door allerlei, in de hoge voorzienigheid verordende middelen en wegen van de almachtige Redder geleid – sommige in de weg van de behoefte aan heling van ziekten, verzadiging van lichamelijke honger, anderen zoals hier de rijke tollenaar in de weg van een zuiver menselijke nieuwsgierigheid, waaronder de kiem van hogere behoefte wellicht al ook buiten bewustheid van het hart, waarin zij aanwezig, is verborgen ligt. Zachéüs althans probeerde Jezus te zien en op het veelvuldige gerucht van de grote Profeet van Nazareth uitgegaan, te zien hoe Hij er uitzag, – wie Hij was van persoon. En om aan deze trek van zijn gemoed te voldoen neemt hij, belemmerd door de zich verdringende menigte en de kleinheid van zijn eigen gestalte, de toevlucht tot de wilde vijgeboom, waarlangs Jezus voorbij moest gaan en beklimt die. Voor menige hoge farizeeër zou een dusdanige openbare tentoonstelling van zijn kleinheid van persoon niet veel minder onmogelijk geweest zijn dan het doorgaan van een kameel door het oog van een naald; voor deze rijke tollenaar is geen ding te vernederend, als hij slechts die van aangezicht aanschouwen mag, naar wie zijn gemoed met een belangstelling uitgaat, die uitwendig zich door niets nog van zuivere nieuwsgierigheid onderscheidt. Maar van de Heere, de Hartekenner, wordt in die belangstelling iets anders doorzien. Jezus afgewacht ook van op de top van een vijgeboom, laat zich aan wie naar Hem uitziet, niet onbetuigd. En Hij, die anders gewoon is in ontferming neer te zien op zondaren, verwaardigt zich om deze zondaar te behouden, opwaarts te kijken; straks zichzelf hem aan te bieden als zijn gast voor die dag, als zijn Zaligmaker voor altijd. Het zijn wederom hier hele bijzondere, hoe ook anders eenvoudige woorden: Zachéüs haast u en kom af, want Ik moet vandaag in uw huis blijven. Eerst het noemen van het verloren Israël, schaap uit het huis Israël, bij name: Zachéüs! – verrassend boven alle beschrijving zal zowel die stem als de blik opwaarts van de Heiland voor de man geweest zijn, die zo’n grote eer noch gezocht, noch gedacht had, dat uit de mond van de profeet uit Nazareth zijn naam te Jericho in het openbaar zou worden gehoord. En dat wel, vervolgens, om in het huis van de tollenaar zijn intrek te nemen. Hoe haast hij zich dan ook nu af te komen en met blijdschap de hooggeleerde Gast te ontvangen. Is het niet alsof op het voorbeeld van deze tollenaar gewezen wordt in het woord van de Heere aan de gemeente van Laodicea (Openbaring 3: 20). Als iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij.
6. En hij haastte zich en kwam af en ontving Hem met blijdschap, begaf zich tot Hem om de Heere bereidwillig op te nemen. Tot een eigenlijk ingaan in diens huis kwam het pas later na vs. 11-27.
Jericho heette van ouds af de Palmenstad en nauwelijks was een stad in het Joodse land schoner gelegen dan dit zeer oude Jericho tussen zijn altijd groene palmbossen en zoet geurende tuinen met rozen. Maar schoner dan al de trotse palmen van Jericho, die sinds lang zijn uitgehouwen, duurzamer dan al de geurige rozen van Jericho, die sinds lang zijn uitgebloeid, staat te Jericho een nederige boom. Hij is wel niet meer te vinden aan de zonnige weg, maar onzichtbaar groent hij nog voort, brengt hij nieuwe takken voort en frisse, zoete vruchten van jaar tot jaar in de kerk van Christus, dat is de wilde vijgeboom van Zachéüs. Daar in zijn schaduw is het goed te wonen, daar onder zijn takken zien wij voor altijd het liefelijk welkom tussen menselijke heilbegerigheid en goddelijke genade, tussen de zondaar, die de Heiland zoekt en de Heiland, die de zondaar zoekt.
Jericho was meer dan andere een stad van priesters en van tollenaars. De priester behaagde het zeker hier in de volheid van de zegen van hun land onder de palmboom, die het symbool van hun land was, een stil leven in beschouwing door te brengen. Dat echter de stad in tegenstelling tot haar talrijke priesterschap eveneens vele tollenaars telde, was het gevolg van de handelsbetrekkingen van het land. Er waren niet alleen daarom vele tollen, omdat de omstreek van Jericho, waarin ook de balsemstruik groeide, veel opleverde, maar ook omdat de stad op de weg van Jeruzalem naar Perea niet ver verwijderd was van een ondiepte van de Jordaan.
Midden door Jericho, de vanouds beruchte stad, neemt de Heiland Zijn weg, vergezeld door een menigte, dat zo-even voor de poorten van de stad ooggetuige was geweest van de wonderbare genezing van de blinde. De geschiedenis voert echter onze blikken af van het gewoel van het volk op een man, aan wie de genade van de Heere Jezus zich nu ook in het geestelijke wil verheerlijken. Deze is een man, aan wie niemand vroeger had gedacht, Zachéüs de geestelijke kleinzoon van die hoer Rachab in het oude Jericho (Joz. 2: 1 vv). Wel is hij geen heiden zoals deze en woont hij niet in een afgelegen hoek op de stadsmuur, zoals zij – zijn naam, zeer prachtig klinkend: “rein”, stelt hem voor als een lid van Gods volk en zijn uitwendige omstandigheden zijn schitterend genoeg. Hij bekleedt in de handelsstad, beroemd door haar dadels en balsemtuinen, onder Romeins oppergezag het bij de Romeinen zeer aanzienlijke en tevens hoogst voordelige ambt van een Opper-tollenaar en heeft al een aanzienlijk vermogen verworven. Maar ach, in deze omstandigheden ligt ook een verstrikking; aan zijn vermogen kleven de vloeken van de kinderen van zijn eigen volk, waarover een vreemde meester hem tot drijver en geldafperser gesteld heeft; en zijn ambt dat, behalve andere verzoekingen, hem veel met heidenen in aanraking brengt, heeft hem ook heidense zeden geleerd en zozeer van de God van Israël en van Zijn wegen vervreemd, dat hij door alle mensen, die op de godsdienst gesteld zijn, in tegenspraak met zijn naam, als een verpeste wordt gemeden. Zeker, wij zouden in de Palmenstad onze eigen namen op het spel zetten als wij slechts in enig opzicht een enigszins vertrouwelijk betrekking tot de man in het tolhuis lieten bemerken. Hoe komt nu zo een tot Jezus? Ja, wij mogen wel zo vragen, zelfs al geven wij het vermoeden toe, dat de latere gang van de geschiedenis tot zekerheid verheft, dat Zachéüs zijn zondig leven al moe was geworden en begerig was naar het licht en leven uit God. Wat zou het ons verwonderen, wanneer een zo streng stelsel van afscheiding, zoals de vrome mensen te Jericho dat tegenover hem in acht namen, verbonden met de ban van de wet, die bovendien op zijn geweten drukte, zijn ziel verstrikt had in een volledige moedeloosheid,
in een wanhopen aan de mogelijkheid van redding? Maar zie, hij heeft van de Heere Jezus (toen deze twee of drie maanden daarvoor niet ver van Jericho te Livias vertoefde (Hoofdstuk 15: 1-16: 13 gehoord (door dat zijn mede-tollenaars het hem hadden meegedeeld). Dit deed een zachte schemering van hoop in zijn door duisternis omgeven ziel vallen. Hij heeft een woord gehoord van een Heiland, die anders dan de Farizeeën en Schriftgeleerden, zich tot tollenaars en zondaars keert, een woord van een openbaring van God, die niet, als die op Sinaï, in verschrikkende glans schittert, maar die de in zonde en ellende verzonken mensheid met enkel wonderen van ontferming te hulp komt. En omdat nu de Heiland zelf Jericho’s muren binnentrekt, nu zegt een stem in hem: “U moet Hem zien”. Wat hij eigenlijk daarmee wilde, dat zou hij zelf ons nauwelijks weten te zeggen. Zuiver nieuwsgierigheid was het niet, veel minder de onreine profane wens, die in de profetenmoordenaar Herodes lange tijd woelde, om Jezus te zien, die hij ten slotte als de Lijder voor zich ziet en die hij met misdadige blikken beschouwt, begerende een teken van Hem te zien. Nee! Zachéüs heeft een belang voor zijn hart bij die zaak. Zich te plaatsen in het licht van Zijn aangezicht, dat moet hij verschuiven tot die dag in de verre toekomst, als hij zich zal hebben losgemaakt van de zonde, die hem in het geweten aanklaagt: dat zou hij nu niet wagen! Weet hij ook misschien van andere tollenaars, misschien van degenen die in zijn eigen dienst zijn, dat zij in Jezus ogen genade hebben gevonden – “ach!” denkt hij: “u bent slechter dan allen, overste der tollenaars, overste der zondaars!” en het bewustzijn van zijn schuld brengt hem terug van de gemeenschap van de Heilige. Toch drijft hem ook weer een geheim, geluk voorspellend verlangen tot Jezus heen en hij zou ten minste eenmaal willen zien wie Hij was, of dan echt Zijn wezen, Zijn uiterlijk zo moedgevend was voor de ongelukkige, zoals de anderen zeiden; of Zijn aangezicht zo liefelijk was. Zo vermengt hij zich dan onder de menigte die de Heiland omgeeft, maar tevergeefs, het gedrang is te groot en hij ziet overal tegen vreemde schouders aan, want hij was klein van persoon. Daar valt hem plotseling een zeldzame gedachte in; wij zien hoe hij zich weer uit het gedrang verwijdert, hij loopt door een zijweg de menigte voorbij, ademloos komt hij aan de hoofdweg, waar Jezus moest doorgaan. Daar staat een wilde vijgeboom en zie, hij bedenkt zich niet, hij klimt naar boven en zweeft als een wondervolle vrucht in de takken vol loof. Hoe, Zachéüs! Opperste der tollenaars! past het dan ook voor u, evenals de jongens, als zij hun nieuwsgierigheid willen bevredigen, boven de hoofden van de groten u te verheffen? Vreest u niet op zo’n manier stand en ambt voor alle mensen in verachting te brengen en u aan hun gelach prijs te geven? Maar Zachéüs heeft geen oor voor onze vragen: hij kan nu niet denken aan eer, noch aan schande, hij staat op de uitkijk, alleen van het verlangen vervuld Jezus te zien.
Evenals de Heere het voelde, toen die vrouw Hem aanraakte (Hoofdstuk 8: 46) zo voelt Hij ook hier dat een arm zondaar in Zijn nabijheid is, die Zijn kracht met geweld tot zich trekt; en evenals hij van Nathanaël weet wat het verlangen van zijn hart is als hij onder de vijgenboom zit (Joh. 1: 48), zo weet Hij ook van Zachéüs in de vijgeboom en roept Hij hem met name (Jes. 43: 1).
Dat Jezus kende en met name riep hoeft ons niet te bevreemden: de Heere, die wist wat in zijn hart was (Joh. 2: 24. v. ), kon ook zijn naam weten, wanneer Hij daarvan gebruik wilde maken. “Ik moet vandaag in uw huis blijven”, zegt Hij; op het woord “vandaag” valt de nadruk (v. 9), want deze dag was voor Zachéüs tot zaligheid bestemd; het woord “moet” is
hetzelfde als in Hoofdst. 22: 37 , namelijk het moeten van de goddelijke roeping en de daaruit voortvloeiende plicht. De grondstelling van de goddelijke wil, die hier tot vervulling komt, spreekt Maria uit in Hoofdstuk 1: 53. “Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld. “
Jezus heeft in hem, juist uit zijn levendig verlangen om Hem te zien, de gastheer herkend, die Hem in Jericho door Zijn Vader bestemd is. Hier is een verloren schaap te vinden; het is hetzelfde voortdurende bewustzijn van Zijn zending, als in de ontmoeting met de Samaritaanse. Wat een onvoorwaardelijke overgave aan het goddelijke werk en wat een onbeperkte onafhankelijkheid van de menselijke mening!
Jericho was beroemd door de profetenschool, die eerst in haar midden bloeide en door de heerlijke daden van God, die de profeten Elia en Elisa daar verrichtten. Het moet echter daar niet goed geweest zijn om binnen deze muren te wonen, anders zou er in vs. 1 niet staan: “Toen Hij ingekomen was ging Hij door Jericho”. Was het een liefelijk Bethanië geweest, waar vertrouwde vrienden op Hem wachtten, dan zou er hebben gestaan: “Hij trok binnen en bleef daar. ” Maar verheven boven de gedachteloze volkshoop, die Hem omgaf, ziet Jezus oog opeens een heilbegerige ziel, die naar de gerechtigheid hongert en dorst en zie, deze blijde ontdekking houdt Hem terug verder te gaan, totdat Hij Zich over deze ziel van harte heeft ontfermd, dat zij niet zou omkomen; nu staat er over Hem: hier moet Ik Mijn intrek nemen, voordat het verder naar Jeruzalem gaat.
Er is een zuivere nieuwsgierigheid, die zonder aandoeningen is, een nieuwsgierigheid met minachting en een nieuwsgierigheid met belangstelling gepaard. Dat de laatste soort van nieuwsgierigheid die van Zachéüs was, zien wij uit zijn blijdschap, waarmee hij in allerijl aan het bevel van de Heere voldoet en Hem in zijn huis ontvangt; hij voelt het en hij geeft het in zijn vreugde te kennen, dat hem de hoogste eer werd aangedaan. En zo is dan ook zijn verwelkomen van de Heere een liefelijk beeld van de volvaardigheid en vreugde, waarmee een ziel die uit de doodsslaap van haar zonde ontwaakt, Jezus als haar Zaligmaker aanneemt en tot zich binnenlaat.
7. En allen, die tot de menigte van feestreizigers behoorden, in wier gezelschap de Heere sinds vs. 31 en 35 met de discipelen was gegaan en die het zagen, murmureerden: Hij is tot een zondigen man als gastheer ingegaan om te herbergen. Bij deze stelde Hij Zijnreisgenoten achter, want nu moeten wij zonder Hem trekken, die wij toch als de Messiaanse Koning in Jeruzalem dachten in te leiden (vs. 11. en “Uit 20: 34”).
8. En Zachéüs plaatste zich in weerwil van de naam zondaar met vrijmoedigheid voor Hem (Hoofdstuk 18: 11) en zei tot de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere! geef ik de armen; en als ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, door valsheden (Hoofdstuk 3: 14) schade heb berokkend, dat geef ik volgens het gebod (Ex. 22: 1. 2 Sam. 12: 6) viervoudig terug (Jes. 58: 6-8).
9. En Jezus zei tot hem, of over hem: Vandaag is aan dit huis zaligheid geschied, nademaal ook deze, evengoed als iedere andere Jood, een zoon van Abraham is en dus tot het geslacht behoort, waaraan de zaligheid in de beloofde Messias is toegezegd (MATTHEUS. 15: 24).
De naam van zoon van Abraham, die voor de Jood de hoogste eretitel is, was de grootst mogelijke tegenstelling van de naam die de omstanders aan Zachéus gaven, toen zij hem een zondige man noemden. De Heere stelde hiermee Zachéus in zijn eer, hem gelijkstellend met Abraham, die ook rijk was, niet door onrecht, maar omdat God hem rijkdom had gegeven. De Heere stelde dus het huis van Zachéus als het huis van Abraham, waaraan ook zaligheid geschied was. “Dit huis” wilde dan ook niet zeggen: “Alleen Zacheus; ” nee, maar allen, die de zijnen zijn. Niets is meer verwijderd van het Evangelie van de genade, dan bekrompenheid; sommigen kunnen het niet vatten hoe een heel huis door een begenadigde vader, of moeder, of zuster, of broeder zalig kan worden. Maar waar Christus woont daar is geheel Zijn omgeving, is geheel de atmosfeer, waarin Hij ademt enkel zaligheid. En waar slechts een Christen in huis is, daar staat het licht op de kandelaar en schijnt het over allen, die in huis zijn; daar is de voorbidding tot behoudenis van allen, die tot het huis behoren, daar is de zegen van God en daarom vraagt de Apostel, 1 Kor. 7: 16 : Wat weet u, vrouw, of u de man zalig zult maken, of wat weet u, man, of u de vrouw zalig zult maken?
10. a)Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was en heeft geen onderscheid te maken naar de maatstaf van de farizese vooroordelen (MATTHEUS. 18: 11. Joh. 3: 16-18).
a)Hand. 13: 46.
In tweeërlei opzicht kunnen de uitleggers zich niet goed in de samenhang en de bedoeling van deze afdeling vinden. In de eerste plaats laten zij zich daardoor, dat al in vs. 6 staat dat Zachéüs Jezus met vreugde opgenomen heeft, verleiden aan te nemen alsof dit gesprek had plaats gevonden in het huis van de tollenaar; misschien ‘s avonds aan tafel of de volgende morgen bij het weggaan van Jezus. Op de laatste opvatting rust bijvoorbeeld het van Gerok: Jezus en Zachéüs, of hoe menselijke wil en goddelijke genade zo schoon samenstemt op het pad van de bekering; wij beschouwen: 1) het welkom onder vijgeboom of het begin, 2) het komen onder het tollenaars dak of de voortgang, 3) de afscheidsgroet in de huisdeur of het einde van de bekeringsgeschiedenis. Duidelijk zijn de morrenden in vs. 7 met de discipelen van de Heere, maar de leden van de feestkaravaan, waarmee Hij Jericho is binnengetrokken en door de stad is gegaan, waarvan Hij Zich echter nu afscheidt als van mensen, die Hij wilde ontwijken (Joh. 6: 15) om zich weer om te keren en bij Zachéüs Zijn intrek te nemen. Tot dezen spreekt ook Jezus Zijn woorden met de blik op Zachéüs gericht (prov auton staten-vertaling “tot hem”) – hoe zou bij die opvatting de gehele gebeurtenis kunnen worden voorgesteld? De evangelist maakt integendeel in vs. 6 aan het verhaal een voorlopig slot, om over vs. 7 tot 27 een langer gesprek er aan toe te voegen, dat tussen de beide handelingen: “Hij haastte zich en kwam af” en “Hij ontving Hem met blijdschap” invalt, zodat wij de laatste woorden voor de samenhang van beiden alleen kunnen opvatten in de zin als boven bij de verklaring in parenthese is aangegeven. Deze is dezelfde manier van voorstelling die wij al in Hoofdstuk 1: 46 ten opzichte van vs. 67-79 en in Hoofdst. 11: 16 in vergelijking met vs. 29-36 vonden en die ook overeenstemt met de Oud-Testamentische beschrijving dat de geschiedenis volgens de tot hiertoe heersende richting tot het einde wordt gebracht en dan van een zeker punt af weer wordt opgenomen, om andere kanten op de voorgrond te plaatsen, die vroeger nog niet in beschouwing zijn genomen, omdat daaraan nog een bijzondere
opmerkzaamheid moest worden gewijd (vgl. Gen. 1: 26-31 met 2: 4-25). Daarom meent men het woord van Zachéüs in vs. 8 als een gelofte of toezegging te moeten opvatten, die hij de Heere gaf uit dankbaarheid voor de van Hem ontvangen genade en tot opvolging van het uit Zijn mond gehoorde onderricht. Het woord klinkt echter zo, dat Zachéüs niet eerst belooft te doen, maar op iets wijst dat hij al begonnen is te volbrengen en tot regel van zijn gedrag heeft gemaakt. Bovendien wordt zijn optreden met vrijmoedigheid tegenover de verachtelijke behandeling van de murmureerden alleen dan verklaarbaar, als hij zich bewust is een discipel van Jezus Christus te zijn, die de voorschriften van zijn Meester nu ter harte heeft genomen en daarvan bewijzen heeft gegeven, zodat hij niet meer de zondaar van vroeger is, waarvoor de mensen hem nog houden, maar een, die zich van zijn zonden oprecht heeft bekeerd en door de zaligmakende kracht van het Evangelie een nieuw leven begonnen is. Hoe dat nu echter mogelijk zijn zou, kunnen de uitleggers niet uitvinden en daarom juist komen zij tot die verkeerde opvatting. Zeker is de mogelijkheid ook niet te verklaren, als men over het reisverhaal van onze evangelist in Hoofdstuk 9: 51-18: 30 zich in zo’n onduidelijkheid bevindt, dat men de voorvallen in Hoofdstuk 15: 1-16: 31 evenals die in Hoofdstuk 17: 1-10 naar Galilea verplaatst en Hoofdst. 17: 11 vv. met Hoofdstuk 9: 51 vv. verbindt; daarentegen wordt bij de door ons gegeven chronologie alles duidelijk en verstaanbaar. Te Livias, dat van Jericho slechts 2-3 mijlen verwijderd is, heeft Zachéüs door zijne mede-tollenaars van Jezus en diens gelijkenissen gehoord. Die van het verloren schaap, van de verloren penning, van de verloren zoon, zijn voor hem een kracht van de wedergeboorte geworden en die van de onrechtvaardige rentmeester heeft hij zich tot regel en richtsnoer voor zijn wandel in Christus Jezus gesteld, tot wie zijn verhouding tot hiertoe nog die geweest is, die de apostel in 1 Petrus 1: 7 v. beschrijft, totdat hem nu ook dat geluk is overkomen Hem van aangezicht tot aangezicht te zien, wat dan zijn hart vervult met onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Hij staat dus met zijn bekering en levensvernieuwing daar als een profetie van de roeping van de heidenen, die niet tot de Heiland kunnen zeggen: wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en Gij hebt in onze straten geleerd, maar toch zullen zitten aan de tafel in het rijk van God (Hoofdstuk 13: 23). Op deze heidenen, aan wie het rijk van God zal worden gegeven, dat zijn vrucht zal geven, ziet de Heere in de volgende gelijkenis, terwijl Hij Israël, om de verwerping, die zij juist nu het voornemen hebben Hem aan te doen, alleen hun eigen verwerping en het wegnemen van het rijk van God aan hen moet verkondigen, zodat deze gelijkenis wat de zaak aangaat hetzelfde bevat wat de beide gelijkenissen van de boze wijngaardeniers en de toevertrouwde ponden in MATTHEUS. 21: 33-44; 25: 14-30 tezamen bevatten.
Wat Christus deed om Zachéus zalig te maken kwam overeen met het grote doel van Zijn komst in de wereld. Zie de treurige toestand van de mensenkinderen; zij waren verloren. De hele wereld van de mensen is door de val een verloren wereld geworden; verloren evenals een stad verloren is als zij in de macht is van het oproer; als een reiziger, als hij zijn pad in een wildernis is kwijt geraakt; zoals een zieke verloren is als zijn ziekte ongeneeslijk is. De genadige bedoeling van Gods Zoon is, dat Hij kwam om te zoeken en te behouden. Hij kwam van de hemel op de aarde; om te zoeken wat verloren was en het weer te brengen. Hij zoekt die Hem niet zochten en niet naar Hem vroegen. Zijn doel was te redden, wanneer er geen redding in iets anders was.
De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was; het verlorene, wat zegt dit? En wel in de eerste plaats wat is het verlorene? Verloren, voor hem verloren, zo noemt de ongelukkige vader de ondankbare zoon, die tegelijk de vaderlijke tucht en de vaderlijke liefde verworpen heeft en den overvloed van brood in het vaderlijk huis verlaten om op de weg, die naar de draf van de zwijnen geleidt, zijn eigen meester te zijn en het vaderlijk erfgoed op schaamteloze wijze door te brengen; de zoon, die hij nog wel met een diep en innig vaderlijk medelijden aanschouwde, maar de vaderlijke zegen niet meer geven kan. Verloren, voor mij verloren, zo zucht de tedere moeder in menige slapeloze nacht, als zij zich de gevallen dochter voorstelt, altijd dieper wegzinkend in de poel des verderfs, waarvan de rand voor haar met bloemen en kostbaarheden bestrooid was; de gevallen dochter, tot wier altijd dieper val de hele maatschappij schijnt samen te spannen. Ook de maatschappij rekent deze onder de voor haar verlorenen met de misdadiger, wie zij genoodzaakt is uit haar midden te verbannen, de dronkaard, die haar onteert, de leegganger en de gierigaard, van wier bekwaamheden of bezittingen zij geen nut trekt. En ook aldus is het aantal verlorenen groot. Maar is het beperkt tot degenen, die het zijn in deze zin? En als Jezus van het verlorene spreekt bedoelt Hij niet alleen het verlorene, met opzicht tot betrekkingen, maatschappij, mensheid? Nee, maar het verlorene voor God. Het zou kunnen zijn en het is zo, dat velen die geenszins voor hun betrekkingen, voor de maatschappij, voor de mensheid verloren kunnen worden geacht, nochtans tot het voor God verlorene moeten gerekend worden. Want voor God is verloren, die zich voor zoveel in hem is, hetzij dan uit hoogmoed of uit begeerlijkheid aan zijn tucht, aan zijn liefde, aan zijn gemeenschap onttrokken heeft; die niet voor Hem maar voor zichzelf leven wil en voor zichzelf naar de lust en willekeur van een zondig hart. Voor God verloren is de zondaar, die de dienst van de wereld boven de dienst niet slechts, maar boven de gunst van God verkozen heeft en daarom voortwandelt op de weg, waarop hij zich hoe langer hoe verder van God verwijdert en die eindelijk eindigt in zijn volkomen ondergang. Voor God is verloren, die niet meer waardig is Zijn kind genoemd te worden en wie Hij, ofschoon Hij hem nog niet alle blijken van Zijn ontferming onttrokken heeft, nochtans zijn tederste vaderlijke zegen onthouden moet. . Voor God is verloren die tot Hem zegt: Wijk van mij, want in Uw geboden heb ik geen lust. Voor God is verloren die Hem afwijst in de heilige en liefderijke eis: Mijn zoon geef Mij uw hart! En als deze allen voor God verloren zijn, dan is het Zijn smart dat het aantal van de verlorenen zeer bedroevend groot is; dan is het duidelijk dat wij Gods verloren zonen niet alleen vinden in het midden van het vreemde land, waar zij Zijn goed en Zijn gaven met oneerbare vrouwen doorbrengen, maar tot in de schaduw van het vaderlijk huis, waar zij Hem wel hun dienst maar geenszins hun hart wijden en door alle nauwgezetheid en plichtsbetrachting en gehoorzaamheid geenszins het welgevallen van hun Vader, maar het bokje met hun vrienden, bedoelen en bejagen. En indien verloren te zijn voor God, is Zijn gemeenschap, Zijn welgevallen, Zijn zegen te derven, op wegen waar men zich bezondigt niet slechts aan Zijn heiligheid, maar ook aan Zijn liefde: dan voelen wij de diepte van de ellende, die is uitgedrukt in die herinnering: het verlorene. Ach, wat hij ook zij of schijnt voor zijn betrekkingen en voor zijn naasten, die voor God, die in Gods ogen verloren is, hij is voor zichzelf verloren. Wat hij ook op aarde bezit, verwerft of bereikt, hij gaat verloren voor zijn eigenlijke, verloren voor zijn eeuwige bestemming. Die voor de zonde leeft, ontvangt de bezoldiging van de zonde; die voor de wereld leeft zal met de wereld vergaan; die niet voor God leeft, leeft niet voor de hemel; die zich afwendt van God wandelt de eeuwige rampzaligheid tegemoet; hij komt ter plaatse waar
het verlorene voorgoed verloren is, waar de verbroken wet, waar de versmade liefde van God wordt gewroken door een vruchteloos berouw. Arme verlorenen!. . Maar vóórdat het zo ver komt, is behoud mogelijk. De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat is te behouden, wat verloren was. De Zoon des mensen, niemand minder dan Hij, in wie de mensheid ook geroepen is de Zoon van God te aanbidden. Zijn naam is Zaligmaker, d. i. Behouder, Hij is gekomen om te behouden. Het is het grote doel van Zijn komst in het midden van de verlorenen. Wanneer zullen zij behoudenen mogen heten? Als zij weer zullen toebehoren aan Hem, voor wie zij nu verloren zijn. Als de van God afgedwaalde mens door zijn God gevonden, aan zijn God teruggegeven is, dan pas is hij geen verlorene, maar een behoudene, dan ook een, die met recht een kind van God genoemd kan worden en die voelt het te zijn. Maar ook dan pas is hij mens in de waren zin van het woord; want die hem teruggeeft aan zijn God, geeft hem ook weer aan zichzelf. De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken dat verloren was; is gekomen om te redden van de weg van de zonde, van de straf van de zonde, van de schuld van de zonde, om de verloren zoon te doen opstaan en tot om de Vader te doen gaan, om hem te brengen tot de Vader, hem te werpen in de armen van de Vader, om hem in het huis van de Vader eeuwig te doen wonen! Aldus behoudt, aldus maakt Hij zalig. Maar opdat Hij zo het verlorene behoudt is het nodig dat Hij het zoekt. Voorwaar hier geldt met nadruk, dat slechts hij die zoekt vinden zal. En een geduldig, een volhardend zoeken zal het moeten zijn. Een zoeken en nagaan op de verscheidenste, ook op de verschrikkelijkste wegen. Een zoeken en nagaan op alle paden van de afdwaling, in alle schuilhoeken van de zonde, in alle holen van het verderf. Een zoeken in het midden van de verzoekingen, een zoeken tot op de rand van de gapende afgrond, een zoeken van de immer verder dolenden, immer dieper zinkenden, een zoeken van de voor zijn treurige en gevaarvolle toestand zich meer en meer verblindende en verstompte verlorene. Een inhalen van de vluchtende, een ontdekken van de zich verbergende, een overreden van de weerspannige, een zoeken op allerlei wijze en vele malen tevergeefs. Wat een liefde, die niet slechts tot behouden, maar ook tot zoeken, tot zo’n zoeken bereid is. Het is de liefde van de Zoon des mensen.
10. a)Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was en heeft geen onderscheid te maken naar de maatstaf van de farizese vooroordelen (MATTHEUS. 18: 11. Joh. 3: 16-18).
a)Hand. 13: 46.
In tweeërlei opzicht kunnen de uitleggers zich niet goed in de samenhang en de bedoeling van deze afdeling vinden. In de eerste plaats laten zij zich daardoor, dat al in vs. 6 staat dat Zachéüs Jezus met vreugde opgenomen heeft, verleiden aan te nemen alsof dit gesprek had plaats gevonden in het huis van de tollenaar; misschien ‘s avonds aan tafel of de volgende morgen bij het weggaan van Jezus. Op de laatste opvatting rust bijvoorbeeld het van Gerok: Jezus en Zachéüs, of hoe menselijke wil en goddelijke genade zo schoon samenstemt op het pad van de bekering; wij beschouwen: 1) het welkom onder vijgeboom of het begin, 2) het komen onder het tollenaars dak of de voortgang, 3) de afscheidsgroet in de huisdeur of het einde van de bekeringsgeschiedenis. Duidelijk zijn de morrenden in vs. 7 met de discipelen van de Heere, maar de leden van de feestkaravaan, waarmee Hij Jericho is binnengetrokken
en door de stad is gegaan, waarvan Hij Zich echter nu afscheidt als van mensen, die Hij wilde ontwijken (Joh. 6: 15) om zich weer om te keren en bij Zachéüs Zijn intrek te nemen. Tot dezen spreekt ook Jezus Zijn woorden met de blik op Zachéüs gericht (staten-vertaling “tot hem”) – hoe zou bij die opvatting de gehele gebeurtenis kunnen worden voorgesteld? De evangelist maakt integendeel in vs. 6 aan het verhaal een voorlopig slot, om over vs. 7 tot 27 een langer gesprek er aan toe te voegen, dat tussen de beide handelingen: “Hij haastte zich en kwam af” en “Hij ontving Hem met blijdschap” invalt, zodat wij de laatste woorden voor de samenhang van beiden alleen kunnen opvatten in de zin als boven bij de verklaring in parenthese is aangegeven. Deze is dezelfde manier van voorstelling die wij al in Hoofdstuk 1: 46 ten opzichte van vs. 67-79 en in Hoofdst. 11: 16 in vergelijking met vs. 29-36 vonden en die ook overeenstemt met de Oud-Testamentische beschrijving dat de geschiedenis volgens de tot hiertoe heersende richting tot het einde wordt gebracht en dan van een zeker punt af weer wordt opgenomen, om andere kanten op de voorgrond te plaatsen, die vroeger nog niet in beschouwing zijn genomen, omdat daaraan nog een bijzondere opmerkzaamheid moest worden gewijd (vgl. Gen. 1: 26-31 met 2: 4-25). Daarom meent men het woord van Zachéüs in vs. 8 als een gelofte of toezegging te moeten opvatten, die hij de Heere gaf uit dankbaarheid voor de van Hem ontvangen genade en tot opvolging van het uit Zijn mond gehoorde onderricht. Het woord klinkt echter zo, dat Zachéüs niet eerst belooft te doen, maar op iets wijst dat hij al begonnen is te volbrengen en tot regel van zijn gedrag heeft gemaakt. Bovendien wordt zijn optreden met vrijmoedigheid tegenover de verachtelijke behandeling van de murmureerden alleen dan verklaarbaar, als hij zich bewust is een discipel van Jezus Christus te zijn, die de voorschriften van zijn Meester nu ter harte heeft genomen en daarvan bewijzen heeft gegeven, zodat hij niet meer de zondaar van vroeger is, waarvoor de mensen hem nog houden, maar een, die zich van zijn zonden oprecht heeft bekeerd en door de zaligmakende kracht van het Evangelie een nieuw leven begonnen is. Hoe dat nu echter mogelijk zijn zou, kunnen de uitleggers niet uitvinden en daarom juist komen zij tot die verkeerde opvatting. Zeker is de mogelijkheid ook niet te verklaren, als men over het reisverhaal van onze evangelist in Hoofdstuk 9: 51-18: 30 zich in zo’n onduidelijkheid bevindt, dat men de voorvallen in Hoofdstuk 15: 1-16: 31 evenals die in Hoofdstuk 17: 1-10 naar Galilea verplaatst en Hoofdst. 17: 11 vv. met Hoofdstuk 9: 51 vv. verbindt; daarentegen wordt bij de door ons gegeven chronologie alles duidelijk en verstaanbaar. Te Livias, dat van Jericho slechts 2-3 mijlen verwijderd is, heeft Zachéüs door zijne mede-tollenaars van Jezus en diens gelijkenissen gehoord. Die van het verloren schaap, van de verloren penning, van de verloren zoon, zijn voor hem een kracht van de wedergeboorte geworden en die van de onrechtvaardige rentmeester heeft hij zich tot regel en richtsnoer voor zijn wandel in Christus Jezus gesteld, tot wie zijn verhouding tot hiertoe nog die geweest is, die de apostel in 1 Petrus 1: 7 v. beschrijft, totdat hem nu ook dat geluk is overkomen Hem van aangezicht tot aangezicht te zien, wat dan zijn hart vervult met onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Hij staat dus met zijn bekering en levensvernieuwing daar als een profetie van de roeping van de heidenen, die niet tot de Heiland kunnen zeggen: wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en Gij hebt in onze straten geleerd, maar toch zullen zitten aan de tafel in het rijk van God (Hoofdstuk 13: 23). Op deze heidenen, aan wie het rijk van God zal worden gegeven, dat zijn vrucht zal geven, ziet de Heere in de volgende gelijkenis, terwijl Hij Israël, om de verwerping, die zij juist nu het voornemen hebben Hem aan te doen, alleen hun eigen verwerping en het wegnemen van het rijk van God aan hen moet verkondigen, zodat
deze gelijkenis wat de zaak aangaat hetzelfde bevat wat de beide gelijkenissen van de boze wijngaardeniers en de toevertrouwde ponden in MATTHEUS. 21: 33-44; 25: 14-30 tezamen bevatten.
Wat Christus deed om Zachéüs zalig te maken kwam overeen met het grote doel van Zijn komst in de wereld. Zie de treurige toestand van de mensenkinderen; zij waren verloren. De hele wereld van de mensen is door de val een verloren wereld geworden; verloren evenals een stad verloren is als zij in de macht is van het oproer; als een reiziger, als hij zijn pad in een wildernis is kwijt geraakt; zoals een zieke verloren is als zijn ziekte ongeneeslijk is. De genadige bedoeling van Gods Zoon is, dat Hij kwam om te zoeken en te behouden. Hij kwam van de hemel op de aarde; om te zoeken wat verloren was en het weer te brengen. Hij zoekt die Hem niet zochten en niet naar Hem vroegen. Zijn doel was te redden, wanneer er geen redding in iets anders was.
De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was; het verlorene, wat zegt dit? En wel in de eerste plaats wat is het verlorene? Verloren, voor hem verloren, zo noemt de ongelukkige vader de ondankbare zoon, die tegelijk de vaderlijke tucht en de vaderlijke liefde verworpen heeft en den overvloed van brood in het vaderlijk huis verlaten om op de weg, die naar de draf van de zwijnen geleidt, zijn eigen meester te zijn en het vaderlijk erfgoed op schaamteloze wijze door te brengen; de zoon, die hij nog wel met een diep en innig vaderlijk medelijden aanschouwde, maar de vaderlijke zegen niet meer geven kan. Verloren, voor mij verloren, zo zucht de tedere moeder in menige slapeloze nacht, als zij zich de gevallen dochter voorstelt, altijd dieper wegzinkend in de poel des verderfs, waarvan de rand voor haar met bloemen en kostbaarheden bestrooid was; de gevallen dochter, tot wier altijd dieper val de hele maatschappij schijnt samen te spannen. Ook de maatschappij rekent deze onder de voor haar verlorenen met de misdadiger, wie zij genoodzaakt is uit haar midden te verbannen, de dronkaard, die haar onteert, de leegganger en de gierigaard, van wier bekwaamheden of bezittingen zij geen nut trekt. En ook aldus is het aantal verlorenen groot. Maar is het beperkt tot degenen, die het zijn in deze zin? En als Jezus van het verlorene spreekt bedoelt Hij niet alleen het verlorene, met opzicht tot betrekkingen, maatschappij, mensheid? Nee, maar het verlorene voor God. Het zou kunnen zijn en het is zo, dat velen die geenszins voor hun betrekkingen, voor de maatschappij, voor de mensheid verloren kunnen worden geacht, nochtans tot het voor God verlorene moeten gerekend worden. Want voor God is verloren, die zich voor zoveel in hem is, hetzij dan uit hoogmoed of uit begeerlijkheid aan zijn tucht, aan zijn liefde, aan zijn gemeenschap onttrokken heeft; die niet voor Hem maar voor zichzelf leven wil en voor zichzelf naar de lust en willekeur van een zondig hart. Voor God verloren is de zondaar, die de dienst van de wereld boven de dienst niet slechts, maar boven de gunst van God verkozen heeft en daarom voortwandelt op de weg, waarop hij zich hoe langer hoe verder van God verwijdert en die eindelijk eindigt in zijn volkomen ondergang. Voor God is verloren, die niet meer waardig is Zijn kind genoemd te worden en wie Hij, ofschoon Hij hem nog niet alle blijken van Zijn ontferming onttrokken heeft, nochtans zijn tederste vaderlijke zegen onthouden moet. . Voor God is verloren die tot Hem zegt: Wijk van mij, want in Uw geboden heb ik geen lust. Voor God is verloren die Hem afwijst in de heilige en liefderijke eis: Mijn zoon geef Mij uw hart! En als deze allen voor God verloren zijn, dan is het Zijn smart dat het aantal van de verlorenen zeer bedroevend
groot is; dan is het duidelijk dat wij Gods verloren zonen niet alleen vinden in het midden van het vreemde land, waar zij Zijn goed en Zijn gaven met oneerbare vrouwen doorbrengen, maar tot in de schaduw van het vaderlijk huis, waar zij Hem wel hun dienst maar geenszins hun hart wijden en door alle nauwgezetheid en plichtsbetrachting en gehoorzaamheid geenszins het welgevallen van hun Vader, maar het bokje met hun vrienden, bedoelen en bejagen. En indien verloren te zijn voor God, is Zijn gemeenschap, Zijn welgevallen, Zijn zegen te derven, op wegen waar men zich bezondigt niet slechts aan Zijn heiligheid, maar ook aan Zijn liefde: dan voelen wij de diepte van de ellende, die is uitgedrukt in die herinnering: het verlorene. Ach, wat hij ook zij of schijnt voor zijn betrekkingen en voor zijn naasten, die voor God, die in Gods ogen verloren is, hij is voor zichzelf verloren. Wat hij ook op aarde bezit, verwerft of bereikt, hij gaat verloren voor zijn eigenlijke, verloren voor zijn eeuwige bestemming. Die voor de zonde leeft, ontvangt de bezoldiging van de zonde; die voor de wereld leeft zal met de wereld vergaan; die niet voor God leeft, leeft niet voor de hemel; die zich afwendt van God wandelt de eeuwige rampzaligheid tegemoet; hij komt ter plaatse waar het verlorene voorgoed verloren is, waar de verbroken wet, waar de versmade liefde van God wordt gewroken door een vruchteloos berouw. Arme verlorenen!. . Maar vóórdat het zo ver komt, is behoud mogelijk. De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat is te behouden, wat verloren was. De Zoon des mensen, niemand minder dan Hij, in wie de mensheid ook geroepen is de Zoon van God te aanbidden. Zijn naam is Zaligmaker, d. i. Behouder, Hij is gekomen om te behouden. Het is het grote doel van Zijn komst in het midden van de verlorenen. Wanneer zullen zij behoudenen mogen heten? Als zij weer zullen toebehoren aan Hem, voor wie zij nu verloren zijn. Als de van God afgedwaalde mens door zijn God gevonden, aan zijn God teruggegeven is, dan pas is hij geen verlorene, maar een behoudene, dan ook een, die met recht een kind van God genoemd kan worden en die voelt het te zijn. Maar ook dan pas is hij mens in de waren zin van het woord; want die hem teruggeeft aan zijn God, geeft hem ook weer aan zichzelf. De Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken dat verloren was; is gekomen om te redden van de weg van de zonde, van de straf van de zonde, van de schuld van de zonde, om de verloren zoon te doen opstaan en tot om de Vader te doen gaan, om hem te brengen tot de Vader, hem te werpen in de armen van de Vader, om hem in het huis van de Vader eeuwig te doen wonen! Aldus behoudt, aldus maakt Hij zalig. Maar opdat Hij zo het verlorene behoudt is het nodig dat Hij het zoekt. Voorwaar hier geldt met nadruk, dat slechts hij die zoekt vinden zal. En een geduldig, een volhardend zoeken zal het moeten zijn. Een zoeken en nagaan op de verscheidenste, ook op de verschrikkelijkste wegen. Een zoeken en nagaan op alle paden van de afdwaling, in alle schuilhoeken van de zonde, in alle holen van het verderf. Een zoeken in het midden van de verzoekingen, een zoeken tot op de rand van de gapende afgrond, een zoeken van de immer verder dolenden, immer dieper zinkenden, een zoeken van de voor zijn treurige en gevaarvolle toestand zich meer en meer verblindende en verstompte verlorene. Een inhalen van de vluchtende, een ontdekken van de zich verbergende, een overreden van de weerspannige, een zoeken op allerlei wijze en vele malen tevergeefs. Wat een liefde, die niet slechts tot behouden, maar ook tot zoeken, tot zo’n zoeken bereid is. Het is de liefde van de Zoon des mensen.
11. En toen zij dat hoorden en hun murmureren (vs. 7) door hetgeen Hij zo-even had gezegd tot zwijgen gebracht was, voegde Hij daarbij, met het oog daarop dat Hij Zich door in Jericho
te blijven van hen afscheidde en zei een gelijkenis, waaruit zij konden afleiden welke toekomst in waarheid hun volk wachtte. Hij sprak die uit, omdat Hij nabij Jeruzalem was en omdat zij meenden dat het koninkrijk van God meteen openbaar zou worden, maar het, zoals Hij wist, toch geheel anders zou komen dan zij zich voorstelden.
12. Hij zei dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen, om het uit de handen van Hem, die het te geven had, in ontvangst te nemen en dan terug te keren, om nu ook als rechtmatig koning zijn heerschappij uit te oefenen.
13. En hij riep zijn tien dienstknechten, gaf hen tien ponden en zei tot hen: Handel, ieder met zijn pond, totdat ik kom.
14. En zijn burgers haatten hem en zonden hem gezanten na en zeiden tot degene die dat rijk had te geven: Wij willen niet dat deze over ons koning is. Geef ons een andere regeerder.
15. En het gebeurde, toen hij terug, toen hij het koninkrijk ontvangen had, het in bezit genomen had ondanks het tegenspreken van zijn burgers, dat hij zei dat die dienstknechten tot hem geroepen zouden worden, die hij het geld gegeven had, opdat hij weten mocht wat een ieder met handelen gewonnen had.
16. En de eerste kwam en zei: Heer! uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen.
17. En hij zei tot hem: Wel, goede dienstknecht, omdat u in het minste trouw geweest bent, geef ik u macht over tien steden.
18. En de tweede kwam en zei: Heere! uw pond heeft vijf ponden gewonnen.
18. En de tweede kwam en zei: Heere! uw pond heeft vijf ponden gewonnen.
19. En hij zei ook tot deze: En u, heers over vijf steden. (vgl. MATTHEUS. 25: 20-23).
Het volk van God ontvangt weinig zichtbare beloning in de tegenwoordige tijd. Hoeveel van hen worden vaak als kwaad verworpen. Zij gaan het koninkrijk van God in door veel verdrukking. Hun goede dingen zijn niet in deze wereld. Het gewin van de godzaligheid bestaat niet in aardse goederen, maar in inwendige vrede en hoop en vreugde in het geloof. Maar zij zullen eenmaal een overvloedige beloning hebben. Zij zullen loon ontvangen dat alles ver overtreft wat zij voor Christus gedaan hebben. Zij zullen tot hun verbazing bevinden, dat voor alles, wat zij voor hun Heer gedaan en verdragen hebben, hun Heer hen honderdvoudig zal belonen.
20. En een ander kwam en zei: Heer! zie hier uw pond, dat Ik in een zweetdoek weggelegd had:
21. Want ik vreesde u, omdat u een streng mens bent, u neemt weg wat u niet gelegd hebt en u maait wat u niet gezaaid hebt: u eigent u toe waarop u geen aanspraak heeft en wilt winnen, waar u geen gelegenheid daartoe gaf.
22. Maar hij zei tot hem: a) Uit uw mond zal ik u oordelen, boze dienstknecht! U wist dat Ik een streng mens ben, wegnemend wat ik niet gelegd heb en maaiend waar Ik niet gezaaid heb.
2 Sam. 1: 16. MATTHEUS. 12: 37.
23. Waarom hebt u dan mijn geld niet in de bank gegeven en ik had het, als ik zou komen, met woeker mogen eisen.
24. En hij zei tot degenen, die bij hem stonden, tot zijn trawanten: Neemt dat pond van hem weg en geeft het aan degene die de tien ponden heeft. (vgl. MATTHEUS. 25: 24-28).
25. En zij zeiden tot hem: Heer! hij heeft tien ponden, waarom geeft u hem nog meer?
26. Want ik zeg u nogmaals (Hoofdstuk 8: 18) dat een ieder die heeft gegeven zal worden, maar van degene die niet heeft, van die zal genomen worden ook wat hij heeft (“Lu 14: 24”).
27. Maar, om na deze afrekening met de knechten nu nog een andere plaats te doen hebben: deze mijn vijanden, die niet hebben gewild dat Ik over hen koning zou zijn, breng, u trawanten (vs. 24), ze hier en sla ze hier voor mij dood (vgl. vs. 43 v. ).
In de inleiding op MATTHEUS. 20: 29 hebben wij er al op gewezen, dat de genezing van een blinde voor Jericho en van een achter de stad, de bekeringsgeschiedenis van Israël in de eerste en de laatste tijd van het Nieuw Testamentisch heil symboliseert. Terwijl wij echter daar nog zeiden dat het doortrekken door Jericho de roeping van de heidenen tot het rijk van God voorstelde, moeten wij volgens het nu opgemerkte zeggen dat het zinnebeeld daarvoor integendeel het omkeren naar de stad en het intrek nemen bij Zachéüs is. De voor ons liggende gelijkenis geeft ons het recht tot deze allegorische verklaring. Jezus staat op het punt om naar Jericho terug te keren, om bij de overste van de tollenaars zijn intrek te nemen en daar wil Hij diensvolgens de menigte, waaronder Hij Zich na de aankondiging van Zijn lijden in Hoofdst. 18: 31 vv. en na het gesprek met de moeder van de zonen van Zebedeüs in MATTHEUS. 20: 20-28, bewogen had, haar weg verder alleen laten trekken naar Jeruzalem. Dat komt Hemzelf voor als een gelijkenis van hetgeen Hij in Hoofdstuk 13: 35 al eenmaal de Joden heeft aangekondigd en hun later (MATTHEUS. 23: 38) nogmaals zal verzekeren. Hij vat echter nu wat Zijn gedachten over de toekomst van Zijn rijk op aarde vervult, hier in een parabel met twee delen samen. Het tweede deel, dat betrekking heeft op de kerk, die uit de heidenwereld zou worden vergaderd (vs. 13, 15-26), is later in de reden van Jezus over de laatste dagen (MATTHEUS. 25: 14 vv. ) weer opgenomen en zelfstandig voorgesteld; zo is ook de gelijkenis van het grote avondmaal (Hoofst. 14: 16 vv. ) herhaald en verder uitgewerkt in de gelijkenis van de bruiloft van de koningzoons (MATTHEUS. 22: 2 vv. ), terwijl begin, midden en einde (vs. 12, 14 en 27) die het eerste deel vormt in MATTHEUS. 21: 33 vv. een geheel nieuwe vorm verkregen, omdat zij niet geschikt waren om onveranderd te worden
opgenomen. Bovendien is wat hier bij elkaar is gevoegd en tot een gemengde menigte van toehoorders, tot de Farizees gezinde Joden (vs. 7) aan de ene kant en tot de gelovige discipelen van Christus aan de andere kant gericht is, in de beide plaatsen van Mattheüs, voor de beide nu gescheiden klassen verdeeld, zodat elke het hem toekomende deel ontvangt. Beschouwen wij eerst deze drie verzen afzonderlijk die de gelijkenis van de boze landlieden voorbereiden, zo treedt de Heere in vs. 12 rechtstreeks tegenover de verwachting, die door Zijn reisgezelschap volgens vs. 14 werd gekoesterd. Hij doet dat met de aankondiging dat een dadelijke openbaring van het rijk van God zo weinig mogelijk is, dat Hij, die als koning in dit rijk moet heersen, integendeel eerst tot de leenheer moet reizen om het rijk uit diens hand te ontvangen. Wij kunnen het wel begrijpen dat de Galilese feestreizigers, waarmee Jezus in de vlakte van de Jordaan was samengekomen, toen zij Hem na een scheiding van een half jaar terugzagen, niet anders dachten, dan dat Hij bij het paasfeest van dit jaar te Jeruzalem openlijk als Messias zou optreden en Zijn rijk zou oprichten in die heerlijkheid als zij wensten. Anderen, die om hun reiniging zich al te Jeruzalem bevonden, hadden er een voorgevoel van dat het nabijzijnde feest tot een beslissing zou leiden (Joh. 11: 55 vv. ), maar te Jericho had de Heere het toegelaten dat Hij door de beide blinden als “Zoon van David” werd aangeroepen. (Hoofdstuk 18: 38 Mark. 10: 47 v. ). Hij had daar geen verbod gegeven als vroeger (MATTHEUS. 9: 27 en 30), het moest dus Zijn bepaalde wil zijn voortaan Zijn Messiaanse waardigheid te doen gelden. De Heere openbaart Zich dan ook als de “Zoon van David” wanneer Hij van “een welgeboren man” spreekt; maar hoe behandelt Israël over het algemeen deze edele, die wel het huis, waaruit hij afstamt, van de kant van zijn lichamelijke afkomst legitimeert (Hoofdstuk 3: 23-31, MATTHEUS. 1: 6-16), maar die in zijn gehele vroegere werkzaamheid zich betoond heeft als Israël’s profeet en koning (Joh. 18: 37)? Kan Hij Zijn koninkrijk oprichten voor dit volk, dat zich door zijn oversten laat beheersen en door deze meeslepen; zodat het zal roepen: “Weg met deze, kruisig Hem, wij hebben geen koning dan de keizer (Joh. 19: 15)?” Als het op dit volk aankwam, dan was het integendeel met Zijn rijk gedaan, want Christus zal nu worden uitgeroeid en niet meer zijn (Dan. 9: 26). Maar in Gods raad is deze uitroeiing lang te voren bedacht; voor Hem, wie zij overkomt, is zij niet wat zij uiterlijk schijnt, maar integendeel de wegneming van de mannelijke zoon van de vrouw met de kroon van sterren op haar hoofd tot God en Zijn troon (Openbaring 12: 1-5), of in het licht van de toenmalige staatkundige toestand van Israël beschouwd, de reis van de hooggeborene naar een ver land om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen en dan (als het hem is gegeven) terug te keren. Sinds de Romeinen meesters van het Joodse land geworden zijn, hebben Herodes de Grote en zijn opvolgers op de troon (vgl. het antwoord op Makk. Nr. 9-11 en het vervolg van de geschiedenis van de Herodessen bij MATTHEUS. 2: 20) allen het opdragen van de waardigheid te Rome moeten halen; onder het gezichtspunt van zo’n reis plaatst dan ook Jezus Zijn heengaan tot de Vader volgens het woord in Ps. 110: 1 : “Zit aan Mijne rechterhand totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank voor uw voeten. ” Niet zonder betekenis is het, dat zich aan vs. 12 niet dadelijk vs. 14 aansluit, maar eerst vs. tussen beide komt. Vs. 14 doelt op dat lot, dat Archelaüs overkwam, terwijl de Joden toen hij naar Rome reisde tot bevestiging van zijn waardigheid door de keizer, inderdaad gezanten achterna zonden om van die heerschappij vrij te worden (Uit 2: 20) – mogelijk dat zelfs de plaats de Heere aan Archelaüs herinnerde, want te Jericho stond het prachtige paleis dat door deze gebouwd was.
Wat een ootmoed is het en ook wat een stoute vergelijking, dat de Heere naast de reis van een zoon van Herodes naar Rome Zijn hemelvaart plaatst.
Zo’n verwerpen van Jezus als Israël’s koning was echter nog niet de kruisiging zelf, dat waren eerst al die pogingen van de ongelovige Joden, die in de tijd van de stichting van de Christelijke kerk tot het vermoorden van Jakobus II voorvallen (Hoofdstuk 11: 49-51) en daarom gaat de inhoud van het dertiende vers aan die van het veertiende vooraf, want het eerste ziet op de stichting en vestiging van de kerk door de Heere, het tweede op haar uitroeiing uit Jeruzalem door de Hoge raad door uitsluiting van de Christelijke gemeente uit de tempel en uit de gemeenschap van het Joodse volk. Nu zou aan vs. 14 zich de inhoud van vs. 27 kunnen aansluiten. Die inhoud gaat echter nog verder dan hetgeen in MATTHEUS. 21: 41 (vgl. Luk. 20: 16) van de boze wijngaardeniers en in MATTHEUS. 22: 7 van de verachters van de bruiloft van de koningzoons gezegd is. Het bevat dat ook wel in zich, maar voegt er ook het strafgericht van die Joden bij, die bij de latere bekering van Israël niet tot de 144. 000 verzegelden (Openbaring 11: 11 vv. ; 17: 1 vv. ; 14: 1 vv. ) behoren, maar ook dan nog vast houden aan het: “Wij willen niet, dat deze over ons koning is” en zo tot aanhangers van de Anti-christ worden, om met diens scharen gedood te worden (Openbaring 19: 11 vv. ). Met het oog hierop zijn dan zeer juist vs. 14 en 27 door de verzen 15-26 uit elkaar gehouden. Daarom spreken wij nu nader over het tweede gedeelte van de gelijkenis in vs. 23 en 15-26 , dat, zoals al uit het gezegde blijkt, betrekking heeft op de Christelijke kerk, afgezien van Israël, zodat in dit opzicht de gelijkenis parallel loopt met die in MATTHEUS. 25: 14 vv. Terwijl nu echter daar de heer, die buiten het land gaat, slechts een vermogend eigenaar is, die om enige reden voor een onbepaalde tijd weg gaat, wordt hier gesproken van een hooggeboren koningszoon, die naar de hoofdstad van de wereld gaat om zijn rijk in bezit te nemen, en voor de tussentijd de al in zijn dienst getreden tien knechten daardoor op de proef stelt, dat hij aan ieder een gelijke som toevertrouwt. Hij wil weten hoeveel ijver en bekwaamheid zij in zijn belang zullen tonen om hen naar de maatstaf daarvan later bij het oprichten van zijn rijk als stadhouders van de bijzondere delen daarvan aan te stellen. Daar verdeelt de weggaande heer het hele vermogen onder de drie knechten van zijn huis in ongelijke maat naar ieders vermogen, 5, 2 en 1 centenaar of talent ad 4. 712, 40 gulden, wat een hele som van 37. 699, 20 gulden geeft. Hier zijn slechts tien ponden of mina’s ad 7, 86 gulden 30: 13), dus tezamen 786 gulden, die de koningszoon ronddeelt voor de tien knechten, die hem getrouw zijn en de verdeling geschiedt in gelijke verhouding. Daar winnen de eerste en tweede knecht beide met hun handel nog eens dezelfde som, die aan ieder was toevertrouwd, dus de eerste vijf en de andere twee talenten. Hier wint de eerste het tienvoudige, de andere het vijfvoudige met zijn pond. Daar begraaft de derde of de boze dienstknecht zijn talent in de aarde, hetgeen het besteden van de gave van de geest in de dienst van het zinnelijke en wereldse te kennen geeft. Hier bewaart hij zijn pond in een zweetdoek en laat het uit enkel luiheid ongebruikt liggen. Daar is voor de naar gelijke maatstaf betoonde trouw het loon hetzelfde, maar voor de eerste knecht, die het meest was toevertrouwd en daar bij overeenkomstige trouw de grootste winst was toegekomen, komt nog een bijzonder loon daardoor bij, dat hem ook het talent van de boze dienstknecht wordt toegewezen. Daarom is hier dadelijk een onderscheid van loon, want de eerste knecht krijgt volgens de tienvoudige winst van het ene pond ook tien steden, maar de tweede knecht worden volgens zijn vijfvoudige winst slechts vijf steden toegewezen, om daarover
stadhouder te zijn. Nu komt ook hier als bijzonder loon bij, dat de eerste boven de verworven tien ponden nog dat van de boze knecht ontvangt. Daar wordt eindelijk de boze dienstknecht, nadat hem zijn talent is ontnomen, in de buitenste duisternis uitgestoten, hier blijft het bij de straf van wegneming van het toevertrouwde pond. Men kan niet, zoals P. Lange wil, ook nog dit verschil er bij voegen dat daar de gelijkenis eindigt met de rechtspraak van de heer, hier daarentegen met de verandering van de welgeborene in een koning, die zijn heerlijkheid openbaart in het ombrengen van de oproerige burgers. Die bestraffing toch van de boze knecht, die in de buitenste duisternis wordt uitgestoten, is niet meer de rechtspleging van een eigenaar, maar deze bezitter openbaart zich nu eveneens als een hooggeboren koning, die macht heeft lichaam en ziel te verderven in de hel, zodat dus de gelijkenis daar in haar slot veel meer overeenkomt met onze gelijkenis hier. Wat nu de betekenis van beide gelijkenissen in haar betrekking tot elkaar aangaat, zo sluit zich die van de toevertrouwde talenten bij Mattheus onmiddellijk aan die van de tien maagden en houdt zich op zelfstandige wijze – dat is zonder op Israël te letten, dat gedurende de tijden van de heidenen (Luk. 21: 24) voor het rijk van God zo goed als helemaal niet in aanmerking komt – met de kerk bezig, die uit de heidenen vergaderd is. Aan deze heeft dan gedurende die tijd die eigenaar, die buiten het land reisde, zijn hele vermogen toevertrouwd, maar het verschillend verdeeld naar de drie bestanddelen van de kerk, die wij bij MATTHEUS. 25: 30 hebben onderscheiden, tot welke drie bestanddelen zich ook werkelijk alles laat terugbrengen wat nog van verschillende kerken aanwezig is. Het loon voor getrouwheid ligt bij deze kerk in de andere wereld: “Ga in in de vreugde van uw Heere”; de straf over de nutteloze dienstknecht valt nog in deze tijd (Ezechiël. 27 en 28), evenals ook het wegnemen van het hen geschonken talent en het overgeven daarvan aan die knecht, die met zijn vijf talenten vijf andere gewonnen heeft (Openbaring 18: 4 vv. ). In de gelijkenis daarentegen van de tien ponden, die voor ons ligt, komt diezelfde heiden-Christelijke kerk in haar betrekking tot Israël voor en daar is zij een aanvulling voor het ongelovige Israël, slechts een tussenstation op de weg, die de koningszoon naar een ver land is getrokken om een rijk in te nemen en dan weer te komen. Zij kan volgens dit haar karakter slechts een onvolkomen vorm van het rijk van God op aarde zijn. Zijn volmaakte gedaante verkrijgt het pas, als de welgeborene terugkomt, nadat hij zijn rijk heeft ingenomen en zijn vijanden heeft laten ombrengen, die niet wilden dat hij over hen zou heersen. Dit leidt ons heen naar de tijd van de oprichting het duizendjarig rijk, waarom dan ook van een schenking van macht over tien en vijf steden als loon voor trouw sprake kan zijn. Met het oog op de nederige gedaante van het rijk van God gedurende de hele tijd van de kerk komt nu ook het vermogen van de edele, die in een ver gelegen land reist voor als klein -niet meer dan tien ponden in zijn geheel. Men moet daaronder, zegt P. Lange, zonder twijfel het een voor allen gelijke ambt van getuige verstaan. Hij verklaart de gelijkenis op de volgende wijze: “Het rijk van Christus is een koninkrijk dat door het oproer van zijn wettige burgers, het theocratische volk, eerst twijfelachtig wordt; zijn opperheer kan dus pas door Zijn reis naar een vreemd land de koninklijke macht verkrijgen, die Hem in staat stelt het bij Zijn terugkeren te nemen. Wat moeten nu Zijn trouwe knechten, die Hij hier tussen de oproerige burgers achterlaat, beginnen? Misschien de wapenen nemen om een aanslag te doen, ten einde zich van het rijk voor hun heer meester te maken? Juist dat moet deze heer zijn knechten verbieden; zij moeten in die tussentijd in een zeer vreedzame werkzaamheid zijn goederen besturen, hun krachten besteden en juist daardoor de tussentijd voor zijn zaak uitkopen. Had de Heere het Zijn discipelen treffender kunnen zeggen dat zij in de tijd van
Zijn hemelvaart tot aan Zijn terugkeren niet moesten denken aan een wereldlijke openbaring van Zijn rijk of aan een doen gelden van Zijn koninklijke waardigheid en identificeren van Zijn woord met de sociale levenswetten, maar dat zij alleen de werkelijke goederen, die Hij voor hen achterlaat, namelijk de geestelijke, in hun onaanzienlijke evangelische ambten trouw zouden besturen, om eens de uitwendige openbaring van Zijn rijk door de geestelijke rijkdom daarvan te verwezenlijken? Maar eens, als Hij terugkeert met de koninklijke macht, zullen zij Hem dan ook omringen en over de steden van Zijn rijk worden gesteld. Wegreizend roept Hij nu vooraf Zijn tien knechten (over het getal tien als zinnebeeld van de volledigheid Ge 31: 7 en Ge 46: 27 en Ex 20: 2 en Ex 11: 10 en Ps 150: 5), geeft hen tien pond en zegt tot hen: handelt daarmee tot Ik kom. ” Omdat iedere knecht slechts een pond ontvangt, verkrijgt men zowel door de gelijkheid als door het geringe van het bedrag aanleiding daarbij niet te denken aan de verleende genadegaven in het algemeen, maar aan de roeping tot het ambt, waarin deze hun uitdrukking vinden. Ieder discipel van Christus is aan de anderen gelijk in roeping en zo’n roeping schijnt zeer gering tegenover de glans van de wereld. Met de ponden nu worden ponden gewonnen, d. i. uit de betrekkelijk weinige boden en getuigen van Christus worden er velen; Zijn volk dat de roeping heeft, van Hem te getuigen, wordt volledig. Daarbij treedt echter het onderscheid in het winst doen van de verschillende knechten opmerkelijk op de voorgrond; de een heeft met het een pond tien ponden gewonnen (1 Kor. 15: 10. Rom. 15: 15 vv. ), de ander slechts vijf. Lag dit onderscheid alleen in het onderscheid in vlijt, dan zou reeds de knecht nauwelijks kunnen bestaan met een winst van 5 ponden, er schijnen echter andere oorzaken mee te werken, bijvoorbeeld het verschil van het talent, enz. om zo’n verschil van uitkomst te bewerken. Nu komt de vergelijking in aanmerking; omdat het rijk van Christus nu een koninkrijk is geworden, worden de trouwe knechten koninklijke stadhouders over Zijn steden en wel naar de maatstaf dat zij voor hen ponden hadden gewonnen; zij hebben in de zegen van hun werkzaamheid in het rijk van Christus’ kruis de kwalificatie voor hun werkzaamheid in Zijn ererijk ontwikkeld en de mate daarvan is vastgesteld. De naast elkaar plaatsing van twee trouwe knechten was voldoende om deze waarheden aanschouwelijk te maken. Een ander zegt: Heer, hier is uw pond, dat ik in een zweetdoek gelegd had; want ik vreesde u, omdat u een streng mens bent; u neemt weg wat u niet hebt en u maait wat u niet gezaaid hebt. ” In koude traagheid heeft hij zijn beroeping verzuimd en verloochend; hij rekende aldus: maak ik een grote winst met het toevertrouwde pond, dan heb ik zelf daar geen voordeel van, de heer neemt het voor zich en lijd ik schade, dan stelt hij op onbarmhartige wijze mij daarvoor verantwoordelijk; daarom leg ik het best het pond voor hem weg en leef voor mijzelf. Hij had echter liever zijn beroep moeten teruggeven, opdat het aan een ander kon worden overgedragen. In plaats daarvan heeft hij het echter behouden, maar het ook verwaarloosd en daardoor aan de zaak van zijn meester nadeel aangedaan. Tot straf daarvoor wordt hem zijn pond ontnomen en aan degene gegeven die de tien ponden heeft. Al de Christelijke rechten van roeping, die de ontrouwen verwaarlozen, vallen eens in de wereld van de volkomen realiteit degenen toe, die trouw zijn geweest in hun roeping en juist diegenen, die de rijkste zegen van kracht en trouwheid hebben, verkrijgen de rijkste winst. Van de zeven andere knechten wordt niet gesproken; zij behoren òf in de klasse van de beide eersten òf in die van de derde.
De gelijkenis van de tien ponden stelt ons een beeld voor 1) van de Koning van het Godsrijk a) van Zijn afkomst, b) van Zijn bestemming, c) van Zijn weggaan en terugkomen; 2) van Zijn dienaars a) van hun roeping, b) van hun verantwoording,
c) van hun loon, 3) van Zijn vijanden a) van hun staat, b) hun machteloosheid; c) van hun straf. De weigering om de koninklijke autoriteit van de Heere te erkennen: 1) de hoogte, die zij bereikt, 2) de diepte waarin zij eindigt.
Bereidt u voor op de dag, waarop de Heere komt ter openbaring Zijner heerlijkheid. 1) met gehoorzaamheid, want Hij komt met macht en Zijn arm zal heersen (Jes. 40: 10), 2) met getrouwheid en vlijt en goede werken, want Zijn loon is bij Hem en Zijn vergelding is voor Hem.
Christus’ discipelen op aarde, vergeleken met dienaars van een vorst die een reis na Zijn kroning maakt.
28. En toen hij dit gezegd had reisde Hij voor hen heen van Jericho. Eerst ging Hij bij Zachéüs in en overnachtte bij deze, de volgende morgen ging Hij weer Zijn discipelen voor, evenals aan de morgen van deze dag (Mark. 10: 32)en ging op naar Jeruzalem; Hij bleef ook deze tweede dag, evenals de derden weer onderweg Zich ophouden, namelijk te Bethanië (Joh. 12: 1-11. MATTHEUS. 26: 6-13. Mark. 14: 3-9).
De verbinding van het verder reisverhaal, dat in ons vers vervat is, aan de voorafgaande gelijkenis, moet niet letterlijk uitwendig worden opgevat, integendeel bestaat hier slechts een inwendige samenhang. Dat de Heere eerst nog bij Zachéüs Zijn intrek nam en door deze met vreugde werd opgenomen, heeft de Evangelist al in vs. 5 v. genoeg te kennen gegeven en deze zaak boven geheel afgedaan. Op de voorgrond staan in zijn gedachten daarna de zaken in vs. 7-27 meegedeeld en nu is het vooral de gelijkenis van de edele, die in een ver land trok om zijn koninkrijk in te nemen, die Zijn hele ziel vervult. Daaraan sluit Hij vervolgens Zijn woorden aan en wijst de edele aan door Zijn opgaan naar Jeruzalem, waar Hij gekruisigd zal worden en op de derde dag opstaan (18: 31-33) om daarna ten hemel te varen, als werkelijk en noodzakelijk van mening die reis te doen. Het is echter niet zoals Zijn reisgenoten van de vorige dag hebben gemeend (vs. 11), dat het rijk van God meteen geopenbaard zou worden. De discipelen hebben nog gisteren deze mening gedeeld en ook in geestelijke zin diegenen tot voorgangers gehad, waarvan in Hoofdstuk 18: 39 staat: “die voorbijgingen. ” Heden, nu zij door de gelijkenis omtrent de juiste stand van zaken onderwezen zijn, moeten zij voor de verdere weg naar Jeruzalem een andere voorganger hebben, namelijk de “edelen, ” wiens “tien knechten” zij vertegenwoordigen – een ander reisgezelschap hebben zij voor deze dag niet.
III. Vs. 29-44 Nadat de Evangelist aan het einde van de vorige afdeling ons Jezus geeft, voorgesteld als optrekkend naar Jeruzalem, moet Hij zich spoeden Hem zeer snel daarheen te brengen. Hij kan dat te eerder, omdat de apostolische traditie al, zoals uit de beide eerste evangelisten blijkt, met het doortrekken door Jericho ook gewoon was de aankomst bij Bethfage aan de Olijfberg te verbinden, zonder hier al te letten op het oponthoud te Bethanië en de zalving door Maria. Hij gaat dan eveneens met deze geschiedenis voort, waarbij
gehandeld wordt over de erkenning van Jezus als de Messiaanse Koning van de kant van Israël. Hij verbindt echter daarmee het beeld van hen, die deze erkenning willen verhinderen en zich zo tot woordvoerders maken van die burgers, die zeggen: “Wij willen niet, dat deze over ons heerst. Daar komt nu de Heere als Hij de hoogte van de Olijfberg heeft bereikt en Jeruzalem tegenover Zich ziet, de stad in dat beeld voor de geest zoals het met haar zal gaan, als dat woord tot werkelijkheid wordt: maar deze Mijn vijanden, die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, breng ze hier en sla ze hier voor Mij dood. ” Onder tranen beproeft Hij ze tot bezinning te roepen, hoewel Hij weet dat noch Zijn tranen, noch de woorden van Zijn profetie, iets zouden veranderen aan de loop der zaken. (vgl. MATTHEUS. 21: 1-11. Mark. 11: 1-11. Joh. 12: 12-19).
29. En het gebeurde, toen Hij twee dagen later, op zondag de tweede april) nabij Bethfage en Bethanië 11: 1″) gekomen was aan de berg, de Olijfberg genoemd, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond.
III. Vs. 29-44 Nadat de Evangelist aan het einde van de vorige afdeling ons Jezus geeft, voorgesteld als optrekkend naar Jeruzalem, moet Hij zich spoeden Hem zeer snel daarheen te brengen. Hij kan dat te eerder, omdat de apostolische traditie al, zoals uit de beide eerste evangelisten blijkt, met het doortrekken door Jericho ook gewoon was de aankomst bij Bethfage aan de Olijfberg te verbinden, zonder hier al te letten op het oponthoud te Bethanië en de zalving door Maria. Hij gaat dan eveneens met deze geschiedenis voort, waarbij gehandeld wordt over de erkenning van Jezus als de Messiaanse Koning van de kant van Israël. Hij verbindt echter daarmee het beeld van hen, die deze erkenning willen verhinderen en zich zo tot woordvoerders maken van die burgers, die zeggen: “Wij willen niet, dat deze over ons heerst. Daar komt nu de Heere als Hij de hoogte van de Olijfberg heeft bereikt en Jeruzalem tegenover Zich ziet, de stad in dat beeld voor de geest zoals het met haar zal gaan, als dat woord tot werkelijkheid wordt: maar deze Mijn vijanden, die niet hebben gewild dat Ik over hen Koning zou zijn, breng ze hier en sla ze hier voor Mij dood. ” Onder tranen beproeft Hij ze tot bezinning te roepen, hoewel Hij weet dat noch Zijn tranen, noch de woorden van Zijn profetie, iets zouden veranderen aan de loop der zaken. (vgl. MATTHEUS. 21: 1-11. Mark. 11: 1-11. Joh. 12: 12-19).
29. En het gebeurde, toen Hij twee dagen later, op zondag de tweede april) nabij Bethfage en Bethanië 11: 1″) gekomen was aan de berg, de Olijfberg genoemd, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond.
30. En zei: Ga heen in dat dorp, dat tegenover is, in Bethfage. Daar inkomend zult u een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten 11: 4″), ontbindt het en brengt het.
30. En zei: Ga heen in dat dorp, dat tegenover is, in Bethfage. Daar inkomend zult u een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten 11: 4″), ontbindt het en brengt het.
30. En zei: Ga heen in dat dorp, dat tegenover is, in Bethfage. Daar inkomend zult u een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten 11: 4″), ontbindt het en brengt het.
31. En als iemand u vraagt waarom u dat ontbindt, dan zult u zo tot hem zeggen: Omdat de Heere het nodig heeft.
32. En die uitgezonden waren, gingen heen en vonden het zoals Hij hen gezegd had, zodat zij opnieuw bevestigd vonden wat de discipelen ook overigens vaker van hun Meester ondervonden (Joh. 16: 30).
33. En toen zij het veulen ontbonden, om van de oude ezelin, die ook moest worden meegebracht niet verder te spreken, zeiden de heren, de eigenlijke bezitters daarvan, tot hen: Waarom ontbindt u het veulen?
34. En zij zeiden, zoals Jezus hen geboden had: De Heere heeft het nodig.
35. En zij brachten het tot Jezus. a) En zij wierpen hun kleren op het veulen en zetten Jezus daarop.
2 Kon. 9: 13
36. En toen Hij voort reisde, spreidden zij hun kleren onder Hem op de weg.
37. En toen Hij nu bij het overgaan van de bergtop bij de afgang van de Olijfberg aankwam, begon de menigte van discipelen, namelijk die allen, die uit Galilea en Perea mee tot het feest waren opgekomen, zich te verblijden en God te loven met grote stem vanwege al de krachtige daden, die zij vroeger gezien hadden, toen Hij onder hen werkte, vooral ook over de opwekking van Lazarus (Joh. 12: 17 vv. ).
38. Zij gingen met Hem mee en zeiden: a) Gezegend is de Koning, namelijk Hij, die daar komt in de naam van de Heere 11: 10″)! Vrede zij in de hemel, zodat men daar voortaan weet omwille van de Messias met de mens verzoend te zijn (Hoofdstuk 15: 10) en heerlijkheid in de hoogste plaatsen, die God, die deze Heiland aan Zijn volk heeft gezonden (Hoofdstuk 1: 68 vv. ; 2: 24).
a)Ps. 118: 26. Luk. 2: 14. Efeze. 2: 14.
Vóór Zijn dood wil Jezus nog door een ondubbelzinnige daad de grote waarheid verkondigen, die Hij als het heilige geheim van Zijn leven voor de meeste oningewijden verborgen had en slechts aan enkele vatbaren als het ware in het oor had gefluisterd. Eens in Zijn leven vergunt Hij de Zijnen openlijk uit te roepen wat hun op het hart lag en Hij vervult opzettelijk een profetie, die in Zijn tijd eenparig van de Messias werd verklaard. Heeft Hij vroeger het uitspreken van Zijn waardigheid voor bedenkelijk gehouden, nu houdt Hij het verzwijgen voor ondankbaar. Het is die dag, waarop Hij, die tot het Zijne kwam, zonder dat de Zijnen
Hem opnamen, Zich aan de liefde van diegenen overgeeft, die Hem zo innig vereerden en Zich aan het oog van hen openbaart, die met opmerkzaamheid op Hem zagen. Dat was voor Zijn daad, ja voor de hele Israëlitische natie noodzakelijk: het mocht later niet gezegd kunnen worden dat Hij Zich nooit op ondubbelzinnige wijze had uitgesproken. Toen Jeruzalem later van Messiasmoord werd beschuldigd, mocht het niet kunnen zeggen dat de Messias had nagelaten een voor allen gelijkelijk verstaanbaar teken te geven. De Heere wil het bewijzen dat Hij meer is dan profeet, machtig in daden en woorden, dat Hij Koning is in de hele kracht van het woord. Maar Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Kan Hij hun dat duidelijker tonen? Zijn kleed, Zijn dier, Zijn gevolg, Zijn hele houding verkondigt het. Geen wonder, dat later Herodes, zomin als Pilatus, aan deze intocht enige beschuldiging kan ontlenen. De Romeinse bezetting kon rustig op de burg Antonia blijven, als deze vreedzame menigte Jeruzalems poorten binnentreedt.
Wat verlangt Jezus, de Koning van de eer, van ons tot een gezegend intrekken in Zijn gemeente? 1) getrouwe dienaars, die Hem aanmelden, zoals het behoort; 2) een vroom volk, dat Hem opneemt, zoals het betaamt.
De intocht van de Koning aller koningen in de stad aller steden: 1) onaanzienlijk naar het uitwendige, 2) majestueus voor het oog van het geloof, 3) hoogst gewenst voor het heilbegerig hart.
De intocht van Jezus in Jeruzalem als een profetisch adventsbeeld: 1) van het komen van Jezus in de wereld, 2) van de stichting van Zijn rijk in de wereld, 3) van Zijn binnenkomen in het menselijk hart.
Zie, uw Koning komt tot u: 1) Uw Heer gaat de wereld in, 2) zachtmoedig, nederig, arm en klein; 3) erger u niet aan Zijn geringheid; 4) bereid uw hart om Hem te ontvangen.
Zie, uw Koning komt tot u 1) uitverkoren discipelen, vermeldt Hem dan; 2) wankelend vrienden, verklaart u dan voor Hem; 3) vele armen, juicht dan in Hem; 4) verborgen vijanden, verzoent u dan met Hem.
De Heere komt tot Zijn volk: 1) wat Hij brengt, 2) wat Hij vindt en 3) wat Hij zoekt.
Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig: Zijn komen in zachtmoedigheid en ootmoedigheid was de oorzaak 1) van Zijn smartelijk lijden, maar ook 2) van Zijn heerlijke overwinning.
Geloofd zij Hij, die daar komt in de naam van de Heere! want
1) Hij komt om voor ons te lijden, 2) Hij lijdt voor ons om over ons te heersen, 3) Hij heerst over ons om ons zalig te maken.
39. En sommigen van de Farizeeën uit de menigte, die zich bij de menigte van volk bevonden, maar zich over dat geroep (vs. 39) ergerden, zeiden tot Hem: Meester! bestraf Uw discipelen, laat hen niet toe wat zij onderstaan.
40. En Hij antwoordde hen: Ik zeg u dat, als deze zwijgen, zoals het u nog zal lukken hen tot zwijgen te brengen, de stenen in hun plaats haast roepen zullen (Habakuk. 2: 11).
Farizeeën hadden zich verenigd met de menigte die de Heere tegemoet kwamen om te zien wat er voorviel. Als zij zien, dat zij het volk niet meer in hun hand hebben (Joh. 12: 19), wenden zij zich tot Jezus zelf, dat Hij Zijn reisgenoten tot stilte brengt en hun woord tot Hem ging zeker wel vergezeld van een blik op de burg Antonia, waar de Romeinse bezetting lag, als wilden zij zeggen: “Ziet Gij niet, daar zijn toch de Romeinen; wilt Gij ons in het verderf storten? (Joh. 11: 48).
Een opmerkelijk contrast is er tussen de eerbied en de achting, waarmee de Farizeeën en Sanhedristen een aardse veroveraar, Alexander de Grote, opnamen (1 Makk. 1: 4 Aanm. ) en de koudheid waarmee zij de Koning van de vrede drie eeuwen later ontvingen, toen ook Hij Zijn intocht in Jeruzalem wilde houden; toen scheen hun geen teken van huldiging groot genoeg, nu is hun het minste te sterk.
Zij richten hun onbeschaamd verwijt tegen Jezus, als was het buiten allen twijfel dat Zijn aanhangers groot onrecht deden, alsof zij Hem voor alle gevolgen verantwoordelijk wilden stellen. Hij antwoordt hun echter: Mijn eer moet worden uitgeroepen en wanneer u levenden hard en stom als stenen bent, dan zullen de dode stenen tot levenden worden, zij zullen schreien, zoals de profeet tegen Babel heeft voorspeld. Jeruzalem zal dan ook werkelijk een tweede Babel worden en zijn stenen zullen ineenstortend tegen u roepen dat u uw Koning hebt verworpen.
Als de mensen zwijgen van de lof van God en vooral als een duister despotisme aan de beter gezinden zo’n zwijgen oplegt, als men het evangelie onderdrukt, dan beginnen de stenen te roepen (vgl. Openbaring 11: 7-13); zij verkondigen de gerichten van de Heere, wiens verheerlijking niet eindigen kan.
Maar kunnen de stenen roepen? Zeker zouden zij kunnen, als Hij, die de stomme mond opent, hen hun stem deed verbeteren. Zeker, als zij konden spreken, zij zouden veel te vertellen hebben, tot roem van Hem, die hen schiep door het woord van Zijn macht. Zij zouden de wijsheid en macht verheffen van hun Maker, die hen tot aanzijn riep. Zullen wij dan niet getuigen van Hem, die ons wederom geboren deed worden en uit stenen Abraham kinderen verwekte? De oude rotsen zouden kunnen getuigen van verwarring en orde, van de daden van God in de verschillende tijdperken, van Gods wonderen en grote daden in de tijden van ouds en al wat Hij gedaan heeft voor Zijn Kerk. Als de stenen konden spreken, zouden zij vertellen van Hem, die ze uit de aarde heeft gegraven en geschikt gemaakt voor de opbouw van de tempel en kunnen wij niet vertellen van die Heerlijke, die onze harten sloeg met de hamer van het woord, zodat Hij door ons Zijn tempel opbouwen zou? Konden de stenen roepen, zij zonden hun Bouwheer prijzen, die hen bewerkte en vervormde naar de beeltenis van de stenen van een paleis en zullen wij niet onze Bouwheer roemen, die ons een plaats heeft aangewezen in de tempel van de levende God. Konden de stenen spreken, zij zouden een lange geschiedenis van herinnering te vertellen hebben, want menigmaal is er een grote steen opgericht tot een gedenkteken voor de Heere en wij ook kunnen getuigen van Eben-haëzers,
stenen van hulp, zuilen van herinnering. De gebroken tafelen van de wet getuigen tegen ons, maar Christus zelf, die de steen van de deur van het graf heeft gewenteld, spreekt voor ons. De stenen zouden wel willen spreken, maar wij zullen ze niet aan het woord laten komen, wij zullen hun stem door de onze tot zwijgen brengen, wij zullen geheiligde zangen aanheffen en de majesteit verkondigen van de Allerhoogste al de dagen van ons leven. Hem verheerlijkend, die door Jakob genoemd is: de Herder en Rots van Israël.
Wij lezen dat Hij op een ezel reed, zoals een koning die zijn hoofdstad bezoekt, of een overwinnaar die in zegepraal naar zijn geboorteland terugkeert. Wij lezen van een menigte discipelen, die Hem omringden toen Hij de stad binnenreed, “die zich begonnen te verblijden en God te loven met grote stem. ” De hele geschiedenis verschilt treffend van de algemene grondtoon van het leven van onze Heere. Bij andere gelegenheden zien wij Hem Zich aan de openbare opmerkzaamheid onttrekken. Zich in de woestijn terugtrekkend, hen, die Hij genas, bevelend aan niemand te zeggen wat er gebeurd was. Bij deze gelegenheid is alles veranderd. Terughoudendheid is geheel terzijde gesteld. Hij schijnt de openbare aandacht te zoeken. Hij schijnt begerig dat allen Hem zien en opmerken, nagaan en waarnemen wat Hij deed. De redenen van het gedrag van onze Heer in deze kracht van Zijn bediening mag op het eerste gezicht moeilijk ontdekt worden, bij kalme overweging zijn zij duidelijk en eenvoudig. Hij wist dat de tijd was gekomen dat Hij voor zondaars op het kruis zou sterven. Zijn werk als de grote profeet wat Zijn aardse bediening betrof, was bijna geëindigd en volbracht. Zijn werk als het offer voor de zonde en plaatsbekleder voor zondaars moest nog volbracht worden. Het Lam van God zou geslacht worden. Het grote zondoffer moest gedood worden. Het was behoorlijk, dat de ogen van heel Israël zich op Hem vestigden. Deze grote zaak moest niet in een hoek gebeuren. Laat ons God voor eeuwig danken, dat de dood van onze Heer Jezus Christus zo ver bekend en zo’n openbare zaak was. Was Hij plotseling in enig volksoproer gestenigd geworden, of in het geheim als Johannes de Doper in de gevangenis onthoofd, het zou nooit aan de ongelovige Joden en heidenen ontbroken hebben, die de ter dood brenging van de Zoon van God geheel ontkend zouden hebben. De wijsheid van God ordende de gebeurtenissen zo, dat zo’n loochening onmogelijk werd gemaakt. Wat de mensen ook mogen denken van de leer van Christus zoendood, zij kunnen nooit het feit ontkennen dat Christus gestorven is. In het openbaar reed Hij Jeruzalem binnen, enige dagen vóór Zijn dood. In het openbaar werd Hij in de stad gezien en gehoord, tot op de dag dat Hij verraden werd. In het openbaar werd Hij voor de overpriesters en voor Pilatus gebracht en veroordeeld. In het openbaar werd Hij naar Golgotha gebracht en aan het kruis genageld. De hoeksteen en de hoofdgebeurtenissen in het leven van onze Heere was Zijn dood voor zondaren. Van al de gebeurtenissen van Zijn bediening was die dood de meest openbare en de enige, waarvan het grootste aantal Joden getuige was. En die dood was “het leven van de wereld” (Joh. 6: 51).
EVANGELIE OP DE 10de ZONDAG NA TRINITATIS
Jeruzalem heeft niet eenparig, noch in zijn meerderheid, de roeping van de Heere aangenomen; haar kinderen hebben zich niet laten verlichten. Daarom weent de Heere, zoals het evangelie ons mededeelt, over de stad en klaagt Hij over haar, omdat zij niet heeft bedacht wat tot haar vrede diende en de tijd niet erkend, waarin zij genadig werd bezocht. Nu is het oordeel nabij. Dezelfde zaak herhaalt zich steeds weer: de Geest van God arbeidt en
verspreidt licht, aan ambten en gaven ontbreekt het niet (1 Kor. 12: 1 vv. ); maar zovelen bedenken niet dat tot hun vrede dient en erkennen de tijd van de genadige bezoeking niet, omdat zij zich niet laten verlichten door de Heilige Geest. Aan Jeruzalem moet zich de kerk van God en iedere ziel in het bijzonder spiegelen, opdat niet het gericht van de Heere over haar komt.
De laatste perikoop beval ons ernstig aan verstandig te zijn, door ons te herinneren aan ons einde; dit evangelie gaat op de ingeslagen weg een stap verder. Wee hem, zo roept het ons toe, wie het aan het nodige verstand ontbreekt en die de tijd van zijn bezoeking niet uitkoopt! Jeruzalem staat als een waarschuwend voorbeeld voor ons.
In de Joodse kalender is de tiende augustus de gedenkdag van het verbranden van de tempel (2Ki 25: 8); wij hebben daarvoor de tiende zondag na Trinitatis, die eveneens in de maand augustus valt.
De ondergang van Jeruzalem; wij beschouwen 1) de tranen van Jezus tot beschaming van onze koude harten; 2) de lichtzinnigheid van het volk, tot bestraffing van onze lichtzinnigheid; 3) de ernst van de goddelijke oordelen, tot wegneming van onze gerustheid.
Waar heeft de Heere een gezicht, dat Hem tot droefheid stemt?
1) waar men niet meer weet, wat tot de vrede dient, 2) waar men de tijd van de bezoeking niet erkent, 3) waar men zelfs het heilige tot goddeloosheid misbruikt.
Waarom weende de Heere over de stad Jeruzalem, toen Hij haar aanzag? Als wij 1) bedenken, hoe Hij de stad zag, dan zullen wij ook 2) erkennen, waarom Hij over haar weende.
De goddelijke bezoekingen van het gericht: 1) zij volgen daar, waar Gods genadige bezoekingen tevergeefs zijn geweest. 2) zij laten zich bezwaarlijk afwenden, alhoewel het mogelijk zou zijn.
Jeruzalems blindheid 1) het verderf is nabij, maar niemand vermoedt het; 2) de zaligheid is nabij, maar niemand wil het opmerken.
41. En toen Hij op de tiende Abid of Nisan, die deze aan het tiende Tebeth van het jaar 590 en aan de tiende Ab van het jaar 588 voor Christus herinnerde (Jer. 52: 4, 12), nabij kwam, toen de menigte de helling van de Olijfberg bereikt had en Hij de stad onmiddellijk voor Zich zag liggen in het licht van de ondergaande zon, want het was al een zeer vrij laat namiddaguur, weende Hij over haar en sprak Hij met luide stem klachten over haar uit (2 Kon. 8: 11).
Zullen niet de tranen van de Verlosser u bewegen, o hard hart? Bedenk wat die tranen betekenen. Zij komen uit een oog, dat alle medelijden heeft met de verloren toestand, waarin onverzoende zondaars zijn en die zij tegemoet snellen met al de verschrikkingen daarvan. De Zoon van God weende geen ijdele en goddeloze tranen, of om een lichte zaak, noch om Zichzelf. Hij kende de waarde van de zielen, de grootte van de schuld en hoe diep deze zal doen neerzinken; de gestrengheid van Gods recht en de macht van Zijn toorn en wat de
vreselijke uitwerkselen zullen zijn, wanneer die zich ten slotte openbaart. Als u deze dingen zelf niet begrijpt, geloof Hem, die ze uitspreekt; eindelijk geloof Zijn tranen!
42. Hij klaagde en zei: Och, of u ook bekende, ook nog op deze dag, nu de genade u zo bijzonder bezoekt en juist het zaligste lot uw deel kan worden, hetgeen tot uw vrede dient, dat u zich niet zo moedwillig in het verderf stort! Maar nu u niet geloven wilt, is het verborgen voor uw ogen.
43. Want zware dingen wachten u. Er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen en zullen u omsingelen, u insluiten en u van alle kanten benauwen.
44. a) En zullen u, als de verovering heeft plaats gehad, tot de grond neerwerpen en uw kinderen in u ter aarde slaan; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten. Dat alles zal u overkomen, daarom dat u de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt. Uw Vredevorst is gekomen en wilde van u maken in de volle zin van het woord wat uw naam zegt 14: 18″) een woning van de vrede; maar u heeft Hem verworpen.
1 Kon. 9: 7, 8. Micha 3: 12. MATTHEUS. 24: 1, 2. Mark. 13: 2. Luk. 21: 6.
Jezus trekt Jeruzalem binnen om het laatste Paasfeest te vieren; Hij stelt zich openlijk aan Zijn volk voor als de Koning van de belofte. Het volk erkent Hem ook in Zijn koninklijke schoonheid en majesteit en eert Hem vrijwillig met palmen en psalmen. Rondom de Heere is het vreugde en gejuich, het Koninkrijk der hemelen schijnt nu met kracht te komen en alle hinderpalen voor zich neer te stoten. Het volk, zolang door zijn oversten misleid en verblind, schijnt eindelijk tot duidelijke erkentenis te zijn gekomen. Het schijnt alsof de overpriesters nu de catastrofe dreigde, al het volk zich van hen losscheurt. De Heere heeft echter scherper oog; Hij laat Zich niet verblinden; Hij hoort door dat juichend Hosanna het ontzettend “kruisig Hem, kruisig Hem” doorklinken. Hij ziet hoe de laatste poging, die Hij doet om naar het hart van Jeruzalems dochter te spreken, tevergeefs is. Hij, die Zich anders zo graag met de blijden verblijdde, kan in dit gejubel niet delen. Het snijdt Hem diep in Zijn hart, scheurt Zijn ziel en ontperst Hem tranen. Zijn tranen zijn niet over hen, maar over de stad, die Hij, van den Olijfberg afrijdend, in haar hele pracht en uitgestrektheid voor Zich ziet liggen.
Wat een dag zou het voor hen zijn, als de doeken van hun ogen vielen. Aangegrepen, als het ware samengeperst door het contrast tussen hetgeen het is en hetgeen het kon zijn, barst Hij in geween uit; het zijn niet slechts tranen, maar het is een luid wenen, zoals het woord van de grondtekst te kennen geeft.
Wij vinden drie keer Jezus’ tranen vermeld, twee keer heeft Hij geweend met de mensen, eens over de mensen: twee keer over hun ongeluk, eens over de zonde – twee keer aan Lazarus’ graf, toen rondom Hem de smart met kracht zich ontlastte en Hij niet anders kon dan wenen met de wenenden (Joh. 11: 33 v. en 38), eens hier nu Hij weent over degenen die niet over zichzelf wenen. Wat heeft Hij Zijn volk, Zijn mensen lief gehad! Wat heeft Hij met liefde
Zich gesteld in de plaats van hen, wier vlees en bloed Hij heeft aangenomen! Jezus, aan het voorbeeld van uw tranen wil ik beproeven of ik de mensen, of ik mijn volk lief heb.
Geen mens leeft op aarde zonder tranen; zij zijn het grote voorrecht dat het menselijk geslacht boven de dierenwereld onderscheidt. Zij zijn de eerste taal, die de mens spreekt, zonder die te leren spreken, het zijn de laatste, die hij hoort spreken, want tranen vergezellen de stervende naar de andere wereld. Maar de meeste van onze tranen gaan onszelf aan en zijn van zelfzuchtige en zondige aard: hoe geheel anders zijn de tranen van Christus in onze tekst. Hij ziet Zijn eigen bitter kruis met alle daarmee verbonden kwellingen; maar Hij weent niet over Zichzelf en over Zijn kruis, maar over Zijn volk en hun zonde dat het niet wil horen noch de tijd van de genade wil gebruiken, omdat Hij het ondanks Zijn pogingen tot redding een prooi van het verderf ziet worden en het niet eens weet wat tot zijn vrede dient, noch welk gericht reeds dreigend zich vertoont.
Jeruzalem ligt voor Jezus’ ogen in volle vrede, in heldere feestglans, omgolfd door de feestvierende, jubelende volksmenigte; maar Hij ziet plotseling in de Geest de stad van Zijn volk omgeven door de vijandelijke legioenen van de Romeinen, de dochter van Zion met haar kinderen door angst en nood van rondom omgeven, de tempel en de muren van de stad in puin. En wat is de reden? Jeruzalem erkent de tijd van haar laatste bezoeking niet; Hem, die zij nu als hun Koning jubelend omgeven, zullen zij verraden aan de Heidenen en Zijn onschuldig bloed zullen zij brengen op hun eigen hoofd. Daarom moeten de verschrikkelijke legioenen komen, zij eisen het onschuldig vergoten bloed van Jeruzalem. Daarom moet de dochter van Zion met haar kinderen in wanhoop zitten, daarom moeten de grootse vierkante deuren van de tempel en de ringmuren uit elkaar breken. Daar het gejubel over de Zoon van David veranderen zal in het geschreeuw van verraad en haat, moeten de stenen uit elkaar gaan met gekraak en ten hemel schreien om wraak. Hetgeen Jezus dus in de Geest aanschouwt en in Zijn woord beschrijft, is niet anders dan de rechtvaardige wraak over Zijn eigen onschuldig vergoten bloed. En toch weent de Heere over Zijn Jeruzalem; dat zijn tranen van liefde, zoals de wereld die nog nooit zag en nooit weer zal zien.
Hem te zien wenen over de dood van Zijn vriend Lazarus, dat is wel treffend, maar Hem te zien wenen tegenover Jeruzalem en wel niet over hetgeen Hij in haar en van haar zal te lijden hebben, maar Hem te zien wenen over de stad, over deze stad, dat grijpt het hart aan en buigt de knieën. Dan zou men de hele wereld, de omtrent de Heiland zo onverschillige, zo lauwe, zo koude wereld, tegenover deze ogen vol tranen willen plaatsen en zeggen: “Zie, hoe lief de Heere deze mensen heeft!” Ziet, dat is de Heere der heerlijkheid, die was vóór de grondlegging van de wereld; dat is Gods Zoon, die mens geworden is om ons te redden; dat is de Heiland, buiten wie er geen zaligheid in hemel en op aarde is. Dat is Hij, wiens vijanden u bent door onboetvaardigheid en ongeloof; maar Hij is uw vijand niet, zo min als Hij Jeruzalems vijand was, want zie: “Hij zag de stad en weende over haar. “
Welk een blik in het hart van Gods ontfermingen geeft het ons, dat de eeuwige Rechter over de verlorenen weent, dat de Bestraffer zich met innig medelijden in de smarten van de gestraften plaatst. Aan het kruis maakt Hij deze ontfermende liefde vol en oordeelt niemand, terwijl zij aan de liefde zelf door het versmaden van Zijn liefde zich het oordeel waardig
maken. Maar de zodanigen veranderen zichzelf het geneesmiddel in een vergif, want de Zoon van God heeft tranen over hardnekkige zondaars, maar Hij oefent geen dwang tot bekering uit.
Tussen de snikken van de wenende stem schijnen de woorden te zijn heengebroken, die nu volgen: Och of gij, o stad, die zo snel aan het gericht wordt overgegeven, ook bekende zoals anderen het bekennen, die uit u zullen gered worden. Ook nog in deze dag, die de dag van uw verloving en eer moest zijn, bekende hetgeen tot uw vrede dient. ” Hij spreekt het niet uit, welke wending er dan in Jeruzalems lot tot zijn zegen komen zou, welke oordelen, welke eeuwen van jammer dan zouden kunnen worden bespaard, maar na een moeilijke pauze voegt Hij er in een profetisch beven bij: “Maar nu is het verborgen voor uw ogen. ” Het gericht is al bepaald, maar u bent er de schuld van, dat u uw zaligheid en daarom ook uw ondergang verborgen is.
De blindheid, door eigen schuld veroorzaakt, die zich daarin openbaart dat Jeruzalems bewoners Jezus niet erkennen en niet konden erkennen, wordt daarmee gestraft dat zij nu ook blindelings in haar gericht vallen.
Wij lezen in de geschiedenis van Jeruzalems verwoesting dat de Joden niet alleen de voorspelling van Christus en Stefanus (Hand. 6: 14), maar ook latere voorspellingen en tekenen verachtten. Hoe dreigender het onweer over Juda en Jeruzalem samentrok, des te minder zagen zij het, des te geruster werden zij, des te meer susten zij de arme onrustige harten met de waan van goddelijke genade in slaap. De vele duizenden kruisen, waaraan in de dalen van Jeruzalem hun broeders moesten sterven, herinnerden de belegerden niet aan het kruis van Christus, niet aan de straffen, die nu kwamen voor de moord van Gods Zoon; de gruwel van de verwoesting op de heilige plaats, waarop niet alleen de Heere, maar ook Daniël (9: 27) opmerkzaam had gemaakt, was voor haar niet alleen tevergeefs verkondigd, maar ook tevergeefs vervuld. Toen de tempel en zijn omgeving al brandde, geloofden zij nog een leugenprofeet, die hun redding beloofde als zij een van de tempelportalen zonden beklimmen en 6. 000 lichtgelovige vrouwen en kinderen hielden stand en verbrandden op het portaal. Zo geheel bleef de bezoeking van Gods toorn verborgen voor de ogen van dit volk, zo waar, zo verschrikkelijk waar is het woord van de Heere geweest: “Maar nu is het verborgen voor uwe ogen. ” En laat zich deze verschrikkelijke waarheid ook niet onder ons aanwijzen? Om van het einde niet te spreken, dat van de wereld gedreigd is, willen wij slechts eens op het einde van het leven zien: onze dagen vallen af van de boom van ons leven als verwelkte bladeren, onze krachten zinken neer, ons oog wordt dof, het hoofd wordt grijs, de ouderdom, de zekere voorbode van de dood, nadert en toch zijn er grijsaards, die aan het einde van hun dagen nog verreikende plannen maken, die met bijna blinde ogen nog in de verte van tijdelijke verwachtingen zien, want voor hun ogen is de dood, die hen al aan de hand leidt, de gestrenge troon van de eeuwige Rechter, waarvoor zij al staan, verborgen. Ziekten grijpt ons aan, onbedrieglijke tekens van de ondermijnde, snel geheel instortende levenskracht, waarschuwen ons; wij kunnen het tijdelijke niet meer genieten, met geweld worden wij uit de bezigheden van onze dagen uitgerukt en de Almachtige legt ons neer op het bed van smarten, op het ziekbed met het woord: “tot hiertoe en niet verder!” maar wij verstaan zijn straf niet. De dood doet menigeen al in het binnenste sidderen, reeds wordt het lichaam koud, reeds reutelt de
borst, reeds breekt het oog en de stervende droomt nog in de hoop van een crisis, die tot genezing zal leiden en menige laatste adem is uitgeblazen in verwachting van aards geluk. Zo verborgen is voor de mens de dood, zo verborgen sinds duizenden van jaren de onbedrieglijke boodschap: “Mens! u moet sterven” (Ps. 90: 7 en 11). Wat dagelijks, heden mij en morgen u geschiedt, vindt geen geloof, blijft een algemeen, open geheim. Maar evenals de tijd van de bezoeking in gerechtigheid en gericht eerst komt, als de tijd van de bezoeking in genade al heeft plaats gehad, dan blijft de eerste slechts verborgen voor de ogen van degenen die deze niet hebben erkend. Nu is het wel duidelijk in de Farizeeën en Schriftgeleerden, dat zij Jezus niet opnemen en Zijn komst niet voor een bezoeking van de genade erkennen; maar hoe is het met de roepende menigte? Zou ook zij niet de genadige bezoeking van God erkennen? Verre zij het van ons alles huichelarij te noemen! Hun gejubel, hun hosanna is geen huichelarij. De mens heeft zijn uren, dat hij zich gewilliger dan anders aan de Geest van de Heere overgeeft. Zulke uren worden niet door het volgende zondige leven veroordeeld als leugen, maar zij zijn een getuigenis daartegen. Zo min als Bileam een huichelaar was, toen hij, door de Geest van de Heere aangegrepen, over Israëls tenten riep (Num. 23: 10): “Mijn ziel sterft de dood van de oprechten en mijn uiterste is als het zijne!” evenmin is de vreugde en het hosanna van de Palmzondag huichelarij; integendeel, hen heeft bezocht wat Christus de Zijnen aanbrengt; licht en leven, maar zij dragen het in aarden vaten, waarin de geestelijke schat niet blijft, wanneer getrouwheid die niet bewaart. Zij verliezen weer zoals gewoonlijk uit het oog wat zij gezien, uit het hart wat zij gevoeld hebben, juist omdat zij de tijd niet erkenden, waarin zij bezocht waren. Evenals menigmaal een vogel zich op uw boom plaatst, wonderbare tonen tot uw oren brengt en uw hart zeer bewogen wordt, maar snel weer wordt vergeten, zo is alle beweging van de Geest, als haar oorzaak niet wordt erkend en ongeloof wordt vastgehouden. Die van vreugde leven, naar vreugde smachten, verliezen haar altijd weer, maar die graag bij de Heere vertoeven, Zijn woord graag horen en leren, hebben daaraan een bron, die niet verdroogt, maar ook bij droefheid in het verborgen sterkt en verkwikt. Het volk erkende de bedoeling van de komst van de Heere, van Zijn werken niet: zij verheugden zich een poos in Zijn licht, zoals zij zich ook in het licht van Johannes hadden verheugd (Joh. 5: 35); maar zij zagen in Hem niet de Heere, die hun vaderen begeerd hadden, noch de Engel des Verbonds, die een eeuwige vrede brengen zou (Mal. 3: 1). Zij zagen in Hem niet wat Hij was; daarom het “kruisig Hem” na het “Hosanna”, daarom de gemakkelijke, snelle afwisseling tussen de hemelse geestdrift op Palmzondag en de helse geestdrift op Goede Vrijdag. Wilt u daarentegen degenen zien die de tijd van de genade erkenden, dan wijs ik u op degenen die op Palmzondag naast de Koning gingen, dan noem ik u de discipelen, de elf, dan noem ik u Lazarus en zijn zusters, Nikodemus en Jozef en Maria. En hoe velen kan ik u niet noemen, hoe velen zal u pas de hemel noemen, want de Heere heeft altijd Zijn heilige kerk op aarde gehad, die Hem niet alleen in hoop op de toekomstige heerlijkheid, maar ook vol dank voor de al ontvangen en erkende goederen van de genade prees. Hij had die ten allen tijde en Hij heeft ze nog. Het is dus niet noodzakelijk dat men de tijd van de genadige bezoeking Gods miskent; men kan tot erkentenis van de genade, men kan tot begrijpen en gehoor geven aan Gods woord en aan Zijn aanwijzingen komen, men kan Christus erkennen en in Hem het ene nodige aannemen. Wie dat doet en bewaart, die heeft ook de vrees voor de Heere, zodat Hij zich met beving verheugt en zijn zaligheid met vrezen en beven werkt. Het is dan ook niet nodig dat voor iemand de toekomst van de goddelijke oordelen verborgen is. Ik noem u de christenen, die tijdens de verwoesting te Jeruzalem woonden; zij erkenden de tijd van de
genade, daarom ontvluchtten zij het gericht. Kon ik voor u echter de poort van de hemel openen, dan zou u in de glans van de zaligheid vele grote menigten van mensenkinderen zien, die niet meer worden gevonnisd, maar voor de hele eeuwigheid aan de angst en het gericht zijn ontrukt; en kon u over degenen die nog leven oordelen naar het oordeel van God, dan zou u ook onder hen uitverkorenen tellen in geen minder aantal, die het geloof behouden, de loop voleindigen en de kroon verkrijgen; want zo klein als tegenover de menigte van hen, die door eigen schuld verloren gaan, de menigte van zaligen is, zo is zij toch groot en talrijk genoeg voor een vol koor van het Lam van God.
De Heere zegt dat Jeruzalem de tijd van zijn bezoeking niet erkend heeft; wat een schoon woord is dat. Als God iemand bezoekt, d. i. zó, dat men Hem eigenlijk helemaal niet kan ontgaan, dat Hij iemand inwendig zeer nabij komt, zodat men als Johannes tot Petrus (Joh. 21: 7) moet uitroepen: “Het is de Heere”. Dat zijn de Sabbatdagen van het levens, zulke tijden zijn er niet alle dagen, zoals het oude spreekwoord zegt: God heeft Zijn tijden en uren”. Maar komt zo’n Sabbatdag en God laat Zich in de volheid van Zijn genade neer, wee dan ook hem die de deur sluit! Versmade liefde wreekt zichzelf; die zijn oor vaak sluit tegen de stem van God, die wordt werkelijk doof – dat is het gericht van God, dat uitgesproken wordt in het woord: die niet heeft van die zal genomen worden, ook dat hij heeft.
In grote trekken tekent Jezus Jeruzalems verwoesting; zeer plechtig is Zijn rede; in de grondtekst staat vijf keer ‘en’ dat ons steeds weer een stap verder voert. “Er zullen dagen over u komen” – het gericht zal dus niet op een dag door een geweldige slag worden volvoerd, slechts stap voor stap zal het verderf voortdrijven, dat is de verschrikkelijkste dood, als het ene lid na het andere afsterft, als de mens het einde langzaam maar onophoudelijk ziet naderkomen en het uur van zijn ontbinding zeker kan berekenen. Jeruzalem zal zo’n ellendige, erbarmelijke dood sterven; het ene lid van zijn lichaam na het andere zal worden gemarteld en verpletterd, zijn doodstrijd zal dagen, weken, ja maanden lang duren! De eerste stap, die de Heere beschrijft is deze: “Uw vijanden zullen een begraving rondom u opwerpen” d. i. een wal met pallisaden opwerpen. Inderdaad kwam dan ook op de veertiende Nisan of op de Paasdag van het jaar 40 na Christus het Romeins leger in drie colonnen voor de stad aan, de ene van deze sloeg haar leger 725 stappen oostelijk van de Olijfberg op, dus ongeveer op dezelfde plaats waarop Jezus hier Zijn voorspelling uitspreekt. Vandaar heeft men zes, zeven weken later een wal met een muur en verscheidene kleine sterkten opgericht, die in een omtrek van 4. 900 stappen de hele stad insloot en haar alle toegangen van buiten afsloot. Daarop wijzen de woorden: “en zullen u omsingelen”. De Romeinen hielden zich een tijd lang stil, zonder iets meer te ondernemen en lieten de stad over aan zichzelf en aan haar wreed lot. Daarmee begon eigenlijk wat de Heere zegt: “en u van alle zijden benauwen”; want de dood raapte nu talloos velen weg, omdat van de weinige levensmiddelen alleen onder de gewapenden werd verdeeld en toevoer van buiten onmogelijk was. Bovendien woedden binnen Jeruzalem voortdurend de gevechten van de partijen; alleen in de uren van het hoogste gevaar bleef men bij elkaar en vocht men zeer dapper als een wanhopige strijd; maar wat bereikte het? De Romeinse veldheer liet, toen men zich niet wilde overgeven, tegenover de burg Antonia stormwallen oprichten, veroverde die en slechtte die, zodat hij nu tot de tempel kon voortdringen en tegen deze zijn wallen kon opbouwen. In de dagen van acht-tien Ab (ongeveer overeenkomende met onze maand augustus) volgde de inneming en verbranding
van de tempel en zo werden eindelijk ook de woorden vervuld: en zullen u tot de grond neerwerpen en uw kinderen in u. ” Natuurlijk is met dit neerwerpen van de kinderen het verpletteren (Ps. 137: 9) bedoeld van al de inwoners. Hoe geheel de stad zou worden opgeruimd wijst de laatste zin aan: “Zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten”. Dit woord geldt voor Israël, zodat een verder opbouwen voor andere volken niet is uitgesloten, waartegen het wederopbouwen van de tempel, dat keizer Julianus de afvallige ten gunste van de Joden in 362 beproefde, om Christus profetie tot schande te maken, dadelijk in zijn eerste beginselen tot schande is geworden.
IV. Vs. 45-48. Terwijl de Heere na Zijn aankomst te Jeruzalem dadelijk in de tempel trekt, treedt Hij als Heerser in Zijn Vaders huis op en is Hij daar gedurende de twee dagen van palmzondagavond tot dinsdagavond niet alleen werkzaam als lerend en genezend profeet, maar om als straffend Rechter en herstellend Wetgever, omdat Hij de heilige plaats, die tot een kuil van moordenaars gemaakt is, door het uitdrijven van de verkopers en kopers weer tot een bedehuis wijdt, zoals Hij dat drie jaar daarvoor al eens bij het begin van Zijn Messiaanse werkzaamheid heeft gedaan. De Theocratische overheden, die vijandig tegenover Hem stonden, voelden zich als door een hogere macht gebonden, zodat zij Hem, die als Heere tot Zijn tempel is gekomen en die als het vuur van een goudsmid en als de zeep van een voller (Mal. 3: 1 v. ) niet konden weren. (vgl. MATTHEUS. 21: 12-17. Mark. 11: 12-19).
45. En toen Hij in de tempel ging zag Hij eerst hoe het daar was en begon Hij op de morgen van de volgende dag degenen uit te drijven die daarin verkochten en kochten, die van de voorhof der heidenen een marktplaats hadden gemaakt.
46. En zei tot hen: a) Er is geschreven: Mijn huis is een huis van gebed voor alle volken (Jes. 56: 7) maar u heeft dat, zoals bij Jer. 7: 11 gelezen kan worden, tot een kuil van moordenaars gemaakt.
1 Kon. 8: 29.
Heeft tot hiertoe niet alles de schijn dat voor Jezus een beslissende zegepraal dßßr is, dat de wil van het volk eindelijk Zijn machtige vijanden overwinnen zal en de dubbele waardigheid van hogepriester en koning aan Zijn handen vertrouwen? En, met dat al, Jezus voet is Golgotha nabij. De verrader staat op, het Sanhedrin velt vonnis. De Romeinen bekrachtigen de gruwel van de Joden en het slavenkruis vervangt de zegepraal van de Heiland.
47. En Hij leerde dagelijks, zowel maandag als dinsdag na Zijn intocht in Jeruzalem in de tempel; a) en de overpriesters en de schriftgeleerden en de oversten van het volk, die Zijn optreden aanzagen voor een inbreuk maken op hun rechten, probeerden Hem te doden (Mark. 11: 18).
Joh. 7: 19; 8: 37.
48. En zij vonden niets waardoor zij hun doel ook ten uitvoer konden brengen, want al het volk hing Hem aan en hoorde Hem; het stond in dicht aaneengesloten kringen rondom Hem als Hij leerde, zodat zij niet bij Hem konden komen (MATTHEUS. 21: 46).
Zonder het bericht van Markus zouden wij menen dat de uitdrijving van de verkopers op de dag van de intocht in Jeruzalem zou hebben plaats gehad; maar uit deze evangelist, wiens bericht hier zeer nauwkeurig is, zien wij dat de intocht pas tegen de avond plaats vond en de Heere die avond niets anders deed dan dat Hij alles bezag. Pas de volgende dag, toen Hij van Bethanië terugkwam, reinigde Hij de tempel van de ontheiliging, die openlijk daarin werd uitgeoefend. Als Israël zich met heilige zin aan dezen door Jezus gegeven stoot had aangesloten, zo was deze handeling niet een zuiver typische 21: 13) gebleven, maar was die het wezenlijk begin geworden van de Messiaanse reiniging en verlossing.
Het is opmerkelijk hoe kort de voorstelling van onze evangelist in deze afdeling is en van hier nog steeds meer wordt; hij kiest de punten uit, waarbij hij nog met zijn verhaal vertoeft en vergenoegt zich de overige slechts kort aan te geven.
Uit de overige afdeling is duidelijk dat Jezus Zich geen enkel ogenblik heeft overgegeven aan enige zelfmisleiding ten opzichte van de geestdrift van het volk. En toch heeft Hij in het gezicht van de dingen, die Hij met zekerheid ziet komen, vreugde en moed om in volle kracht en met gehele overgave te handelen in zoverre en zolang Hem ruimte vergund is. Ja, Hij is nog nooit zo doortastend en onmiddellijk werkzaam opgetreden als juist in deze dagen. Zijn tranen over de verdorvenheid en het verderf van Jeruzalem zijn het einde van Zijn werkzaamheid niet, maar de grond van een nieuwe en verhoogde werkzaamheid. Nadat Hij met Zijn goddelijke liefdemacht de sterkste tegenstand van Zijn volk tegen Hem in Zichzelf overwonnen heeft, waarvan juist Zijn tranen het onvergetelijk kenteken zijn, is Hij toegerust en gesterkt om alles te doen om het laatste opflikkeren van vatbaarheid bij Zijn volk werkzaam te maken. Als nu deze laatste werkzaamheid in Jeruzalem met hetgeen boven verteld wordt, een gevolg schijnt te beloven, laat Hij evenwel Zijn blik in de uitkomst niet weer verduisteren; want Hij overnacht niet in Jeruzalem, maar als de avond is gekomen, gaat Hij in deze dagen buiten de muren van de stad en begeeft Hij Zich in Zijn geliefd asiel te Bethanië (Hoofdstuk 21: 37 vv. ). Dit wordt het eenvoudigst verklaard als wij aannemen dat Jezus over Jeruzalem in deze dagen een gelijk gevoel heeft als David het eens gedurende zijn treurige tijd in Ps. 55: 7 vv. heeft uitgesproken. Hoe vast Zijn oordeel over Zijn volk staat, drukt Hij op een morgen uit, als Hij van Zijn nachtverblijf in de stad terugkeert, door het symbolische wonder van de vervloeking van de vijgeboom. Daardoor heeft Hij Zijn oordeel voor altijd, om zo te zeggen, belichaamd.
Onze gezegende Verlosser predikte dagelijks in het huis van het gebed voor het volk. Hij bad daar ook met hen en zij volhardden daar in het horen naar Zijn reden, zowel als naar Zijn gebeden. Gebeden heiligen het woord en het woord maakt ons geschikt voor het gebed. Als wij God willen verheerlijken en onszelf stichten, moeten wij vlijtig en bij elke gelegenheid al Zijn instellingen eren en opmerken.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel