24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De dienstknechten en de ponden

De dienstknechten en de ponden

Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zich zelf een koninkrijk te ontvangen en dan weer te keren. En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zei tot hen: Doet handeling totdat ik kom. Lukas 19:12,13

De reden wordt ons meegedeeld, waarom de Heiland deze gelijkenis op dat bijzonder ogenblik heeft uitgesproken. Hij ging toen op naar Jeruzalem, en de onwetende, door geestdrift bezielde menigte hoopte, dat Hij thans een tijdelijke heerschappij zou gaan vestigen. “Zij meenden, dat het koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden.” Zij waren vervuld van allerlei dwalingen en vergissingen en nu wilde de Heere hen met betrekking tot dit punt eens voor goed inlichten. Ten einde ieder denkbeeld aan een Joods koninkrijk uit hun hart te verbannen, een koninkrijk, waarin iedere Hebreeër een vorst zou zijn, heeft de Heere hun deze geschiedenis verhaald: – het is met opzet, dat ik het woord geschiedenis hier gebruik, want deze gelijkenis was ook tegelijk een gebeurd feit. Hij wilde hun tonen, dat zij vooralsnog geen deelgenoten zouden zijn in een koninkrijk; maar dat zij weldra zouden hebben te wachten op hun afwezige Heere, die heen was gegaan om een koninkrijk te ontvangen en daarna terug te keren. In zijn afwezigheid moesten zijn discipelen in de positie komen van dienstknechten, aan wie de goederen van hun meester waren toevertrouwd, terwijl hij weg gereisd was om een koninkrijk te ontvangen en daarna weer te komen. Hij was thans gelijk een “welgeboren man”, één onder zeer vele anderen; maar Hij begaf zich naar een hof, waar Hij met koninklijk gezag zou worden bekleed en van waar Hij terug zou komen als Koning. Aan hen zouden tot aan zijn wederkomst zekere ponden worden toevertrouwd.

Ik moet bekennen, dat ik de betekenis van deze gelijkenis nooit geheel en ten volle begrepen heb, totdat ik door een uitnemend schriftverklaarder gewezen werd op een plaats in Josefus, die, zo zij er al niet de sleutel toe is, toch een treffend voorbeeld is van feiten die ongetwijfeld in de tijd van de omwandeling van onze Heere op aarde in het Romeinse rijk dikwijls zijn voorgekomen. Herodes was, gelijk gij weet, koning over Judea; doch hij was slechts een ondergeschikt koning, onder de opperheerschappij staande van de Romeinse keizer. De Caesar te Rome stelde koningen aan en zette hen weer af, al naar het hem behaagde. Toen Herodes stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Archelaüs, van wie wij in Mattheüs bericht omtrent de kindsheid van onze Heere lezen, dat Jozef, gehoord hebbende, dat Archelaüs in Judea koning was in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde daar heen te gaan.

Deze Archelaüs had geen recht op de troon, voor hij de toestemming van Caesar had verkregen, en daarom scheepte hij zich in met zijn gevolg en ging naar Rome, dat in die dagen een vergelegen land was. Ten einde het koninkrijk te ontvangen en daarna weer te keren. Terwijl hij nu nog op reis was, hebben zijn burgers, die hem haatten, hem gezanten nagezonden, die aan Caesar deze boodschap brachten: “Wij willen niet, dat deze over ons koning zij.” De gezanten trachtten Caesar duidelijk te maken, dat Archelaüs niet geschikt was koning der Joden te zijn. Sommigen van de redenen, die zij aanvoerden, worden in Josefus meegedeeld. En daaruit blijkt, dat de advocaten van voor negentien honderd jaren op ongeveer dezelfde manier hebben gepleit, als hun ambtgenoten van heden. Het volk was de Herodessen moe en gaf aan alles de voorkeur boven hun wrede heerschappij. Zij verzochten zelfs, dat Judea een Romeinse provincie mocht worden en met Syrië zou worden verenigd, veeleer dan langer onder het gehate juk van de Idumese tirannen te zuchten. Het is een feit, dat Archelaüs door zijn burgers werd gehaat en dat zij zeiden: “wij willen niet, dat deze over ons koning zij.” Het behaagde Caesar het koninkrijk te verdelen en Archelaüs als ethnarch op de troon te plaatsen, dat is, als een heerser met minder macht dan een koning. Na zijn terugkeer oefende hij een schrikkelijke wraak op zijn tegenstanders uit, maar zijn getrouwe aanhangers heeft hij mild en vorstelijk beloond. Dit verhaal van hetgeen dertig jaren te voren geschied was, moet het volk ongetwijfeld in de herinnering zijn gekomen, toen Jezus tot hen sprak; want Archelaüs had zich in de onmiddellijke nabijheid van Jericho een paleis laten bouwen, en het was wellicht onder de muren van dit paleis, dat de Heiland die gebeurtenis als grondslag nam voor zijn gelijkenis. Zij, die ten tijde van onze Heere geleefd hebben, moeten zijn toespelingen op de toenmaals algemeen bekende feiten veel beter hebben begrepen, dan wij, die negentien eeuwen later leven, dit kunnen. De voorzienigheid van God heeft aan de wereld de schrandere, opmerkende Jood Josefus geschonken en hem geleid om zeer veel onwaardeerbare kennis van feiten voor ons te bewaren. Lees deze plaats in zijn geschiedverhaal en gij zult bemerken, dat zelfs de bijzonderheden overeenkomen met die in deze gelijkenis. Zie hier het verhaal.

Zonder Archelaüs te verontschuldigen of hem in enig opzicht te prijzen, gebruikt de Heiland zijn reis naar Rome eenvoudig als een voorbeeld voor hetgeen Hij zeggen wilde. Hier is de welgeboren man, die koning moet worden; maar om de troon te kunnen beklimmen, moet hij zich naar het hof begeven van een machtiger vorst. Terwijl hij op reis is, zenden zijn burgers, die hem haten, hem gezanten na, om zich tegen zijn aanspraken te verzetten. Want zij begeren hem niet tot koning. Evenwel, hij ontvangt het koninkrijk en keert terug om de regering te aanvaarden. Nu beloont hij hen, die hem getrouw bleven. En hij straft met verpletterende verwoesting hen, die getracht hebben te voorkomen, dat hij aan de regering kwam. Dat is de geschiedenis; laat mij haar nu verder voor u verklaren.

De Zaligmaker vergelijkt zich bij een welgeboren man. Hier op aarde is Hij een mens onder de mensen geweest, en zeer gewis wel een welgeboren man onder zijn medeburgers. Het was zijn roeping koning te worden van de gehele aarde; ja van nature en rechtens is Hij dit; maar eerst moet Hij door de dood, en de opstanding, en de hemelvaart naar het hoogste hof gaan, om daar van de grote Heere over allen het koninkrijk voor zich te ontvangen. Er is geschreven: “Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot uw erfdeel.” En daarom moet Jezus voor de Koning zijn aanspraken bepleiten en zijn zaak winnen. De dag komt, wanneer Hij zal wederkeren, bekleed met eer en heerlijkheid, om Zijn grote macht en heerschappij op zich te nemen, want Hij moet heersen, totdat Hij al de vijanden onder zijn voeten gelegd zal hebben. Als Hij komt zullen zijn vijanden verdelgd en zijn getrouwe dienstknechten overvloedig beloond worden. Naderen wij thans tot dit feestmaal van goddelijk onderwijs. Mocht de Geest van God ons helpen uit deze gelijkenis praktische leringen te trekken!

I.

Ik nodig u ten eerste op te merken, DAT HIER TWEEËRLEI SOORT VAN MENSEN ZIJN. Wij zien de vijanden, die niet wilden, dat deze koning over hen zou zijn, en de dienstknechten, die handel moesten doen met zijn geld. Er zijn onder de mensen velerlei verdelingen in nationaliteiten, rangen en standen, ambten en karakter, maar de diepst ingrijpende verdeling zullen altijd deze twee zijn – de vijanden en de dienstknechten van Jezus Christus. Gij, die zijn dienstknechten niet bent, bent zijn vijanden; gij, die zijn vijanden niet bent, hebt wel toe te zien, dat gij zijn dienstknechten bent. Ik vind in deze gelijkenis van geen andere dan van twee klassen van mensen melding gemaakt. En ik houd er mij van overtuigd, dat op de ganse oppervlakte van de aarde geen andere gevonden worden. Gij allen bent òf vijanden, òf dienstknechten van Jezus.

Beschouwt de vijanden! De persoon, die gehaat werd, was een welgeboren man. Hij was een man, doch een edele man. Welk een Man is de Heere Jezus! Vergeet voor een ogenblik zijn godheid. En beschouwt Hem als de Mens Christus Jezus; en welk een mens! Ik behoef niet stil te staan bij de adel van zijn geboorte uit het zaad van David; maar wel wens ik u te wijzen op de adel van zijn karakter, want daarin schuilt de ware adel. Waar is, in dit opzicht, een adel gelijk aan de zijne? Broeders, het zou moeilijk zijn voor Christus een gelijke te vinden. Zelfs diegenen, die Hem het meest getrouw trachten na te volgen, moeten met smart erkennen, dat zij in zeer vele dingen achterstaan bij zijn heerlijkheid. Er was in Jezus van Nazareth niets kleins, niets dat laag of zelfzuchtig was. Hij was in alle opzichten een edel mens.

Uit genaderijke doeleinden heeft Hij zich verwaardigd een burger te worden onder de andere burgers; want, daar wij lezen, dat Hij met olie der vreugde gezalfd was boven zijn medegenoten, ligt hierin opgesloten, dat sommige mensen zijn medegenoten zijn geweest. Hij was Mens onder de mensen. Hij behoorde tot het gilde van de timmerlieden. En Hij behoorde mede tot het gezelschap van de reizende predikers. Hij vergezelde zich met zeelieden, met mannen, die het visnet en de roeiriem hanteerden. Hij ging in en uit bij de landlieden en er was noch in zijn kledij, noch in zijne wijze van leven iets dat Hem van de overige burgers onderscheidde. Gewis, Hij was van hen onderscheiden door zijn heiliger karakter; maar die onderscheiding werd niet veroorzaakt door zijn onwil om tot hen af te dalen; maar wel door hun onmacht om zich tot zijn hoogte te verheffen.

De burgers haatten Hem; maar zij haatten Hem zonder oorzaak. In ons is wel altijd een oorzaak voor afkeer of weerzin; maar niet in Hem. In toon en manieren geven de besten onder ons wel eens aanstoot; maar in Hem was niets, dat hun haat kon verontschuldigen. Het was een moedwillige, onnodige verwerping van Hem, die het geschiktst was om over hen te regeren.

Daar Hij er aanspraak op maakte Koning der Joden te zijn, hebben zij zijn koningschap zeer bijzonder gehaat, zeggende: “Wij willen niet, dat deze over ons koning zij;” en wederom: “Wij hebben geen koning dan de keizer.” Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen.” En toch, mijn broeders, indien wij een koning nodig hebben, en wij beschouwen Jezus bloot als Mens, dan moest Hij toch door de ganse mensheid met algemene stemmen, als zodanig met gejuich gekozen worden. Machtig Overwinnaar, heers tot in eeuwigheid! Koning van de koningen der aarde, Liefhebber van de kinderen der mensen, die om onzentwil uw dierbaar bloed hebt gestort, Gij verdient het Koning van allen te zijn! De meest koninklijke van de mensen moet Koning der mensen zijn. Toch hebben zij zijn koninklijke aanspraken gehaat, maar ook dit zonder oorzaak. Wie van hen had Hij verdrukt? Welke inkomsten heeft Hij het volk afgeperst? Welke van zijn wetten waren hard of wreed? In welke rechtzaak heeft Hij onrechtvaardig geoordeeld? Toch hebben zijn burgers Hem gehaat. Is er ook nog heden ten dage die haat voor Christus in de wereld. Is er iemand onder u, die Hem haat? “Neen”, zegt gij; maar zijn er toch niet sommigen onder u, die Hem wel niet openlijk tegenstaan, maar Hem met meer minachting behandelen, dan wanneer zij Hem wèl tegenstonden. Gij gaat Hem gans en al voorbij; gij handelt, alsof Hij het niet eens waardig was tegengestaan te worden; gij acht Hem voor niets. Hij behoort niet tot de kring van voorwerpen, waarvoor gij leeft. Soms kunt gij wel enigszins met bewondering spreken van zijn karakter; maar oprechte bewondering leidt tot navolging. Indien Jezus een Zaligmaker is, wat kunt gij Hem dan erger aandoen dan te weigeren door Hem zalig gemaakt te worden? Ik zeg u, onverschilligen, dat gij in uw hart zijn ergste vijanden zijt. Ach, dat gij u hiervan wilde bekeren, dat gij u tot Hem wilde wenden; want Hij zal wederkomen. En dan zal Hij zeggen: “Deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor mij dood.” Dit gezegde is vol van verschrikking. Gedood te worden voor de ogen van de beledigde liefde, dat is een dubbele dood te sterven. Moge de Heere door zijn genade ons voor zo schrikkelijk een oordeel bewaren!

De andere soort van mensen waren Zijn dienstknechten: het oorspronkelijke kan hier overgezet worden in slaven of lijfeigenen. Zij, die zijn vijanden niet waren, waren zijn getrouwe dienstknechten. Ik veronderstel, dat de welgeboren heer hen voor zijn geld had gekocht, of dat zij in zijn huis waren geboren; of dat zij zich vrijwillig door een verdrag aan hem hadden verbonden. Toen ik zei, dat die mensen slechts zijn slaven geweest zijn, zei gij bij u zelf: ” Dan bent gij, die in Jezus gelooft, zijn lijfeigenen.” Gij behoeft ons zelfs het hardere woord “slaven” niet te sparen. Wij zijn nooit vrij geweest, vóórdat wij in dienstbaarheid kwamen bij Jezus. En wij worden al meer en meer vrij, naarmate wij ons meer aan Hem onderwerpen. Paulus zei: “Ik draag de littekens van de Heere Jezus in mijn lichaam”, alsof het hete schroeiijzer van de beproeving hem de naam Christus had ingebrand. Ja, wij zijn het eigendom van de Heere Jezus en wij behoren niet ons zelf. Wij kunnen geen woorden vinden, die ten volle uitdrukken, dat wij de Heere Jezus toebehoren; wij wensen op te gaan in Christus, en, om zijnentwil, als niets te worden. Voorzeker! Hij heeft ons vrienden genoemd; maar wij noemen ons zijn dienstknechten. Het is ons een verlustiging Hem als onze Meester te erkennen, gelijk David, toen hij zei: “Ik ben uw knecht”; en nog eens: “Ik ben uw knecht”; en wederom herhalende: “een zoon van uw dienstmaagd. Hij was een geboren knecht; geboren uit een moeder, die zelf een dienstmaagd was. En na dit alles voegde hij er bij: “Gij hebt mijn banden losgemaakt.” Dienstbaarheid onder Christus is volmaakte vrijheid; dit hebben wij in ieder opzicht waar bevonden. Wij kunnen niet verwachten ooit volkomen vrijheid te smaken, voordat Hij iedere gedachte, en elk begrip, en elke begeerte gevangen geleid heeft tot de gehoorzaamheid aan Hem. Wij zijn gekocht met zijn geld, en Hij heeft ons duur gekocht. Wij zijn ook geboren in zijn huis door de wedergeboorte, en wij zijn aan Hem verbonden door een verdrag, dat wij met blijdschap hebben ondertekend en verzegeld en dat wij gaarne opnieuw willen ondertekenen en verzegelen. Wij zijn dus in waarheid aan de tegenovergestelde zijde van de vijanden, want wij zijn zijn gewillige dienstknechten.

Ik heb u alzo de twee soorten van mensen voorgesteld. Moge de Heilige Geest, eer wij verder gaan, dusdanig in ons werken, dat wij juist en duidelijk zien tot welke van de twee wij behoren! En mochten wij, zo wij vijanden zijn, van nu voortaan zijn dienstknechten worden!

II.

Wij gaan nu een stap verder en letten op HET WERK van DEZE DIENSTKNECHTEN. Hun heer vertrok. En hij gaf zijn tien dienstknechten een klein kapitaal, waarmee zij handel moesten drijven tot aan zijn terugkomst. Hij zei hun niet, hoe lang hij zou wegblijven, hij wist dit wellicht zelf niet – ik bedoel niet de koning in het verhaal; en zelfs onze Meester heeft gezegd: “Van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen in de hemelen.” “Ik ga heen,” zei hij, “gij bent mijn dienstknechten, en ik laat u als mijn dienstknechten in het midden van mijn vijanden. Wees mij trouw, en om uw trouw te bewijzen, doet handel in mijn naam. Ik zal aan ieder van u een zeer kleine som geld toevertrouwen. Maar het zal u bezig houden, en uw handel drijven ten mijnen behoeve zal uw dagelijks getuigenis wezen, dat gij mij getrouw bent, wat anderen dan ook wezen mogen.

Merk op ten eerste, dat dit een eervol werk was. Er werden hun geen grote fondsen toevertrouwd, maar het bedrag was voldoende om hun trouw op de proef te stellen. Indien zij werkelijk aan hun meester waren gehecht, dan zouden zij gevoelen, dat hij een vertrouwen in hen stelde hetwelk zij moesten rechtvaardigen. Aan slaven moet men niet altijd geld toevertrouwen, want de strekking van de slavernij is altijd geweest om de mensen hun eigenschap van betrouwen en waardigheid te ontroven. Onze dienstbaarheid aan Christus heeft een tegenovergestelde uitwerking; maar die dienstbaarheid is ook geen slavernij. In sommige opzichten werden deze dienstknechten door hun meester als deelgenoten behandeld. Zij moesten de bezitting met hem delen. Zij waren zijn vertrouwde beheerders. Zijn oog bespiedde hen niet; want hij was naar een vergelegen land heen gereisd en hij rekende op hen, dat zij een wet zouden zijn voor zich zelf. Zij moesten geen dagelijks rekenschap afleggen; maar aan hun eigen geweten overgelaten worden tot aan zijn terugkomst. Dit is nu juist de wijze, waarop onze Meester met ons handelt. Hij heeft ons het Evangelie toevertrouwd en Hij rekent op onze eerlijkheid: maar Hij vraagt ons niet terstond om rekenschap, want Hij is niet hier. Ik geloof niet, dat stelsels van kerkregering, die een zekere mate van spionage met zich brengen, naar het hart of de bedoeling van onze Heere zijn. Indien de christenen zijn, wat zij behoren te zijn, dan kunnen zij vertrouwd worden: zij zijn zich zelf tot een wet. De Heere stelt u niet onder zekere regels en verordeningen, waarbij u bevolen wordt tienden te geven, ofschoon ik wens, dat gij ten minste zoveel geeft. Hij zegt niet: “Gij zult zo en zoveel op eens inschrijven, of op die en die manier te werk gaan.” Neen, gij bent niet onder de wet, maar onder de genade. Indien gij uw Meester lief hebt, dan zult gij spoedig genoeg ontdekken wat gij voor Hem doen kunt. En dan zal het u een verlustiging zijn het te doen. De Heere legt ons geen strikte verordeningen op; Hij verordineert niet, dat gij op zulk of zulk uur des morgens aan het werk moet gaan. En dan zo en zo veel uren aan het werk moet blijven. Neen, Hij zegt: “Neemt mijn pond, en doet er handel mee.” De Heere behandelt ons op de voet van vertrouwen en doet een beroep op onze eerlijkheid en onze liefde. Hij zal heden of morgen niet komen om ons in het oog te houden; ofschoon Hij in het einde nauwkeurig rekenschap van ons zal vragen. En intussen is Hij heengegaan, maar heeft ons in het midden van zijn vijanden gelaten, ten einde aan deze te tonen, dat Hij ook vrienden heeft en dat Hij een goed Meester moet zijn, daar zij zelfs, die zich zijn dienstknechten erkennen te zijn, er zich in verheugen om hun gehele leven in zijn dienst door te brengen. Is het dan niet waar, dat Hij hun een eervol werk heeft gegeven?

Het was werk, waarvoor hij hun een kapitaal in handen gaf. “Geen groot kapitaal”, zult gij zeggen. Neen, dat was ook zijn bedoeling niet. Zij waren niet bekwaam genoeg om veel te beheren. Indien hij hen getrouw vond “in het minste”, dan kon hij hun een grotere verantwoordelijkheid opleggen. Ik lees niet, dat een van hun zich beklaagd heeft over de kleinheid van zijn kapitaal. Of gewenst heeft, dat het verdubbeld was. Broeders, wij behoeven niet om meer talenten te vragen; wij hebben juist zoveel als wij zullen kunnen verantwoorden. Predikers behoeven geen grotere gemeenten te wensen; laten zij getrouw zijn in de gemeente, die zij dienen. Een broeder zei eens tot mij: “Ik kan niet veel uitrichten met honderd hoorders”; en ik antwoordde: “Gij zult het zwaar genoeg vinden om zelfs van honderd zielen goede rekenschap te kunnen afleggen.” Ik moet bekennen, dat ik dikwijls gewenst heb een kleine gemeente te hebben, ten einde over elke ziel in het bijzonder te kunnen waken; maar nu is het mijn lot om altijd ontevreden te zijn over mijn werk; want wat vermag ik onder zo velen? Ik kan slechts beseffen, dat ik nog het honderdste part niet begonnen heb te doen van wat er in een gemeente als deze gedaan moet worden. Ieder hunner had één pond in handen en zijn heer zei hem: Doe handeling daarmee.” Hij verwachtte niet, dat zij met zo klein een kapitaal een handel in het groot zouden drijven; neen, zij moesten handelen al naar de markt het meebracht. Hij heeft niet verwacht, dat zij meer zouden winnen dan billijk was, want hij was met dat al geen “straf mens.” “Neem dit pond” zei hij, “en doe uw best.” Ik weet, dat de tijden moeilijk zijn, want gij hebt te handelen onder vijanden. Gij zou in zulke omstandigheden wellicht geen twintig pond in uw handel kunnen steken; maar met één pond kunt gij wel beginnen, om er op de beste manier iedere gulden van te beleggen. En zo gaf hij hun dan een kapitaal, dat volkomen voldoende was voor zijn doel. Mijn vriend, hebt gij dat pond ook bij u? Helaas!” zegt iemand, “ik heb hoegenaamd geen gaven.” Hoe kan dat? Uw Heere heeft u een pond gegeven, wat is er van geworden? Gij bent één van zijn dienstknechten en als gij niets doet, dan bent gij in een zeer verkeerde toestand en gij behoorde u te schamen. Wat hebt gij met uw pond gedaan? Steek uw hand nog eens in uw zak . . . . het is er niet? Is het in een zweetdoek? Die zweetdoek, waarmee gij het zweet van de arbeid van uw voorhoofd had moeten afwissen? Hebt gij dat pond? “Het is niet veel”, zegt gij. De Meester heeft niet gezegd, dat het veel is; Hij noemde het “het minste”; maar hebt gij het minste gebruikt? Dat is een vraag, die door moet dringen tot uw geweten. Gij werd behandeld als vertrouwde dienstknechten en toch bent gij uw Heere niet getrouw. Hoe komt dat?

Wat zij met het pond te doen hadden wordt in algemene termen aangeduid. Zij moesten er niet mee spelen, maar er mee handelen. Ik denk, dat zij geneigd waren aldus te redeneren: “De zaak van onze meester wordt aangevallen; laat ons voor hem strijden”; maar toch heeft hij niet gezegd: “strijd”; maar “Doe handeling.” Petrus trok zijn zwaard. O voorzeker; wij zijn ijverige strijders; maar langzame handelaars. Velen openbaren een uitdagend karakter, en zijn nooit zo tevreden, als wanneer zij in het midden van strijd en rumoer zijn. De dienstknechten in deze gelijkenis moesten niet strijden, maar handel doen, dat in de schatting van velen iets veel minder edel is. Wij kunnen de vijanden van de Heere aan Hem zelf overlaten. Eén dezer dagen zal Hij wel een einde maken aan hun rebellie. Wij hebben een veel nederiger gedragslijn te volgen.

Sommigen van hen hebben ongetwijfeld gedacht, dat dit pond nuttig besteed zou zijn, als zij er zich dingen voor aanschaften, die het leven veraangenamen, of wel voorwerpen van weelde. De een zou een nieuw kleed er voor kopen, een ander een nieuw meubelstuk voor zijn huis, nog een ander zou ernstig en plechtig zeggen: “Wij moeten denken aan ons gezin.” Ja, maar hun heer heeft dat niet gezegd; hij zei: “Doet handeling, totdat ik kom.” Zij moesten dit geld dus niet gebruiken om te strijden; zij mochten het ook niet wegsluiten, niet uitgeven en niet verkwisten; zij moesten er handel mee doen voor hem.

Het pond was hun niet in handen gegeven om er mee te pronken. Zij moesten er zich niet op beroemen bij anderen, die niet eens een penning bezaten; want, hoewel zij op kleine schaal kapitalisten waren, behoorde hun kapitaal toch eigenlijk aan hun heer. Het is te betreuren, als men op gaven en talenten gaat roemen, alsof zij van ons zelf waren. Een koopman, die voorspoedig is in zijn zaken, heeft zelden veel geld in kas; hij heeft het alles nodig voor zijn handel. Soms zal hij niet eens een muntbiljet of kleine banknoot in zijn bezit hebben; omdat hij al zijn gereed geld heeft moeten uitgeven; zijn gouden graan is gans en al in de akker van zijn handel gezaaid. Wat mij aangaat, ik kan niet de minste reden ontdekken om te roemen in mij zelf; want, zo ik, hetzij genade of sterkte heb, dan heb ik toch zeker niets te veel, niets om te kunnen missen. Ik heb nauwelijks genoeg voor het werk, dat mij op de handen gezet is en niet genoeg voor het werk, dat mij wacht. Ons pond mogen wij niet als sieraad gebruiken; wij moeten er handel mee doen.

Handel stelt een leven voor, dat men alledaags zou kunnen noemen; maar het is bij uitnemendheid praktisch, en heeft een zeer praktische uitwerking op de persoon, die er zich mee bezig houdt. Dit moet ten dele toegeschreven worden aan het feit, dat het een bezigheid is, die vrije speling laat aan het verstand. Zij waren niet beperkt tot, of gebonden aan één soort van koopmanschap. De man, die met zijn pond tien ponden had gewonnen, heeft de beste manier van handel drijven gekozen. Hij zocht niet wat voor hem het aangenaamst was, maar wat het voordeligst was voor zijn heer. En zo is het ook aan u, waarde vrienden, overgelaten, om zelf het soort van werk voor uw Heere te kiezen; alleen, zorgt, dat gij voor Hem handelt. En voor Hem moet altijd alles goed gedaan worden. Op dit ogenblik is er nergens zulk een winstgevende handel te drijven voor de Heere dan in de zendingsarbeid in de Kongo of onder de bergstammen in Indië. Grote winst kan ook verkregen worden door het handelen met de armste van de armen in stegen en sloppen. En evenveel door het weldoen aan weduwen en wezen, die gebrek lijden. Als de mensen hun leven moeten afleggen voor de Heere Jezus, na een leven dat wegkwijnde door koorts, dan komen daar onmetelijke winsten uit voort. Waar de nood het hoogst is, daar ontvangt de Heere de meeste eer en heerlijkheid. Het is u overgelaten te oordelen wat gij doen kunt, hoe gij het doen kunt, en waar gij het wilt doen. Doe hetgeen, waardoor gij de meeste zielen kunt winnen voor de Heere, datgene, waardoor het koninkrijk van uw Heere het meest wordt uitgebreid. Gebruik uw verstand, neem dat deel van de heilige arbeid ter hand, waarmee gij voor uw glorierijke Meester de grootste winsten kunt behalen.

Het werk, dat Hij hun beval te doen, was een werk, waardoor hun gaven en talenten het best konden uitkomen. Kent gij de man, die nooit slaagt in zijn handel? Ik ken hem. Hij klaagt, dat hij een klein hoofd heeft; en die klacht is gewoonlijk ook gegrond. Hij moet een zaak hebben, die hem zijn brood en boter gereed en wel aan de deur brengt. En zelfs dan moet het ook nog voor hem in kleine stukjes gesneden worden, zal hij zijn ontbijt kunnen gebruiken. De man, die in deze dagen slagen wil in de handel, moet vertrouwen hebben, goed uit de ogen zien, en overal op letten. Onze tijden zijn zwaar, maar toch niet zo zwaar als die, welke in de gelijkenis beschreven wordt, toen de getrouwe dienstknechten handel moesten doen in het midden van verraders. Zij hadden inzonderheid schranderheid en bedachtzaamheid van node. Het handel drijven ontwikkelt de volharding van de mensen, zijn geduld en zijn moed. Het stelt zijn eerlijkheid, waarheidsliefde en standvastigheid op de proef. Het is een bijzonder voortreffelijke oefenschool voor het karakter. Toen deze welgeboren man zijn dienstknecht het pond gaf, deed hij het om te zien, wat voor karakter hij had. Handel drijven met een klein kapitaal, dat betekent persoonlijke arbeid, arbeid van geringe en vermoeiende aard; lange uren, en weinig vrije dagen; heel veel teleurstelling en kleine winst. Het betekent werken uit alle macht. En de zaken te doen met uw gehele hart en al uw verstand. Op die wijze is het, dat wij Christus moeten dienen. In het woord “handel” ligt een wereld van betekenis. Ik kan die betekenis heden niet ten volle doen uitkomen; maar dit is ook niet nodig, want de meesten van u weten meer van de handel dan ik. En gij kunt u zelf onderwijzen. Gij moet voor de Heere Jezus Christus handel doen in hogere, en te gelijk in meer nadrukkelijke zin, dan waarin gij handel hebt gedreven voor u zelf. Met uw lichaamskracht, met uw geestvermogens, met uw geld en goed, met uw gezin, met alles moet gij eer en heerlijkheid toebrengen aan de naam van Jezus. Het moet uw levenstaak zijn te arbeiden voor Jezus en met Jezus.

De handel, zo hij voorspoedig gedreven wordt, is een werk, dat de gehele mens inneemt, al zijn gaven en krachten in beoefening brengt. Het is een voortdurend zwoegen, een beproeving van allerlei aard, een zeer opmerkelijke toetssteen, een kostelijk tuchtmiddel; en daarom heeft deze welgeboren man zijn dienstknechten er aan onderworpen, ten einde hen later in hogere bedieningen te kunnen gebruiken. Broeders, stelt u op de hoogte van hetgeen met handeling doen bedoeld wordt. En legt u dan met geheel uw hart op uw geestelijke handel toe.

Wij moeten tegelijk ook opmerken, dat het werk was, dat voor hun gaven en krachten was berekend. Klein als hun kapitaal was, het was voor hen voldoende, want zij waren slechts slaven en geen mensen van hoge rang in de maatschappij, of van hoge verstandsontwikkeling. Hun meester gaf hun slechts één pond, dat gelijk stond aan fl. 42 van ons geld. Met zulk een klein bedrag kan men geen grote winkel openen, ja zelfs niet eens een enigszins grote inkoop doen. Zij konden niet klagen, dat zij een zaak hadden te beheren, die te omvangrijk voor hen was. Zij konden enige waren opslaan, en er mee gaan venten. De Heere Jezus Christus vraagt u niet om meer te doen dan gij kunt. Hij laat u niet gebukt gaan onder de zorgen die voor u te zwaar zijn. Wij zijn nog niet tot aan de grens van onze bekwaamheid gekomen: wij kunnen nog meer doen. Jezus is geen veeleisend Meester; het is slechts een leugenachtig dienstknecht, die hem een “straf mens” noemt, die maait, waar hij niet gezaaid heeft. Het gelijkt er niet naar! Hij heeft ons een lichte taak opgedragen. Ons werk voor Hem past voor onze beperkte vermogens, en door zijn Heilige Geest is Hij bereid ons te helpen. Laat ons ons enig pond dan goed besteden. Laat het onze eerzucht wezen, om er ten minste tien mee te winnen. En mocht de Heere onze pogingen daartoe genadiglijk zegenen; opdat wij Hem bij zijn wederkomst een goede rente kunnen aanbieden!

Hebt gij er wel eens naar gevraagd, waarvan deze mensen moesten leven? Hun meester zei hun niet, dat zij van zijn pond moesten leven. Neen, zij waren zijn dienstknechten. En dus woonden zij onder zijn dak. En hij voorzag in al hun behoeften. Hij was op reis gegaan; maar zijn huisgezin was daarom niet opgebroken. De tafel werd nog altijd gespreid. En de kinderen en dienstknechten hadden overvloed van brood. “O,” zegt iemand, “dat verandert de zaak.” Juist; maar zij is niet verschillend van de uwe, of, indien zij het wél is, dan doet mij dit leed om uwentwil. Moet gij voor u zelf voorzien? Roept gij: “Wat zal ik eten? Wat zal ik drinken?” Weet gij niet dat de volkeren van de wereld deze dingen zoeken? Terwijl Jezus zegt: “Uw hemelse Vader weet, dat gij deze dingen behoeft.” Gelijk ik mijn leven versta, is het, dat ik het werk van mijn Heere moet doen. En dat Hij dan voor mij zal zorgen. Hij kan dit doen door middel van mijn eigen vlijt; maar toch is het zijn werk om het te doen en niet het mijne. Indien Gods voorzienigheid niet voldoende is om voor ons te zorgen, dan kunnen wij gewis ook niet voor ons zelf zorgen; en zo zij wél voldoende is, dan zullen wij verstandig doen, zo wij al onze zonden op de Heere werpen en onverdeeld leven tot zijn lof. Herinner u die tekst: “Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.” Gij, als dienstknecht, moet niet verstrikt worden door knagende zorgen voor uw belangen; gij moet al uw gedachten en geheel uw leven aan de dienst van uw Meester wijden. Hij zal heden voor u zorgen. En bij zijn wederkomst zal Hij u belonen.

III.

Om deze gelijkenis te verstaan, moeten wij denken aan DE VERWACHTING ONDER WELKER INVLOED ZIJ ZICH VOORTDUREND ZOUDEN BEVINDEN. Zij werden als vertrouwde dienstknechten achtergelaten tot dat Hij zou weerkeren: maar die terugkeer was het voornaamste van de gehele zaak.

Zij moesten geloven, dat hij zou weerkeren en wel als koning. De burgers geloofden dit niet. Zij hoopten, dat Caesar hem de troon zou weigeren; maar wij moeten er ons van verzekerd houden, dat onze edele Meester het koninkrijk zal ontvangen. Deze rebellerende wereld gelooft niet, dat Jezus ooit Koning zal zijn. Onlangs lazen wij over de “Eclips van het christendom.” Voortdurend zien wij zijn heerschappij aanranden. Zij zeggen, dat het praktisch weerlegd is door de feiten. Waarlijk? Gij moet het mij ten goede houden, mijne heren: ik ben zeer sterk bevooroordeeld, want ik ben Christus’ dienstknecht. Ik ben Hem mijn leven, mijn alles verschuldigd. Ik ben er van overtuigd, dat Hij Koning der koningen moet zijn, en dit ook is. Ik ken Hem zó goed, dat ik stellig geloof, dat Hij zal overmogen aan het hof, waar Hij heen gegaan is. Hij is daar in zeer hoog aanzien. De laatste maal dat ik het aangezicht van de grote Koning mocht aanschouwen, heb ik die gunst verkregen door het gebruik van zijn naam. Als ik zijn naam noem, verkrijg ik alles wat ik vraag. En zo geloof ik, dat Hij hier boven grote gunst geniet. Wel! Zijn Vader is de Souverein! Ik houd er mij van verzekerd, dat Hij aan zijn eengeboren Zoon het koninkrijk niet zal weigeren. Jezus zal tot zijn koninkrijk komen; daar ben ik zeker van. Laat ons arbeiden in de volle overtuiging, dat onze afwezige Heere spoedig weer komen zal met een glorierijke kroon op zijn hoofd. Toen Hij heenging, droeg Hij de littekens van iemand, die de dood van een misdadiger is gestorven; en als Hij weer komt, zal Hij ze nog dragen. Maar de tekens van de nagelen zullen geen gedenktekenen zijn van zijn schande: zij zullen als juwelen aan zijn hand zijn.

Zijn dienstknechten moesten hun afwezige heer reeds beschouwen als koning; en zij moesten onder zijn vijanden handeling doen op zulk een wijze, dat hun eigen trouw nooit verdacht kon worden. Zij waren van de partij van de koning en van geen andere. Men is in een zeer moeilijke positie, als men handeling moet doen onder mensen, die vijanden zijn van onze Koning. In zulk een geval moet men voorzichtig zijn als de slangen. En oprecht als de duiven. Dit is ook werkelijk onze positie. Wij moeten eer toebrengen aan God door mensen, die Hem haten. Wij moeten onze Heere verheerlijken in het midden van mensen, die, als zij slechts konden, Hem opnieuw zouden kruisigen. Wij moeten bij hen in- en uitgaan op zulk een wijze, dat zij nooit zeggen kunnen, dat wij deel hebben genomen aan hun rebellie of hun ontrouw door de vingers zagen. Wij kunnen niet op innige, vertrouwelijke wijze omgaan met hen, wier leven een voortdurende aanranding is van de kroonrechten van Koning Jezus. Wij moeten bovenal van onze trouw doen blijken aan onze afwezige Heere, opdat Hij ons ons deel niet aanwijst onder zijn vijanden.

Bij een aandachtige lezing van het oorspronkelijke wordt de gedachte opgewekt, dat zij hun meester moesten beschouwen als reeds terugkerend. Dit moet ook onze beschouwing zijn van de wederkomst van onze Heere. Hij is reeds op weg om hier te komen. Niet zodra was onze Heere opgestaan uit het graf, of Hij was, in praktische zin, reeds terugkomende. Dit lijkt een machtspreuk. Maar zijn hemelvaart was in zekere zin een gedeeltelijk tot ons terugkeren, want voor Hem lag de weg van het kruis op aarde tot de kroon van geheel de aarde over het Nieuwe Jeruzalem. Hij komt thans zo snel als de wijsheid het recht oordeelt. Onze Heere zal gewis geen ogenblik langer toeven dan volstrekt noodzakelijk is. Want Hij bemint de gemeente, die zijn bruid is. En als haar Bruidegom zal Hij het lang verbeide uur van de ontmoeting om nooit meer te scheiden, niet uitstellen of vertragen. Hij is gereed; het is de bruid, die zich nog moet bereiden. Jezus verlangt te komen. Onze kreet: “Kom haastig !” vindt weerklank in zijn hart. Hij zal spoediger komen dan wij denken. Wij zijn verplicht te gevoelen, dat Hij thans reeds op weg is. En wij moeten leven als of Hij ieder ogenblik komen kan.

Wij moeten handeling blijven doen totdat onze Heere komt. Uit zijn werk, zijn handel, mogen wij ons niet terugtrekken, al zouden wij ons ook terugtrekken uit onze zaken. Er moet geen stilstand komen in ons werk voor Hem, omdat wij ons verbeelden reeds genoeg gedaan te hebben. Onze rust zal aanvangen als Hij komt; maar tot aan dat ogenblik moeten wij voort arbeiden.

Laat ons arbeiden als in zijn tegenwoordigheid. Hoe zou gij handelen als Jezus naast u stond? Handelt alzo. Hij ziet ons even duidelijk, alsof Hij lichamelijk onder ons tegenwoordig was. Wordt opgewekt, wordt bezield door het oog van uw Verlosser. Aldus zult gij in deze staat van toetsing en beproeving op de beste wijze leven.

IV.

Nu komt het lieflijk gedeelte van het onderwerp. Let op DE GEHEIME BEDOELING VAN DE HEERE. Is het u ooit in gedachte gekomen, dat deze welgeboren man zeer vriendelijke bedoelingen had ten opzichte van zijn dienstknechten. Heeft hij deze mannen ieder een pond gegeven met geen ander doel dan dat zij geld voor hem zouden winnen? Het zou ongerijmd zijn zo iets te denken. Enige ponden zouden van hoegenaamd geen belang zijn voor iemand, die tot koning wordt verheven. Neen, neen! Het was gelijk Bruce opmerkte, “niet om geld, maar om karakters te doen.” Zijn doel was niet winst door hen te behalen, maar hen op te voeden.

Ten eerste: het was een op de proef stelling, dat hun ieder een pond was toevertrouwd. Deze welgeboren man zei bij zich zelf: “Als ik koning ben, moet ik trouwe dienaren om mij heen hebben, aan wie ik macht kan geven over anderen. Mijn vertrek stelt mij in de gelegenheid om te zien van welk gehalte mijn dienstknechten zijn. Ik zal dus hun ijver en bekwaamheid, hun eerlijkheid en trouw op de proef stellen. Indien zij trouw zijn in kleine zaken, dan zullen zij ook in grote zaken vertrouwd kunnen worden.” De proef werd genomen met slechts één pond. Zij konden er dus niet veel kwaad mee doen; maar het was volkomen genoeg om hun bekwaamheid en trouw op de proef te stellen; want wie in het minste getrouw is zal ook in veel getrouw zijn. Niet allen hebben de proef doorstaan; maar de proef was het middel om hun karakter te doen uitkomen.

Het was voor hen ook een toebereiding voor verdere dienst. Hij zou hen verhogen, want van dienstknechten zouden zij heersers, bestuurders worden. Daarom moesten zij op een post van vertrouwen gesteld worden, om zodoende tot bevordering te kunnen komen. Zij moesten beheerders of bestuurders zijn over weinig – over één pond bijvoorbeeld. En hetgeen met dat pond gewonnen werd. En dit zou hun tot oefenschool wezen. Door hun arbeid in de handel werden zij meteen geoefend voor de arbeid van regeren of besturen. De beste manier om te leren meester te zijn is om eerst dienstknecht te wezen. En de reden waarom sommige meesters hard en tiranniek zijn, is, dat zij het hart van een dienstknecht niet uit eigen ervaring hebben leren kennen. Zij weten niets van dienen, en daarom bezitten zij noch de wijsheid, noch de grootmoedigheid, noch de tederheid, die meesters aan hun dienstknechten hebben te betonen. Deze welgeboren man was dus verstandig; hij stelde zijn dienstknechten op de proef. En die op de proefstelling moest hun gelijk tot oefenschool strekken, om zich voor hogere dingen te bekwamen.

Ik geloof, dat hij hun ook wel een weinig hun toekomstige eer en grootheid te kennen heeft gegeven. Hij wilde hen tot bestuurders aanstellen over steden. En daarom stelde hij hen eerst tot bestuurders aan over ponden. Zij waren dienstknechten geweest en hadden hun orders iedere morgen van hem ontvangen; maar nu hebben zij geen meester, tot wie zij heen kunnen gaan. En dus moeten zij naar eigen inzicht handelen. In hun kleine kring waren zij dus als kleine koningen aangesteld. In dat gehele land waren de burgers in opstand gekomen; maar er was een klein koninkrijk onder de eigen dienstknechten van de welgeboren man. En deze gehoorzaamden hem. En deden hun best, om, voor zoveel zij vermochten, zijn rechten te handhaven. Zij waren reeds vrij geworden. Er was hun een zekere mate van gezag gegeven. Het lief en leed van persoonlijke verantwoordelijkheid zouden zij bij ervaring leren kennen. O gij, die arbeidt voor God, als gij opzieners bent over anderen voor Hem, als gij zielen wint voor Hem. En in zijn naam de overwinning behaalt over zijn tegenstanders dan smaakt gij reeds bij voorbaat uw eeuwige beloning. Wij fatsoeneren onze toekomstige staat op het aanbeeld van ons leven; want ofschoon de hemel een toestand en een plaats is, die ons door de Heere Jezus bereid is, zo ligt hij toch ook voornamelijk in ons eigen karakter. De mens is veel meer de bron van vreugde, dan de gouden straten, waarin hij zal wandelen. Indien gij uw pond verbergt en hier op aarde de dienst van uw Meester veronachtzaamt, dan bereidt gij u een doffe nevelachtige toekomst in zijne grote, duizendjarige regering. Gij, die u met hart en ziel wijdt aan uw heilige handel en u geheel en al overgeeft in de dienst van uw Heere, zult hogelijk geëerd worden, als Hij wederkomt om “op de berg Sion en te Jeruzalem te regeren”. En er “voor zijn oudsten heerlijkheid zal zijn.”

Want ziet, toen hij kwam tot de man, die tien ponden gewonnen had, gaf hij hem tien steden. Denkt hier eens aan! Er is geen evenredigheid tussen de geringe dienst en de rijke beloning. Een pond wordt beloond met een stad. Het loon in dit duizendjarige rijk zal blijkbaar geheel en al uit genade zijn, want het is zo oneindig ver boven hetgeen de verdienste van de dienstknecht waard was. Hun heer was niet gehouden om hun iets te geven; zij waren zijn slaven; wat hij hun gaf was dus uit loutere goedheid. Ik denk niet, dat hij, die de vijf ponden bracht, in het minst gelaakt werd. Hij kan even vlijtig zijn geweest als de ander, maar hij had minder bekwaamheid. Maar hoe wijd zal hij zijn ogen hebben geopend, toen zijn meester hem vijf steden gaf. Hij zal er zich wellicht meer over verwonderd hebben dan de eerste. Stelt u voor, dat iemand van ons een pond had ontvangen om er commissiehandel mee te drijven. En daarna vijf steden tot loon had ontvangen! Voor het verdiende geld zou hij het kleinste huisje niet hebben kunnen kopen. En toch bracht het de arbeider vijf steden op! Welk een verrassing voor hem, die het voorwerp was van zulk een milddadigheid! Het is nooit in zijn hart opgekomen de broeder te benijden, die de tien steden had ontvangen, want zijn eigen vijf steden waren reeds zulk een ontzaglijk groot loon. Hij moet in vervoering zijn gekomen bij het vooruitzicht, dat zich voor hem opende. Ofschoon er trappen en graden kunnen zijn in de heerlijkheid, zal het verschil toch alleen bestaan in het vermogen van de gezaligden om haar te bevatten. Al de vaten zullen vol zijn, maar zij zullen niet allen even groot wezen. De man van de tien ponden zal eenvoudig een groter vat zijn, gevuld tot aan de rand. En de man met de vijf ponden zal minder kunnen bevatten, maar tot zijn eigen grote verwondering en blijde verbazing zal hij toch even vol zijn. Evenwel, laat ons zo veel wij slechts kunnen er naar streven om de tien ponden te winnen. Laat ons, om de wil van onze Heere, ons van ganser harte toeleggen op onze geestelijke handel.

“Maar”, zegt iemand, “waar en wat zullen deze steden zijn?” Het kan wezen, dat dit alles letterlijk zo geschieden zal in het duizendjarige rijk, maar ik weet het niet. Als Christus komt, zullen zij, die in Christus gestorven zijn, het eerst opstaan. En wij lezen: “De overigen van de doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren.” Er kan gedurende dat tijdvak ruimte zijn voor al de bijzondere beloningen van de Evangeliebedeling. Het kan ook wezen – maar ik weet het niet, en dus kan ik het u niet zeggen – dat wij in de toekomstige bedelingen voor andere werelden dezelfde dienst zullen vervullen, als de engelen een dienst vervullen voor ons. Jezus heeft ons gemaakt tot koningen en priesters, en wij worden opgevoed voor onze troon. Zou het niet kunnen zijn, dat ik in deze gemeente de leer van mijns Meesters heerlijkheid aan myriaden van werelden bekend mag maken? De prediker, die hier op aarde getrouw is, zal de heerlijkheid van zijn Meester wellicht aan de werelden van ganse sterrenbeelden te gelijk kunnen verkondigen. Hoe zou het zijn, als iemand eens op een ster in het middenpunt van het heelal kon staan om Christus voor talloze werelden te prediken, in plaats van Hem voor enkele duizenden van mensen te prediken in dit kerkgebouw! En waarom niet? Hoe dit ook zij, indien ik ooit een stem krijg, luid genoeg om op miljoenen mijlen afstand gehoord te worden, dan zou ik over geen andere dan deze heerlijke waarheden spreken, welke de Heere in Christus Jezus heeft geopenbaard. Indien wij hier op aarde getrouw zijn, dan kunnen wij verwachten, dat onze Meester ons hiernamaals hoger werk zal toevertrouwen; laat ons slechts toezien, dat wij de proef kunnen doorstaan, en dat wij ons voordeel doen met het onderwijs, dat wij ontvangen, en met de tucht, die ons vormt voor ons werk. Al naar mate onze rekenschap is in het kleine, in het minste, zal het op grote schaal met ons zijn in de eeuwigheid. Dit geeft aan onze arbeid in deze lagere sfeer een ander aanzien. Heersers over tien steden! Heersers over vijf steden! Broeders, gij bent niet geschikt voor zulk een waardigheid, indien gij uw Heere met het weinige, dat Hij u toevertrouwd heeft in deze wereld, niet goed kunt dienen. Indien gij hier beneden geheel en al voor Hem leeft, dan zult gij toebereid zijn voor de onuitsprekelijke heerlijkheid, die voor alle zielen, die de Heere toegewijd zijn, is weggelegd. Laat ons terstond een leven van toewijding beginnen te leiden! De tijd is zo kort, en de dingen, waarmee wij te doen hebben, zijn betrekkelijk zo klein! Weldra zullen wij uit de eierschaal van de tijd te voorschijn treden. En als wij in vrijheid de eeuwigheid binnen gaan en de grootheid zien van Gods plannen en bedoelingen, dan zullen wij geheel verbaasd staan over de dienst, die ons geschonken wordt als loon voor de dienst, die wij gedaan hebben. O Heere, maak ons getrouw! Amen.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend