Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En de HEEREH3068riepH7121MozesH4872, en sprakH1696totH413 hem uit de tentH168 der samenkomstH4150, zeggendeH559:En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:
KJVAnd the LORD5called1unto Moses,3and spake4unto him out of the tabernacle7of the congregation,8saying,
2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2SpreekH1696totH413 de kinderenH1121IsraelsH3478, en zegH559totH413 hen: AlsH3588 een mensH120 uit u den HEEREH3068 een offerandeH7133 zal offerenH7126, gij zult uw offerandenH7133offerenH7126 van het veeH929, vanH4480runderenH1241 en vanH4480schapenH6629.Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
KJVSpeak1unto the children3of Israel,4and say5unto them, If any man7of you bring9an offering11unto the LORD,12ye shall bring19your offering21of the cattle,14even of the herd,16and of the flock.
1דַּבֵּ֞רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3בְּנֵ֤יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5וְאָמַרְתָּ֣H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6אֲלֵהֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person8כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9יַקְרִ֥יבH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take10מִכֶּ֛םH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with11קָרְבָּ֖ןH7133offerande, offeranden, offeroblation, that is offered, offering12לַֽיהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with14הַבְּהֵמָ֗הH929beesten, vee, beestbeast, cattle15מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with16הַבָּקָר֙H1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox17וּמִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with18הַצֹּ֔אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)19תַּקְרִ֖יבוּH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take20אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)21קָרְבַּנְכֶֽםH7133offerande, offeranden, offeroblation, that is offered, offering
3Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Indien zijn offerandeH7133 een brandofferH5930vanH4480runderenH1241 is, zo zal hij een volkomenH8549mannetjeH2145offerenH7126; aanH413 de deurH6607 van de tentH168 der samenkomstH4150 zal hij dat offerenH7126, naar zijn welgevallenH7522, voor het aangezichtH6440 des HEERENH3068.Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.
KJVIf his offering3be a burnt sacrifice2of the herd,5let him offer8a male6without blemish:7he shall offer13it of his own voluntary will15at the door10of the tabernacle11of the congregation12before16the LORD.
1אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2עֹלָ֤הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)3קָרְבָּנוֹ֙H7133offerande, offeranden, offeroblation, that is offered, offering4מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with5הַבָּקָ֔רH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox6זָכָ֥רH2145mannelijk, manspersonen, mannetje[idiom] him, male, man(child, -kind)7תָּמִ֖יםH8549volkomen, oprechten, oprechtwithout blemish, complete, full, perfect, sincerely (-ity), sound, without spot, undefiled, upright(-ly), whole8יַקְרִיבֶ֑נּוּH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take9אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10פֶּ֝תַחH6607deur, deuren, ingangdoor, entering (in), entrance (-ry), gate, opening, place11אֹ֤הֶלH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent12מוֹעֵד֙H4150samenkomst, gezette hoogtijden, tijdappointed (sign, time), (place of, solemn) assembly, congregation, (set, solemn) feast, (appointed, due) season, solemn(-ity), synogogue, (set) time (appointed)13יַקְרִ֣יבH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take14אֹת֔וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15לִרְצֹנ֖וֹH7522welgevallen, welbehagen, aangenaam(be) acceptable(-ance, -ed), delight, desire, favour, (good) pleasure, (own, self, voluntary) will, as...(what) would16לִפְנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you17יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
4En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En hij zal zijn handH3027opH5921 het hoofdH7218 des brandoffersH5930leggenH5564, opdat het voor hem aangenaamH7521 zij, om hem te verzoenenH3722.En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
KJVAnd he shall put1his hand2upon the head4of the burnt offering;5and it shall be accepted6for him to make atonement
1וְסָמַ֣ךְH5564leggen, leiden, ondersteundbear up, establish, (up-) hold, lay, lean, lie hard, put, rest self, set self, stand fast, stay (self), sustain2יָד֔וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves3עַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4רֹ֣אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top5הָעֹלָ֑הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)6וְנִרְצָ֥הH7521welgevallen, aangenaam, behagen(be) accept(-able), accomplish, set affection, approve, consent with, delight (self), enjoy, (be, have a) favour(-able), like, observe, pardon, (be, have, take) please(-ure), reconcile self7ל֖וֹ8לְכַפֵּ֥רH3722verzoening, verzoenen, verzoendappease, make (an atonement, cleanse, disannul, forgive, be merciful, pacify, pardon, purge (away), put off, (make) reconcile(-liation)9עָלָֽיוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
5Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Daarna zal hij het jongeH1121rundH1241slachtenH7819 voor het aangezichtH6440 des HEERENH3068; en de zonenH1121 van AaronH175, de priestersH3548, zullen het bloedH1818offerenH7126, en het bloedH1818sprengenH2236rondomH5439 dat altaarH4196, hetwelkH834 voor de deurH6607 van de tentH168 der samenkomstH4150 is.Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.
KJVAnd he shall kill1the bullock3before5the LORD:6and the priests,10Aaron's9sons,8shall bring7the blood,12and sprinkle13the blood15round about18upon the altar17that is by the door20of the tabernacle21of the congregation.
1וְשָׁחַ֛טH7819slachten, slachtte, slachttenkill, offer, shoot out, slay, slaughter2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3בֶּ֥ןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4הַבָּקָ֖רH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox5לִפְנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you6יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7וְ֠הִקְרִיבוּH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take8בְּנֵ֨יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9אַהֲרֹ֤ןH175Aaron, Aarons, AaronietenAaron10הַֽכֹּֽהֲנִים֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12הַדָּ֔םH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent13וְזָרְק֨וּH2236sprengen, sprengde, sprengdenbe here and there, scatter, sprinkle, strew14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15הַדָּ֤םH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent16עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17הַמִּזְבֵּ֨חַ֙H4196altaar, altaren, altaarsaltar18סָבִ֔יבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side19אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection20פֶּ֖תַחH6607deur, deuren, ingangdoor, entering (in), entrance (-ry), gate, opening, place21אֹ֥הֶלH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent22מוֹעֵֽדH4150samenkomst, gezette hoogtijden, tijdappointed (sign, time), (place of, solemn) assembly, congregation, (set, solemn) feast, (appointed, due) season, solemn(-ity), synogogue, (set) time (appointed)
6Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Dan zal hij het brandofferH5930 de huid aftrekkenH6584, en het in zijn stukkenH5409delenH5408.Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
KJVAnd he shall flay1the burnt offering,3and cut4it into his pieces.
1וְהִפְשִׁ֖יטH6584uittrekken, ingevallen, overvielenfall upon, flay, invade, make an invasion, pull off, put off, make a road, run upon, rush, set, spoil, spread selves (abroad), strip (off, self)2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3הָעֹלָ֑הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)4וְנִתַּ֥חH5408deelde, delen, hieuwcut (in pieces), divide, hew in pieces5אֹתָ֖הּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6לִנְתָחֶֽיהָH5409stukken, delen, stukpart, piece
7En de zonen van Aaron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En de zonenH1121 van AaronH175, den priesterH3548, zullen vuurH784 maken opH5921 het altaarH4196, en zullen het houtH6086opH5921 het vuurH784schikkenH6186.En de zonen van Aaron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.
KJVAnd the sons2of Aaron3the priest4shall put1fire5upon the altar,7and lay the wood9in order8upon the fire:
1וְ֠נָתְנוּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2בְּנֵ֨יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אַהֲרֹ֧ןH175Aaron, Aarons, AaronietenAaron4הַכֹּהֵ֛ןH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer5אֵ֖שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7הַמִּזְבֵּ֑חַH4196altaar, altaren, altaarsaltar8וְעָרְכ֥וּH6186stelden, schikken, toegerustput (set) (the battle, self) in array, compare, direct, equal, esteem, estimate, expert (in war), furnish, handle, join (battle), ordain, (lay, put, reckon up, set) (in) order, prepare, tax, value9עֵצִ֖יםH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11הָאֵֽשׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot
8Ook zullen de zonen van Aaron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Ook zullen de zonenH1121 van AaronH175, de priestersH3548, de stukkenH5409, het hoofdH7218 en het smeerH6309, schikkenH6186opH5921 het houtH6086, datH834opH5921 het vuurH784 is, hetwelkH834opH5921 het altaarH4196 is.Ook zullen de zonen van Aaron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.
KJVAnd the priests,4Aaron's3sons,2shall lay1the parts,6the head,8and the fat,10in orderupon the wood12that is on the fire15which is upon the altar:
1וְעָרְכ֗וּH6186stelden, schikken, toegerustput (set) (the battle, self) in array, compare, direct, equal, esteem, estimate, expert (in war), furnish, handle, join (battle), ordain, (lay, put, reckon up, set) (in) order, prepare, tax, value2בְּנֵ֤יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אַהֲרֹן֙H175Aaron, Aarons, AaronietenAaron4הַכֹּ֣הֲנִ֔יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer5אֵ֚תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הַנְּתָחִ֔יםH5409stukken, delen, stukpart, piece7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הָרֹ֖אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הַפָּ֑דֶרH6309smeerfat11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12הָעֵצִים֙H6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood13אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15הָאֵ֔שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot16אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18הַמִּזְבֵּֽחַH4196altaar, altaren, altaarsaltar
9Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Doch zijn ingewandH7130, en zijn schenkelenH3767 zal men met waterH4325wassenH7364; en de priesterH3548 zal dat allesH3605aanstekenH6999 op het altaarH4196; het is een brandofferH5930, een vuurofferH801, tot een liefelijkenH5207reukH7381 den HEEREH3068.Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
KJVBut his inwards1and his legs2shall he wash3in water:4and the priest6shall burn5all on the altar,9to be a burnt sacrifice,10an offering made by fire,11of a sweet13savour12unto the LORD.
1וְקִרְבּ֥וֹH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self2וּכְרָעָ֖יוH3767schenkelenleg3יִרְחַ֣ץH7364baden, wassen, wiesbathe (self), wash (self)4בַּמָּ֑יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))5וְהִקְטִ֨ירH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)6הַכֹּהֵ֤ןH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַכֹּל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9הַמִּזְבֵּ֔חָהH4196altaar, altaren, altaarsaltar10עֹלָ֛הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)11אִשֵּׁ֥הH801vuuroffer, vuurofferen, vuuroffers(offering, sacrifice), (made) by fire12רֵֽיחַH7381reuk, reukssavour, scent, smell13נִיח֖וֹחַH5207liefelijken, liefelijkesweet (odour)14לַֽיהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
10En indien zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En indienH518 zijn offerandeH7133 is van klein veeH6629, van schapenH3775 of vanH4480geitenH5795, ten brandofferH5930, zal hij een volkomenH8549mannetjeH2145offerenH7126.En indien zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.
KJVAnd if his offering4be of the flocks,3namely, of the sheep,6or of the goats,9for a burnt sacrifice;10he shall bring13it a male11without blemish.
1וְאִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with3הַצֹּ֨אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)4קָרְבָּנ֧וֹH7133offerande, offeranden, offeroblation, that is offered, offering5מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with6הַכְּשָׂבִ֛יםH3775lammeren, lam, schaaplamb7א֥וֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether8מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with9הָעִזִּ֖יםH5795geiten, geit, geitenbok(she) goat, kid10לְעֹלָ֑הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)11זָכָ֥רH2145mannelijk, manspersonen, mannetje[idiom] him, male, man(child, -kind)12תָּמִ֖יםH8549volkomen, oprechten, oprechtwithout blemish, complete, full, perfect, sincerely (-ity), sound, without spot, undefiled, upright(-ly), whole13יַקְרִיבֶֽנּוּH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take
11En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En hij zal dat slachtenH7819aanH5921 de zijde van het altaarH4196noordwaartsH6828, voor het aangezichtH6440 des HEERENH3068; en de zonenH1121 van AaronH175, de priestersH3548, zullen zijn bloedH1818rondomH5439opH5921 het altaarH4196sprengenH2236.En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.
KJVAnd he shall kill1it on the side4of the altar5northward6before7the LORD:8and the priests,12Aaron's11sons,10shall sprinkle9his blood14round about17upon the altar.
1וְשָׁחַ֨טH7819slachten, slachtte, slachttenkill, offer, shoot out, slay, slaughter2אֹת֜וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3עַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4יֶ֧רֶךְH3409heup, schacht, dij[idiom] body, loins, shaft, side, thigh5הַמִּזְבֵּ֛חַH4196altaar, altaren, altaarsaltar6צָפֹ֖נָהH6828noorden, noordwaarts, Noordennorth(-ern, side, -ward, wind)7לִפְנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you8יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9וְזָרְק֡וּH2236sprengen, sprengde, sprengdenbe here and there, scatter, sprinkle, strew10בְּנֵי֩H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11אַהֲרֹ֨ןH175Aaron, Aarons, AaronietenAaron12הַכֹּהֲנִ֧יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14דָּמ֛וֹH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent15עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16הַמִּזְבֵּ֖חַH4196altaar, altaren, altaarsaltar17סָבִֽיבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side
12Daarna zal hij het in zijn stukken delen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Daarna zal hij het in zijn stukkenH5409delenH5408, mitsgaders zijn hoofdH7218 en zijn smeerH6309; en de priesterH3548 zal die schikkenH6186opH5921 het houtH6086, datH834opH5921 het vuurH784 is, hetwelkH834opH5921 het altaarH4196 is.Daarna zal hij het in zijn stukken delen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.
KJVAnd he shall cut1it into his pieces,3with his head5and his fat:7and the priest9shall lay them in order8on the wood12that is on the fire15which is upon the altar:
1וְנִתַּ֤חH5408deelde, delen, hieuwcut (in pieces), divide, hew in pieces2אֹתוֹ֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3לִנְתָחָ֔יוH5409stukken, delen, stukpart, piece4וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5רֹאשׁ֖וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top6וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7פִּדְר֑וֹH6309smeerfat8וְעָרַ֤ךְH6186stelden, schikken, toegerustput (set) (the battle, self) in array, compare, direct, equal, esteem, estimate, expert (in war), furnish, handle, join (battle), ordain, (lay, put, reckon up, set) (in) order, prepare, tax, value9הַכֹּהֵן֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer10אֹתָ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12הָֽעֵצִים֙H6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood13אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15הָאֵ֔שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot16אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18הַמִּזְבֵּֽחַH4196altaar, altaren, altaarsaltar
13Doch het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Doch het ingewandH7130 en de schenkelenH3767 zal men met waterH4325wassenH7364; en de priesterH3548 zal dat allesH3605offerenH7126 en aanstekenH6999 op het altaarH4196; het is een brandofferH5930, een vuurofferH801, tot een liefelijkenH5207reukH7381 den HEEREH3068.Doch het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
KJVBut he shall wash3the inwards1and the legs2with water:4and the priest6shall bring5it all, and burn9it upon the altar:10it is a burnt sacrifice,11an offering made by fire,13of a sweet15savour14unto the LORD.
1וְהַקֶּ֥רֶבH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self2וְהַכְּרָעַ֖יִםH3767schenkelenleg3יִרְחַ֣ץH7364baden, wassen, wiesbathe (self), wash (self)4בַּמָּ֑יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))5וְהִקְרִ֨יבH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take6הַכֹּהֵ֤ןH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַכֹּל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9וְהִקְטִ֣ירH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)10הַמִּזְבֵּ֔חָהH4196altaar, altaren, altaarsaltar11עֹלָ֣הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)12ה֗וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who13אִשֵּׁ֛הH801vuuroffer, vuurofferen, vuuroffers(offering, sacrifice), (made) by fire14רֵ֥יחַH7381reuk, reukssavour, scent, smell15נִיחֹ֖חַH5207liefelijken, liefelijkesweet (odour)16לַיהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
14En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En indien zijn offerandeH7133 voor den HEEREH3068 een brandofferH5930vanH4480gevogelteH5775 is, zoH518 zal hij zijn offerandeH7133vanH4480tortelduivenH8449, of vanH4480jongeH1121duivenH3123, offerenH7126.En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
KJVAnd if the burnt sacrifice4for his offering5to the LORD6be of fowls,3then he shall bring7his offering15of turtledoves,9or of young12pigeons.
1וְאִ֧םH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with3הָע֛וֹףH5775gevogelte, vogelen, vogelbird, that flieth, flying, fowl4עֹלָ֥הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)5קָרְבָּנ֖וֹH7133offerande, offeranden, offeroblation, that is offered, offering6לַֽיהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7וְהִקְרִ֣יבH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take8מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with9הַתֹּרִ֗יםH8449tortelduiven, tortelduif(turtle) dove10א֛וֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether11מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with12בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13הַיּוֹנָ֖הH3123duiven, duif, duivedove, pigeon14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15קָרְבָּנֽוֹH7133offerande, offeranden, offeroblation, that is offered, offering
15En de priester zal die tot het altaar brengen, en deszelfs hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En de priesterH3548 zal die totH413 het altaarH4196brengenH7126, en deszelfs hoofdH7218 met zijn nagel splijtenH4454, en opH5921 het altaarH4196aanstekenH6999; en zijn bloedH1818 zal aan den wandH7023 des altaarsH4196uitgeduwdH4680 worden.En de priester zal die tot het altaar brengen, en deszelfs hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.
KJVAnd the priest2shall bring1it unto the altar,4and wring off5his head,7and burn8it on the altar;9and the blood11thereof shall be wrung out10at the side13of the altar:
1וְהִקְרִיב֤וֹH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take2הַכֹּהֵן֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַמִּזְבֵּ֔חַH4196altaar, altaren, altaarsaltar5וּמָלַק֙H4454nagel splijten, splijtenwring off6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7רֹאשׁ֔וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top8וְהִקְטִ֖ירH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)9הַמִּזְבֵּ֑חָהH4196altaar, altaren, altaarsaltar10וְנִמְצָ֣הH4680uitgeduwd, uitgedrukt, uitgezogensuck, wring (out)11דָמ֔וֹH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent12עַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13קִ֥ירH7023wand, wanden, metselaars[phrase] mason, side, town, [idiom] very, wall14הַמִּזְבֵּֽחַH4196altaar, altaren, altaarsaltar
16En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En zijn kropH4760 met zijn vederenH5133 zal hij wegdoenH5493, en zal het werpenH7993 bij het altaarH4196, oostwaartsH6924, aanH413 de plaatsH4725 der asH1880.En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.
KJVAnd he shall pluck away1his crop3with his feathers,4and cast5it beside7the altar8on the east part,9by the place11of the ashes:
1וְהֵסִ֥ירH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3מֻרְאָת֖וֹH4760kropcrop4בְּנֹצָתָ֑הּH5133vederen, struisvogelsfeather(-s), ostrich5וְהִשְׁלִ֨יךְH7993wierp, werpen, geworpenadventure, cast (away, down, forth, off, out), hurl, pluck, throw6אֹתָ֜הּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7אֵ֤צֶלH681bij, naast, nevensat, (hard) by, (from) (beside), near (unto), toward, with. See also H1018 (בֵּית הָאֵצֶל)8הַמִּזְבֵּ֨חַ֙H4196altaar, altaren, altaarsaltar9קֵ֔דְמָהH6924oosten, ouds, oostwaartsaforetime, ancient (time), before, east (end, part, side, -ward), eternal, [idiom] ever(-lasting), forward, old, past. Compare H6926 (קִדְמָה)10אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11מְק֖וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)12הַדָּֽשֶׁןH1880as, vettigheidashes, fatness
17Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Verder zal hij die met zijn vleugelenH3671klievenH8156, nietH3808afscheidenH914; en de priesterH3548 zal die aanstekenH6999 op het altaarH4196, opH5921 het houtH6086, dat opH5921 het vuurH784 is; het is een brandofferH5930, een vuurofferH801, tot een liefelijkenH5207reukH7381 den HEEREH3068.Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
KJVAnd he shall cleave1it with the wings3thereof, but shall not divide it asunder:5and the priest8shall burn6it upon the altar,9upon the wood11that is upon the fire:14it is a burnt sacrifice,15an offering made by fire,17of a sweet19savour18unto the LORD.
1וְשִׁסַּ֨עH8156tweeen klieft, gekloofden, klieftcleave, (be) cloven (footed), rend, stay2אֹת֣וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3בִכְנָפָיו֮H3671vleugelen, vleugel, slip[phrase] bird, border, corner, end, feather(-ed), [idiom] flying, [phrase] (one an-) other, overspreading, [idiom] quarters, skirt, [idiom] sort, uttermost part, wing(-ed)4לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5יַבְדִּיל֒H914afgezonderd, scheiding, scheidde(make, put) difference, divide (asunder), (make) separate (self, -ation), sever (out), [idiom] utterly6וְהִקְטִ֨ירH6999aansteken, roken, gerooktburn (incense, sacrifice) (upon), (altar for) incense, kindle, offer (incense, a sacrifice)7אֹת֤וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַכֹּהֵן֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer9הַמִּזְבֵּ֔חָהH4196altaar, altaren, altaarsaltar10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11הָעֵצִ֖יםH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood12אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14הָאֵ֑שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot15עֹלָ֣הH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)16ה֗וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who17אִשֵּׁ֛הH801vuuroffer, vuurofferen, vuuroffers(offering, sacrifice), (made) by fire18רֵ֥יחַH7381reuk, reukssavour, scent, smell19נִיחֹ֖חַH5207liefelijken, liefelijkesweet (odour)20לַיהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Leviticus 1:1— En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:Exodus 19:3→Exodus 25:22→Exodus 40:34→Exodus 29:42→Exodus 33:7→Exodus 24:12→Exodus 24:1→Exodus 39:32→
Leviticus 1:2— Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.Leviticus 22:18→Romeinen 12:6→1 Kronieken 16:29→Genesis 4:5→Genesis 4:3→Efeze 5:2→Romeinen 12:1→
Leviticus 1:3— Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.Hebreeën 9:14→Deuteronomium 15:21→Exodus 12:5→Leviticus 22:19→Deuteronomium 12:5→Numeri 29:13→Leviticus 6:9→2 Korinthe 9:7→
Leviticus 1:4— En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.Exodus 29:10→Leviticus 3:2→2 Kronieken 29:23→Exodus 29:15→Leviticus 4:26→Exodus 29:19→Leviticus 4:20→Leviticus 4:31→
Leviticus 1:5— Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.Leviticus 3:8→Leviticus 1:11→Leviticus 3:2→2 Kronieken 35:11→Leviticus 3:13→Hebreeën 12:24→1 Petrus 1:2→Exodus 29:16→
Leviticus 1:6— Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.Leviticus 7:8→Genesis 3:21→
Leviticus 1:7— En de zonen van Aaron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.Leviticus 6:12→Genesis 22:9→Maleachi 1:10→Leviticus 9:24→Nehemia 13:31→1 Kronieken 21:26→2 Kronieken 7:1→
Leviticus 1:8— Ook zullen de zonen van Aaron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.1 Koningen 18:23→Leviticus 1:12→Exodus 29:17→Leviticus 9:13→1 Koningen 18:33→Leviticus 8:18→
Leviticus 1:9— Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.Genesis 8:21→Leviticus 1:13→Efeze 5:2→Exodus 29:18→Ezechiël 20:41→Leviticus 3:11→Ezechiël 20:28→Psalmen 51:6→
Leviticus 1:10— En indien zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.Johannes 1:29→Exodus 12:5→Leviticus 1:2→Genesis 8:20→Genesis 4:4→Jesaja 53:6→Maleachi 1:14→Leviticus 4:23→
Leviticus 1:11— En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.Leviticus 1:5→Leviticus 7:2→Leviticus 6:25→Ezechiël 8:5→Exodus 40:22→Leviticus 9:12→Leviticus 1:7→
Leviticus 1:13— Doch het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.Leviticus 1:9→
Leviticus 1:14— En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.Lukas 2:24→Leviticus 5:7→Leviticus 12:8→Genesis 15:9→Mattheüs 11:29→Hebreeën 7:26→2 Korinthe 8:12→
Leviticus 1:15— En de priester zal die tot het altaar brengen, en deszelfs hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.Psalmen 22:1→Mattheüs 26:1→Jesaja 53:10→Psalmen 69:1→Psalmen 22:21→Leviticus 5:8→1 Johannes 2:27→Jesaja 53:4→
Leviticus 1:16— En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.Leviticus 6:10→Lukas 1:35→Leviticus 16:27→1 Petrus 1:2→Hebreeën 13:11→Leviticus 4:12→
Leviticus 1:17— Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.Genesis 15:10→Leviticus 1:13→Psalmen 16:10→Romeinen 4:25→Leviticus 1:9→1 Petrus 1:19→Genesis 8:21→Hebreeën 10:6→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Leviticus 1 vers 1— En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:
de tent der samenkomst,
Versta, den tabernakel, waarin God kwam om zijn volk toe te spreken, Ex. 29:42, en zij komen moesten om hem te vragen en te horen spreken; Ex. 33:7.
Hertaald:de tent der samenkomst,
Versta: de tabernakel, waarin God kwam om Zijn volk toe te spreken, Ex. 29:42, en waar zij moesten komen om Hem te vragen en te horen spreken; Ex. 33:7.
Leviticus 1 vers 2— Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
zal offeren,
Anders, aan, of, toebrengen. Alzo in vs.3, 5, enz. Versta dit offeren, van het werk des volks en niet des priesters.
Hertaald:zal offeren,
Ook mogelijk: aan-, of toebrengen. Zo ook in vers 3, 5, enzovoort. Versta dit offeren als het werk van het volk, niet van de priester.
van schapen
Dit woord bedoelt niet alleen schapen, maar ook geiten, gelijk te zien is onder vs.10. Zie ook Gen. 12:16.
Hertaald:van schapen
Dit woord bedoelt niet alleen schapen, maar ook geiten, zoals blijkt in vers 10. Zie ook Gen. 12:16.
Leviticus 1 vers 3— Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.
brandoffer van runderen is,
Zie Gen. 8:20.
Hertaald:brandoffer van runderen is,
Zie Gen. 8:20.
volkomen mannetje offeren;
Dat geen gebrek aan het lichaam heeft. Zie onder, Lev. 22:20-22.
aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren,
Waar het brandofferaltaar stond; gelijk te zien is onder vs.5.
Hertaald:aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren,
Waar het brandofferaltaar stond; zoals te zien is hieronder in vers 5.
naar zijn welgevallen,
Uit deze woorden blijkt dat hier gesproken wordt van vrijwillige offers, welke niet geschieden naar de gewone en gezette orde, maar naar het goedvinden van iemand in het bijzonder, om God te bidden of te danken.
Hertaald:naar zijn welgevallen,
Uit deze woorden blijkt dat hier gesproken wordt over vrijwillige offers, die niet plaatsvinden volgens de gewone, vaste orde, maar naar het eigen goeddunken van iemand om God te bidden of te danken.
voor het aangezicht des HEEREN
Door de tent der samenkomst, in wier binnenste deel was de ark des verbonds, het teken van Gods tegenwoordige bijwoning, Ex. 25:22, waarom ook de tent genoemd wordt Gods huis, 1 Sam. 3:15, gelijk God ook gezegd wordt daarin te zijn, onder Lev. 4:7.
Hertaald:voor het aangezicht des HEEREN
Door de tent der samenkomst, in wier binnenste de ark van het verbond stond, het teken van Gods tegenwoordige aanwezigheid, Ex. 25:22; daarom wordt de tent ook Gods huis genoemd, 1 Sam. 3:15, zoals ook gezegd wordt dat God daarin is, in Lev. 4:7.
Leviticus 1 vers 4— En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen,
Hebreeuws, met zijne hand steunen. Te weten, om daarmede te betuigen dat hij dit offer aan God toeheiligde, overgaf en voorstelde, als in de plaats van zichzelven, om voor zich genade bij den HEERE te vinden, door de toekomende offerande van den Messias, die door deze afgebeeld was. Zie Ex. 29:10.
Hertaald:zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen,
Hebreeuws: met zijn hand steunen. Namelijk: om daarmee te betuigen dat hij dit offer aan God toewijdde, overdroeg en aanbood, als in zijn eigen plaats, om voor zichzelf genade bij de HEERE te vinden, door het toekomstige offer van de Messias, dat hierdoor werd afgebeeld. Zie Ex. 29:10.
het voor hem aangenaam zij,
Dat is opdat het hem, die het offert, voor een wettelijk en Gode aangenaam offer verstrekke.
Hertaald:het voor hem aangenaam zij,
Dat is: opdat het voor degene die het offert, als een wettig en Gode welgevallig offer geldt.
hem te verzoenen
Dat is, om voor hem te betekenen en te verzegelen de verzoening, die door den Messias in de volheid des tijds geschieden zou; Rom. 3:25; 2 Kor. 5:19; Ef. 1:7; Kol. 1:14, Kol. 1:19, Kol. 1:30.
Hertaald:hem te verzoenen
Dat is: om voor hem de verzoening te betekenen en te bezegelen, die door de Messias in de volheid van de tijd tot stand zou komen; Rom. 3:25; 2 Kor. 5:19; Ef. 1:7; Kol. 1:14, Kol. 1:19, Kol. 1:30.
Leviticus 1 vers 5— Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.
hij het jonge rund
Namelijk, de priester, of die het offert, door den priester, gelijk God bevolen had, Ex. 29:11, en ook geschied is; onder Lev. 8:15. Of, daarna zal men het jonge rund slachten, te weten, door den priester.
Hertaald:hij het jonge rund
Namelijk: de priester, of degene die het offert, door de priester, zoals God bevolen had, Ex. 29:11, en ook gebeurd is, hieronder Lev. 8:15. Of: daarna zal men het jonge rund slachten, namelijk door de priester.
slachten voor het aangezicht des HEEREN;
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk, de keel afsteken.
Hertaald:slachten voor het aangezicht des HEEREN;
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk: de keel doorsnijden.
Leviticus 1 vers 6— Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
hij het brandoffer de huid aftrekken,
Te weten, een der priesters. Zie 2 Kron. 29:34.
Hertaald:hij het brandoffer de huid aftrekken,
Namelijk: een van de andere priesters. Zie 2 Kron. 29:34.
Leviticus 1 vers 7— En de zonen van Aaron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.
vuur maken op het altaar,
Hebreeuws, vuur geven; te weten, van het vuur, hetwelk van den hemel vallen zou, als men het eerst op dit altaar zou offeren, onder, Lev. 9:24, en daarom geduriglijk bewaard moest worden. Zie onder, Lev. 6:12.
Hertaald:vuur maken op het altaar,
Hebreeuws: vuur geven; namelijk van het vuur dat uit de hemel zou vallen wanneer men voor het eerst op dit altaar zou offeren, hieronder Lev. 9:24, en dat daarom voortdurend bewaard moest worden. Zie hieronder, Lev. 6:12.
Leviticus 1 vers 8— Ook zullen de zonen van Aaron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.
het smeer,
Anders, ingewand. Anders, romp; waarvan het hoofd en de schenkelen af zijn en het ingewand uitgedaan.
Hertaald:het smeer,
Ook mogelijk: ingewand. Ook mogelijk: romp, waarvan het hoofd en de poten zijn afgehaald en het ingewand verwijderd.
Leviticus 1 vers 9— Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
ingewand,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het naaste van enig ding, hetwelk is het binnenste, of, het midden daarvan, hoedanig het ingewand der beesten is.
Hertaald:ingewand,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het binnenste, of het midden van iets, zoals het ingewand van dieren.
vuuroffer,
Dat is, dat door het vuur gans verteerd en verslonden moest worden. Zie Ex. 29:18. Zodanig was het brandoffer.
Hertaald:vuuroffer,
Dat is: wat door het vuur helemaal verteerd en verslonden moest worden. Zie Ex. 29:18. Zo was het brandoffer.
tot een liefelijken reuk den HEERE
Dat is, den HEERE zeer aangenaam en welgevallig, en waarmede Hij wel tevreden is; hetwelk van de offeranden der beesten gezegd wordt niet ten aanzien van haarzelven, maar van de offerande van Christus, die zij betekenden, welke eigenlijk het slachtoffer is, Gode tot een welriekenden reuk; Ef. 5:2. Zie ook Gen. 8:21.
Hertaald:tot een liefelijken reuk den HEERE
Dat is: zeer aangenaam en welgevallig voor de HEERE, waarmee Hij tevreden is; dit wordt van de offers van dieren niet gezegd om henzelf, maar met het oog op het offer van Christus, dat zij afbeeldden en dat eigenlijk het slachtoffer is, Gode tot een welriekende reuk; Ef. 5:2. Zie ook Gen. 8:21.
Leviticus 1 vers 11— En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.
hij zal dat slachten
De priester, gelijk boven, vs.5.
Hertaald:hij zal dat slachten
De priester, zoals hierboven in vers 5.
noordwaarts,
Dat is, in den voorhof ter rechterzijde van het altaar des brandoffers, waar men kwam in de tent der samenkomst.
Hertaald:noordwaarts,
Dat is: in de voorhof, aan de rechterzijde van het brandofferaltaar, waar men de tent der samenkomst binnenkwam.
voor het aangezicht des HEEREN;
Zie boven, vs.3.
Hertaald:voor het aangezicht des HEEREN;
Zie hierboven, vers 3.
Leviticus 1 vers 14— En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
jonge duiven, offeren
Hebreeuws, zonen der duiven; alzo onder, Lev. 12:6. Aldus wordt ook genoemd een jonge os, de zoon van een rund, Gen. 18:7, en boven, vs.5, een jonge ezel, de zoon ener ezelin, Gen. 49:11, een jonge eenhoorn, de zoon des eenhoorns, Ps. 29:6.
Hertaald:jonge duiven, offeren
Hebreeuws: zonen van de duiven; zo ook hieronder, Lev. 12:6. Zo wordt ook een jonge os de zoon van een rund genoemd, Gen. 18:7, en hierboven, vers 5, een jonge ezel de zoon van een ezelin, Gen. 49:11, en een jonge eenhoorn de zoon van de eenhoorn, Ps. 29:6.
Leviticus 1 vers 15— En de priester zal die tot het altaar brengen, en deszelfs hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.
die tot het altaar brengen,
Te weten, offerande van gevogelte, gelijk onder, vs.17.
Hertaald:die tot het altaar brengen,
Namelijk: het offer van gevogelte, zoals hieronder in vers 17.
met zijn nagel splijten,
Of, omdraaien, omwringen, afwringen.
Hertaald:met zijn nagel splijten,
Of: omdraaien, verwringen, afwringen.
Leviticus 1 vers 16— En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.
vederen zal hij wegdoen,
Anders, drek, vuiligheid; te weten, die in de krop en de darmen is.
Hertaald:vederen zal hij wegdoen,
Ook mogelijk: drek, vuiligheid; namelijk wat zich in de krop en de darmen bevindt.
oostwaarts,
Dat is, tot eerbied jegens de Goddelijke majesteit, zeer ver van de ark des verbonds, die westwaarts was, in het heilige der heiligen.
Hertaald:oostwaarts,
Dat is: uit eerbied voor de Goddelijke majesteit, ver van de ark van het verbond, die zich westwaarts bevond, in het heilige der heiligen.
aan de plaats der as
Waar de as der offeranden eerst gedragen werd, om daarna met andere vuiligheid buiten het leger gevoerd te worden. Zie onder, Lev. 4:12, en Lev. 6:10-11, en Lev. 8:17.
Hertaald:aan de plaats der as
Waar de as van de offers eerst gebracht werd, om daarna met andere vuiligheid buiten het kamp afgevoerd te worden. Zie hieronder, Lev. 4:12, Lev. 6:10-11 en Lev. 8:17.
Leviticus 1 vers 17— Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
die
Te weten, offerande, gelijk boven, vs.15.
Hertaald:die
Namelijk: het offer, zoals hierboven in vers 15.
met zijn vleugelen klieven,
Of, tussen zijne vleugelen.
Hertaald:met zijn vleugelen klieven,
Of: tussen zijn vleugels.
niet afscheiden;
Dat is, niet ontleden, noch in stukken verdelen, gelijk men de andere beesten deed, maar men moest de vogels alleen in het midden tussen de vleugels klieven.
Hertaald:niet afscheiden;
Dat is: niet ontleden of in stukken verdelen, zoals men bij andere dieren deed, maar men moest de vogels alleen in het midden tussen de vleugels splijten.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Brandoffer — Hebreeuws: olah, "wat opstijgt" — het offer dat geheel in rook opging
Van de vijf hoofdoffers die in Leviticus worden ingesteld, was het brandoffer het eerst genoemd. Het ging om een rund, schaap, geit of duif zonder gebrek, waarbij de offeraar zijn hand op de kop van het dier legde en het dier geslacht werd. Daarna werd het gehele dier, op de huid na, op het altaar verbrand tot een liefelijke reuk voor de HEERE (Lev. 1:1-17). Anders dan bij de meeste andere offers bleef er voor de offeraar zelf niets van over om van te eten.
Bijbelse betekenis: Doordat het gehele dier verbrand werd, drukte het brandoffer een volkomen, onverdeelde overgave aan God uit. Bij andere offers was een deel voor de priester of de offeraar bestemd; hier was alles aan de HEERE toegewijd.
Typologie: De Hebreeënbrief past de taal van dit offer rechtstreeks toe op Christus: "Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God" (Hebr. 10:5-10, aanhalend Ps. 40:7-9) — Christus offerde Zichzelf niet ten dele, maar geheel en al, in volkomen gehoorzaamheid, tot een liefelijke reuk voor God (Ef. 5:2).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het offer en de plaatsvervangingniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenfunctie
De hand op de kop van het offer — 1:3-9
De tabernakel staat er, de wolk is neergedaald, God woont in het midden van het kamp. En precies daar begint het ongemak: hoe komt een gewoon mens bij die tent naar binnen zonder om te komen? Leviticus opent met dat probleem en geeft er meteen een antwoord op.
De offeraar legt zijn hand op de kop van het offerdier, en wat hem toekomt gaat over op wat sterven gaat.
De tabernakel staat, de wolk is neergedaald, God woont in het midden van het kamp. En juist daar begint het ongemak: hoe komt een gewoon mens bij die tent naar binnen zonder om te komen? Leviticus opent met dat probleem, en het antwoord is een handeling die iedereen kon uitvoeren.
Een man komt met een rund tot aan de deur van de tent — verder mag hij niet. Het dier moet volkomen zijn: niet een gebrekkig stuk vee waarvan hij zich toch wilde ontdoen, maar het beste dat hij bezit.
Dan legt hij zijn hand op de kop. In het Hebreeuws staat er: hij steunt met zijn hand — hij leunt erop. De kanttekening zegt precies wat daarmee bedoeld is: hij betuigt daarmee dat hij dit offer aan God toewijdt en aanbiedt als in zijn eigen plaats, om voor zichzelf genade bij de HEERE te vinden — door het toekomstige offer van de Messias, dat hierdoor werd afgebeeld.
Daar staat het dus, in de aantekeningen bij het allereerste hoofdstuk van de offerdienst: wat hier gebeurt beeldt af wat later werkelijk gebeuren zou. En bij het woord verzoenen tekenen zij aan dat het gaat om de verzoening die door de Messias in de volheid van de tijd tot stand zou komen.
De man staat daar met zijn hand op een levend dier dat over een ogenblik dood zal zijn, en hij weet: dat had ik moeten zijn.
Daarna gaat alles op in vuur — bij het brandoffer blijft er niets over voor de priester en niets voor de offeraar. Het is volledig weggegeven, en het heet een liefelijke reuk voor de HEERE.
Duizenden dieren zijn zo gestorven, geslacht na geslacht. De Hebreeënbrief zegt nuchter waarom het toch nooit klaar was: het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt. Zij wezen ergens heen. En toen Paulus schreef dat Christus Zichzelf overgegeven heeft tot een offerande, koos hij precies de woorden van dit hoofdstuk: Gode tot een welriekenden reuk.
Leviticus 1:3 — Het offerdier moet volkomen zijn en komt tot aan de deur van de tent.
Leviticus 1:4 — De offeraar leunt met zijn hand op de kop: dit in mijn plaats.
Leviticus 17:11 — Het bloed is gegeven om verzoening te doen over de ziel.
Hebreeën 10:4 — Het bloed van stieren en bokken kan de zonden niet wegnemen.
Efeze 5:2 — Christus heeft Zichzelf overgegeven, Gode tot een welriekenden reuk.
Hebreeën 10:12 — Eén slachtoffer voor de zonden, voor altijd.
In het Nieuwe Testament: Efeze 5:2; Hebreeën 10:1-4; Hebreeën 9:14; 1 Petrus 1:19
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Leviticus 1:4.KruisverwijzingenExodus 29:10→Leviticus 3:2→2 Kronieken 29:23→Exodus 29:15→Leviticus 4:26→Exodus 29:19→Leviticus 4:20→Leviticus 4:31→ — En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Wie zijn hand op het hoofd van het offer legde, deed daarmee belijdenis van zonde. Om welk offer het ook ging dat een gelovige Israëliet bracht — er was altijd zonde in vermeld, hetzij stilzwijgend hetzij uitgesproken. Willen wij Hém tot onze verzoening hebben, die God tot Zijn offer gesteld heeft, dan moeten wij tot Hem komen met belijdenis van onze zonde. Ons grijpen naar Jezus moet het grijpen zijn van iemand die weet dat hij schuldig is. Hij is alleen ons eigendom wanneer wij zondaren zijn.
In deze handeling lag ook een belijdenis van eigen onmacht. De gelovige die het rund bracht, zei daarmee zoveel als: “Ik kan uit mijzelf de wet van God niet houden en ook geen verzoening doen voor mijn vroegere overtredingen van de geboden. Evenmin mag ik hopen door toekomstige gehoorzaamheid aangenaam te worden bij God. Daarom breng ik dit offer, want zonder dit kan ik niet aangenaam worden.”
En wanneer iemand zijn rund, zijn geit of zijn lam bracht en er zijn hand op legde, wetende dat het arme dier sterven moest, dan erkende hij daarmee dat hij zélf de dood verdiend had. Het offerdier viel in het stof, worstelend, bloedend, stervend. De offeraar beleed dat dit was wat hij verdiende.
Het leggen van de hand op het hoofd van het offer betekende ook vereenzelviging. De offeraar die zijn hand op het rund legde, zei in wezen: “Het behage U, Heere, mij met dit rund te vereenzelvigen, en dit rund met mij. Mijn zonde is overgedragen. Moge ik geoordeeld worden als in het slachtoffer begrepen en door hem vertegenwoordigd.”
Dan werd het mes uit de schede getrokken en het offerdier gedood. Het werd niet enkel gebonden maar gedóód — en de mens stond daarbij en zei: “Dat ben ik; dat is het lot dat ik verdien.” En als de offeraar recht van hart was en geen enkel vormendienaar, dan stond hij daar met tranen in de ogen en gevoelde in zijn binnenste: “Die dood is mijn dood.”
Leviticus 1:5.KruisverwijzingenLeviticus 3:8→Leviticus 1:11→Leviticus 3:2→2 Kronieken 35:11→Leviticus 3:13→Hebreeën 12:24→1 Petrus 1:2→Exodus 29:16→ — Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is. Het doden van het offer was volstrekt onmisbaar. De Israëliet bracht een rund zonder gebrek, maar dat het zonder gebrek was, maakte het nog niet tot een verzoening voor de zonde. Er graasden zonder twijfel nog vele volkomen runderen en lammeren op de vlakten van Saron. Als het meest volmaakte dier levend van het altaar was weggegaan, dan zou het niets, maar dan ook niets tot verzoening hebben uitgewerkt. Het moest zonder gebrek zijn om ook maar een offer te kúnnen zijn — maar zijn volkomenheid maakte het nog geen slachtoffer voordat het gedood was.
En zo moest ook Jezus sterven. Zijn volmaakte natuur, Zijn zware arbeid, Zijn onberispelijke leven, Zijn volkomen toewijding konden ons niets baten zonder de vergieting van Zijn bloed. Zijn sterven is dus niet een aanhangsel bij Zijn leven en niet enkel het slot ervan, maar het gewichtigste van alles wat met Hem te doen heeft. Het staat op de voorgrond. Het is het hoofd en het voorste van Zijn verlossingswerk. Wij achten Hem terecht hoog om Zijn voorbeeld en om Zijn levende voorbede — maar waar het over de verzoening gaat, is het boven alles nodig dat wij Hem zien als het geslachte Lam. Neem deze plaatsvervangende dood van onze Heere weg, en u hebt alles weggenomen. Zonder de dood van Jezus blijft er voor ons niets over dan de dood. Vergeet de Gekruisigde, en wij hebben de enige Naam vergeten waardoor wij zalig kunnen worden.
Nadat de heiligheid van God de tent der samenkomst bedekt heeft (Exodus. 40:34), openbaart God Zich naar Zijn belofte (Exodus. 25:22), voortaan in deze plaats aan Mozes, en deelt hem een wet van het offer mee. Hij begint met de brandoffers, het oudste en voornaamste van de verschillende offers, en bepaalt zowel het materiële als het rituële, d.w.z. zowel de verschillende soorten van dieren, die daartoe moeten gebruikt worden, als de aard en de wijze, waarop zij moeten gebracht worden.
1. En de HEERE riep, 1) waarschijnlijk op de dag, die op de oprichting van de tabernakel volgde, Mozes met luide, voor het gehele volk hoorbare stem, dat hij tot Hem in de tabernakel zou naderen, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst (van boven het Verzoendeksel, Numeri. 7:89), zeggende:
1) In deze zeven hoofdstukken spreekt Mozes in het algemeen over de offeranden. Daar hier echter veel dingen bevolen worden, waarvan het gebruik verouderd is; andere, waarvan de betekenis mij verborgen is, beken ik, dat ik met een korte opsomming tevreden zal zijn, waaruit echter de lezers wel zullen begrijpen, dat, wat ons ten opzichte van de wettische schaduwbeelden nagelaten is, ook heden nuttig is, indien wij niet al te nieuwsgierig zijn. Wie zich al te zeer met allegorieën willen bezig houden mogen de lof bekomen, welke zij zoeken, mij, omdat ik geen ander voornemen heb, dan de lezer ten nut te zijn, is het voldoende kort aan te stippen, wat ik nuttig acht, om bekend te zijn. Verder, ofschoon in dit hoofdstuk over de brandoffers wordt gehandeld, blijkt toch, dat de regel, welke hij over deze dingen voorschrijft, van verdere strekking is, wanneer Mozes leert, welke dieren God wil, dat Hem worden geofferd, opdat Hij ze aangenaam vindt; vervolgens, door wie zij te offeren zijn en op welk een wijze. Drie soorten nu tekent hij op: uit het grote, uit het kleine vee en uit de vogels. Want van de rode koe, waarvan de as tot verzoening nodig was, daarvan is hier geen sprake.
2. Spreek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Als een mens uit u de HEERE een offerande, en wel bepaald een brandoffer zal offeren gij zult uw offeranden offeren van het vee (de grote viervoetige huisdieren), van runderen en van schapen, 1) of ook geiten (vs.10).
1) De plaats van samenkomst van God met Zijn volk is reeds aanwezig, maar opdat Hij, zonder verloochening van de heerlijkheid van Zijn wezen, werkelijk met Israël in gemeenschap treden, en dit wederom in Hem rusten en Zijn genade en gemeenschap deelachtig worden kan, is het daartoe verordende genade middel nog nodig. Dit middel zijn de offers, waarvan nu voortaan sprake is. De bovenstaande woorden, waarmee de wet van het offer aanvangt, stellen het brengen van offers, als een bij het volk reeds lang bekende zaak, op de voorgrond. Werkelijk treffen wij ze reeds aan bij de eerste mensen (Genesis 4:3 vv.) en dan bij de aartsvaders (Genesis 8:20; 22:1; 46:1 Job 1:5), als vorm van Godsverering, behalve de aanroeping van de naam des Heeren (Genesis 12:7 vv.; 13:4,18; 26:25; 33:20; 35:7) terwijl de eis van Mozes aan farao (Exodus. 5 vv.) getuigt, dat zelfs gedurende het verblijf van de Israëlieten in Egypte het offeren niet vergeten werd en eindelijk het Sinaï werkelijk gebrachte offer (Exodus. 24:5 vv.). De Heere stelt alzo met de nu volgende regeling van de offerdienst niet iets nieuws in, maar regelt, en ontwikkelt, en voltooit slechts de van de vaderen geërfde vorm van eredienst, opdat zij overeenkomt met de aard van het Verbond, dat Hij met Israël gesloten had, en de bedoeling van dat verbond werkelijk bereikt wordt.
Maar wat is eigenlijk een offer? Dat zegt zowel het Hollandse woord, dat oorspronkelijk offrian (van het latijnse offerre, d.i. aanbrengen) luidt, als ook de Hebreeuwse uitdrukking Korban (Mark.7:11), dat alle soorten van gaven voor God en goddelijke doeleinden omvat; een offer is dus een heilige gave aan God en tot Zijn dienst. Het eerste offer werd zonder twijfel op Gods bevel gebracht en onder Zijn leiding, nog op de dag zelf van de val (Genesis 3:20), en was een brandoffer, dat als bloedig offer tegelijk verzoenend was. Want eer God Adam en zijn vrouw het Paradijs deed verlaten, moest Hij wel het eerst voor de verzoening van hun zonde zorgen; want anders kon Hij naar Zijn gerechtigheid en waarheid het over hen uitgesproken Godsoordeel (Genesis 2:17) niet uitstellen en zo’n geruime tijd tot boete niet verlenen, zoals Hij die nu werkelijk vergunt; anders kon Hij naar zijn heiligheid het onmiddellijk verkeer met hen niet verder doen voortduren, gelijk dit in de toekomst werkelijk geschiedt. Het offerdier was gedurende de daad van de slachting en bloedstorting plaatsbekleder van de mensen, en leed in hun plaats de verdiende straf, die, overeenkomstig de bedreiging van God, nog op dezelfde dag hen had moeten treffen; terwijl zij zelf eigenlijk in dat offer stierven, werd hun zonde verzoend, d.i. voor Gods oog bedekt, zodat de Heere niet meer om deze zonde van hen een afkeer hebben moest; of er werd door teweeggebracht, dat de zonde niet verder om wraak tot de hemel riep, en de goddelijke genade hen ongehinderd kon zegenen. Het offerdier kon natuurlijk de plaats van de mens niet vervangen, in hetgeen het van zichzelf is, als een dier, wiens leven ook op een veel te lage trap staat, dan dat dit voor het leven van een mens zou kunnen gelden, terwijl het ook geen vrijheid van wil heeft, om als plaatsvervanger iets op zich te kunnen nemen; maar de toekomstige, rechte plaatsbekleder was reeds beloofd, op Hem kon het als profetie wijzen; Zijn plaatsvervangend lijden kon het afschaduwen, en de eerste mensen als het ware brengen binnen het bereik van de heilzame werkingen van het eerst na eeuwen te verwezenlijken raadsbesluit. Eer God Adam en zijn vrouw het Paradijs deed verlaten, moest Hij ook ten tweede hen tot vastere en meer onverdeelde overgave aan Zich verbinden, opdat zij geen prooi werden van het zich al meer ontwikkelend zondebederf; maar in plaats van in het geweld van de satan, in Zijn macht zouden zijn; alleen op deze wijze was het Hem mogelijk Zijn opvoedingswegen met hen in te slaan en onder hun nageslacht de beloofde Verlosser een plaats te bereiden. Daarom volgde op de doding en bloedvergieting tot verzoening, de verbranding van het offervlees met vuur, dat de mens zinnebeeldig voor ogen stelde: het zich geheel verliezen in God, en dat hem met heimwee in het hart uit het Paradijs deed gaan, om zelf niets te zijn, maar alleen door en tot God te leven.
Van de huid van het verbrande offerdier maakt de Heere voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, hetgeen wij reeds bij de verklaring van die plaats beschouwden als doelende op de kleren van het heil en de mantel van de gerechtigheid, welke voor de mens eenmaal in geestelijke zin zouden bereid worden. Bij dit offer, door de Heere hem aangewezen, is later een ander gevoegd, toen de mens zich toewijdde aan het hem aangewezen levensberoep, het veld te bebouwen, en hij de vrucht inzamelde; want wanneer uit Kaïns offer (Genesis 4:3 vv.), vergeleken met dat van Abel, deels blijkt, dat hij de eersteling is van allen, die het met de godsdienst zo gemakkelijk mogelijk opnemen, en als het ware met God een verdrag maken, in plaats van Hem te dienen, zo is het toch een bewijs, in zoverre Kaïn zich aan de macht van de geestelijke invloed, welke in het ouderlijk gezin heerste, niet onttrekken kon, dat reeds de eerste mensen zich verplicht hebben gevoeld, de vrucht van hun vlijt en de opbrengst van hun arbeid, de Gever van alle goede gaven en volmaakte giften toe te wijden in een door hen gebracht spijsoffer. Zo is het zeer natuurlijk, dat Noach, nadat hij met de zijnen de ark verlaten heeft, geen spijsoffer brengt, maar alleen een brandoffer (Genesis 8:20). Zijn hand is langer dan een jaar werkeloos geweest, het aardse beroep is niet waargenomen, daarom heeft hij ook niets van de vruchten van zijn vlijt aan te bieden. Wel erkennen wij daaruit, dat de Heere bij gelegenheid van dat offer Zijn genaderaad bekend maakt, voortaan de menselijke zonde met goddelijk geduld te verdragen, gelijk dan ook dit brandoffer beide doeleinden in zien verenigt, zowel voorlopig de verzoening van der zonde te bewerken, totdat de ware schuldverzoener komt, als de bereidwilligheid van het hart tot volkomen toewijding aan God zinnebeeldig voor te stellen; en daar vanwege de menselijke zwakheid het willen toch nimmer een volkomen volbrengen wordt, dat gebrek daardoor te vergoeden, dat althans het bewustzijn van de verplichting zich uitspreekt. Van de tijden van Noach af bestond er dan nog een derde soort van offers, wij bedoelen de dankoffers. Wel hebben wij daarvoor geen enkel duidelijk bewijs uit de Schrift; daar evenwel van nu aan het gebruik van vlees aan het menselijk geslacht uitdrukkelijk door God vergund wordt (Genesis 9:3 vv.), zo volgt het ontstaan van de dankoffers daaruit vanzelf. Ook uit de geschiedenis van de Joden blijkt, dat de mens van nature tot het gebruik van vlees niet bestemd geweest, en dat dit hem alleen door God met het oog op menselijke zwakheid vergund is, en wel daaruit, dat zij geen ander vlees dan offervlees genoten en hun slachtvee tevoren tot een offer gebruikten (Herodotus 1:131; 2:41). Zij hebben zonder twijfel dit gebruik overgenomen van de tweede stamvader van het menselijk geslacht. In Israël werd gedurende de tijd van de omzwerving in de woestijn dit tot een wet gemaakt (Leviticus. 17:1 vv.), en wanneer zij daarna ook weer moest opgeheven worden, daar de aanwezigheid van slechts een offerplaats in het land Kanaän haar onmogelijk maakte, bleef echter de herinnering aan haar bestaan in de betekenis van het woord sebach. Op zichzelf betekent dit woord iets dat geslacht is in het algemeen (Deuteronomium. 12:15; 1 Samuel. 28:24 12.15 Spreuken. 17:1), doch dit verkrijgt dadelijk de gebruikelijke betekenis van slachtoffer (Luther, “offer”, Genesis 46:1; 1 Samuel. 2:29 Psalm. 40:7) en duidt in bijzonder de dankoffers aan (Deuteronomium. 12:27; 1 Samuel. 6:15 vv.). Dien ten gevolge nemen wij met vrijmoedigheid aan, dat Noach de dieren, die voor het gebruik van hun vlees geslacht moesten worden, vooraf de Heere opofferde; dat hij hen slachtende en hun bloed vergietende, zijn zonden beleed en zich aan de genade van God overgaf, dan de vetstukken als het beste van het vlees, op het altaar met vuur verbrandde, en eerst dan, als aan Gods dis, aan wie met het beste deel het geheel toegewijd was, met het overige vlees zijn maaltijd deed. Wij menen, dat ook de oorsprong van de dankoffers bij Noach moet gezocht worden. Zij maken het andere deel van de spijsoffers uit, en hebben naar alle waarschijnlijkheid hun begin gehad, toen bij de akkerbouw ook de wijnbouw gevoegd werd, en nog meer bepaald toen de eigenlijke wijnbereiding werd uitgevonden (Genesis 9:18 vv.). Wat hem overkwam, toen hij van de nieuw uitgevonden drank de proef nam, en waardoor hij in de zwakte van zijn vlees voor zijn zonen openbaar werd, is voor de godvrezende man zeker een dringende vermaning geweest, om ook deze vrucht van zijn werkzaamheid door een offer van deze drank te heiligen. Volgens deze ontwikkeling wijzen brand- en spijsoffer op de eerste, dank- en drankoffer op de tweede stamvader van het menselijk geslacht; tot de eerste offers heeft God onmiddellijk door Zijn Woord, tot de andere door Zijn geest de impulsie of aanleiding gegeven. Dat het brandoffer tegelijk zoenoffer was bewijst duidelijk hetgeen van Job, deze uitstekende, tot het vóórmozaïsche tijdperk behorende knecht van God (1:5), vermeld wordt. De daad van de verzoening, die aan het eigenlijke brandoffer voorafging, wordt geregeld in het deel dat wij nu voor ons hebben. Zij bestaat aan de ene zijde in de tweeledige handeling van de handoplegging en van de doding, aan de andere zijde, in het opvangen van en besprenkelen met het bloed; die is de daad van de offeraar, deze de daad van de priester.
3. Indien zijn (van de offeraar) offerande een brandoffer van runderen is, de eerste van de in vs.2 opgenoemde soorten van vee, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, bij het in het voorhof staande brandofferaltaar, als de plaats, waar alleen offers zullen gebracht worden (17:1 vv.), om door zo’n plaatsing te betuigen, dat hij zijn offer tot een gave voor zijn God brengt, die Zich hier aan Zijn volk in genade wilopenbaren; hij zal het offeren naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de Heere ook van Zijn zijde het offer als een welkome gift van hem aanneemt en hem Zijn welgevallen betoont.
Hij beveelt zowel mannelijke runderen als lammeren, schapen en bokken te offeren. Vervolgens, volkomen en vrij van alle gebreken. Waaruit wij zien, dat de offerande niet dan uit het gedierte van de aarde is gekozen. Vervolgens, dat het God niet onverschillig was, welke dieren gebruikt werden, maar dat het huisdieren moesten zijn, en welke toelieten, dat zij door de macht en de wil van de mensen werd bestuurd. Want, ofschoon gemzen en wilde geiten ook wel tam gemaakt worden, zo heeft God toch niet geduld, dat zij tot Zijn altaar werden gebracht. Dit is nu wel het beginsel van de gehoorzaamheid, dat de mensen niet naar eigen willekeur deze of gene slachtoffers offerden, maar uit hun grootvee hun runderen en uit de kudden hun lammeren of bokken moesten nemen.
Om twee doeleinden wordt de reinheid geëist. Want omdat de offeranden schaduwbeelden van Christus waren, behoorde zijn hoogste volkomenheid in alle dingen afgeschaduwd te worden, waarmee de Hemelse Vader te behagen was. Vervolgens moesten zij de Israëlieten vermanen, om alle onreinheid van God verre te houden, opdat zij Zijn dienst met hun onreinheden niet bezoedelden. Doch zoals God hen aanzette tot ijver voor de ware volkomenheid, zo leerde Hij hen ook genoeg en voldoende, dat, indien zij niet hun geloof op Christus stelden, zij zichzelf beroofden van wat hun voordelig was, en dat de reinheid van het stomme dier God geen voldoening gaf, indien het niet iets voortreffelijks afschaduwde.
4. En hij zal daarna, zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, 1) om het daarmee in zijn plaats te stellen, dat het in zijn plaats doet en lijdt, wat hij eigenlijk zelf doen en lijden moest, namelijk de dood, opdat het voor Hem aangenaam zij, om hem te verzoenen, 2) door God ook als plaatsvervanger aangenomen worde, en door de dood, die het ondergaat, de zonde van hem, die zijn schuld en zijn doodvonnis daarop gelegd heeft, verzoent.
1) In de tweede plaats wordt vooropgezet, dat, wie het offerdier aanbiedt, nadat hij genaderd is tot de deur van de tabernakel, zijn hand legt op het hoofd van het brandoffer. Deze ceremonie nu is niet slechts een teken van wijding, maar ook van verzoening of van een zoenoffer (piaculum), omdat het dier in de plaats van de mens wordt gesteld, hetgeen Mozes uitdrukt met de woorden: opdat het voor Hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Er is daarom volstrekt geen twijfel aan, of hun schuld, welke straf ook was verdiend, brengen zij over op het offerdier, opdat zij God verzoening zouden doen. Verder, omdat deze verzekering volstrekt niet bedrieglijk was, is vast te stellen, dat de prijs van de voldoening in de offerande van het Oude Verbond is geweest, welke hen voor zichzelf heeft ontslagen van schuld en straf in het oordeel van God, niet echter, omdat nu op zichzelf de stomme dieren bij machte waren de schuld te verzoenen, maar in zoverre zij bewijzen waren van de genade, die door Christus zou worden verworven. Alzo zijn de ouden door de offerande op sacramentele wijze verzoend met God, zoals wij heden door de doop worden gereinigd. Waaruit volgt, dat deze symbolen slechts in zoverre nuttig waren, als zij aansporing waren tot boete en geloof, opdat de zondaar de toorn van God zou leren vrezen en in Christus vergiffenis zoeken.
Maimonides zegt, dat hij de oplegging der handen doen moest met alle zijn macht. Dit was een plechtigheid bij de dank- en zondoffers (Le.3:2 4:4) als bij de brandoffers gebruikelijk, en kan ons bekwamelijk verbeelden, die daad des geloofs, waardoor een ziele, overtuigd van zijn zonde, onmacht en verdoemelijkheid, zich op de Heere als een vasten grondsteun neerzet en vestigt, met verlating van alle gebrokene rietstengels, van eigen gerechtigheid en wijsheid.
Wij treffen voor het eerst in Genesis 48:14 het gebruik van de handoplegging aan, waar het ook reeds voorlopig verklaard werd; hier moet het daar, onder 5a, vermelde geval nog bijzonder beschouwd worden. Uit de aangehaalde plaats van Passavant blijkt, dat de handoplegging bij al de verschillende handelingen, die daarmee gepaard gaan, altijd een mededeling te kennen geeft van hetgeen de een bezit en de ander van hem ontvangen zal. Hetgeen meegedeeld moet worden kan of iets zijn, dat hij die de handen oplegt de ander wil meedelen, zonder zichzelf te beroven; dan moeten wij ons die mededeling denken, zoals de brandende vlam een tweede vlam doet ontstaan, zonder daarom zelf iets te verliezen (zo bij zegening, genezing van zieken, mededeling van de Heilige Geest en inwijding tot een ambt); of iets, waarvan hij, die de hand oplegt, zich wil ontdoen, opdat de ander het geheel en alleen heeft; zo in de beiden naar Genesis 48:14 het laatst opgenoemde gevallen. Daar is het een meedelen in de eigenlijke zin van het woord, hier een over- of weggeven. Maar wat wordt nu bij de handoplegging op het offerdier daaraan overgegeven, of daarop overgedragen? Volgens de leer van de kerk de zonde van hem, die de hand oplegt met de door haar aangebrachte schuld, of het doodvonnis; evenwel komt het overdragen van zonde op het offerdier, streng genomen, maar eenmaal in de Mozaïsche wetgeving voor, namelijk met betrekking tot de enkele bok op de grote Verzoendag, die dan met de op hem overgedragene schuld naar de woestijn wordt uitgedreven (Leviticus. 16:20 vv.). Wij moeten dus juister zeggen, dat de offeraar, door middel van de handoplegging, het doodvonnis van zichzelf op het offerdier overdraagt; of met andere woorden, de schuld van zijn zonde. Voor deze opvatting spreekt ook Leviticus. 24:14 vv. en de geschiedenis van Suzanna (vs.34), slechts met dit onderscheid, dat hier de schuld of het doodsoordeel van hem, wie de handen werden opgelegd, juist daardoor weer wordt teruggeven; zij, die de handen opleggen, willen daaraan geen deel hebben; maar zij zouden die schuld van het doodsoordeel deelachtig worden, wanneer zij, wat nu geschieden moet, de doodstraf niet voltrokken (Numeri. 35:31 vv.)
Een tweede punt, dat tot beter begrip van de offerwetten moet worden ontwikkeld, is de betekenis van het woord verzoenen. Zeer terecht zegt Kurtz: “Het hoogste en moeilijkste, ja het eigenlijke en enige raadsel van de gehele geschiedenis van de genade, dat door Gods genaderaad moet worden opgelost, is de verzoening van de zondige mens: is deze zwarigheid opgelost, dan zijn ook alle andere zwarigheden verdreven, dan is de weg tot het verkrijgen van alle andere heilgoederen reeds gebaand. Niet dit is de zaak, dat de door en tot God geschapen mens als zodanig tot de gemeenschap met God kom en daarin blijft, dat levert op zichzelf geen bezwaren op, dat zou zich om zo te zeggen vanzelf vinden; maar hier is de vraag, of, en hoe de zondige mens, in weerwil van zijn zonde, die alle banden van de gemeenschap met God verscheurd heeft en hun hereniging onmogelijk maakt, toch nog weer tot die gemeenschap komen kan. Alleen verzoening, d.i. uitdelging van zijn zonde, kan dit onmogelijke mogelijk maken, daarom is verzoening van zijn zonde de Alfa en de Omega voor de behoefte en het heimwee van de zondaar, die uitziet naar de gemeenschap met God. Daarom wordt de offerwet, die met haar genadebedelingen aan deze behoefte, aan dit heimwee tegemoet komt, niet moe altijd weer opnieuw haar wachtwoord “verzoenen” of “de priester zal hem verzoenen” uit te spreken.
De in het Hebreeuws gebruikte uitdrukking voor “verzoenen”, betekent eigenlijk dekken, bedekken, toedekken, en wel in figuurlijke of oneigenlijke zin. Wat nu bedekt of toegedekt zal worden (lijdende zin), is het God mishagende of Hem tegenstaande, waardoor Zijn toorn opgewekt en Zijn straf geëist wordt, alzo de zonde of overtreding van Zijn geboden; zij is dit ook, wanneer er van een verzoenen van de zondaar sprake is; juist de hem aanklevende zonde en onreinheid moet worden toegedekt, opdat hij van Gods toorn en straf bevrijd worde. Wat nu bedekt of toedekt (bedrijvende vorm), kan geen dienst, een gave aan God zijn, die Hem op Zijn uitdrukkelijk verlangen gebracht wordt (Exodus. 30:11 vv., het losgeld van een halve sikkel), of de bede, de voorbede van een Middelaar, die in Gods oog wat betekent (Exodus. 32:30 Deuteronomium. 16:46 vv., Aärons reukvat), of ook het bloed van de offerdieren, dat de Heere tot verzoening van de zielen gegeven heeft (Leviticus. 17:11) elk van deze drie verzoeningsmiddelen plaatst zich tussen de zonde van de mens en de toorn van God als een belemmering, zodat zowel God de zonde niet meer ziet, zoals zij op zichzelf is, als een misvorming van Zijn beeld in de mens en een opstand tegen zijn heilige wil, zodat ook de zonde niet meer om wraak ten hemel schreit en Gods straffende gerechtigheid niet meer inroept. Zulk een verzoenende of bedekkende kracht hebben zij natuurlijk niet op zichzelf, deze is hun door God slechts zó lang toegekend, als de rechte in zichzelf tot verzoening geschikte middelen, nog niet aanwezig zijn, en wel met bepaalde heenwijzing naar deze, zodat zij eigenlijk reeds werken, eer zij in de wereld zijn; wij menen ‘Christus’ losprijs, ‘Christus’ voorbede, ‘Christus’ bloed.
Wanneer wij zo-even over een bepaalde betrekking op deze drie verzoeningsmiddelen spraken, dan blijft in ieder geval de verborgenheid van de nieuwtestamentische verzoendag in het Oude, voor het tegenwoordige nog onbekend, althans tot op de profeten Jesaja 53) wordt van dit geheim nog niets verklaard; maar voor het oog van de Heere is alles reeds helder en duidelijk; ook voor de geest van de vromen en gelovigen is het niet geheel bedekt meer. Nu volgt de vraag: hoe het mogelijk zal zijn, dat een tussen de zonde van de mens en de toorn van God bestelde bedekking, God kan verhinderen om nog langer in de zonde te zien wat zij is, en de zonde zo van haar kracht beroofd, dat zij niet meer om wraak ten hemel schreit. Op deze vraag geven twee plaatsen ons het antwoord. Volgens Numeri. 25:11 heeft Pinehas met zijn ijver voor God de kinderen van Israël verzoend, en volgens Numeri. 35:33 kan een land niet verzoend worden van het daarin vergoten bloed, dan door het bloed van hem, die het vergoten heeft. Daar wil God nu van Israëls zonde afzien, waar Zijn oog op iets anders, dat Hem behaagt, kan rusten, op de ijver van Pinehas; deze is machtiger en sterker in zijn aantrekkingskracht, dan de misdaad die Zijn toorn opwekt, maar welke door de ijver van Pinehas bedekt wordt. Maar hier ontvangt door de dood van de doodslager de door hem bedreven zonde haar loon; daardoor is zij tot zwijgen gebracht en werkeloos gemaakt of uitgedelgd. Zo heeft Christus in bet Nieuwe Testament voor ons genoeg gedaan, onze zonde verzoend en bedekt, deels door Zijn dadelijke, deels door Zijn lijdende gehoorzaamheid; nu ziet God, terwijl Hij ons de verdienste van Christus toerekent, in ons niet meer onze zonden, maar Zijn Zoons gerechtigheid aan; onze zonde kan ons nu ook niet meer bij Hem aanklagen en Hem noodzaken haar te straffen, want de straf is reeds geleden.
2) Op zichzelf betekende het offer niets, maar in zoverre, als het zijn verzoenende kracht ontleende aan de zoendood van Christus. Waar het alzo in het geloof gebracht werd, daar was het God aangenaam.
5. Daarna 1) zal hij het jonge rund, de stier, niet meer dan drie jaar oud en zonder gebrek, met eigen hand slachten voor het aangezicht des HEEREN aan de zijde van het altaar, noordwaarts (vs.11); en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed in de schalen enbekkens (Exodus. 27:3), die tot het gereedschap van het brandofferaltaar behoren, opvangen, en daarin op het altaar offeren en het bloed sprenkelen rondom dat altaar, 2) het door middel van een wending van de schalen aan alle vier zijden van het altaar uitstorten, dat voor de deur van de tent der samenkomst is.
1) De wijze van slachten wordt nu voorgesteld, nl. dat de priester zelf het offerdier bereidde en het bloed plengde op het altaar. Want niet aan een privaat persoon wordt veroorloofd het offerdier met eigen handen te offeren, maar hem komt ten goede, wat de priester in zijn naam volvoert. Dit nu is nodig, om bekend te zijn, dat, ofschoon zij het onderpand van de verzoening van huis meebrachten, zij de bedienaren van de verzoening ergens anders hadden te zoeken, omdat niemand tot zulk een voortreffelijk ambt geschikt was, dan hij, die van Godswege met de heilige zalving was begiftigd. Duidelijk wordt dus aangetoond, dat alle stervelingen, die naderen tot God, om verzoend te worden, onwaardig in zichzelf zijn en dat aller handen op elke wijze bezoedeld zijn of onrein, tenzij dan die, welke God zelf heeft gereinigd. Van nergens anders had de waardigheid om te offeren zijn oorsprong, dan door de genade van de Geest, waarvan de uiterlijke zalving het onderpand was. Nu verstaan wij hoe ieder de offerande mocht brengen en toch de priester alleen met dit ambt was bekleed.
Nadat het offerdier door oplegging van de handen tot het ondergaan van de dood als de verdiende zonde straf in de plaats van de offeraar gewijd is, volgt nu de voltrekking van die straf door het slachten. De offeraar moet zelf deze daad verrichten, daarmee geeft gij daarmee zijn eigen leven in de dood; in en met het bloed vloeit de ziel van het dier weg, en bedekt daardoor de ziel van hem, wiens plaats het vervangt, waardoor zijn zonde wel niet ongedaan wordt gemaakt (dit is niet mogelijk), maar haar kracht verliest, om aan te klagen en te verdoemen. Daar intussen de plaatsbekleding in het algemeen, en deze wijze van plaatsbekleding door een dier nog in het bijzonder, niet van zichzelf, maar alleen door de goddelijke genade de kracht bezit, om te verzoenen en te dekken; daar de zonde als belediging van een eeuwig, heilig God, Heer en Schepper van de hemel en de aarde, een dood eist, waarbij het met de tijdelijke dood (welke het offerdier alleen kan sterven) nog niet gedaan is, en een straf, welke ook tot in de scheool (de helle of verblijfplaats van de afgescheiden mensenzielen), nog voortgaat, ja eeuwig voortgaat, daar aldus Gods genade nog het beste en grootste doen moet door vergeving van de zonde, zo wordt hierop het frisse, nog vloeiende en dampende bloed op het altaar, als plaats van de bij het offer aanwezige God en daarmee binnen het bereik van Zijn heerschappij voerende genade gebracht, opdat de Heere dit werkelijk als zoenoffer late gelden, de ondergane dood hem, voor wie deze ondergaan is, ten goede doe komen, en, tot afwending van de tweede, de eeuwige dood, het leven schenkt. Deze tweede daad van de offerdienst, in zoverre die tot verzoening dient, kan-het spreekt wel vanzelf-niet de offeraar zelf maar alleen de middelaar van Gods genade, de priester verrichten. Hij verricht haar nu in drieledige vorm, of in die van de uitgieting, waarbij hij rondom het altaar gaat, of in die van het bestrijken van de altaarhoornen met de vinger, of eindelijk in die van de werkelijke besprenkeling; en nu kan men de beide laatste wijzen wederom verdelen, of naar het altaar, welks hoornen men bestrijken moet, of naar de richting, in welke de besprenkeling volbracht wordt.
Er is verschil tussen de uitleggers, omtrent de persoon, die het offerdier moest slachten. Menen sommigen, dat dit werk door een priester moest geschieden, anderen zijn van mening, dat het slachten op zichzelf door de offeraar gedaan werd. Het laatste achten wij het waarschijnlijkst. Ook het paaslam of het paasoffer werd geslacht door de huisvader. In dit vers en in andere, komt het o.i. duidelijk uit, dat het werk van de priester begon met het opvangen en het plengen van het bloed.
2) Het altaar werd met bloed besprenkeld, opdat het volk zou weten, dat het bloed, dat uit het offerdier vloeide, niet op de aarde mocht vallen, maar God moest worden gewijd en als het ware een aangename geur ademde, zoals heden voor Zijn aangezicht het bloed van Christus verschijnt.
Het sprenkelen van het bloed was als het voornaamste van de offeranden. Het bloed was het rantsoen, dat de zondaar gaf voor zijn zonde, Gode ten zoenoffer. Daarom schaduwde het bloed van bokken en stieren het verzoenende bloed van Christus af.
6. Dan zal hij het brandoffer de huid 1) aftrekken, en die voor de dienstdoende priester ter zijde leggen (hoofdstuk 7:8) en het daarna, in zijn stukken delen.
1) De huid kwam de priester toe. In de voorhof stonden acht stenen pilaren, ieder voorzien met drie ijzeren haken, om de huid gemakkelijker af te trekken.
7. En de zonen van Aäron, de priester, zullen in die tussentijd vuur maken 1) op het altaar, het bestendig daarop brandende vuur (hoofdstuk 6:13) aansteken en zij zullen het hout op het vuur schikken.
1) Dit ziet natuurlijk op de eerste maal, omdat het vuur immer moest brandende worden gehouden, tenzij men vuur maken opvat in de zin van opstoken, aanblazen.
8. Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, wanneer de offeraar met het in stukken delen, (vs.6) gereed is, de stukken, en bovendien het hoofd, en het smeer, 1) nadat zij het voor alle offers nodige zout (hoofdstuk 2:13) daar bijgevoegd hebben, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
1) In het Hebreeuwsrdp (Phéder), het vet, dat van de ingewanden was afgewassen. De LXX vertaalt stear. Uitdrukkelijk wordt hier gesproken van het hoofd en het smeer, om te doen uitkomen, dat het gehele dier, uitgezonderd de huid en het vuil van de ingewanden, moest verbrand worden.
9. Doch Zijn ingewanden, zoals de maag, long, lever en darmen, en zijn onderschenkels, die met de ingewanden onreine delen van het dier zijn, zal men (de offeraar,vs.6) met water uit het koperen bekken wassen, en de priester zal dat alles, behalve de vleesstukken met het hoofd en het vet, ook de vroeger gewassen ingewanden en schenkels, aansteken1) op het altaar. Hetgeen op deze wijze in het vuur wordt opgelost eneen aangename reuk verspreidt, is een brandoffer, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HEERE, 2) het behoort tot de verschillende soorten van verbrandingen, die bestemd zijn, om de Heere een liefelijke reuk te bereiden, waarin Hij zijn welbehagen vindt. (zie “Ge 8.21)
1) In het Hebreeuws Chiktir, eigenlijk in rook en damp laten opgaan. Niet het tot as doen vergaan wordt hier gezegd, maar het doen opgaan in rook, om daarmee te wijzen op het feit, dat het offer aan de Heere werd gebracht, dat het een liefelijke reuk was in de neusgaten van de Heere.
2) Door deze verzoening die in twee handelingen, die van de handoplegging en doding aan de ene, van de bloedopvanging en bloedsprenkeling aan de andere zijde volbracht wordt (vs.1-5), is de grond gelegd voor de nu (vs.6-9) volgende gave van een brandoffer. Zonder het eerste kan het laatste niet plaatshebben; want is het brandoffer, waarvan het eigenaardig kenmerk is, dat het voorgoed in het altaarvuur verdwijnt, (waarom het nu ook een geheel verteerd vuur genoemd wordt, Deuteronomium. 33:10 Psalm. 51:21), bestemd, om de overgave van de mens tot een volkomen eigendom aan God zinnebeeldig voor te stellen, en daar zulk een overgave toch nimmer geheel volbracht wordt, hier tenminste door een plechtige verklaring van haar noodzakelijkheid te vergoeden, dan moet de mens vooraf in een betrekking tot God gebracht zijn, waarbij toch eerst waarlijk van een toewijding aan God sprake kan Zijn, in de betrekking van een ontzondigde en gerechtvaardigde. Deze daad van de overgave wordt nu evenzo door twee handelingen volbracht; van de zijde van de offeraars door het in stukken delen van het offerdier, van de zijde van de priester door bezorging van de offerverbranding. Daar het voor de offeraar op een overgave van al de leden van zijn lichaam, en al de krachten van zijn ziel aankomt, moet hij de ontleding van het dier tot in het minste toe bewerkstelligen. De huid wordt afgezonderd, als voor een offer niet bruikbaar, maar toch als tot het offer behorende aan de priester gegeven; de inwendige delen worden dan even goed als de uitwendige voor het brandoffer gereed gemaakt, terwijl die delen, welke bij het leven van het dier met vuil en onreinheid in dadelijke aanraking zijn geweest eerst zorgvuldig worden gewassen. Terwijl de priester nu het offer op het met hout voorziene altaar legt, wordt het door hem aan wie de verzoening met God en de overdracht aan God is opgedragen, de Heere toegewijd; terwijl in het brandoffer de Heere zelf het overneemt. Bij deze verbranding blijven de stoffelijke bestanddelen terug, maar de eigenlijke essentie of het wezen stijgt in de fijnste verheerlijkte lichamelijkheid ten hemel; dit is een beeld van de zuivering en heiliging, op de ontzondiging en rechtvaardiging in de verzoeningsdaad die nu volgt, gelijk de gehele overgave aan de Heere deze ten doel heeft. De verbranding wordt niet bewerkt door gewoon, maar door heilig vuur, door hetzelfde, dat bij het eerste offer van Aäron door de Heere zelf is ontstoken (Leviticus. 9:24; 2 Kron.7:1), en dan in zijn goddelijke oorsprong daardoor onderhouden wordt, dat het nimmer op het altaar mag uitgaan (Leviticus. 6:12 vv.), want de kracht, welke loutert en heiligt, is niet die van de menselijke ijver, maar de kracht van de in de gemeente werkende Geest van God.
10. En indien (vs.3) zijn offerande is van klein vee, 1) van schapen of van geiten ten brandoffer, zal hij, ook in dit geval, een volkomen mannetje offeren.
1) Zij, die niet in staat waren een var te offeren, brachten een schaap of geit, en wie nog armer was, bracht een tortelduif of een jonge duif. Ook de arme kon en mocht en moest tot God naderen. Ook het penningske van de weduwe is Hem aangenaam.
11. En hij zal na de voorstelling en handoplegging, dat slachten aan de zijde van het altaars noordwaarts, 1) voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar, aan de vier hoeken van de koperen rooster (Exodus. 27:4 vv.), sprenkelen.
1) Hoogstwaarschijnlijk omdat ook de tafel van de toonbroden in het Heilige stond aan de noordzijde en omdat de ingang van de voorhof was aan de zuidzijde.
12. Daarna, na het aftrekken van de huid, zal hij het in zijn stukken delen, bovendien 1) zijn hoofd en zijn smeer, en de priester zal die, met het in stukken gedeeldelichaam, waarvan hoofd en smeer voor de verdeling afgescheiden zijn, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
1) De vertaling bovendien is minder juist. Het is toch niet de bedoeling, dat het hoofd en het smeer in stukken werden gedeeld. Betere vertaling is: en scheidde zijn hoofd en zijn smeer af: Zo geschiedde het ook bij de offeranden van het grote vee.
13. Doch de ingewanden en de schenkels zal men met water wassen, voordat de priester ze bij het overige legt. En de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar. Het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor de HEERE.
14. En indien zijn offerande, omdat hij te arm is, om een offer van vee (vs.2) te offeren, voor de HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven of van jonge huis- of hofduiven offeren1) (Leviticus. 5:7; 12:6,8; 14:22,31; 15:14 vv.; 29 vv. Numeri. 6:10 vv.).
1) Ganzen en hoenders kent het Oude Testament nog niet; deze waren, zo zij dan al gevonden werden, zeker zeer zeldzaam, zoals zij dan ook heden in Syrië, Palestina, enz. ontbreken; deze schijnen eerst ten tijde van de Perzen naar West-Azië overgebracht te zijn, en worden dan ook in het Nieuwe Testament vermeld (Matth.23:37; 26:24). Duiven zijn echter in Palestina in overvloed, zowel hof- als veldduiven. De tortelduif is een trekvogel (Jeremia. 8:7), die met de lente komt (Hoogl.2:12); zij is enigszins kleiner dan de veld- of bosduif; zij kenmerkt zich door een grauwe rug, door vleeskleurige borst, zwarte vlekken met witte dwarsstrepen aan de zijden van de hals en witte punten aan de slagvlerken, en heeft haar naam van het eigenaardig geluid, dat zij maakt, vooral bij verandering van weer. Zoals de in vs.14 aangehaalde plaatsen tonen, werden de duiven slechts bij minder betekenende aanleidingen of door armen, als vergoeding voor een groter offerdier, ten offer gebracht.
Van oudsher is bij de Israëlieten de veldduif en de tortelduif inheems geweest. Volgens bekende reizigers maakte de duif het voedsel uit van de armeren en behoeftigen. Het is daarom dan ook, dat een arme met een duif ten brandoffer volstaan kon.
15. En de priester zal die tot het altaar brengen en diens hoofd met zijn nagel splijten 1)(aftrekken) en op het altaar aansteken; de afgetrokken kop dadelijk op het altaarvuur leggen, en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden, 2) daar er te weinig bloed is, om daarmee het altaar aan alle zijden te besprenkelen.
1) Het woord splijten heeft hier niet de betekenis van een spleet maken, maar die van afscheuren. Het hoofd of de kop werd geheel van de vogel afgenomen. Het woord in de grondtekst qlm (molak), door de LXX vertaald met apoknisein, betekent dan ook afknijpen. De volgende woorden in de tekst geven recht, om vast te stellen, dat het hoofd geheel en al werd afgetrokken.
2) De reden, waarom de Priester het gevogelte doodde, daar de offeraar anders het rund slachtte, was omdat het sprenkelen van het bloed, hetgeen niemand dan de Priester mocht doen, ten eerste en bijna tegelijk met het doden van de vogel geschieden moest, opdat het bloed in de aderen niet stremmen zou.
16. En zijn krop met de darmen en het vuil, en ook zijn veren zal hij (de priester, die bij zulke offers in het algemeen de afzonderlijke verrichtingen alleen volbrengt) wegdoen 1) en hij zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, op de aldaar zich bevindende plaats van de as.
1) Zoals bij het gedierte de huid werd weggedaan, alzo bij het gevogelte de veren. Deze veren werden bij de as gevoegd. De plaats van de as was aan de oostzijde van het altaar, zover mogelijk van het Heilige der Heiligen verwijderd. Alle onreinheid moest van de godsdienst zover mogelijk gehouden worden. Dit werd hierdoor afgebeeld.
17. Verder zal hij die met zijn vleugels klieven, daar waar de vleugels aan de romp vastzitten, breken, niet geheel afscheiden, en de priester zal die, nadat hij alles eerst met zout bestrooid heeft, aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; 1) het is niet minder dan het volkomen offer van de meer gegoeden (Leviticus. 9:13), een brandoffer een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HEERE. 2)
1) Deze offerande van gevogelte was de moeilijkste van allen, ten einde de priesters indachtig te maken, dat zij zowel hun aandacht en oplettendheid moesten vestigen op de offeranden van de armsten als op die van de rijksten. Het is daardoor ook, dat ook nu nog eens herhaald wordt, dat de priester die offerande moest aansteken op het altaar.
2) Reeds in Exodus. 29:38 vv. werd over de brandoffers gesproken, en werd daar bevolen, dat bij de dagelijkse morgen- en avondgodsdienst een éénjarig lam als brandoffer zou worden gebracht, in naam van en voor de gemeente. Daardoor zou in Israël het bewustzijn levendig worden gehouden, dat de gemeente van de Heere tot een onbepaalde en volkomen overgave aan Hem verplicht is, en dat in een dergelijke toewijding haar karakter en haar bestemming besloten lag. Maar juist deze dagelijks zich herhalende in de plaatsstelling van de gemeente door een offerdier wijst tegelijk profetisch daarop, dat eenmaal iemand uit haar midden zou voortkomen, die metterdaad en in waarheid, en met een vrij besluit van zijn wil dat volbrengen zou, wat het offerdier slechts zinnebeeldig en zonder, ja, tegen zijn wil deed!.
Het oudtestamentische brandoffer is dus type van Christus, d.i. een korte, nog onuitgevoerde, maar toch reeds de grondtrekken volkomen bevattende voorstelling van de dadelijke en lijdende gehoorzaamheid van de Verlosser (Efez.5:12). Volmaakt wat kennis, geestelijke en zedelijke kracht aangaat, zocht Hij toch door deze krachten zijn eigen eer niet, maar wijdde ze zonder enig voorbehoud God toe. Zijn denken en betrachten, zijn spreken en handelen was de Heere gewijd; die Hij diende kende Hij; Hij had Hem lief met een onverdeelde liefde Hij vereerde Gods persoonlijk wezen en hield dit heilig; Hij verstond Zijn raadsbesluiten, Hij wist wat tot handhaving van Gods eer nodig was, en deed in alles naar hetgeen die eer vorderde. Alleen Christus kon zeggen: “Ik heb de Heere altijd voor Mij; Mijn spijze is, dat Ik doe de wil van de Vader; Ik ben niet gekomen om Mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft om Zijn werk te volbrengen.” En als Hij aan het einde van Zijn lijdensbaan de Vader had kunnen bidden Hem van het kruis en van de toorn, die daar op Hem lag, te bevrijden; als Hij, naar Zijn eigen woorden, Zijn Vader kon bidden, en de Vader Hem meer dan twaalf legioenen engelen zou hebben gezonden, daar kon Hij niet alzo bidden, eiste Hij geen bevrijding, maar sprak met onderwerping: “Vader! verheerlijk Uw naam.” Hier werd de onbepaalde overgave aan God getoond, welke in het brandoffer afgeschaduwd werd. Hij was gehoorzaam tot in de dood, ja tot de dood van het kruis. Wel had het kruis vele andere betekenissen en betrekkingen, maar een zaak, die daarin ten opzichte van Hem zelf duidelijk openbaar wordt, was de voor niets terugwijkende gehoorzaamheid van Hem die daar leed, ja van de Een, die altijd gezegd had: “Vader, niet Mijn maar Uw wil geschiede.”
Onze roeping, onder de nieuwe bedeling, is het, dit voorbeeld iedere nieuwe levensdag altijd weer opnieuw ons voor te stellen, naar de apostolische vermaning, Rom.12:1: “Ik bid u dan, broeders! door de ontfermingen van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en God behaaglijke offerande, die uw redelijke godsdienst is.” Wij doen het als degenen, die tot heden in deze roeping niet getrouw zijn geweest; en, zoals wij werkelijk zijn, kunnen wij het ook niet doen, want onze zonden maken scheiding tussen onze God en ons. Maar juist daarom is het brandoffer van Christus niet alleen een voorbeeld ter navolging, maar ook een bedekking van onze zonden; en dat dit brandoffer werkelijk zowel tot onze rechtvaardiging als tot onze heiliging strekt, daarop wijst ons het Mozaïsche brandoffer in de beide daaraan volbrachte handelingen, de slachting en de verbranding.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Zonder de dood van Jezus blijft er voor ons niets over dan de dood. Vergeet de Gekruisigde, en wij hebben de enige Naam vergeten waardoor wij zalig kunnen worden.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Leviticus 1
Leviticus 1:4.KruisverwijzingenExodus 29:10→Leviticus 3:2→2 Kronieken 29:23→Exodus 29:15→Leviticus 4:26→Exodus 29:19→Leviticus 4:20→Leviticus 4:31→
— En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
Wie zijn hand op het hoofd van het offer legde, deed daarmee belijdenis van zonde. Om welk offer het ook ging dat een gelovige Israëliet bracht — er was altijd zonde in vermeld, hetzij stilzwijgend hetzij uitgesproken. Willen wij Hém tot onze verzoening hebben, die God tot Zijn offer gesteld heeft, dan moeten wij tot Hem komen met belijdenis van onze zonde. Ons grijpen naar Jezus moet het grijpen zijn van iemand die weet dat hij schuldig is. Hij is alleen ons eigendom wanneer wij zondaren zijn.
In deze handeling lag ook een belijdenis van eigen onmacht. De gelovige die het rund bracht, zei daarmee zoveel als: “Ik kan uit mijzelf de wet van God niet houden en ook geen verzoening doen voor mijn vroegere overtredingen van de geboden. Evenmin mag ik hopen door toekomstige gehoorzaamheid aangenaam te worden bij God. Daarom breng ik dit offer, want zonder dit kan ik niet aangenaam worden.”
En wanneer iemand zijn rund, zijn geit of zijn lam bracht en er zijn hand op legde, wetende dat het arme dier sterven moest, dan erkende hij daarmee dat hij zélf de dood verdiend had. Het offerdier viel in het stof, worstelend, bloedend, stervend. De offeraar beleed dat dit was wat hij verdiende.
Het leggen van de hand op het hoofd van het offer betekende ook vereenzelviging. De offeraar die zijn hand op het rund legde, zei in wezen: “Het behage U, Heere, mij met dit rund te vereenzelvigen, en dit rund met mij. Mijn zonde is overgedragen. Moge ik geoordeeld worden als in het slachtoffer begrepen en door hem vertegenwoordigd.”
Dan werd het mes uit de schede getrokken en het offerdier gedood. Het werd niet enkel gebonden maar gedóód — en de mens stond daarbij en zei: “Dat ben ik; dat is het lot dat ik verdien.” En als de offeraar recht van hart was en geen enkel vormendienaar, dan stond hij daar met tranen in de ogen en gevoelde in zijn binnenste: “Die dood is mijn dood.”
Leviticus 1:5.KruisverwijzingenLeviticus 3:8→Leviticus 1:11→Leviticus 3:2→2 Kronieken 35:11→Leviticus 3:13→Hebreeën 12:24→1 Petrus 1:2→Exodus 29:16→
— Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.
Het doden van het offer was volstrekt onmisbaar. De Israëliet bracht een rund zonder gebrek, maar dat het zonder gebrek was, maakte het nog niet tot een verzoening voor de zonde. Er graasden zonder twijfel nog vele volkomen runderen en lammeren op de vlakten van Saron. Als het meest volmaakte dier levend van het altaar was weggegaan, dan zou het niets, maar dan ook niets tot verzoening hebben uitgewerkt. Het moest zonder gebrek zijn om ook maar een offer te kúnnen zijn — maar zijn volkomenheid maakte het nog geen slachtoffer voordat het gedood was.
En zo moest ook Jezus sterven. Zijn volmaakte natuur, Zijn zware arbeid, Zijn onberispelijke leven, Zijn volkomen toewijding konden ons niets baten zonder de vergieting van Zijn bloed. Zijn sterven is dus niet een aanhangsel bij Zijn leven en niet enkel het slot ervan, maar het gewichtigste van alles wat met Hem te doen heeft. Het staat op de voorgrond. Het is het hoofd en het voorste van Zijn verlossingswerk. Wij achten Hem terecht hoog om Zijn voorbeeld en om Zijn levende voorbede — maar waar het over de verzoening gaat, is het boven alles nodig dat wij Hem zien als het geslachte Lam. Neem deze plaatsvervangende dood van onze Heere weg, en u hebt alles weggenomen. Zonder de dood van Jezus blijft er voor ons niets over dan de dood. Vergeet de Gekruisigde, en wij hebben de enige Naam vergeten waardoor wij zalig kunnen worden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
WET VAN HET BRANDOFFER.
I. Vers 1-17
Nadat de heiligheid van God de tent der samenkomst bedekt heeft (Exodus. 40:34), openbaart God Zich naar Zijn belofte (Exodus. 25:22), voortaan in deze plaats aan Mozes, en deelt hem een wet van het offer mee. Hij begint met de brandoffers, het oudste en voornaamste van de verschillende offers, en bepaalt zowel het materiële als het rituële, d.w.z. zowel de verschillende soorten van dieren, die daartoe moeten gebruikt worden, als de aard en de wijze, waarop zij moeten gebracht worden.
1. En de HEERE riep, 1) waarschijnlijk op de dag, die op de oprichting van de tabernakel volgde, Mozes met luide, voor het gehele volk hoorbare stem, dat hij tot Hem in de tabernakel zou naderen, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst (van boven het Verzoendeksel, Numeri. 7:89), zeggende:
1) In deze zeven hoofdstukken spreekt Mozes in het algemeen over de offeranden. Daar hier echter veel dingen bevolen worden, waarvan het gebruik verouderd is; andere, waarvan de betekenis mij verborgen is, beken ik, dat ik met een korte opsomming tevreden zal zijn, waaruit echter de lezers wel zullen begrijpen, dat, wat ons ten opzichte van de wettische schaduwbeelden nagelaten is, ook heden nuttig is, indien wij niet al te nieuwsgierig zijn. Wie zich al te zeer met allegorieën willen bezig houden mogen de lof bekomen, welke zij zoeken, mij, omdat ik geen ander voornemen heb, dan de lezer ten nut te zijn, is het voldoende kort aan te stippen, wat ik nuttig acht, om bekend te zijn. Verder, ofschoon in dit hoofdstuk over de brandoffers wordt gehandeld, blijkt toch, dat de regel, welke hij over deze dingen voorschrijft, van verdere strekking is, wanneer Mozes leert, welke dieren God wil, dat Hem worden geofferd, opdat Hij ze aangenaam vindt; vervolgens, door wie zij te offeren zijn en op welk een wijze. Drie soorten nu tekent hij op: uit het grote, uit het kleine vee en uit de vogels. Want van de rode koe, waarvan de as tot verzoening nodig was, daarvan is hier geen sprake.
2. Spreek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Als een mens uit u de HEERE een offerande, en wel bepaald een brandoffer zal offeren gij zult uw offeranden offeren van het vee (de grote viervoetige huisdieren), van runderen en van schapen, 1) of ook geiten (vs.10).
1) De plaats van samenkomst van God met Zijn volk is reeds aanwezig, maar opdat Hij, zonder verloochening van de heerlijkheid van Zijn wezen, werkelijk met Israël in gemeenschap treden, en dit wederom in Hem rusten en Zijn genade en gemeenschap deelachtig worden kan, is het daartoe verordende genade middel nog nodig. Dit middel zijn de offers, waarvan nu voortaan sprake is. De bovenstaande woorden, waarmee de wet van het offer aanvangt, stellen het brengen van offers, als een bij het volk reeds lang bekende zaak, op de voorgrond. Werkelijk treffen wij ze reeds aan bij de eerste mensen (Genesis 4:3 vv.) en dan bij de aartsvaders (Genesis 8:20; 22:1; 46:1 Job 1:5), als vorm van Godsverering, behalve de aanroeping van de naam des Heeren (Genesis 12:7 vv.; 13:4,18; 26:25; 33:20; 35:7) terwijl de eis van Mozes aan farao (Exodus. 5 vv.) getuigt, dat zelfs gedurende het verblijf van de Israëlieten in Egypte het offeren niet vergeten werd en eindelijk het Sinaï werkelijk gebrachte offer (Exodus. 24:5 vv.). De Heere stelt alzo met de nu volgende regeling van de offerdienst niet iets nieuws in, maar regelt, en ontwikkelt, en voltooit slechts de van de vaderen geërfde vorm van eredienst, opdat zij overeenkomt met de aard van het Verbond, dat Hij met Israël gesloten had, en de bedoeling van dat verbond werkelijk bereikt wordt.
Maar wat is eigenlijk een offer? Dat zegt zowel het Hollandse woord, dat oorspronkelijk offrian (van het latijnse offerre, d.i. aanbrengen) luidt, als ook de Hebreeuwse uitdrukking Korban (Mark.7:11), dat alle soorten van gaven voor God en goddelijke doeleinden omvat; een offer is dus een heilige gave aan God en tot Zijn dienst. Het eerste offer werd zonder twijfel op Gods bevel gebracht en onder Zijn leiding, nog op de dag zelf van de val (Genesis 3:20), en was een brandoffer, dat als bloedig offer tegelijk verzoenend was. Want eer God Adam en zijn vrouw het Paradijs deed verlaten, moest Hij wel het eerst voor de verzoening van hun zonde zorgen; want anders kon Hij naar Zijn gerechtigheid en waarheid het over hen uitgesproken Godsoordeel (Genesis 2:17) niet uitstellen en zo’n geruime tijd tot boete niet verlenen, zoals Hij die nu werkelijk vergunt; anders kon Hij naar zijn heiligheid het onmiddellijk verkeer met hen niet verder doen voortduren, gelijk dit in de toekomst werkelijk geschiedt. Het offerdier was gedurende de daad van de slachting en bloedstorting plaatsbekleder van de mensen, en leed in hun plaats de verdiende straf, die, overeenkomstig de bedreiging van God, nog op dezelfde dag hen had moeten treffen; terwijl zij zelf eigenlijk in dat offer stierven, werd hun zonde verzoend, d.i. voor Gods oog bedekt, zodat de Heere niet meer om deze zonde van hen een afkeer hebben moest; of er werd door teweeggebracht, dat de zonde niet verder om wraak tot de hemel riep, en de goddelijke genade hen ongehinderd kon zegenen. Het offerdier kon natuurlijk de plaats van de mens niet vervangen, in hetgeen het van zichzelf is, als een dier, wiens leven ook op een veel te lage trap staat, dan dat dit voor het leven van een mens zou kunnen gelden, terwijl het ook geen vrijheid van wil heeft, om als plaatsvervanger iets op zich te kunnen nemen; maar de toekomstige, rechte plaatsbekleder was reeds beloofd, op Hem kon het als profetie wijzen; Zijn plaatsvervangend lijden kon het afschaduwen, en de eerste mensen als het ware brengen binnen het bereik van de heilzame werkingen van het eerst na eeuwen te verwezenlijken raadsbesluit. Eer God Adam en zijn vrouw het Paradijs deed verlaten, moest Hij ook ten tweede hen tot vastere en meer onverdeelde overgave aan Zich verbinden, opdat zij geen prooi werden van het zich al meer ontwikkelend zondebederf; maar in plaats van in het geweld van de satan, in Zijn macht zouden zijn; alleen op deze wijze was het Hem mogelijk Zijn opvoedingswegen met hen in te slaan en onder hun nageslacht de beloofde Verlosser een plaats te bereiden. Daarom volgde op de doding en bloedvergieting tot verzoening, de verbranding van het offervlees met vuur, dat de mens zinnebeeldig voor ogen stelde: het zich geheel verliezen in God, en dat hem met heimwee in het hart uit het Paradijs deed gaan, om zelf niets te zijn, maar alleen door en tot God te leven.
Van de huid van het verbrande offerdier maakt de Heere voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, hetgeen wij reeds bij de verklaring van die plaats beschouwden als doelende op de kleren van het heil en de mantel van de gerechtigheid, welke voor de mens eenmaal in geestelijke zin zouden bereid worden. Bij dit offer, door de Heere hem aangewezen, is later een ander gevoegd, toen de mens zich toewijdde aan het hem aangewezen levensberoep, het veld te bebouwen, en hij de vrucht inzamelde; want wanneer uit Kaïns offer (Genesis 4:3 vv.), vergeleken met dat van Abel, deels blijkt, dat hij de eersteling is van allen, die het met de godsdienst zo gemakkelijk mogelijk opnemen, en als het ware met God een verdrag maken, in plaats van Hem te dienen, zo is het toch een bewijs, in zoverre Kaïn zich aan de macht van de geestelijke invloed, welke in het ouderlijk gezin heerste, niet onttrekken kon, dat reeds de eerste mensen zich verplicht hebben gevoeld, de vrucht van hun vlijt en de opbrengst van hun arbeid, de Gever van alle goede gaven en volmaakte giften toe te wijden in een door hen gebracht spijsoffer. Zo is het zeer natuurlijk, dat Noach, nadat hij met de zijnen de ark verlaten heeft, geen spijsoffer brengt, maar alleen een brandoffer (Genesis 8:20). Zijn hand is langer dan een jaar werkeloos geweest, het aardse beroep is niet waargenomen, daarom heeft hij ook niets van de vruchten van zijn vlijt aan te bieden. Wel erkennen wij daaruit, dat de Heere bij gelegenheid van dat offer Zijn genaderaad bekend maakt, voortaan de menselijke zonde met goddelijk geduld te verdragen, gelijk dan ook dit brandoffer beide doeleinden in zien verenigt, zowel voorlopig de verzoening van der zonde te bewerken, totdat de ware schuldverzoener komt, als de bereidwilligheid van het hart tot volkomen toewijding aan God zinnebeeldig voor te stellen; en daar vanwege de menselijke zwakheid het willen toch nimmer een volkomen volbrengen wordt, dat gebrek daardoor te vergoeden, dat althans het bewustzijn van de verplichting zich uitspreekt. Van de tijden van Noach af bestond er dan nog een derde soort van offers, wij bedoelen de dankoffers. Wel hebben wij daarvoor geen enkel duidelijk bewijs uit de Schrift; daar evenwel van nu aan het gebruik van vlees aan het menselijk geslacht uitdrukkelijk door God vergund wordt (Genesis 9:3 vv.), zo volgt het ontstaan van de dankoffers daaruit vanzelf. Ook uit de geschiedenis van de Joden blijkt, dat de mens van nature tot het gebruik van vlees niet bestemd geweest, en dat dit hem alleen door God met het oog op menselijke zwakheid vergund is, en wel daaruit, dat zij geen ander vlees dan offervlees genoten en hun slachtvee tevoren tot een offer gebruikten (Herodotus 1:131; 2:41). Zij hebben zonder twijfel dit gebruik overgenomen van de tweede stamvader van het menselijk geslacht. In Israël werd gedurende de tijd van de omzwerving in de woestijn dit tot een wet gemaakt (Leviticus. 17:1 vv.), en wanneer zij daarna ook weer moest opgeheven worden, daar de aanwezigheid van slechts een offerplaats in het land Kanaän haar onmogelijk maakte, bleef echter de herinnering aan haar bestaan in de betekenis van het woord sebach. Op zichzelf betekent dit woord iets dat geslacht is in het algemeen (Deuteronomium. 12:15; 1 Samuel. 28:24 12.15 Spreuken. 17:1), doch dit verkrijgt dadelijk de gebruikelijke betekenis van slachtoffer (Luther, “offer”, Genesis 46:1; 1 Samuel. 2:29 Psalm. 40:7) en duidt in bijzonder de dankoffers aan (Deuteronomium. 12:27; 1 Samuel. 6:15 vv.). Dien ten gevolge nemen wij met vrijmoedigheid aan, dat Noach de dieren, die voor het gebruik van hun vlees geslacht moesten worden, vooraf de Heere opofferde; dat hij hen slachtende en hun bloed vergietende, zijn zonden beleed en zich aan de genade van God overgaf, dan de vetstukken als het beste van het vlees, op het altaar met vuur verbrandde, en eerst dan, als aan Gods dis, aan wie met het beste deel het geheel toegewijd was, met het overige vlees zijn maaltijd deed. Wij menen, dat ook de oorsprong van de dankoffers bij Noach moet gezocht worden. Zij maken het andere deel van de spijsoffers uit, en hebben naar alle waarschijnlijkheid hun begin gehad, toen bij de akkerbouw ook de wijnbouw gevoegd werd, en nog meer bepaald toen de eigenlijke wijnbereiding werd uitgevonden (Genesis 9:18 vv.). Wat hem overkwam, toen hij van de nieuw uitgevonden drank de proef nam, en waardoor hij in de zwakte van zijn vlees voor zijn zonen openbaar werd, is voor de godvrezende man zeker een dringende vermaning geweest, om ook deze vrucht van zijn werkzaamheid door een offer van deze drank te heiligen. Volgens deze ontwikkeling wijzen brand- en spijsoffer op de eerste, dank- en drankoffer op de tweede stamvader van het menselijk geslacht; tot de eerste offers heeft God onmiddellijk door Zijn Woord, tot de andere door Zijn geest de impulsie of aanleiding gegeven. Dat het brandoffer tegelijk zoenoffer was bewijst duidelijk hetgeen van Job, deze uitstekende, tot het vóórmozaïsche tijdperk behorende knecht van God (1:5), vermeld wordt. De daad van de verzoening, die aan het eigenlijke brandoffer voorafging, wordt geregeld in het deel dat wij nu voor ons hebben. Zij bestaat aan de ene zijde in de tweeledige handeling van de handoplegging en van de doding, aan de andere zijde, in het opvangen van en besprenkelen met het bloed; die is de daad van de offeraar, deze de daad van de priester.
3. Indien zijn (van de offeraar) offerande een brandoffer van runderen is, de eerste van de in vs.2 opgenoemde soorten van vee, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, bij het in het voorhof staande brandofferaltaar, als de plaats, waar alleen offers zullen gebracht worden (17:1 vv.), om door zo’n plaatsing te betuigen, dat hij zijn offer tot een gave voor zijn God brengt, die Zich hier aan Zijn volk in genade wilopenbaren; hij zal het offeren naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de Heere ook van Zijn zijde het offer als een welkome gift van hem aanneemt en hem Zijn welgevallen betoont.
Hij beveelt zowel mannelijke runderen als lammeren, schapen en bokken te offeren. Vervolgens, volkomen en vrij van alle gebreken. Waaruit wij zien, dat de offerande niet dan uit het gedierte van de aarde is gekozen. Vervolgens, dat het God niet onverschillig was, welke dieren gebruikt werden, maar dat het huisdieren moesten zijn, en welke toelieten, dat zij door de macht en de wil van de mensen werd bestuurd. Want, ofschoon gemzen en wilde geiten ook wel tam gemaakt worden, zo heeft God toch niet geduld, dat zij tot Zijn altaar werden gebracht. Dit is nu wel het beginsel van de gehoorzaamheid, dat de mensen niet naar eigen willekeur deze of gene slachtoffers offerden, maar uit hun grootvee hun runderen en uit de kudden hun lammeren of bokken moesten nemen.
Om twee doeleinden wordt de reinheid geëist. Want omdat de offeranden schaduwbeelden van Christus waren, behoorde zijn hoogste volkomenheid in alle dingen afgeschaduwd te worden, waarmee de Hemelse Vader te behagen was. Vervolgens moesten zij de Israëlieten vermanen, om alle onreinheid van God verre te houden, opdat zij Zijn dienst met hun onreinheden niet bezoedelden. Doch zoals God hen aanzette tot ijver voor de ware volkomenheid, zo leerde Hij hen ook genoeg en voldoende, dat, indien zij niet hun geloof op Christus stelden, zij zichzelf beroofden van wat hun voordelig was, en dat de reinheid van het stomme dier God geen voldoening gaf, indien het niet iets voortreffelijks afschaduwde.
4. En hij zal daarna, zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, 1) om het daarmee in zijn plaats te stellen, dat het in zijn plaats doet en lijdt, wat hij eigenlijk zelf doen en lijden moest, namelijk de dood, opdat het voor Hem aangenaam zij, om hem te verzoenen, 2) door God ook als plaatsvervanger aangenomen worde, en door de dood, die het ondergaat, de zonde van hem, die zijn schuld en zijn doodvonnis daarop gelegd heeft, verzoent.
1) In de tweede plaats wordt vooropgezet, dat, wie het offerdier aanbiedt, nadat hij genaderd is tot de deur van de tabernakel, zijn hand legt op het hoofd van het brandoffer. Deze ceremonie nu is niet slechts een teken van wijding, maar ook van verzoening of van een zoenoffer (piaculum), omdat het dier in de plaats van de mens wordt gesteld, hetgeen Mozes uitdrukt met de woorden: opdat het voor Hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Er is daarom volstrekt geen twijfel aan, of hun schuld, welke straf ook was verdiend, brengen zij over op het offerdier, opdat zij God verzoening zouden doen. Verder, omdat deze verzekering volstrekt niet bedrieglijk was, is vast te stellen, dat de prijs van de voldoening in de offerande van het Oude Verbond is geweest, welke hen voor zichzelf heeft ontslagen van schuld en straf in het oordeel van God, niet echter, omdat nu op zichzelf de stomme dieren bij machte waren de schuld te verzoenen, maar in zoverre zij bewijzen waren van de genade, die door Christus zou worden verworven. Alzo zijn de ouden door de offerande op sacramentele wijze verzoend met God, zoals wij heden door de doop worden gereinigd. Waaruit volgt, dat deze symbolen slechts in zoverre nuttig waren, als zij aansporing waren tot boete en geloof, opdat de zondaar de toorn van God zou leren vrezen en in Christus vergiffenis zoeken.
Maimonides zegt, dat hij de oplegging der handen doen moest met alle zijn macht. Dit was een plechtigheid bij de dank- en zondoffers (Le.3:2 4:4) als bij de brandoffers gebruikelijk, en kan ons bekwamelijk verbeelden, die daad des geloofs, waardoor een ziele, overtuigd van zijn zonde, onmacht en verdoemelijkheid, zich op de Heere als een vasten grondsteun neerzet en vestigt, met verlating van alle gebrokene rietstengels, van eigen gerechtigheid en wijsheid.
Wij treffen voor het eerst in Genesis 48:14 het gebruik van de handoplegging aan, waar het ook reeds voorlopig verklaard werd; hier moet het daar, onder 5a, vermelde geval nog bijzonder beschouwd worden. Uit de aangehaalde plaats van Passavant blijkt, dat de handoplegging bij al de verschillende handelingen, die daarmee gepaard gaan, altijd een mededeling te kennen geeft van hetgeen de een bezit en de ander van hem ontvangen zal. Hetgeen meegedeeld moet worden kan of iets zijn, dat hij die de handen oplegt de ander wil meedelen, zonder zichzelf te beroven; dan moeten wij ons die mededeling denken, zoals de brandende vlam een tweede vlam doet ontstaan, zonder daarom zelf iets te verliezen (zo bij zegening, genezing van zieken, mededeling van de Heilige Geest en inwijding tot een ambt); of iets, waarvan hij, die de hand oplegt, zich wil ontdoen, opdat de ander het geheel en alleen heeft; zo in de beiden naar Genesis 48:14 het laatst opgenoemde gevallen. Daar is het een meedelen in de eigenlijke zin van het woord, hier een over- of weggeven. Maar wat wordt nu bij de handoplegging op het offerdier daaraan overgegeven, of daarop overgedragen? Volgens de leer van de kerk de zonde van hem, die de hand oplegt met de door haar aangebrachte schuld, of het doodvonnis; evenwel komt het overdragen van zonde op het offerdier, streng genomen, maar eenmaal in de Mozaïsche wetgeving voor, namelijk met betrekking tot de enkele bok op de grote Verzoendag, die dan met de op hem overgedragene schuld naar de woestijn wordt uitgedreven (Leviticus. 16:20 vv.). Wij moeten dus juister zeggen, dat de offeraar, door middel van de handoplegging, het doodvonnis van zichzelf op het offerdier overdraagt; of met andere woorden, de schuld van zijn zonde. Voor deze opvatting spreekt ook Leviticus. 24:14 vv. en de geschiedenis van Suzanna (vs.34), slechts met dit onderscheid, dat hier de schuld of het doodsoordeel van hem, wie de handen werden opgelegd, juist daardoor weer wordt teruggeven; zij, die de handen opleggen, willen daaraan geen deel hebben; maar zij zouden die schuld van het doodsoordeel deelachtig worden, wanneer zij, wat nu geschieden moet, de doodstraf niet voltrokken (Numeri. 35:31 vv.)
Een tweede punt, dat tot beter begrip van de offerwetten moet worden ontwikkeld, is de betekenis van het woord verzoenen. Zeer terecht zegt Kurtz: “Het hoogste en moeilijkste, ja het eigenlijke en enige raadsel van de gehele geschiedenis van de genade, dat door Gods genaderaad moet worden opgelost, is de verzoening van de zondige mens: is deze zwarigheid opgelost, dan zijn ook alle andere zwarigheden verdreven, dan is de weg tot het verkrijgen van alle andere heilgoederen reeds gebaand. Niet dit is de zaak, dat de door en tot God geschapen mens als zodanig tot de gemeenschap met God kom en daarin blijft, dat levert op zichzelf geen bezwaren op, dat zou zich om zo te zeggen vanzelf vinden; maar hier is de vraag, of, en hoe de zondige mens, in weerwil van zijn zonde, die alle banden van de gemeenschap met God verscheurd heeft en hun hereniging onmogelijk maakt, toch nog weer tot die gemeenschap komen kan. Alleen verzoening, d.i. uitdelging van zijn zonde, kan dit onmogelijke mogelijk maken, daarom is verzoening van zijn zonde de Alfa en de Omega voor de behoefte en het heimwee van de zondaar, die uitziet naar de gemeenschap met God. Daarom wordt de offerwet, die met haar genadebedelingen aan deze behoefte, aan dit heimwee tegemoet komt, niet moe altijd weer opnieuw haar wachtwoord “verzoenen” of “de priester zal hem verzoenen” uit te spreken.
De in het Hebreeuws gebruikte uitdrukking voor “verzoenen”, betekent eigenlijk dekken, bedekken, toedekken, en wel in figuurlijke of oneigenlijke zin. Wat nu bedekt of toegedekt zal worden (lijdende zin), is het God mishagende of Hem tegenstaande, waardoor Zijn toorn opgewekt en Zijn straf geëist wordt, alzo de zonde of overtreding van Zijn geboden; zij is dit ook, wanneer er van een verzoenen van de zondaar sprake is; juist de hem aanklevende zonde en onreinheid moet worden toegedekt, opdat hij van Gods toorn en straf bevrijd worde. Wat nu bedekt of toedekt (bedrijvende vorm), kan geen dienst, een gave aan God zijn, die Hem op Zijn uitdrukkelijk verlangen gebracht wordt (Exodus. 30:11 vv., het losgeld van een halve sikkel), of de bede, de voorbede van een Middelaar, die in Gods oog wat betekent (Exodus. 32:30 Deuteronomium. 16:46 vv., Aärons reukvat), of ook het bloed van de offerdieren, dat de Heere tot verzoening van de zielen gegeven heeft (Leviticus. 17:11) elk van deze drie verzoeningsmiddelen plaatst zich tussen de zonde van de mens en de toorn van God als een belemmering, zodat zowel God de zonde niet meer ziet, zoals zij op zichzelf is, als een misvorming van Zijn beeld in de mens en een opstand tegen zijn heilige wil, zodat ook de zonde niet meer om wraak ten hemel schreit en Gods straffende gerechtigheid niet meer inroept. Zulk een verzoenende of bedekkende kracht hebben zij natuurlijk niet op zichzelf, deze is hun door God slechts zó lang toegekend, als de rechte in zichzelf tot verzoening geschikte middelen, nog niet aanwezig zijn, en wel met bepaalde heenwijzing naar deze, zodat zij eigenlijk reeds werken, eer zij in de wereld zijn; wij menen ‘Christus’ losprijs, ‘Christus’ voorbede, ‘Christus’ bloed.
Wanneer wij zo-even over een bepaalde betrekking op deze drie verzoeningsmiddelen spraken, dan blijft in ieder geval de verborgenheid van de nieuwtestamentische verzoendag in het Oude, voor het tegenwoordige nog onbekend, althans tot op de profeten Jesaja 53) wordt van dit geheim nog niets verklaard; maar voor het oog van de Heere is alles reeds helder en duidelijk; ook voor de geest van de vromen en gelovigen is het niet geheel bedekt meer. Nu volgt de vraag: hoe het mogelijk zal zijn, dat een tussen de zonde van de mens en de toorn van God bestelde bedekking, God kan verhinderen om nog langer in de zonde te zien wat zij is, en de zonde zo van haar kracht beroofd, dat zij niet meer om wraak ten hemel schreit. Op deze vraag geven twee plaatsen ons het antwoord. Volgens Numeri. 25:11 heeft Pinehas met zijn ijver voor God de kinderen van Israël verzoend, en volgens Numeri. 35:33 kan een land niet verzoend worden van het daarin vergoten bloed, dan door het bloed van hem, die het vergoten heeft. Daar wil God nu van Israëls zonde afzien, waar Zijn oog op iets anders, dat Hem behaagt, kan rusten, op de ijver van Pinehas; deze is machtiger en sterker in zijn aantrekkingskracht, dan de misdaad die Zijn toorn opwekt, maar welke door de ijver van Pinehas bedekt wordt. Maar hier ontvangt door de dood van de doodslager de door hem bedreven zonde haar loon; daardoor is zij tot zwijgen gebracht en werkeloos gemaakt of uitgedelgd. Zo heeft Christus in bet Nieuwe Testament voor ons genoeg gedaan, onze zonde verzoend en bedekt, deels door Zijn dadelijke, deels door Zijn lijdende gehoorzaamheid; nu ziet God, terwijl Hij ons de verdienste van Christus toerekent, in ons niet meer onze zonden, maar Zijn Zoons gerechtigheid aan; onze zonde kan ons nu ook niet meer bij Hem aanklagen en Hem noodzaken haar te straffen, want de straf is reeds geleden.
2) Op zichzelf betekende het offer niets, maar in zoverre, als het zijn verzoenende kracht ontleende aan de zoendood van Christus. Waar het alzo in het geloof gebracht werd, daar was het God aangenaam.
5. Daarna 1) zal hij het jonge rund, de stier, niet meer dan drie jaar oud en zonder gebrek, met eigen hand slachten voor het aangezicht des HEEREN aan de zijde van het altaar, noordwaarts (vs.11); en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed in de schalen enbekkens (Exodus. 27:3), die tot het gereedschap van het brandofferaltaar behoren, opvangen, en daarin op het altaar offeren en het bloed sprenkelen rondom dat altaar, 2) het door middel van een wending van de schalen aan alle vier zijden van het altaar uitstorten, dat voor de deur van de tent der samenkomst is.
1) De wijze van slachten wordt nu voorgesteld, nl. dat de priester zelf het offerdier bereidde en het bloed plengde op het altaar. Want niet aan een privaat persoon wordt veroorloofd het offerdier met eigen handen te offeren, maar hem komt ten goede, wat de priester in zijn naam volvoert. Dit nu is nodig, om bekend te zijn, dat, ofschoon zij het onderpand van de verzoening van huis meebrachten, zij de bedienaren van de verzoening ergens anders hadden te zoeken, omdat niemand tot zulk een voortreffelijk ambt geschikt was, dan hij, die van Godswege met de heilige zalving was begiftigd. Duidelijk wordt dus aangetoond, dat alle stervelingen, die naderen tot God, om verzoend te worden, onwaardig in zichzelf zijn en dat aller handen op elke wijze bezoedeld zijn of onrein, tenzij dan die, welke God zelf heeft gereinigd. Van nergens anders had de waardigheid om te offeren zijn oorsprong, dan door de genade van de Geest, waarvan de uiterlijke zalving het onderpand was. Nu verstaan wij hoe ieder de offerande mocht brengen en toch de priester alleen met dit ambt was bekleed.
Nadat het offerdier door oplegging van de handen tot het ondergaan van de dood als de verdiende zonde straf in de plaats van de offeraar gewijd is, volgt nu de voltrekking van die straf door het slachten. De offeraar moet zelf deze daad verrichten, daarmee geeft gij daarmee zijn eigen leven in de dood; in en met het bloed vloeit de ziel van het dier weg, en bedekt daardoor de ziel van hem, wiens plaats het vervangt, waardoor zijn zonde wel niet ongedaan wordt gemaakt (dit is niet mogelijk), maar haar kracht verliest, om aan te klagen en te verdoemen. Daar intussen de plaatsbekleding in het algemeen, en deze wijze van plaatsbekleding door een dier nog in het bijzonder, niet van zichzelf, maar alleen door de goddelijke genade de kracht bezit, om te verzoenen en te dekken; daar de zonde als belediging van een eeuwig, heilig God, Heer en Schepper van de hemel en de aarde, een dood eist, waarbij het met de tijdelijke dood (welke het offerdier alleen kan sterven) nog niet gedaan is, en een straf, welke ook tot in de scheool (de helle of verblijfplaats van de afgescheiden mensenzielen), nog voortgaat, ja eeuwig voortgaat, daar aldus Gods genade nog het beste en grootste doen moet door vergeving van de zonde, zo wordt hierop het frisse, nog vloeiende en dampende bloed op het altaar, als plaats van de bij het offer aanwezige God en daarmee binnen het bereik van Zijn heerschappij voerende genade gebracht, opdat de Heere dit werkelijk als zoenoffer late gelden, de ondergane dood hem, voor wie deze ondergaan is, ten goede doe komen, en, tot afwending van de tweede, de eeuwige dood, het leven schenkt. Deze tweede daad van de offerdienst, in zoverre die tot verzoening dient, kan-het spreekt wel vanzelf-niet de offeraar zelf maar alleen de middelaar van Gods genade, de priester verrichten. Hij verricht haar nu in drieledige vorm, of in die van de uitgieting, waarbij hij rondom het altaar gaat, of in die van het bestrijken van de altaarhoornen met de vinger, of eindelijk in die van de werkelijke besprenkeling; en nu kan men de beide laatste wijzen wederom verdelen, of naar het altaar, welks hoornen men bestrijken moet, of naar de richting, in welke de besprenkeling volbracht wordt.
Er is verschil tussen de uitleggers, omtrent de persoon, die het offerdier moest slachten. Menen sommigen, dat dit werk door een priester moest geschieden, anderen zijn van mening, dat het slachten op zichzelf door de offeraar gedaan werd. Het laatste achten wij het waarschijnlijkst. Ook het paaslam of het paasoffer werd geslacht door de huisvader. In dit vers en in andere, komt het o.i. duidelijk uit, dat het werk van de priester begon met het opvangen en het plengen van het bloed.
2) Het altaar werd met bloed besprenkeld, opdat het volk zou weten, dat het bloed, dat uit het offerdier vloeide, niet op de aarde mocht vallen, maar God moest worden gewijd en als het ware een aangename geur ademde, zoals heden voor Zijn aangezicht het bloed van Christus verschijnt.
Het sprenkelen van het bloed was als het voornaamste van de offeranden. Het bloed was het rantsoen, dat de zondaar gaf voor zijn zonde, Gode ten zoenoffer. Daarom schaduwde het bloed van bokken en stieren het verzoenende bloed van Christus af.
6. Dan zal hij het brandoffer de huid 1) aftrekken, en die voor de dienstdoende priester ter zijde leggen (hoofdstuk 7:8) en het daarna, in zijn stukken delen.
1) De huid kwam de priester toe. In de voorhof stonden acht stenen pilaren, ieder voorzien met drie ijzeren haken, om de huid gemakkelijker af te trekken.
7. En de zonen van Aäron, de priester, zullen in die tussentijd vuur maken 1) op het altaar, het bestendig daarop brandende vuur (hoofdstuk 6:13) aansteken en zij zullen het hout op het vuur schikken.
1) Dit ziet natuurlijk op de eerste maal, omdat het vuur immer moest brandende worden gehouden, tenzij men vuur maken opvat in de zin van opstoken, aanblazen.
8. Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, wanneer de offeraar met het in stukken delen, (vs.6) gereed is, de stukken, en bovendien het hoofd, en het smeer, 1) nadat zij het voor alle offers nodige zout (hoofdstuk 2:13) daar bijgevoegd hebben, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
1) In het Hebreeuwsrdp (Phéder), het vet, dat van de ingewanden was afgewassen. De LXX vertaalt stear. Uitdrukkelijk wordt hier gesproken van het hoofd en het smeer, om te doen uitkomen, dat het gehele dier, uitgezonderd de huid en het vuil van de ingewanden, moest verbrand worden.
9. Doch Zijn ingewanden, zoals de maag, long, lever en darmen, en zijn onderschenkels, die met de ingewanden onreine delen van het dier zijn, zal men (de offeraar,vs.6) met water uit het koperen bekken wassen, en de priester zal dat alles, behalve de vleesstukken met het hoofd en het vet, ook de vroeger gewassen ingewanden en schenkels, aansteken1) op het altaar. Hetgeen op deze wijze in het vuur wordt opgelost eneen aangename reuk verspreidt, is een brandoffer, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HEERE, 2) het behoort tot de verschillende soorten van verbrandingen, die bestemd zijn, om de Heere een liefelijke reuk te bereiden, waarin Hij zijn welbehagen vindt. (zie “Ge 8.21)
1) In het Hebreeuws Chiktir, eigenlijk in rook en damp laten opgaan. Niet het tot as doen vergaan wordt hier gezegd, maar het doen opgaan in rook, om daarmee te wijzen op het feit, dat het offer aan de Heere werd gebracht, dat het een liefelijke reuk was in de neusgaten van de Heere.
2) Door deze verzoening die in twee handelingen, die van de handoplegging en doding aan de ene, van de bloedopvanging en bloedsprenkeling aan de andere zijde volbracht wordt (vs.1-5), is de grond gelegd voor de nu (vs.6-9) volgende gave van een brandoffer. Zonder het eerste kan het laatste niet plaatshebben; want is het brandoffer, waarvan het eigenaardig kenmerk is, dat het voorgoed in het altaarvuur verdwijnt, (waarom het nu ook een geheel verteerd vuur genoemd wordt, Deuteronomium. 33:10 Psalm. 51:21), bestemd, om de overgave van de mens tot een volkomen eigendom aan God zinnebeeldig voor te stellen, en daar zulk een overgave toch nimmer geheel volbracht wordt, hier tenminste door een plechtige verklaring van haar noodzakelijkheid te vergoeden, dan moet de mens vooraf in een betrekking tot God gebracht zijn, waarbij toch eerst waarlijk van een toewijding aan God sprake kan Zijn, in de betrekking van een ontzondigde en gerechtvaardigde. Deze daad van de overgave wordt nu evenzo door twee handelingen volbracht; van de zijde van de offeraars door het in stukken delen van het offerdier, van de zijde van de priester door bezorging van de offerverbranding. Daar het voor de offeraar op een overgave van al de leden van zijn lichaam, en al de krachten van zijn ziel aankomt, moet hij de ontleding van het dier tot in het minste toe bewerkstelligen. De huid wordt afgezonderd, als voor een offer niet bruikbaar, maar toch als tot het offer behorende aan de priester gegeven; de inwendige delen worden dan even goed als de uitwendige voor het brandoffer gereed gemaakt, terwijl die delen, welke bij het leven van het dier met vuil en onreinheid in dadelijke aanraking zijn geweest eerst zorgvuldig worden gewassen. Terwijl de priester nu het offer op het met hout voorziene altaar legt, wordt het door hem aan wie de verzoening met God en de overdracht aan God is opgedragen, de Heere toegewijd; terwijl in het brandoffer de Heere zelf het overneemt. Bij deze verbranding blijven de stoffelijke bestanddelen terug, maar de eigenlijke essentie of het wezen stijgt in de fijnste verheerlijkte lichamelijkheid ten hemel; dit is een beeld van de zuivering en heiliging, op de ontzondiging en rechtvaardiging in de verzoeningsdaad die nu volgt, gelijk de gehele overgave aan de Heere deze ten doel heeft. De verbranding wordt niet bewerkt door gewoon, maar door heilig vuur, door hetzelfde, dat bij het eerste offer van Aäron door de Heere zelf is ontstoken (Leviticus. 9:24; 2 Kron.7:1), en dan in zijn goddelijke oorsprong daardoor onderhouden wordt, dat het nimmer op het altaar mag uitgaan (Leviticus. 6:12 vv.), want de kracht, welke loutert en heiligt, is niet die van de menselijke ijver, maar de kracht van de in de gemeente werkende Geest van God.
10. En indien (vs.3) zijn offerande is van klein vee, 1) van schapen of van geiten ten brandoffer, zal hij, ook in dit geval, een volkomen mannetje offeren.
1) Zij, die niet in staat waren een var te offeren, brachten een schaap of geit, en wie nog armer was, bracht een tortelduif of een jonge duif. Ook de arme kon en mocht en moest tot God naderen. Ook het penningske van de weduwe is Hem aangenaam.
11. En hij zal na de voorstelling en handoplegging, dat slachten aan de zijde van het altaars noordwaarts, 1) voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar, aan de vier hoeken van de koperen rooster (Exodus. 27:4 vv.), sprenkelen.
1) Hoogstwaarschijnlijk omdat ook de tafel van de toonbroden in het Heilige stond aan de noordzijde en omdat de ingang van de voorhof was aan de zuidzijde.
12. Daarna, na het aftrekken van de huid, zal hij het in zijn stukken delen, bovendien 1) zijn hoofd en zijn smeer, en de priester zal die, met het in stukken gedeeldelichaam, waarvan hoofd en smeer voor de verdeling afgescheiden zijn, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.
1) De vertaling bovendien is minder juist. Het is toch niet de bedoeling, dat het hoofd en het smeer in stukken werden gedeeld. Betere vertaling is: en scheidde zijn hoofd en zijn smeer af: Zo geschiedde het ook bij de offeranden van het grote vee.
13. Doch de ingewanden en de schenkels zal men met water wassen, voordat de priester ze bij het overige legt. En de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar. Het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor de HEERE.
14. En indien zijn offerande, omdat hij te arm is, om een offer van vee (vs.2) te offeren, voor de HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven of van jonge huis- of hofduiven offeren1) (Leviticus. 5:7; 12:6,8; 14:22,31; 15:14 vv.; 29 vv. Numeri. 6:10 vv.).
1) Ganzen en hoenders kent het Oude Testament nog niet; deze waren, zo zij dan al gevonden werden, zeker zeer zeldzaam, zoals zij dan ook heden in Syrië, Palestina, enz. ontbreken; deze schijnen eerst ten tijde van de Perzen naar West-Azië overgebracht te zijn, en worden dan ook in het Nieuwe Testament vermeld (Matth.23:37; 26:24). Duiven zijn echter in Palestina in overvloed, zowel hof- als veldduiven. De tortelduif is een trekvogel (Jeremia. 8:7), die met de lente komt (Hoogl.2:12); zij is enigszins kleiner dan de veld- of bosduif; zij kenmerkt zich door een grauwe rug, door vleeskleurige borst, zwarte vlekken met witte dwarsstrepen aan de zijden van de hals en witte punten aan de slagvlerken, en heeft haar naam van het eigenaardig geluid, dat zij maakt, vooral bij verandering van weer. Zoals de in vs.14 aangehaalde plaatsen tonen, werden de duiven slechts bij minder betekenende aanleidingen of door armen, als vergoeding voor een groter offerdier, ten offer gebracht.
Van oudsher is bij de Israëlieten de veldduif en de tortelduif inheems geweest. Volgens bekende reizigers maakte de duif het voedsel uit van de armeren en behoeftigen. Het is daarom dan ook, dat een arme met een duif ten brandoffer volstaan kon.
15. En de priester zal die tot het altaar brengen en diens hoofd met zijn nagel splijten 1)(aftrekken) en op het altaar aansteken; de afgetrokken kop dadelijk op het altaarvuur leggen, en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden, 2) daar er te weinig bloed is, om daarmee het altaar aan alle zijden te besprenkelen.
1) Het woord splijten heeft hier niet de betekenis van een spleet maken, maar die van afscheuren. Het hoofd of de kop werd geheel van de vogel afgenomen. Het woord in de grondtekst qlm (molak), door de LXX vertaald met apoknisein, betekent dan ook afknijpen. De volgende woorden in de tekst geven recht, om vast te stellen, dat het hoofd geheel en al werd afgetrokken.
2) De reden, waarom de Priester het gevogelte doodde, daar de offeraar anders het rund slachtte, was omdat het sprenkelen van het bloed, hetgeen niemand dan de Priester mocht doen, ten eerste en bijna tegelijk met het doden van de vogel geschieden moest, opdat het bloed in de aderen niet stremmen zou.
16. En zijn krop met de darmen en het vuil, en ook zijn veren zal hij (de priester, die bij zulke offers in het algemeen de afzonderlijke verrichtingen alleen volbrengt) wegdoen 1) en hij zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, op de aldaar zich bevindende plaats van de as.
1) Zoals bij het gedierte de huid werd weggedaan, alzo bij het gevogelte de veren. Deze veren werden bij de as gevoegd. De plaats van de as was aan de oostzijde van het altaar, zover mogelijk van het Heilige der Heiligen verwijderd. Alle onreinheid moest van de godsdienst zover mogelijk gehouden worden. Dit werd hierdoor afgebeeld.
17. Verder zal hij die met zijn vleugels klieven, daar waar de vleugels aan de romp vastzitten, breken, niet geheel afscheiden, en de priester zal die, nadat hij alles eerst met zout bestrooid heeft, aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; 1) het is niet minder dan het volkomen offer van de meer gegoeden (Leviticus. 9:13), een brandoffer een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HEERE. 2)
1) Deze offerande van gevogelte was de moeilijkste van allen, ten einde de priesters indachtig te maken, dat zij zowel hun aandacht en oplettendheid moesten vestigen op de offeranden van de armsten als op die van de rijksten. Het is daardoor ook, dat ook nu nog eens herhaald wordt, dat de priester die offerande moest aansteken op het altaar.
2) Reeds in Exodus. 29:38 vv. werd over de brandoffers gesproken, en werd daar bevolen, dat bij de dagelijkse morgen- en avondgodsdienst een éénjarig lam als brandoffer zou worden gebracht, in naam van en voor de gemeente. Daardoor zou in Israël het bewustzijn levendig worden gehouden, dat de gemeente van de Heere tot een onbepaalde en volkomen overgave aan Hem verplicht is, en dat in een dergelijke toewijding haar karakter en haar bestemming besloten lag. Maar juist deze dagelijks zich herhalende in de plaatsstelling van de gemeente door een offerdier wijst tegelijk profetisch daarop, dat eenmaal iemand uit haar midden zou voortkomen, die metterdaad en in waarheid, en met een vrij besluit van zijn wil dat volbrengen zou, wat het offerdier slechts zinnebeeldig en zonder, ja, tegen zijn wil deed!.
Het oudtestamentische brandoffer is dus type van Christus, d.i. een korte, nog onuitgevoerde, maar toch reeds de grondtrekken volkomen bevattende voorstelling van de dadelijke en lijdende gehoorzaamheid van de Verlosser (Efez.5:12). Volmaakt wat kennis, geestelijke en zedelijke kracht aangaat, zocht Hij toch door deze krachten zijn eigen eer niet, maar wijdde ze zonder enig voorbehoud God toe. Zijn denken en betrachten, zijn spreken en handelen was de Heere gewijd; die Hij diende kende Hij; Hij had Hem lief met een onverdeelde liefde Hij vereerde Gods persoonlijk wezen en hield dit heilig; Hij verstond Zijn raadsbesluiten, Hij wist wat tot handhaving van Gods eer nodig was, en deed in alles naar hetgeen die eer vorderde. Alleen Christus kon zeggen: “Ik heb de Heere altijd voor Mij; Mijn spijze is, dat Ik doe de wil van de Vader; Ik ben niet gekomen om Mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft om Zijn werk te volbrengen.” En als Hij aan het einde van Zijn lijdensbaan de Vader had kunnen bidden Hem van het kruis en van de toorn, die daar op Hem lag, te bevrijden; als Hij, naar Zijn eigen woorden, Zijn Vader kon bidden, en de Vader Hem meer dan twaalf legioenen engelen zou hebben gezonden, daar kon Hij niet alzo bidden, eiste Hij geen bevrijding, maar sprak met onderwerping: “Vader! verheerlijk Uw naam.” Hier werd de onbepaalde overgave aan God getoond, welke in het brandoffer afgeschaduwd werd. Hij was gehoorzaam tot in de dood, ja tot de dood van het kruis. Wel had het kruis vele andere betekenissen en betrekkingen, maar een zaak, die daarin ten opzichte van Hem zelf duidelijk openbaar wordt, was de voor niets terugwijkende gehoorzaamheid van Hem die daar leed, ja van de Een, die altijd gezegd had: “Vader, niet Mijn maar Uw wil geschiede.”
Onze roeping, onder de nieuwe bedeling, is het, dit voorbeeld iedere nieuwe levensdag altijd weer opnieuw ons voor te stellen, naar de apostolische vermaning, Rom.12:1: “Ik bid u dan, broeders! door de ontfermingen van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en God behaaglijke offerande, die uw redelijke godsdienst is.” Wij doen het als degenen, die tot heden in deze roeping niet getrouw zijn geweest; en, zoals wij werkelijk zijn, kunnen wij het ook niet doen, want onze zonden maken scheiding tussen onze God en ons. Maar juist daarom is het brandoffer van Christus niet alleen een voorbeeld ter navolging, maar ook een bedekking van onze zonden; en dat dit brandoffer werkelijk zowel tot onze rechtvaardiging als tot onze heiliging strekt, daarop wijst ons het Mozaïsche brandoffer in de beide daaraan volbrachte handelingen, de slachting en de verbranding.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel