Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WantG1063 ik wilG2309, dat gijG4771 weetG1492, hoeG2245 groten strijdG73 ik voor uG4771 hebG2192, enG2532 voor degenen, die te LaodiceaG2993 zijn, enG2532 zo velenG3745 als er mijn aangezichtG4383 inG1722 het vleesG4561 nietG3756 hebben gezien;
Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien;
KJV
For2
I would1
that ye
knew4
what great5
conflict6
I have7
for8
you,
and10
for them at12
Laodicea,13
and14
for as many as15
have17
not16
seen
my
face19
in21
the flesh;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
OpdatG2443 hun hartenG2588 vertroostG3870 mogen worden, en zij samengevoegdG4822 zijn in de liefdeG26, enG2532 dat totG1519 allenG3956 rijkdomG4149 der volle verzekerdheidG4136 des verstandsG4907, totG1519 kennisG1922 der verborgenheidG3466 van GodG2316 enG2532 den VaderG3962, enG2532 van ChristusG5547;
Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus;
KJV
That1
their5
hearts4
might be comforted,2
being knit together6
in7
love,8
and9
unto10
all11
riches12
of the full assurance14
of understanding,16
to17
the acknowledgement18
of the mystery20
of God,22
and23
of the Father,24
and25
of Christ;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
InG1722 Denwelken alG3956 de schattenG2344 der wijsheidG4678 enG2532 der kennisG1108 verborgenG614 zijnG1510.
In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.
KJV
In1
whom2
are
hid12
all4
the treasures6
of wisdom8
and9
knowledge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG1161 ditG3778 zegG3004 ik, opdatG2443 nietG3361 iemandG5100 uG4771 misleideG3884 metG1722 beweegredenenG4086, die een schijn hebben.
En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben.
KJV
And2
this
I say,3
lest
any man6
should beguile8
you
with9
enticing words.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 hoewelG1499 ik met het vleesG4561 van uG4771 ben, nochtans ben ik met den geestG4151 bij uG4771, mij verblijdendeG5463 enG2532 ziendeG991 uw ordeningG5010, enG2532 de vastigheidG4733 van uw geloofG4102 inG1519 ChristusG5547.
Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus.
KJV
For2
though
I be absent6
in the flesh,5
yet7
am I12
with10
you
in the spirit,9
joying13
and3
beholding15
your
order,18
and14
the stedfastness21
of your
faith25
in23
Christ.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
GelijkG5613 gij danG3767 ChristusG5547 JezusG2424, den HeereG2962, hebt aangenomenG3880, wandeltG4043 alzo inG1722 HemG846;
Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem;
KJV
As1
ye have3
therefore2
received
Christ5
Jesus6
the Lord,8
so walk ye11
in9
him:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
GeworteldG4492 enG2532 opgebouwdG2026 inG1722 HemG846, enG2532 bevestigdG950 inG1722 het geloofG4102, gelijkerwijsG2531 gij geleerdG1321 zijt, overvloedigG4052 zijnde inG1722 hetzelveG846, metG1722 dankzeggingG2169.
Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging.
KJV
Rooted1
and2
built up3
in4
him,5
and6
stablished7
in8
the faith,10
as11
ye have been taught,12
abounding13
therein14
with16
thanksgiving.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ziet toe, dat niemandG3361 uG4771 als een roof vervoereG2071 door de filosofieG5385, enG2532 ijdeleG2756 verleidingG539, naarG2596 de overleveringG3862 der mensenG444, naarG2596 de eerste beginselenG4747 der wereldG2889, enG2532 nietG3756 naarG2596 ChristusG5547;
Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;
KJV
Beware1
lest2
any man3
spoil7
you
through8
philosophy10
and11
vain12
deceit,13
after14
the tradition16
of men,18
after19
the rudiments21
of the world,23
and24
not25
after26
Christ.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG3754 inG1722 HemG846 woontG2730 alG3956 de volheidG4138 der GodheidG2320 lichamelijkG4985;
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;
KJV
For1
in2
him3
dwelleth4
all5
the fulness7
of the Godhead9
bodily.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En gij zijt inG1722 HemG846 volmaaktG4137, DieG3739 het HoofdG2776 is van alleG3956 overheidG746 enG2532 machtG1849;
En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
KJV
And1
ye are
complete5
in3
him,4
which6
is
the head9
of all10
principality11
and12
power:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
In Welken gij ookG2532 besnedenG4059 zijt met een besnijdenisG4061, die zonder handen geschiedtG886, inG1722 de uittrekkingG555 van het lichaamG4983 der zondenG266 des vlesesG4561, doorG1722 de besnijdenisG4061 van ChristusG5547;
In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;
KJV
In1
whom2
also3
ye are circumcised4
with the circumcision5
made without hands,6
in7
putting off9
the body11
of the sins13
of the flesh15
by16
the circumcision18
of Christ:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zijnde met HemG846 begravenG4916 inG1722 den doopG908, inG1722 welkenG3739 gij ookG2532 met Hem opgewekt zijt door het geloofG4102 der werkingG1753 GodsG2316, Die HemG846 uitG1537 de dodenG3498 opgewekt heeft.
Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.
Ook in dit vers
opgewektG1453
opgewektG4891
KJV
Buried with1
him2
in3
baptism,5
wherein6
also8
ye are risen with9
him through10
the faith12
of the operation14
of God,16
who4
hath raised18
him19
from20
the dead.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En Hij heeft u, als gij doodG3498 waartG5607 inG1722 de misdadenG3900, enG2532 in de voorhuidG203 uws vlesesG4561, mede levendG4806 gemaakt met HemG846, alG3956 uw misdadenG3900 uG4771 vergevendeG5483;
En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende;
KJV
And1
you,
being
dead3
in5
your sins7
and8
the uncircumcision10
of your
flesh,12
hath he quickened together18
with19
him,20
having forgiven21
you
all27
trespasses;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
UitgewistG1813 hebbende het handschriftG5498, dat tegenG2596 ons was, in inzettingenG1378 bestaande, hetwelkG3739, zeg ikG1473, enigerwijzeG2254 ons tegen was, enG2532 heeft datzelve uitG1537 het middenG3319 weggenomenG142, hetzelveG846 aan het kruisG4716 genageldG4338 hebbende;
Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;
KJV
Blotting out1
the handwriting5
of ordinances7
that was against3
us,
which8
was
contrary10
to us,
and12
took14
it13
out of15
the way,17
nailing18
it19
to his cross;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En de overhedenG746 enG2532 de machtenG1849 uitgetogenG554 hebbende, heeft Hij die in het openbaarG3954 tentoongesteldG1165, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerdG2358.
En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.
KJV
And having spoiled1
principalities3
and4
powers,6
he made a shew of them7
openly,8
triumphing over10
them11
in12
it.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Dat uG4771 danG3767 niemandG3361 oordeleG2919 inG1722 spijsG1035 ofG2228 inG1722 drankG4213, of inG1722 het stukG3313 des feestG1859 dags, of der nieuwe maanG3561, of der sabbattenG4521;
Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;
KJV
Let5
no1
man3
therefore2
judge
you
in6
meat,7
or8
in9
drink,10
or11
in12
respect13
of an holyday,14
or15
of the new moon,16
or17
of the sabbath
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WelkeG3739 zijnG1510 een schaduwG4639 der toekomendeG3195 dingen, maarG1161 het lichaamG4983 is van ChristusG5547.
Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.
KJV
Which1
are
a shadow3
of things to come;5
but7
the body8
is of Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Dat dan niemandG3367 uG4771 overheerseG2603 naar zijn wilG2309 inG1722 nederigheidG5012 enG2532 dienstG2356 der engelenG32, intredendeG1687 in hetgeenG3739 hijG846 nietG3361 gezienG3708 heeft, tevergeefsG1500 opgeblazenG5448 zijnde door het verstandG3563 zijns vlesesG4561;
Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;
KJV
Let3
no man1
beguile
you
of your reward
in5
a voluntary4
humility6
and7
worshipping8
of angels,10
intruding into14
those things which11
he hath13
not12
seen,
vainly15
puffed up16
by17
his22
fleshly21
mind,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En het HoofdG2776 nietG3756 behoudendeG2902, uitG1537 hetwelkG3739 het geheleG3956 lichaamG4983, doorG1223 de samenvoegselenG860 enG2532 samenbindingenG4886 voorzienG2023 enG2532 samengevoegdG4822 zijnde, opwastG837 met goddelijkenG2316 wasdomG838.
En het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom.
KJV
And1
not2
holding3
the Head,5
from6
which7
all8
the body10
by11
joints13
and14
bands15
having nourishment ministered,16
and17
knit together,18
increaseth19
with the increase21
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Indien gij danG3767 met ChristusG5547 de eerste beginselenG4747 der wereldG2889 zijt afgestorvenG599, watG5101 wordt gij, gelijkG5613 of gij in de wereldG2889 leefdetG2198, met inzettingen belastG1379?
Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast?
KJV
Wherefore2
if1
ye be dead3
with4
Christ6
from7
the rudiments9
of the world,11
why,12
as though13
living14
in15
the world,16
are ye subject to ordinances,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Namelijk raakG680 nietG3361, en smaakG1089 niet, en roerG2345 niet aan.
Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.
KJV
(Touch2
not;1
taste4
not;3
handle6
not;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
WelkeG3739 dingen alleG3956 verdervenG2076 doorG2596 het gebruikG671, ingevoerd naarG1519 de gebodenG1778 enG2532 leringenG1319 der mensenG444;
Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen;
KJV
Which1
all3
are
to4
perish5
with the using;)7
after8
the commandments10
and11
doctrines12
of men?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Dewelke wel hebbenG2192 een schijn redeG3056 van wijsheidG4678 inG1722 eigenwilligen gods dienst enG2532 nederigheidG5012, enG2532 in het lichaamG4983 niet te sparenG857, doch zijnG1510 niet inG1722 enigeG5100 waardeG5092, maar totG4314 verzadigingG4140 van het vleesG4561.
Dewelke wel hebben een schijn rede van wijsheid in eigenwilligen gods dienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.
Ook in dit vers
eigenwilligen dienstG1479
KJV
Which things1
have5
indeed4
a shew3
of wisdom6
in7
will worship,8
and9
humility,10
and11
neglecting12
of the body;13
not14
in15
any17
honour16
to18
the satisfying19
of the flesh.
ik wil, dat
Dit woordje want, ziet op hetgeen in het einde van het voorgaande hoofdstuk van Paulus is gezegd, en wijst daarmede aan, dat hij niet alleen bij degenen, waar hij zelf had gepredikt, met alle kracht had gearbeid, maar ook zorgvuldig was voor degenen, waar hij zelf niet was geweest.
Hertaald:
ik wil, dat
Het woordje want ziet op wat Paulus aan het einde van het voorgaande hoofdstuk gezegd heeft. Daarmee wijst hij erop dat hij niet alleen met alle kracht gearbeid heeft bij hen onder wie hij zelf gepredikt had, maar dat hij ook zorg had voor hen bij wie hij zelf niet geweest was.
strijd ik voor
Namelijk door zorgvuldige gedachten, gebeden, vermaningen aan degenen, die derwaarts reizen en bezendingen, en dat alles niettegenstaande de beletselen, die de Satan mij daartegen voortbrengt; hetwelk hij daarom een strijd noemt.
Hertaald:
strijd ik voor
Namelijk door zorgvolle gedachten, gebeden en aansporingen aan hen die daarheen reizen, en door boodschappers; en dat alles ondanks de belemmeringen die de satan mij daarbij in de weg legt. Daarom noemt hij het een strijd.
te Laodicéa zijn,
Eene stad, niet ver van Colosse gelegen, waar het schijnt dat deze valse leraars dezelfde dwalingen strooiden. Waarom hij dezen brief bij hen ook beveelt te lezen; Kol. 4:16.
Hertaald:
te Laodicéa zijn,
Een stad niet ver van Kolosse, waar deze valse leraars naar het schijnt dezelfde dwalingen verspreidden. Daarom beveelt hij ook dat deze brief bij hen gelezen wordt; Kol. 4:16.
mijn aangezicht
Dat is, mijn lichamelijke tegenwoordigheid niet hebben gehad; gelijk Hand. 20:38.
Hertaald:
mijn aangezicht
Dat is: mijn lichamelijke aanwezigheid niet gehad hebben; zoals in Hand. 20:38.
Opdat hun harten
Deze drie dingen, namelijk vertroosting, liefde en volle verzekering, kunnen òf de vrucht zijn van den strijd van Paulus voor hen, òf de zaak zelve, waaromtrent deze zorgvuldigheid en strijd van Paulus zich bezighield.
Hertaald:
Opdat hun harten
Deze drie dingen — troost, liefde en volle zekerheid — kunnen óf de vrucht zijn van de strijd van Paulus voor hen, óf de zaak zelf waarmee deze zorg en strijd van Paulus zich bezighield.
vertroost mogen
Namelijk verstaande mijne zorg voor hen, en mijne getuigenis van de oprechtheid der leer, die zij door Epafras en anderen hadden ontvangen.
Hertaald:
vertroost mogen
Namelijk wanneer zij mijn zorg voor hen vernemen en mijn getuigenis over de zuiverheid van de leer die zij door Epafras en anderen ontvangen hadden.
en zij samengevoegd
Eene gelijkenis van enig timmerwerk, hetwelk samengevoegd en in elkander gesloten zijnde, te sterker en te vaster is. Nu is er niets, dat de harten meer samenbindt, dan enigheid in het ware geloof, Hand. 4:32, waaruit de rechte liefde ook vloeit.
Hertaald:
en zij samengevoegd
Dit is een vergelijking met timmerwerk, dat sterker en vaster is wanneer het samengevoegd en in elkaar gesloten is. Nu is er niets dat de harten meer samenbindt dan eenheid in het ware geloof, Hand. 4:32, waaruit ook de ware liefde voortvloeit.
der volle verzekerdheid
Namelijk door den Heiligen Geest in ons gewrocht. Want, hoewel het Evangelie zelf ons deze wetenschap des geloofs toebrengt, zo kan nochtans de volle verzekerdheid daarvan in ons hart niet zijn, dan door deze bijzondere verzekering des Geestes. Zie Ef. 1:13.
Hertaald:
der volle verzekerdheid
Namelijk zekerheid die door de Heilige Geest in ons gewerkt wordt. Want hoewel het Evangelie zelf ons deze kennis van het geloof brengt, kan de volle zekerheid daarvan toch niet in ons hart zijn dan door deze bijzondere verzekering van de Geest. Zie Ef. 1:13.
tot kennis der
Dit is een nadere verklaring van de wetenschap des geloofs, waarvan hij tevoren gesproken had. Want hierin bestaat het geheel der leer van de zaligheid, dat wij God den Vader recht kennen en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft; Joh. 17:3.
Hertaald:
tot kennis der
Dit is een nadere verklaring van de kennis van het geloof waarover hij eerder gesproken had. Want hierin bestaat het geheel van de leer van de zaligheid: dat wij God de Vader goed kennen en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft; Joh. 17:3.
In Denwelken al
Namelijk Christus; of, in welker verborgenheid Gods des Vaders en Christus. Want het Griekse woord kan tot beiden gebracht worden, alzo dat de zin is, dat in Christus, of in de leer van God den Vader en van Christus alle schatten der wijsheid en kennis [namelijk tot de zaligheid nodig] verborgen zijn. En dit wordt alzo van den apostel betuigd, om den Colossensen te tonen dat dan nergens elders de zaligheid moet gezocht worden dan in deze leer, die ons tot God door Christus wijst, gelijk 1 Kor. 1:30, en 1 Kor. 2:2, enz. Anderen nemen dit niet voor de zaak die wij ter zaligheid moeten kennen, maar voor de wijsheid die in Christus' persoon zelf is, die alle anderen wijsheid van mensen en engelen tebovengaat; hetwelk wel waar is, dan schijnt op het doel van Paulus zo wel niet te passen, dan door een verder genomen besluit.
Hertaald:
In Denwelken al
Namelijk in Christus; of: in welke verborgenheid van God de Vader en van Christus. Want het Griekse woord kan op beide betrokken worden, zodat de betekenis is dat in Christus, of in de leer over God de Vader en over Christus, alle schatten van de wijsheid en de kennis — namelijk die tot zaligheid nodig zijn — verborgen zijn. Dit betuigt de apostel om de Kolossenzen te laten zien dat de zaligheid dan nergens anders gezocht moet worden dan in deze leer, die ons door Christus tot God wijst, zoals in 1 Kor. 1:30 en 1 Kor. 2:2, enzovoort. Anderen vatten dit niet op als de zaak die wij tot zaligheid moeten kennen, maar als de wijsheid die in de Persoon van Christus Zelf is en die alle andere wijsheid van mensen en engelen te boven gaat. Dat is wel waar, maar het lijkt niet zo goed te passen bij het doel van Paulus, tenzij door een verder strekkende gevolgtrekking.
der wijsheid
Deze twee woorden onderscheiden enigen hier aldus, dat door de wijsheid de wetenschap van alle leerstukken des geloofs, en door de kennis de wetenschap van al de bevelen van Christus, tot den Christelijken wandel nodig, verstaan worden.
Hertaald:
der wijsheid
Sommigen onderscheiden deze twee woorden hier zo, dat met de wijsheid de kennis van alle leerstukken van het geloof bedoeld wordt en met de kennis het weten van alle bevelen van Christus die voor de christelijke levenswandel nodig zijn.
verborgen zijn
Dat is, begrepen of besloten zijn. Doch de apostel gebruikt het woord verborgen, omdat de natuurlijke mens deze dingen niet begrijpt, maar dat zij geestelijk worden onderscheiden; Matt. 11:25; 1 Kor. 1:23.
Hertaald:
verborgen zijn
Dat is: begrepen of besloten zijn. Toch gebruikt de apostel het woord verborgen, omdat de natuurlijke mens deze dingen niet begrijpt, maar zij geestelijk onderscheiden worden; Matth. 11:25; 1 Kor. 1:23.
misleide met
Het Griekse woord betekent iemand overreden met bedriegelijke disputen of sluitredenen.
Hertaald:
misleide met
Het Griekse woord betekent iemand overreden met bedrieglijke argumenten of drogredenen.
beweegredenen,
Namelijk gelijk de redenaars en wijsgeren plachten te gebruiken, waardoor zij onder den glimp van waarschijnlijke redenen, die dikwijls gene vastigheid hadden, de harten innamen, en wijsmaakten wat zij wilden.
Hertaald:
beweegredenen,
Namelijk zoals de redenaars en de wijsgeren die gewoonlijk gebruikten: onder de schijn van waarschijnlijke redenen, die dikwijls geen enkele vastheid hadden, namen zij de harten in en maakten zij de mensen wijs wat zij wilden.
met het vlees
Dat is, naar mijn lichaam, gelijk hij spreekt 1 Kor. 5:3.
Hertaald:
met het vlees
Dat is: naar mijn lichaam, zoals hij zegt in 1 Kor. 5:3.
ziende
Namelijk in mijnen geest, gelijk hij tevoren had betuigd, en gelijk hij spreekt 1 Kor. 5:3; hetzij de apostel dit verstaat van de wetenschap, die hij hiervan had door het aandienen van Epafras en anderen, hetzij ook door enige bijzondere openbaringen des Heiligen Geestes, gelijk Eliza had van het doen van zijn dienaar Gehasi, 2 Kon. 5:26.
Hertaald:
ziende
Namelijk ziende in mijn geest, zoals hij eerder betuigd had en zoals hij zegt in 1 Kor. 5:3. De apostel bedoelt daarmee de kennis die hij hiervan had door de berichten van Epafras en anderen, of ook door bijzondere openbaringen van de Heilige Geest, zoals Elisa kennis had van wat zijn knecht Gehazi deed, 2 Kon. 5:26.
uw ordening,
Namelijk in uw algemenen wandel, en ook in het oefenen der tucht en regering uwer gemeente.
Hertaald:
uw ordening,
Namelijk in uw algemene levenswandel, en ook in het uitoefenen van de tucht en het bestuur van uw gemeente.
van uw geloof
Dat is, van de belijdenis uws geloofs, zonder daarvan in het minste te wijken, wat men u ook zoekt wijs te maken; welke standvastigheid de apostel in hen prijst, om hen daarin meer en meer te versterken.
Hertaald:
van uw geloof
Dat is: van de belijdenis van uw geloof, zonder daarvan in het minst af te wijken, wat men u ook probeert wijs te maken. De apostel prijst deze standvastigheid in hen om hen daarin meer en meer te versterken.
aangenomen,
Namelijk door het ware geloof; Joh. 1:12.
Hertaald:
aangenomen,
Namelijk door het ware geloof; Joh. 1:12.
in Hem;
Dat is, gelijk het Hem of Zijne gemeenschap waardig is.
Hertaald:
in Hem;
Dat is: zoals het Hem of Zijn gemeenschap waardig is.
gelijkerwijs
Namelijk van Epafras en uw voorgaande trouwe leraars, niet gelijk deze anderen u zoeken wijs te maken.
Hertaald:
gelijkerwijs
Namelijk zoals u geleerd bent door Epafras en uw eerdere trouwe leraars, en niet zoals deze anderen u proberen wijs te maken.
met dankzegging
Namelijk over de genade, die gij alrede hebt ontvangen, Kol. 1:12.
Hertaald:
met dankzegging
Namelijk dankzegging over de genade die u al ontvangen hebt, Kol. 1:12.
Ziet toe,
Hier begint de apostel het verhaal der dwalingen, waar hij hen tegen waarschuwt, namelijk wijsbegeerte, menselijke inzettingen, en vermengingen van de wet der ceremoniën, die hij de een voor, de andere na, wederspreekt.
Hertaald:
Ziet toe,
Hier begint de apostel de opsomming van de dwalingen waartegen hij hen waarschuwt, namelijk de wijsbegeerte, de menselijke inzettingen en de vermenging met de wet van de ceremoniën. Die weerspreekt hij de een na de ander.
als een roof
Of, berove, tot enen roof weg voere, namelijk van Christus en Zijne waarheid tot andere leringen of middelen ter zaligheid buiten Christus; ene gelijkenis, genomen van rovers, die niet alleen de goederen, maar ook de mensen zelf tot een roof wegvoerden, om hen tot slaven voor hen of voor anderen te maken. Zie een voorbeeld, 1Sa 30.
Hertaald:
als een roof
Of: berove, als een buit wegvoere, namelijk van Christus en Zijn waarheid naar andere leringen of middelen tot zaligheid buiten Christus. Dit is een vergelijking, genomen van rovers, die niet alleen de goederen, maar ook de mensen zelf als buit wegvoerden om hen tot slaven voor zichzelf of voor anderen te maken. Zie een voorbeeld in 1 Sam. 30.
de filosofie,
Hierdoor wordt de rechte filosofie niet verstaan, die ene gave Gods is, en zelfs een instrument of middel is, dienstig om Gods Woord beter te verstaan en te verklaren; maar de sophisterij of bedriegelijke schijnwijsheid van enige heidense filosofen, gelijk de volgende woorden ijdele verleiding verklaren, en gelijk Paulus hiervan spreekt, Rom. 1:21-22, welke filosofen in deze hunne schijnwijsheid enige dingen van God en van den weg tot het opperste goed hadden voorgesteld, die deze leraars met het Evangelie wilden vermengen, gelijk ook de scholastieke leraars in het Pausdom doen, waardoor de eenvoudigheid en oprechtheid der zaligmakende leer van het Evangelie merkelijk is verduisterd en vervalst.
Hertaald:
de filosofie,
Hieronder wordt niet de ware wijsbegeerte verstaan, die een gave van God is en die zelfs een werktuig of middel is dat dienstig is om Gods Woord beter te verstaan en te verklaren. Het gaat over de drogredenen of de schijnwijsheid van sommige heidense wijsgeren, zoals de volgende woorden ijdele verleiding verklaren en zoals Paulus hierover spreekt in Rom. 1:21-22. Die wijsgeren hadden in hun schijnwijsheid bepaalde dingen over God en over de weg tot het hoogste goed voorgesteld, en die wilden deze leraars met het Evangelie vermengen — zoals ook de scholastieke leraars in het pausdom doen. Daardoor is de eenvoud en zuiverheid van de zaligmakende leer van het Evangelie aanzienlijk verduisterd en vervalst.
overlevering
Dit is de tweede dwaling, die deze bij het Evangelie van Christus wilden voegen, om naar hunne mening aan de eenvoudigheid des Evangelies een meerderen luister bij de mensen te geven, gelijk eertijds de Farizeën deden; Matt. 15:3, enz.
Hertaald:
overlevering
Dit is de tweede dwaling die dezen bij het Evangelie van Christus wilden voegen, om naar hun mening aan de eenvoud van het Evangelie meer luister bij de mensen te geven, zoals eerder de farizeeën deden; Matth. 15:3, enzovoort.
de eerste beginselen
Grieks elementen. Alzo noemt de apostel de ceremoniën der wet, omdat het God beliefd heeft in de verdeling der tijden de Israëlieten, en vervolgens in hen de overigen der wereld die zalig worden, door dit middel tot Christus te leiden, gelijk een kind door het leren van het A B C tot het lezen wordt bereid, en als door een schoolmeester tot meerdere wijsheid gebracht. Zie hiervan bredere verklaring Gal. 3:24, en Gal. 4:3, Gal. 4:9, enz.
Hertaald:
de eerste beginselen
Grieks: elementen. Zo noemt de apostel de ceremoniën van de wet, omdat het God behaagd heeft in de verdeling van de tijden de Israëlieten — en door hen ook de overigen in de wereld die zalig worden — door dit middel tot Christus te leiden. Dat is zoals een kind door het leren van het alfabet voorbereid wordt op het lezen en als door een schoolmeester tot grotere wijsheid gebracht wordt. Zie hierover de uitvoeriger verklaring bij Gal. 3:24 en Gal. 4:3, Gal. 4:9, enzovoort.
niet naar Christus
Dat is, naar de leer of instelling van Christus, die alleen in de gemeente van Christus moet gelden; Gal. 1:6, Gal. 1:8-9.
Hertaald:
niet naar Christus
Dat is: niet naar de leer of de instelling van Christus, die alleen in de gemeente van Christus mag gelden; Gal. 1:6, Gal. 1:8-9.
in Hem
Namelijk als waarachtig mens, die onder ons heeft gewoond vol genade en heerlijkheid; Joh. 1:14.
Hertaald:
in Hem
Namelijk in Hem als waarachtig mens, Die onder ons gewoond heeft, vol van genade en heerlijkheid; Joh. 1:14.
woont al
Namelijk met een wezenlijke inwoning des Zoons Gods in de menselijke natuur, door de vereniging Zijner goddelijke natuur met de menselijke in enigheid Zijns persoons, gelijk het lichaam een tabernakel en woning wordt genoemd onzer ziel, 2 Kor. 5:1; en gelijk ook Christus Zijn menselijke natuur daarom een tempel noemt, waar namelijk zijn godheid in woont, die dezen weder zou opbouwen; Joh. 2:19.
Hertaald:
woont al
Namelijk met een wezenlijke inwoning van de Zoon van God in de menselijke natuur, door de vereniging van Zijn goddelijke natuur met de menselijke in de eenheid van Zijn Persoon. Zo wordt het lichaam een tent en woning van onze ziel genoemd, 2 Kor. 5:1; en zo noemt Christus Zijn menselijke natuur ook een tempel, waarin Zijn godheid woont en die Hij weer zou opbouwen; Joh. 2:19.
de volheid
Dat is, de gehele godheid, namelijk des Zoons, met al Zijne eigenschappen, niet alleen ten aanzien van enige gaven, gelijk Hij in de profeten, apostelen en andere heiligen ook woont.
Hertaald:
de volheid
Dat is: de hele godheid, namelijk van de Zoon, met al Zijn eigenschappen; en dus niet alleen wat bepaalde gaven betreft, zoals Hij ook in de profeten, de apostelen en andere heiligen woont.
lichamelijk;
Dat is, persoonlijk, gelijk het Griekse woord Soma somwijlen een persoon betekent, of, wezenlijk, waarachtiglijk, tegengesteld tegen de schaduwen en figuren des Ouden Testaments, gelijk het woord Soma in ditzelfde hoofdstuk vs.17 wordt genomen. Doch de zaak komt opeen uit. Want God wordt wel in het Oude Testament gezegd te wonen in den tabernakel, tempel, en ark des verbonds, enz. maar alleen als in schaduwen of figuren van Christus' menselijke natuur, die Hij in de volheid des tijds zou aannemen, om persoonlijk, of waarachtig en wezenlijk in dezelve met al Zijne volheid te wonen. Is Hij dan waarachtig God en waarachtig mens in één persoon, en woont de volheid der godheid in Hem, zo wil de apostel zeggen, dat wij buiten Hem gene zaligheid moeten zoeken, noch in de ceremoniën der wet, noch in de filosofische aanradingen van den dienst der engelen, noch in enige andere menselijke inzettingen of bedenkingen, maar alleen in Hem en in Zijn woord.
Hertaald:
lichamelijk;
Dat is: persoonlijk, omdat het Griekse woord sōma soms een persoon aanduidt; of: wezenlijk, werkelijk, tegenover de schaduwen en beelden van het Oude Testament, zoals het woord sōma in dit zelfde hoofdstuk in vers 17 gebruikt wordt. Maar de zaak komt op hetzelfde neer. Want van God wordt in het Oude Testament wel gezegd dat Hij woonde in de tabernakel, de tempel en de ark van het verbond, enzovoort, maar dat was alleen als in schaduwen of beelden van de menselijke natuur van Christus, die Hij in de volheid van de tijd zou aannemen om daarin persoonlijk, werkelijk en wezenlijk met al Zijn volheid te wonen. Als Hij dan waarachtig God en waarachtig mens is in één Persoon, en de volheid van de godheid in Hem woont, dan wil de apostel zeggen dat wij buiten Hem geen zaligheid moeten zoeken: niet in de ceremoniën van de wet, niet in de filosofische aanbevelingen van de dienst van de engelen, en ook niet in enige andere menselijke inzettingen of bedenksels, maar alleen in Hem en in Zijn Woord.
in Hem
Grieks in Hem vervuld; dat is, wij hebben alles in Hem, wat tot onze volmaakte zaligheid nodig is; 1 Kor. 1:30.
Hertaald:
in Hem
Grieks: in Hem vervuld; dat is: wij hebben in Hem alles wat tot onze volkomen zaligheid nodig is; 1 Kor. 1:30.
volmaakt,
Zie Ef. 1:23, en Ef. 4:16.
Hertaald:
volmaakt,
Zie Ef. 1:23 en Ef. 4:16.
alle overheid
Dat is, ook zelfs der engelen in den hemel, die onder Hem staan, gelijk Kol. 1:16 betuigd is. Waaruit blijkt, dat wij niet in hen, maar in Christus de zaligheid hebben. Want dit vereist de eigenschap van het hoofd en Zijne werking, dat al de leden, waaronder hier ook de engelen merkelijk worden gesteld, van Hem afhangen, en hun geestelijk leven ontvangen, Ef. 5:23. En hoewel de goede engelen de verlossing door Christus niet van node hadden, omdat zij niet gevallen waren, nochtans blijkt hieruit, dat zij door Hem ook in hun gelukzaligen stand in de eeuwigheid worden behouden. Waarom zij ook, onder de vergadering dergenen waar de gelovigen bij zijn gekomen, geteld worden, Hebr. 12:22, en uitverkoren engelen worden genaamd, 1 Tim. 5:21; en zij zichzelven ook stellen onder de dienstknechten van Christus en mededienstknechten der gelovigen; Openb. 22:9.
Hertaald:
alle overheid
Dat is: ook van de engelen in de hemel, die onder Hem staan, zoals in Kol. 1:16 betuigd is. Daaruit blijkt dat wij de zaligheid niet in hen, maar in Christus hebben. Want de eigen aard van het hoofd en zijn werking brengt mee dat alle leden — waaronder hier duidelijk ook de engelen gerekend worden — van Hem afhangen en hun geestelijke leven van Hem ontvangen, Ef. 5:23. En hoewel de goede engelen de verlossing door Christus niet nodig hadden omdat zij niet gevallen waren, blijkt hieruit toch dat ook zij door Hem in hun gelukzalige staat voor eeuwig bewaard worden. Daarom worden zij ook gerekend onder de vergadering waarbij de gelovigen gekomen zijn, Hebr. 12:22, en worden zij uitverkoren engelen genoemd, 1 Tim. 5:21; en zij rekenen zichzelf ook onder de dienstknechten van Christus en de mededienstknechten van de gelovigen; Openb. 22:9.
In Welken
Namelijk Christus.
Hertaald:
In Welken
Namelijk Christus.
besneden zijt
Namelijk niet met de uitwendige besnijdenis, die door Christus' dood, nevens de andere ceremoniën des Ouden Testaments teniet gedaan is, gelijk de apostel hier leert, en Gal. 5:1-2; maar met de inwendige besnijdenis des harten, in den geest, welke de betekenende zaak was van de uitwendige besnijdenis, en die de apostel in de volgende woorden nader verklaart. Waaruit hij wil besluiten dat dan de uitwendige ons niet meer nodig noch nut is.
Hertaald:
besneden zijt
Namelijk besneden, niet met de uiterlijke besnijdenis, die door de dood van Christus samen met de andere ceremoniën van het Oude Testament tenietgedaan is, zoals de apostel hier leert en in Gal. 5:1-2, maar met de innerlijke besnijdenis van het hart, in de geest. Die was de zaak die door de uiterlijke besnijdenis werd aangeduid, en de apostel verklaart haar in de volgende woorden nader. Daaruit wil hij besluiten dat de uiterlijke besnijdenis dan voor ons niet meer nodig of nuttig is.
zonder handen
Dat is, van God zelf, door Zijnen Geest, Deut. 30:6; Rom. 2:29.
Hertaald:
zonder handen
Dat is: door God Zelf, door Zijn Geest, Deut. 30:6; Rom. 2:29.
van het lichaam
Dat is, de ganse massa der verdorvenheid, die bij een lichaam wordt vergeleken, dat vele leden heeft. Zie Rom. 6:6; Kol. 3:5, vanwege de velerlei begeerlijkheden, die de zonde in ons werkt.
Hertaald:
van het lichaam
Dat is: de hele massa van de verdorvenheid, die vergeleken wordt met een lichaam dat veel leden heeft. Zie Rom. 6:6; Kol. 3:5; dat is vanwege de vele begeerten die de zonde in ons werkt.
des vleses,
Hierdoor wordt verklaard, waaruit deze zondige aard zijnen oorsprong heeft, namelijk uit de vleselijke geboorte; Joh. 3:6.
Hertaald:
des vleses,
Hiermee wordt verklaard waar deze zondige aard zijn oorsprong heeft, namelijk in de vleselijke geboorte; Joh. 3:6.
door de besnijdenis
Niet eigenlijk, waardoor Christus zelf ten achtsten dage is besneden geweest, maar door welke Hij onsmet Zijnen Geest in onze harten besnijdt, dat is, van de schuld en heerschappij der zonde verlost, en onze harten reinigt, gelijk de volgende verzen breder verklaren.
Hertaald:
door de besnijdenis
Niet de besnijdenis in eigenlijke zin, waarmee Christus Zelf op de achtste dag besneden is, maar de besnijdenis waarmee Hij ons door Zijn Geest in onze harten besnijdt, dat is: van de schuld en de heerschappij van de zonde verlost en onze harten reinigt, zoals de volgende verzen uitvoeriger verklaren.
begraven in
Of, begraven door den doop. Want in den doop wordt ons betekend en verzegeld dat onze oude mens door den dood van Christus is gedood, en vervolgens ook begraven, dat is, door Christus' lijden en sterven alzo zijn heersende kracht heeft verloren, dat hij is gelijk een dood en begraven lichaam, hetwelk zich niet kan bewegen om te heersen, hoewel het zijn stank nog wel van zich geeft, totdat het door denzelfden dood en Geest van Christus geheel wordt vernietigd. Zie Rom. 6:3, enz.
Hertaald:
begraven in
Of: begraven door de doop. Want in de doop wordt ons aangeduid en verzegeld dat onze oude mens door de dood van Christus gedood is en dus ook begraven; dat is: dat hij door het lijden en sterven van Christus zijn heersende kracht zo verloren heeft dat hij is als een dood en begraven lichaam, dat zich niet kan bewegen om te heersen — al geeft het nog wel zijn stank af, totdat het door diezelfde dood en Geest van Christus geheel vernietigd wordt. Zie Rom. 6:3, enzovoort.
in welken gij
Namelijk doopt of Christus. Want beide is waarachtig, doch op verscheidene wijze. Want door de kracht der opstanding van Christus zijn wij opgewekt tot nieuwigheid des levens en door den doop wordt hetzelve ook verzegeld. Zie Rom. 6:4, enz. En de apostel wil daarmede bewijzen dat wij zelfs het zegel der besnijdenis in het Nieuwe Testament niet meer van node hebben, dewijl de doop ons nu even hetzelfde betekent en verzegelt.
Hertaald:
in welken gij
Namelijk in de doop, of in Christus. Want beide is waar, maar op verschillende wijze. Want door de kracht van de opstanding van Christus zijn wij opgewekt tot een nieuw leven, en door de doop wordt dat ook verzegeld. Zie Rom. 6:4, enzovoort. Daarmee wil de apostel bewijzen dat wij zelfs het zegel van de besnijdenis in het Nieuwe Testament niet meer nodig hebben, omdat de doop ons nu precies hetzelfde aanduidt en verzegelt.
door het geloof
Namelijk zonder hetwelk de uitwendige doop gene kracht heeft. Want die gelooft en gedoopt wordt, zal zalig worden, Marc. 16:16. Het geloof dan neemt de weldaad aan, die de doop ons aanwijst en verzegelt.
Hertaald:
door het geloof
Namelijk het geloof, zonder welk de uiterlijke doop geen kracht heeft. Want wie gelooft en gedoopt wordt, zal zalig worden, Mark. 16:16. Het geloof neemt dus de weldaad aan die de doop ons aanwijst en verzegelt.
der werking Gods,
Hierdoor kan verstaan worden, òf de kracht Gods, waardoor het geloof in ons wordt gewrocht, òf het steunsel des geloofs, waarop het in onze vernieuwing ziet, namelijk op de kracht Gods, die Christus uit de doden heeft opgewekt, waardoor wij ook uit den dood der zonde opgewekt worden.
Hertaald:
der werking Gods,
Daaronder kan verstaan worden óf de kracht van God waardoor het geloof in ons gewerkt wordt, óf de grond van het geloof waarop het in onze vernieuwing ziet, namelijk de kracht van God die Christus uit de doden heeft opgewekt en waardoor ook wij uit de dood van de zonde opgewekt worden.
u, als gij
Namelijk die nu in Christus gelooft en gedoopt zijt.
Hertaald:
u, als gij
Namelijk u die nu in Christus gelooft en gedoopt bent.
dood waart
Zie Ef. 2:1.
Hertaald:
dood waart
Zie Ef. 2:1.
in de voorhuid
Dit wordt niet gesproken van de eigenlijk genoemde voorhuid, die de gelovige Colossensen nog hadden, maar van de natuurlijke verdorvenheid, waarin zij vóór hunne bekering waren, die alzo bij gelijkenis genoemd wordt, omdat de voorhuis in het Oude Testament een schandelijk en verachtelijk ding was bij de Israëlieten. Zie dergelijke wijze van spreken Deut. 10:16; Jer. 9:25, enz.
Hertaald:
in de voorhuid
Dit wordt niet gezegd van de voorhuid in eigenlijke zin, die de gelovige Kolossenzen nog hadden, maar van de natuurlijke verdorvenheid waarin zij vóór hun bekering waren. Die wordt bij wijze van vergelijking zo genoemd, omdat de voorhuid in het Oude Testament bij de Israëlieten iets schandelijks en verachtelijks was. Zie een dergelijke manier van spreken in Deut. 10:16; Jer. 9:25, enzovoort.
mede levend gemaakt
Zie Ef. 2:5.
Hertaald:
mede levend gemaakt
Zie Ef. 2:5.
vergevende;
Of, genadiglijk vergevende, of vergeven hebbende. Want door het geloof worden ons onze misdaden en zondige aard uit kracht van Christus' verdiensten vergeven, en wordt het lichaam der zonde, of de oude mens, in ons ook gedood, van welke beide weldaden de doop, een teken en zegel in het Nieuwe Testament is, gelijk de besnijdenis in het Oude was; Rom. 2:29, en Rom. 4:11.
Hertaald:
vergevende;
Of: genadig vergevende, of: vergeven hebbende. Want door het geloof worden ons onze misdaden en onze zondige aard vergeven op grond van de verdiensten van Christus, en wordt het lichaam van de zonde, of de oude mens, in ons ook gedood. Van deze beide weldaden is de doop in het Nieuwe Testament een teken en zegel, zoals de besnijdenis dat in het Oude was; Rom. 2:29 en Rom. 4:11.
Uitgewist hebbende
Dat is, doorgetrokken en uitgeworpen, of ten enenmale vernietigd, gelijk wij spreken.
Hertaald:
Uitgewist hebbende
Dat is: doorgehaald en weggeworpen, of geheel tenietgedaan, zoals wij dat zeggen.
het handschrift,
Het Griekse woord Cheirographon, dat is, handschrift, nemen hier sommigen voor een schrift, dat met Gods hand zelve in stenen tafelen was geschreven, gelijk van de wet der tien geboden betuigd wordt, Ex. 34:1; en wordt dit bij hen verstaan van de wet der zeden, of der tien geboden, die tegen ons te zijn gezegd wordt ten aanzien van haar scherpen eis van volkomen gehoorzaamheid, of bij gebreke van die, vanwege hare vervloeking, die Christus voor ons aan het kruis heeft gedragen, en ons daarvan verlost, Gal. 3:10, Gal. 3:13. Doch alzo de apostel hier eigenlijk handelt tegen de onderhouding der besnijdenis en andere ceremoniën, zo wordt dit handschrift hier verstaan van de wet der ceremoniën des Ouden Testaments, die een handschrift worden genoemd, dat tegen ons was, omdat zij als een obligatie of schuldbrief waren, waardoor de mensen hunne misdaden en schulden dagelijks voor God wel bekenden, en nochtans door het uiterlijk oefenen derzelve nooit werden verlost, gelijk Paulus verklaart Hebr. 10:1, enz., gelijk dit woord Cheirographon, of handschrift, ook genomen wordt in den Grieksen tekst, Tob.5:3, en Tob.9:3. Dit blijkt ook uit
Hertaald:
het handschrift,
Het Griekse woord cheirographon, dat is: handschrift, vatten sommigen hier op als een schrift dat met Gods eigen hand op stenen tafelen geschreven was, zoals van de wet van de tien geboden betuigd wordt, Ex. 34:1. Zij verstaan dit dan van de zedelijke wet of de tien geboden, waarvan gezegd wordt dat die tegen ons is met het oog op haar strenge eis van volkomen gehoorzaamheid, of bij het ontbreken daarvan met het oog op haar vloek, die Christus voor ons aan het kruis gedragen heeft en waarvan Hij ons verlost heeft, Gal. 3:10, Gal. 3:13. Maar omdat de apostel hier eigenlijk spreekt tegen het onderhouden van de besnijdenis en de andere ceremoniën, wordt dit handschrift hier verstaan van de wet van de ceremoniën van het Oude Testament. Die worden een handschrift genoemd dat tegen ons was, omdat zij als een schuldbekentenis of schuldbrief waren, waarmee de mensen hun misdaden en schulden dagelijks voor God wel erkenden en waardoor zij toch door de uiterlijke naleving nooit verlost werden, zoals Paulus verklaart in Hebr. 10:1, enzovoort. Zo wordt dit woord cheirographon, of handschrift, ook gebruikt in de Griekse tekst van Tob. 5:3 en Tob. 9:3. Dit blijkt ook uit
het handschrift,
de vergelijking van deze plaats met Ef. 2:14-15, waar dit woord handschrift in inzettingen genoemd wordt de wet der geboden in inzettingen, welk woord dogmasi, dat is, ordinantiën of inzettingen, nergens in Gods Woord voor de wet der tien geboden wordt gebruikt, noch ook het woord dogmatizesthe, vs.20. En hetgeen van Paulus aldaar wordt bijgevoegd, bewijst dat ook klaarlijk. Want de wet der zeden maakt eigenlijk gene vijandschap tussen Joden en heidenen, alzo die ook in de natuur geschreven is, Rom. 2:14; maar het is alleen de wet der ceremoniën, door welke dit onderscheid en vijandschap tussen deze volken werd veroorzaakt, gelijk aldaar is aangetekend. Van de wet der zeden kan ook niet wel gezegd worden, dat Christus die uit het midden heeft weggenomen door Zijnen dood, om ons van de onderhouding derzelve ten enenmale te bevrijden, gelijk Paulus hier voren heeft bewezen. Want hoewel wij van den vloek en de scherpe onderhouding van de wet der zeden zijn verlost door Christus, zo blijven wij nochtans aan de onderhouding derzelve verbonden, als aan een regel van dankbaarheid, die wij God vóór onze verlossing schuldig zijn.
Hertaald:
het handschrift,
de vergelijking van deze plaats met Ef. 2:14-15, waar dit handschrift in inzettingen de wet van de geboden in inzettingen genoemd wordt. Het woord dogmasi, dat is: verordeningen of inzettingen, wordt nergens in Gods Woord voor de wet van de tien geboden gebruikt, en het woord dogmatizesthe uit vers 20 ook niet. En wat Paulus daar toevoegt bewijst het ook duidelijk. Want de zedelijke wet maakt eigenlijk geen vijandschap tussen Joden en heidenen, omdat die ook in de natuur geschreven is, Rom. 2:14; het is alleen de wet van de ceremoniën waardoor dit onderscheid en deze vijandschap tussen deze volken veroorzaakt werd, zoals daar aangetekend is. Van de zedelijke wet kan ook niet goed gezegd worden dat Christus die door Zijn dood uit het midden heeft weggenomen om ons van het onderhouden daarvan volledig te bevrijden, zoals Paulus hiervoor bewezen heeft. Want hoewel wij door Christus verlost zijn van de vloek en van de strenge eis van de zedelijke wet, blijven wij toch aan het onderhouden daarvan verbonden, als aan een regel van dankbaarheid die wij God voor onze verlossing verschuldigd zijn.
in inzettingen
Of, door de inzettingen, of bevelen, waardoor sommigen verstaan de inzettingen of leringen des Nieuwen Testaments, door welke de wet der ceremoniën is verklaard teniet gedaan te zijn; doch de vergelijking met de plaats Ef. 2:15, toont dat dit handschrift in deze inzettingen bestond, en wordt hier geleerd dat dit handschrift, niet enkel door de leer en inzettingen van Christus, maar door den dood van Christus aan het kruis is teniet gedaan, die hetzelve aan het kruis heeft genageld, en ten enenmale vernietigd, wanneer Hij voor onze misdaden en voor de schuld van die aan het kruis heeft voldaan. Want waar voldoening van schuld is, daar is geen handschrift, noch schuldbrief meer van node, en wordt derhalve gecasseerd.
Hertaald:
in inzettingen
Of: door de inzettingen of bevelen. Sommigen verstaan daaronder de inzettingen of leringen van het Nieuwe Testament, waardoor verklaard is dat de wet van de ceremoniën tenietgedaan is. Maar de vergelijking met de plaats Ef. 2:15 laat zien dat dit handschrift in deze inzettingen bestond. En hier wordt geleerd dat dit handschrift niet alleen door de leer en de inzettingen van Christus, maar door de dood van Christus aan het kruis tenietgedaan is. Hij heeft het aan het kruis genageld en volledig vernietigd, toen Hij voor onze misdaden en voor de schuld daarvan aan het kruis voldaan heeft. Want waar voldoening van schuld is, is geen handschrift of schuldbrief meer nodig, en die wordt dan ook doorgehaald.
enigerwijze
Of, heimelijk, secretelijk, namelijk omdat de wassingen, offeranden en andere ceremoniën des Ouden Testaments de mensen wel schenen te reinigen, doch inderdaad zulks niet deden, maar hen van hunne schuld alleen overtuigden, tenware zij door dezelve tot Christus werden gebracht, wiens bloed de gewetens alleen kon reinigen van dodelijke werken; Hebr. 9:9, enz.
Hertaald:
enigerwijze
Of: heimelijk, in het verborgen; namelijk omdat de wassingen, offers en andere ceremoniën van het Oude Testament de mensen wel schenen te reinigen, maar dat in werkelijkheid niet deden. Zij overtuigden hen alleen van hun schuld, tenzij zij daardoor tot Christus gebracht werden, Wiens bloed als enige de gewetens kon reinigen van dode werken; Hebr. 9:9, enzovoort.
de overheden
Dat is, den Satan met al zijn boze geesten, die grote macht over de mensen hebben, zolang zij van de heerschappij der zonde niet zijn verlost. Zie Ef. 6:12; 2 Tim. 2:26.
Hertaald:
de overheden
Dat is: de satan met al zijn boze geesten, die grote macht over de mensen hebben zolang die niet van de heerschappij van de zonde verlost zijn. Zie Ef. 6:12; 2 Tim. 2:26.
uitgetogen hebbende,
Dat is, van hunne macht en wapenen ontbloot hebbende, welker wapenen waren de zonde en dood, welker macht was de wet; 1 Kor. 15:55-56; zie ook Luc. 11:22; ene gelijkenis, genomen van den overwonnen veldoverste met zijne krijgsknechten, die alzo van hunne wapenen ontbloot zijnde voor de ogen van een ieder tot een schouwspel plachten omgevoerd te worden, totdat zij in de gevangenis gebracht, en aldaar opgesloten of omgebracht werden.
Hertaald:
uitgetogen hebbende,
Dat is: hen van hun macht en wapens ontdaan hebbende. Hun wapens waren de zonde en de dood, en hun macht was de wet; 1 Kor. 15:55-56; zie ook Luk. 11:22. Dit is een vergelijking, genomen van een overwonnen veldheer met zijn soldaten, die zo van hun wapens ontdaan gewoonlijk voor de ogen van iedereen als een schouwspel rondgevoerd werden, totdat zij in de gevangenis gebracht werden en daar opgesloten of omgebracht werden.
in het openbaar
Of, vrijmoedig, met vrijmoedigheid.
Hertaald:
in het openbaar
Of: vrijmoedig, met vrijmoedigheid.
tentoongesteld,
Of, te schande gemaakt, namelijk tot hunne verkleining en versmaadheid. Zie van dit woord Matt. 1:19.
Hertaald:
tentoongesteld,
Of: te schande gemaakt, namelijk tot hun vernedering en smaad. Zie over dit woord Matth. 1:19.
door hetzelve
Of, in hetzelve; namelijk kruis. Want door Zijnen dood heeft Hij den Satan, die de macht des doods had, de macht benomen om ons te beschadigen of beschuldigen. En hoewel hij ons nog strijd aandoet, zo zijn wij evenwel verzekerd van de volle overwinning in Christus Jezus, Luc. 10:17; Rom. 16:20; Hebr. 2:14; Openb. 12:10. Anders, in zichzelven, of, door zichzelven.
Hertaald:
door hetzelve
Of: in hetzelve, namelijk in het kruis. Want door Zijn dood heeft Hij de satan, die de macht van de dood had, de macht ontnomen om ons te schaden of aan te klagen. En hoewel hij ons nog bestrijdt, zijn wij toch zeker van de volle overwinning in Christus Jezus, Luk. 10:17; Rom. 16:20; Hebr. 2:14; Openb. 12:10. Anders: in Zichzelf, of: door Zichzelf.
getriomfeerd
Dit wordt verstaan van een geestelijken triomf, waardoor Christus, alle geestelijke macht des Satan benomen hebbende, een overwinnaar van hel, dood en verdoemenis is gebleven.
Hertaald:
getriomfeerd
Dit wordt verstaan van een geestelijke triomf, waardoor Christus, nadat Hij de satan alle geestelijke macht ontnomen had, overwinnaar van hel, dood en verdoemenis gebleven is.
Dat u dan niemand
Hiermede besluit de apostel den voorgaanden handel, en eerst tegen de ceremoniën, daarna tegen de Platonische filosofie, en eindelijk tegen de inzettingen van mensen.
Hertaald:
Dat u dan niemand
Hiermee besluit de apostel de voorgaande behandeling: eerst tegen de ceremoniën, daarna tegen de platonische wijsbegeerte en tot slot tegen de inzettingen van mensen.
oordele
Dat is, veroordele als onreinen en overtreders der wet, gelijk de Joden plachten te doen.
Hertaald:
oordele
Dat is: veroordele als onreinen en overtreders van de wet, zoals de Joden dat plachten te doen.
in spijs
Dat is, omdat gij zulk onderscheid der spijs of drank niet meer onderhoudt, als God in het Oude Testament had ingesteld.
Hertaald:
in spijs
Dat is: omdat u dat onderscheid in eten of drinken niet meer onderhoudt, zoals God dat in het Oude Testament had ingesteld.
in drank,
Gelijk de Joden in het Oude Testament in zeker geval bevolen was, ook in den drank onderscheid te maken; Num. 6:3.
Hertaald:
in drank,
Zoals de Joden in het Oude Testament in een bepaald geval geboden was ook in de drank onderscheid te maken; Num. 6:3.
of in het stuk
Of, vanwege de zaak des feestdags; gelijk deze wijze van spreken ook genomen wordt 1 Petr. 4:16.
Hertaald:
of in het stuk
Of: vanwege de zaak van de feestdag; deze manier van spreken wordt ook zo gebruikt in 1 Petr. 4:16.
des feest- dags,
Hierdoor worden verstaan de drie jaarlijkse feestdagen, die God in het Oude Testament had ingesteld, Lev. 23:4, gelijk door de nieuwe maan de maandelijkse feesten, Num. 28:11, en door het woord sabbaten de Sabbaten der jaren, en bijzonderlijk de wekelijkse, voorzoveel dezelve ceremonieel waren, Ex. 20:11; Lev. 19:3, welke door de komst van Christus zijn teniet gedaan, ten aanzien van hun bijzondere en meerdere heiligheid, die zij door Gods instelling hadden, alsook vanwege hunne betekenis en noodwendigheid. Hoewel de Christelijke kerk ook sommige feestdagen, naar de vrijheid der Christenen, heeft goedgevonden te onderhouden, tot gedachtenis van enige bijzondere weldaden van Christus, om God naar Zijn bevel in dezelve te dienen, met gehoor van Zijn woord, gebruik der heilige sacramenten, openbare en algemene gebeden en lofzangen, en geven van aalmoezen, enz. Aan welke dagen evenwel de conscientie der Christenen nu niet verder is gebonden, dan om goede orde te onderhouden, en om elkander in de Christelijke vergaderingen, door onderlinge opwekkingen, meer en meer te stichten en te sterken.
Hertaald:
des feest- dags,
Hieronder worden de drie jaarlijkse feestdagen verstaan die God in het Oude Testament had ingesteld, Lev. 23:4; met de nieuwe maan de maandelijkse feesten, Num. 28:11; en met het woord sabbatten de sabbatten van de jaren en in het bijzonder de wekelijkse, voor zover die ceremonieel waren, Ex. 20:11; Lev. 19:3. Die zijn door de komst van Christus tenietgedaan, wat betreft de bijzondere en grotere heiligheid die zij door Gods instelling hadden, en ook wat betreft hun betekenis en hun noodzakelijkheid. Toch heeft de christelijke kerk ook enkele feestdagen naar de vrijheid van de christenen goedgevonden te onderhouden, tot gedachtenis van bepaalde bijzondere weldaden van Christus, om God daarin naar Zijn bevel te dienen: met het horen van Zijn Woord, het gebruik van de heilige sacramenten, openbare en algemene gebeden en lofzangen, het geven van aalmoezen, enzovoort. Aan die dagen is het geweten van de christenen nu echter niet verder gebonden dan om een goede orde te onderhouden en om elkaar in de christelijke bijeenkomsten door onderlinge opwekking meer en meer op te bouwen en te sterken.
des feest- dags,
Hetwelk ook op andere tijden wel mag gedaan worden, wanneer het met goede orde kan geschieden. Zie 1 Kor. 11:17, enz., en 1 Kor. 14:23, enz. Doch in plaats van den wekelijksen sabbat is van der apostelen tijden af de eerste dag der week tot hetzelfde einde altijd onderhouden. Zie Hand. 20:7; 1 Kor. 16:1-2; Openb. 1:10.
Hertaald:
des feest- dags,
Dat mag ook op andere tijden gedaan worden, wanneer het in goede orde kan gebeuren. Zie 1 Kor. 11:17, enzovoort, en 1 Kor. 14:23, enzovoort. Maar in plaats van de wekelijkse sabbat is vanaf de tijd van de apostelen de eerste dag van de week altijd met datzelfde doel onderhouden. Zie Hand. 20:7; 1 Kor. 16:1-2; Openb. 1:10.
het lichaam is van
Dat is, de betekenende zaak is Christus; dat is, in Christus vervuld. Want alle schaduwen des Ouden Testaments hebben op Christus en Zijne weldaden gezien, door wiens komst zij ook een einde hebben. Zie Joh. 1:17; Gal. 4:3-4.
Hertaald:
het lichaam is van
Dat is: de zaak die erdoor aangeduid wordt is Christus; dat is: in Christus vervuld. Want alle schaduwen van het Oude Testament hebben op Christus en Zijn weldaden gezien, en door Zijn komst hebben zij ook een einde gekregen. Zie Joh. 1:17; Gal. 4:3-4.
u overheerse
Of, den prijs ontvreemde. Het Griekse woord Katabrabeuein betekent een misbruik van de macht, die iemand over anderen wordt gegeven; en is eigenlijk genomen van degenen, die in openbare loop-of strijdspelen het gezag hebben, om elk zijne beurt van lopen of strijden te vergunnen, en den prijs, die in het Griekse brabeion genaamd wordt, 1 Kor. 9:24, daarna dien, die hem verdiend heeft, te geven. Zo nu iemand zulks niet naar billijkheid, maar met ongelijk, of naar zijnen wil alleen doet, die wordt gezegd Katabrabeuein, of heersend hierin te handelen, gelijk het woord brabeuein daarentegen betekent naar billijkheid hierin te handelen of heersen. Zie Kol. 3:15.
Hertaald:
u overheerse
Of: u de prijs ontneme. Het Griekse woord katabrabeuein duidt op misbruik van de macht die iemand over anderen gegeven wordt. Het is eigenlijk genomen van hen die bij openbare wedlopen of wedstrijden het gezag hebben om ieder zijn beurt van lopen of strijden toe te wijzen en daarna de prijs — die in het Grieks brabeion genoemd wordt, 1 Kor. 9:24 — te geven aan wie hem verdiend heeft. Wanneer iemand dat niet naar billijkheid doet, maar met onrecht of alleen naar zijn eigen wil, dan wordt van hem gezegd katabrabeuein, dat is: hierin heersend te werk gaan; terwijl het woord brabeuein daarentegen betekent hierin naar billijkheid te werk gaan of leiding geven. Zie Kol. 3:15.
naar zijn wil
Grieks willen; dat is, gewillig, eigenwillig, willens.
Hertaald:
naar zijn wil
Grieks: willen; dat is: gewillig, eigenwillig, met opzet.
dienst der engelen,
Dezen dienst der engelen zochten sommigen uit de Platonische filosofie in te voeren in de gemeente van Frygië, gelijk enige oude schrijvers getuigen. Waartegen zelfs lang na dezen tijd ene synode te Laodicea is gehouden. Deze verleiders gaven voor dat men uit nederigheid niet regelrecht tot God noch tot Christus moest gaan, maar door de engelen, die dienaars Gods waren, en die als middelaars zouden zijn tussen God en ons, gelijk nog hedendaags enigen voorgeven van de verstorven heiligen.
Hertaald:
dienst der engelen,
Deze dienst van de engelen probeerden sommigen uit de platonische wijsbegeerte in de gemeente van Frygië in te voeren, zoals enkele oude schrijvers betuigen. Daartegen is zelfs lang na deze tijd een synode in Laodicea gehouden. Deze verleiders stelden het zo voor dat men uit nederigheid niet rechtstreeks tot God of tot Christus moest gaan, maar door de engelen, die dienaars van God waren en die als middelaars tussen God en ons zouden zijn — zoals sommigen dat nog vandaag beweren over de gestorven heiligen.
intredende in
Of, indringende; namelijk met hunne spitsvondige en stoute voorgevingen, en sprekende van deze zaken, alsof zij uit den hemel kwamen; daar het anders niet waren dan menselijke vonden en bedenkingen zonder grond.
Hertaald:
intredende in
Of: indringend, namelijk met hun spitsvondige en stoutmoedige beweringen, en sprekend over deze zaken alsof zij uit de hemel kwamen, terwijl het niets anders was dan menselijke vondsten en bedenksels zonder grond.
opgeblazen
Dat is, zichzelven hierin behagende en verhovaardigende, alsof hij grote dingen had gevonden.
Hertaald:
opgeblazen
Dat is: zichzelf hierin behagend en verheffend, alsof hij grote dingen gevonden had.
verstand zijns
Of, vernuft zijns vleesches; dat is, niet door Gods ingeven verlicht, maar door de verborgen natuur verleid. Want het verstand des vleesches is vijandschap tegen God; Rom. 8:7.
Hertaald:
verstand zijns
Of: het verstand van zijn vlees; dat is: niet door Gods ingeven verlicht, maar door de verdorven natuur verleid. Want het verstand van het vlees is vijandschap tegen God; Rom. 8:7.
het Hoofd niet
Namelijk Christus Jezus, die het hoofd is Zijner gemeente en ook zelfs aller engelen, van welk hoofd, en volgens werking dezes hoofds in al de leden, dezulken afwijken.
Hertaald:
het Hoofd niet
Namelijk Christus Jezus, Die het Hoofd is van Zijn gemeente en zelfs van alle engelen. Van dat Hoofd, en dus ook van de werking van dit Hoofd in alle leden, wijken zulke mensen af.
het gehele lichaam,
Namelijk der gemeente.Zie Kol. 1:24.
Hertaald:
het gehele lichaam,
Namelijk het lichaam van de gemeente. Zie Kol. 1:24.
de samenvoegselen
Zie van deze gehele gelijkenis de aantekeningen Ef. 4:16, waar dezelfde woorden ook verhaald en verklaard worden.
Hertaald:
de samenvoegselen
Zie over deze hele vergelijking de aantekeningen bij Ef. 4:16, waar dezelfde woorden ook vermeld en verklaard worden.
opwast met
Grieks wast den wasdom Gods.
Hertaald:
opwast met
Grieks: groeit de groei van God.
Indien gij dan
Met dit besluit komt de apostel tot de laatste soort van dwalingen, namelijk de menselijke instellingen.
Hertaald:
Indien gij dan
Met deze gevolgtrekking komt de apostel tot de laatste soort dwalingen, namelijk de menselijke inzettingen.
de eerste beginselen
Dat is, de ceremoniën der wet, van God zelf in het Oude Testament ingesteld, gelijk hij die ook in vs.8 alzo genoemd heeft. Hoeveel te meer, wil hij zeggen, zijt gij dan vrij van de inzettingen, die alleen op mensengoeddunken gegrond zijn.
Hertaald:
de eerste beginselen
Dat is: de ceremoniën van de wet, die God Zelf in het Oude Testament ingesteld heeft, zoals hij die ook in vers 8 zo genoemd heeft. Hoeveel te meer, wil hij zeggen, bent u dan vrij van de inzettingen die alleen op het goeddunken van mensen gebaseerd zijn.
in de wereld
Dat is, alsof uw leven en gelukzaligheid in deze uitwendige wereldse beginselen waren gelegen.
Hertaald:
in de wereld
Dat is: alsof uw leven en uw geluk in deze uiterlijke, wereldse beginselen zouden liggen.
met inzettingen belast?
Of, bevelen; dat is, laat ulieden van zulke leraars met inzettingen niet belasten.
Hertaald:
met inzettingen belast?
Of: bevelen; dat is: laat u door zulke leraars geen inzettingen opleggen.
raak niet,
Dit zijn de woorden van deze bijgelovige mensen, die Paulus verhaalt; wijzende met deze drieërlei wijze van spreken aan, dat het bijgeloof altijd groeit. Want eerst verbieden zij aan te raken, namelijk om te eten of te drinken; daarna zelfs niet om te smaken; eindelijk om zelfs niet aan te roeren. Want dat hier alleen gesproken wordt van zulke dingen, waarmede het lichaam geoefend en gevoed wordt, blijkt uit de twee navolgende verzen, vs.22,23, in welke dingen vele valse leraars eertijds grote heiligheid hebben gesteld, en nog stellen tegen de leer van Paulus alhier, en Rom. 14:17; 1 Tim. 4:3-4.
Hertaald:
raak niet,
Dit zijn de woorden van deze bijgelovige mensen, die Paulus weergeeft. Met deze drie uitdrukkingen wijst hij erop dat het bijgeloof altijd groeit. Want eerst verbieden zij aan te raken, namelijk om te eten of te drinken; daarna zelfs om te smaken; en tot slot om er ook maar aan te komen. Dat hier alleen gesproken wordt over zulke dingen waarmee het lichaam bezig is en gevoed wordt, blijkt uit de twee volgende verzen 22 en 23. In die dingen hebben veel valse leraars vroeger een grote heiligheid gezocht, en zij doen dat nog, tegen de leer van Paulus hier en in Rom. 14:17; 1 Tim. 4:3-4.
verderven
Grieks zijn ten verderve; dat is, vergaan zelf in het lichaam des mensen, wanneer zijn nu gebruikt zijn, en dienen alleen tot onderhoud van dit vergankelijke leven, doch hebben gene kracht om het geestelijke leven in ons voort te brengen. Zie Matt. 15:11; 1 Kor. 6:13, en 1 Kor. 8:8, maar die naar Gods Woord doet, blijft in der eeuwigheid; 1 Joh. 2:17.
Hertaald:
verderven
Grieks: zijn tot verderf; dat is: zij vergaan zelf in het lichaam van de mens wanneer zij gebruikt zijn, en zij dienen alleen tot onderhoud van dit vergankelijke leven; maar zij hebben geen kracht om het geestelijke leven in ons voort te brengen. Zie Matth. 15:11; 1 Kor. 6:13 en 1 Kor. 8:8. Maar wie naar Gods Woord doet, blijft tot in eeuwigheid; 1 Joh. 2:17.
de geboden
Dat is, zijn ingesteld niet van God, maar van het goedvinden van mensen, waar nochtans in zaken van godsdienst en conscientie het woord Gods alleen moet gelden. Zie Deut. 12:32, en Matt. 15:9.
Hertaald:
de geboden
Dat is: zij zijn niet door God ingesteld, maar naar het goeddunken van mensen, terwijl in zaken van godsdienst en geweten alleen het Woord van God mag gelden. Zie Deut. 12:32 en Matth. 15:9.
van wijsheid
Dat is, van een zeer hoge leer, waar zich de menselijke wijsheid over verwondert.
Hertaald:
van wijsheid
Dat is: van een zeer verheven leer, waarover de menselijke wijsheid zich verwondert.
in eigenwilligen
Dat is, in zulken godsdienst, dien de mensen zich vanzelf opleggen, alsof zij meer wilden doen dan God van hem eist. Want dezen dekmantel, alsook de navolgende twee andere, van nederigheid en temming des lichaams, plegen deze mensen gemeenlijk voor te wenden.
Hertaald:
in eigenwilligen
Dat is: in zulke godsdienst als de mensen zich uit zichzelf opleggen, alsof zij meer wilden doen dan God van hen eist. Deze dekmantel gebruiken zulke mensen gewoonlijk, en ook de twee volgende: nederigheid en het tuchtigen van het lichaam.
zijn niet in enige waarde,
Of, zijn niet in enige eer; namelijk die men het lichaam aandoet, tot verzadiging des vleesches, dat is, in enige achting bij God, of van enige kracht tot de zaligheid. Zie 1 Kor. 8:8; 1 Tim. 4:8; Hebr. 13:9.
Hertaald:
zijn niet in enige waarde,
Of: zij zijn niet in enige eer; namelijk de eer die men het lichaam aandoet tot verzadiging van het vlees. Dat is: zij hebben bij God geen enkele waarde en geen enkele kracht tot zaligheid. Zie 1 Kor. 8:8; 1 Tim. 4:8; Hebr. 13:9.
tot verzadiging
Dat is, dienen alleen om het lichaam te sterken en van nodig voedsel te voorzien.
Hertaald:
tot verzadiging
Dat is: zij dienen alleen om het lichaam te sterken en van het nodige voedsel te voorzien. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Paulus waarschuwt: "Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus" (Kol. 2:8), en stelt daar de volheid tegenover: "want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; en gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht" (Kol. 2:9-10). Niet in een systeem van tussenmachten, engelen of speciale kennis ligt de volheid, maar alleen en volledig in Christus Zelf — en wie in Hem is, is daarin "volmaakt": er valt niets aan toe te voegen. Bijbelse betekenis: Dit weerlegt elke leer die stelt dat het geloof in Christus alleen niet genoeg is en aangevuld moet worden met bijzondere kennis, rituelen of bemiddelende machten. De volheid der Godheid woont niet gedeeltelijk maar geheel in Christus, en niet slechts geestelijk maar "lichamelijk". De gelovige die in Hem is, ontbreekt daarom niets voor zijn volkomen heil. Typologie: Wat zelfs de tempel niet kon bevatten, woont in Christus volledig: Salomo beleed bij de tempelwijding al: "Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!" (reeds behandeld bij 1 Kon. 8:27). Kol. 2:8-10 "In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus" (Kol. 2:11) — geen lichamelijk teken meer, maar de innerlijke aflegging van het zondige vlees. Paulus verbindt dit onmiddellijk aan de doop: "zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft" (Kol. 2:12), met als resultaat: "Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende" (Kol. 2:13). In datzelfde vers staat dat het handschrift dat tegen ons was, is uitgewist en aan het kruis genageld (Kol. 2:14). Bijbelse betekenis: Waar de lichamelijke besnijdenis (Gen. 17, reeds behandeld) een teken in het vlees was dat aan de geboorte hing, is dit de geestelijke vervulling ervan. Zij is de innerlijke afsnijding van de oude, zondige natuur, die geschiedt wanneer iemand in Christus komt te staan. Merk op wat Kol. 2:12 zelf als middel noemt: niet de doop op zichzelf, maar "het geloof der werking Gods" — de doop is hier het zichtbare zegel op iets dat door het geloof al werkelijkheid is. Dat is dezelfde orde als bij de doop van Johannes en de doop in Handelingen (reeds behandeld bij Matt. 3): eerst het geloof, dan het teken. Deze tekst wordt in de paedobaptistische uitleg wel gebruikt om de doop als opvolger van de besnijdenis aan pasgeboren kinderen te verbinden. De tekst zelf doet dat niet: zij verbindt de besnijdenis-zonder-handen en de doop aan het geloof, niet aan de geboorte. Wie nog niet geloven kan, kan naar deze tekst ook niet besneden zijn met de besnijdenis van Christus. Typologie: Dit vervult wat het Oude Testament al aankondigde: "En de HEERE, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om den HEERE, uw God, lief te hebben" (Deut. 30:6). En Paulus noemt de ware besnijdenis elders die van het hart, door de Geest, en niet naar de letter (reeds behandeld bij Rom. 2:28-29). Kol. 2:11-14; Matt. 3:1-15; Deut. 30:6; Rom. 2:28-29; Rom. 6:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe In Kolosse dringen leraars aan op inzettingen: op eten en drinken, op feestdagen en nieuwe manen en sabbatten. Wie het goed wil doen, moet dat er volgens hen bij nemen. Paulus antwoordt met een beeld uit de rechtszaal. De schuldbekentenis die tegen ons getuigde is uitgewist en aan het kruis genageld — en de inzettingen waren maar een schaduw. Paulus gebruikt het woord cheirographon: een handschrift, een eigenhandig getekende schuldbekentenis. De kanttekening legt uit dat sommigen daarbij denken aan de wet die God met eigen hand op stenen tafelen schreef. Zij wijst ook op Efeze 2, waar hetzelfde de wet der geboden in inzettingen heet. Wat er met dat handschrift gebeurt, staat er in drie werkwoorden. Uitgewist — de kanttekening geeft: doorgehaald en weggeworpen, geheel tenietgedaan. Weggenomen uit het midden. En dan het derde, dat het beeld verankert in een plaats en een uur: hetzelve aan het kruis genageld hebbende. De schuldbrief die tegen ons getuigde is dus niet kwijtgeraakt of vergeten. Hij is doorgehaald en vastgespijkerd op de plek waar ook Hij hing. Daarna volgt de toepassing op de dwaalleraars, en die is nuchter. Dat niemand u dan oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags of der nieuwe maan of der sabbatten. En dan de zin die dit hele register in vier woorden samenvat: welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. De kanttekening werkt dat uit: de zaak die erdoor aangeduid wordt is Christus, in Wie zij vervuld zijn. Alle schaduwen van het Oude Testament hebben op Christus en Zijn weldaden gezien, en door Zijn komst hebben zij ook een einde gekregen. Een schaduw bewijst dat er iets is dat hem werpt. Maar wie de schaduw vasthoudt terwijl de zaak zelf gekomen is, houdt niets in handen. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 10:1; Efeze 2:14-16; Galaten 4:9-10; Johannes 19:30
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een preek uitgesproken op zondag 11 mei 1890, door C.H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle. U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd, U hebt gaven genomen… Pas op dat niemand u als buit meesleept door de filosofie... Kolossenzen 2:8 Er zijn veel verschillende soorten christelijke kerken—kun je er een paar noemen voordat je verder leest?… Zoals u dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandel in Hem. Kolossenzen 2:6 Het geloofsleven wordt voorgesteld als ontvangen – iets wat precies het tegenovergestelde is van… Wandel in Hem. Kolossenzen 2:6 Als je Christus echt in je hart hebt verwelkomd, zal dat nieuwe leven zichtbaar worden in hoe je met Hem samenwandelt – een… Zoals u dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandel in Hem.(Kolossenzen 2:6) Lees verder 1 Johannes 2:3—11. Er zijn veel mensen met een tegenstrijdig leven. Ik kan… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Wandel in Hem. Kolossenzen 2 vers 6 Als wij Christus Zelf in het diepst van ons hart ontvangen hebben, zal ons… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Zoals u dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandel in Hem. Kolossenzen 2 vers 6 Het geloofsleven wordt hier vergeleken… Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; en gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht. Kolossenzen 2:9-10 Alle eigenschappen… Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem. Kolossenzen 2:6 O, er is niets waaraan u zo’n groot voordeel kunt hebben, waardoor u zo… En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende; Uitgewist hebbende… Worden we niet veroordeeld? Dan zijn Gods kinderen in Gods oog nooit schuldig als ze in Christus geloven. Bent u verbaasd dat ik dit zo zeg? Ik zeg… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Want in Hem woont heel de volheid van de Godheid lichamelijk. En u bent volmaakt geworden in Hem. Kolossenzen 2 vers… Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem; Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Kolossenzen 2
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het handschrift aan het kruis genageld — 2:8-17
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De Triomfantelijke Hemelvaart van onze Heere
Sekten
Een vrije gift
Blijf dicht bij Christus
Leven en wandelen in geloof
Blijf in Jezus en wandel in Hem
Gaven ontvangen om Jezus aan te nemen
In Hem volmaakt
Jezus voetstappen volgen
Kan God vergeten?
Wat het geloof insluit
Volmaakt geworden in Hem
Wandel met Jezus


Kolossenzen 2
Kolossenzen 2:1
KruisverwijzingenKolossenzen 1:29→Filippenzen 1:30→Kolossenzen 4:12→Openbaring 1:11→Kolossenzen 2:5→Kolossenzen 1:24→Lukas 22:44→1 Thessalonicenzen 2:2→— Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien;
Paulus had deze Kolossenzer christenen nooit ontmoet, maar hij had gehoord van hun geloof, hun hoop en hun liefde. Hij verlangde zo naar hun welzijn dat hij voortdurend zorg voor hen in zijn hart droeg. Hij bracht die zorg tot God in het gebed, en toch bleef hij hen liefdevol gedenken. Zij waren altijd op zijn hart, zoals een ziek kind altijd op het hart van zijn moeder is.
Kolossenzen 2:2-3
KruisverwijzingenKolossenzen 4:8→1 Korinthe 1:30→1 Korinthe 1:24→Romeinen 11:33→Kolossenzen 3:14→Efeze 6:22→Kolossenzen 1:15→Kolossenzen 1:27→— Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus; In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.
Hij wilde dat zij God kenden, en rustten, getroost en gelukkig, in wat Hij geopenbaard had. Hij zag bij hen een neiging om verder te kijken naar iets meer dan dat. Zij verlangden nog iets aan het Evangelie toe te voegen, buiten het Woord om nieuw licht te vinden, en daarover treurde hij zeer. Hijzelf was meer dan tevreden met het Evangelie, en hij wilde dat zij dat in dat opzicht ook waren.
Kolossenzen 2:4
KruisverwijzingenEfeze 5:6→Romeinen 16:18→2 Thessalonicenzen 2:9→2 Johannes 1:7→Mattheüs 24:24→1 Johannes 2:26→2 Timotheüs 2:16→Titus 1:10→— En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben.
Zij spraken het Evangelie niet openlijk tegen; zij deden alsof zij er grote genegenheid voor hadden. En toch probeerden zij met hun verleidelijke woorden van menselijke wijsheid het hart eruit te scheuren.
Kolossenzen 2:5
Kruisverwijzingen1 Petrus 5:9→1 Korinthe 14:40→1 Korinthe 16:13→1 Thessalonicenzen 2:17→2 Petrus 3:17→Psalmen 78:8→1 Korinthe 15:58→1 Thessalonicenzen 3:8→— Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus.
Hij vergat hen nooit; en het was zijn blijdschap wanneer hij hen vast zag staan in Christus, en zijn droefheid en zijn afschuw wanneer zij achter iemand anders aangingen.
Kolossenzen 2:6
KruisverwijzingenKolossenzen 1:10→1 Thessalonicenzen 4:1→1 Johannes 2:6→Efeze 5:1→Kolossenzen 3:17→2 Johannes 1:8→2 Korinthe 5:7→1 Johannes 5:11→— Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem;
Keer u niet van Hem af, denk er niet aan verder te gaan dan Hem. U hebt Hem in het begin heel eenvoudig aangenomen, u vertrouwde geheel op Hem, ga dus zo door. U was tevreden met Christus toen u voor het eerst tot Hem kwam. Wees dat dan nog steeds, want u hebt niets meer nodig dan Christus, en er is niets meer dan Christus. Begin niet met Christus om daarna terug te vallen op uzelf; laat het van begin tot eind geheel Christus zijn.
Kolossenzen 2:7
KruisverwijzingenEfeze 3:17→Efeze 2:20→Kolossenzen 1:23→2 Thessalonicenzen 2:17→Kolossenzen 1:12→Romeinen 11:17→Efeze 5:20→Psalmen 92:13→— Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging.
Neem een levend houvast aan Christus, zoals een boom houvast heeft aan de grond. Wees ook in Hem opgebouwd; zoals een gebouw zich zet op zijn fundament, zo moet u zich zetten op Christus. Vergeet niet wat u geleerd hebt; verwerp het niet; houd eraan vast. Wie het ene wijsgerige stelsel zou leren, en het dan weer afleren, en aan een ander beginnen, en dat dan weer afleren, en aan nog weer een ander beginnen, zou eerder een dwaas worden dan een wijsgeer. En wie op de ene manier begint het geloof te leren, en het dan op een andere manier probeert te leren, en het vervolgens op nog weer een andere manier probeert te leren, wordt eerder een scepticus dan een heilige. Christenen behoren vooruitgang te maken op de weg naar de hemel. Maar zij behoren geen ander fundament voor hun geloof te hebben dan zij bij het begin van hun christelijke loopbaan hadden. Wij moeten nog altijd vaststaan zoals wij bij het begin stonden. Wij moeten geworteld en gegrond zijn, bevestigd in het geloof, vasthoudend aan de oude waarheid die onze zielen behouden heeft. Met steeds grotere vastheid moeten wij vasthouden aan diezelfde Zaligmaker, elk uur van ons leven. Wij mogen niet zijn als kaf, voortgedreven door de wind, altijd in beweging; maar als de cederen van Libanon, stevig geworteld, bestand tegen de zwaarste stormen.
Kolossenzen 2:8
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 6:20→Efeze 5:6→Kolossenzen 2:20→Galaten 4:3→Romeinen 1:21→Mattheüs 7:15→1 Korinthe 3:18→Kolossenzen 2:22→— Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;
Velen zouden u op deze manier willen bederven, door u hun diepzinnige gedachten, hun grootse uitvindingen, hun schitterende ideeën te onderwijzen. Wees op uw hoede voor hen allen. Houd u aan Christus, geliefde. Ga niet verder dan Hij u leidt; wijk niet van Hem af, noch naar rechts, noch naar links. In Hem zijn alle rijkdommen van de genade en alle schatten van de kennis besloten. Wilt u werkelijk wijs worden, zoek dan meer te weten van de wijsheid van God in Christus Jezus.
Kolossenzen 2:9-10
KruisverwijzingenKolossenzen 1:19→Johannes 1:14→Johannes 10:30→1 Timotheüs 3:16→Johannes 10:38→Efeze 1:20→Kolossenzen 1:16→Efeze 3:19→— Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
U hebt alles in Christus wat u zou moeten willen; u bent volledig toegerust, geheel voorzien en uitgerust voor alle toekomstige dienst. U hoeft niet naar Christus te gaan voor de vervulling van sommige van uw noden, en dan elders voor de vervulling van andere noden; nee, u bent volmaakt in Hem.
Kolossenzen 2:11
KruisverwijzingenRomeinen 2:29→Romeinen 6:6→Efeze 4:22→Filippenzen 3:3→Kolossenzen 3:8→Lukas 2:21→Deuteronomium 30:6→Galaten 2:20→— In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;
Alles wat er goeds was in het jodendom, is voor u zekergesteld in Christus. Wat er ook van zegen en voorrecht lag in het verbondsteken in het vlees van hen die God vroeger tot Zijn volk maakte, dat is u overgedragen door de dood van Christus.
Kolossenzen 2:12
KruisverwijzingenRomeinen 6:3→Romeinen 4:24→Efeze 4:5→1 Petrus 3:21→Handelingen 2:24→Efeze 3:17→Galaten 3:27→Efeze 1:19→— Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.
Alleen doordat u één bent met Christus, zal de doop voor u zijn wat Hij bedoeld heeft. Met Hem begraven in de doop, bent u dood voor al het overige, en al uw leven ligt in Hem.
Kolossenzen 2:13
KruisverwijzingenEfeze 2:1→Jakobus 2:26→1 Johannes 1:7→Lukas 15:32→Jeremia 31:34→Johannes 6:63→Psalmen 119:50→Romeinen 4:17→— En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende;
Uw vergeving wordt u gegeven in Christus. O, hoe vol en hoe vrij is die vergeving die tot u komt door Christus Jezus!
Kolossenzen 2:14-15
KruisverwijzingenEfeze 4:8→Hebreeën 2:14→Mattheüs 12:29→Jesaja 53:12→Hebreeën 7:18→Efeze 2:14→Hebreeën 10:8→Johannes 12:31→— Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende; En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.
Al de Mozaïsche plechtigheden, waarvan u als heidenen buitengesloten was, zijn afgeschaft. Christus heeft er een spijker doorheen geslagen en ze aan Zijn kruis vastgemaakt. Zoals een bankier weleens een cheque doorstempelt wanneer zij betaald is, zo heeft Christus dwars door het hart van alle Joodse inzettingen heen gestoken, door wat Hij voor Zijn volk gedaan heeft. Zijn kruis was Zijn triomf. Hij heeft de gevangenis gevankelijk weggevoerd, hen in het openbaar tentoongesteld als Zijn gevangenen in een triomftocht, zoals de zegevierende Romeinse veldheren deden wanneer zij van de oorlog terugkeerden. Wat wilt u dan nog meer? Uw vijand is overwonnen, uw zonden uitgewist, uw dood in leven veranderd, in al uw noden is voorzien.
Kolossenzen 2:16
KruisverwijzingenRomeinen 14:5→Galaten 4:10→Romeinen 14:10→Romeinen 14:13→1 Kronieken 23:31→Hebreeën 9:10→Ezechiël 45:17→Romeinen 14:20→— Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;
Stel uzelf niet onder de dwang van regels en voorschriften die door mensen gemaakt zijn. Kiest u ervoor iets te doen, of iets te laten, omdat u het juist en heilzaam acht, doe dat dan. Maar laat niemand u vertellen dat het voor uw zaligheid nodig is zich van dit voedsel of die drank te onthouden. Laat ook niemand u vertellen dat er verdienste ligt in veertig dagen vasten, of dat u niet zalig kunt worden zonder zo’n heilige dag te houden. Uw zaligheid ligt in Christus. Houd u daaraan, en voeg niets toe aan dit ene fundament, dat eens voor altijd in Hem gelegd is.
Kolossenzen 2:17
KruisverwijzingenHebreeën 10:1→Hebreeën 8:5→Johannes 1:17→Hebreeën 9:9→Hebreeën 4:1→Mattheüs 11:28→— Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.
Dat is alles wat zij zijn: een schaduw van de toekomende dingen. U kunt de schaduw nu missen, nu u de zaak zelf hebt; houd u dus daaraan. Sommige mensen vermenigvuldigen kerkelijke plechtigheden; zij hebben deze vorm en die vorm. Welnu, laat hen die hebben als zij ze nuttig vinden, maar onderwerp uzelf niet aan zoiets. Volg het Nieuwe Testament, en blijf boven alles dicht bij Christus, want Hij is alles voor u.
Kolossenzen 2:18
KruisverwijzingenKolossenzen 2:23→Kolossenzen 2:8→1 Timotheüs 1:7→2 Korinthe 11:3→Deuteronomium 29:29→Openbaring 22:8→Jakobus 4:1→1 Timotheüs 4:1→— Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;
Wij kennen mensen die zeggen: wij weten niets, wij zijn alleen maar zoekers, die proberen de waarheid te vinden. Zij spreken heel nederig, als men bedenkt hoe wanhopig trots zij werkelijk zijn, maar die nederigheid die mensen doet twijfelen, is schijnnederigheid, en is niet uit God. Hebt u de waarheid uit de Schriften geleerd, wees er dan onwrikbaar in. Wees niet bang voor de aanmatiging waarvan men u zal beschuldigen, of de bekrompenheid die men u zal toeschrijven. Laat niemand u van uw beloning beroven. Agnosten belijden door hun naam al dat zij het niet weten. Maar laat hen niet wegnemen wat u wél weet, en u niet aanzetten dingen te onderzoeken die boven uw begrip gaan. Zij willen u doen geloven dat hun oordeel bijna onfeilbaar is, terwijl het juist heel feilbaar is. Wees niet opgeblazen door uw vleselijke gemoed.
Kolossenzen 2:19
KruisverwijzingenEfeze 4:15→Job 19:9→Johannes 17:21→Kolossenzen 1:18→Galaten 5:2→Romeinen 12:4→Efeze 5:29→Filippenzen 1:27→— En het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom.
Dat is het punt: deze mensen wenden zich af van de Godheid van Christus, van het verzoenend bloed, van de verheerlijking van Hem Die alleen de Waarheid is. Neem het Hoofd weg, en er is dood; alles raakt dan uit de orde. Wordt het Hoofd geloochend, wordt enige leer onderwezen die tegen de heerlijkheid van Christus ingaat? Dan hebt u het lichaam gedood, hoezeer u ook doet alsof u het laat groeien en voedt.
Kolossenzen 2:20-22
KruisverwijzingenGalaten 4:3→Jesaja 29:13→Kolossenzen 2:8→Kolossenzen 2:14→Kolossenzen 2:16→Titus 1:14→Galaten 4:9→1 Korinthe 6:13→— Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan. Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen;
U mag, en behoort te voelen dat er sommige dingen zijn die u niet zult aanraken, of proeven, of aanroeren. Laat vergiftige middelen liever met rust. Maar tracht iemand u enig voorschrift daarover als een deel van het geloof op te leggen, dan mag u dat weerstaan en verwerpen, en uw vrijheid in Christus voor u opeisen.
Kolossenzen 2:23
KruisverwijzingenKolossenzen 2:18→1 Timotheüs 4:8→1 Timotheüs 4:3→Genesis 3:5→Mattheüs 23:27→Efeze 5:29→Kolossenzen 2:8→Kolossenzen 2:22→— Dewelke wel hebben een schijn rede van wijsheid in eigenwilligen gods dienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.
Er waren sommige Joden die bepaalde soorten vlees niet wilden eten, en anderen die lange perioden vastten. Sommigen vonden het zeer goddeloos op een bepaalde dag vlees te eten, en er waren nog veel meer van zulke begrippen. Soortgelijke bijgelovigheden bestaan nog onder ons voort, zoals geen vlees eten op vrijdag, bang zijn voor dertien personen aan tafel, en zo meer. Maar u hebt met al zulke onzin niets te maken; maak u er dus van los. Bent u een gelovige in Christus, vertrap dan al zulke dwaasheid onder uw voeten. Er is geen eer aan zulke dingen; zij zijn verachtelijk. Dat is alles wat zij zouden doen: u beter doen lijken dan andere mensen. Laat u dus niet op deze manier verleiden, maar staat vast in de vrijheid waarmee Christus Zijn volk heeft vrijgemaakt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-23.KruisverwijzingenKolossenzen 1:19→1 Timotheüs 6:20→Johannes 1:14→Kolossenzen 4:8→Kolossenzen 1:10→Kolossenzen 2:20→Johannes 10:30→Kolossenzen 1:29→
— Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien; Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus; In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben. Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus. Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem; Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging. Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus; Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
De apostel wil nu nog nader en meer bepaald dan hij dit in de vorige afdelingen heeft gedaan, over de dwaalleraars spreken en de gemeente te Kolosse voor hun bedrog waarschuwen; omdat zij, evenmin als andere gemeenten van die streek, hem niet persoonlijk kent en daarom des te meer is blootgesteld aan het gevaar, om tot een vreemde leer verleid te worden, probeert hij hen eerst daardoor tot zich te trekken, dat hij hen op een manier, geschikt om hun harten te winnen, een blik laat slaan in zijn zorg voor hun zielenheil en in zijn gebedsstrijd om hun bewaring (vs. 1-3). Hij zegt dan ook openlijk wat het gevaar was, waarom hij voor hen bezorgd was. Toch had hij voor haar nog slechts bezorgde gedachten vanwege hetgeen plaats kon hebben; voor het tegenwoordige was de gemeente nog in een juiste toestand en bezat zij het ware geloof, zoals hij, die wel naar het vlees van haar verwijderd, maar in de geest bij haar tegenwoordig was, wel kon afmeten (vs. 4 en 5). Daarop vermaant hij de Kolossensen bij Christus Jezus, die zij in geloof hebben aangenomen, steeds met volhardend, steeds dieper wortelend en hoger klimmend geloof, vol dankbaarheid voor de genade hun in Hem ten deel geworden, te blijven (vs. 6 en 7). Hiermee leidt hij de volgende waarschuwing tegen de filosofie en verleiding van de dwaalleraars in. Deze willen door leringen van mensen en inzettingen van de wereld haar beroven van hetgeen zij in Christus hebben. Hij stelt daarom vooraf ernstig voor alles wat zij in de Heere hebben, in wie al de volheid van de Godheid lichamelijk woont en hoe in Hem al hun zaligheid in alle opzichten teweeg wordt gebracht (vs. 8-15), om vervolgens die punten in het bijzonder te noemen, waarin zij moesten waken tegen verleiding tot afval van hun Heer (vs. 16-23).
Ik heb U zo-even (Hoofdstuk 1: 29) gezegd, dat ik voor u arbeid en worstel, want ik wil dat u weet, welke groete strijd ik voor u heb van zorgen en gebed (Rom. 15: 30) en voor degenen, die te Laodicea zijn, wie mijn brief eveneens aangaat (Hoofdstuk 4: 16) en in het algemeen zo velen in nog andere gemeenten, zoals bijvoorbeeld in die te Hiërapolis (Hoofdstuk 4: 13), als er mijn aangezicht in het vlees, mijn gelaat (Gal. 1: 22), niet hebben gezien, maar door leerlingen van mij de prediking van het Evangelie hebben ontvangen en nu des te meer in gevaar zijn door dwaalleraars van de juiste weg te worden afgeleid.
De herinnering aan zijn arbeid en zijn strijd, waarvan hij vroeger had gesproken, biedt de apostel een gerede aanleiding aan, om over te gaan tot een bijzondere bezorgdheid, die hem veroorzaakt werd door de toestand van de gemeente te Kolosse, die bedreigd werd door de verderfelijke Judaïstisch-theosofische dwaalleer. Met de woorden: “welke grote strijd ik voor u heb”, wijst hij op de grootheid van zijn zorgen, d. i. indirect op de grootte van het gevaar, dat de Colossenzen vanwege de dwaalleer bedreigde. Uit de volgende bijvoeging “en voor degenen, die te Laodicea zijn en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien” blijken twee zaken, ten eerste, dat de Laodiceesche Christenen eveneens door de dwaalleer waren bedreigd en ten tweede dat Paulus aan de medeleden van beide gemeenten persoonlijk onbekend was. Zijn zorg nu voor beide gemeenten, alsmede voor alle andere, die hem persoonlijk onbekend waren, was des te groter naarmate hij die minder verzekerd kende door zijn persoonlijke werkzaamheid tot haar vestiging.
De apostel stelde er vooral belang in, dat het Christendom in zijn volkomen zelfstandigheid, in zijn onafhankelijkheid van alle menselijke inzettingen werd opgevat, zodat Christus als de enige Heer en Heiland en het geloof in Hem als het enige en volkomen voldoende middel tot verkrijging van de zaligheid werd erkend. Hij was het, door wie het Christendom het eerst op die manier met volkomen helder bewustzijn werd verkondigd. Hoe sterker nu de oppositie op de voorgrond trad tegen het principe, dat hem bezielde, des te meer moest het hem tot geruststelling zijn, als hij zelfs op een plaats, waar die zich vertoonde, het Evangelie verkondigd had op de vrije, hem eigenaardige wijze, omdat hij dan met des te meer vertrouwen kon hopen, dat de herinnering van zijn prediking, alsmede de liefde, die de gemeente voor hem voelde, hen zou verbinden aan het Evangelie, zoals zij dat van hem hadden gehoord. Leerde hem daarentegen de ervaring, dat zelfs in zulke gemeenten dwaalleraars ingang konden vinden, zoals dit bij de Christenen in Galatië het geval was, dan moest het hem des te meer verontrusten, wanneer in gemeenten, waarin wel in zijn geest, maar niet door hemzelf het Evangelie was verkondigd, dwaalleraars optraden, door wie de gelovigen in hun geloof aan het wankelen konden worden gebracht, zodat dus juist de onbekendheid een natuurlijke reden tot bijzondere zorg moest zijn.
Ik wens, dat zij weten, wat een bezorgdheid ik voor hen voel, opdat hun harten vertroost mogen worden en opgewekt tot getrouwheid aan het Evangelie (1 Thessalonicenzen. 3: 2; 2 Thessalonicenzen. 2: 17 en zij zelf als leden van een lichaam, die bij elkaar behoren, tegenover de verzoekingen van de vreemde leer, die scheiding en tweespalt veroorzaken, samengevoegd zijn in de liefde. Dat is mijn begeerte voor hen en dat zij daardoor mogen komen tot alle rijkdom van de volle verzekerdheid 1) van het verstand a), dat zij bij scheiding en onenigheid toch nooit zouden bereiken, a) tot kennis van de verborgenheid van God; en dat is een geheim van God de Vader en tevens een verborgenheid van de Heere Christus (Hoofdstuk 4: 3 Efeze. 3: 4).
Jes. 53: 11 Jer. 9: 23 Joh. 17: 3 Filippenzen 3: 8
Door de onze goed uitgedrukt met twee woorden “volle verzekerdheid”, geeft te kennen, zo’n volledige en nadrukkelijke overreding van ons gemoed over een zaak, waardoor wij desaangaande met geen twijfelingen belemmerd zijn, maar zo’n volkomen zekerheid hebben, dat, welke schijnredenen voor het tegendeel ook mochten ingebracht worden, wij daardoor uit onze vastheid ons niet laten rukken. Zo’n gesteldheid van ons gemoed verschilt zeer veel van een redeloze stijfzinnigheid. Zij is een deugd, waar redeloze stijfzinnigheid die naam geenszins verdient. Zij wordt altoos op een redelijke manier in ons verwekt, hetzij dan door de ervaring, die wij zelf hebben van een zaak, hetzij door de geloofwaardigheid van iemands getuigenis, waarop wij ons gegrond verlaten, hetzij door het inzien van het verband van die waarheden, waarvan wij ten volle overtuigd zijn, met zo een, waarover wij nu opnieuw overreed worden. Het kan zijn dat al deze drie wegen te samen lopen, om ons tot een volle overreding te brengen, maar in vele gevallen moeten wij ons vergenoegen met de tweede of derde manier van overreding, dan namelijk, als de zaak voor geen proeven van ervaring vatbaar is. Desalniettemin kan onze overtuiging even redelijk en zeker zijn, wanneer wij op iemands gezegde ons verlaten, van wiens waarheid wij ons ten volle verzekerd mochten houden en wanneer wij uit het verband van de waarheden, zonder inmengsel van drogredenen, welingerichte gevolgen en besluiten afleiden. En dit mogen wij vast geloven dan te gebeuren, wanneer wij op het onfeilbaar getuigenis van God, die de waarheid zelf is, ons verlaten en door Gods Geest bestraald worden, om bij het eigen licht van de Heere de waarheden van God zelf ontdekt, juist en grondig in te zien.
Waarin, als in een gesloten plaats, waarin men die moet opzoeken en men moet binnendringen, als men ze wil krijgen (MATTHEUS. 13: 44), al de schatten van de wijsheid en de kennis verborgen zijn (Jes. 11: 2. 1 Kor. 1: 24).
Het doel van de strijd van Paulus, waarvan hij vroeger heeft gesproken, is de stichting van de gelovigen. Deze wordt in de eerste plaats uitgesproken in de woorden “opdat hun harten vertroost of vermaand worden. ” Omdat nu de vermaning, waar die vruchten draagt een versterkende, het hart bevestigende werking heeft, moet de uitdrukking hier worden opgevat met het oog op deze uitslag. Zoals echter het doel van Paulus’ strijd is, dat zijn lezers worden beveiligd tegen alle verleiding door verkeerde leer, is dat doel verder, dat zij “samengevoegd zijn in de liefde” tot overwinning van alle twisten en partijschappen. Als het doel van dit verbonden zijn in de liefde wordt dan genoemd het verhoogde inzicht in het geheim van God, waardoor een verzekerdheid tegen afleiden van Christus als de enige bron van alle ware wijsheid is gegeven.
De goddelijke verborgenheid, waarvan de apostel zozeer wenst, dat zij, voor wie hij arbeidt en strijdt, haar verstaan, is niet hetzelfde, als waarvan hij in Hoofdstuk 1: 26 v. heeft gesproken, maar staat daarmee in betrekking als in Efeze. 3 het in vs. 4 genoemde tot het in vs. 9 nader bepaalde; het is het geheim van God, dat Christus is. Deze is persoonlijk, de in God besloten en uit God geopenbaarde waarheid en juist daarom wordt van Hem gezegd, dat in Hem alle schatten van wijsheid en van kennis verborgen zijn. Die Hem heeft, die heeft deze; die het verstand heeft van Hem, die Hem heeft leren kennen, zoals Hij is, die ontbreekt niets, om alles te bevatten (wijsheid) en er is niets voor zijn inzicht afgesloten (kennis 1 Kor. 12: 8 Rom. 11: 33). Als de apostel zegt “dat alle schatten van wijsheid en kennis in Christus verborgen zijn, dan wil hij daarmee uitdrukken, dat men ze in Hem moet zoeken, omdat zij niet voor een gewoon oog open liggen en dat men ze niet anders machtig wordt, tenzij men in deze indringt.
Dat de apostel bij dit woord de tegenstelling tegenover de dwaalleraars op het oog heeft, blijkt duidelijk uit het verband, in zo verre namelijk deze leerstellingen verkondigden, die uit het goddelijk mysterie van de verlossing door Christus niet ontwikkeld konden worden, maar hun grond hadden in een wijsheid daaraan vreemd.
De gemeente heeft geen ander leerstelsel nodig, maar alleen diepere kennis van hetgeen in Christus is.
En dit zeg ik, het zo-even (vs. 1 vv.) gezegde heb ik u daarom doen horen (Gal. 3: 17), a) opdat niet iemand van hen, die allerlei drogredenen tot u richten, u misleidt met beweegredenen, die een schijn van waarheid hebben (vgl. Rom. 16: 18).
Efeze. 5: 6 Kol. 2: 18
Want hoewel ik met het vlees van u afwezig ben, nochtans ben ik met de geest bij u (1 Kor. 5: 3), mij verblijdend en God dankend. En wel heb ik daartoe reden, ziende uw ordening, uw juist geordende toestand (1 Kor. 14: 40) en de vastheid van uw geloof in Christus (Hoofdstuk 1: 4).
Paulus heeft de Kolossensen de bezorgdheid, die hij voor hen heeft, en zijn grote belangstelling, dat zij vermaand en voor scheuringen bewaard worden, niet verzwegen, omdat hij wenst, dat niemand hen bedriegt met schoon schijnende redeneringen. De uitdrukking, “beweegredenen, die een schijn hebben” betekent volgens de grondtekst de kunst van overreding een vaardigheid en gemakkelijkheid om drogredenen te doen horen. Zij verklaart dat de dwaalleraars te Kolosse geslepen dialectici, geoefende sofisten waren, die de fundamenten van het geloof bij de gemeente aldaar door logische schermkunsten aan het wankelen probeerden te brengen en de beginselen van het Paulinisch Christendom zelfs in twijfel stelden. Dat de misleiding lukken zou, werd eerder van hem verwacht, omdat de apostel de verleiders niet in eigen persoon met het gezag van zijn apostolisch ambt en het gewicht van zijn geestelijke meerderheid kon bestrijden en zij dus te Kolosse geen tegenstand vonden, die geestelijk tegen hen was opgewassen. Toch kan hij ondanks dat afwezig zijn met het lichaam zich onder hen verplaatsen, namelijk in de geest en als hij dit doet, verheugt hij zich ondanks de zorgvolle omstandigheden met echt apostolischen geloofsmoed, want nog hebben de dwaalleraars in de gemeente geen eigenlijke storm en verwarring teweeg kunnen brengen; nog had de oude, de uitwendige eendracht en gehoorzaamheid ten opzichte van de opzieners niet opgehouden en nog was de gemeente door de vastheid van haar geloofsovertuiging als door een vestingwerk tegen de aanvallen beschermd.
Vroeger had de apostel de Kolossensen verzekerd, dat hij voor hen bad, om hen daardoor te meer aan de Heere te verbinden. Nu verzekert hij hen met dezelfde bedoeling, dat hij bestendig bij hen is in de geest en dat hij verheugd is over hetgeen hij bij hen opmerkt.
Volgens vs. 20 vv. schijnt het, alsof Paulus niet echt kon spreken van vastheid van het geloof bij de Kolossensen; hij roemt die echter voornamelijk met het doel om hen te zeggen, wat hij van hen verwacht. Daarenboven is de vraag meer van oratorische aard en hoeft niet te worden opgevat alsof de Kolossensen zich reeds aan de dwaalleraars hadden overgegeven.
Zoals u dan, toen het woord van de waarheid tot u kwam door de prediking van Epafras (Hoofdstuk 1: 5 vv.), Christus Jezus de Heere (Joh. 1: 12. 1 Kor. 15: 1 heeft aangenomen, wandel zo in Hem; laat u in uw hele in- en uitwendige leven door Hem besturen.
Het leven van het geloof wordt ons voorgesteld als een aannemen, een daad die alles wat naar verdiensten zweemt buitensluit. Het is eenvoudig het aannemen van een gift. Zoals de aarde de regen indrinkt, zoals de zee de stromen ontvangt, zoals de nacht het licht van de sterren aanneemt, zo hebben wij, zonder zelf iets te geven, deel aan de vrije genade van God. De gelovigen zijn van nature geen bronnen of stromen, maar zij zijn putten, waarin de levende wateren vloeien; zij zijn lege vaten, waarin God zijn heil uitgiet. De gedachte dat wij iets ontvangen, veronderstelt een gevoel van verwezenlijking, waardoor de zaak zelf een werkelijke wordt. Niemand kan een schaduw ontvangen; wij ontvangen iets werkelijks; zo is het leven van het geloof. Christus wordt een werkelijkheid voor ons. Zolang wij niet geloven, is Jezus slechts een naam voor ons, iemand die lang geleden leefde, zolang geleden dat zijn leven nu slechts een geschiedenis voor ons is! Door de daad van het geloof wordt Jezus een werkelijkheid voor het bewustzijn van zijn hart. Maar ontvangen betekent ook aangrijpen, meester van iets worden. Hetgeen ik ontvang, wordt mijn eigendom; ik eigen mij het gegevene toe. Wanneer ik Jezus ontvang, dan wordt Hij mijn Heiland, zodanig de mijne, dat leven maar dood Hem mij ontroven kunnen. Christus aan te nemen, sluit dit alles in; het betekent, dat ik Hem als Gods vrije gift aanneem, Hem tot werkelijkheid voor mijn hart maak en Hem als mijn eigendom mij toeëigen. De verlossing moge beschreven worden als de blinden, die het gezicht, de doven die het gehoor en de doden, die het leven ontvangen; maar wij hebben niet alleen deze zegeningen ontvangen, wij hebben Christus Jezus zelf gekregen. Het is waar, dat Hij ons het leven uit de dood gaf. Hij gaf ons de vergeving van onze zonden. Hij gaf ons de toegerekende gerechtigheid. Dat zijn voorwaar kostbare dingen, maar wij zijn daarmee niet tevreden; wij hebben Christus zelf ontvangen. De Zoon van God is in ons neergedaald en wij hebben Hem ontvangen en ons die gave toegeëigend. Hoe vol moet het hart zijn dat Jezus bezit, want de hemel zelf kan Hem niet vatten.
Als wij Christus zelf in het diepst van ons hart hebben ontvangen, zal ons nieuw leven onze innige bekendheid met Hem door een wandel van geloof in Hem openbaren. Wandelen veronderstelt een daad. Onze godsdienst moet niet tot onze binnenkamer beperkt zijn, hetgeen wij geloven moeten wij in praktijk brengen. Als iemand in Christus wandelt, dan handelt hij zoals Christus gehandeld zou hebben; want omdat Christus in hem is, als zijn hoop, zijn liefde, zijn vreugde, zijn leven, is hij het afschijnsel van het beeld van Jezus en de mensen zeggen van die man: Hij is zoals zijn meester, hij leeft zoals Jezus Christus geleefd heeft. Wandelen betekent ook vooruitgang, wandel zo in Hem; ga voort van kracht tot kracht, loop vooruit totdat u de hoogste trap van kennis heeft bereikt, die een mens over Christus kan bereiken. Wandelen veronderstelt aanhouden. Er moet een voortdurend blijven in Christus zijn. Hoeveel Christenen menen dat zij ‘s morgens en ‘s avonds in de gemeenschap met Jezus moeten treden en voor het overige van de dag hun hart aan de wereld mogen geven; maar dat is een armelijk bestaan. Wij moeten altoos met Hem zijn, in Zijn voetstappen wandelen, en Zijn wil volbrengen. Wandelen sluit ook de gedachte aan gewoonte in. Wanneer wij van de omgang van iemand spreken, dan bedoelen wij zijn gewoonten, de voortdurende strekking van zijn leven. Welnu, als wij Christus soms genieten en Hem dan weer vergeten; als wij Hem soms ons deel noemen en Hem dan weer loslaten, dan is dit geen gewoonte; wij wandelen niet in Hem. Wij moeten bij Hem blijven, Hem aanhangen, Hem nooit laten gaan, maar in Hem leven en bewegen. Zoals u dan Christus de Heer heeft aangenomen, wandel zo in Hem, volhard op dezelfde wijze, waarop u begonnen bent en zoals Christus Jezus in het begin het voorwerp van uw geloof en de vreugde van uw gemoed was, laat Hem dezelfde blijven tot aan het eind van uw leven; dezelfde wanneer u wandelt door de vallei van de schaduwen van de dood en ingaat in de vreugde en de rust, die daar overblijft voor Gods volk. O Heilige Geest, geef ons de kracht om dit hemels voorschrift te vervullen.
Wie in Hem wandelt, leeft door Hem, door Zijn invloed en Zijn kracht. Zoals de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. Wie in Mij blijft en ik in Hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. Dat woord van de Heer is hem levendig voor de geest. Hij is er ten volle van overtuigd en deze overtuiging oefent haar weldadige invloed uit op het hart en leven. Bij de Heere zoekt hij de vervulling van al zijn geestelijke behoeften. Uit Hem put hij zijn wijsheid en kennis, zijn rust en zijn troost, zijn moed en zijn kracht. En dat doet hij niet slechts nu en dan, maar gedurig. Hij leeft bestendig door Christus, de Heer. Met Hem begint hij de dag, met Hem zet hij die voort, met Hem eindigt hij die. In een woord, hij voelt zich in alles en ten allen tijde van Hem afhankelijk en laat zich door Hem onderwerpen, vertroosten, leiden, heilige en voor de hemel vormen. Zo leeft hij door zijn Heer.
Betoon u te zijn als eikenbomen van de gerechtigheid en plantingen van de Heere (Jes. 61: 3), geworteld (Efeze. 3: 17) en als stenen, die in de door Hem gestichte tempel van God zijn ingevoegd (Efeze. 2: 19 vv. 1 Petrus 2: 5, opgebouwd in Hem en bevestigd in het geloof (1 Kor. 15: 58), zoals u door uw leraar daartoe geleerd bent, a) overvloedig zijnde daarin, in het geloof, doordat u de zaligmakende macht daarvan steeds meer ervaart, met dankzegging voor de overvloedige genade, die u heeft gekregen (Hoofdstuk 1: 12 vv.).
Kor. 1: 5
Bij de lof, vroeger uitgesproken over de Christelijke staat van de Kolossensen, voegt de apostel een vermaning, waarin hij leert, dat het hier geen nut zou doen, dat zij Christus (de in Jezus van Nazareth verschenen Christus als hun Heere) eenmaal hadden aangenomen, als zij ook niet in Hem bleven.
Zoals in Gal. 3: 1 vv. wijst hier de apostel de Colossenzen op hetgeen zij ondervonden sinds zij het eerst onderwezen zijn. Hij wekt ze op en zet ze aan door dankbaarheid altijd rijker te worden.
Het opwekkende woord “wandel in Hem” zegt nog meer dan het drukken van Zijn voetstappen. Het geeft namelijk te kennen, dat men tot zo’n wandel, als Hij die geleid heeft, ook alle kracht aan Hem ontleent, dat de wandel een vrucht is in Christus, de wijnstok.
In het “geworteld en opgebouwd in Hem”, zijn twee beelden aan één verschillend gebied ontleend, om één en dezelfde gedachte in twee onderscheidene opzichten uit te drukken. Het “geworteld” stelt de lezers voor als gewassen, die in Christus ingeworteld zijn, onveranderlijk tot die grond behoren, het “gebouwd” stelt hen voor als stenen, die als bestanddelen van een verrijzend gebouw in en met dit steeds meer worden wat het zelf is: een tempel van God.
Nadat de apostel de Kolossensen met de zo-even verklaarde woorden heeft gezegd, dat Christus de grond moet zijn van hun hele leven, zegt hij hun nu met de woorden, die verder volgen: “wees bevestigd in het geloof, zoals u geleerd bent”, dat zij op deze grond steeds meer in het geloof bevestigd moeten worden. Het toenemen in geloof moet echter met het dankbare bewustzijn van de zaligmakende kracht eraan verbonden zijn.
De vermaning, dat de Kolossensen in hun geloof overvloedig moeten zijn in dankbaarheid jegens God, die hen daartoe heeft gebracht, verbindt zich met de voorgaande te gereder, omdat de dankzegging voor de ontvangen genade niet slechts het geloof zelf levendig houdt, maar door die vermaning het geloof nog meer als een kostbaar kleinood wordt voorgesteld, zodat daarin voor de lezers een nieuwe drang gelegen was, om getrouw daarin te volharden.
Alleen onder deze drievoudige voorwaarde kan het geloofsleven toenemen, als het namelijk bevestigd wordt, steeds voortgaat en dankbaar is.
a) Zie toe (Hebr. 3: 12), dat niemand u als een door vervoert, u berooft van hetgeen u bezit, namelijk van de schatten van wijsheid en kennis in Christus (vs. 3), door de filosofie, die men u voor echte wijsheid aanbiedt en door ijdele verleiding, waardoor men u kennis wil aanbrengen naar de overlevering van de mensen (Mark. 7: 8), naar de eerste beginselen van de wereld Ga 4: 3 en niet naar Christus.
Rom. 16: 17 Hebr. 13: 9
De apostel waarschuwt hier openlijk tegen de valse filosofie, zoals de dwaalleraars te Kolosse die verbreidden een waarschuwing, die eerst in vs. 16 weer wordt opgevat en meer in bijzonderheden wordt voortgezet, terwijl in vs. 9-15 de gedachte is uiteengezet, dat men niet van Christus mag wijken, omdat in Hem alles gegeven is wat tot zaligheid nodig is.
Filosofie is het methodisch streven naar kennis, die de vrucht daarvan moet zijn; zij vormt hier de tegenstelling tot die wijsheid, die volgens vs. 3 de Christen eigen is, omdat hij Christus in geloof heeft leren kennen (1 Kor. 1: 30). De lezers moeten zich dus niet hun wijsheid laten ontroven, zij moeten zich hun geloof, waarin zij die wijsheid, waarvan hier wordt gesproken, namelijk de kennis van de betrekking van God en de mensheid, reeds bezitten, niet laten ontrukken om een poging te doen, van het geloof afgescheiden, ten einde een wijsheid te vinden; want op het gebied, waarbinnen de apostel zich tegenover zijn lezers beweegt, is een werkzaamheid van het denken, die met menselijke middelen naar kennis streeft, niet mogelijk, omdat dit gebied behoort tot het geloof, dat de enige en volkomen kennis bezit: en wie evenwel haar plaats geeft, ruilt de waarheid, die de zekerheid van de goddelijke openbaring bevat, tegen hetgeen een denken vol dwaling in deze richting geeft. Daarom is het roven door filosofie tevens een roven door ijdele verleiding of door enkel bedrog. Voor waarheid geeft zich de vrucht van die werkzaamheid van het verstand uit, die op een ander gebied is verdwaald, maar bedriegt hem, die haar gelooft, omdat zij allen werkelijke inhoud mist. Aan het “ijdele verleiding” sluit zich dan ter andere bepaling aan het “naar de overlevering van de mensen, naar de eerste beginselen van de wereld en niet naar Christus. ” Deze bijvoeging namelijk wil zeggen, wat voor de filosofie het leidende beginsel is en dat nu juist daardoor, dat dit en niet Christus voor haar het leidende beginsel is, terwijl zij toch op het gebied van het geloof plaats wil nemen, zij de naam van ijdele verleiding verdient.
Als de apostel spreekt van de “overlevering van de mensen”, volgens welke datgene, wat de dwaalleraars de Kolossensen met hun filosofie en ijdele verleiding in de plaats van hun eenvoudig Christelijk geloof aanbieden, zich richt en waarop het zich grondt, wordt deze leer als een zodanige, die van mensen afkomstig is, gesteld tegenover die, die van God komt (1 Kor. 11: 2. 2 Thessalonicenzen. 2: 15; 3: 6 In die uitdrukking ligt opgesloten het onvoldoende, onzekere, dat dus ook het waarachtig heil niets kan aanbrengen tegenover het betrouwbare, het door God geopenbaarde woord.
Als reeds in de uitdrukking “overlevering of leer van de mensen”, die volgens de grondtekst verwant is met de “inzettingen van de ouden”, die in MATTHEUS. 15: 2 voorkomen en door de Farizeeën zo hoog werden geacht, die ook in Mark. 7: 7 v. “geboden van de mensen” worden genoemd, dit ons zegt, dat te Kolosse sprake was van een dwaalleer, uitgaande van Joden, dan wordt dit bevestigd door de uitdrukking, die nader volgt: “eerste beginselen van de wereld”, die in vs. 20 terugkeert en die wij reeds in Gal. 4: 3 en 9 ontmoetten. Deze heeft betrekking op de Joodse ceremoniële wet, waaraan zich de dwaalleraars aansloten, ja zelfs nog verder dan deze gingen. De Joodse rituele wet handelde als zodanig in de eerste plaats over de dingen van de wereld, de zichtbare uitwendige, vergankelijke dingen, als over voedsel, drank, wassingen, offers enz. Toen nu de waarheid zelf gekomen was, was het verkeerd tot deze uitwendige zaken terug te keren, die die slechts moesten afbeelden, of op die moesten wijzen en leidde zo’n beginnen rechtstreeks terug tot de dienst van de wereld. De dwaalleraars nu verklaarden het onthouden van zekere spijzen en dranken, in het algemeen een strenge ascese, voor noodzakelijk, om zich te verheffen tot de geestenwereld, waarmee men zich in verbintenis moet stellen, om tot ware verlossing te komen. Zij erkenden daarentegen Christus niet als de Heere en als het hoofd boven alles, niet als de Alfa en Omega, zoals de apostel Hem in Hoofdstuk 1: 15 vv. heeft beschreven. Daarop zien de slotwoorden van het vers “en niet naar Christus.”
Maar juist daardoor, dat die filosofie niet tot Christus leidt, maar meent over Hem heen en om Hem heen te kunnen gaan, openbaart zij zich dadelijk als een nietswaardige verleiding. Want in Hem, die ik boven “het beeld van de onzienlijke God” noemde (Hoofdstuk 1: 15)woont al de volheid van de Godheid, de gehele volheid van hetgeen God tot God maakt, of van het goddelijk Wezen, lichamelijk, op lichamelijke wijze. In Hem heeft zij werkelijk een lichaam aangenomen en zich voor ons lichamelijke mensen zichtbaar en tastbaar gemaakt (vgl. Luk. 3: 22). Over Hem heengaan is dus een onmogelijke zaak, om Hem heengaan is niets dan een beroven van zichzelf en van anderen (vs. 8).
De manier waarop de volheid van hetgeen het goddelijk wezen uitmaakt, in Christus woont, wordt daarom als een lichamelijke voorgesteld, omdat Hij, in wie zij woont, een lichamelijk levende is. Was Hij dat niet, dan kon er ook geen sprake zijn van een lichamelijk inwonen in Hem van de gehele volheid van het Goddelijk wezen. Zo min men van God kan zeggen, dat in Hem de gehele volheid woont van wat het wezen van God uitmaakt, evenmin kan men het van Christus zeggen, als men spreekt van dat zijn, waarin Hij in het begin God bij God geweest is (Joh. 1: 1 vv.). Alleen van de mens gewordene, die door het lichamelijke van Zijn leven van God onderscheiden is, kan het worden gezegd. En zo is nu het grote en wonderbare dit, dat een lichamelijk levende alles in zich sluit wat God, die Geest is, tot God maakt.
Christus is dienvolgens het zichtbare God-menselijke evenbeeld van de onzichtbare God. In deze heerlijkheid, als bezitter van de Godheid, die lichamelijk in Hem woont, zal Hij, ook bij Zijn terugkomst, verschijnen, die verschijning daarom als werkelijke verschijning van de heerlijkheid van de grote God zichtbaar zal worden voorgesteld (Tit. 2: 13. 1 Joh. 3: 2). Het onderscheidende moment van hetgeen in Hoofdstuk 1: 19 van Christus wordt gezegd, berust daarin, dat hier de volheid metafysisch d. i. van het goddelijk wezen, maar daar charismatisch d. i. van de goddelijke genade bedoeld is en het wonen hier in tegenwoordige permanentie, maar daar historisch (van Christus’ geschiedkundige, aardse openbaring) gedacht is.
De hele volheid is als Hoofdstuk 1: 19 zo te verstaan, de heerlijkheid van God, alle echt goddelijke eigenschappen en krachten. De heerlijke volheid is verschenen “lichamelijk” in Jezus, of met andere woorden, het Woord werd vlees en wij zagen Zijn heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader (Joh. 1: 14). De Godheid zelf verenigde zich ten nauwste met een lichamelijke mens en woont ook nu nog in dezen, nu Hij in het verheerlijkte lichaam ter rechterhand van God verhoogd is, niet in een zinnebeeldige voorstelling of afschaduwing, zoals in de tempel boven de ark van het verbond, maar in waarheid; niet door invloed op Hem, maar door persoonlijke vereniging; niet om tijdelijk bij Hem in te keren, maar om altoos bij Hem te wonen; niet in een lichaam of in een ziel, die tot een andere persoon behoren, maar in een lichaam en in een ziel, die haar uitsluitend eigen zijn. Een echte Israëliet plaatst zich in de geest altijd voor deze verbondsark en voor deze genadetroon, om het verbond van de genade te vernieuwen. Dit vormt dus de tegenstelling met de ijdele bedrieglijke mensenwijsheid, met de dienst van de natuur, waaronder hen de dwaalleraars wilden gevangen nemen.
Al de eigenschappen van Christus, als God en als mens, zijn tot onze beschikking. Al de volheid van de Godheid, wat die wondervolle uitdrukking ook moge omvatten, is de onze, om ons te volmaken. Hij kan ons de eigenschappen van de Godheid niet geven, maar Hij heeft gedaan alles wat gedaan kon worden, want Hij maakte zelfs Zijn goddelijke kracht en Godheid dienstbaar tot onze verlossing. Zijn almacht, alwetendheid, alomtegenwoordigheid, onveranderlijkheid en onfeilbaarheid, zijn alle tot onze verdediging verenigd. Sta op, gelovige, en aanschouw de Heere Jezus, terwijl Hij al Zijn goddelijke Godheid aan de wagen van de verlossing hecht! Hoe groot is Zijn genade, hoe vast Zijn getrouwheid, hoe onwrikbaar Zijn onveranderlijkheid, hoe grenzeloos Zijn kennis! Deze allen zijn door de Heere Jezus tot pilaren van de tempel van de zaligheid gemaakt en zonder vermindering van hun oneindigheid zijn zij ons tot een eeuwige erfenis toegezegd. De onfeilbare liefde van het hart van onze Verlosser is geheel de onze, elke spier in de arm van de macht, elke parel in de kroon van de majesteit, de oneindigheid van de goddelijke kennis en de strengheid van de goddelijke rechtvaardigheid, zij zijn alle de onze en zullen voor ons aangewend worden. Christus heeft Zichzelf in Zijn aanbiddelijk karakter als de Zoon van God, geheel en al aan ons gegeven om Hem rijkelijk te genieten. Zijn wijsheid is onze leiding, Zijn kennis ons onderwijs, Zijn kracht onze bescherming, Zijn rechtvaardigheid onze zekerheid, Zijn liefde onze troost, Zijn barmhartigheid onze steun en Zijn onwankelbaarheid ons vertrouwen. Hij houdt niets achter, – maar opent de verborgenheden van de Berg van God en nodigt ons uit, om in Zijn mijn te graven, om de verborgen schatten te vinden. Hij zegt: Alles, alles, alles is het uwe; wees verzadigd van de goedgunstigheid en ook van de goedertierenheid van de Heere. ” O, hoe liefelijk is het Jezus te aanschouwen en Hem aan te roepen met het vaste vertrouwen, dat, wanneer wij de tussenkomst van Zijn liefde of macht zoeken, wij slechts dat vragen, wat Hij reeds getrouw beloofd heeft.
Al wat goddelijk is, is in Hem, als in één lichaam, begrepen; geen ware leer van God en goddelijke zaken, waarvan Hij niet de ziel en het middelpunt is. Hoezeer nu dit gezegde hier niet onmiddellijk de goddelijke natuur van de Verlosser te kennen geeft, mag men echter betwijfelen, of Paulus zich zo had kunnen uitdrukken, als hij niet overtuigd was, dat hij sprak van een goddelijk persoon. (V. D. PALM).
En u bent in Hem volmaakt, volkomen met alle goddelijke gaven toegerust (Joh. 1: 16), in Hem, die het Hoofd is van alle overheid en macht, van de hemelse geesten of engelen (Efeze. 1: 21), zodat deze u zeker nooit iets groters kunnen geven, dan u reeds in degemeenschap met Christus bezit (vs. 18 vv.).
De apostel mocht er dan met reden bijvoegen: U ontbreekt niets ter zaligheid, u heeft het niet nodig tot de filosofen te gaan om kennis, want u heeft in Christus volmaakte wijsheid, u heilige broeders, die Christus heeft aangenomen en dus geestelijk verenigd bent met Hem, in wie al de volheid woont, hebbende een geest met Hem, zoals de leden met het hoofd, u bent volmaakt, of vervuld van de alvolheid in uw Hoofd.
Waarin u ook besneden bent, zodat u de Joodse besnijdenis, waartoe men u wil overhalen, zeker niet nodig heeft. U bent besneden met een besnijdenis, die zonder handen (Efez. 2: 21) geschiedt, in deuittrekking van het lichaam van de zonden van het vlees. De besnijdenis bestaat daarin, dat u de gehele zondige aard van het lichaam wordt weggenomen, in plaats van een klein deel van een enkel lid. Die uittrekking heeft plaats door de besnijdenis van Christus, waarop reeds die van Mozes (Joh. 7: 22), als een, die hoger stond en de enig noodzakelijke was, heeft gewezen (Deut. 30: 6 Jer. 4: 4 Rom. 2: 28 vv. Fil. 3: 3).
Men merkt op, dat de apostel, hier sprekend van de besnijdenis die zonder handen geschiedt en van de besnijdenis, die gedaan werd door de doop en bestaat in de aflegging van de zonde van het vlees, door de besnijdenis van Christus, niet kon verstaan zijn eigen besnijdenis, die met handen geschied was, maar die, die ingesteld was in plaats daarvan, namelijk de doop. Dat de doop bijgevolg een plechtigheid is van inwijding van de Christenen, zoals de besnijdenis van de Joden; want uit kracht van geestelijke besnijdenis in de doop, bewijst hij, wat wij geen uitwendige besnijdenis nodig hebben, om een afbeelding te zijn van de reiniging door de doop verkregen. Hieruit besluit ik, dat de doop een instelling van Christus is voor kinderen van gelovigen ouders, zoals de besnijdenis vanouds was voor de kinderen van de Joden; want als het anders geweest was en de kinderen onder het Christendom niet door een plechtigheid van het verbond waren aangenomen in het verbond van God, zou de tegenwerping van de noodzakelijkheid van de besnijdenis voor die van kracht geweest zijn, omdat zij niet door enige andere plechtigheid in het verbond ingelijfd wordend en dus vreemdelingen blijvend van de kerk, even vreemd waren van de aanneming tot kinderen, van het verbond en de beloften als de heidenen, wat de Joden zeker zouden ingebracht hebben, als zij het met waarheid hadden kunnen doen tot verachting van het Christendom. Die instelling moest daarom, tot troost en voldoening van de ouders, voor eeuwige manier van heiliging van deze kinderen verstrekken, of van toelating in het getal van de kinderen van God, die, buiten tegenspraak, geen andere zijnde dan de doop, moet men toestaan, dat hierdoor, volgens de spreekwijze van Ireneüs “infantes et parvuli, renacantur in Deum”, de kinderen wedergeboren worden.
Vraagt men nu waarin deze geestelijke besnijdenis gelegen is? Bij voorraad zeggen wij maar alleen, dat er dat krachtdadig hart-veranderend genadewerk van Gods Geest door wordt aangewezen, waardoor men aanvankelijk, bij de eerste levendmaking een nieuw hart ontvangt. Welk nieuw levensbeginsel daartoe gegeven werd, om onder de invloed van de kracht van de Heere de oorspronkelijke en natuurlijke verdorvenheid gedood te krijgen, hetgeen dan ook in de werkelijke voortzetting van de heiligmaking meer en meer geschiedt en in de heiligmaking voltooid wordt. Een stuk, waarvan wij nu alleen nog maar opmerken, dat het terecht als een besnijdenis en wel zo een, die zonder mensenhanden geschiedt, hier genoemd wordt. Immers het heet een besnijdenis, omdat zij, die ermee verwaardigd worden, daardoor het eerste kennelijk bewijs ontvangen van hun aandeel aan Gods verbond en een bijblijvend onderpand van het verder deelachtigmaken van de overige genadeweldaden. Ook dat die geestelijke besnijdenis aan onze vleselijke natuur pijn en smart veroorzaakt. Want zij diende daartoe, opdat het lichaam van de zonde teniet werd gedaan. En eindelijk omdat de gelukkige deelgenoten daarvan niet alleen verplicht en in staat gesteld worden om God en de gerechtigheid dienstbaar te zijn, maar ook zichzelf daartoe vrijwillig aan te bieden en er van harte toe gezind worden. Het heet een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, deels om de geestelijke aard van die genadeweldaad te levendiger uit te drukken, deels ook om een verheven begrip van het goddelijk werk, dat daartoe vereist wordt, te geven: waarin ook God, ofschoon hij deze geestelijke besnijdenis wel elders als een betamelijke plicht van Israël afvordert, nochtans tevens belooft die te zullen geven en werken. Maar er is nog iets in Paulus’ algemeen voorstel, dat wij geenszins onopgemerkt mogen voorbijgaan, te weten: dat de apostel zegt, dat de Kolossensen dus op een geestelijke manier besneden waren in Christus. Dit zeggen is zeker net zo te vatten, als hij van hun volmaking in Christus gesproken had. Wees nu die uitdrukking aan, niet alleen dat de Heere Jezus als het Hoofd van de gemeente aangemerkt, de verdienende oorzaak van hun volmaakte, rechtvaardig-achting zij, maar ook dat Hij door Zijn krachtdadige invloed, als het hoofd boven alle overheid en macht, Zijn gemeente dadelijk vervult, zo zal dan ook het gezegde in onze tekst twee dingen aanwijzen, te weten: dat de Heere Jezus niet alleen de verdienende, maar tevens de toepassende oorzaak van deze genade- weldaad is; ja dat de gelovigen alleen in gemeenschap aan en vereniging met Christus deze geestelijke besnijdenis hadden ontvangen: zijnde hen daartoe alles, wat Jezus tot teweegbrenging van dat heil lijden en ondergaan moest, ter rechtvaardigheid toegerekend en uit kracht van de volmaaktheid van Zijn middelaarslijden en daaronder betoonde gehoorzaamheid aan Gods wil, hun dadelijk de Geest van het leven geschonken, om in hen de geestelijke besnijdenis teweeg te brengen en trapsgewijze tot volkomenheid op te leiden.
Zijnde met Hem, met dat besnijden van Christus tot aflegging van de hele zondige aard van het lichaam (Rom. 7: 5, 18 vv.) dat aan u is geschied, begraven in de doop (Rom. 6: 3 v., 11) waarin u ook, verwaardigd met grotere genade dan die besnijdenis zonder handen, met Hem opgewekt bent tot een nieuw van het vorige geheel onderscheiden leven, dat tot een eeuwig, hemels leven wordt verhoogd (Hoofdstuk 3: 1), door het geloof van de werking van God (Efeze 2: 8), die Hem uit de doden opgewekt heeft (Efeze 1: 10 vv.).
Gal. 3: 27 Efez. 3: 7
De apostel vergelijkt hier de Christelijke doop met de Joodse besnijdenis en wijst aan, dat de betekenis en het geestelijk oogmerk van beiden, een en hetzelfde was, allen verplichtend, die dit uitwendig teken aan zich namen, de oude mens af te leggen en de nieuwe aan te doen, voor de zonde te sterven en voor God te leven. En daartoe maakten de ouden gebruik van verscheiden plechtigheden en het dopen van volwassenen en bejaarde personen, om daardoor te tonen de dood, de begraving en opstanding van Jezus Christus, zoals de indompeling van de persoon driemaal onder water, of zoals onze Zaligmaker drie dagen was geweest onder de aarde, of met zinspeling op de drie personen in de Drieëenheid, in wiens naam zij gedoopt werden; en zo ook de wederoprijzing, of wederopkoming uit het water, ter vertoning van de verrijzing van onze Heer uit het graf.
Maar nu zal de vraag zijn, hoe wij dit zeggen van de Apostel nader te begrijpen hebben? Was de doop het middel geweest, waaronder en waardoor God allereerst het beginsel van de genade in hen gelegd had en wil Paulus dit hier eigenlijk leren? Toch, ofschoon wij in het geheel niet willen treden in de behandeling van het verschil, dat over dit stuk tussen godgeleerden, zo oudere als latere, bijzonder ten aanzien van de kinderen, plaats heeft, zo zeggen wij alleen dat het ons niet voorkomt, dat dit in deze tekst de mening van de apostels is. Want behalve andere redenen, kan niemand ontkennen of het groter deel van de Kolossensen was als bejaarden gedoopt. Welke bejaarden doopten nu de apostelen en welke bejaarden, die uit de heidenen tot het Christendom overkwamen, begeerden de doop op de juiste manier? Het waren zeker degenen, die het gepredikte woord graag aannamen en dus voor het minste zoveel belang toonden te stellen in Christus, dat zij zich aan Zijn dienst en gemeenschap overgeven wilden. En welke reden heeft men om te denken, dat Epafras anders gehandelt heeft, dan de apostelen gewoon waren te doen? Het wordt dus ten uiterste waarschijnlijk, dat bij de Kolossensen, toen zij gedoopt werden, de genade reeds enige uitwerkselen had beginnen te oefenen. Wat dan, zult u zeggen. Paulus spreekt hier evenwel zeer sterk en de Heilige Schrift doet dit meermaal op andere plaatsen. Wij antwoorden, dat is zo, maar al die gezegden moet men naar de aard van de bondzegels verstaan en het juiste inzien van hetgeen wij in Hand. 22: 16 vinden, kan ons tot een sleutel dienen. Daar zegt Ananias tot Paulus, volgens het eigen verhaal van de man: “Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen. ” Nu zal echter niemand twijfelen of Paulus was reeds aanvankelijk van de genade deelachtig geworden op de weg naar Damascus en dus eer Ananias tot hem deze woorden sprak. Die moeten dan van een sacramentele afwassing, waardoor hem de afwassing van zijn zonden levendig afgeschetst en nader verzegeld werd, verstaan worden. Evenzo verstaan wij het ook in onze tekst. De apostel wil naar onze gedachten zeggen dat de Kolossensen in de doop een uiterlijk zichtbaar en plechtig teken hadden ontvangen, waardoor hen de weldaden van de genade in Christus duidelijker te verstaan gegeven en tevens zowel inwendig als uitwendig verzegeld waren.
En Hij heeft u, de heidenen, evenals ons de Joden (vgl. Efez. 2: 1 en 5), toen u dood was in de zonden, die u buiten alle maat bedreef (Gal. 2: 15) en in de voorhuid van uw vlees, die u geheel en al, zonder enige betoming van haar macht beheerste, zoals uw onbesneden zijn ook zinnebeeldig aanduidde (Efeze 2: 11. v.) ook levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevend.
Een geestelijk dood zondaar, zoals wij allen van nature zijn, leeft wel voor een tijd op de wereld, voor zover hij, niet alleen als de planten en dieren voortgebracht, gevoed en gedragen wordt in de lankmoedigheid van de Heere, maar hij leeft in een zekere zin ook als een mens, voor zover hem zijn natuurlijke kunnen van ziel en lichaam zijn gelaten en hij die ook in vele natuurlijke burgerlijke, ja zelfs in uitwendig godsdienstige zaken enigszins gebruiken kan en dadelijk gebruikt. En hierom dan is het ook weleens zo gesteld, dat men uit de uiterlijke daden en verrichtingen, zover die zich aan ons voordoen, alleen oordelend, sommigen denken zouden, dat zij leven, ofschoon zij in nadruk midden in de dood liggen; zoals van de engel van de gemeente te Sardes getuigt wordt: u heeft de naam dat u leeft, schoon u dood bent. maar welke schone schijn ook deze geestelijke dode mensen mogen vertonen, hun ziel is van de ware gemeenschap met God gescheiden, en tevens zijn zij ten ene male onbekwaam om met juiste grondbeginselen en tot het juiste einde, zedelijk juiste daden te oefenen, die de naam van ware en echte goede verrichtingen verdienen. Ja, in die staat zijn zij zelfs geheel en al ongevoelig voor hun ongeluk en evenzo onbekwaam, om hun ongelukkige jammerstaat te veranderen en te verbeteren, of zelfs zich tot verbetering te schikken, even weinig, als een dode zich roeren en bewegen, of tot zijn levendmaking het allerminste zelfs toebrengen kan.
Hij heeft u gered, uitgewist hebbende, door uitschrapping van de daarin aangewezen schuld, het handschrift, dat volgens de eis, uitgesproken in Exod. 24: 3, 7 tegen ons was gesteld en dat tegen ons was, omdat wij dat woord niet hadden gehouden, maar de wet in alle delen hadden overtreden (Gal. 2: 16) en ons zo aanklaagde, als die grotelijks tegen de wet hadden gezondigd. Dit was een handschrift in inzettingen bestaande, dat, zeg ik enigerwijze ons tegen was, omdat wijze toch niet konden houden en Hij heeft dat, opdat wij van een ondraaglijk juk bevrijd zouden worden (Hand. 15: 10) uit het midden weggenomen, als iets, waarvan voortaan geen sprake meer zou zijn (vgl. vs. 20 v.), het aan het kruis genageld hebbend, daardoor dat het aan het kruis is teniet gedaan, zodat het nu niet meer is: “doe dat en u zult leven”, maar, “geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden.”
Het handschrift is een geschreven verbindtenis, waardoor iemand bekent dit of dat schuldig te zijn; een schuldbrief een obligatie, zoals wij gewoon zijn te spreken. Dit handschrift bestond in inzettingen, in de willekeurige voorschriften van de Mozaïsche plechtigheden (vgl. Efeze 2: 15). Te weten de offeranden en andere schaduwachtige plechtigheden waren zo vele gestadige en verdrietige herinneringen, dat de zonden door de Borg nog niet werkelijk verzoend waren; in zoverre maakten zij een schuldbrief uit, die tegen de Joden getuigde en enigerwijze tegen hen was, of, zoals wij het liever vertalen zouden, die hen vijandig was (vgl. Hebr. 10: 27). Dit handschrift heeft God uitgewist, dat is doorgestreken en geheel teniet gegaan. De toespeling is ontleend aan iemand, die de pen haalt door een schuldbrief. Het geeft te kennen, dat God de schaduwachtige plechtigheden, die een verdrietig en onverdraaglijk juk voor de Joden uitmaakten, geheel afgeschaft en hen daardoor bevrijd heeft van de gedurige herinneringen, dat de zonden nog niet verzoend waren. – Zelfs heeft God dat handschrift uit het midden weggenomen, de schuldbrief geheel verscheurd, zodat alle verplichting tot het onderhouden van de schaduwachtige plechtigheden geheel en voor altijd is weggenomen. Waren nu de gelovige Joden zo volkomen bevrijd van de schaduwachtige wet, dan hadden de bekeerde heidenen er niet mee te doen. Maar hoe was dat handschrift teniet gedaan? De apostel zegt: het aan het kruis genageld hebbend. Hij schijnt hier te zinspelen op de toenmalige gewoonte om bevelschriften te beslaan, ten blijke dat zij uitgediend hadden. Nu, zo heeft ook God de Vader bij de kruisdood van Christus verklaard, dat de wet van de schaduwachtige plechtigheden voor altoos had uitgediend, want al die plechtigheden zagen op de verzoening, die de Middelaar teweeg zou brengen en hadden daarom meteen uitgediend, zodra de Heere Christus de verzoening door Zijn kruisdood verworven had. Dezelfde zaak wordt in Efeze 2: 14 onder een andere zinneprent voorgesteld.
a) En de overheden en de machten, die van te voren de overmacht hadden over het menselijk geslacht, ten gevolge van de macht van de zonde, waaraan het zich niet kon ontworstelen (Luk. 11: 20), uitgetogen hebbend, van de wapenrusting beroofd hebbend (Luk. 11: 21), heeft Hij die tot haar schande in het openbaar ten toon gesteld, zodat ieder ze moest erkennen als geheel overwonnen en machteloos (Joh. 16: 11) en heeft daardoor, namelijk door het kruis, over hen getriomfeerd.
Gen. 3: 15 Matth. 12: 29 Joh. 12: 31
Alle spreekwijzen zijn hier zinnebeeldig en aan de openlijke triomfoptochten ontleend. De wapenrusting van de overwonnen vijand werd als een zegebuit rondgedragen en hij zelf, daarvan beroofd en uitgeschud, werd als een schouwspel ten toon gesteld, aan de kar van de overwinnaar geboeid. (V. D. PALM).
Wat Christus betrof zei de apostel in vs. 9, wat de lezers betreft, dat zij Christus hebben en Christus eigen zijn, zegt hij van vs. 10 af. Zij zijn in Hem volmaakt, of, zoals er woordelijk staat, “vervuld”. Waarmee vervuld, dat begreep de lezer vanzelf. Het is het charismatisch vervuld zijn, dat Christenen uit de in Christus wonende metafysische volheid, de volheid van de Godheid (vgl. bij vs. 9), door hun levensgemeenschap met Hem, in wie, volgens Hoofdstuk 1: 19, ook alle charismatische volheid woont, ontvangen hebben en voortdurend bezitten. Berust echter in Hem en overigens in niets en in niemand verder, het vervuld zijn, dan is het andere, dat men de Kolossensen wil leren en waarmee men hen, als met hetgeen “niet naar Christus” is, vervoeren wil, slechts een beroving, en niets dan een verleiding. Zij nu hebben niets te wachten van engelenmachten; want deze zijn toch aan Christus als aan hun Hoofd onderworpen; zij zelf daarentegen staan met de Meerderen, met Christus, in onmiddellijk verband; wat zou hun dan die engelendienst baten, waarop de dwaalleraars hen wijzen? Zij hebben ook niets te zoeken in de besnijdenis, door mensenhanden bewerkt, omdat zij die besnijdenis, die dat alles in de daad en waarheid heeft teweeggebracht en waarop die eerste moest wijzen, reeds hebben ontvangen. In de gemeenschap met dood en begrafenis van Christus, die in de doop wordt afgebeeld, wordt niet een gedeelte van het verderf van de zonde afgelegd, maar de gehele oude mens gedood en begraven, opdat het lichaam van de zonde ophoudt, dat men voortaan niet de zonde dient (Rom. 6: 6 Gal. 5: 24). In de woorden “waarin u ook met Hem opgewekt bent door het geloof”, wil de apostel, zoals duidelijk is, een nieuw bewijs daarvoor geven, dat de Kolossensen in Christus volkomen of van alles voorzien zijn, wat zij tot hun zaligheid nodig hebben; want de woorden komen, wat het begin aangaat, juist overeen met de beginwoorden van het elfde vers. En wel is nu sprake van de Nieuw-Testamentische tegenhanger tot de wet van het Oude Testament, waarop de dwaalleraars te Kolosse zich eveneens beriepen, hoewel niet naar diezelfde theorie als die in Galatië (vs. 16 v. en 20 vv.). Het is echter het geloof, waardoor het intreden in het Nieuwe Verbond geschiedt, het geloof in de opgestane Christus van de kant van hen, die van te voren door de doop in Hem zijn begraven in de dood, het geloof, door dezelfde God teweeg gebracht, die Christus heeft opgewekt van de dood en door de daarin aanwezige goddelijke kracht evenzo een nieuw leven in de gelovigen werkend, als voor Christus op Zijn opstanding een nieuw leven volgde, waarin Hij met zonde en dood voortaan niets meer had te doen, maar alleen voor God leefde (Rom. 6: 4 vv.). In de grondtekst staat letterlijk: “En Hij heeft u, toen u dood was in de misdaden en in de voorhuid van uw vlees, u levend gemaakt met Hem. ” Het is zeker niet te ontkennen, dat de apostel met het herhalen van “u” daarop doelt, dat de Kolossensen, wat het merendeel aangaat, heidenen zijn geweest en hij hen tegenover de Joden wil plaatsen, die zich op de wet mochten beroemen, zodat in onze vertaling het woord “ook” wel behouden kan blijven. Zij zijn zondaars geweest uit de heidenen in de zin, waarin die uitdrukking in Gal. 2: 15 gebruikt werd. Uit deze dood van de zonde, zoals die niet op dezelfde manier bij de Joden bestond, heeft God hen levend gemaakt, opdat zij nu in een nieuw leven zouden wandelen en in zo’n leven ook een opstanding in lichamelijk opzicht zouden tegengaan. Hij kon dat echter pas dan doen, als Hij van te voren aan de anderen, namelijk aan de Joden, alle zonden had vergeven en tegelijk de verplichting om de Mozaïsche wet te houden, die het Oude verbond hen oplegde, voor hen had opgeheven. Zonder twijfel toch bedoelt de apostel met het “ons” dat volk, waartoe hij zelf behoorde en sluit in dit woordje ook hen in, die door hun verkeerde leer weer allerlei bepalingen van de wet in de hoogte wilden heffen, om hen tot beter inzicht in het wezen van het Nieuwe verbond in zijn verhouding tot het Oude verbond te leiden. Paulus bedoelt niet de wet zelf, als hij van een handschrift spreekt, want er is sprake van een schuldbrief, die de Joden aan God te voldoen hadden en niet van zo een, waardoor God Zich verbonden had tot een betaling aan Israël. Ook is niet de wet zelf uitgeblust en uit het midden weggenomen en aan het kruis genageld (Matth. 5: 17 vv.), maar wel heeft dit plaats gehad met dat handschrift, dat bij het sluiten van het verbond aan de Sinaï het volk voor God daartoe bracht, dat het zich op plechtige wijze, onder het slachten van een verbondsoffer, tot het houden van de wet verbond. Deze verplichting was dan aan de ene kant tegen de leden van het Oude Testament, want zij maakte alle zonden, die zij misdreven, tot straf- en doemwaardige overtredingen van de wet, tot een verbondsbreuk, tot een zware, onbetaalbare schuld. En zo werd nu ook de vergeving van de zonden niet tot een eenvoudige kwijtschelding van de genade voor hen, maar tot een uitwissen van de schuld, tot een vernietiging van het handschrift. Die verplichting was echter ook aan de andere kant tegen hen, zij stond tegenover hen als een macht, die voor hen de weg van de zaligheid versperde; want zij hadden met haar verplichtingen (Efeze 2: 15) op zich genomen, die, zoals zij die tot hiertoe niet hadden gehouden en daardoor zware schuld op zich hadden geladen, bij hun tegenwoordige toestand ook voortaan niet zouden kunnen houden (Rom. 8: 7). Daarom was het zuivere uitwissen van het handschrift door uitdelging van de tot hiertoe opeengehoopte schuld voor Israël nog lang niet genoeg. De verplichting om instellingen waar te nemen, die wel op zichzelf heilig, juist en goed zijn (Rom. 7: 12), maar hen, die zich tot die verbonden hebben, niet levend kunnen maken, zodat zij ook in staat zijn hun verplichting te houden (Gal. 3: 21 Rom. 8: 3) moest geheel worden weggenomen en zo de plaats van het Oud Testamentische verbond door een Nieuw Testamentisch worden ingenomen (Hebr. 8: 6 vv.). Deze wegneming van het Oude verbond, om door een nieuw te worden vervangen, of de verandering van het ene in het andere, drukt de apostel kort en krachtig uit door de woorden: “en heeft het handschrift aan het kruis genageld. ” Gewoonlijk denkt men daarbij aan een doorboren, als was hier een buiten kracht stellen of ongeldig maken bedoeld (Luther “hij maakt er een gat door en scheurt het, zodat het handschrift niet meer geldend is en ons niet kan beschuldigen, maar tot dit doel hecht men een handschrift niet vast op een voor allen zichtbare plaats, maar wist het uit, of verscheurt het. Zo’n aanslaan of vasthechten geschiedt integendeel met het doel, dat ieder naar het vastgehechte kan zien, het kan lezen en er zich naar kan richten. Wij moeten daarom v. Hofmann in zijn opvatting gelijk geven: “bij dit nagelen aan het kruis is niet zozeer sprake van de vergeving van de zonde, als van de omkering van de Sinaïtische verplichting van Israël tot de toestand, die met de kruisdood van Christus is gegeven. De gekruisigde moet erkend worden als Heiland. Zijn smadelijke dood als de verzoening van de zonden van Zijn volk. Deze eis, de eis van het geloof in Hem, is op het kruis te lezen. De eis van de wet is daar zo veranderd. De juistheid van deze verklaring zal te meer duidelijk worden, als wij herinneren aan het woord van Christus in Joh. 3: 14 v., waarmee Hij de man van de wet, Nikodemus, wijst op Zijn kruis, dat Hem aan het einde van Zijn loopbaan wacht, opdat deze daarheen zijn oog leert richten, ten einde hij achter het geheim van de wedergeboorte en de vrijheid van een wedergeborene, van verplichtingen van de wet komt. Ook voor de verklaring van het moeilijke vijftiende vers geven ons woorden van Christus’ eigen mond, waarop wij boven in de citaten hebben gewezen, de nodige vingerwijzingen. De apostel heeft vroeger ten opzichte van de gelovigen uit Israël een geheel overeenkomstige gedachte uitgesproken, als die in Rom. 6: 14: “De zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade. ” Nu moet hij ten opzichte van de gelovigen uit de heidenen de parallellen trekken, zoals dan ook vs. 15, volgens zijn constructie in de grondtekst, met het veertiende vers geheel parallel loopt. Wanneer echter volgens Efeze 2: 2 de heidenen stonden onder de macht van de boze geesten onder de hemel, waarvan zij zich niet konden losmaken, dan is voor hen de zaligheid gekomen door de overwinning van deze macht, die eveneens door het kruis van Christus heeft plaats gehad (vgl. Joh. 12: 31 vv.), zodat nu, zoals de apostel in Efeze 2: 17 heeft gezegd, in het Evangelie vrede wordt verkondigd, die voor die ver waren, de heidenen en die nabij waren, de Joden. Het is mogelijk, dat de dwaalleraars te Kolosse, evenals zij, wilden tonen hoe men door zelf teweeg gebrachte geestelijkheid en ootmoed zich met de goede engelen in verbintenis kon stellen, zo ook hun kastijdingen tot dat doel aanprezen, opdat men zich aan de invloed van de boze geesten onttrok (vs. 23). Daarin had het dan zijn grond, waarom Paulus hier in zo opeengehoopte uitdrukkingen de overwinning door God zelf reeds in Christus bewerkt en gehele onschadelijkmaking van deze machten op de voorgrond stelt en daarvoor de filosofie van die dwaalleraars als nutteloos gepraat, als ijdele verleiding brandmerkt.
Zoals van te voren gezegd is (vs. 14), is het handschrift uitgewist en aan het kruis genageld en bent u dus niet meer aan de Oud-Testamentische ceremoniële wet gehouden, maar moet u alleen in Christus, de Gekruisigde geloven. a) Dat u dan niemand oordeelt in voedsel of drank, alsof u zich van het een en ander, dat tot voeding dient, moet onthouden (vs. 21. Rom. 14: 2, 17), of in het stuk b) van de feestdag, of van de nieuwe maan, of de sabbatten, alsof u de tijden inde wet verordend (1 Kron. 23: 31; 2 Kron. 2: 4; 31: 3 nog verplicht was te houden (Gal. 4: 10)
Lev. 11: 2 b) Lev. 23: 2 vv.
Al die dingen, die het Oud-Testamentische verbond heeft verordend, zijn een schaduw van de toekomende dingen, van de nieuwe heilsweg, die komen zou, maar het lichaam is van Christus, dat die schaduw van zich gaf (Hebr. 8: 5; 10: 1).
De treffende voorstelling, die de apostel vroeger heeft gegeven van de waarde van de persoon en van de betekenis van het werk van Christus, geeft hem nu aanleiding, om de Kolossensen des te meer te dringen tot verzet tegen het nieuwe juk van inzettingen van de dwaalleraars. Deze hadden, zoals onze plaats doet zien een theosofisch-ascetische richting, waarin zij de oudere Mozaïsche inzettingen door de strengheid van hun eisen nog overtroffen. Wat het voedsel aangaat, schijnen zij vooral op strenge waarneming van de joodse spijswetten te hebben aangedrongen. Of zij alle gebruik van vlees, zoals de asceten te Rome, hebben verworpen, kan uit het verband niet worden opgemaakt. Het verbod om wijn te drinken, in het Oude Testament alleen voor de Nazireërs en de dienstdoende priesters gegeven (Num. 6: 3 Lev. 10: 9), kan bij het vermelden van “drank” niet bedoeld zijn; door die dwaalleraars werd elk genieten van wijn voor zondig gehouden.
Als de apostel de Christenen te Rome, die meenden dat zij zich van zodanig genot, als van vlees en wijn, moesten onthouden, verschoond wilde hebben en er ook niets tegen inbrengen, dat iemand meende verschillende dagen op verschillende wijzen te moeten houden (Rom. 14: 5 vv.), heeft hij het nu met degenen te doen, die van beiden een wet voor de Christenen maakten, terwijl het waarnemen daarvan een onvermijdelijk bestanddeel uitmaakte van Christelijke heiligheid en dat moest hij voorkomen. Bij de dwaalleraars te Kolosse was sprake van een heiligheid van het leven, die voor alle leden van de gemeente dezelfde moest zijn; daarom herinnert hij, dat al dergelijke zaken, in het bijzonder de Oud-Testamentische heilige tijden tot datgene wat in en met Christus aanwezig is, staan als de schaduw tot het lichaam.
Christus en diens werken in de mensheid is het toekomstige, waarvan het Oude Testament met zijn symbolisch-typisch karakter de schaduw is. In de tegenstelling tot schaduw en lichaam ligt in de eerste plaats de nietigheid, het wezenloze van de schaduw, vergeleken met het lichaam, dat deze vormt, maar verder ook de analogie tussen schaduw en lichaam. Dit, het lichaam, werpt een schaduw af, die een beeld ervan voorstelt; zo is ook het Oude Testament een afschaduwing van het Nieuwe, een symbool en type van Christus, van Zijn werk en van Zijn kerk.
Sinds Christus verschenen is, staat de zon van de goddelijke openbaring niet meer achter ons, zoals dat bij de leden van het Oude Verbond het geval was, voor wie de schaduw een voorafgaande was, waaruit zij konden opmerken, wat toekomstig was; maar zij staat vóór ons en werpt nu het lichaam zijn schaduw achterwaarts, zodat wij uit hetgeen Christus ons heeft aangebracht, verstaan, wat de voorspellingen en bepalingen van het Oude Testament moesten betekenen.
a) Dat dan niemand u overheerst naar zijn wil, om u af te trekken, dat u zijn wijze van handelen zou aannemen en de weg verlaten, die u volgens uw hemelse roeping van God in Christus Jezus moet bewandelen (Fil. 3: 14. 1 Kor. 9: 24 Wandel niemand in nederigheid en dienst van de engelen, zich begevend tot hetgeen gering en laag en krachteloos is en zijn vertrouwen stellend op de hemelgeesten, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, maar slechts een beeld van zijn fantasie is (1 Tim. 1: 4 Tit. 3: 9), tevergeefs, zonder oorzaak of enige grond opgeblazen zijnde door het verstand van zijn vlees. Hij denkt dat hij op de weg, door hemingeslagen, een toonbeeld van heiligheid zal worden, terwijl hij toch in waarheid een mens blijft, zelfzuchtig en door zijn vlees beheerst.
Jer. 29: 8 Matth. 24: 4 Efeze. 5: 6. 2 Thess. 2: 3. 1 Joh. 4: 1
Die door de engelen, als door middellaars, tot God wil gaan, ontkent ten eerste de volmaaktheid en voldoendeheid van die voldoening, die Jezus, als het vertegenwoordigend Verbondshoofd heeft daargesteld. Erkende hij die toch ten volle, dan zou hij naast Jezus geen andere middelaars van voorspraak zoeken, maar hij zou met vrijmoedigheid tot de genadetroon gaan op die verse en levende weg, die Jezus heeft ingewijd door Zijn goddelijk bloed. – Die door de engelen, als middellaars van voorspraak, tot God wil gaan en daarom de engelen zelf aanbidt, verdonkert en verloochent Jezus als het bestierend en gezagvoerend Hoofd. Want niet alleen doet hij de engelen delen in die eer, die alleen God en het Lam toekomt, maar hij toont ook te wantrouwen, òf aan de voldoendeheid en macht van Jezus òf aan Zijn goedwilligheid, om hem al het nodige te schenken. – En evenzo verzaakt men ook Jezus, als het vervullend Hoofd, wanneer men bij engelen heil en troost zoekt, zoals elk vanzelf begrijpt.
En bij zijn wandelen in nederigheid en dienst van de engelen verliest hij het ene, dat hij nodig heeft, het Hoofd niet behoudend, waaruit het gehele lichaam doorsamenvoegsels en samenbindingen voorzien, leven heeft, zodat geen lid op enige andere weg dan deze door Hem voor allen gestelde weg hopen kan iets te verkrijgen. En in dit Hoofd is het, dat het lichaam samengevoegd zijnde, opgroeit met goddelijke groei, zodat wie zich afscheidt en iets voor zichzelf wil zijn, ophoudt een lid van dat lichaam te zijn, terwijl er buiten die gemeenschap geen opgroeien is tot deze grootte, maar alleen een verachteren en vergaan (Efeze. 4: 15 v.).
De eerste waarschuwing van de apostel zag op de valse ascetiek van de dwaalleraars, deze tweede op hun verkeerde theosofische speculatie; voorwerp van deze speculatie waren volgens onze plaats de verhoudingen van de onzichtbare wereld, vooral de gesteldheid en betekenis van de engelen.
“Dat niemand u overheerst naar zijn wil. (De Lutherse vertaling heeft “laat niemand u het perk verrukken, of laat u niet afleiden van het kleinood: wat is dat anders, dan van het geloof, dat de enige ware weg is tot het kleinood van de zaligheid, af te gaan, om op zelf uitgedachte wegen te leiden en langs andere wegen de hemel te zoeken en voor te geven, dat deze de baan is tot het kleinood.
Naardien de engelen geesten zijn, is hetgeen tot de stoffelijke wereld behoort, iets, dat aan hun wezen vreemd is. Hun nederigheid bestaat dan daarin, dat zij zich gewillig houden binnen de grenzen hun hierdoor getrokken en niet begeren naar hetgeen de mens in dit opzicht boven hen vooruit heeft. Als nu mensen die nederigheid van hen tot hun deugd maken, staan zij in zekere mate af hetgeen de Schepper hen heeft toegedeeld en doen zij gedeeltelijk afstand van hetgeen de mensen in onderscheiding van de engelen toekomt. Daarmee hangt dan het geestelijke samen, waarin zij naar de wijze van de engelen God willen dienen. De godsdienst van de engelen is, volgens hun wezen een overgave van zichzelf aan God, waarbij tussen hen, de geesten en Hem, die Geest is, geen andere grens bestaat, dan die tussen de Schepper en Zijn schepselen. Zo’n godsdienst probeert dan hij na te volgen, weliswaar slechts in die mate als het een mens mogelijk is, die zich zo veel hij kan, van het lichamelijke ontledigt en in zoverre zich geestelijk God aanbiddende vertoont, als hij zich ontledigt van hetgeen hem tot lichamelijk genot was gegeven. Het is echter, zoals de apostel opmerkt, dwaasheid, als iemand de nederigheid en dienst (geestelijkheid of godsdienstigheid) verkiest en daardoor iets tot zijn wandel maakt, waarvan hij toch niets heeft gezien, omdat men hetgeen men niet heeft gezien ook niet kan nadoen. Zo iemand maakt slechts, wat hij zichzelf voorstelt, tot een voorwerp van welgevallen en nabootsing. Evenals nu het kiezen van nederigheid en geestelijkheid van de engelen samenhangt met een onderzoeken in de blinde, zo brengt zij ook, zoals Paulus verder zegt een opgeblazenheid teweeg, die tot de categorie behoort van vleselijke gezindheid. De mens wil daar toch iets voorstellen, dat hij niet is en onderneemt hetgeen hij niet kan. Ten slotte wordt dan ook door de mensen van deze soort dat ontkend, zonder hetwelk er geen Christelijke groei is; zij houden zich niet aan hun Hoofd; wat iemand buiten gemeenschap met Christus schijnt te vinden aan vroomheid of heilige kennis, is vreemd aan de groei, die van Christus uitgaat, waaraan de bijzondere persoon als lid van de gemeente deel heeft. Dat toch is het eigenaardige van dit lichaam, dat elk lid ervan indirect elk op zijn plaats is en toch tevens onmiddellijk met het hoofd samenhangt.
Jezus het vertegenwoordigend, het regerend of bestierend en het vervullend Hoofd van de gemeente, voor zoverre Hij, in al Zijn middelaars-voldoeningen, de personen van Zijn uitverkorenen vertegenwoordigt, door Zijn gezag en invloed de hele kerk regeert en uit Zijn rijkdom al de gemeente en bijzondere belangen, zo elk deel en die in het bijzonder verzorgt en voorziet. De enkele herinnering hieraan doet ons al meteen bevroeden, hoeveel er aan gelegen is, dat men met dat Hoofd verenigd is en blijft. En juist dit is het, wat de apostel begrijpt door de spreekwijs van het hoofd te behouden of vast te houden. Dit behouden van het hoofd bestaat in een juiste kennis en levendige erkentenis van die hoge waardigheid van Christus, waardoor Hij het Hoofd is; in een vrijmoedige en gewillige belijdenis van dit voelen, in een deugdelijke blijdschap over die bestelling van God, in een hartelijke overgave en verbindtenis door geloof en liefde aan Jezus, als zodanig; met verwerping van alles wat tegen Zijn hoge waardigheid zich verzetten en verheffen wil.
Als u dan, toen u bij uw doop met Christus in gemeenschap kwam (vs. 12), met Christus de eerste beginselen van de wereld, waarvan in vs. 8 sprake was (Gal. 2: 19), bent afgestorven, wat wordt u alsof u in de wereld leefde, alsof u met uw godsdienstig leven nog behoorde tot de kring van de wereld, waaraan zeker dergelijke zaken passen, met inzettingen belast?
Deze samenvoeging geeft een tweeërlei betoog voor de wanvoegelijkheid van de gehoorzaamheid aan menselijke inzettingen aan de hand. Ten eerste ligt er deze sluitrede in: “met Christus zijn jullie zelfs afgestorven die eerste beginselen, die toen voor een tijd van God ingesteld, nog een zeker nut hadden; dus betaamt het niet u te beladen met dingen die u immers nooit door God bevolen en ook nooit echt nuttig bevonden zijn. En dus is het een bewijs van het meerdere tot het mindere. – Ten anderen ligt er een bewijs in, uit het eigen gedrag van de gelovigen afgeleid en dus een bewijs, dat men bij de latijnen noemt argumentum ad hominem, op deze wijze: Christenen, begrijpt toch wel, als u met de menselijke instellingen u laat belasten, dan verzaakt u uw hele Christendom. U keert terug tot de wereld van de ongelovigen en doet u dit, dan geeft u daarmee te kennen, dat Jezus dood van geen kracht en Zijn leer van de vereiste volmaaktheid geheel verstoken is. Is dat betamelijk? Oordeel zelf. U bent immers in uw Hoofd volmaakt, dit heeft u zelf geoordeeld bij uw overgang tot het Christendom. Daarvan heeft u ook de heugelijke ervaring in vele blijken tot hiertoe gevonden.
Zij namelijk proberen u met dergelijke inzettingen te belasten, bijvoorbeeld over vlees en wijn (vs. 16. 1 Tim. 4: 3: “Raak niet en smaak niet en roer niet aan, want u zou erdoor verontreinigd worden.”
De apostel is de lezers gehoorzaam, om zich te verdedigen tegen hen, die hen hun geboden opdringen, door hen te herinneren, waardoor zij daarboven verheven waren. Zij zijn met Christus gestorven en dit deel hebben aan Zijn sterven, dat zelf een sterven was, heeft een einde gemaakt aan de betrekking, waarin zij vóór hun gemeenschap met God tot de inzettingen van de wereld Ga 4: 3 hadden gestaan; want Christus is, zolang Hij in het lichaam van het vlees leefde, onder de wet van Israël, als ook onder de inzettingen van de wereld, waarmee de wet te doen had, gesteld geweest. Zoals nu Hij, doordat Hij stierf, daarvan bevrijd is, zo wordt de Christen het ook door hetgeen in zijn binnenste plaats heeft, dat hem weer deel doet hebben aan hetgeen in het sterven van Christus eens voor altijd als afsluiting van de vroegere toestand van de mensheid heeft plaats gehad.
Leeft men nog in deze wereld, dan dient men nog haar elementen, beginselen, bestanddelen, waarvan God zich in de wet bediende, om in de tijd van de kindsheid de hogere eeuwige waarheden af te beelden, welker dienst niet te min voor hem, wie het volle licht van de waarheid is opgegaan een dienstbaarheid van de wereld wordt. Dit alles heeft zich in de Christenheid herhaald en herhaalt zich nog steeds, wanneer de enige Middelaar door andere tussenmiddelaars verdrongen, of op de achtergrond geschoven wordt.
De woorden “Raak niet en smaak niet en roer niet aan” zijn een levendig concrete voorstelling van de inzettingen en een in het kort samengevatte navolging van hetgeen de dwaalleraars gewoon waren te zeggen. De lezer wist wat bedoeld was als voorwerp van die bevolen onthouding; de weglating maakt de voorstelling slechts des te levendiger en sterker. Uit de woorden zelf blijkt echter, dat de verboden zekere spijzen en dranken betroffen, de geslachtsgemeenschap daarentegen, waaraan velen hebben willen denken, kan niet mee worden ingemengd.
Welke inzettingen, om zich te onthouden van het genot van deze dingen, alle verderven door het gebruik, door het opvolgen (Matth. 15: 17), omdat dat voedsel voor het inwendige geestelijke leven zeker niet schadelijk kunnen zijn, zoals zij u willen doen geloven, maar integendeel dat verbod, zoals alles wat zij zeggen (vs. 21), a) is ingevoerd naar de geboden en eigen verzonnen leringen van de mensen, zodat u goed doet, als u zich in generlei opzicht aan zodanige mensen stoort, maar ze op een afstand van u houdt (Matth. 15: 7 vv.).
Jes. 29: 13 Tit. 1: 14
Welke wel hebben een schijnrede, een naam, maar niet de werkelijkheid van wijsheid; zij hebben namelijk die schijn bij hen, die niet doorzien, maar zich door het uitwendige laten misleiden. In werkelijkheid leven zij echter in eigenwillige godsdienst en nederigheid (vs. 18) en in het lichaam niet te sparen, dat hen in de ogen van de grote menigte als grote helden in de deugd doet voorkomen; maar zij zijn niet in enige waarde, maar tot verzading van het vlees. Zij zoeken niet anders dan eigen eer; zij zijn opgeblazen door het verstand van het vlees (vs. 18 Rom. 13: 14. 1 Tim. 4: 1).
God wil dat het lichaam geëerd wordt, d. i. het moet zijn voedsel, kleren en zoveel nodig is hebben en niet door ondraaglijk vasten, arbeid of onmogelijke kuisheid verdorven worden, zoals de inzettingen van de mensen willen. Christus komt niet zo, dat Hij uitwendige zaken wil veranderen en Zijn schepsel wil verwoesten. Daarom moet men het lichaam volgens nooddruft en, zoals gewoonlijk, kleden, voeden of spijzigen en tot arbeid gebruiken. Dat is Gods regeling. Laat het daarbij. Hij is niet gekomen, dat Hij daarvan iets wil veranderen. De zonde laat zich niet afleggen en vernietigen door een monnikskap, door geen vlees te eten of te vasten; de dood kan er niet door worden overwonnen; maar beiden, zonde en dood steken evengoed onder een grauwe of zwarte kap als onder een rode rok. Maar daar komt het op aan, dat het hart een nieuw licht en een nieuw zegel heeft, voordat men kan zeggen: “ik weet dat God Zich over mij ontfermt en mij liefheeft; want Hij heeft Zijn Zoon gezonden, Hem mens laten worden, opdat ik door Hem zou bezitten overwinning van de dood en het eeuwige leven”. Daardoor wordt het hart geheel anders gestemd dan van te voren: dat is de juiste verandering.
Het is veel gemakkelijker een besluit te nemen om zinnelijke ontberingen zichzelf op te leggen, dan om het hart te verootmoedigen en de geest in bestendige tucht te houden. Het ascetisme is ten allen tijde een hof van geestelijke hoogmoed geweest. Juist het bijzondere werkt of de menselijke fantasie; op hetgeen men zelf bedacht roemt men het meest, op door kunst verkregen ootmoed doet men zich het meest tegoed. Men kwelt het lichaam en verzadigt daarbij het vlees.
Belangrijk was zeker zo’n onderricht in Paulus dagen tegen de verleiding en afval van zijn tijd; maar niet minder belangrijk ook voor ons. Waren de Platonische en Aristotelische wijsbegeerte en andere wijsgerige stelsels van latere eeuwen nooit in de Christelijke gemeente ingevoerd en op de Christelijke leer in haar voorstelling toegepast, er zouden zoveel dwaalbegrippen ook ten aanzien van den persoon van de Verlossers niet in omloop zijn gekomen. Had men in de Christenkerk het onderscheid tussen de bedoeling des Ouden en des Nieuwen Testaments altijd wel begrepen, nooit eigendunkelijke menselijke instellingen en vormen naast of boven de leer van Christus geplaatst en was men aan geen nietige uitwendigheden blijven hangen, de Antichrist, tegen welken Paulus reeds in zijn tweeden brief aan de Thessalonicensen en later ook de andere apostelen gewaarschuwd hebben, zou nooit de kerk van onze Heer hebben kunnen bedreigen en verwoesten. Maar daarom moeten wij elk voor ons zelf en gemeenschappelijk als gemeente van Christus uitsluitend blijven bij de leer van Jezus en de apostelen, Hem door een waar geloof erkennen als onze enigen Heiland en Heer, het lichaam van al de schaduwen van den ouden dag en in wien de volheid van de Godheid lichamelijk woont. In Hem en in de gemeenschap van Zijn doods en van Zijn nieuwe leven moeten wij, gedachtig aan onze ontvangen waterdoop en het heerlijk doel daarvan, volmaakt trachten te zijn, zodat wij eniglijk leven door het geloof des Zoons van God. Langs die weg beantwoorden wij aan de wil van God, zijn wij een ere van Christus en zullen wij een zaligheid vinden, die nooit kan verloren worden.
Een van de moeilijkste vragen in de wetenschap van de theologische uitlegging is die, waarin de dwaalbegrippen te Kolosse bestonden en van welk karakter die zijn geweest. In hetgeen Paulus in deze afdeling daarover zegt, is hij wel zo kort en eenvoudig, dat wij daaruit snel een beeld zouden kunnen ontwerpen. Toch schijnen echter ook vele van die gezegden, waarin hij de ware evangelische leer over Christus en de zaligheid voordraagt, met het oog op de tegengestelde ketterse inzetting in het bijzonder hun vorm te hebben gekregen, zodat wij recht zouden hebben ook, van deze uitgaande, besluiten te trekken tot het geheel van het stelsel van de dwaalleraars. Dan komen wij dicht bij het gebied van het latere gnosticisme, in zoverre dit zich aansloot aan de godsdienst van het Oude Testament. Het is dus de vraag, in hoeverre wij dit mogen veronderstellen als reeds aanwezig ten tijde van de apostel, waarbij echter niet slechts onze brief in verband met die aan de Efeziërs, maar daarnaast ook de brieven aan Timotheüs en die aan Titus, alsmede de brieven van Johannes in aanmerking komen. Voor heden, zolang wij nog over die brieven zelf niet kunnen handelen, moeten wij ons onthouden een oordeel naar de ene of de andere kant uit te spreken. Wij laten het er daarom bij, om aan de woorden, in Hoofdstuk 1: 16 aangehaald, de woorden van Schaff en Grau, hier nog die van enkele andere schriftverklaarders te voegen. V. Hofmann wil dat wij alleen uit hetgeen Paulus in vs. 8 en 16 vv. van ons hoofdstuk schrijft, ons besluit trekken, van welke aard de leer van de dwaalleraars, die de Kolossensen bedreigden, geweest zal zijn. Hij karakteriseert de dwaalleraars nu aldus: “In de zaken van de zaligheid, welker kennis in de apostolische leer alleen en geheel gegeven was, wilden zij een vermeende wijsheid in zwang brengen, die behoort tot het gebied van de wetenschap en waarvoor de menselijke leer en wel de menselijke leer, die over de zaken van de geschapen wereld handelt, beslissend is. Er werd namelijk gesproken van eten en drinken, in het algemeen over zaken van de zichtbare wereld, die men niet mocht aanraken, noch genieten. Het houden van deze geboden stelden die dwaalleraars als voorwaarde van de zaligheid, hierin onderscheiden van de Romeinse Christenen, die voor zichzelf er een gewetenszaak van maakten, om alles zonder onderscheid te genieten, zonder datgene, waarvan zij zichzelf meenden te moeten onthouden, in die zin voor onrein te houden, dat hij, die het genoot, daardoor de zaligheid verloor. Ook zij maakten onderscheid tussen de zaken, maar alleen voor zichzelf. Zij echter, die de apostel hier bestrijdt, grondden op een, zij het ook door henzelf uitgedachte of overgenomen leer van mensen over het onderscheid van geschapen dingen een wet van onthouding, zonder welker waarneming het geloof van de in Christus’ naam gedoopten onvoldoende zou zijn om de zaligheid te verkrijgen. Die leer kon in beginsel een heidense schoolgeleerdheid zijn, Nieuw-Pythagorese of Nieuw-Platonische. Met deze en de daarop gevestigde verboden komt een eis, alleen begrijpelijk in de mond van Joodse Christenen, om sabbat en nieuwjaarfeesten waar te nemen, dus een onderscheid van dagen en tijden vast te houden, dat tot de wet van Sinaï terugvoert. Dit is een eis, die tot het geval in Rom. 14, dat de een meent sommige degen anders dan de overige te moeten achten, evenzo staat, als het verbod om dit en dat aan te raken of te genieten tot de gewetensbezwaren van die Romeinse Christenen. Ook van de eis, waartegen de apostel de gemeenten in Galatië moest waarschuwen, is die, die te Kolosse moest worden bestreden, onderscheiden, maar slechts in zoverre, als de laatste er niet op doelde, de heidense belijders van de Heere door de besnijdenis in het Joodse volk in te lijven, maar onder erkenning van een zelfstandig heiden-Christendom het daarbij vastgehouden onderscheid tussen dit en Joods-Christendom, door hetgeen men voor een heiliging van het uitwendige leven van de onbesnedenen hield, weer goed te maken. De hele tijd moest geheiligd worden door het houden van zekere regelmatig terugkerende tijdsafdelingen, die aan de Sinaïtische wet waren ontleend en hun manier van leven door het onthouden van het gebruik van zekere zaken, van die namen echter niet door de Sinaïtische spijswetten, maar door een eigen leer over het wezen van de zichtbare zaken bepaald was. Het was toch niet te doen om de geopenbaarde wet als zodanig weer in zwang te brengen, maar om de zaligheid te binden aan de voorwaarde van een uitwendige heiligheid, waarvan de wet, anders dan de Sinaïtische, de mensen daarom tot een zeer geringe mate van stoffelijk verbruik moest beperken, omdat de heiligheid, die overeenstemde met die leer over het wezen van de stoffelijke zaken, in het onthouden van die bestond. Zonder twijfel waren de dwaalleraars te Kolosse Joodse belijders van Jezus, die, uitgaande van de veronderstelling, dat de Christenen uit de heidenen in hun eigenschap als behorende tot de volken, onder de daarin werkende Gode vijandige geesten stonden, zich verplicht achtten, ten einde hun staat van de zaligheid, die in dat opzicht aanvulling nodig had, volkomen te maken een heiliging van de uitwendige wandel aan te prijzen, die deels op de Sinaïtische wet, deels op filosofische gronden rustte. Dit moest hun een vergoeding zijn voor hetgeen hun als niet-Israëlieten, wier leven niet binnen de regelingen van de geopenbaarde wet begrensd was, bepaald ontbrak. Het gehele stelsel was niets meer dan een poging, om aan het heiden-Christendom op een voor Christenen uit de heidenen aannemelijker manier het aanstotelijke te ontnemen, dat het voor de Joden als zodanig, dus ook voor de wettisch gezinde Christenen uit de Joden moest hebben. De aanbevolen onthouding moest de Christenen uit de heidenen daardoor aannemelijk worden dat zij door filosofische leerstellingen over het wezen van de stoffelijke zaken bevestigd werd en aangeprezen als eerste vroomheid, die de mens boven het zinnelijke van zijn wezen verhief, en die de heiden aan de invloed onttrok van de geesten, die onder hen werkte en de mens gelijkvormig maakte met de geesten van God. De opvatting van v. Hofmann wordt echter door anderen verworpen als onvoldoende tot verklaring van de karakteristieke bijzonderheden; men houdt zich daartegenover hieraan vast, dat men in de dwaalleraars te Kolosse te doen had met gnostieken, die de Joods-Christelijke, de Esseese richting waren toegedaan, die benaming echter niet moet worden opgevat in de zin van een bepaald stelsel, maar zo, dat in de stellingen van onze theosofen de ver verbreide, vooral in het Esseïsme zich verheffende elementen van het gnosticisme op de voorgrond traden, waaruit zich later de bepaalde gnostische stelsels van een Cerinthus, van de Valentinianen enz. ontwikkelden. In die zin merkt Meijer op: “De dwaalleraars te Kolosse waren Christenen uit de Joden, maar niet degenen, die in Galatië en in de omtrek van Filippi zich op het gebied van de eisen van de wet en vooral van de noodzakelijkheid van de besnijdenis zich beperkende, de Christelijke vrijheid, wier fundament de gerechtigheid van het geloof is, ophieven, maar degenen, die het Christelijk Judaïsme door theosofische speculatie hadden veranderd, zodat zij wel eveneens besnijdenis, inzettingen over spijzen en feesten ten nadele van Christus’ verzoeningswerk vasthielden, maar tevens en dit is het onderscheidend kenteken een filosofie over de wereld van hogere geesten dezen gelden, waarmee fantasiën en haarkloverijen een verkeerde nederigheid, dienst van de engelen en harde lichamelijke ascese als praktische dwalingen waren verbonden. Deze waren afdwalingen van een ongezonde gnosis, die in het phsygische, mystisch fanatieke volkskarakter, dat eens de dweepachtige Cybele-dienst, later het montanisme als eigenaardige plaats diende, geen onvruchtbare bodem konden vinden. Die theosofen troffen echter zeer gevoelig de heerlijkheid en het verlossingswerk van Christus, die zij niet Zijn volle, goddelijke waarde lieten behouden, maar slechts een rang zullen hebben gegeven in de orde van de hogere geesten en aan de engelen een bemiddelende werkzaamheid, waarbij zij waarschijnlijk over de wereldschepping demiurgische voorstellingen vasthielden en op dualistische manier de stof voor slecht hielden. Op dergelijke manier spreekt zich Olshausen uit: “Het dweepachtige, dat in het Frygische volkskarakter lag en zich in het heidendom, in fanatieke Cybele-dienst openbaarde, verkreeg bij het aannemen van het Christendom dergelijke vormen, als in de tweede eeuw het montanisme, dat in Frygië ontstond, aanwijst. De Frygiërs hadden het Christendom, dat met grote geestelijke kracht was toegerust, aangenomen, maar zonder met waarachtige zelfverloochening geheel en al van hun vroegere richtingen afstand te doen. Daardoor ontstonden dan vermengingen van dwaling en waarheid, zoals wij die in de voorstelling van de apostel over de daar aanwezige dwalingen vinden. Bovendien mengde zich in Voor-Azië het Oosterse met het Westerse en hadden zich Joden van onderscheiden partijen in menigte neergezet; neiging tot speculaties over het geestenrijk was algemeen verbreid en wel niet slechts in Helleens-philosophische, maar ook in Oosters-theosofische vorm. Niets was daarom natuurlijker, dan dat het Christendom, dat in deze gistende menigte intrad, door de bewegelijke bevolking begerig werd opgenomen, maar ook willekeurig werd misvormd. Intussen vertoonden zich, toen Paulus de brief schreef, slechts eerste sporen van ketterse leer te Kolosse. Hij haast zich daarom deze in beginsel te onderdrukken en de dwalenden op de juiste weg te leiden. Hij had geen reden deze dwalingen voor kwade bedoeling te houden; hij zocht de oorzaak ervan in onervarenheid en zwakheid. Daarom wendt hij niet dadelijk strenge maatregelen aan, uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap en dergelijke, maar hij handelt verschonend, beschouwt en behandelt de dwalenden nog als leden van de gemeente en probeert ze door zachtmoedig wijzen op hun dwalingen tot de waarheid terug te leiden.”
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel