Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
JudasG2455, een dienstknechtG1401 van JezusG2424 ChristusG5547, en broederG80 van JakobusG2385, aan de geroepenenG2822, die doorG1722 GodG2316 den VaderG3962 geheiligdG37 zijn, en door JezusG2424 ChristusG5547 bewaardG5083:
Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:
KJV
Jude,1
the servant4
of Jesus2
Christ,3
and6
brother5
of James,7
to them that are sanctified12
by9
God10
the Father,11
and13
preserved16
in Jesus14
Christ,15
and called:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
BarmhartigheidG1656, enG2532 vredeG1515, enG2532 liefdeG26 zij uG4771 vermenigvuldigdG4129.
Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.
KJV
Mercy1
unto you,
and3
peace,4
and5
love,6
be multiplied.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
GeliefdenG27, alzo ik alleG3956 naarstigheidG4710 doeG4160 om uG4771 te schrijvenG1125 vanG4012 de gemeneG2839 zaligheidG4991, zo heb ik noodzaakG318 gehadG2192 aan u te schrijvenG1125 en uG4771 te vermanenG3870, dat gij strijdtG1864 voor het geloofG4102, dat eenmaalG530 den heiligenG40 overgeleverdG3860 is.
Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.
KJV
Beloved,1
when I gave4
all2
diligence3
to write5
unto you
of7
the common9
salvation,10
it was12
needful11
for me
to write13
unto you,
and exhort15
you that ye should earnestly contend16
for the faith22
which was once18
delivered19
unto the saints.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 er zijn sommigeG5100 mensenG444 ingeslopenG3921, die eertijdsG3819 totG1519 ditzelfdeG5124 oordeelG2917 te voren opgeschreven zijn, goddelozenG765, die de genadeG5485 onzes GodsG2316 veranderenG3346 inG1519 ontuchtigheidG766, enG2532 de enigenG3441 HeerserG1203, GodG2316, enG2532 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 verloochenenG720.
Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.
Ook in dit vers
tevoren opgeschrevenG4270
KJV
For2
there are certain3
men4
crept in unawares,1
who5
were before7
of old6
ordained
to8
this
condemnation,11
ungodly men,12
turning18
the grace17
of our
God15
into19
lasciviousness,20
and21
denying31
the only23
Lord24
God,25
and26
our
Lord27
Jesus29
Christ.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
MaarG1161 ik wilG1014 uG4771 indachtigG5279 maken, als die dit eenmaalG530 weetG1492, dat de HeereG2962, het volkG2992 uitG1537 EgyptelandG1093 verlostG4982 hebbende, wederomG1208 degenen, die nietG3361 geloofdenG4100, verdorvenG622 heeft.
Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.
KJV
I will4
therefore2
put1
you
in remembrance,
though ye
once7
knew5
this,
how that9
the Lord,11
having saved16
the people12
out of13
the land14
of Egypt,15
afterward18
destroyed22
them that believed21
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En de engelenG32, die hun beginselG746 nietG3361 bewaardG5083 hebben, maarG235 hun eigenG2398 woonstedeG3613 verlatenG620 hebben, heeft Hij totG1519 het oordeelG2920 des grotenG3173 dagsG2250 met eeuwigeG126 bandenG1199 onderG5259 de duisternisG2217 bewaardG5083.
En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
KJV
And2
the angels1
which kept5
not4
their7
first estate,8
but9
left10
their own12
habitation,13
he hath reserved22
in everlasting19
chains18
under20
darkness21
unto14
the judgment15
of the great16
day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
GelijkG5613 SodomaG4670 enG2532 GomorraG1116, enG2532 de stedenG4172 rondomG4012 dezelve, die op gelijkeG3664 wijzeG5158 als deze gehoereerdG1608 hebben, enG2532 anderG2087 vleesG4561 zijn nagegaanG3694, tot een voorbeeldG1164 voorgesteldG4295 zijn, dragendeG5254 de strafG1349 des eeuwigenG166 vuursG4442.
Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.
KJV
Even as1
Sodom2
and3
Gomorrha,4
and5
the cities9
about7
them8
in like11
manner,13
giving themselves over to fornication,14
and15
going16
after17
strange19
flesh,18
are set forth for20
an example,21
suffering25
the vengeance24
of eternal23
fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Desgelijks evenwel ookG2532 dezenG3778, in slaap gebrachtG1797 zijnde, verontreinigenG3392 het vleesG4561, en verwerpenG114 de heerschappijG2963, en lasterenG987 de heerlijkhedenG1391.
Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden.
KJV
Likewise1
also3
these4
filthy dreamers5
defile8
the flesh,7
despise11
dominion,9
and10
speak evil14
of dignities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Maar MichaelG3413, de archangelG743, toen hij met den duivelG1228 twistteG1252, enG1161 handeldeG1256 vanG4012 het lichaamG4983 van MozesG3475, durfdeG5111 geenG3756 oordeelG2920 van lasteringG988 tegen hem voortbrengenG2018, maar zeideG2036: De HeereG2962 bestraffeG2008 uG4771!
Maar Michael, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!
KJV
Yet2
Michael3
the archangel,5
when6
contending9
with the devil8
he disputed10
about11
the body14
of Moses,13
durst16
not15
bring against him18
a railing19
accusation,17
but20
said,
The Lord24
rebuke22
thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
MaarG1161 dezenG3778, hetgeen zij nietG3756 weten, dat lasterenG987 zij; enG1161 hetgeen zij natuurlijkG5447, alsG5613 de onredelijkeG249 dierenG2226, weten, inG1722 hetzelveG5125 verdervenG5351 zij zich.
Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich.
Ook in dit vers
wetenG1492
wetenG1987
KJV
But2
these1
speak evil7
of those things which3
they know6
not:5
but9
what8
they know15
naturally,10
as11
brute13
beasts,14
in16
those things
they corrupt themselves.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WeeG3759 hunG846, wantG3754 zij zijn de wegG3598 van KainG2535 ingegaanG4198, enG2532 door de verleidingG4106 van het loonG3408 van BalaamG903 zijn zij henengestortG1632, enG2532 zijn door de tegensprekingG485 van KorachG2879 vergaanG622.
Wee hun, want zij zijn de weg van Kain ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaam zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
KJV
Woe1
unto them!2
for3
they have gone8
in the way5
of Cain,7
and9
ran greedily after15
the error11
of Balaam13
for reward,14
and16
perished21
in the gainsaying18
of Core.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
DezenG3778 zijnG1510 vlekkenG4694 inG1722 uw liefdemaaltijdenG26, en als zij met uG4771 ter maaltijdG4910 zijn, weidenG4165 zij zichzelvenG1438 zonder vrezeG870; zij zijn waterlozeG504 wolkenG3507, die vanG5259 de windenG417 omgedrevenG4064 worden; zij zijn als bomenG1186 in het afgaan van de herfstG5352, onvruchtbaarG175, tweemaalG1364 verstorvenG599, en ontworteldG1610;
Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;
KJV
These1
are
spots7
in3
your
feasts of charity,5
when they feast8
with you,
feeding15
themselves14
without fear:13
clouds16
they are without water,17
carried about20
of18
winds;19
trees21
whose fruit withereth,22
without fruit,23
twice24
dead,25
plucked up by the roots;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WildeG66 barenG2949 der zeeG2281, hun eigenG1438 schandeG152 opschuimendeG1890; dwalendeG4107 sterrenG792, denwelken de donkerheidG2217 der duisternisG4655 inG1519 der eeuwigheidG165 bewaardG5083 wordt.
Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.
KJV
Raging2
waves1
of the sea,3
foaming out4
their own6
shame;7
wandering9
stars,8
to whom10
is reserved18
the blackness12
of darkness14
for15
ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En van dezenG5125 heeft ookG2532 EnochG1802, de zevendeG1442 vanG575 AdamG76, geprofeteerdG4395, zeggendeG3004: ZietG3708, de HeereG2962 is gekomenG2064 metG1722 Zijn vele duizendenG3461 heiligenG40;
En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;
KJV
And2
Enoch8
also,3
the seventh5
from6
Adam,7
prophesied1
of these,
saying,9
Behold,
the Lord12
cometh11
with13
ten thousands14
of his16
saints,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Om gerichtG2920 te houdenG4160 tegenG2596 allenG3956, enG2532 te straffenG1827 alleG3956 goddelozenG765 onder henG846, vanwege alG3956 hun goddeloze werkenG2041, dieG3739 zijG846 goddelooslijkG764 gedaan hebben, enG2532 vanwege alG3956 de hardeG4642 woorden, dieG3739 de goddeloze zondaarsG268 tegenG2596 HemG846 gesprokenG2980 hebben.
Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
Ook in dit vers
goddelozeG763
goddelozeG765
KJV
To execute1
judgment2
upon3
all,4
and5
to convince6
all7
that are ungodly9
among them10
of11
all12
their16
ungodly15
deeds14
which17
they have ungodly committed,18
and19
of20
all21
their hard23
speeches which24
ungodly29
sinners28
have spoken25
against26
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
DezenG3778 zijnG1510 murmureerdersG1113, klagersG3202 over hun staat, wandelendeG4198 naarG2596 hunG846 begeerlijkhedenG1939; enG2532 hunG846 mondG4750 spreektG2980 zeer opgeblazenG5246 dingen, verwonderendeG2296 zich over de personenG4383 om des voordeelsG5622 wil.
Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil.
KJV
These1
are
murmurers,3
complainers,4
walking9
after5
their own8
lusts;7
and10
their13
mouth12
speaketh14
great swelling15
words, having men's persons17
in admiration16
because19
of advantage.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaarG1161 geliefdenG27, gedenktG3415 gijG4771 der woordenG4487, die voorzegdG4280 zijn vanG5259 de apostelenG652 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547;
Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus;
KJV
But,2
beloved,3
remember
ye
the words6
which5
were spoken before
of9
the apostles11
of our
Lord13
Jesus15
Christ;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Dat zij uG4771 gezegdG3004 hebben, datG3754 er inG1722 den laatstenG2078 tijdG5550 spottersG1703 zullen zijn, die naarG2596 hun goddelozeG763 begeerlijkhedenG1939 wandelenG4198 zullen.
Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.
KJV
How1
that4
they told2
you
there should be
mockers9
in5
the last6
time,7
who should walk14
after10
their own12
ungodly16
lusts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
DezenG3778 zijnG1510 het, die zichzelvenG1438 afscheidenG592, natuurlijkeG5591 mensen, den GeestG4151 nietG3361 hebbendeG2192.
Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.
KJV
These1
be
they who separate4
themselves,7
sensual,9
having12
not11
the Spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
MaarG1161 geliefdenG27, bouwtG2026 gijG4771 uzelven op uw allerheiligstG40 geloofG4102, biddendeG4336 inG1722 den HeiligenG40 GeestG4151;
Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;
KJV
But2
ye,
beloved,3
building up8
yourselves9
on your
most holy5
faith,7
praying13
in10
the Holy12
Ghost,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
BewaartG5083 uzelven in de liefdeG26 GodsG2316, verwachtendeG4327 de barmhartigheidG1656 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 ten eeuwigenG166 levenG2222.
Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.
KJV
Keep5
yourselves1
in2
the love3
of God,4
looking for6
the mercy8
of our
Lord10
Jesus12
Christ13
unto14
eternal16
life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG2532 ontfermtG1653 u wel enigerG3739, onderscheid makendeG1252;
En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende;
KJV
And1
of some2
have compassion,4
making a difference:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
MaarG1161 behoudtG4982 anderen doorG1722 vrezeG5401, en grijptG726 ze uitG1537 het vuurG4442; en haatG3404 ookG2532 den rokG5509, dieG3739 vanG575 het vleesG4561 bevlektG4695 is.
Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is.
KJV
And2
others1
save5
with3
fear,4
pulling9
them out of6
the fire;8
hating10
even11
the garment17
spotted16
by13
the flesh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
HemG846 nuG1161, Die machtigG1410 is uG4771 van struikelenG679 te bewarenG5442, enG2532 onstraffelijkG299 te stellenG2476 voor Zijn heerlijkheidG1391, inG1722 vreugdeG20,
Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde,
KJV
Now2
unto him that is able3
to keep4
you6
from falling,10
and11
to present12
you faultless17
before the presence13
of his16
glory15
with18
exceeding joy,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Den alleen wijzenG4680 GodG2316, onzen ZaligmakerG4990, zij heerlijkheidG1391 enG2532 majesteitG3172, krachtG2904 enG2532 machtG1849, beide nuG3568 enG2532 inG1519 alleG3956 eeuwigheidG165. AmenG281.
Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.
KJV
To the only1
wise2
God3
our
Saviour,4
be glory6
and7
majesty,8
dominion9
and10
power,11
both12
now13
and14
ever.15
Amen.
Judas,
Onder de apostelen van Christus zijn er twee geweest van dezen naam: een die toegenaamd was Iskarioth, de verrader van onzen Heere, en een die ook genaamd is geweest Thaddeüs en Lebbeüs, Matt. 10:3, die , om van den ander te onderscheiden, gezegd wordt: Judas niet de Iskarioth, Joh. 14:22, welke ook tot de onderscheiding wordt genoemd Judas Jakobus. Luc. 6:16; Hand. 1:13. Deze is het die dezen zendbrief heeft geschreven.
Hertaald:
Judas,
Onder de apostelen van Christus zijn er twee met deze naam geweest: één die de bijnaam Iskariot had, de verrader van onze Heere, en één die ook Thaddeüs en Lebbeüs genoemd is, Matth. 10:3. Om hem van de ander te onderscheiden wordt van hem gezegd: Judas, niet de Iskariot, Joh. 14:22; ter onderscheiding wordt hij ook Judas Jakobus genoemd, Luk. 6:16; Hand. 1:13. Hij is het die deze brief geschreven heeft.
een dienstknecht
Dat is, apostel. Zie Rom. 1:1; Tit. 1:1; Jak. 1:1; 2 Petr. 1:1.
Hertaald:
een dienstknecht
Dat is: apostel. Zie Rom. 1:1; Tit. 1:1; Jak. 1:1; 2 Petr. 1:1.
Jakobus'
Daar zijn ook onder de apostelen twee Jakobussen geweest, Matt. 10:2-3 : één, die een zoon van Zebedeüs was en een broeder van den evangelist Johannes, en één , die een zoon was van Alpheüs, toegenaamd de mindere. De tweede broeder van dezen was Judas, hetwelk hij in het opschrift bijvoegt, om hem van den ander te onderscheiden, en zijn aanzien daarmede ook te versterken, alzo deze Jakobus onder de apostelen in grote achting was. Zie Luc. 6:16; Hand. 15:13; Gal. 2:9, en de aantekening op het opschrift van den zendbrief van Jakobus.
Hertaald:
Jakobus'
Er zijn onder de apostelen ook twee mannen met de naam Jakobus geweest, Matth. 10:2-3: één die een zoon van Zebedeüs was en een broer van de evangelist Johannes, en één die een zoon van Alfeüs was en de bijnaam de mindere had. Judas was de broer van de tweede; dat voegt hij in het opschrift toe om hem van de ander te onderscheiden en om daarmee ook zijn eigen aanzien te versterken, omdat deze Jakobus onder de apostelen in groot aanzien stond. Zie Luk. 6:16; Hand. 15:13; Gal. 2:9, en de aantekening bij het opschrift van de brief van Jakobus.
de geroepenen,
Zie Rom. 1:6.
Hertaald:
de geroepenen,
Zie Rom. 1:6.
door God
Grieks in; namelijk door den Geest der wedergeboorte.
Hertaald:
door God
Grieks: in; namelijk door de Geest van de wedergeboorte.
bewaard;
Namelijk bij de zaligheid, die hij hun verworven heeft. Zie Joh. 10:28, en Joh. 17:12; 1 Petr. 1:5.
Hertaald:
bewaard;
Namelijk bewaard bij de zaligheid die Hij voor hen verworven heeft. Zie Joh. 10:28 en Joh. 17:12; 1 Petr. 1:5.
Barmhartigheid,
Zie dergelijke groetenis Tit. 1:4.
Hertaald:
Barmhartigheid,
Zie een dergelijke groet in Tit. 1:4.
vermenigvuldigd
Zie van dit woord 1 Petr. 1:2, en 2 Petr. 1:2.
Hertaald:
vermenigvuldigd
Zie over dit woord 1 Petr. 1:2 en 2 Petr. 1:2.
de gemene
Dat is, van zaken die onzer aller zaligheid aangaan, die gij met onze apostelen gemeen hebt. Zie Tit. 1:3.
Hertaald:
de gemene
Dat is: over zaken die de zaligheid van ons allen betreffen en die u met ons apostelen gemeenschappelijk hebt. Zie Tit. 1:3.
noodzaak
Namelijk om het nu te doen. De reden van deze noodzakelijkheid wordt aangewezen in het volgende vers vs.4.
Hertaald:
noodzaak
Namelijk de noodzaak om het nu te doen. De reden van deze noodzaak wordt aangewezen in het volgende vers 4.
strijdt
Namelijk tegen de verleiding en kwade voorbeelden der goddeloze spotters, om door hen niet overwonnen en verleid te worden tot afval of goddeloosheid; 1 Tim. 6:12.
Hertaald:
strijdt
Namelijk strijd tegen de verleiding en de slechte voorbeelden van de goddeloze spotters, om door hen niet overwonnen en tot afval of goddeloosheid verleid te worden; 1 Tim. 6:12.
voor het geloof,
Dat is, voor de zuivere leer van het Evangelie, gelijk 1 Tim. 4:1, om die te behouden en daarvan niet af te wijken.
Hertaald:
voor het geloof,
Dat is: voor de zuivere leer van het Evangelie, zoals in 1 Tim. 4:1, om die te behouden en er niet van af te wijken.
eenmaal
Dat is, die niet veranderd zal worden , maar altijd blijven, zoals zij eens van Christus en de apostelen geleerd is.
Hertaald:
eenmaal
Dat is: die niet veranderd zal worden, maar altijd zal blijven zoals zij eenmaal door Christus en de apostelen geleerd is.
overgeleverd is
Namelijk van Christus en zijn apostelen.
Hertaald:
overgeleverd is
Namelijk door Christus en Zijn apostelen.
ingeslopen,
Dat is , heimelijk en bedriegelijk onder de christenen gekomen. Zie Gal. 2:4; 2 Petr. 2:1.
Hertaald:
ingeslopen,
Dat is: heimelijk en op bedrieglijke wijze onder de christenen gekomen. Zie Gal. 2:4; 2 Petr. 2:1.
eertijds
Of al over lang; gelijk 2 Petr. 2:3.
Hertaald:
eertijds
Of: al lang, zoals in 2 Petr. 2:3.
tot dit oordeel
Namelijk waardoor God hen rechtvaardig in een verkeerden zin heeft overgeleverd, Rom. 1:24, Rom. 1:26, Rom. 1:28; 2 Thess. 2:10-11, en hiernamaals straffen zal met de eeuwige verdoemenis.
Hertaald:
tot dit oordeel
Namelijk het oordeel waardoor God hen rechtvaardig aan een verkeerd inzicht heeft overgegeven, Rom. 1:24, Rom. 1:26, Rom. 1:28; 2 Thess. 2:10-11, en waarmee Hij hen hierna met de eeuwige verdoemenis zal straffen.
tevoren
Nemelijk door God in het register van de verworpen mensen; een gelijkenis genomen van de mensen, die hun registers hebben, waarin zij namen optekenen dergenen, met wie zij te doen hebben, elk in zijn orde. Zie Fil. 4:3.
Hertaald:
tevoren
Namelijk tevoren opgetekend door God in het register van de verworpen mensen. Dit is een vergelijking, genomen van de mensen die hun registers hebben, waarin zij de namen optekenen van hen met wie zij te maken hebben, ieder op zijn plaats. Zie Filipp. 4:3.
goddelozen,
Dat is, noch op God noch op zijn dienst passen.
Hertaald:
goddelozen,
Dat is: mensen die zich niet om God en niet om Zijn dienst bekommeren.
de genade
Dat is, de leer der genade Gods.
Hertaald:
de genade
Dat is: de leer van de genade van God.
veranderen in
Grieks verzetten, overstellen; dat is, misbruiken om daarop vrijer te zondigen en alle ontucht te bedrijven. Zie Gal. 5:13; 1 Petr. 2:16; 2 Petr. 2:19.
Hertaald:
veranderen in
Grieks: verzetten, omzetten; dat is: misbruiken om daarop vrijer te zondigen en allerlei ontucht te bedrijven. Zie Gal. 5:13; 1 Petr. 2:16; 2 Petr. 2:19.
ontuchtigheid,
Of dartelheid, geilheid, wulpseid.
Hertaald:
ontuchtigheid,
Of: uitspatting, geilheid, wulpsheid.
heerser
Of Heere. Grieks despoten. Zie van dit woord. Hand. 4:24; 2 Petr. 2:1.
Hertaald:
heerser
Of: Heere. Grieks: despotèn. Zie over dit woord Hand. 4:24; 2 Petr. 2:1.
God en
Of onzen God en Heere Jezus Christus.
Hertaald:
God en
Of: onze God en Heere Jezus Christus.
verloochenen
Zie de aantekening 2 Petr. 2:1.
Hertaald:
verloochenen
Zie de aantekening bij 2 Petr. 2:1.
indachtig maken,
Dat is, verhalen en in gedachtenis brengen enige voorbeelden van Gods oordelen tegen de zodanigen.
Hertaald:
indachtig maken,
Dat is: enkele voorbeelden van Gods oordelen tegen zulke mensen vertellen en in gedachtenis brengen.
eenmaal weet,
Dat is, gewisselijk, ten volle, terecht onveranderlijk.
Hertaald:
eenmaal weet,
Dat is: zeker, ten volle, terecht en onveranderlijk.
het volk uit
Namelijk van Israël.
Hertaald:
het volk uit
Namelijk het volk Israël.
verlost hebbende,
Grieks behouden hebbende.
Hertaald:
verlost hebbende,
Grieks: behouden hebbende.
verdorven heeft
Dat is, omgebracht heeft in de woestijn ; welke tijdelijke straf een afbeelding was van de eeuwige; Hebr. 3:17, enz.
Hertaald:
verdorven heeft
Dat is: omgebracht heeft in de woestijn. Die tijdelijke straf was een afbeelding van de eeuwige; Hebr. 3:17, enzovoort.
beginsel
Dat is, hun eerste staat, waarin zij naar Gods evenbeeld geschapen en in de hemelse gelukzaligheid met de goede engelen gesteld waren, Joh. 8:44. Of oorsprong of heerschappij. Want het Griekse woord betekent alle drie.
Hertaald:
beginsel
Dat is: hun eerste staat, waarin zij naar Gods evenbeeld geschapen waren en met de goede engelen in de hemelse gelukzaligheid gesteld waren, Joh. 8:44. Of: oorsprong, of heerschappij. Want het Griekse woord betekent alle drie.
hun eigen
Dat is, den hemel,de plaats der gelukzaligheid, waar de goede engelen hun woonplaats nog hebben, Matt. 24:36; Marc. 12:25, Luc. 2:15; waaruit deze afvallige engelen rechtvaardig zijn verstoten.
Hertaald:
hun eigen
Dat is: de hemel, de plaats van de gelukzaligheid, waar de goede engelen nog hun woonplaats hebben, Matth. 24:36; Mark. 12:25, Luk. 2:15; daaruit zijn deze afvallige engelen rechtvaardig verstoten.
des groten dags
Namelijk waarin dat grote werk van de opstanding en het oordeel van alle mensen, en de voleinding der wereld geschieden zal, en Christus in Zijn heerlijkheid zal verschijnen.
Hertaald:
des groten dags
Namelijk de dag waarop dat grote werk van de opstanding en het oordeel van alle mensen en van de voleinding van de wereld zal gebeuren, en waarop Christus in Zijn heerlijkheid zal verschijnen.
met eeuwige
Zie de aantekening 2 Petr. 2:4.
Hertaald:
met eeuwige
Zie de aantekening bij 2 Petr. 2:4.
de steden
Namelijk Adama en Zeboïm, gelijk deze genoemd worden Deut. 29:23.
Hertaald:
de steden
Namelijk Adama en Zeboïm, zoals die genoemd worden in Deut. 29:23.
deze
Namelijk inwoners van Sodom en Gomorra.
Hertaald:
deze
Namelijk de inwoners van Sodom en Gomorra.
ander vlees
Zo beschrijft de apostel met eerbare woorden de gruwelijke zonden der Sodomieten. Zie Rom. 1:27.
Hertaald:
ander vlees
Zo beschrijft de apostel met eerbare woorden de gruwelijke zonden van de Sodomieten. Zie Rom. 1:27.
tot een exempel
Namelijk van Gods rechtvaardigen toorn en straf tegen de zodanigen zondaars, om zich daaraan te mogen spiegelen.
Hertaald:
tot een exempel
Namelijk tot een voorbeeld van Gods rechtvaardige toorn en straf tegen zulke zondaars, om zich daaraan te kunnen spiegelen.
des eeuwigen
Zie van deze straf Matt. 25:41.
Hertaald:
des eeuwigen
Zie over deze straf Matth. 25:41.
dezen
Namelijk goddeloze mensen, waarvan hij gesproken heeft vs.4.
Hertaald:
dezen
Namelijk deze goddeloze mensen, over wie hij in vers 4 gesproken heeft.
in slaap
Of dromende. Dit wordt verstaan òf naar de letter, òf geestelijkerwijze,dat zij van den satan gelijk als in een slaap der zonde gewiegd zijnde, hun vlees verontreinigen met hoererijen, overspel, enz.
Hertaald:
in slaap
Of: dromende. Dat wordt verstaan óf naar de letter, óf in geestelijke zin: dat zij, als het ware door de satan in een slaap van de zonde gewiegd, hun vlees verontreinigen met hoererij, echtbreuk, enzovoort.
het vlees,
Dat is, hun lichamen, waarin deze zonden gedaan worden, en die daardoor worden verontreinigd. Zie 1 Kor. 6:18.
Hertaald:
het vlees,
Dat is: hun lichamen, waarin deze zonden gedaan worden en die daardoor verontreinigd worden. Zie 1 Kor. 6:18.
de heerschappij,
Dat is, degenen die in overheid zijn gesteld, en het ambt zelf.
Hertaald:
de heerschappij,
Dat is: zij die in de overheid gesteld zijn, en ook het ambt zelf.
de heerlijkheden
Dat is, diegenen die over de mensen in hoogheid, macht, eer en groot aanzien zijn gesteld. Zie 2 Petr. 2:10.
Hertaald:
de heerlijkheden
Dat is: zij die over de mensen in hoogheid, macht, eer en groot aanzien gesteld zijn. Zie 2 Petr. 2:10.
Michaël
Dit is de eigennaam van den aartsengel ,die ook gevonden wordt Dan. 10:13, en Dan. 12:1; Openb. 12:7, en is zoveel te zeggen als wie is gelijk God. Welke naam ook den Heere Jezus Christus wel kan toegeschreven worden; maar hij wordt ook 1 Thess. 4:16, uitdrukkelijk van den archangel onderscheiden.
Hertaald:
Michaël
Dit is de eigen naam van de aartsengel, die ook voorkomt in Dan. 10:13 en Dan. 12:1; Openb. 12:7, en die zoveel betekent als: wie is als God. Die naam kan ook wel aan de Heere Jezus Christus toegeschreven worden, maar in 1 Thess. 4:16 wordt Hij ook uitdrukkelijk van de aartsengel onderscheiden.
de archangel,
Dat is, de overste engel of een van de overste engelen. Zie van deze naam 1 Thess. 4:16, en de aantekening aldaar.
Hertaald:
de archangel,
Dat is: de voornaamste engel, of een van de voornaamste engelen. Zie over deze naam 1 Thess. 4:16 en de aantekening daar.
toen hij met
Deze geschiedenis wordt in de Schriften van het Oude Testament niet beschreven, zodat het schijnt dat Judas dit heeft tot òf uit enige overlevering van mond tot mond, òf uit enig geschrift, dat wij nu niet hebben, gelijk hij ook vs.14. de profetie van Henoch verhaalt; gelijk ook Paulus verhaalt de namen van de Egyptische tovenaars, 2 Tim. 3:8. Waaruit niet kan besloten worden, dat de Heilige Schrift onvolmaakt zou zijn. Zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
toen hij met
Deze geschiedenis is in de geschriften van het Oude Testament niet beschreven. Het lijkt er dus op dat Judas dit heeft uit een overlevering van mond tot mond, of uit een geschrift dat wij nu niet hebben, zoals hij in vers 14 ook de profetie van Henoch vermeldt en zoals Paulus de namen van de Egyptische tovenaars vermeldt, 2 Tim. 3:8. Daaruit kan niet besloten worden dat de Heilige Schrift onvolmaakt zou zijn. Zie de aantekening daar.
het lichaam van
Dit wordt door velen verstaan van het dode lichaam Mozes, toen hij gestorven was op den berg Nebo, hetwelk God heeft begraven op een onbekende plaats, opdat de Israëlieten met zijn dode beenderen geen afgoderij zouden begaan, gelijk door velen hedendaags gedaan wordt met de beenderen van martelaren en andere heiligen, Deut. 34:1, Deut. 34:6, en menen dat de duivel dit heeft gezocht te verhinderen, om het volk tot afgoderij te brengen.
Hertaald:
het lichaam van
Dit wordt door velen verstaan van het dode lichaam van Mozes, toen hij op de berg Nebo gestorven was. God heeft dat op een onbekende plaats begraven, opdat de Israëlieten met zijn dode beenderen geen afgodendienst zouden bedrijven — zoals dat vandaag door velen wel gedaan wordt met de beenderen van martelaren en andere heiligen, Deut. 34:1, Deut. 34:6. Zij menen dat de duivel dat heeft proberen te verhinderen om het volk tot afgodendienst te brengen.
oordeel van
Dat is, een lasterlijk oordeel, lasterwoorden, of scheldwoorden waarmee iemand veroordeeld wordt. Zie 2 Petr. 2:11.
Hertaald:
oordeel van
Dat is: een lasterlijk oordeel, lasterwoorden of scheldwoorden waarmee iemand veroordeeld wordt. Zie 2 Petr. 2:11.
De Heere
Dergelijke wordt gelezen Zach. 3:2, waarop sommigen menen dat de apostel hier zou zien.
Hertaald:
De Heere
Iets dergelijks is te lezen in Zach. 3:2; sommigen menen dat de apostel daarop hier ziet.
natuurlijk,
Dat is, door de uitwendige zinnen.
Hertaald:
natuurlijk,
Dat is: door de uiterlijke zinnen.
verderven
Namelijk doordien zij die dingen met overdaad en ontuchtigheid misbruiken, waarmee zij lichaam en ziel bederven.
Hertaald:
verderven
Namelijk doordat zij die dingen met overdaad en ontucht misbruiken, waarmee zij lichaam en ziel bederven.
Wee hun,
Dat is, hun zal een eeuwige ellende overkomen.
Hertaald:
Wee hun,
Dat is: hun zal een eeuwige ellende overkomen.
den weg van
Dat is, het voorbeeld van Kaïn gevolgd, in hun broeders te haten en te vervolgen.
Hertaald:
den weg van
Dat is: zij hebben het voorbeeld van Kaïn gevolgd door hun broeders te haten en te vervolgen.
des loons
Dat is, gelijk Bileam door gierigheid ter wille vn het loon heeft laten verleiden, om Gods volk te vloeken, hoewel God hem zulks heeft verhinderd, zo leren deze ook valse leringen en lasteren de rechte leer ter wille van vuil gewin. Grieks uitgestort; dat is, gelijk als uitgegoten water van zelf henen vliet, zo worden zij uit grote gierigheid daar henen gedreven.
Hertaald:
des loons
Dat is: zoals Bileam zich uit hebzucht, ter wille van het loon, heeft laten verleiden om Gods volk te vervloeken — hoewel God hem dat verhinderd heeft — zo leren ook zij valse leringen en lasteren zij de juiste leer, ter wille van vuil gewin. Grieks: uitgestort; dat is: zoals uitgegoten water van zichzelf wegvloeit, zo worden zij door grote hebzucht daarheen gedreven.
door de tegenspreking
Dat is, navolgende de wederspannigheid en oproerigheid van Korach tegen hun overheid.
Hertaald:
door de tegenspreking
Dat is: de opstandigheid en de oproerigheid van Korach tegen zijn overheid navolgend.
vergaan
Of in het verderf gebracht; gelijk korach met zijn metgezellen Dathan en Abiram, en al wat zij hadden, levend in de aarde verzonken zijn; Num. 16:31, enz.
Hertaald:
vergaan
Of: in het verderf gebracht, zoals Korach met zijn medestanders Dathan en Abiram, en alles wat zij hadden, levend in de aarde verzonken zijn; Num. 16:31, enzovoort.
liefdemaaltijden,
Grieks agapais; dat is, liefden. Zo werden genoemd de maaltijden, die de eerste Christenen plachten met elkander tot versterking der liefde te houden, als het avondmaal was gehouden, waarvan de apostel Paulus spreekt 1 Kor. 11:21-22, en die beschreven worden van Tertull.Apol.cap.36.
Hertaald:
liefdemaaltijden,
Grieks: agapais; dat is: liefden. Zo werden de maaltijden genoemd die de eerste christenen plachten te houden om de liefde te versterken, nadat het avondmaal gehouden was. Daarover spreekt de apostel Paulus in 1 Kor. 11:21-22, en zij worden beschreven door Tertullianus, Apologeticum, hoofdstuk 36.
met u
Dat is, van u tot een bijzondere maaltijd genood zijn.
Hertaald:
met u
Dat is: door u voor een afzonderlijke maaltijd uitgenodigd zijn.
weiden zij
Dat is, met gulzigheid en overdadigheid vullen en mesten zij zichzelf. Zie Ezech. 34:2.
Hertaald:
weiden zij
Dat is: zij vullen en mesten zichzelf met gulzigheid en overdaad. Zie Ezech. 34:2.
zonder vrees;
Namelijk van daarover door God gestraft te zullen worden; of ook van schande voor de mensen.
Hertaald:
zonder vrees;
Namelijk zonder vrees dat God hen daarover zal straffen; of ook zonder vrees voor schande bij de mensen.
in het afgaan
Dat is, die dan noch vruchten noch bladeren hebben; of die soms bloesems en beginsel van vruchten voortbrengen, maar die vergaan en afvallen.
Hertaald:
in het afgaan
Dat is: bomen die dan geen vruchten en geen bladeren meer hebben; of die soms bloesem en het begin van vruchten voortbrengen, maar die vergaan en afvallen.
tweemaal
Dat is, ganselijk noch vruchten noch bladeren hebben.
Hertaald:
tweemaal
Dat is: die volkomen zonder vruchten en zonder bladeren zijn.
Wilde baren
dat is, onstuimige, wrede.
Hertaald:
Wilde baren
Dat is: onstuimige, wilde golven.
opschuimende;
Dat is , als schuim en vuiligheid uitwerpende, namelijk hunne onstuimige vuile en lasterlijke woorden en schandelijke daden.
Hertaald:
opschuimende;
Dat is: die als schuim en vuil naar buiten werpen, namelijk hun onstuimige, vuile en lasterlijke woorden en hun schandelijke daden.
dwalende
Dat is, planeten welker loop, hoewel hij zeker is, zo schrijnen zij ons nochtans te dwalen, omdat haar loop niet eenparig is met de andere sterren. Daarbij vergelijkt hij hun ongestadigheid.
Hertaald:
dwalende
Dat is: planeten. Hun loop is wel vast, maar zij lijken voor ons toch te dwalen, omdat hun loop niet gelijkmatig is met die van de andere sterren. Daarmee vergelijkt hij hun onbestendigheid.
de donkerheid
Zie de verklaring daarvan 2 Petr. 2:17.
Hertaald:
de donkerheid
Zie de verklaring daarvan bij 2 Petr. 2:17.
de zevende van
Namelijk Adam meegerekend, aldus: Adam, Seth, Enos, Kenan, Mahalaleël, Jared, Henoch. Zie Gen 5.
Hertaald:
de zevende van
Namelijk de zevende met Adam meegerekend, dus: Adam, Seth, Enos, Kenan, Mahalaleël, Jered, Henoch. Zie Gen. 5.
geprofeteerd,
Deze profetie staat nergens in de Schriften van het Oude testament beschreven, maar schijnt van mond tot mond onder de Joden overgeleverd te zijn, en heeft God door den apostel Judas deze laten opschrijven onder de heilige Schriften, om eeuwig in de gemeente bewaard te worden. Zie vs.9.
Hertaald:
geprofeteerd,
Deze profetie staat nergens in de geschriften van het Oude Testament beschreven, maar zij lijkt onder de Joden van mond tot mond overgeleverd te zijn. God heeft haar door de apostel Judas onder de heilige Schriften laten opschrijven, om voor altijd in de gemeente bewaard te worden. Zie vers 9.
is gekomen
Dat is, zal komen. Zo spreken de profeten, om daarmee aan te wijzen de zekerheid van de vervulling der profetie, alsof die al geschiedde of geschied ware. Zie 1 Kor. 16:22.
Hertaald:
is gekomen
Dat is: zal komen. Zo spreken de profeten om daarmee de zekerheid van de vervulling van de profetie aan te wijzen, alsof die al gebeurde of gebeurd was. Zie 1 Kor. 16:22.
vele duizenden
Grieks heilige tienduizenden; namelijk van engelen: een zeker getal voor een onzeker groot getal;zie Dan. 7:10; Matt. 24:31, en Matt. 25:31.
Hertaald:
vele duizenden
Grieks: heilige tienduizenden; namelijk van engelen. Dit is een bepaald getal voor een onbepaald groot getal; zie Dan. 7:10; Matth. 24:31 en Matth. 25:31.
te houden tegen
Grieks te doen, of oordeel te vellen.
Hertaald:
te houden tegen
Grieks: te doen, of: oordeel te vellen.
allen, en
Namelijk ongelovige en onboetvaardige zondaren. Want hier wordt gesproken van het oordeel van verdoemenis, waarin gelovige en boetvaardige zondaren niet zullen komen; Joh. 5:24.
Hertaald:
allen, en
Namelijk ongelovige en onboetvaardige zondaars. Want hier wordt gesproken over het oordeel van de verdoemenis, waarin gelovige en boetvaardige zondaars niet zullen komen; Joh. 5:24.
te straffen alle
Grieks te bestraffen, of te overtuigen.
Hertaald:
te straffen alle
Grieks: te bestraffen, of: te overtuigen.
goddelozen onder
Dat is, die onder hen in goddeloosheid uitmunten en de godzaligen lasteren, vervolgen en verdrukken; zoals hier door den apostel beschreven worden.
Hertaald:
goddelozen onder
Dat is: zij die onder hen in goddeloosheid uitsteken en die de godvrezenden lasteren, vervolgen en verdrukken, zoals zij hier door de apostel beschreven worden.
de harde
Dat is, niet alleen over hun goddelozen werken, maar ook over hun ongerijmde, lasterlijke en smadelijke woorden, die hard zijn om te verdragen.
Hertaald:
de harde
Dat is: niet alleen over hun goddeloze werken, maar ook over hun ongepaste, lasterlijke en smadelijke woorden, die moeilijk te verdragen zijn.
Hem gesproken
Namelijk den heere, die komen zal om het gericht te houden, vs.14. dat is, tegen Zijn persoon, leer en gemeente.
Hertaald:
Hem gesproken
Namelijk tegen de Heere, Die komen zal om het gericht te houden, vers 14; dat is: tegen Zijn Persoon, Zijn leer en Zijn gemeente.
murmureerders,
Namelijk zo tegen God, dat Hij hun niet genoegdoet; als tegen de mensen en vooral die over hen gesteld zijn, met wier regering zij niet tevreden zijn.
Hertaald:
murmureerders,
Namelijk morrend zowel tegen God, omdat Hij hun niet genoeg geeft, als tegen de mensen en vooral tegen hen die over hen gesteld zijn, met wier bestuur zij niet tevreden zijn.
klagers over
Dat is, niet tevreden zijnde met staat of deel, die God hun toegeschikt heeft.
Hertaald:
klagers over
Dat is: niet tevreden zijnde met de positie of het deel dat God hun toebedeeld heeft.
hun begeerlijkheden;
Namelijk vleselijke begeerlijkheden. Zie Rom. 8:1, Rom. 8:5; 2 Kor. 10:3; Gal. 5:16; 2 Petr. 3:3.
Hertaald:
hun begeerlijkheden;
Namelijk vleselijke begeerlijkheden. Zie Rom. 8:1, Rom. 8:5; 2 Kor. 10:3; Gal. 5:16; 2 Petr. 3:3.
verwonderende
Dat is, als met een verwondering prijzende en pluimstrijkende de personen die om hun rijkdom of macht in aanzien zijn, en hun bevordelijk kunnen wezen.
Hertaald:
verwonderende
Dat is: met verwondering de mensen prijzend en naar de mond pratend die om hun rijkdom of macht in aanzien staan en die hun kunnen helpen.
om des voordeels
Om door deze pluimstrijkerij van hen voordeel te bekomen.
Hertaald:
om des voordeels
Namelijk om door deze vleierij voordeel van hen te krijgen.
van de apostelen
Hieruit volgt niet dat deze Judas niet mede een apostel van Christus zou geweest zijn. Want ook Petrus maakt gewag van de zendbrieven van Paulus, 2 Petr. 3:15; maar alleen dat hij na de andere apostelen heeft geschreven. Hij ziet hier vooral op de apostelen Paulus en Petrus.
Hertaald:
van de apostelen
Hieruit volgt niet dat deze Judas zelf geen apostel van Christus geweest zou zijn. Want ook Petrus maakt gewag van de brieven van Paulus, 2 Petr. 3:15. Het volgt er alleen uit dat hij na de andere apostelen geschreven heeft. Hij ziet hier vooral op de apostelen Paulus en Petrus.
goddeloze
Grieks begeerlijkheden der goddeloosheden.
Hertaald:
goddeloze
Grieks: begeerlijkheden van de goddeloosheden.
afscheiden,
Namelijk van de heilige vergaderingen der gelovigen. Of scheiding en scheuring in de gemeente maken.
Hertaald:
afscheiden,
Namelijk zich afscheiden van de heilige bijeenkomsten van de gelovigen. Of: scheiding en scheuring in de gemeente maken.
natuurlijke
Grieks ziekelijke, gelijk 1 Kor. 2:14; Jak. 3:15. Zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
natuurlijke
Grieks: zinnelijke, zoals in 1 Kor. 2:14; Jak. 3:15. Zie de aantekening daar.
den Geest
Namelijk Gods, dat is, den Geest der wedergeboorte; hetwelk daaruit blijkt, omdat hun vleselijke begeerlijkheden in hen de overhand hebben en heersen; wat niet geschiedt in degenen die den Geest der wedergeboorte hebben.
Hertaald:
den Geest
Namelijk de Geest van God, dat is: de Geest van de wedergeboorte. Dat blijkt daaruit dat hun vleselijke begeerten in hen de overhand hebben en heersen; en dat gebeurt niet bij hen die de Geest van de wedergeboorte hebben.
bouwt gij
Of sticht; dat is, stelt uw fundament vast, en neemt dagelijks meer en meer toe in het geloof.
Hertaald:
bouwt gij
Of: sticht; dat is: maak uw fundament vast en neem dagelijks meer en meer toe in het geloof.
uzelf
Of elkander, gelijk 1 Thess. 5:11.
Hertaald:
uzelf
Of: elkaar, zoals in 1 Thess. 5:11.
uw allerheiligst
Dat is, op het vertrouwen dat gij hebt op den Zaligmaker Jezus Christus, om dat te behouden, daarin toe te nemen, en daarop alle christelijke deugden te vestigen, Rom. 14:23; Hebr. 11:6. Op op de leer der heilige profeten en apostelen, die gij geloofd en eenmaal aangenomen hebt, Ef. 2:20, daarin dagelijks meer en meer toenemende, en bij deze vast blijvende.
Hertaald:
uw allerheiligst
Dat is: op het vertrouwen dat u op de Zaligmaker Jezus Christus hebt, om dat te behouden, daarin toe te nemen en daarop alle christelijke deugden te bouwen, Rom. 14:23; Hebr. 11:6. Of: op de leer van de heilige profeten en apostelen, die u geloofd en eenmaal aangenomen hebt, Ef. 2:20, door daarin dagelijks meer en meer toe te nemen en daarbij vast te blijven.
biddende
Namelijk God, dat Hij door zijn Goddelijke genade en kracht u daarin versterke. Waaruit blijkt, als wij vermaand worden onszelf te stichten en te bewaren, dat zulk een bewaring niet uit onze krachten voortkomt, maar uit de genade en kracht Gods, dien wij daarom moeten bidden.
Hertaald:
biddende
Namelijk God biddend dat Hij u daarin door Zijn goddelijke genade en kracht versterkt. Daaruit blijkt dat, wanneer wij aangespoord worden onszelf op te bouwen en te bewaren, zulk een bewaring niet uit onze krachten voortkomt, maar uit de genade en de kracht van God, Die wij daarom moeten bidden.
in den Heiligen Geest;
Of door den Heilige Geest; Rom. 8:26.
Hertaald:
in den Heiligen Geest;
Of: door de Heilige Geest; Rom. 8:26.
Bewaart
Namelijk zorgvuldig aanwendende alle middelen om daarin te blijven en toe te nemen. Zie voorgaande vers, vs.20.
Hertaald:
Bewaart
Namelijk door zorgvuldig alle middelen te gebruiken om daarin te blijven en daarin toe te nemen. Zie het voorgaande vers 20.
uzelf
Of elkander, gelijk tevoren.
Hertaald:
uzelf
Of: elkaar, zoals eerder.
in de liefde
Dit kan verstaan worden, òf in de liefde die wij God toe dragen om daarin te volharden en toe te nemen: naar beide moeten wij trachten. Doch het tweede schijnt met des apostels doel meer overeen te komen.
Hertaald:
in de liefde
Dit kan verstaan worden van de liefde die God ons toedraagt, of van de liefde die wij God toedragen, om daarin te volharden en toe te nemen; naar beide moeten wij streven. Maar het tweede lijkt beter overeen te komen met het doel van de apostel.
de barmhartigheid
Dat is, het genadige vonnis, dat Hij over ons gelovigen zonder onze verdiensten, uit enkel barmhartigheid, zal uitspreken in den dag des oordeels; Matt. 25:34.
Hertaald:
de barmhartigheid
Dat is: het genadige vonnis dat Hij over ons gelovigen zonder onze verdiensten, uit louter barmhartigheid, op de dag van het oordeel zal uitspreken; Matth. 25:34.
ontfermt u
Dat is, bestraft en vermaant enigen uit barmhartigheid en medelijden over hun zwakheid, namelijk die uit zwakheid zondigen en niet moedwillig; Gal. 6:1.
Hertaald:
ontfermt u
Dat is: bestraf en spoor sommigen aan uit barmhartigheid en medelijden met hun zwakheid, namelijk hen die uit zwakheid zondigen en niet moedwillig; Gal. 6:1.
onderscheid
Namelijk tussen zwakken en moedwilligen, tussen leerzamen en hardnekkigen, namelijk om uw bestraffingen en vermaningen naar elks gelegenheid met zachtheid of met hardigheidte doen, om hen te beter te winnen.
Hertaald:
onderscheid
Namelijk onderscheid tussen zwakken en moedwilligen, tussen leerzamen en hardnekkigen; namelijk om uw bestraffingen en aansporingen naar de omstandigheden van ieder met zachtheid of met hardheid te doen, om hen des te beter te winnen.
behoudt
Dat is, zoekt hen te behouden met goede vermaningen. Zie 1 Tim. 4:16.
Hertaald:
behoudt
Dat is: probeer hen met goede aansporingen te behouden. Zie 1 Tim. 4:16.
anderen
Namelijk die moedwillig of hardnekkig zijn.
Hertaald:
anderen
Namelijk zij die moedwillig of hardnekkig zijn.
door vrees,
Grieks, in vreze; dat is, zoekt hen te verschrikken met voorstellingen van het vreselijk oordeel Gods, dat over zodanigen zal gaan, indien zij zich niet bekeren; 2 Tim. 4:2.
Hertaald:
door vrees,
Grieks: in vrees; dat is: probeer hen te doen schrikken door hun het vreselijke oordeel van God voor te houden dat over zulke mensen zal komen als zij zich niet bekeren; 2 Tim. 4:2.
grijpt ze uit
Dat is, trekt hen zonder vertoeven uit het openbaar gevaar van de zaligheid te verliezen, gelijk men doet als iemand in het vuur gevallen is. Want een bekeerd zondaar is als uit het helse vuur getrokken.
Hertaald:
grijpt ze uit
Dat is: trek hen zonder uitstel uit het openlijke gevaar de zaligheid te verliezen, zoals men doet wanneer iemand in het vuur gevallen is. Want een bekeerde zondaar is als uit het helse vuur getrokken.
den rok die
Dat is, niet alleen de onkuischheid en andere zonden zelf, maar ook wat daarmee enige gemeenschap heeft.
Hertaald:
den rok die
Dat is: niet alleen de onkuisheid en de andere zonden zelf, maar ook wat daar enige gemeenschap mee heeft.
bevlekt is
Dit schijnt gezegd te worden ten opzichte van de onreinheden der wet, waarnaar al wat iets onreins aanraakte zelf ook voor onrein gehouden werd.
Hertaald:
bevlekt is
Dit lijkt gezegd te worden met het oog op de onreinheden van de wet, waarbij alles wat iets onreins aanraakte zelf ook voor onrein gehouden werd.
struikelen
Of te stoten, mistreden.
Hertaald:
struikelen
Of: te stoten, mis te stappen.
voor Zijn
Dat is, voor Hem, die heerlijk is.
Hertaald:
voor Zijn
Dat is: voor Hem, Die heerlijk is.
in alle eeuwigheid
Grieks, in al de eeuwen.
Hertaald:
in alle eeuwigheid
Grieks: in al de eeuwen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De schrijver van deze korte brief, die zichzelf 'broeder van Jakobus' noemt; van oudsher wordt hij vereenzelvigd met Judas, een van de broers van Jezus (Matt. 13:55; Mark. 6:3) — dus een andere persoon dan Judas Iskariot en dan de eerder genoemde Judas Barsabas en Judas de Galileër, al blijft de precieze identificatie onder uitleggers punt van discussie. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Judas had eigenlijk willen schrijven "van de gemene zaligheid", dat is: van het heil dat allen delen (Judas 1:3). De omstandigheden dwongen hem tot iets anders. Er waren "sommige mensen ingeslopen" die de genade van God veranderden "in ontuchtigheid", en die "de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus" verloochenden (Judas 1:4). Vandaar de opdracht "dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is" (Judas 1:3). Het woord dat de Statenvertaling met "strijden" weergeeft, is dat van de worstelaar in de arena — aanhoudend, met inspanning, met beslistheid. Aan het slot van de brief keert Judas terug naar de andere zijde van dezelfde zaak, de bewaring: "Bewaart uzelven in de liefde Gods" (Judas 1:21), en "Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren" (Judas 1:24). Bijbelse betekenis: Drie woorden dragen dit vers. "Eenmaal" wil zeggen dat het geloof eens en voor altijd overgeleverd is. Er komt geen nieuwe aanvulling of vervanging bij. "Overgeleverd" — het is ontvangen goed en niet zelf bedacht; wie het bewaart, geeft door wat een ander hem gegeven heeft. En "den heiligen" — het is niet aan de theologen of aan het ambt alleen toevertrouwd, maar aan de heiligen, dat is heel de gemeente. Vandaar dat de oproep om ervoor te strijden zich tot "Geliefden" richt (Judas 1:3), niet uitsluitend tot een leerstand. Typologie: Paulus draagt hetzelfde op aan Timotheüs. Hij moet het goede pand dat hem toebetrouwd is, bewaren door de Heilige Geest die in de gelovige woont (2 Tim. 1:14). En hij moet het toevertrouwen aan getrouwe mensen die bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren (2 Tim. 2:2). Petrus schrijft, wetend dat de aflegging van zijn tabernakel haast zijn zal, opdat de lezers na zijn heengaan gedachtenis van deze dingen zullen kunnen hebben (2 Petr. 1:12-15). Het bewaren en doorgeven van hetzelfde geloof is dus in het Nieuwe Testament geen nevenzaak — het is een van de laatste opdrachten die de apostelen hebben achtergelaten. Judas 1:3-4,21,24; 2 Tim. 1:14; 2 Tim. 2:2; 2 Petr. 1:12-15 Judas beschrijft eerst de dwaalleraars en voegt daaraan een oude profetie toe: "En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; om gericht te houden tegen allen" (Judas 1:14-15). Diezelfde woorden komen voor in een joods geschrift uit de eeuwen tussen de testamenten, dat naar Henoch is genoemd. Judas noemt de bron niet, maar de overeenkomst is te groot om toeval te zijn. Op vergelijkbare wijze noemt hij vijf verzen eerder dat Michaël met de duivel twistte over "het lichaam van Mozes" (Judas 1:9), waarvoor de oudtestamentische tekst geen aanknopingspunt biedt maar de joodse overlevering wel. Bijbelse betekenis: De aanhaling maakt het boek Henoch niet tot Heilige Schrift. Judas noemt het boek niet, en de vroege kerk heeft dit onderscheid vastgehouden: het boek Henoch valt buiten de canon. Wat Judas doet, is een bekende uitspraak op zich waarheidgetrouw aanhalen, zoals Paulus op de Areopagus met heidense dichters doet (Hand. 17:28) en aan Titus met een Kretische spreuk (Titus 1:12). Waarheid uit een andere bron blijft waarheid. Tegelijk noemt Judas de spreker met de aanduiding die uit het geslachtsregister komt — "de zevende van Adam" (vgl. Gen. 5:1-24, waarin Henoch als zevende geteld wordt). Daarmee onderstreept hij de hoge ouderdom van deze verwachting van het gericht. Typologie: De inhoud zelf staat door heel de Schrift heen. De Heere komt met Zijn heiligen om gericht te houden — hetzelfde wat Zacharia in vervulling ziet gaan: "de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U" (Zach. 14:5). Paulus tekent hetzelfde beeld: de Heere Jezus zal geopenbaard worden van de hemel "met de engelen Zijner kracht" (2 Thess. 1:7, reeds behandeld bij Verheerlijking van Christus in Zijn heiligen). Openbaring sluit ermee: "Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien" (Op. 1:7). Wat Enoch bij Judas zegt, klopt dus geheel met wat door de canonieke profeten geopenbaard is — en juist dat rechtvaardigt de aanhaling. Judas 1:9,14-15; Gen. 5:1-24; Zach. 14:5; Hand. 17:28; 2 Thess. 1:7; Titus 1:12; Op. 1:7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Judas had willen schrijven over de gemene zaligheid, maar zag zich gedrongen tot iets anders: te vermanen dat men strijden zou voor het geloof dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. De brief is kort en scherp — en het slot is het tegendeel van scherp. Na een hele brief over dwaalleraars eindigt Judas met de enige Die het staande houden niet aan de lezer overlaat. De vermaningen aan het eind zijn nuchter en menselijk. Bouwt uzelven op uw allerheiligst geloof, bidt in den Heiligen Geest, bewaart uzelven in de liefde Gods. En dan volgt iets wat men in een brief tegen dwaalleer niet verwacht: onderscheid in hoe men met mensen omgaat. En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende; maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur. Sommigen moet men met zachtheid winnen, anderen als uit een brand trekken. Daarna komt de lofzegging waarmee de brief sluit, en zij is een van de mooiste van het Nieuwe Testament. Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren. De kanttekening geeft bij dat woord ook: te stoten, mis te stappen. Na alles wat Judas over verleiders geschreven heeft, komt het er dus niet op neer dat de lezer sterk genoeg is. Er is Eén Die daartoe machtig is. En dan het tweede: en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde. Niet met moeite binnengeloodst, maar onstraffelijk — zonder aanklacht — en niet met opluchting maar in vreugde. De brief eindigt bij God zelf: den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Daarmee doet Judas iets wat door heel de Schrift gebeurt. Hij begint bij het gevaar en eindigt bij de bewaring — en de bewaring staat niet in de gebiedende wijs. Paulus schrijft in dezelfde geest dat Hij Die in ons een goed werk begonnen is, dat zal voleindigen tot op den dag van Jezus Christus. En Christus zelf zegt van Zijn schapen dat niemand ze uit Zijn hand zal rukken. In het Nieuwe Testament: Johannes 10:27-29; Filippenzen 1:6; 1 Petrus 1:5; Kolossenzen 1:22
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Als de zonde een engel uit de hemel kon sleuren, dan kan zij ook een predikant van de kansel rukken, een diaken van de avondmaalstafel, of een gemeentelid uit het midden van zijn broeders en zusters. Die bij machte is u voor struikelen te bewaren, en u smetteloos te stellen voor Zijn heerlijkheid. Judas 1:24 Denk eens na over dat prachtige woord ‘smetteloos’! Nu… Aan Hem nu Die bij machte is… u smetteloos te stellen voor Zijn heerlijkheid. Judas 1:2 Omdat Gods troon een troon van genade is, zullen de fouten in… Aan Hem nu Die bij machte is u voor struikelen te bewaren, en u smetteloos te stellen voor Zijn heerlijkheid, in grote vreugde, de alleenwijze God, onze Zaligmaker,… aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard: Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd. Judas 1-2 Begenadigde zielen zijn nooit… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Biddende in de Heilige Geest. Judas 1:20 Dit is het grote kenmerk van het oprechte gebed: in de Heiligen Geest. De godsvrucht,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Judas 1
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Die machtig is u van struikelen te bewaren — 1:17-25
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Toekomstige zondeloosheid
Een onwaardig mens waardig gemaakt
Machtig om te bewaren
De gelukkige ziel
Bidden in de Heilige Geest


Judas 1
Judas 1:1
Kruisverwijzingen1 Petrus 1:5→Johannes 14:22→Romeinen 1:1→1 Thessalonicenzen 5:23→Johannes 17:15→Lukas 6:16→Romeinen 6:22→1 Petrus 5:10→— Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:
Dat wil zeggen: Judas, niet Iskariot.
Hij zegt niet: en broeder van onze Heere. Want wij weten dat Jakobus en Judas allebei naar het vlees verwanten van de Heere waren. Maar hij kent Christus nu niet meer naar het vlees, en hij is tevreden en gelukkig bekend te staan als “een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus.”
Want het besluit van de verkiezing, het afzonderen van de uitverkorenen, wordt gewoonlijk aan God de Vader toegeschreven.
Wij hebben hier een gezegende beschrijving van heel het werk van onze zaligheid: afgezonderd door de Vader, met Christus verenigd en in Hem bewaard, en dan te Zijner tijd door de Geest van God uitgeroepen.
Judas 1:2
Kruisverwijzingen2 Petrus 1:2→1 Petrus 1:2→Openbaring 1:4→Romeinen 1:7→— Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.
Christelijke brieven behoren vol liefde en goede wil te zijn. De christelijke bedeling ademt weldadigheid, zij is vol zegening: “Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.” Mocht de goddelijke Drie-eenheid u een drievoudige zegen geven!
Judas 1:3
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 6:12→Judas 1:20→Titus 1:4→Filippenzen 1:27→Openbaring 12:11→1 Timotheüs 1:18→Kolossenzen 1:2→1 Thessalonicenzen 2:2→— Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.
In die zin dat het eens en voor altijd aan de heiligen gegeven is, is het geloof van de christenen geen veranderlijke grootheid. Het is niet iets dat van dag tot dag wisselt, zoals sommigen schijnen te menen, die zich tevergeefs inbeelden dat aan elk nieuw geslacht nieuw licht geschonken wordt. Nee, de waarheid is eens en voor altijd overgeleverd; zij ligt vast. En het is aan ons haar vast te houden zoals God haar ons gegeven heeft.
De grote taak van de heiligen is het geloof te verdedigen dat hun eenmaal overgeleverd is – zo nodig met hun leven. Ons is het Evangelie toevertrouwd. Wij zijn beheerders van een goddelijk pand van onschatbare waarheid, en wij moeten dat pand trouw blijven, wat het ook kost.
Judas 1:4
KruisverwijzingenGalaten 2:4→2 Petrus 2:1→1 Johannes 2:22→1 Petrus 2:8→2 Petrus 2:10→2 Timotheüs 3:6→Titus 1:15→2 Petrus 2:5→— Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.
Zij hebben hun ketterij niet openlijk beleden toen zij binnenkwamen – dan zou men hen niet toegelaten hebben. Nee, zij slopen naar binnen, zij klommen op de kansel en gaven zich uit voor predikers van het Evangelie, terwijl zij al die tijd wisten dat zij het wilden ondergraven. De laagsten van alle mensen zijn zij die zo handelen: “er zijn sommige mensen ingeslopen.”
Lang tevoren door God als verraders aangewezen. Wie de moed van zijn overtuiging mist, heeft waarschijnlijk in het geheel geen overtuiging, maar zoekt het geloof te ondergraven dat hij voorgeeft aan te hangen.
Antinomianen, die “de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid” en valselijk verklaren dat de wet geen bindende kracht heeft over het leven van de christen, en die zeggen dat wij kwaad mogen doen opdat het goede eruit voortkomt. En socinianen, die “de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.”
Judas 1:5
KruisverwijzingenNumeri 26:64→Psalmen 106:26→Hebreeën 3:16→Numeri 14:22→2 Petrus 3:1→Romeinen 15:15→Deuteronomium 2:15→1 Korinthe 10:1→— Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.
Hebben wij geen werkelijk geloof, dan mogen wij schijnbaar een heel eind op weg naar de hemel gaan, maar wij zullen het hemelse Kanaän niet binnengaan.
Judas 1:6
Kruisverwijzingen2 Petrus 2:4→Efeze 6:12→Mattheüs 8:29→Mattheüs 25:41→Johannes 8:44→Openbaring 20:10→Hebreeën 10:27→2 Petrus 2:9→— En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
Zie dan hoe nodig het is standvastig te zijn, in het geloof te blijven en in de beoefening daarvan te blijven. Anders zou het met ons kunnen aflopen zoals met de Israëlieten, die wel uit Egypte kwamen maar hun lichamen in de woestijn achterlieten. Of zoals met de engelen, die eens in Gods tegenwoordigheid in heerlijkheid stonden en om hun afval in de diepten van de afgrond gevallen zijn.
De engelen – bedenk toch hoe hoog zij in hun eerste staat stonden.
Judas 1:7-8
KruisverwijzingenDeuteronomium 29:23→2 Petrus 2:6→Hosea 11:8→Romeinen 1:26→Mattheüs 25:41→Hebreeën 13:17→1 Korinthe 6:9→Genesis 19:5→— Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs. Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden.
Zij werpen alle teugels af; zij eisen de vrijheid op om te doen wat zij willen. En worden zij bestraft, dan uiten zij scheldwoorden tegen wie hen eerlijk berispt.
Judas 1:9
KruisverwijzingenOpenbaring 12:7→Daniël 12:1→Daniël 10:13→1 Thessalonicenzen 4:16→Daniël 10:21→Zacharia 3:2→Deuteronomium 34:6→2 Petrus 2:11→— Maar Michael, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!
Waarop ziet dit? Ik weet het werkelijk niet. Het ziet naar mijn gedachte niet op iets dat in het Oude Testament opgetekend staat, maar op een feit dat Judas bekend was en dat hij hier door openbaring meedeelt. Wij geloven het, en wij leren eruit dat een aartsengel, wanneer hij met de duivel twist, zelfs tegen hém geen harde woorden gebruikt. Want harde woorden zijn een bewijs van de zwakheid van de zaak waarvoor zij gebruikt worden. Harde argumenten, zacht gebracht, zijn de werkelijk doeltreffende wapens; maar sommigen van ons hebben lang nodig om dat te leren. In onze jonge jaren slijten wij onze kracht doorgaans op door het geweld waarmee wij haar gebruiken.
Judas 1:10
Kruisverwijzingen2 Petrus 2:12→Romeinen 1:21→— Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich.
Het is iets afschuwelijks wanneer de zonde van een mens even ver reikt als zijn kennis, en hij zondigt tot de grens van wat hij vermag.
Judas 1:11-12
Kruisverwijzingen2 Petrus 2:15→Mattheüs 15:13→1 Johannes 3:12→Efeze 4:14→Spreuken 25:14→Ezechiël 34:8→Genesis 4:3→2 Petrus 2:17→— Wee hun, want zij zijn de weg van Kain ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaam zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan. Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;
“Dezen zijn verwoesters”, zo kan het ook vertaald worden.
Zij bederven uw liefdemaaltijden aan de tafel van de Heere; zij verstoren uw gemeenschap wanneer u samenkomt om te aanbidden.
Judas 1:12
KruisverwijzingenMattheüs 15:13→Efeze 4:14→Spreuken 25:14→Ezechiël 34:8→2 Petrus 2:17→Filippenzen 3:19→Psalmen 78:29→Jesaja 56:10→— Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;
Sommigen van de beste christenen komen met grote vrees en beving aan de tafel van de Heere. Ik heb er gekend die er ontegenzeggelijk recht op hadden en toch bijna niet durfden komen. Juist die mensen, die een heilige vrees hebben verkeerd te komen, zijn degenen die werkelijk behoren te komen. “Weiden zichzelven zonder vreze” is het kenmerk van hen die verder van God af staan.
Zij geloven wat de laatste zegt die hen toespreekt; zij zijn gemakkelijk over te halen tot deze leer, en tot die, en tot een andere.
Zij lijken vrucht te dragen, maar die valt af voordat zij rijp is.
Judas 1:12-13
KruisverwijzingenMattheüs 15:13→Efeze 4:14→Spreuken 25:14→Ezechiël 34:8→Jesaja 57:20→2 Petrus 2:17→Filippenzen 3:19→Openbaring 8:10→— Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.
Zij hebben niets te zeggen voor Christus, en toch moeten zij iets zeggen; en zo zijn zij “wilde baren der zee.”
Judas 1:13
KruisverwijzingenFilippenzen 3:19→2 Petrus 2:17→Jesaja 57:20→Openbaring 8:10→Jeremia 5:22→Openbaring 21:8→Psalmen 65:7→Psalmen 93:3→— Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.
Dit zijn de valse belijders van de godsdienst, de leden van de kerk voor wie plaatsen in de hel gereserveerd zijn. Dat is een verschrikkelijke gedachte: “denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt” – niet voor de heidenen, niet voor hen die het Evangelie openlijk verwerpen, maar voor wie onopgemerkt de gemeenten binnensluipen, valse leer brengen en onheilig leven.
Judas 1:14-15
KruisverwijzingenDeuteronomium 33:2→2 Thessalonicenzen 1:7→1 Thessalonicenzen 3:13→Mattheüs 25:31→Psalmen 50:3→Openbaring 1:7→Mattheüs 24:30→Zacharia 14:5→— En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
Hoe Judas wist dat Henoch dat gezegd heeft, kan ik niet zeggen; het is opnieuw een bewijs van de ingeving van de Geest.
Judas 1:16
Kruisverwijzingen2 Petrus 2:18→2 Petrus 2:10→Judas 1:18→Leviticus 19:15→Numeri 16:11→1 Korinthe 10:10→Filippenzen 2:14→Job 32:21→— Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil.
U kent het slag mensen waarop hier gedoeld wordt: niets stelt hen ooit tevreden. Zij zijn zelfs over het Evangelie ontevreden. Het brood uit de hemel moet in drie stukken gesneden worden en op fijne servetten opgediend, anders kunnen zij het niet eten. En al gauw walgt hun ziel ook van dit lichte brood. Er is geen enkele manier waarop een christen God kan dienen die hun bevalt. Zij vinden in ieders jas wel een gat; en als de grote Hogepriester Zelf hier was, zouden zij nog aanmerkingen maken op de kleur van de stenen van Zijn borstlap.
Judas 1:16-19
Kruisverwijzingen2 Petrus 3:3→2 Petrus 2:18→2 Petrus 2:10→2 Petrus 3:2→1 Korinthe 2:14→Judas 1:18→Leviticus 19:15→Numeri 16:11→— Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil. Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus; Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen. Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.
Mensen die, als zij dan al belijdenis van de godsdienst doen, voortdurend gemeenten uiteen moeten scheuren en zich van anderen afzijdig houden. Zij hebben met niemand gemeenschap dan met wie hun sjibbolet even zuiver kan uitspreken als zij – en dat ook nog vrij luid laten horen.
Judas 1:20-22
KruisverwijzingenEfeze 6:18→Kolossenzen 2:7→Romeinen 8:26→1 Korinthe 14:15→2 Petrus 3:12→1 Thessalonicenzen 5:11→1 Korinthe 14:4→1 Korinthe 1:8→— Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven. En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende;
Sommige van die belijders leven niet naar hun belijdenis, en u kunt bij hen tekenen van zonde opmerken. Toch is er misschien enig spoor van berouw, enige reden om te hopen dat zij het kwaad zullen verlaten zodra zij zien dat het kwaad is: ontferm u over hen.
Volharding in de heiligheid is het teken van het eeuwige heil. Verlaten wij de Heere en keren wij terug tot onze vroegere kwade wegen? Dan is dat het bewijs dat wij nooit werkelijk in Christus geloofd hebben, en dat er in ons hart geen waar werk van de genade geweest is.
Judas 1:23
KruisverwijzingenOpenbaring 3:4→Amos 4:11→1 Korinthe 3:15→1 Timotheüs 4:16→Leviticus 13:47→1 Korinthe 5:3→2 Korinthe 7:10→1 Korinthe 5:9→— Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is.
Wanneer u met onreine belijders te doen hebt, moet er afkeer en verafschuwing van hun zonde zijn, zelfs wanneer er grote zachtmoedigheid tegenover de zondaar is. Wij mogen nooit zó in de bekering van de schuldige geloven dat wij bereid zijn de zonde door de vingers te zien. Want de zonde is in elk geval een groot kwaad, en berouw kan haar niet uitwissen. En al betaamt het ons zacht te zijn voor de zondaar, wij mogen nooit zacht zijn voor de zonde. Wat eindigt deze korte en droeve brief prachtig! Nadat Judas de velen beschreven heeft die na hun belijdenis toch afwijken, breekt hij uit in deze juichende lofprijzing:
Judas 1:24-25
KruisverwijzingenEfeze 3:20→Johannes 5:44→Efeze 5:27→Kolossenzen 1:22→2 Korinthe 4:14→1 Timotheüs 1:17→Romeinen 11:36→Openbaring 5:13→— Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde, Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.
De macht om een wereld te scheppen, om de rotsen te splijten, om de bergen in brand te zetten – zij is gering vergeleken bij de macht die ons van struikelen kan bewaren. Het heeft God behaagd ons vrij handelende wezens te maken, en Hij ontneemt ons die vrijheid nooit. En toch is God in staat ons van struikelen te bewaren, zonder dat er iets vernietigd wordt van wat wij nodig hebben om verantwoordelijke mensen te zijn. Hij zou dat kunnen doen door ons in een gevangenis op te sluiten, of door ons de macht om te zondigen te ontnemen. Maar zo bewaart Hij ons niet. Hij laat ons elk vermogen en elke neiging die wij tevoren hadden. En toch bewaart Hij Zijn volk van struikelen, door een verborgen en almachtige werking van Zijn Heilige Geest. Die werking kunnen wij evenmin begrijpen als het waaien van de wind.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
A. In het opschrift ter begroeting stelt Judas, die deze brief aan het einde van het jaar 65 of in het begin van het volgende jaar opstelde, zichzelf voor, niet slechts, zoals Jakobus dat doet, als een dienstknecht van Jezus Christus, maar hij noemt zich ook diens “broeder”, om zo duidelijk vanaf het begin erop te wijzen, dat het voor die lezers bestemd was, tot wie die zich vroeger had gewend en dat hij nu diens ambt voortzette, nadat deze was weggenomen. Hij noemt dan ook de lezers niet met name, noch duidt de woonplaats aan, maar evenals Petrus in zijn tweede brief, geeft hij slechts zodanige aanwijzing, die hun hun waarde en verheven ereplaats doet voelen. Vervolgens richt hij zijn groet aan hen in een vorm, die het hier dadelijk doet voelen, dat zij door grote gevaren voor hun genadestaat bedreigd waren en nu daar tegenover een des te rijkere mate van goddelijke genade nodig hadden.
Judas, een dienstknecht van Jezus Christus (Jak. 1: 1. 2 Petrus 1: 1 en broeder van Jakobus 1), de broeder van de Heere (Gal. 1: 19), aan de geroepenen (Rom. 8: 28. 1 Kor. 1: 24), die door hun doop in Christus, waarbij zij de Heilige Geest ontvingen, door God de Vader (Rom. 15: 16), en tot hiertoe door Jezus Christus bewaard 2), om verder ook voor Hem, de enige Heerser (vs. 4) te blijven leven (1 Petrus 1: 4. v. Joh. 10: 28. v. ; 17: 15).
Hegesippus, de oudste van de schrijvers van kerkgeschiedenis (gestorven 180 na Christus), een tot Christus bekeerde Jood uit Palestina, bij van wie wij om zijn afkomst en zijn tijd, waarin hij leefde een nauwkeurige en zekere kennis van de omstandigheden, die op de Jeruzalemse apostelen betrekking hebben, mogen veronderstellen en wiens mededelingen door die van Clemens Romanus, in het begin van de 3de eeuw, bevestigd worden, geeft ons over Judas enige inlichting. Volgens hem was die Alfeüs, die ons in MATTHEUS. 10: 3 Mark. 3: 18 Luk. 6: 5. Hand. 1: 13 wordt voorgesteld als vader van de apostel Jakobus II en zonder twijfel een en dezelfde persoon is als Kleopas, die in Joh. 19: 25 als echtgenoot van de “andere” Maria (MATTHEUS. 27: 6) voorkomt (vgl. het Maria van Jakobus in Luk. 24: 10), een broeder van Jozef, de echtgenoot van de moeder van Jezus; de zo-even genoemde apostel Jakobus II is dus een neef van Jezus. Wij hebben reeds elders de opvatting van de meeste latere schriftverklaarders als dwaling bestreden, die van de apostel Jakobus II nog een Jakobus III als opziener van de gemeente te Jeruzalem onderscheidt en op deze de titel van “rechtvaardige” en het “broeder van de Heere” overdraagt. In Gal. 1: 19 bedient Paulus zich blijkbaar slechts van de laatste naam, om Jakobus II van Jakobus I, de broeder van Johannes (Hand. 12: 2), te onderscheiden, omdat deze toen nog in leven was. Had hij echter daarmee een Jakobus III, die geen apostel was, maar alleen om zijn nauwe verwantschap met Jezus als diens lichamelijke broeder van moeders zijde apostolisch aanzien had, te kennen willen geven, zoals die schrijvers menen, dan had bij zich niet alleen zeer vreemd uitgedrukt, als hij schrijft: “ik zag geen andere van de apostelen dan Jakobus, de broeder van de Heere, maar ook Lukas zou in Hand. 9: 27 zich op een wijze hebben uitgedrukt, die op een dwaalspoor leidt, als hij in het meervoudig getal van apostelen spreekt er moesten de toch minstens twee zijn, met wie Paulus toen samengekomen is. Dienvolgens is Judas, die hier als schrijver van de brief optreedt, die zich broeder van Jakobus noemt, degene, die in Luk. 6: 16 Hand. 1: 13 genoemd wordt “Judas van Jakobus’ en in MATTHEUS. 10: 3 en Mark. 3: 18 “Lebbeüs” of Thaddeüs” (Joh. 14: 22 en “Uit 10: 4. Uit die mededeling, dat Jakobus zijn broeder is, hebben wij zeker recht om te besluiten, aan de ene zijde, dat hij aan dezelfde Joods-Christelijke gemeenten zich met zijn brief richt, waaraan de brief van Jakobus gericht is, en aan de andere zijde, dat zijn broeder niet meer in leven was, toen hij schreef, maar hij nu enigszins als diens opvolger moest worden beschouwd ten opzichte van “de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn. ” Wat de uitoefening aangaat van het apostolisch opzienersambt, dat leidt ons in de tijd na het Paasfeest van het jaar 62 na Christus, in welk jaar Jakobus de marteldood leed en verder in die tijd na het verhuizen van Johannes naar Efeze. In de gemeenten, sinds door deze apostelen geleid, ontstond volgens de getuigenis van Hegesippus meer en meer een toestand van verwarring en van geloofsverzwakking. Hoever het na Jakobus heengaan in de tijd van omstreeks 5/4 jaar met de gemeente te Jeruzalem kwam, heeft ons de brief aan de Hebreeën getoond. In de Syrische en andere Joods-Christelijke gemeenten van Azië daarentegen nam het reeds voor 15. 16 jaren door Jakobus bestreden antinomisme op ontzettende wijze toe en die richting, die van de Christelijke vrijheid de vrijheid en stoutheid van het vlees maakte, ging nu tot het uiterste voort. Dat het juist Joden waren, onder wie zo’n richting eerst haar toppunt bereikte, hoeft ons niet te bevreemden. Werd een Jood, als hij van zijn wet afstand deed (vgl. Hand. 21: 21) “niet, zoals Paulus” (1 Kor. 9: 21), een, die in de wet van Christus stond, dan kon hij een man “zonder wet voor God” worden tot in de uiterste consequentie en zo hadden inderdaad de dwaalleraars daar in praktisch zowel als theoretisch opzicht van de Christelijke vrijheid de uiterste consequenties ten gunste van de emancipatie van het vlees getrokken, als degenen, die van de aanvang af niet vast geworteld waren in Christus, zich geheel aan het heidens libertinisme hadden overgegeven en Gods genade in enkel zedeloosheid omgezet. Waarschijnlijk heeft Judas zijn brief uit Babylon geschreven (vgl. 1 Petrus 5: 13).
“Geroepenen” noemt Judas de Christenen, aan wie hij schrijft, maar met een nadere bepaling. Hij stelt hen, aan wie de brief gericht is, voor als degenen, die gebleven zijn en nog zijn, waartoe hun roeping hen heeft gemaakt. Zo stelt hij ze tegenover anderen, tot wie de roeping van God ook is gekomen, maar die de gemeenschap met God hebben verloren en van Christus afvallig zijn geworden.
Barmhartigheid en vrede (1 Tim. 1: 2. 2 Tim. 1: 2 Tit. 1: 4. 2 Joh. 3) en liefde (vgl. vs. 21) zij u vermenigvuldigd (1 Petrus 1: 2. 2 Petrus 1: 2)
De schrijver wil de werkingen van de zaligheid noemen, wier steeds rijker ervaring de lezers voor afval en oordeel bewaart, waarvan hij vervolgens moet spreken. Dan zal ook bij liefde gedacht worden aan de verhouding tot God, evenals “vrede” als genadegave moet worden opgevat. Met zijn hele hart wenst Judas zijn lezers door de ervaringen van het geloof gebonden aan God, opdat zij volgens hun bestemming ook werkelijk bewaard blijven voor alle gevaar van afval.
B. Het hoofddeel van de brief, dat nu volgt, bestaat, evenals van de eersten brief van Petrus, uit een geschiedkundige inleiding en vervolgens uit de eigenlijke brief zelf.
I. Vs. 3 Kruisverwijzingen1 Timotheüs 6:12→Judas 1:20→Titus 1:4→Filippenzen 1:27→Openbaring 12:11→1 Timotheüs 1:18→Kolossenzen 1:2→1 Thessalonicenzen 2:2→
— Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.
en 4. De geschiedkundige inleiding. De apostel deelt zijn lezers mee, hoe hij met alle ernst er aan gedacht heeft om hen te schrijven, maar hij had gewenst, wat zijn brief een andere inhoud had mogen hebben dan die nu volgt, niet van polemische, maar van stichtelijke aard. Voordat hij echter zijn voornemen kon ten uitvoer brengen kwamen er berichten over de staat van de zaken tot hem, die hem noodzaken deze brief aan hen te richten, die tot inhoud heeft de strijd van de dwaalleraars tegen de zaligheid in Christus en die tot een oproeping ten strijde wordt voor het bedreigde geloof.
Geliefden! zo ik alle naarstigheid doe, reeds het voornemen had opgevat om u te schrijven de zaligheid van de gemeente, die Christus voor de wereld heeft verworven en ons, die in Zijn naam geloven, heeft toegedeeld, heb ik berichten ontvangen, waardoor ik over de bij u aanwezige toestanden ben ingelicht. In plaats dan van u over die zaligheid te schrijven, zo heb ik noodzaak gehad, aan u te schrijven, ten einde u op die gevaren te wijzen en u te vermanen, dat u strijdt, als strijders optreedt, voor het geloof, dat als de van God aangewezen weg van de zaligheid (Gal. 1: 23; 3: 23), de heiligen overgeleverd is en door hen als een dierbaar pand moet worden bewaard, dat zij niet mogen laten misvormen of besmetten (2 Tim. 1: 14. 2 Petrus 2: 21).
Judas had reeds het voornemen om te schrijven aan hen, tot wie hij nu zijn brief richt, toen de uitwendige aanleiding tot hem kwam. De gemene zaligheid van de Christenen zou het onderwerp zijn van zijn schrijven volgens zijn plan. Hij zou dus over hetgeen de verlosten in Christus gezamenlijk bezitten hebben gehandeld, hun blijdschap daarover hebben opgewekt en hen hebben vermaand die te bewaren. Hij laat dit niet onvermeld, opdat de lezers niet een indruk zouden krijgen, alsof er eerst zo’n pijnlijke aanleiding nodig geweest was, als nu gekomen is, om hem een brief af te persen en wel een brief, die nu meer geschikt is om te bedroeven dan om te verkwikken. De man, die het vermoeden uitte, dat men het bevreemdend kon vinden geen geschrift van zijn hand te krijgen, moest een bijzondere plaats onder de Christenen innemen en wel in een tijd, dat zij vooral tot hem bepaald waren en de gemeente niet meer door een aanzienlijk getal aan hem gelijk werd bediend. Op zo’n latere tijd wijst dan ook de aanleiding, die hem noopte, anders te schrijven dan zoals hij zich voorgenomen had.
Want er zijn sommige mensen ingeslopen in de Christelijke gemeente, waarvan zij zich liever verwijderd hadden moeten houden, als zij hadden willen blijven, zoals zij waren (Gal. 2: 4), mensen, die eertijds tot ditzelfde oordeel 1) van te voren opgeschreven zijn, welk oordeel ik later nader noemen zal (vs. 5 vv. 2 Petrus 2: 3). Het zijn goddelozen (2 Petrus 2: 6), die de genade van onze God, waardoor ons de zonden zijn vergeven, waarin Hij ons tot Zijn kinderen heeft aangenomen en in zo’n staat van vrijheid heeft gesteld (Rom. 5: 15 Gal. 5: 13), veranderen in ontuchtigheid. Zij misbruiken de vrijheid tot een oorzaak voor het vlees, om te eten en te drinken en wellustig te leven en de enige heerser, God en onze HeereJezus Christus, wiens woord en voorbeeld voor ons allen beslissend is, verloochenen 2) zij door die handelwijze (Tit. 1: 16), terwijl zij toch als Zijn eigendom uitsluitend tot het dienen van Hem verplicht zijn (2 Tim. 2: 21. 2 Petrus 2: 1).
Als Judas de dwaalleraars, die hij met de verachtelijk klinkende uitdrukking “sommige mensen” (vgl. 2 Kor. 3: 1; 10; 2 Gal. 1: 7) noemt, als degenen karakteriseert, die “ingeslopen” zijn, dan zien wij, dat zij van buiten afkwamen en als geloofsgenoten opname in de gemeenten begeerden en vonden en wel zo, dat zij hun eigenlijke grondstellingen nog achterhielden, totdat zij zich vast genesteld hadden, maar later kwam hun eigenlijke aard aan den dag. Het zijn goddelozen, die wel de genade van God in de mond hebben, die de mensen rechtvaardig en van het juk van de wet vrij maakt, maar alleen om die te veranderen in een ontuchtigheid, die aan het vlees en zijn begeerlijkheden de vrije teugel laat. Daardoor verloochenen zij echter met de daad Hem, die de enige Gebieder en Heer van de Christenen moet zijn, Jezus Christus (volgens de lezing van de grondtekst, die naar alle waarschijnlijkheid de ware is, moet worden vertaald: verloochenen zij Hem, die de eeuwige Heerser en onze Heere is, Jezus Christus) en storten zo de grond van het geloof om.
Met de woorden “die eertijds tot ditzelfde oordeel van te voren opgeschreven zijn”, bedoelt de apostel dat oordeel, dat hij hun nu wil aankondigen en hij ziet het als een door de Geest verlichte, evenals een profeet, zoals in de Schrift reeds van te voren beschreven is, zou ook in deze tijd aan hen volvoerd worden en in de toekomst zich nog verder bij hen ontwikkelend.
Joodse theologische scholen in Syrië en Alexandrië hadden reeds sinds geruime tijd Oosterse theosofie, vooral van Zoroaster (te Alexandrië in vereniging met Platonische filosofie), door middel van allegorische verklaring van het Oude Testament en het onderschuiven van onechte schriften van de patriarchen en profeten met het Jodendom proberen samen te smelten. Uitgaande van de Oosterse idee, dat de kennis van God, het volkomen eeuwige wezen, slechts als een mysterie onder de meer ontwikkelden kon worden voortgeplant, het volk zich daartoe niet kon verheffen, maar alleen de krachten en geesten, van het hoogste wezen uitgevloeid en dat openbarende (bij de heidenen afgoden, bij de Joden engelen) kon vereren, beschouwden deze Joodse theosofen nog wel altijd het hele volk van de Joden als volk van God, maar zichzelf als het denkende, geestelijke Israël in tegenstelling tot de grote hoop van het zinnelijks, vleselijke Israël. Alleen onder hen, de theosofen, zo meenden zij, had zich de kennis van de verborgen God voortgeplant, het volk in zijn geheel werd daarentegen geleid door de engel, die als werktuig van God de zichtbare wereld had voortgebracht, de Demiurgos, zoals zij hem noemden, die onbewust regeert door de ideeën, die door de hoogste God zijn aangegeven, Hem representeert en door de massa van de Joden voor dezen wordt aangezien. Bij hun overgang tot het Christendom nu modificeerden deze Joodse theosofen deze hun voorstellingen aldus: pas door het Christendom was de door de Demiurg gerepresenteerde, aan de wereld is het algemeen onbekende en alleen door weinige geestelijke mensen vermoede eeuwige, volkomen God geopenbaard. Pas door het Christendom waren de ideeën, die de demiurg onbewust leidden, in het licht gesteld, was de ware geestelijke inhoud van het niet begrepen Jodendom duidelijk geworden. Op deze wijze en terwijl ook vele vroegere niet Joden als Christenen deze meningen deelden, ontstond een klasse van Gnostieken (een naam afgeleid van “gnosis” d. i. dieper inzicht in het wezen en het inwendig verband van de godsdienstleer vgl. 1 Kor. 12: 8; 13: 2 die zich meer of minder aan de waarheid van het Oude Testament aansloten. Wat de zedenleer van de gnostieken aangaat, ontbrak aan een aanzienlijk doel van hen zeker niet een zekere zedelijke ernst; uit hun leer van de stof als principe van het kwaad vloeide zeer natuurlijk een strenge ascetiek voort. Toch vinden wij ook gevallen genoeg, waarin uit hetzelfde dualistische principe een hele tegengestelde richting voortvloeide, zo’n verachten van de stoffelijke wereld, dat de grondstelling in het leven riep, dat de wijzen al het aardse volstrekt onverschillig moest zijn. Hij is boven de wetten van de zedelijkheid, zowel als boven alle wetten verheven, voor Hem is zijn en niet zijn, goed en kwaad, ascetiek en wellust doorgaans identiek en hij moet door aanhoudende contemplatie te midden van alle buitensporigheden zijn volmaaktheid bewijzen. Geen wonder, dat zelfs de heiden Porphyrius (uit Tyrus, gestorven te Rome in het jaar 304 na Christus) de afschuwelijke uitspattingen van zulke Christenen gesteld. De bloedstrijd van het gnosticisme was de 2e eeuw; reeds in het midden ontbrak alle scheppende kracht en, machteloos in de 4de, was het in de zesde op weinige sporen na verdwenen.
Als voorloper van deze latere gnostieken vinden wij in de apostolische tijd de in Openbaring 2: 6, 14, 20, 24 vermelde Nikolaïeten, die tot hoereren en tot genieten van afgodenoffer dringend, zich beroemden de diepte van de satan te hebben gekend. Deze (waarschijnlijk uit de Syrische kerk voortgekomen (Hand. 6: 5) en “Re 2: 6 en vandaar zich over de klein Aziatische kerk (2 Petrus 2: 1 vv.) uitbreidend, helpen ons, om de brief nader te verstaan. Zij veranderden de genade van God in ontuchtigheid, doordat zij midden in de diepten van de Satan, is welke zij zich met de heidenen stortten, zich rein verklaarden in de kracht van de genade; zij riepen de Satanische machten al lasterend op, om hun macht aan hen te betonen, zich in de diepte van de onreinheid te storten, de Satan door lastering te tarten en hem evenwel onder de voeten te houden, dat was het werk van de begenadigden en dus ook de triomf van de macht van de genade. Stellen wij ons de door Judas bestreden mensen op deze wijze voor, dan kunnen wij zijn polemiek verstaan. Een ergere verloochening van onze enige Heerser en Heere Jezus Christus kon er niet zijn. Zulk fantaseren was een heengaan al dromend, zo’n handelen een wegwerpen van alle heerschappij. Tegenover zo’n lasteren van de demonen mocht wel een man, die anders van hen gruwde, hen “heerlijkheden” noemen (vs. 8). Die onzinnigen moesten bedenken, die macht en wijsheid nog altijd die demonen ten dienste stond.
II. Vs. 5-23.Kruisverwijzingen2 Petrus 2:4→Deuteronomium 29:23→2 Petrus 2:15→2 Petrus 2:6→Openbaring 12:7→2 Petrus 2:12→Mattheüs 15:13→Deuteronomium 33:2→
— Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft. En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs. Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. Maar Michael, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u! Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich. Wee hun, want zij zijn de weg van Kain ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaam zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan. Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;
De brief zelf. Wij verdelen deze in twee delen, waarvan de eerste aan het begin en aan het einde telkens drie voorbeelden uit de heilige geschiedenis herinnert. Het ene constateert de zekerheid van het oordeel, dat de verleiders, over wie de brief schrijft, treffen zal; het andere handelt over de noodzakelijkheid om zich te hoeden voor gemeenschap met hen, die bezoedelt en met de juiste verhouding tot hen, die zich wellicht reeds door hun ongerechtigheid hebben laten bezoedelen.
A. Vers 5-11Kruisverwijzingen2 Petrus 2:4→Deuteronomium 29:23→2 Petrus 2:15→2 Petrus 2:6→Openbaring 12:7→2 Petrus 2:12→Efeze 6:12→Mattheüs 8:29→
— Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft. En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs. Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. Maar Michael, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u! Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich. Wee hun, want zij zijn de weg van Kain ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaam zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
Voordat de apostel overgaat die verkeerde mensen te karakteriseren, tegen wie hij voor het ware Christelijke geloof moet strijden, herinnert hij de lezers aan drie geschiedkundige feiten, waarvan de eerste en derde bij de mensen op aarde, de middelste bij de engelen is de hemel heeft plaats gehad. Hij doet dat om te doen voelen, hoe het oordeel over de verleiders, die zich aan dezelfde zonde als die reeds geoordeelden schuldig maakten, niet kon uitblijven (vs. 5-7). Terwijl hij er nu toe overgaat de zware zonde van deze aan te wijzen, breidt hij de gezichtskring uit over de misdaad van gruwelijke ontucht en spreekt hij ook over de verachting van de heerschappij van de Heere en de lastering van de duivelse heerlijkheden, waarvoor zelfs de hemelse hun ontzag betonen. Maar de verleiders zijn onverstandige mensen, in het aards-zinnelijke verdiept en nu roept de apostel een wee over hen uit, die evenals deze geschiedkundige personen van het Oude Testament, die als veroordeelde oproerlingen tegen God voorkomen, dezelfde straf voor hun opstand zich bereiden (vs. 8-11).
Maar ik moet in nog nader spreken over de in vs. 5 genoemde straf, die reeds lang over dergelijke mensen is bepaald. Ik wil u daartoe indachtig maken als die uit de schriften van het Oude Testament dit, waarop het hier aankomt, eenmaal weet, zodat ik het u niet uitvoerig behoef voor te stellen, dat de Heere het volk uit Egypteland verlost hebbend (Ex. 13: 17-14: 31, a) weer, toen Hij het in het beloofde land zou voeren en zo die hulp of redding zou voltooien, degenen, die niet geloofden, verdorven heeft (Num. 14: 26 vv. Hebr. 3: 16 v. 1 Kor. 10: 1 vv.)
Num. 26: 64-65 Ps. 106: 26
Dat de ondervonden genade, als zij wordt misbruikt, niet voor het oordeel beschermt, maar het verzwaart, is het gezichtspunt van de eerste aanhaling, zoals die in vs. 5 wordt gelezen. Deze heeft dus betrekking op die goddelozen, in zoverre van hen vroeger gezegd was: “zij veranderen de genade van onze van God in ontuchtigheid” Judas legt er nadruk op, dat hij met het aangehaalde voorbeeld van straf zijn lezers niet iets nieuws meedeelt, maar hen alleen herinnert aan iets bekends.
U heeft het zeker eens voor altijd gehoord, erkend en uzelf ingeprent, zegt hij, zodat daarbij voor u geen nieuwe onderrichting nodig is; maar het herinneren, het ernstig overwegen, de toepassing van het gebeurde op hetgeen de loop van de wereld meebrengt, is voor u dringende behoefte.
Wat een ernstige waarschuwing lag er in opgesloten! Van hier, dat er vaker in de Schrift op wordt gewezen. Hoe treffend was het inzonderheid voor Christenen uit de Joden! Wellicht maakt Judas er daarom in de eerste plaats melding van. Het Israëlitische volk was door God uit Egypteland verlost. Hij had Zich als hun redder aan hen geopenbaard en Zijn barmhartigheid aan hen verheerlijkt; maar zij vervielen tot ongeloof. Zij twijfelden, na de verspieding van Kanaän, aan Gods macht en trouw, stonden tegen Mozes en Aäron op en wilden naar Egypte terugkeren. En nu openbaarde Zich God andermaal aan hen, niet als hun Redder, maar als hun Rechter en deed hen allen, die boven de twintig jaren oud uit het land van de slavernij waren verlost, op Jozua en Kaleb na, in de woestijn omkomen. Zó geducht was hun oordeel over hen geweest, niettegenstaande hij hen tot Zijn volk had aangenomen en bij uitnemendheid beweldadigd. Het was aan de Christenen bekend; want zij wisten, om zo te spreken, alles wat tot de geschiedenis van het Israëlitische volk behoort; daarom maakt de schrijver het hun slechts indachtig; maar hiertoe voelt hij zich ook gedrongen, opdat zij aan dit aandoenlijk voorbeeld van de vaderen zich zouden spiegelen, door die goddeloze dwaalleraars zich niet tot ongeloof en zonde zouden laten verleiden, de gunst van God en de geestelijke zegeningen, hun geschonken, niet zouden verliezen en de geduchte straf van de Heere zich niet op de hals zouden halen.
En de engelen, die bij hun schepping veel hoger dan de mensen geplaatst en veel heerlijker wezens waren (1 Petrus 1: 12), maar die hun beginsel (liever heerschappij, gebied), de hun verleende vorstelijke waardigheid, waarom zij zelf heerlijkheden of heerschappijen heten (Rom. 8: 38. 1 Kor. 15: 24 Efeze. 1: 21; 3: 10; 6: 12 niet bewaard hebben, als zijnde daarmee nog niet tevreden, maar hun eigen woonstede, de hemel van de engelen, waarin zij Gods aangezicht aanschouwden (MATTHEUS. 6: 10; 18: 10), verlaten hebben, om voor zich elders een eigen rijk te zoeken, omdat zij zelf als God wilden zijn, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag (Hand. 2: 20) met eeuwige banden onder de duisternis, in de diepte van de duistere onderwereld, in de afgrond (Wijsh. 17: 2 en 12 Openbaring 9: 1 vv; 20: 1 vv. vgl, 2 Petrus 2: 4) bewaard.
Een groot deel van de uitleggers wil dit woord niet laten slaan op de val van de engelen in het begin, waarop Jezus in Joh. 8: 44 wijst, maar op een gebeurtenis binnen de geschiedenis en vindt deze in Gen. 6: 2 en 4 meegedeeld. Bij de Joden werd namelijk in latere tijd de naam “kinderen van God” van engelen verstaan, die het tot die tijd door hen met de andere, in het begin goed gebleven engelen nog bewoonde huis van het licht in de hemel hadden verlaten en in geslachtsgemeenschap met de vrouwen van de mensen waren getreden. Uit die boven- en onnatuurlijke vermenging waren die geweldigen in de wereld, en die mannen van naam voortgekomen, die de Grieks-Romeinse mythologie als heroën of halve afgoden voorstelt. Reeds in een deel van de handschriften van de Septuaginta wordt op de genoemde plaats in plaats van “Zonen van God” gelezen “engelen van God. ” Zeer beslist is die mening voorgesteld en mythisch ontwikkeld in twee apocriefe boeken, in het boek Henoch en de zogenaamde kleine Genesis. De nawerking ervan vertoont zich in Tob. 3: 8; 8: 1 vv. in het bijplaatsen van de boze geest Asmodi achter Sara, de dochter van Raguël, die zou hebben verhinderd, dat een man bij haar lag, om haar voor zichzelf te winnen. In het boek Henoch wordt gezegd: “geef bericht aan de wachters van de hemel, die de hoge hemel en de heilige eeuwige plaatsen verlaten en zich met vrouwen besmet hebben. ” Daarom moeten, zo menen de uitleggers, de uitdrukking van de apostel “de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, meer hun eigen woonstede verlaten hebben” te meer worden opgevat in de zin van zo’n voorval als Judas in vs. 14 v. uitdrukkelijk van Henoch spreekt en in vs. 7 de woorden: “die op gelijke, wijze als deze gehoereerd hebben en ander vlees zijn nagegaan” zonder twijfel op deze wijzen. Nu komen zeker in het boek Henoch gelijkluidende uitspraken voor als hier in onze brief, maar daarmee is toch geenszins bewezen, dat het boek Henoch voor Judas heeft gelegen, en hij daaruit zijn uitspraken hier en in vs. 14 v. genomen heeft. Het is waarschijnlijk eerst omstreeks het jaar 110 na Christus door een Jood geschreven, die de Joodse traditie tot bron had, dezelfde, waaruit ook onze apostel putte, terwijl echter de apostel van de Heere rein en onrein wel uit elkaar wist te houden en de schrijver van het besproken boek naar zijn persoonlijke smaak er uit nam en uit eigen fantasie aanvulde, wat hem nog scheen te ontbreken. Daarbij maakte hij wellicht van onze brief van Judas ook gebruik en gaf aan diens woorden de betekenis, die de tegenwoordige uitleggers, die zijn maaksel voor een autoriteit houden, menen voor de alleen juiste te moeten houden. Wij volgen daarentegen met de juiste uitleggers de volgende gezichtspunten: 1) Die engelen, die bij de eerste zondeval, die er onder de hemelse machten plaats vond (“Ge 1: 1” en “Ge 1: 2) tegen de Satan stand hielden en zich niet in zijn val lieten meeslepen, zijn nu in het goede zo bevestigd, dat zij niet meer kunnen vallen en zondigen. Zij zijn nu de heilige engelen (MATTHEUS. 25: 31), zien in de hemel altijd het aangezicht van Degene, die wij om Christus wil als onze Vader in de hemel aanroepen met de bede, dat ook bij ons op aarde Zijn wil zo geschiedde, als bij deze in hun hemel daarboven; een voorval binnen de tijd van de geschiedenis, zoals daarvoor in Gen. 6: 1 vv. is aangenomen is volstrekt ondenkbaar, integendeel zijn de Joden eerst in de tijd, toen zij in het Griekse heidendom smaak vonden en zich daarmee wilden verenigen, op de inval gekomen, de mythen van geslachtsgemeenschap van de afgoden met de mensen en het daaruit voortkomen van voor Godenzonen of heroën, ook in hun bijbel weer te vinden, waarvoor hun die geschiedenis van de vermenging van de kinderen van God met de dochters van de mensen een welkome gelegenheid scheen aan te bieden. 2) In MATTHEUS. 24: 38 zegt de Heere van de mensen in de dagen vóór de zondvloed: “zij trouwden en gaven ten huwelijk” maar van de engelen zegt hij in MATTHEUS. 22: 30 dat in de opstanding de mensen in zoverre hun gelijk zullen zijn, dat ook zij niet meer trouwen noch ten huwelijk uitgeven. Het is dus volstrekt onmogelijk, dat ooit iets van die aard zou zijn geschied, zoals de vrienden van de engelen-hypothese aannemen. De engelen zijn zonder geslacht en onlichamelijk (“Uit 18: 14. Al heeft nu ook de duivel met de boze geesten een bijzonder welgevallen in de zonden van de menselijke geslachtslust, omdat deze de mensen geestelijk en lichamelijk het meest verwoest, het vuur van de schandelijke begeerte het liefst in het menselijk hart aanblaast en zijn goochelbeelden, die hij aan de menselijke fantasie voorspiegelt, het menigvuldigst op het onderscheid van geslacht en het daarop gegronde verlangen naar voldoening verbindt; omdat dit voor hem het geschiktste en voor de mensen, het meest sympathetische kanaal is, waardoor hij zijn vergif uit het bovenzinnelijke in de zinnelijke wereld kan overbrengen, heeft hij toch bij gemis van geslacht geen eigen ervaring van de geslachtlust. Zelfs als hij die had, in zoverre als hij al wat kwaad is als oorspronkelijk van hem voortkomend, in zijn prikkeling meevoelt en ontucht in zekere zin zijn eigen wezen uitmaakt, heeft hij toch ten gevolge van het onlichamelijk geen orgaan, waardoor hij ontucht, schaamteloosheid enz. zou kunnen bedrijven, op enige wijze aan zichzelf of aan anderen zou kunnen uitoefenen. Hij moet zich vergenoegen met hetgeen hij door zijn verleiden de mensen doet voelen. Men heeft om de hier beweerde onmogelijkheid te bestrijden, en een mogelijkheid van het door ons ontkende als mogelijk voor te stellen, deels daarop gewezen, dat bijvoorbeeld in Gen. 18 en 19 engelen in een lichaam verschijnen, dat spijs en drank opneemt en waarvan de Sodomieten, aan pederastie verslaafd, hun lust willen koelen; zelfs heeft men herinnerd aan de werking van de Heilige Geest in het maagdelijk lichaam van Maria (Luk. 1: 35). Het laatste nadert de grenzen, waar de misdaad tegen het heilige begint en staat op dezelfde trap als de bijna godslasterlijke gedachte van enige Joodse Rabbijnen, die bij Gen. 4: 1 wilden beweren, dat bij het verwekken van Kaïn, niet Adam maar de duivel bij Eva had gelegen, om het tegendeel teweeg te brengen van hetgeen God in Gen. 3: 15 had beloofd. Bij het eerste heeft men zeker niet bedacht, dat als de dienende geesten uitgezonden ten dienste van degenen, die de zaligheid zullen beërven, iets kunnen doen in de scheppende macht van Hem, die ze uitzendt, iets, dat boven hun macht als schepsel ligt, dat vermogen daarom niet als vanzelf bezeten wordt door gevallen geesten, zodat zij zonder Gods uitdrukkelijke toelating, als het ware achter Zijn rug en geheel naar eigen wil, zich eveneens een menselijk lichaam zonden kunnen organiseren, om daarin op de wijze van de mensen te wonen, en hun hels werk te verrichten. Op dit standpunt van beschouwing, waarop het woord van God ons plaatst Ge 6: 2 moeten wij onveranderlijk vast blijven staan en wij mogen ons noch door de Joodse dromerijen in het boek van Henoch op een dwaalspoor laten brengen, noch door te zien op de woorden in vs. 7, “die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben en ander vlees zijn nagegaan”, alsof het “deze” op de engelen doelde, waarvan op onze plaats wordt gesproken. Later zullen wij zien, dat een andere bedoeling veel meer voor de hand ligt.
Zoals Sodoma en Gomorra (vgl. 2 Petr. 2: 6) en de steden rondom deze, Adama en Zeboïm (Gen. 14: 1 vv. ; 19: 17 vv.), die op gelijke wijze als deze, als de eerstgenoemde steden, waarvan het uitdrukkelijk wordt bericht (Gen. 19: 4 vv.), gehoereerd hebben, de hoererij tot de afschuwelijkste hoogte hebben bedreven en ander vlees dan door de natuur tot gemeenschap bestemd is, zijn nagegaan (Rom. 1: 26 v. Lev. 18: 22 vv.) tot een voorbeeld voorgesteld zijn in hetgeen van deze is geworden (Gen. 19: 25 Hebr. 12: 29), dragend in hun vorige bewoners de straf van het eeuwige vuur (2 Thess. 1: 9 Luk. 16: 23 vv).
Jes. 13: 19 Jer. 50: 40 Ezech. 16: 49 Amos 4: 11 Luk. 17: 29
In onze vertaling geeft het terugslaan van “deze” op de beide te voren genoemde steden “Sodom en Gomorra” zeker geen moeilijkheid, maar anders is het in de grondtekst, waar “deze” in het mannelijk geslacht staat, terwijl het woord “steden” in het oorspronkelijke van het vrouwelijke geslacht is. De apostel heeft echter, als hij van “steden” spreekt, de mannelijke bevolking op het oog, zodat hij geen onderscheid maakt tussen de steden, die tot een zichtbaar voorbeeld zijn gesteld, en de inwoners, die de straf van het eeuwige vuur lijden. Op dergelijke constructies zou in de Griekse taal bij menigte te wijzen zijn. Het woord “die” voor “op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben”, mocht van de steden worden verklaard, terwijl niet anders dan aan de inwoners kan worden gedacht. De zonde van de steden Sodom en Gomorra was overal bekend en zij werden in de regel alleen genoemd, als van de catastrofe over het Siddimdal werd gesproken (2 Petr. 2: 6 Jes. 1: 9; 13: 19. Jer. 23: 14 Mark. 6: 11), maar Judas wil niet onopgemerkt laten, dat er nog meerdere steden waren, die zich of dezelfde wijze verzondigd hadden en zegt nu ook nader, dat de zonde van de Sodomie in Deut. 27: 21 vermeld, bedoeld is. Ook de pederastie Ge 19: 5 behoort tot die klasse, omdat man en vrouw, wanneer zij geslachtgemeenschap hebben, één vlees worden, maar als de man op de man verhit, het inderdaad een ander en een vreemd vlees is, waarmee hij zich verenigt.
Zo ook evenwel, zonder aan enig voorbeeld zich te storen, ook deze in slaap gebracht zijnde, lijken op die zo-even (vs. 5-7) genoemde volkomen, want zij verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, waarvan in vs. 4 werd gesproken, de heerschappij van God en de Heere Christus en lasteren de heerlijkheden waarvan in Ef. 6: 2 als van onze gevaarlijkste vijanden wordt gesproken. Zij wekken ze op door spot en hoon en dagen ze uit met stoute woorden, om hun macht, als zij die over hen mochten hebben, toch eens aan hen te bewijzen. (2 Petr. 2: 10).
De apostel noemt de dwaalleraars “dromers”, omdat zij ten speelbal zijn van beelden, die in henzelf opstijgen over hetgeen niet is, in plaats met heldere geest en verstandig denken datgene te kennen wat is. En wat hun nu in de droom voorkomt, laat hen het tegengestelde doen van datgene, waartoe de kennis van de waarheid dringt, dat misdaad is. De dromen van hun eigen verbeeldingskracht, waarmee zij zich plaatsen tegenover het woord van God, sluiten bij hen oor en hart tegenover de krachtige waarschuwingen, die in die drie oordelen vs. 5 vv. gelegen zijn, zodat zij, in plaats van zich daardoor te laten afschrikken, integendeel juist zulke mensen zijn als de geoordeelden van alle drie klassen. Ten eerste: “zij verontreinigen het vlees. Daardoor plaatsen zij zich geheel op dezelfde lijn met de mannen van Sodom en Gomorra en wel is het, evenals bij de anderen, zowel het eigen vlees als ander vlees, dat zij met hun ten toppunt gedreven hoererij bezoedelen. Verder: “zij verwerpen de heerschappij”, namelijk eensdeels God, wiens genade zij niet erkennen als een, die ons tot heiligmaking van lichaam en leven verplicht, maar zij veranderen die in ontuchtigheid en ten anderen verwerpen zij Christus de enige Heerser, wiens leden de leden van ons lichaam zijn (1 Kor. 6: 15); want Hij heeft ons duur gekocht (2 Petr. 2: 1); maar stellen zij hun leden tot wapens van de ongerechtigheid (Rom. 6: 13), alsof die hun zelf tot werktuigen ter volvoering van de schandelijke lusten waren gegeven en gewijd. Daarin doen zij iets dergelijks als de engelen, die heerschappij niet behielden, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, om voor de heerschappij van het eigen ik een plaats te zoeken (vgl. bij vs. 6). Ten derde, zij “lasteren de heerlijkheden”, d. i. de vorsten en geweldigen, die in de duisternis van deze wereld heersen, terwijl zij met hun macht en heerschappij op dit gebied spotten en u deze door hun handelen willen bewijzen, dat men geheel zonder vrees en tot in de hoogste mate werken van de duisternis kan plegen, zonder zich toch door deze te laten gevangen nemen en overweldigen, dat men in hun paleis kan inbreken en de begeerte van de zonde als een roof daaruit kan weghalen, zonder toch door deze aangegrepen en in hun hels rijk gesleept te worden (vgl. bij vs. 4). Daardoor worden zij aan het ongelovige volk in de woestijn gelijk, dat, nadat het gered was uit de slavernij van Egypte, en nu naar het beloofde land zou worden overgevoert, toch meende Egyptes boze aard te kunnen meenemen zonder het beloofde land te verliezen. Want ook dit kwam ten slotte met zijn ongeloof ertoe, wat het is werken van ontucht zich aan de dienst van Baäl Peor overgaf, alsof de machten van de duisternis, die in zo’n dienst heersten (1 Kor. 10: 20) geen vat aan hen hadden en vooral dreef die vorst uit de stam van Simeon de misdadigheid tot het uiterste. (Num. 25: 1 vv. 1 Kor. 10: 8).
Maar Michaël, de archangel, de aartsengel de patroon van Israël (Dan. 10: 13, 21 Da Openb. 12: 7 vv.), toen hij, zoals u uit de overlevering bekend is, met de duivel twistte en handelde van het lichaam van Mozes, wie van hen de wegneming mocht volbrengen, ofhij, die het geweld van de dood had (Hebr. 2: 14), zodat het lijk ook tot vertering zou komen of de aartsengel en dienaar van God, om het tot heerlijk wederopwekken te begraven De 34: 6, handelde anders. Deze durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen. Hij waagde het niet om zelfs met harde woorden het oordeel van de verdoemenis, waaronder hij stond (vs. 6 uit te spreken, maar zei eenvoudig, zonder te trachten hem door scheld- of lasterlijke woorden tot zwijgen te willen brengen (2 Petr. 2: 11): “De Heere bestraft u”. Hij wijst uw aanklacht af en maakt ze teniet, door het tegendeel te doen van hetgeen u daarmee bedoelt (Zach. 3: 2).
Wij hebben hier een verhaal, dat verondersteld wordt bekend te zijn bij de lezers, aan wie onze brief is gericht en dat wel op slechts overgeleverde, maar toch, zoals wij er mogen bijvoegen, zeer juiste verklaring van Deut. 34: 6 berust. De geschiedkundige Middelaar bij de stichting van het volk van God, die in zijn leven Gods heerlijkheid in zichtbare nabijheid zo onmiddellijk had aanschouwd, dat de glans nog lang op zijn aangezicht bleef (2 Kor. 3: 7) en die een voorbeeld moest zijn van de ware dood-overwinnende Middelaar, Zijn knecht Mozes liet God in de toestand van de dood komen, maar zó, dat hij zijn lichaam niet overliet in de macht van hem, die het geweld van de dood had, om de vernietiging eraan te volbrengen, maar door Zijn onmiddellijke en machtige werking verleende Hij hem een bestaan, ten gevolge waarvan Mozes met de eveneens in het lichaam tot God gevoerden Elia in een heerlijk lichaam de verheerlijkte Jezus kon bezoeken (Matth. 17: 3). Heeft nu alle werking van God aan de natuurlijke zijde van de mens plaats, door bemiddeling van de geesten van God, dan is het geheel juist, als de overgeleverde verklaring van dat feit deze werking aan de grondlegger en middelaar van het uitverkoren Israëlitische volk voorstelt als door middel van die engel geschied, die Israëls uitwendige verzorging en bestemming van Gods wege bijzonder tot taak had, namelijk door de aartsengel Michaël. Werd echter daarmee door bijzondere werking van Gods genade aan de Satan een menselijk lichaam ontrukt, dat overigens, als alle zijn gelijken, ten gevolge van de zonde aan de macht van de dood ten prooi was, dan is het weer juist, nu ook met de aard van de satan, zoals de Schrift die voorstelt, geheel overeenstemmend, wanneer die uitgebreide mededeling het zo voorstelt, dat satan twist en eist dat het lichaam hem wordt overgegeven, omdat hij er aanspraak op heeft, op grond van de algemene zondigheid en de persoonlijke van Mozes, terwijl de engel, aan van wie de bewaring van het lijk is toevertrouwd, in een rechterlijke zaak hem en zijn aanspraken terugwijst.
De uitbreiding van de bijbelse mededeling over Mozes’ einde, die tot de Joodse overlevering behoort, bestaat in een overbrengen van hetgeen voorviel tussen de engel van de Heere en satan en wat ons in Zach. 3: 1 vv. beschreven is. Aan Jozua werd ondanks de bestrijding het priesterdom door God verzekerd; dit wordt overgebracht op het lijk van Mozes, dat het algemene lot zal ontgaan. Dat hij, die toch met de onreinheid van de dood bevangen was, door Gods heilige hand, dat hij, die toch een zondig mens geweest is, op wonderbare wijze zou worden begraven, kon evenzeer bestreden worden, als dat Jozua, ondanks de onreinheid, waarin hij voor God verscheen, drager van het heilig priesterschap zou zijn. Tegen het een zowel als tegen het ander strijdt satan en het een zowel als het ander houdt de engel van de Heere tegenover hem staande.
Maar deze zijn zo stout (2 Petr. 2: 10) en hetgeen zij niet weten, bovenaardse zaken en hemelse krachten (Joh. 3: 12 Kol. 2: 18. 2 Petr. 2: 12, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk met hun vijf zintuigen, als de onredelijke dieren weten, die ook wel in het zichtbare een inzicht hebben en over hetgeen van het vlees is door hun instinct begrip hebben, daarin verderven zij zich.
Judas plaatst het gedag van de dwaalleraars tegenover dat van de aartsengel, evenals vroeger dat van de aartsengel tegenover het hunne. Hij gaat echter daarbij in zijn karakteristiek van de verleiders toch voort, door nu in het algemeen de plaats te tekenen, die deze mensen met hun jagen tot de wereld van het onzichtbare en tot de wereld van het zichtbare, tot die van het bovenzinnelijke en die van het zinnelijke innemen. In de eerste zijn zij vreemd, omdat hun hier het orgaan van toeëigening ontbreekt (vgl. vs. 19), in de andere zijn zij echter thuis evenals de verstandeloze dieren. Het terugwijzen op het “de heerlijkheden lasteren” in vs. 8 maakt duidelijk, dat Judas bij de woorden “hetgeen zij niet weten” denkt aan de geheimen van de onzichtbare wereld, die voor hen gesloten zijn en bij de woorden “hetgeen zij natuurlijk weten” aan de sfeer van het zichtbare, waartoe het “verontreinigen van het vlees” in v; 8 behoort. Van deze sfeer zegt hij verder, hebben zij intussen slechts een begrip zoals de redeloze dieren ook hebben, namelijk een zinnelijk begrip en dat is een zodanig, dat in de dingen alleen vinden kan wat betrekking heeft op eigen begeerlijkheden en de bevrediging ervan.
Wee hun, die vervloekten (2 Petr. 2: 14), want zij zijn de weg van Kaïn (Gen. 4: 5 vv.) ingegaan en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij heengestort (Num. 22: 2 vv. 2 Petr. 2: 15) en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan (Num. 16: 1).
1 Joh. 3: 12
Met een “wee hun” sluit Judas dit deel en evenals hij aan het begin ervan op drie oordelen heeft gewezen, die eens tot straf voor dergelijk handelen ondervonden zijn, wijst hij nu op drie bozen, met wie die verleiders zich op gelijke lijn hebben geplaatst.
In hen worden de oude dwaalwegen van een Kaïn, Bileam en Korach vernieuwd, wier gemeenschappelijk karakter de opstand tegen God is. Terwijl zij, niet afgeschrikt door die voorbeelden van straf, zo ver gaan als vroeger is voorgesteld, lijken zij op Kaïn, die hoewel gewaarschuwd voor de zonde, die op hem loerde, toch de weg van de boosheid koos. Zij gelijk verder op Bileam, die geldzucht tegenover de vermaningen van God verdwaasde en op zijn dwaalweg voortsleepte; zij lijken op Korach, die zich openlijk tegen de wil van God, door Mozes en Aäron voorgehouden, tot zijn eigen verderf opstond. En ook tegenover de gemeente van de heiligen en hun geloof, nemen deze verleiders de plaats van een Kaïn in tegenover de rechtvaardige Abel, van een Bileam tegenover het volk van God, van een Korach tegenover de door God gekozen leidslieden van dit volk.
Bij Kaïn was het gedrag in nijd, bij Bileam in hebzucht, bij Korach in hoogmoed gegrond. Vgl. vs. 16
B. Vers 12-23KruisverwijzingenEfeze 6:18→Kolossenzen 2:7→Romeinen 8:26→1 Korinthe 14:15→2 Petrus 3:12→Mattheüs 15:13→Deuteronomium 33:2→2 Petrus 3:3→
— Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil. Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus; Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen. Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende. Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.
Judas heeft vroeger meer het zondige afdwalen van de tegenstanders in hoofdtrekken geschilderd, nu karakteriseert bij henzelf in hun persoonlijk verworpen zijn, in hun gruwelijkheid, volgens welke zij juist het tegendeel zijn van hetgeen zij van zichzelf voorgeven en aan de gemeente niets dan onheil en verderf kunnen brengen, zoals zij ook reeds aan het onafwendbaar verderf ten prooi zijn (vs. 12 en 13). Op hen is Henochs profetie van het gericht over de goddelozen van toepassing. Terwijl de apostel hun karakteristiek opnieuw begint, doet hij de lezers die spotters kennen, waarvan hun reeds door zijn voorgangers was gezegd, dat zij in de laatste tijd zouden optreden (vs. 16-18); en terwijl hij nochtans tot deze karakteristiek terugkeert, wijst hij de lezers aan, hoe zij zichzelf moeten wachten voor de verleiders, maar van de verleiden moeten redden wat nog te redden is, terwijl daarbij het gevaar van aangestoken te worden, zorgvuldig moet worden gemeden. (vs. 19-23).
Deze zijn schandvlekken voor de Christelijke gemeente, omdat zij in uw liefdemaaltijden zich op het onbehoorlijkst gedragen 2 Pe 2: 13 en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelf (Ezech. 32: 2, 8) zonder vrees, zonder enige schaamte. Zij zijn waterloze wolken (Spr. 25: 14), die door de winden omgedreven worden (2 Petr. 2: 17), zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven en ontworteld (2 Petr. 2: 20 vv. Hebr. 6: 4 vv).
Wilde baren van de zee, hun eigen schande opschuimend (Jes. 57: 20), dwalende sterren (2 Tim. 3: 13 Openb. 9: 1 vv.), die de donkerheid van de duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt (2 Petr. 2: 17).
De apostel wil door deze trekken van zijn karakterbeschrijving de gemeente leren wat zij aan die leden heeft of niet heeft. Hij begint met hun deelnemen aan de liefdemaaltijden, omdat hier het meest in het oogvallend blijkt, hoe weinig hun wezen met Christelijke gemeenschap in overeenstemming is. Vervolgens noemt hij ze “waterloze wolken, die door de winden omgedreven worden”. Dienen wolken zonder water van de aarde niet tot vruchtbaarmaken, zij beschaduwen niet eens, als zij een speelbal zijn van de winden, die ze voortjagen. Evenzo geven “bomen in het afgaan van de herfst”, dat is als zij noch vruchten noch bladeren hebben, voedsel noch schaduw en nu zijn deze mensen bovendien onvruchtbare bomen”, die nog in het geheel geen vruchten hebben gedragen en deze ook voor de toekomst niet beloven, ja die “tweemaal verstorven en ontworteld” zijn, dus hopeloos verstorven en geheel en al met de wortels losgerukt uit de aarde, die ze noch houden noch voeden kan.
Reeds in hun natuurlijke leven, ten gevolge van de erfzonde, aan de dood en de zonde ter prooi, hebben zij ook het leven, waarin zij in en met het Christendom waren teruggebracht, door welbewust afvallen tot de snode dienst van de zonde weer omgebracht. Als tweemaal verstorven zijn zij met de wortels uit de grond uitgerukt en dus voor de hele toekomst beroofd van de mogelijkheid nog eenmaal sappen te verkrijgen en vruchten te dragen. De bozen hebben zich geheel en al losgerukt van de levende, krachtige grond van het Christendom, zodat er niet eens hoop bestaat op wederverkrijging van zulk leven door bekering.
“Baren van de zee”, zegt de apostel verder, zijn zij, maar niet in het vervullen van de aardbodem met kennis van de heerlijkheid van de Heere, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken (Habakuk. 2: 14), maar “wilde baren van de zee, hun eigen schande opschuimend”, waarin zij hun eigen eer zoeken (Fil. 3: 19). “Sterren” zijn zij, maar geen leidsterren tot gerechtigheid (Dan. 12: 3), maar “dwalende sterren”, sterren van de verleiding, die aan hun baan om de zon ontvloden zijn, van die soort, als de heilige Johannes eens zag, die met een schijnsel uit de hel allen verleidde, die het licht van de hemel verachtten. Hun is bewaard “de donkerheid van de duisternis in de eeuwigheid”. Duister zijn zij, hoewel zij zich houden als sterren aan de hemel van de Kerk en duisternis van het oordeel, die bij hun duisternis en zonden past, donkerheid bij de engelen van de vorst van de duisternis en van de afgrond (vs. 6) is hun eeuwig bewaard. Als in de harten van Zions kinderen de morgenster opgaat, die aan alle duisternis een einde maakt, dan zinken deze dwaalsterren neer in de eeuwige donkerheid.
En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam (vgl. het overzicht over het op elkaar volgen van die eerste vaderen bij Gen. 5: 32 en “Ge 5. 24 geprofiteerd, hoewel die woorden zeker in de eerste plaats de mensen voor de dagen van de zondvloed betroffen. Hij deed dat, zeggende, kort voordat God hem in het jaar 669, voor het begin van de zondvloed wegnam (Hebr. 11: 5): a) Zie, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen, met Zijn engelen (Deut. 33: 2 Zach. 14: 5 MATTHEUS. 25: 31 Hebr. 12: 21).
Dan. 7: 10 Hand. 1: 11. 1 Thessalonicenzen. 1: 10. 2 Thessalonicenzen. 1: 10 Openbaring 1: 7
Om gericht te houden tegen allen en te straffen alle goddelozen onder hen, onder alle kinderen van de mensen vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddeloos gedaan hebben en a) vanwege al de harde, onterende, afstotende woorden (Gen. 42: 7. 1 Kon. 12: 13 Joh. 6: 60), die de goddeloze zondaars in hun stout en lasterlijk spreken tegen Hem gesproken hebben.
MATTHEUS. 12: 36
Judas noemt Henoch de zevende van Adam (Adam namelijk meegeteld), dat zeker niet slechts de vroege tijd moet aanwijzen, maar ook ziet op het geheiligde getal. Evenals aan Adam eerst voornamelijk de genadige geboorte van een Overwinnaar uit de vrouw beloofd was, ontvangt nu in zonderheid Henoch (die door de jaren 365 van zijn leven aan de 365 dagen van het jaar herinnert en zo op het einde van de wereld wijst), de eerste volledige openbaring van het oordeel, omdat een voorafbeeldend gericht in de zondvloed naderde. Hij als de zevende van Adam, is persoonlijk een type voor de geheiligden van het zevende duizendtal jaren, de grote Sabbath op aarde (Openbaring 20: 1 vv.) en profiteert in zijn persoon voor deze tijd, die een tijd van wandelen met God en van opname tot God zijn zal (1 Thessalonicenzen. 4: 17), begonnen en besloten door een gericht (Openbaring 19: 11 vv. ; 20: 9 vv,), besloten door het laatste gericht van de grote dag, waarna geen meer komt.
De apostel heeft Henochs profetie op dezelfde wijze als het voorgevallene tussen MICHAËL en Satan (vs. 9) aan die overlevering ontleend, die het woord van de Schrift had uitgebreid. Hij had profetie van gelijke inhoud ook kunnen nemen uit bijbelplaatsen. Haalt hij echter deze aan, die aan Henoch wordt toegeschreven, dan doet hij het daarom, omdat hij tevens wil te kennen geven, dat het oordeel, dat deze mensen wacht, het tegendeel zal zijn van dat over Noach’s tijdgenoten en zijzelf de gelijken zijn van hen.
Deze, van wie ik boven zei, dat zij de weg van Kaïn gaan en door de verleiding van het loon van Balaam zijn heen gestort en door het oproer van Korach zijn vergaan, zijnmopperaars, evenals de nijdige Kaïn, over alles wat niet naar hun zin is. Het zijn klagers over hun staat, ontevredenen over hun lot, hoe het zij, alsof zij er reden toe hadden en daarbij wandelend naar hun begeerlijkheden (2 Petrus 2: 13 v.) en hun mond spreekt op de wijze van Korach zeer opgeblazen dingen, zonder enige kracht of betekenis (2 Petrus 2: 18), verwonderend zich over de personen naar de wijze van Balaam (2 Petrus 2: 14 v.) omwille van het voordeel, op vleiende wijze eer en bewondering gevend aan hen, van wie zij enig voordeel denken te behalen (2 Petrus 2: 3).
Tegenover de in de eerste plaats genoemde karaktertrekken van de verleiders wordt telkens een daaraan tegenovergesteld handelen geplaatst. Het zijn ten eerste mensen, die er om zo te spreken werk van maken om te morren en over hun lot tegen God te klagen, alsof Hij door de werkelijk geestelijke mens in dit stoffelijk lichaam te plaatsen, hem veroordeeld had tot een leven van smartelijke gebondenheid, van voortdurende onbevredigde rampzaligheid. Zo spreken zij, terwijl zij toch met de daad hun leven geheel laten opgaan in de bevrediging van hun zinnelijke begeerlijkheden. Ten tweede stellen zij zeer grootse, hoge dingen voor, zij prediken de leer, dat men, om tot vrijheid, tot voldoende geestelijke en zedelijke volmaking door te dringen, zich van al wat stoffelijk is losmaken, het uitwendig zinnelijke verachten moet. Zo spreken zij met de mond, terwijl zij tevens met de daad dat dubbel weerspreken; zij laten zich toch zo door de begeerte naar stoffelijke winst beheersen, dat zij zich daarom in de onderdanigste vleierij aan de voeten neerleggen van hem, die hun het verkrijgen van zo’n winst belooft.
Maar geliefden, gedenk u, opdat u weet wat u van deze mensen te wachten heeft, de woorden, die voordat zij reeds aanwezig waren, zoals nu het geval is, mondeling voorspeld zijn van de apostelen van onze Heere Jezus Christus, die bij u zijn geweest, namelijk Petrus en Johannes.
Gedenk dat zij u gezegd hebben, wat Petrus ook aan andere gemeenten in 2 Petrus 3: 3 schriftelijk heeft gedaan ten opzichte van dit door uw apostelen geprofiteerde (1 Tim. 4: 1 vv. 2 Tim. 3: 2 vv. Hand. 20: 29), a) dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden, begeerten uit hun goddeloos hart voortgekomen, wandelen zullen (vs. 16).
2 Tim. 4: 3. 2 Petrus 2: 1
Uit deze beide verzen kan men niet, zoals de uitleggers meestendeels doen, een bewijs afleiden, dat Judas geen apostel zou geweest zijn, omdat hij zich anders niet op de apostolische autoriteit van anderen zou beroepen. Het blijkt echter alleen uit de woorden, dat bij de gemeenten, waaraan hij schrijft, tot hiertoe slechts andere apostelen werkzaam waren en zo doet hij het met bescheiden achteraan plaatsen van zijn eigen apostolische autoriteit en laat hij, zoals reeds in de voorstelling van zichzelf in vs. 1, aan anderen de voorrang. Evenmin kan men uit onze plaats het besluit trekken, dat de apostel de lezers aan de vroeger ontvangen twee brieven van Petrus en wel in het bijzonder aan de woorden in 2 Petrus 3: 3 zou willen herinneren en dus zijn brief gericht zou zijn aan dezelfde gemeente, waaraan deze geschreven is. De woorden, die Judas aanhaalt, moeten toch geen letterlijk juist citaat van die parallelle plaats zijn, maar zijn slechts een herinnering aan de mondelinge gezegden, die de apostelen eens, toen zij bij de gemeenten waren, in hun voordrachten deden en dan komt zeker hoofdzakelijk Petrus in aanmerking. Deze had zeker vroeger vaak genoeg in Syrië en Mesopotamië gesproken, zoals hij het vervolgens voor de Paulinische gemeente schriftelijk doet. In vergelijking met het 2de Hoofdstuk van de 2de brief van Petrus, die aan Christelijke gemeenten uit de heidenen gericht is, bevat daarentegen onze brief van Judas zoveel punten uit de speciaal-Joodse traditie, dat men duidelijk ziet, dat hij niet spreekt tot gemeenten uit de heidenen, maar in het bijzonder tot gemeenten uit de Joden, evenals zijn broeder Jakobus.
Deze zijn het en moge u dit vooral afschrikken van hen, die zichzelf afscheiden een nieuwe partij vormen (1 Kor. 5: 19) en anderen daartoe proberen over te halen (2Petr. 2: 1 Rom. 16: 17), natuurlijke (letterlijk “psychische”, naar de ziel levende) mensen, de geest niet hebbend, omdat zij, al het menselijke in zich dodend, een geheel dierlijk leven leiden.
Verstaat men, met onze vertalers, door de Geest, de Heilige Geest en Zijn genadegaven, dan zegt de apostel een onbetwistbare waarheid, dat namelijk natuurlijke mensen, die in alles hun dierlijke neigingen opvolgen, de Heilige Geest niet hebben als een goddelijke inwoner, in hun harten, dat zij van Zijn gaven en heiligende werkingen geheel verstoken zijn. Dan, dit sprak wel vanzelf en hoeft niet eens aangemerkt te worden, omdat het wel niet bij iemand in bedenking kan komen, of zulke dierlijke mensen, die een beestachtig leven leidden, de Heilige Geest ontvangen hadden. Hier komt nog bij, dat de apostel niet spreekt van de Geest; maar er staat eenvoudig geen geest hebbend. Wij zouden daarom overhellen tot het vermoeden, dat geest overstaat tegen de natuur of het dierlijke en het redelijk verstandig deel van de mens betekent, zodat de zin zij: “deze verleiders zijn dierlijk, zij volgen de natuurlijke neigingen breidelloos op, evenals de redeloze dieren en gedragen zich zo, alsof zij geen redelijke ziel, geen menselijk verstand bezitten.
Maar geliefden, in plaats van u door hen op hun zijde te laten trekken, bouwt u uzelf (1 Petrus 2: 5) op uw allerheiligst geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is (vs. 3. Efeziers 2: 20), biddend om vermeerdering van Zijn genadegiften in de Heilige Geest, die u in uw geest vernieuwt en u tot heiligen gemaakt heeft (vs. 1).
Dit is het grote kenteken van het ware bidden in de Heilige Geest. De godsvrucht, die bij God aangenomen wordt, moet van de hemel gegeven worden. Alleen het gebed, dat van God komt, kan tot God gaan. De eigen pijlen van de Heere moeten wij op Hem afschieten. De begeerte, die Hij in ons hart legt, zal Zijn hart vermurwen en een zegen achterlaten; maar de begeerten van het vlees hebben geen macht op Hem. Bidden in de Heilige Geest is, vurig bidden. Koude gebeden hoort God niet. Wie niet vurig bidt, bidt in het geheel niet. Even goed kan men spreken van lauw vuur als van een lauw gebed; onvermijdelijk moet het heet zijn. Bidden in de Heilige Geest is met volharding bidden. De ware bidder ontvangt onder het aanhouden kracht en bidt vuriger, waar God niet meteen antwoordt. Hoe langer de poort gesloten blijft, des te heviger klopt hij aan en hoe langer de engel toeft, des te meer is hij vast besloten Hem niet te laten gaan tenzij Hij hem zegent. Een onwankelbaar aanhouden met tranen en smart, is schoon in Gods oog. Bidden in de Heilige Geest is nederig bidden, want deze maakt ons nimmer hoogmoedig. Het is Zijn werk te overtuigen van zonde en ons aldus gebroken van hart en verslagen van geest te maken. Nooit zullen wij zingen: “ere in de hoogte”, tenzij wij tot God bidden; uit de diepte moeten wij roepen, als wij de heerlijkheid van de hemel willen zien. Zulk bidden is ook bidden met liefde. Het gebed moet de aangenamen geur van de liefde bezitten, van de liefde tot onze broeders en tot Christus. Het moet ook een gebed vol van geloof zijn. De mens overwint slechts door het geloof. De Heilige Geest is de bewerker van het geloof en geeft kracht, zodat wij biddend God beloften kunnen geloven. O mocht al deze uitnemende genade, kostbaar en liefelijk als de fijnste specerijen, in ons overvloedig zijn, omdat de Heilige Geest in onze harten is uitgestort! Gezegende Trooster! volbreng uw kracht in ons en maak ons ware bidders.
Als de gelovige bidt is hij niet alleen de driemaal Heilige is in hem de Vader, die in het verborgen ziet, hoort hem met toegenegen oor; de Zoon, die zijn zonden verzoent en zijn gebeden aan de Vader opdraagt, de Heilige Geest, die hem levend maakt en voor God welbehaaglijk leert bidden, zonder deze drie personen kan er geen goed gebed ontboezemd worden. Sommiger gebed lijkt veel op het geklap van een ekster zij prevelen ijdele woorden terwijl hun hart verre van God is. Velen bidden zonder de Vader. Hun hart neemt geen deel aan hun gebed. Zij spreken tot de rug van hun bidstoel of tot de wereld of hun woorden verliezen zich in de lucht. Anderen bidden zonder de Zoon. Zij komen in hun eigen naam bekleed met hun eigen gerechtigheid. Hun gebed is het offer van de dwazen. Weer anderen bidden zonder de Heilige Geest. Hun gebed is niet door de Geest ingegeven. Mijn geliefden, als u het leven van uw ziel liefheeft, dan moet u bidden en als u wenst dat uw gebeden verhoring vinden, bidt dan tot de Vader, in de naam van de Heere Jezus en door de invloed van de Geest.
Bewaar uzelf door te doen wat ik zo-even zei, in de liefde van God, zodat u zich niet van Hem afkeert (Hebr. 3: 12), verwachtend de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus, waarmee Hij ten dage van Zijn toekomst ons verlossen zal van alle kwaad en ons leiden zal ten eeuwige leven (2 Petrus 3: 14, 17 v. Tit. 2: 13. 2 Tim. 4: 18).
De lezers moeten bedenken, dat het zoeken en werken van die mensen een werken is, dat de gemeenschap oplost en dat de aard ervan geheel en al van de Geest ontbloot is. Zij werken in de gemeenten sekten, afscheidingen, die ten verderve moeten leiden, in plaats van tot de gemeenschap van het geloof bevorderlijk te zijn, die tot zaligheid leidt en openbaren zich als mensen, die in geen ander leven staan, dan dat zij bij de geboorte uit het vlees verkregen hebben en geen geest hebben, door wiens vernieuwing zij van een vleselijk tot een geestelijk mens veranderd hadden kunnen worden. Nu moeten de lezers integendeel onder bidden en smeken zichzelf voor het eeuwige leven bewaren. Dit geschiedt dan, als zij vasthouden aan het allerheiligst geloof, dat zij geleerd hebben en dit het fundament laten zijn, waarop zij in de kracht, die de Heilige Geest schenkt, hun leven ontwikkelen en als zij verder de liefde tot God, dit kenteken van het Christelijk geloof, en de hoop op de openbaring van Jezus Christus, wiens ontferming eens volkomen verlossing zal aanbrengen, ten einde toe bewaren.
Er is, om gelukkig te zijn, nog iets anders nodig dan kracht en kennis. Beide worden eerst op haar beurt gewijd door de koestering van een sympathetische liefde, die het verkleumde hart weer in gloed zet, de toegesloten ziel ontsluit en de levensblos van ontspanning en innerlijke genieting doet terugkeren op het gelaat. En die sympathie mist onze eeuw juist. Zij spreekt wel veel van sympathie. Zij overtreft wel de eeuwen die voorafgingen, in schijn van gezelligheid. Maar ook hierin misleidt zij zichzelf. haar gezelligheid is slechts een aanraken van de omtrek van elkanders leven. Haar gulle lach is weinig meer dan een onopzettelijke spierbeweging, waaraan het gelaat zich gewend heeft. haar sympathie is breed, maar ondiep en, als het graan zonder wortel, snel ontloken, maar even snel verdord. Waar vind u nog in hogere of lagere standen dat “houw en trouw”, dat heilige van de vriendschap, die verbondenheid van geslachten en families, die mannen van karakter, die de storm braveren dorsten, omdat zij vast gingen op elkanders steun? En ook al wist zij die menselijke sympathie in ons maatschappelijk leven terug te toveren, toch zou zij daarin nog nooit het verfrissend element vinden, dat zij ter bezieling van haar leven behoeft. Nee, om met rustige tred en kalme blik te kunnen voortgaan, is er nog een hogere en vollere toeneiging nodig, de neerbuiging tot ons van de liefde van onze van God. Alleen de ervaring van die eeuwige, onpeilbaar diepe, geheel ons wezen doordringende en overstelpende liefde geeft dat volle geluk te smaken, dat wij zaligheid noemen, zonder ooit te kunnen ontleden wat het is. Alleen waar de zachte vleugels van die heilige liefde haar schaduw op uw ziel werpen, doorstroomt u een gevoel van kracht en frisheid dat u boven het perk van de eindige dingen verheffen kan. U moet door die goddelijke sympathie u gedragen weten, om het mysterie van het geloof te verstaan en de geestdrift, de krachtsontwikkeling te kennen, waartoe het geloof u bekwaamt. Wie zal voor onze eeuw de vriendelijke leidsman zijn, die haar onder de beschaduwing van die heilige sympathie, van die goddelijke liefde terugbrengt? Zeker niet de overgeblevene uit een vroegere eeuw, die zonder liefde voor de onze in het hart, haar Gods liefde bedekt onder een leerstellig weefsel van de stugste stof en de hardste kleuren. Maar evenmin de luchthartige, die veel van levensernst bazelend, geen eerbied genoeg voor het lijden van onze eeuw heeft, om te beseffen, dat een altijd weer herhalen van de klank “dat God de liefde is”, nog geen artsenij biedt voor haar hart. Nee, zal onze eeuw weer door Gods liefde verkwikt, gered en bekeerd worden, dan moet zij met die liefde zelf in aanraking gebracht, zoals zij door al onze onheiligheid heen zich een weg gebaand heeft naar Bethlehems kribbe en leven en gestalte aannam in Christus onze Heer; dan moet ook zij weer de moed grijpen, om de valse orakels van de Heidense wijsbegeerte in al hun ijdelheid ten toon te stellen en terug te keren naar de vergeten, gesmade en meer dan driewerf verbeurde levensopenbaring, die de mensheid in Israël gewerd; maar bovenal, dan moet die liefde van God ook voor haar geen macht blijven, die van verre staat en zich als een ideale liefde steeds verder terugtrekt, maar integendeel, dan moet die liefde van God vloeiend worden, in beweging geraken, haar tot in de diepte van haar leven glijden en in haar zondig leven zich openbaren als Ontferming en Barmhartigheid, die tot welbehagen zich ontplooien, of tot heilige toorn zich verscherpen zal. Onze eeuw voele slechts aan haar hart, dat die liefde werkelijk bestaat, dat die liefde van God zich ook tot haar neigt, ook voor haar een woord, ook voor haar een genezende kracht heeft; zij leert de “Ontferming” van God slechts kennen als een barmhartig zich erbarmen, niet slechts over een begrip van zonde een begrip van ellende, maar ook over die eigenaardige zonde, waartoe zij verviel, die bedekte vorm van ellende, waarin zij gedurig dieper wegzinkt. Ook voor haar ontsluit zich slechts het mysterie van die persoonlijke, veerkrachtige, alles louterende en verheffende liefde, die in het “Welbehagen” van onze God zich uitspreekt, en niets ontneemt ons de schone hoop, dat ook onze eeuw nog in aanbidding zal neervallen en al haar opgewonden schijnvreugde ijlings en willig prijs geven voor een teug uit die beker van de heiligste genietingen, die de Erbarmer aan Zijn schepselen reikt. Maar ook van de Christenheid is niets zozeer als een zich verdiepen in die liefde van God nodig. Naarmate haar taak juist in onze eeuw te verhevener is, is ook haar toestand gevaarlijker. Zij wil de Christus prediken, maar vindt tegenstand. Zij wil voor de oren van de wereld van God liefde uitroepen, maar bespeurt dat men de oren toestopt. Wat is dan makkelijker te begrijpen, dan dat zij, om in zo’n eeuw toch maar Gods liefde te prediken, zich te ver van eigen terrein waagt, schier onbewust op het terrein van de wereld overgaat en nog wel meent Gods liefde naar de Schriften aan de wereld te brengen, maar in waarheid zichzelf bewerken laat door een valse, ijdele liefde, die niet uit God is, maar uit de onheilige diepten van ons eigen geslacht. Hierin moet de oplossing gezocht worden van het in het oog vallend verschijnsel, dat de oogst van de Christelijke arbeid niet groter is en met zo’n rusteloze prediking van Gods eeuwige liefde nog niet meer werking van die liefde werd ontdekt. Natuurlijk. Als men van Gods liefde in het vage, in het afgetrokkene spreekt, is het kind van onze eeuw zeer geneigd de tribuit ook van zijn hulde aan de voeten van de Heere neer te leggen. En dan meent u hem gewonnen te hebben, terwijl hij inderdaad bleef die hij was en slechts van naam wisselde. Nee, wilt u de liefde van God als een werkelijke kracht in de wereld indragen, zoek dan zelf eerst met, eerst in die liefde van God gedoopt te worden. En heeft u, al was het ook slechts een enkele druppel van die liefde van God in u voelen uitstorten, dat u nu voor het eerst, maar dan ook zo diep en zalig, ervaart wat het is, liefde in het hart te dragen, van liefde verteerd te worden en lief te hebben wat u geen winst biedt, o! dan zult u vanzelf die heilige tact, die geestelijke smaak in u ontwaren, die u dat valse roepen van liefde verfoeien doet, u de moed geeft, ertegen te getuigen en dusdoende, juist door wegneming van dat schijnwezen, dorst naar die zuivere, die heilige, die werkelijke liefde te wekken, die door de Middelaar uitstroomt van Gods troon. En evenals altijd zal de winst voor de Christenheid zelf hiervan het grootst zijn. Door haar zwak optreden tegenover de wereld, heeft zij meer dan zij vermoedt, haar eigen geloof ondermijnd. Dat ver, zeer verre, al te ver zich wagen op het terrein van onze eeuw heeft haar ongemerkt al verder afgeleid van de enige bron van de Godskennis, die door de Schrift ons in Christus ontsloten is. De Christus is haar niet meer de belichaming van Gods liefde, maar slechts een van de bewijzen, die zij voor Gods liefde, zij het dan ook nog als het hoogste, aanvoert. Meer dan zij vermoedt, heeft in haar eigen geloofskring het ideaal, dat de wereld zich van die liefde gevormd heeft, de openbaring van de eeuwige liefde verdrongen. Hiermee is zij van die liefde zelf vervreemd, aan de koestering van die liefde ontwend geraakt. Zij is op zichzelf afgedreven. Het koude sneeuwkleed bedekt haar akker, waar het weelderigst groen zich met het rijkste bloembed tot een schoon tapeet verenigen moest.
Vandaar de dorheid, die van de Christelijke kerk door een ieder tot verwijt wordt gemaakt. Vandaar haar schreiende machteloosheid, haar gebrek aan gemeenschap van de heiligen, haar onvermogen om tot een onderscheiding te komen tussen de kinderen van God en die niet van Christus zijn. Daarom voegen wij er ten slotte aan toe, dat ook voor ons eigen hart bovenal de aanraking van die liefde van God geëist is, zal het leven in ons niet ondergaan. Al spreekt ons de herinnering met wisse heugenis van een liefde van God, die eenmaal door de Heilige Geest in onze harten werd uitgegoten, toch leven wij daarom niet minder in het midden van deze koude, van God vervreemde wereld, drinken wij haar lucht in, staan wij van uur tot uur onder de bewerking van haar invloed en luistert ook ons oor, eer wij het zelf weten, naar het verleidelijk lied, dat zij, juist om ons het hart te ontstelen, met het refrein, dat “God de liefde is” besluit. Tegenover die invloed staan wij machteloos, als niet Gods liefde ons met haar vleugelen dekt. Machteloos, want ons hart blijft nog steeds neigen naar wat onze wijsheid streelt. Maar ook machteloos, omdat wij uit de wereld zijn voortgekomen en dus de zedelijke moed missen; die voor haar bestrijding vereist wordt. Slechts een macht is er, die aan haar betovering ons ontrukken kan, de aanraking van die waarachtige liefde van God, die door het leven, dat zij instort en de gloed, die zij uitstraalt, alle valse ideaal verdrijft.
En ontferm u wel eniger, onderscheid makend, ten opzichte van hen uit uw midden, die reeds het oor aan de verkeerdheid van de verleiders hebben geleend. Geef gehoor aan diegenen onder hen, die berouwvol terugkeren en neem hen weer op in uw gemeenschap, waarom zij vragen.
Maar behoud anderen, die op die boze weg blijven wandelen, door vrees. Doe al wat mogelijk is om hen tot nadenken te brengen (Rom. 11: 14 Jak. 5: 19 vv.) en grijp hen als een brandhout, dat zij reeds zijn (Amos 4: 11 Zach. 3: 2), uit het vuur, door hun hemel en hel, zegen en vloek voor te stellen. En haat ook, als u zo’n werk van de bekeerling onderneemt, de rok, die van het vlees bevlekt is, die degenen dragen (vs. 8), opdat niets van de bezoedeling, die zij in hun wellust deelachtig worden, op u overgaat.
Nadat de apostel de lezers in vs. 17 v. gezegd heeft, dat zij die mensen voor niets anders moeten houden, dan voor zulke spotters, als die voor de tijd van het einde voorspeld zijn, vervolgens in vs. 19-21, dat zij zich in tegenoverstelling van hen ten eeuwige leven moeten bewaren, voegt hij er nu de aanwijzing bij, hoe zij met degenen moesten handelen, die hij van de eersten onderscheidt, als wellicht door hen te redden.
De verleiders zelf zijn volgens vs. 15 van die aard, dat de gemeente met hen niet moet te doen hebben, maar wel komt het op de juiste verhouding aan jegens hen, die uit de gemeente door hen zijn verleid.
Wat de apostel ten slotte zegt: “Haat ook de rok, die van het vlees bevlekt is”, was hoogst nodig om te zeggen; want zielen redden, vooral degenen uit het midden van zo’n verderf, is geen werk zonder gevaren; het brengt ons zeker zelf in verzoeking door de aanraking van het onreine. Hoe menig dwaas wordt daar geveld, zo wordt in een juist spreekwoord gezegd, waar hij bekeringsnetten stelt.
De Christelijke liefde moest zich dus uitstrekken tot allen. Zij moest allen trachten te behouden, maar overeenkomstig hun verschillende aard en toestand met hen handelen, om haar weldadig doel te bereiken. Men moest onderscheid maken tussen de een en de ander. Over sommigen moest men zich ontfermen, als die minder waren afgeweken en meer verleidden, dan verleiders waren. Met hen moest men medelijden hebben, en met
zachtmoedigheid hen proberen terecht te brengen. Maar anderen, die verder waren afgeweken en meer verleiders dan verleidden waren, moest men door vrees trachten te behouden en hen als uit het vuur grijpen; terwijl men tevens moest toezien, dat men niet door hen besmet en tot zonde vervoerd werd. Hoeveel wijsheid ligt er in deze woorden opgesloten en hoe getuigen zij van de liefde, die de schrijver ook jegens de afgedwaalden vervulde. Die liefde bezielt ook ons en die wijsheid bestiert ook ons in ons pogen om hen, die van de waarheid van het Evangelie zijn afgeweken en tot de zonde vervallen, terecht te brengen!
C. Met een snelle overgang wendt de apostel zich nu ten besluite van zijn brief tot God, niet eerst tot bidden, of tot voorbede, maar dadelijk tot het loven in de vreugde van het geloof van Hem, bij van wie de kracht is om de lezers te behoeden en onstraffelijk te bewaren tot het einde, alsof Hij Zijn genadewerk reeds aan hen had volbracht. Zozeer is zijn gedachte gevestigd op de dag van de openbaring van de heerlijkheid van onze grote God en onze Heiland Jezus Christus, alsof deze levenstijd met zijn noden en gevaren reeds overwonnen was een teken. dat hij reeds aan de avond van zijn leven is.
Hem nu, die machtig is (Rom. 16: 25 Efeziers 3: 20) om u van struikelen te bewaren bij de grote gevaren van de ziel, waardoor u bedreigd wordt, zodat u die doorstaat, zonder daarin tot de val te komen of te struikelen (2 Petrus 1: 10 Luk. 2: 34) en door zo’n behoeden tot het einde toe u onstraffelijk te stellen in de dag van het oordeel voor Zijn heerlijkheid, wanneer Hij als uw heerlijke Rechter in Christus Jezus Zich tegenover u zal stellen (MATTHEUS. 16: 27), onstraffelijk (1 Kor. 1: 8. 1 Thessalonicenzen. 3: 13, zodat u dan van uw zijde tegenover Hem kunt staan en in vreugde over het volmaakte heil, dat nu u ten deel zal worden (1 Petrus 4: 13).
a) De alleen wijze God (Rom. 16: 27), onze Zaligmaker (1 Tim. 2: 3 Tit. 1: 3; 2: 10; 3: 4), zij heerlijkheid en majesteit (Rom. 11: 36 Hebr. 1: 3; 8: 1, kracht en macht (Openbaring 1: 6. 1 Petrus 4: 11 en in alle eeuwigheid (2 Petrus 3: 18). Amen.
1 Tim. 1: 17
God bereidt Zich de lof van de alleen Wijze, ook vooral in de wijsheid, die tot onze heerlijkheid is verordend en in de menigvuldige trouw, tot volbrenging van dit genadewerk besteed. O welke omwegen kan God gebruiken vanwege de in de weg staande hindernissen, terwijl Hij toch ten slotte Zijn doel bereikt! God is onze Heiland van het eerste voornemen af, dat Hij tot onze zaligheid in Christus heeft opgevat en dat blijft Hij tot de voltooiing daarvan met eeuwige heerlijkheid. Voor het daarbij geschonken goed komt Hem de heerlijkheid en majesteit toe, voor het daarbij overwonnen kwaad zij Hem kracht en macht gegeven! Het geloof geeft het Hem nu en de hoop is er borg voor, dat in alle eeuwigheid hiertoe stof genoeg zal zijn.
In sommige opzichten is de weg ten hemel een veilige weg, maar in andere opzichten is geen pad zo vol gevaren. Die weg is omringd door moeilijkheden. Een misstap doet ons struikelen (en hoe makkelijk komen wij daartoe, als wij de genade niet vasthouden) en wij vallen neer. Hoe glad is die weg, die sommigen van ons moeten bewandelen! Hoe menigmaal moeten wij met de Psalmdichter uitroepen: “Mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten. ” Als wij krachtige, stevige bergklimmers waren, dan zou hiervoor geen gevaar zijn; maar in onszelf zijn wij zo zwak! Op de beste wegen struikelen wij snel. Op de meest effen paden vallen wij makkelijk. Onze zwakke knieën kunnen ter nauwernood onze eigen zwaarte dragen. Een strohalm kan ons doen vallen en een keisteentje kan ons doen verwonden: wij zijn als kinderen, die de eerste wankele stappen op de geloofsweg zetten; onze hemelse Vader houdt ons bij de hand, anders zouden wij snel vallen. O, als wij voor struikelen bewaard worden, hoe moeten wij de macht en het geduld zegenen, waardoor wij dag bij dag bewaakt worden! Bedenken wij hoe snel wij tot zondigen geneigd zijn, hoe graag wij het gevaar opzoeken, hoe ras wij ontmoedigd zijn en deze gedachten zullen ons te meer met dankbaarheid doen zingen: “Hem nu, die machtig is ons voor struikelen te bewaren, zij eer en heerlijkheid. ” Wij hebben vele vijanden, die ons ten onder trachten te brengen. De weg is moeilijk en wij zijn zwak; maar hierbij komt nog, dat de vijanden achter de hinderlaag loeren en wanneer wij er het minst op verdacht zijn, op ons afstormen, om ons te beroven, of in de naastbij gelegen afgrond neer te storten. Een almachtige arm alleen kan ons van deze onzichtbare vijanden beveiligen, die onze ondergang zoeken. Zo’n arm heeft onze bescherming op zich genomen. Hij is getrouw, die het beloofd heeft en Hij is machtig ons voor struikelen te bewaren, zodat wij bij het diep gevoel van onze grote zwakheid toch het vaste geloof mogen bezitten, dat wij volkomen zalig zijn en met blij vertrouwen mogen zeggen:
En aard en hel zijn tegen mij, maar hoger kracht is aan mijn zij, de Held, wiens alle dingen zijn, Jezus is mijn!
Overweeg in uw gemoed dat verwonderlijke woord “onstraffelijk. ” Wij zijn er hier ver van verwijderd; maar omdat onze Heer Zijn liefdewerk nooit onverhoord laat liggen, zullen wij die volmaaktheid eens bereiken. De Heiland, die Zijn volk tot het einde toe zal bewaren, zal Zijn gemeente ten slotte voor zich stellen, heilig en onbevlekt, zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks. Al de juwelen van de kroon van de Heiland zijn van het eerste water en zonder fout. Al de statiedochters van de Bruid van het Lam zijn maagden zonder vlek of smet. Maar hoe zal Jezus ons onstraffelijk maken? Hij zal ons van onze zonden wassen in Zijn bloed, totdat wij rein en wit zijn zoals Gods engelen, en wij zullen bekleed zijn met Zijn gerechtigheid, die ons geheel onstraffelijk maakt, ja volmaakt in Gods ogen. Wij zullen zelfs in Zijn ogen onberispelijk en onstraffelijk zijn. Zijn wet zal niet alleen geen beschuldiging tegen ons hebben, maar zij zal in ons verheerlijkt zijn. Wat meer is, het werk van de Heilige Geest zal voor ons een voltooid werk zijn. Hij zal ons zo volkomen heilig maken, dat zelfs de sluimerende neiging tot de zonde uit ons verdreven zal zijn. Onze wil, ons oordeel, onze herinnering, elke kracht en neiging in ons zal van de heerschappij van het kwaad vrijgemaakt zijn. Wij zullen heilig zijn zoals God heilig is en wij zullen eeuwig voor Zijn aangezicht wonen. De kinderen van God zullen in de hemel niet misplaatst zijn, want hun schoonheid zal even groot zijn als de plaats die voor hen bereid is. O zalig het uur, wanneer de eeuwige deuren omhoog zullen geheven worden en wij, die voor de heerlijkheid toebereid zijn, met de heiligen in het licht zullen wonen. Dan zal de zonde teniet gedaan en de satan buitengesloten zijn; de verzoeking zal voor altijd verdwenen zijn en wij zelf zullen onstraffelijk voor God bevonden worden. Dat zal echt een hemel zijn! Laat ons nu vrolijk zijn bij het voorspel van het eeuwige loflied, dat zo snel door de verloste schaar met volle koren gezongen zal worden. Laat ons zoals David voor de ark vreugde bedrijven, totdat wij ons eens voor eeuwig verblijden voor de troon.
SLOTWOORD OP DE BRIEF VAN JUDAS
Als de apostolische brieven in onze bijbel gerangschikt waren naar de tijd van hun vervaardiging, dan zouden hier de brieven van Johannes moeten volgen en zouden deze naast de Openbaring van dezelfde apostel staan. Het is echter ook zeer doelmatig, dat volgens andere rangschikking de brief van Judas staat tussen de brieven van die apostel, op wie deze terugwijst (vs. 3, 17 v.) en de Openbaring, waartoe hij de overgang vormt. Daar zullen wij van diezelfde vervloekte mensen horen, waarvan hier sprake was Jude 1: 4, evenals van de aartsengel MICHAËL (vs. 9) en wel, in plaats van slechts woordenwisseling, van een strijd met de draak (Openb. 12: 7 vv.). De Christelijke gemeente uit Israël, die van haar oorspronkelijke hoogte in Hand. 2-6 nu diep is gevallen, zal nadat geheel Israël zalig geworden zal zijn (Rom. 11: 26), weer in de Zions gemeente op het heerlijkst schitteren en het tegendeel zijn van hetgeen de verdervers van haar hebben gemaakt. Openbaring 14: 1 vv.).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel