Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En JonaH3124 badH6419 tot den HEEREH3068, zijnH1961 GodH430, uit het ingewandH4578 van den visH1710.
En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis.
KJV
Then Jonah7
prayed
unto the LORD2
his God
out of the fish's
belly,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En hij zeideH559: Ik riepH7121 uit mijn benauwdheidH6869 totH413 den HEEREH3068, en Hij antwoorddeH6030 mij; uit den buikH990 des grafsH7585 schreideH7768 ik, en Gij hoordetH8085 mijn stemH6963.
En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.
KJV
And said,
I cried
by reason of mine affliction
unto the LORD,4
and he heard
me; out of the belly
of hell
cried
I, and thou heardest
my voice.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Want Gij hadt mij geworpenH7993 in de diepteH4688, in het hartH3824 der zeeenH3220, en de stroomH5104 omvingH5437 mij; al Uw barenH4867 en Uw golvenH1530 gingenH5674 over mij henen.
Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.
KJV
For thou hadst cast
me into the deep,
in the midst
of the seas;
and the floods
compassed
me about: all thy billows
and thy waves
passed over
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En ik zeideH559: Ik ben uitgestotenH1644 van voor Uw ogenH5869; nochtans zal ik den tempelH1964 Uwer heiligheidH6944 weder aanschouwenH5027.
En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
KJV
Then I said,
I am cast out
of thy sight;
yet I will look
again
toward thy holy
temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De waterenH4325 hadden mij omgevenH661 tot de zielH5315 toe, de afgrondH8415 omvingH5437 mij; het wierH5488 was aan mijn hoofdH7218 gebondenH2280.
De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.
KJV
The waters
compassed me about,
even to the soul:
the depth
closed me round about,
the weeds
were wrapped about
my head.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Ik was nedergedaaldH3381 totH5704 de grondenH7095 der bergenH2022; de grendelenH1280 der aardeH776 waren om mij henen in eeuwigheidH5769; maar Gij hebt mijn levenH2416 uit het verderfH7845 opgevoerdH5927, o HEERE, mijn GodH430!
Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!
Ook in dit vers
HEEREH3068
KJV
I went down
to the bottoms
of the mountains;
the earth
with her bars
was about me for ever:
yet hast thou brought up
my life
from corruption,
O LORD
my God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Als mijn zielH5315 in mij overstelptH5848 was, dachtH2142 ik aan den HEEREH3068, en mijn gebedH8605 kwam tot U, in den tempelH1964 Uwer heiligheidH6944.
Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.
KJV
When my soul
fainted
within me I remembered
the LORD:11
and my prayer
came in
unto thee, into thine holy
temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Die de valseH7723 ijdelhedenH1892 onderhoudenH8104, verlatenH5800 hunlieder weldadigheidH2617.
Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.
KJV
They that observe
lying
vanities
forsake
their own mercy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Maar ik zal U offerenH2076 met de stemH6963 der dankzeggingH8426; wat ik beloofdH5087 heb, zal ik betalenH7999. Het heilH3444 is des HEEREN.
Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
Ook in dit vers
HEEREH3068
KJV
But I will sacrifice
unto thee with the voice
of thanksgiving;
I will pay
that that I have vowed.
Salvation
is of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De HEEREH3068 nu sprakH559 tot den visH1709; en hij spuwdeH6958 JonaH3124 uit op het drogeH3004.
De HEERE nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.
KJV
And the LORD10
spake
unto the fish,
and it vomited out
Jonah
upon the dry
En hij zeide
Te weten daarna, als hij verlost was. Want het blijkt uit de volgende woorden dat de profeet dit gebed na zijne verlossing bijeengesteld heeft als een kort begrip van zijn inwendigen strijd, mitsgaders van alle heilige gedachten, bewegingen en gebeden, die de Geest des Heeren hem in den tijd van drie dagen en drie nachten in den buik van den walvis had ingegeven, waaruit hij wel had kunnen afleiden, dat God hem in deze harde kastijding wonderbaarlijk bewaarde, sterkte en eindelijk verlossen zou.
Hertaald:
En hij zeide
Namelijk daarna, toen hij verlost was. Want uit de volgende woorden blijkt dat de profeet dit gebed na zijn verlossing samengesteld heeft. Het is een korte samenvatting van zijn innerlijke strijd en van alle heilige gedachten, bewegingen en gebeden die de Geest van de HEERE hem in die drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis ingegeven had. Daaruit had hij wel kunnen afleiden dat God hem in deze harde kastijding wonderbaarlijk bewaarde en sterkte en hem ten slotte zou verlossen.
Ik riep
Zie Job 36:13 .
Hertaald:
Ik riep
Zie Job 36:13.
uit mijn benauwdheid tot den HEERE
Of, vermits, vanwege.
Hertaald:
uit mijn benauwdheid tot den HEERE
Of: vanwege.
uit den buik des grafs schreide ik
Dat is, van den walvis, waarin ik, als in een graf, besloten was, en die als mijn graf scheen te zullen zijn.
Hertaald:
uit den buik des grafs schreide ik
Dat is: uit de buik van de walvis, waarin ik als in een graf opgesloten zat en die mijn graf leek te zullen worden.
Gij hadt mij geworpen in de diepte,
Door de hand der schippers, welker doen Gij regeerdet.
Hertaald:
Gij hadt mij geworpen in de diepte,
Door de hand van de schippers, wier doen U bestuurde.
het hart der zeeën,
Dat is, midden in de diepte der zee. Verg. Deut. 4:11 ; Ezech. 27:4 met de aantekening.
Hertaald:
het hart der zeeën,
Dat is: midden in de diepte van de zee. Vergelijk Deut. 4:11; Ezech. 27:4 met de aantekening.
ik zeide
Te weten bij mijzelven, dat is, dacht. Verg. Ps. 31:23 met de aantekening.
Hertaald:
ik zeide
Namelijk bij mijzelf; dat is: ik dacht. Vergelijk Ps. 31:23 met de aantekening.
Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen
Of, uitgedreven, uitgeworpen.
Hertaald:
Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen
Of: uitgedreven, uitgeworpen.
tempel Uwer heiligheid
Dat is, uw heiligen tempel, waar God mer zijne genade bijzonderlijk tegenwoordig was.
Hertaald:
tempel Uwer heiligheid
Dat is: Uw heilige tempel, waar God met Zijn genade bijzonder tegenwoordig was.
weder aanschouwen
Hebr. ik zal toedien of voortvaren te aanschouwen; dat is, weder aanschouwen. Dit bijzonder vertrouwen werkte Gods Geest in den profeet, waardoor hij de overwinning behield over het vlees. Anders: ik zal nochtans voortvaren te zien naar uw heiligen tempel; dat is, ik zal evenwel niet laten te wachten op uwe hulp, die Gij mij uit uwen tempel, [dat is om des Messias' wil, van wien de tempel een voorbeeld was] zult toeschikken. Verg. onder vs.9.
Hertaald:
weder aanschouwen
Hebreeuws: ik zal toedoen of voortgaan te aanschouwen; dat is: weer aanschouwen. Dit bijzondere vertrouwen werkte Gods Geest in de profeet, waardoor hij de overwinning behield over het vlees. Anders: ik zal toch voortgaan uit te zien naar Uw heilige tempel; dat is: ik zal toch niet nalaten te wachten op Uw hulp, die U mij vanuit Uw tempel zult toezenden — dat is: om de Messias' wil, van Wie de tempel een voorafbeelding was. Vergelijk vers 9.
tot de ziel toe
Dat is, zodat zij mij mijn leven dreigden te benemen, mij versmoord zouden hebben, en mijne ziel uit mij doen gaan, ten ware Gij daarin genadiglijk hadt voorzien; verg. Ps. 69:2 , en zie Gen. 19:17 ; anders worden door wateren ook noden en benauwdheden verstaan; zie 2 Sam. 22:17 .
Hertaald:
tot de ziel toe
Dat is: zodat zij mij dreigden mijn leven te benemen en mij verstikt zouden hebben en mijn ziel uit mij zouden hebben doen gaan, als U daar niet genadig in had voorzien; vergelijk Ps. 69:2 en zie Gen. 19:17. Overigens worden onder wateren ook noden en benauwdheden verstaan; zie 2 Sam. 22:17.
het wier was aan mijn hoofd gebonden
Of, zeegras was om mijn hoofd gewikkeld, versta, als ik in de zee dreef, of in den buik van den walvis lag, die het wier inslokte.
Hertaald:
het wier was aan mijn hoofd gebonden
Of: zeegras was om mijn hoofd gewikkeld. Versta: toen ik in de zee dreef, of toen ik in de buik van de walvis lag, die het zeewier inslikte.
de gronden der bergen
Hebr. afsnijdingen; dat is, het uiterste, onderste, de wortels of gronden der bergen of klippen.
Hertaald:
de gronden der bergen
Hebreeuws: afsnijdingen; dat is: het uiterste, onderste deel, de wortels of grondslagen van de bergen of klippen.
de grendels der aarde waren om mij henen
Hebr. de aarde, hare grendels; dat is: ik was in den grond van de zee, als in een vaste gevangenis, besloten en aan alle kanten van de aarde, hoge bergen en klippen omsingeld. Anders: de aarde [met] hare grendels was, enz.
Hertaald:
de grendels der aarde waren om mij henen
Hebreeuws: de aarde, haar grendels; dat is: ik was op de bodem van de zee als in een stevige gevangenis opgesloten en aan alle kanten omringd door de aarde, hoge bergen en klippen. Anders: de aarde met haar grendels was, enzovoort.
in eeuwigheid
Zulks dat er geen schijn van uitkomen was, tenware Gij mij wonderbaarlijk hadt verlost.
Hertaald:
in eeuwigheid
Zodat er geen enkele mogelijkheid was om eruit te komen, tenzij U mij wonderbaarlijk verlost had.
verderf opgevoerd
Of, groEf. Verg. boven vs.3 en zie Ps. 7:16 , en Ps. 16:10 met de aanteek.
Hertaald:
verderf opgevoerd
Of: groeve. Vergelijk vers 3 en zie Ps. 7:16 en Ps. 16:10 met de aantekening.
overstelpt was
Verg. Ps. 61:3 , met de aantekening.
Hertaald:
overstelpt was
Vergelijk Ps. 61:3 met de aantekening.
dacht ik aan den HEERE
Gelijk God vergeten goddeloosheid betekent, [zie Ps. 9:18 , met de aantekening.] alzo is, zijner niet vergeten, maar gedenken, Hem voor ogen houden, dienen, tot Hem toevlucht nemen, op Hem vertrouwen; zie Ps. 20:8 , en Ps. 42:7 , en Ps. 44:18 , en Ps. 77:4 , enz.
Hertaald:
dacht ik aan den HEERE
Zoals God vergeten goddeloosheid betekent (zie Ps. 9:18 met de aantekening), zo betekent Hem niet vergeten maar gedenken: Hem voor ogen houden, Hem dienen, tot Hem de toevlucht nemen, op Hem vertrouwen; zie Ps. 20:8, Ps. 42:7, Ps. 44:18 en Ps. 77:4, enzovoort.
kwam tot U
Gelijk Ps. 102:2 .
Hertaald:
kwam tot U
Zoals Ps. 102:2.
tempel Uwer heiligheid
Zie boven vs.4 en verg. 1 Kon. 8:44 , met de aantekening. Sommigen verstaan den hemel, en zetten het over paleis uwer heiligheid. Zie Ps. 11:4 , mede afgebeeld door den tempel.
Hertaald:
tempel Uwer heiligheid
Zie vers 4, en vergelijk 1 Kon. 8:44 met de aantekening. Sommigen verstaan de hemel en vertalen het met: paleis van Uw heiligheid. Zie Ps. 11:4, dat ook door de tempel afgebeeld wordt.
de valse ijdelheden onderhouden
Hebr. ijdelheden der valsheid, of der leugen, der nietigheid, vergeefsheid; dat is, die de afgoden in nood aanroepen en danken als hun goed is geschied; zie 2 Kon. 17:15 ; Ps. 31:7 , en Ps. 62:11 ;Jer. 2:5, Jer. 2:11 , met de aantekening.
Hertaald:
de valse ijdelheden onderhouden
Hebreeuws: ijdelheden van de valsheid of van de leugen, van de nietigheid; dat is: zij die de afgoden in nood aanroepen en danken wanneer het hun goed gaat; zie 2 Kon. 17:15; Ps. 31:7 en Ps. 62:11; Jer. 2:5, Jer. 2:11 met de aantekening.
verlaten hunlieder weldadigheid
Dat is, zij gedenken en behartigen de weldadigheid of goedertierenheid niet, die Gij hun bewezen hebt, maar schrijven het ondankbaar hunnen afgoden toe; of zij verlaten U, die hun weldoen en de enige ware God zijt; zie Ps. 59:11 ; Jer. 2:2 , met de aantekening.
Hertaald:
verlaten hunlieder weldadigheid
Dat is: zij denken niet aan de weldadigheid of goedertierenheid die U hun bewezen hebt en nemen die niet ter harte, maar schrijven die ondankbaar aan hun afgoden toe. Of: zij verlaten U, Die hun weldoet en de enige ware God bent; zie Ps. 59:11; Jer. 2:2 met de aantekening.
dankzegging
Of, des lofs; zie Ps. 50:14 , Ps. 50:23 , en Ps. 116:17 ; Hos. 14:3 ; Hebr. 13:15 , enz.
Hertaald:
dankzegging
Of: van de lof; zie Ps. 50:14, Ps. 50:23 en Ps. 116:17; Hos. 14:3; Hebr. 13:15, enzovoort.
beloofd heb
Zie Ps. 50:14 , en Ps. 61:6 , met de aantekening.
Hertaald:
beloofd heb
Zie Ps. 50:14 en Ps. 61:6 met de aantekening.
Het heil is des HEEREN
Anders: al het heil; dat is, alle verlossing, zo des lichaams als der ziel, komt allen van Hem. Zie Ps. 3:9 , en Ps. 36:6 , Ps. 36:7 , Ps. 36:8 .
Hertaald:
Het heil is des HEEREN
Anders: al het heil; dat is: alle verlossing, zowel van het lichaam als van de ziel, komt alleen van Hem. Zie Ps. 3:9 en Ps. 36:6, Ps. 36:7, Ps. 36:8.
sprak tot den vis
Hebr. eigenlijk, zeide. Gods zeggen is zijn gebieden, regeren, beschikken en doen. Zie Gen. 1:3 . De zin is: Hij regeerde deze vis alzo, dat hij dat deed.
Hertaald:
sprak tot den vis
Hebreeuws eigenlijk: zei. Gods zeggen is Zijn gebieden, besturen, beschikken en doen. Zie Gen. 1:3. De betekenis is: Hij bestuurde deze vis zo, dat hij dat deed.
het droge
Dat is, op het land, gelijk boven Jona 1:9 , Jona 1:13 .
Hertaald:
het droge
Dat is: op het land, zoals Jona 1:9, Jona 1:13. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis" (Jona 2:1). Het gebed begint met een terugblik: "Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem" (Jona 2:2). Ondanks de nood spreekt Jona vertrouwen uit: "Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen" (Jona 2:4). En het eindigt in dankzegging: "Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN" (Jona 2:9). Bijbelse betekenis: Merk op wanneer dit gebed gebeden wordt: niet ná de redding, maar er middenin, terwijl Jona nog in de vis is. Het is dus geen dankgebed achteraf, maar een gebed van geloof midden in de nood. Let vervolgens op Jona 2:4, waar wanhoop en vertrouwen naast elkaar staan: uitgestoten, en tegelijk toch: "zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen" (Jona 2:4). Let ten slotte op de laatste zin van het gebed: het heil is des HEEREN. Dat is de samenvatting van het hele boek — niet de mens die zichzelf redt, maar de HEERE Die redt, van een vluchtende profeet tot een hele stad toe. Typologie: Wat Jona hier bidt, klinkt in vele psalmen terug: de nood, de roep, en het vertrouwen dat God hoort al vóór de uitkomst er is. Diezelfde beweging van benauwdheid naar overgave klinkt in het gebed dat David bad terwijl hij zelf op de vlucht was, in de nacht van zijn vlucht voor Absalom (reeds behandeld bij Ps. 3:2-8). Jona 2:1-2,4,9; Ps. 3:2-8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Jona is overboord gegooid om het schip te redden, en hij is niet verdronken. Dit hoofdstuk is wat hij bad terwijl hij daar zat: het enige gebed in de Bijbel dat vanuit een graf wordt uitgesproken door iemand die nog leeft. Een man die dood hoorde te zijn, bidt vanuit de diepte en houdt vol dat hij de tempel weer zal zien. De kanttekening zegt bij het begin iets nuchters over de vorm: Jona heeft dit gebed naderhand opgeschreven, als een korte samenvatting van wat er drie dagen en drie nachten lang in hem omging. Het is dus geen verslag maar een terugblik, en daarom staat het er zo geordend. De woorden waarmee hij zijn toestand beschrijft, komen alle uit het rijk van de dood. “uit den buik des grafs schreide ik” — de kanttekening leest die buik als die van de vis, waarin hij als in een graf besloten lag. Verder: het hart der zeeën; de wateren tot de ziel toe; het wier om zijn hoofd; de gronden der bergen; en dan de zwaarste regel: “de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid.” Een grendel zit aan de buitenkant. Wie erachter zit, komt er niet uit. Midden in die opsomming staat één zin die er niet bij past: “Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.” Dat ene woordje draagt het hele hoofdstuk. En de kanttekening voegt er iets aan toe dat verder reikt dan de vis: sommigen lezen het als het verwachten van hulp uit de tempel, en zij schrijft erbij dat die hulp toekomt om de Messias' wil, van Wie de tempel een voorbeeld was. Dan de omslag, en die staat in één zin: “maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!” De kanttekening verwijst daarbij naar Psalm 16, waar staat dat God Zijn Heilige de verderving niet zal doen zien. Het gebed sluit met vier woorden waar het hele boek op uitloopt: “Het heil is des HEEREN.” Niet van de vis, niet van de schippers, niet van de profeet die eindelijk tot inkeer kwam. En dan de verbinding die Christus Zelf legt. Toen men Hem om een teken vroeg, weigerde Hij er een te geven op één na: gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de vis was, zo zou de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn. Wat er dan naast elkaar komt te staan, is niet gelijk. Jona lag in dat graf omdat hij weggelopen was; hij werd overboord gezet om anderen te redden van een storm die hijzelf had veroorzaakt. Hij bad om eruit te komen. Van de Ander staat dat Hij vrijwillig in het hart der aarde ging, voor een storm die Hij niet had veroorzaakt. Maar één ding is wel gelijk, en dat is dat ene woordje. Ook in Psalm 16 wordt vanuit het graf omhoog gekeken. En beide keren is de afloop dat de dood zijn buit weer afgeeft. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 12:39-41; Psalm 16:10; Psalm 42:8; Lukas 11:30; 1 Korinthiers 15:4 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament past het teken van Jona toe op de drie dagen en de opstanding; het haalt dit gebed zelf niet aan. Wat hier gelegd wordt rust dus op die toepassing. Daarnaast is er de overeenkomst in bewoording met Psalm 16, waarnaar ook de kanttekening bij vers 6 verwijst. Het verschil tussen Jona en Christus is even wezenlijk als de overeenkomst: de een ging het graf in om eigen ongehoorzaamheid, de Ander niet.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De meeste grote waarheden van God moeten door moeite geleerd worden. Zij moeten met het gloeiende ijzer van de verdrukking in ons gebrand worden; anders nemen wij ze niet werkelijk aan. Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid. Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Het heil is van de HEERE! Jona 2 vers 9 De zaligheid is Gods werk. Hij alleen maakt onze ziel levend,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jona 2
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Uit den buik des grafs — 2:1-10
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Onze alles in alles
Het heil is van de HEERE!


Jona 2
Jona 2:1.KruisverwijzingenPsalmen 130:1→Job 13:15→2 Kronieken 33:11→Psalmen 50:15→Jesaja 26:16→Jakobus 5:13→Psalmen 91:15→Handelingen 16:24→
— En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis.
Wat een vreemde plaats om te bidden! Dit is zeker het enige gebed dat ooit uit de buik van een vis tot God opgeklommen is. Jona bemerkte dat hij leefde — dát was het verrassende, dat hij levend was in de buik van een vis. En omdat hij leefde, begon hij te bidden. Het is zo’n wonder dat sommigen hier nog in leven zijn, dat zij wel beginnen móéten te bidden. Leeft u met de dood zo nabij en in zo groot gevaar, en bidt u toch niet, wat moet er dan van u worden?
Dit gebed van Jona is zeer opmerkelijk, want het is helemaal geen gebed in de zin waarin wij dat woord gewoonlijk op een bede en een smeking toepassen. Leest u het gebed door, dan zult u zien dat het bijna geheel dankzegging is. En het beste gebed ter wereld is een gebed dat vol dankbaarheid is. Wij prijzen de HEERE voor wat Hij aan ons gedaan heeft, en zo vragen wij Hem in feite het werk te voltooien dat Hij begonnen is. Hij heeft ons verlost, en daarom loven wij Zijn heilige naam; en daarmee smeken wij Hem stilzwijgend ons nog verder te verlossen.
Let erop dat hier staat: toen bad Jona tot de HEERE, zíjn God. Hij was een wegloper; hij had getracht aan de tegenwoordigheid van God te ontkomen. En toch was de HEERE nog altijd zijn God. God zal niemand van Zijn volk verliezen. Al zijn zij, zoals Jona, in de buik van een vis, dan is de HEERE nog altijd hún God.
Jona 2:2.KruisverwijzingenPsalmen 120:1→Psalmen 18:4→Psalmen 34:6→Psalmen 65:2→Mattheüs 12:40→Psalmen 88:1→Psalmen 22:24→Psalmen 86:13→
— En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.
U ziet dat dit geen bidden is; het is de HEERE vertellen wat Hij aan Zijn ongehoorzame knecht gedaan heeft. Jona had gebeden en de HEERE had hem gehoord, en toch was hij nog altijd in de buik van de vis. Het ongeloof zou gezegd hebben: u hebt zo lang geleefd, Jona, maar u kunt niet verwachten lang genoeg te leven om uit deze naargeestige, klamme, stinkende kerker te komen. Maar het geloof is al buiten de kerker terwijl het er nog in zit. Het geloof begint te vertellen wat God gedaan heeft voordat het grote werk werkelijk volbracht is.
Hij was als iemand in de onzienlijke wereld, onder de doden. Hij gevoelde dat hij veroordeeld en weggeworpen was. En toch had God hem gehoord, en nu zingt hij daarover in de buik van de vis. Geen andere vis die ooit geleefd heeft, had een levend mens in zich die God lofzangen zong.
Jona 2:3.KruisverwijzingenPsalmen 42:7→Klaagliederen 3:54→Psalmen 69:1→Psalmen 69:14→Psalmen 88:5→Jona 1:12→
— Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.
Het woord dat Jona gebruikt houdt in dat God hem met geweld in de diepte geworpen had. “Verwerp mij niet”, bad David; maar hier is een man die zegt dat God hem uitwierp als iets dat overboord in de onmetelijke diepte geslingerd wordt.
De vloeden rolden over hem heen: onder hem, boven hem, rondom hem. Jona had blijkbaar zijn Bijbel gelezen; hij had in elk geval de tweeënveertigste psalm gelezen, want hij haalt die hier aan: “al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan”. Het is een gezegende zaak de Bijbel zo in uw hoofd en uw hart te hebben dat u het boek niet hoeft op te slaan, waar u ook bent. U hebt het boek dan immers in u. Hier is een man in een vis met een Boek in zich — en het was het Boek in hem dat hem weer uit de vis bracht.
Jona 2:4.KruisverwijzingenPsalmen 31:22→Psalmen 5:7→Jeremia 7:15→2 Kronieken 6:38→Jesaja 38:17→Daniël 6:10→1 Koningen 8:38→Jesaja 38:10→
— En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.
Wat een groot geloof toonde Job toen hij zei: “zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?” En hier is nog zo’n schitterende openbaring van het geloof. Ik zei wel dat ik uitgestoten was van voor Uw ogen, maar toch zal ik de tempel van Uw heiligheid weer aanschouwen. Ziet God mij niet aan, dan zal ik toch naar de plaats blijven zien waar Hij woont. Terwijl ik van Hem weggeslingerd word, zal ik nog één blik naar Zijn heilige tempel werpen.
Jona 2:5.KruisverwijzingenPsalmen 69:1→Klaagliederen 3:54→Psalmen 40:2→
— De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.
De wateren leken tot in zijn geest door te dringen; zijn hart raakte doorweekt. En het wier was om zijn hoofd gebonden als zijn doodskleed. Het was alsof de windselen van het graf om zijn mond en oren en ogen geslagen waren en hij aan een levend graf overgeleverd werd.
Dit verhaal is een treffende beschrijving van de natuurlijke beweging van de grote vis die Jona ingeslokt had. Toen de vis dit vreemde wezen in zich vond, was het eerste wat hij deed zo diep als hij maar kon in het water duiken. En daarna maakte de vis zich op naar het wier. Bepaalde dieren eten gras om zich te genezen wanneer zij zich ziek voelen. Zo ging deze vis naar de wierrijke plaatsen om te zien of hij een geneesmiddel kon vinden voor deze nieuwe kwaal van een mens in zijn binnenste.
Jona 2:6.KruisverwijzingenPsalmen 30:3→Psalmen 16:10→Jesaja 38:17→Psalmen 30:9→Job 33:24→Job 38:4→Job 33:28→Deuteronomium 32:22→
— Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!
Tot aan de wortels en de grondvesten van de bergen, waar de grote getande rotsen de reusachtige steunberen vormen van de heuvels erboven. Naar beneden ging de vis, zo diep als hij gaan kon; en natuurlijk ging Jona mee. Hij kon zich met recht inbeelden dat hij in een geweldige kerker was waaruit geen ontkomen mogelijk was.
En, lieve vriend, God kan ú weer opbrengen, hoe laag u ook gezonken bent. Al voelt u naar uw eigen gewaarwording dat u zo diep gezonken bent dat u niet dieper kunt, God kan u op het gebed weer opbrengen. O wanhopige, vat moed en laat u door dit verhaal van Jona vertroosten! God handelt met u zoals Hij met hem handelde. Er mag een grote vis zijn, maar er is ook een grote God. Er mag een diepe zee zijn, maar er is een almachtige God om u eruit op te brengen.
Jona 2:7.Kruisverwijzingen2 Kronieken 30:27→Psalmen 11:4→Psalmen 18:6→Micha 1:2→Jona 2:4→Habakuk 2:20→Psalmen 143:5→Psalmen 65:4→
— Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.
Het is een gezegend geheugen dat ons trouw dient in een bezwijming. Meestal begeeft het geheugen wanneer het hart bezwijkt; maar Jona dacht aan de HEERE toen zijn ziel in hem bezweek.
Denk eens aan het gebed van Jona dat regelrecht binnen het voorhangsel ging en het oor en het hart van God in Zijn heilige tempel bereikte. Hij zei dat hij uitgestoten was van voor Gods ogen, en toch kwam zijn gebed in Gods tempel. Och, de kracht van een vrijmoedig, gelovig gebed!
Jona 2:8.KruisverwijzingenPsalmen 31:6→Jeremia 2:13→2 Koningen 17:15→1 Samuël 12:21→Jeremia 10:8→Jeremia 16:19→Jeremia 10:14→Habakuk 2:18→
— Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.
Vertrouwt u ergens anders op dan op God, dan loopt u van uw eigen weldadigheid weg. God is de enige werkelijk Barmhartige Die u altijd helpen kan. Maar vertrouwt u op uw eigen gerechtigheid, of op priesterlist, of op enig bijgeloof, dan neemt u leugenachtige ijdelheden waar en verlaat u uw eigen weldadigheid. God is de bron van uw barmhartigheid; loop niet van Hem weg naar iemand of iets anders.
Jona 2:9.KruisverwijzingenPsalmen 3:8→Psalmen 50:14→Prediker 5:4→Hosea 14:2→Psalmen 50:23→Jesaja 45:17→Handelingen 4:12→Openbaring 7:10→
— Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.
“Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.”
Dat is een van de grootste woorden die ooit door een mens uitgesproken zijn: het heil! Schrijf het met hoofdletters. Het is een zeer nadrukkelijk woord in het Hebreeuws, en ik zou het kunnen lezen als: machtige zaligheid is van de HEERE. Dit is echte, ouderwetse calvinistische leer, eeuwen voordat Johannes Calvijn geboren werd.
De wereld houdt niet van die leer, en er zijn veel belijdende christenen die er ook niet van houden. Zij zeggen: de zaligheid is uit de vrije wil van de mens; de zaligheid is uit de werken van de wet; de zaligheid is uit vormen en plechtigheden. Maar wij zeggen met Jona: “Het heil is des HEEREN.” Hij werkt het van het begin tot het einde, en daarom moet Hij er ook alle lof voor hebben tot in alle eeuwigheid.
Jona leerde deze regel goede godgeleerdheid in een vreemde hogeschool. Hij leerde hem in de buik van de vis, op de bodem van de bergen, met het wier om zijn hoofd gebonden. Niemand is bekwaam om in de zaken van het koninkrijk van God te oordelen voordat hij eerst beproefd is. Er zijn veel dingen die alleen in de diepten geleerd worden. Wij ontdekken in de spelonken van de oceaan menige verborgenheid die wij nooit hadden kunnen kennen als wij tot de hemel opgestegen waren.
Wie zelf gebrek gehad heeft, zal als prediker het best in de behoeften van Gods volk voorzien. Wie zelf vertroosting nodig gehad heeft, zal Gods Israël het best vertroosten. En wie zijn eigen behoefte aan de zaligheid gevoeld heeft, zal haar het best prediken. Toen Jona uit zijn grote gevaar verlost was, was hij bekwaam om te oordelen. En dit was de uitkomst van zijn ervaring onder zijn moeite: “Het heil is des HEEREN.”
Jona 2:10.KruisverwijzingenJona 1:17→Mattheüs 8:8→Jesaja 50:2→Genesis 1:14→Mattheüs 8:26→Psalmen 33:9→Genesis 1:11→Genesis 1:9→
— De HEERE nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.
God hoeft maar te spreken, en zelfs zeemonsters gehoorzamen Hem. Ik weet niet hoe Hij tot de vis sprak; ik weet niet hoe ik met een vis moet praten, maar God weet het. En zoals de HEERE tot die vis spreken kon, zo kan Hij tot elke zondaar hier spreken.
Hoe ver u ook van al het goede weggegaan bent: Hij Die tot die grote vis sprak en hem de profeet Jona deed uitspuwen, kan tot u spreken. En dan zult u uw zonden opgeven zoals de vis Jona opgaf. God geve dat het nog dit uur zo mag zijn, en dat wij door Gods genade gebracht mogen worden om met Jona te roepen: “Het heil is des HEEREN”!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En Jona, als hij gevoelde, dat hij door Gods wonderdaad in het leven bewaard was, zag daarin een onderpand van zijne gehele redding, enbad tot den HEERE, zijnen God, dien hij verlaten had, maar nu in zijnen doodsnood ook weer had gezocht en gevonden uit het ingewand van den vis.
Het volgende gebed is geen verzoek om redding, maar dank en lof voor geschonken redding. Daaruit volgt echter niet, dat Jona dit gebed eerst nadat hij weer op het land gespuwd was, gesproken heeft en vs. 11 voor vs. 3 is in te lassen, maar de zaak is aldus, zoals reeds de oudere uitleggers juist hebben erkend, dat Jona als hij door den vis verslonden was en in diens buik het leven had behouden, daarin een onderpand van zijn redding erkende en daarom den Heere loofde en prees.
Dit gebed, waarvan de vorm als die der Psalmen is, en dat vol herinneringen is uit de Psalmen, is van drie strofen (vs. 4 en 5; 6, 7 en 8), in welke Jona den nood waarin hij gekomen is, en de redding uit den ondergang, welke onvermijdelijk scheen, schildert. Aan deze gaat een inleiding vooraf (vs. 3), waarin de bidder het volgende zamenvattende erkent, dat de Heere Zijn geschrei tot Hem in den nood heeft gehoord, terwijl een slot (vs. 9, 10 ,) volgt met de belofte van dank voor de ondervonden redding. Door de vele gezegden overeenkomstig aan woorden uit de Psalmen, bewijst de bidder, dat hij leeft in het woord Gods, en dat hij heeft leren bidden, gelijk alle ernstige bidders met de Psalmen van David. Hij zou met eigene woorden zijne gedachten en gevoelens niet beter kunnen uitdrukken. “Niet dat hij juist zo deze woorden met den mond gesproken heeft en alzo gerangschikt heeft, want zo wel is het hem niet geweest, dat hij een vers zou hebben kunnen dichten; maar daarin wordt aangetoond, hoe het hem te moede geweest is, welke gedachten zijn hart gehad heeft, toen hij met den dood in een zwaren strijd was. (2 Sam. 16:14 3).
Er is geen plaats zo woest en donker, welke niet door enen heiligen bidder in een tempel Gods zou kunnen worden veranderd.
En hij zei: Ik riep uit mijne benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij (Ps 18:7; 120:1); uit den alles verslindenden buik des grafs, van het dodenrijk, waarin ik reeds zo goed als nedergezonken was, schreide ik, en Gij hoordet mijne stem.
Kan er dieper diepte zijn dan die der zee, en enger groeve dan in den buik van een vis. Daarom is de toestand van Jona de vereniging van de allerdiepste afstorting in het leed en van de allergrootste benauwdheid der ziel. Al het mindere lijden wordt er door vertegenwoordigd. Opmerkelijk is het ook, dat Jona niet zegt: uit den buik van den vis, maar ook uit den buik van het graf; vooreerst, omdat het ene liefelijke en sterk sprekende heenwijzing is naar het graf van zijn groot Tegenbeeld, en ten andere, omdat wij hiermede wederom de eeuwige toepasselijkheid zien van het Woord van God. Wat zes en twintig eeuwen geleden door een gelovig man uit den buik van een vis gebeden werd, dat is een gebed, hetwelk zeker alle heiligen, die op aarde geweest zijn, of die er nog zijn, konden of kunnen bidden; en zijn lied is een lofzang, dien zelfs de opgestanen uit de doden op de nieuwe aarde hem nog kunnen nazingen. Herinnert u van Paulus, dat hij zegt: een dag en een nacht in de diepte te hebben doorgebracht; welnu, ook hij kon onzen tekst gebruiken. Doch ziet nu hier de fijne pen van de Heilige Schrift, en aanbidt de wijsheid van de innerlijke zamenstelling der Heilige Schrift. Had Jona gezegd: “uit den buik van den vis schreeuw ik, ” zo was er gene eeuwige toepasselijkheid geweest, maar dit woord tot Jona zelf bepaald gebleven, en niemand had het hem kunnen nazeggen.
Gelijk God in de grootste benauwdheden helpen kan, alzo zullen ook de gebeden van Gods kinderen in hun diepste benauwdheid voortkomende uit een waar gebrek en nood, een goed antwoord bekomen. Want Jona’s geloof van God gesterkt zijnde, zag het ene, toen hij uit de benauwdheid riep en uit den buik des grafs schreide, en in zijn bevinding ondervond hij het andere, dat hij niet te vergeeft gebeden had. Want, zegt hij, Gij hoordet mijne stemme. Dan is het gebed het meest voorspoedig, wanneer een gevoel de noodzakelijkheid, de oprechtheid daarvan aanwijst; en wanneer die uit het stof voortkomt, dan zal het geloof hulpe beschikken uit den hemel aan iemand, die weinig beter is als de hel.
Want Gij hadt mij door de zeelieden, die werktuigen Uwer gerechtigheid waren, geworpen in de diepte, in het hart der zeeën, en de stroom omving mij; al uwe baren en uwe golven, welke uwen toorn vreesden, om mijne zonde te straffen, gingen over mij henen 1), zo dat ik letterlijk ondervond wat de zanger van Ps. 42:8 geestelijk beleefde.
Ook hier is Jona weer de type van den Christus Gods. Wat de Profeet hier zegt dat alle de baren en golven Gods over hem heen waren gegaan, is letterlijk volbracht aan het Lam, dat geslacht is, toen Hij voor de zonde van zijn volk het grote zoenoffer heeft gebracht, en de schuld volkomen betaald. Wij kunnen dan ook gerust zeggen, dat de Messias hier weer onder het Oude Verbond door Jona van zijn lijden profeteerde.
En ik zei: Ik ben uitgestoten van voor Uwe ogen, met welken gij de Uwen leidt en regeert (Ps. 31:23): nochthans zal Ik den tempel Uwer heiligheid te Jeruzalem weer aanschouwen en Uwe genadige nabijheid genieten.
In het O. T. zendt God de onstuimigheid van golven en baren, in het N. T. bestraft Hij ze; in beide zijn zij Hem gehoorzaam.
Gij hoort het: hier spreekt het geloof, dat niets ziet of dat in ene donkere kamer is, waarin slechts ene kleine opening het licht van boven inlaat. Is het niet opmerkelijk, dat Jona, die op vrije voeten zijnde, zulk een zwak geloof toonde, nu juist in de diepte, in de ingewanden van den vis zulk een groot geloof toonde? En welk een verzekerd geloof! Wie zou, zonder er een goddelijken grond voor te hebben, zich zo iets hebben durven voorstellen, als wat Jona zich hier voorstelde? Doch in het geloof geeft God ons de bevoegdheid om ons op Hem te beroemen en van Hem alles te begeren, wat in onze ziel begeerlijk acht, en zo opende Jona zich, zelfs in den buik van den vis, den tempel van Gods heiligheid te Jeruzalem, ja wat meer is, den tempel Zijner heiligheid in den hemel. “Ik ben uitgestoten van voor Uw aangezicht, nochthans zal ik den tempel uwer heiligheid weer aanschouwen. ” Dit nochthans herinnert mij aan het nochthans (dennoch) van Luther, dat kracht-woord, waarmee hij gewoon was alle geloofstwijfelingen te bestrijden en te boven te komen. Hij had dit woord van Jona of van Habakuk overgenomen, en het was hem tot ene geestelijke zinspreuk geworden. Ja men zou het haast niet kunnen geloven, en toch is het zo: met dit kleine geloofswoordje heeft hij de grote hervorming tot stand gebracht, waarin wij ons thans nog God verheerlijkend mogen verheugen. De paus was machtig, en de vorsten, die zijne zijde hielden, waren machtig, nochthans God was machtiger. Dat woordje der Schrift heeft het gedaan. Het drukte dan ook geheel het leven van Luther en al zijn werk uit. Zo behaagde het God, om soms in zulk een klein woordje ene wereld van kracht samen te trekken. De mensen bemoedigen ons gewoonlijk door een onsje of aasje zwarigheden van ons weg te nemen, en te zeggen: het is zo erg niet, of: het kon nog erger; maar God doet zo niet. Hij laat de zwarigheden in hare volle kracht, maar stelt er iets tegenover, dat tegen al die zwarigheden ruim opweegt, ja dat ze ver overweegt door het geloofswoordje “nochthans” in het hart en op de lippen Zijner kinderen te leggen. Zo handelde ook de Heere bij het weggaan van den rijken jongeling. Toen maakte de Heere de opmerking, hoe moeilijk het voor den rijke was, om in te gaan in dat koninkrijk, waarin niets wat tijdelijk maar alleen wat eeuwig is, waarde heeft; en toen de discipelen, door dit denkbeeld verschrikt en verslagen, uitriepen: “Wie kan dan zalig worden?” verzachtte de Heere de woorden niet, maar ze in al hun kracht bevestigende, zei Hij: “bij de mensen is het onmogelijk. ” En toen liet Hij er ook Zijn “nochthans” op volgen in de woorden: “doch bij God zijn alle dingen mogelijk. ” Dat wij dan dit “nochthans” goed leren geloven en zeggen: want zijn de toestanden van Jona’s beschrijvingen en beelden des doods en des grafs, ook ons wachten de diepten des grafs, des afgronds, des doods, en dan zal het ook onze beurt zijn, in het geloof ons geheel vrijwillig en gewillig over te geven, om in de diepten geworpen te worden, en daarbij te weten, dat wij niet vergaan, maar uit die zee weer op het droge, ja in den tempel van Gods heiligheid komen zullen ofschoon het vlees nog altijd voor die diepte blijft sidderen. Trouwens, dit kan niet anders, want het vlees is niet gerust, voordat het ziet en geniet maar het geloof is de vaste grond der dingen, die men niet ziet maar met zekerheid verwacht. Het zag bij Jona uit den vis in Gods heiligheid, in het lijden de uitkomst, in het graf den hemel der heerlijkheid. En dat konden de heidenen op het schip van Jona met al hun vriendelijkheid en goedwilligheid niet. De ongelovigen kunnen veel goeds en schoons en groots zeggen en doen, maar het gaat alles buiten het koninkrijk der hemelen om. Van de dingen Gods weet de gelovige alleen, en zo leren wij dan Jona hier kennen niet alleen als een gelovig man, maar tegelijk als een teder kind van God, dat zijne kinderlijke betrekking tot God gevoelt, dat gemeenzaam is in het hart des Vaders, en weet wat er in omgaat, en wat recht hij daarin heeft. Nog ene dan, heerlijk woord van Jona! mochten wij het allen als kinderen, die weten wat hun Vader is, in alle droefheden en benauwdheden Jona nazeggen: “Ik ben uitgestoten van voor Uwe ogen, nochthans zal ik den tempel Uwer heerlijkheid aanschouwen”.
De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, zodat het met mij scheen gedaan te zijn (Ps. 18:5; 69:2). de afgrond der zee, waarin ik was gezonken, omving mij: het wier op den bodem der zee was aan mijn hoofd gebonden.
Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen, daar deze wortelen in de diepe kolken der zee (Ps. 18:16), de grendelen der aarde waren door de om mij drukkende watermassa, om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf het graf der zee opgevoerd o HEERE, mijn God (Ps. 30:4)!
Nu heet het: Mijn God. En op dit laatste komt het aan: God moet het eigendom van ons zijn, en wij moeten het eigendom zijn van God. Wij moeten ene bezitting hebben in God, of liever: God zelf moet onze bezitting zijn. Wat baat het een kind, of het alles heeft wat zijne ouders hebben, en het heeft zijne ouders zelf niet? Is het dan geen wees? Zo ook wij; wanneer wij de ganse aarde hadden, ja, al des Heeren goederen, en wij hebben Hem zelf niet, zijn wij dan gene wezen? Daarom wil God, dat wij allermeest bidden om den Heiligen Geest, want de Heilige Geest is de God in ons, gelijk de Vader de God voor ons en de Zoon de God met ons Gode is, niet in afgescheidenheid van, maar in volstrekte eenheid met elkaar.
Jona beschrijft hier zijn toestand aleer hij door den vis werd ingeslikt. Niets dan dood en verderf grijnsde hem tegen. Het scheen wel alsof hij ten dode was gedoemd. Het wier verhinderde hem het land te bereiken en de kracht der wateren om zijn handen tot zwemmen uit te spreiden. Maar ziet toen de nood op het hoogst was, was ook de redding nabij. De Heere God kwam op een wondervolle wijze tussen beide en voerde zijn leven op uit het verderf.
Als mijne ziel in mij (Ps. 42:5)overstelpt was, en op het punt was in de duisternis des doods neer te zinken (Ps. 142:4) dacht ik aan den HEERE, en greep mij biddende midden in den toorn aan Zijne genade vast; en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid, waar Gij als Koning van Uw volk Uwen troon hebt en de gebeden hoort (Ps. 19:7).
In die uiterste overstelping kon hij niet meer spreken-kon hij enkel denken; en wat dacht hij? Hij dacht aan den Heere. Zo gaat het ook met velen der gelovigen op hun krank- of sterfbedden. De hevigheid der ziekte belet hun geregeld tot den Heere te bidden; doch dan treedt het denken aan den Heere daarvoor in de plaats. Dit denken nu aan den Heere is het inwendig gebed des gelovigen, het bidden in den geest (Efeze 6:16). Jona zelf noemt zijn denken: een gebed. En God, die in het hart ziet, behoeft gene woorden. Hij kent de gedachten, nog eer zij in ons oprijzen.
Dat denken was niet een gedachteloos denken maar een gedenken aan den Heere als aan den geheel enigen redder en verlosser. Toen hij vluchtte had hij den Heere vergeten, er niet om gedacht dat Zijne ogen de ganse aarde doorlopen en ook hem, den vluchteling, zag, maar nu in het diepste van die benauwdheid, nu wordt de gedachte aan Zijn God weer levendig en hij erkent Hem als zijn God en zijn Heiland.
Ook mij hebt Gij van daar verhoord en gered, want Gij alleen kent het hart, maar die de valse ijdelheden onderhouden, die hun vertrouwen stellen in afgoden, welke hun ijdele gedachten hebben uitgevonden, verlaten hunlieder God, die alleen weldadigheid doen kan, en de almachtige Helper zijn wil (Ps. 31:7).
Maar Ik, dien gij uit de zonde en den eeuwigen dood hebt gered en tot U hebt teruggevoerd, zal U offeren met de stem a) der dankzegging (Ps. 42:5), zal met luider stem U danken; wat ik in dringenden nood U beloofd heb, zal Ik na gered te zijn betalen 1) (Ps. 50:14, 23). Het heil is des HEEREN; op Zijne macht en genade zal mijn hart vertrouwen, Hij zal mijne redding voltooien.
Ps. 116:17. Hos. 14:3. Hebr. 13:15. b) Ps. 3:9.
De ware godzaligen onder de wet werden van God geleerd, om niet op de uitwendige volbrengingen en offeranden te rusten, maar om naar de geestelijkheid en dadelijkheid van de plichten te zien, en om gebruik van Christus te maken, in Wien alleen onze beste zedelijke daden aangenaam zijn. Hierin stelt hij, dat de stem der dankzegging (of van hartelijken lof) de rechte offerande was. Inzonderheid toont zijn zamenvoeging van de offerande met de stem der dankzegging, dat zijn lof werd opgeofferd in en door de ware offerande.
De critici zijn spoedig gereed gekomen en hebben gezegd: dit gebed is nooit gebeden, maar later uit Bijbelwoorden kunstig zaamgesteld. Dat zij het eens beproeven, een gebed van dien gloed en die innigheid, in dien danktoon te “componeren. ” Dat echter daarom een gebed niet minder een waar gebed des harten is, omdat zijne woorden aan de Heilige Schrift ontleend zijn, daarom zullen zij, die een gebedsleven kennen, het minst twijfelen. Onze Heiland zelf heeft toch in Zijn hoogsten kruisdood woorden van den 22sten Psalm gebeden. (O. FUNCKE).
De HEERE nu, nadat zich Zijn knecht tot Hem had bekeerd, sprak door Zijne verborgene almacht tot den vis; en hij spuwde, gehoorzaam aan zijnen Schepper, Jona uit op het droge, waarschijnlijk aan Palestina’s kusten bij Joppe.
De diepere betekenis der geschiedenis van Jona bestaat vooral in het typische karakter van zijn driedaags oponthoud in den buik van den vis, waaromtrent Christus ons onderwijst, als Hij de Joden wijst op het teken van den Profeet Jona, met deze woorden (Matth. 12:40): “Gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den vis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. ” Terwijl de straf, welke Jona door zijn tegenstreven van Gods volk zich op den hals haalde, de les bevatte, dat Israël naar zijn natuurlijk volksbestaan moest ten ondergaan, opdat uit den dood van den ouden zondigen toestand een nieuw volk Gods zou opstaan, dat, gestorven aan de wet, in gewilligheid des Geestes den Heere zou dienen, stichtte God in het lijden en de redding van Jona tevens een voorbeeld voor den dood en de opstanding van Jezus Christus tot heil der gehele wereld. Even als de knecht Gods, Jona, in den dood wordt overgegeven, om het hem bevolen werk, namelijk den Ninevieten het oordeel en de barmhartigheid van den God des hemels en der aarde te verkondigen, met zegen te volbrengen, zo moet de Zoon Gods als een tarwegraan in de aarde worden gelegd, om vrucht aan te brengen voor de gehele wereld (Joh. 12:23 vv. en 32). Daarin openbaart zich de gelijkheid tussen beide. Maar Jona heeft de straf des doods zich waardig gemaakt, Christus daarentegen lijdt, als de onschuldige, voor de zonde der mensheid, en gaat vrijwillig in den dood als degene, die het leven in Zich zelven heeft, opdat Hij den wil des Vaders volbrenge. In dit onderscheid bestaat de ongelijkheid, waarmee het voorbeeld achter het tegenbeeld blijft, de werkelijkheid daarvan slechts onvolkomen afbeeldt. Maar ook in dit onderscheid is nog ene gelijkheid te zien tussen Jona en Christus, welke niet mag worden voorbijgezien. Jona sterft, naar zijnen natuurlijken mens om der zonde wil, die aan hem met zijn volk gemeen is, Christus voor de zonde van Zijn volk welke Hij op Zich heeft genomen, om die te boeten; maar Hij sterft toch tevens als lid van het volk, van hetwelk Hij naar het vlees afstamde, als die onder de wet gebracht was, om als de Heiland van alle volken op te staan.
Nog merke men op de betekenis, welke volgens des Heeren eigene verklaring de wonderbare redding van den Profeet voor zijne latere werkzaamheid onder de Ninevieten had. Want de Heere zegt in Luk. 11:30: “Gelijk Jonas den Ninevieten een teken geweest is, alzo zal ook de Zoon des mensen zijn dezen geslacht. ” Hier wordt de ongelovige wereld met Ninevé parallel gesteld, en gezegd, dat, gelijk aan deze stad de wonderbare redding van Jona als onderpand zijner geloofwaardigheid was gegeven, zo zou voor gene de opstanding des Heeren als zodanig moeten dienen. Diensvolgens moeten de Ninevieten Jona’s ervaring hebben gekend, en daaruit moet hun gezindheid, om hem te geloven, verklaard worden.
Opmerkelijk woord! God spreekt tot de schepselen. Zo was het reeds van den beginne, en welk een spreken moet het zijn, dat de onbezielde schepping hoort! God spreekt tot de redeloze schepping, en beveelt haar, alsof zij Hem verstond. Zo zei ook Jezus tot den doden Lazarus: “kom uit!” en hij kwam uit, en tot de zee en den storm: “weest stil!” en zij werden stil. God spreekt tot alles en tot allen, ook tot het hart onzer vijanden; zij kunnen niet verder gaan dan God toelaat: alles staat onder Zijn bestuur, en wie nu gelooft, plaatst zich in het middenpunt, en regeert met God alle dingen. God sprak tot den vis. Het spreken Gods is een bevel geven, is een te kennen geven wat God wil. Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er! Het is dus gene spreekwijs, welke enkel moet te kennen geven, dat God de Heere is van aarde, hemel en zee in het algemeen; neen, zelfs de vissen in de zee dienen Hem, en moeten Zijnen raad ten uitvoer brengen.
Jona’s bevrijding kan beschouwd worden als 1) een bewijs van Gods macht over alle schepselen; God heeft die alle onder Zijn bevel, en gebruikt ze gelijk Hem behaagt; 2) als een bewijs van Gods genade aan een arm boeteling, die in nood tot Hem bidt. Hier is een wonder in de natuur gewerkt door Jona’s redding, om te kennen te geven, welk een wonder van genade, van vrije genade Gods aanneming is van terugkerende zondaars; 3) als een type van Christus’ opstanding. Alzo moesten dood en graf het lichaam van den gekruisigden Redder wedergeven. Te midden van alle onze verschillende ervaringen, en de wisselende levensomstandigheden, moeten wij met geloof en vertrouwen zien op onzen Verlosser, die leed en stierf, maar nu verrezen en opgevaren is. Laat ons dan ootmoedig onze zonden belijden, Christus herrijzenis beschouwen als een eersteling van onze eigene, en dankbaar elke tijdelijke en geestelijke bevrijding aannemen, als het begin en onderpand van onze eeuwige redding. .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel