Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 naG3326 dezenG5023 wandeldeG4043 JezusG2424 inG1722 GalileaG1056; want Hij wildeG2309 inG1722 JudeaG2449 nietG3756 wandelenG4043, omdatG3754 de JodenG2453 HemG846 zochtenG2212 te dodenG615.
En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden.
KJV
After5
these things
Jesus4
walked2
in7
Galilee:9
for11
he would12
not10
walk16
in13
Jewry,15
because17
the Jews21
sought18
to kill22
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG1161 het feestG1859 der JodenG2453, namelijk de loof huttenzettingG4634, wasG1510 nabijG1451.
En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij.
KJV
Now2
the Jews'7
feast5
of tabernacles9
was
at hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zo zeidenG2036 dan Zijn broedersG80 totG4314 HemG846: VertrekG3327 van hier, enG2532 ga heen inG1519 JudeaG2449, opdatG2443 ookG2532 Uw discipelenG3101 Uw werkenG2041 mogen aanschouwenG2334, dieG3739 GijG4771 doetG4160.
Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet.
KJV
His4
brethren6
therefore2
said
unto3
him,7
Depart8
hence,9
and10
go11
into12
Judaea,14
that15
thy
disciples18
also16
may see20
the works22
that24
thou
doest.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 niemandG3762 doetG4160 ietsG5100 in het verborgenG2927, enG2532 zoektG2212 zelfG846, dat men openlijkG1722 van hem sprekeG1511. IndienG1487 Gij dezeG3778 dingen doetG4160, zo openbaarG5319 Uzelven aan de wereldG2889.
Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld.
KJV
For2
there is no man1
that doeth6
any thing5
in3
secret,4
and7
he himself9
seeketh8
to be
known openly.10
If13
thou do15
these things,
shew16
thyself17
to the world.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 ook Zijn broedersG80 geloofdenG4100 niet inG1519 HemG846.
Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.
KJV
For2
neither1
did6
his5
brethren4
believe
in7
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
JezusG2424 dan zeideG3004 tot henG846: MijnG1699 tijdG2540 is nogG3768 niet hier, maarG1161 uw tijdG2540 isG1510 altijdG3842 bereidG2092.
Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid.
KJV
Then2
Jesus5
said1
unto them,3
My9
time7
is11
not yet10
come:
but13
your16
time14
is
alway17
ready.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De wereldG2889 kanG1410 ulieden nietG3756 hatenG3404, maarG1161 MijG1473 haatG3404 zij, omdatG3754 IkG1473 vanG4012 dezelveG846 getuigG3140, datG3754 haarG846 werkenG2041 boosG4190 zijnG1510.
De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn.
KJV
The world4
cannot1
hate5
you;
but8
me
it hateth,9
because10
I7
testify12
of13
it,14
that15
the works17
thereof18
are
evil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Gaat gijliedenG4771 op tot dit feestG1859; IkG1473 ga nogG3768 niet op totG1519 ditG3778 feestG1859; wantG3754 MijnG1699 tijdG2540 is nogG3768 niet vervuldG4137.
Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.
KJV
Go2
ye
up9
unto3
this
feast:5
I7
go
not8
up
yet19
unto10
this
feast;12
for14
my18
time16
is20
not yet
full come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG1161 als Hij dezeG3778 dingen tot hen gezegdG2036 had, bleefG3306 HijG846 inG1722 GalileaG1056.
En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea.
KJV
When2
he had said
these words
unto them,4
he abode5
still in6
Galilee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Maar alsG5613 Zijn broedersG80 opgegaanG305 waren, toen ging HijG846 ookG2532 ZelfG1519 op tot het feestG1859, nietG3756 openlijkG5320, maar alsG5613 inG1722 het verborgenG2927.
Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.
KJV
But2
when1
his6
brethren5
were gone up,3
then7
went10
he9
also8
up
unto11
the feast,13
not14
openly,15
but16
as it were17
in18
secret.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De JodenG2453 danG3767 zochtenG2212 Hem inG1722 het feestG1859, enG2532 zeidenG3004: Waar isG1510 HijG846?
De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij?
KJV
Then2
the Jews3
sought4
him5
at6
the feast,8
and9
said,10
Where11
is
he?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En er was veelG4183 gemurmelsG1112 vanG4012 HemG846 onderG1722 de scharenG3793. SommigenG3303 zeidenG3004: Hij isG1510 goedG18; en anderen zeidenG3004: NeenG3756, maar Hij verleidtG4105 de schareG3793.
En er was veel gemurmels van Hem onder de scharen. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare.
KJV
And1
there was
much3
murmuring2
among7
the people9
concerning4
him:5
for some11
said,12
He is
a good man:14
others17
said,18
Nay;19
but20
he deceiveth21
the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Nochtans sprakG2980 niemandG3762 vrijmoediglijkG3954 vanG4012 HemG846, omG1223 de vreesG5401 der JodenG2453.
Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden.
KJV
Howbeit2
no man1
spake4
openly3
of5
him6
for7
fear9
of the Jews.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Doch als het nu in het middenG3322 van het feestG1859 was, zo ging JezusG2424 op in den tempelG2411, en leerdeG1321.
Doch als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in den tempel, en leerde.
KJV
Now1
about2
the midst of5
the feast4
Jesus8
went up6
into9
the temple,11
and12
taught.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 de JodenG2453 verwonderdenG2296 zich, zeggendeG3004: HoeG4459 weetG1492 DezeG3778 de SchriftenG1121, daar Hij ze nietG3361 geleerdG3129 heeft?
En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?
KJV
And1
the Jews4
marvelled,2
saying,5
How6
knoweth9
this man7
letters,8
having11
never10
learned?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
JezusG2424 antwoorddeG611 hunG846, enG2532 zeideG2036: MijnG1699 leerG1322 isG1510 MijneG1699 nietG3756, maarG235 Desgenen, Die MijG1473 gezondenG3992 heeft.
Jezus antwoordde hun, en zeide: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft.
KJV
Jesus4
answered1
them,2
and5
said,
My8
doctrine9
is
not10
mine,12
but13
his that sent15
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
ZoG1437 iemandG5100 wil Deszelfs wil doenG4160, die zal van deze leerG1322 bekennenG1097, of zij uitG1537 GodG2316 isG1510, dan ofG2228 IkG1473 van Mijzelven spreekG2980.
Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek.
Ook in dit vers
wilG2307
wilG2309
KJV
If1
any man2
will3
do7
his6
will,5
he shall know8
of9
the doctrine,11
whether12
it be
of13
God,15
or17
whether I18
speak21
of19
myself.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Die vanG575 zichzelvenG1438 spreektG2980, zoektG2212 zijn eigenG2398 eerG1391; maarG1161 Die de eerG1391 zoektG2212 Desgenen, Die HemG846 gezondenG3992 heeft, DieG3778 is waarachtigG227, en geenG3756 ongerechtigheidG93 isG1510 inG1722 HemG846.
Die van zichzelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.
KJV
He that speaketh4
of2
himself3
seeketh9
his own8
glory:6
but11
he that seeketh12
his glory14
that sent16
him,17
the same18
is
true,19
and21
no25
unrighteousness22
is
in23
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Heeft MozesG3475 u nietG3756 de wetG3551 gegevenG1325? EnG2532 niemandG3762 vanG1537 uG4771 doetG4160 de wetG3551. WatG5101 zoektG2212 gij MijG1473 te dodenG615?
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij Mij te doden?
KJV
Did3
not1
Moses2
give
you
the law,6
and7
yet none8
of9
you
keepeth11
the law?13
Why14
go ye about16
to kill17
me?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
De schareG3793 antwoorddeG611 enG2532 zeideG2036: Gij hebtG2192 den duivelG1140; wieG5101 zoektG2212 UG4771 te dodenG615?
De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel; wie zoekt U te doden?
KJV
The people3
answered1
and4
said,
Thou hast7
a devil:6
who8
goeth about10
to kill11
thee?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
JezusG2424 antwoorddeG611 enG2532 zeideG2036 tot henG846: EenG1520 werkG2041 heb Ik gedaanG4160, enG2532 gij verwondertG2296 u allenG3956.
Jezus antwoordde en zeide tot hen: Een werk heb Ik gedaan, en gij verwondert u allen.
KJV
Jesus3
answered1
and4
said
unto them,6
I have done9
one7
work,8
and10
ye12
all11
marvel.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Daarom heeft MozesG3475 ulieden de besnijdenisG4061 gegevenG1325 (nietG3756 dat zij uitG1537 Mozes isG1510, maarG235 uit de vaderenG3962), enG2532 gijG4771 besnijdtG4059 een mensG444 opG1722 den sabbatG4521.
Daarom heeft Mozes ulieden de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mens op den sabbat.
KJV
Moses3
therefore1
gave4
unto you
circumcision;7
(not8
because9
it is
of10
Moses,12
but14
of15
the fathers;)17
and18
ye21
on19
the sabbath day20
circumcise
a man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
IndienG1487 een mensG444 de besnijdenisG4061 ontvangtG2983 opG1722 den sabbatG4521, opdatG2443 de wetG3551 van MozesG3475 nietG3361 gebrokenG3089 worde; zijt gij toornigG5520 op Mij, dat Ik een gehelen mensG444 gezondG5199 gemaaktG4160 heb opG1722 den sabbatG4521?
Indien een mens de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op Mij, dat Ik een gehelen mens gezond gemaakt heb op den sabbat?
KJV
If1
a man4
on5
the sabbath day6
receive3
circumcision,2
that
the law11
of Moses12
should9
not
be broken;
are ye angry14
at me,
because15
I have made19
a man17
every whit16
whole18
on20
the sabbath day?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
OordeeltG2919 nietG3361 naarG2596 het aanzienG3799, maarG235 oordeeltG2919 een rechtvaardigG1342 oordeelG2920.
Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
KJV
Judge2
not1
according to3
the appearance,4
but5
judge9
righteous7
judgment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
SommigenG5100 danG3767 uitG1537 die van JeruzalemG2415 zeidenG3004: Is DezeG3778 nietG3756, DienG3739 zij zoekenG2212 te dodenG615?
Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Dien zij zoeken te doden?
KJV
Then2
said1
some3
of4
them of Jerusalem,6
Is
not7
this8
he, whom10
they seek11
to kill?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En zietG3708, Hij spreektG2980 vrijmoediglijkG3954, enG2532 zij zeggenG3004 HemG846 nietsG3762. Zouden nu wel de overstenG758 waarlijkG230 wetenG1097, dat DezeG3778 waarlijkG230 isG1510 de ChristusG5547?
En ziet, Hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat Deze waarlijk is de Christus?
KJV
But,1
lo,
he speaketh4
boldly,3
and5
they say8
nothing6
unto him.7
Do11
the rulers13
know
indeed9
that14
this15
is
the very10
Christ?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Doch van DezenG5126 weten wij, van waar Hij isG1510; maar de ChristusG5547, wanneer Hij komenG2064 zal, zo zal niemandG3762 weten, van waar Hij isG1510.
Doch van Dezen weten wij, van waar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, van waar Hij is.
Ook in dit vers
wetenG1097
wetenG1492
KJV
Howbeit1
we know3
this man
whence4
he is:
but7
when9
Christ8
cometh,10
no man11
knoweth12
whence13
he is.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
JezusG2424 danG3767 riepG2896 inG1722 den tempelG2411, lerendeG1321 en zeggendeG3004: En gij kentG1492 Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelven niet gekomenG2064, maarG235 Hij isG1510 waarachtigG228, Die MijG1473 gezondenG3992 heeft, Welken gijliedenG4771 niet kentG1492.
Jezus dan riep in den tempel, lerende en zeggende: En gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelven niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Welken gijlieden niet kent.
KJV
Then2
cried1
Jesus8
in3
the temple5
as he taught,6
saying,10
Ye both11
know me,12
and9
ye know14
whence15
I am:16
and13
I am21
not20
come
of18
myself,19
but22
he that sent26
me
is
true,24
whom28
ye
know31
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
MaarG1161 IkG1473 kenG1492 HemG846; wantG3754 Ik benG1510 van HemG846, en Hij heeft MijG1473 gezondenG649.
Maar Ik ken Hem; want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.
KJV
But2
I1
know3
him:4
for5
I am8
from6
him,7
and he9
hath sent11
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Zij zochtenG2212 Hem danG3767 te grijpenG4084; maar niemandG3762 sloegG1911 de handG5495 aanG1909 HemG846; wantG3754 Zijn ureG5610 was nogG3768 niet gekomenG2064.
Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.
KJV
Then2
they sought1
to take4
him:3
but5
no man6
laid7
hands11
on8
him,9
because12
his17
hour16
was14
not yet13
come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En velenG4183 uitG1537 de schareG3793 geloofdenG4100 inG1519 HemG846, en zeidenG3004: Wanneer de ChristusG5547 zal gekomenG2064 zijn, zal Hij ookG2532 meer tekenenG4592 doenG4160 danG1161 die, welkeG3739 DezeG3778 gedaanG4160 heeft?
En velen uit de schare geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft?
KJV
And2
many1
of3
the people5
believed6
on7
him,8
and9
said,10
When14
Christ13
cometh,15
will he do16
more
miracles18
than these
which21
this19
man hath done?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
De FarizeenG5330 hoordenG191, dat de schareG3793 ditG3778 vanG4012 Hem murmeldeG1111; en de FarizeenG5330 enG2532 de overpriestersG749 zondenG649 dienarenG5257, opdatG2443 zij Hem grijpenG4084 zouden.
De Farizeen hoorden, dat de schare dit van Hem murmelde; en de Farizeen en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden.
KJV
The Pharisees3
heard1
that the people5
murmured6
such things
concerning7
him;8
and10
the Pharisees13
and14
the chief priests16
sent11
officers17
to18
take19
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
JezusG2424 danG3767 zeideG2036 totG4314 henG846: Nog een kleinenG3398 tijdG5550 benG1510 Ik bij uG4771, enG2532 Ik ga heen tot Dengene, Die MijG1473 gezondenG3992 heeft.
Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Dengene, Die Mij gezonden heeft.
KJV
Then2
said
Jesus5
unto them,3
Yet6
a little7
while8
am I11
with9
you,
and12
then I go13
unto14
him that sent16
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Gij zult Mij zoekenG2212, en gij zult Mij nietG3756 vindenG2147; enG2532 waar IkG1473 benG1510, kuntG1410 gijG4771 nietG3756 komenG2064.
Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen.
KJV
Ye shall seek1
me,
and3
shall5
not4
find
me: and6
where7
I2
am,8
thither ye
cannot11
come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
De JodenG2453 danG3767 zeidenG2036 totG4314 elkander: Waar zal DezeG3778 heengaanG4198, dat wij Hem niet zullen vindenG2147? Zal HijG846 totG1519 de verstrooideG1290 GriekenG1672 gaan, enG2532 de GriekenG1672 lerenG1321?
De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren?
KJV
Then2
said
the Jews4
among5
themselves,6
Whither7
will9
he8
go,10
that11
we
shall14
not13
find
him?15
will16
he go23
unto17
the dispersed19
among the Gentiles,21
and24
teach25
the Gentiles?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Wat isG1510 ditG3778 voor een redeG3056, die Hij gezegdG2036 heeft: Gij zult Mij zoekenG2212, en zult Mij nietG3756 vindenG2147; enG2532 waar IkG1473 benG1510, kuntG1410 gijG4771 nietG3756 komenG2064?
Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: Gij zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen?
KJV
What1
manner of saying5
is
this3
that6
he said,
Ye shall seek8
me,
and10
shall12
not11
find
me: and13
where14
I9
am,2
thither ye
cannot18
come?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En opG1722 den laatstenG2078 dagG2250, zijnde de groteG3173 dag van het feestG1859, stondG2476 JezusG2424 en riepG2896, zeggendeG3004: ZoG1437 iemandG5100 dorstG1372, die komeG2064 totG4314 MijG1473 en drinkeG4095.
En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
KJV
In1
the last4
day,5
that great7
day of the feast,9
Jesus12
stood10
and13
cried,14
saying,15
If16
any man17
thirst,18
let him come19
unto20
me,
and22
drink.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
Die inG1519 MijG1473 gelooftG4100, gelijkerwijsG2531 de SchriftG1124 zegtG2036, stromenG4215 des levendenG2198 watersG5204 zullen uitG1537 zijn buikG2836 vloeienG4482.
Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
KJV
He that believeth2
on3
me,
as5
the scripture8
hath said,
out of10
his13
belly12
shall flow14
rivers9
of living16
water.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
(EnG1161 ditG3778 zeideG3004 Hij vanG4012 den GeestG4151, Denwelken ontvangenG2983 zouden, die inG1519 HemG846 gelovenG4100; wantG1063 de HeiligeG40 GeestG4151 wasG1510 nog niet, overmitsG3754 JezusG2424 nog niet verheerlijktG1392 was.)
(En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.)
KJV
(But2
this
spake he
of4
the Spirit,6
which7
they that believe11
on12
him13
should8
receive:9
for15
the Holy18
Ghost17
was
not yet14
given; because19
that Jesus21
was23
not yet22
glorified.)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
VelenG4183 danG3767 uitG1537 de schareG3793, deze redeG3056 horendeG191, zeidenG3004: DezeG3778 isG1510 waarlijkG230 de ProfeetG4396.
Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet.
KJV
Many1
of3
the people5
therefore,2
when they heard6
this saying,8
said,9
Of a truth12
this10
is
the Prophet.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
Anderen zeidenG3004: DezeG3778 isG1510 de ChristusG5547. En anderen zeidenG3004: Zal dan de ChristusG5547 uitG1537 GalileaG1056 komenG2064?
Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen?
KJV
Others1
said,2
This3
is
the Christ.6
But8
some7
said,9
Shall10
Christ16
come17
out of12
Galilee?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
ZegtG2036 de SchriftG1124 niet, datG3754 de ChristusG5547 komenG2064 zal uitG1537 den zadeG4690 DavidsG1138, enG2532 vanG575 het vlekG2968 BethlehemG965, waar DavidG1138 wasG1510?
Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?
KJV
Hath not1
the scripture3
said,
That5
Christ19
cometh20
of6
the seed8
of David,9
and10
out of11
the town14
of Bethlehem,12
where15
David17
was?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Er werdG1096 danG3767 tweedrachtG4978 onderG1722 de schareG3793, omG1223 ZijnentwilG846.
Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil.
KJV
So2
there was6
a division1
among3
the people5
because7
of him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
EnG1161 sommigenG5100 vanG1537 hen wildenG2309 HemG846 grijpenG4084; maar niemandG3762 sloegG1911 de handenG5495 aanG1909 HemG846.
En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.
KJV
And2
some1
of4
them5
would3
have taken6
him;7
but8
no man9
laid10
hands14
on11
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
De dienaarsG5257 danG3767 kwamenG2064 totG4314 de overpriestersG749 enG2532 FarizeenG5330; enG2532 dieG1565 zeidenG2036 tot henG846: WaaromG5101 hebt gij Hem nietG3756 gebrachtG71?
De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en Farizeen; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet gebracht?
KJV
Then2
came1
the officers4
to5
the chief priests7
and8
Pharisees;9
and10
they13
said
unto them,12
Why
have ye17
not16
brought
him?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
De dienaarsG5257 antwoorddenG611: NooitG3763 heeft een mensG444 alzoG3779 gesprokenG2980, gelijkG5613 dezeG3778 MensG444.
De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.
KJV
The officers3
answered,1
Never4
man7
spake5
like8
this9
man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
De FarizeenG5330 danG3767 antwoorddenG611 hunG846: Zijt ookG2532 gijliedenG4771 verleidG4105?
De Farizeen dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid?
KJV
Then2
answered1
them3
the Pharisees,5
Are9
ye
also7
deceived?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
Heeft iemandG3387 uitG1537 de overstenG758 inG1519 HemG846 geloofdG4100, ofG2228 uitG1537 de FarizeenG5330?
Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeen?
KJV
Have any
of3
the rulers5
or9
of10
the Pharisees12
believed6
on7
him?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
MaarG235 deze schareG3793, die de wetG3551 nietG3361 weet, isG1510 vervloektG1944.
Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.
KJV
But1
this4
people3
who2
knoweth7
not6
the law9
are
cursed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50
NicodemusG3530 zeideG3004 totG4314 henG846, welke des nachtsG3571 totG4314 HemG846 gekomenG2064 wasG1510, zijnde eenG1520 uitG1537 henG846:
Nicodemus zeide tot hen, welke des nachts tot Hem gekomen was, zijnde een uit hen:
KJV
Nicodemus2
saith1
unto3
them,4
(he that came6
to Jesus9
by8
night,7
being
one10
of12
them,)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51
OordeeltG2919 ook onze wetG3551 den mensG444, tenzijG3362 dat zij eerstG4386 van hem gehoordG191 heeft, enG2532 verstaatG1097, watG5101 hij doetG4160?
Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?
KJV
Doth5
our
law3
judge1
any man,7
before13
it hear10
him,12
and14
know15
what16
he doeth?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
52
Zij antwoorddenG611 enG2532 zeidenG2036 tot hemG846: Zijt gijG4771 ookG2532 uitG1537 GalileaG1056? OnderzoekG2045 enG2532 zieG2396, datG3754 uitG1537 GalileaG1056 geen profeetG4396 opgestaanG1453 is.
Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is.
KJV
They answered1
and2
said
unto him,4
Art5
thou7
also6
of8
Galilee?10
Search,12
and13
look:
for15
out of17
Galilee19
ariseth21
no20
prophet.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
53
EnG2532 een iegelijkG1538 ging heen naarG1519 zijn huisG3624.
En een iegelijk ging heen naar zijn huis.
KJV
And1
every man3
went2
unto4
his own7
house.
wandelde Jezus
Dat is, verkeerde, van de ene plaats van Galilea naar de andere reizende. Wat Hij nu aldaar gedaan heeft wordt beschreven van Mattheus, hfdst. 15, 16, 17, 18, en van Markus, hfdst. . 7, 8, 9.
Hertaald:
wandelde Jezus
Dat is: verkeerde daar, reizend van de ene plaats in Galilea naar de andere. Wat Hij daar gedaan heeft, wordt beschreven door Mattheüs in hoofdstuk 15 tot en met 18 en door Markus in hoofdstuk 7 tot en met 9.
de Joden Hem
Namelijk te Jeruzalem, omdat Hij op den sabbat den acht en dertigjarige zieke genezen had; Joh. 5:16 .
Hertaald:
de Joden Hem
Namelijk in Jeruzalem, omdat Hij op de sabbat de achtendertigjarige zieke genezen had; Joh. 5:16.
het feest der Joden,
Dit was het derde grote jaarfeest der Joden, hetwelk zij houden moesten op den vijftienden dag der zevende maand, welke met onzen September ten dele overeenkomt; in hetwelk zij hutten maakten van takken van groene bomen, waarin zij zich zeven dagen onthielden, tot gedachtenis dat hunne vaders veertig jaren lang in de woestijn in hutten gewoond hadden. Zie van dit feest Lev. 23:34 , Lev. 23:40 ; Neh. 8:15-16 .
Hertaald:
het feest der Joden,
Dit was het derde grote jaarfeest van de Joden, dat zij moesten houden op de vijftiende dag van de zevende maand, die deels met onze september overeenkomt. Daarbij maakten zij hutten van takken van groene bomen, waarin zij zeven dagen verbleven, ter gedachtenis dat hun vaderen veertig jaar lang in de woestijn in hutten gewoond hadden. Zie over dit feest Lev. 23:34, Lev. 23:40; Neh. 8:15-16.
broeders tot Hem
Dat is, bloedverwanten. Zie Matt. 13:55 .
Hertaald:
broeders tot Hem
Dat is: bloedverwanten. Zie Matth. 13:55.
ook Uw discipelen
Namelijk die gij in Judea hebt.
Hertaald:
ook Uw discipelen
Namelijk die U in Judea hebt.
iets in het verborgen,
Namelijk bijzonders of groots.
Hertaald:
iets in het verborgen,
Namelijk iets bijzonders of groots.
dat men openlijk
Grieks in vrijmoedigheid van spreken te zijn; dat is vermaard en bekend te zijn.
Hertaald:
dat men openlijk
Grieks: in vrijmoedigheid van spreken te zijn; dat is: vermaard en bekend te zijn.
doet, zo
Dat is, waarlijk doen kunt, namelijk om daarmede te betonen dat gij de Messias zijt.
Hertaald:
doet, zo
Dat is: werkelijk doen kunt, namelijk om daarmee te tonen dat U de Messias bent.
aan de wereld
Dat is, aan die grote menigte der mensen, die uit alle delen der wereld op het grote feest samenkomen zullen.
Hertaald:
aan de wereld
Dat is: aan die grote menigte mensen die uit alle delen van de wereld op het grote feest zullen samenkomen.
Zijn broeders
Namelijk sommigen derzelven; want enigen als Johannes en Jakobus en anderen, geloofden in Hem; Hand. 1:14 .
Hertaald:
Zijn broeders
Namelijk sommigen van hen; want enkelen, zoals Johannes en Jakobus en anderen, geloofden wel in Hem; Hand. 1:14.
Mijn tijd is
Dat is, mijne gelegenheid om tot het feest op te gaan.
Hertaald:
Mijn tijd is
Dat is: Mijn geschikte tijd om naar het feest op te gaan.
altijd bereid
Namelijk overmits men u niet zoekt te doden, gelijk mij.
Hertaald:
altijd bereid
Namelijk omdat men u niet zoekt te doden, zoals Mij.
De wereld
Dat is, de wereldse mensen.
Hertaald:
De wereld
Dat is: de wereldse mensen.
kan ulieden niet
Namelijk omdat gij ook van de wereld zijt, en de wereld het hare liefheeft; Joh. 15:19 .
Hertaald:
kan ulieden niet
Namelijk omdat ook u van de wereld bent, en de wereld liefheeft wat van haarzelf is; Joh. 15:19.
Mijn tijd is
Namelijk om te gaan op het feest zonder gevaar.
Hertaald:
Mijn tijd is
Namelijk om zonder gevaar naar het feest te gaan.
vervuld
Dat is gekomen.
Hertaald:
vervuld
Dat is: gekomen.
bleef Hij
Namelijk nog enige dagen; gelijk blijkt uit vs.10.
Hertaald:
bleef Hij
Namelijk nog enkele dagen, zoals blijkt uit vers 10.
openlijk, maar
Namelijk gelijk Hij placht te doen, vergezelschapt met Zijne discipelen en anderen, die naar het feest optrokken.
Hertaald:
openlijk, maar
Namelijk zoals Hij gewoon was te doen, vergezeld van Zijn discipelen en anderen die naar het feest optrokken.
als in het verborgen
Namelijk om te vermijden de lagen van de oversten der Joden.
Hertaald:
als in het verborgen
Namelijk om de listen van de oversten van de Joden te vermijden.
De Joden dan
Namelijk die tevoren Hem op de feestdagen gehoord en Zijne wonderen gezien hadden.
Hertaald:
De Joden dan
Namelijk zij die Hem tevoren op de feestdagen gehoord en Zijn wonderen gezien hadden.
veel gemurmels
Dat is, veel gepraat en twisting.
Hertaald:
veel gemurmels
Dat is: veel gepraat en getwist.
vrijmoediglijk van
Namelijk tot Zijne eer en verdediging.
Hertaald:
vrijmoediglijk van
Namelijk tot Zijn eer en verdediging.
der Joden
Dat is, van de oversten der Joden, die besloten hadden uit de synagoge te werpen die Hem zouden belijden; Joh. 9:22 .
Hertaald:
der Joden
Dat is: de oversten van de Joden, die besloten hadden hen die Hem zouden belijden uit de synagoge te werpen; Joh. 9:22.
in het midden
Namelijk omtrent den vierden dag, alzo het feest der loofhutten zeven dagen duurde, van den vijftienden der zevende maand tot den twee en twintigsten. Zie Lev. 23:34 .
Hertaald:
in het midden
Namelijk omstreeks de vierde dag, aangezien het loofhuttenfeest zeven dagen duurde, van de vijftiende tot de tweeëntwintigste van de zevende maand. Zie Lev. 23:34.
de Schriften,
Of, letteren; Marc. 6:2 .
Hertaald:
de Schriften,
Of: letteren; Mark. 6:2.
niet geleerd heeft?
Namelijk in de scholen, gelijk Paulus wordt gezegd te Jeruzalem geleerd te hebben aan de voeten Gamaliëls; Hand. 22:3 .
Hertaald:
niet geleerd heeft?
Namelijk in de scholen, zoals van Paulus gezegd wordt dat hij in Jeruzalem aan de voeten van Gamaliël geleerd heeft; Hand. 22:3.
Mijne niet, maar
Dat is, is niet ene leer, die de mijne alleen zou zijn.
Hertaald:
Mijne niet, maar
Dat is: is geen leer die alleen van Mij zou zijn.
wil Deszelfs wil
Dat is, zo iemand door Gods genade zover gebracht is, dat hij, afleggende alle vooroordeel en hardnekkigheid, de waarheid der leer onderzoekt, gelijk God bevolen heeft, en zich daarnaar wil schikken; Ps. 25:14 . Daarmede geeft Hij te kennen dat zij zodanigen nog niet waren.
Hertaald:
wil Deszelfs wil
Dat is: als iemand door Gods genade zover gebracht is dat hij, met het afleggen van alle vooroordeel en hardnekkigheid, de waarheid van de leer onderzoekt zoals God bevolen heeft en zich daarnaar wil schikken; Ps. 25:14. Daarmee geeft Hij te kennen dat zij zulke mensen nog niet waren.
Die van zichzelven
Dat is, die ene leer voorstelt van zichzelven verdicht, en niet gegrond in Gods Woord.
Hertaald:
Die van zichzelven
Dat is: die een leer voorstelt die hij zelf verzonnen heeft en die niet in Gods Woord gegrond is.
ongerechtigheid is
Dat is, valsheid of bedrog.
Hertaald:
ongerechtigheid is
Dat is: valsheid of bedrog.
Wat zoekt gij
Namelijk alsof Ik een overtreder der wet ware, omdat Ik op den sabbat dien mens genezen heb.
Hertaald:
Wat zoekt gij
Namelijk alsof Ik een overtreder van de wet was omdat Ik op de sabbat die man genezen heb.
De schare antwoordde
Namelijk die van buiten gekomen was, en die daarvan niet wist, en overzulks meende dat Christus hun dat ten onrechte aanzeide.
Hertaald:
De schare antwoordde
Namelijk de schare die van buiten gekomen was en daar niets van wist en dus meende dat Christus hun dat ten onrechte verweet.
Gij hebt den duivel;
Dat is, gij raast als een bezeten of uitzinnig mens, en gij lastert ons.
Hertaald:
Gij hebt den duivel;
Dat is: U raast als een bezeten of uitzinnig mens, en U belastert ons.
wie zoekt U
Namelijk van ons.
Hertaald:
wie zoekt U
Namelijk van ons.
antwoordde en
Christus antwoordt niet op de scheldwoorden, maar gaat voort om te bewijzen dat Hij de wet niet had overtreden door het genezen op den sabbat.
Hertaald:
antwoordde en
Christus antwoordt niet op de scheldwoorden, maar gaat verder om te bewijzen dat Hij de wet niet overtreden had door op de sabbat te genezen.
Een werk heb
Dat is, dit eene werk alleen, namelijk dat Ik dien mens op den sabbat genezen heb; Joh. 5:16 .
Hertaald:
Een werk heb
Dat is: dit ene werk alleen, namelijk dat Ik die man op de sabbat genezen heb; Joh. 5:16.
verwondert
Namelijk met verstoring en aanstoot, vs.23.
Hertaald:
verwondert
Namelijk met verontwaardiging en aanstoot, vers 23.
Daarom heeft Mozes
Het woord daarom voegen sommigen bij vs.21.
Hertaald:
Daarom heeft Mozes
Het woord daarom voegen sommigen bij vers 21.
de besnijdenis
Dat is, het bevel om te besnijden op den achtsten dag; Lev. 12:3 .
Hertaald:
de besnijdenis
Dat is: het gebod om op de achtste dag te besnijden; Lev. 12:3.
uit Mozes is,
Dat is, dat Mozes zelf eerst ingesteld heeft.
Hertaald:
uit Mozes is,
Dat is: die Mozes zelf als eerste ingesteld heeft.
uit de vaderen),
Dat is, maar is aan den patriarch Abraham en zijne nakomelingen, die vóór Mozes geweest zijn, uit Gods bevel bediend geweest; Gen. 17:10 .
Hertaald:
uit de vaderen),
Dat is: maar die op Gods bevel bediend is aan de aartsvader Abraham en zijn nakomelingen, die vóór Mozes geleefd hebben; Gen. 17:10.
op den sabbat
Namelijk wanneer de achtste dag na de geboorte des kinds op den sabbat valt.
Hertaald:
op den sabbat
Namelijk wanneer de achtste dag na de geboorte van het kind op de sabbat valt.
de wet van Mozes
Namelijk van de besnijdenis ten achtsten dage; Lev. 12:3 .
Hertaald:
de wet van Mozes
Namelijk de wet over de besnijdenis op de achtste dag; Lev. 12:3.
gebroken worde;
Grieks ontbonden; of losgemaakt.
Hertaald:
gebroken worde;
Grieks: ontbonden, of losgemaakt.
gehelen mens gezond
Dat is, die aan zijn gehele lichaam of aan al zijne leden krank was.
Hertaald:
gehelen mens gezond
Dat is: die aan zijn hele lichaam of aan al zijn ledematen ziek was.
naar het aanzien,
Dat is, als aanzieners der personen; dewijl gij in de uwen niet bestraft dat zij op den sabbat besnijden, zo behoort gij ook mij niet te bestraffen omdat Ik op de sabbat genees.
Hertaald:
naar het aanzien,
Dat is: als aanziener van de persoon. Aangezien u het bij uw eigen mensen niet bestraft dat zij op de sabbat besnijden, behoort u ook Mij niet te bestraffen omdat Ik op de sabbat genees.
die van Jeruzalem
Dat is, de Joden, die te Jeruzalem woonden en van het voornemen der oversten wisten.
Hertaald:
die van Jeruzalem
Dat is: de Joden die in Jeruzalem woonden en van het voornemen van de oversten wisten.
zij zeggen Hem
Dat is, zij laten Hem leren zonder verhindering.
Hertaald:
zij zeggen Hem
Dat is: zij laten Hem zonder belemmering onderwijzen.
weten, dat Deze
Namelijk beter onderricht zijnde dan tevoren. Of, in hun gemoed daarvan overtuigd zijn, hoewel zij het niet willen bekennen.
Hertaald:
weten, dat Deze
Namelijk omdat zij beter ingelicht zijn dan tevoren. Of: in hun geweten daarvan overtuigd zijn, hoewel zij het niet willen erkennen.
van waar Hij
Namelijk van Nazareth, gelijk zij meenden.
Hertaald:
van waar Hij
Namelijk uit Nazareth, zoals zij meenden.
niemand weten,
Hierin dwalen zij, uit misverstand van enige plaatsen der Schrift, gelijk Jes. 53:8 ; Mi. 5:1 , en andere, die spreken van Zijn eeuwige geboorte, als Zoon Gods, welke zij op Zijn lichamelijke geboorte verkeerdelijk duidden.
Hertaald:
niemand weten,
Hierin dwalen zij, doordat zij enkele plaatsen van de Schrift verkeerd verstonden, zoals Jes. 53:8 en Micha 5:1 en andere, die over Zijn eeuwige geboorte als Zoon van God spreken maar die zij ten onrechte op Zijn lichamelijke geboorte betrokken.
riep in den tempel,
Dat is, sprak met vrijmoedigheid en luide stem om te beter van allen gehoord te worden.
Hertaald:
riep in den tempel,
Dat is: sprak met vrijmoedigheid en met luide stem, om des te beter door allen gehoord te worden.
kent Mij, en gij
Namelijk zo gij zegt.
Hertaald:
kent Mij, en gij
Namelijk zoals u zegt.
en Ik ben van
Dat is, nochtans.
Hertaald:
en Ik ben van
Dat is: en toch.
waarachtig,
Namelijk in Zijne getuigenis van mij; Matt. 3:17 .
Hertaald:
waarachtig,
Namelijk in Zijn getuigenis over Mij; Matth. 3:17.
niet kent
Namelijk gelijk het behoort.
Hertaald:
niet kent
Namelijk zoals het behoort.
van Hem, en
Namelijk geboren van eeuwigheid; Ps. 2:7 .
Hertaald:
van Hem, en
Namelijk van eeuwigheid geboren; Ps. 2:7.
niemand sloeg de
Namelijk verhinderd zijnde door Gods voorzienigheid.
Hertaald:
niemand sloeg de
Namelijk doordat zij door Gods voorzienigheid verhinderd werden.
Zijn ure was
Namelijk om te lijden; Joh. 8:20 .
Hertaald:
Zijn ure was
Namelijk om te lijden; Joh. 8:20.
murmelde; en
Alzo zij het openlijk niet durfden zeggen, uit vrees der Joden, vs.13.
Hertaald:
murmelde; en
Aangezien zij het niet openlijk durfden zeggen, uit vrees voor de Joden, vers 13.
kleinen tijd ben
Namelijk tot het navolgende pasen, hetwelk was nog omtrent zes maanden.
Hertaald:
kleinen tijd ben
Namelijk tot het volgende pascha, dat nog ongeveer zes maanden weg was.
zoeken, en gij
Dat is, gij zult nog begeren mij tegenwoordig te hebben. Zie Joh. 8:21 .
Hertaald:
zoeken, en gij
Dat is: u zult nog verlangen Mij bij u te hebben. Zie Joh. 8:21.
ben, kunt gij
Dat is, alsdan zijn zal, of waar Ik heenga.
Hertaald:
ben, kunt gij
Dat is: dan zijn zal, of waar Ik heenga.
tot elkander
Of, bij zichzelven.
Hertaald:
tot elkander
Of: bij zichzelf.
tot de verstrooide
Grieks tot de verstrooiing der Grieken; dat is, òf tot de heidenen, die tegengesteld zijnde tegen de Joden, Grieken genaamd worden, Rom. 1:16 , en Rom. 2:9 , òf tot de Joden en Jodengenoten, die onder de Grieken verstrooid waren; Joh. 12:20 ; Jak. 1:1 ; 1 Petr. 1:1 .
Hertaald:
tot de verstrooide
Grieks: tot de verstrooiing van de Grieken; dat is: óf tot de heidenen, die tegenover de Joden gesteld Grieken genoemd worden (Rom. 1:16 en Rom. 2:9), óf tot de Joden en proselieten die onder de Grieken verstrooid waren; Joh. 12:20; Jak. 1:1; 1 Petr. 1:1.
laatsten dag,
Dat is, den achtsten dag, die zowel als de eerste moest gevierd worden met samenkomsten en offeranden. Zie Lev. 23:36 .
Hertaald:
laatsten dag,
Dat is: de achtste dag, die evenals de eerste met samenkomsten en offers gevierd moest worden. Zie Lev. 23:36.
Zo iemand dorst,
Alzo de Joden zich voornamelijk op dit feest, al de vruchten nu ingezameld zijnde, vrolijk maakten met eten en drinken, zo schijnt dat Christus daaruit gelegenheid neemt, om hen van den rechten geestelijken drank te onderwijzen en daartoe te noden.
Hertaald:
Zo iemand dorst,
Aangezien de Joden zich vooral op dit feest, wanneer alle vruchten ingezameld waren, vrolijk maakten met eten en drinken, lijkt Christus daaruit aanleiding te nemen om hen over de rechte geestelijke drank te onderwijzen en daartoe te nodigen.
die kome tot
Dat is, uit het gevoel van zijne ellende verlangt daarvan verlost te worden. Zie Jes. 44:3 , en Jes. 55:1 ; Joh. 4:14 .
Hertaald:
die kome tot
Dat is: uit het besef van zijn ellende ernaar verlangt daarvan verlost te worden. Zie Jes. 44:3 en Jes. 55:1; Joh. 4:14.
gelijkerwijs de
Deze woorden voegen sommigen bij de naast voorgaande, in dezen zin, gelijk de Schrift zegt, dat is, gebiedt. Anderen bij de volgende, alzo dat Christus hier zou hebben gezien op enige plaatsen der heilige Schrift, als Jes. 44:3 , en Jes. 49:10 , en Jes. 58:11 , of dergelijke.
Hertaald:
gelijkerwijs de
Sommigen voegen deze woorden bij de voorafgaande, in deze zin: zoals de Schrift zegt, dat is: gebiedt. Anderen voegen ze bij het vervolg, zodat Christus hier gedoeld zou hebben op bepaalde plaatsen van de Heilige Schrift, zoals Jes. 44:3, Jes. 49:10 en Jes. 58:11, of dergelijke.
stromen des
Of, rivieren; dat is in groten overvloed en volheid. Zie Jes. 44:3 ; Joël 2:28 , en Joël 3:18 ; Joh. 4:14 .
Hertaald:
stromen des
Of: rivieren; dat is: in grote overvloed en volheid. Zie Jes. 44:3; Joël 2:28 en Joël 3:18; Joh. 4:14.
was nog niet,
Namelijk gegeven of gezonden in zulken overvloed, gelijk na Christus' opstanding en hemelvaart geschied is; Hand. 2:4 , Hand. 2:33 .
Hertaald:
was nog niet,
Namelijk nog niet gegeven of gezonden in zo'n overvloed als na Christus' opstanding en hemelvaart gebeurd is; Hand. 2:4, Hand. 2:33.
de Profeet
Namelijk van welke geschreven staat Deut. 18:15 .
Hertaald:
de Profeet
Namelijk over Wie geschreven staat in Deut. 18:15.
de Christus
Dat is, de Messias, dien zij meenden een ander te zullen zijn dan deze profeet. Zie Joh. 1:25 , en Joh. 6:14 .
Hertaald:
de Christus
Dat is: de Messias, van wie zij meenden dat Hij een ander zou zijn dan die profeet. Zie Joh. 1:25 en Joh. 6:14.
anderen zeiden
Zal Namelijk die meenden dat Hij te Nazareth geboren was.
Hertaald:
anderen zeiden
Namelijk zij die meenden dat Hij in Nazareth geboren was.
was?
Namelijk geboren en opgevoed.
Hertaald:
was?
Namelijk geboren en opgevoed.
tweedracht onder
Grieks Schisma; dat is, scheuring of verdeeldheid.
Hertaald:
tweedracht onder
Grieks: schisma; dat is: scheuring of verdeeldheid.
sommigen van
Namelijk uitgezonden van de overpriesters.
Hertaald:
sommigen van
Namelijk uitgezonden door de overpriesters.
niemand sloeg
Namelijk van God verhinderd zijnde, omdat Zijne ure nog niet gekomen was.
Hertaald:
niemand sloeg
Namelijk doordat God het verhinderde, omdat Zijn uur nog niet gekomen was.
alzo gesproken,
Dat is, met zulk een aanzien en aangenaamheid. Zie Matt. 7:28-29 , en Luc. 4:22 .
Hertaald:
alzo gesproken,
Dat is: met zo'n gezag en zo aangenaam. Zie Matth. 7:28-29 en Luk. 4:22.
de oversten in
Namelijk die zulke treffelijke en geleerde lieden zijn.
Hertaald:
de oversten in
Namelijk die zulke voorname en geleerde mensen zijn.
die de wet niet weet,
Dat is, die in de heilige Schrift niet is geoefend.
Hertaald:
die de wet niet weet,
Dat is: die in de Heilige Schrift niet geoefend is.
is vervloekt
Grieks zijn vervloekt; namelijk omdat zij Hem aanhangen.
Hertaald:
is vervloekt
Grieks: zijn vervloekt; namelijk omdat zij Hem aanhangen.
welke des nachts
Zie hiervan Joh. 3:1-2 , enz.
Hertaald:
welke des nachts
Zie hierover Joh. 3:1-2, enzovoort.
gekomen was, zijnde
Of, kwam.
Hertaald:
gekomen was, zijnde
Of: kwam.
Oordeelt ook onze
Dat is, wordt ons ook in de wet toegelaten iemand te veroordelen, tenzij dat Hij eerst gehoord worde in zijne verantwoording. Dit was ook zelfs bij de heidenen ene wet der natuur. Zie Hand. 25:16 .
Hertaald:
Oordeelt ook onze
Dat is: staat de wet ons ook toe iemand te veroordelen zonder dat hij eerst in zijn verdediging gehoord wordt? Dat was zelfs bij de heidenen een wet van de natuur. Zie Hand. 25:16.
doet?
Dat is, wat Hij gedaan of misdaan heeft.
Hertaald:
doet?
Dat is: wat hij gedaan of misdaan heeft.
uit Galilea?
Namelijk òf afkomstig, òf een van Zijne discipelen, die meest Galileërs waren.
Hertaald:
uit Galilea?
Namelijk óf daarvandaan afkomstig, óf een van Zijn discipelen, die meestal Galileeërs waren.
Galilea geen
Jesaja had nochtans geprofeteerd dat de Messias in Galilea zou beginnen te prediken. Zie Jes. 8:23 , en Jes. 9:1 , en Matt. 4:15 .
Hertaald:
Galilea geen
Toch had Jesaja geprofeteerd dat de Messias in Galilea zou beginnen te prediken. Zie Jes. 8:23 en Jes. 9:1, en Matth. 4:15. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een Farizeeër en overste der Joden (lid van de Hoge Raad), die 's nachts naar Jezus kwam om met Hem te spreken; Jezus onderwees hem over de wedergeboorte uit water en Geest (Joh. 3:1-21). Later verdedigde hij Jezus in de Hoge Raad (Joh. 7:50-52) en hielp hij bij Jezus' begrafenis, samen met Jozef van Arimathea (Joh. 19:39-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Bij de put van Jakob biedt Jezus de Samaritaanse vrouw "levend water" aan: wie ervan drinkt, zal in eeuwigheid niet dorsten, want het wordt in hem "een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven" (Joh. 4:10,13-14). Op het Loofhuttenfeest, waarbij dagelijks water uit de vijver van Siloam naar de tempel gedragen werd, roept Jezus op de laatste, grote dag van het feest uit: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke" (Joh. 7:37), en het vers erna: "Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien" (Joh. 7:37-38). Johannes voegt zelf de uitleg toe: "dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was" (Joh. 7:39) — de gave is dus uitdrukkelijk gebonden aan Christus' verhoging. Bijbelse betekenis: Het beeld heeft een lange Oudtestamentische voorgeschiedenis: Jesaja belooft water op de dorstigen en de Geest op het zaad samen (Jes. 44:3). Jeremia klaagt Israël aan omdat het de HEERE, de Fontein van levend water, verlaten heeft voor gebroken bakken die geen water houden (Jer. 2:13). Waar het Oude Testament dus God Zelf als de bron aanwijst, wijst Christus Zichzelf als die bron aan, gegeven door de Geest. Typologie: De lijn eindigt in de Openbaring, waar de rivier van het water des levens uit de troon van God en het Lam vloeit, en waar de uitnodiging klinkt: "die wil, neme het water des levens om niet" (Op. 22:1,17). Joh. 4:10,13-14; Joh. 7:37-39; Jes. 44:3; Jer. 2:13; Op. 22:1,17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Het is loofhuttenfeest, de laatste en grote dag ervan. Het volk woont die week in hutten van takken, zoals in de woestijn, en de oogst is binnen. Op dat ogenblik staat Hij op en roept iets door de tempel heen. Op het feest waarop Israël de woestijnreis naspeelde, roept Hij de dorstigen naar Zichzelf. Het loofhuttenfeest had een bedoeling die in Leviticus staat: zeven dagen in loofhutten wonen, “Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen Israels in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb.” Wie in die week onder takken sliep, speelde de woestijnreis na. En bij die reis hoorde één ding dat men nooit vergat: water uit een rots. Op dat feest staat Hij op en roept: “Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.” De kanttekening merkt op dat men zich in die week, nu de vruchten waren ingezameld, vrolijk maakte met eten en drinken. Christus neemt daaruit aanleiding om over de rechte geestelijke drank te onderwijzen. En dan de belofte: “Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.” Welke plaats van de Schrift Hij bedoelt, staat er niet bij; de kanttekening noemt er verschillende uit Jesaja, en zij wijst ook op Joël. Johannes zet er zelf een verklaring bij tussen haakjes: dit zei Hij van de Geest, Die zij ontvangen zouden die in Hem geloven. Daarmee staat dit hoofdstuk in de lijn van het wonen van God bij Zijn volk. Die lijn ging over plaatsen: een hof, een tent, een tempel. Ezechiël zag in zijn laatste gezicht water onder de dorpel van dat huis vandaan komen, dat een beek werd en een rivier, en overal waar het kwam werd alles gezond. Zacharia zag levende wateren uit Jeruzalem vlieten, zomer en winter. Hier wordt aangewezen waar die stroom vandaan komt. Niet uit een gebouw, maar uit een Persoon — en van daaruit, zegt Hij, uit wie in Hem gelooft. De tegenwoordigheid van God is niet langer een plaats waar men heen reist. Er staat wel een merkwaardige bijzin bij: “want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.” De kanttekening haast zich dat te verklaren: niet dat de Geest er niet was, maar dat Hij nog niet gegeven of gezonden was in zulke overvloed als na de opstanding en hemelvaart gebeurd is. Het slot van het gedeelte laat zien hoe verdeeld men was. Sommigen zeiden: Deze is waarlijk de Profeet — dat is de Profeet van Deuteronomium 18. Anderen zeiden: Deze is de Christus. En weer anderen wierpen tegen dat de Christus toch uit het zaad van David en uit Bethlehem komen zou. Dat laatste is het aangrijpendst van het hele hoofdstuk. Zij hadden gelijk. Zij noemden precies de goede tekst — en zij wisten niet dat Hij daar geboren was. In het Nieuwe Testament: Leviticus 23:42-43; Ezechiël 47:1; Zacharia 14:8; Jesaja 44:3; Deuteronomium 18:15; Micha 5:1 Hoever dit reikt: Welke plaats van de Schrift Hij aanhaalt, wordt niet gezegd. De kanttekening noemt Jesaja 44, 49 en 58 als mogelijkheden, en laat ook open dat de woorden gelijkerwijs de Schrift zegt bij de vorige zin horen. Dat het feest en het water uit de rots hier meeklinken, is een gevolgtrekking. Zij rust op de tijd en de plaats waarop dit woord gesproken werd; Johannes legt dat verband niet zelf.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Daar werd dan tweedracht onder de schare, om zijnentwille. Joh. 7:43 Zelfs toen Jezus op zo liefelijke wijze zijn zachtmoedige en liefderijke leer predikte, was er tweedracht onder het… De Joden dan zochten hem in het feest en zeiden: Waar is Hij? Joh. 7:1 Jezus ging in het geheim op tot het feest, en de Joden zochten… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij… Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet. Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit… En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Johannes 7:37… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Johannes 7
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Zo iemand dorst, die kome tot Mij — 7:37-42
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Joh. 7:43 - Christus de oorzaak van tweedracht.
Joh. 7:11 - Waar is Hij?
Als iemand dorst heeft
Onze Vertegenwoordiger
Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke


Johannes 7
Johannes 7:1-5
KruisverwijzingenMattheüs 12:46→Markus 3:21→Johannes 4:3→Johannes 7:19→Johannes 7:5→Mattheüs 10:23→Johannes 5:16→Mattheüs 21:38→— En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden. En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij. Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet. Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld. Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.
Het is een zeer pijnlijke waarheid dat Zijn naaste verwanten in het begin niet in Zijn goddelijke zending geloofden. Hij was werkelijk een profeet die zonder eer was in Zijn eigen land, onder Zijn eigen verwanten; en bij deze gelegenheid tartten zij Hem half met Zijn aanspraken. Zij zeiden als het ware tegen Hem: bent U werkelijk een profeet, ga dan de wereld in en bewijs het. Wij horen dat U beweert wonderen te doen; waarom verbergt U Zich dan hier in dit plattelandsdorp in Galilea? Ga naar Jeruzalem, en verricht Uw wonderen voor de menigten in de hoofdstad. Half hoopten zij misschien dat Zijn aanspraken waar zouden blijken, maar zelf waren zij, op dat moment althans, niet bereid om Zijn discipelen te worden.
Zie hoe verdorven het menselijk hart is. Deze mannen konden zelfs in nauwe verbondenheid met Christus leven, ja zelfs naar het vlees nauw aan Hem verwant zijn, en toch niet tot Hem bekeerd zijn. Laat daarom de besten onder ons zich niet verwonderen als zij onbekeerde familieleden hebben. Wij mogen niet menen dat er iets mis is met ons voorbeeld als anderen er niet door bekeerd worden. Zeker was er geen gebrek in het voorbeeld van Christus, en toch “geloofden ook Zijn broeders niet in Hem”. Merk ook op dat geen aardse verwantschap enig baat heeft in het Koninkrijk der hemelen. Al ben ik het kind van godvrezende ouders, geboren uit een lang geslacht van heiligen: toch ben ik daardoor niet dichter bij het Koninkrijk. Ik moet zelf een gelovige in Christus worden.
Denk aan wat Petrus zei op de Pinksterdag; u hebt die tekst vaak half aangehaald horen worden. Laat mij hem u helemaal citeren: “Want u komt de belofte toe, en uw kinderen.” Blijft u daar staan, dan mist u de ware zin ervan. “Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.” Die tekst leert dus dat er geen onderscheid is tussen de kinderen van gelovigen en andere kinderen. Wij moeten door Gods genade geroepen worden, evengoed als wie ver weg zijn, of wij zullen het eeuwige leven niet beërven.
Johannes 7:6-8
KruisverwijzingenJohannes 7:8→Johannes 2:4→Johannes 7:30→Johannes 13:1→Johannes 17:1→Johannes 8:20→Mattheüs 26:18→Johannes 15:18→— Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid. De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn. Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.
Onze Heere Jezus Christus deed alles als het ware op de klok af. Zijn leven was ordelijk; het was geheel geregeld in het eeuwige raadsbesluit van God. De dag waarop Hij naar Jeruzalem zou gaan, stond vast, en Hij zorgde ervoor dat Hij niet vóór de rechte tijd ging. De helft van de kracht van een christelijk leven hangt af van de juiste timing. Het voortbrengen van vrucht op de juiste tijd is een van de kenmerken van de boom die bij de waterstromen geplant is. Een van de tekenen van de Zoon des mensen, Die Zich verlustigde in de wet van de HEERE, was dat Hij zei: “Mijn tijd is nog niet vervuld.” Toen die wel vervuld was, ging Hij.
Johannes 7:9-10
KruisverwijzingenAmos 5:13→Mattheüs 3:15→Psalmen 26:8→Psalmen 40:8→Galaten 4:4→Jesaja 42:2→Johannes 7:5→Johannes 11:54→— En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea. Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.
Niet met de grote karavaan die soms met tienduizenden mensen tegelijk naar het feest optrok, maar met Zijn eigen discipelen, op een rustiger manier.
Johannes 7:11-13
KruisverwijzingenJohannes 11:56→Johannes 9:22→Johannes 19:38→Johannes 9:16→Johannes 7:40→Johannes 20:19→Johannes 7:32→Johannes 7:47→— De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij? En er was veel gemurmels van Hem onder de scharen. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare. Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden.
Niemand sprak openlijk over Hem, uit vrees voor de Joden. Er was algemene angst voor geweld tegen ieder die zich openlijk als Zijn volgeling bekend zou maken.
Johannes 7:14
KruisverwijzingenJohannes 7:28→Lukas 19:47→Mattheüs 21:12→Johannes 18:20→Johannes 8:2→Johannes 7:2→Maleachi 3:1→Numeri 29:20→— Doch als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in den tempel, en leerde.
Hij was geen lafaard; daarom vertoonde Hij Zich vrijmoedig te midden van de menigte in de tempel.
Johannes 7:15
KruisverwijzingenJohannes 7:46→Lukas 2:47→Mattheüs 13:54→Lukas 4:22→Mattheüs 22:22→Markus 6:2→Mattheüs 7:28→Handelingen 26:24→— En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?
Hoe kent Deze de Schriften? Hoe is Hij een ontwikkeld man geworden, zonder ooit van de rabbijnen geleerd te hebben? Hij heeft nooit onze scholen doorlopen, dus wat kan Hij weten?
Johannes 7:16
KruisverwijzingenJohannes 14:24→Johannes 3:11→Johannes 6:44→Johannes 17:14→Johannes 12:49→Johannes 17:8→Johannes 14:10→Johannes 8:28→— Jezus antwoordde hun, en zeide: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft.
Ik ben niet de bedenker van wat Ik zeg; Ik ben slechts een boodschapper, die de boodschap overbrengt van Hem Die Mij gezonden heeft.
Johannes 7:17
KruisverwijzingenJohannes 8:31→Johannes 8:43→Filippenzen 3:15→Psalmen 25:12→Psalmen 119:10→Johannes 8:47→Handelingen 11:13→Jesaja 35:8→— Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek.
Ieder die zoekt naar wat recht is, en ernaar streeft te doen wat recht is, is een goede beoordelaar van de waarheid. Een praktisch leven van godsvrucht maakt iemand een veel betere beoordelaar van wat waarheid is dan alle geleerdheid van de scholen kan doen.
Johannes 7:18
KruisverwijzingenJohannes 5:41→1 Korinthe 10:31→Johannes 3:26→Exodus 32:10→Johannes 17:4→Johannes 11:4→Johannes 13:31→1 Thessalonicenzen 2:6→— Die van zichzelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.
Hoort u iemand spreken over het priesterschap, en daarmee zichzelf en zijn broeders bedoelen? Spreekt hij over de Kerk, en weer zichzelf en zijn broeders bedoelend, of over de sacramenten, bepaalde verrichtingen van zichzelf en zijn broeders bedoelend? Dan weet u meteen dat God hem niet gezonden heeft. Maar wie spreekt tot Gods eer, en niet zegt: zie mij, maar: zie het Lam Gods, díe is het die God gezonden heeft.
Johannes 7:19
KruisverwijzingenJohannes 1:17→Johannes 7:1→Mattheüs 12:14→Deuteronomium 1:17→Hebreeën 3:3→Deuteronomium 33:4→Johannes 10:39→Johannes 5:45→— Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij Mij te doden?
Heeft Mozes niet gezegd: u zult niet doden? U houdt dan zijn wet niet, hoewel u zoveel eerbied voor hem voorwendt; want deed u dat wel, dan zou u niet trachten Mij te doden.
Johannes 7:20-21
KruisverwijzingenJohannes 10:20→Johannes 8:48→Johannes 8:52→Markus 3:21→Mattheüs 12:24→Mattheüs 10:25→Markus 3:30→Mattheüs 11:18→— De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel; wie zoekt U te doden? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Een werk heb Ik gedaan, en gij verwondert u allen.
Ik heb het op de sabbatdag gedaan, en u struikelt daar allemaal over.
Johannes 7:22-23
KruisverwijzingenLeviticus 12:3→Genesis 17:10→Mattheüs 12:5→Romeinen 4:9→Johannes 5:14→Johannes 5:8→Mattheüs 12:2→Galaten 3:17→— Daarom heeft Mozes ulieden de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mens op den sabbat. Indien een mens de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op Mij, dat Ik een gehelen mens gezond gemaakt heb op den sabbat?
Er is stellig nooit een zegevierender antwoord gegeven dan dit.
Johannes 7:24-25
KruisverwijzingenJesaja 11:3→Johannes 8:15→Deuteronomium 1:16→Spreuken 17:15→Jakobus 2:4→Jakobus 2:9→Psalmen 58:1→Leviticus 19:15→— Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Dien zij zoeken te doden?
Misschien vroegen sommigen van dezelfde mensen die Christus gevraagd hadden: wie tracht U te doden? nu: is Dit niet Hij, Die zij trachten te doden?
Johannes 7:26-27
KruisverwijzingenMicha 5:2→Johannes 6:42→Johannes 7:48→Johannes 7:41→Johannes 9:29→Mattheüs 13:54→Johannes 12:42→Johannes 9:22→— En ziet, Hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat Deze waarlijk is de Christus? Doch van Dezen weten wij, van waar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, van waar Hij is.
Zij hadden een idee — misschien ontleend aan die plaats bij Jesaja: wie zal Zijn geslacht verhalen? — dat de geboorte van Christus in een geheimenis verborgen zou blijven. In elk geval zweefde er een vaag idee rond dat het verborgen zou blijven.
Johannes 7:28
KruisverwijzingenJohannes 8:42→Johannes 8:26→Johannes 8:19→Johannes 7:14→Johannes 5:43→Jeremia 9:6→Johannes 8:14→Handelingen 17:23→— Jezus dan riep in den tempel, lerende en zeggende: En gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelven niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Welken gijlieden niet kent.
En toch kent u Mij niet.
Johannes 7:28-30
KruisverwijzingenJohannes 8:42→Johannes 8:20→Johannes 10:39→Johannes 8:26→Johannes 8:19→Johannes 7:14→Johannes 8:55→Johannes 7:32→— Jezus dan riep in den tempel, lerende en zeggende: En gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelven niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Welken gijlieden niet kent. Maar Ik ken Hem; want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden. Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.
Iets scheen hen tegen te houden. Verbitterd als zij tegen Hem waren, lag er een geheimzinnig en machtig ontzag over hen, zodat zij het niet waagden Hem aan te raken.
Johannes 7:30-31
KruisverwijzingenJohannes 8:20→Johannes 10:39→Johannes 7:32→Johannes 7:6→Johannes 12:42→Mattheüs 12:23→Johannes 11:9→Johannes 8:59→— Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen. En velen uit de schare geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft?
Zij mochten die vraag wel stellen, want Jezus had zulke wonderbare wonderen verricht dat zij zich niets groters konden voorstellen. Dit moest wel de Christus zijn; of, was Hij het niet, zou de Christus, wanneer Hij kwam, wel grotere wonderen doen dan deze Man gedaan had?
Johannes 7:31-33
KruisverwijzingenJohannes 13:33→Johannes 16:5→Johannes 12:42→Mattheüs 12:23→Johannes 10:41→Johannes 4:39→Handelingen 8:13→Johannes 6:2→— En velen uit de schare geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft? De Farizeen hoorden, dat de schare dit van Hem murmelde; en de Farizeen en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden. Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Dengene, Die Mij gezonden heeft.
Toen zij kwamen om Hem gevangen te nemen, zei Jezus dit misschien tot de dienaars zelf die door de Farizeën gestuurd waren:
Johannes 7:32
KruisverwijzingenMattheüs 23:13→Johannes 12:19→Johannes 7:45→Handelingen 5:26→Johannes 18:3→Lukas 22:52→Johannes 11:47→Mattheüs 12:23→— De Farizeen hoorden, dat de schare dit van Hem murmelde; en de Farizeen en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden.
Zij fluisterden dit onder elkaar, bang om zich luid uit te spreken uit vrees voor de Farizeën. Toch is er geen vuur gevaarlijker dan een smeulend vuur.
Johannes 7:32-33
KruisverwijzingenJohannes 13:33→Johannes 16:5→Mattheüs 23:13→Johannes 12:19→Johannes 7:45→Handelingen 5:26→Johannes 18:3→Lukas 22:52→— De Farizeen hoorden, dat de schare dit van Hem murmelde; en de Farizeen en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden. Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Dengene, Die Mij gezonden heeft.
Dat was een gezegende manier voor Christus om Zijn terugkeer naar de hemelse wereld te beschrijven: Ik ga heen tot Hem Die Mij gezonden heeft. Mogelijk zei Hij dit tegen dezelfde mannen die gestuurd waren om Hem gevangen te nemen.
Johannes 7:33
KruisverwijzingenJohannes 13:33→Johannes 16:5→Johannes 16:28→Johannes 17:13→Johannes 13:1→Markus 16:19→Johannes 12:35→Johannes 14:19→— Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Dengene, Die Mij gezonden heeft.
U kunt Mij nu wel met rust laten, want het zal nog maar een korte tijd zijn. Dan zal Ik aan u overgeleverd worden, en zult u geen last meer van Mij hebben.
Johannes 7:34-35
KruisverwijzingenJakobus 1:1→Sefanja 3:10→1 Petrus 1:1→Jesaja 11:12→Johannes 12:20→Johannes 14:3→Johannes 14:6→Lukas 13:24→— Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen. De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren?
Dat was altijd hun angst. Gaat Hij naar de Grieken? Zal Hij hun een leraar zijn? Zal Hij proberen hen in te wijden in de verborgenheden van ons geloof?
Johannes 7:34
KruisverwijzingenJohannes 14:3→Johannes 14:6→Lukas 13:24→Lukas 13:34→Johannes 8:21→Lukas 17:22→Johannes 17:24→Johannes 13:33→— Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen.
Geen dienaars kunnen Hem nu gevangennemen, nu Hij in de heerlijkheid van Zijn Vader is opgegaan. Er is geen gevaar meer dat iemand Hem in Zijn woorden zal vangen, of Hem voor de kerkelijke en wereldlijke rechters zal slepen, zoals zij deden toen Hij hier was.
Johannes 7:35-36
KruisverwijzingenJakobus 1:1→Sefanja 3:10→1 Petrus 1:1→Jesaja 11:12→Johannes 7:34→Johannes 12:20→1 Timotheüs 2:7→Handelingen 22:21→— De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren? Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: Gij zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen?
Zij schenen enig vermoeden gehad te hebben van die heerlijke liefde van Christus, die niet binnen de grenzen van het Joodse volk besloten zou blijven. Maar zij konden of wilden Zijn woorden niet begrijpen.
Johannes 7:36-37
KruisverwijzingenJesaja 55:1→Johannes 4:10→Psalmen 42:2→Johannes 7:34→Jesaja 12:3→Psalmen 143:6→Psalmen 63:1→Openbaring 22:17→— Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: Gij zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen? En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
Ik meen Hem te zien staan te midden van de grote menigte. Die samenkomst zou spoedig verstrooid worden, om nooit meer bijeen te komen. Daarom stond Hij op de meest opvallende plaats die Hij kon vinden. Ondanks al hun toorn en hun verlangen Hem te doden, riep Hij:
Johannes 7:37-38
KruisverwijzingenJesaja 58:11→Johannes 4:14→Jesaja 44:3→Jesaja 55:1→Jesaja 59:21→Spreuken 18:4→Spreuken 10:11→Johannes 4:10→— En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
Of: uit het diepst van hem.
Johannes 7:37
KruisverwijzingenJesaja 55:1→Johannes 4:10→Psalmen 42:2→Jesaja 12:3→Psalmen 143:6→Psalmen 63:1→Openbaring 22:17→Johannes 6:35→— En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
Hij riep, sprak met heel Zijn kracht; en Hij stond, hoewel Hij gewoonlijk zat om Zijn boodschap te brengen. Maar nu was het anders: heel Zijn wezen was tot de uiterste inspanning opgewekt. De laatste dag van het feest was gekomen; daarna zouden de mensen naar huis gaan, en Hij zou hen wellicht niet meer zo kunnen toespreken. “Jezus dan stond en riep.”
O gezegende uitnodiging, hoe zoet zou zij voor elke dorstige ziel moeten zijn! Zo iemand dorst — prins of bedelaar, zedig of diep gezonken — zo iemand dorst, laat hij tot Mij komen. Niet tot inzettingen of menselijke priesters, maar tot Mij, en laat hij drinken, zoveel hij wil, zonder geld en zonder prijs.
Johannes 7:38
KruisverwijzingenJesaja 58:11→Johannes 4:14→Jesaja 44:3→Jesaja 12:3→Johannes 4:10→Jesaja 59:21→Spreuken 18:4→Spreuken 10:11→— Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
Wat een heerlijke evangelieprediking was dit! Zij komt door de eeuwen heen tot ons, en is nu even waar als toen Jezus haar sprak. Kom, dorstigen, kom tot Hem en drink; en Hij zal uw dorst lessen, en in u een bron van levend water scheppen, die opborrelt tot in alle eeuwigheid. Hij zal niet slechts genoeg drinken om Zijn eigen dorst te lessen, maar Hij zal Zelf een fontein worden; stromen van genade zullen door Hem aan Zijn medemensen worden meegedeeld.
Johannes 7:39-40
KruisverwijzingenHandelingen 2:17→Joël 2:28→Handelingen 2:33→Jesaja 32:15→Johannes 12:16→Handelingen 2:4→Johannes 14:16→Jesaja 44:3→— (En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.) Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet.
De Profeet over Wie Mozes gesproken had.
Johannes 7:39
KruisverwijzingenHandelingen 2:17→Joël 2:28→Handelingen 2:33→Jesaja 32:15→Johannes 12:16→Handelingen 2:4→Johannes 14:16→Jesaja 44:3→— (En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.)
Hij was toen nog niet gegeven; maar later, op de Pinksterdag, werd Hij gegeven, en Hij is nooit meer teruggetrokken.
Johannes 7:40-43
KruisverwijzingenMicha 5:2→Mattheüs 2:5→Johannes 7:52→Johannes 1:46→Lukas 2:4→Lukas 2:11→Johannes 9:16→Johannes 10:19→— Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet. Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was? Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil.
Het is nog steeds waar dat Christus oorzaak van verdeeldheid is, zoals Hijzelf voorzegd had dat Hij zou zijn.
Johannes 7:41
KruisverwijzingenJohannes 7:52→Johannes 1:46→Johannes 4:29→Johannes 1:49→Johannes 6:69→Johannes 4:25→Johannes 4:42→Johannes 1:41→— Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen?
De Messias.
Johannes 7:41-42
KruisverwijzingenMicha 5:2→Mattheüs 2:5→Johannes 7:52→Johannes 1:46→Lukas 2:4→Lukas 2:11→Mattheüs 1:1→1 Samuël 16:1→— Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?
Dit was gezegend getuigenis, zelfs uit de mond van Christus’ vijanden. Zij wierpen Christus tegen wat inderdaad waar was, want Hij kwam werkelijk uit het zaad van David, en uit de stad Bethlehem. Daar was Hij geboren. Al noemden zij Hem de Nazarener — een titel die Hij niet afwees — en al schreef Pilatus boven Zijn hoofd: “Jezus de Nazaréner, de Koning der Joden.” Toch is Hij de Zoon van David, en Zijn geboorteplaats was Bethlehem, ook al wisten sommigen van hen dat niet.
Johannes 7:43-44
KruisverwijzingenJohannes 9:16→Johannes 10:19→Johannes 7:30→Johannes 7:12→Handelingen 23:11→Mattheüs 10:35→Lukas 12:51→Handelingen 23:7→— Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil. En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.
Hij was onsterfelijk totdat Zijn werk volbracht was. Het uur van Zijn dood had nog niet geslagen, en Hij moest leven tot de bestemde tijd.
Johannes 7:44
KruisverwijzingenJohannes 7:30→Handelingen 23:11→Johannes 8:20→Handelingen 27:23→Handelingen 18:10→Johannes 18:5→— En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.
In het dertigste vers van dit hoofdstuk, en in het twintigste vers van het volgende hoofdstuk, wordt ons verteld waarom zij Hem niet grepen: “Zijn ure was nog niet gekomen.” En, evenals hun Heere, zijn de heiligen onsterfelijk totdat hun werk volbracht is.
Johannes 7:45-46
KruisverwijzingenJohannes 7:32→Lukas 4:22→Mattheüs 7:28→Johannes 7:26→Handelingen 5:21→— De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en Farizeen; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet gebracht? De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.
De charme van Zijn welsprekendheid, de waardigheid van Zijn Persoon, Zijn ontzagwekkende houding, en iets bijzonders — zij wisten niet wat. Die goddelijkheid die zo’n Koning als Hij omringde, weerhield hun handen. Zij zeiden: “Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.”
Johannes 7:45-48
KruisverwijzingenJohannes 7:12→Johannes 12:42→Johannes 7:32→Lukas 4:22→Mattheüs 7:28→Johannes 7:26→1 Korinthe 1:20→1 Korinthe 2:8→— De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en Farizeen; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet gebracht? De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens. De Farizeen dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid? Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeen?
Zij deden zich voor als de geestelijke leiders van de natie, en verwachtten dat iedereen hun zou volgen.
Johannes 7:47
KruisverwijzingenJohannes 7:12→2 Koningen 18:32→Mattheüs 27:63→2 Koningen 18:29→2 Kronieken 32:15→Johannes 9:27→2 Korinthe 6:8→— De Farizeen dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid?
U dienaars bent doorgaans hard genoeg van hart; bent ook u misleid?
Johannes 7:48
KruisverwijzingenJohannes 12:42→1 Korinthe 1:20→Johannes 7:26→1 Korinthe 2:8→Johannes 7:50→Handelingen 6:7→Mattheüs 11:25→Jeremia 5:4→— Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeen?
Dit kwam erop neer: als wíj niet in Hem geloofd hebben, dan kan er niets in Zijn aanspraken zijn. Wíj immers zijn de grote heren van de natie, de oversten en de Farizeën. Net zoals sommige mensen schijnen te denken dat er niets in een genootschap zit, tenzij er een voorname naam in de leiding staat.
Johannes 7:49
KruisverwijzingenJakobus 3:13→1 Korinthe 3:18→Jesaja 29:14→Johannes 9:34→1 Korinthe 1:20→Jesaja 28:14→Jesaja 5:21→Jesaja 65:5→— Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.
Zij beschouwden het gewone volk als onwetend en vervloekt, terwijl zij zelf waarschijnlijk evenveel van de wet en haar ware geest wisten als deze geleerde leraren.
Johannes 7:49-51
KruisverwijzingenSpreuken 18:13→Johannes 19:39→Jakobus 3:13→Deuteronomium 1:17→1 Korinthe 3:18→Jesaja 29:14→Johannes 9:34→1 Korinthe 1:20→— Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt. Nicodemus zeide tot hen, welke des nachts tot Hem gekomen was, zijnde een uit hen: Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?
Nicodemus stelde een eenvoudige vraag. Maar zij konden die niet beantwoorden zonder zichzelf schuldig te verklaren aan het overtreden van juist die wet waarvan zij beweerden de verklaarders te zijn.
Johannes 7:50
KruisverwijzingenJohannes 19:39→Johannes 3:1→— Nicodemus zeide tot hen, welke des nachts tot Hem gekomen was, zijnde een uit hen:
Als lid van de raad.
Johannes 7:51
KruisverwijzingenSpreuken 18:13→Deuteronomium 1:17→Handelingen 23:3→Deuteronomium 17:6→Deuteronomium 19:15→Deuteronomium 17:8→— Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?
Hij stelde slechts een vraag, dat was alles. En, verlegen christen: bent u geplaatst waar u niet veel voor Christus kunt zeggen, en bent u te bang om uw Meester uitvoerig te verdedigen? Zeg dan toch wat u kunt. Misschien is het enkel stellen van een vraag al genoeg om Hem te verdedigen. Nicodemus stond slechts op en vroeg: “Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?”
Johannes 7:52
KruisverwijzingenJohannes 7:41→Johannes 1:46→Mattheüs 4:15→Spreuken 9:7→Genesis 19:9→1 Koningen 22:24→Jesaja 9:1→Johannes 9:34→— Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is.
Dit was een leugen, want er waren wel profeten uit Galilea voortgekomen. Toch ontkenden zij het, en waren zij verontwaardigd dat Nicodemus zo’n vraag aan hen durfde te stellen.
Johannes 7:53
KruisverwijzingenPsalmen 76:5→Psalmen 76:10→Job 5:12→Psalmen 33:10→— En een iegelijk ging heen naar zijn huis.
Het was als een bom die te midden van hen ontplofte. Vaak zullen een paar dappere woorden, geworpen te midden van een vergadering van boze mensen, hen uiteen doen spatten. Nicodemus had volbracht wat hij misschien nooit gedacht had te zullen doen. Hij was inderdaad zoals zijn naam die dag: een van het overwinnende volk, want “een iegelijk ging heen naar zijn huis”. Nicodemus had hen allen uiteengedreven met zijn verrassende vraag. Mocht ieder van ons even moedig voor Christus getuigen als de gelegenheid zich voordoet!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
E. De vierde groep van getuigenissen van de Heere over Zichzelf in woorden en werken voegt bij de getuigenis, die Hij in het tweede deel der vorige groep over Zich gaf (Hoofdstuk 6: 48): “Ik ben het brood des levens”, een tweede (Hoofdstuk 8: 12): “Ik ben het licht van de wereld”, zodat wij in deze samenvoeging van groepen dezelfde volgorde door de Evangelist vinden in het oog gebonden, volgens welke Hij van het begin (Hoofdstuk 1: 4) van het Woord, dat alle dingen gemaakt heeft, zei: “In Hem was het leven en het leven was het licht van de mensen. ” “In de gebeurtenissen, die verder worden verteld, wordt op in het oog vallende wijze bevestigd wat Johannes daar verder (Hoofdstuk 1: 5) heeft uitgesproken: “Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen. ” De tegenstelling tussen Jezus en de Joden is reeds tot zo’n scherpte gekomen, dat eigenlijk het thema van alle verdere reden is: “Ik en gij. ” Dit thema verkrijgt zijn toppunt in de verzekering van de Heere dat Hij de goede Herder is tegenover de huurling en vooral tegen de dieven en moordenaars, die komen om te stelen en te doden. Wij verdelen de groepen naar de beide feesten, die zij in geschiedkundig opzicht omvatten, in twee afdelingen.
I. Vs. 1 KruisverwijzingenJohannes 4:3→Johannes 7:19→Mattheüs 10:23→Johannes 5:16→Mattheüs 21:38→Johannes 4:54→Johannes 1:19→Handelingen 10:38→
— En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden.
– Hoofdstuk 8:59. Volgens de gebeurtenissen, in het vorig hoofdstuk meegedeeld, op Pasen van het jaar 29 na Christus, heeft Zich Jezus nog een half jaar in Galilea opgehouden. Ten tijde van het Loofhuttenfeest eisen Zijn bloedverwanten van Hem dat Hij Zijn werkzaamheid naar Judea en Jeruzalem verplaatst, opdat Hij door Zijn werken erkend wordt en Hij Zijn rijk als Messias inneemt. Hij weigert zo’n opgaan naar de heilige stad met beslistheid, maar gaat evenwel een korte tijd daarna, omdat Hij weet, wat de wil van Zijn Vader wil is, tot het feest, maar niet in het openbaar, maar als in het geheim. De vijandige stemming van de Joden tegen Hem, die al in Hoofdstuk 5: 16 en 18 het karakter van moordzuchtige haat aannam, had tijd en aanleiding gehad in die zeventien maanden, om voor een betere gezindheid plaats te maken. Nu breekt dit echter uit als een vuur, dat lang onder de as heeft voortgeglimd en opeens door een scherpe windvlaag aangeblazen in heldere vlammen uitslaat.
a. Vers 1-10KruisverwijzingenJohannes 7:8→Johannes 2:4→Johannes 7:30→Johannes 13:1→Johannes 17:1→Johannes 8:20→Mattheüs 26:18→Johannes 15:18→
— En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden. En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij. Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet. Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld. Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem. Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid. De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn. Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld. En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea. Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.
De door Jezus eerst afgewezen voorslag en het later toch door Hem genomen besluit om naar Jeruzalem tot het loofhuttenfeest te gaan.
En hierna wandelde Jezus weer in Galilea, zoals Hij dat vóór de geschiedenis in Hoofdst. 6 had gedaan, want Hij wilde, zoals Hij anders zou gedaan hebben, in Judea niet wandelen omdat de oversten van de Joden Hen probeerden te doden.
De tijd van dit halve jaar, waarop Johannes hier doelt, is aangevuld door de gebeurtenissen, die onze evangeliën-harmonie voorstelde. Er is echter ook in Galilea een werkzaamheid van enigszins andere aard dan de vroegere, die ongeveer tien of elf maanden duurde en genoemd is, op te merken. Ook in Galilea wordt toch sinds de spijziging van de vijfduizend en sinds het gebeurde in de synagoge te Kapérnaüm , het rondtrekken meer en meer tot een soort van vluchtend rondtrekken, totdat de Heere Zich eindelijk geheel en al tot Zijn lijden en sterven voorbereidt en Zijn arbeid ertoe beperkt om de harten op die dicht bijzijnde toekomst voor te bereiden. Het is dus het Paasfeest van het jaar 29, waarop de spijziging van de vijfduizend met de voorvallen in de synagoge te Kapernaüm, die in de vorige afdeling door Johannes zijn beschreven, heeft plaats gehad, dat een beslissend keerpunt in het leven van Jezus was. In geestelijk opzicht was Hij eigenlijk reeds toen een uitgeroeide uit het volk van God, zoals Hij volgens de profetie in Dan. 9: 26 zou worden, in zoverre Hij in de haat van de Joden het niet kon wagen met Zijn discipelen te Jeruzalem het Paasfeest te houden. Terwijl de Evangelist op dezen haat wijst, die de Heere tot het verwijderd blijven van Judea noodzaakte, maakt Hij de overgang tot de volgende geschiedenis. Hij ziet daarmee tevens terug op de geschiedenis die in Hoofdstuk 6 heeft plaats gehad en verklaart vervolgens, waarom wij Jezus, hoewel Pasen, het feest der Joden nabij was (vs. 4) en het nalaten van het pascha houden in de wet met de straf van uitroeiing bedreigd is (Num. 9: 13) toch niet te Jeruzalem als in Hoofdst. 2: 13 vv. vonden, maar in Galilea. Intussen valt juist om deze staat van zaken het pascha van het jaar 29 met zijn zwaartepunt niet naar Jeruzalem, maar naar Galilea, waar reeds een voorspel plaats heeft van hetgeen de Apostel (1 Kor. 5: 7) schrijft: “Ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus” en zo is onze evangelist, die anders slechts Jezus’ feestreizen en wat daarmee samenhangt, ons uit Zijn leven, maar in Hoofdstuk 6 uit Galilea vertelt, in zijn volle recht, als hij juist deze gebeurtenis uit de werkzaamheid in Galilea en wel deze alleen, in aanmerking neemt, want zij neemt de plaats in van de pascha-viering te Jeruzalem.
En het feest der Joden, waarvan in Lev. 23: 33 vv. wordt gesproken, namelijk de loofhuttenzetting, die in het jaar 29 op twaalf tot negentien oktober valt, (vgl. de kalender in het slotwoord op 1 Makk. Nr. 4 a. ) was nabij.
Zo zeiden dan Zijn broers, die van Nazareth naar Kapérnaüm tot Hem waren gekomen om Hem, van wie zij dachten, dat Hij in Zijn werkzaamheid op de verkeerde weg was gekomen, op de juiste baan te brengen, die naar hun mening alleen tot het doel kan leiden tot Hem: Vertrek van hier. Ga uit Galilea, dat toch slechts in een hoek van het heilige land ligt en voor de Messias van Israël de juiste plaats niet is om Zijn heerlijkheid te openbaren. Ga heen in Judea en voornamelijk naar Jeruzalem, de hoofdstad van het land, om U daar weer te vertonen, nadat Gij meer dan vijftien maanden daarvan verwijderd bent gebleven. Dit moet Gij doen, opdat ook Uw discipelen, die Gij van vroeger daar heeft (Hoofdstuk 2: 23; 3: 26; 4: 1) en die het reeds lang U ten kwade duiden, dat Gij U zo geheel aan hen onttrekt, Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet en tot Uw erkenning als Messias bij het volk een beslissende stap doen want wat zal de aanhang, die U hier in Galilea naloopt, baten? Daarop kunt Gij immers nooit steunen?
Want niemand doet iets in het verborgen en probeert zelf, dat men openlijk van Hem spreekt. Niemand, die zelf een openlijke, algemene plaats beoogt, doet wat hem tot die plaats verheffen kan, in een verborgen hoek, waar niemand van degenen, op wier oordeel en medewerking het aankomt, Hem kan zien en opmerken. Gij hebt u echter sinds lang met uw grote wonderwerken werkelijk in een hoek verborgen, toen Gij deze werken in Galilea verspilde. Als gij deze dingen, die Gij gedaan hebt en zeer geschikt zijn om u als Israël’s Messias geloof te verwerven, doet, openbaar U zelf dan aan de wereld; verleg de schouwplaats van Uw werkzaamheid daarheen, waar voor Israël het wereldtoneel is, naar Judea en Jeruzalem, zo zult Gij tot Uw doel komen en spoedig de troon van David kunnen bestijgen, die U immers toekomt.
Met zo’n berispende aanmatigende taal spraken zij tot Hem, zodat zij Hem geheel op dezelfde wijze als de ruwe volksmenigte in Hoofdstuk 6: 14 v. behandelden. Want ook Zijn broers, die Hem onder Zijn bloedverwanten naar het vlees (Rom. 9: 3) het allernaaste waren geloofden niet in Hem. Zij erkenden Zijn goddelijke heerlijkheid niet, dat zij zich voor Hem de Verhevene boven alle mensen ootmoedig zouden hebben gebogen (Hoofdstuk 3: 31; 8: 23). Zij stonden integendeel op hetzelfde standpunt als het volk in het algemeen en zijn oversten (Hand. 3: 13 vv. 1 Kor. 2: 8. ) Het bevestigde zich dus ook aan hen, wat in Hoofdstuk 1: 11 is gezegd (MATTHEUS. 13: 57; 16: 17).
Veel wordt onder de uitleggers gestreden, wie deze ongelovige broers van Jezus eigenlijk zijn geweest en waarin hun ongeloof bestond. Gaan wij van het laatste punt uit, dan is het duidelijk verkeerd om in het woord van de broers niets dan ironie en spot te vinden, zoals bijvoorbeeld Stier het verklaart: “Nu Broer, als Gij werkelijk de Messias bent (wij wachten echter liever, om op de ons dan toekomende eer te rekenen) maak er dan toch eindelijk ernst van en openbaar U!” Het is integendeel de volle ernst van de sprekers met hetgeen zij zeggen; zij nemen Jezus aan als de Messias, maar zoals Hij Zich geeft, willen zij Hem niet aannemen -en schrijven Hem nu de wegen, die Hij moet inslaan, naar hun vleselijken zin voor. Daardoor komen zij onder hetzelfde begrip van ongeloof, dat wij in Hoofdstuk 6 vonden bij degenen, die wel aan de ene kant erkenden: “Deze is waarlijk de Profeet, die in de wereld komen zou” maar aan de andere kant ook beproefden Jezus te vangen en tot koning uit te roepen. Het is hetzelfde ongeloof, dat reeds in Hoofdst. 2: 23 vv. de velen kentekende, aan wie de Heere Zich niet kon toevertrouwen, hoewel zij geneigd waren om Hem om de tekenen, die Hij deed, voor de Messias te houden. Wij mogen echter dit begrip niet nog meer uitbreiden, zoals bijvoorbeeld Hengstenberg doet; dat ook degenen, die reeds tot de twaalf behoorden, onder de sprekers geweest zouden kunnen zijn. Want in naam van de twaalven (afgezien van Judas de verrader) heeft Petrus de belijdenis in Hoofdst. 6: 68 vv. en later die in MATTHEUS. 16: 16 gedaan en de Heere heeft ze daarop als Zijn afgesloten gemeente geconstitueerd. Men doet hun dus onrecht als men het zwakke of klein geloof, dat hen nog aankleeft, als ongeloof voorstelt en hen ook plaatst onder het vonnis in vs. 7 : de wereld kan u niet haten (vgl. Hoofdstuk 15: 19). Omdat nu van de in MATTHEUS. 13: 55 genoemde broers van Jezus drie (Jakobus, Simon en Judas) tot de apostelen behoorden, zoals wij bij MATTHEUS. 10: 4 onder No. 9-11 hebben aangewezen, zo zou voor onze plaats alleen Jozes overblijven, maar van deze kan moeilijk worden gezegd: “Ook Zijn broers geloofden niet in Hem. ” Zo zien wij ons dan verwezen naar de zwagers, of de mannen van de in MATTHEUS. 13: 56 genoemde zusters van Jezus, tot wier kring reeds de hofmeester op de bruiloft te Kana behoord schijnt te hebben 2: 10). Dat deze zeer goed onder de uitdrukking “broers” kunnen worden begrepen, daarvoor pleit de uitgestrekte betekenis van dat woord (Gen. 31: 23 vv. ). De uitgestrekte zin geeft ook een recht om de uitdrukking nu eens van deze, dan weer van die personen op te vatten, zodat, terwijl in MATTHEUS. 13: 5 de broers van Jezus diens neven waren (?) ze hier Zijn zwagers zijn, evenals ook de uitdrukking “discipelen” naar de samenhang moet worden opgevat en nu eens de discipelen in engeren zin of de twaalf apostelen bedoelt, dan weer de aanhangers en navolgers van Jezus in het algemeen (MATTHEUS. 8: 21. Luk. 9: 59). Evenals nu bij Johannes in Hoofdstuk 19: 25 het woord zuster, een aangehuwde zuster betekent, zo ligt het voor de hand om op onze plaats onder “broers” “zwagers” te verstaan; anders is het met de plaats in Hoofdstuk 2: 12.
Jezus dan wees hen niet met een kort woord af, maar verklaarde met vriendelijke neerbuiging de zaak, die hen had bezig gehouden. Hij zei tot hen: Mijn tijd, om dat te doen, waartoe u Mij dringt, namelijk om Mij voor de wereld te openbaren en tot dat einde naar Judea te gaan, zal zeker nog eens komen (Hoofdstuk 12: 12 vv. ), maar is nog niet hier. Ik moet de tijd, die de Vader hiervoor bepaald heeft, nauwkeurig in acht nemen (Hoofdstuk 5: 19 v. 2: 4); maar uw tijd, omdat u zich bij uw besluiten en voornemens door eigen goedvinden en uitwendige omstandigheden laat leiden, is altijd bereid. U kunt dadelijk voortgaan tot volvoering van hetgeen u goeddunkt als slechts de tijd u gepast voorkomt,
De wereld kan jullie niet haten, want jullie zijn nog van de wereld en dan is het woord van toepassing: de wereld heeft het hare lief (Hoofdstuk 15: 18. 1 Joh. 5: 4); maar Mij, die niet van de wereld ben, haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken boos zijn (Hoofdstuk 3: 19).
Gaan jullie volgens jullie plicht (Deut. 16: 16) op tot dit feest, dat door u alleen als een van de drie heilige feesten van Israël kan beschouwd worden. Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd om Mij voor de wereld te openbaren (vs. 4) en door lijden Mijn heerlijkheid in te gaan (Luk. 24: 26), is nog niet vervuld, maar zal pas op het volgende paasfeest zijn (Hoofdstuk . 13: 1).
En toen Hij deze dingen tot hen gezegd had bleef Hij in Galilea, om van daar niet eerder te gaan, voordat de Vader Hem toonde, dat het uur nu daar was en waarheen Hij nu Zijn voet moest wenden.
Maar toen Zijn broers van Kapérnaüm naar Nazareth waren terug gekeerd, zich daar eerst aan een feestkaravaan hadden aangesloten en vervolgens opgegaan waren, toen ging Hij ook zelf op tot het feest. Hij had van Zijn Vader de aanwijzing ontvangen dat de tijd, waarop Hij zou worden weggenomen, wat het begin aangaat, gekomen was en Hij dus nu Zijn aangezicht moest wenden om naar Jeruzalem te gaan (Luk. 9: 51). Hij ging echter niet openlijk, zoals Zijn broers hadden gewild, maar als in het verborgen, als iemand, die alle opzien wil vermijden, om vervolgens opeens en onverwacht uit Zijn verborgenheid op te treden als een profeet, die God gezonden heeft (vs. 14; vgl. 1 Kon. 17: 1).
Porphyrius, een zeer geacht Nieuw-platonisch wijsgeer uit Tyrus, een leerling van Plotinus (geb. 233 en gest. te Rome in het jaar 304 na Christus) haatte het Christendom en probeerde te bewijzen, dat het een geheel onbetrouwbare godsdienst was, vooral Paulus als in tegenspraak met Petrus voor te stellen. Deze heeft van onze plaats gebruik gemaakt om de Heere van onbetrouwbaarheid of ten minste van onbestendigheid te beschuldigen. Hij toch zei tot Zijn broers: “Ik wil niet opgaan tot het feest” (het woord “nog” staat in de beste handschriften niet en is blijkbaar correctuur), terwijl Hij snel daarop werkelijk opging, hoewel “als in het verborgen. ” Om hem die grond tot zo’n verwijt te ontnemen, heeft men later het “niet” in een “nog niet” veranderd, maar daarmee alleen was de gehele zaak bedorven. Want dat kon en wilde Jezus nooit zeggen: “Ik ga nu nog niet op, maar na twee of drie dagen zal Ik gaan. ” Ook kunnen al die verklaringen niet bevredigen, waarbij men of op het woord “feest” of op het “opgaan” de nadruk legt, om dit te verkrijgen dat de Heere slechts een opgaan in de Zin en voor het doel van Zijn broers, een deelnemen aan de feesttochten en de feestviering weigert, maar niet het komen naar Jeruzalem. Integendeel stond voor Jezus, als de broers met Hem spraken, van Zijn kant vast dat Hij niet naar het loofhuttenfeest moest gaan, maar eerst Pasen de voor Hem bestemde tijd was, om Zich weer te Jeruzalem te vertonen. Het gaan daarheen was voor Hem een gaan tot lijden en sterven en dat zijn eerst op het paasfeest worden vervuld; over de tussentijd had de Vader Hem nog niets geopenbaard. Wij hebben dus hier eveneens een beperkt weten van de Mensenzoon, zoals Hij dat in Mark. 13: 32 zelf van zich betuigt Zijn woord: “Ik wil niet opgaan tot dit feest, want Mijn tijd is nog niet vervuld” is ernstig gemeend en Zijn tijdelijk blijven in Galilea van die aard, dat Hij de Vader in de hemel voor het halfjaar tot aan Pasen vrij over Zich laat beschikken. Wanneer Hij nu spoedig daarop Zich uit Galilea verwijdert (MATTHEUS. 19: 1) en Zijn aangezicht straks keert, om naar Jeruzalem te gaan (Luk. 9: 51), dan heeft niet Hij zelf Zijn besluit veranderd, zoals Porphyrius dat voorstelt, maar de Vader in de hemel heeft intussen Hem, die steeds Zijn stappen van boven liet besturen, op het beslissend ogenblik getoond wat Hij doen moest en Hij is alleen de wil van de Vader gevolgd. Ook bij ons heeft het plaats, dat wij wel in het algemeen Gods wil over ons kennen, maar over bijzondere punten is ons voor een tijd nog het juiste inzicht verborgen. Pas op het beslissend tijdstip komt de goddelijke opheldering of besturing van omstandigheden over iets, dat wij vroeger nog niet konden bedenken en zo wordt een verandering van ons oorspronkelijk plan noodzakelijk. Het zou zedelijk verkeerd zijn als wij wilden aannemen dat onze plicht van standvastigheid volstrekt eiste, dat wij bij het oorspronkelijk plan bleven, dat het met het betrouwbare van ons karakter niet overeenkwam van een eenmaal opgevat plan of een gegeven woord af te wijken. Wij zouden met de alwijze en alwetende God gelijk moeten staan als wij in staat zouden zijn dadelijk een voornemen of plan op te vatten, dat onder alle omstandigheden het juiste en beste was en nooit hoefde teruggenomen te worden; het vasthouden aan hetgeen wij later als verkeerd leren kennen, of als strijdend met de goddelijke wil, zou zeker zonde zijn. Evenals er een abstracte rechtvaardigheid is, die, als men haar wetten volgt, juist het tegendeel wordt, zo is er ook een abstracte consequentie, die tot louter onverstand kan worden en tot het plegen van de zwaarste misdaden kan leiden, zoals het voorbeeld van Saul in 1 Sam. 14: 25-26 en van Herodes in Mark. 6: 26 vv. toont. “De standvastigheid van een Christen is even ver verwijderd van eigenzinnigheid als van wankelmoedigheid. Van de eerste, omdat de Christen zijn besluiten, die hij met het oog op de aanwezige omstandigheden nam, onder veranderde omstandigheden uit Christelijke wijsheid eveneens verandert (2 Kor. 1: 15. v. 23; 2: 1) en omdat hij door beter inzien van wat goed en nuttig is, ook bereid is het voornemen op te geven, dat rustte op verkeerd of gebrekkig inzien van het laatste, omdat de verandering van zijn bedoelingen, neigingen en besluiten niet op verstandeloze, onzedelijke luimen of op mensenvrees of liefde tot de wereld rust, maar op verstandelijke en zedelijken grond. Op een standvastig mens kan men zich verlaten, want datgene, waarin hij zijn bedoelingen en besluiten kan veranderen, valt niet in het gebied van datgene, waarop een ander een zedelijk recht, waartoe hij dus een zedelijke verplichting zou hebben. ” Zo hadden de broers van de Heere, omdat Hij tot hen gezegd had: “Ik ga niet op naar het feest” slechts een zedelijk recht daarop, dat Hij Zich nog niet voor de wereld openbaarde en een beslissing tot oprichting van het Messiaanse rijk teweeg bracht, maar wees tevens daarop, dat Hij in geen geval opging, en onder alle omstandigheden in Galilea bleef. De verplichting volgens dat recht heeft Jezus van Zijn kant getrouw gehouden, tot hun bedoelingen is Hij niet opgegaan. Dat Hij later toch nog naar Jeruzalem is gekomen, lag niet, zoals wij boven hebben gezien, in de oorspronkelijke bedoeling van de Heiland, maar was een leiding van de Vader, die Hem pas duidelijk is geworden nadat de broers reeds van Hem waren gegaan. Vatten wij de zaak zo op, de staat Zijn antwoord aan de broers geheel in het licht van het woord: “in Zijn mond is geen bedrog geweest” (Jes. 53: 9. 1 Petrus . 2: 22). De Zoon van God, die in alle dingen, waarin Hij voor ons een voorbeeld moest worden, gelijk aan een ander mens geworden is, is niet op een wijze door het leven gegaan, dat Hij in moeilijke toestanden van Gods verlichting en leiding, nooit nodig had de mededeling van de Vader op het gebed, maar in het volle bezit van de goddelijke wijsheid en alwetendheid altijd reeds vanzelf zou hebben geweten wat Hij moest doen. Zo’n mening wijst Hij beslist af door Zijn woord in Hoofdstuk 5: 19 en is ook niet te rijmen met de stelling dat Hij, hoewel Hij Gods Zoon was, toch in hetgeen Hij heeft geleden, gehoorzaamheid heeft geleerd (Hebr. 5: 8) en maakt Zijn bidden in de nacht, dat aan een werk van de dag van grote betekenis voorafging, zoals vooral de evangelist Lukas ons dat vertelt, tot enkel schijn. Verplaatsen wij ons in de toestand waarin Jezus Zich bevond toen de eis van Zijn broers tot Hem kwam, zo kwam het: “vertrek van hier” bij Hem overeen met de erkenning, dat de tijd nabij was om Galilea te verlaten. Had Hij toch reeds zelf uit het openbaar werken voor het volk Zich in de stilte van de arbeid aan Zijn discipelen moeten terugtrekken, Galilea was Hem door de verkeerde invloed van Zijn tegenstanders en door de geestelijke stompzinnigheid van de grote menigte tot een onrein Egypte geworden, waar Hij niet langer kon blijven. Van de uitgang, die Hij volbrengen zou te Jeruzalem, hadden ook Mozes en Elia op de berg der verheerlijking tot Hem gesproken (Luk. 9: 31). Alzo was hetgeen de broers verder verlangden: “Ga heen in Judea, opdat Uw discipelen Uw werken mogen zien, die Gij doet” zo Hij er naar had gehoord, niets anders geweest dan een bespoedigen van Zijn uitgang te Jeruzalem, die naar de raad van de Vader pas vervuld zou worden op het aanstaande feest, op pasen. Daarom kon Hij van het standpunt van dit menselijk bewustzijn van de broers geen antwoord geven, dan hetgeen Hij hen in vs. geeft. Hij spreekt open en zonder terughouding die gedachten uit, die Hemzelf voor de geest staan en bevatten niet in het minst een reservatio mentalis, of een verborgen gehouden gedachte van die aard, zoals de uitleggers nu zo en dan weer anders Hem proberen toe te dichten. Zonder twijfel had de Heere het plan om na het loofhuttenfeest Zijn arbeidsveld voor de tijd tot aan het naastbij zijnde pascha naar het land aan de andere kant van de Jordaan te verplaatsen, zoals Hij volgens MATTHEUS. 19: 1-20; 17 Mark. 10: 1-31 en Luk. 9: 57, 18: 30 dat later ook werkelijk heeft gedaan. De drie eerste Evangelisten, die deze werkzaamheid in Perea uitsluitend beschouwen, stellen ons de verwezenlijking van Jezus’ eigen besluit, als wij ons zo mogen uitdrukken, voor. Maar – en dit is het, waarmee Johannes aanvullende optreedt -voordat het tot zo’n verwezenlijking zou komen, had Zijn hemelse Vader de Heere Jezus nog een ander buitengewoon werk toegedacht, namelijk het in Hoofdstuk 5 ontstane conflict met de oversten te Jeruzalem in zo’n mate te verscherpen, dat de gedachten van moord, die reeds in de harten waren opgekomen en die geenszins waren uitgestorven, maar voor het ogenblik slechts geslapen hadden en weer waren opgewekt en aangewakkerd (Luk. 5: 17. MATTHEUS. 15: 1) of in hun duivelse aard erkend en door het geloof in Israël’s enigen Helper en Zaligmaker werden overwonnen, of zich nog meer bepaald ontwikkelden en tot werkelijke daad zouden worden. Daarbij toch laat God het met niemand blijven, dat hij met boze gedachten en satanische aanslagen speelt, ze naar welgevallen opvat en naar welgevallen weer terzijde stelt, maar Hij drijft er hem toe, dat hij of bekeerd wordt of in Zijn verderf rent 24: 1). Het gehele volk zou met zijn oversten staan of vallen, zoals dat eveneens een van de goddelijke raadsbesluiten in Zijn regeren van de wereld is, dat de toestand van het hart en de bestraffing ervan bij regenten en onderdanen elkaar de hand moeten reiken (vgl. bij 2 Kon. 21: 9). Wat hetgeen Jezus volgens Hoofdstuk 7: 14-10: 40 op het loofhuttenfeest en het feest van de tempelvernieuwing te Jeruzalem en in Judea spreekt en doet, voor de geschiedenis van Zijn lijden en sterven betekent, wordt door de uitleggers voldoende aangewezen. Hengstenberg bijvoorbeeld zegt: “alles in deze afdeling dient ter voorbereiding van Jezus’ kruisdood. De taal van de Joden is voortdurend toenemend en Jezus wekt die steeds meer als opzettelijk op door het onafgebroken op de voorgrond stellen van de hoogheid van Zijn persoons, die voor de Joden zo aanstotelijk is. ” Als dit zo is, dan moeten wij komen tot het natuurlijke gevolg, dat de Heere zo niet gesproken en gehandeld heeft uit eigen om zo te zeggen menselijken drang, maar dat Hij hier Zich onderwerpt aan een last, die Hem door een bijzondere openbaring van de Vader ten deel is geworden. Zijn opgaan naar Jeruzalem tot het loofhuttenfeest, waarvan Hij de gevolgen duidelijk zag in tegenoverstelling van hetgeen de broers zich daarvan beloofden, heeft zo min in Zijn eigen “Ik wil” zijn grond, dat het integendeel wat Hemzelf aangaat bij Hem is: “Ik wil niet. ” Hij is echter ook hier gehoorzaam geworden; Hij heeft Zich voor de wil van de Vader, die anders luidde, gebogen en een van Zijn zwaarste werken met dit opgaan op Zich genomen, gelijk aan dat, toen Hij Judas Iskariot onder het getal van de twaalf mee opnam Uit (10: 2 onder No. 12). Wij stellen ons de zaak zo voor: Nog aan de avond van dezelfde dag, waarop de broers tot Hem kwamen en na Zijn weigerend antwoord naar Nazareth waren teruggegaan, bracht Hij de nacht door met de Vader, in het gebed. Zijn verder werk, omdat Hij Galilea wilde verlaten, lag Hem op het hart en wel dacht Hij naar Perea te gaan. Maar daar ontvangt Hij de openbaring van de Vader: “niet naar Perea maar eerst naar Jeruzalem, reeds nu gedurende de nabijzijnde feestdag!” Als de Vader Hem daarmee in een toestand heeft gebracht, waarin het al de schijn heeft, als was Hij Zijn eigen, de broers bekend gemaakt voornemen ontrouw geworden, dan is dat ook, zoals alles in Zijn leven, ons ten goede geschied. De bovenvermelde wijze van abstracte gerechtigheid en consequentie heeft voor ons mensen zo’n verblindend schijnsel, dat menig gemoed geheel op haar verliefd en haar tot een godin maakt, waaraan hij alles ten offer brengt, ook het eigen betere weten. Des te meer was het nodig en heilzaam voor ons, dat de Beginner en Voleinder van het geloof eveneens in zo’n toestand Zich bevond, dat Hij de uitwendige schijn van consequentie en standvastigheid ten offer moest brengen om de Vader gehoorzaam te worden. Op welken weg en onder welke omstandigheden de Heere het opgaan tot het feest volbracht, blijkt uit $harmon$ 70-74 van de Evangeliënharmonie. Hij ging werkelijk, zoals de evangelist opmerkt, niet in het openbaar, maar als in het verborgen, hetgeen ons vooral ook bij het onderscheid tussen het gebeurde in Luk. 10: 38-11: 13 en vervolgens in zeer zichtbaar voor ogen komt.
Ons komt het eenvoudiger en juister voor om het: “Ik ga niet op tot dit feest” met v. d. Palm te verklaren: “Ik ga niet op met de menigte van feestgangers; wanneer Ik daarheen ga, ga Ik later en onvergezeld.”
De Heere ging zo verborgen als dit kon geschieden, Zich niet aansluitend aan de tot het feest opgaande gezelschappen, maar alleen met Zijn discipelen. De Heere hield niet van dat woelige, luidruchtige, pralende en schitterende, waar de wereldse mensen zo bijzonder op gesteld zijn. De Heere beminde de stilte, het verborgene en het eenvoudige. Zelfs de loop van de martelaren had meermalen iets heldhaftigs, hetgeen de loop van de Heere niet had. Trouwens men kan door een vuur draven, maar er stapvoets doorheen te gaan is nog iets anders. Bij de Heere Jezus is alles enig, Zijn loop is als de loop van de Zon aan de hemel, statig en heerlijk.
b. Vers 11-36KruisverwijzingenJohannes 8:31→Johannes 8:43→Johannes 14:24→Johannes 10:20→Johannes 11:56→Johannes 9:22→Johannes 19:38→Johannes 5:41→
— De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij? En er was veel gemurmels van Hem onder de scharen. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare. Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden. Doch als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in den tempel, en leerde. En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft? Jezus antwoordde hun, en zeide: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft. Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek. Die van zichzelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem. Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij Mij te doden? De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel; wie zoekt U te doden?
Jezus midden op het feest te Jeruzalem, leert in de tempel en spreekt met de Joden.
Op woensdag de twaalfde oktober was het loofhuttenfeest begonnen. In die tijd was de Heer eerst tot nabij Jericho gekomen, om de terugkomst van de zeventig discipelen af te wachten (Luk. 10: 17). De Joden dan vermoedden zo te Jeruzalem niet dat Hij later zou komen en zochten Hem in het feest. Zij verwonderden zich, dat zij Hem niet in de tempel vonden, zoals zij handen verondersteld en zeiden: Waar is Hij?
Joh. 11: 56.
De uitdrukking “Joden” geeft hier het gehele volk te kennen met insluiting van de oversten. Men zal, omdat wij het recht niet hebben de laatsten in het bijzonder daaronder te verstaan, ook het woord “Hij” niet in verachtelijke zijn mogen opvatten; het werd integendeel door mensen van verschillende richting met verschillend gevoel gesproken. Het woord staat niet zelden om iets bijzonders te kennen te geven: “de beroemde” Jezus werd van alle kanten als een bijzondere persoonlijkheid aangezien, de gedachten van de verschillende richtingen bewogen zich om Hem.
Zoveel had men toch ingezien, dat het van grote betekenis voor de toekomst van het gehele volk moest zijn, of Hij invloed zou hebben of niet. Met grote spanning wachtte men dat Hij iets nieuws zou doen, om een beslissing te bewerken.
Dat Hij nu niet bij het feest verscheen, legde zich als een ban op de harten en maakte dat zij op het anders zo vrolijke feest niet echt vrolijk werden. Inderdaad is geen feest zonder Christus een feest.
Waar is Hij dan? zo zou men ook vaak bij geruismakende kerkelijke plechtigheden, of bij geleerde opgesierde predikingen vragen: waar is Hij, de hoofdpersoon?
a) En er was op deze en de beide volgende dagen veel gemurmel, een half luid, slechts in afgesloten kringen gevoerd spreken van Hem onder de menigte, die uit het gehele land naar de heilige plaats waren samengestroomd. Sommigen zeiden: b) Hij is goed, Hij meent het goed met het volk, zodat dit er slechts geluk en zegen van zou hebben, wanneer het Hem als Zijn Messias erkende; en anderen, die echter het minder deel uitmaken, traden driester en bepaalder met hun oordeel op en zeiden: Nee, maar Hij verleidt de schare. Hij heeft het verdiend dat onze oversten scherp op Hem acht geven.
Joh. 9: 16; 10: 19. b) MATTHEUS. 21: 46. Luk. 7: 16. Joh. 6: 14; 7: 40.
Nochtans sprak niemand van degenen, die het eerste gevoelen waren toegedaan, vrijmoedig van Hem, a) om de vrees van de Joden, de oversten, die de openbare mening beheersten en niet lieten doorgaan wat tegen hun wegen en gedachten was.
Joh. 9: 22; 12: 42; 19: 38.
De vrees voor de Joden was ook de macht, die de tong van de welgezinden bond, ten bewijze hoe weinig ook bij hen het geloof nog was doorgebroken; het waarachtig geloof drijft de vrees buiten.
Nieuwsgierigheid zonder vrucht, onzeker weten en bij degenen, die Jezus toegenegen waren, vrees, om hun mening of neiging te belijden: dat is het wat Israël karakteriseert en tevens een profetie van Zijn gericht is.
Maar toen het nu in het midden van het feest was, op de vierde dag, d. i. op zaterdag 15 oktober, nadat Hij de nacht te voren Zich nogmaals door gebed had gesterkt (Luk. 11: 1), ging Jezus op in den tempel en leerde, omdat het juist feest-sabbat was, over een afdeling van deHeilige Schrift.
Uit de aard van deze dag, die een Zaterdag was, wordt het duidelijk waarom Jezus juist op deze in de tempel gaat en leervoordrachten uit de Schrift houdt, waarom Hij over Sabbatsschennis, waarvan Hij vroeger beschuldigd werd, spreekt (vs. 19 vv. ).
Toen Hij hen leerde schijnt Hij niet van Zichzelf begonnen te Zijn, omdat de Joden daarvan later niets zeggen (vgl. vs. 15); zonder twijfel had Zijn leren betrekking op ontwikkeling van de inhoud van de Schrift vooral van het profetische woord (Luk. 4: 16 vv. ; 24: 27).
De Joden, die misschien al maatregelen genomen hadden om Hem op de karavanenweg te vangen, voelen zich door die mislukking diep teleurgesteld, maar des te meer verbaasd toen Hij daar te midden van het feest onverwacht verscheen. Geen vrees weerhield Hem, wijze bedachtzaamheid had het ogenblik van vertrek bepaald; zondaarsliefde dreef Hem uit, om daar onder die duizenden van Israël een goed zaad te zaaien en zodoende te Jeruzalem een schifting teweeg te brengen.
En de Joden, de Farizeeën en Schriftgeleerden, die Zijn voordracht mee hadden aangehoord en een diepe indruk hadden ontvangen van Zijn diep inzien in het goddelijk woord (Luk. 2: 47; 4: 32. Mark. 1: 22. MATTHEUS. 7: 28 v. ), verwonderden zich en zeiden onder elkaar: Hoe weet deze de Schriften, dat Hij ze op zo juiste wijze weet uit te leggen, omdat Hij ze niet in een van onze leerscholen 2: 45″) geleerd heeft (Mark. 6: 2 v. Hand. 4: 13)?
Dat Hij niet door hun scholen was gegaan wisten de Schriftgeleerden (niemand van hen had Hem onder de menigte van zijn kwekelingen gezien) en merkten zij ook uit Zijn leerwijze op en toch moesten zij Hem voor een Schriftgeleerde erkennen. In plaats dat deze erkentenis, aan hun geweten ontperst, hen nu zou leiden tot de erkenning van Jezus’ geest en persoon, dient zij hun slechts daartoe, om zich pas echt deze ongerechtigde te verzetten. Het verdere van de geschiedenis, waartoe wij spoedig komen, is de allengs voortgaande verstokking van de Joden tegen de waarheid, die zich aan hun weten en geweten openbaart en bovendien ook het oordeel van de verharding; dit zal ons ook verklaren waarom de Heere hen later kinderen van de duivel kan noemen.
Het woord van de Joden is van gewicht tegen oude en nieuwe pogingen om Jezus’ wijsheid af te leiden van de school van menselijke vorming.
Jezus wilde nu een gevolgtrekking voorkomen, die zij reeds op het punt waren te maken, dat Hij namelijk geen leerling was van hun gild, maar slechts van Zichzelf, uit eigen vinding en op eigen macht sprak en daarom een aanmatigend mens was, die geen opmerking verdiende, maar binnen zijn eigen grenzen moest worden teruggewezen. Hij antwoordde hun op hun overleggingen en zei: a) Mijn leer, hoewel de Mijne, omdat Ik ze voordraag en door haar Mij van andere leraars onderscheid, is de Mijne niet, wat de oorsprong aangaat, zodat zij een vrucht zou zijn van Mijn menselijk denken, maar zij is de leer van degene die Mij gezonden heeft. De Vader heeft Zijn woorden in Mijn mond gegeven en daarin gedaan, wat Hij ten opzichte van de in Deut. 18: 15 vv. beloofde profeet heefttoegezegd.
Joh 3: 11; 8: 28; 12: 49; 14: 10, 24.
De Heere wil met dit woord niet alleen zeggen, dat Zijn woord geen uitvinding is van eigen wijsheid, geen verdichting van zuiver menselijke gedachten, maar Hem door God geopenbaard; want dat is ook waar van het woord van de profeten en apostelen en ieder vroom prediker kan dat in zekere zin van Zijn leer zeggen. De Heere wil zeggen, dat Zijn woord gesproken is uit de innigste eenheid met de Vader, uit de diepte van de eeuwige waarheid, die God zelf is, zodat het in de meest eigenlijke zin Gods woord is. En wie dat van Zijn woord kan zeggen, moet in een betrekking tot God staan als geen ander mens; Hij moet de waarheid en het leven zelf zijn.
Nadere verklaring over het geheim van Zijn persoon, van Zijn oorsprong enz. , heeft Hij op deze dag niet gegeven; Hij zegt nu niet eens: Mijn Vader, maar altijd alleen: “die Mij gezonden heeft. “
Jezus doelt in vs. 15 stellig op Zijn aanschouwing van de geestelijke dingen, eer Hij in de wereld kwam (Joh. 3: 11); maar het is ook ontegenzeglijk, dat Hij Zich een bestendige en innerlijke mededeling van Gods gedachte toekende (Joh. 5: 30, 37). Maar buiten Hem waren er ook harten, in wie de Vader sprak. “Is er niet geschreven in uw wet, zo vroeg Hij eens aan de Joden (Joh. 6: 45), dat allen van God geleerd zullen zijn? Welnu, een ieder, die de stem van de Vader hoorde, zou tot Hem komen, het waren de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid, de zielen, die Gods wil wilden doen, zoals die wil aan Israël in de profetie geopenbaard was (Joh. 5: 39-47. Luk. 16: 31). Elke zo gestemde ziel zou zich over de oorsprong van Zijn leer uitspreken. De Joden konden en mochten zich daarover niet uitlaten, want zij wilden de begeerten van de duivel, hun vader, doen. En wat Zijn geestverwanten zouden bekennen, heeft geen opzettelijke aanduiding nodig: de wijsheid zal gerechtvaardigd worden van al haar kinderen (Luk. 7: 35). De goddelijke oorsprong van Jezus’ leer kan dus alleen door Gods leerlingen erkend worden. De tegenstander te bewijzen dat Hij doet wat Hij van Zijn Vader gehoord heeft (Joh. 8: 38) en dat die tegenstander verkeerd oordeelt over de Godsgezant, is vergeefse moeite, hij behoort tot een heel andere wereld. Ten behoeve van de leerlingen van God geeft Jezus echter een maatstaf ter beoordeling van de juistheid van Zijn bewering. “Die van Zichzelf spreekt, zoekt Zijn eigene eer, maar die de eer zoekt van degene die Hem gezonden heeft, die is waarachtig en geen ongerechtigheid is in Hem. Men zou kunnen zeggen dat Jezus hier een zielkundige stelling uitspreekt, ontleend aan de ware wijsbegeerte van de zedelijkheid. Waaraan is de mens te onderkennen, die van zichzelf spreekt, bij zijn spreken van Zijn eigen gedachten en gevoelens, van zijn eigen menselijk, zondig ik uitgaat? Hieraan, antwoordt Jezus, of hij zijn eigene eer zoekt, toejuiching bij de mensen, aards voordeel, wereldse roem. Maar zoekt een dienaar de eer van zijn meesters, een knecht de eer van zijn heren, een boodschapper de eer van die hem de boodschap opgaf, een gezant de eer van zijn konings, dan is hij waarachtig, getrouw aan zijn roeping, gehoorzaam aan de ontvangen bevelen, rechtvaardig in zijn roeping en er is geen onrechtvaardigheid en afwijking van de weg van zijn roeping in hem. In zijn hoedanigheid van gezant moet hij naar dezen regel beoordeeld worden. Het is duidelijk dat Jezus deze algemene stelling in bijzonder opzicht tot Zichzelf uitsprak. Het was dus de grote vraag of Hij Zijn eigen eer zocht; zo nee dan was Hij waar, geheel in overeenstemming met Zijn gezantsplichten, waarom zou Hij deze schenden? Dan was Hij geloofwaardig, waartoe zou Hij de inhoud van Zijn lastbrief andere voorstellen dan hij was? Dan was Hij eerwaardig, want Hij week niet af van Zijn zedelijk ideaal, er was geen ongerechtigheid in Hem. Zo is Hij overtuigd van Zijn eigen zondeloosheid. Maar Zijn begrip daarvan is niet ontleend aan de publieke opinie, aan de zedenleer van zijn tijds, of aan het geweten van de mensheid; Hij heeft het ontleend aan Zijn roeping; het volbrengen van de roeping van God is voor Hem tevens het volbrengen van de wet van God, die van de heiligheid; Zijn toegewijdheid, Zijn overgave aan God kan niet gevonden worden, zolang men Zijn levenstaak niet gevat heeft; Jezus moet met Zichzelf gemeten worden. Maar daaruit vloeit dan ook voort dat Hij woorden spreken en daden verrichten kon, die Hij ter vervulling van Zijn bestemming spreken of doen moest, dus ter betrachting van Zijn levenswet en ter vermijding van enige afwijking, maar die anderen niet mogen spreken of doen zonder zich schuldig te maken aan onwaarheid en ongerechtigheid. Als Jezus dus de eer van Zijn Vaders gezocht heeft, is Hij zondeloos te achten naar Zijn eigen woord; en wie van ons zou durven beweren dat Hij Zichzelf en anderen misleidde, toen Hij in de laatste nacht van Zijn levens voor het aangezicht van de heilige en rechtvaardige Vader betuigde “Ik heb U verheerlijkt op de aarde, Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij te doen heeft gegeven?”
Dat het werkelijk is, zoals Ik hiermee van Mijzelf getuig, zou u snel aan uw eigen hart kunnen ervaren, als het u maar ernstig om een juiste, vaste overtuiging te doen was. Als iemand onder Mijn broeders naar God wil horen en dienswil doen, voor zoveel hij daarvan reeds heeft leren kennen, die zal, hoe oprechter het gemeend is, des te dieper en grondiger in die waarnemingen, die hij maakt, van deze leer bekennen of zij uit God is, een directe van Hem ontvangen gave, dan of Ik van Mijzelf, naar menselijk weten en denken spreek; het eerste zal hem tot een levendig bewustzijn worden (Hoofdstuk 6: 63 en 68).
De “wil van God” bedoelt hier niet het eerst door Jezus geopenbaarde raadsbesluit voor het geloof (Hoofdstuk 6: 40), een beproeven van te geloven is een onding, evenals men ook niet op de proef bidden kan, of het werkelijk zal helpen, of bij wijze van proefneming Jezus kan navolgen, of Hij zich als de Leidsman openbaart. Maar wel beroept de Heere Zich bij aansluiting aan een vroegere grondstelling, op ieder oprechte tot geloof en erkentenis, dat Zijn leer van God is en vervolgens nog veel verder komen zal en moet. Niemand is zo onwetend in de godsdienst, dat hij niet iets van de waarheid zou weten en niemand wordt zozeer door godsdiensttwijfel verontrust, dat hij niet iets als Gods geopenbaarde wil zou erkennen. Nu zegt Christus: als iemand Diens wil doen wil, zoals hij die al heeft leren kennen, die zal gewaarworden enz. Deze wil van God is geopenbaard in wet, profeten en in eigen geweten -voor Israël in de wet en in de daarop rustende boet- en geloofsprediking van de profeten; maar er is ook bij alle heidenen een bewustzijn van God, dat in het praktisch geweten zijn onvernietigbare kern behoudt (Rom. 1: 32). En juist dit is genoeg! De Heere zegt niet: Indien iemand doet; van het doen zelf is eerst nog geen spraak, maar alleen van willen: “zo iemand wil Diens wil doen.
Dat iemand de wil van God wil doen, dat zijn willen en begeren aan de goddelijke wil gelijkvormig is, al is het dat ook in het volbrengen veel zwakheid is, reinheid en oprechtheid van hart, dat lust heeft in Gods wil en wegen, deze eist de Heere als voorwaarde en daarmee zegt Hij niets anders dan in Hoofdst. 3: 21; 8: 47 De zin en wil, geopend voor de goddelijke toespraak maakt het oor van de geest bovendien vatbaar en geopend, zodat hij met zekerheid erkent wat uit God is en aan de samenstemming daarvan met de getuigenis van God in Zijn eigen opgewekt en gereinigd geweten. Dit moet vooral gelden tegenover de betuiging van Jezus, dat zij zich aan het geweten zal voordoen in haar zedelijke reinheid en verhevenheid, waar de mens zich niet moedwillig verhardt en dan zal de toestemming van de erkennende geest snel volgen. Ongeloof en twijfel daarentegen komen voort uit de tegenspraak van het eigen ongebroken hart tegen de waarheid van God.
Op de vraag: is Jezus’ leer uit God? zal menigeen “nee” zeggen, omdat zij bij alle overige geleerdheid en verstand toch eigenlijk niets er van weten en zij daarom ook volstrekt geen gedachte ervan hebben, wat een verantwoordelijkheid zij daardoor tegenover de Heere en de geringste van Zijn dienaren op zich nemen. Er zullen er toch altijd wel zijn, van wie het woord van de Heiland waar is: “Zij weten niet wat zij doen”. Wanneer echter dit “nee” zo hartstochtelijk en vijandig klinkt als hier in de tekst wanneer men het door lastering van de Heere, of van het Evangelie probeert te rechtvaardigen, geloof dan maar zeker dat in die mening zich niet de mening openbaart van een lichtvaardig onverstand, maar men met dat “nee” een kwaad geweten tot rust zoekt te brengen. Niet tevergeefs zegt de Heiland: “Die kwaad doet haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden. ” Tussen zulke mensen en de Heere is niet slechts een verschil van mening, er is een grote kloof geopend. Men heeft zich reeds de vraag voorgelegd: “Wat wordt er van mij, als Zijn woord waarheid is?” Hoe moet de wereld mij aanzien, als Zijn woord het oordeel over mij zal uitspreken? Welke toekomst, wat voor lot moet ik mij voorstellen, als het volgens Zijn bedreigingen gaat? Tot wat een verootmoediging, tot wat een belijdenis, tot wat een veroordeling van al mijn streven tot hiertoe zou ik moeten besluiten, als ik nog enig deel aan Zijn beloften wilde hebben?” En men is tot het besluit gekomen: “daartoe zal het nooit komen. ” Menigeen denkt, dat te willen geloven, zo’n zware zaak is, want men kan geen meester worden van zijn twijfel; maar waarlijk niet te willen geloven is nog veel moeilijker; want de inwendige stem, die de vijand van de waarheid nu eens zachter, dan eens harder toeroept: “Maar het kon toch waar zijn en als het waar was hoe dan?” laat zich nog veel minder onderdrukken. Hoe scherp en vijandig ook het “nee” is, dat hij zich afdwingt, het “ja” dat het geweten ondanks zijn wil gedurig spreekt, laat zich toch nooit geheel verdoven.
Maar daarvoor, dat het laatste niet het geval is, heeft u al een feitelijke getuigenis, die van uw willen niet eerst afhankelijk is. Die van zichzelf spreekt, probeert met hetgeen hij voordraagt zijn eigen eer bij degenen, die hemhoren en hoedt zich daarom ernstig om hen tegen zich verstoord te maken; hij predikt hen naar dat zij het wensen (2 Tim. 4: 3). Maar die de eer zoekt van degene, die hem gezonden heeft, die is waarachtig. Omdat Hij weet dat hij in de dienst van de God van de waarheid staat, legt hij zich toe op de strengste waarachtigheid (1Thess. 2: 3 vv. ) en geen ongerechtigheid is in Hem van die aard, dat hij het recht zou buigen om mensen te behagen (Gal. 1: 10). Daarom moest u, die Gods wil niet wil doen en uzelf daardoor de weg afsluit om de goddelijke, zaligmakende kracht van Mijn leer aan eigen hart te ervaren, ten minste door uw haat tegen Mij zelf verklaren, vanwaar die leer is, die u in verwonderingbrengt; u zou Mij niet haten, als niet de goddelijke oordelende kracht van Mijn leren en handelen u trof (vs. 7).
Dat de Joden het in vs. 17 gezegde praktisch zouden toepassen, kon Jezus nauwelijks hopen. Daarom voegt Hij bij de positieve weg van erkentenis nog een negatief kenteken, dat ook voor het zwakste oog duidelijk was. Die alleen zijn subjectieve meningen op de markt wil brengen, die is het niet om de waarheid te doen, maar om zijn eigen eer. Een van zichzelf spreken is alleen mogelijk bij een gezindheid, die eigen eer of voordeel zoekt. Die daarentegen door Zijn gehele werkzaamheid en door het gevolg daarvan feitelijk toont, dat het hem niet om het Zijne te doen is, die voor Zijn werken niets oogst dan haat en smaad en toch zonder wankelen voortgaat op de wil, het recht en de eer van de Vader te wijzen, die bewijst daardoor dat Hij waarachtig is, dat Hij de waarheid tot inhoud van Zijn wezen en van Zijn leer en dat Hij geen onreinheid in Zich heeft.
Het bewijs dat u, zoals Ik u in het aangezicht moet betuigen, de wil van God niet wilt doen, kan Ik u uit een bepaald feit leveren. a) Heeft Mozes, op wie u als uw hoogste autoriteit roemt (Hoofdstuk 5: 45; 9: 28 v. ), u niet de wet gegeven (Deut. 33: 4. Ps. 103: 7)? Verklaart u nu niet zelf deze wet voor de u geopenbaarde wil van God, die streng moet worden gehouden (Rom. 2: 17 vv. )? En evenwel, niemand van u doet de wet. U luistert niet naar het bevel, door hem over de beloofde profeet in Deut. 18: 15 vv. uitgesproken: Naar Hem zult u horen. U meent integendeel dat u zich alles tegen deze profeet mag veroorloven, zelfs wat ten opzichte van ieder ander mens zware zonde zou zijn (Ex. 23: 7. Hand. 7: 53). Waarom zoekt u Mij, opdat Ik openlijk uitspreken wat in uw harten omgaat, te doden? (vs. 25; 5: 16en 18).
Ex. 20: 1; 24: 3. MATTHEUS. 12: 14. Mark. 3: 6. Joh. 5: 18; 10: 39; 11: 53.
Het is een werk van de liefde, als Jezus de Joden hun moordlust openlijk uitspreekt, of zij misschien voor hun eigen gedachten zouden schrikken en zo van Hem zouden aflaten. Maar zij, die deze gedachte koesteren, willen van hun voornemen niet weten en laten daarom in vs. 20 de anderen voor zich spreken, die werkelijk daarvan niet weten.
De menigte antwoordde en zei: Gij hebt de (beter een) duivel, een onreine geest, Gij zijt bezeten, dat Gij u aan zo’n argwaan zonder enige grond overgeeft (1 Sam. 16: 14 vv. Joh. 8: 48, 52; 10: 20 v. ), wie probeert u te doden? Wij weten er niets van, dat iemand onder ons zo’n voornemen zou koesteren.
Te Jeruzalem was de bedoeling van de oversten geen geheim (vgl. vs. 25); toch is het denkbaar, dat niet de hele menigte van het aanwezige volk van deze plannen onderricht was en daarom kon gevoeglijk uit zijn midden de tegenspraak komen, die wij hier vinden. Want die van de zaak wisten, zwegen en konden het zeer goed zien, dat de overigen de uitgesprokene beschuldiging van de Heere als een misgeboorte van de waanzin behandelden. Dat echter ook deze anderen niets nader aan Jezus stonden, bewijst de ruwe manier van hun tegenspraak.
“Gij hebt een duivel”, dat is het refrein van de Joden, als zij zich in hun geweten getroffen gevoelen en zich op geen andere wijze kunnen redden. In Hoofdstuk 10: 20 zeggen zij: “Hij heeft de duivel en is uitzinnig. ” Deze plaats toont aan, dat het niet slechts een manier van spreken is, als zij Jezus verklaren met een boze geest bezeten te zijn. Zij willen een verwarde toestand te kennen geven, maar leiden die verbijstering af uit het bezeten zijn door een boze geest.
Een prediker mag niet verwachten, dat hij voor de mensen van de wereld gerechtvaardigd zal worden; de bescheidenste klacht is een nieuwe misdaad voor hun geest.
Jezus bemoeide Zich niet verder met hun tegenspraak, die niet bij deze zaak behoorde en slechts ijdele uitvlucht was, maar ging met Zijn woord in vs. 19 verder voort. Hij antwoordde, om Zich te rechtvaardigen over Zijn handelwijze in Hoofdst. 5: 6 vv. waarom zij hem als een doodschuldige sabbatschender vervolgden en zei tot hen: Een werk heb Ik gedaan na de vorige, die Ik bij u te Jeruzalem verrichtte en die u zelf heeft verklaard voor goed en een profeet waardig (Hoofdstuk 2: 23; 10: 32), namelijk dat werk op het feest in Hoofdst. 5: 1 vv. en u verwondert u allen, alsof dat een breken van de sabbat was.
Jezus wil niet zeggen, dat Hij slechts één werk te Jeruzalem had gedaan, maar dat een enkel werk reeds voldoende was, om hen aanstoot te doen nemen; het “U verwondert u allen” is te verklaren volgens Hoofdst. 5: 10 vv. als verwondering over de vermeende sabbatsschennis en dus als ergernis.
De ergernis over dat werk had zich dus toch meer algemeen te Jeruzalem en onder het volk verbreid. Hun ziekelijke toestand werd echter juist daarin openbaar, dat zij allen opzagen en een ophef maakten bij het ene werk van een man, die zo rijk was aan goddelijke werken. De gewaande verkeerdheid in het ene werk dreigt bij hen alles te verduisteren, wat hen ooit met bewondering had vervuld; maar ook dit gebrek is een misgeboorte van hun waan.
Maar hoe is het met het sabbatsgebod? Is het werkelijk, zoals u tegenover Mij voorgeeft het allerhoogste gebod, waaraan alle andere ondergeschikt moeten worden gemaakt, wanneer een conflict plaats heeft. Zie dan: Daarom heeft Mozes, voor wiens sabbatsgebod u zozeer ijvert in zijn verordening Lev. 12: 3, jullie de besnijdenis gegeven, niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen; hij toch gaf u in die verordening niet een nieuw gebod, maar bevestigde een gebod, dat al in de dagen van de vaderen was gegeven (Gen. 17: 12) en onderwierp zich daaraan en u besnijdt een mens op de sabbat. Als bij een jongetje de achtste dag na zijn geboorte op een sabbat valt, waarvan Mozes heeft verordend: u zult geen werk doen (Ex. 20: 10), laat u toch zonder enige bedenking die handeling plaats hebben, omdat u wel weet, dat het gebod van de besnijdenis hoger staat dan dat van desabbat en dit voor het andere moet wijken.
Als nu in de door uzelf volbrachte handeling een mens de besnijdenis ontvangt op en sabbat, hoewel dat toch zeker het doen van een werk vordert en als dit niet plaats heeft naar iemands gedachte, maar nauwgezet en altijd opdat de wet van Mozes, die de achtste dag vaststelt, zonder de sabbat uit tezonderen, niet gebroken wordt, zoals bij een uitstellen van de handeling zou geschieden, bent u boos op Mij, dat Ik, terwijl de besnijdenis op één lid betrekking heeft, een heel mens, die achtendertigjarige zieke (Hoofdstuk 5: 6 vv. ) aan zijn hele lichaam gezond gemaakt heb op de sabbat? Meent u, dat zo’n werk op deze dag had kunnen worden nagelaten en wat Ik daarop verricht heb, een verkeerd werk zou zijn?
Met een voorwaarts wijzen “daarom” (vs. 22) begint Jezus de verwondering, die Zijn genezing op de Sabbat algemeen heeft teweeg gebracht, als ongegrond voor te stellen en wel door de analogie van de besnijdenis, die toch op een sabbat plaats had, krachteloos te maken. In plaats van eenvoudig te zeggen: “Omdat die van de vaderen afkomstig is”, drukt Hij de hoofdreden, die voor de bewijsvoering zeer belangrijk is en met een daarom is ingeleid, negatief en positief uit en zegt: “Daarom gaf Mozes u de besnijdenis, niet omdat zij uit Mozes is, maar omdat zij van de vaderen afkomt en zo besnijdt u dan enz. ” Deze stelling dient om de besnijdenis, hoewel door Mozes en de Wet van de Joden als goddelijk geboden en zo als rituele instelling gegeven, toch naar de oorsprong niet als een Mozaïsch, maar als een oud-aartsvaderlijk, reeds van Abraham afkomstig instituut voor te stellen; want hierin ligt de grond van het historisch recht daarvoor, dat de wet van de besnijdenis boven de sabbatswet gaat en daarom de sabbatsrust voor de besnijdenis moet wijken. Ook bij de rabbijnen wordt de stelling circumcisio pellit sabbatum (de besnijdenis dringt de sabbat terug) daardoor gewettigd, dat zij overlevering van de vaderen is.
De verwondering van het volk over de genezing op de sabbat rustte op een valse waardering van de sabbat, vgl. MATTHEUS. 12: 5.
De Heere noemt Abraham niet, maar zegt in het algemeen: zij, de besnijdenis, komt van de vaderen, omdat daardoor het onderscheid tussen de patriarchale tijd en die van de wetgeving scherper op de voorgrond treedt. In de eerste liggen de wortels van Israël; die tijd was de tijd van het verbond van de genade en de belofte. Als uit een hogere ordening is het gebod van de besnijdenis in de wet van Mozes gekomen en deze oorsprong is nog daarin zichtbaar, dat de mindere ordening door die hogere wordt gebroken en dat Mozes zelf die verbreking sanctioneert. Het is dus niet maar een historische mededeling, die de Heere invlecht, dat de besnijdenis niet uit Mozes, maar uit de vaderen is; het laatste is de reden van haar opname in de wet van Mozes en stelt haar onverbrekelijke waarneming vast, ook waar zij met het gebod van de sabbat schijnt te strijden. Het is van belang om dit duidelijk voor de aandacht te houden; want zoals God met Zijn instelling van de besnijdenis niet kan worden beperkt door een wet, die met haar in strijd schijnt te zijn, zo kan ook het werk van de Zoon tot zaligheid daardoor niet beperkt Zijn (Hoofdstuk 5: 17). Nu wordt daar zowel als hier gehandeld over werkzaamheid tot zaligheid; maar terwijl die in de besnijdenis slechts bij wijze van voorbeeld en gedeeltelijk plaats vindt, omvatte de daad van de Heere de gehele mens en herstelde Hij die weer uit een langdurige ziekte.
Om het slot in vs. 23 goed te begrijpen, moeten wij bedenken dat in de beide met elkaar vergeleken handelingen, de besnijdenis en het wonder van de genezing van Jezus, een fysische daad en een geestelijke werking ligt. Bij de eerste bestaat de fysische daad in een gedeeltelijke, plaatselijke reiniging, de geestelijke werking is het intreden in de voorafbeeldende verbondsgemeenschap; bij de tweede is de fysische daad volkomen herstelling van de gezondheid en het geestelijk doel de werkelijke heiliging van de persoon (vgl. Hoofdstuk 5: 14). In beide opzichten is de hogere waarde van de tweede handeling onbetwistbaar.
a)Oordeel niet, zoals u bij zo’n mening doet, naar het aanzien, naar de schijn, zoals de zaak u uitwendig in het oog valt, maar oordeel een rechtvaardig oordeel. Luister naar de stem van uw eigen geweten, dat u leert, dat hier een goed, heilzaam werk tot stand gebracht is, dat hoe eerder hoe liever moest plaats hebben, om de in Lev. 19: 18 bevolen liefde uit te oefenen (Zach. 7: 9).
Deut. 1: 16, 17. Spr. 24: 23. Jakob 2: 1.
Naar de uiterlijke schijn kwam die daad van Jezus aan de Joodse wijze van beoordeling zeker als sabbatsschennis voor; maar de rechtvaardige beoordeling was die, waartoe Hij hen zo-even had geleid.
De boze, de vijandige oordeelt steeds naar de schijn; een rechtvaardig oordelen is alleen bij de vrienden van God.
Met dit woord in vs. 24 had de Heere Zijn toehoorders laten gaan. Deze spraken nu buiten in de voorhof over hetgeen zo-even besproken was. Sommigen dan uit die van Jeruzalem, die het grote woord voerden, als inwoners van de grote stad, zeiden: Is deze niet die onze oversten, toen Hij vroeger hier was, belaagden (Hoofdstuk 5: 16 en 18) en die zij proberen te doden?
Die in Jeruzalem woonden, waren natuurlijk beter bekend èn met het vroeger voorgevallene met Jezus te Jeruzalem èn met de moorddadige plannen van hun overheden dan de andere Joden, die uit andere plaatsen van Judea, of uit Galilea op het feest aanwezig waren en die meenden dat Jezus iets uitzinnigs zei, toen Hij betuigde, dat men Hem wilde doden.
En zie, Hij spreekt heden, nu Hij Zich weer heeft laten zien en horen, vrijmoedig, geheel open uit, wat men tegen Hem voorheeft en bestraft daarover Zijn tegenstanders als verachters van de wet (vs. 19) en zij zeggen Hem niets, als was Hij iemand die ook de wachters van het heiligdom niet durfden aangrijpen. Zouden nu wel de oversten, terwijl zij Hem vroeger als sabbatschender moesten vervolgen, echt weten, dat deze echt, zoals Hij zegt, de Christus, de Messias is (Hoofdstuk 1: 41).
Het dubbele “echt” bewijst dat zij eisen hebben over de kwalificatie van Messias, die zij in Jezus niet vervuld zien. Zoals de rabbijnen in vs. 15 de Heere verwijten, dat Hij niet in de scholen geleerd heeft en gepromoveerd is, werpen zij van hun kant Hem in vs. 27 voor, dat Hij van mindere afkomst is.
De Joden wisten van Jezus leer niet, vanwaar Hij die had, al beeldden zij zich in dat Hij die zelf zou hebben uitgevonden; zo wisten zij ook van Zijn persoon niet, vanwaar Hij was, hoewel zij zich verbeeldden het te weten. Om die eerste inbeelding namen zij zijn leer, om dat ingebeelde weten namen zij de persoon niet aan.
a)Maar dat kan toch onmogelijk het geval zijn, want van deze weten wij van waar Hij is; namelijk uit Galilea, vanwaar geen profeet opstaat (vs. 52), maar de ware en wezenlijke Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, vanwaar Hij is.
MATTHEUS. 13: 55. Mark. 6: 3. Luk. 4: 22.
Deze woorden kunnen natuurlijk geen tegenspraak zijn van de afstamming van de Messias van David en uit Bethlehem, die zo nadrukkelijk door de Heilige Schrift is meegedeeld en door de gehele natie werd erkend (vs. 42. MATTHEUS. 2: 5 vv. ). Zij wijzen daarentegen, in volkomen overeenstemming met het Oude Testament daarop, dat de Messias naast deze natuurlijke een bovennatuurlijke wijze van bestaan zou hebben; dat in Zijn bestaan iets zou liggen, dat onvoorwaardelijk boven alle menselijke factoren verheven is – een verschijning of persoonlijkheid, waarvan niemand weet, vanwaar die is, is een zodanige, die geheel uit het natuurlijk causaal verband uittreedt (vgl. Jes. 53: 2, 8. Mal. 3: 1. Dan. 7: 13). Van die wonderbaren, uit natuurlijke oorzaken onverklaarbare aard kunnen zij in Jezus niets ontdekken; alles scheen hen ordinair te zijn en zelfs ver te blijven achter de grenzen van zuiver menselijke verhevenheid (vgl. Hoofdstuk 6: 42). De enige fout in hun redenering was dat zij onbekwaam waren de verborgen heerlijkheid te ontdekken.
Ten opzichte van het optreden van Christus hadden zich door velerlei invloeden verschillende meer of minder fantastische verwachtingen bij de Joden gevestigd; bovendien vormen mensen, zoals hier het woord voeren, zich graag dadelijk naar ogenblikkelijke behoefte een inzicht, als er van een stoute ontkenning sprake is.
Om hun eigen ongeloof te rechtvaardigen werpen zij een zwarigheid op. Zij verwarren, zoals gewoonlijk de ongelovigen doen, het goddelijke met het menselijke. Naar Zijn goddelijke afkomst zou de Messias evenals Melchizedek geen geslachtsrekening hebben, maar naar Zijn mensheid zou Hij de Zoon van David Zijn.
Dat Jezus zo vrij uit en zo in het openbaar predikte, trof sommige bewoners van Jeruzalem. Omdat zij de bedoeling van de priesters beter kenden dan de menigte, die van het land kwam, stonden zij gereed om gevolgtrekkingen ten gunste van Jezus uit dit verschijnsel af te leiden; maar een bedenking weerhield hen. In die tijd toch was de mening algemeen verspreid, dat de oorsprong van de Messias geheel onbekend moest zijn. Een spoor van dit gevoelen vinden wij bij Justinus terug, die deze woorden in de mond van de Jood Tryphon legt: “De Christus moet zelfs na zijn geboorte onbekend blijven en Zichzelf niet kennen en zonder enige kracht zijn, totdat Elia plotseling verschijnt, Hem zalft en allen openbaart. ” Dit denkbeeld stond wellicht met de voorspellingen in verband, die de diepe vernedering beschreven, waartoe het geslacht van David tijdens de geboorte van Jezus vervallen zou zijn. Ongetwijfeld wist men zeer goed dat de Messias te Bethlehem geboren zon worden, maar het duidde hier niet de plaats, maar de bloedverwanten, het gezin aan; en die hier spreken zijn van mening, dat zij de oorsprong van Jezus in dit opzicht zeer goed kennen, vgl. Hoofdst. 6: 42 Zo offeren zij de zedelijke indruk, die de persoon en het woord van de Heer op hen gemaakt had, aan een zuivere kritische bedenking op; voorwaar een zeer verkeerde weg om tot de waarheid te komen!
Jezus dan ging eveneens uit de synagoge in de voorhof en hoorde daar de aanmerkingen van de mannen van Jeruzalem over Hem. Hij riep daarop in de tempel 1) en maakte het: van deze weten wij waar Hij is tot een uitgangspunt om Zichzelf nader te openbaren, lerend en zeggend: En u kent Mij en u weet vanwaar Ik ben, namelijk in zoverre uw vleselijke ogen en uitwendige zinnen reiken. Maar aan de andere kant van die lijn ligt nog veel. En zoals Ik vroeger (vs. 15 vv. ) tegenover uw mening over de oorsprong van Mijn leer kon betuigen, dat ik niet van Mijzelf spreek, zo betuig Ik nu ook tegenover uw mening over de oorsprong van Mijn persoon: Ik ben a) van Mijzelf niet gekomen; b)maar, in onderscheiding van die fabel-en nevelachtige hemel, waarvan u een evenzo fabel- en nevelachtig verschijnen van uw Messias verwacht, betuig Ik: Hij is waarachtig, als zender van de Christus, die Mij en geen ander gezonden heeft, welken Waarachtige jullie niet kennen 2), hoezeer u zich ook beroemt Hem te kennen (Hoofdstuk 8: 19 en 54 v. ).
Joh. 5: 43; 8: 42. b) Joh. 8: 26. Rom. 3: 4.
De eerste Evangeliën spreken slechts eenmaal van “roepen” van Jezus, namelijk aan het kruis (MATTHEUS. 27: 50. Mark. 15: 37). De gevoelvolle en daarom voor uitingen van gevoel zeer vatbare Johannes vermeldt daarentegen meermalen (vs. 37. Hoofdstuk 11: 43; 12: 44) het roepen van Jezus.
Een smartelijk, een weemoedig roepen! Zo droeg Christus Zijn smarten over hun verblinde toestand, over hun verblind gedrag.
Het is een klaaggeschrei, dat Jezus hier in de tempel laat horen, maar Hij deed het “lerend”, zegt de Evangelist, want “Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen” (MATTHEUS. 12: 19).
De eerste woorden: “Ja, u kent Mij en u weet, van waar Ik ben” zijn niet, ook in het minst niet honend of ironisch te begrijpen, hetgeen bij Zijn feestelijke stemming en liefdevolle ernst niet zou passen. Hij geeft hen integendeel toe, dat zij in zekere zin werkelijk Zijn oorsprong kenden, voor zoverre Hij waarlijk mens en Davids Zoon was. “En toch ben Ik van Mijzelf niet gekomen”, zo gaat de Heere voort, “ondanks deze u wel bekenden oorsprong ben Ik toch van God uitgegaan; ” maar dat hun dit niet bekend was, dat was aan hun eigene vervreemding van God te wijten.
Zoals Jezus niet van Zichzelf spreekt, zo is Hij ook niet van Zichzelf, d. i. niet op eigen hand, naar eigen willekeur gekomen, maar als een Gezondene. En Hij, die Hem gezonden heeft, is een zodanige, die macht en bevoegdheid heeft, als geen ander om te zenden; door Hem gezonden te zijn, verleent daarom ook onvoorwaardelijke: aanspraak op geloof en gehoorzaamheid.
Maar a)Ik ken Hem, want Ik ben van Hem (Hoofdstuk 6: 46) en Hij heeft Mij gezonden.
a)Joh. 10: 15.
Tegenover het niet kennen van God, dat Jezus de Joden verwijt, plaatst Hij het innerlijk bewustzijn, dat Hij zelf van God en van Zijn betrekking tot Hem heeft. Deze betrekking is tweevoudig van aard; zij ziet op Zijn wezen en op Zijn zending. De uitdrukkelijke onderscheiding, die Jezus tussen deze beide afhankelijke versleden maakt, veroorlooft ons niet het eerste verslid op de zending te doen zien. Jezus verzekert dat Hij God kent, ten eerste krachtens de wezensgemeenschap, die tussen hen beide bestaat, vervolgens wegens de goddelijke oorsprong van Zijn zending. De gezant gaat vertrouwelijk met Zijn Zender om en kent Hem daarom. Daaruit volgt dat Hij de Messias is, maar in een veel verhevener zin dan de Joden aan dit woord hechten.
De Heer was de Gezondene van de Vader en voelde Zich alleen in deze waardigheid en wilde Zich alleen in deze waardigheid erkend hebben. Was deze eis te groot? Nee, hij was klein; de kleinste, die Hij doen kon en die Hij juist, omdat Hij de kleinste was, deed, opdat er geen verontschuldiging voor het ongeloof zijn zou; immers Zijn wonderen waren de sprekendste getuigen van Zijn goddelijke zending. Van Zijn discipelen vroeg Hij meer. Deze moesten Hem ook erkennen als de Christus, als de Geliefde van de Vader, als de enige Behouder en Zaligmaker als de Heer der heerlijkheid, die jullie niet kennen. Dit is een hard woord, maar de waarheid, die de mens aan zichzelf ontdekken moet, kan niet zacht zijn. Het instrument, waarmee een heelmeester de insnijding doet moet scherp zijn. Maar Ik ken Hem. Een scherpe tegenstelling; het is de volle middagluister tegenover middernachtelijk duister. Want Ik ben van Hem. Een woord van oneindige inhoud, dat de eeuwige geboorte van de Zoon uit de Vader verkondigt. De Heere laat meermalen woorden vallen, waarin het geloof zich verlustigt als in onmetelijke schatten, die de Heere echter voor het volk meteen weer met eenvoudige woorden bedekt. “En Hij heeft Mij gezonden. ” Dit was echter, zoals wij opmerkten, de eenvoudigste vorm, waarin de Heere der heerlijkheid Zijn persoonlijkheid kon verbergen; nochtans moeten wij er bij opmerken dat de Heere Zich nooit opzettelijk de Gezondene van God, maar de Gezondene van de Vader noemde. Het is een treurige en aanstotelijke misgreep bij degenen, die gedurig spreken van de betrekking van de Heere tot en van Zijn gehoorzaamheid jegens God; de Heere daarentegen sprak altijd van Zijn betrekking tot en van Zijn gehoorzaamheid aan de Vader en ook de apostelen spraken niet van de God van de Heere Jezus Christus, maar van dan God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Wij moeten voor fijne onderscheiding een fijn gehoor hebben. Juist in de fijnste onderscheidingen liggen de wezenlijkste verschillen.
De tegenstanders uit Jeruzalem (vs. 25 vv. ) merkten bij de woorden van de Heere wel op, in welke verhouding Hij Zich tot God plaatste en daarom achtten zij zich gerechtigd Hem aan hun oversten als een godslasteraar over te leveren (Hoofdstuk 5: 18). a) Zij probeerden Hem dan te grijpen; maar niemand van hen sloeg evenwel de hand aan Hem 1) om zich van Hem meester te maken, want Zijn uur, dat volgens Gods raadsbesluit eenmaal zou komen, wanneer Hij aan Zijn vijanden zou worden overgegeven (Luk. 22: 53), was nog niet gekomen 2).
Mark. 11: 18. Luk. 19: 47; 20: 19. Joh. 7: 19; 8: 37.
Zozeer hield de Geest van Zijn majesteit hem gebonden, en daardoor waren deze, die Hem om Zijn afkomst veracht maakten (vs. 27), juist het meest gepast bestraft.
Deze woorden Zijn voor alle dienaars van Christus zeer vertroostend. Evenmin als iemand het Hoofd een haar krenken kon, evenmin de leden voordat het uur gekomen is. En is dit gekomen, dan mogen zij evenwel van goede moed zijn; want ook dan zijn zij niet in de hand van de mensen, maar in de hand van God.
a) En velen uit de menigte, uit de klasse van hen, die reeds in vs. 12 het oordeel hadden geveld: Hij is goed geloofden in Hem, dat Hij waarlijk de Messias was (Hoofdstuk 2: 23) en zeiden onder elkaar: Wanneer de Christus gekomen zal zijn, die onze tegenpartij (vs. 27) in een andere verwacht en waarvoor zij deze Jezus van Nazareth niet wil erkennen, zal Hij ook meer tekenen doen, dan degenen die deze gedaan heeft, die met zo’n goddelijke kracht de handen van de tegenstanders verlamt?
Joh. 8: 30.
Waar de harten zich oprecht tot de Heiland overbuigen, daar is ook een zegen van geloof; hoewel nog zo klein en met veel donkerheid omgeven.
Bij deze “velen uit de menigte” werd dus bevestigd wat de Heere in vs. 7 gezegd had.
De Farizeeën hoorden dit de menigte dit, wat in vs. 31 is meegedeeld, van Hem mompelden 1), dat in kleine kringen, die zich vormden, halfluide en verborgen de een tegen de ander zich uitte. En de Farizeeën en de Overpriesters, of de medeleden van de Hoge raad zondendienaren, gerechtsdienaars, opdat zij Hem grijpen zouden 2).
De Hoge raad moet juist vergaderd zijn geweest, dat de Farizeeën, als zij horen hoe het volk zo met bijval van Jezus spreekt, meteen een besluit tot gevangenneming konden bewerken. De zaal van de zitting, zo hebben wij hij Matth. 4: 7 en 27: 1 opgemerkt, bevond zich toch ook inderdaad geheel in de nabijheid van de schouwplaats, in een vrije, door een muur omgevene ruimte, die tot de buitenste voorhof behoorde. Als er nu in de grondtekst woordelijk staat: “En de Farizeeën hoorden het volk hoe het dit van Hem mompelden” dan verkrijgen wij dadelijk de voorstelling, dat zich enigen van hen onder de volksmenigte bevonden en zo met eigen oren hoorden. Intussen laten de woorden nog een andere verklaring toe, volgens welke Luther vertaalt: het kwam voor de Farizeeën enz. , dat tussenpersonen hun de zaak aanbrachten. Dan maakten zonder twijfel zij de tussenpersonen uit, die in vs. 30 deden alsof zij Jezus wilden grijpen, maar voor het ongenaakbare van Zijn heilige persoon terug schrokken en daarom nu liever tot de regerende autoriteiten hun toevlucht namen. Omdat zo de aanleiding tot het bevel van de Hoge raad om Jezus gevangen te nemen uitgaat van de Farizeeën, is de laatste aangewezen met de uitdrukking “Farizeeën en Overpriesters”, terwijl in vs. 45 en Hoofdstuk 11: 57 de Overpriesters vooraan staan en Hoofdstuk 12: 10 echter alleen de Overpriesters genoemd worden.
Evenals in Luk. 22: 52 volgden ook enigen van de medeleden van de raad de knechten op de voet, om te zien welk gevolg hun zending zou hebben. Daarom is, evenals in MATTHEUS. 26: 55 de latere rede van de Heere niet zozeer tot de gerechtsdienaars, maar tot hun meesters en in deze tot het gehele volk, dat in vs. 13 met de uitdrukking “Joden” wordt aangewezen, gericht. Van de gerechtsdienaars zelf wordt ons in deze afdeling niets naders bericht, maar pas in vs. 45 vv. begint de Evangelist weer van hen te spreken. In ieder geval hield het hun gegeven bevel niet in de Heere onder alle omstandigheden gevangen te nemen, maar zij moesten zich maar eerst onder de volksmenigte mengen en van een gunstig ogenblik gebruik maken, waarop Jezus Zich zou blootstellen en de wind van de openbare mening zich tegen Hem zou keren, om Hem dan te grijpen.
Jezus dan zei tot hen, tot de Joden, die zich aan Hem ergerden: a) Nog een kleine tijd ben Ik bij u en Ik ga, als de tijd van Mijn zending is afgelopen, van u weg; Ik ga heen, tot Degene die Mij gezonden heeft. U hoeft zich dus niet te vermoeien Mij van u te drijven; ook zal al die moeite, zolang Mijn tijd nog niet vervuld is, tevergeefs zijn.
En als Ik, wanneer die vervuld zijn, van u zal zijn weggegaan, zal uw lot zijn: u zult Mij zoeken en u zult Mij niet vinden (vgl. Spr. 1: 23 vv. Amos 8: 11 vv. Jes. 8: 22) en waar Ik dan ben kunt u niet komen 2) (Hoofdstuk 8: 21; 13: 33).
Jezus wijst hen erop, hoe dwaas het van hen gehandeld is, dat zij Zijn slechts korte tegenwoordigheid bij hen niet beter gebruiken, dat zij die uit de weg willen ruimen, die hen toch snel genoeg zal verlaten. Met Hem zal echter alle zegen van hen wijken, zodat ze dan alle reden zullen hebben om Hem met smartelijk verlangen terug te wensen. De tragische kracht van deze rede ligt in de gedachte: nadat zij Hem, de aanwezige, vervolgd en gedood zonden hebben, zouden zij de afwezige terug wensen, maar tevergeefs, die kracht mag men niet daardoor verzwakken, dat men de woorden van Zijn persoon losmaakt en op Degene, die in Zijn persoon hun was aangeboden, op de Messias overbrengt. Ook dat is nog niet volkomen juist, als men op de grote nood wijst, waarin zij zonden raken en die hun aanleiding genoeg zou geven om de Christus, die zij nu niet langer onder zich willen dulden, wiens tegenwoordigheid hen onverdraaglijk was, terug te wensen. Daarentegen geeft ons het Hooglied hier de juiste opening, tot welks juist verstaan Hengstenberg met het oog op de plaats aldaar: Hoofdst. 5: 2 vv. de sleutel aan de hand geeft, als hij spreekt: Juist met het: “Ik ga heen” dat aan die plaats ontleend is en aan de woorden van Christus bij Johannes eigenaardig is, heeft Jezus zelf Zich als de bruidegom van het Hooglied en het Joodse volk als de bruid voorgesteld – maar toch door middel van die stelling, dat in Israëls plaats de Christelijke kerk is gekomen, het gebruik van deze sleutel zich onmogelijk gemaakt. In vs. 6 zegt daar Sulamith: “Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, hij was doorgegaan, mijn ziel ging uit vanwege zijn spreken; ik zocht hem, maar ik vond hem niet, ik riep hem, maar hij antwoordde mij niet. ” In het voorgaande vers heeft zij gezegd: “Ik stond op om mijn Liefste open te doen; en mijn banden drupten van mirre en mijn vingers van vloeiende mirre op de handhaven van het slot. ” Daarin, zo zegt de genoemde uitlegger zeer treffend, openbaarde zich de barmhartigheid van de Heere jegens Zijn volk in haar gehele uitgestrektheid, dat de verstoting daarvan pas dan plaats had, als door de heerlijke betoningen van de versmade, de prikkel van het verlangen in het hart van Zions dochter was gekomen: Ja, zo gaan wij voort, Israël weet het in het diepst van zijn ziel zeer goed, hoewel het ook dat noch zichzelf, noch anderen wil bekennen, dat die Jezus van Nazareth, die het heeft verworpen, toch Zijn enige en ware Heiland is. De handen druipen Sulamith van de mirre, die haar bruidegom aan de deur van haar tent heeft achtergelaten, als Hij Zich niet zonder meer liet afwijzen en Zijn hand door het gat stak. Zij kan haar vinger niet bevrijden van de vloeiende mirre, die van de grendel, aan het slot zich aan haar gehecht heeft. Zij is daarmee verzegeld tot de dag, waarvan Paulus in Rom. 11: 25 vv. en 2 Kor. 3: 16 spreekt. De schrijver hiervan heeft vroeger in een van de onder Zijn opzicht staande scholen een Jodenmeisje gekend; het leerde ijveriger en beter dan vele Christenkinderen van haar klas de bijbelse geschiedenis en de catechismus en als de zogenaamde kinderpreek in de kerk werd gehouden, wilde zij gewoonlijk niet wegblijven. Wat zij het best onthield en waaraan haar hart het meeste hing was de geschiedenis van onze Heere en Heiland Jezus Christus in haar gehele omvang: zij gaf daarover antwoorden, waarover men zich moest verwonderen. En wat is de kerstboom, welke ook in Joodse huizen op Kerstmis wordt aangestoken anders dan een vervulling van hetgeen de Heere hier zegt: “U zult Mij zoeken en niet vinden?”
Hier is de tegenwoordige tijd gebruikt, omdat de Heere Zich, zoals reeds bij het “Ik ga heen, ” de zaak, waarvan Hij spreekt, levendig voorstelt. De plaats of de toestand, die Hij op het oog heeft, verklaren de uitleggers meestal met de hemel of de heerlijkheid, zodat de Joden de mogelijkheid werd afgesneden, Hem in de hemelse zaligheid te volgen, waar zij zonder Hem moeten zijn. Intussen is veelmeer uit vs. 33 : “Ik ga heen tot Degene, die Mij gezonden heeft” bij het: “Ik ben” aan te vullen “bij God. ” Terwijl Hij heengaat tot die, vanwaar Hij gekomen is, blijven zij op aarde, of in de wereld achter en terwijl Hij voortaan bij God is, zijn daarentegen zij verre van God, in het van God verlaten zijn. Pas zo verklaard kan het gezegde in een zekere gelijkheid, hoewel in een veel meer beperkte mate ook op de discipelen worden toegepast (vgl. Hoofdstuk 17: 11 en 24), zoals de Heere in Hoofdst. 13: 33 v. doet. Wat Luther bij onze plaats zegt, is tegenwoordig nog veel sterker uit te spreken: “Deze zijn verschrikkelijke woorden; ik lees ze niet graag. Wij moeten niet denken dat het Evangelie, dat wij nu hebben, eeuwig bij ons zal blijven; zeg het mij hoe het over twintig jaren zijn zal. Als deze vrome, rechtschapen predikers dood zullen zijn (Openbaring . 11: 7 vv. ), dan zullen er anderen komen, die dan zullen prediken en handelen, zoals het de duivel behaagd; het woord kan niet lang staande blijven, want de ondankbaarheid is te groot, zo maakt verachting en vijandschap dat het weg moet en God het ten slotte niet kan aanzien. Maar het is met de wereld niet te veranderen, zij gelooft het niet. De Joden hebben desgelijks gedaan: Christus, Gods Zoon kwam zelf, daarna de apostelen en waarschuwden hen, maar zij geloofden het niet. Zo zal het ook in ons vaderland gaan, wij zullen het ondervinden. Binnen tien jaren, zo profeteren ons de herauten van de goddeloosheid in onze tijd, zal het zo ver komen dat de Staat het geloof in Christus als de Zoon van God als een misdaad zal straffen. – Zouden zij misschien gelijk hebben (Openbaring . 11: 7 vv. )?”
Nadat de Heere deze woorden gesproken had verliet Hij de tempel. De Joden, de oversten dan zeiden tot elkaar, terwijl zij Hem nazagen: Waar zal deze heengaan, dat wij, die hier het heilige land in bezit hebben en het echte en onvermengde volk van God uitmaken, Hem niet zullen vinden? Zal Hij misschien, omdat Hij bij ons geen erkenning als profeet vindt, tot de verstrooide Grieken gaan, de Joden, die in de diaspora onder de Grieken leven (1 Makk. 1: 11 Aanm. ) en vandaar de Grieken of heidenen (Rom. 1: 16) leren, om voor Zich een aanhang te winnen?
Wat is dit voor een duistere en raadselachtige rede, die geen mens kan begrijpen, als Hij gezegd heeft: U zult Mij zoeken en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben kunt u niet komen?
Het is niet mogelijk het kwaadwillige in deze verklaring van Jezus’ woorden weg te cijferen, het kwaadwillige, dat van de Joden uitgaat en aan die in Hoofdstuk 8: 22 een parallel heeft. Zij willen Hem niet begrijpen, daarom proberen zij zo de zin van Zijn rede te verdraaien. Dat Hij misschien tot de Joden zal gaan, die buiten Palestina onder de Grieken verstrooid waren, is een verklaring die met hun boosheid overeenkomt; daarheen toch, zo willen zij zeggen, zouden de bewoners van het heilige land Hem niet volgen. Aan dat smaadvol vermoeden knopen zij dan verder aan of Hij misschien daar ook de Grieken zou willen leren d. i. Zich van de Joden tot de heidenen wenden, een mogelijkheid zo vol schimp in hun ogen, dat alleen bittere verachting hen kon drijven om zo’n gedachte over Jezus uit te spreken.
De verklaring is bepaald kwaadwilligheid, dat het oordeel niet wil begrijpen noch bekennen, hoewel het duidelijk genoeg is aangekondigd; het was dus geenszins een ernstig gemeende gissing. Toch zien wij hier niet zoals in Hoofdstuk 8: 22 openbare hoon, maar die voorstelling drijft haar spel, die doet alsof zij Jezus’ woord niet kan begrijpen.
De verklaring voldoet echter voor degenen, die ze uitdenken, zelf niet; zij stellen die slechts vragend en twijfelend voor en stellen dus het probleem als nog onopgelost, want er lag in de woorden van Christus een moment, dat tegen haar streed, namelijk dat bij: “Ik ga heen” gevoegd was: tot Degene, die Mij gezonden heeft. ” Die kunnen zij, die alleen op aarde thuis behoren, niet volgen: zij laten het daarom eenvoudig weg; maar het is toch voldoende om hen het onvoldoende van hun verklaring, waarin toch een moment van waarheid ligtc en waarin een voorgevoel zich openbaart, dat de profetie in Jes. 49: 4-6 tot vervulling kwam, te doen gevoelen.
In de tijd, toen Johannes schreef, was Jezus werkelijk de Messias van de Grieken geworden; hij schreef zijn evangelie in de Griekse taal en in een heidens land: de spottende uitdrukking van de Joden was dus in een profetie veranderd, evenals het woord van Kajafas in Hoofdst. 11: 50 vv. ; daarom wordt zij zo uitvoerig meegedeeld.
c. Vers 37 KruisverwijzingenJesaja 55:1→Johannes 4:10→Psalmen 42:2→Jesaja 12:3→Psalmen 143:6→Psalmen 63:1→Openbaring 22:17→Johannes 6:35→
— En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
– Hoofdstuk 8:1
De laatste grote dag van het feest.
En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest d. i. op woensdag 19 oktober van het jaar 29 (vgl. de laatste grote dag van het loofhuttenfeest, alsook de 19 oktober van het jaar 66 na Christus d. 4-6 van Aanh. II) stond Jezus methoog verheven gedaante, na de godsdienst van het morgenoffer, midden in de voorhof en riep met luide, doordringende stem (Jes. 55: 1 vv. ): a) Als iemand in de geestelijke zin van het woord (MATTHEUS. 5: 6) dorst heeft, die mag tot Mij komen en drinken van het water, dat Ik hem geven zal.
Joh. 6: 35. Openbaring . 22: 17.
Omdat de achtste dag (22 Tisri) volgens Lev. 23: 35-39. Num. 29: 35. Neh. 8: 18 mee bij de zeven eigenlijke feestdagen werd geteld, heeft zeker Johannes ook deze dag en niet zoals vele uitleggers menen, de zevende bedoeld, omdat het in latere tijd gewoonte was van een achtdaags loofhuttenfeest te spreken (2 Makk. 10: 6). Waarin zou de bijzondere onderscheiding van deze dag als van de hier als heerlijkst gekarakteriseerde dag bestaan hebben? De grote laatste dag van het feest was tot plechtig terugkeren uit de hutten in de tempel bestemd en als sabbat geheiligd, waarom die ook bijzondere gebruiken, offers en gezangen had. Dat karakteriseren van de dag komt overeen met het plechtig optreden van Jezus met het heerlijk woord van uitnodiging en belofte, dat Hij op die dag sprak; het plechtige van dit optreden wordt uitgedrukt door het “Hij stond” zowel als door het “en riep” (vgl. vs. 28).
Eén zaak ontbrak aan de achtsten dag, wat de anderen onderscheidde: het feestelijk waterscheppen, dat na het morgenoffer gewoonte was 23: 43). Dat was het gedenken aan de wonderbare bron, die God aan het reizend volk bij zijn tocht door de woestijn had geopend. Omdat nu de achtste dag het inkomen in Kanaän betekende, viel op deze dag het waterscheppen weg. De wonderbronnen schenen dan als verdroogd en er ontstond een gevoel van gebrek en van leegheid. Maar juist dit gevoel, dat juist op de achtste, de heerlijkste dag, bij de feestvierenden moest ontstaan, is het punt, waaraan Jezus Zijn uitnodiging vastknoopt. De tempel op Moria zelf toch had geen bron, maar alleen de Tempelberg, buiten de ringmuren van het heiligdom, waarom men ook het water voor de tempel eerst uit de bron Siloah moest halen – een teken en zinnebeeld, dat ook aan de priesterschap en de offerdienst nog de juiste levensgeest ontbrak. Onder de leiding van de theocratischen geest wist ook Israël bij zijn waterscheppen zich met de toekomstige bron van heil, die de Heere voor Zijn volk wilde openen, te troosten.
Gedurende zeven dagen duurde het symbool; op de achtste komt de verklaring daarvan.
De Heere vergelijkt Zich dus met de rotssteen, die God als middel had gebruikt om Zijn volk te drenken (1 Kor. 10: 4). In Hoofdstuk 2 heeft Hij Zich voorgesteld als de ware tempel; in Hoofdstuk 3 als de ware koperen slang; in Hoofdstuk 6 als het hemels brood, het ware manna; in Hoofdstuk 7 is Hij de ware rotssteen; vervolgens in hoofdstuk 8 de ware vuurkolom en zo verder tot Hoofdstuk 19 , waar Hij eindelijk als de type van het paasfeest zal optreden. Zo maakt de Heere gebruik van ieder feest om het gehele Oude verbond als in Zijn persoon vervuld voor te stellen; zo zeer gevoeld en weet Hij, dat alle theocratische voorafschaduwingen op Hem betrekking hebben.
Om deze en de onmiddellijk volgende woorden goed te begrijpen, moet ik u herinneren dat de Joden gewoon waren op de laatste dag van het loofhuttenfeest water te scheppen uit de naast de tempel gelegen bron, het uit te storten als voor het aangezicht van de Heere en er zichzelf mee te besprengen, waarmee zij te kennen gaven dat zij zo hun zonden weggespoeld wilden hebben. Ook sloegen zij met de takken in hun handen op de aarde, als om hun zonden weg te slaan: dan ach! de zonden blijven. Zonden kan men bij niemand kwijt worden dan bij Christus en wie tot Christus niet komt, die behoudt zijn zonden. Als iemand dorst heeft die komt. Dorst moet er zijn, dorst naar genade, wie kent niet het zoete van de dorstlessing? Men zou wensen eens echt dorstig te zijn, om al het verkwikkende van het drinken te ondervinden. Is er geen dorst in het geestelijke bij ons, dat er dan ten minste een dorst is naar dorst. God wil de begeerte naar dorst ook voor dorst houden. Het woord van God heeft tweeërlei eigenschap: om de bestaande begeerte te vervullen en om de niet bestaande te verwekken. Wie dorst heeft, die weet dat hij tot Christus komen moet; wie geen dorst heeft, weet dat hij dorst hebben moet om tot Christus te komen. Wie dorst heeft die kome tot Mij. De Heere wijst niet naar God, maar roept tot Zichzelf. Hiermee onderscheidt de Heere Zich van al de mensen van God; deze wijzen van zich af naar God heen. En hoe zou dan de Heere zo iets hebben kunnen zeggen, als Hij niet waarachtig God en dus eenswezens met de Vader was? Ook wijst Christus hier naar de Heilige Geest op zo’n manier, alsof wij de Heilige Geest hebbend, Christus niet meer nodig hadden; integendeel, men moet tot Christus komen om de Heilige Geest te ontvangen. Christus werd eerst zelf gezalfd met de Heilige Geest in Zijn volheid en van Hem vloeit deze zalving af op de Zijnen. Daarom is het dweperij de Heilige Geest te willen hebben buiten Christus om en zonder Christus. Wij hoeven dan ook nooit verlegen te zijn wie van de drie personen in de Goddelijke Drieëenheid wij het eerst zullen aanroepen; want zij zijn ons allen even na. Maar hebben wij dan niet aan één genoeg? Nee, wij moeten alle drie hebben, of hebben geen enkele van Hen. Christus is geen geneesheer, die ons een geneesmiddel voorschrijft, dat wij innemen en daardoor genezen, zonder dat wij iets verder met de geneesheer te doen hebben. Nee, Hij is een arts, buiten wiens tegenwoordigheid het geneesmiddel geen werking doet. Even verkeerd is het om Christus buiten het woord van God, buiten de Schrift te willen hebben. De Heilige Geest heeft Christus in de Schrift neergelegd en daaruit moet Hij door ons gekend en genomen worden; wie Hem uit iets anders wil kennen en aannemen heeft niet de Christus van God, maar het schepsel van zijn eigen verbeelding en zal jammerlijk bedrogen uitkomen. Wij bewegen ons in de Schrift en in de volheid van de heerlijkheid van Gods driepersoonlijkheid. De Vader geeft ons de Zoon in het vlees, de Heilige Geest geeft Hem ons in de Schrift en de Zoon geeft ons de Heilige Geest in het hart. Als iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinkt! Dit woord van Christus klinkt met al Zijn andere woorden al de eeuwen door. Het wordt gehoord over de hele aarde, met echo’s die nooit rusten. Iedere bijbel zegt het voort en het wordt gehoord door zovelen als er dorsten naar de gerechtigheid van God. Dit is dan ook de ware apostolische opvolging van de kerk: de onophoudelijke prediking van het woord en de onophoudelijke bekering tot dat woord. Alle andere opvolging is een gemaakte zaak, is mensenwerk, is dwaasheid. De Heilige Geest is de levende persoonlijke echo van Christus. Wat Christus gezegd heeft op aarde en in de hemel, dat fluistert de Heilige Geest ons hier in het oor en in het hart en begrijpen wij door Hem. Hoor deze waarheid ook uit de openbaring van Johannes. Christus spreekt tot de zeven gemeenten en wat is de nagalm? “Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. ” En wanneer er in de hemel gezegd wordt: “Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan, ” dan herhaalt de Geest: “Ja opdat zij rusten van hun arbeid en hun werken volgen met hen. ” En als de Christus zegt: “Ik kom!” antwoorden de Geest en de Bruid (de Kerk en ieder gelovige): “Ja kom Heere Jezus!” Waar nu een levende echo is, daar is niet enkel een verwantschap tussen de spreker en niet-spreker, maar daar is ook de afstand tussen deze beiden niet ver. De afstand tussen Christus in de hemel en ons op de aarde, is als die van de zonnenstraal tot onze ogen. Zoals door het licht de zon leeft in onze ogen en er door werkt, zodat wij zien, zo leeft en werkt ook Christus door de Heilige Geest in ons hart. “En drink. ” Zonder meer? Ja “tot Jezus komen, ” wil zoveel zeggen als uit Zijn hand te komen ontvangen vergeving van zonden en het eeuwige leven. Reeds Jesaja had dit woord van de Messias uitgeroepen (Jes. 55: 1): “O, allen gij dorstigen komt tot de wateren en die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. ” Alles was bij God in Zijn raad en in Zijn woord reeds gereed: geheel de Christus en ook de woorden, die Hij spreken zou. En nu, wie is tot Jezus gekomen, die niet om niet geholpen werd? Niemand behoeft het te vragen; ieder die Jezus zag, zag ook dat er bij Hem hulp was om niet. Maar hier vertoont zich een treurig verschijnsel. Wie, die niet arm is, wil iets om niet hebben? Niet te duur”, zegt men, want dat schikt ook niet, maar ook niet om niet. Goedkoop is de leer van de mensen. Maar God geeft òf om niet, òf zeer duur. In de wet biedt God de zaligheid ons aan, maar tot zo’n hoge prijs, dat niemand hem betalen kan; en in het Evangelie biedt Hij de zaligheid aan ganselijk om niet, zodat alleen de doodarme, de mens die niets heeft, ze nemen wil. Willen wij dus zalig worden, dan moeten wij eerst arm worden, want de zaligen in het koninkrijk van God zijn de armen van geest, de armen, die zich geheel arm naar geestelijke krachten en gaven gevoelen; het moet bij ons zover komen, dat wij ons niet bij machte gevoelen om God ook maar een enkele kwadraatpenning van onze onmetelijke schuld te kunnen afdoen, zodat wij met de volle blijdschap van de meest verrassende uitkomst zeggen: “Heere! Ik wil van harte graag om niet gerechtvaardigd worden, want als ik niet om niet gerechtvaardigd word, ben ik verloren, omdat ik volstrekt niets heb om te betalen. “
Het is een heerlijke gedachte, dat zij, die de grootste behoefte voelen, het meest welkom zijn aan Hem, die in alle noden voorziet, uit Zijn eigen onuitputtelijke volheid. O, al gij dorstigen! komt tot de wateren (Jes. 55: 1). De Geest en de Bruid zeggen: Kom! en die het hoort, zegge: Kom! en die dorst heeft kome; en die wil neme het water des levens om niet” (Openbaring 22: 17). De Rots is lang geleden geslagen, de levende stromen vloeien overal en altijd. Als wij vluchten tot gebroken bakken, die geen water houden (Jer. 2: 13) en weigeren gehoor te geven aan de uitnodiging, die van de Zaligmaker zelf tot ons komt, van de bruid, dat is Zijn kerk van de Heilige Geest, die in de Bruid is, van leraar en zendeling, die gemachtigd zijn om allen, allen uit te nodigen, zo is dit niet aan onze onwaardigheid, maar aan onze onwil te wijten.
Die Mijn uitnodiging volgt en zo tot Mij komt en van dat water drinkt en in Mij gelooft, zoals a)de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn buik, het middel- en verzamelpunt van Zijn geestelijk bestaan, in rijke en krachtige betoningen van de in hen wonende volheid van zaligheid vloeien. Zij zullen over anderen zich uitstorten en hen eveneens dat heil doen deelachtig worden.
Jes. 12: 3.
En dit, wat Hij sprak van stromen levend water, die van Zijn gelovigen zouden uitgaan, zei Hij (om de lezer dadelijk in het juiste begrip van Zijn woord in te leiden) (Hoofdstuk 2: 21) van de Geest, die van de dag van het Pinksterfeest af ontvangen zouden, die in Hem geloven. Hij sprak zo nog van iets anders dan in vs. 33 v. van de tijd na Zijn heengaan, want de Heilige Geest; (niet wat zijn persoon, maar wat de in Jes. 44: 3. Ezechiël. 36: 26 v. Joël 3: 1 beloofde uitstorting en werking aangaat) was, toen de Heere zo sprak, nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was (Hoofdstuk 16: 7).
Die tot Mij komt, die wil Ik zo toebereiden dat Hij niet alleen voor Zijn persoon gelaafd en verkwikt moet worden, dat hij zijn dorst mag lessen en ervan bevrijd worden, maar Ik zal hem tot een sterk stenen vat maken, hem de Heilige Geest schenken en gaven, zodat die tot anderen vloeien, dat hij ze drenkt, troost, versterkt, vele andere mensen ook dient, zoals hij door Mij geholpen is. Zo doet Petrus op de Pinksterdag, toen hij door zijn prediking als door een waterstroom uit het rijk van de duivel drieduizend mensen uitroeide en uitstroomde, die hij in een uur verloste: hij waste ze van zonden, dood en duivel.
Het in vs. 38 gezegde is niet slechts ontwikkeling van het in vs. 37 gezegde; want de woorden: “die in Mij gelooft” geven niet de zin van de uitspraak “als iemand dorst” ten volle terug. Veel meer komen zij met het tweede gedeelte van vs. 37 overeen: “Kom tot Mij en drink. ” Zoals zo vaak bij Johannes het geval is, is de gedachte, waarmee het vorige vers eindigt, het uitgangspunt van het volgende. De verkregen genade wordt het middel tot het verkrijgen van een hogere genade (vgl. Hoofdstuk . 1: 16). De door Christus met levend water gedrenkte zal zo verzadigd worden, dat hij zelf een rots wordt, die levend water voor anderen doet opwellen.
De Evangelist stelt in deze afdeling opzettelijk naast het toekomstige oordeel van ongeloof, waarover het slot van de vorige afdeling handelde, de belofte van het toekomstig goed, dat aan het geloof is gegeven. De belofte is echter een dubbele. Die gelooft moet niet alleen zelf genot vinden in de Geest, die Hem zal vervullen, maar ook een middel tot verkrijging van die zaligheid voor anderen zijn; en nu zal door de werking van de Geest ook de lichamelijke natuur van de gelovige een heilige plaats, een plaats en bron van de Geest en een middel van
Zijn mededeling worden. Deze werking van de Geest is echter afhankelijk van de verheerlijking van Jezus, omdat Gods Geest in dat opzicht eerst dan ook Geest van Zijn verheerlijke natuur is en dus eerst van die tijd Geest van de verheerlijking van de natuur, Geest van het wonder voor de gelovigen kan zijn. Doelt Jezus dus in de vorige afdeling (vs. 3 vv. ) op de gevolgen, die Zijn verlossing voor het ongelovige Israël heeft, zo doelt Hij hier op die, die zij voor de Zijnen heeft; het laatste is echter een gericht voor Israël. Dit verliest daarmee de toekomst, die Hem door de bron Siloah is aangewezen en door het woord van de belofte verklaard en dat spreekt van een uitstorting van de Geest over alle vlees en van een stroom van heil, dat van Zion zal uitvloeien.
Pas nadat het Hoofd van de verloste gemeente Zijn verzoeningswerk op aarde volbracht had en verhoogd was aan de rechterhand van God, werd de Geest, die op Hem zonder mate rustte en wiens volheid in Zijn Godmenselijke persoon besloten was, ontbonden, zodat die tot een algemeen goed werd van allen, die in Hem geloofden en hen met Christus tot één lichaam verenigde. Daarom heet Hij ook later eveneens de Geest van God als de Geest van Christus en is het pand van de erfenis, waarmee zij verzegeld zijn tot de dag van de verlossing (Rom. 8: 9. Efeziers . 1: 14; 4: 30). Daarom stelt ook Petrus (Hand 2: 33) de mededeling van de Heilige Geest aan Zijn gemeente afhankelijk van de verheerlijking van Jezus en bevestigt Hij door die aanwijzing het woord van Johannes in onze tekst.
Zolang Jezus nog bij hen was geloofden Zijn discipelen in Hem en zij geloofden door de Heilige Geest, wiens suizen zij hoorden uit Jezus’ mond en in Jezus’ werken. Zij wandelden in de adem van de Geest. Maar nog stroomde de Geest niet van hen uit; deze was nog besloten in de zichtbare persoon van Jezus. Pas nadat deze Jezus, gekruisigd door de Joden en opgewekt en door de rechterhand van God verhoogd, tot een Heer en Christus was gemaakt, nadat Hij door Zijn opstanding was ingegaan in Zijn heerlijkheid en Zich als verheerlijkte van de Zijnen openbaarde, pas toen kwam de Geest op en in hen, om eeuwig te blijven en van hen uit te stromen in de wereld.
De stelling van de Evangelist is niet in strijd met de Oud-Testamentische, met name profetische werkzaamheid van de Geest, omdat hier gesproken wordt van de Geest, in zoverre die het principe is van het specifiek christelijke leven. In deze karakteristieke zin, waarin Hij de Geest van Christus, de Geest van de belofte, van het kindschap, van de genade, het pand van de erfenis, de Geest van de opstanding van Jezus uit de dood is (Efeziers . 1: 13 vv. Rom. 8: 11 en 15. Hebr. 10: 29) en volgens de belofte na de verhoging van Christus zou worden gegeven (Hand. 2: 33), was Hij nog niet, zoals ook de genade en waarheid eerst door Christus is geworden (Hoofdstuk 1: 17). Eerst moest Jezus langs de weg van de dood naar de hemel terugkeren en het hemelse rijk aanvaarden, om als medeheerser van de Vader en als Heer over alles, dus ook van de Geest (Hoofdstuk 17: 5. 1 Kor. 15: 25. 2 Kor. 3: 18) de Geest van de hemel te zenden. Deze zending was echter de voorwaarde van het later aanwezig zijn van de Geest. Tot zolang bleven de gelovigen gewezen op de persoonlijke verschijning van Jezus.
De tussenzin “zoals de Schrift zegt” (vs. 38), heeft steeds aan de uitleggers veel moeite veroorzaakt, omdat er geen plaats in het Oude Testament was, die naar de klank van de woorden met het woord van Christus overeenkwam; en al kunnen nu ook vele verwante plaatsen worden aangehaald, zo ontbreekt toch een plaats, waarop de zo eigenaardige vermelding van het lichaam zou kunnen worden teruggebracht. Men heeft daarom beproefd om de woorden te laten doelen op de voorgaande zin: “die in Mij gelooft” en ze zo te verklaren, als zou daarmee een geloof overeenkomstig de Schrift worden bedoeld. Zij zijn echter ontwijfelbaar een formule van aanhaling en verklaren de gedachte, in de volgende zin vervat, als een, die reeds door het profetische woord van het Oude Testament is uitgedrukt. Nu zijn er zeker verscheidene plaatsen, waarvan het huis van de Heere, de tempel op Zion of de stad Jeruzalem wordt voorspeld, dat vandaar een bron zal uitgaan, die ver voortvloeit en leven en zegen verbreidt (Joël 3: 18. Ezechiël. 47: 1 vv. Zach. 14: 8). Nadat de Heere Zich in vs. 37 aan de ceremonie van het waterscheppen uit de bron Siloah aansluitende, als die bron van zaligheid had gekarakteriseerd, waaruit ieder, die dorst had, met vreugde zou waterscheppen en drinken tot volkomen bevrediging van zijn dorst, doelt Hij in vs. 38 op die profetie. En evenals Hij nu in Hoofdstuk 2: 19 en 21 Zijn eigen lichaam als tempel voorstelde, zo stelt Hij hier het lichaam van degenen, die in Hem geloven, als de tempel voor, waarvan die Oud-Testamentische profetie van een daaruit vloeiende stroom sprak. Deze gedachte, dat het lichaam van de in Christus gelovigen, om de Geest, die in hen woonde en hen vervulde, een huis van de Heere of een tempel van God was, spreekt Paulus in 1 Kor. 6: 19 duidelijk en ondubbelzinnig uit. Intussen is de plaats, die hier voor ons ligt, toch nog in zo verre verschillend van die, dat er niet staat “lichaam” maar “buik. ” Daaronder moet men het inwendige van het lichaam verstaan, dat eerst de drank in zich opneemt en vervolgens het overige water weer uitstort (Spr. 13: 25. 1 Kor. 6: 13). De uitdrukking bevat dus een gelijkenis, zodat het geenszins verkeerd is, als vele uitleggers het op het hart laten doelen, evenals ook in Spr. 18: 8 en 20: 27. Sir. 51: 29 de uitdrukking “buik” het inwendige van het lichaam als de plaats van ervaringen en werkzaamheden van de geest aanduidt (Habakuk. 3: 16) en in het algemeen het inwendige van de persoonlijkheid te kennen geeft. Hierdoor komt onze plaats nog nader aan hetgeen in Hoogl. 7: 2 Salomo tot Sulamith zegt: “Uw navel is als een ronde beker, die geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe rondom bezet met lelies”, waarmee Hij het vermogen prijst dat bij haar is, om lafenis en verkwikking, voeding en versterking in geestelijk opzicht aan de overige mensenwereld aan te bieden. Deze plaats heeft de Heere nog wel meer bepaald op het oog gehad bij Zijn uitspraak en nu niet alleen het Hooglied voor een deel van de Schrift verklaard, maar ook op de allegorische uitlegging daarvan het zegel van de bevestiging gedrukt.
Velen dan uit de menigte, die deze in vs. 37 en 38 meegedeelde rede hoorden, zeiden de een tot de ander: a) Deze is waarlijk de in Deut. 18: 15 vv. beloofde profeet.
MATTHEUS. 21: 46. Luk. 7: 16. Joh. 6: 14.
Anderen, nog beslister met hun mening voor de dag tredend, zeiden: a) Deze is niet slechts die profeet, maar ook de beloofde Koning van Israël (Hoofdstuk 1: 49), namelijk de Christus. En anderen weer vormden een nieuwe klasse, de eerste van de tegenstanders en wel behorend tot de menigte van hen, waarvan in vs. 25-27 werd gesproken; deze zeiden: Zal dan de Christus, zoals bij dezen het geval is, uit Galilea komen? Nee, deze kan de Christus niet zijn.
Joh. 4: 42.
Zegt de Schrift niet in Jes. 11; 1 vv. Jer. 23: 5 en Micha 5: 1 dat de Christus komen zal a) uit het zaad van David en van het dorp Bethlehem, waar David geboren werd en was, totdat hij als koning was gezalfd!
Ps. 132: 11.
Er werd dan tweedracht onder de schare om Zijnentwil.
En sommigen van hen wilden Hem evenals nog onlangs (vs. 30) grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem, om dezelfde reden als vroeger.
De korte schilderingen van de indrukken op het volk, die op iedere rede van Jezus volgen, dienen er toe om in het licht te stellen dat het geloof en het ongeloof beide toenemen en de treurige afloop van de zaak reeds nu begrijpelijk maken.
Vooreerst is van diegenen sprake, die het erkenden, dat Jezus’ woord hun plotseling licht gaf over hun onbevredigd gevoel, over het smartelijk verlangen, dat juist op die heerlijkste dag van het feest weer in hen ontwaakte, terwijl aan de tempel nog de ware bron ontbrak. Enigen verklaarden dat Hij toch wel de profeet (Hoofdstuk 6: 14) moest zijn; en zij bevestigden het, terwijl zij zich verenigden tegen de indruk van vijandige tegenspraak. Anderen spraken ronduit dat Hij de Messias was; deze voelden, dat Hij hun onbevredigd verlangen niet slechts wist te verklaren als de profeet, maar ook bevredigde als de Messias. Tegenover deze belijdenis van Jezus traden besliste tegenstanders, die hen met de Schrift probeerden omver te werpen, omdat zij de omstandigheid, dat Jezus in Galilea thuis behoorde, tot veronderstelling maakten dat Hij een geboren Galileër was en daarop verdere bewijzen gronden.
Evenals onder de vriendschappelijk gezinde toehoorders twee soorten Zijn, zo ook twee bij de vijandelijke partij; deze maken aanmerkingen, hetgeen genoeg om ze moreel van de overigen te onderscheiden, de anderen zouden tot dadelijkheden willen overgaan.
Zoveel is voor sommigen van Jezus’ belijders zeker, dat in Christus de kentekenen aanwezig zijn van de profeet in Deut. 18 Ofschoon de overige kentekenen van de Messias aanwezig zijn, zoals die bijvoorbeeld in Jes. 9 en 11 worden genoemd, is het hun nog twijfelachtig -zeer natuurlijk, omdat het koninklijk ambt van de Messias gedurende de staat van vernedering zeer verborgen optrad. Anderen, die een scherper geestelijk oog hebben en daarom de verborgen heerlijkheid achter de gedaante van de knecht waarnemen, erkennen in Jezus dadelijk de Geest. De eersten loochenden niet, zij waagden echter niet dadelijk te belijden: het onderscheid tussen hen en de anderen is dat van gedeeltelijk en geheel begrijpen van de waarheid, tegenover de laatsten treedt de absolute loochening op.
Wij zien hoe het ware geloof uitsluitend door Jezus’ woord moest zijn gewekt en zich niet mocht gronden op het zichtbare, maar zich een zekere tegenspraak daartegen moest laten welgevallen.
Wie zich aan de indruk van Jezus’ persoonlijkheid overgaf, beijverde zich dan ook om nauwkeuriger onderzoek te doen over Jezus’ geschiedkundige afkomst en vond zo de weg om van de ergernis, die in de gewaande Galilese afkomst van Jezus lag, door juistere berichten bevrijd te worden. Het lichtzinnig ongeloof bleef daarentegen voor deze ergernis staan, zonder zich de moeite tot nauwkeurig onderzoek te geven en onderdrukte liever de ontvangen indruk van Jezus’ persoon en woord.
Zij zien in hun polemischen ijver voorbij dat Micha 5: 1 door Jes. 8: 23 wordt aangevuld en beperkt, waar Galilea is voorgesteld als het landschap, dat door de verschijning van de Messias uit de diepste geringheid tot de hoogste heerlijkheid zou worden verheven.
Zij hadden zowel de geboorte te Bethlehem als de profetie over Galilea moeten opmerken en met elkaar moeten leren verbinden; maar zo scheiden zij die.
Zie, hoe de mensen gewoon zijn om zelfs uit de Schrift, die ons aan haar hand tot Christus wil leiden, hinderpalen op te richten om niet tot Christus te komen.
Ten gevolge van deze strijd tussen de belijders en de loochenaars van Christus vormde zich een sterke tweespalt onder de menigte, een voorafbeelding van het toekomstige schisma tussen het gelovige en het ongelovige Jodendom.
Er zijn noodzakelijke scheuringen. Het is de waarheid verraden en prijs geven, als men ophoudt ze te verdedigen, door zich te verzetten tegen hen, die haar bestrijden. Noch de vrucht voor de ten onrechte genomen ergernis, noch een valse liefde tot vrede mogen ooit de tong binden.
Diegenen die Jezus zelfs wilden grijpen, konden evenwel het niet over zich verkrijgen om het ook werkelijk te doen. Het is een zekere vrees, die de persoon van Jezus hen inboezemt en onwillekeurig de handen bindt. Deze macht, die de persoonlijkheid van Jezus ook over de vijandige gemoederen uitoefende en die voldoende liet zien hoe Israël Jezus nooit zou hebben kunnen grijpen en doden, had het de wil van God en van Jezus niet toegestaan, die dan ook haar feitelijke bevestiging in de geschiedenis van de gevangenneming (Hoofdstuk 18: 6) vindt, is ook een veroordeling van de vijandschap. Zij komt voor als een geoordeelde; bereikt zij nu ten slotte toch haar wil, zo zal dat slechts een teken zijn dat God de Joden in het oordeel van het ongeloof heeft overgegeven; in dit oordeel zullen zij echter vallen, omdat zij zich in hun ongeloof hebben verstokt.
De dienaars dan wachtten ook weer nu, evenals kort geleden, tevergeefs op een geschikt ogenblik waarop zij het hun gegeven bevel tot Jezus’ gevangenneming konden volbrengen (vs 32). Zij kwamen dan, toenJezus de tempel verlaten had (Hoofdstuk 8: 1), tot de overpriesters en Farizeeën, die in het lokaal van hun zitting vergaderd waren en gaven aan deze bericht. En die leden van de Hoge raad, die er vast op hadden gerekend dat hun dienaars Hem niet uit de handen zouden laten gaan en juist bij elkaar waren om over de gevangene dadelijk het vonnis uit te spreken, zeiden tot hen, toen zij zonder Hem het lokaal binnentraden, met grote ontevredenheid: Waarom heeft u Hem niet gebracht?
De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken gelijk deze Mens.
De Farizeeën dan, die in het college zaten en zeer ijverig voor orthodoxie en hiërarchie waakten, antwoordden hen: Bent u, dienaars van de heilige rechtbank in Israël, die u slechts naar uw overheden hebt te schikken, ook verleid door die volksverleider (vs. 12).
a)Heeft iemand uit de oversten, die toch alleen moeten beslissen wie voor een profeet moet worden erkend (vs. 26), in Hem geloofd, of uit de Farizeeën.
Jes. 33: 18. Joh. 12: 42. 1 Kor. 1: 20; 2: 8.
Nooit! Maar deze menigte, deze onontwikkelde volksmenigte, die de wet niet weet en daarom ook in staat is zo’n overtreder van de wet als deze Jezus, voor de beloofde profeet en de toekomstige koning van Israël te houden isvervloekt. God heeft hen een geest van dwaling toegezonden, opdat zij de leugen geloven zouden (1 Kon. 22: 23. 2 Thessalonicenzen. 2: 11) en aan de kant van dat vervloekte volk zult u zich zeker niet willen plaatsen!
Het “nooit heeft een mens gesproken, zo gesproken als deze mens” zeggen zelfs de dienaars van de Hoge raad, waarvan men makkelijk kan denken dat als het geweten niet had gedrongen, zij hun heren zoiets niet gezegd zouden hebben. Zij wisten wel, dat zij zich daarmee niet zouden insinueren en toch zeiden zij het met grote nadruk. Zo gaat de zaak van God, al is zij een onderdrukte, toch stap voor stap vooruit.
Het daarop volgend antwoord is karakteristiek voor de geestelijke dwingelandij, die deze Hoge raad en de daaraan verwanten uitoefenden. Alleen zichzelf kennen zij het recht toe van onderzoek en beslissing; het volk wordt beschouwd als de onwetende hoop en waar het dreigt een mening te hebben, onafhankelijk van de oversten, legt het met toorn een vloek op hen.
Wat echte hierarchen in het algemeen steeds van het volk denken, oordelen ja verwachten: onwetend lekengebabbel, dat verwijten zij in bijzondere omstandigheden. Hun vloeken is echter tevens een dreigen met de ban, die later ook werkelijk geformuleerd werd (Hoofdstuk 9: 22). Voor de gerechtsdienaars is hun woord een listig middel om bevreesd te maken en een verleiding om zich eveneens in het gevoel van hierarchische hoogmoed boven het volk te verheffen.
Een bewijs hoe grenzenloos groot de verachting was van de Joodse geleerden – trots tegenover de ongeleerde menigte, die men in tegenstelling van het heilige volk het “volk van de wereld” noemde, zijn uitspraken in de Rabbijnse schriften als: “de onwetende is geen vrome; slechts geleerden zullen opstaan. ” Maar hoe snel zou hen vermetel woord, dat niemand van de oudsten en Farizeeën, waarvan de laatsten nog in het bijzonder als toonbeelden werden voorgesteld, beschaamd gemaakt worden! Want nu spreekt een, die ook een mens van de Farizeeën, een overste der Joden is. Eerst lieten zich de gerechtsdienaars ten gunste van Jezus uit, nu doet het een collega; de Heere heerst dus midden onder Zijn vijanden en zo hadden zij wel gelegenheid genoeg gehad om Gods wegen op te merken.
De gerechtsdienaars gingen heen en de Overpriesters en Farizeeën hielden nu verder raad, hoe zij tegen Jezus als een bewezen kwaaddoener nog nadrukkelijker dan tot hiertoe zouden optreden om Hem en Zijn zaak ten onder te brengen. Onder hen was Nikodemus. Als zij nu weer beraadslaagden zei deze tot hen, die (Hoofdstuk 3: 1 vv. ) ‘s nachts tot Hem gekomen was en een uit hun was en die dus ook het recht had zijn stem te laten horen:
a)Oordeelt ook onze wet, waarvan wij de overste handhavers en dienaars zijn, de mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft en bij nader onderzoek begrijpt wat hij doet? Wordt niet in Deut. 1: 16 v. geboden: Hoort de verschillen tussen uw broeders: u zult de kleine zowel als de grote horen. Hoe komt gij er dan toe om over deze Jezus het vonnis te vellen voordat Hij nog voor het gericht heeft gestaan en u van Zijn handelwijze en plannen zelf rekenschap heeft kunnen geven.
Ex. 23: 1. Lev. 19: 15. Deut. 17: 8; 19: 15.
Zij antwoordden en zeiden tot hem: Bent u ook misschien uit Galilea, dat halfheidense landschap 4: 25″) en stelt u zich als landsman aan Zijn kant. Onderzoek en zie in de heilige geschiedenis en u zult vinden dat uit Galilea geen profeet opgestaan is. Het is dus dadelijk reeds een uitgemaakte zaak, dat deze slechts een leugenprofeet kan zijn en als Hij Zich voor de Messias uitgeeft, Hij een volksverleider is.
Niet vele edelen zijn geroepen, maar toch enigen. Als een donderslag trof het deze machtigen, dat een van hen een door van Jezus was geworden, opdat zij geen verontschuldiging zouden hebben. Nicodemus waagt zich wel met grote vrees tot het licht, maar de vijandschap van de duisternis, die hem dadelijk tegenkomt, laat het toch bemerken dat hij in de diepste grond van zijn hart met haar heeft gebroken.
De medeleden van de Hoge raad hadden verachtelijk van het volk gesproken, dat de wet niet weet (vs. 49). Nicodemus wijst hen erop, dat zij zelf in lijnrechte tegenspraak met de wet zijn.
Het is zeer opmerkelijk dat men in onze tijd de omstandigheid, dat de profeten Elia (1 Kon. 17: 1), Jona (2 Kon. 14: 25) en waarschijnlijk ook Nahum en Hosea (2 Koningen 14: 29) uit Galilea waren, heeft op de voorgrond gezet, om de echtheid van deze plaats verdacht te maken, door op te merken dat het onwaarschijnlijk was dat het geleerde college deze aangehaalde plaatsen niet zou hebben geweten. Deze kritische gevolgtrekking is een bewij hoe de hoog geleerde Rabbijnen door de gehele wereld van een geest zijn en elkaar niets toegeven. Voor het oprecht onderzoek is echter geen noodzaak om de geleerde onfeilbaarheid van dat hartstochtelijk opgewonden college te redden. Hier wordt aangetoond – dat wil ons de geschiedschrijver, of liever de geschiedenis zelf aanwijzen – dat de hartstocht van haat, vooral van haat tegen Jezus, ook een hoog geprezen college van Schriftgeleerden en priesters zo kan benevelen dat het in opgewondenheid de grootste afwijkingen van de Schriftgeleerdheid moet maken; en dat is juist de ironie van het goddelijke bestuur over de leden van het college, dat zonder de Geest is, dat zij zelf de grootste fout tegen de Schriftgeleerdheid maken, terwijl zij de discipelen van Jezus met een geleerde machtspreuk als een onwetende tegen de grond willen werpen.
Wie weet niet dat men op een aan ons gedane vraag meestal pas later het juiste antwoord gereed heeft; maar dan is het te laat. Maar het eigenaardige van de onbeschaamdheid van het ongeloof is, dat het iemand niet zelden de grofste leugen naar het hoofd werpt met een stoutmoedigheid, alsof het de meest onloochenbare waarheden waren. De bescheidenheid van het geloof daarentegen durft niet zo meteen en stoutweg tegenspreken, omdat zij altijd vreest iets te zullen beweren dat zij niet volkomen kan bewijzen, maar daarna gaat zij in stilte de beweringen van het ongeloof onderzoeken en beproeven en stelt zij ze als onwaarheden aan het licht.
En een ieder van hen, die wij in de voorgaande afdeling vergaderd zagen, ging heen naar zijn huis; die van het volk (vs. 40-44) gingen naar huis, nadat zij zich in vier partijen hadden verdeeld, de medeleden van de Hoge raad (vs. 45-52) echter, nadat ook een van hen zich van de anderen had losgemaakt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel