Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
JezusG2424, ditG3778 gezegdG2036 hebbende, ging uit met Zijn discipelenG3101 over de beekG5493 KedronG2748, waar een hofG2779 wasG1510, inG1519 welkenG3739 HijG846 ging, enG2532 Zijn discipelenG3101.
Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.
KJV
When Jesus4
had spoken
these words,
he went forth5
with6
his9
disciples8
over10
the brook12
Cedron,14
where15
was
a garden,17
into18
the which19
he21
entered,20
and22
his25
disciples.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En JudasG2455, die HemG846 verriedG3860, wistG1492 ookG2532 die plaatsG5117, dewijlG3754 JezusG2424 aldaar dikwijlsG4178 vergaderdG4863 was geweest metG3326 Zijn discipelenG3101.
En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.
KJV
And2
Judas4
also,3
which5
betrayed6
him,7
knew1
the place:9
for10
Jesus14
ofttimes11
resorted12
thither15
with16
his19
disciples.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
JudasG2455 danG3767, genomenG2983 hebbende de bendeG4686 krijgsknechten en enige dienaarsG5257 van de overpriestersG749 enG2532 FarizeenG5330, kwamG2064 aldaar metG1537 lantaarnenG5322, enG2532 fakkelenG2985, enG2532 wapenenG3696.
Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
KJV
Judas3
then,2
having received4
a band6
of men and7
officers13
from8
the chief priests10
and11
Pharisees,12
cometh14
thither15
with16
lanterns17
and18
torches19
and20
weapons.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
JezusG2424 danG3767, wetendeG1492 allesG3956, watG5101 over Hem komenG2064 zou, ging uit, en zeideG2036 tot henG846: Wien zoektG2212 gij?
Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij?
KJV
Jesus1
therefore,2
knowing3
all things4
that should come6
upon7
him,8
went forth,9
and said
unto them,11
Whom12
seek ye?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zij antwoorddenG611 HemG846: JezusG2424 den NazarenerG3480. JezusG2424 zeideG3004 tot henG846: IkG1473 benG1510 het. En JudasG2455, die HemG846 verriedG3860, stondG2476 ookG2532 bij henG846.
Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
KJV
They answered1
him,2
Jesus3
of Nazareth.5
Jesus9
saith6
unto them,7
I10
am11
he. And13
Judas15
also,14
which4
betrayed17
him,18
stood12
with19
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
AlsG5613 Hij danG3767 tot hen zeideG2036: IkG1473 benG1510 het; gingenG565 zij achterwaartsG1519, enG2532 vielenG4098 ter aardeG5476.
Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.
KJV
As soon1
then2
as he had said
unto them,4
I6
am7
he, they went8
backward,9
and12
fell13
to the ground.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Hij vraagdeG1905 hunG846 dan wederomG3825: Wien zoektG2212 gij? EnG1161 zij zeidenG2036: JezusG2424 den NazarenerG3480.
Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.
KJV
Then2
asked he4
them3
again,1
Whom5
seek ye?6
And8
they said,
Jesus10
of Nazareth.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
JezusG2424 antwoorddeG611: Ik heb uG4771 gezegdG2036, dat Ik het benG1510. IndienG1487 gij danG3767 MijG1473 zoektG2212, zo laat dezenG5128 heengaanG5217.
Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
KJV
Jesus3
answered,1
I have told
you
that6
I7
am8
he: if9
therefore10
ye seek12
me,
let13
these
go their way:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
OpdatG2443 het woordG3056 vervuldG4137 zou worden, dat HijG846 gezegdG2036 had: UitG1537 degenen, dieG3739 Gij Mij gegevenG1325 hebt, heb Ik niemandG3762 verlorenG622.
Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.
KJV
That1
the saying4
might be fulfilled,2
which5
he spake,7
Of13
them14
which8
thou gavest9
me
have I11
lost12
none.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
SimonG4613 PetrusG4074 dan, hebbendeG2192 een zwaardG3162, trokG1670 hetzelveG846 uit, en sloegG3817 des hogepriestersG749 dienstknechtG1401, en hieuwG609 zijn rechteroorG1188 af. En de naamG3686 van den dienstknechtG1401 was MalchusG3124.
Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.
KJV
Then2
Simon1
Peter3
having4
a sword5
drew6
it,7
and8
smote9
the high priest's12
servant,13
and14
cut off15
his16
right20
ear.18
The servant's25
name23
was
Malchus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
JezusG2424 danG3767 zeideG2036 tot PetrusG4074: SteekG906 uw zwaardG3162 inG1519 de schedeG2336. Den drinkbekerG4221, dienG3739 Mij de VaderG3962 gegevenG1325 heeft, zal Ik dien niet drinkenG4095?
Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?
KJV
Then2
said
Jesus4
unto Peter,6
Put up7
thy
sword9
into11
the sheath:13
the cup15
which16
my Father20
hath given17
me,
shall I23
not
drink
it?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De bendeG4686 danG3767, enG2532 de oversteG5506 over duizend, enG2532 de dienaarsG5257 der JodenG2453 namenG4815 JezusG2424 gezamenlijk, enG2532 bondenG1210 HemG846;
De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;
KJV
Then2
the band3
and4
the captain6
and7
officers9
of the Jews11
took12
Jesus,14
and15
bound16
him,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG2532 leiddenG520 Hem henen, eerstG4412 totG4314 AnnasG452; wantG1063 hijG846 wasG1510 de vrouws vaderG3995 van KajafasG2533, welkeG3739 deszelven jaarsG1763 hogepriesterG749 wasG1510.
En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was.
KJV
And1
led2
him3
away
to4
Annas5
first;6
for8
he was
father in law9
to Caiaphas,11
which12
was
the high priest14
that same17
year.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
KajafasG2533 nuG1161 wasG1510 degene, die den JodenG2453 geradenG4823 had, datG3754 het nutG4851 was, dat eenG1520 MensG444 voor het volkG2992 stierveG622.
Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.
KJV
Now2
Caiaphas3
was he,
which4
gave counsel5
to the Jews,7
that8
it was expedient9
that one10
man11
should die12
for13
the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En SimonG4613 PetrusG4074 volgdeG190 JezusG2424, en een anderG243 discipelG3101. Deze discipelG3101 nuG1161 wasG1510 den hogepriesterG749 bekendG1110, en ging met JezusG2424 inG1519 des hogepriestersG749 zaalG833.
En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was den hogepriester bekend, en ging met Jezus in des hogepriesters zaal.
KJV
And2
Simon5
Peter6
followed1
Jesus,4
and7
so did another12
disciple:13
that17
disciple16
was
known19
unto the high priest,21
and22
went in with23
Jesus25
into26
the palace28
of the high priest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En PetrusG4074 stondG2476 buitenG1854 aanG4314 de deurG2374. De andere discipelG3101 dan, dieG3739 den hogepriesterG749 bekendG1110 wasG1510, ging uit, en sprakG2036 met de deurwaarsterG2377, en brachtG1521 PetrusG4074 in.
En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.
KJV
But2
Peter3
stood4
at5
the door7
without.8
Then10
went out9
that other14
disciple,12
which15
was
known17
unto the high priest,19
and20
spake
unto her that kept the door,23
and24
brought in25
Peter.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
De dienstmaagdG3814 danG3767, die de deurwaarsterG2377 was, zeideG3004 tot PetrusG4074: Zijt ookG2532 gijG4771 niet uitG1537 de discipelenG3101 van dezenG5127 MensG444? Hij zeideG3004: Ik benG1510 niet.
De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet.
KJV
Then2
saith1
the damsel4
that kept the door6
unto Peter,8
Art
not9
thou11
also10
one of12
this
man's17
disciples?14
He20
saith,19
I am15
not.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En de dienstknechtenG1401 en de dienaarsG5257 stondenG2476, hebbende een kolenvuurG439 gemaaktG4160, omdatG3754 het koudG5592 wasG1510, en warmdenG2328 zich. PetrusG4074 stondG2258 bij henG846, en warmdeG2328 zich.
En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.
KJV
And2
the servants4
and5
officers7
stood there,1
who had made9
a fire of coals;8
for10
it was
cold:11
and13
they warmed themselves:14
and16
Peter20
stood21
with17
them,18
and22
warmed himself.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De hogepriesterG749 danG3767 vraagdeG2065 JezusG2424 vanG4012 Zijn discipelenG3101, enG2532 vanG4012 Zijn leerG1322.
De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.
KJV
The high priest3
then2
asked4
Jesus6
of7
his10
disciples,9
and11
of12
his15
doctrine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
JezusG2424 antwoorddeG611 hemG846: IkG1473 heb vrijuitG3954 gesprokenG2980 tot de wereldG2889; IkG1473 heb allen tijdG3842 geleerdG1321 inG1722 de synagogeG4864 enG2532 inG1722 den tempelG2411, waar de JodenG2453 van alle plaatsenG3842 samenkomenG4905; enG2532 inG1722 het verborgenG2927 heb Ik nietsG3762 gesprokenG2980.
Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
KJV
Jesus4
answered1
him,2
I5
spake7
openly6
to the world;9
I10
ever11
taught12
in13
the synagogue,15
and16
in17
the temple,19
whither20
the Jews23
always21
resort;24
and25
in26
secret27
have I said28
nothing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Wat ondervraagtG1905 gij MijG1473? OndervraagG1905 degenen, dieG3739 het gehoordG191 hebben, wat Ik tot henG846 gesprokenG2980 heb; zieG2396, dezenG3778 wetenG1492, wat IkG1473 gezegdG2036 heb.
Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
KJV
Why1
askest thou3
me?
ask4
them which heard me,6
what7
I have said8
unto them:9
behold,
they11
know12
what13
I2
said.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG1161 als HijG846 dit zeideG2036, gafG1325 een van de dienarenG5257, dieG3778 daarbij stondG3936, JezusG2424 een kinnebakslagG4475, zeggendeG2036: AntwoordtG611 Gij alzoG3779 den hogepriesterG749?
En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester?
KJV
And2
when he3
had
thus
spoken,
one5
of the officers7
which stood by8
struck9
Jesus12
with the palm of his hand,10
saying,
Answerest thou15
the high priest17
so?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
JezusG2424 antwoorddeG611 hemG846: IndienG1487 Ik kwalijkG2560 gesprokenG2980 heb, betuigG3140 vanG4012 het kwadeG2556; enG1161 indienG1487 wel, waaromG5101 slaatG1194 gij MijG1473?
Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?
KJV
Jesus4
answered1
him,2
If5
I have spoken7
evil,6
bear witness8
of9
the evil:11
but13
if12
well,14
why15
smitest17
thou me?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
(AnnasG452 danG3767 had HemG846 gebondenG1210 gezondenG649 totG4314 KajafasG2533, den hogepriesterG749.)
(Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hogepriester.)
KJV
Now Annas8
had sent1
him6
bound9
unto10
Caiaphas11
the high priest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En SimonG4613 PetrusG4074 stondG2258 en warmdeG2328 zich. Zij zeidenG2036 dan tot hem: Zijt gijG4771 ookG2532 niet uitG1537 Zijn discipelenG3101? HijG846 loochendeG720 het, en zeideG2036: Ik ben niet.
En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.
KJV
And2
Simon3
Peter4
stood5
and6
warmed himself.7
They said
therefore9
unto him,10
Art
not11
thou13
also12
one of14
his17
disciples?16
He20
denied19
it, and21
said,
I am1
not.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
EenG1520 van de dienstknechtenG1401 des hogepriestersG749, die maagschapG4773 wasG1510 van dengene, dienG3739 PetrusG4074 het oorG5621 afgehouwenG609 had, zeideG3004: Heb ikG1473 uG4771 nietG3756 gezienG3708 inG1722 den hofG2779 metG1537 HemG846?
Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem?
KJV
One2
of3
the servants5
of the high priest,7
being
his kinsman8
whose10
ear14
Peter12
cut off,11
saith,1
Did
not15
I16
see
thee
in19
the garden21
with22
him?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
PetrusG4074 danG3767 loochendeG720 het wederomG3825. EnG2532 terstondG2112 kraaideG5455 de haanG220.
Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.
KJV
Peter5
then2
denied3
again:1
and6
immediately7
the cock8
crew.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Zij dan leiddenG71 JezusG2424 vanG575 KajafasG2533 inG1519 het rechthuisG4232. En het wasG1510 's morgens vroegG4405; en zij gingenG1525 niet inG1519 het rechthuisG4232, opdatG2443 zij niet verontreinigdG3392 zouden worden, maar opdatG2443 zij het paschaG3957 etenG5315 mochten.
Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.
KJV
Then2
led they1
Jesus4
from5
Caiaphas7
unto8
the hall of judgment:10
and12
it was
early;13
and14
they themselves15
went17
not16
into18
the judgment hall,20
lest
they should be defiled;23
but24
that21
they might eat26
the passover.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
PilatusG4091 danG3767 ging totG4314 henG846 uit, enG2532 zeideG2036: WatG5101 beschuldigingG2724 brengtG5342 gij tegenG2596 dezenG5127 MensG444?
Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mens?
KJV
Pilate4
then2
went out1
unto5
them,6
and7
said,
What9
accusation10
bring ye11
against12
this
man?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Zij antwoorddenG611 enG2532 zeidenG2036 tot hemG846: IndienG1487 DezeG3778 geen kwaaddoenerG2555 wareG2258, zo zouden wij HemG846 uG4771 niet overgeleverdG3860 hebben.
Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.
KJV
They answered1
and2
said
unto him,4
If
he8
were
not
a malefactor,9
we would11
not10
have delivered13
him14
up
unto thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
PilatusG4091 danG3767 zeideG2036 tot hen: NeemtG2983 gijG4771 HemG846, enG2532 oordeeltG2919 HemG846 naarG2596 uw wetG3551. De JodenG2453 danG3767 zeidenG2036 tot hem: Het is ons nietG3756 geoorloofdG1832 iemandG3762 te dodenG615.
Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.
KJV
Then2
said
Pilate5
unto them,3
Take6
ye
him,7
and9
judge14
him15
according10
to your
law.12
The Jews20
therefore17
said
unto him,18
It is23
not22
lawful
for us
to put24
any man25
to death:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
OpdatG2443 het woordG3056 van JezusG2424 vervuldG4137 wierd, dat Hij gezegdG2036 had, betekenendeG4591, hoedanigenG4169 doodG2288 Hij stervenG599 zoude.
Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zoude.
KJV
That1
the saying3
of Jesus5
might be fulfilled,6
which7
he spake,
signifying9
what10
death11
he should12
die.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
PilatusG4091 danG3767 ging wederomG3825 inG1519 het rechthuisG4232, en riepG5455 JezusG2424, enG2532 zeideG2036 tot HemG846: ZijtG1510 GijG4771 de KoningG935 der JodenG2453?
Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
KJV
Then2
Pilate8
entered1
into3
the judgment hall5
again,6
and9
called10
Jesus,12
and13
said
unto him,15
Art
thou16
the King19
of the Jews?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
JezusG2424 antwoorddeG611 hemG846: ZegtG3004 gijG4771 ditG3778 van uzelven, ofG2228 hebben het uG4771 anderen van MijG1473 gezegdG2036?
Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van Mij gezegd?
KJV
Jesus4
answered1
him,2
Sayest9
thou7
this thing
of5
thyself,6
or10
did others11
tell it
thee
of14
me?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
PilatusG4091 antwoorddeG611: BenG1510 ikG1473 een JoodG2453? Uw volkG1484 enG2532 de overpriestersG749 hebben U aan mijG1473 overgeleverdG3860; watG5101 hebt Gij gedaanG4160?
Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
KJV
Pilate3
answered,1
Am7
I5
a Jew?6
Thine own11
nation9
and12
the chief priests14
have delivered15
thee
unto me:
what18
hast thou done?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
JezusG2424 antwoorddeG611: Mijn KoninkrijkG932 isG1510 niet vanG1537 deze wereldG2889. IndienG1487 Mijn KoninkrijkG932 vanG1537 dezeG3778 wereldG2889 wareG2258, zo zouden MijnG1699 dienarenG5257 gestredenG75 hebben, opdatG2443 Ik den JodenG2453 niet ware overgeleverdG3860; maar nu isG1510 MijnG1699 KoninkrijkG932 niet van hier.
Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
KJV
Jesus3
answered,1
My7
kingdom5
is
not8
of10
this
world:12
if14
my23
kingdom21
were
of15
this
world,17
then would26
my28
servants25
fight,29
that
I should32
not
be delivered
to the Jews:34
but36
now35
is
my40
kingdom38
not41
from hence.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
PilatusG4091 dan zeideG2036 totG1519 HemG846: Zijt Gij dan een KoningG935? JezusG2424 antwoorddeG611: GijG4771 zegtG3004, dat Ik een KoningG935 benG1510. Hiertoe ben Ik geborenG1080 enG2532 hiertoe ben Ik inG1519 de wereldG2889 gekomenG2064, opdatG2443 Ik der waarheidG225 getuigenisG3140 geven zou. Een iegelijkG3956, dieG3778 uitG1537 de waarheidG225 is, hoortG191 Mijn stemG5456.
Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
KJV
Pilate5
therefore2
said
unto him,3
Art
thou9
a king7
then?6
Jesus12
answered,10
Thou13
sayest1
that15
I18
am8
a king.16
To20
this
end was22
I19
born,
and23
for24
this
cause came I26
into27
the world,29
that30
I should bear witness31
unto the truth.33
Every one34
that is
of37
the truth39
heareth40
my
voice.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
PilatusG4091 zeideG3004 totG4314 HemG846: WatG5101 isG1510 waarheidG225? En als hij datG3778 gezegdG2036 had, ging hij wederomG3825 uit tot de JodenG2453, enG2532 zeideG3004 tot henG846: IkG1473 vindG2147 geen schuldG156 inG1722 Hem.
Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.
KJV
Pilate4
saith1
unto him,2
What5
is
truth?7
And8
when he had said
this,
he went out12
again11
unto13
the Jews,15
and16
saith10
unto them,18
I19
find22
in23
him24
no20
fault
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
DochG1161 gij hebt een gewoonteG4914, datG2443 ik uG4771 opG1722 het paschaG3957 eenG1520 loslateG630. WiltG1014 gij dan, dat ik u den KoningG935 der JodenG2453 loslateG630?
Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?
KJV
But2
ye
have
a custom,3
that5
I should release8
unto you
one6
at9
the passover:11
will ye12
therefore13
that I release15
unto you
the King17
of the Jews?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
Zij dan riepenG2905 allenG3956 wederomG3825, zeggendeG3004: NietG3361 DezenG5126, maar Bar-abbasG912! EnG1161 Bar-abbasG912 wasG1510 een moordenaarG3027.
Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet Dezen, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar.
KJV
Then2
cried they1
all4
again,3
saying,5
Not6
this man,
but8
Barabbas.10
Now12
Barabbas14
was
a robber.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
ging uit met
Dat is, ging voort heen. Want dat Hij uit het huis en de stad al gegaan was, schijnt te blijken uit Joh. 14:31. Zie vs.4.
Hertaald:
ging uit met
Dat is: ging verder heen. Dat Hij het huis en de stad al verlaten had, lijkt te blijken uit Joh. 14:31. Zie vers 4.
Kedron, waar
Dit was ene beek, vlietende door een donkere vallei tussen de stad Jeruzalem en den Olijfberg. Waarvan ook vermeld wordt 2 Sam. 15:23 ; 2 Kon. 23:6, 2 Kon. 23:12 ; Jer. 31:40 , en elders.
Hertaald:
Kedron, waar
Dit was een beek die door een donker dal tussen de stad Jeruzalem en de Olijfberg stroomde. Zij wordt ook genoemd in 2 Sam. 15:23; 2 Kon. 23:6, 2 Kon. 23:12; Jer. 31:40 en elders.
vergaderd was
Namelijk derwaarts tegen den nacht met Zijne discipelen uit de stad Jeruzalem vertrekkende; Luc. 21:37 , waar Hij ook somwijlen Zijne discipelen in het bijzonder onderwees; Matt. 24:3 .
Hertaald:
vergaderd was
Namelijk doordat Hij tegen de avond met Zijn discipelen vanuit de stad Jeruzalem daarheen vertrok (Luk. 21:37), waar Hij Zijn discipelen soms ook afzonderlijk onderwees; Matth. 24:3.
de bende
Namelijk die van des keizers wege voor den tempel plachten de wacht te houden, en ten dienste van de overpriesters dikwijls gebruikt te worden. Zie Matt. 27:65 .
Hertaald:
de bende
Namelijk de afdeling die namens de keizer voor de tempel de wacht placht te houden en die vaak ten dienste van de overpriesters gebruikt werd. Zie Matth. 27:65.
van de overpriesters
Grieks uit.
Hertaald:
van de overpriesters
Grieks: uit.
fakkelen, en
Grieks Lampades; hetwelk ook lampen, die met olie plegen voorzien te worden, betekent; Matt. 25:1 , enz.
Hertaald:
fakkelen, en
Grieks: lampades; dat betekent ook lampen, die met olie gevuld plegen te worden; Matth. 25:1, enzovoort.
ging uit, en
Namelijk van de plaats des hofs, waar Hij was, hun tegemoet, om te tonen dat Hij zich gewilliglijk overgaf in den dood.
Hertaald:
ging uit, en
Namelijk vanaf de plaats in de hof waar Hij was, hun tegemoet, om te tonen dat Hij Zich vrijwillig in de dood overgaf.
vielen ter aarde
Namelijk door Zijn goddelijke kracht nedergeslagen zijnde, om te tonen dat Hij aan hunne handen lichtelijk had kunnen ontkomen, indien Hij gewild had.
Hertaald:
vielen ter aarde
Namelijk doordat zij door Zijn goddelijke kracht neergeslagen werden, om te tonen dat Hij gemakkelijk aan hun handen had kunnen ontkomen als Hij dat gewild had.
wederom
Namelijk nadat zij weder opgestaan waren.
Hertaald:
wederom
Namelijk nadat zij weer opgestaan waren.
dezen
Namelijk mijne discipelen.
Hertaald:
dezen
Namelijk Mijn discipelen.
heengaan
Namelijk zonder hun leed te doen; gelijk zij allen Hem verlaten hebben en gevlucht zijn; Matt. 26:56 .
Hertaald:
heengaan
Namelijk zonder hun kwaad te doen; zij hebben Hem dan ook allen verlaten en zijn gevlucht; Matth. 26:56.
Opdat het woord
Namelijk heeft Hij dit gezegd, of is dit geschied.
Hertaald:
Opdat het woord
Namelijk heeft Hij dit gezegd, of is dit gebeurd.
dat Hij gezegd had
Namelijk Christus, Joh. 17:12 , alwaar Hij spreekt van hunne bewaring ter zaligheid. Doch Johannes spreekt hier van hunne bewaring in dit leven, alzo hetzelve voor dien tijd ook tot hunne zaligheid bevorderlijk, en enigszins nodig was om de zwakheid van hun geloof. Zie dergelijke toepassing Matt. 8:17 .
Hertaald:
dat Hij gezegd had
Namelijk Christus in Joh. 17:12, waar Hij spreekt over hun bewaring tot zaligheid. Johannes spreekt hier echter over hun bewaring in dit leven, aangezien die voor die tijd ook bevorderlijk en enigszins nodig was voor hun zaligheid, vanwege de zwakheid van hun geloof. Zie een soortgelijke toepassing in Matth. 8:17.
hebbende een zwaard,
Namelijk gelijk de reizende lieden somwijlen zwaarden plachten mede te dragen tegen de straatschenders en andere gewone geweldigers; hetwelk in zichzelven niet ongeoorloofd is, als men blijft binnen de palen van nodige bescherming. Doch Petrus heeft hier zijn zwaard misbruikt tegen degenen, die van de overheid gezonden waren; waarom hij ook daarover van Christus bestraft wordt. Zie hiervan ook Luc. 22:38 .
Hertaald:
hebbende een zwaard,
Namelijk zoals reizigers soms zwaarden meedroegen tegen struikrovers en ander gewelddadig volk. Op zichzelf is dat niet ongeoorloofd, zolang men binnen de grenzen van de noodzakelijke verdediging blijft. Maar Petrus heeft zijn zwaard hier misbruikt tegen mensen die door de overheid gezonden waren; daarom wordt hij daarover ook door Christus bestraft. Zie hierover ook Luk. 22:38.
af
Doch Christus heelde het wederom; Luc. 22:51.
Hertaald:
af
Christus genas het echter weer; Luk. 22:51.
Steek uw zwaard
Grieks werp; dat is, steek haastelijk. Zie hiervan de reden Matt. 26:52 .
Hertaald:
Steek uw zwaard
Grieks: werp; dat is: steek hem er snel in. Zie hiervoor de reden in Matth. 26:52.
Den drinkbeker,
Dat is, dat bitter lijden, hetwelk mij de Vader opgelegd heeft, zal Ik dat niet lijden? Zie Matt. 20:22 .
Hertaald:
Den drinkbeker,
Dat is: zou Ik dat bittere lijden dat de Vader Mij opgelegd heeft niet lijden? Zie Matth. 20:22.
der Joden namen
Dat is, de overste der Joden. Zie vs.3.
Hertaald:
der Joden namen
Dat is: de dienaars van de oversten van de Joden. Zie vers 3.
eerst tot Annas;
En daarna tot Kajafas, gelijk blijkt vs.24. Zodat hetgeen hierna in den tekst volgt, niet in het huis van Annas, maar van Kajafas geschied is.
Hertaald:
eerst tot Annas;
En daarna naar Kajafas, zoals blijkt uit vers 24. Zodat wat hierna in de tekst volgt niet in het huis van Annas maar in dat van Kajafas gebeurd is.
volgde Jezus,
Namelijk van verre, naar het huis van Kajafas; Matt. 26:58 .
Hertaald:
volgde Jezus,
Namelijk van verre, naar het huis van Kajafas; Matth. 26:58.
een ander discipel
Sommigen menen dat deze discipel Johannes zelf geweest is. Doch dit is niet zeker.
Hertaald:
een ander discipel
Sommigen menen dat deze discipel Johannes zelf geweest is. Maar dat is niet zeker.
zaal
Of, paleis.
Hertaald:
zaal
Of: paleis.
sprak met de
Of, zeide tot de deurwaarster; namelijk dat zij hem zou willen inlaten.
Hertaald:
sprak met de
Of: zei tot de deurwachtster, namelijk dat zij hem binnen zou willen laten.
zeide tot Petrus
Namelijk als zij Hem daarna bij het vuur zag staan; Luc. 22:56 .
Hertaald:
zeide tot Petrus
Namelijk toen zij hem daarna bij het vuur zag staan; Luk. 22:56.
de dienaars stonden,
Dezen schijnen geweest te zijn de dienaars van het gericht of van den Raad der Joden.
Hertaald:
de dienaars stonden,
Dit lijken de dienaars van het gerecht of van de Raad van de Joden geweest te zijn.
koud was, en
Grieks koude.
Hertaald:
koud was, en
Grieks: koude.
van Zijn discipelen,
Dat is, wie zij waren, hoeveel, en waartoe Hij discipelen vergaderde; of het niet was om oproer en aanhang te maken.
Hertaald:
van Zijn discipelen,
Dat is: wie zij waren, hoeveel het er waren, en waartoe Hij discipelen verzamelde — of het niet was om oproer en aanhang te maken.
leer
Namelijk of die niet verschilde van de leer van Mozes, of der Farizeën.
Hertaald:
leer
Namelijk of die niet verschilde van de leer van Mozes of van de farizeeën.
tot de wereld;
Dat is, tot de menigte van al het volk.
Hertaald:
tot de wereld;
Dat is: tot de menigte van al het volk.
van alle plaatsen
Anderen lezen allen tijd, en somwijlen alle.
Hertaald:
van alle plaatsen
Anderen lezen: te allen tijde, en soms: alle.
in het verborgen
Namelijk gelijk plachten te doen die oproer willen maken, of het volk met valse leer verleiden.
Hertaald:
in het verborgen
Namelijk zoals zij plachten te doen die oproer willen maken of het volk met valse leer willen verleiden.
een kinnebakslag,
Of, enen slag met een stok, of roede.
Hertaald:
een kinnebakslag,
Of: een slag met een stok of roede.
betuig van
Dat is, bewijs waarin Ik kwalijk gesproken heb.
Hertaald:
betuig van
Dat is: bewijs waarin Ik verkeerd gesproken heb.
gezonden tot
Zie hiervoren vs.13.
Hertaald:
gezonden tot
Zie hiervoor vers 13.
Zij zeiden dan
Namelijk die daar tegenwoordig waren; hetwelk van ene dienstmaagd eerst is begonnen, vs.17, en daarna van enige anderen mede geschied is. Zie Marc. 14:69 .
Hertaald:
Zij zeiden dan
Namelijk zij die daar aanwezig waren. Dat is begonnen bij een dienstmaagd (vers 17) en daarna ook door enkele anderen gedaan. Zie Mark. 14:69.
kraaide de haan
Namelijk voor de tweede maal, tegen het aankomen des dageraads; Marc. 14:72 .
Hertaald:
kraaide de haan
Namelijk voor de tweede keer, tegen het aanbreken van de dageraad; Mark. 14:72.
van Kajafas in
Dat is, van het huis van Kajafas.
Hertaald:
van Kajafas in
Dat is: uit het huis van Kajafas.
rechthuis
Grieks Praitorion; hetwelk was de woonplaats van den stadhouder Pilatus, waar hij ook het gericht hield.
Hertaald:
rechthuis
Grieks: praitorion; dat was de woonplaats van de stadhouder Pilatus, waar hij ook rechtsprak.
's morgens vroeg;
Of, morgenstond.
Hertaald:
's morgens vroeg;
Of: bij het krieken van de dag.
verontreinigd
Namelijk naar hun algemeen gevoelen, Hand. 10:28 , en Hand. 11:3 ; want anderszins leest men niet, dat het in de wet verboden is in eens heidens huis te gaan.
Hertaald:
verontreinigd
Namelijk naar hun algemene opvatting (Hand. 10:28 en Hand. 11:3); want overigens leest men niet dat het in de wet verboden was het huis van een heiden binnen te gaan.
pascha eten mochten
Dat is, het paaslam, hetwelk zij dien aanstaanden avond eerst zouden slachten en eten, en dat van de onreinen niet mocht gegeten worden; Num. 9:10. De reden hiervan zie de aantekeningen Matt. 26:20.
Hertaald:
pascha eten mochten
Dat is: het paaslam, dat zij die komende avond pas zouden slachten en eten en dat door onreinen niet gegeten mocht worden; Num. 9:10. Zie de reden hiervan in de aantekeningen bij Matth. 26:20.
uit, en zeide
Namelijk buiten het rechthuis, om hun te gelieven.
Hertaald:
uit, en zeide
Namelijk buiten het rechthuis, om hun terwille te zijn.
niet geoorloofd
Namelijk òf om niet onrein en alzo onbekwaam te worden om het pascha te eten; òf veel meer omdat hun de macht was ontnomen van de Romeinen, om iemand met den dood te straffen, zonder toestemming van den Romeinsen stadhouder.
Hertaald:
niet geoorloofd
Namelijk óf om niet onrein en zo ongeschikt te worden om het pascha te eten, óf veeleer omdat de Romeinen hun de bevoegdheid ontnomen hadden iemand met de dood te straffen zonder toestemming van de Romeinse stadhouder.
gezegd had,
Namelijk Matt. 20:19 , en elders; te weten dat Hij den heidenen zou overgeleverd worden en van hen gegeseld en gekruisigd worden; met welke soort van dood de Romeinen plachten te straffen degenen, die zodanige misdaden begaan hadden, waar Christus mede beschuldigd werd, namelijk van zich tot koning op te werpen en oproer te maken.
Hertaald:
gezegd had,
Namelijk in Matth. 20:19 en elders: dat Hij aan de heidenen overgeleverd zou worden en door hen gegeseld en gekruisigd zou worden. Met die vorm van doodstraf plachten de Romeinen hen te straffen die zulke misdaden begaan hadden als waarvan Christus beschuldigd werd, namelijk dat Hij Zich tot koning opwierp en oproer maakte.
van uzelven,
Namelijk om van mij nader onderricht te worden.
Hertaald:
van uzelven,
Namelijk om door Mij nader onderricht te worden.
anderen van
Namelijk om mij daarmede bij u te beschuldigen.
Hertaald:
anderen van
Namelijk om Mij daarmee bij u te beschuldigen.
een Jood?
Namelijk dat ik, gelijk de Joden, begerig zou zijn om te weten wat van den Koning of Messias is, dien de Joden verwachten.
Hertaald:
een Jood?
Namelijk dat ik, net als de Joden, zou willen weten wie de Koning of Messias is die de Joden verwachten.
van deze wereld
Grieks uit; dat is, Ik ben wel de beloofde Koning der Joden, maar dat strekt niet tot nadeel van de heerschappij des Romeinsen keizers, alzo mijn koninkrijk niet bestaat in een wereldse, maar in een geestelijke macht en regering.
Hertaald:
van deze wereld
Grieks: uit; dat is: Ik ben wel de beloofde Koning van de Joden, maar dat gaat niet ten koste van de heerschappij van de Romeinse keizer, aangezien Mijn koninkrijk niet bestaat in een wereldse maar in een geestelijke macht en regering.
van hier
Dat is, gelijk der wereldse koningen heerschappij hier op aarde is.
Hertaald:
van hier
Dat is: zoals de heerschappij van de wereldse koningen hier op aarde is.
Zijt Gij dan
Of, zijt gij dan niet een koning? of, zo zijt gij dan een koning?
Hertaald:
Zijt Gij dan
Of: bent U dan geen koning? Of: dan bent U dus een koning?
Gij zegt, dat
Van deze manier van spreken zie de aantekeningen Matt. 26:25.
Hertaald:
Gij zegt, dat
Zie over deze manier van spreken de aantekeningen bij Matth. 26:25.
getuigenis
Dat is, vrijmoedig belijd en leer.
Hertaald:
getuigenis
Dat is: vrijmoedig belijd en leer.
die uit de waarheid
Dat is, die door het woord der waarheid wedergeboren is, en dienvolgens de zaligmakende waarheid liefheeft.
Hertaald:
die uit de waarheid
Dat is: die door het woord van de waarheid wedergeboren is en dus de zaligmakende waarheid liefheeft.
hoort Mijn stem
Namelijk gaarne, en alzo dat hij die aanneemt en gelooft.
Hertaald:
hoort Mijn stem
Namelijk graag, en zo dat hij die aanneemt en gelooft.
Wat is waarheid?
Aldus spreekt hij, niet om van Christus onderwezen te zijn, maar als Christus' woorden met verachting verwerpende.
Hertaald:
Wat is waarheid?
Zo spreekt hij, niet om door Christus onderwezen te worden, maar terwijl hij de woorden van Christus met verachting verwerpt.
uit tot de Joden,
Namelijk uit het rechthuis, waar hij wederom ingegaan was, om Christus te ondervragen.
Hertaald:
uit tot de Joden,
Namelijk uit het rechthuis, waar hij weer naar binnen was gegaan om Christus te ondervragen.
schuld in Hem
Grieks zaak, of oorzaak; die Hem des doods zou schuldig maken.
Hertaald:
schuld in Hem
Grieks: zaak, of oorzaak; namelijk die Hem de dood schuldig zou maken.
moordenaar
Of, straatschender en oproermaker; Luc. 23:25 .
Hertaald:
moordenaar
Of: struikrover en oproermaker; Luk. 23:25. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een dienstknecht van de hogepriester, wiens rechteroor Simon Petrus met het zwaard afhieuw toen Jezus in de hof van Gethsémané gevangen genomen werd (Joh. 18:10); volgens Luk. 22:51 genas Jezus hem terstond. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Het gebed in de hof is uitgesproken. Judas komt met een bende krijgsknechten en met dienaars van de overpriesters, met lantaarns en fakkels en wapens — een klein leger voor één ongewapende man in een tuin. Zij komen Hem grijpen, Hij noemt Zich met twee woorden, en zij deinzen achteruit en vallen op de grond. Johannes vertelt het anders dan de andere evangelisten. Er is bij hem geen kus en geen aanwijzing nodig: Hij gaat Zelf naar buiten en vraagt: Wien zoekt gij? Zij antwoorden: Jezus de Nazarener. En dan komt het antwoord, en het gevolg ervan: “Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.” Er wordt niets bij gedaan. Er is geen wonder, geen licht, geen stem uit de hemel. Er zijn twee woorden, en gewapende mannen struikelen achteruit. De kanttekening zegt wat er gebeurt: zij werden door Zijn Goddelijke kracht neergeslagen, om te tonen dat Hij gemakkelijk aan hun handen had kunnen ontkomen indien Hij gewild had. Dat is de betekenis van het ogenblik. Wat volgt — de boeien, het verhoor, het kruis — gebeurt niet omdat Hij het niet kon keren. En die twee woorden zijn dezelfde die Hij eerder in dit evangelie gebruikte, en die daar tot stenen leidden: eer Abraham was, ben Ik. Het is de Naam waarmee God Zich aan Mozes bekendmaakte bij het brandende bos, en waarmee Hij over het water liep in de nacht dat de discipelen niet vooruitkwamen. In het Oude Testament ging het steeds zo: Iemand verschijnt, en wie Hem tegenkomt valt op zijn aangezicht — Jozua bij Jericho, Manoach en zijn vrouw, Ezechiël bij de rivier. Hier valt een arrestatieploeg. En dan gaat Hij verder waar Hij gebleven was: Wien zoekt gij? Hij vraagt het nog eens, en voegt eraan toe: indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Johannes schrijft erbij dat daarmee Zijn eigen woord vervuld werd, dat Hij niemand verloren had van wie de Vader Hem gegeven had. Zelfs op dit ogenblik telt Hij hen. Petrus trekt een zwaard en hakt ernaast. Het antwoord daarop wijst terug naar de hof waar Hij zojuist uit komt: “Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?” Het tweede deel van het hoofdstuk speelt in het rechthuis, en daar wordt de vraag anders gesteld. Pilatus vraagt Hem of Hij de Koning der Joden is. Het antwoord scheidt twee soorten koninkrijk: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben.” De kanttekening vat samen wat Hij daarmee zegt: Hij is wel de beloofde Koning der Joden, maar Zijn koninkrijk bestaat niet in een wereldse macht en dat strekt niet tot nadeel van de keizer. En dan zegt Hij waartoe Hij geboren is: opdat Hij der waarheid getuigenis geven zou. Pilatus antwoordt met een vraag waar hij het antwoord niet op afwacht, en gaat naar buiten om te zeggen dat hij geen schuld in Hem vindt. In het Nieuwe Testament: Exodus 3:14; Johannes 8:58; Markus 6:50; Jozua 5:14; Openbaring 1:17; Johannes 10:18 Hoever dit reikt: Dat de twee woorden Ik ben het hier meer dragen dan een gewone bevestiging, blijkt uit het gevolg dat de tekst vermeldt. Daarnaast wijst hun gebruik elders in dit evangelie dezelfde kant op. Er staat niet met zoveel woorden bij dat Hij daarmee de Naam uit Exodus 3 opneemt. De kanttekening verklaart het neervallen uit Zijn Goddelijke kracht, en zegt waartoe het diende.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas En zij kwamen aan een plaats, welker naam was Gethsémané. Marc. 14:32 Onze Heere verliet de tafel van de zalige gemeenschap en ging over de beek Kedron, zo… Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had:… Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. Johannes 18:10 Zou u graag willen dat u uw… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Als u dan Mij zoekt, laat dezen weggaan. Johannes 18 vers 8 Let eens goed op de zorg die Jezus zelfs… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Johannes 18
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik ben het — 18:3-11, 33-38
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Marc. 14:32 - Gethsémané
Kastijding uit liefde
Niet verzetten
Als u dan Mij zoekt, laat dezen weggaan


Johannes 18
Johannes 18:1
KruisverwijzingenMattheüs 26:36→Markus 14:32→2 Samuël 15:23→Johannes 18:26→Lukas 22:39→Jeremia 31:40→2 Kronieken 30:14→1 Koningen 15:13→— Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.
Onze Heere kon die “beek Kedron” niet oversteken zonder herinnerd te worden aan de tijd dat David diezelfde weg ging, in het uur van zijn droefheid. Toch wist Hij dat Hem een nog veel zwaardere beproeving wachtte dan die van David. Diezelfde donkere, onreine beek, waardoor het bloed en het afval van de tempel stroomden, moest Hem al aan Zijn naderende offerande doen denken. Koning David stak haar eens ’s nachts over, in bittere droefheid, verdreven uit zijn huis door Absaloms opstand. Nu stak de grotere Zoon van David haar over, tegen middernacht, met Zijn discipelen, “over de beek Kedron, waar een hof was.”
Van het voorbeeld van onze Heere kunnen wij leren om, wanneer de nood nabij is, die met kalmte tegemoet te treden. Onze Zaligmaker bleef niet stilzitten; naarmate het uur van Zijn verraad en dood naderde, ging Hij uit met Zijn discipelen. Juist die zwarte, door tempelvuil bezoedelde beek over te steken, was zeer veelzeggend. Hij verlangde toen bijzonder naar eenzaamheid, want een van de beste voorbereidingen op het lijden is alleen te zijn met God. Zoals Hij Gethsemané vóór Golgotha stelde, zo doet ook u er goed aan een uur van biddend nadenken vóór het lijden te stellen dat u wacht. Het zal u tot grote hulp zijn.
Johannes 18:1-2
KruisverwijzingenMattheüs 26:36→Markus 14:32→2 Samuël 15:23→Lukas 21:37→Johannes 18:26→Lukas 22:39→Jeremia 31:40→2 Kronieken 30:14→— Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen. En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.
Onze Heere ging daarheen om te bidden, en Judas wist dat dit Zijn gewoonte was. Zijn wij zulke mensen van gebed, dat anderen weten waar wij bidden? Hebt u een vertrouwde plaats waar u uw Heere ontmoet? Ik vrees dat velen weten waar wij ons werk doen, en velen weten waar wij preken, maar dat maar weinigen weten waar wij bidden. God geve dat wij vaak aan de genadetroon mogen zijn! Wij zouden betere mannen en vrouwen zijn, als wij vaker voor de troon der genade verkeerden.
Johannes 18:2
KruisverwijzingenLukas 21:37→Lukas 22:39→Markus 11:11→— En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.
De plaats waar onze Heere Zich dikwijls in eenzaamheid terugtrok om te bidden, was aan Judas welbekend, die daar dikwijls met zijn Heere en zijn medediscipelen geweest was.
Die donkere, sombere olijfhof was die nacht geen lusthof. Vaak was hij een plaats van afzondering en van gebed voor de Meester geweest. Wat een gelukkige herinneringen moeten Zijn discipelen gehad hebben aan die uren van gebed met Hem daar! Het was een zeer kostbaar voorrecht om bij Hem te zijn wanneer Hij predikte. Maar het moet, zo mogelijk, een nog groter voorrecht geweest zijn om bij Hem te zijn wanneer Hij bad. Er staat niet opgetekend dat Zijn discipelen ooit tot Hem zeiden: “Heere, leer ons prediken”; maar er was er ten minste één zo getroffen door Zijn gebeden dat hij zei: “Heere, leer ons bidden.” Ook wij mogen Hem nu wel vragen ons dat te leren. Misschien zou een van u wel geleerd willen worden hoe groot te worden; het is veel belangrijker geleerd te worden hoe biddend te worden.
Johannes 18:3
KruisverwijzingenJohannes 18:12→Lukas 22:47→Handelingen 1:16→Psalmen 22:12→Markus 14:43→Johannes 13:2→Mattheüs 26:47→Johannes 13:27→— Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
Hoe volkomen moet de verrader in de macht van de satan geweest zijn! Hoe verhard en afgestompt moet hij geworden zijn, dat hij de mannen die de Zaligmaker kwamen grijpen, daarheen kon leiden! Waarlijk, het waren goddeloze handen die Christus grepen, kruisigden en doodden; toch voerden deze boze mensen, zonder het te weten, “den bepaalden raad en voorkennis Gods” uit. Hoe vreemd waren zij toegerust voor hun werk van de duisternis! “Met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.” Zij kwamen tot het Licht van de wereld met lantaarnen en fakkelen; en gewapend met wapenen, om die te gebruiken tegen het Lam Gods. Had Hij Zichzelf willen bevrijden, dan waren al hun wapenen tevergeefs geweest. Ook hun lantaarnen en fakkelen hadden Hem niet kunnen ontdekken, zelfs niet bij het licht van de volle maan, die toen waarschijnlijk scheen.
“Lantaarnen” om de Zon licht te geven, “fakkelen” om het Licht van de wereld te vinden; “wapenen” om te strijden tegen het Lam Gods, de weerloze Lijder. Wat een vreemde behandeling voor Hem, Die kwam om te zalig maken en te zegenen!
Het gaat niet zozeer om de bende met lantaarnen, fakkelen en wapenen. Het meest verschrikkelijke van dit verhaal is dat zij geleid werden door iemand die een discipel van Christus was geweest, die tot de apostelen had behoord. Wordt Christus nog steeds verraden door hen die Hem belijden? Ja, het gebeurt nog, maar mogen u en ik ons nooit aan die vreselijke zonde schuldig maken! Toch, waarom zouden wij dat niet doen, tenzij Gods genade het verhoedt? Wij zijn van hetzelfde vlees en bloed als Judas. En al zouden wij niet door een geldbedrag verleid worden, wij kunnen verleid worden door een zondig genoegen of een zondige schaamte. Laten wij, opdat wij niet afdwalen, bidden dat wij niet in verzoeking komen, en vooral vragen dat wij bewaard mogen blijven van het verraden van onze Heere, zoals Judas deed.
Johannes 18:4-5
KruisverwijzingenJohannes 13:1→Johannes 18:7→Markus 10:33→1 Koningen 18:14→Handelingen 2:28→Mattheüs 26:21→Psalmen 3:6→Handelingen 20:22→— Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
Merk op, geliefde vrienden, dat het woordje “Hij” in de grondtekst niet staat; het is er door de vertalers bijgevoegd. Onze Heere gebruikte hier tweemaal de Naam van Jehova, Ik ben, — zoals Hij dat ook bij andere gedenkwaardige gelegenheden deed. Het was zeer passend dat Hij, terwijl Hij uitging om te sterven, verklaarde dat het geen gewoon mens was Die aan het kruis zou lijden. Hij was weliswaar waarlijk mens, maar tegelijk ook “waarachtig God uit waarachtig God”.
Het is opmerkelijk dat Jezus, bij Zijn verraad, tweemaal deze uitdrukking gebruikte, en zo de Naam van Jehova zelf uitsprak.
Johannes 18:4
KruisverwijzingenJohannes 13:1→Johannes 18:7→Markus 10:33→1 Koningen 18:14→Handelingen 2:28→Mattheüs 26:21→Psalmen 3:6→Handelingen 20:22→— Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij?
Door Zijn Godheid wist Hij alles wat Hem overkomen zou. Maar wat een wonderlijk mens-zijn was het, dat Hij, hoewel Hij alles wist wat Hem zou wedervaren, kalm en beheerst naar voren trad, onderworpen aan de wil van Zijn Vader. Tot hen die gekomen waren om Hem te grijpen, zei Hij: “Wien zoekt gij?” Ik denk dat Hij ook tegen sommigen van ons zegt: “wien zoekt gij?” Wij zijn hier niet gekomen om Hem te doden. Wij zijn hier niet gekomen om tegen Hem te strijden en Hem weg te leiden om Hem te kruisigen. Toch hoop ik dat wij naar waarheid kunnen zeggen dat wij gekomen zijn om Jezus te zoeken. Als dat werkelijk het verlangen van uw hart is, zal het u zeker vervuld worden.
Johannes 18:5
KruisverwijzingenJesaja 3:9→Jeremia 8:12→Mattheüs 21:11→Johannes 19:19→Johannes 1:46→Mattheüs 2:23→— Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.
Wat een verharde ellendeling moet hij geweest zijn, dat hij met hen kon staan! Men zou gedacht hebben dat hij, na zijn Meester verraden te hebben, zich uit schaamte zou hebben verborgen, maar nee, “Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.” Zijn hart moet gestaald geweest zijn.
Of liever: “Ik ben het” — uitgesproken met een goddelijke waardigheid, die een verbijsterend effect op hen had.
Johannes 18:5-6
KruisverwijzingenJesaja 3:9→Jeremia 8:12→Mattheüs 21:11→Johannes 19:19→Johannes 1:46→Mattheüs 2:23→Psalmen 70:2→Psalmen 27:2→— Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen. Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.
Het lijkt erop dat onze Heere hun iets van Zijn goddelijke macht en heerlijkheid wilde laten voelen. Want de uitspraak van die verheven uitdrukking — Ik ben, de Naam van Zijn Vader — deed hen wankelen, en zij vielen ter aarde. Verwondert u zich er niet over dat zij niet opstonden, weggingen en Hem verlieten, nadat zij aan Zijn voeten gevallen waren en Hem om vergeving hadden gevraagd? Zij handelden niet zo, want de kracht van vrees die niet door liefde vergezeld wordt, is zeer gering. Er was genoeg kracht in om hen ter aarde te doen vallen, maar niet genoeg om hen aan Christus’ voeten hun zonde te doen belijden.
Johannes 18:6
KruisverwijzingenPsalmen 70:2→Psalmen 27:2→Psalmen 40:14→Handelingen 4:29→Lukas 9:54→2 Koningen 1:9→Psalmen 129:5→— Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.
De enkele uitspraak van Zijn Naam dreef hen van Hem weg, en sloeg hen ter aarde; wat zou er gebeurd zijn, als Hij Zijn almachtige kracht had uitgeoefend?
Christus’ almachtige kracht wierp hen dadelijk neder. Hij hoefde Zijn hand of zelfs Zijn vinger niet op te heffen; Hij zei alleen “Ik ben het”, en “gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.”
Johannes 18:7
KruisverwijzingenJohannes 18:4→— Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.
Keren zij terug in de strijd? Nu zij eenmaal Christus’ goddelijke kracht gevoeld hebben, vatten zij toch weer moed om Hem opnieuw aan te vallen? Ja, want er is geen grens aan de boosaardigheid en de brutaliteit van het menselijk hart.
Johannes 18:7-8
KruisverwijzingenJohannes 18:4→2 Korinthe 12:9→Johannes 13:1→Efeze 5:25→Mattheüs 26:56→Markus 14:50→Johannes 13:36→1 Korinthe 10:13→— Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener. Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
Het is zeer bemoedigend voor ons te bedenken hoe onze Heere al de vijanden van Zijn volk tegemoet trad. Hij ving al hun wapens in Zijn eigen hart op, opdat Zijn volk vrij zou kunnen gaan. U en ik zouden, in zo’n geval, gehaast en verontrust zijn geweest, en onze angst zou ons zelfzuchtig gemaakt hebben. Wij zouden onze arme vrienden die bij ons waren, vergeten zijn; maar Jezus dacht niet aan Zichzelf, Hij dacht aan Zijn arme bevende discipelen, en daarom zei Hij: “Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.”
Johannes 18:8-10
KruisverwijzingenJohannes 17:12→Markus 14:47→2 Korinthe 12:9→Johannes 13:1→Efeze 5:25→Mattheüs 26:56→Markus 14:50→Johannes 13:36→— Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren. Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.
Altijd gereed om over te koken, altijd vol ijver en overhaaste heftigheid, was Petrus er als eerste bij.
Johannes 18:9
KruisverwijzingenJohannes 17:12→— Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.
Hij had dat slechts kort tevoren gezegd, maar dit vers laat ons zien dat het Nieuwe Testament even zeker vervuld zal worden als het Oude. Het was een nieuw woord, toen nog niet geschreven, en toch had het alle leven en kracht van God in zich. Zo moet het leven, en zo moet het vervuld worden.
Johannes 18:10
KruisverwijzingenMarkus 14:47→Lukas 22:33→Lukas 22:49→Mattheüs 26:51→Markus 14:30→Johannes 18:26→— Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.
Petrus sloeg naar het hoofd; hij was er niet tevreden mee te proberen te verwonden, hij wilde Malchus doden, en hij hieuw wel “zijn rechteroor af.”
Hier was elk vooruitzicht op een gevecht. Simon Petrus was ermee begonnen, en de gewapende mannen zouden gretig doorgaan. Wij hebben altijd onze Simon Petrussen om ons heen, — mensen van gevoel, mensen van impuls, mensen van onstuimigheid. Het zijn geen slechte christenen, en ik weet niet wat wij zonder hen zouden moeten beginnen. Onze koude, koel redenerende denkers zouden weinig uitrichten zonder onze warmhartige Petrussen om hen te helpen ontdooien. Toch was Petrus slechts één van de twaalf apostelen; en al noemt men hem het hoofd van de kerk, hij maakte toen een zeer armzalig hoofd van de kerk. Hij trok een zwaard, en gebruikte dat vleselijke wapen door het rechteroor van Malchus af te houwen. Het was een grote genade dat de Heere er was om het oor te genezen, en het gebruik van het zwaard in Zijn verdediging te verbieden.
Deze andere discipel was zonder twijfel Johannes, die zich zo verborgen hield, zoals hij ook bij andere gelegenheden deed.
Johannes 18:11-14
KruisverwijzingenJohannes 18:24→Mattheüs 20:22→Johannes 18:3→Mattheüs 26:39→Mattheüs 26:57→Lukas 3:2→Mattheüs 26:42→Lukas 22:42→— Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken? De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem; En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was. Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.
Hij zei veel meer dan hij zelf besefte te zeggen, want hij sprak een grote evangelische waarheid uit toen hij zei dat het “nut was, dat een Mens voor het volk stierve.”
Johannes 18:11
KruisverwijzingenMattheüs 20:22→Mattheüs 26:39→Mattheüs 26:42→Lukas 22:42→Romeinen 8:15→Markus 14:35→Johannes 15:10→Lukas 12:30→— Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?
Hier is nog een nuttige les voor ieder van u die een beproeving voor zich heeft. Zoek niet de beproeving terzijde te stellen, gebruik geen verkeerde middelen om aan het lijden te ontkomen; drink uw voorgeschreven beker. Al is Petrus’ zwaard bij de hand, steek het weer in de schede, en gebruik het niet. Verdraag en verduur, van voren naar achteren tot het eind van het hoofdstuk toe. Drink de beker die uw Vader u geeft. Hoe bitter ook, hij is verzoet door het feit dat Híj hem u geeft. Zal een waarachtige zoon van God dan de beker niet drinken die zijn Vader hem aanbiedt? Er kan geen kwaad in zijn, en het moet u werkelijk goed doen. Steek dus uw zwaard op, en breng de beker aan uw lippen, en drink hem tot op de bodem.
Johannes 18:12
KruisverwijzingenJohannes 18:3→Mattheüs 26:57→Lukas 22:54→Mattheüs 27:2→Markus 15:1→Markus 14:53→Genesis 22:9→Psalmen 118:27→— De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;
Wanneer u gebonden bent door ziekte, of gebonden door zwakheid, of op enige andere wijze gebonden bent, klaag dan niet. Uw Meester werd gebonden, en ik denk dat wij bereid zouden moeten zijn tot alles wat Christus was. Wat voor Hem goed genoeg was, is ook voor ons goed genoeg. “De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem” —
Johannes 18:12-13
KruisverwijzingenJohannes 18:24→Johannes 18:3→Mattheüs 26:57→Lukas 3:2→Lukas 22:54→Mattheüs 27:2→Markus 15:1→Markus 14:53→— De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem; En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was.
Annas was eerder hogepriester geweest, en hij schijnt nog steeds als zodanig beschouwd te zijn, en een leidende geest te zijn geweest onder Christus’ tegenstanders. De oude zondaar wilde die nacht niet naar bed gaan voordat hij de Man Die hij haatte, gebonden voor zich had zien brengen. Soms wordt de haat een sterker hartstocht dan zelfs de liefde. Hier, terwijl de discipelen van Jezus allen vluchtten van schrik, was Annas, de bittere vijand van de Zaligmaker, klaarwakker. Hij wachtte op Zijn komst, met hen die Hem gevangen genomen hadden.
Johannes 18:13-14
KruisverwijzingenJohannes 18:24→Lukas 3:2→Mattheüs 26:3→Johannes 11:51→Mattheüs 26:57→Handelingen 4:6→Johannes 11:49→— En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was. Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.
Christus kon niet sterven zonder dat de vraag van het nut zich voordeed. Ik heb nooit een grote zonde in de wereld gekend, noch een grote dwaling. Ook nooit een groot samengaan van mensen om die te handhaven, zonder dat de vraag van het nut ter sprake kwam. Het nut is de grote Christusdoder. Velen zeggen tegenwoordig tegen ons: “Predik niet tegen de dwaling; het is niet nuttig om dat te doen. Breek niet met verkeerde omgang; het is niet nuttig.” Hoevelen zijn er, zelfs onder goede mensen, die iets doen niet omdat het recht is, maar omdat het nuttig is! Maar, gelovigen in Jezus, in de Naam van uw Heere smeek ik u, haat het nut, omdat het Christus ter dood bracht. Het was een goddeloos nuttigheidsdenken dat Christus wilde vermoorden om een volk te redden. Maar het bereikte zijn doel niet eens, want de schuld van Christus’ dood bracht over de natie de schreeuwende zonde van de godsmoord.
Johannes 18:14
KruisverwijzingenJohannes 11:49→— Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.
Daarmee sprak hij een profetie uit die hij zelf niet volledig begreep. Hij sprak als een andere Bileam, door wie God de waarheid sprak, zoals Hij dat eens ook deed door de ezelin waarop Bileam reed. Soms maakt God de laagste mensen tot onbewuste sprekers van waarheden die zij zelf niet begrijpen.
Johannes 18:15
KruisverwijzingenLukas 22:54→Markus 14:54→Mattheüs 26:58→Mattheüs 26:3→— En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was den hogepriester bekend, en ging met Jezus in des hogepriesters zaal.
Hier vindt u Johannes’ gebruikelijke bescheidenheid: hij wil zijn eigen naam niet noemen, maar spreekt eenvoudig van “een ander discipel.”
Dat is natuurlijk Johannes; hij noemt zijn eigen naam nooit, als hij het kan vermijden.
Johannes 18:15-16
KruisverwijzingenLukas 22:54→Markus 14:54→Mattheüs 26:58→Mattheüs 26:3→Lukas 22:55→Markus 14:66→Mattheüs 26:69→— En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was den hogepriester bekend, en ging met Jezus in des hogepriesters zaal. En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.
Johannes volgde Jezus vrijmoedig, en was daardoor veilig; Petrus stond op afstand van zijn Heere, en was daardoor in gevaar.
Ik stel mij altijd voor dat Johannes een grotere tederheid voor Petrus koesterde, omdat hij het middel was geweest om hem in het paleis van de hogepriester te brengen. Petrus had er niet in kunnen komen als hij alleen geweest was, maar Johannes was bij de hogepriester bekend, en verkreeg zo zijn toegang. Hij moet zich altijd verdrietig gevoeld hebben dat hij Petrus op een plaats gebracht had waar hij zo zwaar beproefd werd. Vandaar dat Johannes na de grote val van Petrus degene schijnt geweest te zijn die hem het eerst opzocht. Terwijl de andere apostelen hem misschien geneigd waren aan zichzelf over te laten, moedigde Johannes hem aan, en bracht hem terug tot het geloof.
Johannes 18:16
KruisverwijzingenLukas 22:55→Markus 14:66→Mattheüs 26:69→— En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.
Het zou beter voor hem geweest zijn als hij daar gebleven was. Hij zou waarschijnlijk meer uit de weg van verzoeking gebleven zijn dan hij was, binnen in het paleis van de hogepriester.
Johannes handelde daarin ongetwijfeld uit vriendelijkheid jegens Petrus. Maar hij was het middel om zijn vriend te brengen op een plaats waar hij niet sterk genoeg was om staande te blijven. Ook u en ik kunnen zo handelen, misschien in volkomen onschuld, en zelfs met prijzenswaardige vriendelijkheid; toch kunnen wij onbedoeld onze vrienden groot onrecht aandoen. Ik merk op dat Johannes de eerste van de apostelen schijnt geweest te zijn die zich weer bij Petrus voegde na zijn val. En in zijn verslag van Petrus’ verloochening van zijn Heere vermeldt hij niet dat Petrus vloekte en zwoer, zoals Mattheüs en Markus dat doen. Hij lijkt grote tederheid jegens Petrus gekoesterd te hebben; misschien juist omdat hij het onschuldige middel geweest was om hem in de verzoeking te brengen.
Johannes 18:16-18
KruisverwijzingenMarkus 14:54→Lukas 22:55→Markus 14:66→Mattheüs 26:69→Lukas 22:54→Lukas 22:56→Johannes 18:25→Johannes 18:16→— En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in. De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet. En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.
Petrus was in slecht gezelschap; terwijl hij zijn lichaam warmde, werd zijn ziel koud jegens zijn Meester. Mensen kunnen niet in slecht gezelschap verkeren zonder er schade van te ondervinden. Een oude, deftige schrijver zegt eens: gaan mensen naar Ethiopië, dan worden zij daardoor geen Ethiopiërs, maar door de brandende zon zullen zij toch zwarter worden dan zij waren. Het is altijd beter, buiten het gevaar te blijven, als wij dat kunnen. Wie niet in een greppel wil vallen, moet oppassen niet dicht bij de rand ervan te lopen. Zo had Petrus, als hij staande wilde blijven, niet moeten gaan waar hij zeker verzocht zou worden.
Johannes 18:17
KruisverwijzingenMarkus 14:66→Lukas 22:54→Lukas 22:56→Johannes 18:25→Johannes 18:16→Handelingen 12:13→Johannes 21:15→Mattheüs 26:69→— De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet.
— Ach, ikzelf! Als iemand op zichzelf vertrouwt, kan hij spoedig een leugen uiten over zijn Heere, zoals Petrus deed. Bewaar ons, o God, door Uw genade, of het zal ook ons zo vergaan. Het was slechts een arme dienstmaagd die deze dappere Petrus deed zwichten. De man wiens zwaard zo-even nog in de verdediging van zijn Meester getrokken was, kon op de vraag van de dienstmaagd — “Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens?” — niet naar waarheid antwoorden: “Hij zeide: Ik ben niet.”
Johannes 18:17-18
KruisverwijzingenMarkus 14:54→Markus 14:66→Lukas 22:54→Lukas 22:56→Johannes 18:25→Johannes 18:16→Handelingen 12:13→Johannes 21:15→— De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet. En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.
Dat was een zeer gevaarlijke plaats voor Petrus om zich te bevinden; hij zou veiliger geweest zijn buiten in de kou.
Johannes 18:18
KruisverwijzingenMarkus 14:54→Johannes 18:25→Efeze 5:11→Lukas 22:44→Psalmen 26:4→Handelingen 4:23→Psalmen 1:1→Spreuken 13:20→— En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.
Terwijl zijn Heere en Meester daarginds aan het einde van de zaal mishandeld en beschimpt werd, warmde Petrus zich bij het vuur van de dienstknecht. Ach! hij werd geestelijk koud, terwijl hij zich lichamelijk warmde; en zo gebeurt het wel eens, dat mensen, terwijl zij hun lichaam warmen, tegelijk hun hart afkoelen. Ik heb iemand gekend die zich bij een zeer groot vuur warmde door het verkrijgen van een grote hoeveelheid bezittingen. Toch werd hij ook zeer koud geestelijk, want dergelijke gloeiende kolen verwarmen het hart niet.
Johannes 18:19-21
KruisverwijzingenJohannes 7:26→Jesaja 48:16→Mattheüs 4:23→Jesaja 45:19→Johannes 7:4→Mattheüs 26:55→Lukas 22:63→Lukas 20:20→— De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer. Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
Onze Heere’s onderwijs was nooit bedrieglijk, Hij zei nooit het ene en bedoelde het andere. Hij kon Zich waarlijk beroepen op Zijn hoorders aangaande Zijn onderwijs. Het is een grote zaak voor een prediker te kunnen voelen dat zijn hoorders weten wat hij tot hen gezegd heeft. Wij kunnen dat niet altijd zeggen, want sommigen van hen vergeten het, en sommigen begrijpen niet wat wij zeggen. Sommigen letten niet voldoende op om te weten wat er gezegd is, maar Christus’ prediking was zo helder en duidelijk dat Hij naar waarheid kon zeggen: “Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.”
Wat een bewonderenswaardig antwoord was dat! Wat Hij ook over Zijn leer gezegd zou hebben, zij zouden het verdraaid hebben tot een grond van beschuldiging tegen Hem, dus zei Hij eenvoudig: “Mijn onderwijs was openbaar, voor allen toegankelijk. Ik ben niet in hoeken en gaten gevonden, in het geheim oproer stokend. Ik sprak in de straten; Ik sprak in de synagoge; Ik sprak in de tempel; vraag hen die Mij gehoord hebben, wat Ik gezegd heb.” Welk overtuigender antwoord had Hij kunnen geven?
Johannes 18:19
KruisverwijzingenLukas 22:63→Lukas 20:20→Mattheüs 26:59→Lukas 11:53→Markus 14:55→— De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.
Dit was een soort vooronderzoek, voordat Hij officieel voor het Sanhedrin terecht zou staan.
Johannes 18:20-22
KruisverwijzingenJohannes 7:26→Jesaja 48:16→Mattheüs 4:23→Jesaja 45:19→Johannes 7:4→Mattheüs 26:55→Johannes 10:23→Lukas 21:37→— Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb. En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester?
Hier krijgen wij een uitleg van een van Christus’ eigen woorden. U weet dat Hij gezegd had: “Wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe.” Christus zou natuurlijk Zijn eigen voorschrift naleven. Dus zien wij dat Hij niet bedoelde dat Zijn discipelen letterlijk de andere wang moesten toekeren aan hen die hen sloegen. Zij moesten zulke behandeling geduldig dragen, en geen scheldend antwoord geven. Zie hoe Jezus Zelf de andere wang toekeerde.
Johannes 18:22-23
KruisverwijzingenHandelingen 23:2→Job 16:10→Johannes 18:3→Lukas 22:63→Job 30:10→Mattheüs 26:67→Jesaja 50:5→Johannes 19:3→— En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester? Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?
“Jezus antwoordde hem”: niet zoals Paulus deed — “God zal u slaan, gij gewitte wand.” De Meester is aan de discipel op elk punt superieur. Jezus zei: —
Johannes 18:22-24
KruisverwijzingenJohannes 18:13→Handelingen 23:2→Job 16:10→Johannes 18:3→Lukas 22:63→Job 30:10→Mattheüs 26:67→Jesaja 50:5→— En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester? Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij? (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hogepriester.)
Zo zien wij Hem daar staan, gebonden, voor Kajafas, die dat jaar hogepriester was.
Johannes 18:23
Kruisverwijzingen1 Petrus 2:20→Mattheüs 5:39→2 Korinthe 10:1→Handelingen 23:2→— Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?
Laten wij bidden dat wij, wanneer wij smadelijk behandeld worden, onze zelfbeheersing mogen bewaren, en even bedaard mogen zijn als onze Heere. En als wij onze beschuldigers een antwoord moeten geven, laat dat dan even bescheiden en gerechtvaardigd zijn als dit antwoord van onze Heere was.
Niets kon kalmer of waardiger geweest zijn, en tegelijk vervuld van meer vergevingsgezindheid.
Johannes 18:24-27
KruisverwijzingenJohannes 18:13→Johannes 13:38→Johannes 18:1→Johannes 18:10→Mattheüs 26:57→Spreuken 29:25→Genesis 18:15→Lukas 22:56→— (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hogepriester.) En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet. Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem? Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.
Wij weten dat de Heere Zich omkeerde, en Petrus aanzag. Hij sprak geen woord, misschien opdat Petrus niet in de handen zou vallen van hen die om hem heen stonden. Maar Zijn blik was voldoende om in Petrus het vuur van de boetvaardigheid te ontsteken, en hij ging naar buiten en weende bitter over zijn schandelijke verloochening van zijn Heere.
Johannes 18:25
KruisverwijzingenSpreuken 29:25→Genesis 18:15→Lukas 22:56→Mattheüs 26:69→Johannes 18:17→Mattheüs 26:71→Galaten 2:11→Lukas 22:58→— En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.
Twee of drie of meer van hen spraken tegelijk tot hem, terwijl hij zich stond te warmen.
Tweemaal wordt ons verteld dat, terwijl zijn Meester geslagen werd, Petrus stond te midden van de spottende menigte, en zich warmde.
Johannes 18:25-27
KruisverwijzingenJohannes 13:38→Johannes 18:1→Johannes 18:10→Spreuken 29:25→Genesis 18:15→Lukas 22:56→Mattheüs 26:69→Johannes 18:17→— En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet. Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem? Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.
Zo werd Christus’ voorzegging letterlijk vervuld, en zo werd Petrus, door wat een nederig middel lijkt — het kraaien van een haan — tot bekering gebracht. Menig welsprekend godgeleerde heeft zijn doel gemist in zijn prediking, maar God heeft door een zeer nederige stem gesproken. U, geliefde vriend, hebt misschien geen gaven van spreken. Maar u kunt iemand het verhaal van Jezus Christus gaan vertellen. God kan hem door u tot bekering brengen, zoals Hij Petrus tot zichzelf bracht door middel van deze vogel. Moge God ons allen nuttig maken, en ons ervoor bewaren te vallen zoals Petrus deed! Amen.
Johannes 18:26
KruisverwijzingenJohannes 18:1→Johannes 18:10→Markus 14:70→Spreuken 12:19→Lukas 22:59→Mattheüs 26:73→— Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem?
Johannes hervat hier het verhaal over Petrus, vanaf het zeventiende vers: “Simon Petrus stond en warmde zich.”
Johannes 18:26-27
KruisverwijzingenJohannes 13:38→Johannes 18:1→Johannes 18:10→Markus 14:70→Spreuken 12:19→Lukas 22:59→Mattheüs 26:73→Markus 14:68→— Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem? Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.
Ach, wie eenmaal liegt, zal maar al te snel geneigd zijn opnieuw te liegen. Wie Christus eenmaal verloochent, zal geneigd zijn nog verder te gaan in zijn verloochening van Hem. Mogen zij gestuit worden, zoals Petrus gestuit werd!
Johannes 18:27
KruisverwijzingenJohannes 13:38→Markus 14:68→Mattheüs 26:34→Lukas 22:60→Markus 14:71→Markus 14:30→Mattheüs 26:74→Lukas 22:34→— Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.
Moge de haan kraaien voor sommigen die tot nu toe hebben geslapen, en hen waarschuwen dat de nacht ver gevorderd is. Het is tijd voor hen om uit de slaap te ontwaken, hun ogen met tranen te wassen, en berouw te hebben dat zij hun Heere verloochend hebben!
Zo getuigden allen die met Jezus in aanraking kwamen, dat het Lam Gods werkelijk “heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren” was.
Johannes 18:28
KruisverwijzingenJohannes 19:9→Johannes 18:33→Mattheüs 27:27→Handelingen 11:3→Markus 15:1→Johannes 19:14→Johannes 11:55→Handelingen 10:28→— Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.
Zij waren zeer begerig om hun vijandschap tegen Christus te tonen. Zij hadden de nacht en de eerste ogenblikken van de dageraad besteed aan het verhoren, veroordelen en mishandelen van hun beroemde gevangene, en nu gingen zij naar Pilatus.
Wat kon zulke ellendelingen als deze nog verontreinigen? Toch waren zij bang voor ceremoniële verontreiniging, terwijl zij noch bang noch beschaamd waren hun handen in het bloed van Jezus te dopen.
Johannes 18:29-30
KruisverwijzingenMarkus 15:2→Handelingen 23:28→Lukas 23:2→Mattheüs 27:23→Handelingen 25:16→Mattheüs 27:11→Markus 10:33→Johannes 19:12→— Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mens? Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.
Pilatus dan ging tot hen uit, en zei: “Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mens?” Zij antwoordden alsof zij wilden zeggen: “Dat kunt u wel aannemen. Wij zouden Hem niet gebracht hebben als Hij geen kwaad gedaan had. U hoeft de zaak niet te onderzoeken, wij hebben het bewijs al gehoord en Hem al veroordeeld, en zo u de moeite van het berechten bespaard; wij brengen Hem alleen hierheen opdat u Hem veroordeelt.”
Johannes 18:31
KruisverwijzingenHandelingen 25:18→Ezechiël 21:26→Hosea 3:4→Johannes 19:6→Genesis 49:10→Johannes 19:15→— Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.
“Dat is uw manier van zulke dingen te doen, maar het is geen methode waarin wij zullen vervallen. Onze wet veroordeelt geen mens voordat zij het bewijs tegen hem gehoord heeft. Ik ga niet uw werktuig zijn, om deze Man ter dood te brengen zonder te horen wat Hem ten laste gelegd wordt, en de bewijzen van Zijn schuld. Wilt u dat gedaan hebben, dan moet u het zelf doen.”
“U Romeinen hebt ons de macht over leven en dood ontnomen, en wij willen dat Hij ter dood gebracht wordt.” Dat was een duidelijke bekentenis dat niets minder dan Christus’ dood hen zou bevredigen.
Johannes 18:32
KruisverwijzingenMattheüs 26:2→Mattheüs 20:19→Johannes 3:14→Johannes 12:32→Lukas 18:32→Galaten 3:13→Psalmen 22:16→Markus 10:33→— Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zoude.
Kruisiging was een Romeinse, geen Joodse wijze van doodstraf. Zo overruled God de moedwillige goddeloosheid van de slechtste mensen tot de volvoering van Zijn eigen eeuwige raadsbesluiten, zonder daarmee echter hun verantwoordelijkheid en schuld in het minst te verminderen. Het was “door den bepaalden raad en voorkennis Gods” dat Christus ter dood gebracht werd, toch was het “door goddeloze handen” dat zij Hem namen en kruisigden.
Johannes 18:33
KruisverwijzingenJohannes 19:9→Zacharia 9:9→1 Timotheüs 6:13→Markus 15:2→Mattheüs 27:11→Lukas 19:38→Johannes 19:19→Johannes 18:37→— Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
— Hij zag er niet erg naar uit. Er was weinig in Zijn uiterlijk of Zijn kleding dat de gedachte aan koningschap opriep.
Johannes 18:34-35
KruisverwijzingenHandelingen 21:38→Johannes 18:28→Handelingen 25:19→Handelingen 18:14→Handelingen 3:13→Ezra 4:12→Johannes 19:6→Nehemia 4:2→— Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van Mij gezegd? Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Ik kan mij voorstellen dat hij alle mogelijke spot en verachting in die vraag legde. Het was kenmerkend voor de Romeinen, zoals wij uit de werken van hun grote schrijvers kunnen opmaken, dat zij de Joden ten diepste verachtten en verafschuwden.
Johannes 18:35-37
KruisverwijzingenJohannes 6:15→1 Johannes 4:6→Johannes 8:47→Johannes 8:14→Lukas 17:20→Romeinen 14:17→Kolossenzen 1:12→Lukas 23:3→— Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan? Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier. Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
Wij zouden misschien verwacht hebben dat Hij gezegd zou hebben: “Ik ben in de wereld gekomen om Koning te zijn.” Maar Hij legt uit dat Hij, als getuige van de waarheid, Koning was.
Johannes 18:38
KruisverwijzingenJohannes 19:4→Johannes 19:6→Lukas 23:4→Handelingen 24:25→Handelingen 17:19→Lukas 23:14→Handelingen 17:32→Mattheüs 27:24→— Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.
Hij wilde geen antwoord. Hij vond het zulk een onnodig oponthoud om over waarheid te spreken, en had zelf zo weinig begrip van wat dat woord zou kunnen betekenen, dat, nadat hij gezegd had “Wat is waarheid?”, hij “wederom uit(ging) tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.” Dat was de waarheid over de Waarheid, uit de mond van een man die niets om waarheid gaf, en die toch gedwongen was dit getuigenis af te leggen: “Ik vind geen schuld in Hem.”
Johannes 18:39
KruisverwijzingenMattheüs 27:15→Mattheüs 27:20→Markus 15:6→Lukas 23:16→— Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?
Pilatus dacht misschien: als Christus hun Koning was, zouden zij Hem zeker verkiezen boven een dief en een moordenaar. Zo bood hij zichzelf een kans om aan het oordeel over Christus te ontkomen. Tegelijk bood hij hun een toets, of er in hen werkelijk enige genegenheid voor de Christus was, of enige mogelijkheid dat Hij hun Koning zou worden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
H. In drie hoofdstukken volgt de geschiedenis van het lijden, het sterven en de opstanding van Jezus Christus. Het is echter geen volledig op zichzelf alleen reeds voldoende bericht. De stof is gekozen, om aan de ene kant de berichten, die reeds in omloop waren, aan te vullen en de afzonderlijke stukken daarin vervat, te verenigen tot een afgesloten geheel. Daarom moet ook het bericht, dat hier voor ons ligt, worden aangevuld met hetgeen de vorige evangeliën aanbieden. Aan de andere kant zijn hier alleen die punten bijgebracht waarin duidelijk op de voorgrond treedt hoe in de geschiedenis van Jezus’ lijden en sterven het ongeloof van de Joden ten toppunt steeg, daarentegen in de verschijningen van de Herrezene het geloof van de Zijnen tot rijpheid kwam, zodat de tegenstelling, in de vorige delen van ons Evangelie ontwikkeld, tussen Jezus’ discipelen en de wereld nu tot een doorgezette scheiding van beide partijen werd.
I. Vs. 1 KruisverwijzingenMattheüs 26:36→Markus 14:32→2 Samuël 15:23→Johannes 18:26→Lukas 22:39→Jeremia 31:40→2 Kronieken 30:14→1 Koningen 15:13→
— Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.
– Hoofdstuk 19:12. De gevangenneming, verdoorlering en ter dood brening van Jezus.
a. Vers 1-11KruisverwijzingenMattheüs 26:36→Johannes 17:12→Markus 14:32→2 Samuël 15:23→Lukas 21:37→Johannes 18:12→Johannes 13:1→Johannes 18:26→
— Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen. En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen. Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen. Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen. Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde. Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener. Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren. Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.
De geschiedenis van Jezus’ gevangenneming. Johannes gaat niet alleen de gesprekken voorbij, met de discipelen op de weg naar Gethsemane gehouden en Jezus’ zielestrijd in de hof, maar ook de kus van het verraad, de aanspraak aan de overpriesters en de oudsten en het voorgevallene met de jongeling, van wie Markus spreekt. Daarentegen verklaart hij ter aanvulling van de overige evangelisten hoe Judas er toe kwam om de Meester juist in Gethsemane op te zoeken. Hij beschrijft nader de ontmoeting van Jezus met de bende en geeft ook bijzonderheden over de poging van Petrus, om met het zwaard daarin te slaan. Jezus en Judas; Jezus met de discipelen en Judas met de bende: dat is de tegenstelling, die in de voorstelling, die voor ons ligt, hoofdgedachte is (vgl. MATTHEUS. 26: 30-56. Mark. 14: 26-52. Luk. 22: 39-53).
Toen Jezus dit gezegd had na het opstaan van de tafel, eerst in Zijn aanspraak aan de discipelen (Hoofdstuk 15: 1-16: 33 en vervolgens in het gebed tot Zijn Vader in de hemel (Hoofdstuk 17) ging uit de zaal en verder uit de stad. Hij begaf Zich met Zijn discipelen, toen Hij de muren achter Zich had, evenals eens David in 2 Sam. 15: 23, over de beek Kedron, op welke weg Hij Zijn discipelen de nabijzijnde vlucht en verstrooiing, aan Petrus, die zozeer op zichzelf vertrouwde, zijn driemaal verloochenen aankondigde. Hij kwam toen aan de andere kant, waar een hof was, waarin Hij en Zijn discipelen gingen. Was Hij op de drie eerste avonden van de lijdensweek over de Olijfberg naar Bethanië gegaan, waar Hij ook totdonderdag namiddag was gebleven 19: 48″), Hij kon dat nu niet doen, omdat volgens Deut. 16: 5 vv. de paasnacht binnen het gebied van de heilige stad moest worden doorgebracht.
Op wat voor stellige toon Jezus ook de Paastafel gesloten had met een: Ik heb de wereld overwonnen, toch had het scherp luisterend oor een diep bewogen smartgevoel horen spreken, als het klagend murmelen van de beek onder palmboomtakken. Nu zou het al zijn rechten doen gelden. De Boze had de cirkel rondom Jezus overschreden, het hart van Judas had hij vermeesterd en de andere discipelen zou hij schudden als tarwe in de wan; alle vrienden zouden vluchten en de rotsvaste belijder zou Hem verloochenen op de schuldigste manier. Gruwend van het snoodst verraad en beducht voor Zijn getrouwen, wier verzoekingen met Zijn lijden aanvingen, aanschouwt Hij bovendien in de geest het afschuwelijk gelaat van de wreedste en schandelijkste dood en ook in al hetgeen daarmee samenhing, de vreselijkste zonde van deze wereld zelf. Gevoelloos te staan bij eigen graf is een kenmerk van verstokte zielen; zou Zijn onbedorven mensheid daarvan niet sidderen? Gevoelloos te blijven onder onrecht en smaad, het is een teken van zedelijke verstomping; zou Zijn heilige natuur niet voor al de bitterheden terugdeinzen, van wat barbaarse ruwheid, beschaafde spot en schijnheilige vroomheid Hem volstrekt onverdiend zouden aandoen? Gevoelloos de ondank van beweldadigden te ervaren, wordt zelfs door de wereld verfoeid, zou Zijn teder hart niet geperst worden onder de verwerping van Zijn genade, een verwerping, die gelijk stond met de zedelijke zelfmoord van Zijn volk? En hoe, als Hij in dit alles de onmetelijke last van de zonde van de wereld en van de toorn van God droeg?
“Ontbind uw voetzolen, want de plaats waarop u staat is heilig land”, zo sprak eenmaal de Heere tot Mozes toen hij tot de brandende braambos was genaderd; zo klinkt ook ons een stem tegen, nu wij de voet zetten op de plek, waar onze Heiland de zwaarste strijd gestreden heeft. Gethsémané. Ja, wel bent u ons een heilig oord, waar het ons goed is in de geest te vertoeven. O, wordt het ons slechts gegeven iets te begrijpen van de heilige dingen, die in deze hof zijn gebeurd! Menselijke wijsheid is niet in staat ons in te leiden in de ware en diepe betekenis van de zielenstrijd van de Heere. Maar ook voor het gelovig gemoed zijn daarin raadselachtige diepten, onmogelijk te peilen. Voor het geloof zijn echter de raadsels, waarvoor wij hier staan, geen ergernis en aanstoot. Zij spiegelen zich voortdurend af in het leven van de Christen, die de voetstappen van zijn Heere drukt en Hem op de weg van lijden en smart volgt. Zowel voor het leven van de Heere als voor dat van de Zijnen hebben wij ons te houden aan Zijn eigen woord, eenmaal tot Petrus gesproken: “Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het na hierna begrijpen”. Door de hof van Gethsémané loopt de reisweg naar de berg van de olijven. Door de donkere nacht tot het volle licht! Door de diepte naar boven! Jezus verlaat in het gezelschap van Zijn getrouwen de paaszaal. De weg door het dal Josafat spoedt onder waarschuwing en vermaning ten einde. Daar blinkt voor de voeten van de Heiland de donkere Kedron in het volle licht van de maan. De beek wordt overstappen. Hij nadert de hof Gethsémané, aan de westelijke voet van de Olijfberg gelegen, naar alle waarschijnlijkheid aan een van zijn verborgen vrienden behorend. Menigmaal is deze rustige plek door Hem en Zijn discipelen bezocht. Het landgoed had een hof, met olijfbomen beplant. Daarin bevond zich een olijfpers. Vandaar de naam Gethsémané. Hoe zou dit oord voor Jezus een plaats worden, waar zijn ziel ten dode werd geperst. Ja, wel was de naam een voorbeduiding van hetgeen Hem daar zou overkomen. En heeft de Heere – naar Jesaja’s profetie – de wijnpers alleen moeten treden, kan het ons, leden van Zijn lichaams, dan verwonderen dat ook wij de bitterheid van het lijden moeten proeven? “De discipel is niet boven de Meester. ” Ieder waar Christen ontvangt zijn deel aan de droefenis van de Heere. Hij moet uit Zijn lijdenskelk een teug drinken. “Met de doop”, – zegt Jezus tot de Zijnen -waarmee Ik gedoopt word, zult ook u gedoopt worden. ” zoals Hij echter in de grootste nood niet bezweek maar zegepraalde, zo zullen ook de Zijnen niet ondergaan in deze baren van smart, als zij zich slechts aan Hem houden en in Zijn kracht de strijd voeren. Voor Jezus kwam hij niet onverwacht. In het volle bewustzijn trekt Hij Zijn vijand tegemoet, vrijwillig gehoorzaam aan Zijn Vader. – Men wijst ons op deze aarde vele slagvelden, waar een bloedige strijd gestreden is, maar waar vinden wij een heiliger strijdperk dan Gethsémané? De bodem, die het bloed van de strijdende heirlegers ingedronken heeft, levert nog na jaren een dubbele oogst op. Maar wat betekent die oogst, vergeleken bij de menigte van verlosten, die als de oogst van het bloed van de Heiland en tranen in Gethsémané geplengd, mogen ingaan in de eeuwige tabernakels? Daarom is Gethsémané onuitwisbaar geschreven in het hart van de Christenheid. Voor eeuwig blijft Gethsémané van de Christenheid – zoals Gerok zegt – een gerichtsplaats vol ontzetting, een schouwplaats van Gods liefde, een wijkplaats van vermoeiden, een school voor biddenden en de voorhof van het Eden van God. En zeker, Gethsémané, dat ons dit alles verkondigt, doet ons instemmen met de bede van de zanger: Gethsémané! laat in uw stille dreven, Mijn voet gestaag het aards gewoel ontvlien; Geef in uw schaduw aan mijn ziel de vrede, Gethsémané en laat me er Jezus zien! En komt dan eens voor mij de bangste van mijn stonden, Dan heb ik in uw hof mijn peluw ook gevonden en wacht getroost de dood, het eind van smart en wee, Gethsémané.
En Judas, die Hem verraadde en volgens Hoofdst. 13: 30 ongeveer drie uur daarvoor was gegaan tot de overpriesters en oudsten, om tezamen maatregelen te nemen tot Zijn gevangenneming, wist ook die plaats, zodat hij later (vs. 3) juist hier en nergens anders heen de bende van vangers leidde. Hij wist die plaats, omdat Jezus, sinds Hij Jeruzalem weer had bezocht (Hoofdstuk 7: 10 vv. ), daar vaak vergaderd was geweest met Zijn discipelen, zo vaak als Hij in de onmiddellijke omgeving van de stad moest overnachten.
Met het overgaan van Christus over de Kedron, dat van oneindig meer gewicht is dan het overgaan van Caesar over de Rubikon, was principieel met de verlossing ook het laatste oordeel beslist.
Johannes bericht niets van Jezus’ zielenstrijd in de hof. Dit staat in verband met zijn eigenaardigheid in het uitkiezen van de evangelische stof. Hier kon in het bijzonder het reeds gegeven bericht over een dergelijke gebeurtenis in Hoofdstuk 12: 23 vv. invloed hebben gehad, die hij alleen meedeelt. die zielenstrijd, die reeds een algemeen goed van de schriftelijke overlevering was (Hebr. 5: 7), hoefde hij evenmin als de inzetting van het avondmaal te herhalen.
Judas, die tegen het einde van het morgenuur van de Goede Vrijdag de bende krijgsknechten genomen had (een afdeling van ongeveer 200 man uit het op de burg Antonia gestationeerd Romeins legioen was door de stadhouder ter beschikking van de Hoge Raad gesteld) en enige dienaars van de overpriesters en farizeeën, deels Levitische tempeldienaars, deels bijzondere knechten, kwam daar met lantaars en fakkels en wapens, die bij sommigen uit stokken bestonden.
Jezus dan, die alles wist wat over Hem komen zou, wilde niet zozeer door de vijanden gevangen worden genomen, maar Zich vrijwillig hun overgeven (Hoofdstuk 10: 18). Hij ging uit het binnenste gedeelte van de hof, waarheen Hij vroeger was gegaan om te bidden, naar de ingang, om alle zoeken naar Hem te voorkomen en zei tot hen, nadat Hij de kus van Judas had ontvangen en Hij deze met het woord in MATTHEUS. 26: 50. Luk. 22: 48 naar zijn plaats had teruggedreven (vs. 5): Wie zoekt u?
Ten eerste stelt Johannes tegenover het ellendige weten van de verrader omtrent de plaats van Jezus verblijf het weten van de Heere van alles wat over Hem zou komen. Vervolgens voegt hij bij het in vs. 1 vermelde uitgaan een ander uitgaan.
Hiermee is niet bedoeld een uitgaan uit de hof, want volgens vs. 26 heeft de gevangenneming binnen de hof plaats gehad; ook niet een uittreden uit de kring van de discipelen, waarvan het grootste getal voor aan de ingang van de hof was neergelegen (MATTHEUS. 26: 36 v. ), maar er is (vgl. MATTHEUS. 14: 14) een komen bedoeld van de dieper gelegen plaats, waar Hij Zich bevond. De menigte dacht zeker Hem slapende te vinden, Judas was voorgegaan, om Hem door een kus’ uit de anderen aan te wijzen; nu treedt Jezus hem tegemoet en maakt de bedoeling om Hem bij verrassing te overvallen teniet.
Als een volleerde in de boosheid had Judas het teken van de hartelijke liefde gestempeld tot een middel van het verraad. Zullen wij er ons over verwonderen, wanneer deze zaak voor Johannes zo vreselijk is, dat bij liever niet vertelt wat anderen daarvan reeds hadden bericht? Terwijl hij van de Judas-kus zwijgt, bericht hij ons de vraag aan de vangers, die op dat toneel volgde: “Wie zoekt u?” Had Judas pas later, nadat het meegedeelde in vs. 4-9 was voorgevallen, de Heer gekust, zoals vele uitleggers aannemen, dan zou het niet meer een teken van verraad geweest zijn. Judas zou dan de eerste zijn geweest, die zijn stoutmoedigheid herwon om het gegeven woord te volbrengen en nadertrad, opdat zij moed zouden vatten tot het aangrijpen van Jezus. Deze opvatting is echter te ver van het woord van de tekst verwijderd.
Wat moest die vraag: “Wie zoekt u?” niet voor de discipelen Johannes en Andreas (Hoofdstuk 1: 37 vv. ) zijn! Eens hadden zij begeerd in Jezus van Nazareth het Lam van God te vinden, toen het eerste woord van Jezus hun in de oren klonk: “Wat zoekt u?” Nu wordt Jezus van Nazareth gezocht door hen, die het Lam van God ter slachting moeten leiden.
Zij antwoordden Hem, reeds nu door Zijn majestueuze verschijning overweldigd: Jezus de Nazarener. Jezus zei tot hen: Ik ben het, Ik ben die Jezus van Nazareth, van wie u spreekt En Judas, die Hem verraadde en na de kus zich weer had moeten terugtrekken, stond ook bij hen, zodat hij ook bij hetgeen nu zal worden meegedeeld mee moet worden ingesloten.
Over hetgeen wij hier voor ons hebben ligt een geheimzinnige sluier. Het was immers voorspeld dat de Heer door een van de Zijnen zou worden verraden. Geen toeval, maar ook geen vrije daad van Judas was het wat hier door hem is verricht. Dit spreken wij echter niet uit. Wel is het ons onmogelijk de sluier weg te nemen, die het geheim daarvan aan ons oog onttrekt, maar daarom mogen wij niet tot het besluit komen, al schijnt alles ertoe te leiden, dat God aan Judas iets zou ontnomen hebben van de vrijheid, die hij bezitten moest om voor hetgeen hij deed aansprakelijk te zijn. Veeleer wordt dan erkend ten aanzien van Gods doen en laten in deze: God is groot en wij doorgronden Hem niet. – Daarenboven, hoe zou het de Heere mogelijk zijn geweest om mee te werken aan de verharding van zo’n begaafde persoonlijkheid als Judas, als deze daartegen niets had vermocht en dat wel omdat het besloten was dat Jezus door een van de Zijnen zou worden overgeleverd. Wat de Heer met de liefde, die in Hem leefde, deed, staat er ons borg voor dat Judas niet het slachtoffer van een voorspelling was van een noodzakelijkheid buiten hem om, maar van zijn eigen hart, van eigen zonde, al heeft dit dan ook moeten dienen om te vervullen hetgeen aangaande de Heere was voorspeld. En dat getuigt ook Judas’ rampzalig einde. Zoals de Schrift ons zegt, heeft hij in wanhoop aan zichzelf de handen geslagen en daarmee bewezen, dat hij ten einde toe in zijn treurige verharding heeft volhard, ook toen die in verband tot verlossing overbodig geworden was. Zou God de Heere in Zijn wijsheid en liefde dat hebben kunnen toestaan, als het verraad van Judas zijn grond gehad had in een beschikking ten aanzien van hem, ten gevolge waarvan hij alle vrijheid, alle zelfstandigheid verloren had en niets anders doen kon dan hetgeen waartoe hij was voorbeschikt? Was het zo, dan houden wij ons overtuigd dat God in werkelijkheid niet zou hebben toegestaan dat Judas een slachtoffer van zijn wanhoop werd. Met dat toe te laten betuigt God zelf dat, wat er ook geheimzinnigs in dat alles mag overblijven, wij er niet toe besluiten mogen om het toneel, dat wij hier voor onze ogen hebben, aan een noodzakelijkheid toe te schrijven, waardoor Judas zijn vrijheid zou hebben verloren, waardoor zijn verraad op kon houden zijn daad te zijn. Niet tevergeefs zij ons zo voorgehouden, wat deze daad ons op zo treffende, op zo aandoenlijke manier herinnert, opdat wij er voor bewaard worden, van na eenmaal onder de eersten te zijn geweest, in de dag van het oordeel onder de laatsten te moeten behoren, omdat hetgeen ons ten leven had moeten dienen, door onze schuld ons naar het verderf heeft geleid.
Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het en bij dat woord Zijn majesteit, als de schitterende heerlijkheid van de Heere in Efod. 16: 10 vv. hen nog krachtiger in het oog lichtte, gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde (Jes. 11: 4. Ps. 2: 4 v. ; 40: 15 v. ).
Jezus verrast zijn vangers door de vrijmoedigheid, waarmee Hij hen tegemoet treedt en hoewel door Judas met de kus hen reeds aangewezen, dwingt Hij hen, alsof er niets gebeurt was, het doel van hun komst te noemen. Daardoor wil Hij de onwaardige manier van Zijn overlevering, waarover Judas zich met hen verenigd had, verbeteren.
Het teken van de kus was afgesproken in de veronderstelling dat Jezus Zich zou weten te verbergen; door Zijn openlijk te voorschijn treden wordt deze veronderstelling te niet gedaan en het teken doelloos gemaakt.
De bedeling van de vraag, die Jezus tweemaal uitsprak: “Wie zoekt u?” blijkt duidelijk uit het volgende: zij moeten 1) bij het bepaald bewustzijn, dat zij Jezus van Nazareth wilden grijpen, verschrikken; en moeten 2) door de nauwkeurige uitdrukking van het opgedragene worden genoodzaakt de discipelen vrij te laten uitgaan. De tweede vraag werkt op de menigte tot oprichting, als de eerste verpletterend was geweest (Dan. 10: 9 vv. , Openbaring . 1: 17 v. ). Nadat de verrader, wiens kus Jezus tot een mislukt teken maakte, dat nauwelijks tot stand kwam, in de rij van de vijanden was teruggeworpen, werd hij tegelijk met deze door het woord van Christus ter aarde geworpen.
Reeds het ter aarde vallen op zichzelf en de omstandigheid, dat de tekst spreekt van het neervallen van allen zonder uitzondering, zodat ook de Romeinse soldaten mee moeten worden gerekend, rechtvaardigt de mening van de ouden, dat hier gesproken wordt van een wonderbare werking van Christus’ macht. Deze wilde vóór Zijn overgave Zijn macht over Zijn vijanden en zo het vrijwillige van Zijn overgave doen kennen.
Jezus wilde Zich wel in de handen van Zijn vijanden overgeven, maar zo, dat tevens zichtbaar werd hoe machteloos zij waren, die zich van Hem meester maakten, als Hij Zichzelf niet overgaf; het moest duidelijk worden wie Hij was, die men was gaan vangen. Hetzelfde woord, dat in de nacht op de stormachtige zee en in de nacht na de dag van de opstanding de verschrikte discipelen troostte en tot rust bracht (Mark. 6: 50. Luk. 24: 39), moest hier voor de vijanden worden tot een macht van verschrikking, die hen ter aarde wierp.
Wat zal Hij doen, als Hij komt om te oordelen, wanneer Hij dit deed, toen Hij geoordeeld werd! Welke macht zal Hij hebben als Hij zal komen om te heersen, wanneer Hij een zo grote macht had, toen Hij kwam om te sterven
Hij vroeg hen dan weer, om hen door Zijn herhaald aanspreken weer op te richten, evenals vroeger (vs. 4): Wie zoekt u? En zij zeiden, op dezelfde manier als vroeger antwoordend (vs. 5): Jezus de Nazarener.
Jezus antwoordde: Ik heb het u reeds eenmaal (vs. 5) gezegd, dat Ik het ben. Als u dan volgens de gegeven opdracht Mij zoekt, laat Mijn discipelen, omtrent welke u geen bevel tot gevangenneming heeft, dan heengaan (Jes. 63: 3. 1 Kron. 22: 17).
Merk op, mijn ziel, de zorg die Jezus zelf in het uur van Zijn lijden betoonde voor de schapen van Zijn hand! De liefde is sterker dan de dood. Hij geeft Zichzelf aan de vijand over, maar Hij brengt een machtwoord in het midden om Zijn discipelen te bevrijden. Wat Hemzelf betreft is Hij stom als een schaap voor het aangezicht van Zijn scheerders en doet Hij Zijn mond niet open, maar voor Zijn discipelen spreekt Hij met almachtige kracht. Daarin is liefde, standvastige, zichzelf vergetende, trouwe liefde. Maar vinden wij hier niet oneindig meer dan men op de oppervlakte ziet? Hebben wij hier niet de hele ziel en geest van de verzoening in deze woorden? De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen en wil dat zij daarom vrij zullen zijn. De Borg wordt gebonden en de rechtvaardigheid eist, dat zij, voor wie Hij Zich als een plaatsbekleder overgeeft, zouden heengaan. Temidden van de Egyptische slavernij klinkt de stem: “Laat deze heengaan” als een machtwoord. De verlosten moeten uit de slavernij van de zonde en van de satan gaan. In iedere cel van de kerkers van wanhoop weerklinkt de stem: “Laat deze heengaan” en “Moedeloos” en “Vreesachtig” komen tevoorschijn. Satan hoort de welbekende stem en neemt zijn voet van de hals van de gevallene en de dood hoort haar en het graf opent zijn poorten om de doden te laten opstaan. Hun weg is een weg van vooruitgang, heiligheid, overwinning en heerlijkheid en niemand zal het wagen hen daarop tegen te houden. Geen leeuw zal er op hun weg zijn en geen verscheurend gedierte zal daarop komen. De hinde van de dag heeft de wrede jagers op zichzelf laten aanleggen en nu kunnen de vreesachtige reeën en hinden van het veld in volkomen vrede weiden temidden van de lelies van Zijn liefde. De donderstorm is losgebarsten op het kruis van Calvarie en de pelgrims van Zion zullen in eeuwigheid niet getroffen worden door de pijlen van de wraak. Welnu mijn hart, verheug u in de vrijstelling, die uw Verlosser u verzekerd heeft en prijs Zijn naam de hele dag en elke dag.
Hadden ook de vijanden tot nog toe geen zichtbare poging gewaagd om zich van de elf meester te maken, hield hun lastbrief zelfs niet anders in dan de gevangenneming van de Meester alleen, het lag toch in de aard van de zaak dat de overwinning, eenmaal over het hoofd van het gezelschap behaald, vanzelf tot vijandelijkheden tegen de leden moest voeren. Hetgeen later bij het vertrek uit de hof met de jongeling plaats had, kan bovendien ten bewijze verstrekken, dat de zorg van de Heere voor de Zijnen hier niet slechts trouw, maar tijdig is geweest. Zo vertoonde zij zich dan ook bij later nadenken aan de peinzende geest van Johannes. Hij dacht er bij aan het woord, door de Meester in Zijn afscheidsbede aangaande de geestelijke “bewaring” van Zijn vrienden in de naam van de Vader gesproken. Hij doorzag hoe zij heden voor die naam en die zaak verloren zouden zijn gegaan, als zij, in de handen van de vijanden gekomen, misschien tot ontrouw verleid, zeker althans met vertwijfeling vervuld waren geworden aan Zijn liefde en macht. In deze uitwendige bewaring ziet hij zo beeld, voorwaarde en onderpand van de geestelijke, door de Heiland bedoeld en tekent met vrijmoedigheid aan: zo werd het woord vervuld: “Uit degenen, die Gij Mij gegeven heeft, heb Ik niemand verloren.”
Met zo’n zorg voor Zijn discipelen, voor wie een ook gevangen genomen worden naar hun toenmalige zwakheid makkelijk een verzoeking had kunnen worden, die hun vermogen te boven ging, trad de Heere dat uur in, opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij in Hoofdst: 17: 12 met het oog op de voorbijgeganen tijd gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven heeft, heb Ik niemand verloren.
De tweede vraag van Jezus en Zijn herhaald antwoord werden zo gesproken, dat de schrik van de menigte week en zij nu konden beginnen het hun opgedragen werk aan te vatten; toch was de ondervonden indruk genoeg om het woord: “Laat dezen heengaan”, te doen opvolgen, waarop anders moeilijk kon worden gerekend. Want was ook de opdracht van de Hoge Raad alleen dat men Jezus zou gevangen nemen, zo toont toch wat volgens Mark. 14: 51 v. gebeurde, hoe gemakkelijk de discipelen ook gegrepen zouden hebben kunnen gegrepen, als Jezus’ woord hen niet beschermd had. Daarom ziet ook Johannes in die bescherming een vervulling van dat woord van de Heere, dat de hele tijd omvat, waarin Hij nog met Zijn discipelen samen was, tot aan het einde; en doelt dat woord in de eerste plaats op de geestelijke bewaring van de discipelen, zo mag toch niet worden vergeten, dat de bescherming tegen een gevangen zetten, die Jezus hun hier verleent, tevens een bescherming was voor geestelijk gevaar, zelfs dit het voornaamste was.
In het woord: “Als u dan Mij zoekt, laat dezen dan heengaan”, wordt de vrucht van Jezus’ lijden verheerlijkt. Nu heb ik een eeuwige vertroosting: “Laat deze heengaan!” zo luidt mijn vrijheidsbrief, – laat mij gaan, dood en hel! want u heeft Christus gezocht en Hij heeft Zich voor mij ter verlossing gegeven.
Nu traden de vangers toe en legden de handen aan Jezus. Simon Petrus dan had, evenals nog een ander discipel (Luk. 22: 38), een zwaard, zoals zij, die zich op reis bevonden, tot hun bescherming veel bij zich moesten dragen, trok het uit en sloeg van de hogepriesters dienstknecht, die bij de gevangenneming van Jezus geheel naar de manier van zijn meester, wiens woord Jezus’ dood beslist had (Hoofdstuk 11: 49 v. ), zich bijzonder ijverig toonde en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van de dienstknecht (hetgeen de overige evangelisten nog niet hadden meegedeeld, zoals zij ook de naam van Petrus niet vermeld hadden) was Malchus.
Jezus dan zei tot Petrus (om Zijn woord in MATTHEUS. 26: 52 v. uitvoerig meegedeeld, hier slechts kort terug te geven): Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker, die de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? Zie, Ik heb die tevoren uit de hand van de Vader genomen, toen Ik bad (MATTHEUS. 26: 39 vv. Mark. 14: 35 vv. Luk. 22: 41 vv. ); laat dan ook u zich niet door de kracht van een natuurlijken mens verleiden, maar wees gelaten als uw Meester, wiens voedsel is de wil van de Vader te doen en Wiens drank het is naar de wil van de Vader te lijden.
Petrus heeft in hetgeen zo-even is voorgevallen de macht van zijn Meester gezien; hij kan het niet goed achten, dat Hij Zich zo aan hun handen wil overgeven. Hij denkt, dat, als Hij maar snel de strijd begint, de Heere daardoor zal worden bewogen om hem roemvol ten einde te brengen. Deze bestuurt echter zijn hand aldus, dat hij geen doodslager was en laat hem de knecht slechts zoveel kwaad aandoen als nodig was, om gelegenheid te hebben zijn vijanden wel te doen, Zijn discipelen te leren en de gehele wereld op te bouwen.
Het komt geheel overeen met het driftig, hevig karakter van Petrus, dat zo ook eigenwaarde voelde, dat hij zich niet makkelijk iets liet welgevallen (vgl. MATTHEUS. 18: 21), hoeveel minder zijn Meester, die hij zo oneindig hoog boven zich stelde en voor wie en voor wiens zaak hij zo levendig en sterk gevoel had. Daarom heeft het antwoord van de Heere ten inhoud, dat geen gewelddadige eigenzin, maar geduldige overgave, zowel Hem, de Meester, als ook de discipel past. Daarop doelt Zijn terechtwijzing van Petrus en dat stelt Hij hem als het doel van Zijn levens voor, dat hij leert zich in geduldig overgeven te laten welgevallen, zoals God het hem schikt (Hoofdstuk 21: 18). Was het echter bij Petrus de levendige opgewektheid van zijn gevoel, die hem voor Jezus diep voelen deed en die hem tot die ondoordachte handeling heenvoerde, zo was het later ook deze, die hem geschikt maakte om de eerste getuige van de verhoogde Jezus te zijn.
Alleen Johannes noemt de namen van de discipel, die met het zwaard sloeg en van de gewonden knecht. Omtrent de eersten zullen bedenkingen zijn weggevallen, die vroegere evangelisten afhielden om die te noemen; dat echter Johannes ook de naam van de knecht kent en zelfs van zijn familie weet (vgl. vs 26), is een teken van zijn bekendheid in het huis van de hogepriester (vs. 15).
b. Vers 12 KruisverwijzingenJohannes 18:3→Mattheüs 26:57→Lukas 22:54→Mattheüs 27:2→Markus 15:1→Markus 14:53→Genesis 22:9→Psalmen 118:27→
— De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;
– Hoofdstuk 19:16
De geschiedenis van Jezus’ veroordeling. Ook hier gaat onze evangelist zeer veel voorbij wat de andere evangelisten reeds hebben verteld, zodat zijn bericht alleen door vergelijking met de overige berichten de vereiste helderheid ontvangt.
Omgekeerd deelt echter Johannes ook veel mee, dat bij Mattheüs, Markus en Lukas niet wordt gevonden, zodat door zijn mededeling de voorstelling van de laatsten pas juist duidelijk wordt. Jezus en Zijn rechters, deze is de hoofdgedachte, volgens welke de keus van de stof heeft plaats gehad. Jezus alleen, zelfs door een van Zijn voornaamste discipelen verloochend en door de wereldlijke rechter, die Zijn onschuld erkent en niets van Zijn goddelijke heerlijkheid voelt, prijsgegeven en toch in alle nederigheid hoog verheven boven hen, die Zijn zaak behandelen. Daarentegen richten de rechters met al hun middelen, die zij tegen Hem aanwenden, slechts zich zelf zedelijk te gronde (vgl. MATTHEUS. 26: 57-27: 31 Mark. 14: 53-15: 20 Luk. 22: 54-23: 25).
De bende dan, of de afdeling van de Romeinse cohorte en de overste over duizend (Hand. 21: 3), die ze aanvoerde en de dienaars van de Joden, van de overpriesters en Farizeeën (vs. 3) namen, nu Hij Zich zo geheel aan hen overgaf, Jezus gezamenlijk en bonden Hem, zoals dat gewoonlijk gebeurde met gevangenen, die tot deHoge Raad moesten worden gevoerd (Hand. 9: 2).
Dezelfde, voor wiens tegemoettreden en belijden: “Ik ben het” de gehele bende eerst verschrikt teruggeweken en ter aarde gestort was, liet zich nu grijpen, binden en wegleiden. Allen tezamen helpen, om die ééne te grijpen en te binden, de bende, de overste en de dienaars. Dat stelt de evangelist met opzet op de voorgrond, om te kennen te geven, hoezeer de indruk van dat voorval nog heeft nagewerkt; alleen als allen hielpen dacht men zeker van Hem te kunnen zijn; zo moest het echter zijn, opdat de discipelen des te geruster konden vluchten en Jezus moest gebonden worden, om ook in deze vorm van lijden de voorafbeelding van het lijden (Gen. 22: 9. Ps. 105: 18. Richt. 15: 13) te vervullen.
En zij leidden Hem van Gethsémané terug, in de stad naar het Hogepriesterlijk paleis, aan de zuidwestkant van de tempelruimte 26: 58″) en wel eerst tot Annas, de Nasi of leidsman van de Hoge Raad (Luk. 3: 2 en “Uit 2: 4”), want hij was de schoonvader van Kajafas (Slotwoord op 1 Makk. No. 11. c. ), die, zoals reeds in Hoofdstuk 11: 49 en 51 is opgemerkt, dat jaar 30 na Christus hogepriester was.
Voor Johannes lag het voornaamste gewicht in het voorafgaand verhoor bij Annas, voor Mattheus en Markus in het hoofdverhoor bij Kajafas, voor Lukas in het eindverhoor van de morgen, dat plaats had om naar de vorm van de wet Hem te veroordelen. De eerste stelt de Christusverwerping van de Joden voor in haar beslissend uitgangspunt, de laatste in haar wereld-staatkundig einde, Mattheus en Markus in het hiërarchisch zich ontwikkelend middelpunt.
Het verhoor bij Annas heeft een voorbereidend karakter en leidt, omdat Jezus weigert te antwoorden op de vraag van de hogepriester (vs. 19 vv. ), tot geen resultaat. Dit verhoor zonder resultaat wordt in de drie eerste evangeliën geheel voorbijgegaan en daarentegen wordt omtrent dat voor Kajafas en het Sanhedrin bericht gegeven met een volledigheid, die niets laat achterblijven.
De uitdrukking “eerst” geeft een aanvulling te kennen van de Synoptici, volgens welke het de schijn zou kunnen hebben, alsof Jezus dadelijk naar Kajafas was heengeleid.
Deze was tot Hogepriester benoemd geworden door de legaat Quirinius, maar na zijn ambt zeven jaar bekleed te hebben, werd hij door Tiberius bij zijn troonsbeklimming afgezet. De tempel-aristocratie hield dit voor onrechtvaardig en het volk bleef hem hogepriester noemen, zoals ook onze Evangelist dat doet en Lukas reeds deed (Hoofdstuk 3: 2). Daarenboven hij was het hoofd van de familie, die gedurende een halve eeuw die waardigheid door haar leden bekleed zag (Hand. 4: 6) en het is gemakkelijk te begrijpen dat, bij de gedurige verwisseling van titularissen, een oud en geslepen hogepriester, die zijn familie regeerde, ook haar ambtelijke functies bestuurde. Naar de zinrijke aanduiding dan van de getuige (Joh. 18: 13, 14), was Annas het hoofd van de partij, die de Nazarener wilde doden, hij de ziel, Kajafas de arm.
Wij kunnen ons voorstellen in welke spanning en onrust Kajafas met zijn tegenstanders de terugkomst van de bende uit Gethsémané tegemoet gezien hebben. Zullen de dienaars andermaal, zoals vroeger (Joh. 7: 46), met lege handen tot hun zenders terugkeren? Zal de verrader moed genoeg hebben gehad om tot het einde toe zijn woord te volbrengen? Zal de Nazarener ook de zwaarden ontkomen zijn, zoals aan de stenen van de Joden? En als Hij werkelijk in hun handen gebracht wordt, hoe zal men de zeldzame zaak behandelen, hoe -maar de stroom van de overdenkingen van de hogepriester wordt op eenmaal gestuit. De gloed van de flambouwen, het gekletter van de wapenen, het gedruis van vrolijke stemmen verkondigen hem, dat hij niet langer vruchteloos heeft te wachten.
Kajafas nu was degene van de leden van de Hoge Raad, die, toen men na de opwekking van Lazarus zitting hield, om te besluiten hoe men handelen moest tegenover de wonderdoender, die steeds grotere aanhang kreeg (Hoofdstuk 11: 47 vv. ), de Joden geraden had dat het nuttig was, dat één mens voor het volk stierf. Daaruit kan men afleiden, welke weg het zou gaan met het verhoor bij Annas, dat nu begon, namelijk om de Hoge Raad stof te leveren tot een aanklacht van Jezus omtrent een misdaad, die de dood had verdiend en verder dat Hij een staatkundig oproermaker was, die tot dergelijke doeleinden zich onder het volk aanhangers probeerde te verschaffen (vs. 19. Luk. 23: 2 vv. ; 20: 20 vv. ).
Het “want” in vs. 13 kan de reden niet te kennen geven, waarom men Jezus tot Annas heeft geleid (het was geheel naar de orde, omdat deze president was van de Hoge raad, waarvoor Jezus moest worden geoordeeld); meer wordt door dit woord een nadere karaktertrek van die president voorgesteld. De lezer moet uit de gezindheid van de schoonzoon Kajafas, die reeds tegen Jezus werkte, besluiten tot de gezindheid van de schoonvader Annas, die tot hiertoe in het evangelie nog niet genoemd was. Was dit niet de bedoeling van de bijvoeging, dan zou de opmerking in vs. 14, die aan iets vroegers herinnert, hier ook zo goed als overbodig zijn.
Evenals de hogepriesterlijke schoonvader en de hogepriesterlijke schoonzoon onder één dak woonden, zo waren zij ook van één gezindheid.
Beide personen maakten in zekere zin slechts een uit 3: 2). Johannes wil met zijn mededeling te kennen geven, welke gerechtigheid Jezus van zulke mensen had te wachten.
En Simon Petrus, die in het begin bij de gevangenneming met de overige discipelen gevlucht was, maar snel zich over dat vluchten schaamde, zijn moed hernam en nu gelegenheid zocht om te zien, hoe het met de zaak zou aflopen, volgde jezus van ver tot in het huis van de hogepriester en eveneens deed een ander discipel, Johannes (Hoofdstuk 1: 35 vv. ; 20: 2 vv. ). Deze discipel nu, die ook te Jeruzalem een huis bezat (Hoofdstuk 19: 27) en zo in verschillende betrekkingen tot de inwoners aldaar stond, was de hogepriester bekend en ging, zonder dat men hem aan de deur enige hindernis in de weg had gelegd, met Jezus in de zaal van de hogepriester, toen deze daarheen werd weggeleid.
Ach, Petrus wilde zijn vluchten, de lafhartigheid en ontrouw, die hij daarin zag, weer goed maken en die schande weer uitwissen, door het bestaan van een proef, waardoor hij zichzelf leidde en viel in de Verzoeking en met diepe schaamte en pijn leerde zien wie Hij was.
En Petrus, die op enige afstand na kwam en niet meer werd binnengelaten, stond buiten aan de deur en wist niet hoe hij zijn doel zou kunnen bereiken; omdat hij toch zozeer verlangde erbij te zijn keerde hij niet terug. De anderediscipel dan, die de hogepriester bekend was en die snel wist waarom Petrus niet volgde, ging uit tot de ingang en sprak met de deurwaarster om ook voor zijn metgezel toelating te vragen. Die vergunning werd hem gegeven en zo bracht hij Petrus in.
De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, begreep dat hij, die zij had binnengelaten, evenals de vroeger binnengekomene een discipel van Jezus was; zij zei tot Petrus op een plaats en onder omstandigheden, die nader zullen worden meegedeeld (“Uit 26: 70”): Bent ook u niet uit de discipelen van deze mens, van die Jezus, die men daarbinnen verhoort? Hij zei, voor de eerste maal hier de Heere verloochenend: Ik ben niet een van Zijn discipelen, zoals u zegt (MATTHEUS. 26: 69 v. Mark. 14: 66-68. Luk. 22: 56 v. ).
En de dienstknechten van de hogepriester en de dienaars van de Hoge Raad, die in gemeenschap met de Romeinse soldaten de gevangenneming hadden volvoerd en vervolgensdoor deze waren alleen gelaten, toen zij naar hun verblijfplaatsen terugkeerden, stonden, toen dat voorval plaats had, in de hof van het paleis en hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het in dit jaargetijde gedurende de nacht en vooral tegen de morgen koud was en warmden zich. Petrus stond ook bij hen en warmde zich. Zijn verloochening gebeurde dus niet tegenover de dienstmaagd in het bijzonder, maar openlijk in de kring van het gehele gezelschap.
Terwijl de Synoptici de drie verloocheningen van Petrus die in de mondelinge overlevering waarschijnlijk slechts een enkel verhaal vormden, allen tegelijk verhalen, komen zij in het verhaal van Johannes van elkaar gescheiden voor, omdat deze zich nu eens met Jezus dan weer met Petrus bezig houdt. Zijn verhaal is zo nauwkeuriger dan dat van de Synoptici en legt tevens in het algemeen voor de historische waarheid van zijn berichten gunstig getuigenis af. Ofschoon de verloochening van Petrus reeds door zijn voorgangers was meegedeeld, heeft Johannes haar toch vermeld, vermoedelijk omdat hij wilde scheiden wat door de overlevering ten onrechte verenigd was; hoewel het voorgevallene niet één doorlopende gebeurtenis uitmaakte, had zij het toch als zodanig voorgesteld. Dit wilde de vierde evangelist verbeteren. De splitsing van hetgeen plaats had in het volgend stuk verraadt de ooggetuige.
Hij waagde het om zich te mengen onder de mannen bij dat vuur, uit wier gesprekken hij wilde opmaken hoe het zou aflopen met Jezus – alsof hij dat niet kon geweten hebben als hij maar niet onverstandig en traag van hart geweest was, om te geloven al hetgeen door de profeten, vooral ook door de Heere zelf gesproken was. Het was hem te doen niet zozeer om zich te warmen, want als visser was hij zeker aan koude nachten gewend. Maar zoals een oud kerkvader zegt, hij warmde zich bij het vuur, omdat het geloof en de liefde begonnen waren in hem te verkoelen. Ja, de juiste warmte van binnen ontbrak; en nu koos hij een ongelukkig middel om in dat gebrek te voorzien. O, het is zo gevaarlijk voor de discipelen van de Heere, als zij met de wereld, met de ongelovige wereld, zich warmen willen aan hetzelfde vuur en dan nog wel zich inbeelden dat ze een juist heldenstuk bestaan met zich zo dicht te wagen bij de roden gloed van de kwade samensprekingen van lichtzinnigen en spotters, die bedervend zijn voor de goede zeden. Laat ons gewaarschuwd willen zijn! Zo vaak wij ons inbeelden, dat wij echte discipelen van de Heere kunnen zijn door eenvoudig te steunen op de vastheid van ons karakter en de macht van onze wil, zo vaak wij ons inbeelden, dat wij het met deze eigenschappen reeds wagen kunnen plaats te nemen aan het kolenvuur van de wereld en dan ons zwak geloof versterken en onze flauwe liefde verwarmen kunnen anders dan aan de liefde Christus, die zich voor ons overgaf in de dood, dan zullen wij bedrogen uitkomen en onophoudelijk reden vinden om naar buiten te gaan en bitter te wenen over onze dwaze inbeelding, over onze schande en schuld.
Ook Petrus was met de overige discipelen in de hof gevlucht; daarover schaamde hij zich nu en wilde hij het lemmet van zijn moed weer scherpen; hij wilde bewijzen dat hij toch zo zwak niet was, als de Heere hem voor had gehouden, dat hij mogelijk kon maken wat de Heere voor onmogelijk had verklaard. Hij had liever in het verborgen moeten gaan en op zijn knieën moeten bidden, dat hij niet in verzoeking mocht komen; hij had moeten denken: “Zie, het eerste is nu vervuld, ik heb de Heere verlaten, zoals Hij het voorspeld heeft; het tweede, de verloochening ligt voor de deur. ” Maar hij vertrouwde teveel op zichzelf en hield voor enkel liefde en geloof wat vermetelheid was. De liefde tot Christus was in hem met de zondige begeerte bevlekt: Ik wil Hem toch tonen wat Hij aan Zijn Petrus heeft, niet om niet zal Hij mij rots hebben genoemd! Hij had begeerte naar een heldendaad, waartoe hij nu niet was geroepen. Zo zijn wij op een dwaalweg, als wij ons door onze goede meningen laten leiden en Gods duidelijk bevel uit het oog verliezen (Hoofdstuk 11: 10). Een ander discipel vergezelt hem op de weg; deze is Johannes; hij is bekend met de hogepriester en verschaft hem bij de deurwachtster ingang. Men heeft gemeend dat deze bekendheid met de hogepriester Johannes niet tot eer was; het zal echter de bekendheid van een visser geweest zijn en meer niet. De deurwachtster zal hem beter hebben gekend dan haar heer. Johannes beroemt zich ook volstrekt niet op die bekendheid met deze voorname man; hij vermeldt die om geen schijn te geven alsof een bijzondere moed van de liefde hem de deur had geopend. Johannes is met een andere gezindheid dan Petrus het paleis binnengetreden, namelijk in eenvoudigheid en zonder daarmee te willen pronken. Zonder argwaan heeft hij ook Petrus toegang verschaft en was zich niet bewust, dat hij daardoor de duivel een dienst deed. Als onze weg niet naar Gods woord is, dan moeten ook onze beste vrienden ons tot een valstrik worden.
Bij beide discipelen is dezelfde zedelijke grond, dezelfde liefde tot de Heere; maar Jezus’ waarschuwing (Hoofdstuk 13: 36 vv. ) had Petrus voorzichtig moeten maken, de zo-even nog ontvangen terechtwijzing (vs. 10 vv. ) had hem tot nadenken moeten brengen. Dat Johannes, die in het hogepriesterlijk huis bekend was zonder bedenking werd toegelaten, maar Petrus niet en hij daarom voor de deur moest blijven staan, kon dienen tot een aanwijzing, wie van beiden het was gegeven om hier zonder gevaar te mogen vertoeven. De apostel heeft ons zijn bekendheid met het hogepriesterlijk huis niet verklaard, maar hij heeft ze aangemerkt als door God beschikt. Zij moest er niet alleen toe dienen, dat hij, die een getuige van Jezus’ sterven aan het kruis was, ook getuige van dit begin van Zijn laatste lijden door de Joden werd, zij moest ook, omdat zij Petrus de toegang tot de hof verschafte, de verloochening zelf mogelijk maken, waarin het voorspellende woord van Jezus vervuld zou worden en die voor de inwendige ontwikkeling van de apostel van zo’n beslissende betekenis zou worden.
De vrees, waaruit Petrus’ verloochening voortkomt, is niet in tegenspraak met de moed, waarmee hij in vs. 10 het oor van de knecht van de hogepriester afhouwt. Het is ook daar niet de kalme geloofsmoed, het is de moed van een van nature krachtig gemoed, dat door de omstandigheden wordt opgewekt en zoals al het natuurlijke zijn rijzen en dalen heeft, zo ook deze natuurlijke moed. Omstandigheden veranderen de zaak; toen werd Petrus verheven door de blik op zijn Heer, die onmiddellijk tevoren Zijn goddelijke macht metterdaad had getoond; nu hij Hem zo geheel machteloos zag, ontzonk hem het hart.
De hogepriester Kajafas (vs. 13 en 24) leidde dadelijk dit voorafgaand verhoor bij Annas (anderen willen hier aan Annas denken, die in Luk. 3: 2. Hand. 4: 6 als hogepriester wordt voorgesteld, maar het spraakgebruik van Lukas, die daarentegen Kajafas als eigenlijke hogepriester alleen priester noemt (Hand. 5: 34, vgl. Hebr. 5: 6. Ex. 35: 19), is niet van toepassing op Johannes). Deze dan vroeg Jezus van Zijn discipelen en van Zijn leer met het doel om enig vast punt te verkrijgen voor de aanklacht, die men op het oog had, namelijk dat Hij oproer tegen de Romeinse opperheerschappij in de zin had, nadat men Hem bij Pilatus reeds als een opruier had voorgesteld.
Het verhoor van de hogepriester gaat in sluwe berekening uit van het meest algemene: eerst wordt over de discipelen of de aanhangers gevraagd, vervolgens over de leer, waardoor zij gewonnen zijn. Hij wil weten wat men van Jezus’ aanhang te denken heeft, wat men ervan moet vrezen; hij wil vaste punten winnen. Zoals uit Jezus antwoord blijkt gaat hij duidelijk uit van de kwaadwillige veronderstelling, dat Jezus een geheime verbintenis gesticht heeft en een geheime leer bij deze verbreid heeft. Het onderscheid van dit verhoor met dat voor de Hoge Raad ligt voor de hand; daar moest geconstateerd worden, dat Hij een openlijk lasteraar was tegen het heiligdom.
De vragen van de hogepriester naar de discipelen en naar de leer van de Heere hebben ten doel Hem als een oproermaker voor te stellen, die door een geheime en valse leer het volk verleid had; men wil dus een Theudas en een Galileër Judas (Hand. 5: 36 vv. ) van Hem maken.
Jezus antwoordde hem: a) Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld gedurende de gehele tijd van Mijn leraarsambt zonder voor iemand iets achter te houden. Ik heb alle tijd op openbare plaatsen, waar ieder vrije toegang had, geleerd en niet alleen in de open lucht voor grote menigten, maar ook in het bijzonder in de synagoge van elke plaats, waarheen Ik kwam en in de tempel te Jeruzalem, waar de Joden van alle plaatsen uit het gehele land ter feestviering samen komen. Ik heb het dus steeds op openbaarheid toegelegd en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
Joh. 7: 26.
Wat ondervraagt u Mij dan over hetgeen Ik geleerd heb, terwijl u, oversten, Mij vroeger het woord heeft toegevoegd: Gij getuigt van uzelf. Uw getuigenis is niet waarachtig (Hoofdstuk 8: 13)? Ondervraag dan overeenkomstig deze grondstelling, die u hier naar recht zou toepassen, degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb. Aan dergelijke getuigen kan het u niet ontbreken; zie deze, die u als dienaren van de Hoge Raad hier bij u heeft, weten, wat Ik gezegd heb.
Jezus ontwijkt het antwoord op de eerste vraag naar Zijn discipelen niet; deze is, voor zoverre het hier nodig was, weer vervat in het antwoord over Zijn leer. Is Hij steeds vrij en openlijk opgetreden, dan heeft Hij Zich geen aanhang vergaderd in de zin van de vraag, noch Zich ingelaten met samenzweringen, waarvan de hogepriester Hem graag zou beschuldigen. Deze toch moeten in het geheim plaats hebben, maar Hij heeft in de synagogen op de verschillende plaatsen van Zijn verblijf op het land en in de tempel, de vergaderplaats van alle Joden op de hoge feesten geleerd. Hij heeft bovendien in de vrije lucht voor grote hopen volk gesproken, zodat hier voor Zijn werkzaamheid geheel de verdenking wegvalt van een heimelijke bijeenkomst, van hetgeen het licht van de openbaarheid schuwt. Het slot van het antwoord: “Zie, deze weten wat Ik gezegd heb”, schijnt niet alleen geheel algemeen te doelen op hetgeen voorafging, “ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb”, maar in het bijzonder op de dienaren van de Hoge raad, die rondom stonden. Hun eigen dienaren waren toch eens uitgezonden om Hem te bespieden, met de opdracht Hem te grijpen en hadden vervolgens getuigenis afgelegd van de indruk van Zijn rede (Hoofdstuk 7: 32, 45 vv. ). Maar hoe juister dit antwoord was, des te meer mishaagde het de hoorders.
En toen Hij dit zei, a) gaf een van de dienaars van de raad, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag en zei, met verkeerde toepassing van het woord in Ex. 22: 28: Antwoordt Gij zo de hogepriester, de overste van uw volk (Hand. 23: 5), mag u op zo’n lasterlijke manier tot hem spreken?
Jer. 20: 2.
Jezus antwoordde hem: Als Ik kwalijk gesproken heb in het antwoord, zo-even de hogepriester op zijn vraag gegeven, treed dan als aanklager voor de gestelden rechter, voor de hogepriester tegen Mij op en betuig van het kwade, opdat deze zelf tegen Mij handelt; maar u heeft daartoe geen reden en als Ik goed gesproken heb, zoals dan ook hij, tot wie Mijn woord gericht was, niets daartegen heeft in te brengen, waarom slaat u Mij?
De dienaar ziet dat zijn meester, de hogepriester, getroffen door het vrijmoedige en gepaste antwoord, in verlegenheid is; nu wil hij het ogenblik aanvullen, zich bemind maken, lof en loon verwerven, want hij weet wel, wat hij zich mag veroorloven.
Dat de dienaar het gedaan heeft om de hogepriester te believen, waarom hij ook de nadruk legt op het woord “hogepriester”, is wel zeker. In de inhoud van Jezus’ woord weet hij niets te berispen, maar de vorm moet onbetamelijk zijn; daarop zal dan ook het “kwalijk” en “wel” in het antwoord van de Heere moeten doelen.
Een ernstige voorstelling is de mensen een doorn in het oog, daaruit maken zij een onbescheidenheid, een gebrek van verschuldigde eerbied enz.
De zachtmoedigheid in Jezus’ woord levert de verklaring van hetgeen Hij heeft geleerd in MATTHEUS. 5: 39; (vgl. 1 Petrus . 3: 15, 16). Met waarheid, zachtmoedigheid en rechtvaardigheid te antwoorden op zodanige bejegening, zoals Christus het hier doet, is menigmaal veel moeilijker, het eist vaak een ruimer deel van de geest van de liefde, dan in de letterlijke zin de andere wang aan te bieden.
Christus zegt niet: “Ik wil de andere wang niet aanbieden”, want omdat Hij het hele lichaam geeft, is gemakkelijk te denken dat Hij niet weigert om de wang voor te houden. Maar dat Hij tot de knecht spreekt: “Heb Ik kwalijk gesproken, betuig van het kwade enz. ” moet men zo verstaan, dat er een groot onderscheid is tussen die twee, de andere wang voorhouden en met woorden hem bestraffen, die ons slaat. Christus moet lijden; maar tevens is Hem opgedragen om te spreken ter bestraffing van hetgeen onrecht is. Daarom moet ik de mond en de hand van elkaar scheiden; de mond moet ik niet sluiten om het onrecht te billijken, maar de hand moet zich stilhouden en zichzelf niet wreken.
Annas dan, die bij dat alles zweeg, omdat hij wel wist dat gerechtsdienaars zich niet in een rechtshandeling mochten mengen, had Hem, aan wie men bij dit voorafgaandverhoor Zijn banden (vs. 12) had ontnomen, opnieuw gebonden, als was Hij in elk geval een misdadiger, al wist men ook niets tegen Hem voor te brengen en had Hem gezonden tot Kajafas, de hogepriester. In diens huis waren intussen de Schriftgeleerden en oudsten vergaderd, om daar een gerechtshandeling in wettige vorm te doen plaats hebben (MATTHEUS. 26: 57, 59 vv. ).
Onze evangelist meldt niets over hetgeen bij Kajafas heeft plaats gehad. In vs. 25- 27 vertelt hij nog de verdere verloocheningen van Petrus; in vs. 28 komt Jezus reeds voor als een, die bij Kajafas veroordeeld is en nu vinden wij in de woorden: “Zij leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis”, een meervoudige vorm “zij”, waardoor niets anders dan de Hoge Raad bedoeld kan zijn. Johannes veronderstelt duidelijk, dat hetgeen de andere evangelisten bericht hebben, bekend is. Om dus een juist begrip te verkrijgen van hetgeen in de volgende verzen is meegedeeld, moeten wij ons de afdelingen MATTHEUS. 26: 59-68 en Mark. 14: 55-65 voor de aandacht plaatsen, volgens welke daar eveneens van Petrus’ verloochening verder wordt verhaald. Deze voorvallen, die in die afdelingen zijn vervat, behoren volgens onze berekening, tot de tijd van 2-3 uur; dat is ook de eigenlijke tijd van het hanegekraai en alles stemt dus goed overeen met de inhoud van de volgende verzen, van welke vs. 25 het begin van de zo-even geuoemde tijdruimte aanwijst, maar vs. 26 en 27 op het einde daarvan zien.
Johannes vermeldt ons hier in een tussenrede deze bijzonderheid, om ons de onwaardige handelwijze van de knecht en van diens heer, die deze daad niet tegensprak, aan te wijzen. De Heere was geboeid. Hij was weerloos. Nu is een weerloze te slaan meer dan laag. Dit voorval stelt ook de rechters in een beschamend licht. Het strijdt tegen alle oude en nieuwe wetten, om een gevangene en geboeide smadelijk te behandelen. Ook mag een gevangene, wanneer hij voor zijn rechter treedt, wel bewaakt worden, maar niet geboeid zijn. Wanneer een geboeide voor hem gebracht mocht worden, dan moet het zijn eerste bevel zijn om hem de boeien af te nemen. Maar nu laten de rechters van Jezus, hun gevangene, niettegenstaande het sterk geleide, dat Hem omgeeft, niet alleen geboeid, maar laten ook ongestraft toe dat Hem in Zijn banden nog daarenboven smadelijk in het aangezicht wordt geslagen. Dat kwade moest vanzelf tot erger komen. Later zien wij al de knechten het voorbeeld van de ene knecht volgen. Want waar het recht in het minst wordt losgelaten, daar valt weldra het gehele recht uit elkaar.
En Simon Petrus stond, zoals in vs. 18 werd meegedeeld, beneden in het paleis bij de knechten en dienaars en warmde zich. Beproefde hij bij gelegenheid van Jezus’ wegvoering naar Kajafas (vs. 24) de plaats te verlaten en zich in de open lucht te begeven, zo werd dit toch door een andere dienstmaagd verijdeld (MATTHEUS. 26: 71 v. Mark. 14: 68-70), zodat hij weer naar zijn vroegere standplaats terug ging. Zij zeiden dan tot hem, juist door die poging op hem opmerkzaam geworden: Bent ook u niet, zoals de deurwachtster zo bepaald beweerde (vs. 17), uit Zijn discipelen? In het bijzonder drong een van de aanwezigen hard op hem aan, omdat hij hem bepaald beschuldigde: Ook u bent van die (Luk. 22: 58). Hij loochende het voor de tweede keer en zei: Ik ben niet.
Er verliep toen ongeveer een uur. Toen daarin de veroordeling van Jezus bij Kajafas had plaats gehad en de veroordeelde naar het binnenhof zou worden geleid, voegden de mannen bij het kolenvuur Petrus toe, dat zijn spraak hem als Galileër verraadde. Hij wilde echter ook dat niet voor een getuigenis laten houden, dat hij een discipel van Jezus was (MATTHEUS. 26: 73. Mark. 14: 70. Luk. 22: 59). Een van de dienstknechten van de hogepriester, die familie was van degene, die Petrus het oor afgehouwen had (vs. 10), zei vervolgens tot hem: Heb ik u niet gezien in de hof met Hem?
Onwillekeurig gedreven door de liefde van het hart, begeeft hij zich naar het huis van Kajafas, terwijl hij aan de andere kant in grote vrees en spanning de menigte volgt. Vanwaar mag dat zijn? Vanwaar vrees en begeerte om bedekt te blijven? Is het liefdeloosheid? O nee, Petrus heeft de Heere vurig lief. Is het dan lauwheid? Dit nog veel minder! De vurige Petrus kan niet lauw zijn. Wat mag het dan zijn? Niet onwaarschijnlijk kwam het een bij het ander. Zo meteen had hij Malchus het oor afgeslagen en dit was niet in het verborgen gebeurd, hij was dus een eerste voorstander van de sekte van de Nazareners, dit was gebleken. En nu wat mocht hem mogelijk wel te beurt vallen, omdat hij toch zag dat Jezus gebonden was? Wat kon hem wellicht overkomen, omdat hij toch eigenlijk door het afslaan van het oor van Malchus verzet tegen de overheid had gepleegd. Neem dus in aanmerking, dat deze zaak ongunstig werkte op het gemoed van de bende, hetgeen Petrus niet ontgaan kon. De gepleegde daad kwam nu voor zijn rekening en al had hij het ook gedaan, zoals wij graag aannemen, in de bedoeling om zijn Meester te redden, zijn doel was mislukt, omdat de Heere zelf Hem openlijk bestraft en hij dus van die kant geen goedkeuring ondervonden had. Die daad vervulde hem dus naar alle waarschijnlijkheid met vrees en benam hem alle vrijmoedigheid om de vijanden met heldere blik, vrij en onbelemmerd onder de ogen te zien. Het is opmerkelijk dat één misgreep slechts in een anders duidelijke zaak, oorzaak kan zijn dat wij onze vrijmoedigheid tegenover de vijanden verliezen. Het hart, dat ons beschuldigt en veroordeelt, belet ons openlijk voor den dag te komen, zowel vanwege het beschuldigend geweten als vanwege de vrees, om over die zaak door de vijanden te worden ondervraagd en lastig gevallen. Men wil dan maar liefst over de zaak zwijgen. Men wil liefst de vijanden ontwijken en met hen niet in aanraking komen, omdat een enkel woord of een vraag meteen het hart met vrees vervult. Men loopt weg als een dief en neemt daarom tegenover de vijand een lafhartige en kinderachtige houding aan. Is dat evenwel juist? Geenszins! Hoewel het billijk is en het soms zeer goed kan zijn, dat men door de gepleegde verkeerde handeling zich vernederd voelt en gekrenkt wordt, vooral als wij gekweld worden door hoogmoed, evenwel is het een zeer kwade zaak en een bepaalde list van de duivel, om ons daarom juist de mond te snoeren en ons tegenover de vijanden met vrees te vervullen. Dan vallen wij van het ene euvel in het andere. Is het kwaad eenmaal gepleegd, dan kan dat niet worden teruggetrokken. De veiligste, gemakkelijkste en God welbehagelijkste weg, waardoor onze zaak vereffend, de eer van God hersteld en de vijanden de mond gestopt wordt, is om eerlijk schuld te belijden en al was het voor een menigte van tegenstanders ronduit te bekennen: “Ik heb gezondigd, ik moet het belijden, de Heere vergeve het mij. ” Op deze manier wordt de verloren vrijheid weer herwonnen, wordt onze weg weer recht gemaakt en wordt ons de gelegenheid benomen om in die verdraaide wegen voort te wandelen en daardoor ons in steeds dieper ellende te wikkelen. (PLOOS VAN AMSTEL).
Petrus dan loochende het weer, dus voor de derde keer en ging zelfs in zijn verlegenheid en wanhoop over om te zweren en zich te vervloeken. En meteen, want het was nu ‘s morgens drie uur, kraaide de haan, zodat het woord van de Heere in Hoofdstuk 13: 38 nu geheel vervuld werd (MATTHEUS. 26: 74 v. Mark. 14: 71 v. Luk. 22: 60-62).
Het was duidelijk ten verderve van Petrus, dat hij niet bij Johannes gebleven was, die hem ingang in het paleis van de hogepriester had verschaft, maar zich veiliger achtte, als hij onder de dienaars en knechts bij het kolenvuur zich begaf en zich hield als diens gelijke. Deze stap, die hij in zijn dwaasheid deed, was reeds een inwendig verloochenen van het discipelschap van Jezus en snel openbaarde zich dan ook de inwendige verloochening naar buiten. Hierdoor schijnt onze evangelist er op te willen wijzen, dat hij evenals Lukas ook de tweede verloochening bij het kolenvuur in de hof plaatst, terwijl Mattheüs en Markus het voorafgaande toneel, dat bij de binnenkant van de deur plaats had, beschouwen. Johannes vertelt hier in zijn kort bericht het berouw van Petrus niet, des te roerender en sprekender wordt dit bekende psychologische feit uitgedrukt door het gebeurde, dat in Hoofdst. 21: 15 vv. wordt meegedeeld.
Arme Petrus! Maar wie werpt de eerste steen op hem? Wie acht zich meer of beter dan Petrus en heeft geen deel aan de vloek, die men inroept en inhaalt over zijn eigen hoofd, door hoe dan ook deze mens niet te willen kennen? En wie die altijd heeft leren zien, wie hij is en heeft leren roepen uit de diepte, heeft het altijd kunnen lezen: “En de Heere keerde Zich om en keek Petrus aan”, zonder het te voelen, dat daarin en daarin alleen de redding gesteld is èn voor Petrus èn voor ieder, die begenadigd wordt zoals hij? De Heere zag Petrus aan. O wie zal het beschrijven met welke blik Hij hem heeft aangezien. Was het niet een blik van treurende, maar ook van reddende liefde, vol van zacht verwijt en ontfermend mededogen? Ja, die blik doorboorde hem de ziel en wierp tegelijk nog een lichtstraal in de donkerheid van zijn hart. Hij ging naar en weende bitter. O, nu probeert hij zijn zonde niet meer goed te maken, want hij weet en begrijpt het nu, dat hij niets goed kan maken, ook niet met zijn tranen, die bittere tranen, die daar opwellen en vloeien uit een gebroken hart! “Gij God van aanzien!” zo riep de van vertwijfeling geredde Hagar aanbiddend uit in de woestijn van Kades, “heb ik ook hier gezien naar die, die mij aanziet.” Maar nu dan onder het Nieuwe Verbond bij het aanzien van de ogen van dit “Hoofd vol bloed en wonden?”. Is het hanengeschrei van de wet en het hanengeschrei van uw geweten, die u verklagen en oordelen, onvermogend om uw hart te breken, o let dan op die blik van de Heere, die opzoekende blik van de lijdende en versmade liefde! Dan pas zult u wenen, ja kunnen wenen oprechte boetetranen en als u het weet en gezien heeft, dat de genadeblik van de Heere u aanziet, zult u lezen in Zijn wonden uw zonden, in Zijn striemen uw genezing, uw leven in Zijn dood, uw vrede in Zijn bloed.
Komt! wast u in het zuivringsbad van de hemelse genade,
Verlaat het bochtig zondenpad, Laat huivrend af van het kwade!
‘k Zal dan – spreekt God – uw Rechter zijn Uw bloedschuld van scharlaken,
Uw euveldaan van karmozijn, Als sneeuw en wolle maken. (VAN LEEUWEN).
Evenals Petrus zijn wij ook tot de gemeenschap van de Heere geroepen en in deze ingetreden. Evenals hij hebben wij ook Jezus leren kennen als onze Heere en Christus, als de Zoon van de levende God, als de Zaligmaker van de zondige wereld en wij hebben niet alleen Zijn naam plechtig beleden, maar ook bij meer dan één gelegenheid de plechtige gelofte afgelegd om Hem niet te zullen verloochenen, Hem trouw te zullen blijven tot in de dood. Hebben wij nu onze gelofte volbracht? Hebben wij de Heere nooit, noch in de vreugde, noch in de druk van het leven, verloochend en in geen verzoeking, in geen strijd, evenals de discipel verklaard: Ik ken de mens niet? Met andere woorden, hebben wij nooit in een zonde bewilligd? Hebben wij al haar verlokkingen met onwrikbare standvastigheid weerstaan? Is ons gelaat steeds een zegepraal geweest, die de wereld in ons en buiten ons overwonnen heeft? En hebben wij liever geld en eer en goedkeuringen van mensen, vergenoegen en lust van de zinnen laten varen en opgeofferd, dan dat wij Jezus verlaten en verloochend zouden hebben, om de tijdelijke genietingen van de zonde te hebben, de gunst van de wereld te verwerven, de lusten van het vlees te voldoen? Elke zonde toch is in de grond niets anders dan een verloochening van de Heere, dan de verklaring: Ik ken de mens niet. En wie moet bij die vragen niet over zichzelf blozen en zichzelf beschuldigen? Ach, hoe vaak hebben wij onze belofte vergeten, hoe vaak zijn onze heiligste voornemens en besluiten onvervuld gebleven, hoe vaak hebben wij Christus aan het ellendig gewin van de wereld, aan de snode lust van de zonde opgeofferd en ons in de verzoekingen en de strijd van het leven trouweloos van Hem afgewend! En dat alles, omdat wij in het vermetele vertrouwen op onze eigen wijsheid en kracht nalieten ons hart biddend te bewaken.
Zij, de overpriesters en oudste en Schriftgeleerden, leidden, toen als niet alleen de eerste, maar ook de tweede veroordeling door de Hoge Raad was geschied. Jezus van Kajafas, de vertegenwoordiger van de Hoge Raad (vs. 24), die ook het oordeel leidde en de stappen bepaalde (vs. 13 v. ), in het rechthuis van de Romeinse landvoogd (Slotwoord op 1 Makk. No. 11 d. ). Zij wilden door deze het doodvonnis laten bevestigen, omdat het anders niet ten uitvoer kon worden gebracht (vs. 31). En het was ‘s morgens vroeg, nog slechts even vier uur. En zij gingen niet, zoals zij anders als aanklagers eigenlijk hadden moeten doen, zelf ook in het rechthuis 1). Zij zonden alleen de gevangene onder een bedekking daarheen, opdat zij niet door het betreden van een heidens huis, waaruit het gezuurde brood niet verwijderd was, zoals de wet voor hun huizen tegen de dagen van de ongezuurde broden voorschreef (Hand. 10: 28. Ex. 12: 15 vv. ), levitisch verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten 2) (MATTHEUS. 23: 24), aan de maaltijd van de dankoffers van deze eerste heilige paasdag mochten deelnemen “1 Samuel 1: 4”.
Het Godsbestuur is daarin duidelijk op te merken, dat juist op het ogenblik, waarop Jezus naar Pilatus wordt geleid, Judas door de wrekende macht van het geweten aangegrepen de menigte in de weg treedt en de belijdenis doet: “Ik heb onschuldig bloed verraden”, zoals Mattheüs ons dat in MATTHEUS. 27: 3 vv. vertelt. Jezus moest sterven voor de zonde van de wereld, maar vóór Zijn dood moest Zijn onschuld nog op de menigvuldigste manieren en van alle kanten worden betuigd. Men heeft vaak het berouw van Judas als bewijs voorgesteld, dat hij er vroeger niet aan dacht dat zijn daad dergelijke gevolgen zou hebben; of men beweerde dat, omdat hij na het komen van deze gevolgen door berouw aangegrepen werd, er toch ten minste nog een beter element in hem geweest is. Uit het berouw volgt echter geen van beide; het is geen bewijs voor het goede van zijn natuur, maar alleen voor Gods almacht en gerechtigheid. Dat het slechts een straf was, een werking van het oordeel, dat God in zijn binnenste volvoerde, toont overvloedig het gevolg, de zelfmoord aan: berouw zonder geloof is geen bekering en alleen de bekering kan het feitelijk bewijs leveren, dat nog geen gehele verstokking is gekomen, dat er nog hoop op zaligheid over is. Een zachter oordeel wordt daardoor afgesneden, dat Jezus Judas voorstelt als het kind van het verderf, als een, die het eeuwig verderf, de hel onveranderlijk toebehoorde en tot wie onherroepelijk was gezegd, dat hij buitengesloten was door het: “toen voer de Satan in hem. ” Daardoor toch wordt het ogenblik genoemd, waarin de laatste graad bereikt, het goede verstoord is en de hele mens door het kwaad was doortrokken als door een vergif, dat zich door alle levensorganen had verbreid. Eindelijk was hij ook uitgesloten door de manier, waarop Petrus in Hand. 1: 25 van de catastrofe spreekt: “Hij is heengegaan in zijn eigen plaats. ” Het berouw van Judas kan tegen dit feit niet opwegen. De hartstocht verheft zich en zinkt neer; het verheffen gaat zo langzaam voort, totdat het doel bereikt is; dan verflauwt zij en er komt weer ruimte voor de stem van God.
Eigenlijk heeft de mens het geweten niet, maar het geweten heeft de mens; het is niet in de macht van de mensen, maar het is een macht over hem; het drukt niet mijn persoonlijke eigenaardigheid uit, maar de persoonlijke wil van God aan mij.
Vele uitleggers menen dat zij de uitdrukking: “Pascha eten” streng moeten nemen in dezelfde zin, die het in Matth. 26: 17. Mark. 14: 12 en 14 Luk. 22: 11 en 15 heeft en het dus te moeten verklaren van het genieten van het paaslam. Zij verklaren nu, dat volgens Johannes de viering van het Pascha eerst wachtte op de avond, waarop Jezus gekruisigd is, terwijl volgens de drie eerste evangelisten deze viering integendeel aan de dag van de kruisiging was voorafgegaan. Het is echter niets dan een woordenzifterij, omdat in Deut. 16: 2 de uitdrukking Pascha ongetwijfeld (terwijl toch van schapen en runderen sprake is) staat van de vrijwillige offers, die men op het Paasfeest bracht, volgens het gebod in Ex. 23: 15 ; “Men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen” en waarvan men dan offermaaltijden aanrichtte (vgl. 2 Kron. 30: 22; 35: 7 vv. ); er is dus volstrekt geen noodzaak, de uitdrukking Pascha tot het Paaslam te beperken. De uitleggers wikkelen liever Johannes, wat de inhoud van zijn voorstelling aangaat, in onoplosbare tegenspraak met de synoptici, dan dat zij een verschil in het gebruik van een enkel woord willen toegeven. De gehele voorstelling van de zaak getuigt echter ook zeer bepaald tegen hun opvatting. Want was werkelijk de dag, waarvan hier sprake is, de 14e Nisan of de dag van het Paaslam geweest, dan hadden de Joden geen reden om het betreden van een heidens huis reeds nu te houden voor een verontreiniging, omdat het pas ‘s morgens 4 uur was, wanneer het gebod van het wegdoen van al het gezuurde, zelfs in Joodse huizen nog niet werd opgevolgd 26: 17). Zij hadden bovendien geen reden, om ten gevolge van een zo geringe verontreiniging, waarvan men door eenvoudig zich te wassen, reeds weer met zonsondergang vrij werd (Num. 19: 22), zich voor uitgesloten van het genot van het Pascha te houden, dat toch pas na zonsondergang werd gegeten. Daarentegen werd juist op de eerste Paasfeestdag, de 15e Nisan het middagmaal voor hoog feestelijk in de Joodse families gehouden. Om dit niet te verliezen, vermijden de overpriesters en oudsten hier het heidense huis binnen te gaan, want die maaltijd had het karakter van een maaltijd van de dankoffers en daarop was de wet in Lev. 7: 20 vv. van toepassing; zij zouden zich echter op 15 Nisan werkelijk reeds vroeg om 4 uur verontreinigd hebben, omdat de dagen van de ongezuurde broden reeds waren begonnen en omdat zij vóór de avond niet rein werden, hadden zij van het deelnemen aan het feestelijk middagmaal moeten afzien (vgl. MATTHEUS. 26: 2).
Het was de mening van de Romeinen, dat men de godsdienstige meningen en gewoonten van de Joden zoveel mogelijk moest verschonen en het was ook deze landvoogd dadelijk bij het aanvaarden van zijn ambt duidelijk geworden, dat hij die regel moest volgen (Jos. de bello Jud. II 9, 2 v. ). Pilatus dan ging tot hen uit op het voorplein van het rechthuis om hun rechtszaak te vernemen en zei: Welke beschuldiging brengt u tegen deze mens, omdat het de gewoonte van de Romeinen niet is een mens zonder meer te laten doden, zoals u van mij begeert (Hand. 25: 15).
Zij gaven nu voor, dat het alleen te doen was om een formeel gebruik van zijn waardigheid als rechter, maar dat hij in de zaak zelf op hun gerechtigheid kon vertrouwen, dat zij niet zonder reden het vonnis van de dood over Jezuszouden spreken. Zo antwoordden en zeiden zij; tot hem: Als deze geen kwaaddoener was, dan zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben ter bevestiging van het door ons gevelde vonnis (vgl. bij MATTHEUS. 27: 11).
Pilatus dan zei tot hen: Neemt u Hem en oordeelt Hem naar uw wet, omdat ik toch, zoals u beweert, geen onderzoek hoef te doen en u de verantwoording voor Zijn straf op u kunt nemen (Hoofdstuk 19: 6). De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd, sinds deRomeinen het recht van een doodstraf ten uitvoer te brengen, aan zich hebben getrokken, iemand te doden; wij hebben daarom uw bevestiging nodig van ons vonnis, dat de dood eist.
Hier komt nu te voorschijn wat in hun hart was en wat zij meenden dat Pilatus stilzwijgend begrijpen en ten uitvoer brengen zou. Zij hadden wel macht om kerkelijke straffen uit te oefenen, om uit de synagoge te werpen, in de kerkelijke ban te doen, ja om in de synagoge de hen ongehoorzamen te laten geselen (zoals zij later de apostelen deden), maar het halsrecht hadden zij niet. Zij konden wel een doodvonnis uitspreken, maar het niet ten uitvoer leggen. Het zwaardrecht was hun in dit ogenblik ontnomen. Uit de latere nauwkeurige onderzoekingen van bevoegde mannen weten wij, dat zij dit recht nog tien jaren vroeger en ook weer twee jaren later (zodat Herodes Jakobus met het zwaard kon laten doden) bezaten, maar in die tussentijd werd het hen ontnomen en dus bezaten zij het op dat ogenblik niet. U ziet hieruit Gods voorzienigheid, die altijd voor haar raadslagen de juiste tijden en gelegenheden kiest. Als de bedding gereed is dan laat God de stromen van de bergen vloeien. Hadden de Joodse overheden op dat ogenblik het halsrecht gehad, zij zouden wellicht niet aan het kruishout gedacht hebben en de terdoodbrenging van Jezus niet hebben laten afhangen van de luimen van Pilatus, of van die van het volk, want zij zouden het zekere voor het onzekere hebben genomen en Jezus hebben laten stenigen of dood en met het zwaard. Maar nu moest de Heere staan zoals Hij stond, niet alleen voor het kerkelijke, maar ook voor het wereldlijke gerecht; niet alleen voor de oversten van Zijn volk, maar ook voor de heidense rechter en werd hij op heidense manier gedood.
Het was zeker een bijzondere bestiering van God, waarop de Joden hiermee wezen, dat de toenmalige omstandigheden zo waren, dat de Hoge raad zelf geen vonnis van de dood mocht volvoeren, opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij in Hoofdstuk 12: 32 (vgl. 8: 28; 3: 14) gezegd had, dat betekende welke dood Hij sterven zou, namelijk de dood aan het kruis (Hoofdstuk 12: 33). Dat toch zou alleen door een veroordeling van de kant van de Romeinse landvoogd plaats hebben, terwijl de Joodse veroordeling tot de dood van de steniging zou hebben veroordeeld (Hand. 7: 56 vv. MATTHEUS. 26: 65 v. Lev. 24: 13 vv. ).
De Joden brachten vervolgens de aanklacht in: Wij hebben bevonden dat deze het volk misleidt en verbiedt de keizer schattingen te geven, omdat Hij zegt dat Hij zelf Christus, de Koning, is (Luk. 23: 2). Pilatus dan ging, geleid door enige afgevaardigden, die hij van de kant van de aanklagers liet stellen weer in het rechthuis en riep Jezus, dat Hij tot zijn rechterstoel naderen zou en zei tot Hem, toen Hij nu tegenover hem stond: Bent Gij de Koning van de Joden? (MATTHEUS. 27: 11. Mark. 15: 2. Luk. 23: 3).
Nadat Johannes in de vorige verzen de zaak heeft geleid tot het punt, dat de aanklacht moest worden uitgesproken, deelt hij ze toch niet mee; daarmee wijst hij zo goed als uitdrukkelijk naar de andere evangelisten; het is Lukas, die de woorden van aanklacht meedeelt.
Lukas heeft het eerste gedeelte van de beschuldiging, die bij Johannes voorkomt, weggelaten en hij vangt zijn verhaal op het ogenblik aan, dat de Joden, niet langer rechters zoals zij meenden te zijn, maar gewone aanklagers geworden, Pilatus in zijn waardigheid als rechter erkennen.
Pilatus ziet snel, toen de Joden de aanklacht laten horen, dat deze een zaak van het geloof, of, zoals hij zou kunnen menen, van het bijgeloof was: op dat gebied had hij zich nooit gewaagd. Gevormd, zoals de aanzienlijke Romeinen van die tijd daar waren, was hij in staatsdienst getreden en had dat voor een middel gehouden om tot eer en rijkdom te komen; ook als landvoogd van Judea had hij die bedoelingen nagejaagd. Nu komt hij opeens met de zaak van Jezus in aanraking, zijn ambt is het, dat hem daarmee samenbrengt. Hij wil die eerst als een wereldlijke zaak ten einde brengen, maar het lukt hem niet, zoals wij zullen zien. Hij wordt steeds meer en meer in de zaak ingewikkeld en moet een bepaalde verhouding tot deze innemen. Velen onder ons zijn aan Pilatus gelijk. Zij zijn wel Christenen door doop, onderwijs, belijdenis en avondmaal, maar het is hun vrij wel gelukt de Christen uit te trekken en de heiden in zich te herstellen. Dat onzichtbaar gebied van de betrekking van de mensen tot God ligt voor hen op een onmetelijke afstand; om de kerk en om de leer, die deze predikt, bekommeren zij zich niet. Er mogen dwaze mensen zijn, die deze leer aangrijpen, er mogen nog grotere dwazen zijn, die haar verdedigen – zij hopen noch met deze, noch met de andere in aanraking te komen. Hun wens en hun doel hebben zij in de zichtbare wereld: de aangelegenheden van het recht en van de staat, van kunst en van wetenschap, van geldelijke zaken en van arbeid, dat is het gebied, waarop zij zich bewegen en verder dan dit willen zij niet komen. Maar zoals Pilatus in die tijd Christus niet kon ontwijken, hoeveel minder zal dit aan een mens van die aard gelukken in de tegenwoordige Christelijke wereld! De tijd van de feesten is gekomen, de Christenen vieren heden het heilig avondmaal; en het afwijken van deze gewoonte is dat niet reeds een belijdenis, die hij tegen Christus aflegt? Hij treedt in het huwelijk; zij, waarmee hij zich verbindt, is een gelovige Christin. Hoe kan het anders of zij vraagt van hem een verklaring, of hij met haar overeenstemt of niet? Zijn kinderen worden ingezegend; zij vieren hun eerste avondmaal: wat zal de vader doen? Zal hij ze ook vermanen tot geloof in Christus of zal hij zwijgen? Zal hij ze geleiden naar de tafel van de Heere, of zal hij ze terughouden? Zijn gade, zijn kinderen sterven, hijzelf is de dood nabij; zal hij de vertroostingen van het geloof vragen of afwijzen? Hier kan hij niet meer als Pilatus zeggen: “Ben ik een Jood? ben ik een godgeleerde? Ik laat de beslissing over aan hen, die ertoe geroepen zijn” – nee! hij moet zelf beslissen, ieder Christen wordt geroepen over Jezus een oordeel te vellen. Christus en Pilatus, “die niet voor Mij is, die is tegen Mij” (MATTHEUS. 12: 30). – Wij zien, 1) hoe Pilatus onbeslist bleef, hoewel hij toch redenen genoeg moest hebben, om voor Christus te beslissen; 2) hoe hij begint zich tegen Christus te verklaren; 3) hoe hij besluit Christus te veroordelen.
De Messias zou de Zoon van David zijn en daarmee de wettige erfgenaam van Davids troon. De overpriesters hadden gezegd, dat Jezus Zich die rang en titel aanmatigde en als een valse Messias zich een aanhang had proberen te verkrijgen door het oproer aan te zetten. Dat de stadhouder van de machtige Romeinse keizer de vraag: Bent Gij de koning van de Joden? enigszins schertsend, althans met een glimlach, aan de Heere gedaan zal hebben, is meer dan waarschijnlijk, ook door de minachting, waarmee het grote volk (het Romeinse) op de volken en vooral op de Joden neerzag. De toestand van gevangen man, waarin de Heere verkeerde en vooral Zijn eenvoudige kleding en voorkomen waren daarbij in zo grote tegenspraak met de denkbeelden, die Pilatus zich van het koningschap vormde, dat hij zo’n aanmatiging, als zij bij Jezus bestond, niet genoeg met kortswijl meende te kunnen behandelen.
Jezus was, toen de Joden daar buiten voor het rechthuis hun beschuldigingen uitspraken, niet mee daar buiten, maar reeds binnen in het rechthuis en moest dus voor alle dingen weten, in welke samenhang en in welke zin de landvoogd devraag tot Hem richtte. Hij antwoordde hem daarom met de vraag: Zegt gij dit van uzelf, uit eigen opvatting en uit belang van de Romeinse opperheerschappij over het land? Heeft Mijn handelen en leven u wellicht reden gegeven, om mij te verdenken als was Ik een staatkundig oproermaker? Of hebben het u anderen van Mij gezegd, dat Ik naar koninklijke heerschappij zoek en tot zo’n doel het volk oprui? In datgeval zou de aanklacht zelf iets zijn, dat u verdacht moet voorkomen.
Pilatus voelde wel de juistheid van hetgeen Jezus antwoordde, maar was enigszins ontstemd over de vrijmoedigheid van Zijn woord. Hij antwoordde: Ben ik een Jood, dat ik mij tot hiertoe om U zou hebben bekommerd, om nu aanleiding te hebben in eigenbelang die vraag tot U te richten? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd als een misdadiger, die de doodstraf heeft verdiend en ik doe slechts wat mijn ambt van mij eist, als ik Uw zaak onderzoek. Wat heeft Gij gedaan; want er moet toch iets zijn, waarom men zo het Romeinse gericht tegen U inroept?
Zoals Jezus reeds door de Joodse Hoge raad veroordeeld was, zo moest Hij, volgens het raadsbesluit van God, nu ook door de heidense overheid worden veroordeeld, maar niet ten gevolge van een aanklacht, die aan de veroordeling enige schijn van recht zou hebben kunnen geven. Jezus maakt daarom door Zijn wedervraag Pilatus er opmerkzaam op, vanwaar hij deze beschuldiging had, dat hij namelijk niet van zichzelf eraan zou gedacht hebben, die tegen Jezus uit te spreken, maar dat hij die van de Joden had en die hem dus om deze reden al meteen verdacht moest zijn.
De misdaad, waarvan Jezus beschuldigd werd, was van zo’n aard, dat, als Hij in die zin d. i. op oproerige manier, Zich tot een koning der Joden zou hebben opgeworpen, Pilatus noodzakelijk zelf daarvan zou hebben moeten bemerken en kennis moeten nemen en niet eerst op een aanklacht van de Joden had hoeven te wachten. Dat hij dit verwijt eerst van de Joden hoort, heeft dezelfde betekenis, als dat het zonder grond en gelogen is. Jezus vraagt dus met Zijn woord in vs. 34 de landvoogd, of hij als overheid van het land zelf geen gelegenheid had gehad om Hem als werelds pretendent naar de kroon te leren kennen, of dat bij slechts van anderen, de synedristen, die Hem aanklaagden, daarvan had gehoord.
Was Jezus de koning van de Joden in die zin, als de aanklacht dat had beweerd, dan moest Pilatus zelf Hem als zodanig hebben leren kennen; oproerige pogingen konden hem niet onbekend blijven. Zo hij echter moest toegeven, dat van zodanig iets niets ter zijner kennis was gekomen, kon hij, die de aanklagers kende, geen beslissende betekenis aan hun bewering toekennen, maar moest hij de zaak onafhankelijk van hen onderzoeken en vooral aan Jezus’ eigen verklaring een toegenegen oor lenen, Pilatus bekent dan ook met hetgeen hij antwoordt, dat hij van Jezus niets wist, dat de zaak zich tot hiertoe speciaal op Joods gebied had bewogen, dat niets tegen Hem was in te brengen dan de aanklacht van de Joden; daar hij er verre van was aan deze zonder meer een beslissende betekenis toe te kennen, vroeg hij aan Hemzelf wat Hij gedaan had. Het antwoord van Jezus heeft dus zijn doel getroffen; het moest alleen dienen om Pilatus’ geweten wakker te maken, het moest in hem wantrouwen opwekken tegen de aanklacht van de Joden.
Uit dit woord moet men afleiden, dat Jezus de beschuldiging van de volkshoofden niet zelf gehoord had en Zich daarom reeds in het rechthuis bevond, toen zij in het midden gebracht werd.
Nu Pilatus duidelijk te kennen had gegeven dat hij de stand van zaken juist beoordeelde en bij hem geen misverstand te vrezen was, gaf Jezus een toestemmende verklaring ten opzichte van de tot Hem gerichte vraag, zoals die in MATTHEUS. 27: 11. Mark. 15: 2. Luk. 23: 3 gevonden wordt. Hij antwoordde: a)Mijn koninkrijk is naar oorsprong en aard niet van deze wereld; zodat Ik iets zou hebben gedaan wat de Joden tot hun beschuldiging recht zou geven; de toedracht van de zaken geeft daarvan ook duidelijke bewijzen. Als Mijn koninkrijk van deze wereld was, dan zouden Mijn dienaren, die Ik in Mijn discipelen en aanhangers bezit (Hoofdstuk 12: 26) gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden was overgeleverd, zoals door u zal plaats hebben (Hoofdstuk 19: 16). Maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier en daarom heb Ikdadelijk de eerste poging van die aard teruggehouden en zo sta Ik hier voor u als een, voor wie geen zwaard wordt gewet en geen arm ter bevrijding zich beweegt.
Joh. 6: 15. 1 Tim. 6: 18.
Het koningschap van de Heere was een Goddelijk Koningschap, waarin van geen aardse middelen gebruik kon worden gemaakt. Daarvoor waren geen gewapende lieden nodig, maar eenvoudig een twaalftal discipelen. Niet door kracht en geweld moest het Koninkrijk van de Heere tot stand komen, maar enkel door de Heilige Geest. Daarom had de Heere Zichzelf ook nooit voor het volk zo open verklaard een koning te zijn, als Hij het nu voor Pilatus doet. Hij wilde geen voet geven aan het misverstand van het volk, dat Hem, reeds zonder dat, tot een aards koning wilde maken. Bij de Zoon van God moest alles alleen en uitsluitend langs Goddelijke wegen gaan en zo moet het ook bij ons gaan, als wij kinderen van God zijn, alleen langs de wegen van God komt men tot het doel van God.
Pilatus dan zei tot Hem met bevreemding aan de ene en inspanning aan de andere kant: Bent Gij dan een Koning? Hoe kunt Gij van een rijk spreken, dat het Uwe is en van dienaars, die U aanhangen, wanneer Gij er geen op aarde zoekt en Gij geen strijders in de krijg voert, die het voor U kunnen veroveren? Jezus antwoordde: Gij heeft Mijn mening juist begrepen en het doel waarop Mijn gezegde ziet, juist begrepen (MATTHEUS. 26: 25, 64) wanneer gij zegt dat Ik een koning ben. Om het u nader aan te wijzen op welk gebied Mijn rijk gelegen is: hiertoe ben Ik als een mens geboren en hiertoe ben Ik van boven in de wereld gekomen (Hoofdstuk 16: 28), opdat Ik van de waarheid, die Ik bij God gehoord en gezien heb (Joh. 3: 32) getuigenis geven zou (Hoofdstuk 1: 17 v. ). Een ieder, die uit de waarheid is, die verlangen naar haar in het hart draagt en daarom ook vatbaarheid voor haar heeft (Hoofdstuk 8: 47), hoort Mijn stem, neemt Mijn getuigenis in geloof aan en wordt zo ook een van Mijn dienaren (Hoofdstuk 10: 27 v. ).
“Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd”, deze moeten dus weten, hoe het met U gesteld is, terwijl ik van mijn kant geen reden had om mij om uw handelwijze tot heden te bekommeren; zij zullen echter wel reden hebben tot hun stap, “Zeg dus, wat heeft Gij gedaan?” Zo gedrongen kon en wilde Jezus het antwoord niet weigeren, dat door de landvoogd niet zonder voldoende aanleiding werd geëist, (anders was de zaak in Hoofdstuk 19: 9): Hij betuigde nu onder Pontius Pilatus de goede belijdenis, waarvan Paulus (1 Tim. 6: 13) schrijft.
Drie keer zegt de Heere: “Mijn Koninkrijk” en drie keer ontkent Hij het “van deze wereld”. Dat zijn dus de twee punten, waarop Hij Pilatus wil opmerkzaam maken, een positieve en een negatieve uitspraak. Hij heeft een rijk, dat is het eerste; maar Zijn rijk is volgens oorsprong en aard geheel anders dan de overige rijken, dat is het tweede.
De Heere belijdt ten eerste, dat Hij een rijk heeft, maar gaat tot geruststelling van Pilatus er dadelijk toe over, om de negatieve bepaling van Zijn rijk aan te wijzen. Het is niet van deze wereld wat het principe aangaat, het maakt daarom ook geen aanspraken op deze wereld in zijn streven en komt met het bestaande wereldrijk van de Romeinen volgens zijn karakter in geen strijd. Als het van deze wereld was, zou Ik ook naar de wijze van de wereldrijken krijgslieden hebben; nu heb ik wel dienaren, maar zij zijn ook niet van deze wereld (Hoofdstuk 17: 16) en daarom doet geen van hen de minste poging tot Mijn bevrijding. Daarin ligt voor Pilatus, die de aard van het oproer wel kende, het duidelijkste bewijs voor Jezus’ onschuld.
Van de waarheid getuigenis geven, is niet de waarheid onderzoeken, bewijzen, maar met volkomen en onbetwistbaar gezag te kennen geven wat waarheid is.
Wat bedoelt de Heere met deze woorden? Ik ben de Koning van de waarheid, zoals velen de Heere noemen? Zeker niet; want de waarheid heeft geen koning boven zich. Wij kunnen wel in oneigenlijke zin spreken van een rijk van de waarheid en van de schoonheid en van een koning en koningin in deze rijken, maar de Schrift moet op deze manier niet uitgelegd worden. God is de waarheid en Christus is ook de waarheid, omdat Hij God is. De Heere zegt ermee: Ik ben de ware Koning, een Goddelijk koning. Hij spreekt van de aard van zijn Koningschap, in deze wereld. Hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de Waarheid getuigenis geven zou. Welke waarheid? Gods raad, Gods wil, God zelf in Zijn heiligheid en in Zijn liefde: God, zoals Hij waarlijk, eeuwig en onveranderlijk is, God als Vader in de Zoon door de Heilige Geest. Op welke manier geschiedde dit getuigenis door Jezus? Door de waarheid te prediken, door alles te spreken wat de Vader Hem in het hart gegeven had en – alles te lijden wat de Vader Hem had opgelegd.
Pilatus zei tot Hem, zeker met de weemoedige uitdrukking van inwendige troosteloosheid, die evenwel weer snel door een zekere hoon werd bedekt: Wat is waarheid! Immers niets dan een fantoom, niets dan een hersenschim! En toen hij dat gezegd had, ging hij, van Jezus zich zo snel mogelijkafkerende, weer uit tot de Joden voor het rechthuis en zei tot hen: Ik vind geen schuld in Hem, zodat ik reden zou hebben in uw veroordelend vonnis (vs. 30 v. ) in te stemmen.
Uit het antwoord van de Heere blijkt, dat deze vraag enigszins uit spotternij werd gedaan. Pilatus voelde iets van de indruk, door de goddelijke hoogheid en waardigheid van Jezus teweeg gebracht en dit te meer, naarmate hij de Joden, die Hem beschuldigden, dieper verachtte en op allerlei manier zijn versmading betoonde. Maar het ongeloof had te diepe wortel in Zijn hart geschoten en zijn goede wil was tezeer weifelend, dan dat hij de stem van de waarheid, die ook hem nu riep, gevolgd zou zijn.
Hij bemerkt wel bij het woord van Christus: “die uit de waarheid is, hoort Mijn stem. ” een als Felix in Hand. 24: 25, dat hier zijn hart wordt bestormd; maar hij wil niet volgen, waar hij licht op een punt zou kunnen worden gebracht, waar hij met zijn lievelingswensen zou moeten breken. Daarom breekt hij liever het gesprek met Jezus af door de daarheen geworpen vraag: “Wat is waarheid”, als wilde Hij zeggen: “Bij het spreken over de waarheid komt men niet verder; men kan daarover veel denken, maar men kan niet tot zekerheid komen – zoveel hoofden, zoveel zinnen. ” Zonder twijfel heeft Hij die drie woorden gesproken met een zekere weemoed, die getuigde van een bewustzijn, dat hij vragen moest als een, die onder de zonde verkocht was, dat het anders met hem moest zijn. Die drie woorden waren echter ook voor hem noodlottig; met deze stootte hij de waarheid van zich, die zo vriendelijk nodigend tot hem kwam, maar hij gedroeg zich afstotend jegens haar. Kan hij nu evenwel zich niet onttrekken aan een diepe inwendige hoogachting voor haar bezitter en deed hij, die overigens een ongerechtigheid meer of minder niet telde, verder alle moeite om Jezus te redden, zo bleek daaruit, dat het “uit de waarheid zijn”, waarvan de Heere sprak, zo heel ver niet van hem af, dat Hij hoger stond dan Herodes en Kajafas. Dat hij in enige betrekking tot de waarheid moest staan blijkt daaruit, dat Jezus Zich zozeer met hem inliet. Herodes beantwoordde de Heere in het geheel niet, Kajafas antwoordde Hij bij het eerste verhoor in de zalen van Annas afwijzend en ook voor de Hoge raad zwijgt Hij in het begin, terwijl het antwoord, dat Hij ten slotte op de bezwering van de hogepriester geeft, duidelijk bestemd is voor allen – Pilatus is de enige, die Hij eigenlijk te woord staat.
Pilatus vraagt: quid est veritas? Wat is waarheid? in dezelfde letters ligt ook het antwoord -(Hoofdstuk 14: 6): est vir qui adest – het is de man, die voor u staat.
Moest Pilatus niet een Koning van de waarheid, een getuige, wiens bezitting de waarheid is, begeren te zien te midden van het vergeefse zoeken van het heidendom naar het ware goed? Christus grijpt hem, waar hij te grijpen is, omdat hij aan zijn erkenning aanbiedt, wat vele heidenen verlangden te leren kennen: de waarheid. Tot een Jood had Hij misschien gezegd: “de zaligheid. ” Voor Pilatus maakt Hij de zaligheid begeerlijk als de waarheid. Zo staat dan voor Pilatus Hij, wiens koninklijk ambt het is het verlangen van van het mensenhart naar waarheid te bevredigen. Maar had Pilatus zo’n verlangen? Droeg hij het verlangen in zich om, om een duidelijke kennis te verkrijgen omtrent het eeuwig lot van zijn onsterfelijke ziel? Ontwaarde hij een drang tot de vraag aan de Koning van de waarheid: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” De Heere ziet hem aan, als vroeg Hij hem: “Pilatus, verlangt u naar de waarheid?” en Hij zegt: “Die uit de waarheid is, hoort Mijn stem; ” maar wat doet hij? Hij antwoordt: “Wat is waarheid?” Vraagt hij zo, vraagt hij Christus en begeert hij een antwoord van Hem? Nee, hij verwacht geen antwoord; zijn woord is geen vraag, maar een uitroep; het komt niet voort uit de begeerte om de waarheid te kennen, maar uit de twijfel of er wel waarheid is. Het geheime zuchten in de diepte van zijn ziel naar een zeker steunpunt en een eeuwige troost had hij tot zwijgen gebracht, doordat hij de belijdenis van een van zijn heidense tijdgenoten tot de zijne had gemaakt: “Alleen dit is zeker, dat er niets zeker is.”
Het was een ontkenning, die het diepste en donkerste van zijn wezen uitsprak, die nog zo veel en sterker ontkende, naarmate zij met dieper en sterker gevoel bij wijze van een uitroep werd uitgesproken. Omdat echter het besliste verwerpen van alle waarheid zo verschrikkelijk is, omdat het als het ware even zoveel is, alsof een mens, als het mogelijk was, zichzelf geestelijk vernietigde, zo kan geen mens deze vreselijkste aller ontkenningen openlijk uitspreken. Het is, alsof de natuur hem dwong die zoveel mogelijk door een euphemie te verbergen, de verschrikkelijke klank door iets welluidends te verzachten en het zo ten minste vragenderwijze uit te spreken, d. i. zo, dat die het hoort in twijfel is, of die vraag moet betekenen: “Nee, er is geen waarheid!” of “O, dat er een waarheid zou zijn!”
Jezus verovert de wereld door Zijn getuigenis aangaande de wereld en Zijn volk bestaat uit alle mensen, die zin voor waarheid hebben. Deze manier van verovering, die Hij hier voor Pilatus schildert, was tegenovergesteld aan die, waardoor de Romeinse macht was ontstaan. Zoals Hoofdstuk 12: 25 de Griekse beschaving veroordeelde, zo is deze verklaring van Jezus aan Pilatus het vonnis, dat het evangelie over de Romeinse geest uitspreekt.
Maar ik wil u gelegenheid geven om met eer van de zaak af te komen, waarbij mijn beslissing zo geheel anders luidt dan de mening van de Hoge raad. U heeft een gewoonte, dat ik u op het Pascha een gevangene loslaat. Wilt u dan dat ik u de koning van de Joden, aan wie u toch zoveel moet gelegen zijn, loslaat? Ik verklaar mij graag daartoe bereid.
De voorslag geschiedde met slim overleg en getuigt van de staatkundige schranderheid van Pilatus; want hij ontnam op deze manier de zaak van Jezus aan de Joodse raad en bracht ze voor de rechtbank van het volk, wetend dat de oversten Jezus uit nijd hadden overgeleverd en vast vertrouwende, dat de menigte Zijn loslating zou begeren, in welk geval de Joodse raad noch op hem vertoornd zou kunnen zijn, noch tegen de keus van het volk zich zou kunnen verzetten. Hij hoopte zo Jezus en zichzelf te redden. En opdat zijn plan te zekerder mocht lukken, stelde hij Jezus als de koning van de Joden aan de menigte voor en plaatste hij tegenover Hem een befaamde booswicht, Barrabas genaamd, zoals wij uit het verhaal van de andere Evangelisten en uit vs. 40 bij Johannes vernemen. En toch handelde hij verkeerd en onvoorzichtig: verkeerd, omdat hij Hem, Wie hij zelf onschuldig had verklaard, niet met de schuldige gelijk mocht stellen, noch zijn lot in de handen van het volk overgeven en onvoorzichtig, omdat het mogelijk was, hoe onwaarschijnlijk het ook wezen mocht, dat de menigte Barrabas boven Jezus verkoos. Het laatste gebeurde.
Zij dan riepen allen weer, zowel de oversten als de grote volkshoop, die zich nu voor het rechthuis had vergaderd, zeggende: Niet dezen willen wij vrij hebben, maar Barabbas, de andere gevangene, die u ons tegelijk in dekeuze geeft (vgl. MATTHEUS. 27: 15-21). En Barabbas was een moordenaar.
In dit bericht van Johannes worden vele duidelijke tekenen gevonden, dat de evangelist de kennis van het verloop in de bijzonderheden en in de omstandigheden, die hij voorbijgaat, veronderstelt en slechts kort wil samenvatten wat in de overige evangeliën reeds is meegedeeld, om bepaalde punten voor ogen te stellen. Ten eerste kon Pilatus zelf niet tot de overpriesters en oudsten zeggen: “Wilt u, dat ik u de Koning van de Joden loslaat?” Deze toch hadden Hem juist, omdat Hij Zich voor de Christus, de Koning van de Joden verklaarde, als de dood schuldig aangeklaagd. Hij zou ze dus met zo’n vraag slechts bespot hebben en zichzelf de weg hebben versperd voor een werkelijke loslating, die toch in zijn bedoeling lag. Hij heeft echter bij die aanbieding veel meer het volk op het oog, dat van een andere mening dan zijn oversten zijn zou, zoals hij veronderstelde, dat zich zijn Messias wel niet zou laten ontnemen (vgl. de uitlegging bij MATTHEUS. 27: 18) en – dit blijkt duidelijk uit zijn gehele houding in deze zaak – hij is overtuigd, dat Jezus werkelijk de Koning van de Joden is, de Messias, waarop zij hopen, ja waarom hij ze bijna zou benijden. Daarom wil hij, zoveel in Hem is, aan de stem van het volk het overwicht verschaffen boven de wil van de oversten en het bewaren, dat het zich niet misschien vergrijpt aan zijn edelste kleinood. Ten tweede is noch voor het “riepen” noch voor “allen” in het begin van het 40e vers: “Zij dan riepen allen weer, zeggende enz. ” bij Johannes zelf in het voorgaande enige aansluiting, omdat toch onmogelijk de overpriesters en oudsten hun woorden in vs. 30 en 31 in een wild geschreeuw (dit toch wil het woord naar de grondtekst te kennen geven) aan de stadhouder zullen hebben voorgedragen en omdat, zoals vanzelf sprak, zij onder elkaar het erover eens waren, dat Jezus ter dood moest worden gebracht. Beide woorden wijzen dus beslist op een volkshoop, die intussen er bij gekomen is, die zijn stem met die van de oversten verenigt. Deze voelen, dat wat zij willen nu ook van invloed is en zelfs de landvoogd hen dat niet kan weigeren, waarom zij hun keus op brullende manier uitdrukken. En eindelijk heeft ten derde de beslissing: “Niet deze, maar Barabbas”, die onvoorwaardelijk veronderstelt dat twee van hen aan het volk ter keuze zijn voorgesteld, bij Johannes in het tot hiertoe verhaalde geen aanleiding; het kan alleen verklaard worden uit hetgeen de drie evangelisten op de boven aangehaalde plaatsen voorstellen. Duidelijk is op te merken, dat de aanleiding duidelijk die is, die in MATTHEUS. 27: 21 en Luk. 23: 18 vv. gevonden wordt. Terwijl Johannes aan het begin van vs. 39 evenals de Synoptici, de gewoonte om een gevangene los te laten, aan het Paasfeest verbindt, weerlegt hij zeer bepaald de mening van vele uitleggers, in vs. 28 meegedeeld, als viel bij hem de dag van Jezus veroordeling en ter doodbrenging op de dag van het paaslam of de 14 Nisan. Was dat werkelijk het geval, dan zou de landvoogd niet kunnen spreken van de gewoonte “op het Pascha” een gevangene los te laten, want Pascha begon pas met de avond van 14 Nisan (Lev. 23: 5). Nu waren het echter nog de morgenuren van deze dag. Wanneer men daartegen wil zeggen, dat het toch zeer goed mogelijk was dat Pilatus de zaak geanticipeerd zou hebben, of dat de loslating volgens gewoonte op de morgen van 14 Nisan zou hebben plaats gehad, om deze dag als gedenkdag van Israëls verlossing uit Egypte op karakteristieke manier voor te stellen dan komt dat laatste niet uit, want het tijdstip voor Israël’s verlossing is de morgen van de 15de Nisan, zoals uit Ex. 15: 1 vv. blijkt, zodat de loslating van een gevangene dus in elk geval op deze morgen moest plaats hebben. Het eerste is zeker een gewaagde gissing, die reeds daartegen schipbreuk lijdt, dat voor zo’n anticitapie van de landvoogd toch eerst de volksmenigte bij elkaar had moeten worden geroepen, waartoe hij volstrekt geen tijd had; hij zou bovendien daardoor de gehele zaak van het begin aan door schending van de vorm van kracht hebben beroofd. Evenals Johannes in Hoofdstuk 11: 35 en 18: 30 door een korte zin een bijzonder plechtig ogenblik in het licht stelde, zo doet hij het ook met de slotwoorden van het 40e vers: “Barabbas was een moordenaar”, alsof hij wilde zeggen: dat was dan de keuze van het volk!
Ziedaar de volle gelijkstelling van Jezus met Barrabas, nee, de in de plaats stelling van Jezus voor Barrabas door het volk. Barrabas was een moordenaar en ter kruisdood gedoemd. Jezus was onschuldig en had vrij moeten uitgaan; maar het volk eiste een ruiling, die het toppunt van ongerechtigheid was bij het volk en – het geheim van de verlossing. Niet altijd kennen wij de algenoegzame reden van Gods bestuur en toelating; maar van het lijden en sterven van de Heere kennen wij die volkomen, God heeft ze ons geopenbaard in Zijn woord. In Christus moest de onschuldige lijden en sterven en wel de dood van het kruis, de vloek van de zondaar, om de schuldige van die vloekdood te ontheffen en hem vrij te laten uitgaan. De afspiegeling van deze boven alles heerlijke, maar daarom ook zaligmakende waarheid wordt gezien in de in de plaatsstelling van Jezus voor Barrabas en dus ook wederkerig van Barrabas voor Jezus, want God laat al Zijn eeuwige gedachten zich belichamen in de tijd en bovenal Zijn gedachten van de vrede, in het lijden en sterven van Zijn Zoon. En juist dit is de heerlijkheid van deze zaak, dat hetgeen de hoogste willekeur en de ergste gruwel is bij de mens, door Gods oneindige raad gesteld werd tot het hoogste blijk van Zijn liefde, Zijn genade jegens zondaren. Er was geen redding voor de mens mogelijk door de mens zelf. Geen zondaar kan zichzelf weer heilig maken; geen gestorvene door zijn zonde kan zichzelf weer uit de dood opwekken om voor God te leven. Zal de zondaar dus gered worden, dan moet hij door God gered worden. Hoe? Ja, wie zou het hebben kunnen zeggen als God zelf het ons niet gezegd had. Wie kon weten wat God doen kon? Daarom is het een goddeloze vermetelheid te beweren, dat wonderen onmogelijk zijn. Maar nu heeft God het ons gezegd. Hij heeft Zijn eigen Zoon, het hoogste dat de Allerhoogste te geven had, niet gespaard, maar Hem, de Geliefde, overgegeven voor ons schuldigen en veroordeelden, opdat Hij sterven zou met en voor ons en wij leven zouden met en voor Hem. Hij stierf met ons in onze zonden, opdat wij met Hem zouden leven in Zijn gerechtigheid. Hij, de Heilige, werd tot zonde gemaakt, Hij, de Gezegende, werd tot een vloek gesteld. Toen de schuld van ons werd geëist, kwam de straf op Hem. En Hij liet dat alles gewillig en vrijwillig aan Zich gebeuren in Zijn volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader en Zijn volmaakte liefde jegens de gevallen mens en zo heeft Hij Zich zelf aan God onstraffelijk geofferd door de eeuwige Geest, zodat het bloed van Christus ons geweten volkomen reinigt van dode werken, om de levende God te dienen (Hebr. 9: 14). Heerlijke in de plaats stelling! Als wij geloven, als wij het getuigenis van God, dat Hij van Zijn Zoon getuigt, aannemen, dan hangt Christus aan het kruis in onze plaats en wij gaan vrij uit. Heerlijke goddelijke ruiling! Enig denkbare weg van behoudenis voor verlorene zondaren; want als wijzelf onze schuld moeten betalen, blijven wij eeuwig schuldenaar, eeuwig de dood onderworpen. Maar als de allerhoogste Rechter zelf onze schuld tot de allerlaatste kwadrantpenning toe betaalt aan Zichzelf in Zijn Zoon, door Diens menswording, leven, lijden en sterven als mens – dan is de mens ontslagen van de vloek van de wet, bevrijd van de verdoemende kracht van de zonde, verlost van de dodende kracht van de dood en Zijn sterven is enkel het sterven van de zonde, waarin hij is en die in hem is om in God, met God en voor God te leven in eeuwigheid.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel