Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Maar JobH347 antwoorddeH6030 en zeideH559:
Maar Job antwoordde en zeide:
KJV
But Job2
answered1
and said,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
OchH3863, of mijn verdrietH3708 rechtH8254 gewogenH8254 wierd, en men mijn ellendeH1942 samenH3162 in een weegschaalH3976 ophiefH5375!
Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
KJV
Oh that1
my grief4
were throughly2
weighed,3
and my calamity5
laid7
in the balances6
together!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 het zou nu zwaarderH3513 zijn danH6258 het zandH2344 der zeeenH3220; daaromH3651 worden mijn woordenH1697 opgezwolgenH3886.
Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.
KJV
For now it would be heavier5
than the sand3
of the sea:4
therefore my words8
are swallowed up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantH3588 de pijlenH2671 des AlmachtigenH7706 zijn in mij, welker vurig venijnH2534 mijn geestH7307 uitdrinktH8354; de verschrikkingenH1161 GodsH433 rustenH6186 zich tegen mij.
Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
KJV
For the arrows2
of the Almighty3
are within4
me, the poison6
whereof drinketh up7
my spirit:8
the terrors9
of God10
do set themselves in array
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
RocheltH5101 ook de woudezelH6501 bijH5921 het jonge grasH1877? LoeitH1600 de osH7794 bijH5921 zijn voederH1098?
Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?
KJV
Doth the wild ass2
bray1
when he hath grass?4
or loweth6
the ox7
over his fodder?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Wordt ook het onsmakelijkeH8602 gegetenH398 zonder zoutH4417? Is er smaakH2940 in het witteH7388 des dooiersH2495?
Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?
KJV
Can that which is unsavoury2
be eaten1
without salt?4
or is there6
any taste7
in the white8
of an egg?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Mijn zielH5315 weigertH3985 uw woorden aan te roerenH5060; dieH1992 zijn als mijn laffeH1741 spijzeH3899.
Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.
KJV
The things that my soul3
refused1
to touch2
are as my sorrowful5
meat.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
OchH4310, of mijn begeerteH7596 kwameH935, en dat GodH433 mijn verwachtingH8615 gaveH5414;
Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
KJV
Oh that I might have3
my request;4
and that God7
would grant2
me the thing that I long for!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En dat het GodeH433 beliefdeH2974, dat Hij mij verbrijzeldeH1792, Zijn handH3027 loslietH5425, en een eindeH1214 met mij maakte!
En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
KJV
Even that it would please1
God2
to destroy3
me; that he would let loose4
his hand,5
and cut me off!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Dat zou nogH5750 mijn troostH5165 zijnH1961, en zou mij verkwikkenH5539 in den weedomH2427, zo Hij nietH3808 spaardeH2550; wantH3588 ik heb de redenenH561 des HeiligenH6918 nietH3808 verborgenH3582 gehouden.
Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
KJV
Then should I yet have comfort;3
yea, I would harden4
myself in sorrow:5
let him not spare;7
for I have not concealed10
the words11
of the Holy One.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WatH4100 is mijn krachtH3581, datH3588 ik hopenH3176 zou? Of welk is mijn eindeH7093, datH3588 ik mijn levenH5315 verlengenH748 zou?
Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?
KJV
What is my strength,2
that I should hope?4
and what is mine end,6
that I should prolong8
my life?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Is mijn krachtH3581 stenenH68 krachtH3581? Is mijn vleesH1320 staalH5153?
Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?
KJV
Is my strength2
the strength4
of stones?3
or is my flesh6
of brass?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Is dan mijn hulpH5833 nietH369 in mij, en is de wijsheidH8454 uitH4480 mij verdrevenH5080?
Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
KJV
Is not my help3
in me? and is wisdom5
driven quite
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Aan hem, die versmoltenH4523 is, zou van zijn vriendH7453 weldadigheidH2617 geschieden; of hij zou de vrezeH3374 des AlmachtigenH7706 verlatenH5800.
Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
KJV
To him that is afflicted1
pity3
should be shewed from his friend;2
but he forsaketh6
the fear4
of the Almighty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Mijn broedersH251 hebben trouwelooslijkH898 gehandeld als een beekH5158; als de stortingH650 der bekenH5158 gaan zij door;
Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;
KJV
My brethren1
have dealt deceitfully2
as a brook,4
and as the stream5
of brooks6
they pass away;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Die verdonkerdH6937 zijn vanH4480 het ijsH7140, en in dewelke de sneeuwH7950 zich verbergtH5956.
Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.
KJV
Which are blackish1
by reason of the ice,3
and wherein the snow6
is hid:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Ten tijdeH6256, als zij van hitte vervlietenH2215, worden zij uitgedelgdH6789; als zij warmH2527 worden, verdwijnenH1846 zij uit haar plaatsH4725.
Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.
KJV
What time1
they wax warm,2
they vanish:3
when it is hot,4
they are consumed out5
of their place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De gangenH734 haars wegsH1870 wendenH3943 zich ter zijde af; zij lopenH5927 op in het woesteH8414, en vergaanH6.
De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.
KJV
The paths2
of their way3
are turned aside;1
they go4
to nothing,5
and perish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De reizigersH734 van ThemaH8485 zienH5027 ze, de wandelaarsH1979 van SchebaH7614 wachtenH6960 op haar.
De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.
KJV
The troops2
of Tema3
looked,1
the companies4
of Sheba5
waited
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Zij worden beschaamdH954, omdatH3588 elkeen vertrouwdeH982; als zij daartoe komenH935, zo worden zij schaamroodH2659.
Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood.
KJV
They were confounded1
because they had hoped;3
they came4
thither, and were ashamed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
VoorwaarH3588, alzo zijt gijlieden mij nuH6258 nietsH3808 geworden; gij hebt gezienH7200 de ontzettingH2866, en gij hebt gevreesdH3372.
Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.
KJV
For now ye are nothing; ye see5
my casting down,6
and are afraid.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Heb ik gezegdH559: BrengtH3051 mij, en geeft geschenkenH7809 voor mij van uw vermogenH3581?
Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?
KJV
Did I say,2
Bring3
unto me? or, Give a reward6
for me of your substance?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Of bevrijdtH4422 mij van de handH3027 des verdrukkersH6862, en verlostH6299 mij van de handH3027 der tirannenH6184?
Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?
KJV
Or, Deliver1
me from the enemy's3
hand?2
or, Redeem6
me from the hand4
of the mighty?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
LeertH3384 mij, en ikH589 zal zwijgenH2790, en geeft mij te verstaanH995, waarin ik gedwaaldH7686 heb.
Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
KJV
Teach1
me, and I will hold my tongue:3
and cause me to understand6
wherein I have erred.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
O, hoeH4100 krachtigH4834 zijn de rechteH3476 redenenH561! Maar wat bestraftH3198 het bestraffenH3198, dat vanH4480 ulieden is?
O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
KJV
How forcible2
are right4
words!3
but what doth your arguing6
reprove?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Zult gij, om te bestraffenH3198, woordenH4405 bedenkenH2803, en zullen de redenenH561 des mismoedigenH2976 voor windH7307 zijn?
Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
KJV
Do ye imagine3
to reprove1
words,2
and the speeches5
of one that is desperate,6
which are as wind?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Ook werptH5307 gij u op een weesH3490; en gij graaftH3738 tegenH5921 uw vriendH7453.
Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.
KJV
Yea, ye overwhelm4
the fatherless,3
and ye dig5
a pit for your friend.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Maar nuH6258, belieftH2974 het u, wendtH6437 u tot mij, en het zal voor ulieder aangezichtH6440 zijn, ofH518 ik liegeH3576.
Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.
KJV
Now therefore be content,2
look3
upon me; for it is evident6
unto you if I lie.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Keert tochH4994 weder, laat er geenH408 onrechtH5766 wezen, ja, keert weder; nogH5750 zal mijn gerechtigheidH6664 daarin zijn.
Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.
KJV
Return,1
I pray you, let it not be iniquity;5
yea, return again,6
my righteousness
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Zou onrechtH5766 op mijn tongH3956 wezen? Zou mijn gehemelteH2441 nietH3808 de ellendenH1942 te verstaanH995 geven?
Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
KJV
Is there1
iniquity3
in my tongue?2
cannot my taste5
discern7
perverse things?
verdriet
Of, mijn ontsteltenis, beroering en ongeduld veroorzaakt door mijn lijden.
Hertaald:
verdriet
Of: mijn ontsteltenis, beroering en ongeduld, veroorzaakt door mijn lijden.
recht gewogen wierd,
Of, nauw, scherpelijk. Hebreeuws, wegende gewogen worde; te weten, met iets dat zeer zwaar is, als het zand aan den oever der zee, waarvan in vs.3 gesproken wordt.
Hertaald:
recht gewogen wierd,
Of: nauwkeurig, precies. Hebreeuws: wegend gewogen worde; namelijk met iets dat zeer zwaar is, zoals het zand aan de oever van de zee, waarover in vers 3 gesproken wordt.
ellende
Of, pijn, torment, katijvigheid. Alzo onder, vs.30, en Job 30:13 ; Spr. 19:13 .
Hertaald:
ellende
Of: pijn, kwelling, ellende. Zo ook hieronder vers 30, en Job 30:13; Spr. 19:13.
ophief
Hebreeuws, zij hieven op, of haalden op; dat is, dat men ophieve of ophaalde. Zie boven, Job 4:19 .
Hertaald:
ophief
Hebreeuws: zij hieven op, of haalden op; dat is: dat men zou opheffen of ophalen. Zie hierboven Job 4:19.
nu zou het
Te weten, mijn jammer en lijden.
Hertaald:
nu zou het
Namelijk: mijn ellende en lijden.
worden mijn
Dat is, door de grootheid mijns lijdens kan ik mijn woorden niet ten volle noch naar behoren voortbrengen, om mijn ellendigen staat uit te drukken.
Hertaald:
worden mijn
Dat is: door de omvang van mijn lijden kan ik mijn woorden niet volledig of naar behoren uiten om mijn ellendige toestand uit te drukken.
pijlen
Versta, de kwalen en ellenden, die hem van God overkwamen en zeer geweldig waren. Die noemt hij pijlen, omdat zij hem haastelijk en buiten verwachting hadden getroffen, en scherp zijnde, zijn hart zeer diep hadden doorwond. Zie Deut. 32:23 ; Ps. 38:3 , en Ps. 45:6 , en Ps. 91:5 .
Hertaald:
pijlen
Versta hieronder: de kwalen en ellende die hem van God overkwamen en zeer zwaar waren. Hij noemt ze pijlen, omdat zij hem plotseling en onverwacht getroffen hadden en, scherp zijnde, zijn hart zeer diep doorwond hadden. Zie Deut. 32:23; Ps. 38:3, en Ps. 45:6, en Ps. 91:5.
vurig
Eenige volken plachten hun pijlen met vergif te bestrijken, hetwelk door het gehele lichaam, dat geschoten was, zich uitspruitende en indringende, zeer haastelijk al de krachten des levens verteerde. Daarom zijn door deze vergiftige pijlen te verstaan zulke plagen, die een zeker en snel verderf aanbrengen.
Hertaald:
vurig
Sommige volken plachten hun pijlen met gif te bestrijken, dat zich door het hele lichaam dat geraakt was verspreidde en indrong, en zeer snel alle levenskrachten verteerde. Daarom worden met deze giftige pijlen zulke plagen bedoeld die een zeker en snel verderf brengen.
de verschrikkingen Gods
Dat is, geweldige en gruwzame plagen, waarmede mij God verschrikt. Alzo onder, Job 9:34 ; Ps. 88:17 . Zie Gen. 35:5 .
Hertaald:
de verschrikkingen Gods
Dat is: geweldige en gruwzame plagen, waarmee God mij verschrikt. Zo ook hieronder Job 9:34; Ps. 88:17. Zie Gen. 35:5.
rusten zich
Het Hebreeuwse woord is zoveel als zich in krijgsordening tegen iemand stellen, in welken zin het ook genomen wordt, Jer. 50:9 . Het wordt van Petrus zeer wel uitgedrukt met het Griekse woord antitassesthia, 1 Petr. 5:5 .
Hertaald:
rusten zich
Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als zich in slagorde tegen iemand opstellen, in welke zin het ook gebruikt wordt in Jer. 50:9. Het wordt door Petrus zeer treffend uitgedrukt met het Griekse woord antitassesthai, 1 Petr. 5:5.
Ruchelt
De zin is, zo ik geen oorzaak had om te klagen, en uw woorden, o Elifaz, mij een goed voedsel ter vertroosting waren, ik zou mijn klachten niet meer laten horen dan de woudezel zijn geschreeuw, en de os zijn loeien, als zij goed voeder voor zich hebben.
Hertaald:
Ruchelt
De betekenis is: als ik geen reden had om te klagen, en uw woorden, o Elifaz, mij goede troost boden, zou ik mijn klachten niet meer laten horen dan de woudezel zijn geschreeuw, en de os zijn geloei, wanneer zij goed voer voor zich hebben.
onsmakelijke
Job vergelijk Elifaz' rede bij smakeloze spijs en bij het wit van een ei; verklarende alzo dat hij in zijn woorden geen smaak vond.
Hertaald:
onsmakelijke
Job vergelijkt Elifaz' rede met smakeloos voedsel en met het wit van een ei; hij verklaart daarmee dat hij in zijn woorden geen smaak vond.
zonder zout?
Of, dat zonder zout is.
Hertaald:
zonder zout?
Of: dat zonder zout is.
dooiers?
Dat is, dat om den dojer is.
Hertaald:
dooiers?
Dat is: dat om de dooier is.
roeren;
Te weten, als een spijs om die te nuttigen. Hij blijft in de voorgaande gelijkenis, verklarende dat hij gans geen lust had tot hun woorden, om zich daarmede te vertroosten, maar dat hij daarvan een afkeer had als van een laffe, onaangename en walgelijke spijs. Anders, [wat] mijn ziel weigerde aan te roeren, dat is als mijn laffe spijs. De zin is, dat de zerigheid en de zweren, die hij door deze zijn bezoeking in anderen niet zou hebben willen aantasten, nu als zijn spijs waren, doch een onaangename spijs.
Hertaald:
roeren;
Namelijk: als voedsel om te eten. Hij blijft in de voorgaande vergelijking en verklaart dat hij helemaal geen zin had in hun woorden om zich daarmee te troosten, maar dat hij daar een afkeer van had, als van een laf, onaangenaam en walgelijk voedsel. Anders: [wat] mijn ziel weigerde aan te raken, dat is: als mijn laffe voedsel. De betekenis is dat de pijn en de zweren, die hij zich bij anderen door dit bezoek niet had willen laten overkomen, nu als zijn voedsel waren, maar wel een onaangenaam voedsel.
laffe spijze
Hebreeuws, als de ziekten, krankheden; [dat is, lafheden] mijns broods.
Hertaald:
laffe spijze
Hebreeuws: als de ziekten, kwalen; [dat is: lafheden] van mijn brood.
Och,
Hebreeuws, wie zal geven? Een manier van wensen bij de Hebreën zeer gebruikelijk. Zie van dezelve ook onder, Job 11:5 , en Job 13:5 , en Job 14:13 , en Job 19:23 , en Job 23:3 , enz.; idem Ex. 16:3 , Num. 11:29 , en de aantekening.
Hertaald:
Och,
Hebreeuws: wie zal geven? Een manier van wensen die bij de Hebreeën zeer gebruikelijk is. Zie hierover ook hieronder Job 11:5, en Job 13:5, en Job 14:13, en Job 19:23, en Job 23:3, enzovoort; eveneens Ex. 16:3, Num. 11:29, en de aantekening.
mijn verwachting
Dat is, dat ik verwacht, te weten, den dood; gelijk in vs.9 verklaard wordt. Vergelijk boven, de aantekening Job 5:6 .
Hertaald:
mijn verwachting
Dat is: wat ik verwacht, namelijk de dood; zoals in vers 9 uitgelegd wordt. Vergelijk hierboven de aantekening bij Job 5:6.
hand
Welke nu schijnt gebonden te wezen, dewijl hij dezelve niet gebruikt om mij te doden. Van de hand Gods vergelijk dat onder is, Job 13:21 .
Hertaald:
hand
Die nu gebonden lijkt te zijn, omdat Hij die niet gebruikt om mij te doden. Vergelijk over de hand van God hieronder Job 13:21.
einde
Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen, Jes. 10:12 ; Klaagl. 2:17 ; Zach. 4:9 . Of, mij afsnede, of afhieuwe.
Hertaald:
einde
Zo wordt het Hebreeuwse woord gebruikt, Jes. 10:12; Klaagl. 2:17; Zach. 4:9. Of: mij afsnijdt, of afhakt.
mij verkwikken
Anders, terwijl, of hoewel ik brand van droefheid, en [God] niet spaart, of verschoont.
Hertaald:
mij verkwikken
Anders: terwijl, of hoewel, ik brand van droefheid, en [God] niet spaart, of ontziet.
Hij niet spaarde
Dat is, indien God met mij een einde maakte en mij uit deze ellendige wereld wegnam.
Hertaald:
Hij niet spaarde
Dat is: als God met mij een einde maakte en mij uit deze ellendige wereld wegnam.
want ik heb
Dat is, want ik heb het woord Gods en de heilige leer vrijmoediglijk beleden en met mijn ganse leven nagevolgd, zulks dat ik niet twijfelen zou van den lichamelijken dood over te gaan in het eeuwige leven.
Hertaald:
want ik heb
Dat is: want ik heb het woord van God en de heilige leer vrijmoedig beleden en mijn hele leven lang nageleefd, zodat ik er niet aan zou twijfelen van de lichamelijke dood over te gaan in het eeuwige leven.
Heiligen
Te weten, van God, wiens naam heilig, of die de Heilige is, Jes. 57:15 ; want Hij alleen is volkomen heilig, ja de heiligheid zelve. Zie Lev. 19:2 .
Hertaald:
Heiligen
Namelijk: van God, Wiens naam heilig is, of Die de Heilige is, Jes. 57:15; want Hij alleen is volkomen heilig, ja de heiligheid zelf. Zie Lev. 19:2.
dat ik hopen zou?
Dat is, dat ik op enige uitkomst zou mogen hopen; alsof hij zeide: Mijn kracht is te klein om deze droevige ellende lang te kunnen dragen en wederom tot gezondheid te geraken, en ofschoon ik dit nog hopen kon, nochtans is het einde mijns levens zo ver niet, dat ik zou kunnen begeren veel langer te leven. Daarom bid ik u, o God, dat Gij mij uit de wereld wegneemt en van deze ellende verlost.
Hertaald:
dat ik hopen zou?
Dat is: dat ik op enige uitkomst zou mogen hopen; alsof hij zei: mijn kracht is te klein om deze droevige ellende lang te kunnen dragen en weer gezond te worden, en al zou ik dit nog kunnen hopen, toch is het einde van mijn leven niet zo ver weg dat ik zou willen begeren nog veel langer te leven. Daarom bid ik U, o God, dat U mij uit de wereld wegneemt en van deze ellende verlost.
leven verlengen zou?
Hebreeuws, ziel. Zie Gen. 19:17 , of begeerte. Zie Ps. 27:12 . De zin is: Dat ik zou begeren mijn leven te verlengen. Vergelijk onder, Job 7:1 .
Hertaald:
leven verlengen zou?
Hebreeuws: ziel. Zie Gen. 19:17, of: begeerte. Zie Ps. 27:12. De betekenis is: dat ik zou begeren mijn leven te verlengen. Vergelijk hieronder Job 7:1.
hulp
Dat is, mijn verantwoording, waardoor ik mij zou mogen helpen en verdedigen tegen het verkeerd oordeel, dat tegen mij gestreken wordt.
Hertaald:
hulp
Dat is: mijn verantwoording, waarmee ik mijzelf zou kunnen helpen en verdedigen tegen het verkeerde oordeel dat tegen mij geveld wordt.
wijsheid
Of, deugdzaamheid, onnozelheid, vroomheid. Zie van de betekenis des Hebreeuwsen woords, boven, Job 5:12 . Anders, is het niet zo, dat mijn hulp niet in mij is? en het wezen of de kracht uit mij verdreven? verstaande dat Job hier vervolgt de kracht van zijn ellende, nietigheid en krachteloosheid.
Hertaald:
wijsheid
Of: deugdzaamheid, onschuld, vroomheid. Zie over de betekenis van het Hebreeuwse woord hierboven Job 5:12. Anders: is het niet zo dat mijn hulp niet in mij is, en het bestaan of de kracht uit mij verdreven is? Hierbij vervolgt Job de omvang van zijn ellende, nietigheid en krachteloosheid.
versmolten is,
Dat is, vergaan en uitgeteerd door tegenspoed en droefheid. De zin is, dat het recht der vriendschap vereist dat men zijn vriend, die verarmd, verdrukt en vernederd is, hulp zal bewijzen, en dat hij, die dat nalaat, de vreze Gods heeft verlaten. Anders hangen deze woorden aan vs.13 aldus: Is niet mijne verdediging bij mij? enz. tegen [hem] wiens weldadigheid gesmolten is aan zijn vriend, en [die] de vreze des Almachtigen heeft verlaten. Hij berispt Elifaz van onbeleefdheid, ontrouw en wreedheid tegen zijn vriend bewezen.
Hertaald:
versmolten is,
Dat is: vergaan en uitgeteerd door tegenspoed en droefheid. De betekenis is dat het recht van de vriendschap vereist dat men zijn vriend die verarmd, onderdrukt en vernederd is, hulp bewijst, en dat wie dat nalaat de vreze van God heeft verlaten. Anders sluiten deze woorden zo aan bij vers 13: is mijn verdediging niet bij mij? enzovoort, tegen [hem] wiens welwillendheid gesmolten is jegens zijn vriend, en [die] de vreze van de Almachtige heeft verlaten. Hij verwijt Elifaz onbeleefdheid, ontrouw en wreedheid tegenover zijn vriend.
zou van zijn vriend
Dat is, behoorde. Anders, [zou] zijn vriend weldadigheid [bewijzen].
Hertaald:
zou van zijn vriend
Dat is: behoorde. Anders: [zou] zijn vriend welwillendheid [bewijzen].
broeders
Namelijk, Elifaz, Bildad en Zofar.
Hertaald:
broeders
Namelijk: Elifaz, Bildad en Zofar.
als een beek;
Hij neemt een gelijkenis van de beken, welke in den winter, als zij vol zijn en bevriezen, het water, dat zij van den regen en sneeuw hebben, schijnen bij zich te willen houden, om dat in den zomer uit te geven, als zij nodiger zijn, en dan nochtans, door de grote hitte uitdrogende, de hoop er mensen bedriegen. Bij deze wateren vergelijkt Job zijn drie vrienden, omdat hij aan hen, toen hij hen niet grotelijks van doen had, vriendschap gevonden heeft, en scheen dezelve op andere tijden te mogen verwachten, maar daarna in de hitte van zijn tegenspoed weinig troost en hulp van hen heeft verkregen.
Hertaald:
als een beek;
Hij ontleent een beeld aan de beken, die in de winter, als zij vol zijn en bevriezen, het water dat zij van de regen en sneeuw hebben lijken te willen bewaren om dat in de zomer af te geven, wanneer het nodiger is, en dan toch, uitdrogend door de grote hitte, de hoop van de mensen beschamen. Bij deze wateren vergelijkt Job zijn drie vrienden, omdat hij bij hen, toen hij hen niet erg nodig had, vriendschap ondervonden had en die op andere momenten leek te mogen verwachten, maar daarna, in de hitte van zijn tegenspoed, weinig troost en hulp van hen heeft gekregen.
verdonkerd
Of, bedekt; te weten, als met een rouwkleed overtrokken.
Hertaald:
verdonkerd
Of: bedekt; namelijk als met een rouwkleed overtrokken.
als zij warm
De zin is, als zij door de hitte en de droogte des tijds ophouden te vloeien.
Hertaald:
als zij warm
De betekenis is: wanneer zij door de hitte en droogte van het seizoen ophouden te stromen.
verdwijnen zij
Hebreeuws, worden uitgeblust.
Hertaald:
verdwijnen zij
Hebreeuws: worden uitgedoofd.
haars wegs
Dat is, van haar waterloop, of kanaal.
Hertaald:
haars wegs
Dat is: van hun waterloop, of kanaal.
lopen
Anders, zij klimmen op tot niet en vergaan; wordende tot dampen, en alzo vernietigd.
Hertaald:
lopen
Anders: zij lopen op tot niets en vergaan; worden tot damp, en zo vernietigd.
reizigers
Hebreeuws, paden. Versta door dezen de scharen en hopen der lieden, reizende op de gemene wegen en straatbanen. Vergelijk Gen. 37:25 ; Richt. 5:6 ; idem onder, Job 31:32 ; Jes. 21:13 . In de volle manier van spreken worden zij genaamd, die over weg gaan; Jes. 33:8 .
Hertaald:
reizigers
Hebreeuws: paden. Versta hieronder de groepen en menigten mensen die op de gewone wegen en straatwegen reizen. Vergelijk Gen. 37:25; Richt. 5:6; eveneens hieronder Job 31:32; Jes. 21:13. Voluit worden zij genoemd die over de weg gaan; Jes. 33:8.
Thema
Zo wordt Arabië genoemd, omdat het bewoond was van de nakomelingen van Thema, den zoon van Ismaël, Gen. 25:15 , die te onderscheiden is van Theman, een zoon van Ezau, naar welken Elifaz vernoemd wordt, Job 2:11 .
Hertaald:
Thema
Zo wordt Arabië genoemd, omdat het bewoond was door de nakomelingen van Thema, de zoon van Ismaël, Gen. 25:15, die te onderscheiden is van Theman, een zoon van Ezau, naar wie Elifaz genoemd is, Job 2:11.
zien ze,
Te weten, die stromen en beken, meenden, daarin water tot lafenis en verversing te vinden, maar werden bedrogen. Zien is hier iets met grote begeerte verlangen, gelijk Ps. 34:6 , en Ps. 92:12 .
Hertaald:
zien ze,
Namelijk: zij die deze stromen en beken zagen, verwachtten daarin water te vinden voor verkwikking en verfrissing, maar werden bedrogen. Zien betekent hier iets met grote begeerte verlangen, zoals Ps. 34:6, en Ps. 92:12.
wandelaars
Hebreeuws, de wegen, of gangen. Vergelijk de voorgaande aantekening op het woord reizigers.
Hertaald:
wandelaars
Hebreeuws: de wegen, of gangen. Vergelijk de voorgaande aantekening bij het woord reizigers.
Scheba
Zie boven, Job 1:15 .
Hertaald:
Scheba
Zie hierboven Job 1:15.
elkeen
Te weten, van de voormelde reizigers en wandelaars.
Hertaald:
elkeen
Namelijk: van de eerder genoemde reizigers en wandelaars.
vertrouwde;
Te weten, op die stromen en beken, menende daarin water te vinden.
Hertaald:
vertrouwde;
Namelijk: op die stromen en beken, in de veronderstelling daarin water te vinden.
daartoe
Dat is, tot die beken.
Hertaald:
daartoe
Dat is: tot die beken.
alzo
Dat is, gelijk die loze en uitgedroogde waterbeken den reizenden en vermoeiden lieden geen nut toebrengen, alzo doet gij mij ook niet. Het is de toepassing der voorgestelde gelijkenis.
Hertaald:
alzo
Dat is: zoals die bedrieglijke en uitgedroogde waterbeken de reizende en vermoeide mensen geen nut brengen, zo doet u mij ook niet. Dit is de toepassing van de eerder gegeven vergelijking.
ontzetting,
Te weten, die mij door dit lijden overkomen is.
Hertaald:
ontzetting,
Namelijk: die mij door dit lijden overkomen is.
gij hebt gevreesd
Te weten, de oordelen Gods tegen de goddelozen, valselijk gevoelende dat gij daarvan een exempel aan mij zaagt. Of, gij hebt gevreesd; te weten, dat ik u lastig zou zijn, gelijk in vs.22.
Hertaald:
gij hebt gevreesd
Namelijk: de oordelen van God tegen de goddelozen, ten onrechte menend dat u daarvan een voorbeeld aan mij zag. Of: u hebt gevreesd; namelijk dat ik u tot last zou zijn, zoals in vers 22.
Brengt mij,
Hij wil zeggen dat hij niet van zijn vrienden heeft begeerd, dat zij enige moeite of onkosten doen zouden om hem uit zijn lijden te helpen, hoewel den vrienden toestaat zich in zulk geval vanzelf naar hun vermogen te kwijten: overzulks dat zij te meer moesten genegen zijn om hem met enige vertroosting, die zonder kosten en grote moeite geschieden kon, bij te staan; zodat, dewijl zij niets deden, maar wel door de verkeerdheid huns oordeels het tegendeel, zij niet waren te ontschuldigen.
Hertaald:
Brengt mij,
Hij wil zeggen dat hij niet van zijn vrienden gevraagd heeft dat zij enige moeite of kosten zouden maken om hem uit zijn lijden te helpen, hoewel het vrienden vrijstaat zich in zo'n geval uit zichzelf naar hun vermogen in te zetten; daarom hadden zij te meer geneigd moeten zijn hem bij te staan met enige troost, die zonder kosten en veel moeite gegeven kon worden; zodat, omdat zij niets deden, maar door de verkeerdheid van hun oordeel juist het tegendeel, zij niet te verontschuldigen waren.
rechte redenen
Hebreeuws, de woorden der richtigheid, of rechtzinnigheid; dat is, die oprecht en waar zijn. Vergelijk onder, Job 33:3 ; Pred. 12:10 .
Hertaald:
rechte redenen
Hebreeuws: de woorden van de rechtzinnigheid, of oprechtheid; dat is: die oprecht en waar zijn. Vergelijk hieronder Job 33:3; Pred. 12:10.
wat bestraft
Dat is, wat kracht heeft uw berisping om te berispen? Hij wil zeggen, gene.
Hertaald:
wat bestraft
Dat is: welke kracht heeft uw berisping om te berispen? Hij wil zeggen: geen.
Zult gij,
Dat is, zult gij woorden opzoeken en verzinnen, opdat gij moogt bestraffen? Anders, zult gij om te bestraffen op woorden achtgeven? Dat is, wilt gij in het berispen van iemand, die zeer verdrukt en bedroefd is, zo nauw achtgeven op al zijn woorden, en zult gij zijn redenen van verantwoording voor niets achten? Anders, denkt gij woorden te bestraffen; en [houdt gij] voor wind de redenen des mismoedigen? Dat is, zijt gij vanzins blote woorden te achterhalen en te beknabbelen, en niet acht te geven op de zaak zelve, die ik tot mijn verantwoording voortbreng? Anders, denkt gij dat de woorden bestraffing zijn?
Hertaald:
Zult gij,
Dat is: zult u woorden zoeken en verzinnen om te kunnen berispen? Anders: let u bij het berispen op woorden? Dat is: wilt u bij het berispen van iemand die zeer onderdrukt en bedroefd is, zo nauwkeurig op al zijn woorden letten, en zult u zijn woorden van verantwoording voor niets achten? Anders: denkt u woorden te berispen, en [houdt u] voor wind de woorden van de wanhopige? Dat is: bent u erop uit slechts woorden te vangen en te bekritiseren, zonder acht te slaan op de zaak zelf die ik ter verantwoording aanvoer? Anders: denkt u dat woorden berisping zijn?
des mismoedigen
Dat is, wiens moed en hoop, zoveel dit leven aangaat, door de zwaarheid des lijdens zeer neergestort is. Hij meent zichzelven.
Hertaald:
des mismoedigen
Dat is: wiens moed en hoop, wat dit leven betreft, door de zwaarte van het lijden zeer neergeslagen zijn. Hij bedoelt zichzelf.
wind zijn?
Dat is, voor een nietige en onwaardige zaak. Voor zodanige dingen, mitsgaders, die zeer ongestadig zijn en haast vergaande, is het woord wind genomen, onder, Job 7:7 , en Job 15:2 , en Job 16:3 ; Spr. 11:29 ; Pred. 5:15 ; Hos. 12:2 ; Ef. 4:14 .
Hertaald:
wind zijn?
Dat is: voor een nietige en onbeduidende zaak. Voor zulke dingen, die ook zeer onbestendig zijn en snel vergaan, wordt het woord wind gebruikt, hieronder Job 7:7, en Job 15:2, en Job 16:3; Spr. 11:29; Pred. 5:15; Hos. 12:2; Ef. 4:14.
wees;
Zo noemt Job zichzelven omdat hij van aller mensen hulp verlaten was. Van zulke wezen mag men enigszins verstaan hetgeen de kerk Gods klaagt, Klaagl. 5:3 .
Hertaald:
wees;
Zo noemt Job zichzelf, omdat hij door alle mensen in de steek gelaten was. Van zulke wezen mag men enigszins begrijpen wat de kerk van God klaagt, Klaagl. 5:3.
graaft
Te weten, een put, of kuil, waarin gij hem vangt. De manier van spreken vindt men vol Ps. 57:7 ; Jer. 18:20 , enz. Job beklaagt zich dat zijn vrienden hem door listige redenen zochten te verstrikken en te bezwaren. Doch dewijl het Hebreeuwse woord ook somtijds betekent maaltijd bereiden of houden, gelijk onder, Job 40:25 , en 2 Kon. 6:23 , zo wordt deze plaats van anderen overgezet: Gijlieden houdt maaltijd over uw vriend; dat is, gij zijt verblijd over zijn lijden. Graven zou hier ook kunnen genomen worden voor enig kwaad berokkenen of bedenken, gelijk Spr. 16:27 .
Hertaald:
graaft
Namelijk: een put, of kuil, waarin u hem vangt. Deze manier van spreken komt vaak voor, Ps. 57:7; Jer. 18:20, enzovoort. Job klaagt dat zijn vrienden hem met listige woorden probeerden te verstrikken en te belasten. Maar omdat het Hebreeuwse woord soms ook maaltijd bereiden of houden betekent, zoals hieronder Job 40:25, en 2 Kon. 6:23, wordt deze plaats door anderen zo vertaald: u houdt maaltijd over uw vriend; dat is: u bent blij met zijn lijden. Graven zou hier ook opgevat kunnen worden als enig kwaad aanrichten of beramen, zoals Spr. 16:27.
wendt u tot mij,
Dat is, geeft acht op mijn redenen, en wilt dezelve naarstiglijk overwegen.
Hertaald:
wendt u tot mij,
Dat is: let op mijn woorden en wil die zorgvuldig overwegen.
het zal
Dat is, het zal voor u openbaar zijn, en gijzelven zult daarvan getuigen en rechters mogen wezen. Anders, en [beziet] of ik voor u zal liegen.
Hertaald:
het zal
Dat is: het zal voor u duidelijk zijn, en u zult daarvan zelf getuige en rechter kunnen zijn. Anders: en [kijkt] of ik voor u zal liegen.
Keert toch weder,
Te weten, van uw onbillijke handeling tegen mij, en van de wrede twisting, waarmede gij tegen mij uitvaart.
Hertaald:
Keert toch weder,
Namelijk: van uw onbillijke handelwijze tegen mij en van het wrede geschil waarmee u tegen mij uitvaart.
onrecht wezen,
Te weten, bij u, mits zo kwalijk van mij te oordelen en tot mij onvriendelijk te spreken.
Hertaald:
onrecht wezen,
Namelijk: bij u, doordat u zo verkeerd over mij oordeelt en onvriendelijk tegen mij spreekt.
daarin
Te weten, indien gij afstand doet van zo verkeerdelijk te oordelen en beter achtgeeft op de redenen mijner verantwoording.
Hertaald:
daarin
Namelijk: als u afziet van zo verkeerd te oordelen en beter let op de woorden van mijn verantwoording.
zijn
Dat is, blijken; te weten, indien gij afstand doet.
Hertaald:
zijn
Dat is: blijken; namelijk als u daarvan afziet.
gehemelte
Of, raak; dat is mond. Zou die niet de verkeerden kunnen oordelen en verklaren? Anderen verstaan door het gehemelte den zin en het verstand des mensen, waardoor het waarachtige van het valse en het goede van het kwade onderscheiden wordt, gelijk door het gehemelte des monds het zoete van het zure onderscheiden wordt.
Hertaald:
gehemelte
Of: verhemelte; dat is: mond. Zou die niet het verkeerde kunnen beoordelen en verklaren? Anderen verstaan onder het verhemelte het verstand van de mens, waardoor het ware van het valse en het goede van het kwade onderscheiden wordt, zoals door het verhemelte van de mond het zoete van het zure onderscheiden wordt.
ellenden
Dat is, de kwalen, pijnen en kwellingen, die mij zijn overkomen; gelijk boven, vs.2. Anders, verkeerdheden verstaan; dat is, zou mijn verstand niet kunnen oordelen wat verkeerd is of niet?
Hertaald:
ellenden
Dat is: de kwalen, pijnen en kwellingen die mij overkomen zijn; zoals hierboven vers 2. Anders: verkeerdheden begrijpen; dat is: zou mijn verstand niet kunnen beoordelen wat verkeerd is of niet? © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Job antwoordt Elifaz met een wens. Werd zijn verdriet maar eens goed gewogen, en werd zijn ellende maar in een weegschaal gelegd (Job 6:2). Dan zou het zwaarder blijken dan het zand van de zeeën, en daarom komen zijn woorden er zo onbeheerst uit (Job 6:3). Hij noemt ook de oorzaak zoals hij die ervaart: de pijlen van de Almachtige steken in hem, en de verschrikkingen Gods staan tegen hem opgesteld (Job 6:4). Daarna volgen twee beelden uit de stal. Een ezel balkt niet bij gras en een os loeit niet bij zijn voer; een dier klaagt niet zonder reden (Job 6:5). En wat geen smaak heeft, eet men niet zonder zout (Job 6:6-7). Vervolgens spreekt hij zijn diepste wens uit. Hij vraagt God een einde met hem te maken, en hij noemt dat zelf zijn troost, omdat hij de woorden van de Heilige niet verloochend heeft (Job 6:8-10). Het gedeelte sluit met de vraag naar zijn draagkracht: wat is zijn kracht, dat hij nog hopen zou, en is zijn vlees soms van staal (Job 6:11-13)? Bijbelse betekenis: Job vraagt hier niet om uitleg maar om erkenning. Zijn vrienden wegen zijn woorden en vinden ze te heftig; hij wil dat zij eerst zijn last wegen. Dat is een eerlijke vraag, want wie het gewicht niet kent, oordeelt te snel over het geluid. Zijn wens om te sterven staat er onverbloemd bij, en de Schrift laat haar staan. Twee dingen horen erbij gezegd. Job legt die wens bij God neer en neemt niets in eigen hand; en hij verbindt haar uitdrukkelijk aan het feit dat hij Gods woorden niet verloochend heeft. Zijn vraag naar zijn kracht is bovendien geen zwakheid maar zelfkennis. Hij is geen steen en geen staal, en hij weet dat. Wie zijn eigen grens kent, staat dichter bij de waarheid dan wie zich sterker voordoet dan hij is. Typologie: Dat God met de draagkracht van een mens rekent, is geen wens maar een belofte: "God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt" (1 Kor. 10:13). En de Heere Jezus roept juist hen die het gewicht niet meer torsen: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven" (Matt. 11:28). Job 6:1-13; Matt. 11:28; 1 Kor. 10:13 Job begint met een regel die hij bij zijn vrienden mist. Wie versmolten is van verdriet, hoort weldadigheid te ontvangen van zijn vriend (Job 6:14). In plaats daarvan hebben zijn broeders trouweloos gehandeld als een beek (Job 6:15). Hij werkt dat beeld uit. In de koude tijd zijn zulke beken donker van het ijs en verbergt de sneeuw zich erin (Job 6:16). Zodra het warm wordt, drogen zij op en verdwijnen zij van hun plaats (Job 6:17). Karavanen wijken van hun weg af om er te drinken, maar zij lopen de woestijn in en vergaan (Job 6:18). De reizigers van Thema kijken uit en de karavanen van Scheba wachten, en zij worden beschaamd juist omdat zij vertrouwden (Job 6:19-20). Zo zijn deze vrienden voor hem geworden: zij zagen de ontzetting en werden bang (Job 6:21). Daarna wijst hij erop hoe weinig hij gevraagd heeft. Hij vroeg geen geschenk uit hun vermogen en geen redding uit de hand van een verdrukker (Job 6:22-23). Zijn verzoek is eenvoudig: onderwijs mij, en ik zal zwijgen; laat mij zien waarin ik gedwaald heb (Job 6:24). Bestraffing zonder inhoud helpt niemand, en de woorden van een mismoedige moet men niet als wind behandelen (Job 6:25-30). Bijbelse betekenis: Het beeld is genadeloos raak. Een beek in de bergen staat vol wanneer het regent en niemand haar nodig heeft. Juist in de hitte, wanneer de karavaan omloopt om er te drinken, ligt zij droog. Zo waren deze vrienden. Zij kwamen van ver, maar toen zij zagen wat er te dragen viel, werden zij bang, en hun woorden droogden op tot verwijten. Wat Job vraagt is bovendien opvallend bescheiden. Hij vraagt geen geld en geen redding, maar onderwijs: laat zien waar ik dwaal, en ik zwijg. Wie werkelijk wil helpen, mag daaruit twee dingen leren. Bestraffing zonder aanwijsbare grond bestraft niets, en de woorden van iemand in nood zijn geen lucht, ook al klinken ze onbeheerst. Typologie: De spreuk noemt de vriendschap die niet opdroogt: "Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren" (Spr. 17:17). Wat Job hier mist, wordt in het Evangelie beloofd door Eén Die het water aanbiedt dat nooit opraakt: wie van dat water drinkt, zal in eeuwigheid niet dorsten (Joh. 4:14). Job 6:14-30; Spr. 17:17; Joh. 4:14 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. Job 6:4 Het pad van de christen is… Een preek uitgesproken op donderdagavond 5 juli 1983, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout; is er smaak in het… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 6
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Ook duisternis en storm
Een remedie voor smakeloos vlees


Job 6
Job 6:10.KruisverwijzingenJesaja 57:15→Job 23:12→Leviticus 19:2→Hosea 11:9→Job 3:22→Romeinen 8:32→2 Petrus 2:4→Handelingen 20:27→
— Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
Job had zich niet onthouden van een openlijke belijdenis van zijn eigen geloof in God; hij was in de poorten van de stad bekend als iemand die de Heere diende, die God vreesde en het kwade verwierp. Hij had zijn geloof nooit verborgen, maar had één God erkend. Terwijl vele goden en heren de verering van de volken onder elkaar verdeelden, was Job de enige God getrouw en geloofde hij Zijn woorden zoals die hem geopenbaard waren.
En hij was niet tevreden met een openlijke belijdenis van zijn eigen geloof alleen. Job had voortdurend meegedeeld wat hij wist. Hij had zijn huisgezin onderwezen — waar alle onderwijs beginnen moet. Hij had zijn medeburgers onderwezen door zijn voorbeeld — het krachtigste van alle onderwijs. Nooit was hij in de afgodendienst afgedwaald of had hij de zon gediend wanneer zij scheen, maar hij had zonder vrees de enige Heere beleden. Zo getrouw was hij geweest dat hij uitroept: Hij wege mij op een rechte weegschaal, en Hij zal mijn oprechtigheid weten (31:6). Dit was hoog gegrepen, maar het versterkte klaarblijkelijk het hart van de goede man om zijn moeiten te dragen, en het zal hetzelfde voor ons doen als wij hetzelfde getuigenis van ons geweten kunnen verkrijgen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Op het verwijt van Elifaz, dat Job in buitengewone klachten en ongerechtvaardigden opstand over zijn lijden heeft gesproken (Hoofdstuk 4: 5; 5: 2) schildert Job nogmaals de diepte van zijne ellende en de zwaarte van Gods toorn, die op hem drukt. Hij wenst voor zich een spoedigen dood, daar zijne kracht toch reeds weggenomen is en hij nergens troost heeft. Vervolgens wendt hij zich, daar Elifaz tevens in den naam der anderen gesproken heelt (Hoofdstuk 5: 27), tegen de hardheid en slechte vertroosting zijner vrienden, van welke hij niet ene ware stelling gehoord heeft. In het tweede deel zijner rede (Hoofdstuk 7) komt hij weer op het ontzettende van zijnen treurigen toestand als een onophoudelijk doodmartelen zonder hoop. Hij wendt zich vervolgens tot den Heere in een gebed vol verwijten, waarin hij redding door den dood eist. Het wordt hierbij openbaar, hoe Elifaz, die vooral de diepte van Job’s smart had moeten bedenken, door zijne harde, onbillijke rede en door zijne opwekking tot berouw over niet bedreven zonden, voor Job de verzoeking sterker gemaakt heeft, en hem van berouw over werkelijk bedrevene zonde nog verder verwijderd heeft.
I. Vs. 1-13.KruisverwijzingenPsalmen 38:2→1 Koningen 19:4→Job 30:15→Spreuken 27:3→Jesaja 57:15→Job 23:12→Leviticus 19:2→Job 4:1→
— Maar Job antwoordde en zeide: Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief! Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen. Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder? Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers? Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze. Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte! Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
Kon gij de grootte mijner ellende begrijpen, zo zoudt gij ook mijne klaagredenen verstaan. Ik heb die niet uitgesproken zonder voldoende reden. Mijn lijden is zo ontzettend, dat God mij voor mijne godsvrucht niet beter belonen kon, dan door mij spoedig en op eens te vernietigen. Wat zou ik leven, daar al mijne kracht verdwenen is en God mij verlaten heeft?
Maar Job antwoordde in nog grotere gemoedsbeweging en zei:
Och of mijn verdriet 1) recht gewogen werd door u, die mij met zoveel hevigheid over mijne klachten berispt, en men mijne ellende zamen, al mijne smarten op eens, in ene weegschaal ophief.
Verdriet moet hier worden opgevat in den zin van mismoedigheid (Hoofdstuk 5: 2), verdrietigen toestand, de gevolgen van het lijden, dat over hem was gekomen en niet in den zin van, het lijden zelf. Job klaagt, en daarvoor bestond reden, dat zijne vrienden zijn zielenlijden niet peilen en zijn mismoedigen toestand niet in het rechte licht beschouwen. Daarom spreekt hij ook in het tweede gedeelte er van, dat dit zijn lijden in de weegschaal worde opgewogen, zo dat men precies zou weten hoe diep het ging.
Want het zou nu zwaarder zijn dan a) het zand der zeeën 1); daarom worden mijne woorden opgezwolgen 2), is het zo onbedacht wat ik spreek.
Spreuken 27: 3.
Met dit gezegde beklaagt hij het als een nieuwe ramp, dat zijne vrienden hem een geestelijk geneesmiddel aanboden, zonder zijn geval, of het slimste en ergste er van, in den grond te kennen. Zelden zoeken zij, die het welgaat, behoorlijk de tegenspoeden der verdrukten, en bedenken, elk voelt het meest en best zijn eigen last, weinigen voelen dien van anderen.
Job stemt hier enigermate toe, dat hij in zijne klacht (Hoofdstuk 3) bijzonder in de vervloeking van zijn leven gezondigd heeft; maar hij acht zich verontschuldigd daardoor, dat God hem zo bovenmate groot lijden beschikt en hem verlaten had. Zulk ene verontschuldiging der zonde door den toestand en de omstandigheden geeft de mens gaarne, bijzonder wanneer hij door ziekte beproefd wordt.
In het Hebr. Al-keen debarai laoe. Beter: Daarom zijn mijne woorden roekeloos of, onbezonnen. Het laatste woord betekent toch in verband met het stamverwante Arabisch, roekeloos, onbezonnen, haastig, woorden van iemand, die zijn verstand niet kan regelen.
Want de pijlen des Almachtigen 1), Zijne zware gerichten (vgl. Hoofdstuk 34: 6. Deuteronomium 32: 23. (Psalm 7: 13; 18: 15; 38: 3. (Ezechiël. 5: 16), zijn in mij 2) en hebben mijn leven verwoest, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt (Psalm 88: 16). In mijn lijden openbaart zich de toorn van God, die mij verlaten heeft, en dit is mij een brandend vergif, dat mijn vrede verwoest, mijn hart verbrandt. De verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij 3), zijn tegen mij gericht als een krijgsleger tegen een vijand, die onbekwaam is om tegenstand te bieden.
De boogschutters der oudheid waren gewoon, gelijk nog heden de Indianen, hun pijlen gloeiend te maken en te vergiftigen. Met zulke boogschutters, van hun doel zeker, wordt de Heere in Zijne gerichten over den zondaar dikwijls vergeleken, maar ook satan en zijne verzoekingen, die verderf bedoelen (Efeze. 6: 6). Voor Job zijn het in waarheid meer vergiftige, vurige pijlen des satans, die hem zo ver gebracht hebben, en slechts in zo verre van God, als deze het satan toegelaten heeft en voor een tijd Zijne hand van Zijnen geliefde heeft teruggetrokken. Dat is echter wel het hoogste lijden, wanneer wij aangevochten worden met het: “Ziet God is op mij vertoornd.” Dan sidderen vlees en bloed, en de duivel stookt dat vuur in het hart aan, dat het hoe langer hoe groter wordt.
In mij, letterlijk: bij mij, in den zin, dat zij niet alleen zijn lichaam gevoelig hebben aangedaan, maar ook storend op zijn zielenleven hebben gewerkt, zodat hij zich als van God verlaten gevoelt. In het volgende wordt dit nog nader aangeduid. Het was Job gegaan als Asaf later, die het ook niet rijmen kon, dat hij met zoveel tegenspoed had te worstelen; als zo vele gelovige kinderen Gods na hen, die in de smarten des levens dikwijls blijken zoeken, dat hun staat niet echt is, dat zij het ongenoegen in plaats van de bestraling van de gunst ervaren; maar zij vergeten niet zelden, dat God hen door de vele aanvechtingen op den bodem van hun eigen ik wil doen zien, opdat zij ten leste het steeds meer leren verstaan, dat zij enkel en alleen door de vrije gunst den hemel zullen binnengaan.
Wat Job hier uitspreekt is niet een aanklagen van God, maar een klacht over zich zelven, over het leed, dat hem is wedervaren. Hij verkeert in de valse mening, dat God niet alleen hem losgelaten heeft, maar dat God zijn vijand is geworden. Echter ook tussen de regels door kunt ge nog lezen, wat hij later uitspreekt, dat God verre is van onrecht.
Zoudt gij menen, dat ik zonder oorzaak klaagde? Ruchelt, balkt, ook de woudezel (Hoofdstuk 39: 5), bij het jonge gras? loeit de os bij zijn voeder? 1). Wanneer het dier zijne smart en zijn nood in klachten openbaart, zou dan de mens niet klagen, die verlaten is door Zijnen Schepper? Waarlijk, wanneer het welgaat hoort en die klachten niet.
De bedoeling is zonder twijfel, om met deze woorden aan te geven, dat men niet klaagt, wanneer het al voor de wind gaat, wanneer men gelukkig is, dat is, wanneer behoefte en toestand met elkaar in overstemming zijn. Indien hij derhalve zucht en klaagt, wil hij zeggen, is het niet zonder reden. Ja, hij moet minder zijn dan een ezel, of een os, indien hij zijne klachten terug hield, nu het hem zo bange was.
Wordt ook het onsmakelijke, het laffe gegeten zonder zout? is er smaak in het witte des dooiers 1)? Bij zulk een lijden te eisen, dat men zwijgt en alles geduldig draagt ware even onzinnig als dit.
Beide beelden drukken hetzelfde uit en Job gebruikt ze, niet zo als sommigen menen, om daarmee de rede van Elifaz te vergelijken met laffe spijs, maar om zijn toestand aan te geven en het rechtvaardige zijner klachten en zuchten te betuigen. Gelijk men ten opzichte van het voedsel niet zegt, dat het smakelijk is, wanneer het werkelijk laf is en onsmakelijk, alzo is het van hem, wil hij zeggen, niet te vergen, om de rampen, die hem treffen, nog te verheerlijken, of een blij gelaat te tonen, als de ziel bitterlijk bedroefd is. Vroeger had hij een innerlijke afschuw van de ziekte, die hem nu kwelt, hoe zou hij nu een Psalm des lofs zingen! Hoe zou hij bij een treurig hart een lofzang zingen!
Wat mijne ziel weigert namelijk, wat door uwe woorden nog verergerd is of, weigerde aan te roeren, die zijn nu als mijne laffe spijze 1) (vs. 6).
Gelijk later de dichter zijne tranen zijn spijze noemt, alzo vergelijkt Job hier zijn lijden, zijn lichaamskwaal bij ene spijs. Had hij vroeger er een walg van, nu is hij genoodzaakt die te eten, nu is hij met die ontzettende ziekte bezocht. Job verdedigt hiermede zijn treuren en de woorden, die zijne lippen hebben geuit, en als hij die geuit heeft en nu weer als het ware door zich zelven bij zijne ellende bepaald wordt, klimt nogmaals de begeerte bij hem op, om maar uit dit lijden weggerukt te worden. Ook hier komt het weer zo treffend uit, dat Job zich gans en al verlaten gevoelt. Uwe woorden is een bijvoeging van de Staten-vertalers en staat niet in den grondtekst.
Och of mijne begeerte (vs. 3) kwam, en dat God mij den dood, mijne verwachting gave 1), want ik verlang naar mijn levenseinde.
Job draagt zijne begeerte naar den dood aan God op, onder den vorm van een gebed, en dit maakt zijn wens niet beter, maar erger, want wij behoeven niets van God te bidden, dan hetgeen wij in den geloven van Hem afsmeken en men kan niets in den geloven van Hem begeren, dan hetgeen met Zijn heiligen wil overeenkomstig is. Driftige gebeden zijn veeleer erger en meer verfoeiingswaardig, dan driftige en hatelijke uitdrukkingen, want wij moeten altoos zeer vele en heilige, bedachtzame en geen toornige of ongeduldige harten en handen tot God opheffen.
En dat het Gode beliefde, mij mijnen wens te geven, dat Hij mij verbrijzelde, Zijne hand losliet, en een einde met mij maakte 1), dat Hij gelijk een wever mijnen levensdraad afsneed (Jes. 38: 12 vgl. (Hoofdstuk 3: 19 3: 21).
Het is natuurlijk, dat men het behoud des levens zoekt, want de natuur ontvlucht nood en dood, omdat zij tot leven geschapen is. Wanneer echter grote zielsangst en zwaar lijden door Gods hand komen, zo wordt begeerd, dat God niet langer late leven, dat Hij door den dood wegneme, en dat er een einde kome aan den jammer en aan de ellende. Met dergelijke gedachten worden alle godvruchtigen aangevochten ten dage der verzoeking, alsof zij nooit zouden gered worden, daar zij middelen en wegen niet kunnen zien, noch met het verstand vatten, hoe God de Zijnen uit den oven der ellende voert.
Godvruchtigen zullen in tijden van groten druk bijzondere neiging tot zulke gedachten hebben; de invloed van een hoger beginsel sluit deze niet uit, maar geeft overwinning in dezen pijnlijken strijd.
1) Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde. Gij hebt bij gevraagd of mijne godsvrucht mij niet doet vertrouwen, ik antwoord, dat ik wens naar den dood, hoewel ik God gediend heb, maar dit is mijn troost, want of, dat ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden 2), ik heb de openbaringen des Heren niet geloochend.
Wij vertalen liever: Dat zou nog mijn troost zijn-en ik zou vrolijk zijn te midden van de pijn, die niet verschoont, -dat ik de redenen des Heren niet heb verloochend. Dit zou dan Job’s troost zijn, te midden van al zijn ellende en pijn, dat hij zich in zijne goede dagen aan des Heren Woord had gehouden, dat de inzettingen des Heren hem lief en dierbaar waren geweest. Hij spreekt hier dus hetzelfde uit, wat de dichter in Psalm 119 zegt: “Dit is mijn troost in mijne ellende, want, of, dat Uwe toezegging heeft mij levend gemaakt (Ps 119:
. Echter ook dan als men de Staten-Vertaling handhaaft, moet zo Hij niet spaarde als een tussenzin worden beschouwd en de troost van Job in het laatste worden gezocht.
Job vestigt zijn troost op het getuigenis van zijn geweten en dat hij zich getrouwelijk en standvastig in de belijdenis van zijnen Godsdienst gedragen hebben en enige malen nuttig en bevorderlijk voor de ere van God in zijn geslacht. Men lette hier, dat de Heilige, de Allerhoogste ook tot Job zelven te voren reeds gesproken en hem met een bijzondere hemelse Openbaring gezegend had; ten anderen, dat Job zelf deze genade Gods niet te vergeefs had ontvangen, maar zijne talenten in dezen naar eis op woeker gelegd en ook aan anderen besteed en er van meegedeeld had. Hij had “de waarheid niet in ongerechtigheid verkeerd,” maar hij had haar licht ook anderen doen bespeuren, opdat ze, evenals hij, in dezelve wandelen en naar dien regel getrouwelijk leven zouden.
Zo strijden in Joh twee zielen, de ene, die in zware verzoeking zich verre van God en verlaten gevoelt, en den dood als het einde van allen jammer verlangt, en ene, die aan God vasthoudt, en voor wie de eeuwige woorden Gods nog tot ene kracht zijn. Zo lang deze ziel nog strijdt, zal Satan niet overwinnen.
Hoe zou ik anders kunnen, dan verlangen naar het einde, want wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? mijne kwaal is tot ene hoogte gekomen, dat zij ongeneeslijk is; of welk is mijn einde, mijn uitzicht, dat ik mijn leven verlengen zou, indien mij dit mogelijk ware? Vlees en bloed zijn in den nood als een hangende wand en een gescheurde muur, die door krachtige stoten gemakkelijk neergeworpen wordt.
Is mijne kracht stenen kracht? is mijn vlees staal, dat ik die ontzettende plagen zou kunnen verduren? Hoe kan ik anders dan klagen, daar ik geen steen of koper ben, maar gevoel heb?
Is dan mijne hulp niet in mij? Ben ik niet gans en al hulpeloos, en is de wijsheid niet uit mij verdreven? Zou ik nog zo dwaas zijn, daar ik geen helper overhield, nog enige hoop op herstel te koesteren?
In het Hebr. Thoeschejah. Dit betekent wel, wijsheid, zoals Job 11: 6, maar hier het gelijkluidend met hulp in het eerste gedeelte van dit vers en betekent hier kracht, innerlijke kracht, die het lichaam in stand houdt. Job wil zeggen, dat ten gevolge zijner schrikkelijke melaatsheid zijn kracht gebroken en zo gebroken is, dat er van genezing geen sprake kan zijn, zodat de dood hem verkieslijker is dan het leven. Hij is als levend dood, wil hij zeggen, een ruïne gelijk. 14.
II. Vs. 14-30.KruisverwijzingenJeremia 15:18→Psalmen 38:11→Jesaja 21:14→Genesis 25:15→Psalmen 41:9→Jeremia 25:23→Spreuken 17:17→Johannes 13:18→
— Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten. Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door; Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt. Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats. De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan. De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood. Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd. Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen? Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?
Maar gij, die mij vroeger lieve vrienden en broeders waart, betoont u nu ook ontrouw en zonder waarde voor mij, gelijk de beekjes, die in den winter wel gezwollen zijn, maar door de zon uitdrogen, en ieder, die op hen rekent, teleurstellen. Ik heb van u troost en opbeuring verwacht. In plaats daarvan hebt gij slechts liefdeloze verwijten. Beproeft het toch op andere wijze mij aan te spreken, en gelooft niet, dat ik goddeloos geworden ben.
Aan hem, die versmolten is, die bezweken is van verdriet, zou van zijnen vriend weldadigheid geschieden 1), zou medelijden vinden, of hij, die beroofd is van rust, zou de vreze des Almachtigen verlaten 2).
Job wijst hier op het recht van den verdrukte, dat men met hem medelijden zou hebben, om hem voor moedeloosheid en wanhoop te behoeden. Anders zou het kunnen gebeuren, dat die bitterlijk bedroefde gans en al in wanhoop zou wegzinken. Deze woorden gebruikt hij, om het verwijt in te leiden, hetwelk hij nu tot zijne vrienden gaat richten, waardoor hij het doet uitkomen, hoe hij zich in zijne vrienden bedrogen heeft.
Laat ons derhalve niet op zwakke, broze en veeltijds geknakte of gebroken rotsstenen, maar op den Rotssteen der eeuwen steunen en ons wenden tot de Bron des levens, die altoos overvloeit van ontferming en liefde, niet tot de gebroken bakken, die geen water van ware vertroosting houden.
Maar mijne broeders, de door mij geliefde vrienden en stamgenoten hebben trouwelooslijk gehandeld, zij hebben mijne hoop, om bij hen troost te vinden, teleurgesteld, als ene beek, bergstroom, als de storting der beken gaan of, als de beken der dalen gaan zij door; zij zijn gelijk aan die beken, die door het water, dat in den winter van de bergen afvloeit, de dalen of Wady’s overstromen.
Die verdonkerd, die “zwart” zijn van het ijs, dat begint te smelten, en in dewelke de sneeuw zich verbergt, zodat zij hoog gezwollen buiten de oevers treden, en men dit ziende wel zou kunnen verwachten, dat zij water zouden geven in den zomer, wanneer men dit behoeft. Maar zij stellen deerlijk teleur.
Ter tijd, als zij, die hooggezwollen beken, van de hitte des zomers vervlieten, verdrogen worden zij uitgedelgd, worden zij tot niets; als zij warm worden, verdwijnen zij uit hare plaats.
De gangen haars wegs wenden zich ter zijden af, en slingeren door de vlakten heen; zij lopen op in het woeste, en vergaan1) (beter: zij stijgen op in het ledige in de lucht, en verdwijnen).
Job vergelijkt hier zijne vrienden bij de beken der valleien, waaraan Haran zo rijk was. Deze bruisten wel voor een ogenblik daarheen, zodat het scheen of zij immer voor de dorstende en versmachtende karavanen water zouden hebben, maar door de hitte der zon drogen zij spoedig uit, en wie smachtend naar hare wateren had uitgezien, om zich daaraan te verkwikken en zijn dorst te lessen, werd bitterlijk teleurgesteld. Zo ook, wil Job zeggen, zijt gij voor mij geweest. Gij zijt tot mij gekomen, ik heb U niet verzocht, maar vrijwillig kwaamt gij tot mij en ik hoopte, dat ik bij en door U troost of vertroosting zou vinden, maar gij hebt mij beschaamd gemaakt. Ja, gelijk het lijden der karavanen groter en zwaarder is, waar de hoop op water niet vervuld wordt, zo ook hebt gij mijn lijden verzwaard, door niet te geven, wat ik met recht van U kon verwachten. Haran is bijzonder rijk aan zulke diepe dalen, zodat deze buitengewoon schone vergelijking van Job zeer voor de hand lag.
De reizigers van Thema 1) (= woestijn) zien ze, zien naar haar uit, de wandelaars van Scheba (= mens) wachten, hopen, op haar, om mensen en dieren weer door haar water te verkwikken.
Thema (Hoofdstuk 2: 11 ) aan de zeer oude Karavanenstraat uit Zuid-Arabië naar Haran en Damascus, ten Oosten van het gebergte Gilead, was met zijne wijd en zijn beroemde bron (Jes. 21: 14), in de oudheid een kruisweg voor de van Zuid naar Noord en van Oost naar West gaande karavanen. In ‘t bijzonder ging ene grotere karavaan op bepaalde tijden uit Zuid-Arabië (Saba) naar Haran tot de grote zomermarkt in Muzerib (Hoofdstuk 2: 11 ) of naar Bozra, aan welke karavaan ook Job hier waarschijnlijk denkt.
Maar zij, de karavanen, die naar verkwikking in de zonnehitte uitzagen, worden beschaamd, omdat elk een vertrouwde, en rekende hier water te zullen vinden; als zij daartoe, tot de uitgedroogde Wady’s komen, zo worden zij schaamrood. Deze vergelijking gebruikt hij niet zonder oorzaak. Want wij hebben gezien, dat de vrienden, die Job kwamen vertroosten, niet gewone of alledaagse mensen waren. En het is niet twijfelachtig, of zij waren uitstekende in wijsheid en verstand, en ook waren zij niet uit de heffe des volks, maar begaafd met voortreffelijke gaven. Maar Job zegt, dat al hun wijsheid niets anders is geweest dan windmakerij. Waarom? Maar immers van den mens wordt geëist, dat hij zich immer door gelijk blijft en weet wat hij wil en niet dat hij slechts voor een ogenblik de dingen, die zeer helder zijn, aanneemt; zoals er zijn, die wel het ene ogenblik wat helder en vast is toestemmen, maar daarop weer veranderen en tot een ander gevoelen zich laten verleiden. Zodat men het ene ogenblik zou zeggen, dat zij als engelen zijn en toch het volgende ogenblik als de wateren vervloeien, zodat men niet op hen aan kan. Derhalve is het nuttig deze les hieruit te putten, dat het genoeg is, dat we voor ene kleine bron worden gehouden, die wel weinig, maar toch altijd water geeft, beter dan gelijk te zijn aan die grote beken, die spoedig opdrogen.
Uwe liefde was vroeger groot in woorden, gelijk die overstromende wateren, maar ook evenzo onrein als die, slechts aangenomen en gehuicheld, gelijk dat opgenomen sneeuwwater. Maar nu het ongeluk over mij gekomen is, en uwe liefde zich zou moeten betonen, in het hevige van mijn lijden, door verkwikkenden troost en door toespraak, wordt zij als huichelares en leugen openbaar, gelijk aan die beken, die ook, als de zon op haar brandt, hare geleende wateren verliezen en verdrogen.
Zulk een reiziger ben ik ook, ik smacht naar troost van vrienden, maar sta beschaamd. Voorwaar alzo zijt gijlieden mij nu een niets geworden, er is bij u gene vertroosting te vinden; gij hebt gezien de ontzetting, het vreselijke mijner ellende, en gij hebt gevreesd; gij schrikt terug en hebt geen moed, om nog mijne vrienden te zijn en als zodanige te handelen. Het verwijt, dat Job zijne vrienden doet, is gerechtvaardigd. Het is toch aan het natuurlijke, zelfzuchtige mensenhart eigen, bij groot ongeluk, dat anderen, ook beminden, treft, terug te schrikken, en boven alles te zorgen, dat men zelf onbeschadigd blijft; aan de andere zijde waren de verwijten, welke de vrienden tegenover den zo zwaar getroffene hadden, eigenlijk niets anders dan verheerlijking van hun eigene personen. Job ervaart hier hetzelfde omtrent zijne vrienden, waarvan Satan hem bij God belasterd heeft (Hoofdstuk 2: 4 ).
Heb ik dan iets van u verlangd? Heb ik gezegd: Brengt mij of, geeft mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen 1), om mij te helpen uit mijne armoede?
Waar Job hier zegt, dat hij niets voor zich van zijne vrienden heeft gevraagd, noch geld ter verlossing voor hem te betalen, daar voegt hij tot hun eigen nut een vergelijking er bij alsof hij zeggen wil: Wanneer ik van U gevraagd had, dat gij van uw vermogen nog zo weinig, mij zoudt geven, indien ik dit had gedaan, zou het U geoorloofd zijn, mij in den steek te laten, dan zouden uwe wateren rechtvaardig voor mij mogen opdrogen, en zou het recht zijn, den loop naar uw bron mij af te snijden, indien ik U had uitgenodigd, mij te helpen. Maar niets heb ik van u geëist en toch hebt gij mij, alleen bij den aanblik van mijne ellende, doorwond. Zo is het duidelijk en helder, dat gij slechte beken zijt.
Van de mensen verkrijgen we dikwijls, al verwachten wij maar weinig van hen, nog minder dan wij hoopten, maar God geeft meer, dan men biddende wensen of verwachten kan.
Of heb ik u gebeden en gezegd: Bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, haalt mijne kudden uit de hand der Chaldeeën en Sabeërs weer, en verlost mij van de hand der tirannen, die mij nu nog zoeken te kwellen? Niets heb ik van u gevraagd, alleen verwachtte ik vertroosting.
In plaats van deze hebt gij slechts beschuldiging en aanklacht. Wanneer er dan werkelijk ene zware zonde bij mij is, leert mij, wijst mij die aan, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb!
O hoe krachtig zijn de rechte redenen! deze treffen de plaats, waar het hart gewond is en geven troost en heling; maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is? dat verbittert slechts omdat gij straft zonder eigene ervaring, zonder mijn lijden te verstaan. Troost, opbeuring, opwekking of straf en berisping, die niet geboren zijn uit de ervaring van zonde en genade, en daarom niet concreet en bevattelijk in het hart van den hoorder dringen, maar slechts algemene, abstracte, aangeleerde frasen zijn, richten niet alleen niet uit, wat zij moeten, maar verbitteren ook nog. Het baat niets, dat een prediker of biechtvader vele spreuken op elkaar stapelt; hij moet zien, hoe hij de gedachten van den zieke en bedroefde kan treffen en hem door Gods woord de vurige pijlen uit het hart trekken. Er behoort ene geleerde tong toe, om te weten, den vermoeide, met Gods woord te vertroosten, en de verbrokenen van hart met verstand te verbinden.
Job wijst hen er op, dat hij niet ongenegen is, om te leren, om bepaald te worden bij wat zonde is, ook niet ongenegen, om bestraffing te horen, maar met al de kracht, die in hem is, komt hij op tegen de onbillijke verwijten en de eigengerechtige uitspraken van Elifaz. Het zijn geen redenen van een vriend, die de wonde tracht te helen, maar eer van den vijand, die den reeds zo hevig geteisterden lijder nog dieper ter neer drukt.
Zult gij, om te bestraffen alleenlijk woorden bedenken 1)? Is het u slechts te doen om het leed te verzwaren, bedenkt gij slechts woorden om mij aan te klagen, om mij nog dieper te kwellen, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn 2)?
Met deze woorden beschuldigt Job hen van de grootste slechtheid, daar zij zo met hem handelen. Wat wel mag opgemerkt worden. Want het is niet twijfelachtig, of de Heilige Geest leert hier wat wij moeten ontvluchten, zo wij niet tegen God willen strijden. Want deze ondeugd wordt bij God afgekeurd, wanneer wij er ons op toeleggen, rechte redenen door scherpzinnigheden te verdraaien. Voornamelijk wanneer wij op de neergebogenen aanstormen en hen zo aanmatigend behandelen, dat wij beproeven hen tot wanhoop te brengen, welke ondeugd echter meer dan genoeg verbreid en algemeen is.
In het Hebr. Oelroesch omree noäsch. Letterlijk: En voor wind zijn de woorden der mismoedigen. De bedoeling is, dat wel door den wind de woorden van den moedeloze worden voort gedragen, maar dat men ze beoordelen moet naar de omstandigheden, waaronder ze geuit zijn. Job wijst er hen op, dat zij onrechtvaardige rechters zijn, die alleen afgaan op de klanken en die hoegenaamd niet beoordelen naar de omstandigheden en niet een enkele verdediging toelaten.
Ook werpt gij u in uwe liefdeloosheid, waarin gij voor ‘t ergste niet terug beeft, op enen wees 1); gij valt een weerloze, enen van alles en allen verlatene aan; en gij graaft tegen uwen vriend 2), gij bereidt hem nog meer lijden (Psalm 57: 7, (Jer. 18: 20).
Zo noemt zich ook de kerk een wees (Klaagt. 5: 3).
Het graven heeft hier den zin van, een verschansing graven, om hem gans en al te vernietigen. Anderen vertalen het woord door: kopen, als koopwaar behandelen waarmede men kan doen, wat men wil. In elk geval beschuldigde Job hier zijne vrienden, dat zij met hem zonder enige menselijkheid handelden.
Maar nu, ik wil gaarne die liefdeloze redenen vergeten,belieft het u, ik bid het u, wendt u tot mij, zie mij goed in de ogen, beproef mij maar, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, het zal u duidelijk blijken, of ik liege 1).
Job dringt er hier bij Elifaz op aan, dat deze hem eens goed in de ogen zie, om zich te overtuigen, of hij de waarheid spreekt of niet. Zo is hij er van overtuigd dat zij in zijne ogen of op zijn gelaat geen valsheid zullen ontdekken. Zij kunnen er van overtuigd zijn, dat hij hun de waarheid zegt en zijn lijden recht verklaart.
Keert toch weer 1), komt terug van uwe verkeerde vermoedens, laat er geen onrecht wezen, gelijk gij tot heden met uwe beschuldigingen onrecht tegen mij gedaan hebt; ja keert weer, beproeft het, nog zal mijne gerechtigheid daarin zijn; indien gij afstand doet van uwe vermoedens en naar mij horen wilt, zo zal het blijken, dat ik rechtvaardig ben nog heden, in mijn lijden.
Laten uwe ogen U overtuigen, dat mijn toestand zeer ellendig en treurig is, en dat ik geenszins met God twiste, door mijne ellende erger te vertonen, of uit te weiden, dan dit inderdaad is.
Door deze vermaning toont Job aan, met welk een ijver wij het kwade moeten tegenstaan en veroordelen, n.l. om den mens op den rechten weg te brengen, wanneer dit mogelijk is. Laten wij ook dit ter harte nemen, opdat wij niet, daar wij nog vatbaar zijn voor vermaning, in hun ondeugden doorgaan, maar liever beschaamd worden en berouw gevoelen, omdat wij God hebben beledigd, en tot Hem terugkeren.
Zou onrecht op mijne tong wezen? Zou ik u leugens willen voorhouden? Zou mijn gehemelte niet de ellende 1) te verstaan geven?
In het Hebr. Haoewoth. Dit woord betekent wel ellende, maar ook, iets misdadigs. Zo o.a. Psalm 52: 4,9; 55: 12 en Spreuken 11: 6. Deze vertaling moeten we ook hier hebben in verband met het eerste gedeelte van ons vers. Het is een woord, gelijkluidend met, onrecht. De vertaling is dan beter: Zou mijn gehemelte niet het misdadige merken?
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel