Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?
Ook in dit vers
vervullenH4390
KJV
Knowest1
thou the time2
when the wild goats4
of the rock5
bring forth?3
or canst thou mark8
when the hinds7
do calve?
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?
KJV
Canst thou number1
the months2
that they fulfil?3
or knowest4
thou the time5
when they bring forth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongenH3206 tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?
Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?
KJV
They bow1
themselves, they bring forth3
their young ones,2
they cast out5
their sorrows.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
Ook in dit vers
hindenH355
arbeidH2342
barenH3205
steengeitenH3277
tijdH6256
waargenomenH8104
KJV
Their young ones2
are in good liking,1
they grow up3
with corn;4
they go forth,5
and return
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
Ook in dit vers
barenH3205
maandenH3391
tellenH5608
tijdH6256
KJV
Who hath sent out2
the wild ass3
free?4
or who hath loosed8
the bands5
of the wild ass?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
Ook in dit vers
smartenH2256
krommenH3766
versplijting voortbrengenH6398
uitwerpenH7971
KJV
Whose house4
I have made2
the wilderness,3
and the barren6
land his dwellings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren nietH3808 weder tot dezelve.
Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
Ook in dit vers
jongenH1121
korenH1250
kloekH2492
kerenH7725
KJV
He scorneth1
the multitude2
of the city,3
neither regardeth7
he the crying4
of the driver.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
Ook in dit vers
vrijH2670
bandenH4147
wilden ezelsH6171
woudezelH6501
gelostH6605
henengezondenH7971
KJV
The range1
of the mountains2
is his pasture,3
and he searcheth7
after4
every green thing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
Ook in dit vers
huisH1004
ziltigeH4420
woningenH4908
wildernisH6160
besteldH7760
KJV
Will the unicorn2
be willing1
to serve3
thee, or abide5
by thy crib?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
Ook in dit vers
gewoelH1995
drijversH5065
stadH7151
belachtH7832
hoortH8085
getierH8663
KJV
Canst thou bind1
the unicorn2
with his band4
in the furrow?3
or will he harrow6
the valleys7
after
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
DatH3588 hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
Ook in dit vers
achterH310
zoektH1875
bergenH2022
groenselH3387
uitspeurtH3491
allerleiH3605
weideH4829
KJV
Wilt thou trust1
him, because his strength5
is great?4
or wilt thou leave6
thy labour
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
Ook in dit vers
eenhoornH7214
willenH14
kribbeH18
vernachtenH3885
dienenH5647
KJV
Wilt thou believe1
him, that he will bring home4
thy seed,5
and gather7
it into thy barn?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
Ook in dit vers
touwH5688
laagtenH6010
bindenH7194
eggenH7702
vorenH8525
KJV
Gavest thou the goodly2
wings1
unto the peacocks?3
or wings5
and feathers6
unto the ostrich?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Zult gij op hem vertrouwen, omdatH3588 zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem latenH5800?
Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?
Ook in dit vers
vertrouwenH982
arbeidH3018
krachtH3581
KJV
Which leaveth2
her eggs4
in the earth,3
and warmeth7
them in dust,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Zult gij hem geloven, datH3588 hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
Ook in dit vers
gelovenH539
vergaderenH622
dorsvloerH1637
zaadH2233
wederbrengenH7725
KJV
And forgetteth1
that the foot3
may crush4
them, or that the wild6
beast5
may break
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
Ook in dit vers
vederenH84
ooievaarsH2624
vleugelenH3671
struisvogelsH5133
pauwenH5965
verheugelijkeH7443
KJV
She is hardened1
against her young ones,2
as though they were not3
hers: her labour6
is in vain5
without fear;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
DatH3588 zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
Ook in dit vers
aardeH776
eierenH1000
verwarmtH2552
stofH6083
KJV
Because God3
hath deprived2
her of wisdom,4
neither hath he imparted6
to her understanding.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
Ook in dit vers
vertrappenH1758
drukkenH2115
dierenH2416
voetH7272
veldsH7704
vergeetH7911
KJV
What time1
she lifteth up3
herself on high,2
she scorneth4
the horse5
and his rider.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
Ook in dit vers
jongenH1121
arbeidH3018
hareH3808
vrezeH6343
verhardtH7188
vergeefsH7385
KJV
Hast thou given1
the horse2
strength?3
hast thou clothed4
his neck5
with thunder?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
Ook in dit vers
GodH433
verstandsH998
wijsheidH2451
medegedeeldH2505
ontblootH5382
KJV
Canst thou make him afraid1
as a grasshopper?2
the glory3
of his nostrils4
is terrible.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
Ook in dit vers
verheftH4754
hoogteH4791
paardH5483
tijdH6256
rijderH7392
belachtH7832
KJV
He paweth1
in the valley,2
and rejoiceth3
in his strength:4
he goeth on5
to meet6
the armed men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?
Ook in dit vers
sterkteH1369
bekledenH3847
paardH5483
halsH6677
donderH7483
KJV
He mocketh1
at fear,2
and is not affrighted;4
neither turneth he back6
from7
the sword.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.
Ook in dit vers
verschrikkingH367
sprinkhaanH697
prachtH1935
gesnuifH5170
beroerenH7493
KJV
The quiver3
rattleth2
against him, the glittering4
spear5
and the shield.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
Ook in dit vers
graaftH2658
trektH3318
krachtH3581
geharnasteH5402
grondH6010
tegemoetH7125
vrolijkH7797
KJV
He swalloweth3
the ground4
with fierceness1
and rage:2
neither believeth6
he that it is the sound8
of the trumpet.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
Ook in dit vers
zwaardH2719
ontsteldH2865
vrezeH6343
wederomH7725
belachtH7832
KJV
He saith3
among1
the trumpets,2
Ha,4
ha;
and he smelleth6
the battle7
afar off,5
the thunder8
of the captains,9
and the shouting.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.
Ook in dit vers
pijlkokerH827
spiesH2595
lansH3591
vlammig ijzerH3851
rateltH7439
KJV
Doth the hawk3
fly2
by thy wisdom,1
and stretch4
her wings5
toward the south?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Met schudding en beroering slokt het de aarde opH5921, en gelooft niet, datH3588 het is het geluid der bazuin.
Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
Ook in dit vers
gelooftH539
aardeH776
sloktH1572
geluidH6963
beroeringH7267
schuddingH7494
bazuinH7782
KJV
Doth the eagle5
mount up4
at thy command,3
and make7
her nest8
on high?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
Ook in dit vers
zegtH559
volle geklankH1767
HeahH1889
krijgH4421
ruiktH7306
verreH7350
donderH7482
bazuinH7782
vorstenH8269
gejuichH8643
KJV
She dwelleth2
and abideth3
on the rock,1
upon the crag5
of the rock,6
and the strong place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?
Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?
Ook in dit vers
VliegtH82
verstandH998
vleugelenH3671
sperwerH5322
breidtH6566
zuidenH8486
KJV
From thence she seeketh2
the prey,3
and her eyes5
behold6
afar off.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?
Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?
Ook in dit vers
omhoog verheftH1361
arendH5404
bevelH6310
nestH7064
hoogte maaktH7311
KJV
Her young ones1
also suck up2
blood:3
and where the slain5
are, there is she.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.
Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats.
Ook in dit vers
vernachtH3885
vaste plaatsH4686
steenrotsH5553
steenrotsH5553
woontH7931
scherpteH8127
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.
Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af.
Ook in dit vers
spijzeH400
speurtH2658
zienH5027
ogenH5869
verreH7350
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Ook zuipenH5966 zijn jongenH667 bloedH1818; en waar verslagenenH2491 zijn, daarH8033 is hijH1931.
Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En de HEERE antwoordde Job, en zeide:
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Zie, ik ben te gering; watH834 zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.
Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.
Weet gij
Versta hierdoor het gehele beleid en werk van de geboorten, voorttelingen en opkwekingen der wilde beesten; hetwelk alleen de voorzienigheid Gods moet toegeschreven worden, en niet de zorg des mensen.
Hertaald:
Weet gij
Versta hiermee: het hele beleid en werk van de geboorten, voortplanting en opvoeding van de wilde dieren; wat alleen aan de voorzienigheid van God toegeschreven kan worden, en niet aan de zorg van de mens.
steengeiten?
Zie 1 Sam. 24:3 .
Hertaald:
steengeiten?
Zie 1 Sam. 24:3.
den arbeid
Dat is, den tijd, wanneer zij in den nood van baren zijn, om die, als zij in gevaar en smart zijn, te helpen.
Hertaald:
den arbeid
Dat is: de tijd waarop zij in barensnood zijn, om hen, wanneer zij in gevaar en pijn verkeren, te helpen.
Zult gij
Dat is, kunt gij verzinnen het ogenblik van hun ontvangen? Deze vragen loochenen alle sterkelijk.
Hertaald:
Zult gij
Dat is: kunt u het moment van hun ontvangenis bepalen? Deze vragen ontkennen alle krachtig.
vervullen,
Dat is, afdoen en volbrengen; te weten, met het dragen van hun jongen.
Hertaald:
vervullen,
Dat is: afmaken en volbrengen; namelijk het dragen van hun jongen.
krommen,
Te weten, om te beter te baren.
Hertaald:
krommen,
Namelijk: om beter te kunnen baren.
smarten
Versta, de geboortepijnen, die in deze dieren groot zijn, en van welke zij alleen geholpen worden door de goddelijke voorzienigheid. Zie Ps. 29:9 .
Hertaald:
smarten
Versta hieronder: de barensweeën, die bij deze dieren groot zijn, en waarbij zij alleen geholpen worden door de goddelijke voorzienigheid. Zie Ps. 29:9.
jongen
Hebreeuws, zonen; zie Lev. 1:14 .
Hertaald:
jongen
Hebreeuws: zonen; zie Lev. 1:14.
worden kloek,
Dat is, worden weder gezond, fris en sterk, ofschoon zij eerst geworpen zijnde, door de zwaarheid der geboorte slap en teer waren.
Hertaald:
worden kloek,
Dat is: worden weer gezond, fris en sterk, hoewel zij, pas geboren, door de zwaarte van de geboorte slap en teer waren.
door het koren;
Het woord bar in het oorspronkelijke betekent in het Hebreeuws koren, of tarwe, waarvan deze beesten hun voedsel nemen; maar het betekent in het Syrisch akker, of veld, gelijk ook het Chaldeeuwse woord bara zulks betekent; Dan. 2:38 en Dan. 4:12 . Waarom enigen hetzelve zo overzetten.
Hertaald:
door het koren;
Het woord bar betekent oorspronkelijk in het Hebreeuws koren, of tarwe, waarvan deze dieren zich voeden; maar het betekent in het Syrisch akker, of veld, zoals ook het Chaldeeuwse woord bara dat betekent; Dan. 2:38 en Dan. 4:12. Daarom vertalen sommigen het zo.
haar
Te weten, moeders, die ze geworpen hebben.
Hertaald:
haar
Namelijk: moeders, die hen geworpen hebben.
Wie heeft den woudezel
De zin is, dat de ontembare en onbedwingelijke natuur der wilde ezels alleen van Gods regering en voorzienigheid komt, welker redenen, zodat de mens niet kan begrijpen, hij nog veel minder andere diepe en ondoorgrondelijke werken Gods vatten kan.
Hertaald:
Wie heeft den woudezel
De betekenis is dat de ontembare en onbedwingbare aard van de wilde ezels alleen voortkomt uit Gods bestuur en voorzienigheid, waarvan de mens de redenen niet kan begrijpen, zodat hij nog veel minder andere diepe en ondoorgrondelijke werken van God kan bevatten.
de wildernis
Anders, het vlakke veld. Doch versta zulk vlak veld, dat wel wild en woest ligt, maar nochtans enig voeder voor de beesten heeft, gemengd uit velerlei groente en ruigte, hetwelk den wilden beesten wel smakend is.
Hertaald:
de wildernis
Anders: het vlakke veld. Versta echter zo'n vlak veld dat wel wild en woest ligt, maar toch enig voeder voor de dieren heeft, gemengd uit velerlei groen en struikgewas, wat de wilde dieren goed smaakt.
ziltige
Dat is, het dorre, onvruchtbare en onbebouwde land. Zie Richt. 9:45 , en Ps. 107:34 .
Hertaald:
ziltige
Dat is: het dorre, onvruchtbare en onbebouwde land. Zie Richt. 9:45, en Ps. 107:34.
Hij belacht
Dat is, hij acht de menigte en het bedrijf der mensen niet, omdat hij de woestijn liever heeft, of omdat hij ook niet vreest het geweld, dat vele mensen zouden mogen aanleggen om hem te bedwingen. Dit is menselijkerwijze van de beesten gesproken, gelijk onder, vs.21, 25, 28, en Job 40:22-23 , en Job 41:18 , ob 41:20 .
Hertaald:
Hij belacht
Dat is: hij geeft niets om de menigte en het gedoe van de mensen, omdat hij de woestijn verkiest, of ook omdat hij niet bang is voor het geweld dat veel mensen zouden kunnen inzetten om hem te temmen. Dit is op menselijke wijze over de dieren gezegd, zoals hieronder vers 21, 25, 28, en Job 40:22-23, en Job 41:18, Job 41:20.
menigerlei
Dat is, het geroep, hetwelk pleegt gemaakt te worden van degenen, die enigen arbeid of dienst van mensen of beesten gedaan willen hebben.
Hertaald:
menigerlei
Dat is: het geroep dat gewoonlijk gemaakt wordt door wie enige arbeid of dienst van mensen of dieren gedaan wil hebben.
Wat hij uitspeurt
Hebreeuws, de uitspeuring, of het uitgespeurde der bergen; dat is hetgeen hij steeds zoekt op de bergen, als gras en andere groenigheid, is zijn voedsel.
Hertaald:
Wat hij uitspeurt
Hebreeuws: het uitspeuren, of het uitgespeurde van de bergen; dat is: wat hij voortdurend zoekt op de bergen, zoals gras en andere groenten, is zijn voedsel.
groensel na
Dat is, groen kruid, dat in het wild wast.
Hertaald:
groensel na
Dat is: groen kruid, dat in het wild groeit.
Zal de eenhoorn
Versta, ganselijk niet, en dat vanwege zijn moedige en onbedwingelijke kracht. Zie Num. 23:22 .
Hertaald:
Zal de eenhoorn
Versta: helemaal niet, en dat vanwege zijn moedige en onbedwingbare kracht. Zie Num. 23:22.
touw
Te weten, waarmede hij gebonden zou worden om het ploegwerk te doen.
Hertaald:
touw
Namelijk: waarmee hij gebonden zou worden om het ploegwerk te doen.
voren binden?
Dat is, aan het verheven land, hetwelk in de akkers tussen twee voren is. Zie boven, Job 31:38 . Doch versta hier het ploegwerk, waardoor de voren gemaakt worden, om welke oorzaak de overzetting gesteld kan worden aldus: Met zijn touw binden ter ploeging; dat is om te ploegen.
Hertaald:
voren binden?
Dat is: aan de verhoogde aarde, die in de akkers tussen twee voren ligt. Zie hierboven Job 31:38. Versta hier echter het ploegwerk waardoor de voren gemaakt worden, waardoor de vertaling ook zo gesteld kan worden: met zijn touw binden ter ploeging; dat is: om te ploegen.
de laagten
Of, diepten, valleien, gronden. Sommigen verstaan hierdoor wederom de voren.
Hertaald:
de laagten
Of: diepten, valleien, gronden. Sommigen verstaan hieronder opnieuw de voren.
op hem vertrouwen,
Dat is, u verzekeren dat hij uw werk in het veld zou mogen doen, gelijk de tamme beesten wel doen, die van de mensen in het akkerwerk gebruikt worden.
Hertaald:
op hem vertrouwen,
Dat is: u verzekeren dat hij uw werk op het veld zou doen, zoals de tamme dieren doen, die door de mensen bij het akkerwerk gebruikt worden.
uw arbeid
Dat is, uw vruchten, die gij door uw arbeid gewonnen hebt. Vergelijk boven, Job 20:18 .
Hertaald:
uw arbeid
Dat is: uw opbrengst, die u door uw arbeid verkregen hebt. Vergelijk hierboven Job 20:18.
op hem laten?
Te weten, om te dragen, of te voeren naar de schuur. Zie vs.15.
Hertaald:
op hem laten?
Namelijk: om te dragen, of naar de schuur te brengen. Zie vers 15.
wederbrengen,
Dat is, maken dat gij de gewenste vruchten genieten zult? hetwelk zou moeten geschieden met ploegen en eggen, of met de vruchten in de schuur te brengen.
Hertaald:
wederbrengen,
Dat is: maken dat u de gewenste opbrengst zult genieten? Wat zou moeten gebeuren met ploegen en eggen, of met de opbrengst naar de schuur te brengen.
de verheugelijke
Te weten, waarmede de pauwen zich verheugen en verheffen, of ook de mensen zich vermaken.
Hertaald:
de verheugelijke
Namelijk: waarmee de pauwen zich verheugen en verheffen, of ook waarmee de mensen zich vermaken.
Of de vederen
Anders, of de vleugel en het geveder des ooievaars. Anders, of de vleugel van den struis en [zijn] geveder, of pluimen.
Hertaald:
Of de vederen
Anders: of de vleugel en het gevederte van de ooievaar. Anders: of de vleugel van de struisvogel en zijn gevederte, of pluimen.
ooievaars,
Zie Lev. 11:19 .
Hertaald:
ooievaars,
Zie Lev. 11:19.
struisvogels?
Het Hebreeuwse woord notsah betekent wel een pluim, maar uit de volgende woorden van dit hfdst. wordt van de overzetters afgenomen dat hier te verstaan is de struis, dat is, een vogel, die met vele pluimen voorzien is. Het volgende kan op den pauw en op den ooievaar niet passen.
Hertaald:
struisvogels?
Het Hebreeuwse woord notsah betekent wel een pluim, maar uit de volgende woorden van dit hoofdstuk blijkt dat de vertalers hier de struisvogel bedoelen, dat is: een vogel die met veel pluimen bedekt is. Het vervolg kan niet op de pauw of op de ooievaar slaan.
zij haar eieren
Te weten, de struis.
Hertaald:
zij haar eieren
Namelijk: de struisvogel.
stof
Dat is, in het zand.
Hertaald:
stof
Dat is: in het zand.
verwarmt
Te weten, latende de zon daarover schijnen, opdat door haar warmte de eieren zouden uitgebroed worden. Want men schrijft dat deze vogel onaardig en zonder natuurlijken trek is tegen zijn eieren, die verlatende en de warmte der zon aanbevelende, zonder daarop te zitten.
Hertaald:
verwarmt
Namelijk: door de zon erop te laten schijnen, opdat de eieren door haar warmte uitgebroed zouden worden. Want men schrijft dat deze vogel onnatuurlijk en zonder natuurlijke gehechtheid is aan zijn eieren, die hij achterlaat, terwijl hij de warmte van de zon toevertrouwt, zonder erop te zitten.
die drukken kan,
Hebreeuws, dat; dat is, elk een van die, te weten, eieren. Alzo in het andere lid van vs.18.
Hertaald:
die drukken kan,
Hebreeuws: dat; dat is: elk daarvan, namelijk eieren. Zo ook in het andere deel van vers 18.
haar jongen,
Of, haar eieren, uit welke zij jongen krijgt. Zij handelt daarmede hardelijk tegen het natuurlijke van andere vogels, om de redenen in vs.17,18 vermeld.
Hertaald:
haar jongen,
Of: haar eieren, waaruit zij jongen krijgt. Zij handelt daarmee hard tegen wat natuurlijk is voor andere vogels, om de redenen genoemd in vers 17, 18.
haar arbeid
Te weten, die zij heeft met haar eieren te leggen, zo God voor dezelve niet zorgde.
Hertaald:
haar arbeid
Namelijk: die zij heeft met het leggen van haar eieren, als God daar niet voor zorgde.
omdat
Te weten, van haar eieren te verliezen en daaruit geen jongen te krijgen.
Hertaald:
omdat
Namelijk: van haar eieren te verliezen en daaruit geen jongen te krijgen.
heeft haar
Hebreeuws, heeft haar de wijsheid doen vergeten; dat is, de wijsheid niet gegeven, of daarvan ontbloot. Versta door deze, de natuurlijke beweging en trek, die anderen beesten van God ingestort is, waardoor zij hun jongen wel weten te bewaren, te verzorgen en buiten gevaar te brengen.
Hertaald:
heeft haar
Hebreeuws: heeft haar de wijsheid doen vergeten; dat is: de wijsheid niet gegeven, of daarvan beroofd. Versta hiermee: de natuurlijke aandrift, die aan andere dieren door God ingegeven is, waardoor zij hun jongen wel weten te beschermen, te verzorgen en buiten gevaar te brengen.
Als het tijd is,
Te weten, als zij van de jagers vervolgd wordt.
Hertaald:
Als het tijd is,
Namelijk: wanneer zij door de jagers achtervolgd wordt.
verheft
Te weten, wat boven de aarde, om haar loop te versnellen, en zo de pijlen en schichten te ontvlieden; want om de grootte en zwaarheid haars lichaams kan zij zich niet zeer hoog van de aarde oplichten.
Hertaald:
verheft
Namelijk: wat boven de aarde uitsteekt, om haar loop te versnellen, en zo de pijlen en schichten te ontwijken; want vanwege de grootte en het gewicht van haar lichaam kan zij zich niet erg hoog van de aarde optillen.
zij belacht
Dat is, zij veracht ze, omdat zij ze door haar erge en aardige snelheid kan ontkomen. Dit is menselijker wijze van beesten gesproken; zie boven, vs.10.
Hertaald:
zij belacht
Dat is: zij veracht ze, omdat zij hen door haar buitengewone snelheid kan ontlopen. Dit is op menselijke wijze over dieren gezegd; zie hierboven vers 10.
donder bekleden?
Versta hierbij, het briesen des paards, verenigd met geruisch en onstuimigheid. Vergelijk Jer. 8:6 .
Hertaald:
donder bekleden?
Versta hieronder: het hinniken van het paard, gepaard met geraas en onstuimigheid. Vergelijk Jer. 8:6.
als een sprinkhaan?
Dat is, gelijk de mensen de sprinkhanen plegen te verschrikken en verjagen.
Hertaald:
als een sprinkhaan?
Dat is: zoals mensen sprinkhanen plegen te verschrikken en te verjagen.
een verschrikking
Dat is, een oorzaak om verschrikt te worden.
Hertaald:
een verschrikking
Dat is: een reden om verschrikt te worden.
grond,
Het Hebreeuwse woord betekent wel gemeenlijk een dal, maar het wordt ook voor allerlei diepte en laagte genomen, gelijk boven, vs.13, voor de laagte des lands, of der voren, Spr. 9:18 , voor de diepte des grafs; en hier voor een kuil, die van een moedig paard in de aarde gemaakt wordt.
Hertaald:
grond,
Het Hebreeuwse woord betekent meestal een dal, maar wordt ook gebruikt voor allerlei diepte en laagte, zoals hierboven vers 13, voor de laagte van het land, of van de voren, Spr. 9:18, voor de diepte van het graf; en hier voor een kuil, die door een moedig paard in de aarde gemaakt wordt.
geharnaste
Of, gewapenden. Hebreeuws, wapen, of wapening.
Hertaald:
geharnaste
Of: gewapenden. Hebreeuws: wapen, of wapenrusting.
vreze,
Dat is, de dingen, die den mensen vrees plegen aan te jagen, als allerlei wapenen en krijgsgereedschap. Vrees voor dat te vrezen is; alzo Spr. 1:26 , en Spr. 10:24 ; Jes. 66:4 .
Hertaald:
vreze,
Dat is: de dingen die mensen gewoonlijk angst aanjagen, zoals allerlei wapens en oorlogstuig. Vrees voor dat wat te vrezen is; zo ook Spr. 1:26, en Spr. 10:24; Jes. 66:4.
wederom
Hebreeuws, van het aangezicht des zwaards.
Hertaald:
wederom
Hebreeuws: van het aangezicht van het zwaard.
de pijlkoker,
Te weten, des gewapenden ruiters, die daarop zit.
Hertaald:
de pijlkoker,
Namelijk: van de gewapende ruiter, die erop zit.
het vlammig
Hebreeuws, vlam; maar dit woord is ook bij gelijkenis genomen voor het blinkende en glinsterende ijzer van een spies, lans en zwaard. Zie Gen. 3:24 :1 Sam. 17:7 ; Nah. 3:3 .
Hertaald:
het vlammig
Hebreeuws: vlam; maar dit woord wordt ook bij wijze van vergelijking gebruikt voor het blinkende en glinsterende ijzer van een speer, lans en zwaard. Zie Gen. 3:24; 1 Sam. 17:7; Nah. 3:3.
slokt het
Dat is, loopt daarover met zulke snelheid en vaardigheid, dat het schijnt deze in te slikken, overmits hij, die daarop zit, het land terstond uit het gezicht verliest, alsof het van een paard opgeslokt en ingezwolgen ware. Anders, slorpt in, te weten, het stof dat het met zijn voeten maakt, of holt uit.
Hertaald:
slokt het
Dat is: loopt daarover met zo'n snelheid en behendigheid, dat het lijkt alsof het de aarde verslindt, omdat degene die erop zit het land meteen uit het zicht verliest, alsof het door een paard opgeslokt en ingezwolgen was. Anders: slorpt in, namelijk het stof dat het met zijn voeten maakt, of holt uit.
gelooft niet,
De zin is dat de moedige paarden in den strijd zo over en weder lopen met zulke haastigheid en moed, en zo branden om aan het gevecht en gewoel te komen, dat zij niet merken, zelfs op den slag der trompetten. Of, zij zijn zo vrolijk, wanneer zij het geluid der trompetten horen, dat zij, om zo te spreken, hetzelve kwalijk kunnen geloven. Anders, houdt zich niet vast als het geluid der bazuin gaat. Hebreeuws, de stem der bazuin.
Hertaald:
gelooft niet,
De betekenis is dat de moedige paarden in de strijd zo heen en weer lopen met zulke haast en moed, en zo branden van verlangen om aan het gevecht en gewoel deel te nemen, dat zij zelfs bij het geluid van de trompetten niets merken. Of: zij zijn zo verheugd wanneer zij het geluid van de trompetten horen, dat zij het, om zo te zeggen, nauwelijks kunnen geloven. Anders: houdt zich niet stil wanneer het geluid van de bazuin klinkt. Hebreeuws: de stem van de bazuin.
In het volle
Hebreeuws, in de genoegzaamheid der bazuinen; dat is, als de bazuin of de trompet ten allerklaarste slaat. Of, onder de bazuin.
Hertaald:
In het volle
Hebreeuws: in de volheid van de bazuinen; dat is: wanneer de bazuin of de trompet op zijn helderst klinkt. Of: onder de bazuin.
Heah
Dit is een woord, betekenende het geluid van vreugde, en ook somtijds van grote moedigheid, waarmede men zijn vijand trotseert. Vergelijk Ps. 35:21 , Ps. 35:25 , en Ps. 40:16 ; Ezech. 36:2 .
Hertaald:
Heah
Dit is een woord dat het geluid van vreugde betekent, en soms ook van grote moed, waarmee men zijn vijand trotseert. Vergelijk Ps. 35:21, Ps. 35:25, en Ps. 40:16; Ezech. 36:2.
der vorsten
Versta het geroep en gebaar der oversten, waarmede zij elkander in den strijd, om schrik te maken, bejegenen en aanvallen.
Hertaald:
der vorsten
Versta hieronder: het geroep en gebaar van de leiders, waarmee zij elkaar in de strijd, om angst aan te jagen, tegemoet treden en aanvallen.
Vliegt
Anders, verpluimt de sperwer; dat is, verandert hij van vederen? Anders, gebruikt de sperwer vederen? dat is, vliegt hij?
Hertaald:
Vliegt
Anders: verandert de sperwer van vederen? Anders: gebruikt de sperwer vederen? Dat is: vliegt hij?
Verstand,
Dat is, voorzienigheid, zorg en bestuur.
Hertaald:
Verstand,
Dat is: voorzienigheid, zorg en bestuur.
naar het zuiden?
Om de koude des winters te ontvlieden, en door de warmte der zon [zo enigen menen] te verpluimen.
Hertaald:
naar het zuiden?
Om de kou van de winter te ontvluchten, en door de warmte van de zon [zoals sommigen menen] van vederen te veranderen.
uw bevel,
Hebreeuws, uw mond; dat is, bevel, gebod. Zie Gen. 41:40 .
Hertaald:
uw bevel,
Hebreeuws: uw mond; dat is: bevel, gebod. Zie Gen. 41:40.
scherpte
Hebreeuws, op den tand. Zo noemen de Hebreën de uitstekende hoogten der steenrotsen, die niet beklimbaar zijn. Zie 1 Sam. 14:4 .
Hertaald:
scherpte
Hebreeuws: op de tand. Zo noemen de Hebreeën de uitstekende hoogten van de rotsen, die niet beklimbaar zijn. Zie 1 Sam. 14:4.
zien
Van de naturonderzoekers wordt den arend onder het gedierte een zeer scherp en sterk gezicht toegeschreven, waardoor hij van verre en wijduit zijn aas kan bespeuren.
Hertaald:
zien
Door natuuronderzoekers wordt de arend onder de dieren een zeer scherp en sterk gezichtsvermogen toegeschreven, waardoor hij van ver en van grote afstand zijn prooi kan bespeuren.
par van verre af
Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen van verre, maar ook tot in vergelegen plaatsen.
Hertaald:
par van verre af
Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen van ver, maar ook tot in verafgelegen plaatsen.
bloed;
Te weten, uit de dode lichamen der mensen en der beesten, die de ouden voor hen bejagen, en bij stukken, of geheel, naardat zij die dragen kunnen, in het nest brengen.
Hertaald:
bloed;
Namelijk: uit de dode lichamen van mensen en dieren, die de jongen voor hen bejagen, en in stukken, of geheel, naargelang zij die kunnen dragen, naar het nest brengen.
waar verslagenen zijn,
De Heere Christus, in de plaatsen recht tevoren aan den kant getekend, ziet op deze woorden om te tonen dat de kinderen Gods door de verlichting en roering zijns Geestes, tot Hem, die door zijn dood het waarachtig en enig voedsel hunner zielen geworden is, van alle plaatsen vergaderen, gelijk de arenden door hun klaar gezicht en scherpen reuk tot de dode lichamen om hun voedsel toevlieGen.
Hertaald:
waar verslagenen zijn,
De Heere Christus doelt, op de plaatsen die net hiervoor in de kantlijn aangegeven zijn, op deze woorden om te tonen dat de kinderen van God, door de verlichting en beweging van Zijn Geest, van alle plaatsen samenkomen tot Hem, Die door Zijn dood het ware en enige voedsel van hun zielen geworden is, zoals de arenden door hun scherpe gezicht en fijne reuk naar de dode lichamen toevliegen om hun voedsel. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas De vragen gaan van de hemel naar het gedierte. Jaagt Job roof voor de oude leeuw en vult hij de honger van de jonge leeuwen (Job 39:1-2)? Wie bereidt de raaf haar voedsel wanneer haar jongen tot God schreeuwen en ronddwalen omdat er niets te eten is (Job 39:3)? Weet Job wanneer de steengeiten baren, en heeft hij de arbeid van de hinden waargenomen (Job 39:4-6)? Hun jongen worden groot en keren niet terug (Job 39:7). Wie heeft de wilde ezel losgelaten en hem de wildernis tot huis gegeven (Job 39:8-9)? Die lacht om het gewoel van de stad en hoort het geschreeuw van de drijver niet (Job 39:10). Zal de eenhoorn Job dienen en bij zijn krib overnachten (Job 39:12)? Daarna komen de struisvogel, het paard dat de bazuin ruikt van verre, de sperwer en de arend die zijn nest in de hoogte maakt (Job 39:16-30). Bijbelse betekenis: God voert Job hier langs dieren die niemand houdt en die niemand nodig heeft. De wilde ezel is niet te gebruiken en de eenhoorn laat zich niet voor de ploeg spannen. Toch bestaan zij, en toch worden zij gevoed. De raaf is daarbij het scherpste voorbeeld, want zij gold in Israël als een onreine vogel; juist haar jongen roepen tot God en krijgen te eten. Wat hier gebeurt, is meer dan een les in nederigheid. Job krijgt een wereld te zien die niet om hem draait en die toch door God onderhouden wordt. Dat neemt zijn vragen niet weg, maar het verandert de maat waarmee hij meet. En er zit troost in. Als God de raven voedt zonder dat iemand het ziet, dan doet Hij het ook waar Job Zijn hand niet ziet. Dat is precies het punt waarop Job vastliep: hij zag God niet meer. Typologie: De psalm noemt dezelfde zorg met dezelfde voorbeelden: God geeft "aan de jonge raven, als zij roepen" (Ps. 147:9), en de jonge leeuwen zoeken "hun spijs van God" (Ps. 104:21). De Heere Jezus maakt er onderwijs voor Zijn discipelen van, wanneer Hij hen op de vogels des hemels wijst die niet zaaien en toch gevoed worden. Job 39:1-30; Ps. 104:21; Ps. 147:9 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Deze indringende preek laat zien hoe zelfs de meest toegewijde gelovigen blijven worstelen met de inwonende zonde, en hoe juist een diepe ontmoeting met Gods heiligheid ons leert… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Zie, ik ben te gering… Job 39:37 Arme, verloren zondaar, hier heb ik een hoopgevend woord voor je! Je denkt dat… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 39
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
De inwonende zonde
Zie, ik ben te gering


Job 39
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Ib. Vs. 1-7. Mijne almacht, wijsheid en goedheid brengt ook teweeg, dat de sterkste dieren, en evenzo de zwakste, de leeuw en de raaf hun onderhoud vinden, dat ook de meest schuchtere dieren; als steengeiten en hinden ter rechter tijd baren. Nadat de Heere Job Zijne wonderen in den hemel, op aarde en in de zee heeft voorgesteld, voert Hij hem in het tweede gedeelte Zijner rede, van de levenloze schepselen tot de levende, tot het dierenrijk. De Heere stelt hem eerst enige dieren naar zekere betrekkingen voor, nevens elkaar, volgens hun voeding en voortteling, volgens tamheid en wildheid; vervolgens schildert Hij drie bijzonder eigenaardige diersoorten. Met bewonderingswaardige kortheid en levendigheid wordt hier de macht en wijsheid Gods, gelijk zij zich in de schepping van de dierenwereld openbaart, voor ons oog ontvouwd. Zeer bijzonder karakteristieke dieren worden gekozen en met hun eigenaardigheid zo geschilderd, dat men meent ze voor de ogen te zien. In dit alles echter zal niets anders worden voorgesteld, dan de wijsheid, die te aanschouwen is in het door God geschapene, de rijkdom dier wijsheid in de verschillende gedaanten der oneindige heerlijkheid van God zelven.
Zult gij voor den ouden leeuw (beter: voor de leeuwin), het sterkste van alle dieren, door jagen a)? Of de graagheid der jonge leeuwen vervullen, wanneer zij zelf op buit uitgaan?
Psalm 104: 21.
Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering op een van Mij hun bescheiden buit, om dien zo met list in hun macht te krijgen.
Wie bereidt de zwakke en schijnbaar niets betekenende raaf 1) haren kost, met dezelfde liefde en zorg als voor den koning der dieren, den machtigen leeuw? Wie hoort haar als hare jongen tot God schreeuwen (Hoofdstuk 35: 11. (Psalm 147: 9), als zij dwalen, in het rond vliegen, omdat er geen eten is 2) (MATTHEUS. 6: 26)? Ben ik het niet, wiens Vaderlijke goedheid alle begeerten en klachten Mijner schepselen hoor, én grote én sterke maar ook kleine en zwakke met gelijke liefde omvat? Hoe zou ik dan wat naar Zijn beeld geschapen werd, vergeten of verwaarlozen?
Naast den leeuw de raaf, naast den koning onder de dieren, de verachtelijke roofachtige vogel, vooral in het Oosten veracht. Het is om Job aan te tonen, dat God zowel voor het aanzienlijke als voor het geringe zorgt. Den leeuw zou Job vrezen, voor een raaf verachting over hebben, maar God zorgt voor beiden. Ook hier betoont Hij Zijne wonderbare wijsheid en trouw.
Wij weten hoeveel spijze er nodig is voor den leeuw en de overige wilde dieren. Niet slechts nodig is twee of drie mondvollen, om dus die te vullen, maar overvloedig voedsel vragen zij, naarmate zij zich willen versterken. Wie is het nu, die hun de noodzakelijke spijze, en wel zoveel als voldoende is, geeft en er in voorziet? Waar is het, dat een vorst een leeuw of enig wild beest in zijn gevangenschap kan voeden, maar wie is de vorst, die alle beesten der Wereld het noodzakelijkste en voldoende eten kan geven? Laten wij dan God groot maken, dat het Hem behaagt, voedsel te geven aan de wilde beesten, opdat zij kunnen leven in de wereld, en het goede, wat Hij ons toestaat, genieten, en laten wij de les er uit trekken, dat Hij zo veel te meer altijd de Zijnen voedt.
Weet gij den tijd van het baren der steengeiten a)? Hebt gij waargenomen den arbeid, de barensweeën der hinden? Is u niet Mijne wijsheid en vaderlijke tederheid voor den geest gekomen, wanneer gij ziet, dat deze dieren, die in de grootste eenzaamheid leven, die het meest den mens ontvluchten, en wier arbeid geen mens aanschouwt, ondanks alle gevaren, daaraan verbonden, jongen werpen?
Psalm 29: 9.
Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, die zij tot aan de geboorte moeten doorbrengen? en weet gij den tijd van haar baren? Hebt gij den tijd der dracht vastgesteld, en is het uw werk! dat het gene misgeboorten worden?
Als zij zich in de weeën krommen, hare jongen met versplijting voortbrengen 1), hun jongen laten doorbreken, hare kinderen der smarten uitwerpen?
Of, hun jongen latten doorbreken. Het woord in den grondtekst betekent in verband met Het Arabisch, laten doorbreken, in vrijheid laten gaan.
Hare jongen worden kloek, hoewel zij onder zo vele gevaren en met moeite geboren worden; zij worden groot door het koren 1), zonder enige menselijke zorg in het vrije veld; zij gaan spoedig uit, even als de oude, en keren niet weer tot hen, daar zij zelf hun voedsel kunnen vinden.
In het Hebr. Babar. Wel betekent dit woord, koren, graan, maar het kan ook betekenen, een land, waar geen bomen zich bevinden en daarom het vrije veld, en die betekenis moeten we hier hebben. In Dan. 2: 38 hebben we hetzelfde woord in het Chaldeeuws. Insgelijks Dan. 2: 21,32. Job wordt hier gewezen op de bijzondere zorg Gods voor deze dieren, en wordt er naar gevraagd, hoe het komt, dat deze schepselen Gods op zulk een bijzondere wijze door God worden verzorgd. Job heeft er niet de hand in, maar zijn God wel. 8. Vs. 8-15. Wie heeft den woudezel de vrijheid gegeven, dat hij met het drijven en schreeuwen in de stad kan spotten? Wie heeft den eenhoorn zo bandeloos en vrijheidlievend geschapen, dat hij niet, gelijk de stier, tot den arbeid op den akker te dwingen is.
Wie heeft den snelvoetigen woudezel (Hoofdstuk 11: 12; 24: 5. (Genesis 16: 12),vrij heengezonden? Van waar is hij zo ontembaar? en wie heeft de banden des wilden ezels 1) gelost, dat hij zich niet als de tamme ezel, die toch van dezelfde diersoort is, temmen laat?
De wilde ezel (Onager, asinus ferus) wordt ook nu nog in de Syrisch-Arabische woestijn gevonden, ook in de vlakke woeste steppen van Voor-Azië en Tartarije; zij zijn met gehele kudden te zamen. Om dit hun vaderland, dat gene bossen heeft, is ook de naam “woudezel” minder passend. Hij is vuilachtig geel met een witten buik, ongespleten van hoeven en met lange oren; zijn ongehoornde kop gelijkt aan dien der gazellen, maar is veel groter. -De haren hebben het ruwe van het veehaar, en het dier vormt den overgang van het herten- en reeëngeslacht tot den ezel. In schoonheid van vorm, evenredigheid der leden, maar vooral in snelheid, welke geheel buitengewoon is en die van het snelste paard overtreffen moet, laat hij den tammen ezel ver achter zich. -“Ondanks het moeilijke en gevaarlijke zijn de Nomaden toch op de jacht der wilde ezels verzot. Daar het naderen van een koppel, hetwelk steeds uit verscheidene honderden bestaat en altijd door een mannelijk aanvoerder geleid wordt, op verscheidene uren afstand reeds opgemerkt wordt aan de stofwolk, zo komen er van alle kanten zo vele vervolgende ruiters aan, dat de dieren gewoonlijk verstrooid en enkelen door de honden en kogels bereikt worden.
a) Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige 1) de zoutachtige woestijn, tot zijne woningen.
Job 24: 5. Jer. 2: 24.
Zoutachtig land d.i. zo onvruchtbaar en onbebouwd als de omgeving van de Palestijnse Zoutzee. Dat de wilde ezel zelf gaarne zout of potas lekt, wordt ons bericht en laat zich veronderstellen dewijl zoutlikken een liefhebberij van alle plantenetende wilde dieren is.
Hij belacht, vol vreugde over de hem door God geschonkene vrijheid, het gewoel der stad, het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet, dat den tammen ezel tot den arbeid dwingt.
Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijne weide en hij zoekt allerlei groensel na; met wat groen van de bergen moet hij tevreden zijn. Erkent gij ook niet daarin Mijne wijsheid, dat Ik zo geheel gelijk-schijnende dieren zulk ene tegenovergestelde natuur gegeven heb 1)?
Door deze tegenoverstellingen bij de dieren wil God Job daartoe brengen, dat hij aan dergelijks raadselachtige verschijningen door God met wijsheid beschikt, denken zal. -Het is onmogelijk, dat een mens Gods raadsbesluiten doorzoeke, waarom Hij het ene zo, het andere anders doet, of waarom Hij den een mens met ene zachtere, buigzamere natuur begaafd heeft, den anderen daarentegen bandeloos, wild en ruw laat zijn. Met den enen handelt Hij zachter, dezen slaat en kastijdt Hij. Dit hangt alles van Zijnen wil, van Zijne ondoorgrondelijke Voorzienigheid af.
Zal de bandeloze eenhoorn 1) u willen dienen? zal hij, gelijk de trekos, vernachten aan uwe kribbe?
Bij hetgeen wij reeds (Deuteronomium 33: 17 ) over den eenhoorn zeiden, voegen wij nog slechts het volgende: Noch de Rinoceros, noch de wilde os (bos urus) kan hiermede bedoeld zijn; want deze dieren waren den bewoners van Palestina, Arabië en Syrië geheel onbekend. Evenmin de buffel, die tembaar is, en van Oost-Indië tot in Hongarije en Italië als huisdier gebruikt wordt, en ook eerst in lateren tijd uit Indië naar West-Azië en Europa moet gekomen zijn, terwijl op onze plaats een bekend en ontembaar dier bedoeld wordt. Nog heden bedoelt men in Syrië met het woord réem ene soort van Antilope, zodat sommige uitleggers menen, dat hier óf de antilope leucoryx bedoeld is, die grotendeels wit is met een gelen rug en gele strepen over den kop, óf de antilope oryx, met witte voeten en in langwerpige vlekken zwartgestreepte benen, of de antilope bubalis. Van deze zegt Dr. Vogel, de reiziger in Afrika, dat zij in de uitgestrekte woestijnen van Noord-Afrika leeft, in grootte een hert overtreft, en de vorming van kop en de gehele gedaante naar een rund gelijkt, hoewel de bouw enigszins slanker is. Zij kan zich zeer snel bewegen en kan, in het nauw gebracht, met hare achterover gebogen hoornen zich zeer goed verdedigen, daar zij even als de os, haren vijand in de hoogte zoekt te slingeren. In haar gezelschap vindt men ook ene andere grote, sterke antilope de Wadan of Audad (oryx gazella). Beide trekken zich het liefst in den bergachtigen omtrek van de woestijn terug, in welke hun beschutte dalen met groen en weinig bezochte bronnen onderhoud verschaffen. Ene van deze antilopen- of oryx-soorten hebben de oude overzetters met dezen eenhoorn bedoeld. Misschien hebben zij werkelijk ene soort met één hoorn gekend en op het oog gehad.
De Uzziter, namelijk verwachtte dat alles zo wezen moest, als hij het hebben wilde. Nu zegt God, naardien gij dan meent, dat alles voor u bukken moet, begin dan eens met den eenhoorn voor u zich te doen vernederen, en beproef alle uwe handigheid en schranderheid eens aan hem. Zie eens, of hij u, in stede van uwe ossen en ezelen, in den landarbeid zal willen ten dienste staan.
Een hoorn van dit dier werd naar Calcutta gezonden. Hij was 60 centimeter lang en 11 in omvang. Van den wortel liep hij in een spits vernauwd toe. Hodgson had als Engels resident van Nepal, het geluk een eenhoorn te bemachtigen. Het is een soort Antilope die in zuidelijk Tibet, hetwelk aan Nepal grenst, Tschiru genaamd wordt. Hodgson zond huid en hoorn naar Calcutta. Zij kwamen van een eenhoorn, die in de menagerie van den Radja van Nepal stierf.
Zult gij den eenhoorn met zijn touw, zijn leidsel, zijn gareel aan de voren binden, gelijk de trekos met den ploeg de voren maakt? zal hij de laagten, de dalen achter u eggen?
Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijne kracht groot is? Durft gij zijne grote kracht u te nutte maken? en zult gij uwen arbeid op hem laten; uwen veldarbeid hem overgeven?
Zult gij van hem geloven, dat hij uw zaad, uw rijpen oogst zal weder brengen, zal inbrengen in uwe schuur, en vergaderen tot uwen dorsvloer? Wilt gij misschien, omdat gij het raadsel van zo groot verschil bij zo gelijke dieren als oryx en stier, niet begrijpt, het berispen. Hier nu moeten wij eerst er op letten, dat, wanneer de dieren ons dienen, dat plaats heeft, omdat God ze beheerst, en ons als het ware in de hand en in de macht geeft, opdat wij ze zouden kunnen gebruiken. Dat dit zo is, is duidelijk. Waarom laat het paard toe zich te laten besturen door den mens, waarom trekt hij den ploeg of draagt de lasten? Waarom gebruiken wij de krachtige ossen, de ezelen en de muildieren? Want het paard is sterk genoeg, om den mens te weerstaan. Wij zien dat het een dier is, moedig en vlug, hoe kan het derhalve beheerst worden? Wat nu de os betreft, wanneer wij zijne hoornen zien, indien wij niet er aan gewend waren hem te regeren, zeker is het, dat hij voor ons een onnoemelijk krachtig en vreselijk dier zou zijn, ja, zo hij maar de kop in beweging brengt, zou hij den mens op de vlucht jagen. Grote ogen en een fieren nek heeft hij. Bovendien indien hij zijne hoornen gebruikt, voorwaar den mens, indien deze hem nabij kwam, zou hij midden door kunnen boren. Men lette ook bij hem op zijn buitengewoon zwaar lichaam. Hoe nu zouden wij hem kunnen gebruiken, indien het niet was, omdat het den Heere heeft goed gedacht, om ons over hem heerschappij toe te delen.
16.
III. Vs. 16-21.KruisverwijzingenKlaagliederen 4:3→Job 35:11→Jeremia 8:16→Jeremia 8:6→Psalmen 147:10→Deuteronomium 28:56→Klaagliederen 2:20→Habakuk 2:13→
— Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels? Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen? Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is. Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld. Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
Zie onder de vogelen nieuwe bewijzen Mijner wijsheid.
Zijn van u de verheugelijke, vleugelen der pauwen? of de vederen des ooievaars, en des struisvogels 1), gebruikt hij ook zijn vleugel, die zozeer op den ooievaar gelijkt, ter verzorging zijner jongen?
Het woord, hier door pauw, vertaald, betekent eigenlijk “geschreeuw,” en is hier een poëtische naam voor de struisen, die zo genoemd wordt wegens haar krassend geschreeuw. Zij heeft met den ooievaar veel gelijkheid. Terwijl echter de laatste om zijne zorgvuldigheid voor de jongen den naam chasida “de vrome” (pia avis) draagt (waarom zij ook als de lievelingsvogel van Hulda, de Germaanse godin van het huwelijksgeluk voorkomt), toont zich de struisvogel geheel zorgeloos en hard tegen over zijne jongen, zodat hij tot een spreekwoord geworden is (Klaagt. 4: 3). In de onvruchtbaarste, eenzaamste woestijn is hij te huis. Hier krabben zij in den heten grond hun nesten, en elk legt ongeveer 30 eieren. Is het nest vol, zo leggen zij ze zonder orde rondom het nest. De hen is zeer angstig, en vlucht licht van de eieren; het mannetje broedt des nachts alleen, om de aanvallen van sjakals en wilde katten, die naar de eieren begerig zijn, af te weren. Als de wreedheid van den struisvogel kan genoemd worden, dat hij de rondom gelegde eieren aan de roofdieren en mensen overlaat, of als voedsel voor zich en de jongen gebruikt. Wanneer zij bemerken, dat hun nest ontdekt is, verwoesten zij het, treden de eieren aan stukken en leggen op ene andere plaats hun nest aan. Een bewijs van de domheid van den struisvogel is, dat de hen, wanneer zij van hare eieren verjaagd is, met luid geschreeuw den haan opzoekt, die haar dan met geweld naar het nest terug brengt. De jager die zich intussen in het zand verstopt heeft, doodt dan dikwijls beide met één gelukkig schot; verder dat de struisvogel bij windstilte tegenover rijdende jagers, in plaats van te vluchten, zich gaarne achter heuvels en in diepten van den grond zoekt te verbergen. Onwaar is het, dat hij, als hij niet meer kan ontvluchten, den kop in het zand steekt. Ondersteunt hem bij zijne vlucht de trekking in de lucht, dan spreidt hij de vederen van den staart als een zeil uit, en ontkomt onder bestendig roeien met de uitgebreide vleugels zijne vervolgers gemakkelijk.
Beter: De vleugel van de struisen beweegt zich lustig, is het de slagveder van den schonen ooievaar of diens veder? In het Oosten stond de ooievaar als een zogenaamde vrome vogel bekend, die innig zorgde voor zijne jongen, de eieren met zorg uitbroedde en zijne jongen van al het nodige voorzag. Vandaar dat hij bij de Heidenen als een goddelijke vogel werd vereerd. Welnu de struisen heeft, wat haar lichaamsbouw betreft, wat de kleur van hare vederen aangaat en wat belangt het gezellig leven in troepen, veel overeenkomst met den ooievaar, maar in haar gedrag tegenover de eieren en tegenover hare jongen is er een zeer groot onderscheid. En op dit onderscheid wil God Job hier doen letten. De Heere wil Job ook hier leren, dat Hij aan het dier het verstand en de wijsheid geeft en dat, waar het geen verstand heeft, om zijne jongen op te voeden, het toch wel is ingeschapen, om zich te verdedigen, of wanneer het moet, zich door een snelle vlucht te redden.
Hoezeer onderscheidt hij zich van den ooievaar, die voor zijne eieren zo bezorgd is! Hebt gij het wel opgemerkt, dat zij hare eieren in de aarde laat, en in het stof, in het hete woestijnzand, die verwarmten uitbroedt?
En dat de struisvogel vergeet, dat de voet des mensen die drukken en vertreden kan, en de dieren des velds, als de hyena, de sjakal of de wilde kat, die vertrappen kunnen.
Zij, de hen, verhardt zich tegen hare jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is dikwijls te vergeefs, die zij met leggen en broeden der eieren had, daar zij ze voor een groot deel weer vertreden of roven laat, omdat zij zonder vreze, zonder zorg is of: “maar het gaat haar niet aan.”
Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, haar deze niet gegeven, en heeft haar des verstands niets meegedeeld. De domheid van den struisvogel is bij de Arabieren tot een spreekwoord geworden.
Bij dag verlaat de hen dikwijls de eieren uit schuwheid en om hare kost te zoeken, wanneer zij ook door de zon genoegzaam verwarmd worden. Tegen den nacht komt zij weer, om er op te broeden, maar dan is zij meestal vergeten, waar zij ze te zoeken heeft, dan vindt ze andere struiseieren en broedt ze, alsof het de hare waren.
Heeft de Heere haar echter dat verstand onthouden, zo heeft Hij haar toch in Zijne Voorzienigheid ene andere wonderbare eigenschap toegedeeld. Als het tijd is, als het er op aankomt om zich te redden, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht dan in haren pijlsnellen, half vliegenden loop het paard en zijnen rijder; zij zullen hem niet inhalen. 22.
IV. Vs. 22-28.KruisverwijzingenObadja 1:4→Jeremia 49:16→Job 39:16→Job 41:33→Job 39:18→Job 41:26→Job 29:24→Amos 3:6→
— Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden? Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet. Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard. Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans. Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin. In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.
Zie verder de heldhaftige schoonheid en de ontembare krijgslust van het strijdpaard aan, welk een heerlijk toonbeeld van macht, wijsheid en heerlijkheid van Zijnen Schepper is het! Dat de dwaze, maar in grootte met den kameel (daarom Struthio camelus), in snelheid met het paard wedijverende struisvogel door het slimme, moedige Arabische paard vervolgd wordt, leidt tot ene schildering van dit dier, die alle beschrijvingen daarvan in verheven eenvoud en edele schoonheid overtreft. Den Israëlieten moest het paard des te bewonderingswaardiger en edeler voorkomen, daar zij het slechts als strijdros nooit als trekdier kenden, als waartoe het bij ons vernederd is.
Zult gij het paard sterkte geven, gelijk ik het hem gaf? Kunt gij zijnen hals met donder 1) bekleden?
In het Hebr. Ra’emah. Dit betekent eigenlijk, beweging (niet donder = Mer), maar wordt ook poëtisch gebruikt voor de manen, dewijl deze bij een strijdros in beweging zijn.
Zult gij het beroeren, doen huppelen en voortrennen, nu rechts, dan links als enen sprinkhaan (Joël 2: 4 vv.),de pracht het geraas van zijn gesnuif is ene verschrikking voor den mens.
Het graaft in den grond, ongeduldig wachtende stampt het gaten in den grond, en het is vrolijk in zijne kracht, het huppelt in het gevoel zijner kracht met vreugde voort, en trekt uit vol van moed ter overwinning, den geharnaste tegemoet.
Het belacht de vreze, die het nog bij zijnen berijder waarneemt, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom van wege het zwaard des vijands, dat hem tegenschittert.
Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer der spies en der lans van zijnen ruiter; toch jaagt het zonder vrees trots en snel voort.
Met schudding ongeduld en beroering, door den moed des toorns slokt het de aarde op, jaagt het zo snel voort, dat gehele streken plotseling verdwijnen, alsof ze verslonden waren, en gelooft niet 1), dat het is het geluid der bazuin, de ruiter kan het niet meer inhouden, zo verlangt het naar den strijd, als het het teken verneemt om zich te verenigen of den aanval te ondernemen.
In het Hebr. Welo jaämin. Dit kan wel betekenen, en gelooft het niet, maar ook, blijft niet staan, en die betekenis moeten we hier hebben. Het woordje dat (ki) is dan te vertalen door, wanneer. Als het, dit wil de Heere hier zeggen, het geluid der bazuin hoort, is het niet tegen te houden, om zich in het slaggewoel te begeven. Virgilius. (Georg III. 33. v.) bijna woordelijk hetzelfde: Tum si qua sonum procul arma dedere, Stare loco nescit, micat auribus et tremit artus.
In het volle geklank der bazuin 1), zo dikwijls de trompetten de strijders tot een nieuwen aanval opwekken zegt het: Heah!, briest het van vreugde en strijdlust, en riekt den krijg van verre, het heeft er een voorgevoel van, nog voordat er een treffen heeft plaats gehad; het ruikt van verre den donder der vorsten, het donderend commando der veldheren, en het gejuich 2), het oorlogsgeschreeuw, dat het teken tot den aanval geeft. Dan stort het zich begerig in den strijd.
Of, bij iedere toon van de bazuin, van de krijgstrompet. Wij hebben hier een onovertrefbaar schone beschrijving van het strijdros, van het krijgspaard, waarbij die der ongewijde dichters verbleekt, als het licht der maan voor dat der zon. Wij zien hier als het ware elke beweging, wij horen het roepen en het stampen met de voeten, wij zien het zich met wellust werpen in het midden van het strijdgewoel. En dit alles om Job zijn nietigheid, zijn kleinheid te doen erkennen tegenover Hem, die zulk een edel dier schiep, en het met die edele hoedanigheden begiftigde.
Hoewel het Arabische paard zacht is als een lam en geen anderen teugel nodig heeft dan den halster, zo schieten toch zijne ogen vuur, zodra het den oorlogskreet van zijnen stam verneemt en de trillende speer van zijnen ruiter ziet, de bloedrode neusgaten openen zich wijd, de hals kromt zich, en staart en manen heffen zich in de hoogte en breiden zich in den wind uit.
Want het voornaamste in dit voorbeeld is dit. n.l. dat het kan strekken, om den ons ingewortelden hoogmoed te onderdrukken. Wanneer wij derhalve worden aangezet, om tegen God te murmureren, of Hem in enige zaak willen tegenstaan of bestrijden, dan hebben wij onze ogen op de beesten te vestigen, want die kunnen ons leren, en ook die school en die leermeesters zijn wij waardig, wanneer wij niet willen verstaan, om God eenvoudig op Zijn woord te gehoorzamen.
29. Vb. Vs. 29-33. Hoe wonderbaar is het, dat de roofvogels naar het Zuiden trekken; hoe stout bouwen zij hun nesten op de hoogste klippen; hoe dringt hun blik in de diepste vlakten door!
Vliegt de sperwer 1) of havik door uw verstand, door uwe wijze beschikking zo hoog op, nu met krachtigen vleugelslag, dan eens rustig zwevende, en breidt hij door uw bestuur elke herfst zijne vleugelen uit naar het Zuiden, om naar warmere landen te trekken?
De sperwer, of liever de havik, want die vogel wordt hier bedoeld, overtreft alle andere vogelen door de kracht en snelheid van zijne vlucht. Bij oude volken, zoals de Egyptenaren, maakte men hem tot een zinnebeeld van de winden. De Heere wil nu Job vragen of hij, n.l. Job, het is, die aan den havik die kracht in zijn vlucht heeft gegeven. Wederom om Job te beschamen en zijn kleinheid te doen gevoelen. Bij den adelaar wijst God op den scherpen blik vooral, dien deze vogel heeft, om uit de verte zijn prooi te speuren.
Is het naar uw bevel, dat de arend 1) zich omhoog verheft a), en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?
Jer 49: 16. Obadja 1: 4.
Het Hebr. woord nesher betekent alle soorten van arenden, ook den gier. Overigens is het niet alleen van gieren waar, maar ook van arenden, bijv. van den krachtigen goud- of steenarend, dat zij daar zijn, waar aas is; alleen van reeds verrotte lijken hebben zij een afkeer. Zij trekken achter de karavanen en storten zich op ieder gevallen kameel of ander stervend wezen, dat door de karavanen wordt achtergelaten.
De adelaar-in zijne hoog opstijgende vlucht, met zijnen koninklijken blik, in zijnen koninklijken burg, in zijnen bloeddorst en zijn roofzuchtig zoeken-sluit deze rij; een koning van het gevederde rijk, gelijk de leeuw, als koning van de dieren der aarde, begon.
Hij, de adelaar, woont en vernacht, heeft zijn nest in de steenrots, op de scherpte, op den stellen top der steenrots en der vaste plaats; die ontoegankelijke rotsen zijn hem een overwinnelijk kasteel.
Van daar speurt hij met zijnen scherpen blik de spijze op, in de diep onder hem liggende dalen; zijne ogen zien van verre af op den grootsten afstand.
Ook zuipen zijne jongen bloed, hoewel zij op ontoegankelijke rotsen hoog in de lucht hun nest hebben, want pijlsnel schieten de ouden uit die hoogte, en verheffen zich met hunnen buit tot in de wolken, en dragen dien naar hun jongen, en waar verslagenen zijn, daar is hij (Habakuk. 1: 8. MATTHEUS. 24: 28. Luk. 17: 37). 34.
VI. Vs. 34-38.
— En de HEERE antwoordde Job, en zeide: Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.
Des Heren verder woord ter bestraffing, en Jobs antwoord. De Hebr. Bijbel begint met dit vers het 40ste Hoofdstuk. De oude overzettingen, de Septuaginta en Vulgata, welke onze Staten-overzetters volgen, hebben echter gelijk, wanneer zij vs. 31-35 voor een slotwoord op deze rede des Heren (Hoofdstuk 39) houden.
En de HEERE, nadat Hij Zijn wonderbaar, dikwijls schijnbaar wedersprekend, maar toch zo wijs beschikken in de natuur voor Job had uitgesproken, antwoordde Job, die, gevoelende niet ene van al deze wonderbare verschijningen te kunnen verklaren, verstomd was en zweeg, en hij zei:
Is het twisten met den Almachtige onderrichten 1)? Wie God bestraft, die meent Hem te kunnen terechtwijzen, alsof hij alles beter wist, die antwoordde daarop 2), op hetgeen Ik zo even gevraagd heb. En zo hij dit beantwoordt, dan wil Ik erkennen, dat hij recht heeft om een oordeel over Mijne daden te vellen.
Beter: Zal de berisper nu met den Almachtige twisten? Dat is: O, gij Job, die God berispt hebt, omtrent Zijne handelingen en leidingen, zult gij nu nog langer twisten met den Almachtige? Hebt gij nog meer lust, om met Hem, die U op Zijn Almacht en Alwetendheid en Wijsheid heeft gewezen, een twistgeding te beginnen, of voort te zetten? In het tweede gedeelte vraagt de Heere, of hij, die God bestraft, terechtwijst, het beter weet dan Hij, Hem nu zal beantwoorden.
Reeds daarin lag voor Job ene diepe beschaming, dat God met hem over geheel andere dingen begon te spreken, dan over zijn recht of onrecht; nog meer daarom, dat God aanstonds het A.B.C. boek der natuur opslaat en den bediller van Zijn bestuur daarin te schande laat worden. Dat God de Almachtige en wijze Schepper en Regeerder der wereld is, dat de natuur boven menselijk kennen en vermogen verheven, en vol van bewonderenswaardige scheppingen en inrichtingen, vol van geheimen en onbegrijpelijkheden voor den onwetende en onmachtige is, dat weet Job ook vóórdat God spreekt, en toch moet hij het horen, omdat hij het niet recht weet; want de natuur, die hij kent als ene predikster van de scheppende en beheersende macht Gods, die is ook ene predikster van ootmoed. Zo verheven als God, de Schepper en Heere der natuur, is boven Jobs bedillen, zo verheven is ook daarboven de bewerker van zijn lijden. Het nieuwe in Jehova’s rede is de betrekking, in welke Job genoodzaakt wordt, hem niet geheel vreemde opmerkingen tot het geheim van Zijn lijden en zijn gedrag jegens God in dit Zijn lijden te plaatsen. Hij, die gene enkele van die vragen uit het gebied van het natuurlijke weet te beantwoorden, maar bovenal Gods macht en wijsheid moet aanbidden en bewonderen, die moet zich zelven een opgeblazen dwaas toeschijnen, wanneer hij daarvan de toepassing maakt op zijn vermetel oordelen over den Bewerker van zijn lijden.
Wij zijn onkundigen en kortzichtigen, maar voor God zijn alle dingen naakt en geopend. Wij zijn dwazen, maar Zijne wijsheid is oneindig. Wij Zijn afhankelijke schepselen, maar Hij is de Soevereine Schepper, en zouden wij voorwenden, Hem te willen onderwijzen?. Het zou vreemd kunnen schijnen, dat God, willende Zijne rechtvaardigheid in bescherming nemen en den mond der mensen stoppen, opdat zij Hem niet gering achten, spreekt over de sterren, over de landbouw, over de scheepvaart, en de natuur der dieren uitlegt. God schijnt hier Zijn argumenten ontleend te hebben, aan wat vreemd was aan het onderwerp en niet aan die, welke op de zaak passende waren. Maar indien wij het doel beschouwen, zullen wij bevinden, dat zij zo meer dienstig zijn geworden, om zo Zijne rechtvaardigheid in bescherming te nemen, dan indien Hij over haar had uitgeweid, en de schepselen niet had laten optreden. Waarom? Dewijl wij tot dit besluit moeten komen, dat Hij, indien het Hem toeschijnt, ons te moeten laten zwetsen, en echter wij er niets door verder komen, dewijl we toch niet zo luid kunnen schreeuwen, dat door ons geroep Zijne oren doof gemaakt worden, Hij ons vele hinderpalen, vele sluitbomen in den weg stelt, dat zo vele schepselen er zijn in den hemel en op aarde en in de zee, zo vele getuigen wij tegen ons hebben, dat wij niet God kunnen nabijkomen. Wij zien derhalve, dat deze wijze van handelen, welke God gevolgd heeft, om Job te treffen en in Zijn persoon alle ongeduldigen, of wie zich al te zeer willen vervoeren, zo geschikt en doeltreffend is, dat niets deze te boven gaat, en dat Hij, een betere manier van onderwijzen, dan die, welke boven is voor ogen gesteld, niet had kunnen volgen.
God verdedigt Zijne rechtvaardigheid en Zijn wijs beleid, omtrent de wegen, die Hij met Zijn mensenkinderen houdt, niet rechtstreeks. maar de grondtoon van Zijne rede tot Job is deze: Als uw weten, als uw doorgronden van de Goddelijke zorg in het rijk der natuur zo weinig is en zo eng, dat gij op de vragen, die Ik U gesteld heb, geen antwoord kunt geven, is het dan te verwonderen, dat gij ten minste niet doorgronden kunt de verborgen wegen en Mijne verborgene gedachten omtrent het lot en den levensloop van mensenkinderen? En indien alles, wat zich in de dierenwereld openbaart, bewijs is van Mijne Wijsheid en Majesteit en Goedheid, zou het dan ook niet kunnen zijn, dat die wegen, die gij veroordeelt, ten leste wegen van wijsheid en van goedheid blijken te zijn? Die God, die Zijne Vaderzorg aanwendt voor het redeloos schepsel, is Hij niet die zelfde God, die hem nu wel laat lijden, maar niet om hem te plagen, maar om hem te louteren, in elk geval, om hem ten goede nabij te zijn?
Toen antwoordde Job, in ‘t diepste gevoel zijner geringheid den HEERE, en zei:
Zie, ik hen te gering en onbekwaam tegenover zulk ene diepe wijsheid en heerlijkheid. Wat zou ik U antwoorden op Uwe vragen? Het ware dwaasheid a). Ik leg mijne hand, vol beschaamdheid en eerbied op mijnen mond (Hoofdstuk 21: 5; 29: 9).
Psalm 39: 10. Zowel in de natuur als in de zedelijke wereld zijn raadselen, waarvan God-Almachtig de oplossing aan Zich heeft behouden, hoogten en diepten, waarin zich ons verstand verliest, en die tot de verootmoedigende overtuiging brengen, dat al ons kennen slechts gedeeltelijk is, een stukske der zaak, niet noemenswaardig, indien wij het vergelijken bij hetgeen ons verborgen blijft. Welk ene dwaasheid dan, indien wij ons aanstellen, alsof wij het geheel overzagen, en hetgeen wij niet begrijpen naar het weinige beoordelen, dat door ons begrepen wordt; welk ene vermetelheid, Gods doen te willen bedillen, of Hem als wetten voor te schrijven, wat wij als meer of min bestendige verschijnselen hebben opgemerkt. Ach, hoe licht komt de hoogmoedige mens tot hetgeen genoemd wordt: “Gods raad verduisteren met woorden zonder wetenschap; ” het is ene betere wijsheid “de hand op den mond te leggen” en zijne “geringheid” te belijden.
Eénmaal heb ik mij onderwonden, en heb morrend tegen den Heere en Zijne regering gesproken, maar ik zal het nietwagen te antwoorden; of tweemaal, eens en andermaal, sprak ik dwaze redenen, maar ik zal niet voortvaren. Ik erken nu Uwe macht en wijsheid en buig mij daaronder. O wonder der liefde en lankmoedigheid Gods! -Hoe lang hoort Hij Jobs vermetele, uitdagende redenen aan en zwijgt! En als Hij dan begint te spreken, slaat Hij Job niet door machtspreuken neer, maar handelt met hem als met een kind; Hij examineert hem uit den Catechismus der natuur en laat hem zelven zeggen, dat hij bij dit examen valt. Gemeenschap met God overwint en verootmoedigt een heilige, en maakt dat hij met vreugde afstand doet van zijne geliefdste zonde. Wij moeten overwonnen en vernederd worden, en hebben ook verder verootmoediging nodig.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel