Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Daarna antwoorddeH6030 de HEEREH3068 JobH347 uitH4480 een onwederH5591, en zeideH559:
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
KJV
Then the LORD2
answered1
Job4
out of the whirlwind,6
and said,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WieH4310 is hij, dieH2088 den raadH6098 verduistertH2821 met woordenH4405 zonder wetenschapH1847?
Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
KJV
Who is this that darkeneth3
counsel4
by words5
without knowledge?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
GordH247 nu, als een manH1397, uw lendenH2504, zo zal Ik u vragenH7592, en onderrichtH3045 Mij.
Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
KJV
Gird up1
now thy loins4
like a man;3
for I will demand5
of thee, and answer
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Waar waartH1961 gij, toen Ik de aardeH776 gronddeH3245? Geef het te kennenH5046, indienH518 gij kloekH3045 van verstandH998 zijt.
Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
KJV
Where1
wast thou when I laid the foundations3
of the earth?4
declare,5
if thou hast7
understanding.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Wie heeft haar matenH4461 gezetH7760, wantH3588 gij weetH3045 het; ofH176 wieH4310 heeft overH5921 haar een richtsnoerH6957 getrokkenH5186?
Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
KJV
Who hath laid2
the measures3
thereof, if thou knowest?5
or who hath stretched8
the line
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Waarop zijn haar grondvestenH134 nedergezonkenH2883, ofH176 wieH4310 heeft haar hoeksteenH6438 gelegdH3384?
Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?
KJV
Whereupon are the foundations3
thereof fastened?4
or who laid7
the corner9
stone
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Toen de morgensterrenH1242 te zamenH3162 vrolijk zongenH7442, en alH3605 de kinderenH1121 GodsH430 juichtenH7321.
Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
KJV
When the morning4
stars3
sang1
together,2
and all the sons7
of God8
shouted
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Of wie heeft de zeeH3220 met deurenH1817 toegeslotenH5526, toen zij uitbrakH1518, en uit de baarmoederH7358 voortkwamH3318?
Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
KJV
Or who shut up1
the sea3
with doors,2
when it brake forth,4
as if it had issued out6
of the womb?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Toen Ik de wolkH6051 tot haar kledingH3830 steldeH7760, en de donkerheidH6205 tot haar windeldoekH2854;
Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
KJV
When I made1
the cloud2
the garment3
thereof, and thick darkness4
a swaddlingband
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Toen Ik voor haar met Mijn besluitH2706 de aarde doorbrakH7665, en zetteH7760 grendelH1280 en deurenH1817;
Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
KJV
And brake up1
for it my decreed3
place, and set4
bars5
and doors,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En zeideH559: TotH5704 hiertoe zult gij komenH935, en niet verder, en hier zal hij zich stellenH7896 tegen den hoogmoedH1347 uwer golvenH1530.
En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
KJV
And said,1
Hitherto2
shalt thou come,4
but no further:6
and here shall thy proud9
waves10
be stayed?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Hebt gij van uw dagenH3117 den morgenstondH1242 gebodenH6680? Hebt gij den dageraadH7837 zijn plaatsH4725 aangewezen;
Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;
Ook in dit vers
gewezenH3045
KJV
Hast thou commanded2
the morning3
since thy days;1
and caused the dayspring5
to know4
his place;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Opdat hij de eindenH3671 der aardeH776 vattenH270 zou; en de goddelozenH7563 uitH4480 haar uitgeschudH5287 zouden worden?
Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
KJV
That it might take hold1
of the ends2
of the earth,3
that the wicked5
might be shaken out
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Dat zij veranderdH2015 zou worden gelijk zegelleemH2563, en zij gesteldH3320 worden als een kleedH3830?
Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
KJV
It is turned1
as clay2
to the seal;3
and they stand4
as a garment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En dat van de goddelozenH7563 hun lichtH216 geweerdH4513 worde, en de hogeH7311 armH2220 worde gebrokenH7665?
En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
KJV
And from the wicked2
their light3
is withholden,1
and the high5
arm4
shall be broken.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zijt gij gekomenH935 tot aan de oorsprongenH5033 der zeeH3220, en hebt gij in het ondersteH2714 des afgrondsH8415 gewandeldH1980?
Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
KJV
Hast thou entered1
into the springs3
of the sea?4
or hast thou walked7
in the search5
of the depth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zijn u de poortenH8179 des doodsH4194 ontdektH1540, en hebt gij gezienH7200 de poortenH8179 van de schaduw des doods?
Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?
Ook in dit vers
schaduw doodsH6757
KJV
Have the gates3
of death4
been opened1
unto thee? or hast thou seen7
the doors5
of the shadow of death?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Zijt gij met uw verstandH995 gekomen totH5704 aan de breedteH7338 der aardeH776? Geef het te kennenH5046, indienH518 gij dit allesH3605 weetH3045.
Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
KJV
Hast thou perceived1
the breadth3
of the earth?4
declare5
if thou knowest
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Waar is de wegH1870, daar het lichtH216 woontH7931? En de duisternisH2822, waar is haar plaatsH4725?
Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
KJV
Where is the way3
where light5
dwelleth?4
and as for darkness,6
where is the place
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Dat gij dat brengenH3947 zoudt totH413 zijn paleH1366, en datH3588 gij merkenH995 zoudt de padenH5410 zijns huizesH1004?
Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
KJV
That thou shouldest take2
it to the bound4
thereof, and that thou shouldest know6
the paths7
to the house
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Gij weetH3045 het, wantH3588 gij waartH227 toen geborenH3205, en uw dagenH3117 zijn veelH7227 in getalH4557.
Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
KJV
Knowest1
thou it, because thou wast then born?4
or because the number5
of thy days6
is great?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Zijt gij gekomenH935 totH413 de schatkamerenH214 der sneeuwH7950, en hebt gij de schatkamerenH214 des hagelsH1259 gezienH7200?
Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?
KJV
Hast thou entered1
into the treasures3
of the snow?4
or hast thou seen7
the treasures5
of the hail,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
DienH834 Ik ophoudeH2820 tot den tijdH6256 der benauwdheidH6862, tot den dagH3117 des strijdsH7128 en des oorlogsH4421!
Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!
KJV
Which I have reserved2
against the time3
of trouble,4
against the day5
of battle6
and war?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Waar is de wegH1870, daar het lichtH216 verdeeldH2505 wordt, en de oostenwindH6921 zich verstrooitH6327 opH5921 de aardeH776?
Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
KJV
By what1
way3
is the light5
parted,4
which scattereth6
the east wind7
upon the earth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WieH4310 deeltH6385 voor den stortregenH8585 een waterloopH7858 uit, en een wegH1870 voor het weerlichtH2385 der donderenH6963?
Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
KJV
Who hath divided2
a watercourse4
for the overflowing of waters,3
or a way5
for the lightning6
of thunder;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Om te regenenH4305 opH5921 het landH776, waar niemandH3808 is, op de woestijnH4057, waarin geen mensH120 is;
Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
KJV
To cause it to rain1
on the earth,3
where no man5
is; on the wilderness,6
wherein there is no man;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Om het woesteH7722 en het verwoesteH4875 te verzadigenH7646, en om het uitspruitselH4161 der grasscheutjesH1877 te doen wassenH6779.
Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
KJV
To satisfy1
the desolate2
and waste3
ground; and to cause the bud5
of the tender herb6
to spring forth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Heeft de regenH4306 een vaderH1, ofH176 wieH4310 baartH3205 de druppelenH96 des dauwsH2919?
Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?
KJV
Hath1
the rain2
a father?3
or who hath begotten6
the drops7
of dew?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Uit wiensH4310 buikH990 komtH3318 het ijsH7140 voortH3318, en wieH4310 baartH3205 den rijmH3713 des hemelsH8064?
Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?
KJV
Out of whose womb1
came3
the ice?4
and the hoary frost5
of heaven,6
who hath gendered
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Als met een steenH68 verbergenH2244 zich de waterenH4325, en het vlakkeH6440 des afgrondH8415 wordt omvatH3920.
Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
KJV
The waters2
are hid3
as with a stone,1
and the face4
of the deep5
is frozen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Kunt gij de liefelijkhedenH4575 van het ZevengesternteH3598 bindenH7194, ofH176 de strengenH4189 des OrionsH3685 losmakenH6605?
Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?
KJV
Canst thou bind1
the sweet influences2
of Pleiades,3
or loose7
the bands5
of Orion?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Kunt gij de MazzarothH4216 voortbrengenH3318 opH5921 haar tijdH6256, en den WagenH5906 met zijn kinderenH1121 leidenH5148?
Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?
KJV
Canst thou bring forth1
Mazzaroth2
in his season?3
or canst thou guide7
Arcturus4
with his sons?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
WeetH3045 gij de verordeningenH2708 des hemelsH8064, ofH518 kunt gij deszelfs heerschappijH4896 op de aardeH776 bestellenH7760?
Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
KJV
Knowest1
thou the ordinances2
of heaven?3
canst thou set5
the dominion6
thereof in the earth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Kunt gij uw stemH6963 tot de wolkenH5645 opheffenH7311, opdat een overvloedH8229 van waterH4325 u bedekkeH3680?
Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
KJV
Canst thou lift up1
thy voice3
to the clouds,2
that abundance4
of waters5
may cover
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Kunt gij de bliksemenH1300 uitlatenH7971, dat zij henenvarenH3212, en tot u zeggenH559: ZieH2009, hier zijn wij?
Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
KJV
Canst thou send1
lightnings,2
that they may go,3
and say
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
WieH4310 heeft de wijsheidH2451 in het binnensteH2910 gezetH7896? OfH176 wieH4310 heeft den zinH7907 het verstandH998 gegevenH5414?
Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
KJV
Who hath put2
wisdom4
in the inward parts?3
or who hath given7
understanding9
to the heart?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
WieH4310 kan de wolkenH7834 met wijsheidH2451 tellenH5608, en wieH4310 kan de flessenH5035 des hemelsH8064 nederleggenH7901?
Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
KJV
Who can number2
the clouds3
in wisdom?4
or who can stay8
the bottles5
of heaven,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
Als het stofH6083 doorgotenH3332 is tot vastigheidH4165, en de kluitenH7263 samenklevenH1692?
Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
KJV
When the dust2
groweth1
into hardness,3
and the clods4
cleave fast together?
een onweder,
Door hetwelk God Job zijn tegenwoordigheid te kennen gaf, hem aandachtig maakte en vernederende voor zijn majesteit. Zie gelijke voorbeelden Ex. 19:16 , Ex. 19:18 , Ex. 19:22 , enz.; Deut. 4:11 ; 1 Kon. 19:11-12 ; Ezech. 1:4 ; Nah. 1:3 .
Hertaald:
een onweder,
Waardoor God Job Zijn aanwezigheid liet kennen, hem aandachtig maakte en hem vernederde voor Zijn majesteit. Zie soortgelijke voorbeelden Ex. 19:16, Ex. 19:18, Ex. 19:22, enzovoort; Deut. 4:11; 1 Kon. 19:11-12; Ezech. 1:4; Nah. 1:3.
den raad
Versta, Gods besluiten en oordelen. Alzo Ps. 33:11 ; Spr. 19:21 ; Jes. 28:29 ; Hand. 2:23 .
Hertaald:
den raad
Versta hieronder: Gods besluiten en oordelen. Zo ook Ps. 33:11; Spr. 19:21; Jes. 28:29; Hand. 2:23.
verduistert
Te weten, mits denzelven van enige gebreken ten onrechte en dwaselijk te beschuldigen.
Hertaald:
verduistert
Namelijk: door deze ten onrechte en dwaas van enige gebreken te beschuldigen.
Gord nu,
Dat is, maak u vaardig om met mij in samenspreking te treden, gelijk gij begeerd hebt. Het is een manier van spreken, genomen van degenen, die, lange klederen dragende, dezelve opschorten als zij zich vaardig maken tot enig werk. Vergelijk de aantekening 1 Kon. 18:46 .
Hertaald:
Gord nu,
Dat is: maak u gereed om met Mij in gesprek te treden, zoals u verlangd hebt. Het is een manier van spreken, ontleend aan wie lange kleren draagt en die opschort wanneer men zich gereedmaakt voor enig werk. Vergelijk de aantekening bij 1 Kon. 18:46.
onderricht Mij
God spreekt Job spottenderwijze toe, om hem te vernederen door de overlegging der menselijke nietigheid, vergeleken met de goddelijke majesteit, waarmede hij geschenen had in twisting te willen treden. Zie 1 Kon. 22:15 .
Hertaald:
onderricht Mij
God spreekt Job spottend toe, om hem te vernederen door hem de menselijke nietigheid voor te houden, vergeleken met de goddelijke majesteit, waarmee hij een redetwist had willen aangaan. Zie 1 Kon. 22:15.
grondde?
Dat is, maakte en haar grond legde. Zie boven, Job 26:7 , en de aantekening. Hij wil zeggen, nergens. Dit en het volgende zijn manieren van spreken, genomen bij gelijkenis van het bouwen van enige timmering.
Hertaald:
grondde?
Dat is: maakte en legde haar fundament. Zie hierboven Job 26:7, en de aantekening. Hij wil zeggen: nergens. Dit en het volgende zijn manieren van spreken, ontleend aan het bouwen van een bouwwerk.
indien gij
Hebreeuws, indien gij verstand weet, dat is, kloek en verstand, zeer ervaren en verstandig zijt. Vergelijk 1 Kron. 12:32 ; 2 Kron. 2:12 ; Jes. 29:24 .
Hertaald:
indien gij
Hebreeuws: als u kennis weet, dat is: verstandig en wijs, zeer ervaren en verstandig bent. Vergelijk 1 Kron. 12:32; 2 Kron. 2:12; Jes. 29:24.
haar
Te weten, de maten der aarde.
Hertaald:
haar
Namelijk: de maten van de aarde.
maten
Dat is, omloop, of breedte en diepte.
Hertaald:
maten
Dat is: omvang, of breedte en diepte.
want gij
God spreekt hem weder spottenderwijze toe, gelijk boven, vs.3. Anders, indien gij het weet.
Hertaald:
want gij
God spreekt hem opnieuw spottend toe, zoals hierboven vers 3. Anders: als u het weet.
richtsnoer
Te weten, opdat zij haar rechte verhouding, gestalte en schoonheid zou hebben. Vergelijk Ps. 19:5 .
Hertaald:
richtsnoer
Namelijk: opdat zij haar juiste verhouding, gestalte en schoonheid zou hebben. Vergelijk Ps. 19:5.
hoeksteen
Hebreeuws, de steen haars hoeks; dat is, die het werk samenhecht en vastmaakt. Vergelijk Ps. 118:22 ; Matt. 21:42 .
Hertaald:
hoeksteen
Hebreeuws: de steen van haar hoek; dat is: die het werk samenvoegt en vastmaakt. Vergelijk Ps. 118:22; Matth. 21:42.
gelegd?
Hebreeuws, geworpen.
Hertaald:
gelegd?
Hebreeuws: geworpen.
morgensterren
Sommigen verstaan door deze de allerklaarste sterren; vergelijk Ps. 148:3 . Anderen nemen uit het volgende af, dat hiermede moeten verstaan worden de heilige engelen. Van de sterren eigenlijk genomen, zie onder vs.31,32.
Hertaald:
morgensterren
Sommigen verstaan hieronder de allerhelderste sterren; vergelijk Ps. 148:3. Anderen leiden uit het vervolg af dat hiermee de heilige engelen bedoeld worden. Over de sterren in eigenlijke zin, zie hieronder vers 31, 32.
de kinderen
Dat is, de heilige engelen; zie boven, Job 1:6 , en Job 2:1 .
Hertaald:
de kinderen
Dat is: de heilige engelen; zie hierboven Job 1:6, en Job 2:1.
wie
Dit woord is hier ingevoegd uit vs.5.
Hertaald:
wie
Dit woord is hier ingevoegd uit vers 5.
toegesloten,
Hebreeuws, bedekt; dat is, ingehouden, of afgetuind; opdat zij niet buiten haar gestelde palen zou uitvloeien.
Hertaald:
toegesloten,
Hebreeuws: bedekt; dat is: tegengehouden, of omheind; opdat zij niet buiten haar gestelde grenzen zou uitvloeien.
baarmoeder
Dat is, uit de ordinantie en het bevel Gods in een ogenblik, gelijk een kind ter wereld uit zijns moeders lichaam voortkomt. Anderen verstaan door der moeders lijf den afgrond, waarmede de aarde in het eerst bedekt was; Gen. 1:2 .
Hertaald:
baarmoeder
Dat is: door de beschikking en het bevel van God, in een ogenblik, zoals een kind ter wereld komt uit het lichaam van zijn moeder. Anderen verstaan onder de schoot van de moeder de afgrond, waarmee de aarde in het begin bedekt was; Gen. 1:2.
Toen Ik
God, om zijn grote macht te tonen, vergelijkt de zee bij een jong kind, hetwelk moet gekleed en nog ingewonden worden. De klederen nu der zee zijn de wolken, die haar bedekken, de windeldoek zijn alle donkerheden, dampen, nevelen en schaduwen.
Hertaald:
Toen Ik
God vergelijkt, om Zijn grote macht te tonen, de zee met een jong kind, dat gekleed en nog ingewikkeld moet worden. De kleding van de zee zijn de wolken die haar bedekken, de windsels zijn alle duisternis, dampen, nevels en schaduwen.
voor haar
Dat is, voor de zeer; te weten, om die in het land te laten invloeien.
Hertaald:
voor haar
Dat is: voor de zee; namelijk om die in het land te laten invloeien.
de aarde
Dat is, holligheden daarin maakte, door welke een deel van haar water daarin vloeien zou; waaruit dan vele rivieren en binnenwateren ontstaan zijn. Anders, toen Ik over haar mijn ordinantie besloot; te weten, welke in het volgende verhaald wordt. Of, aldus: Zou Ik dan mijn besluit over haar breken? Ik heb grendel en deuren gezet, en gezegd, enz.
Hertaald:
de aarde
Dat is: er holtes in maakte, waardoor een deel van haar water daarin zou vloeien; waaruit dan veel rivieren en binnenwateren ontstaan zijn. Anders: toen Ik over haar mijn beschikking besloot; namelijk wat in het vervolg verteld wordt. Of zo: zou Ik dan mijn besluit over haar breken? Ik heb grendel en deuren gezet, en gezegd, enzovoort.
grendel
Versta, de duinen en oevers der zee, die het water inhouden, dat het niet verder over den aardbodem uitvallen kan; Jer. 5:22 .
Hertaald:
grendel
Versta hieronder: de duinen en oevers van de zee, die het water inhouden, zodat het niet verder over de aardbodem kan uitvallen; Jer. 5:22.
zeide
Van Gods zeggen, zie Gen. 1:3 .
Hertaald:
zeide
Over Gods zeggen, zie Gen. 1:3.
hij zich
Te weten, de grendel, waarvan in vs.10, dat is, zand, klippen, oever der zee.
Hertaald:
hij zich
Namelijk: de grendel, waarover in vers 10, dat is: zand, klippen, oever van de zee.
golven
Het Hebreeuwse woord is ook alzo genomen Ps. 89:10 ; Jes. 48:18 ; Zach. 10:11 .
Hertaald:
golven
Het Hebreeuwse woord wordt ook zo gebruikt Ps. 89:10; Jes. 48:18; Zach. 10:11.
van uw dagen
Dat is, van het beginsel uws levens af. Vergelijk boven, Job 27:6 .
Hertaald:
van uw dagen
Dat is: vanaf het begin van uw leven. Vergelijk hierboven Job 27:6.
geboden?
Te weten, dat hij voortkomen zou door het oprijzen der zon, naar de orde, die men nu in de natuur kan aanschouwen.
Hertaald:
geboden?
Namelijk: dat hij zou voortkomen door het opgaan van de zon, volgens de orde die men nu in de natuur kan waarnemen.
zijn plaats
Dat is, het oord des hemels, waar hij op elken dag des jaars voortkomt, nadat de zon op en ondergaat.
Hertaald:
zijn plaats
Dat is: de plaats aan de hemel waar hij elke dag van het jaar tevoorschijn komt, nadat de zon op- en ondergaat.
hij de
Te weten, de dageraad.
Hertaald:
hij de
Namelijk: de dageraad.
einden
Hebreeuws, vleugelen. Alzo boven, Job 37:3 . Zie de aantekening. Versta, de uiterste delen en hoeken der aarde, tot welke het schijnsel der zon zich uitbreidt.
Hertaald:
einden
Hebreeuws: vleugels. Zo ook hierboven Job 37:3. Zie de aantekening. Versta hieronder: de uiterste delen en hoeken van de aarde, waartoe het schijnsel van de zon zich uitstrekt.
uitgeschud
Dat is, uitgeroeid, als stof dat men uitschudt, Neh. 5:13 , of, als iets anders, dat uit zijn plaats uitgeschud wordt; Ex. 14:27 . Of, uitgeschud worden; te weten, omdat zij het licht des daags schuwen, bedrijvende hun boosheden meest in den nacht, en die daarmede bedekkende, boven, Job 24:13-14 ; Joh. 3:20 ; idem, omdat zij bij klaren dag van de overheid plegen met den dood gestraft en zo uit de wereld weggeruimd te worden.
Hertaald:
uitgeschud
Dat is: uitgeroeid, als stof dat men uitschudt, Neh. 5:13, of als iets anders dat uit zijn plaats geschud wordt; Ex. 14:27. Of: uitgeschud worden; namelijk omdat zij het daglicht schuwen, hun slechtheden meestal in de nacht bedrijvend en daarmee bedekkend, hierboven Job 24:13-14; Joh. 3:20; eveneens omdat zij bij klaarlichte dag door de overheid meestal met de dood gestraft en zo uit de wereld weggeruimd worden.
zegelleem,
Hebreeuws, het leem des zegels; dat is, waar het zegel ingedrukt wordt. De zin is, gelijk het leem van zichzelven geen bijzonderen vorm of gedaante heeft, maar wel als een zegel daarin gedrukt is; alzo is de aarde des nachts zonder gedaante en vorm door de duisternis, maar des daags door het licht der zon verandert zij, tonende verscheidene gestaltenissen van de dingen, die daarop zijn.
Hertaald:
zegelleem,
Hebreeuws: het leem van het zegel; dat is: waarin het zegel gedrukt wordt. De betekenis is: zoals leem uit zichzelf geen bijzondere vorm of gedaante heeft, maar wel wanneer er een zegel in gedrukt is, zo is de aarde 's nachts zonder gedaante en vorm door de duisternis, maar overdag verandert zij door het licht van de zon en toont zij de verschillende vormen van de dingen die erop zijn.
zij gesteld
Te weten, de schepselen, die op de aarde zijn en dezelve als een kleed bedekken en versieren. Anders, en zij gesteld worden als met een kleed [bedekt]; verstaande dit van de goddelozen, van welken in vs.13 gesproken is, die voor het gericht gesteld worden, waar hun hun proces gemaakt wordt. De misdadigers plachten hier vroeger met een kleed overdekt te worden; Est. 7:8 . Anders, gesteld worden; dat is, verhinderd in hun boosheid voort te varen, alsof hun handen en voeten in een kleed gewonden waren.
Hertaald:
zij gesteld
Namelijk: de schepselen die op de aarde zijn en haar als een kleed bedekken en versieren. Anders: en zij gesteld worden als met een kleed [bedekt]; hierbij verstaan sommigen de goddelozen, over wie in vers 13 gesproken is, die voor het gerecht gesteld worden, waar hun proces gemaakt wordt. De misdadigers werden vroeger hierbij met een kleed bedekt; Est. 7:8. Anders: gesteld worden; dat is: verhinderd om verder te gaan in hun boosheid, alsof hun handen en voeten in een kleed gewikkeld waren.
licht
Dat is, welvaren, rijkdom, eer; zie boven, Job 18:5 .
Hertaald:
licht
Dat is: welvaart, rijkdom, eer; zie hierboven Job 18:5.
hoge arm
Dat is, hun geweld, hoogmoed en tirannie, waardoor zij in staat verheven zijn en groten overlast bedrijven. Alzo een man des arms, voor degenen, die geweld pleegt, boven, Job 22:8 ; zie aldaar de aantekening.
Hertaald:
hoge arm
Dat is: hun geweld, hoogmoed en tirannie, waardoor zij een verheven positie hebben en veel overlast bedrijven. Zo ook een man van de arm, voor wie geweld pleegt, hierboven Job 22:8; zie daar de aantekening.
gebroken?
Dat is, vermorzeld, vernietigd. Alzo Ps. 10:15 ; Ezech. 30:22 .
Hertaald:
gebroken?
Dat is: vermorzeld, vernietigd. Zo ook Ps. 10:15; Ezech. 30:22.
oorsprongen
Hebreeuws, tranen, of traningen. Versta, de allerdiepste gronden, springaders en opwellingen, uit welke de meeste en sterkste vloeden voortbreken.
Hertaald:
oorsprongen
Hebreeuws: tranen, of adertjes. Versta hieronder: de allerdiepste bronnen, aders en opwellingen, waaruit de meeste en sterkste stromen voortkomen.
in het onderste
Hebreeuws, in de onderzoeking, dat is, in de plaats der zee, die de allerdiepste is, en wel met het dieplood doorzocht, maar niet gevonden kan worden.
Hertaald:
in het onderste
Hebreeuws: in het onderzoek, dat is: op de plaats van de zee, die het allerdiepst is, en wel met het dieplood onderzocht, maar niet gevonden kan worden.
des afgronds
Vergelijk Gen. 1:2 , en boven, Job 28:14 .
Hertaald:
des afgronds
Vergelijk Gen. 1:2, en hierboven Job 28:14.
poorten des doods
Versta, de onderste plaatsen der aarde, en de gangen daarheen leidende, welke alzo genaamd worden, omdat de doden onder de aarde schuilen. Hetzelfde is te verstaan door de poorten van de schaduw des doods. Vergelijk boven, Job 3:5 , en Job 10:21 .
Hertaald:
poorten des doods
Versta hieronder: de onderste plaatsen van de aarde, en de gangen die daarheen leiden, die zo genoemd worden omdat de doden zich onder de aarde bevinden. Hetzelfde geldt voor de poorten van de schaduw van de dood. Vergelijk hierboven Job 3:5, en Job 10:21.
tot
Te weten, om te begrijpen en te bemerken wat in de wijde wereld omgaat aan alle oorden en plaatsen; of ook, waarom de wereld niet breder of enger is.
Hertaald:
tot
Namelijk: om te begrijpen en op te merken wat er in de wijde wereld gebeurt op alle plaatsen; of ook waarom de wereld niet breder of smaller is.
Geef
Vergelijk boven, vs.4.
Hertaald:
Geef
Vergelijk hierboven vers 4.
alles weet
Te weten, dat Ik tot nu toe u gevraagd en voorgesteld heb.
Hertaald:
alles weet
Namelijk: dat Ik u tot nu toe gevraagd en voorgelegd heb.
daar
Dat is, om te komen tot de plaats, waar het licht woont; te weten, om dat licht en de duisternis orde en bepaling te stellen, en hetzelve daarin te onderhouden en te regeren. Want versta dit, en het volgende, niet alleen van de kennis, die de mens van deze dingen heeft, maar van de ordinantie en het beleid en de regering, die God alleen daarover heeft.
Hertaald:
daar
Dat is: om te komen op de plaats waar het licht woont; namelijk om aan dat licht en de duisternis orde en grenzen te stellen, en die daarin te onderhouden en te besturen. Want begrijp dit, en het vervolg, niet alleen als de kennis die de mens van deze dingen heeft, maar als de beschikking, het beleid en het bestuur die alleen God daarover heeft.
het licht
Versta, de zon. Alzo boven, Job 25:3 . Zie de aantekening.
Hertaald:
het licht
Versta hieronder: de zon. Zo ook hierboven Job 25:3. Zie de aantekening.
duisternis,
Te weten, die veroorzaakt wordt door het afwezen en den ondergang der zon.
Hertaald:
duisternis,
Namelijk: die veroorzaakt wordt door de afwezigheid en ondergang van de zon.
dat
Te weten, licht, of ook de duisternis, van welke in vs.19 gesproken is.
Hertaald:
dat
Namelijk: licht, of ook de duisternis, waarover in vers 19 gesproken is.
brengen
Hebreeuws, nemen zoudt; dat is, nemen en brengen, of nemende brengen. Zie Gen. 12:15 .
Hertaald:
brengen
Hebreeuws: nemen zou; dat is: nemen en brengen, of nemend brengen. Zie Gen. 12:15.
pale,
Waarmede de loop der zon bepaald is, te weten, in een natuurlijken dag, bestaande uit vier en twintig uren, of in een jaar door beide de solstitia, wanneer in den winter de korste en in den zomer de langste dag is.
Hertaald:
pale,
Waarmee de loop van de zon begrensd is, namelijk in een natuurlijke dag, bestaande uit vierentwintig uur, of in een jaar door beide zonnewenden, wanneer in de winter de kortste en in de zomer de langste dag is.
merken zoudt
Versta een bemerking, die met de bestiering en regering des lichts verenigd is.
Hertaald:
merken zoudt
Versta hieronder: een waarneming die verbonden is met het bestuur en de leiding van het licht.
paden
Versta den weg, dien de zon doorloopt om een natuurlijken dag en het jaar te maken.
Hertaald:
paden
Versta hieronder: de weg die de zon aflegt om een natuurlijke dag en het jaar te maken.
zijns huizes?
Versta, de plaats waar zij op en ondergaat, alsmede waar zij het jaar begint en eindigt.
Hertaald:
zijns huizes?
Versta hieronder: de plaats waar zij opgaat en ondergaat, alsook waar zij het jaar begint en eindigt.
Gij weet het,
Dit is van God spottenderwijze tot Job gesproken . Alzo boven, vs.3, 5; zie de aantekening. Anders, wist gij dat gij toen geboren zoudt worden? en uw dagen vele zouden zijn in getal?
Hertaald:
Gij weet het,
Dit is door God spottend tot Job gezegd. Zo ook hierboven vers 3, 5; zie de aantekening. Anders: wist u dat u toen geboren zou worden? En dat uw dagen in aantal vele zouden zijn?
schatkameren der sneeuw,
God spreekt bij gelijkenis, om zijn grote macht te tonen, waardoor Hij, als het Hem belieft, groten overvloed van sneeuw en hagel kan voortbrengen, alsof Hij grote schatkamers gereed had, waarin Hij de sneeuw en den hagel, tegen dat Hij die gebruiken wilde, weggesloten had.
Hertaald:
schatkameren der sneeuw,
God spreekt bij wijze van vergelijking, om Zijn grote macht te tonen, waardoor Hij, wanneer het Hem behaagt, grote overvloed van sneeuw en hagel kan voortbrengen, alsof Hij grote schatkamers gereed had, waarin Hij de sneeuw en de hagel had opgeslagen tot het moment dat Hij die wilde gebruiken.
den tijd
Te weten, om daarmede mijn rechtvaardige oordelen uit te voeren. Zie exempelen hiervan Ex. 9:18 ; Joz. 10:11 ; 1 Sam. 7:10 .
Hertaald:
den tijd
Namelijk: om daarmee Mijn rechtvaardige oordelen uit te voeren. Zie voorbeelden hiervan Ex. 9:18; Joz. 10:11; 1 Sam. 7:10.
weg,
Versta door den weg alle redenen, middelen, toevallen, wijzen, werkingen en eindelijke oorzaken van hetgeen in de lucht geschiedt, en dat niet alleen in het algemeen, maar voornamelijk in het bijzonder.
Hertaald:
weg,
Versta hieronder de weg: alle redenen, middelen, omstandigheden, wijzen, werkingen en uiteindelijke oorzaken van wat er in de lucht gebeurt, en dat niet alleen in het algemeen, maar vooral in het bijzonder.
licht
Dat is, dat bliksem, weerlicht, verschieting van aangestoken dampen, enz. in de lucht beginnen, ophouden, verschillen in plaatsen, stonden, hoedanigheden, uitkomsten, enz.
Hertaald:
licht
Dat is: waar bliksem, weerlicht, het opvlammen van ontstoken dampen, enzovoort, in de lucht beginnen, ophouden, verschillen naar plaats, tijdstip, hoedanigheid, uitkomst, enzovoort.
oostenwind
Versta onder een soort van wind al de andere; want hoe zij zo verscheidenlijk nu en dan komen te waaien, is niemand ten volle bekend dan God. Van den oostenwind in het bijzonder, zie Gen. 41:6 , en Ex. 10:13 . Vergelijk Joh. 3:8 .
Hertaald:
oostenwind
Versta onder één soort wind alle andere; want hoe zij zo verschillend nu en dan komen te waaien, is aan niemand volledig bekend dan aan God. Over de oostenwind in het bijzonder, zie Gen. 41:6, en Ex. 10:13. Vergelijk Joh. 3:8.
stortregen
Of, den plasregen. Hebreeuws, overvloeiing.
Hertaald:
stortregen
Of: de plasregen. Hebreeuws: overvloeiing.
waterloop
Te weten, waardoor de wateren, uit de lucht vallende, hun loop hebben op de aarde, om het een of het ander land te bevochtigen.
Hertaald:
waterloop
Namelijk: waardoor de wateren, die uit de lucht vallen, hun loop hebben op de aarde, om het ene of het andere land te bevochtigen.
een weg
Vergelijk boven, Job 28:26 .
Hertaald:
een weg
Vergelijk hierboven Job 28:26.
voor het weerlicht
Anders, voor de ruisende vlaag. Hebreeuws, weerlicht, of vlaag der stemmen.
Hertaald:
voor het weerlicht
Anders: voor de ruisende windvlaag. Hebreeuws: weerlicht, of vlaag van de stemmen.
niemand is,
Te weten, om het land door arbeid van werklieden te bevochtigen.
Hertaald:
niemand is,
Namelijk: om het land door arbeid van werklieden te bevochtigen.
het woeste
Dat is, dat zeer woest is, zijnde dor en onvruchtbaar in zichzelven, en daartoe door oorlog en roverij onbewoond en verlaten van de mensen. Vergelijk boven, Job 30:3 , en de aantekening.
Hertaald:
het woeste
Dat is: dat zeer woest is, op zichzelf dor en onvruchtbaar, en bovendien door oorlog en roverij onbewoond en door de mensen verlaten. Vergelijk hierboven Job 30:3, en de aantekening.
Heeft de regen
Hij wil zeggen: Neen hij; maar ik alleen breng hem voort. Alzo in het volgende.
Hertaald:
Heeft de regen
Hij wil zeggen: nee, hij niet; maar Ik alleen breng hem voort. Zo ook in het vervolg.
rijm des hemels?
Het Hebreeuwse woord is ook in deze betekenis genomen Ex. 16:14 ; Ps. 147:16 .
Hertaald:
rijm des hemels?
Het Hebreeuwse woord wordt ook in deze betekenis gebruikt Ex. 16:14; Ps. 147:16.
verbergen
Te weten, door de vorst, welke maakt dat er geen water meer schijnt te wezen, maar enkel steen, waaronder het onbevroren water schuilende is.
Hertaald:
verbergen
Namelijk: door de vorst, waardoor er geen water meer lijkt te zijn, maar alleen steen, waaronder het onbevroren water schuilt.
vlakke
Dat is, het opperste, of bovenste der zee, of der diepe wateren.
Hertaald:
vlakke
Dat is: het bovenste, of de oppervlakte van de zee, of van de diepe wateren.
wordt
Dat is, door de vorst omgrepen en vastgehouden alsof het gevangen ware, overmits het door de koude gestremd zijnde, niet wegvloeien kan.
Hertaald:
wordt
Dat is: door de vorst omvat en vastgehouden alsof het gevangen was, omdat het door de kou gestold is en niet kan wegvloeien.
binden,
Binden is hier verhinderen, of vasthouden, dat het Zevengesternte niet rijze en medebrenge de zoetigheid der lente. Zie van dit gesternte boven, Job 9:9 .
Hertaald:
binden,
Binden betekent hier verhinderen, of tegenhouden, zodat het Zevengesternte niet opkomt en de zachtheid van de lente meebrengt. Zie over dit sterrenbeeld hierboven Job 9:9.
strengen des Orions
Versta, door deze strengen de trekkende krachten, waardoor Orion in November medebrengt wolken, regen, onweder, koude. Deze op te lossen is hun werking te verhinderen en te doen ophouden.
Hertaald:
strengen des Orions
Versta hieronder: de aantrekkende krachten, waardoor Orion in november wolken, regen, onweer en koude meebrengt. Deze losmaken is hun werking verhinderen en doen ophouden.
Mazzaròth
Wat dit voor een gesternte of teken is, daarvan is zeer verscheiden gevoelen. Eenigen verstaan de gesternte, die omtrent den zuidpool zijn, boven, Job 9:9 , Binnenkamers genaamd; maar hier Mazzaroth van Nazar, scheiden, omdat zij zeer ver zijn van Europa en de plaats waar Job woonde . Sommigen daarentegen nemen deze Mazzaroth voor noordelijke sterren, bewogen zijnde door de gelijkenis van het woord Mezarim, boven, Job 37:9 , hetwelk betekent verstrooiende, te weten winden, die uit het noorden komen. Anderen menen dat zij zijn de Mazzaloth, dat is, de planeten, of de twaalf tekenen Zodiaci, waarvan te zien is 2 Kon. 23:5 ; ook zijn er die ze houden voor het hemelse teken, genaamd de Kronen.
Hertaald:
Mazzaròth
Wat voor sterrenbeeld of teken dit is, daarover lopen de meningen sterk uiteen. Sommigen verstaan hieronder de sterrenbeelden bij de zuidpool, hierboven Job 9:9 Binnenkamers genoemd; maar hier Mazzaroth, van nazar, scheiden, omdat zij zeer ver zijn van Europa en de plaats waar Job woonde. Sommigen daarentegen nemen deze Mazzaroth voor noordelijke sterren, gemotiveerd door de gelijkenis met het woord Mezarim, hierboven Job 37:9, dat verstrooiend betekent, namelijk winden die uit het noorden komen. Anderen menen dat het de Mazzaloth zijn, dat is: de planeten, of de twaalf tekens van de dierenriem, waarover te zien is 2 Kon. 23:5; er zijn ook die het houden voor het hemelse teken, de Kronen genoemd.
den Wagen
Zie van dit gesternte boven, Job 9:9 .
Hertaald:
den Wagen
Zie over dit sterrenbeeld hierboven Job 9:9.
zijn kinderen
Versta, enige mindere sterren, die rondom den Wagen staan, als de kinderen rondom hun moeder.
Hertaald:
zijn kinderen
Versta hieronder: enkele kleinere sterren, die rondom de Wagen staan, zoals kinderen rondom hun moeder.
de verordeningen
Dat is, de orde, die God in de hemelse lichten en tekenen en omlopen houdt, om daardoor uit te voeren hetgeen Hem behaagt.
Hertaald:
de verordeningen
Dat is: de orde die God in de hemellichten, tekens en omlopen aanhoudt, om daardoor uit te voeren wat Hem behaagt.
of kunt gij
Dat is, kunt gij den loop en de werkingen des hemels daar op de aarde regeren?
Hertaald:
of kunt gij
Dat is: kunt u de loop en de werking van de hemel daar op de aarde besturen?
heerschappij
Of, regering.
Hertaald:
heerschappij
Of: bestuur.
opheffen,
Te weten, om haar te bevelen hoeveel water zij uitgieten zullen, en wanneer en waar.
Hertaald:
opheffen,
Namelijk: om ze te bevelen hoeveel water zij zullen uitgieten, en wanneer en waar.
Zie,
Te weten, bereid, om uw bevelen uit te voeren. Zie Gen. 22:1 .
Hertaald:
Zie,
Namelijk: gereed, om uw bevelen uit te voeren. Zie Gen. 22:1.
binnenste
Het Hebreeuwse woord is genomen voor de nieren. Door de nieren nu wordt verstaan het inwendigste en innerste van den geest des mensen. Vergelijk boven, Job 19:27 . Het Hebreeuwse woord is ook Ps. 51:8 ; zie aldaar de aantekening.
Hertaald:
binnenste
Het Hebreeuwse woord wordt gebruikt voor de nieren. Onder de nieren wordt verstaan het diepste en innerlijkste van de geest van de mens. Vergelijk hierboven Job 19:27. Het Hebreeuwse woord staat ook in Ps. 51:8; zie daar de aantekening.
zin
Anders, het hart.
Hertaald:
zin
Anders: het hart.
de wolken
Dat is, haar bewegingen, krachten, werken en ganse natuur ten volle verklaren. Voor tellen is het Hebreeuwse woord genomen Ps. 22:18 . Anders, wie kan den hemel als een saffier maken; dat is, geheel klaar en helder.
Hertaald:
de wolken
Dat is: haar bewegingen, krachten, werken en hele natuur volledig verklaren. Voor tellen wordt het Hebreeuwse woord gebruikt in Ps. 22:18. Anders: wie kan de hemel als een saffier maken; dat is: geheel helder en helder.
flessen
Versta, de wolken, omdat in dezelve, als in flessen, het water bewaard wordt, hetwelk zij door een regen uitgieten, als het den Heere belieft.
Hertaald:
flessen
Versta hieronder: de wolken, omdat daarin, als in flessen, het water bewaard wordt, dat zij door een regen uitgieten wanneer het de HEERE behaagt.
nederleggen?
Dat is, doen ophouden, dat zij geen water meer uitgieten; dat is, wie kan den regen doen ophouden dan God alleen? Het is een gelijkenis, genomen van de vaten, waaruit men enige vochtigheid giet, die men opheft als men daaruit gieten wil, maar nederzet als men ophoudt te gieten. Anders, doen slapen.
Hertaald:
nederleggen?
Dat is: doen ophouden, zodat zij geen water meer uitgieten; dat is: wie kan de regen doen ophouden dan God alleen? Het is een vergelijking, ontleend aan de vaten waaruit men vocht giet, die men optilt wanneer men eruit wil gieten, maar neerzet wanneer men ophoudt met gieten. Anders: doen slapen.
doorgoten is
Dat is, de aarde, die door langdurige droogte in stof veranderd is.
Hertaald:
doorgoten is
Dat is: de aarde, die door langdurige droogte in stof veranderd is.
tot vastigheid,
Dat is, door overvloedigen regen zo bevochtigd is geweest, dat het stof weder samenloopt en in kluiten verandert, die aan elkander hangen.
Hertaald:
tot vastigheid,
Dat is: door overvloedige regen zo bevochtigd is geweest, dat het stof weer samenkomt en verandert in kluiten, die aan elkaar hangen.
ouden leeuw
Te weten, die niet veel kracht meer heeft om zijn aas te bekomen. De zin is dat hem hetzelve door de voorzienigheid Gods toegeschikt wordt, niet door de zorg en den arbeid der mensen, Ps. 104:21 , want anders zou hij moeten vergaan; boven, Job 4:11 .
Hertaald:
ouden leeuw
Namelijk: die niet veel kracht meer heeft om zijn prooi te bemachtigen. De betekenis is dat hem dit door de voorzienigheid van God toegeschikt wordt, niet door de zorg en inspanning van de mensen, Ps. 104:21, want anders zou hij moeten omkomen; hierboven Job 4:11.
graagheid
Hebreeuws, het leven. Versta den gierigen lust en trek, dien de jonge leeuwen naar het aas hebben. Het Hebreeuwse woord chajah is in dit boek somtijds van enerlei betekenis met het woord nephes, ziel, gelijk te zien is boven, Job 33:18 , Job 33:20 , Job 33:22 . Nu nephes is somtijds zoveel als lust en begeerte tot iets, gelijk Ps. 27:12 , en Ps. 107:9 ; Spr. 23:2 ; Jes. 56:11 . Anders, den jongen leeuwen den kost, of leeftocht ten volle beschikken?
Hertaald:
graagheid
Hebreeuws: het leven. Versta hieronder de gulzige lust en trek die de jonge leeuwen naar de prooi hebben. Het Hebreeuwse woord chajah heeft in dit boek soms dezelfde betekenis als het woord nefesj, ziel, zoals te zien is hierboven Job 33:18, Job 33:20, Job 33:22. Nu is nefesj soms zoveel als lust en verlangen naar iets, zoals Ps. 27:12, en Ps. 107:9; Spr. 23:2; Jes. 56:11. Anders: de jonge leeuwen het voedsel, of de kost, volledig verzorgen?
vervullen?
Te weten, als zij van de oude vergeten of verlaten worden. Vergelijk Ps. 47:9 .
Hertaald:
vervullen?
Namelijk: wanneer zij door de oude vergeten of verlaten worden. Vergelijk Ps. 47:9.
kuil
Hebreeuws, hut, of tent; dat is, schuilhol, kuil, of schuilplaats.
Hertaald:
kuil
Hebreeuws: hut, of tent; dat is: schuilplaats, kuil, of schuilhoek.
ter loering?
Dat is, om enig gedierte te bespieden, dat zij vangen en verslinden mochten. Anders, in de loerplaats, te weten, waaruit zij loeren; alzo boven, Job 37:8 .
Hertaald:
ter loering?
Dat is: om enig dier te bespieden, dat zij zouden kunnen vangen en verslinden. Anders: op de loerplaats, namelijk vanwaar zij loeren; zo ook hierboven Job 37:8.
kost,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk den kost, die met jagen gekregen wordt. Zie Gen. 27:3 , en de aantekening.
Hertaald:
kost,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het voedsel dat door jagen verkregen wordt. Zie Gen. 27:3, en de aantekening.
jongen
Hebreeuws, geborenen.
Hertaald:
jongen
Hebreeuws: geborenen.
tot God
Dat is, als zij in hun nest schreeuwen om aas; hetwelk een geroep tot God genaamd wordt, omdat God voor het voedsel der jonge raven zorg draagt. Men schrijft dat zij in het eerst, omdat zij wit paddenhaar hebben, van de ouden verlaten worden, totdat zij zwart zijn, en hier intussen wonderbaarlijk van God gespijsd worden met zekere wormpjes, die in het nest uit hun drek groeien. Vergelijk Ps. 147:9 .
Hertaald:
tot God
Dat is: wanneer zij in hun nest schreeuwen om voedsel; dit wordt een roepen tot God genoemd, omdat God voor het voedsel van de jonge raven zorgt. Men schrijft dat zij aanvankelijk, omdat zij wit donshaar hebben, door de ouden verlaten worden, totdat zij zwart zijn, en dat zij intussen op wonderbare wijze door God gevoed worden met bepaalde wormpjes, die in het nest uit hun uitwerpselen groeien. Vergelijk Ps. 147:9.
dwalen,
Te weten, omtrent het nest van de moeder verlaten zijnde.
Hertaald:
dwalen,
Namelijk: rondom het nest van de moeder verlaten zijnde. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Dan spreekt God Zelf: "Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide" (Job 38:1). Zijn eerste woorden zijn een vraag: wie is het die de raad verduistert met woorden zonder kennis (Job 38:2)? Job moet zich opmaken als een man, want God zal hem vragen stellen en hij moet God onderrichten (Job 38:3). Dan begint de reeks. Waar was Job toen God de aarde grondvestte (Job 38:4)? Wie heeft haar maten bepaald en het meetsnoer over haar gespannen (Job 38:5)? Waarop rusten haar grondvesten, en wie legde haar hoeksteen, toen de morgensterren samen juichten en alle kinderen Gods jubelden (Job 38:6-7)? Wie sloot de zee met deuren toe toen zij uit de moederschoot voortkwam (Job 38:8)? God gaf haar de wolk tot kleding en de donkerheid tot windsel (Job 38:9). Hij stelde haar grendel en deuren en zei: "Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder" (Job 38:10-11). Bijbelse betekenis: Job had om een antwoord gevraagd, en hij krijgt het. Maar het is een antwoord van een andere soort dan hij had bedacht. God legt niets uit over de satan, niets over de weddenschap in hoofdstuk 1 en niets over de reden van het lijden. Hij stelt vragen, en Hij begint bij de schepping. Wie dat oppervlakkig leest, hoort een terechtwijzing. Wie beter leest, hoort iets anders. God gaat met Job in gesprek, en dat is precies wat Job al die hoofdstukken heeft gevraagd. Hij wordt aangesproken als een man en hij mag antwoorden. Het zwijgen is doorbroken, en dat is meer waard dan een verklaring. Let ten slotte op het beeld van de zee. Zij is niet uitgeschakeld maar begrensd: tot hiertoe en niet verder. Dat is dezelfde taal als in hoofdstuk 1, waar de aanklager telkens een grens meekreeg. Wat op Job losbrak, was nooit grenzeloos. Typologie: De psalm belijdt dezelfde heerschappij over dezelfde zee: "Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze" (Ps. 89:10). In het Evangelie doet Eén dat met een woord: "Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte" (Mark. 4:39). Job 38:1-11; Ps. 89:10; Mark. 4:39 De vragen gaan door en bestrijken de hele schepping. Heeft Job ooit de morgenstond geboden en de dageraad zijn plaats gewezen (Job 38:12)? Is hij gekomen tot aan de oorsprongen van de zee en heeft hij in de diepte van de afgrond gewandeld (Job 38:16)? Zijn hem de poorten van de dood ontdekt (Job 38:17)? Waar woont het licht, en waar is de plaats van de duisternis (Job 38:19)? Is hij in de voorraadkamers van de sneeuw en de hagel geweest (Job 38:22)? Wie baant een weg voor het weerlicht van de donder (Job 38:25)? En dan volgt de vraag waarin de toon omslaat: God laat het regenen op het land waar niemand is, op de woestijn waarin geen mens woont, om het woeste te verzadigen en het jonge gras te doen opkomen (Job 38:26-27). Heeft de regen een vader, en wie brengt de druppels van de dauw voort (Job 38:28)? Kan Job de banden van het Zevengesternte binden of de touwen van de Orion losmaken (Job 38:31)? Bijbelse betekenis: In dit gedeelte staat een zin die alles verandert. God laat het regenen waar geen mens woont. Wie de schepping meet aan wat de mens eraan heeft, kan daar niets mee. Er groeit gras in een woestijn die niemand ziet, en God zorgt ervoor. Daarmee wordt de wereld groter dan het bestek waarin Job en zijn vrienden hebben zitten redeneren. Zij vroegen aldoor: wat betekent dit voor de mens? God laat zien dat Zijn zorg verder reikt dan het menselijk nut. Dat is geen kleinering van Job. Integendeel: als God een woestijn zonder toeschouwers de moeite waard vindt, dan is een mens op een ashoop dat zeker. De vragen zijn dus niet bedoeld om Job de mond te snoeren maar om zijn blik te verruimen. Wie het antwoord op zijn eigen vraag niet krijgt, kan toch te weten komen met Wie hij te doen heeft. Typologie: De Heere Jezus gebruikt hetzelfde argument in het klein en trekt er dezelfde troost uit: "niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader" (Matt. 10:29). Wie voor musjes zorgt, vergeet geen mensen; wie een woestijn drenkt, ziet een lijder niet over het hoofd. Job 38:12-38; Matt. 10:29 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Zevenendertig hoofdstukken lang is er over God gepraat. Job heeft geëist dat God antwoordt, zijn vrienden hebben Hem verdedigd met verklaringen die niet klopten, en Elihu heeft het laatste woord gehad. Dan spreekt God Zelf, en Hij begint niet waar iemand het verwacht. God antwoordt Job niet met een verklaring van zijn lijden maar met een reeks vragen over de schepping — en dat antwoord blijkt genoeg. Waar het uit komt, is al veelzeggend: “Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder.” De kanttekening zegt waarom juist zo: daardoor liet God Job Zijn aanwezigheid kennen, maakte Hij hem aandachtig en vernederde Hij hem voor Zijn majesteit. Zij noemt er de plaatsen bij waar hetzelfde gebeurde — de Sinaï, Horeb, de wagen van Ezechiël. Waar God nadert, is het weer. De eerste zin is een vraag, en het is een verwijt: wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap? Die raad, tekent de kanttekening aan, zijn Gods besluiten en oordelen; ze worden verduisterd doordat men ze ten onrechte van gebreken beschuldigt. En dan draait God de rollen om. Job had gevraagd of hij zijn zaak mocht bepleiten, en nu krijgt hij dat: gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij. De kanttekening noemt die toon zonder omhaal spottend — God houdt hem de menselijke nietigheid voor tegenover de goddelijke majesteit waarmee hij een redetwist had willen aangaan. De eerste vraag is meteen de grootste: “Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde?” Er wordt van Job een antwoord gevraagd dat hij niet geven kan, en de kanttekening vat het onbarmhartig kort samen: Hij wil zeggen: nergens. Wat volgt is een bouwtafereel — wie heeft de maten gezet, wie heeft het richtsnoer getrokken, waarop zijn de grondvesten neergezonken, wie heeft de hoeksteen gelegd? En dat gebeurde, staat erbij, toen de morgensterren tezamen vrolijk zongen. Het opmerkelijke is dat God nergens uitlegt wat er in de eerste twee hoofdstukken is voorgevallen. Job hoort nooit van de hemelse zitting en van de aanklager. Wat hij krijgt is niet de oplossing van zijn raadsel maar de Persoon van Wie hij het vroeg. En dat blijkt genoeg te zijn: aan het eind zegt hij dat hij God eerst van horen zeggen kende en Hem nu ziet, en hij legt de hand op zijn mond. Hier ligt de lijn, en zij loopt langs Degene Die dit alles gemaakt heeft. Het Nieuwe Testament zegt dat alle dingen door het Woord gemaakt zijn, en zonder Hem geen ding dat gemaakt is. Paulus voegt eraan toe dat in Hem alle dingen geschapen zijn en dat zij door Hem bestaan. De stem uit het onweder is de stem van Hem door Wie de aarde gegrond werd. En er is een vervolg dat het lezen waard is. Diezelfde Stem komt later in een boot op het meer terecht, en Hij slaapt terwijl het stormt. Wanneer Hij de wind bestraft en het stil wordt, vragen de mannen aan elkaar wie Deze toch is, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn. Job kreeg zijn antwoord ván uit het onweder; zij kregen het antwoord ín het onweder, en zij herkenden Hem niet meteen. In het Nieuwe Testament: Johannes 1:3; Kolossenzen 1:16-17; Hebreeën 1:2-3; Markus 4:39-41; Romeinen 11:33-34 Hoever dit reikt: Job 38 wordt in het Nieuwe Testament niet aangehaald, en dit hoofdstuk zegt zelf niets over Christus. Wat vaststaat is dat het Nieuwe Testament de schepping toeschrijft aan de Zoon, door Wie alle dingen gemaakt zijn en in Wie zij bestaan. Wie beide gegevens naast elkaar legt, komt uit bij de gevolgtrekking die hier gemaakt wordt. De overeenkomst met de storm op het meer is een verband dat de Schrift zelf niet legt; zij is hier dan ook als opmerking gegeven en niet als uitleg.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas En zoals God alleen de regen geeft, zo geeft God alleen de genade. De Heere moet haar geven, of er zal er geen zijn. Wij kunnen de lente niet verhaasten of de winter uitstellen, en wij kunnen ook die rampen niet voorkomen die volken in benauwdheid storten, noch die barmhartigheden verhinderen die stammen tot voorspoed opheffen. Wanneer iemand ernstig over de striemen van Jezus nadenkt, remmen zij de geestelijke wanorde. Deze mens ziet zijn Heere lijdend voor ogen en een stem zegt tot zijn… Oh ! mijn geliefde lezer, als u uw eigen gang had kunnen gaan, zou u nu op de top van de berg zijn geweest! Tenminste, dat denkt u,… Kunt u de banden van het Zevengesternte vastbinden, of de ketenen van de Orion losmaken? Job 38:3 Hij maakt de banden van Orion los, en niemand anders dan Hij.… Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken? Job 38:31 In de mythologie was Orion een reusachtige jager die de Pleiaden, de… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen van de zee. Job 38:16 Sommige dingen in de natuur moeten een geheim blijven voor… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Kunt gij de lieflijkheden van het zevengesternte binden of de strengen des Orions los maken? Job 38:31 Indien wij geneigd zijn op onze… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 38
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? — 38:1-11
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Een krachtig middel tegen de zonden
Beteugeling uit genade
Doe wonderen in mij
Bij God zijn alle dingen mogelijk
Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen van de zee
Kunt gij de lieflijkheden van het zevengesternte binden


Job 38
Job 38:25-27.KruisverwijzingenJob 28:26→Psalmen 107:35→Job 37:3→Job 36:27→Psalmen 29:3→Hebreeën 6:7→Psalmen 104:10→Jesaja 43:19→
— Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen? Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
De Heere scheen te zeggen: “Als Job werkelijk half zo groot is als hij meent te zijn, laat hem dan zien of hij kan doen wat zijn Schepper doet.” Hij wordt uitgedaagd over een zo geringe zaak, naar het schijnt, als het zenden van de regen. Weet Job hoe het gedaan wordt? Kan hij al de verschijnselen verklaren? Onze nieuwere natuurkundigen vertellen ons hoe de regen ontstaat, en ik veronderstel dat hun verklaring juist is; maar zij kunnen ons niet zeggen hoe de kracht gegeven wordt om uit te voeren wat zij de wetten van de natuur noemen. Zij kunnen ook de regen niet maken; en zou een droogte voortduren totdat het volk op de rand van de hongersnood stond, dan zouden zij niet in staat zijn de hemel met wolken te bedekken, of zelfs maar één morgen land te besproeien. Nee, met al onze verklaringen is het nog altijd een grote verborgenheid, en het blijft een geheim bij God hoe Hij de aarde met regen bevochtigt.
En zoals God alleen de regen geeft, zo geeft God alleen de genade. De Heere moet haar geven, of er zal er geen zijn. En bovendien vindt God de weg waarlangs Zijn genade tot mensen kan komen. Alleen God heeft een kanaal voor de regen gemaakt — wij hadden het niet kunnen maken. Zo is het ook met Zijn genade; want hoe had de genade anders tot mensen kunnen komen? Hoe was het mogelijk dat de driemaal heilige God zachtmoedig kon handelen met zondaars die Hem tot toorn verwekt hadden? Hoe kon het dat de Rechter van heel de aarde, Die rechtvaardig moet zijn, toch overtreding, ongerechtigheid en zonde voorbij zou gaan? Dit is een vraagstuk dat een Sanhedrin van serafijnen verbijsterd zou hebben. Als alle machtigste verstanden die God ooit gemaakt heeft duizend jaar in plechtige vergadering hadden bijeengezeten, zij zouden dit vraagstuk niet hebben kunnen oplossen: hoe kan God rechtvaardig zijn en toch de rechtvaardiger van de ongodvruchtige? De oneindige wijsheid bedacht die onvergelijkelijke weg van de plaatsvervanging, waardoor wij door de dood van de Zoon van God behouden kunnen worden.
Job 38:31.KruisverwijzingenJob 9:9→Amos 5:8→
— Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?
De bijzonder schone groep sterren die het Zevengesternte heet, is klein maar zeer helder. Deze sterren zijn het opvallendst omstreeks de tijd van de lente; en daarom worden in de poëzie de lente-invloeden, die de aarde verlevendigen en haar met het groene gras en de veelkleurige bloemen kleden, met het Zevengesternte verbonden. Onder de liefelijkheden van het Zevengesternte verstaan wij dus, in gewone taal, die goedgunstige invloeden die de lente en de zomer voortbrengen; en van die invloeden wordt gezegd dat niemand ze kan bedwingen.
Orion, een opvallend gesternte met zijn glinsterende gordel, is het best te zien tegen het einde van de herfst, juist voor het intreden van de winter. Het is een zuidelijk en winters teken, en daarom wordt in de poëzie de winter aan de strengen van Orion toegeschreven, en niemand is in staat de banden van de vorst los te maken of het inkomen van de koude te stuiten. Met andere woorden: het gehele vers betuigt dat niemand de omwentelingen van de jaargetijden kan stuiten. Wanneer God de lente verordent, komen de schijnende maanden lachend aan; en wanneer Hij weer om de winter roept, moeten sneeuw en ijs het akelige uur beheersen.
De landman is geheel afhankelijk van de God des hemels; hij mag met naarstigheid ploegen en het goede zaad met hoop inwerpen, maar tenzij de liefelijke invloeden van de hemel gegeven worden, kan hij geen oogst inzamelen. Hij is volstrekt afhankelijk van God, Die alle dingen naar Zijn wil regeert; en ook wij in de stad zijn even afhankelijk als wie ook, want zelfs de rijken en machtigen worden gevoed door de vrucht van het veld. En welke handel wij ook drijven, ten laatste is het toch uit de velden dat ons voedsel komen moet. Wij allen dan, en alle beesten en vogels en alle schepselen, zijn geheel en volstrekt van God afhankelijk; en tenzij Hij hen helpt, kunnen zij zichzelf niet helpen.
Dit is het eenvoudige onderwijs van het vers, maar het werd zonder twijfel gebruikt om Job te leren dat hij, zoals hij de inzettingen des hemels niet kon veranderen, evenmin de voornemens van God in de gebeurtenissen van de voorzienigheid kon veranderen. Wij kunnen de lente niet verhaasten of de winter uitstellen, en wij kunnen ook die rampen niet voorkomen die volken in benauwdheid storten, noch die barmhartigheden verhinderen die stammen tot voorspoed opheffen. Moeite komt over de kinderen der mensen door Gods voornemen, en het goede komt ook zo. Het staat evenmin in onze macht, met al ons overleg en al onze kunst, met al onze spaarzaamheid en naarstigheid, de moeite af te wenden die God beschikt. De zeis kan door wijsheid niet gestuit worden; het onvermijdelijke uur komt tot allen. Nood, ziekte en rouw vallen ons binnen op het gebod des Heeren; en al kunnen wij hun strengheid aanmerkelijk verzachten, wij kunnen ze toch niet afwenden, want de inzettingen van God moeten zeker geschieden. Wat er ook geschreven staat in het gesloten boek van het goddelijke besluit, moet te zijner tijd in de menselijke geschiedenis vervuld worden. Kunnen wij het niet veranderen, dan moeten wij ons buigen en onderwerpen; kunnen wij het voornemen niet veranderen, dan moeten wij eraan toegeven.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Elihu’s redenen hebben in twee opzichten de verschijning des Heren voorbereid, vooreerst door kastijding daar zij Job zijn hoofdzonde van zijn hart ontdekten, en het Goddelijk doel van zijn lijden, namelijk de reiniging van verborgene zonden, aan het licht brachten: ten tweede door onderwijzing, daar zij de volle harmonie tussen Gods almacht, gerechtigheid en goedertierenheid bewezen. Nu treedt de Heere zelf, die zo dikwijls door Job tot een twistgeding is uitgedaagd (het laatst Hoofdstuk 31: 35 vv), uit de onweerswolken te voorschijn, en geeft, geheel anders dan Job het vroeger verwachtte, de oplossing van het gehele vraagstuk, en wel weer in drie duidelijk van elkaar afgescheiden redenen (Hoofdstuk 38: 1-31; 38: 39-39: 30; 40: 7-41: 26). Deze oplossing geschiedt echter van den Heere niet door ene verdediging van zijn handelen. Deze ware in Gods mond ongepast geweest; gelijk aan enen Koning, die aan Zijne onderdanen gene rekenschap geeft, laat Hij Zich niet in met ophelderingen over Zijne raadselachtige leiding. Daartoe was vooraf Elihu als een waarachtig getuige Gods opgetreden. Ook wil de Hier met Zijne redenen niet slechts bevestigen, wat Elihu gezegd heeft, slechts middelijk drukt Hij op het ware, dat Elihu gesproken heeft en ook op hetgeen in Jobs woorden waar was, het zegel der bevestiging. De verschijning des Heren zelven als daadzaak, is het, wat den gehelen strijd beslist; dus, niet het lerende in deze redenen, is hoofdzaak. De redenen, die de verschijning vergezellen, hebben slechts het doel, haar zelf te verklaren in wonderbaar heerlijke beelden aan te tonen, dat Hij diegene is, dien Elihu geschilderd heeft, namelijk de vereniging van de hoogste macht en wijsheid, met barmhartige liefde, die er zo ver van verwijderd is; Zich om haar schepsel niet te bekommeren, dat zij zelfs in het geringste schepseltje, voor alles in het bijzonder gezorgd heeft; als degene, die Zich den vermetelen berisper niet als een verpletterend Rechter wil openbaren, maar in neerbuigende liefde. Door zulk een onmiddellijke indruk van het diepste van Gods Wezen wordt met der daad het duistere verwijderd, dat nog op de ziel van Job drukt, en hij zelf geleid tot hartelijk berouw over de nu door hem erkende boezemzonden, waarmee hij toch reeds door zijn zwijgen op Elihu’s strafpredikatie begonnen is. Eerst nu, nu Job den Heere, Zijnen Heiland, gezien heeft, verkrijgt hij ook ten volle bevrediging; ja een hogeren vrede dan hij vroeger bezeten heeft. De taal in de redenen Gods is zo schoon, verheven en diep aangrijpend, dat datgene, wat Job (Hoofdstuk 9: 12 en 26) en Elihu (Hoofdstuk 36 en 37) vroeger tot verheerlijking van de openbaring Gods in de natuur gezegd hebben, verdwijnt, even als een verwijderd ruisen voor den vollen donder, gelijk Job zelf (Hoofdstuk 26: 14) zegt. Het bewonderenswaardige in deze redenen is het frisse, stoute spel met alle beelden der schepping. Vooreerst wordt de gehele schepping met alle krachten, die sedert haar ontstaan in haar werken, overzien; vervolgens de menigvuldige gedaanten der dieren, met hun bonte afwisseling en hun, onder den schijn van willekeur verborgene doelmatigheid; eindelijk worden nog in het bijzonder twee dier-monsters geschilderd, die vooral geschikt zijn, om den mens tot gevoel van zijne onmacht en onwetendheid te brengen. Ia. Vs. 1-15. Welaan, gord u aan, om Mij, dien gij berispt hebt, te antwoorden. Kunt gij verklaring over de schepping en het grondvesten der aarde geven? Over de schepping en de begrenzing der zee, over het opgaan van het morgenlicht over de aarde?
Daarna antwoordde de HEERE, Jehova 1), Job, uit een onweder 1), een onweersstorm (zie (Hoofdstuk 36: 30; 37: 2), en zei, nadat er stilte in de natuur gekomen was.
Het heeft ene diepe betekenis, dat in den geschiedkundigen proloog (Hoofdstuk 1 en 2) en van nu af bij de beslissing van het geheel slechts de naam Gods “Jehova” gebruikt wordt, terwijl in den strijd der mensen (Hoofdstuk 3-37) slechts El, Eloah, Shaddai (God, de Almachtige) voorkomen. De laatste namen, even als Elohiem, noemen het Goddelijk Wezen als de volheid en bron van alle leven, van alle macht en kracht, van alle zaligheid en heiligheid, van alle heerlijkheid en majesteit, “Jehova” daarentegen noemt Hem als den Barmhartige en Genadige, als den Verlosser en Heiland, die, om den gevallen mens uit zijn verderf te redden en weer tot zich te trekken, Zich van Zijne heerlijkheid ontledigt, en tot de mensen nederdaalt. Daarom wordt daar, waar God voor Job in zijn zielenstrijd der verzoeking werkelijk een verwijderd God, een almachtig Redder en Rechter is, de eerste naam gebruikt; waar echter van dien God sprake is, die Job in het lijden brengt, om hem van zijne zonde te verlossen, die Zich genadig neder buigt, om hem tot den zegen van volle belijdenis en herstel der genade te brengen, daar staat de naam Jehova in zijne plaats.
Als hier gezegd wordt, dat de Heere aan Job verschijnt, dan hebben wij hier niet te denken aan ene lichamelijke verschijning, ook niet aan een openbaring door den Engel des Verbonds, maar aan een onzichtbare, hoewel hoorbare openbaring in het onweder, op dezelfde wijze, als de Heere God aan Israël op Horeb verscheen, onder tekenen van vuur, gelijk Hij aan Elia verscheen, na het ruisen van een zachte koelte. Het onweder, de storm is hier het voertuig, waarvan de Heere God Zich bedient.
Waarom de Heere in een onweder verschijnt, blijkt reeds gedeeltelijk uit het gezegde bij Hoofdstuk 36: 28. Het onweder en de storm, die de lucht reinigt, is vooral in Palestina en Syrië een natuurverschijnsel, dat, in zijne verwoestende en tevens reinigende en rijkelijk zegenende werking, overeenkomt met het straffend en verlossend besturen van God in de mensenwereld. Het is daarom ook bijzonder geschikt. om een middel ter openbaring te zijn van dien God, die vol majesteit en heerlijkheid is, maar ook vol barmhartigheid en genade. Aan Job verschijnt de Heere als Rechter, die den overmoedigen bediller moet verootmoedigen en binnen zijne grenzen brengen, maar ook als Verlosser, die den boetvaardigen zondaar wil rechtvaardigen en weer in den staat der genade wil plaatsen (vgl. Exodus 19: 16-19. 1 Koningen 19: 11. Ezechiël. 1: 4).
Wie is hij toch 1), die voor zich en anderen den raad der Goddelijke liefde, die den zondaar door droefheid en lijden van de zonde wil verlossen, verduistert, in een vals licht stelt, met woorden zonder ware wetenschap 2), die het licht geheel wegneemt, door er van te spreken, zonder er iets van te begrijpen?
God, opdat Hij ons tot beneden niets verlage en tot het diepst vernedere, gebruikt dit woord: Wie zijt gij, gij mensen? Wanneer Hij dit doet horen, bedoelt Hij daarmee, om ons alle gelegenheid tot roemen te ontnemen. Want alsdan erkennen wij, dat in ons zelfs geen smaak voor enig goed aanwezig is, en alsdan hebben wij geen gelegenheid meer, om ons iets aan te matigen.
De bedoeling van deze uitdrukking is Job te overtuigen, dat hij heeft gesproken op een wijze, die niet getuigt van doorzicht in de zaken, zonder een waar en duidelijk inzicht, waardoor hij de daden Gods in betrekking tot de mensen, ook wat de onheilen betreft, in een vals licht heeft geplaatst.
Gord nu, als een krijgsman, uwe lenden, schort uwe lange klederen met een gordel op, en treed met Mij in den strijd, wat gij lang gewenst hebt te kunnen doen (Hoofdstuk 9: 35; 13: 22; 14: 15; 31: 37 zo zal Ik u vragen 1) over de zaken Mijner wereldregering, die gij berispt hebt, en onderricht gij Mij2), opdat Ik weet of gij zo wijs zijt, dat gij over Mijne werken kunt oordelen.
Terwijl de Heere zich met Job inlaat in een gesprek, doet Hij toch geenszins wat Job gewenst heeft, maar iets anders, waaraan Job in het geheel niet gedacht heeft. Hij overlaadt hem met vragen, die hem moeten leren, hoe onrechtvaardig en dwaas hij handelde met dit optreden te willen.
Op heilige ironische wijze spreekt God hier, opdat Job reeds terstond een diepen indruk zou verkrijgen van de grote dwaasheid, die hij heeft uitgesproken, om met God een twistgeding te willen aanvangen. Job moet het terstond weten, dat hij een vermetel waagstuk heeft ondernomen. Want toch, als een arme, machteloze, door de wormen schier verteerd, ligt hij daar ter neer. Zijn kracht is vergaan, zijne macht is uitgeput. Ter nauwernood kan hij zich oprichten, en nu roept God hem op, om zich als een krijgsman, als iemand, want dit staat er eigenlijk letterlijk, die over reuzenkrachten te beschikken heeft, te openbaren. Om met God te kunnen strijden, moet men meer dan reuzenkracht bezitten, en och arme, Job is een geheel krachteloos mens geworden. Hoe zult gij dan, en dit wil de Heere hem doen gevoelen, kunnen bestaan voor Mijn aangezicht? Als met één slag rukt God hem weg van het verheven voetstuk, waarop hij zich zelven heeft geplaatst.
Hier gaat God voort, om de dwaze en ijdele aanmatigingen der mensen in een belachelijk daglicht te stellen, wanneer zij menen, zoveel scherpzinnigheid te bezitten, dat zij met God willen twisten en strijden. Hij zegt, waar is het, dat gij schijnt begaafd te zijn met een vlug verstand, wanneer ik U toesta te spreken, maar op mijn beurt zal Ik mij ook aangorden en zal Ik ook een weinig spreken, wat dienstig is; gij nu antwoordt Mij, en gij zult terstond uwe krachteloosheid erkennen.
Waar waart gij a) toen Ik 1) de aarde grondde, grondvestte? Waart gij daarbij tegenwoordig of werkzaam? geef het te kennen, wat gij toen gezien hebt, indien gij kloek van verstand, vol inzicht in het plan van het Goddelijk wereldbestuur zijt (Psalm 102: 26).
Spreuken 8: 29.
Gij, die U voor een orakel wilt doen houden, en voorwendt een kennen van Gods raadsbesluiten te zijn, en die U vermeet dezelve te beoordelen, waar waart gij, toen de Almachtige de aarde grondde? Gij waart zeker gelijk alle anderen, voor en na U levende, niet alleen niet tegenwoordig bij dat werk, noch had er het minste zeggen in, maar zelfs had gij geen bestaan althans, gij laagt nog in diepe vergetelheid begraven. Hij heeft ons niet geraadpleegd, toen Hij de wereld schiep, welke volmaakt wèl is geschapen, zou Hij ons dan om raad vragen, ten aanzien der maatregelen, welke Hij, in het besturen er van, ter hand neemt?.
Wie heeft hare maten, de evenredigheden der aarde gezet? Zeg het, want gij weet het immers? Of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken, tot het bewerken van hare kunstvolle orde en bewonderenswaardige evenredigheid?
Waarop zijn hare grondvesten, de pilaren of grondstenen, over welke het gehele wondergebouw zweeft, neergezonken, zodat het in eeuwigheid niet wankelt (Hoofdstuk 26: 7. Psalm 104: 5 vv.)? Of wie heeft haren hoeksteen, die alle delen van het grote huis samenhoudt, gelegd? De schepping der aarde wordt vergeleken met de grondvesting en optrekking van een gebouw, ‘t welk zijne fondamenten heeft, wijselijk naar het meetsnoer wordt afgedeeld, van enen hoeksteen voorzien, en ten dele op zuilen en kolommen rust.
Toen bij het aanbreken van den groten scheppingsmorgen de morgensterren 1), de Engelen, te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten 1), het gehele koor van zalige geesten, van Engelen (Hoofdstuk 1: 6). Zij allen verheugden zich in de wording dier aarde zo vol wijsheid, en zongen bij de volmaking ter ere Mijner almacht en wijsheid het: “driemaal heilig,” en gij wilt Mij bedillen?
De morgensterren en de kinderen Gods zijn beide uitdrukkingen, benamingen voor de Engelen. De sterren waren er niet vóór dat God de aarde grondvestte, maar zijn op den vierden dag door God te voorschijn geroepen. Morgenster is daarom dichterlijke uitdrukking voor Engel. Dewijl de morgenster den nieuwen dag aankondigt, alzo was ook de Engel de voorbode van den dag der wereldschepping. En gelijk de morgenster schittert in heerlijken, zuiveren glans, zo schitterden ook de Engelen als heerlijke, zuivere wezens, om de ere Gods te verkondigen.
Uit het bij elkaar plaatsen van de morgensterren en de kinderen Gods hebben vele oudere en nieuwere uitleggers het besluit getrokken, dat onder de morgensterren gene eigenlijke sterren, maar de hemelse geesten zullen bedoeld zijn, die om hun bijzondere natuurlijke en geestelijke gaven met de altijd schitterende sterren vergeleken werden.
De Engelen worden Gods zonen geheten, omdat zij veel van Zijn beeld dragen, met God in Zijn huis, hierboven in den hemel verkerende, Hem dienen, gelijk een zoon zijn vader doet. Merkt hier, dat Gods ere en heerlijkheid als van den Schepper der wereld met blijdschap en gejuich van alle zijne redelijke schepselen geprezen en groot gemaakt moet worden. Want zij zijn bevoegd en gesteld, om de verzamelaars van de lofzeggingen der lagere schepselen te zijn, die God alleen voorwerpelijk kunnen prijzen. Ook is het prijzen van God een voornaam werk der Engelen, en hoe overvloediger wij in heilige, nederige, dankbare en blijde lofgalmen zijn, hoe meer wij dan den wil van God zelf op hun wijze betrachten.
Of wie a) heeft in den beginne de zee met deuren toegesloten 1), door oevers als dammen van alle zijden begrensd, toen zij uitbrak uit den binnensten schoot der aarde en uit de baarmoeder als een pasgeboren kind voortkwam 2)?
Genesis 1: 9. Job 26: 10. Psalm 33: 7; 104: 9. Spreuken 8: 29. Jer. 5: 22.
Dat de zee, trots het vlakke van hare oevers, zich niet over het vaste land uitstortte, is een werk der Almacht, welke over haar, d.i. haar bedwingend, een bestemde grens stelde.
God zwijgt hier van den toestand van “woest en ledig” en gaat terstond over tot het scheppingswerk der zes dagen. Op hoge, dichterlijke wijze wordt hier de Schepping beschreven, en daarmee op het heerlijkst de Almacht Gods verheerlijkt en de diepe, zeer diepe afhankelijkheid van het schepsel voorgesteld. De zee is voor den mens, als de stormwind giert en hare golven bruisen, het beeld van het alles verwoestend element, de schrik voor den nietigen aardbewoner, een oorzaak van veel jammer en ellende. Maar Gods Almacht zet haar paal en perk. Gods Almacht overwint haar en met één woord, met een daad van Zijn wil houdt Hij haar binnen de bepaalde grenzen. Hij heeft in den beginne haar de oevers tot grenzen gesteld, die zij niet overschrijdt, tenzij God het wil.
Welke nu zijn die grenzen? Gelijk Hij melding gemaakt heeft van de maat der aarde, zo spreekt Hij nu ook van de grenzen der zee. Maar welke zijn nu deze? Om zich beter te doen verstaan, wat Hij heeft gezegd, stelt Hij het voor, dat de zee in Zijne hand niets anders is, dan de vrucht in de baarmoeder, zodat het kind zich niet rustiger houdt in de baarmoeder, dan de zee zich houdt binnen hare grenzen. Waar is het, dat zij nu en dan groot gevaar kan geven, voornamelijk, wanneer zij door winden en onweder zich verheft. Dan schijnt de gehele wereld weldra door haar verwoest te zullen worden. Maar toch kan zij hare grenzen niet overgaan. Wie houdt haar tegen? Gelijk wij een wonder zien, wanneer wij zien, dat het kindje zich houdt in de baarmoeder niet anders dan als in een graf ingesloten, en ofschoon het zich beweegt, het er niet uit voortkomt, dan op den bepaalden tijd en dag, naar de order der natuur, dat zelfde geldt ook voor de zee.
Toen Ik de wolk, die uit haar oprees en boven haar bleef bangen, tot hare kleding stelde, en de donkerheid tot haren windeldoek1) (vgl. (Genesis 1: 2);
Ik geloof niet, dat ooit grootser beeld van dit element gegeven is, dan nu het hier kind wordt en de Schepper der wereld het met windelen kleedt. Het breekt uit de kloven der aarde als uit den moederschoot te voorschijn; de Beschikker aller dingen spreekt het als een levend wezen aan (vs. 10 en 11), als een verheven bedwinger der aarde met weinige woorden, en de zee zwijgt en gehoorzaamt Hem.
Voor Gods verbazende grootheid is het losbarsten van het woedend element niet meer dan de geboorte van een kind! In het oog van Gods almachtige vaderzorg is ook de zee Zijn kind, dat Hij ter wereld helpt komen.
Toen ik voor haar, de overmoedige, steeds verder voort dringende, jeugdige zee met Mijn besluit, mijn grenzen stelde, de aarde doorbrak
en zette grendel en deuren, zodat zij het vaste land niet kan overstromen;
In het Hebr. Weëschbor alaw chukki. Beter: Toen ik haar mijne grenzen vaststelde. Want wel kan het laatste woord besluit betekenen, maar ook grenzen, of perken, gelijk Spreuken 8: 29, waar insgelijks van de zee sprake is. En die betekenis moeten we ook hier hebben. In het tweede gedeelte is dan ook sprake van grendel en deuren, waaronder de oevers en de duinen zijn te verstaan.
En zei tot dat element, dat zich ongaarne die kluisters liet aandoen: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder! en hier zal hij (de oever) zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven. Wanneer deze woorden dikwijls tegen den overmoed der mensen gebruikt worden, dan geschiedt dit met recht. De zee is in de natuur het beeld van onstuimigheid, van toorn, van gewelddadigheid en vernielingszucht der mensen. Ja, zij komt in de Heilige Schrift dikwijls voor als iets, wat in de macht van enen tegen God strijdenden geest staat (vgl. Openbaring 21:
Het bronwater daarentegen is de voorstelling van Gods genade, van vrede, van Gods woord, van Christus zelven.
Dat God dien ruimen omvang der trotse wateren in Zijn bedwang heeft, geeft een ontegensprekelijk bewijs te kennen van Zijne eindeloze macht, en kan Hij dit doen, zo kan Hij ook, naar Zijne keuze en welgevallen, de oproeren en het voelen der volken stuiten.
Hebt gij van sedert uwe dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijne plaats gewezen? Is de morgen ooit op uw bevel aangebroken en hebt gij de plaats beschikt voor het morgenrood?
Hebt gij van sedert uwe dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijne plaats gewezen? Is de morgen ooit op uw bevel aangebroken en hebt gij de plaats beschikt voor het morgenrood?
Opdat hij, de dageraad, de einden der aarde vatten zou, gelijk een kleed, dat gereinigd moet worden, en of, zodat de goddelozen, die bij nacht daarop legerden, uit haar uitgeschud zouden worden 1)?
Kennelijk slaan deze en de volgende woorden terug op hetgeen Job heeft uitgesproken in Hoofdstuk 24: 15 vv., en God wil hem er door te verstaan geven, dat ook reeds, volgens de eigen scheppingsordinantiën God, er een grens is gesteld aan het onrecht en de daden der goddelozen. Het gehele aardrijk wordt hier bij een tapijt vergeleken, waarvan alle einden tegelijk door het licht worden omvat, om het te zuiveren en te reinigen van al wat verkeerd en zondig is, dewijl het licht schrik en angst voor de goddelozen baart.
Dat zij, de aarde, ten gevolge van den aanbrekenden morgen, veranderd zou worden gelijk zegelleem 1), eerst ene massa zonder vorm, daarna door het drukken van den zegelring een bepaalden vorm en betekenis verkrijgt, en zij, de vormen en voorwerpen der aarde, die in donkerheid gehuld waren, gesteld worden als een feestkleed, zich duidelijk vertonen, gelijk de bonte menigvuldige figuren van een schoon bewerkt gewaad.
Hier wordt de aarde vergeleken bij het was, waarin het zegel wordt afgedrukt. Als het nog donker is, kunt ge de vormen niet onderscheiden en schijnt alles vormloos, maar het stempel of de ring drukt in het was bepaalde vormen af, zo ook geeft het licht aan de aarde weer bepaalde vormen.
En dat door het opgaan der zon van de goddelozen hun licht geweerd worde, namelijk het nachtelijk donker, dat voor hen, de vijanden van het ware licht, bij hun werken der duisternis hetzelfde is, als voor andere mensen het daglicht (Hoofdstuk 24: 17. Joh. 3: 20), zodat zij genoodzaakt zijn zich te verbergen, en de hoge arm van den misdadiger worde gebroken, onschadelijk gemaakt door het licht, dat alles openbaar maakt? Het natuurlijke licht wordt hier als ene zedelijke macht voorgesteld, die in strijd is met de duisternis en hare werken. Het natuurlijke licht is niet slechts een afbeeldsel, maar ook een werktuig en drager van het eeuwige, Goddelijke licht, waar door ons goddelijk leven, gerechtigheid en zaligheid ten deel wordt, waardoor in ons en buiten ons de strijd tegen de macht van het rijk der duisternis gevoerd wordt -Wat alzo op elken morgen door het natuurlijke licht wordt te weeg gebracht, dat zal op den jongsten dag in den hoogsten zin geschieden. Dan zal de aarde geheel en al van alle goddelozen bevrijd worden en in ene nieuwe verheerlijkte gedaante verschijnen door de macht van het Goddelijk licht.
16. Vs 16-30. Kent gij den weg tot de bronnen der zee en de poorten der onderwereld, tot de woning van het licht en van de duisternis, tot de voorraadkamers van sneeuw en van hagel, tot den oorsprong van den bliksem en van den stormwind? Kent gij de banen, langs welke de regen de gehele aarde, ook hare woeste delen bereikt? Kent Gij den oorsprong van den regen, van den dauw, van ijs en van rijm?
Zijt 1) gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, tot daar, waar haar water uit de bronnen te voorschijn komt? en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
Tot nu toe had God hem bepaald bij Zijn macht in hemel en aarde, nu komt Hij hem wijzen op de diepte der zee, om Job ook hierdoor te bepalen bij zijn eigen kortzichtigheid, bij zijn beperkte kennis. Daarna gaat de Heere over tot hetgeen onder de aarde is, tot de poorten des doods en de schaduwen van het dodenrijk, om daarna terug te keren tot de oppervlakte der aarde. En dit alles, om Job te doen inzien, dat hij, die zo boud heeft gesproken, ook zo weinig weet, en daarom volstrekt niet bij machte is, om de raadselen Gods te ontsluieren. Op het diepst wordt Job hier vernederd, opdat hij straks als een ootmoedig, verbrijzeld en verootmoedigd zondaar voor zijn God in het stof zou bukken.
Zijn U de poorten des doods ontdekt, de diepste diepten der zee (Hoofdstuk 26: 5 vv. 26.5)? en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods, van het dodenrijk, zodat gij zeggen kunt, welke samenhang tussen dood en leven, onderwereld en bovenwereld bestaat?
Zijt gij met Uw verstand gekomen, doorgedrongen tot aan de breedte der aarde; hebt gij de gehele uitgestrektheid der aarde nagegaan en overzien, zodat gij weet in welk verband de dingen op de oppervlakte met de diepte staan? Geef het te kennen, indien gij dit alles (vs. 16-18) weet. Misschien had gij dan recht, met Mij te spreken over het regeren der wereld (vgl. Hoofdstuk 37: 18 ).
Waar is de weg, daar het licht woont, welke is zijn geheime wondervolle oorsprong? en de duisternis, waar is hare plaats? Licht en duisternis worden hier wederom bij persoonsverbeelding voorgesteld als vorsten, die beurtelings het gebied over de aarde voeren; elk heeft zijne plaats, zijn paleis, waar hij zich ophoudt, terwijl de andere op aarde het bevel voert. Waar is het licht, wanneer het donker is? Waar is de duisternis, wanneer het helder dag is? In oude tijden waren dergelijke vragen onoplosbare raadsels. Men denke niet, dat er thans zulke vragen niet meer kunnen gedaan worden, zij zouden slechts in andere bewoordingen moeten begrepen zijn. Weet gij het, hoe de aarde met ene altijd gelijke helling om hare as draait? Welke is die zwaartekracht, waardoor alles op elkaar weegt en zich in evenwicht houdt?. God vraagt niet, of Job op een verwarde wijze en bij gissing, naar den trant der beschrijvers van het aardrijk, maar of hij een onderscheidene, duidelijke, klare en voldingende kennis van de Goddelijke huishouding over alles, en in het bijzonder over de aarde bezit, want hij, die met God wil twisten, behoort de Alwetendheid te bezitten.
Dat gij dat, deze beide machten der natuur, brengen zoudt tot zijne pale, tot zijn gebied, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes, de wegen naar zijn paleis. Het licht wordt hier, even als in Genesis1, beschouwd als ene natuurmacht, die zelfstandig is, en onafhankelijk van zijne dragers, de hemellichamen. Hierin komen, gelijk bekend is, de onderzoekingen van den laatsten tijd met die van de eerste tijden overeen.
Zijt gij gekomen tot de schat-, de voorraadkamers der sneeuw? en hebt gij de schatkamers des hagels gezien? Weet gij, van waar en met welk doel deze bestaan?
Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den tijd, dat Ik verdrukking over de mensen wil laten komen, tot straf voor hun zonden, tot den dag des strijds en des oorlogs, wanneer Ik Mijne tegenstanders openlijk wil aanvallen en kastijden? Moet gij niet in deze en in alle natuurmachten eveneens de Almacht zowel als de Gerechtigheid Mijner wereldregering erkennen (vgl. vs. 13,15). In het Oosten, bijzonder in Palestina en in Syrië, is een sterke sneeuw of hagel veel zeldzamer dan bij ons; komen zij echter, zo geschiedt dit meestal met zulk ene hevigheid en heeft het zulke verderfelijke gevolgen, dat zij, en vooral de sneeuw, veel duidelijker als ene goddelijke straf zijn aan te zien, dan bij ons. Zo bericht men bijv. van een vreselijk sneeuwen in Haran in ‘t jaar 1860, waardoor ontelbare kudden van schapen en geiten en kamelen en ook vele mensen zijn omgekomen (vgl. Exodus 9: 22. Jozua 10: 11. Jes. 28: 17; 30: 30. Ezechiël. 13:
(Hag. 2: 17. Psalm 18: 13 vv.; 78: 47 vv.).
Waar is de weg, waar, en welke is de wijze, daar het licht verdeeld wordt, over zo vele delen der aarde verspreid wordt, en hoe komt het, dat de oostenwind 1) zich verstrooit op de aarde? Kunt gij de wetten van verdeling van deze beide op hun wegen berekenen, gelijk Ik ze almachtig, rechtvaardig en wijs bestuur?
Werd vroeger over de uitgangen van het licht gesproken, hier over de verdelingen. En daarom wordt hier de Oostenwind genoemd, dewijl deze aldaar veel woei en bovendien gevreesd was, vanwege zijn verwoestende kracht (Ezechiël. 17: 18; 19: 12; Jozua 4: 8 vv.).
Wie 1) deelt voor den stortregen enen waterloop uit, die als door een kanaal van den hemel afstort, en wie heeft enen weg voor het weerlicht der donderen aangewezen, zo dat het nu hier, dan daar naar Mijn welgevallen nederdaalt?
Had de Heere Job tot nu toe bij zijn onkunde en kortzichtigheid bepaald, nu doet Hij hem zijn onmacht gevoelen. Want toch, regen en dauw, ijs en rijm, zij kunnen niet door het mensenkind, niet door de vereende macht van alle mensen samen voortgebracht worden. De dorre woestijn, het droge aardrijk te doen uitspruiten door den vruchtbaarmakenden regen en door den verkwikkenden dauw staat niet in de macht van een mensenkind. En dat God het doet, het is niet om Zich zelfs wil, maar uit Vaderlijke zorg voor hetgeen Hij geschapen heeft, voor mens en dier. Dit moet Job goed gevoelen, opdat hij zich dieper bukke in het stof, vanwege zijne vermetele gedachten en woorden.
Om naar Mijne vaderlijke zorg niet slechts ten nutte van den trotsen mens te regenen op het bebouwde land, maar ook daar, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
a) Om door dien regen het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen, opdat ook de dieren in de woeste plaatsen zouden ondervinden, dat Mijne liefde geen enkel schepsel vergeet.
Psalm 107: 35.
Heeft de regen enen vader, behalve Mij? Kan enig mens dien regen, die onmisbaar is voor ieder schepsel, voortbrengen? Of wie baart de druppelen des dauws? Staat het in de macht van enig mens dien te laten neervallen?
Uit wiens buik komt het ijs voort? wie brengt dat bewonderenswaardige voort? en wie baart den rijm des hemels 1), den rijm, die van den hemel nederdaalt?
Regen en dauw hebben evenmin een schepsel tot vader als ijs en rijm een schepsel tot moeder. Schultens merkt aan: “In het Oosten wil de vader van iets zoveel zeggen, als de oorsprong van het ding en de moeder de stof, of eerste oorzaak van hetzelve; dus wordt de regen de moeder der vruchtbaarheid geheten, voorzover zij de aarde bevochtigt en vruchtbaar maakt, en zij zelf wordt, omdat zij voor het naast uit de wolken schijnt geboren te worden, de dochter der wolken genoemd.” Daarom juist is deze vraag van zoveel betekenis voor Job.
Als met enen steen verbergen 1) zich de wateren, zij bedekken zich met een ijskorst, en het vlakke des afgronds, de oppervlakte der diepe zee wordt omvat, kunt gij de laatste oorzaken van al deze wonderen navorsen? Is het niet mijne almacht, gerechtigheid en goedheid, die dat alles voortbracht, bestuurt en regelt?
In het Hebr. Jithchabaoe. Verbergen zich, dewijl zij als vloeistof verdwijnen. Van daar dat verbergen zich hier de betekenis krijgt van, hard worden. 31. Vs. 31-38. Verstaat gij de schepping en leiding der sterren en den invloed des hemels op de aarde? Kunt Gij gebied voeren over de wolken en over het onweder? Kunt gij den regen op de aarde brengen?
Kunt gij de lieflijkheden a) van het Zevengesternte (het liefelijk Zevengesternte) of der Pleiaden (Hoofdstuk 9: 9)binden? Hebt gij het teweeggebracht, dat dit hoopje van sterren op zulk ene wijze, in zulk ene vaste orde elke avond bij elkaar wordt gevonden? Of kunt gij de strengen des Orions, de gouden nagelen, waarmee dit gesternte aan den hemel gebonden is, elke morgen losmaken, wanneer hij weer van den hemel verdwijnt?
Job 9: 9. Amos 5: 8.
Kunt gij de Mazzarôth, de twaalf sterrenbeelden van den Zodiak of dierenriem (zie (2 Samuel 23: 5), voortbrengen op haren tijd, zodat zij des avonds na den ondergang der zon en des morgens vóór den opgang der zon zichtbaar wordt? en kunt gij den Wagen1), Arcturus, den groten Beer (zie Hoofdstuk 9: 9 ),met zijne kinderen, de drie sterren en zijnen staart aan den hemel langs zijne baan leiden?
Het sterrenbeeld de Grote Beer wordt door de Arabieren en Hebreeën beschouwd als de moeder van de sterren, die haar omgeven, in ‘t bijzonder van de drie sterren in den staart.
Weet gij de verordeningen des hemels, kent gij de wijze wetten, aan welke de hemel onderworpen is, ten opzichte van opgang en ondergang der zon, de banen der sterren, waarvan vs. 31 en 32 spreekt, de maan, het komen en verdwijnen der wolken enz.? Of kunt gij zijne heerschappij, zijnen invloed op de aarde bestellen, bepalen, hoe dag en nacht, zomer en winter, regen en zonneschijn ontstaan (Genesis 1: 16. Jer. 31: 35. Psalm 136: 7-9)? Predikt die hemel niet luide, dat een almachtig en goedertieren God hem schiep? Dit vers wijst tevens aan, welk doel de verzen 31 en 32 hebben. De sterrenhemel en de beschouwing der wijsheid en heerlijkheid Gods, welke deze predikt, moet enen niet krankzinnigen mens evenzeer verootmoedigen, als tot lof voor den wonderbaren God sternen. Een la Lande vond in alle hemelstreken geen God. Wie Hem echter tevoren vond, die vindt de trekken Zijner hand in het schitterend sterrenschrift weer, en de grote ontdekkingen der wetenschap, die tot bedwelmende bewondering brengen, zullen bij alle bewondering van het menselijk geslacht, waaraan zulk ene macht gegeven is, toch ook weer in het stof buigen voor Hem, die het heir der sterren te voorschijn brengt en ze allen bij name noemt. Maar zouden wij dan, wij niet-weters, wij van raad en wijsheid ontblote schepselen, den Raad van den Schepper kunnen of durven voorwenden te kennen en te bedillen! Hoe zouden wij ons mogen vermeten, om God te willen leren, op welk een wijze Hij de wereld regeren zou?. Ook van de Astronomie is waar, wat v.Humboldt van onze tegenwoordige Physica zegt, dat zij “de vragen Gods in wetenschappelijke uitdrukkingen weet te formuleren, maar niet bevredigend kan oplossen.”
Kunt gij uwe stem tot de wolken opheffen, om de bevelen te geven, opdat een overvloed van water u bedekke? Immers trekt gij geen enkelen droppel naar de aarde?
Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henen varen, waarheen gij ze gebiedt? en tot u zeggen: Zie hier zijn wij; zend ons, waarheen gij wilt.
Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henen varen, waarheen gij ze gebiedt? en tot u zeggen: Zie hier zijn wij; zend ons, waarheen gij wilt.
a) Wie heeft u de wijsheid in het binnenste 1) (in de nieren) gezet, om uit de hemeltekenen af te leiden, welk weer komen zal? of wie heeft den zin 2) het verstand gegeven? gij kunt niet zeggen, van waar de gedachte ontstaat.
Job 32: 8. Prediker 2: 26. Dan. 1: 17.
Terwijl wij ons gewend hebben alle werkzaamheid van den geest in de hersenen te plaatsen, stelt de oudheid de verschillende aandoeningen der ziel in inwendige lichaamsorganen, als het medelijden in de ingewanden (zie Jer. 4: 19. Klaagt. 1: 20. Jes. 6: 11. Jer. 31: 20); nijd en toorn in de lever (in Jecore) en in de gal (Hand. 8: 23); de tederste en innigste gewaarwordingen daarentegen in de meren, zo ook hier de diepe smart (Psalm 73:
(Job 16: 13), sterk verlangen (Hoofdstuk 19: 27), het vermogen om iets vooraf te gevoelen, waar zowel het paralellismus als de samenhang, waarin van den invloed van krachten des hemels op den mens sprake is, het nabij ligt, aan de in Psalm 51: 8 voorhanden liggende betekenis van nieren, vast te honden. Deze ons vreemde beschouwingswijze der Heilige Schrift wordt evenwel bevestigd door onze ervaring van den invloed der werkzaamheid van den geest en van de uitwerking op de lichaamsorganen en ook “door de medische wetenschap niet geloochend, hoewel zij hare onbekwaamheid erkent om deze ervaringen te verklaren.
Volgens de H. Schrift is juist: “het hart, dat centrum, van waar de ziel alom tegenwoordig het lichaam doorgaat op ene wijze, die zich binnen de ruimte openbaart en toch zonder begrenzing is.”.
In het Hebr. Sekwi. De Talmudici vertalen het “haan.” De Vulgata is deze gevolgd en zet het over door “gallus.” Bij de Joden was deze uitlegging (quis dedit gallo intelligentiam) algemeen, zo ook het Rabbijnse morgengebed: “Gelooft zijt Gij, Heere onze God, Gij, Koning der wereld, die den haan het verstand gegeven hebt, om dag en nacht te onderscheiden.” Saubertus heeft deze betekenis van het woord (Oper.Posthum 18,19) verdedigd. Men doet dit op grond, dat alle volkeren den haan voor een weerprofeet hielden, dat de Grieken hanen-waarzeggingen uitoefenden, zodat men graankorrels op de letters van het Alfabet legde en die door een haan liet wegpikken; dat ook de Romeinen iets goddelijks in hem zagen en Mohammed gebood hem te eren. V.d.Palm vertaalt het door: “luchtverschijnselen,” “meteoren.” Vaihinger (in Herzog’s Real-encyclopedie), Bochart en anderen ontkennen, dat dit woord de betekenis kan hebben, boven genoemd. De vertaling van luchtverschijnsel is ongerijmd. Beter was het dan nog, om het op te vatten in den zin van oog, wij houden ons aan die van zin, in den zin van hart. De Heere vraagt hier dan, wie in het binnenste van den mens, in hart en nieren, wijsheid en verstand heeft neergelegd, gedeponeerd als een rijke schat. Hart en nieren worden vele malen in de H. SCHRIFT met elkaar als in één adem genoemd.
Wie kan de wolken met wijsheid tellen, zodat er noch te veel noch te weinig zijn? en wie kan de flessen 1) des hemels neerleggen, omleggen, dat zij zich ontledigen en rijkelijk regen geven van den hemel?
Letterlijk, de lederen zakken. In het Oosten werden water, wijn en andere vloeibare stoffen in lederen zakken bewaard en gedragen. Dit wordt hier op de wolken des hemels overgedragen. Gelijk men een lederen zak ontsluit, zo ook wordt hier gevraagd, wie de wolken ontsluit, zodat zij het water laten vallen.
Zo lang houden zij aan water te geven, als het stof van den verschroeiden aardbodem doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven. Openbaart zich dan ook hierin niet Mijne almacht, goedheid en wijsheid, dat Ik den regen geef naar de behoeften der aarde?
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel