Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En gewisselijkH199, o JobH347! hoorH8085 tochH4994 mijn redenenH4405, en neemH238 alH3605 mijn woordenH1697 ter oreH238.
En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
KJV
Wherefore,1
Job,4
I pray thee, hear2
my speeches,5
and hearken8
to all my words.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZieH2009 nu, ik heb mijn mondH6310 opengedaanH6605; mijn tongH3956 spreektH1696 onder mijn gehemelteH2441.
Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
KJV
Behold, now I have opened3
my mouth,4
my tongue6
hath spoken5
in my mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Mijn redenenH561 zullen de oprechtigheidH3476 mijns hartenH3820, en de wetenschapH1847 mijner lippenH8193, wat zuiverH1305 is, uitsprekenH4448.
Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
KJV
My words3
shall be of the uprightness1
of my heart:2
and my lips5
shall utter7
knowledge4
clearly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
De GeestH7307 GodsH410 heeft mij gemaaktH6213, en de ademH5397 des AlmachtigenH7706 heeft mij levendH2421 gemaakt.
De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
KJV
The Spirit1
of God2
hath made3
me, and the breath4
of the Almighty5
hath given me life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
ZoH518 gij kuntH3201, antwoordH7725 mij; schikH6186 u voor mijn aangezichtH6440, stelH3320 u.
Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
KJV
If thou canst2
answer3
me, set thy words in order4
before5
me, stand up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
ZieH2005, ikH589 ben GodesH410, gelijk gij; uit het leemH2563 ben ikH589 ookH1571 afgesnedenH7169.
Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden.
KJV
Behold, I am according to thy wish3
in God's4
stead: I also am formed6
out of the clay.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZieH2009, mijn verschrikkingH367 zal u nietH3808 beroerenH1204, en mijn handH405 zal overH5921 u niet zwaarH3513 zijn.
Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
KJV
Behold, my terror2
shall not make thee afraid,4
neither shall my hand5
be heavy
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
ZekerH637, gij hebt gezegdH559 voor mijn orenH241, en ik heb de stemH6963 der woordenH4405 gehoordH8085;
Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
KJV
Surely thou hast spoken2
in mine hearing,3
and I have heard6
the voice4
of thy words,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Ik ben reinH2134, zonder overtredingH6588; ik ben zuiverH2643, en heb geenH3808 misdaadH5771.
Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.
KJV
I am clean1
without transgression,4
I am innocent;5
neither is there iniquity
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
ZieH2005, Hij vindtH4672 oorzakenH8569 tegenH5921 mij, Hij houdtH2803 mij voor Zijn vijandH341.
Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.
KJV
Behold, he findeth4
occasions2
against me, he counteth5
me for his enemy,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Hij legtH7760 mijn voetenH7272 in den stokH5465; Hij neemtH8104 alH3605 mijn padenH734 waar.
Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.
KJV
He putteth1
my feet3
in the stocks,2
he marketh4
all my paths.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZieH2005, hierin zijt gij nietH3808 rechtvaardigH6663, antwoordH6030 ik u; wantH3588 GodH433 is meerderH7235 dan een mensH582.
Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
KJV
Behold, in this thou art not just:4
I will answer5
thee, that God8
is greater7
than man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Waarom hebt gij tegenH413 Hem getwistH7378? WantH3588 Hij antwoordtH6030 nietH3808 van alH3605 Zijn dadenH1697.
Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
KJV
Why dost thou strive3
against him? for he giveth not account8
of any of his matters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Maar GodH410 spreektH1696 eens of tweemaalH8147; doch men letH7789 nietH3808 daarop.
Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.
KJV
For God4
speaketh3
once,2
yea twice,5
yet man perceiveth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
In den droomH2472, door het gezichtH2384 des nachtsH3915, als een diepeH8639 slaapH5307 opH5921 de liedenH582 valtH5307, in de sluimeringH8572 opH5921 het legerH4904;
In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;
KJV
In a dream,1
in a vision2
of the night,3
when deep5
sleep falleth4
upon men,
in slumberings8
upon the bed;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Dan openbaartH1540 Hij het voor het oorH241 der liedenH582, en Hij verzegeltH2856 hun kastijdingH4561;
Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding;
KJV
Then he openeth2
the ears3
of men,
and sealeth6
their instruction,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Opdat Hij den mensH120 afwendeH5493 van zijn werkH4639, en van den manH1397 de hovaardijH1466 verbergeH3680;
Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
KJV
That he may withdraw1
man2
from his purpose,3
and hide6
pride4
from man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Dat Hij zijn zielH5315 vanH4480 het verderfH7845 afhoudeH2820; en zijn levenH2416, dat het door het zwaardH7973 niet doorgaH5674.
Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.
KJV
He keepeth back1
his soul2
from the pit,4
and his life5
from perishing6
by the sword.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Ook wordt hij gestraftH3198 met smartH4341 opH5921 zijn legerH4904, en de sterkeH386 menigteH7230 zijner beenderenH6106;
Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;
KJV
He is chastened1
also with pain2
upon his bed,4
and the multitude5
of his bones6
with strong
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Zodat zijn levenH2416 het broodH3899 zelf verfoeitH2092, en zijn zielH5315 de begeerlijkeH8378 spijzeH3978;
Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;
KJV
So that his life2
abhorreth1
bread,3
and his soul4
dainty6
meat.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Dat zijn vleesH1320 verdwijntH3615 uit het gezichtH7210, en zijn beenderenH6106, die nietH3808 gezienH7200 werden, uitstekenH8192;
Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;
KJV
His flesh2
is consumed away,1
that it cannot be seen;3
and his bones5
that were not seen7
stick out.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En zijn zielH5315 nadertH7126 ten verderveH7845, en zijn levenH2416 tot de dingen, die dodenH4191.
En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.
KJV
Yea, his soul3
draweth near1
unto the grave,2
and his life4
to the destroyers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Is er dan bijH5921 Hem een GezantH4397, een UitleggerH3887, eenH259 uitH4480 duizendH505, om den mensH120 zijn rechten plichtH3476 te verkondigenH5046;
Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen;
KJV
If there2
be a messenger4
with him, an interpreter,5
one6
among a thousand,8
to shew9
unto man10
his uprightness:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Zo zal Hij hem genadigH2603 zijn, en zeggenH559: VerlosH6308 hem, dat hij in het verderfH7845 niet nederdaleH3381, Ik heb verzoeningH3724 gevondenH4672.
Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.
KJV
Then he is gracious1
unto him, and saith,2
Deliver3
him from going down4
to the pit:5
I have found6
a ransom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Zijn vleesH1320 zal frisserH7375 worden dan het was in de jeugdH5290; hij zal tot de dagenH3117 zijner jonkheidH5934 wederkerenH7725.
Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.
KJV
His flesh2
shall be fresher1
than a child's:3
he shall return4
to the days5
of his youth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Hij zal totH413 GodH433 ernstiglijk biddenH6279, Die in hem een welbehagen nemenH7521 zal, en zijn aangezichtH6440 met gejuichH8643 aanzienH7200; want Hij zal den mensH582 zijn gerechtigheidH6666 wedergevenH7725.
Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.
KJV
He shall pray1
unto God,3
and he will be favourable4
unto him: and he shall see5
his face6
with joy:7
for he will render8
unto man9
his righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Hij zal de mensenH582 aanschouwenH7789, en zeggenH559: Ik heb gezondigdH2398, en het rechtH3477 verkeerdH5753, hetwelk mij nietH3808 heeft gebaatH7737;
Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat;
KJV
He looketh1
upon men,
and if any say,4
I have sinned,5
and perverted7
that which was right,6
and it profited
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Maar God heeft mijn zielH5315 verlostH6299, dat zij niet voereH5674 in het verderfH7845, zodat mijn levenH2416 het lichtH216 aanzietH7200.
Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
KJV
He will deliver1
his soul2
from going3
into the pit,4
and his life5
shall see7
the light.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
ZieH2005, ditH428 allesH3605 werktH6466 GodH410 tweemaalH6471 of driemaalH7969 metH5973 een manH1397;
Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man;
KJV
Lo, all these things worketh4
God5
oftentimes6
with man,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Opdat hij zijn zielH5315 afkereH7725 vanH4480 het verderfH7845, en hij verlichtH215 worde met het lichtH216 der levendenH2416.
Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.
KJV
To bring back1
his soul2
from the pit,4
to be enlightened5
with the light6
of the living.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
MerkH7181 op, o JobH347! HoorH8085 naar mij; zwijgH2790, en ikH595 zal sprekenH1696.
Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
KJV
Mark well,1
O Job,2
hearken3
unto me: hold thy peace,5
and I will speak.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
ZoH518 er redenenH4405 zijn, antwoordH7725 mij; spreekH1696, wantH3588 ik heb lustH2654 u te rechtvaardigenH6663.
Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
KJV
If thou hast2
any thing to say,3
answer4
me: speak,5
for I desire7
to justify
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
ZoH518 nietH369, hoorH8085 naar mij; zwijgH2790, en ik zal uH859 wijsheidH2451 lerenH502.
Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
KJV
If not, hearken4
unto me: hold thy peace,6
and I shall teach7
thee wisdom.
ik heb
Den mond opendoen is dikwijls met zeer groten ernst van gewichtige zaken spreken, of een statig verhaal aanvangen, gelijk hier en Richt. 11:35 ; Ps. 78:2 ; Spr. 24:7 , en Spr. 31:8-9 , Spr. 31:26 .
Hertaald:
ik heb
De mond openen is vaak spreken met grote ernst over gewichtige zaken, of het beginnen van een plechtig betoog, zoals hier en Richt. 11:35; Ps. 78:2; Spr. 24:7, en Spr. 31:8-9, Spr. 31:26.
onder
Of, met mijn raak, of gehemelte; dat is in mijn mond. Het gehemelte helpt tot de spraak, boven, Job 29:10 ; daarom wordt hetzelve ook de spraak toegeschreven. Zie boven, Job 31:30 ; Spr. 8:7 .
Hertaald:
onder
Of: met mijn tong, of verhemelte; dat is: in mijn mond. Het verhemelte helpt bij het spreken, hierboven Job 29:10; daarom wordt daaraan ook de spraak toegeschreven. Zie hierboven Job 31:30; Spr. 8:7.
de oprechtigheid
Dat is, het rechte, ware en onvervalste gevoelen mijns harten. Vergelijk boven, Job 6:25 , en de aantekening.
Hertaald:
de oprechtigheid
Dat is: het juiste, ware en onvervalste gevoelen van mijn hart. Vergelijk hierboven Job 6:25, en de aantekening.
de wetenschap
Dat is, mijn lippen, die wetenschap of lering zullen en moeten voortbrengen; die ook lippen der wetenschap genaamd worden; Spr. 14:7 .
Hertaald:
de wetenschap
Dat is: mijn lippen, die kennis of onderwijs zullen en moeten voortbrengen; die ook lippen van de kennis genoemd worden; Spr. 14:7.
wat zuiver is,
Dat is, hetwelk onvervalst is en komt uit een oprecht hart.
Hertaald:
wat zuiver is,
Dat is: wat onvervalst is en uit een oprecht hart komt.
De Geest Gods
Elihu geeft te verstaan dat hij een mens was en schepsel Gods gelijk anderen; vervolgens dat Job met hem vrijelijk spreken mocht zonder schroom, als met zijns gelijke, zodat hij zich niet behoefde te ontschuldigen met de vreeslijke majesteit Gods, tegen welke hij verklaard had niet te kunnen verstaan. Zie boven, Job 9:32 , en Job 13:21 , en Job 16:21 .
Hertaald:
De Geest Gods
Elihu geeft te kennen dat hij een mens was, een schepsel van God net als anderen; en dat Job daarom vrij met hem mocht spreken zonder schroom, als met zijns gelijke, zodat hij zich niet hoefde te verontschuldigen met de verschrikkelijke majesteit van God, tegenover Wie hij verklaard had niet te kunnen bestaan. Zie hierboven Job 9:32, en Job 13:21, en Job 16:21.
adem
Hij schijnt te zien op de schepping van den eersten mens; Gen. 2:7 .
Hertaald:
adem
Hij lijkt te doelen op de schepping van de eerste mens; Gen. 2:7.
schik u
Of, schik, richt [uwe woorden]; gelijk Job 32:14 .
Hertaald:
schik u
Of: schik, richt [uw woorden]; zoals Job 32:14.
ik ben
Dat is, ik behoor God toe, zijnde van Hem geschapen, en totnutoe van Hem in het leven onderhouden. Anders, ik ben voor God naar uw woord, te weten om zijn zaak te verdedigen naar uw eigen begeerte.
Hertaald:
ik ben
Dat is: ik behoor God toe, door Hem geschapen, en tot nu toe door Hem in leven gehouden. Anders: ik ben voor God naar uw woord, namelijk om zijn zaak te verdedigen naar uw eigen verlangen.
uit
Te weten, in den eersten voorvader Adam, zodat ik van stof en afkomst uws gelijke ben, en daarom van u niet te vrezen; zie Gen. 2:7 .
Hertaald:
uit
Namelijk: in de eerste voorvader Adam, zodat ik naar stof en afkomst uw gelijke ben, en daarom voor u niet te vrezen; zie Gen. 2:7.
mijn verschrikking
Te weten, waarmede ik u zou mogen verschrikken.
Hertaald:
mijn verschrikking
Namelijk: waarmee ik u zou kunnen verschrikken.
hand
Zie boven, Job 13:21 , en de aantekening.
Hertaald:
hand
Zie hierboven Job 13:21, en de aantekening.
Ik ben
Dit zijn de redenen, die Elihu uit Jobs redenen had gemerkt, oordelende die strafbaar te wezen. Men kan dezelve, of dergelijke vinden in de plaatsen hier recht tevoren op den kant aangetekend. Niettemin, Job heeft zijn zonden meermalen bekend, gelijk te zien is boven, Job 9:2 , en Job 14:4 ; maar sprekende van zijn onnozelheid, verstaat hij daarmede de gerechtigheid zijner zaak tegen zijn vrienden, en niet de gerechtigheid zijns persoons voor God.
Hertaald:
Ik ben
Dit zijn de argumenten die Elihu uit de woorden van Job had opgemerkt en die hij strafbaar vond. Men kan deze, of soortgelijke, vinden op de plaatsen die net hiervoor in de kantlijn zijn aangetekend. Toch heeft Job zijn zonden meermalen erkend, zoals te zien is hierboven Job 9:2, en Job 14:4; maar wanneer hij spreekt over zijn onschuld, bedoelt hij daarmee de rechtvaardigheid van zijn zaak tegenover zijn vrienden, en niet de rechtvaardigheid van zijn persoon voor God.
Hij vindt
Te weten, God. Job had wel deze zelfde woorden niet gebruikt, maar die van gelijken zin waren, boven, Job 14:16-17 .
Hertaald:
Hij vindt
Namelijk: God. Job had niet precies deze woorden gebruikt, maar wel woorden met dezelfde betekenis, hierboven Job 14:16-17.
oorzaken
Dat is, stof om mij te bezwaren, dat is te beschuldigen en te straffen. Anders, afbrekingen; dat is, middelen om zich van mij of mij van hem te scheiden en alle vriendschap te breken, of om al mijn voornemens en pogen te vernietigen. Vergelijk Num. 14:34 .
Hertaald:
oorzaken
Dat is: grond om mij te belasten, dat is: te beschuldigen en te straffen. Anders: afbrekingen; dat is: middelen om zich van mij of mij van Hem te scheiden en alle vriendschap te verbreken, of om al mijn voornemens en pogingen te vernietigen. Vergelijk Num. 14:34.
houdt mij
Zie boven, Job 13:24 , en de aantekening; idem vergelijk boven, Job 16:9 , en Job 19:11 .
Hertaald:
houdt mij
Zie hierboven Job 13:24, en de aantekening; eveneens vergelijk hierboven Job 16:9, en Job 19:11.
Hij legt
Zie boven, Job 13:27 , en de aantekening.
Hertaald:
Hij legt
Zie hierboven Job 13:27, en de aantekening.
Hij neemt
Vergelijk boven, Job 14:16 , en Job 31:4 , met de aantekening.
Hertaald:
Hij neemt
Vergelijk hierboven Job 14:16, en Job 31:4, met de aantekening.
hierin
Dat is, in hetgeen ik nu van u verhaald heb.
Hertaald:
hierin
Dat is: in wat ik nu over u verteld heb.
want God
Hieruit besluit Elihu dat Job met meerderen ootmoed en eerbied tegen God gehandeld moest hebben; vervolgens, dewijl hij zich hierin vergrepen had, dat hij in dezen dele onrechtvaardig was, hoewel hij hem anders voor vroom bekende.
Hertaald:
want God
Hieruit concludeert Elihu dat Job met meer ootmoed en eerbied tegenover God had moeten handelen; en dat hij, omdat hij zich hierin vergrepen had, in dit opzicht onrechtvaardig was, hoewel hij hem verder als vroom erkende.
meerder
Ten aanzien niet alleen van zijn wezen en macht, maar ook van zijn wijsheid en rechtvaardigheid, enz.
Hertaald:
meerder
Niet alleen wat betreft Zijn wezen en macht, maar ook wat betreft Zijn wijsheid en rechtvaardigheid, enzovoort.
Hij antwoordt
De zin is dat God van al zijn doen ons geen rekenschap geeft, noch ook gehouden is te geven. Of aldus: omdat Hij al zijn woorden niet gesproken heeft. Anders, want Hij verantwoordt geen zijner daden, of werken; dat is, Hij is niet gehouden enige te antwoorden.
Hertaald:
Hij antwoordt
De betekenis is dat God ons van al Zijn doen geen rekenschap geeft, en dat ook niet verplicht is te geven. Of zo: omdat Hij niet al Zijn woorden gesproken heeft. Anders: want Hij verantwoordt geen van Zijn daden, of werken; dat is: Hij is niet verplicht enige te verantwoorden.
Maar God
De zin is, hoewel God niet gehouden is van zijn doen ons rekenschap te geven, nochtans door zijn vriendelijke goedheid doet Hij het dikwijls, te weten als het Hem belieft, hetwelk van velen niet waargenomen wordt. Vergelijk Gen. 6:3 ; Num. 14:42 ; 1 Kon. 22:28 ; 2 Kon. 17:13 ; Dan. 4:5 , Dan. 4:22 , Dan. 4:28 ; Matt. 27:19 .
Hertaald:
Maar God
De betekenis is: hoewel God niet verplicht is ons van Zijn doen rekenschap te geven, doet Hij dat toch vaak door Zijn vriendelijke goedheid, namelijk wanneer het Hem behaagt, wat door velen niet wordt opgemerkt. Vergelijk Gen. 6:3; Num. 14:42; 1 Kon. 22:28; 2 Kon. 17:13; Dan. 4:5, Dan. 4:22, Dan. 4:28; Matth. 27:19.
eens of tweemaal;
Een zeker getal voor een onzeker. Alzo onder, vs.29. Zie Lev. 26:8 .
Hertaald:
eens of tweemaal;
Een bepaald getal voor een onbepaald. Zo ook hieronder vers 29. Zie Lev. 26:8.
let niet
Hebreeuws, ziet.
Hertaald:
let niet
Hebreeuws: ziet.
In den droom,
Zie Gen. 20:3 , en Gen. 28:12 , en de aantekening.
Hertaald:
In den droom,
Zie Gen. 20:3, en Gen. 28:12, en de aantekening.
openbaart
Dat is, opent en verlicht het verstand en bekeert den wil des mensen door zijn inwendige aanspraak en vermaning. Zie van dezelfde manier van spreken Ruth 4:4 .
Hertaald:
openbaart
Dat is: opent en verlicht het verstand en bekeert de wil van de mens door Zijn innerlijke toespraak en vermaning. Zie over dezelfde manier van spreken Ruth 4:4.
verzegelt
Dat is, Hij drukt in hun harten de zekerheid zijner bestraffing; dat is, dat Hij zijn voornemen om hen te straffen zekerlijk uitvoeren zal. Zie dezelfde manier van spreken Deut. 32:34 .
Hertaald:
verzegelt
Dat is: Hij drukt in hun harten de zekerheid van Zijn bestraffing; dat is: dat Hij Zijn voornemen om hen te straffen zeker zal uitvoeren. Zie dezelfde manier van spreken Deut. 32:34.
van zijn
Het woord van is hier in te voegen uit het volgende lid van vs.17.
Hertaald:
van zijn
Het woord van moet hier ingevoegd worden uit het volgende deel van vers 17.
werk,
Te weten, kwaad werk dat hij voorhad. Zie Gen. 20:3 , en Gen. 31:24 .
Hertaald:
werk,
Namelijk: het kwade werk dat hij van plan was. Zie Gen. 20:3, en Gen. 31:24.
de hovaardij
Dat is, de grootsheid en vermetelheid des harten, waardoor de mens tot een kwaad voornemen geraakt.
Hertaald:
de hovaardij
Dat is: de trots en overmoed van het hart, waardoor de mens tot een kwaad voornemen komt.
verberge;
Hebreeuws, bedekke; dat is, wegneme. Vergelijk de manier van spreken met degene die boven is, Job 3:10 .
Hertaald:
verberge;
Hebreeuws: bedekke; dat is: wegneme. Vergelijk deze manier van spreken met die hierboven, Job 3:10.
zwaard
Het Hebreeuwse woord betekent een geweer, dat met werpen gebruikt wordt. Versta hierdoor, allerlei kwaad der ziel of des lichaams, tijdelijk of eeuwig. Vergelijk onder, Job 36:12 .
Hertaald:
zwaard
Het Hebreeuwse woord betekent een werpwapen. Versta hiermee allerlei kwaad van de ziel of van het lichaam, tijdelijk of eeuwig. Vergelijk hieronder Job 36:12.
Ook wordt
De zin is dat God den mens vermaand heeft in voortijden, niet alleen door dromen en gezichten, maar ook, gelijk heden, door ziekten en krankheden, om op hun leven acht te nemen en God te vrezen.
Hertaald:
Ook wordt
De betekenis is dat God de mens in vroegere tijden vermaand heeft, niet alleen door dromen en visioenen, maar ook, zoals tegenwoordig, door ziekten en kwalen, om op hun leven te letten en God te vrezen.
sterke
Dat is, al zijn beenderen, die veel en sterk zijn; versta hierop, worden gestraft, uit het volgende. Anders, en de twist zijner beenderen is geweldig; dat is, de smart zijner beenderen, waardoor God gelijk met hem twist.
Hertaald:
sterke
Dat is: al zijn beenderen, die talrijk en sterk zijn; versta hierbij uit het vervolg: worden gestraft. Anders: en het geschil van zijn beenderen is hevig; dat is: de pijn van zijn beenderen, waardoor God als het ware met hem twist.
Zodat
Anders, zodat zijn leven hem het brood doet verfoeien.
Hertaald:
Zodat
Anders: zodat zijn leven hem het brood doet verafschuwen.
de begeerlijke
Hebreeuws, de spijs der begeerte; dat is, die men begeert, of waartoe men belust is, als men gezond is. Alzo vaten, of gereedschap der begeerte, 2 Kron. 32:27 ; het land der begeerte, Ps. 106:24 ; wijnstokken der begeerte, Am. 5:11 .
Hertaald:
de begeerlijke
Hebreeuws: het voedsel van de begeerte; dat is: dat men begeert, of waar men zin in heeft, wanneer men gezond is. Zo ook voorwerpen, of gereedschap van begeerte, 2 Kron. 32:27; het land van begeerte, Ps. 106:24; wijnstokken van begeerte, Amos 5:11.
uit het gezicht,
Dat is, dat het niet meer gezien wordt vanwege zijn magerheid.
Hertaald:
uit het gezicht,
Dat is: dat het niet meer te zien is vanwege zijn magerheid.
niet gezien
Te weten, uit oorzaak van de voorgaande vettigheid des lichaams.
Hertaald:
niet gezien
Namelijk: vanwege de eerdere vetheid van het lichaam.
uitsteken;
Te weten, door de voorgemelde magerheid. Anders, verbroken, of vermorzeld.
Hertaald:
uitsteken;
Namelijk: door de eerder genoemde magerheid. Anders: verbroken, of vermorzeld.
ziel
Dat is, zijn leven, gelijk terstond in het volgende verklaard wordt; zie Gen. 19:17 .
Hertaald:
ziel
Dat is: zijn leven, zoals meteen in het vervolg wordt uitgelegd; zie Gen. 19:17.
die doden
Dat is, die de mensen van het leven beroven.
Hertaald:
die doden
Dat is: die de mensen van het leven beroven.
Gezant,
Dat is, een profeet of leraar van God gezonden, om de mensen, die in enigen nood zijn, van zijn wil en hun schuldigen plicht te onderwijzen. Andere verstaan door dezen gezant een heiligen engel.
Hertaald:
Gezant,
Dat is: een profeet of leraar, gezonden door God, om de mensen die in enige nood verkeren over Zijn wil en hun schuldige plicht te onderwijzen. Anderen verstaan onder deze gezant een heilige engel.
uit duizend,
Te weten der vrome en trouwe leraars, die niet velen te vinden zijn; daarom worden zij gezegd een uit duizend te wezen.
Hertaald:
uit duizend,
Namelijk: van de vrome en trouwe leraars, van wie er niet veel te vinden zijn; daarom wordt gezegd dat zij een op de duizend zijn.
rechten
Dat is, wat hij behoort te doen en te laten, om God te behagen.
Hertaald:
rechten
Dat is: wat hij moet doen en laten om God te behagen.
Zo zal
Te weten, als de zieke mens de vermaning des leraars met een gelovig en gehoorzaam hart zal aangenomen hebben.
Hertaald:
Zo zal
Namelijk: wanneer de zieke mens de vermaning van de leraar met een gelovig en gehoorzaam hart heeft aangenomen.
Hij hem
Namelijk, God.
Hertaald:
Hij hem
Namelijk: God.
genadig zijn,
Te weten, hem vergevende zijn zonden, en hem weder gezond makende.
Hertaald:
genadig zijn,
Namelijk: hem zijn zonden vergevend, en hem weer gezond makend.
zeggen
Te weten, tot den bode of gezant.
Hertaald:
zeggen
Namelijk: tegen de bode of gezant.
Verlos hem,
Dat is, verkondig hem de verlossing; Joh. 20:23 ; 2 Kor. 5:19-20 .
Hertaald:
Verlos hem,
Dat is: verkondig hem de verlossing; Joh. 20:23; 2 Kor. 5:19-20.
verzoening gevonden
Te weten, de verzoening van den Messias.
Hertaald:
verzoening gevonden
Namelijk: de verzoening door de Messias.
frisser worden
Versta dit van de nieuwe gezondheid en sterkte des lichaams, zijnde als een teken van de vernieuwing des geestes.
Hertaald:
frisser worden
Versta dit van de nieuwe gezondheid en kracht van het lichaam, als teken van de vernieuwing van de geest.
zijn aangezicht
De zin is dat God de mens op wien Hij tevoren om zijn zonden vergramd was, daarna, als hij bekeerd is, vriendelijk en met een bijzonder welbehagen zal aanschouwen. Men kan ook verstaan dat de mens Gods aangezicht met vreugde zal aanzien, dat is, zijn genade en vaderlijke gunst gevoelen. De zin is enerlei.
Hertaald:
zijn aangezicht
De betekenis is dat God de mens op wie Hij eerder vanwege zijn zonden vertoornd was, daarna, wanneer hij bekeerd is, vriendelijk en met bijzonder welbehagen zal aanschouwen. Men kan het ook zo begrijpen dat de mens het aangezicht van God met vreugde zal zien, dat is: Zijn genade en vaderlijke gunst zal voelen. De betekenis is hetzelfde.
zijn gerechtigheid
Te weten, mits hem door zijn Geest zekerheid te geven van zijn rechtvaardigmaking en de ware vernieuwing, die in hem door de zonde zeer afgenomen hadden.
Hertaald:
zijn gerechtigheid
Namelijk: door hem door Zijn Geest zekerheid te geven van zijn rechtvaardigmaking en de ware vernieuwing, die door de zonde in hem sterk afgenomen waren.
Hij zal
Namelijk, die krank door Gods weldaad gezond geworden zijnde. Anderen verstaan dit van God, omdat in vs.28, hetwelk hier aanhangt, voor mijn ziel, en mijn leven, sommigen lezen, zijn ziel, zijn leven, en zetten deze woorden aldus over: Hij, te weten God, ziet op de mensen, en [zo daar iemand] zegt: Ik heb gezondigd, enz., zo zal Hij zijn ziel verlossen, dat hij niet ga in het verderf, en zijn leven zal het licht zien.
Hertaald:
Hij zal
Namelijk: die zieke, nadat hij door Gods weldaad gezond geworden is. Anderen betrekken dit op God, omdat in vers 28, dat hierop aansluit, waar sommigen voor mijn ziel en mijn leven lezen: zijn ziel, zijn leven, en deze woorden zo vertalen: Hij, namelijk God, kijkt naar de mensen, en [als iemand daar] zegt: ik heb gezondigd, enzovoort, dan zal Hij zijn ziel verlossen, zodat hij niet in het verderf gaat, en zijn leven zal het licht zien.
mensen
Die hij begeert te stichten met de belijdenis zijner zonden en de verkondiging der genade Gods aan hem bewezen.
Hertaald:
mensen
Die hij wil stichten met de belijdenis van zijn zonden en de verkondiging van de genade van God die hem bewezen is.
aanschouwen,
Dat is, hij zal zich bij dezelve voegen en daarmede vergezelschappen.
Hertaald:
aanschouwen,
Dat is: hij zal zich bij hen voegen en zich met hen verenigen.
gebaat;
Zijnde daarom met een zware ziekte gestraft geweest. Het Hebreeuwse woord is in deze betekenis genomen Est. 3:8 , en Est. 5:13 .
Hertaald:
gebaat;
Aangezien hij daarom met een zware ziekte gestraft was geweest. Het Hebreeuwse woord wordt in deze betekenis gebruikt in Est. 3:8, en Est. 5:13.
in het verderf,
Dat is, in het graf.
Hertaald:
in het verderf,
Dat is: in het graf.
licht
Dat is, goeden welstand geniet. Licht is hier zoveel als welstand. Zie boven, Job 18:5 , en zien is genieten. Zie boven, Job 7:7 .
Hertaald:
licht
Dat is: een goede welstand geniet. Licht is hier zoveel als welstand. Zie hierboven Job 18:5, en zien is genieten. Zie hierboven Job 7:7.
twee
Dat is, dikmaals. Het is een zeker getal voor een onzeker.
Hertaald:
twee
Dat is: vaak. Het is een bepaald getal voor een onbepaald.
een man;
Dat is, met een mens.
Hertaald:
een man;
Dat is: met een mens.
verlicht
Dat is, dat hij niet alleen nog in het leven blijve, maar daarin zo welvare, dat hij aanzienlijk en geëerd onder de mensen worde.
Hertaald:
verlicht
Dat is: dat hij niet alleen in leven blijft, maar daarin zo voorspoedig is dat hij aanzienlijk en geëerd wordt onder de mensen.
redenen zijn,
Te weten, om uw zaak te verantwoorden en mij tegen te spreken.
Hertaald:
redenen zijn,
Namelijk: om uw zaak te verantwoorden en mij tegen te spreken.
rechtvaardigen
Dat is, voor te spreken en te verdedigen, zover het mogelijk is, zulks dat ik dit werk niet uit enige twistgierigheid aanneem.
Hertaald:
rechtvaardigen
Dat is: voor te spreken en te verdedigen, voor zover mogelijk, zodat u weet dat ik dit werk niet uit enige twistgierigheid onderneem. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een oprecht en godvrezend man uit het land Uz, zeer rijk aan vee en kinderen. Op aanstoken van de satan liet God zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte zijn eigen gezondheid treffen, om zijn oprechtheid op de proef te stellen; ondanks alles zondigde Job niet en bleef hij aan God vasthouden. Het boek dat zijn naam draagt beschrijft zijn lijden, de gesprekken met zijn drie vrienden over de reden van zijn lijden, Gods antwoord vanuit de storm, en zijn uiteindelijke herstel (Job 1-42). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Elihu vraagt Job om te luisteren en zegt dat zijn woorden de oprechtheid van zijn hart zullen uitspreken (Job 33:1-3). De Geest Gods heeft hem gemaakt en de adem van de Almachtige heeft hem levend gemaakt (Job 33:4). Job mag hem gerust antwoorden en zich tegenover hem opstellen (Job 33:5). Dan komt de zin waarmee hij zich voorstelt: hij behoort God toe zoals Job, en ook hij is uit het leem afgesneden (Job 33:6). Daarom hoeft Job niet te schrikken; zijn hand zal niet zwaar op hem drukken (Job 33:7). Vervolgens herhaalt Elihu wat hij Job heeft horen zeggen: dat hij rein is en zonder overtreding, en dat God oorzaken tegen hem zoekt en hem voor Zijn vijand houdt (Job 33:8-11). Op dat punt weerspreekt hij hem. Hierin heeft Job geen gelijk, want God is meerder dan een mens (Job 33:12). Waarom twist Job met Hem, terwijl Hij van geen van Zijn daden rekenschap geeft (Job 33:13)? Bijbelse betekenis: De eerste woorden van Elihu zijn even belangrijk als zijn leer. Hij gaat niet boven Job staan maar naast hem: uit hetzelfde leem gemaakt, en aan dezelfde God verantwoording schuldig. Daarmee neemt hij precies de houding aan die de drie vrienden nooit hadden. Zij spraken vanaf een veilige hoogte; hij zegt uitdrukkelijk dat zijn hand niet zwaar op Job zal drukken. Ook zijn werkwijze verdient aandacht. Hij herhaalt eerst wat Job gezegd heeft, en pas daarna weerlegt hij hem. Wie een ander wil terechtwijzen, hoort hem eerst zo weer te geven dat hij zich erin herkent. En zijn correctie zelf raakt de kern. Job had gezegd dat God hem niet antwoordt en hem als vijand behandelt. Elihu wijst erop dat God niet verplicht is Zijn beleid te verklaren; dat Hij groter is dan een mens, is geen uitvlucht maar de eenvoudige waarheid. Typologie: De Heere Jezus is de enige Die werkelijk naast de mens kwam staan zonder Zijn hoogheid te verliezen: van Hem staat dat Hij "in alles den broederen moest gelijk worden" (Hebr. 2:17). Wat Elihu hier als houding aanneemt, is bij Hem werkelijkheid geworden. Job 33:1-13; Hebr. 2:17 Job had geklaagd dat God hem niet antwoordt. Elihu stelt daar iets anders tegenover: God spreekt eens of tweemaal, maar men let er niet op (Job 33:14). Vervolgens noemt hij twee manieren waarop God spreekt. De eerste is de droom en het nachtgezicht, wanneer een diepe slaap op de mensen valt; dan opent Hij het oor en verzegelt Hij hun onderwijzing (Job 33:15-16). Zijn doel staat erbij: Hij wil de mens afhouden van zijn eigen werk en de hoogmoed bij hem wegnemen (Job 33:17). Zo houdt Hij zijn ziel van het verderf terug (Job 33:18). De tweede weg is de pijn. Iemand wordt gestraft met smart op zijn bed, zodat zijn leven het brood verfoeit en zijn vlees wegteert (Job 33:19-21). Dan nadert zijn ziel het verderf (Job 33:22). Bijbelse betekenis: Elihu geeft hier de eerste werkelijke tegenwerping die Job niet als aanklacht hoeft te horen. De drie vrienden zeiden: uw lijden bewijst uw schuld. Elihu zegt iets anders: uw lijden kan een taal zijn. God zwijgt niet, maar Hij spreekt op manieren die een mens gemakkelijk overhoort. Twee dingen moeten daarbij zorgvuldig gezegd worden. Elihu beweert niet dat alle pijn een boodschap is, en het register beweert dat evenmin; dit boek laat juist zien dat er lijden is waarvan de reden voor de lijder verborgen blijft. Wat hij wél zegt, is dat God ook door pijn heen kan spreken, en dat het doel dan bewarend is: de mens wordt van het verderf afgehouden. Dat is een heel ander gebruik van het lijden dan een strafmaat. Bij Elifaz kijkt het lijden achteruit, naar een misdaad; bij Elihu kijkt het vooruit, naar behoud. Typologie: De Hebreeënbrief noemt dezelfde bedoeling bij de kastijding en zet haar in het licht van het zoonschap: God kastijdt "tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden" (Hebr. 12:10). Dat leerstuk is reeds behandeld bij Kastijding des Heeren (Hebr. 12:5-11). Job 33:14-22; Hebr. 12:5-11; Hebr. 12:10 Nadat Elihu de mens getekend heeft die tot aan de rand van het graf is gekomen, stelt hij een vraag. Is er dan bij God een Gezant, een Uitlegger, één uit duizend, om de mens zijn rechte plicht bekend te maken (Job 33:23)? Als die er is, dan zal God hem genadig zijn en zeggen: verlos hem, dat hij niet in het verderf nederdale, Ik heb verzoening gevonden (Job 33:24). Wat daarop volgt, is louter herstel. Zijn vlees wordt frisser dan in zijn jeugd en hij keert terug tot de dagen van zijn jonkheid (Job 33:25). Hij zal ernstig tot God bidden, en God zal een welbehagen in hem hebben en zijn aangezicht met gejuich aanzien (Job 33:26). Hij zal het voor de mensen belijden: ik heb gezondigd en het recht verkeerd, en het heeft mij niet gebaat (Job 33:27). Maar God heeft zijn ziel verlost, zodat zijn leven het licht aanziet (Job 33:28). Zo werkt God twee- of driemaal met een man, om zijn ziel van het verderf af te keren en hem te verlichten met het licht der levenden (Job 33:29-30). Bijbelse betekenis: Hier komen twee lijnen van dit boek bij elkaar. Job vroeg om een scheidsman die zijn hand op beiden kon leggen (Job 9:33) en beleed later dat er een Getuige in de hemel is (Job 16:19). Elihu spreekt nu van een Gezant, één uit duizend, wiens tussenkomst genoeg is om God te doen zeggen: laat hem gaan. En de grond die daarbij genoemd wordt, is niet de verbetering van de mens maar een gevonden verzoening. Wie het vervolg leest, ziet hoe volledig het herstel is: gebed dat verhoord wordt, een aangezicht dat met gejuich wordt aangezien, en een belijdenis die achteraf komt in plaats van vooraf. De volgorde is dus genade eerst, belijdenis daarna. Elihu weet niet wie die Gezant is en het boek zegt het hier niet. Maar de vraag staat gesteld, en zij wordt in het Evangelie beantwoord. Typologie: Het Nieuwe Testament noemt de Middelaar bij Wie deze woorden thuiskomen: "er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus" (1 Tim. 2:5). En van de verzoening die hier gevonden heet, zegt Paulus dat God Hem heeft voorgesteld "tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid" (Rom. 3:25). Job 33:23-30; Job 9:33; Job 16:19; Rom. 3:25; 1 Tim. 2:5 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding ambt Elihu heeft lang gewacht omdat hij de jongste was, en neemt dan het woord. Hij verwijt Jobs vrienden dat zij niets konden antwoorden, en spreekt Job aan over de manieren waarop God tot een mens spreekt: in dromen, en door ziekte. Als er dan een gezant is die de mens zijn plicht verkondigt, zegt God: verlos hem, Ik heb verzoening gevonden. Elihu beschrijft een mens die op zijn bed ligt en wegteert, wiens ziel het brood verafschuwt en die de kuil nadert. En dan komt er een keer in het verhaal: is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen? De kanttekening houdt die uitleg nuchter. Zij leest de Gezant als een profeet of leraar, door God gezonden om mensen in nood over Zijn wil te onderwijzen; en zij noemt dat anderen daaronder een heilige engel verstaan. Bij een uit duizend tekent zij aan: van de vrome en trouwe leraars, van wie er niet veel te vinden zijn. Dat is de gangbare lezing, en zij is voorzichtig. Maar de woorden die volgen zijn te opvallend om te laten liggen. God zegt: verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Dat woord verzoening is de taal van de offerdienst — hetzelfde woord dat bij het verzoendeksel en de Grote Verzoendag hoort. En let op wie het zegt: niet de mens die verzoening zoekt, maar God die haar gevónden heeft. De kerk heeft in die zin daarom van oudsher meer gehoord dan de dienst van een leraar. De Schrift werkt dat hier niet uit, en men blijve dus terughoudend. Maar wat Job hier hoopt, staat elders met name genoemd: er is één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus, Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen. En Elihu beschrijft de uitkomst met beelden van herstel: zijn vlees wordt frisser dan het in zijn jeugd was, en hij keert weder tot de dagen zijner jonkheid. Dat klinkt na in wat Job zelf eerder beleed: ik weet, mijn Verlosser leeft. In het Nieuwe Testament: 1 Timotheüs 2:5-6; Hebreeën 9:12; Romeinen 3:25; 1 Johannes 2:1 Hoever dit reikt: De kanttekenaars lezen de Gezant hier als een profeet of leraar, en noemen dat anderen aan een engel denken; op Christus betrekken zij hem niet. In de kerk is dat wel gedaan, om het woord verzoening en om de bron ervan — God zelf. De Schrift werkt het niet uit en spreekt het ook niet tegen; men geve het dus als toepassing en niet als de betekenis van de tekst.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Er zijn veel dingen te doen voordat wij ten volle bewogen zijn tot onze eeuwige zaligheid. En God weet hoe Hij bij ons komen moet. Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet… Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: „Ik heb gezondigd en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Job 33
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik heb verzoening gevonden — 33:14-30
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Erkenning van uw schuld
God heeft mijn ziel verlost


Job 33
Job 33:1.KruisverwijzingenJob 13:6→Psalmen 49:1→Job 34:2→Markus 4:9→
— En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
Dit is een toespraak van de jonge Elihu, die stil had zitten luisteren naar de honende woorden van de drie “oprechte vrienden” van Job en naar de enigszins geprikkelde antwoorden van de aartsvader. Ten laatste verbreekt de jongeman het stilzwijgen, en met enige waardigheid — en met genoegzame zelfvoldaanheid — wendt hij zich aldus tot Job: “Ik ben maar een jongeman, maar ik spreek omdat ik niet zwijgen kan. Een aandrang beweegt mij; ik ben als een vat dat lucht nodig heeft. Ik begeer onpartijdig te spreken; hoor mij daarom, maar hoor alles wat ik te zeggen heb; luister niet enkel hier en daar naar een deel van mijn rede, maar merk op al mijn woorden.”
Somtijds is het heel nodig onze hoorders te bidden niet met één volzin of zelfs met één gedachte weg te lopen. Er is een verhouding in de waarheid, en de ene waarheid moet tegen alle andere afgewogen worden. Een uitspraak kan des te beter zijn omdat zij onomwonden is, des te krachtiger omdat zij alleen staat; en toch kan het nodig zijn dat er nog een andere uitspraak bij gehoord wordt, opdat zij niet verkeerd begrepen zou worden. Daarom zegt ook de prediker tot zijn hoorder: “hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.”
Job 33:2-3.KruisverwijzingenJob 27:4→Job 3:1→Spreuken 20:15→Psalmen 78:2→Job 31:30→Mattheüs 5:2→Job 36:3→Job 15:2→
— Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
Dat wil zeggen: “Ik spreek met veel ernst, niet als iemand die zonder zin of zonder behoorlijke overweging babbelt, maar ik heb met bedachtzaamheid mijn mond geopend als iemand die iets te zeggen heeft; en ik spreek met mijn beste vermogens van spraak, als iemand die hen die hem horen wil overreden.”
Wat een les is dit voor ons die tot anderen prediken: dat wij spreken uit de oprechtheid van ons hart en gevoelen dat wij, hoe anderen ons ook beoordelen, oprecht voor God zijn in wat wij zeggen! En hoe noodzakelijk is het ook, vooral in deze dagen, dat wij duidelijk spreken, zodat wij gemakkelijk verstaan worden! Sommigen denken nooit helder en spreken daarom nooit helder; en vaak is de duisterheid van iemands rede alleen het gevolg van de duisterheid van zijn gemoed; hij heeft geen helder bepaalde voorstelling van wat hij te zeggen heeft. Laat elke jongeman die anderen te onderwijzen heeft besluiten dat deze uitspraak van Elihu ook de zijne zal zijn: “Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.”
Job 33:4.KruisverwijzingenGenesis 2:7→Job 32:8→Job 27:3→Job 10:12→Job 10:3→Romeinen 8:2→1 Korinthe 15:45→Psalmen 33:6→
— De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
Dat wil zeggen: “Ik ben even goed een schepsel van God als deze drie oude heren, deze drie wijze vrienden die zo scherp gesproken hebben. Ik ben even goed met de Geest van God begiftigd als u, o Job, en daarom spreek ik tot u in Zijn Naam.” Behoorde dit niet voor ieder van ons een les te zijn om te trachten alles te doen wat wij voor God kunnen? Elke christen mag zeggen: “De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. Laat mij dan mijn bestaan zelf, het leven dat in mij geblazen is, gebruiken voor die almachtige Schepper Die mij gemaakt heeft tot wat ik ben.”
Job 33:5.KruisverwijzingenJob 33:32→Job 32:12→Job 32:14→Handelingen 10:26→Job 13:18→Job 23:4→Psalmen 50:21→Job 32:1→
— Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
Wie rede spreekt, is bereid rede te horen. Alleen de onredelijke prater staat anderen niet toe een woord ter antwoord te zeggen.
Job 33:6-7.KruisverwijzingenJob 13:21→Job 4:19→Job 9:34→Genesis 3:19→Job 10:9→2 Korinthe 5:20→Job 13:12→Genesis 2:7→
— Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden. Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
Job had gewenst dat iemand zou opstaan en voor God spreken: iemand zonder de schrik die onafscheidelijk van het Oneindige scheen, iemand zonder de macht van de Almacht, iemand die meer nabij zijn gelijke zou zijn en met wie hij de vragen zou kunnen bespreken die hem verbijsterden. Job had gewenst dat hij zijn zaak met de Heere Zelf kon bepleiten. Wilde God de schrik van Zijn tegenwoordigheid maar van hem wegnemen, dan zou hij graag zelfs tot Zijn zetel komen en met Hem pleiten. “O”, zei hij, “dat er iemand ware die tussen mij en God stond, opdat ik met hem pleiten kon!” “Hier ben ik”, antwoordt Elihu, “ik ben de man die u zoekt. God heeft mij gezonden; kom nu en pleit met mij. Er is geen verschrikking in mij om u bang te maken; ook heb ik geen zware hand om u te verpletteren.”
Job 33:8-10.KruisverwijzingenJob 16:17→Job 10:7→Job 29:14→Job 11:4→Job 9:21→Job 19:11→Job 13:24→Jeremia 29:23→
— Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord; Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad. Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.
Elihu stelt de zaak heel duidelijk: “Ziedaar, Job, u hebt gezegd dat u volkomen onschuldig bent, en toch wordt u doen lijden. U hebt tegen God een beschuldiging ingebracht: dat Hij gelegenheden tegen u zoekt en u, die altijd Zijn getrouwe vriend geweest bent, behandelt alsof u Zijn vijand was.” Elihu bracht deze verontschuldiging voor Job niet in: dat hij door zijn vrienden belasterd was, en dat zijn verklaring van onschuld niet zozeer volstrekt tegenover God was als wel verdedigend tegenover de mensen. Toch is er geen twijfel dat Job in deze richting te ver gegaan was. Misschien waren zijn moeiten juist om deze reden over hem gekomen: omdat hij in zekere mate eigengerechtig was. Elihu doet dan ook goed, in alle getrouwheid, de vlek aan te wijzen in wat Job gezegd had.
Job 33:11-13.KruisverwijzingenJob 13:27→Job 40:2→Jesaja 45:9→Job 31:4→Job 14:16→Jeremia 20:2→Daniël 4:35→Handelingen 16:24→
— Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar. Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens. Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
Hier ligt de kern van de hele zaak. Telkens wanneer u en ik de rechtvaardigheid van God beginnen aan te vechten, behoren wij te gedenken wie wij zijn en Wie Hij is. Er is geen vergelijking tussen ons en de grote God over alles, gezegend in eeuwigheid; en dat wij Hem van onrechtvaardigheid of onvriendelijkheid gaan beschuldigen, is een uiterst goddeloze daad, en daarvan mogen wij van het begin af aan wel zeker zijn.
Het is niet aan ons om God voor ons te dagen alsof Hij onze knecht was en wij Zijn meester, of Hem voor onze rechterstoel te brengen en daar te zitten alsof de Heilige Israëls een misdadiger was die zich voor zijn misdaden moet verantwoorden. Het is hoogverraad en godslastering tegen de Allerhoogste dat wij eraan denken over Hem te oordelen. Zo stelde ook Paulus de zaak toen iemand een vraag opwierp over het goddelijke besluit; Paulus antwoordde de tegenspreker niet anders dan met te zeggen: Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Laat de motte met de vlam strijden, laat het was met het vuur vechten, laat de stoppel met de wervelwind twisten; maar wat ons betreft, die minder zijn dan niets, laten wij geen geschillen met God hebben.
De zaak is deze: Gods handelingen met ons hebben een doel. Hij behandelt ons somtijds met strenge hardheid, en dat tot ons goed. Wij kunnen niet altijd het einde van het begin af zien; maar God heeft een einde, en een genadig einde ook, in al Zijn handelingen met Zijn volk.
Job 33:14-17.KruisverwijzingenJob 36:10→Job 36:15→Psalmen 62:11→Job 4:13→Numeri 12:6→Job 40:5→Johannes 3:19→Lukas 24:25→
— Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop. In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger; Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding; Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
De goddelijke goedertierenheid heeft vele stemmen. God spreekt vaak tot ons in onze kindsheid. Sommigen van ons herinneren zich nauwelijks wanneer onze Heere ons het eerst riep, zoals Hij Samuël riep. Wij kunnen de stemmen van onze jeugd niet vergeten — de boodschappen die de Heere ons zond door liefhebbende ouders en goedhartige onderwijzers, of de rechtstreekse waarschuwingen van de Heilige Geest. God sprak tot ons en sprak weer tot ons, en sprak nog eens tot ons; maar wij letten niet op Zijn stem.
Mensen zijn moeilijk ten goede te bewegen. Het oor moet geopend worden. Het hart moet van zijn boze voornemens afgebroken worden. Onze hoogmoed moet overwonnen worden. Er zijn veel dingen te doen voordat wij ten volle bewogen zijn tot onze eeuwige zaligheid. En God weet hoe Hij bij ons komen moet. Bij dag of bij nacht, door stemmen die gehoord worden terwijl wij midden in onze zaken zijn, of In den droom, door het gezicht des nachts (33:15). Voordat God mensen kan behouden, moet Hij onze oren openen: Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding (33:16).
Zijn onze oren gestopt? Misschien onze uitwendige oren niet. De meesten van ons kunnen horen — wij kunnen het geld horen klinken en zijn er gauw achteraan. Wij hebben vlugge oren voor sommige dingen die het horen niet waard zijn. Maar naar God toe zijn onze oren vaak gestopt. Zij zijn als met een vlies bedekt. Zoals er een deksel over het hart is en schellen over de ogen, zo is er een prop in het oor, en niemand van hen die het Woord des Heeren prediken kan die prop eruit halen of door iemands oor tot zijn hart komen.
Wat is deze prop die in iemands oren komt? Het is natuurlijk in de eerste plaats de erfzonde, die smet van het bloed die elk menselijk vermogen verdorven heeft en de oren gesloten heeft voor het horen zelfs van de stem van God. Vaak is er ook nog een andere soort prop moeilijk uit het oor te krijgen, en dat is de wereldsgezindheid: “Ik ben te druk om aan de godsdienst toe te komen! Ik heb zoveel te doen dat ik geen tijd kan vinden om erover te horen.” Het kan ook gestopt zijn door zelfgenoegzaamheid. Wanneer iemand genoeg in zichzelf heeft om hem te voldoen, dan begeert hij niets van Christus. Het is altijd één groot doel van de goddelijke handelingen ons nederig te maken en te houden. Het is vreemd dat schepselen die zo onbeduidend zijn als wij, gestadig besmet zijn met de vuile ziekte van de hoogmoed; deze vorm van geestelijke roodvonk breekt gestadig uit in de nietige mens, en daarom handelt God met hem opdat Hij van den man de hovaardij verberge.
Job 33:18-19.KruisverwijzingenJob 30:17→Job 5:17→2 Petrus 3:9→Job 33:28→Romeinen 2:4→Handelingen 16:27→Job 15:22→Job 33:22→
— Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;
Lichaamspijn wordt doorgaans als een groot kwaad beschouwd, en in sommige opzichten is zij dat zonder twijfel ook; maar zij wikkelt in zichzelf grote barmhartigheid. Er zijn er die nauwelijks anders onderwezen kunnen worden dan door lichamelijke pijn; en als het mogelijk was ziekte en lijden af te schaffen, waar zouden mensen dan heengaan in de dartelheid van hun kracht? Bestraft juist deze verdrukking de mens niet vaak en gebiedt zij hem niet na te denken en doet zij hem niet terugkeren tot zijn Maker, terwijl hij anders zo onbedachtzaam zou zijn als de beesten die vergaan?
Job 33:20-24.KruisverwijzingenJob 19:20→Maleachi 3:1→Psalmen 107:17→Spreuken 5:11→2 Samuël 24:16→Prediker 7:28→Psalmen 49:7→Job 33:18→
— Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze; Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken; En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen; Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.
Gelukkig is de boodschapper die met zo een boodschap komt. Zo was de profeet Jesaja voor Hizkia toen de koning ziek was tot de dood; zo is de dienaar van Gods Woord wanneer hij komt met de blijde tijding van de verlossing, en God door hem van de geestelijk zieke mens zegt: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.
En toch handelt God in dit alles met de mens in liefde en barmhartigheid. De mens is een vreemd schepsel; hij wil niet op de rechte weg gaan door getrokken te worden, en daarom moet hij vaak gedreven worden. Er is een zweep voor het paard en een toom voor de ezel, een roede voor de rug van de zot; en wij zijn zulke zotten dat wij die roede vaak moeten gevoelen, soms tot een heel pijnlijke mate, totdat onze ziel het graf nadert en ons leven de verdervers.
O, wat kostelijke woorden! Er is Eén bij God, Eén uit duizend, de Voortreffelijkste onder tienduizend, de Engel des verbonds, de Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus. Wanneer Hij binnenkomt en de mens Gods wonderlijke samenvoeging van gerechtigheid en barmhartigheid doet zien, dan wendt God Zich in oneindige genade tot de hongerende, stervende zondaar en zegt: “Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale; Ik heb verzoening gevonden.”
Job 33:25-28.Kruisverwijzingen2 Koningen 5:14→Psalmen 50:15→Romeinen 6:21→Psalmen 103:5→2 Samuël 12:13→Job 42:16→Jozua 14:10→Hosea 2:15→
— Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren. Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven. Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
Zie de gemakkelijke voorwaarden van Gods liefde en barmhartigheid. De mens belijdt slechts dat hij gezondigd heeft, hij erkent dat hij het recht verkeerd heeft, hij bekent dat hij er geen voordeel bij gehad heeft; en God, die hem in zo een gestalte van het hart ziet, verlost zijn ziel van het nederdalen in het verderf, en zijn leven zal het licht zien. Wat een genadig God dienen wij! Hoe wreed is het Hem te blijven beledigen wanneer Hij zo bereid is te vergeven!
Job 33:29-30.KruisverwijzingenPsalmen 56:13→Filippenzen 2:13→Efeze 1:11→1 Korinthe 12:6→Jesaja 38:17→Kolossenzen 1:29→Hebreeën 13:21→Job 40:5→
— Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man; Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.
De kastijding van de ziekte en de gesel van de pijn drijven de zondaar terug naar Hem Die alleen behouden kan. Dit zijn de zwarte honden van de Grote Herder waarmee Hij dwalende schapen terugbrengt totdat zij weer onder Zijn staf komen en Hij hen in grazige weiden leidt.
Job 33:31-33.KruisverwijzingenPsalmen 34:11→Spreuken 8:5→Spreuken 4:1→Spreuken 5:1→Psalmen 49:3→Job 33:3→Job 32:11→Job 21:2→
— Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
Moge de Heere dit onderwijzende gedeelte van de Oudtestamentische Schrift genadiglijk op al onze harten toepassen! Er is een boodschap in voor ieder van ons, evengoed als voor de aartsvader Job, tot wie zij in het bijzonder gericht was.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-7.KruisverwijzingenGenesis 2:7→Job 13:21→Job 32:8→Job 4:19→Job 13:6→Job 27:4→Job 27:3→Job 9:34→
— En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore. Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken. De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u. Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden. Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
Job, hoor mij aan, want ik zal oprecht en duidelijk spreken. Ook ik ben een schepsel Gods; wanneer gij dus kunt, antwoord mij. Bij mij kan niet, als bij God, de van nu uitgaande schrik u in ‘t antwoorden hinderen.
En, gewis o Job 1)! hoor toch mijne redenen, en neem al mijne woorden ter ore, want ik zal niets spreken, wat niet tot de zaak behoort.
Elihu spreekt Job bij zijn naam aan, wat de andere drie vrienden niet gedaan hebben. Het is, opdat de lijder met open oren de rede van dezen knecht Gods zou aanhoren, geheel zou aanhoren, en alzo tot verootmoediging komen.
Zie nu, ik heb mijnen mond opengedaan; mijne tong spreekt onder mijn gehemelte, reeds heb ik mijne rede begonnen in het gevoel van de grote verantwoordelijkheid.
Gij hebt met recht andere woorden van uwe vrienden verlangd (Hoofdstuk 6: 25 ); mijne redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken 1), oprecht en duidelijk zal ik uitspreken, wat mijne gedachte over dat moeilijke raadsel van uw leven is.
Elihu is vrij van de inwendige onoprechtheid, waardoor de vrienden zondigden en onbekwaam waren om den lijder waren troost aan te brengen. Juist datgene, waarin Jobs sterkte tegenover de drie bestond, de oprechtheid en zuiverheid des harten, maakt Elihu tot enen tegenstander, die wel in staat is Job te overwinnen, en bij wie het geschieden zal, wat Job zelf (Hoofdstuk 6: 24,25) tot de vrienden gezegd heeft, dat hij gaarne wilde zwijgen, wanneer zij hem zouden aantonen, waarin hij gedwaald had (vgl. Hoofdstuk 13: 8 ).
Of, mijne lippen, de wetenschap, wat zuiver is, uitspreken. Elihu maakt hier een tegenstelling tussen wat hij zal spreken en wat de vrienden hebben gesproken. Job heeft zijne vrienden moeilijke vertroosters genoemd. Met een verkeerd hart, met valse beschuldigingen zijn zij hem tegengekomen, maar hij, Elihu, meent het oprecht met Job. Wanneer hij hem zal tegenkomen, dan komt dit niet voort uit een begeerte, om hem vals te beschuldigen, veeleer, om hem weer op het rechte pad terug te leiden. Elihu plaatst zich niet boven hem, maar naast hem. En wanneer Elihu dat doet, dan heeft Job hem in dezen te beschouwen, als iemand, die recht heeft, om waar hij den broeder ziet dwalen, een poging te doen uit ware liefde hem te recht te brengen.
De Geest Gods heeft mij even als u gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt 1) (Genesis 2: 4). Ik ben een mens gelijk gij, op dezelfde wijze geformeerd.
Hier wil Elihu zeggen, dat wat hij is als mens, als menselijke persoonlijkheid, hij dat is geworden door den Heiligen Geest, maar ook, dat hij er zich van bewust was als mens, als persoon, zowel wat zijn wording uit Adam betreft, als zijn persoonlijk aanzijn aan God te danken te hebben. Elihu kent hier dus aan den H. Geest, als den derden Persoon van het Goddelijk Wezen, een eigen werk toe. Hij zinspeelt tevens op de schepping van Adam en spreekt het dan ook uit, dat hij evenals Job, wat de stof betreft, uit de aarde is genomen, maar dat de Heere God, door Zijn Geest, hem tot een persoon heeft gemaakt.
Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht tot den strijd, stel u in gereedheid.
Zie ik ben Godes schepsel gelijk gij, Zijn eigendom en van Hem afhankelijk; uit het leem ben ik ook door den hemelsen pottenbakker afgesneden 1) (vgl. (Hoofdstuk 4: 19; 10: 9).
Het is zeer nuttig voor ons allen te overdenken, dat wij uit broze klei, uit stof en leem gemaakt zijn, en het is ook goed voor ons, dat zij, die in Godes naam en stede tot ons spreken, eveneens zwak en gebrekkig geschapen zijn, om ons niet door Zijne vreselijke Majesteit te verschrikken, als Hij door een Engel of nog onmiddelijker tot ons wil spreken. God heeft wijselijk Zijne schatten in aarden vaten gelegd, gelijk wij zelven zijn.
Zie, gij hebt niet nodig voor mij als voor God bezorgd zijn, dat mijne en majesteit uwe woorden zouden verhinderen; mijne verschrikking zal u niet beroeren, en mijne hand zal over u niet zwaar zijn. Bewonderenswaardig is de kunst, waarmee de redenen van Elihu aan de verborgenste draden van het gehele gedicht geknoopt zijn. Job heeft er zich herhaalde malen (vgl. Hoofdstuk 9: 34; 13: 24) over beklaagd, dat hij zijn recht aan den Almachtige niet kon voorstellen omdat hij voor dezen, al ware het mogelijk Zijn aangezicht te zien, als een zwak sterveling zou moeten verstommen. In Elihu heeft hij nu een mens tegenover zich, gelijk hij zelf is; niets verhindert hem zich te verantwoorden tegen de voorstelling, die zonder haat uitgesproken is.
8.
IV. Vs. 8-18.KruisverwijzingenJob 13:27→Job 40:2→Job 36:10→Job 36:15→Job 16:17→Job 10:7→Jesaja 45:9→Job 4:13→
— Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord; Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad. Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand. Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar. Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens. Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden. Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop. In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger; Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding; Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
Gij, o Job! hebt gezegd, dat gij onschuldig zijt, dat God u onrecht deed. Daartoe is God te groot. Gij hebt ook ongelijk, wanneer gij beweert, dat hij niet tot den mens spreekt. God spreekt dikwijls tot hem, in de eerste plaats in nachtelijke gezichten. Zijn doel daarmee is, den mens van allerlei kwaad, in ‘t bijzonder van hoogmoed te reinigen en daardoor van den ondergang te redden.
Zeker, gij hebt gezegd voor mijne oren, en ik heb de stem der woorden gehoord:
Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver en heb gene misdaad, zodat God mij daarom zou moeten straffen (zie Hoofdstuk 9: 21; 16: 17; 12: 4; 10: 7; 13: 18; 23: 10 vv.; 27: 5 vv.
Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij ziet scherp toe om iets te vinden; Hij houdt mij voor Zijnen vijand, en ik kan de hand des Almachtigen niet afslaan (vgl. Hoofdstuk 10: 13-17; 13: 24; 19: 11; 30: 21
Hij legt mijne voeten in den stok, Hij neemt al mijne paden waar (Hoofdstuk 13: 27). Elihu houdt zich gestreng aan hetgeen hij gehoord heeft, en neemt daaruit of woordelijk of naar den zin, wat Jobs hoofdzonde, de eigengerechtigheid, den trots op zijn heilig leven ‘t meest openbaart. Hoe geheel anders handelden de vrienden, die uit Jobs lijden allerlei bedrieglijke sluitredenen trokken, en hem zonden toedichten, die hem inderdaad vreemd waren.
Zie, over uwen vorigen wandel heb ik niet te oordelen, maar hierin zijt gij niet rechtvaardig, dat gij u op uwe gerechtigheid ten koste van Gods rechtvaardigheid verheft; hierop antwoord ik u 1) met tegenspraak; daaruit komen al uwe valse beweringen voort; want God is meerder dan enen mens 2), Hij is te groot, dan dat niet iedere daad recht en wijsheid zijn zou.
Elihu zoekt de zonde niet in deze of gene afzonderlijke misdaad, maar in de verborgene zelfverheffing van elk menselijk hart. Job heeft dus zonde bedreven, maar eerst nadat hem het lijden getroffen had. Het ongeluk kan dus niet de kwaliteit (het karakter) van ene bestraffing gehad hebben. Het ongeluk ging het uitbreken der zonde vooraf; maar de zonde zelf als habituele (toestand van het hart) was reeds vroeger in Job. Het lijden dient dus, om haar te doen uitbreken, om haar openbaar te maken, opdat Job ze erkennen en betreuren en overwinnen zou.
Hier wil Elihu zeggen, dat God oneindig verre boven den mens verheven is en het derhalve de grootste dwaasheid is, ja, zinneloosheid, om met Hem te willen twisten. Elihu tracht Job’s ogen te openen voor de Heerlijkheid en Majesteit Gods, voor Zijne Vrijmacht. Hij is de Heiligheid, maar ook de rechtvaardigheid, maar ook de Goedheid zelf, zodat alle zijne wegen, ook die van druk en tegenspoed, voor Gods kinderen wegen van wijsheid en rechtvaardigheid en goedheid zijn.
Waarom hebt gij tegen Hem getwist? had gij daartoe recht? Want Hij antwoordt niet van al Zijne daden. Hij acht zich niet verplicht aan ieder mens, die Hem rekenschap vraagt van Zijne daden, die te geven (Hoofdstuk 23: 5).
Maar God spreekt eens of tweemaal 1); doch men let niet daarop; God spreekt wel met den mens, maar niet op zulk een eis; het ligt aan u, indien gij Zijne spraak niet hoort.
Elihu spreekt hier op dichterlijke wijze van een of tweemaal, in den zin van, op verschillende wijzen Die verschillende wijzen beschrijft hij in de volgende verzen. God spreekt door dromen en gezichten. Het was toen nog de tijd vóór de Wet, d.w.z. voor Mozes, en dus ook vóór Christus. Want nu spreekt de Heere tot ons door en in Zijn Woord, in het geschreven Woord, zoals ons dit door Zijn wondere genade, als gewrocht van den H. Geest, die in al de waarheid leidt, is overgeleverd. Vóór Christus openbaarde de Heere Zich ook door dromen, en wel door dromen, die het geweten raakten, of door openbaringsdromen, waarin God, de Heere, van de toekomstige dingen sprak.
Vooreerst spreekt Hij tot de mensen in den droom, door het gezicht des nachts, zowel bij slapenden als bij wakenden toestand in den nacht (Hoofdstuk 4: 13 ), als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger:
Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt, geeft hun inzien in hun kastijding 1).
In het Hebr. Oebemosaram jachtoom. LXX exefobhsen autouv. Beter: Hij zet het zegel op hun waarschuwingen, d.i. op de waarschuwingen tot hen gekomen. De waarschuwing wordt daardoor bevestigd. De Engelse vertaling heeft: Verzegelt Hij hun onderwijs. In den diepen slaap doet Hij uit het geweten een droom voortkomen, opdat aldus de mens gedrongen worde van zijn zonde, of van de een of andere zondige daad afstand te doen. Dan werkt God door den droom zulke diepe indruksels in de ziele, opdat de mens de voorschriften van Gods Woord en Wet zou opvolgen. De meeste dromen komen uit de verbeelding voort, maar hier worden we er nadrukkelijk op gewezen dat er ook dromen uit het geweten voortkomen.
Zo spreekt de Heere niet om ‘s mensen nieuwsgierigheid te bevredigens of om zich met hem in een rechtsstrijd in te laten, maar opdat Hij den mens afwende van zijn zondig werk, en van den man de hovaardij verberge, afscheide, Hem reinige van hoogmoedig zelfverheffen.
Dat Hij, de Heere, zijne ziel, die wegens onbeledene eigengerechtigheid in gevaar is, van het verderf afhoude, van een vroeg graf en een eeuwigen dood, en zijn leven beware, dat het door het zwaard 1) van het goddelijk gericht niet doorga. Hebt gij misschien dergelijk waarschuwende stemmen niet op uw leger gehoord? (Zie (Hoofdstuk 7: 13).
Terwijl de zondaars hun kwade oogmerken voortzetten en hun trotsheid involgen, haasten hun zielen tot het zwaard, het verderf en den ondergang, zo in deze, als in de toekomende wereld. Maar als God hen, door de vermaningen en ontroeringen van het geweten, van de zonde terughoudt. zo beveiligt Hij tevens hun zielen voor het zwaard Zijner wrekende gerechtigheid, opdat hun zonde en onrecht niet eindige in, en strekke tot hun verderf.
19.
V. Vs. 19-33.KruisverwijzingenJob 30:17→Job 19:20→2 Koningen 5:14→Psalmen 50:15→Romeinen 6:21→Maleachi 3:1→Psalmen 103:5→2 Samuël 12:13→
— Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen; Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze; Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken; En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen; Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren. Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven. Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
God spreekt verder tot den mens door zware ziekten, zodat de dood nabij komt. Wanneer dan echter de hemelse Gezant zich zijner aanneemt, zo verkrijgt hij weer genade, wordt verjongd en God verhoort zijn gebed. Vrolijk kan hij dan aan de mensen Gods genade bekend maken. Dat alles doet God verscheidene malen, om den mens van het verderf te redden. Kunt gij hiertegen iets aanvoeren, zo spreek; zo niet laat mij verder spreken en verneem wijsheid van mij.
Ook wordt hij, en hierdoor spreekt de Heere weer op ene andere wijze tot hem, gestraft 1) met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen 1).
Elihu stemt daarin met de vrienden overeen, dat hij in elk lijden straf ziet, maar hij wijkt daarin van hen af, dat hij nog ene andere zijne erkent. Er is een lijden, dat niet alleen in de Goddelijke gerechtigheid zijn oorsprong heeft, maar tevens uit liefde geschiedt, en dat daarom ook den rechtvaardige overkomt, is, dat hij ondervinden moet, opdat hij de zonde, die hem aankleeft, erkenne en hij van haar gereinigd tot groter heil gebracht worde. Tegenover het begrip van straf staat bij Elihu dat der kastijding, waarin zich de nieuwere tijd maar al te weinig vinden kon. Deze weet gewoonlijk slechts van beproeving, meestal zonder zich maar hij iets bepaalds te denken.
Indien God alleen daarom Job lijden toegezonden had, om den satan te bewijzen, dat vroomheid ook in dagen van lijden blijft; indien alzo dit lijden slechts het karakter had ener beproeving en geen bepaald doel voor Job zelven, zo bleef er iets aanstotelijks en raadselachtigs over; men zou ten minste niet begrijpen, waarom het lijden niet aanstonds na de tweemaal glinsterend doorgestane beproeving (Hoofdstuk 1: 21; 2: 10) van Joh weggenomen ware. De Heilige Schrift kent echter onderscheid tussen lijden ter beproeving en reiniging, of ter verzoeking. Elihu voert twee middelen in de hand van God tot reiniging bij wijze van voorbeelden aan: dromen, als voorbeeld voor inwendige vermaningen, en ziekte, als voorbeeld van smartelijke bezoeking. “De inwendige vermaningen zijn slechts het voorspel der bezoekingen en moeten voor deze den bodem bereiden. Wie oprecht in des Heren wegen wandelt, zal het hebben ervaren, dat, een zwaar kruis ons zeldzaam onvoorbereid treft, dat het gewoonlijk in een tijd komt, dat het hart zich bijzonder naar boven getrokken gevoelt, en dat het ook zeldzaam uitblijft, wanneer men zulk een krachtige trekking van Gods genade bespeuren kan.
De bijzondere trekken tot het beeld van zware ziekte, neemt Elihu opzettelijk uit Jobs ziekte, om hem daardoor te doen bedenken, dat God bij zijne verschrikkelijke ziekte niets anders wil, dan zijne ziel redden.
Wanneer in de wederkerige betrekkingen der krachten van lichaam, ziel en geest vrede heerst, zo is de mens gezond, hetgeen, sedert de zonde zich van de mensheid heeft meester gemaakt, nooit absoluut, maar altijd slechts relatief plaats heeft. Ziekte is oplossing van deze relatieve harmonie. Zij is geen parasitische levensvorm, die zich indringt nevens die, welke het leven van den mens constitueert, zij is ene partiële of totale, meerdere of mindere tweespalt dezer krachten onder elkaar.
In het Hebr. Weroeh atsamaw ethan. Beter: En met een voortdurenden strijd der beenderen. Elihu wil er mede zeggen, dat God straft met ziekte en krankheden, zodat er een oplossing van kracht plaats heeft, dat alle harmonie tussen de verschillende delen van het lichaam verbroken wordt.
a) Zodat zijn leven het brood zelf, het nodige tot zijn bestaan, verfoeit, en zijne ziel de begeerlijke spijze, de lievelingsspijze veracht.
Psalm 107: 18.
Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, wegteert, en zijne beenderen, die niet gezien worden, uitsteken 1) van wege de vermagering.
Of, En zijne beenderen naakt worden (d.i. van vlees ontbloot), zodat zij niet te zien zijn. De bedoeling is duidelijk. Van wege den voortgang der ziekte wordt niet alleen zijn gezicht mager, maar worden dit ook zijne beenderen, zodat zij hun volle gestalte, die aangenaam aandeed, hebben verloren. Letterlijk staat er: Vervallen zijn zijne beenderen, zij worden niet gezien.
En zijne ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden, tot de doodsengelen (Psalm 78: 49. 2 Samuel 24: 16), de engelen, wie God opdraagt den mens te doden, zo hij niet tot bekering komt.
Is er dan bij hem een gezant 1) een bode, een uitlegger, Middelaar, Een uit duizend, een onder alle hemelse wezens, enig in heerlijkheid, die als Middelaar en Plaatsbekleder Zich stelt om den mens zijnen rechten plicht te verkondigen 2), hoe hij op den weg van belijdenis en geloof kan bevrijd worden van zonde en dood.
Als de Verlosser heeft zich God eerst volkomen in het Nieuwe Verbond geopenbaard door de menswording van God in Christus; afschaduwend echter ook reeds in het Oude Verbond, wanneer Hij aan de mensen verschijnt in mensen-gedaante, in de gedaante van een Engel (Genesis 17: 8 18: 1, Exodus 3: 2. Richteren 6: 12 enz.). Elihu denkt hier aan dezen Engel des Heren, die zeker niet alleen den patriarchen, maar aan alle Semietische geslachten bekend was. Job moet naar ene verzoening voor zijne zonde zoeken. En deze verzoening, door welke God, moet verzoend worden, heeft hij niet te geven-zijne zonde zelf te willen verzoenen, te willen goed maken, hetzij door berouw, hetzij door goede werken is de allerfijnste en gevaarlijkste en verkeerdste trots-God zelf heeft den mens den rechten verzoener en plaatsbekleder en voorspraak geschonken. Hij, die Job recht verschaft, leeft (vgl. Hoofdstuk 19: 25) -doch op geheel andere wijze dan Job gedacht heeft. Het is de Engel des Heren, het is God zelf, die in liefde tot de mensen zich neder buigt, God, die den vaderen de belofte van de toekomstige verlossing gaf, dezelfde die in het Nieuwe Verbond de vervulling gaf, daar Hij niet slecht voor een ogenblik in Engelen gedaante verscheen, maar in Jezus Christus mens werd, zondeloos onder mensen leefde en schuldeloos voor ons den dood geleden heeft. Het is diegene, die alles geleden heeft, wat Job leed en nog veel meer-namelijk niet een lijden tot loutering, maar den absoluut onverdienden dood, en wel den marteldood aan het kruis: het is diegene, die zich gedragen heeft, zo als Job zich niet gedroeg, die, toen de gehele wereld Hem voor een misdadiger, godslasteraar, sabbatschender, oproermaker, dweper, dwaas aanzag-Hem aanzag als een, die van God geslagen en bedroefd was (Jes.53: 4) -niet in klaagtonen uitbrak en den dag Zijner geboorte niet vervloekte en Zijnen Vader niet van onrecht aanklaagde en niet degenen, die Hem miskenden, oordelen toewenste. Hij heeft integendeel Zijnen mond niet opengedaan, “gelijk een lam, dat ter slachting geleid wordt,” en bij elke smart en pijn gesproken: “dat is voor Mij,” en bij elke weldaad en iedere zegen: “dat is voor u.” -Elihu heeft de gedaante van dezen Jezus Emmanuel nog niet gekend, gelijk wij haar kennen; hij heeft slechts gekend het schemerend morgenrood van die trouwe, ontfermende, verlossende liefde Gods, waarvan de volle dag eerst in Christus verschenen is. Maar heerlijk en vol zalig voorgevoel moet zij toch ook reeds geweest zijn, die verschijning van den “Engel des Heren,” gelijk zij den patriarchen ten deel werd, en in zalig, profetisch voorgevoel ziet daarom Elihu den Engel, den Enige uit duizenden, als enen ontfermenden Plaatsbekleder over Job zweven, ziet hoe deze bereid is den man, die in dwaling gebonden is, die zozeer de gerechtigheid voor God mist, gerechtigheid te geven, daar Hij voor hem ene verzoening gevonden heeft. Welke verzoening? Waarin bestaat zij? Elihu weet dat nog niet. Door Gods Geest geleid, heeft hij er slechts een voorgevoel van, dat de neerbuigende Ontfermer in de volheid Zijner genade, dat middel wel zal gevonden hebben, om wat de mens aan gerechtigheid mist, door Zijne gerechtigheid te vergoeden. Wij weten, welk ene verzoening Hij gevonden heeft. . Christus is een gezant, een boodschapper van het vredesverdrag, Hij is een uitlegger, de grote uitlegger van den raad van Gods liefde tot zondaars, Eén uit duizend en tevens het hoofd onder tienduizenden. De aankondiging doet hij, dat God den zondaar rechtvaardigt, dat Hij hem in gunst en mededogen aanneemt. Ziedaar derhalve, hoe wij, nadat wij halfdood waren, worden hersteld. Ziedaar nu een in het oog vallende plaats, waaruit wij leren. dat, indien God enig bericht ons van Zijne goedheid toezendt en Zijne beloften ons worden verklaard, dit zo is, alsof hij Zijne hand maar ons uitstrekt, om ons als uit het graf uit te voren. Wat willen we dan meer! Laten wij dus opmerken, dat dit, wat hier gezegd wordt, dient opdat de mens nieuwen moed verzamele, wanneer hij het getuigenis van Gods goedheid heeft.
In de vorige verzen wordt de mens als reddeloos aangeduid. Hij staat reeds met zijn ene voet in het graf. Bij den mens is het een afgesneden zaak. Wie zal hem redden? Vs. 23 en 24 33.23,24 zeggen het duidelijk, dat God het doen zal in den weg van bekering en boete, van schuld belijden en van geloof. Heeft Elihu in vs. 15-18 gesproken over dromen, die den zondaar waarschuwden voor de zonde, hier gaat hij een stap verder en spreekt van redding uit den dood, tengevolge dor zonde. Door wie? Door een Engel, door een Bode. Want toch, het woord in den grondtekst is juist en meer in overeenstemming met geheel de H. Schrift, wanneer men het vertaalt door Engel, of Bode. En wie is de Engel, de Bode, die hier als Middelaar optreedt? Niemand anders dan de Engel des Verbonds, de Engel des Aangezichts. Hij, die onder het N.T. als het vlees geworden Woord optreedt. Van Wie dan ook gezegd wordt, dat Hij is, Een uit Duizend, d.w.z. Degene, die het Hoofd is van alle Engelenscharen, Wie de Engelen aanbidden als hun Heer, die den mens aankondigt, welke de weg is tot herstelling. Het Hebr. woord Malitz is dan ook beter te vertalen door Middelaar, dan door Uitlegger, dewijl het immer de betekenis van onderhandelaar heeft. Elihu wijst hier ongetwijfeld op Hem, die straks als de Middelaar Gods en der mensen zou geopenbaard worden.
Jezus Christus, de Verbonds-Engel, is van God gezonden, om den mens, nu gereed staande in het verderf te storten, den rechten weg ter behoudenis aan te wijzen, dien namelijk van bekering en vertrouwen op Gods goedertierenheid, in- en door den Middelaar, dien Godsgezant, die ons onderricht en die zijne bevelen geeft ter onzer redding uit het verderf, verklarende, dat Hij daartoe het rantsoen of de losprijs heeft uitgemeten, om ons, namelijk door zijn algenoegzame verdiensten tot God en Zijne Genade den weg te banen.
Zo zal Hij, de God der zich ontfermende liefde, hem genadig zijn, zo hij deze boodschap uit des Middelaars mond aanneemt en de hand des geloofs naar Hem uitstrekt, en Hij zal zeggen als de hemelse Middelaar: Vader! verlos hem uit deze zware verzoeking, dat hij in het verderf niet nederdale; Ik heb verzoening gevonden, waardoor zijne zonde uitgedelgd is. (Hebr. 9: 12).
De alzo gerechtvaardigde, de door vergeving gereinigde, wordt dan uit zijn lijden bevrijd. Zijn vlees, dat nu door zweren en wormen wordt weggevreten, zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren, 1) want God geeft hem dubbel weer, wat Hij uit liefde genomen had (Psalm 103: 5).
De werking van het Middelaarsambt des Zaligmakers brengt ons de Genade Gods aan! welke ons alleen door Jezus Christus is geworden. De verlossing van het tijdelijk en eeuwig verderf. De mededeling van alle tijdelijke en geestelijke goederen. De vrijmoedigheid, de blijdschap en de vrolijke toegang tot den Vader en de gerechtigheid in Christus, die ons door Zijne kennis rechtvaardig maakt, ja, die onze gerechtigheid zelf is, zijn alleen genadegaven, die ons in Jezus Christus alleen en buiten Hem nooit kunnen geworden.
Hij, de wederbegenadigde, zal tot God ernstelijk bidden, met dankzegging om hetgeen hij begeert, tot den Heere, die hem niet meer verstoten zal, maar a) die in hem een welbehagen nemen zal, hem genade zal bewijzen, en Zijn aangezicht, dat vroeger voor hem verborgen was, zal hij met gejuich aanzien; Want Hij, de God van ontferming, zal den mens zijne gerechtigheid 1) wedergeven, de ware gerechtigheid, die voor hem is verworven, en die hij met berouw en tranen zocht.
Psalm 50: 15. Jes. 58: 9.
Zijne gerechtigheid is Gods gerechtigheid, is de gehoorzaamheid van den Gezant en Voorspraak, die “Gods gerechtigheid” genaamd wordt (Jer. 23: 6), omdat. zij Gode den Vader aangenaam is en in Zijne vierschaar kan bestaan, omdat God, de Zoon, haar teweeg brengt, en God de Heilige Geest haar toepast, omdat zij Gode betamelijk is. Deze geeft God weer, als Hij na enige verberging van Zijn aangezicht den mens verzekert door het geloof, dat Gods gerechtigheid Zijne ere is. Hij geeft ze weer in plaats van de verdrukking; Hij doet den mens ondervinden, dat Hij rechtvaardig is voor God. De gerechtigheid was niet weggenomen in de verdrukking, maar werd niet zo levendig gevoeld; dat doet nu de Heere God wederom ondervinden door den Heiligen Geest, die met zijnen geest getuigt, dat hij een kind Gods is.
Hij, die nu eerst recht in God zijne rust heeft gevonden, zal niet kunnen zwijgen van hetgeen God aan zijne ziel gedaan heeft, hij zal de mensen aanschouwen 1) en zeggen: Ik heb gezondigd en het recht, hetgeen voor God recht en waar is, verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat, 2) de Heere kastijdde, maar deed niet met mij naar mijne zonden (Psalm 103: 10).
In het Hebr. Jaschoor al-anaschim. Beter: En hij zal zingen in tegenwoordigheid der mensen. Want wel kan het eerste woord aanschouwen betekenen, maar dan wordt het nooit verbonden met het woordje al, zoals hier, Hier heeft het de betekenis van, zingen. Elihu zegt het hier, hoe de begenadigde zondaar zich niet kan inhouden, om te roemen de deugden des Heren, en een lied te zingen ter ere van zijn God, in de tegenwoordigheid der mensen. Niet alleen toch, dat de Heere God zijn leven uit den dood heeft opgevoerd, maar ook heeft hij de ziele met een vrede en een vreugde vervuld, met het bewustzijn der verzoening. En daarom moet zijn tong des Heren grote daden verkondigen.
In het Hebr. Welo schawah li. Beter: En het werd mij niet vergolden. Het woord in den grondtekst betekent eigenlijk, gelijk zijn, vandaar de betekenis van, vergelden. Wij hebben hier hetzelfde denkbeeld als in Psalm 103: 10. De geredde erkent en belijdt voor de mensen, dat de Heere God hem niet doet naar de zonden, en niet vergeldt naar de ongerechtigheden.
Maar God heeft mijne ziele verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet, zodat ik, gered en begenadigd, mij weer in de tegenwoordigheid Gods, in het zalig licht des Heren mag verheugen. Deze wonderbare diepe, kostelijke woorden (vs. 23-28) maken met Hoofdstuk 17: 3 en 19: 25 vv. een drietal Messiaanse voorzeggingen van ons Boek uit, zij bevatten tevens de bekeringsverlossings-geschiedenis van iedere armen zondaar voor God. Wat hier Elihu van den Middelaar zegt, dat doet nu de H. Geest aan ieder boetvaardig zondaarshart: deze onderwijst hem omtrent den weg der bekering en des geloofs, en bidt voor hem met onuitsprekelijke zuchten. Maar de Hogepriesterlijke voorbede van den Heere Christus is het, die onze rechtvaardiging teweeg brengt. Om Zijns bloeds wil rekent God, de Vader ons de zonden niet toe, en bekleedt Hij ons met den mantel der gerechtigheid. Zulk ene levendige ervaring van rechtvaardiging, als Elihu voorstelt, heeft echter als eerste, als noodzakelijke vrucht den lof van God, en de verkondiging van Gods gerechtigheid en barmhartigheid onder de zondaars (vgl. Psalm 51: 15,17; Psalm 32: 8 vv.).
De belofte is algemeen. Indien iemand zich waarlijk verootmoedigt, wie hij ook zij, hij zal behouden worden van den toekomenden toorn. Hij zal gelukkig zijn in eeuwig leven en in eeuwige vreugde. Indien de profeet ons grote dingen als voorwaarde tot dezen zegen gesteld had, zouden wij ze niet gedaan hebben? Hoe veel te meer, nu hij zegt: “Was u en wees rein: ” “Belijd en de zonde is vergeven; ” “erken schuld en gij zijt gered.”.
Zie, dit alles, dat Hij door een droomgezicht waarschuwt, en met zulk een aandrang door zwaar lijden tot ons komt, doet de Heere niet dagelijks; dit werkt God twee a) of driemaal, meermalen met een man 1), want dergelijke zaak Gods werkt spoedig het leven of den dood; werkt voor in eerste maal deze genade de bekering niet uit, zo komt Hij wellicht nog ten tweeden of ten derden male in genade, maar dan als alle arbeid vruchteloos is, zeker met Zijn oordeel.
Psalm 62: 12.
Wanneer nu Elihu hier stelt van driemalen, dan verstaat hij daaronder van meermalen, naar de spreekwijze der H. Schrift, niet om een zeker getal te bepalen, maar om ons te tonen, dat het nuttig is, dat God ons zo bezoekt. Want wij zijn veranderlijk en onstandvastig. Hij moet derhalve tot ons gedurig komen en wederkeren, anders werkt in ons geen vrucht, wat Hij in ons heeft gewerkt.
a) Opdat hij zijne ziele afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden (of des Levens, dat uit God is), zodat hij zelf licht, rein, heilig en zalig worde.
Psalm 56: 14. Zie hier den sleutel tot het gehele Boek, den sleutel tot het raadsel der aanvechtingen van alle rechtvaardigen, tot het geheim van het lieve kruis. Allen, die ware jongeren, vrienden en navolgers van Christus willen zijn, moeten hun kruis dragen in dezen tijd, van welken aard het ook moge zijn: want ontvlucht men het ene, men vervalt in het andere. Vlied, waarheen gij wilt, en doe wat zij wilt, het lijden moet geleden worden. Wanneer God de hand er onder legt en den last aan het zwaarste gedeelte draagt, dan wordt de mens zo vrolijk en het kruis wordt hem zo licht, dat het hem is, alsof hij nooit iets geleden had; zodra echter God onder de zwaarte weggaat, dan blijft de last des lijdens in hare gehele bitterheid. Daarom heeft de Zone Gods, Christus Jezus, het zwaarste juk gedragen op de allerzwaarste wijze, en hebben allen het Hem nagedragen, die zijne liefste vrienden geweest zijn. Niemand kan het met woorden uitspreken, welk een onuitsprekelijk goed in het lijden verborgen is; God legt uit enkel liefde en trouw het kruis op, om daardoor Zijne vrienden tot Zich te trekken, aan Christus zich gelijkvormig te maken, en opdat zij niet van hun zaligheid beroofd worden (Rom. 8: 29). Niets, hoe gering ook, overkomt ons, of het is door God te voren voorzien, dat het zo en niet anders zijn moest, en daarvoor moet men God danken. God beschikt het allergrootste en zwaarste lijden over degenen, die Hem dierbaar zijn: de boze vijand legt den mens ook vele heimelijke en verborgene strikken, om hem in goede dagen te doen vallen. Daarom wil onze lieve God Zijne uitverkorenen uit grote liefde en ontferming in dezen tijd zonder ophouden kruisigen, op menige verborgene, vreemde wijze, die ons dikwijls onbekend is. Hij wil hun in deze wereld niets te dierbaar laten worden, opdat de boze geesten gene macht over hen zouden hebben, om hen te bedriegen en van God af te leiden. Indien wij het wisten, hoe het kruis, ons tot God leidt, en welk ene grote eer er op volgen zal, en hoe goed het de boze geesten van ons verdrijft, wij liepen het kruis vier mijlen afstand tegemoet. Lijden en kruis dragen is zo edel en nuttig, dat onze lieve God niet een van Zijne vrienden zonder deze laten wil.
Merk op, o Job! hoor naar mij, zwijg, dit alles overwegende in uw hart, en ik zal verder spreken.
Zo er redenen zijn, zo er iets gewichtigs tegen te zeggen is, antwoord mij, spreek, want ik heb lust, het is mijn begeerte,u te rechtvaardigen 1); en geenszins onverhoord te veroordelen, gelijk de drie vrienden hebben gedaan.
Niets anders begeer ik, zegt hij, dan om u vrij te spreken, indien gij rechtvaardige en afdoende verdedigingen kunt bijbrengen. Openbaar ze, en zo niet, zwijg dan. Hier nu wordt ons weer in den persoon van Job voor ogen gesteld, dat, wanneer ons de waarheid Gods wordt voorgesteld, wij niets tegen dezelve kunnen inbrengen. En deze vermaning is zeer nuttig, dewijl den mensen hardheid en trotsheid is aangeboren; en het meer dan moeilijk is, zich aan God te onderwerpen. Wij zien altijd, dat er in ons een verzet is, om ons verstand, wat ons past, in nederigheid aan God te onderwerpen.
Zo niet, zo gij echter niets hebt om mij tegen te spreken, hoor naar mij; zwijg en ik zal u wijsheid leren, u tonen, welke wegen God Zijne kinderen oplegt, en hoe wij, zo wij door godsvrucht wijs geworden zijn, die donkere wegen Gods wel kunnen verstaan. Job zwijgt en bekent daarmee, dat Elihu recht en hijzelf onrecht heeft: dit is het begin zijner schuldbelijdenis.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel