Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
AlzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: De hemelH8064 is Mijn troonH3678, en de aardeH776 is de voetbankH1916 Mijner voetenH7272; waar zou dat huisH1004 zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwenH1129, en waar is de plaatsH4725 Mijner rustH4496?
Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?
KJV
Thus saith2
the LORD,3
The heaven4
is my throne,5
and the earth6
is my footstool:8
where is the house11
that ye build13
unto me? and where is the place17
of my rest?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Want Mijn handH3027 heeft alH3605 deze dingen gemaaktH6213, en alH3605 deze dingen zijn geweest, spreektH5002 de HEEREH3068; maar op dezen zal Ik zienH5027, op den armeH6041 en verslageneH5223 van geestH7307, en die voor Mijn woordH1697 beeftH2730.
Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE; maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.
KJV
For all those things hath mine hand4
made,5
and all those things have been, saith9
the LORD:10
but to this man will I look,13
even to him that is poor15
and of a contrite16
spirit,17
and trembleth18
at my word.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Wie een osH7794 slachtH7819, slaatH5221 een manH376; wie een lamH7716 offertH2076, breektH6202 een hondH3611 den halsH6202; wie spijsofferH4503 offert, is als die zwijnenbloedH2386 offert; wie wierookH3828 brandtH2142 ten gedenkoffer, is als die een afgodH205 zegentH1288. Dezen verkiezenH977 ookH1571 hun wegenH1870, en hun zielH5315 heeft lustH2654 aan hun verfoeiselenH8251.
Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond den hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Dezen verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen.
Ook in dit vers
offertH5927
KJV
He that killeth1
an ox2
is as if he slew3
a man;4
he that sacrificeth5
a lamb,6
as if he cut off7
a dog's8
neck;
he that offereth9
an oblation,10
as if he offered swine's12
blood;11
he that burneth13
incense,14
as if he blessed15
an idol.16
Yea, they have chosen19
their own ways,20
and their soul22
delighteth23
in their abominations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
IkH589 zal ookH1571 verkiezenH977 het loon hunner handelingenH8586, en hun vrezeH4035 zal Ik over hen doen komenH935, omdat Ik geroepenH7121 heb, en niemandH369 antwoorddeH6030, Ik gesprokenH1696 heb, en zij niet hoordenH8085, maar dedenH6213 dat kwaadH7451 is in Mijn ogenH5869, en verkorenH977 hetgeenH834 waartoe Ik geen lustH2654 had.
Ik zal ook verkiezen het loon hunner handelingen, en hun vreze zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb, en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en verkoren hetgeen waartoe Ik geen lust had.
KJV
I also will choose3
their delusions,4
and will bring6
their fears5
upon them; because when I called,9
none did answer;11
when I spake,12
they did not hear:14
but they did15
evil16
before mine eyes,17
and chose21
that in which I delighted
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
HoortH8085 des HEERENH3068 woordH1697, gij, die voor Zijn woordH1697 beeftH2730! Uw broedersH251, die u hatenH8130, die u verre afzonderenH5077, omH4616 Mijns NaamsH8034 wil, zeggenH559: Dat de HEEREH3068 heerlijkH3513 worde! Doch Hij zal verschijnenH7200 totH413 ulieder vreugdeH8057, zijH1992 daarentegen zullen beschaamdH954 worden.
Hoort des HEEREN woord, gij, die voor Zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.
KJV
Hear1
the word2
of the LORD,3
ye that tremble4
at his word;6
Your brethren8
that hated9
you, that cast you out10
for my name's12
sake, said,7
Let the LORD14
be glorified:13
but he shall appear15
to your joy,16
and they shall be ashamed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Er zal een stemH6963 van een groot rumoerH7588 uit de stadH5892 zijn, een stemH6963 uit den tempelH1964, de stemH6963 des HEERENH3068, Die Zijn vijandenH341 de verdienstenH1576 vergeldtH7999.
Er zal een stem van een groot rumoer uit de stad zijn, een stem uit den tempel, de stem des HEEREN, Die Zijn vijanden de verdiensten vergeldt.
KJV
A voice1
of noise2
from the city,3
a voice4
from the temple,5
a voice6
of the LORD7
that rendereth8
recompence9
to his enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Eer zij barensnoodH2342 had, heeft zij gebaardH3205, eerH2962 haar smartH2256 overkwamH935, zo is zij van een knechtjeH2145 verlostH4422.
Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost.
KJV
Before she travailed,2
she brought forth;3
before her pain6
came,5
she was delivered8
of a man child.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WieH4310 heeft ooit zulks gehoordH8085? WieH4310 heeft dergelijksH7200 gezien? Zou een landH776 kunnen geboren worden op een enigenH259 dagH3117? Zou een volkH1471 kunnen geboren worden op een enige reizeH6471? MaarH3588 SionH6726 heeft weeen gekregenH2342, en zij heeft haar zonenH1121 gebaardH3205.
Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enigen dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeen gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard.
Ook in dit vers
geborenH2342
geborenH3205
KJV
Who hath heard2
such a thing? who hath seen5
such things? Shall the earth8
be made to bring forth7
in one10
day?9
or shall a nation13
be born12
at once?14
for as soon as18
Zion20
travailed,17
she brought forth19
her children.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zou IkH589 de baarmoederH7665 openbreken, en nietH3808 genererenH3205? zegtH559 de HEEREH3068; zou IkH589, Die genereerH3205, voortaan toesluitenH6113? zegtH559 uw GodH430.
Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt de HEERE; zou Ik, Die genereer, voortaan toesluiten? zegt uw God.
KJV
Shall I bring to the birth,2
and not cause to bring forth?4
saith5
the LORD:6
shall I1
cause to bring forth,9
and shut10
the womb? saith11
thy God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
VerblijdtH8055 u metH854 JeruzalemH3389, en verheugtH1523 u over haar, alH3605 haar liefhebbersH157! Weest vrolijkH7797 over haar metH854 vreugdeH4885, gij allenH3605, die overH5921 haar zijt treurigH56 geweest!
Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest!
KJV
Rejoice1
ye with Jerusalem,3
and be glad4
with her, all ye that love7
her: rejoice8
for joy10
with her, all ye that mourn
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
OpdatH4616 gij moogt zuigenH3243, en verzadigdH7646 worden van de borstenH7699 harer vertroostingenH8575; opdatH4616 gij moogt uitzuigenH4711, en u verlustenH6026 met den glansH2123 harer heerlijkheidH3519.
Opdat gij moogt zuigen, en verzadigd worden van de borsten harer vertroostingen; opdat gij moogt uitzuigen, en u verlusten met den glans harer heerlijkheid.
KJV
That ye may suck,2
and be satisfied3
with the breasts4
of her consolations;5
that ye may milk out,7
and be delighted8
with the abundance9
of her glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantH3588 alzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: ZietH2005, Ik zal den vredeH7965 over haar uitstrekkenH5186 als een rivierH5104, en de heerlijkheidH3519 der heidenenH1471 als een overlopendeH7857 beekH5158; dan zult gijlieden zuigenH3243; gij zult opH5921 de zijdenH6654 gedragenH5375 worden, en opH5921 de knieenH1290 zeer vriendelijk getroeteldH8173 worden.
Want alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal den vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid der heidenen als een overlopende beek; dan zult gijlieden zuigen; gij zult op de zijden gedragen worden, en op de knieen zeer vriendelijk getroeteld worden.
KJV
For thus saith3
the LORD,4
Behold, I will extend6
peace9
to her like a river,8
and the glory12
of the Gentiles13
like a flowing11
stream:10
then shall ye suck,14
ye shall be borne17
upon her sides,16
and be dandled20
upon her knees.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Als een, dienH834 zijn moederH517 troostH5162, alzoH3651 zal IkH595 u troostenH5162; ja, gij zult te JeruzalemH3389 getroostH5162 worden.
Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.
KJV
As one1
whom his mother3
comforteth,4
so will I comfort7
you; and ye shall be comforted9
in Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En gij zult het zienH7200, en uw hartH3820 zal vrolijkH7797 zijn, en uw beenderenH6106 zullen groenenH6524 als het tedere grasH1877; dan zal de handH3027 des HEERENH3068 bekendH3045 worden aan Zijn knechtenH5650, en Hij zal Zijn vijandenH341 gramH2194 worden.
En gij zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en uw beenderen zullen groenen als het tedere gras; dan zal de hand des HEEREN bekend worden aan Zijn knechten, en Hij zal Zijn vijanden gram worden.
KJV
And when ye see1
this, your heart3
shall rejoice,2
and your bones4
shall flourish6
like an herb:5
and the hand8
of the LORD9
shall be known7
toward his servants,11
and his indignation12
toward his enemies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Want zietH2009, de HEEREH3068 zal met vuurH784 komenH935, en Zijn wagenenH4818 als een wervelwindH5492; om met grimmigheidH2534 Zijn toornH639 hiertoe te wendenH7725, en Zijn scheldingH1606 met vuurvlammenH3851.
Want ziet, de HEERE zal met vuur komen, en Zijn wagenen als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn schelding met vuurvlammen.
KJV
For, behold, the LORD3
will come5
with fire,4
and with his chariots7
like a whirlwind,6
to render8
his anger10
with fury,9
and his rebuke11
with flames12
of fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantH3588 met vuurH784, en met Zijn zwaardH2719 zal de HEEREH3068 in het recht tredenH8199 met alleH3605 vleesH1320; en de verslagenenH2491 des HEERENH3068 zullen vermenigvuldigdH7231 zijn.
Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen des HEEREN zullen vermenigvuldigd zijn.
KJV
For by fire2
and by his sword5
will the LORD3
plead4
with all flesh:8
and the slain10
of the LORD11
shall be many.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Die zichzelven heiligenH6942, en zichzelven reinigenH2891 in de hovenH1593, achterH310 eenH259 in het middenH8432 derzelve, die zwijnenvleesH2386 etenH398, en verfoeiselH8263, en muizenH5909; te zamenH3162 zullen zij verteerdH5486 worden, spreektH5002 de HEEREH3068.
Die zichzelven heiligen, en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden derzelve, die zwijnenvlees eten, en verfoeisel, en muizen; te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt de HEERE.
KJV
They that sanctify1
themselves, and purify2
themselves in the gardens4
behind5
one6
tree in the midst,7
eating8
swine's10
flesh,9
and the abomination,11
and the mouse,12
shall be consumed14
together,13
saith15
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Hun werkenH4639 en hun gedachtenH4284! Het komtH935, dat IkH595 vergaderenH6908 zal alleH3605 heidenenH1471 en tongenH3956, en zij zullen komenH935, en zij zullen Mijn heerlijkheidH3519 zienH7200.
Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien.
KJV
For I know their works2
and their thoughts:3
it shall come,4
that I will gather5
all nations8
and tongues;9
and they shall come,10
and see11
my glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En Ik zal een tekenH226 aan hen zettenH7760, en uit hen, die het ontkomenH6412 zullen zijn, zal Ik zendenH7971 tot de heidenenH1471 naar TarsisH8659, PulH6322, en LudH3865, de boogschuttersH4900, naar TubalH8422 en JavanH3120, tot de verH7350 gelegen eilandenH339, dieH834 Mijn geruchtH8088 nietH3808 gehoordH8085, noch Mijn heerlijkheidH3519 gezienH7200 hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheidH3519 onder de heidenenH1471 verkondigenH5046.
En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.
KJV
And I will set1
a sign3
among them, and I will send4
those that escape6
of them unto the nations,8
to Tarshish,9
Pul,10
and Lud,11
that draw12
the bow,13
to Tubal,14
and Javan,15
to the isles16
afar off,17
that have not heard20
my fame,22
neither have seen24
my glory;26
and they shall declare27
my glory29
among the Gentiles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En zij zullen alH3605 uw broedersH251 uit alleH3605 heidenenH1471 den HEEREH3068 ten spijsofferH4503 brengenH935, op paardenH5483, en op wagenenH7393, en op rosbarenH6632, en op muildierenH6505, en op snelle lopersH3753, naar Mijn heiligenH6944 bergH2022 toe, naar JeruzalemH3389, zegtH559 de HEEREH3068, gelijk als de kinderenH1121 IsraelsH3478 het spijsofferH4503 in een reinH2889 vatH3627 brengenH935 ten huizeH1004 des HEERENH3068.
En zij zullen al uw broeders uit alle heidenen den HEERE ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagenen, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israels het spijsoffer in een rein vat brengen ten huize des HEEREN.
KJV
And they shall bring1
all your brethren4
for an offering7
unto the LORD8
out of all nations6
upon horses,9
and in chariots,10
and in litters,11
and upon mules,12
and upon swift beasts,13
to my holy16
mountain15
Jerusalem,17
saith18
the LORD,19
as the children22
of Israel23
bring21
an offering25
in a clean27
vessel26
into the house28
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En ookH1571 zal Ik uit dezelve enigen tot priestersH3548 en tot LevietenH3881 nemenH3947, zegtH559 de HEEREH3068.
En ook zal Ik uit dezelve enigen tot priesters en tot Levieten nemen, zegt de HEERE.
KJV
And I will also take3
of them for priests4
and for Levites,5
saith6
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Want gelijk als die nieuweH2319 hemelH8064 en die nieuweH2319 aardeH776, dieH834 IkH589 makenH6213 zal, voor Mijn aangezichtH6440 zullen staanH5975, spreektH5002 de HEEREH3068, alzoH3651 zal ook ulieder zaadH2233 en ulieder naamH8034 staanH5975.
Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan.
KJV
For as the new4
heavens3
and the new6
earth,5
which I will make,9
shall remain10
before11
me, saith12
the LORD,13
so shall your seed16
and your name17
remain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En het zal geschiedenH1767, dat van de ene nieuwe maanH2320 tot de andere, en van den enen sabbatH7676 tot den anderen, alleH3605 vleesH1320 komenH935 zal om aan te biddenH7812 voor Mijn aangezichtH6440, zegtH559 de HEEREH3068.
En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
KJV
And it shall come to pass, that from2
one new moon3
to another,4
and from5
one sabbath6
to another,7
shall all flesh10
come8
to worship11
before12
me, saith13
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En zij zullen henen uitgaanH3318, en zij zullen de dode lichamenH6297 der liedenH582 zienH7200, die tegen Mij overtredenH6586 hebben; wantH3588 hun wormH8438 zal nietH3808 stervenH4191, en hun vuurH784 zal nietH3808 uitgeblustH3518 worden, en zijH1961 zullen allenH3605 vleesH1320 een afgrijzingH1860 wezen.
En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen allen vlees een afgrijzing wezen.
KJV
And they shall go forth,1
and look2
upon the carcases3
of the men
that have transgressed5
against me: for their worm8
shall not die,10
neither shall their fire11
be quenched;13
and they shall be an abhorring15
unto all flesh.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
De hemel
Zie de aantekening 1 Kon. 8:27 ; 2 Kron. 6:18 ; Hand. 7:48-49 , en Hand. 17:24 .
Hertaald:
De hemel
Zie de aantekening bij 1 Kon. 8:27 en 2 Kron. 6:18, en Hand. 7:48-49 en Hand. 17:24.
waar zou dat huis zijn,
Alsof hij zeide: Gij moet niet menen dat Ik in een tempel kan besloten worden. Vele Joden te dien tijde meenden dat zij genoeg deden als zij God in den tempel, aan welken zij Hem voornamelijk hielden verbonden, dienden met den uiterlijken godsdienst van Hem bevolen, al leefden zij niet naar al zijne geboden, maar hun leven goddelooslijk aanstelden. Doch deze bestraffing van den uiterlijken godsdienst der Joden moet men alzo verstaan, dat daaronder mede geprofeteerd is van de afschaffing der ceremoniën van het Oude Testament.
Hertaald:
waar zou dat huis zijn,
Alsof hij zei: u moet niet menen dat Ik in een tempel opgesloten kan worden. Veel Joden in die tijd meenden dat zij genoeg deden wanneer zij God in de tempel dienden met de uiterlijke godsdienst die Hij bevolen had; aan die tempel achtten zij Hem vooral gebonden. Ondertussen leefden zij niet naar al Zijn geboden, maar richtten zij hun leven goddeloos in. Maar deze bestraffing van de uiterlijke godsdienst van de Joden moet men zo verstaan dat daaronder tegelijk geprofeteerd is over de afschaffing van de ceremoniën van het Oude Testament.
waar is de plaats
Of, welke is de plaats mijner rust; gelijk Hand. 7:49 . De tabernakel en de tempel worden genoemd de rust des Heeren, 1 Kron. 28:2 ; 2 Kron. 6:41 , en Ps. 132:8 . Zie de aantekening aldaar. Maar van het nieuwe of hemelse Jeruzalem wordt er gezegd, Openb. 21:22 :Ik zag een tempel daarin, want de Heere de almachtige God is hun tempel, en het Lam, en nu is de tijd, dat de waarachtige aanbidders den Vader zullen aanbidden in den geest en in der waarheid aan geen plaats gebonden zijnde; Joh. 4:21 , Joh. 4:23 .
Hertaald:
waar is de plaats
Of: welke is de plaats van Mijn rust, zoals in Hand. 7:49. De tabernakel en de tempel worden de rust van de HEERE genoemd, 1 Kron. 28:2, 2 Kron. 6:41 en Ps. 132:8. Zie de aantekening daarbij. Maar over het nieuwe of hemelse Jeruzalem wordt in Openb. 21:22 gezegd: ik zag geen tempel daarin, want de Heere, de almachtige God, is hun tempel, en het Lam. En nu is de tijd dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, zonder aan een plaats gebonden te zijn; Joh. 4:21 en Joh. 4:23.
Want Mijn
Dit wordt Hand. 7:50 vragenderwijze gesteld: Heeft niet mijne hand dit alles gemaakt?
Hertaald:
Want Mijn
Dit wordt in Hand. 7:50 als vraag gesteld: heeft Mijn hand niet dit alles gemaakt?
hand
Dat is, macht.
Hertaald:
hand
Dat is: macht.
en al deze dingen
Of, alzo, dies, daaRom.
Hertaald:
en al deze dingen
Of: zo, daarom.
zijn geweest,
Dat is, bestaan, te weten door mijne kracht. Zie Job 41:2 , en Ps. 119:91 , of zijn, is te zeggen blijven; gelijk Ex. 24:12 ; Ruth 1:2 ; Ps. 64:8 ; Dan. 1:21 . Zie Ps. 37:18 .
Hertaald:
zijn geweest,
Dat is: bestaan, namelijk door Mijn kracht. Zie Job 41:2 en Ps. 119:91. Of: zijn, dat wil zeggen: blijven, zoals in Ex. 24:12, Ruth 1:2, Ps. 64:8 en Dan. 1:21. Zie Ps. 37:18.
maar op dezen
Of, maar wien zal Ik aanschouwen? dat is, wien zal Ik genadig zijn? dat is, mijne gunst en hulp laten genieten?
Hertaald:
maar op dezen
Of: maar wie zal Ik aanzien? Dat is: wie zal Ik genadig zijn, dat is: Mijn gunst en hulp laten genieten?
arme
En die zijne armoede bekent, namelijk zijn geestelijke armoede, dat is de ontbering van gerechtigheid.
Hertaald:
arme
En die zijn armoede erkent, namelijk zijn geestelijke armoede, dat is: het ontbreken van gerechtigheid.
verslagene
Vanwege het gevoelen of de kennis zijner zonden. Zie Ps. 34:19 , en Ps. 35:15 , en Ps. 51:19 , en Jes. 57:15 , Jes. 57:18 . Vergelijk Matt. 5:3 , en 1 Petr. 3:4 .
Hertaald:
verslagene
Vanwege het gevoel of de kennis van zijn zonden. Zie Ps. 34:19, Ps. 35:15, Ps. 51:19 en Jes. 57:15 en Jes. 57:18. Vergelijk Matth. 5:3 en 1 Petr. 3:4.
die voor Mijn woord beeft
Dat is, die mijne majesteit en hoogheid in zulke achting heeft, dat hij vreest en beeft voor mijne geboden, dezelve met kinderlijke vrees en eerbieding ontvangende en zich onderwerpende. Vergelijk Ezra 9:4 , en Ezra 10:3 , onder vs.5; Hos. 11:10-11 . Zie ook Ex. 19:16 ; Job 37:1 .
Hertaald:
die voor Mijn woord beeft
Dat is: wie Mijn majesteit en hoogheid zozeer acht dat hij vreest en beeft voor Mijn geboden, die met kinderlijke vrees en eerbied ontvangt en zich eraan onderwerpt. Vergelijk Ezra 9:4 en Ezra 10:3, en hieronder vers 5, en Hos. 11:10-11. Zie ook Ex. 19:16 en Job 37:1.
slacht,
Hebreeuws, keelt; te weten ter offerande, te weten zonder erkentenis zijner zonden en zonder geloof. Of, ook die het uiterlijk doet ten tijde van het Nieuwe Testament. Zie Jes. 1:11 ; Hebr. 10:1 , Hebr. 10:4 , Hebr. 10:11 .
Hertaald:
slacht,
Hebreeuws: keelt, namelijk ter offerande, en wel zonder erkenning van zijn zonden en zonder geloof. Of ook: wie dat uiterlijk doet in de tijd van het Nieuwe Testament. Zie Jes. 1:11 en Hebr. 10:1, Hebr. 10:4 en Hebr. 10:11.
slaat een man;
Of, verslaat; dat is doodt enen man. De zin is: Dat is mij zo onaangenaam, ja men vertoornt er mij zozeer mede, alsof hij een man versloeg.
Hertaald:
slaat een man;
Of: verslaat — dat is: doodt een man. De betekenis is: dat is Mij zo onaangenaam, ja men vertoornt Mij daarmee zozeer, alsof hij een man doodsloeg.
breekt
Dat is, hij is als een, die een hond den hals breekt, of onthalst, of den nek afsnijdt; te weten om mij dien te offeren, gelijk Deut. 21:4 . En versta hier onder den naam van hond alle onreine dieren, die te offeren in de wet verboden waren.
Hertaald:
breekt
Dat is: hij is als iemand die een hond de nek breekt of onthalst, namelijk om Mij die te offeren, zoals in Deut. 21:4. Versta hier onder de naam hond alle onreine dieren, die volgens de wet niet geofferd mochten worden.
zwijnenbloed
Zie Lev. 11:7-8 , Lev. 11:26 ; Deut. 14:8 ; alwaar niet alleen verboden wordt zwijnenvlees te eten, maar de Joden mochten het niet aanroeren zonder zich te onreinigen.
Hertaald:
zwijnenbloed
Zie Lev. 11:7-8 en Lev. 11:26, en Deut. 14:8, waar niet alleen verboden wordt zwijnenvlees te eten, maar waar de Joden het ook niet mochten aanraken zonder zich te verontreinigen.
wierook brandt
Te weten ter gedachtenis. Zie de aantekening Lev. 2:2 . Hebreeuws, die ene gedachtenis van wierook of reukwerk maakt.
Hertaald:
wierook brandt
Namelijk: ter gedachtenis. Zie de aantekening bij Lev. 2:2. Hebreeuws: die een gedachtenis van wierook of reukwerk maakt.
een afgod
Zie van het Hebreeuwse woord 1 Sam. 15:23 .
Hertaald:
een afgod
Over het Hebreeuwse woord, zie 1 Sam. 15:23.
zegent
Of looft; dat is dankt, alsof hij een ware god ware.
Hertaald:
zegent
Of: looft — dat is: dankt, alsof het een ware god was.
Dezen verkiezen
De zin is: Zij treden niet op de wegen, die Ik hun heb voorgeschreven, maar zij verkiezen zichzelven wegen, dat is wijzen en manieren van godsdienst, of hun boze lusten en kwade begeerlijkheden.
Hertaald:
Dezen verkiezen
De betekenis is: zij gaan niet op de wegen die Ik hun voorgeschreven heb, maar zij kiezen voor zichzelf wegen, dat is: wijzen en manieren van godsdienst, of hun boze lusten en kwade begeerten.
aan hun verfoeiselen
Dat is, aan hun afgoderijen en ceremoniën, die mij een gruwel zijn. Zie 2 Kron. 15:8 ; Ezech. 20:7 , met de aantekening.
Hertaald:
aan hun verfoeiselen
Dat is: aan hun afgoderijen en ceremoniën, die Mij een gruwel zijn. Zie 2 Kron. 15:8 en Ezech. 20:7, met de aantekening.
Ik zal ook
Alsof God zeide: Hebben zij hunne wegen gekozen en ingegaan, Ik zal ook kiezen wat Ik doen zal.
Hertaald:
Ik zal ook
Alsof God zei: hebben zij hun eigen wegen gekozen en zijn zij die ingegaan, dan zal Ik ook kiezen wat Ik doen zal.
het loon
Anders: Ik zal ook hunne veranderlijkheden kiezen; dat is, Ik zal hen ook straffen vanwege hunne huichelarij, en zal hen hier en daar doen draven en in de gevangenis doen gaan. Anders, om hunner bespottingen wil; dat is, Ik zal hunne boosheid en huichelarij ontdekken, met welke zij mij de ogen menen te verblinden.
Hertaald:
het loon
Anders: Ik zal ook hun grillen kiezen — dat is: Ik zal hen ook straffen vanwege hun huichelarij, en Ik zal hen heen en weer laten draven en in de gevangenis doen gaan. Anders: vanwege hun bespottingen — dat is: Ik zal hun boosheid en huichelarij ontdekken, waarmee zij menen Mij de ogen te verblinden.
hun vreze
Te weten de macht der Chaldeën en andere vijanden, waar zij voor vrezen. Zie Job 39:25 .
Hertaald:
hun vreze
Namelijk: de macht van de Chaldeeën en andere vijanden, waarvoor zij vrezen. Zie Job 39:25.
Ik geroepen heb,
Zie Spr. 1:24 ; Jes. 50:2 , en Jes. 56:12 ; Jer. 7:13 .
Hertaald:
Ik geroepen heb,
Zie Spr. 1:24, Jes. 50:2 en Jes. 56:12, en Jer. 7:13.
Hoort des HEEREN woord,
Hier spreekt nu God, of de profeet, de godzalige Israëlieten aan, die ten tijde der profeten geweest zijn, en die daarna ten tijde van Christus in Hem zouden geloven, en derhalve van hunne broeders naar het vlees zouden gehaat en vervolgd worden.
Hertaald:
Hoort des HEEREN woord,
Hier spreekt God, of de profeet, de godzalige Isra«lieten aan, die in de tijd van de profeten geleefd hebben en die daarna in de tijd van Christus in Hem zouden geloven en daarom door hun broeders naar het vlees gehaat en vervolgd zouden worden.
Uw broeders,
Te weten valse broeder, huichelaars.
Hertaald:
Uw broeders,
Namelijk: valse broeders, huichelaars.
afzonderen,
Of, afscheiden, afkerig van u zijn, u onwaardig van hun gezelschap achtende. Zie Jes. 65:5 .
Hertaald:
afzonderen,
Of: afscheiden, afkerig van u zijn en u hun gezelschap onwaardig achten. Zie Jes. 65:5.
om Mijns Naams wil,
Dat is, omdat gijlieden de ware religie belijdt, die Ik ulieden te onderhouden gegeven heb ter ere van mijnen naam.
Hertaald:
om Mijns Naams wil,
Dat is: omdat u de ware godsdienst belijdt, die Ik u te onderhouden gegeven heb tot eer van Mijn Naam.
zeggen
Te weten spottende met de dreigementen, die de Heere door zijne profeten laat verkondigen.
Hertaald:
zeggen
Namelijk: spottend met de dreigementen die de HEERE door Zijn profeten laat verkondigen.
Dat de HEERE
Alsof zij zeiden: Dat de Heere zijne macht aan ons bewijze met zijne straffen, waarmede gij ons dreigt. Dit spreken die goddeloze mensen spottenderwijze, verwerpende onheiliglijk al de dreigementen en beloften, die de Heere door zijne profeten deed. Vergelijk Jes. 5:19 .
Hertaald:
Dat de HEERE
Alsof zij zeiden: laat de HEERE Zijn macht aan ons bewijzen met de straffen waarmee u ons dreigt. Dit spreken die goddeloze mensen spottend, terwijl zij op onheilige wijze alle dreigementen en beloften verwerpen die de HEERE door Zijn profeten deed. Vergelijk Jes. 5:19.
Doch Hij zal
Of, voorwaar, Hij [te weten de Heere] zal verschijnen; dat is, Hij zal gewisselijk komen, tot ulieder [te weten der godzaligen] vreugde, maar zij [te weten de goddelozen] zullen beschaamd worden; dat is, Ik zal hen straffen en te schande maken, zonder dat de valse goden, op wie zij hun vertrouwen zetten, hen zullen kunnen verlossen.
Hertaald:
Doch Hij zal
Of: zeker, Hij — namelijk de HEERE — zal verschijnen, dat is: Hij zal zeker komen, tot uw vreugde (namelijk van de godzaligen), maar zij (namelijk de goddelozen) zullen beschaamd worden — dat is: Ik zal hen straffen en te schande maken, zonder dat de valse goden op wie zij hun vertrouwen stellen hen zullen kunnen verlossen.
een stem
Anders: het geluid van een gekraak.
Hertaald:
een stem
Anders: het geluid van een gekraak.
uit de stad
Te weten Jeruzalem.
Hertaald:
uit de stad
Namelijk: Jeruzalem.
zijn,
Dat is, gehoord worden. Eenigen verstaan de woorden van dit vs. aldus: Daar zal een alarm en weeklacht gehoord worden, als de Chaldeën zullen komen om de stad Jeruzalem en den tempel te verstoren; dit zal zijn de stem des Heeren, die de Chaldeën roepen of verwekken zal om de boze Joden te straffen. Anderen nemen deze woorden aldus: De stem der leraren van het heilig Evangelie, die hunne stem als ene bazuin verheffen zullen, zal uit Jeruzalem voortgaan en uit den tempel gehoord worden, Jes. 2:3 , zijnde een genaderijke stem voor de uitverkorenen, maar onaangenaam voor de vijanden Gods, 2 Kor. 2:15-16 .
Hertaald:
zijn,
Dat is: gehoord worden. Sommigen vatten de woorden van dit vers zo op: er zal alarm en weeklacht gehoord worden wanneer de Chaldeeën komen om de stad Jeruzalem en de tempel te verstoren. Dat zal de stem van de HEERE zijn, Die de Chaldeeën roept of aanzet om de boze Joden te straffen. Anderen vatten deze woorden zo op: de stem van de leraars van het heilig Evangelie, die hun stem als een bazuin zullen verheffen, zal uit Jeruzalem uitgaan en uit de tempel gehoord worden, Jes. 2:3 — een genaderijke stem voor de uitverkorenen, maar onaangenaam voor de vijanden van God, 2 Kor. 2:15-16.
zij barensnood
Te weten Zion, vs.8; dat is de kerk Gods; en, eer zij barensnood of weeën had, heeft zij gebaard; dat is, de kerk van Christus zal snellijk en onverhoeds aanwassen, doordien haastelijk, boven verwachting, velen uit de heidenen het Evangelie zullen aannemen,, die hun tot kinderen Gods zullen geboren worden; zie Hand. 2:41 , Hand. 2:47 , en Hand. 12:24 . De heidenen zijn bij grote menigten in plaats der goddeloze en ongelovige Joden tot de gemeente van Christus gekomen; zie Hand. 11:18 , Hand. 11:23 .
Hertaald:
zij barensnood
Namelijk: Sion, vers 8, dat is: de kerk van God. En voordat zij barensnood of weeën had, heeft zij gebaard — dat is: de kerk van Christus zal snel en onverwacht groeien, doordat plotseling en boven verwachting velen uit de heidenen het Evangelie zullen aannemen, die haar tot kinderen van God geboren zullen worden; zie Hand. 2:41 en Hand. 2:47, en Hand. 12:24. De heidenen zijn in grote menigten in plaats van de goddeloze en ongelovige Joden tot de gemeente van Christus gekomen; zie Hand. 11:18 en Hand. 11:23.
van een knechtje
Dat is, van een groot en machtig volk, hetwelk vs.8, hare zonen genoemd wordt; en Ex. 4:22 , wordt Gods volk genaamd Gods zoon en de eerstgeborene. Vergelijk hiermede Openb. 12:5 .
Hertaald:
van een knechtje
Dat is: van een groot en machtig volk, dat in vers 8 haar zonen genoemd wordt; en in Ex. 4:22 wordt Gods volk Gods zoon en de eerstgeborene genoemd. Vergelijk hiermee Openb. 12:5.
een land
Dat is, de inwoners van een land, een land vol volk.
Hertaald:
een land
Dat is: de inwoners van een land, een land vol volk.
op een enigen dag?
Dat is, plotseling, in een korten tijd.
Hertaald:
op een enigen dag?
Dat is: plotseling, in korte tijd.
Sion
Dat is, Zion heeft hare kinderen gebaard zo haast als haar de weeën of barensnood is aangekomen, zulks is geschied als de predikatie van het heilig Evangelie haastelijk is aangenomen geworden.
Hertaald:
Sion
Dat is: Sion heeft haar kinderen gebaard zodra de weeën of de barensnood haar overvielen; dat is gebeurd toen de prediking van het heilig Evangelie haastig aangenomen werd.
haar zonen gebaard
Versta dit van een groot getal der heidenen, die door het geloof van Christus aangewonnen zijn. Zie vs.7.
Hertaald:
haar zonen gebaard
Versta dit van een groot aantal heidenen, die door het geloof voor Christus gewonnen zijn. Zie vers 7.
Zou Ik
Of aldus: Zou Ik [anderen] de baarmoeder openbreken, en niet maken dat [Zion] zou baren? Of aldus: Zou Ik tot de geboorte brengen en niet doen baren? dat is, zou Ik een volk ten Evangelie bereiden, en gene genade geven om hetzelve te ontvangen, belijden en beleven? Vergelijk Jes. 37:3 .
Hertaald:
Zou Ik
Of zo: zou Ik bij anderen de baarmoeder openbreken en niet maken dat Sion zou baren? Of zo: zou Ik tot de geboorte brengen en niet doen baren? Dat is: zou Ik een volk voor het Evangelie bereiden en geen genade geven om het te ontvangen, te belijden en te beleven? Vergelijk Jes. 37:3.
toesluiten?
Dat is, onvruchtbaar blijven of laten blijven. Zie Gen. 16:2 , en Gen. 20:17-18 .
Hertaald:
toesluiten?
Dat is: onvruchtbaar blijven of laten blijven. Zie Gen. 16:2 en Gen. 20:17-18.
u
O gij gelovige kinderen Gods, gij nieuwgeboren Christenen, van welker geboorte gesproken is vs.8.
Hertaald:
u
O u, gelovige kinderen van God, u, nieuwgeboren christenen, over wier geboorte in vers 8 gesproken is.
met Jeruzalem,
Dat is, met de kerk Gods, het geestelijke Jeruzalem, hetwelk de Heere weder herbouwd en zeer vermeerderd heeft, door de beroeping der heidenen.
Hertaald:
met Jeruzalem,
Dat is: met de kerk van God, het geestelijke Jeruzalem, dat de HEERE weer herbouwd en zeer vermeerderd heeft door de roeping van de heidenen.
over haar,
Of, met haar, of in haar; dat is harenthalve.
Hertaald:
over haar,
Of: met haar, of in haar — dat is: omwille van haar.
Weest vrolijk
Dat is, weest hartelijk verblijd, gelijk Matt. 2:10 .
Hertaald:
Weest vrolijk
Dat is: wees hartelijk verblijd, zoals in Matth. 2:10.
zijt treurig
Te weten niet alleen om de verwoesting van het aardse Jeruzalem, maar veel meer omdat de kerk Gods door hare vijanden bijna geheellijk is onderdrukt geworden.
Hertaald:
zijt treurig
Namelijk: niet alleen om de verwoesting van het aardse Jeruzalem, maar veel meer omdat de kerk van God door haar vijanden vrijwel geheel onderdrukt is geweest.
Opdat gij
Opdat gijlieden moogt deelachtig worden de gaven, die de Heere over zijne kerk rijkelijk zal uitstorten. Zie de aantekening Ps. 36:9 .
Hertaald:
Opdat gij
Opdat u deel mag krijgen aan de gaven die de HEERE rijkelijk over Zijn kerk zal uitstorten. Zie de aantekening bij Ps. 36:9.
harer vertroostingen;
Dat is, van haar veelvoudigen troost, waarmede zij de verslagen conscientiën vertroost. Zie 2 Kor. 1:3-4 .
Hertaald:
harer vertroostingen;
Dat is: van haar veelvoudige troost, waarmee zij de verslagen gewetens vertroost. Zie 2 Kor. 1:3-4.
met den glans
Of, met den overvloed harer glorie of heerlijkheid.
Hertaald:
met den glans
Of: met de overvloed van haar glorie of heerlijkheid.
den vrede
Het woord vrede wordt verscheidenlijk genomen in de Heilige Schrift:<i>I.</i> voor een geestelijken vrede, rijzende uit het geloof aan Christus, Rom. 5:1 ;<i>II.</i> voor een broederlijken vrede, dien de ene mens met den anderen heeft, gelijk Marc. 9:50 ; Joh. 14:27 ;<i>III.</i> betekent het ook benevens rust van oorlog, alle heil en welvaart, zo aan de ziel als aan het lichaam. Zie Ps. 37:11 .
Hertaald:
den vrede
Het woord vrede wordt in de Heilige Schrift op verschillende manieren gebruikt: I. voor een geestelijke vrede die uit het geloof in Christus voortkomt, Rom. 5:1; II. voor een broederlijke vrede die de ene mens met de andere heeft, zoals in Mark. 9:50 en Joh. 14:27; III. betekent het ook, naast rust van oorlog, alle heil en welvaart, zowel naar de ziel als naar het lichaam. Zie Ps. 37:11.
over haar
Of, tot haar neigen, of buigen; te weten tot Zion; dat is tot mijne kerk.
Hertaald:
over haar
Of: tot haar neigen of buigen, namelijk tot Sion, dat is: tot Mijn kerk.
als een rivier,
Zie Jes. 48:18 .
Hertaald:
als een rivier,
Zie Jes. 48:18.
de heerlijkheid
Dat is rijkdom. Zie Jes. 61:6 , en Openb. 21:26 .
Hertaald:
de heerlijkheid
Dat is: rijkdom. Zie Jes. 61:6 en Openb. 21:26.
gijlieden
Te weten gij godzalige Joden.
Hertaald:
gijlieden
Namelijk: u, godzalige Joden.
zuigen;
Te weten, de onvervalste melk van het goddelijke Woord.
Hertaald:
zuigen;
Namelijk: de onvervalste melk van het goddelijke Woord.
op de zijden
Dat is, op de armen. De zin is: De Christelijke Kerk en hare leraars zullen met u in alle beleefdheid en vriendelijkheid omgaan, gelijk ene moeder met haar teder kindje doet, niets nalatende van alles wat tot uwe onderrichting en godzaligheid zou mogen strekken. Zie Num. 11:12 ; Jes. 49:22 , en Jes. 60:4 , Jes. 60:16 ; Rom. 15:1-2 ; Gal. 6:1-2 , en 1 Thess. 2:7 .
Hertaald:
op de zijden
Dat is: op de armen. De betekenis is: de christelijke kerk en haar leraars zullen met u omgaan in alle vriendelijkheid en hoffelijkheid, zoals een moeder met haar tere kindje doet, en zij zullen niets nalaten van alles wat tot uw onderwijzing en godzaligheid zou kunnen strekken. Zie Num. 11:12, Jes. 49:22, Jes. 60:4 en Jes. 60:16, Rom. 15:1-2, Gal. 6:1-2 en 1 Thess. 2:7.
getroeteld
Of, geliefkoosd worden.
Hertaald:
getroeteld
Of: geliefkoosd worden.
zal Ik u
Dat is, Ik zal ulieden alle vaderlijke en moederlijke liefde bewijzen, en Ik zal ulieden met goedertierenheid omhelzen. Zie Jes. 40:11 .
Hertaald:
zal Ik u
Dat is: Ik zal u alle vaderlijke en moederlijke liefde bewijzen en Ik zal u met goedertierenheid omhelzen. Zie Jes. 40:11.
te Jeruzalem
Dat is, in de gemeente der gelovigen.
Hertaald:
te Jeruzalem
Dat is: in de gemeente van de gelovigen.
uw hart
Dat is, ulieder innerlijk gemoed, of inwendige mens; Ps. 22:27 , en Ps. 69:33 .
Hertaald:
uw hart
Dat is: uw innerlijk gemoed, of uw inwendige mens; Ps. 22:27 en Ps. 69:33.
uw beenderen
Dat is, gijlieden zult lustig en levendig gemaakt worden, door de kracht van des Heeren Geest, in plaats waar gij tevoren als verdroogd en van droefenis verwelkt waart. Het woord beenderen betekent somtijds al de ledematen van het lichaam. Zie de aantekening Ps. 35:10 , en Ps. 51:10 . Zie het tegendeel van dit lid Spr. 17:22 .
Hertaald:
uw beenderen
Dat is: u zult opgewekt en levendig gemaakt worden door de kracht van de Geest van de HEERE, terwijl u tevoren als verdroogd en van droefheid verwelkt was. Het woord beenderen betekent soms alle ledematen van het lichaam. Zie de aantekening bij Ps. 35:10 en Ps. 51:10. Zie het tegendeel hiervan in Spr. 17:22.
als het tedere gras;
Hetwelk in den kouden winter schijnt dood te wezen, maar met de lente verkwikt het weder.
Hertaald:
als het tedere gras;
Dat in de koude winter dood lijkt te zijn, maar in de lente weer opleeft.
de hand
Dat is, de sterkte en kracht, of de hulp des Heeren.
Hertaald:
de hand
Dat is: de sterkte en kracht, of de hulp van de HEERE.
aan Zijn knechten,
Dat is, aan alle godzaligen.
Hertaald:
aan Zijn knechten,
Dat is: aan alle godzaligen.
gram worden
Of gramschap betonen. Het Hebreeuwse woord betekent ook verfoeien, gelijk Num. 23:7-8 .
Hertaald:
gram worden
Of: gramschap tonen. Het Hebreeuwse woord betekent ook verfoeien, zoals in Num. 23:7-8.
met vuur komen,
Of, in, of als vuur komen. Dit is ene beschrijving der wraak, die God oefenen zal; en het kan verstaan worden van de lichamelijke straf, die God over zijne vijanden brengen zal hier in hun leven, alsook van het jongste gericht; 2 Thess. 1:8-9 . Zie ook Jer. 5:14 .
Hertaald:
met vuur komen,
Of: in, of als vuur komen. Dit is een beschrijving van de wraak die God zal oefenen, en het kan verstaan worden zowel van de lichamelijke straf die God hier in dit leven over Zijn vijanden zal brengen als van het laatste oordeel; 2 Thess. 1:8-9. Zie ook Jer. 5:14.
wagenen
Versta hier, krijgswagens. Vergelijk dit met Ps. 68:18 .
Hertaald:
wagenen
Versta hier strijdwagens. Vergelijk dit met Ps. 68:18.
Zijn toorn
Dat is, zijne straffen.
Hertaald:
Zijn toorn
Dat is: Zijn straffen.
te wenden,
Of, aan te leggen.
Hertaald:
te wenden,
Of: aan te leggen.
Zijn schelding
Dat is, zijnen toorn, zijne straffen. Zie Ps. 9:6 .
Hertaald:
Zijn schelding
Dat is: Zijn toorn, Zijn straffen. Zie Ps. 9:6.
vuur,
Versta hier het vuur der goddelijke gramschap en wraak. Zie Job 22:20 .
Hertaald:
vuur,
Versta hier het vuur van de goddelijke gramschap en wraak. Zie Job 22:20.
en met
Eenigen aldus: Dat is met het zwaard.
Hertaald:
en met
Sommigen zo: dat is met het zwaard.
Zijn zwaard
Hier verstaan enigen het zwaard der Chaldeën en van andere vijanden, die de Heere tegen de Joden zenden zou; daarom noemt Hij hen zijn zwaard. Doch anderen verstaan hier door het zwaard het Woord des Heeren, gelijk Ef. 6:17 ; Hebr. 4:12 .
Hertaald:
Zijn zwaard
Sommigen verstaan hier het zwaard van de Chaldeeën en van andere vijanden die de HEERE tegen de Joden zou zenden; daarom noemt Hij hen Zijn zwaard. Maar anderen verstaan onder het zwaard hier het Woord van de HEERE, zoals in Ef. 6:17 en Hebr. 4:12.
met alle vlees;
Dat is, met alle goddeloze mensen, die hem ongehoorzaam en wederspannig zullen geweest zijn.
Hertaald:
met alle vlees;
Dat is: met alle goddeloze mensen, die Hem ongehoorzaam en weerspannig geweest zullen zijn.
Die
Eene verklaring hoedanig die vijanden waren, die de Heere verslaan zou, te weten die de afgoden eren en hun leven naar de wet van God niet aanstellen.
Hertaald:
Die
Een verklaring van wat voor vijanden dat waren die de HEERE zou verslaan, namelijk zij die de afgoden eren en hun leven niet naar de wet van God inrichten.
zichzelven heiligen,
Te weten naar de wijze der afgodendienaars om hunnen valsen goden te behagen.
Hertaald:
zichzelven heiligen,
Namelijk: op de manier van de afgodendienaars, om hun valse goden te behagen.
in de hoven,
Of, tot de hoven; dat is om in de hoven der afgoden te gaan offeren. Zie Jes. 1:29 , en Jes. 65:3 .
Hertaald:
in de hoven,
Of: tot de hoven — dat is: om in de hoven van de afgoden te gaan offeren. Zie Jes. 1:29 en Jes. 65:3.
achter een
Dat is, de een achter den ander, of na elkander. Eenigen verstaan hier onder een een put of poel in de hoven gelegen, bij of achter welken zij zich met het water deszelven wiesen, om alzo zichzelven te reinigen; anderen, achter enen [boom]; dat is, achter een gehucht bomen, enigen afgod toegeëigend; anderen, achter den [tempel] van den eenen, te weten God, die Een genoemd wordt, Deut. 6:4 , ook noemen sommigen onder de heidenen God den Eenen; anderen, achter [den tempel des afgods] Achad, welken Achad zij menen te zijn een afgod bij de Assyriërs, vertegenwoordigende de zon.
Hertaald:
achter een
Dat is: de een achter de ander, of na elkaar. Sommigen verstaan hier onder één een put of poel die in de hoven lag, waarbij of waarachter zij zich met het water daaruit wasten om zich zo te reinigen. Anderen: achter één boom, dat is: achter een groepje bomen dat aan een afgod gewijd was. Anderen: achter de tempel van de Ene, namelijk God, Die de Ene genoemd wordt, Deut. 6:4; ook sommigen onder de heidenen noemen God de Ene. Weer anderen: achter de tempel van de afgod Achad, van wie zij menen dat het een afgod bij de Assyriërs was die de zon voorstelde.
in het midden
Dat is, openlijk.
Hertaald:
in het midden
Dat is: openlijk.
die zwijnenvlees
Zie boven vs.3; Lev. 11:7 , enz.
Hertaald:
die zwijnenvlees
Zie hierboven vers 3, en Lev. 11:7, enzovoort.
verteerd worden,
Dat is, uitgeroeid worden.
Hertaald:
verteerd worden,
Dat is: uitgeroeid worden.
Hun werken
Anders: maar mij aangaande, o hunne werken, enz., alsof God, nadat Hij in het voorgaande vers, vs.17, de gruwelijke afgoderij der goddeloze Joden bestraft had, een bedreiging hierbij voegde, sprekende als de vertoornde, met korte afgebroken woorden. Of men kan deze woorden aldus stellen: Zou Ik hunne werken en hunne gedachten [verdragen]? Alsof Hij zeide: Ik zal ze geenszins verdragen, maar op een korten tijd zal Ik alle heidenen vergaderen, enz.
Hertaald:
Hun werken
Anders: maar wat Mij betreft, o hun werken, enzovoort — alsof God, nadat Hij in het voorgaande vers 17 de gruwelijke afgoderij van de goddeloze Joden bestraft had, daar een dreiging aan toevoegde en sprak als iemand die vertoornd is, met korte, afgebroken woorden. Of men kan deze woorden zo opvatten: zou Ik hun werken en hun gedachten verdragen? Alsof Hij zei: Ik zal ze beslist niet verdragen, maar in korte tijd zal Ik alle heidenen verzamelen, enzovoort.
Het komt,
Dat is, de tijd komt.
Hertaald:
Het komt,
Dat is: de tijd komt.
dat Ik vergaderen
Dat is, in de plaats der boze en goddeloze Joden zal Ik de heidenen roepen, en Ik zal hun mijne heerlijkheid openbaren.
Hertaald:
dat Ik vergaderen
Dat is: in plaats van de boze en goddeloze Joden zal Ik de heidenen roepen, en Ik zal hun Mijn heerlijkheid openbaren.
tongen,
Dat is, allerlei volken, die verscheidene talen spreken.
Hertaald:
tongen,
Dat is: allerlei volken die verschillende talen spreken.
Mijn heerlijkheid
Die God de Heere in het Evangelie openbaart, verlossende het menselijke geslacht door Jezus Christus.
Hertaald:
Mijn heerlijkheid
Die God de HEERE in het Evangelie openbaart, terwijl Hij het menselijk geslacht verlost door Jezus Christus.
zien
Dat is, deelachtig worden.
Hertaald:
zien
Dat is: deel krijgen aan.
een teken
Waaraan men de bekeerde Joden voor mijne kinderen en dienaars moge kennen. Dit teken is de belijdenis der leer van het Christelijke geloof en het gebruik der heilige sacramenten; en innerlijk de Heilige Geest, door welken zij verzegeld worden; Ef. 1:13 .
Hertaald:
een teken
Waaraan men de bekeerde Joden kan kennen als Mijn kinderen en dienaars. Dit teken is de belijdenis van de leer van het christelijk geloof en het gebruik van de heilige sacramenten; en innerlijk de Heilige Geest, door Wie zij verzegeld worden; Ef. 1:13.
die het ontkomen
Te weten uit de verwerping van den groten hoop, uit het algemene verderf en den ondergang der Joden; gelijk vervuld is in de apostelen en anderen, die het Evangelie onder de heidenen hebben verkondigd.
Hertaald:
die het ontkomen
Namelijk: uit de verwerping van de grote massa, uit het algemene verderf en de ondergang van de Joden; zoals vervuld is in de apostelen en anderen die het Evangelie onder de heidenen verkondigd hebben.
naar Tarsis,
Te weten tot degenen, die in Tharsis wonen, en zo in het volgende. Van Tharsis zie de aantekening 1 Kon. 10:22 .
Hertaald:
naar Tarsis,
Namelijk: tot hen die in Tarsis wonen, en zo ook in het vervolg. Over Tarsis, zie de aantekening bij 1 Kon. 10:22.
Pul,
Dit meent men dat de Afrikanen betekent. Pul was ook een naam van een koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 15:19-20 , en 1 Kron. 5:26 .
Hertaald:
Pul,
Men meent dat dit de Afrikanen aanduidt. Pul was ook de naam van een koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 15:19-20 en 1 Kron. 5:26.
Lud,
Zie Gen. 10:13 , Gen. 10:22 .
Hertaald:
Lud,
Zie Gen. 10:13 en Gen. 10:22.
de boogschutters,
Hebreeuws, de boogtrekkers, of de boogspanners; dat is, die met den boog schieten. Vergelijk Jer. 46:9 .
Hertaald:
de boogschutters,
Hebreeuws: de boogtrekkers of boogspanners — dat is: zij die met de boog schieten. Vergelijk Jer. 46:9.
Tubal
Zie Gen. 10:2 .
Hertaald:
Tubal
Zie Gen. 10:2.
Javan,
Dat is, de Grieken; zie Gen. 10:2 .
Hertaald:
Javan,
Dat is: de Grieken; zie Gen. 10:2.
Mijn gerucht
Hebreeuws, mijn gehoor, of horing; dat is, die van mij niet gehoord hebben, die de predikatie van het heilig Evangelie nog niet gehoord hadden. Zie Rom. 10:16-17 . Anderen, die het gerucht, gelangende mijn grote macht, nog niet gehoord hadden.
Hertaald:
Mijn gerucht
Hebreeuws: Mijn gehoor — dat is: zij die niet van Mij gehoord hebben, die de prediking van het heilig Evangelie nog niet gehoord hadden. Zie Rom. 10:16-17. Anderen: die het bericht over Mijn grote macht nog niet gehoord hadden.
zij zullen Mijn heerlijkheid
Of, dezelve; te weten die Ik tot de heidenen zal zenden, namelijk de apostelen en andere leraars, als Barnabas, Silas, Timotheus, Titus, Lukas, enz.
Hertaald:
zij zullen Mijn heerlijkheid
Of: hen, namelijk hen die Ik tot de heidenen zal zenden, namelijk de apostelen en andere leraars zoals Barnabas, Silas, Timotheüs, Titus, Lukas, enzovoort.
al uw broeders
Te weten uwe broeders in Christus, of geloofsgenoten, de uitverkoren heidenen, die bekeerd zijnde door de predikatie van het heilig Evangelie tot Abrahams kinderen zullen gemaakt worden, en dienvolgens der Joden broeders zijn zullen.
Hertaald:
al uw broeders
Namelijk: uw broeders in Christus, of geloofsgenoten: de uitverkoren heidenen, die na hun bekering door de prediking van het heilig Evangelie tot kinderen van Abraham gemaakt zullen worden en dus broeders van de Joden zullen zijn.
ten spijsoffer
Of, tot ene offerande, om den Heere geofferd te worden. Anders: tot een geschenk. Zie Rom. 15:16 ; alzo ook onder in vs.20.
Hertaald:
ten spijsoffer
Of: tot een offerande, om de HEERE geofferd te worden. Anders: tot een geschenk. Zie Rom. 15:16; zo ook hieronder in dit vers.
op paarden,
Dat is, met alle vlijt, en behulpelijke middelen.
Hertaald:
op paarden,
Dat is: met alle vlijt en met alle hulpmiddelen.
op rosbaren,
Of, op bedekte wagens, op koetsen.
Hertaald:
op rosbaren,
Of: op overdekte wagens, op koetsen.
op snelle lopers,
Of, op snelle beesten, of op postpaarden.
Hertaald:
op snelle lopers,
Of: op snelle dieren, of op postpaarden.
naar Mijn heiligen berg
Dat is, tot de gemeenschap der heiligen; zie Jes. 2:2 .
Hertaald:
naar Mijn heiligen berg
Dat is: tot de gemeenschap van de heiligen; zie Jes. 2:2.
naar Jeruzalem,
Uit vs.23 is wel af te nemen dat dit niet is te verstaan van het stoffelijke Jeruzalem, want het is onmogelijk dat alle vlees alle maanden, of alle weken, daar komen zou om te aanbidden.
Hertaald:
naar Jeruzalem,
Uit vers 23 is wel op te maken dat dit niet verstaan moet worden van het stoffelijke Jeruzalem, want het is onmogelijk dat alle vlees elke maand of elke week daarheen zou komen om te aanbidden.
uit dezelve
Te weten uit de bekeerde heidenen.
Hertaald:
uit dezelve
Namelijk: uit de bekeerde heidenen.
tot priesters
Dat is, tot leraars en tot predikanten van het heilig Evangelie. Zie Rom. 15:16 ; Fil. 2:17 .
Hertaald:
tot priesters
Dat is: tot leraars en predikers van het heilig Evangelie. Zie Rom. 15:16 en Filipp. 2:17.
die nieuwe hemel
Zie Jes. 65:17 , en 2 Petr. 3:13 ; Openb. 21:1 .
Hertaald:
die nieuwe hemel
Zie Jes. 65:17 en 2 Petr. 3:13, en Openb. 21:1.
ulieder zaad
Dat is, daar zal altijd op de wereld ene kerk en een hoopje der gelovigen zijn en blijven. Het rijk van Christus wordt Hebr. 12:28 genoemd een onbeweeglijk koninkrijk.
Hertaald:
ulieder zaad
Dat is: er zal altijd op de wereld een kerk en een hoopje gelovigen zijn en blijven. Het rijk van Christus wordt in Hebr. 12:28 een onbewegelijk koninkrijk genoemd.
van de ene
Hebreeuws, van [den tijd der] nieuwe maan tot zijn nieuwe maan; dat is, steeds aan een ander, zonder onderscheid der dagen, die in het Oude Testament verordineerd waren. Vergelijk Kol. 2:16 .
Hertaald:
van de ene
Hebreeuws: van nieuwe maan tot zijn nieuwe maan — dat is: voortdurend, zonder onderscheid van de dagen die in het Oude Testament vastgesteld waren. Vergelijk Kol. 2:16.
tot den anderen,
Hebreeuws, tot zijnen sabbat.
Hertaald:
tot den anderen,
Hebreeuws: tot zijn sabbat.
alle vlees
Dat is, allerlei volken op aarde, zo heidenen als Joden. Zie Joël 2:28 ; Hand. 2:17 . Zie ook boven vs.20.
Hertaald:
alle vlees
Dat is: allerlei volken op aarde, zowel heidenen als Joden. Zie Joël 2:28 en Hand. 2:17. Zie ook hierboven vers 20.
zij zullen henen
Te weten de ware ledematen der gemeente, de gelovigen.
Hertaald:
zij zullen henen
Namelijk: de ware leden van de gemeente, de gelovigen.
de dode lichamen
Dit kan wel naar de letter genomen worden, gelijk Jes. 34:3 , en elders; doch hier kan het ook genomen worden voor zodanigen, die in zonden dood zijn, ofschoon zij leven naar het lichaam, gelijk 1 Tim. 5:6 , en Openb. 20:5 .
Hertaald:
de dode lichamen
Dit kan letterlijk opgevat worden, zoals in Jes. 34:3 en elders; maar het kan hier ook opgevat worden van hen die dood zijn in de zonden, ook al leven zij naar het lichaam, zoals in 1 Tim. 5:6 en Openb. 20:5.
zien,
En zich verblijden vanwege de rechtvaardige straf des Heeren over de goddelozen, zowel in dit als in het toekomende leven. Vergelijk Openb. 12:10 , enz., en Openb. 19:1-2 , enz.
Hertaald:
zien,
En zich verblijden vanwege de rechtvaardige straf van de HEERE over de goddelozen, zowel in dit als in het toekomende leven. Vergelijk Openb. 12:10, enzovoort, en Openb. 19:1-2, enzovoort.
hun worm
Christus past deze woorden op de vervloekten in de hel, waar de worm der conscientie niet sterft, maar altijd knaagt, en het vuur van den toorn Gods nimmermeer uitgeblust wordt; Marc. 9:44 .
Hertaald:
hun worm
Christus past deze woorden toe op de vervloekten in de hel, waar de worm van het geweten niet sterft maar altijd knaagt, en waar het vuur van Gods toorn nooit geblust wordt; Mark. 9:44.
allen vlees
Te weten allen uitverkorenen kinderen Gods, of allen anderen creaturen.
Hertaald:
allen vlees
Namelijk: voor alle uitverkoren kinderen van God, of voor alle andere schepselen.
een afgrijzing wezen
Of, gruwel, of vloek zijn. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en Dan. 12:2 gevonden. In beide plaatsen wordt er gesproken van hardnekkige zondaars, van wie alle vromen en alle godzalige personen walg hebben.
Hertaald:
een afgrijzing wezen
Of: een gruwel of vloek zijn. Het Hebreeuwse woord komt alleen hier en in Dan. 12:2 voor. Op beide plaatsen wordt gesproken over hardnekkige zondaars, van wie alle vromen en alle godzalige mensen walgen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?" (Jes. 66:1). Daarop volgt de vaststelling dat Hij alles gemaakt heeft, en dan komt de wending: "maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft" (Jes. 66:2). Bijbelse betekenis: Merk op wat er tegenover elkaar staat. Aan de ene kant hemel en aarde, die Hem niet kunnen bevatten; aan de andere kant één mens die klein is en beeft voor Zijn woord. Juist dáár ziet Hij op. Let vervolgens op de drie kenmerken die genoemd worden: arm, verslagen van geest, en bevend voor Zijn woord. Geen van drie is een prestatie; het zijn alle drie vormen van klein zijn. Let ten slotte op het verband met eerder in het boek. Dat God bij de verbrijzelde van geest woont, is daar al gezegd (reeds behandeld bij Jes. 57:15). Hier wordt hetzelfde nog eens gezegd, en nu tegenover de tempel: geen gebouw kan Hem huisvesten, maar zo iemand wel. Typologie: Stefanus haalt dit vers aan bij het slot van zijn verdediging voor de Raad: "De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere" (Hand. 7:49). Hij gebruikt het tegen het vertrouwen op de tempel als zodanig. Jes. 66:1-2; Jes. 57:15; Hand. 7:49 "Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest!" (Jes. 66:10). Wat volgt wordt getekend als een kind bij zijn moeder: zuigen en verzadigd worden aan de borsten van haar vertroostingen (Jes. 66:11). Dan komt de belofte: "Ziet, Ik zal den vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid der heidenen als een overlopende beek", en men zal op de zij gedragen worden en op de knieën vertroeteld (Jes. 66:12). En dan valt de vergelijking zelf: "Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden" (Jes. 66:13). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier uitgenodigd worden om blij te zijn: juist zij die over de stad getreurd hebben. De vreugde wordt niet aan buitenstaanders gegund maar aan wie het verdriet gedragen heeft. Let vervolgens op het beeld dat God van Zichzelf gebruikt. Elders in het boek vergeleek Hij Zich al met een moeder die haar zuigeling niet vergeet (reeds behandeld bij Jes. 49:15); hier gaat het niet om het onthouden maar om het troosten. Het is het laatste beeld dat het boek voor de troost kiest. Let ten slotte op het woord rivier in Jes. 66:12. Datzelfde beeld stond eerder als gemiste kans, toen er stond dat hun vrede als een rivier gewéést zou zijn (reeds behandeld bij Jes. 48:18). Wat toen misgelopen werd, wordt hier alsnog gegeven. Typologie: De Heere Jezus gebruikt dezelfde vergelijking over Jeruzalem, maar dan als klacht over wat niet gewild werd (reeds behandeld bij Matt. 23:37). En Paulus noemt Hem "de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting; Die ons vertroost in al onze verdrukking" (2 Kor. 1:3-4). Jes. 66:10-14; Jes. 49:15; Jes. 48:18; Matt. 23:37; 2 Kor. 1:3-4 "Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien" (Jes. 66:18). Uit de ontkomenen worden er gezonden naar verre volken, "die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen" (Jes. 66:19). Uit die volken worden zelfs priesters en Levieten genomen (Jes. 66:21). De nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden opnieuw genoemd, en daarmee de blijvendheid van dit volk (Jes. 66:22). Aan het slot staat dat alle vlees zal komen aanbidden (Jes. 66:23). En het laatste vers gaat over hen die overtraden: "hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden" (Jes. 66:24). Bijbelse betekenis: Merk op hoe wijd het boek eindigt. Het begon met een aanklacht tegen Juda, en het eindigt bij alle heidenen en tongen die de heerlijkheid van God zien; er worden zelfs priesters uit de volken genomen, wat in het oude Israël ondenkbaar was. Let vervolgens op het zendingswoord in Jes. 66:19. De ontkomenen worden uitgezonden naar wie nog nooit iets gehoord hebben. Het boek eindigt dus niet bij het behoud van een overblijfsel maar bij een boodschap die verder gaat. Let ten slotte op het laatste vers. Het register geeft het weer zoals het er staat, zonder de beelden uit te werken en zonder er iets aan toe te voegen. Dat Jesaja zo eindigt is geen toeval: hetzelfde boek dat de ruimste nodiging bevat (reeds behandeld bij Jes. 55:1), sluit met de ernst van wat er op het spel staat. Typologie: De Heere Jezus haalt dit slotvers zelf aan, in dezelfde bewoordingen: "Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt" (Mark. 9:48). Hij zegt het als waarschuwing en niet als beschrijving om bij stil te staan. Jes. 66:18-24; Jes. 55:1; Mark. 9:48 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Het laatste hoofdstuk van Jesaja. Er wordt weer geofferd in Jeruzalem, en er zijn mensen die menen dat God daarmee tevreden is. Het boek eindigt met een vraag die de hele tempeldienst op zijn plaats zet. God vraagt waar men Hem denkt onder te brengen — en zegt waar Hij wél naar ziet. **De vraag.** “De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?” De kanttekening vat de strekking zo samen: gij moet niet menen dat Ik in een tempel besloten kan worden. En zij zegt erbij waar het schoot: velen meenden in die tijd dat zij genoeg deden als zij God in de tempel dienden met de uiterlijke godsdienst, al leefden zij niet naar Zijn geboden. **Het antwoord.** Er komt geen adres, maar een persoon: “maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.” De hemel kan Hem niet bevatten; een verslagen mens wel. **Waar dit hard aankomt.** Stefanus haalt dit vers aan in zijn verdediging, vlak voor zij hem stenigen. Hij citeert Jesaja 66 om te zeggen dat de Allerhoogste niet woont in tempelen met handen gemaakt. Het is niet toevallig dat men daarna de stenen oppakte: hij raakte het gebouw aan waar zij hun zekerheid in hadden. **De geboorte.** Middenin het hoofdstuk staat een beeld dat nergens anders zo staat: “Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard.” En dan: “Zou een land kunnen geboren worden op een enigen dag?” Er is een dag geweest waarop dat gebeurde. Op één morgen kwamen er drieduizend bij, in een stad waar zeven weken eerder een kruis had gestaan. **Het slot.** Het boek eindigt waar het register eindigt: bij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, en bij de belofte dat “alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.” De kanttekening verwijst daarbij naar Openbaring 21 — waar geen tempel meer is, want de Heere God de Almachtige is haar tempel, en het Lam. De vraag van vers 1 wordt daar dus beantwoord. Er komt geen huis. Er komt een Persoon, en die is het huis. In het Nieuwe Testament: Handelingen 7:49-50; 1 Koningen 8:27; Openbaring 21:22; Johannes 4:21-23; Handelingen 2:41; Jesaja 57:15 Hoever dit reikt: Stefanus haalt de eerste twee verzen uitdrukkelijk aan; daarop rust het niveau. Dat de geboorte op één dag uit vers 8 de pinksterdag betreft, staat er niet; het is een gevolgtrekking. Anderen betrekken die profetie op de terugkeer uit de ballingschap of op de laatste dingen. De kanttekening leest de bestraffing van de uiterlijke godsdienst mede als profetie van de afschaffing van de ceremoniën.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Zodra Sion in barensnood was, heeft zij haar kinderen gebaard Jesaja 66:8, Eng. vert. Israël was er slecht aan toe. Maar te midden van Gods volk was er… Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten. Jesaja 66:1 Christus is de wagen waarin zielen naar de hemel… Als een, die zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten. Jes. 66:13 De troost van een moeder! Ach, die is de tederheid zelf. Hoe voelt zij mee in… Hoort des HEEREN woord, gij, die voor zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om mijns Naams wil, zeggen: Dat de HEERE heerlijk… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 66
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Waar zou dat huis zijn dat gij Mij zoudt bouwen — 66:1-2, 7-9, 22-23
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Worstelen om opwekking
De strijd beslecht
God vertroost als een moeder
Een blijde verschijning


Jesaja 66
Jesaja 66:13.KruisverwijzingenJesaja 51:3→1 Thessalonicenzen 2:7→Jesaja 66:10→Psalmen 137:6→Jesaja 65:18→Jesaja 40:1→2 Korinthe 1:4→
— Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.
“Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.” Het bijzondere verband van dit vers en zijn betrekking op het Joodse volk zijn duidelijk. Wij hebben er nooit aan getwijfeld dat er voor Gods oude Israël grote zegeningen weggelegd zijn. De dag zal komen waarop Israëls troost overvloedig zal zijn. Dan zal de heerlijkheid van de heidenen als een stromende beek naar Israël vloeien. Dan zal dat uitverkoren volk door God getroost worden als iemand die zijn moeder troost.
Maar wij geloven dat deze gedeelten van toepassing zijn op alle knechten van God. De troostrijke woorden van de Schrift zijn de hunne, want of wij Jood of Griek zijn, dienstknecht of vrije, barbaar of Griek, wij zijn allen één in Christus Jezus. Ik geloof dus dat dit woord toekomt aan elk kind van God.
Het is goed dat er zo’n belofte opgetekend staat, want gelovigen hebben troost nodig. Het werk van het troosten van Zijn heiligen is God niet te gering om Zich ermee bezig te houden. Soms gebruikt Hij werktuigen, maar alle werkelijke troost voor een gebroken hart moet rechtstreeks van God Zelf komen. Hij zegt niet: “Ik zal een engel zenden om u te troosten”, maar: “alzo zal Ik u troosten”. Het moet Gods werk zijn. Hij moet het doen. Want wanneer een ziel waarlijk vernederd is, zwaar beladen en door Gods hand in stukken gebroken, dan is er slechts één hand die de wond genezen kan: de doorboorde hand van de Zaligmaker. En de troost die God geeft, zal een troost zijn die past bij uw eigen plaats en uw eigen omstandigheden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IX. Vs. 1-24.KruisverwijzingenMattheüs 5:34→Handelingen 7:48→Handelingen 17:24→1 Koningen 8:27→Psalmen 34:18→Jesaja 57:15→Mattheüs 5:3→Lukas 18:13→
— Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust? Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE; maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft. Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond den hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Dezen verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen. Ik zal ook verkiezen het loon hunner handelingen, en hun vreze zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb, en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en verkoren hetgeen waartoe Ik geen lust had. Hoort des HEEREN woord, gij, die voor Zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. Er zal een stem van een groot rumoer uit de stad zijn, een stem uit den tempel, de stem des HEEREN, Die Zijn vijanden de verdiensten vergeldt. Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost. Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enigen dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeen gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard. Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt de HEERE; zou Ik, Die genereer, voortaan toesluiten? zegt uw God. Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest!
De negende rede. Het antwoord des Heren gaat hier voort, doch niet zo, dat het hoger vlucht neemt, dan de laatste woorden van ‘t vorig Hoofdstuk. Dat slot toch handelde reeds over het einde aller dingen, over den toestand in het rijk der heerlijkheid. Wel verspreidt het van ene nieuwe zijde een licht over hetgeen in het vorig Hoofdstuk gezegd is; het begint met dezelfden tijd, waarmee daar begonnen wordt, en wijst op hetzelfde einde als daar, doch geeft nadere, meer bepaalde aanwijzingen, waarbij hetgeen nu gezegd wordt met het vroeger gezegde meermalen overeenkomt. De rede, welke weer met scherpe afscheiding over de goddelozen en vromen, de ongelovigen en gelovigen in Israël handelt, wordt in vier delen verdeeld: a. verwerping van het onboetvaardige en eigengerechtige Israël tegelijk met hunnen tempel en hunnen godsdienst (vs. 1-4). b. Aankondiging van het gericht over Jeruzalem, dat de profeten doodt, waaruit het Nieuw-Testamentische Zion stil en ongemerkt is geworden (vs. 5-9). Vreugde over Jeruzalem en vertroosting tot Zion in buitengewone mate reeds gedurende den tijd der Christelijke kerk (vs. 10-12). d. Toch komt eerst de volle zegen, wanneer het laatste gericht komt over Jeruzalems tegenpartijen en de laatste volmaking der heilige stad (vs. 13-24).
Alzo zegt de HEERE tot het afvallige, onboetvaardige Israël, dat zich van de belofte van de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem meester maakt, en door het bouwen van een prachtigen tempel, die in vervulling denkt te brengen: a) De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten (MATTHEUS. 5:34 vv.). Ik vervul dus met Mijne tegenwoordigheid de gehele wereld als Mijn huis; zelfs de hemelen in hunnen wijdsten omvang kunnen Mij naar Mijn oneindig en boven al het geschapene verheven Wezen, niet bevatten (1 (Kon. 8:27). Waar zou dan dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, alsof gij Mij daarin kon besluiten, dat Ik daarin zou moeten wonen, daar het uitwendig prachtig en heerlijk is? En waar is de plaats Mijner rust 1) ook nu de tijd, voor welken Ik Mijne genadige tegenwoordigheid aan bepaalde tekenen en zinnebeelden gebonden had (Exod. 25:10 vv. 2 Kron. 29:2 ten einde loopt?
2 Kron. 6:18.
De tijd, voor welken deze rede des Heren werd uitgesproken, is niet die van den tempelbouw van Zerubbabel, maar van Herodes den Grote, toen hij in het 18de jaar van zijne regering den tempel allerprachtigst begon te herstellen, had waarschijnlijk ook de profetie (Haggai 2:7 vv.) in de gedachte, en vooral de woorden: “De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste. ” Die woorden wilde hij tot vervulling doen komen; maar hetzelfde jaar, gelijk bij Luk. 1:28 zal worden opgemerkt, was waarschijnlijk het geboortejaar der maagd Maria. Herodes schijnt zich te hebben voorgesteld, dat, wanneer eerst die profetie uitwendig zou vervuld zijn, zo ware het woord Gods, waarvoor hij bijgelovige vrees koesterde, vervuld. Hoezeer hij het er op toegelegde om de toekomst van den Messias, den Koning uit het huis van David af te wenden, zien wij uit MATTHEUS. 2:1 vv. Hij wilde voor zijne Dynastie den troon in Juda verzekeren en beproefde het nu God met een zeer prachtigen stenen tempel en ene luisterrijken uitwendigen godsdienst tevreden te stellen, opdat Hij Zijne verdere raadsbesluiten van wege de eer, die Hem werd aangedaan, zou vergeten. Ongoddelijk en vleselijk gezinde mensen hebben steeds dergelijke voorstellingen omtrent God. Wie zich met den prachtigen tempel tevreden stelde en van den waren Verlosser en Heiland liet afleiden, zodat men Hem om den wille van den tempel verwierp en in valsen ijver voor den uitwendigen godsdienst aan het kruis nagelde, dat was het onboetvaardige, huichelachtige, verblinde Israël onder de leiding van zijne oversten. Dit gedrag van Israël tegenover den Heere en Zijne Apostelen, hetwelk juist de verwoesting van dezen tempel door de Romeinen veroorzaakt heeft, is het wat in hetgeen nu volgt wordt behandeld. Hoewel het gevoelen van Dächsel op het voetspoor van Vitringa, Rambach en Lange niet te verwerpen is, dat de Heere hier voornamelijk ziet op den tijd van Herodes, zo is het toch ook niet tegen te spreken, dat de Heere hier het gehele tijdperk van de Babylonische ballingschap tot op dien tijd in het oog heeft. Het is toch niet te ontkennen, dat niet eerst in de dagen van ‘s Heren omwandeling, maar reeds lang vóór dien tijd, ook in de dagen der ballingschap en na dien tijd het grootste deel der ballingen en ook der teruggekeerden verre verwijderd was van een dienen van den Heere God in geest en in waarheid. Er was een overblijfsel naar de verkiezing der genade, maar het grootste deel van Israël’s ballingen was een onboetvaardig volk en ook tot de straks teruggekeerden naar Palestina moest nog door den Profeet, na de ballingschap, het woord der bestraffing en der vermaning klinken. Met deze woorden wil de Heere hen afbrengen van den vormelijken eredienst, en hen opleiden tot een dienen van Hem in geest en in waarheid. Hij wijst er op, dat indien men meent, dat men voldoen kan met een vormelijker eredienst en het harte verre van hem houdt, men zeer dwaalt. Dat Hij zich verre houdt van degenen, die slechts in het uitwendige hun heil zoeken, en dat daarentegen Zijn oog van genade en liefde is gekeerd naar hen, die voor Zijn woord beven, die met de offeranden van een gebroken hart en een verslagen geest tot Hem naderen. In beginsel klinkt hier hetzelfde, wat de Heere Christus tot de Samaritaanse vrouw sprak: God is een Geest, Die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. (Joh. 4:24).
Want Mijne hand heeft al deze dingen gemaakt, de gehele wereld, die u omgeeft-hoe kunt gij dan menen, door enig gebouw van uwe handen Mijne oneindige hoogheid te zullen omgeven (Hand. 7:49; 17:24); en al deze dingen, die uwe ogen kunnen aanschouwen, zijn geweest, spreekt de HEERE. Maar op dezen zal Ik zien, wanneer Ik ergens Mijne genadige tegenwoordigheid wil laten ondervinden en Mij zelven ene plaats der rust wil bouwen (Hoofdstuk 57:15), op den arme (Hoofdstuk 61:1) en verslagene van geest (Psalm 34:19; 51:19) en die voor Mijn woord beeft (Ps. 119:161).
Meen niet, onboetvaardig en ongelovig volk der Joden, dat Ik een welbehagen heb in uwe offeranden in den nieuw opgebouwden tempel; zij bestaan slechts in uitwendige plechtigheden, terwijl het inwendige des harten met de heilige betekenis van het offer in tegenspraak is. Integendeel, zij zijn Mij de ontzettendste gruwel. Wie 1) enen os slacht met zulk ene gezindheid des harten als de uwe, slaat enen man; hij is in Mijne ogen niets meer dan iemand, die bloed vergiet, en gelijk hij nu zich vergrijpt aan ‘t leven van een dier, alsof Ik ossenvlees zou eten, of bokkenbloed zou drinken (Ps. 50:14), zo vergrijpt hij zich op een anderen tijd aan het leven van een mens, alsof hij Mij door dien moord enen dienst deed (Joh. 16:2). Wie van zulk goed als het uwe een lam offert, breekt enen hond den hals. Alles, wat tot uwen veestapel behoort, is om der ongerechtigheid wil, waarmee die verworven en bezeten wordt, onrein, ene smaadheid voor Mijn heilig Wezen; het wordt Mij ook niet gebracht door handen, die bereid zijn ten offer, maar als het ware verwurgd en verbroken; wie van het meel der eerste tarwe spijsoffer (Lev. 2) offert, is als die zwijnenbloed offert; hij brengt Mij ene even afschuwelijke gave, als wanneer iemand het bloed van het alleronreinste dier (Deut. 14:8) als drankoffer op Mijn altaar wilde uitstorten (Lev. 2:16); want gelijk uwe bezitting van vee vol door is, zo kleeft aan al uwe vruchten de onmatigheid (MATTHEUS. 23:25); wie met zulk ene godsdienstigheid als de uwe wierook brandt ten gedenkoffer voor den Heere (Lev. 2:2; 6:15) is als die enen afgod zegent, want dezen en niet den Heere gaat zijn reukoffer aan. Deze, die met valsen en huichelachtigen godsdienst Mij zoeken te voldoen, verkiezen ook hun wegen, de wegen der afgoden, die verre van de Mijne liggen, en van welke zij zich niet willen bekeren, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen, terwijl zij zich zelfs nog inbeelden, zeer vrome en heilige lieden te zijn (Rom. 2:17 vv.
merkt hier den aan, hoe verfoeilijk hun offeranden voor God waren. De vleselijke Joden, uit de Babylonische ballingschap wedergekeerd zijnde, vervielen wel niet weer tot afgoderij, maar werden zeer zorgeloos en los in den dienst van God; zij brachten het verscheurde, lamme en het zieke tot offeranden (Mal 1:8, 13), en dat maakte hun eredienst verfoeilijk voor God; zij gaven geen acht op hun offeranden en daarom, hoe konden zij denken dat God acht op hen gaf? Na dat het Evangelie gepredikt was en in hetzelve bekend gemaakt, dat de grote offerande was opgeofferd, welke een einde maakte aan alle de ceremoniële diensten, bleven de ongelovige Joden nochtans voortgaan met offeranden te offeren, alsof de wet van Mozes nog van kracht was, en degenen die daartoe kwamen kon volmaken. En dit was een gruwel .
Ik zal ook verkiezen den loon hunner handelingen 1); Ik zal er Mijn vermaak in stellen, hun rechtvaardige straf toe te delen, en hun vreze zal Ik over hen doen komen; wat hun ‘t meeste leed doet, de rampen, die voor hen de geduchtste zijn, zal Ik hun toezenden, ter rechtvaardige vergelding voor hun verharding, a) omdat Ik hen in Mijnen Zoon geroepen heb (Luk. 19:44), en niemand antwoordde, Ik gesproken heb, en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijne ogen, en verkoren hetgeen, waartoe Ik genen lust had. (Hoofdstuk 65:12).
Spr 1:24. Jer. 7:13.
In het Hebr. Thaäloelehem. Beter: hun mishandelingen. De Heere zegt dan hier, dat dewijl zij, de onboetvaardigen Israël’s, Hem verlieten, ja met Hem den spot hadden gedreven, het kwade boven het goede verkoren hadden, zo zou Hij ook verkiezen, dat over hen mishandelingen kwamen, dagen van ongeluk. Onmiddellijk hierop wordt den ook van vreze gesproken.
Hoort daarentegen des HEREN woord, gij weinigen in Israël, die voor Zijn woord beeft, (vs. 2). Wat Ik zal laten komen, is voor u ene verlossing (Luk. 21:28). Uwe broeders en vrienden naar het vlees (Rom. 9:2), die u haten, die u verre afzonderen van de Israëlitische gemeente, daar zij u in den ban doen, om Mijns naam. wil (Luk. 6:22. (Joh. 16:2), bespotten, nu zij nog de macht in handen hebben, en zich voor de wettige bezitters van alle heilsgoederen van Israël houden, uw geloof in Christus Jezus; die zeggen: a) Dat de HEERE heerlijk wordt! Laat Hem, dien gij dient, Zijne grootheid tonen! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde 1) en u verheerlijken; zij daarentegen, die zich in het ongeloof verharden, zullen beschaamd worden met al hun macht en hun hoogmoedige inbeelding, daar zij zich noemen bewoners der heilige stad en trots zijn op den God van Israël (Hoofdstuk 48:2).
Jes. 5:19.
Beter: Dat de Heere heerlijk worde, dat wij zien mogen uwe vreugde. Het werkwoord verschijnen of zien staat toch in den grondtekst niet in den derden persoon enkelvoud, maar in den eersten persoon meervoud. Het is een spottend spreken van de vijandige en onrechtvaardige Joden, die niet naar het Woord des Heren, gelijk de gelovigen, willen luisteren, en nu spottend den Naam des Heren ontheiligen. Vandaar dat er ook onmiddellijk op volgt, dat zij beschaamd zullen worden, dewijl de Heere zeker zijn Naam zal heiligen, maar in strafoefening aan degenen, die Hem verachten. Hierop wijst het volgende vers.
Er zal eens stem van een groot rumoer der naderende legerscharen uit de stad zijn, wanneer de tijd komt, waarvan in Luk. 19:43 vv. sprake is, ene stem uit den tempel, die den nabijzijnden ondergang daarvan verkondigt, de stem des HEREN, die Zijnen vijanden, den ongelovigen Joden naar het vonnis Hoofdstuk 65:6 vv. de verdiensten vergeldt (vgl. de geschiedenis van Jeruzalems verwoesting bij Hand. 28:31). Een onontwikkeld landman, zo verhaalt Josefus in het zesde boek zijner geschiedenis van den Joodsen krijg (Hoofdstuk 5. _3), Jozua, of Jezus, zoon van Anani, kwam vier jaren vóór den oorlog (dus in het jaar 62 na C. dat ook overigens door vele gebeurtenissen in de Christelijk kerk gewichtig is, (zie het chronologisch overzicht bij Hand. 1:8), toen de stad zich nog in vollen vrede en in den besten welstand bevond, op het Loofhuttenfeest naar Jeruzalem, en begon plotseling te roepen: “Ene stem van het oosten, ene stem van het westen, ene stem van de vier winden, ene stem over Jeruzalem en den tempel, een stem over den bruidegom en de bruid, ene stem over het gehele volk!” zo riep hij, dag en nacht door alle straten heentrekkende. Enige aanzienlijke inwoners ergerden zich over den ongeluksprofeet, en kastijdden hem met slagen. Maar hij, zonder het minste ter verdediging of tegen hen te zeggen, die hem kastijdden, ging voort op dezelfde wijze als vroeger te roepen. De oversten der Joden hielden het voor ene bovenmenselijke ingeving en brachten den mens voor den Romeinsen landvoogd. Hier werd hij met roeden tot op het gebeente ontvleest-hij smeekte niet en weende niet, maar riep op een allerjammerlijksten toon bij iederen slag: “Wee! wee! over Jeruzalem. ” Toen Albinus (zo heette de landvoogd) hem vroeg, wie hij was en van waar en waarom hij zo riep, antwoordde hij geen woord, maar ging hij voort met zijn onheilspellend roepen over de stad, totdat Albinus hem voor krankzinnig verklaarde en wegzond. Tot aan het uitbarsten van den oorlog (in Mei 66 na C.) ging hij met niemand om, nooit zag men hem spreken, maar alsof het zijn gebed was klaagde hij dag aan dag: “Wee, wee over Jeruzalem!” Hij vloekte niet die hem sloegen, noch dankte die hem spijs toereikten. Zijn enig antwoord aan ieder was altijd de ongeluks-profetie. Zo liet hij zich 7 jaren en 5 maanden horen, zonder hees of moede te worden, totdat hij gedurende de belegering de vervulling zijner profetie zag; nu klonk zijn laatste woord. Toen hij eens met het geschreeuw: “wee, wee over de stad, over het volk en tempel, ” om de stadsmuren liep, voegde hij er plotseling bij: “Wee ook over mij!” Op hetzelfde ogenblik trof hem een steen, die geslingerd was en doodde hem op eens; zo gaf hij den geest onder het roepen van zijn “wee”.
Hebben deze spotters tot u gezegd: dat de Heere heerlijk worde! het zal in waarheid alzo zijn, zij zullen zien hoe heerlijk Hij is. Eer zij, de heilige stad Jeruzalem, barensnood had, voordat haar de geboorteweeën overkomen en al de angsten en verschrikkingen, die met den laatsten Joodsen oorlog over Jeruzalem losbarsten, heeft zij gebaard, daar ene heilige gemeente, de Christelijke kerk uit haar voorkomt; eer haar smart overkwam (denk aan de verhuizing der Christenen naar Pella, bij het uitbreken van den Joodsen krijg (Luk. 21:20 vv.), zo is zij van een knechtje verlost (denk hier aan Christus en die van de Joden in Hem geloofden: Hoofdst. 7:14; 11:1. Hand. 2:41; 4:4; 5:14 enz.).
Wie heeft ooit zulks gehoord, dat ene vrouw baarde vóór zij smarten had? wie heeft dergelijk gezien, dat zij van een zoon verlost werd, voordat de weeën over haar kwamen? Zou, om de hier bedoelde vrouw te noemen, een land kunnen geboren worden op een enigen dag? zou een volk kunnen geboren worden op ene enige reize? maar Zion, de geestelijke moeder der Nieuw Testamentische gemeente, heeft weeën gekregen, en zij heeft hare zonen gebaard.
Zulk een wonder van moederlijke scheppingsmacht kan Mijne heerlijkheid echter terecht doen openbaar worden. Zou Ik, zo dikwijls ene vrouw een kind ter wereld brengt, de baarmoeder openbreken, zodat, wat lang in den moederschoot verborgen lag en daar gevormd werd, zich nu vertoont, en niet genereren? Alzo zegt de HEERE, wiens kinderen toch eigenlijk de nieuwe, uit den Geest geborene Zionskinderen zijn, die dus hun vader en hun moeder te gelijk is (Joh. 1:13), zou Ik, die genereer, voortaan toesluiten, dat gene kinderen meer zouden worden geboren? zegt uw God, 2) o Zion, die door de prediking van het Evangelie zoveel zegen heeft gegeven, dat nu zovele kinderen tot u behoren, welke ene geheel nieuwe gemeente vormen.
Wanneer de Geest was uitgestort, en het Evangelie uit Zion ging, zouden er velen in een korten tijd bekeerd worden, en met weinige moeite in vergelijking met dat grote voortbrengsel. De Apostelen baarden, zelfs voordat zij weeën hadden, en de kinderen die Christus geboren werden, waren zo menigvuldig en zo schielijk en zo gemakkelijk voortgebracht, dat zij eer geleken naar den dauw uit de baarmoeder des dageraads, dan naar een zoon uit den schoot der moeder (Ps. 110. 3). De voortgang van het Evangelie was verbazend: dat licht verspreidde zich evenals de dageraad tot aan de einden der aarde. Steden en volken werden tegelijk voor Christus geboren. Op dienzelfden dag, toen de Geest was uitgestort, werden er drieduizend zielen tot de Kerk toegedaan. En toen dat heerlijk werk eens begonnen was, werd het wonderlijk voortgezet. Hij, die tot de geboorte bracht in de overtuiging der zonde, deed ook baren in een volkomen bekering tot God. Het wondere feit, dat Zion als op één dag weer door ene menigte van teruggekeerde Joden was bevolkt, waarop de Heere allereerst doelt, is dus profetie en schaduwbeeld van de geestelijke geboorte der Kerk des N. Verbonds.
Verblijdt u, gij nieuw geborenen! met Jeruzalem, de moedergemeente, die over uwe geboorte juicht! en verheugt u over haar, over die gelukkige moeder, al hare liefhebbers! weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest van wege haar diep verval (Hoofdst. 57:17. Ps. 102:14 vv.).
1) Opdat gij, daar Ik haar tot ene stad der zegeningen maak (Hoofdst. 62:9), moogt zuigen en verzadigd worden van de borsten harer vertroostingen 2) die zij zelf ondervindt (Hand. 3:20), en die zij u tot geestelijk voedsel aanbiedt, even als ene moeder hare rijkelijk met melk gevulde borst aan haar kind geeft, opdat gij moogt uitzuigen, met volke teugen moogt genieten van den zegen, dien zij kan schenken, en u verlusten met den glans harer heerlijkheid, die zij nu deelachtig is geworden.
De inhoud van deze beide verzen heeft aan den 4den Zondag in de vasten (Lactare d. i. verblijd u) den naam gegeven. Zijn introïtus is, daar hij tevens op Jes. 54:1 doelt en de woorden van onze plaats enigermate verandert: “Verblijd u, Jeruzalem! en komt allen te zamen, die haar liefhebt; verheugt u zeer, die over haar treurig geweest zijt. ” Deze introïtus bewijst, dat met dezen Zondag ene sterke omwending in de gedachte, welke het verloop van ‘t kerkjaar uitdrukt, gekomen is; want terwijl de vorige Zondagen (Invocavit tot Oculi) uit de diepte tot God hebben geroepen (Ps. 91:15 v. 25:6 en 22:15 v. roept nu deze tot heilige vreugde. Op de vorige Zondagen had de oude kerk het oog op de uitdrijving van den duivel uit de dopelingen; dit werk is nu volbracht, de katechumeen heeft boete gedaan en den duivel los gelaten; nu heeft op den Zondag Laetare de toewijding en verloving plaats. Die, welke den duivel ontrukt is, verbindt zich dan aan den Heere, en verlooft zijne ziel met den bruidegom der ziel. In de Katholieke kerk heeft de Zondag nog daardoor ene bijzondere betekenis, dat daarop de wijding geschiedt van de gouden roos, die als geschenk door den Roomsen stoel geschonken wordt aan zulke vorstelijke personen, van welke ene bijzondere bevordering van zijne belangen, bescherming en ondersteuning voor de kerk verkregen is. Bij het overreiken zegt dan de Paus: “De dubbele vreugde van Jeruzalem, van de strijdende en triomferende kerk, wordt door haar aangewezen, door welke ook aan allen Christen-gelovigen de schoonste bloem openbaar wordt, die de vreugde en kroon van alle heiligen is. ” Daarom heet ook die Zondag de rozen zondag. In Silezië draagt hij daarentegen den naam van Tod-zondag, omdat eens op dezen Zondag in het jaar 965 n. C. het heidense Silezië en Polen onder den hertog Micislaüs zijne afgoden (Tot = afgod) in ‘t water geworpen heeft, en daarop met groene takken naar huis ging, welke gewoonte, om met een groenen meitak den zomer tegemoet te gaan, tot op den tegenwoordigen dag bewaard is gebleven.
Onder de borsten der vertroostingen, hebben we te verstaan de goddelijke instellingen, alles wat met het Verbond der genade in verband staat. In die beloften en instellingen van het Verbond der genade zijn al de vertroostingen van het geestelijk Israël opgesloten en door geloof en gebed wordt men ze deelachtig. Wie in waarheid door het geloof die beloften aanvaardt en leert toepassen, zal ervaren, dat zij alleen maar ook zij volkomen vertroosting schenken aan het door schuld bezwaarde hart, aan den door schuld verbroken geest. Wie dit geniet zal de heerlijkheid Gods zien, zal de aanneming tot kinderen verkrijgen en met den glans der heerlijkheid Gods bestraald worden.
Want alzo zegt de HEERE over den troost, dien Hij aan Jeruzalem wil schenken (vs. 11): Ziet, Ik zal den vrede, het hoogste van alle geestelijke goederen (Joh. 14:27. Fil. 4:7) over haar uitstrekken als eens rivier, voordat die in ene overstromende, alles bevredigende mate aanwezig zij (Hoofdst. 48:18), en de heerlijkheid der Heidenen, al wat deze aan uitwendige goederen groots en heerlijks bezitten (Hoofdst. 61:6) als ene overlopende beek, zodat ook aan het tijdelijk geluk niets ontbreekt; dan zult gijlieden zuigen naar hartelust, gelijk een kind aan de borst der moeder; gij zult in vrede en rijkdom u baden (Hoofdst. 60:16); gij zult door de heidenen, die zich zullen beijveren om u alle denkbare tederheid te bewijzen (Hoofdst. 49:23), op de zijden, den arm of schouder (Hoofdst. 49:22; (60:4) gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden 1) even als men kinderen op den schoot neemt en liefkoost.
Met deze verzekering belooft de Heere God Zijn volk allen in- en uitwendigen vrede; alle geestelijk heil zou Hij over hen doen komen als een rivier, en allen glans en alle heerlijkheid als ene overlopende beek. De Heidenen zullen zich beijveren om u van het hun te geven, wat gij behoeft. Op den schouder, (want dit betekent op de zijden) zult gij gedragen, en op de knieën zult gij vriendelijk getroeteld worden, zegt de Heere hier. Hij wil daarmee zeggen dat al wat lieflijk is en al wat den groei en den bloei en de vreugde en het heil kan bevorderen, zal geschonken worden. Het Nieuw-Testamentische: Alles Oud-Testamentische taal tegen. is het uwe, klinkt hier der Gemeente in
Als een, die zijne moeder troost, alzo zal Ik u troosten, wanneer gij van den kinderlijken tot den mannelijken leeftijd zult gekomen zijn en gij gewaar wordt, dat u tot uwe volle zaligheid nog iets ontbreekt: ja gij zult te Jeruzalem getroost worden, wanneer gij, het volk van Zion, weer in die heilige stad zult wonen (Hoofdst. 30:19; 54:11 vv.). In vs. 10-12 wordt gesproken over den tijd der Christelijke kerk, waarin de gelovigen uit Israël als in het geestelijk Zion worden overgebracht om daar in Christus Jezus rijkelijk troost en vrede te genieten, en de heerlijkheid der heidenen deelachtig te worden, even als deze deel kregen aan hun geestelijke goederen (Rom. 15:27). Nu wendt zich de profetie tot nog grotere dingen, die in den laatsten tijd zouden geschieden. Zions kinderen, die uit Israël afkomstig zijn, zijn toch zo lang in den vreemde, als het uitwendige Jeruzalem door de heidenen vertreden wordt (Luk. 21:24). Totdat de tijd der heidenen vervuld zal zijn bevindt het zich als het ware in den vreemde, en met de smart, zo als Paulus die in Rom. 9:1 vv. uitspreekt, verenigt zich het heimwee naar het land der vaderen, naar het land des groten Konings. Daarom zegt nu het slot van het vers: “gij zult te Jeruzalem vertroost worden. ” (DÄCHSEL.
En gij zult het zien in welk ene heerlijkheid Ik Jeruzalem weer zal doen staan (Hoofdst. 60:1 vv.), en uw hart zal vrolijk zijn, en uwe beenderen zullen groenen als het tedere gras, daar ook uw uitwendige mens in verjongde kracht daar zal staan (Hoofdst. 58:11); dan zal de hand des HEEREN bekend worden aan Zijne knechten, hoe grote en heerlijke dingen Hij weet te scheppen en te geven, en Hij zal Zijnen vijanden gram worden 1) aan alle tegenstanders Zijner kerk Zijne gramschap tonen.
Aan de hand, d. i. de macht des Heeren wordt hier tweeërlei uitwerking toegeschreven. Zegenend, beschermend zal deze zich verheffen over Israël, maar verwoestend en vernietigend zal zij gekeerd zijn tegen Zijne en Israëls vijanden. In liefde zal zij heersen over Zijn volk, in toorn over Zijne vijanden. Dit laatste wordt verder uitgewerkt in het volgende vers.
Want, ziet de HEERE zal, wanneer de tijd daar is, dat Hij aan den Anti-christ een einde maakt (2 Thess. 2:8 vv. Openb. 19:11 vv.), met vuur komen, en Zijne wagenen, waarop de machten des verderfs, die Hem vergezellen, zich bevinden, zullen met zulk ene snelheid en met zulk een geraas komen als een wervelwind, om met grimmigheid Zijnen toorn hiertoe te wenden, Met vergelding te komen om de zonden Zijner tegenpartijders (2 Thess. 1:8 en Zijne schelding, de door Hem bedreigde gerichten, met vuurvlammen, die de tegenstanders zullen verteren.
Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE, wien alles onderworpen is en alle nachten ten dienste staan, in het recht treden met alle vlees, met alles onder de kinderen der mensen, wat vlees is en niet uit den Geest is geboren (Joh. 3:6. (Gen. 6:3), om allen, die God niet kennen, en het Evangelie ongehoorzaam zijn; en de verslagenen des HEEREN, die Hij met het zwaard ombrengt (Zef. 2:12), zullen vermenigvuldigd zullen velen zijn 1) tot een onnoembaar groot getal (Openbaring 19:21).
De Heere voorspelt hier, dat Hij in het gericht zal treden met alle vlees, d. i. met alle volk, niet alleen met de Heidenen, maar ook met Israël, d. i. met de massa, die verloren gaat, met dat Israël dat verworpen wordt, dewijl het naar Gods Woord geweigerd heeft te horen. In het volgende vers worden degenen nader aangeduid, over wie het gericht zal gaan. Met het vuur wordt gewezen op de verdervende natuurkrachten, met het zwaard op schrikkelijke gebeurtenissen in het leven der volkeren.
Daaronder zullen den ook zijn diegenen in Israël, die hun verkiezing nu geheel hebben verloochend en den heidenen in alle dingen zijn gelijk geworden, die zichzelven met de zorgvuldigste waarneming van alle gebruiken, waarmee men zich den afgoden toewijdt, heiligen, en zichzelven reinigen in, 1) of, voor de hoven achter een in het midden
dezelve. Daaronder zullen zijn allen, die nauwkeurig alles doen, wat de Heidense priesters hun voorschrijven en alzo op de gruwelijkste wijze tegen Gods wet handelen, zwijnenvlees eten (Hoofdstuk 65:4), en verfoeisel, als kreeften, aal, oesters enz. (Lev. 11:10), en muizen 3) (Lev. 11:29) te zamen, zonder dat een het verderf ontkomt, zullen zij verteerd worden, spreekt de HEERE, die iedere eigenwillige verbreking van de grenzen door de wet getekend, voor ene misdaad aanziet; alleen hij, die door den Zoon is vrij gemaakt, zal waarlijk vrij zijn (Joh. 7:36. (Gal. 5:1).
Beter: voor, in den zin van, ten behoeve van. Het heiligen ziet op het zich geestelijk heiligen en het reinigen heeft een fysische betekenis. Hier worden onder Israël bedoeld zij, die zich geheel met de heidenen vermengd hadden, het verbond met den Heere volkomen verbroken hadden, en daarom den Heere en Zijn dienst volkomen hadden losgelaten. De hoven zijn de plaatsen, waar de aanbidding en de dienst der afgoden plaats had. Wie onder dien ene in het midden te verstaan is, is niet uit te maken, gelijk ook hieronder reeds aangegeven wordt. Wij verenigen ons het liefst met hen, die menen, dat die ene is de hoofdleider van de heidense afgodsfeesten.
De Duitse tekst heeft hier: “de een hier, de ander daar; ” eigenlijk staat er: “die zich heiligen en reinigen in de gewijde bossen, ter eer van één in het midden. ” Onder dien “enen” wordt zeker een afgodsbeeld bedoeld. Zo geeft ook “Schmieder” in zijne aantekening als verbeterde lezing: “achter enen daar in het midden”, en voegt daarbij: “Het is duidelijk, dat met deze woorden de wijze der heidense reinigingen (lustrationes) aanschouwelijk wordt voorgesteld. Vermits wij evenwel den afgodendienst, die hier beschreven is, niet nauwkeurig kennen, zo is deze korte toespeling voor ons moeilijk te verstaan. Men stelle zich daarbij voor ene soort van processie, die enen voorganger volgt, om in het midden van enen hof, misschien in een bijzonder omheind gedeelte van den hof, plechtige wassing te ondergaan ter voorbereiding voor een afgodisch feest. ” Anderen willen, dat het woord “Achad”, hier door “één” vertaald, de naam zal zijn van een afgod, volgens sommigen den zonnegod.
Maimonides merkt aan, uit de boeken der Indiërs, die oude afgodendienaars waren, dat ze gewoon waren aan de zon (zijnde de afgod in dit vers bedoeld door het woord “Achad”) te offeren zeven vledermuizen en zeven muizen. Hier wordt bedoeld de glis esculentus; deze was bij Arabieren en Romeinen ene bijzondere lekkernij. Varro (De re rustica III, 15) verhaalt, hoe men voor hazel- of relmuizen gaarden gemaakt heeft, om ze aan te fokken, en hokken om ze vet te mesten; en Plinius getuigt (Hist. naat. VIII
, dat in de wetten, die nu en den tegen den overdaad in spijze gemaakt werden, het gebruik van relmuizen, van zekere soort van schelpvissen en van vreemde vogels verboden was.
Hun werken en hun gedachten, hoe zullen zij verijdeld worden! Het komt, de tijd zal zeker komen dat Ik vergaderen zal alle Heidenen en tongen. 1) Zij zullen zich verenigen in het dal Josafat en tegen Jeruzalem strijden (Joël 3:14); Ik zal dat in zoverre toelaten, dat zij zich inderdaad verzamelen, maar de uitslag zal ene geheel andere zijn, dan zij denken, en zij zullen komen, en zij zullen Mijne heerlijkheid zien in de ontzettende openbaring van macht, die de vijandige heidenen en verharde Joden (Zach. 14:14) vernietigt.
In het Hebr. Weanoki maäseehem oemachschebotheehen baäh. Letterlijk en beter: Ik, hun werken en hun gedachten, het zal komen, dat alle heidenen en tongen zullen vergaderd worden. Het eerste gedeelte van den zin staat derhalve elliptisch voor: Ik zal hun werken en hun gedachten verijdelen. De Heere spreekt dat kort af, in heiligen toorn. De heidenen en tongen, d. w. z. de volken in het algemeen en zij die eenzelfde taal spreken zullen zich vergaderen tegen het volk des Heren, tegen Jeruzalem, tegen Zion, maar de Heere zal niet alleen hun werken ongedaan maken maar al hun gedachten, die zwanger gaan van onheil tegen de heilige stad, verijdelen. Want zij zullen de heerlijkheid des Heren zien in de openbaring Zijner Almacht, die de vijanden vernietigt. Echter zal er alsdan ook nog een overblijfsel overgelaten worden, hetwelk aan het gericht zal ontkomen en de heerlijkheid Gods, zowel in de openbaring van Zijn toorn als in die van Zijne liefde zal verkondigen. Hierop wijst het volgende vers.
En Ik zal een teken aan hen, de tot op dien tijd ongelovig gebleven Joden, zetten, waaruit de Joden, die nog kunnen gered worden, den Messias van Israël zullen herkennen, zodat op eens het deksel van hun hart afvalt (2 Kor. 3:16. Rom. 11:23, 25 v.) vergelijk het teken, dat aan Saulus op zijnen weg naar Damascus werd gegeven (Hand. 9:3 vv.); en uit hen, die tengevolge van hun bekering nog op het laatste beslissende ogenblik het gericht (vs. 17 vv.) ontkomen zullen zijn, zal Ik als verkondiger van het Evangelie zenden tot de Heidenen naar Tarsis, in het westen van Europa (Hoofdstuk 60:9) en verder naar het werelddeel Amerika, naar Pul (Gen. 10:6. Jer. 46:9) en Lud (Gen. 10:13) naar de boogschutters in Afrika, naar Tubal aan de zuidoostkust der Zwarte zee (Gen. 10:2), naar oostelijk Azië, en Javan, westelijk Azië en oostelijk Europa, tot de ver gelegene eilanden van Australië, die Mijn gerucht niet gehoord hebben, die aan de ondernemingen (vs. 18) tegen Mij geen deel hebben genomen, noch Mijne heerlijkheid gezien hebben, omdat de prediking van het Evangelie nog niet tot hen was doorgedrongen; en zij zullen even als Paulus, die van een vervolger wonderbaar tot een Apostel is bekeerd, in dien laatsten tijd vóór het einde aller dingen, Mijne heerlijkheid onder de Heidenen verkondigen. Het kleine zendingswerk geschiedt, het grote moet nog geschieden, en het zal geschieden door Israël. God zal dit volk tot een volk van zendelingen maken, die de wereld zullen overstromen met geloof, gelijk zij nu doen met ongeloof. Heerlijke wereld, die wij verwachten en biddend, werkend wachten; want men moet niet stil zitten, neen, maar al het werk der Christelijke kerk is nog slechts een feest der eerstelingen, een Pinksterfeest; de zending van Israël zal het Loofhuttenfeest, het feest van den vollen oogst zijn. Is er niet een vroege en spade regen? De vroege regen is er, de spade zal komen. Nu liggen nog de volken op hunnen droesem; maar Israël zal de grote hefboom van alle volken zijn. Doch nu is het nog dood; het heeft alle zendingskracht verloren, omdat het Christus niet heeft. Zonder Christus kan Israël gelijk wij allen niets geestelijks of goddelijks doen, maar Christus zal het levend maken en dan zal het voor Hem even en voor Hem alleen. Zij, die zelf dus onderscheiden zijn door Gods genade, zullen afgezonden worden om anderen te nodigen om ook te komen en het voordeel van die genade te ontvangen. Zij, die de kracht der vooroordelen ontkomen, waardoor die natie in het algemeen in ongelovigheid gehouden wordt, zullen tot de Heidenen gezonden worden, om het Evangelie onder hen te brengen en aan alle creaturen te verkondigen. Hier zien wij dat zij, die zelf den toekomenden toorn ontvloden zijn, hun best zullen doen om anderen als een vuurhout uit het vuur te rukken.
En zij, de bekeerde heidenen, zullen al uwe aan Christus gelovig gewordene broeders en vrienden naar het vlees (Rom. 9:3 vv.) uit alle Heidenen, onder welke zij tot hiertoe verstrooid waren (Hoofdstuk 11:12; 60:4 vv. (Zef. 3:10), den HEERE ten spijsoffer, tot een lieflijk geschenk, brengen, op paarden en op wagens, en op rosbaren, overdekte wagens, en op muilen (2 Sam. 13:29 en op snelle lopers, dromedarissen (Richt. 6:5) naar Mijnen heiligen berg toe, naar Jeruzalem 1) zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israël’s, zo lang de Oud-Testamentische eredienst nog duurt, het spijsoffer, dat op het altaar moet komen, als meel, gebak, eersteling-koren (Lev. 2:1 vv.) in een rein vat brengen ten huize des HEREN. 2)
Zie hier de gelukkige uitwerking van het gezantschap onder de heidenen; hun woorden vinden ingang, en zij komen niet alleen weer naar Jeruzalem terug; met zich brengen zij ene ganse schaar van nieuwe Godsvereerders, als een spijsoffer, naar Jehova’s huis op Zion. De tocht is aanzienlijk en verscheiden; sommigen komen op paarden, anderen op kamelen, of gelijk er eigenlijk staat, op draagzetels, waarin men zich zette, als men een kameel bereed; anderen op wagens, anderen op muilen, anderen op dromedarissen. Waarschijnlijk dient deze optelling, om ene aanzienlijke staatsie aan te duiden, of om te kennen te geven, ene menigte uit verschillende landen, daar men in sommige landen paarden en muilezels gebruikt, om zich te laten voeren.
Het spijsoffer zelf, zijn degenen, die uit de verstrooiing worden toegebracht, en zij die in het reine vat brengen zijn de Heidenen, die zelf als vaten der ere en der barmhartigheid (Rom. 9:23) zijn geheiligd. Waar door der Joden verwerping de Heidenen erfgenamen der belofte zijn geworden, daar zouden de Heidenen weer door God gebruikt worden om onder de Joden het Evangelie te verkondigen en hen toe brengen tot de gemeente, die zalig wordt.
En ook zal Ik, omdat in het meer uitgebreid geworden Jeruzalem (Hoofdstuk 54:2 v.) de geestelijke tempeldienst een veel groter personeel nodig heeft, dan ooit te voren, uit deze 1) bekeerde heidenen, die daardoor mede het algemeen priesterlijk karakter van Mijn volk hebben verkregen (Exod. 19:6. 1 Petrus 2:5 vv. enigen tot priesters en tot Levieten nemen 2) die in Mijn groot rijk met Israël dezelfde plaats zullen innemen, die in Hoofdstuk 61:6 is aangewezen, zegt de HEERE.
Tot hiertoe waren de Priesters en de Levieten alleen genomen uit de Joden en waren allen van een stam; maar in de Evangelie tijden zou God er uit de heidenen nemen, om de heilige dingen te bedienen, om het volk te leren en hen te zegenen in den naam des Heren en om de uitdelers van Gods verborgenheden te zijn, gelijk de Priesters en Levieten onder de wet waren.
De ambtelijke bediening van het Woord en van de Sacramenten is uit God. Ik zal nemen, zegt hier de Heere. Gelijk God, de Heere, onder de Wet den dienst van het heiligdom door de Priesters had ingesteld, zo zegt God de Heere hier, dat ook Hij zelf in de dagen der N. Bedeling het ambt van Bedienaar van het Woord zal instellen. Dat ambt zal echter niet beperkt blijven tot de Joden, maar ook uitgestrekt worden tot de heidenen.
Want gelijk als die a) nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik naar Mijn voornemen (Hoofdstuk 65:17) maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, als Mijne dienaren en lofredenaars Mijner heerlijkheid (1 (Kon. 10:8; 17:1. (Ps. 19:2), spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad, o Israël! en ulieder naam voor Mij staan. 1)
2 Petrus 3:13. Openbaring 21:1.
Aan het einde van zijne Profetieën wijst de Profeet, en de Heere door den Profeet, nog eenmaal op de volkomen heerlijkheid, die komen zal. De nieuwe aarde en de nieuwe hemel waren ja de verlossing uit Babel, en verder de geestelijke redding door Emmanuel, maar ook beeld en profetie van wat eenmaal volkomen zal komen. En gelijk die nieuwe hemel en die nieuwe aarde eeuwig zullen blijven, eeuwig zullen blijven staan en niet meer weggaan, alzo zal ook Israël’s zaad en Israël’s naam voor des Heren aangezicht blijven staan. Israël’s zaad en Israël’s naam is dan ook hier het zaad van het geestelijk Israël en de naam van het geestelijk Israël. De wereld der heidenen gaat voorbij, het vleselijk Israël gaat weg, maar al wie uit Israël en de volkeren door den Knecht des Heren is gered, zal blijven tot in eeuwigheid. De naam Israël heeft een blijvende, heeft een eeuwige betekenis. Gelijk de naam Jakob bleef aan gene zijde van den Jordaan en de naam Israël meeging over den Jordaan, zo zal het ook eenmaal zijn als de tijd der tijden is vervuld. De naam van de geestelijke, de worstelende, van de hinkende Jakob’s blijft hier, de naam van de overwinnende gelovigen gaat mede over dood en graf heen. Jakob is als het ware de naam van de strijdende Kerk, Israël die van de overwinnende.
En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, alle vlees de gehele menigte van hen, die uit alle volken in den nieuwen staat zijn opgenomen (Hoofdstuk 61:5), uit alle delen des lands naar Jeruzalem komen zal, om aan te bidden voor Mijn aangezicht 1) zegt de HEERE, zodat voortaan niet meer, gelijk in den tegenwoordigen toestand slechts driemalen des jaars (Exod. 13:14 vv.) ene heilige vergadering van het volk en den tempel plaats vindt, maar op iedere nieuwen maan, ja op iedere sabbatdag.
Dit is op de plechtige dagen van godsdienst en de feestdagen, die bijzonder aan den dienst van God zijn toegevoegd, hetwelk een manier van spreken is, die de Profeten destijds gebruikten, beschrijvende de dingen, die tot het geestelijk Israël behoren, met de namen der dingen, die tot het vleselijk Israël behoorden. (ENG. GODGELEERDEN). Kwam Israël driemaal des jaars op de grote feesten tot Jeruzalems tempel, hier wordt in de eerste plaats van de N. Bedeling gezegd, dat elke Sabbath, ja gedurig, de samenkomsten der gelovige zullen plaats hebben, dewijl de tempeldienst is afgeschaft en Christus Jezus zelf de tempel is, waarin alle gelovigen zullen samenkomen. Maar ook hier weer ziet de Profeet verder, spreekt hier in Oud-Testamentische taal van de hemelse en van de eeuwige dingen. Gelijk in de Openbaring van Johannes ook de hemelse dingen worden voorgesteld onder beelden aan de aardse bedeling ontleend, zo ook hier in de dagen des Ouden Verbonds.
En zij zullen 1), zo dikwijls zij weer bij het heiligdom geweest zijn en daar de zaligheid gesmaakt hebben, die hun in het nieuwe Jeruzalem bereid is, henen uitgaan, uit de poorten der stad zich naar huis begevende; en zij zullen steeds weer op nieuw in het dal van Josafat en het dal Hinnom, waardoor hun weg leidt (1 (Kon. 1:35), met een blij gevoel over Mijn rechtvaardig bestuur en over hun eigene redding de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben, en daarom in het gericht (vs. 15 vv.) zijn omgekomen; want hun worm, die deze lijken opeet, zal niet sterven, en hun vuur, dat hen verteert, zal niet uitgeblust worden, en zij, die lijken, die daar eeuwig door dien worm gegeten en door dat vuur verteerd worden, die gedoden des Heren (vs. 16) zullen alle vlees, waarvan in vs. 23 sprake was, ene afgrijzing wezen (Hoofdstuk 48:22).
Zij, die God vrezen, zullen henen uitgaan, en zullen de dode lichamen dergenen zien, die tegen Mij overtreden hebben, om hun eigen hart op te wekken tot de liefde van hunnen Verlosser, wanneer zij zien uit welke ellende zij verlost zijn. Gelijk het de ellende der verdoemden zal verzwaren anderen in het koninkrijk der hemelen te zien en zich zelve uitgedreven (Luk. 13:28), zo zal het ook de vreugde en heerlijkheid der godzaligen ophelderen te zien, wat van hen geworden is, die in hun overtredingen sterven, en het zal hun lof- en dankzegging nog hoger verheffen, als zij denken dat zij zelf als vuurbranden uit dien brand gerukt zijn. Tot eer van die vrije genade, die hen dus onderscheiden heeft, moeten de verlosten des Heren met alle nederigheid en niet zonder beven hun zegezangen opzingen. Hoe is het mogelijk, dat alle vlees, d. i. alle mensen van alle volken, in Jeruzalem en den tempel plaats vinden? en hoe kunnen lijken, terwijl zij verbranden, tegelijk door de wormen verknaagd worden? En hoe kunnen zij, zonder ooit voor ‘t menselijk oog te verdwijnen, een eindeloze buit der wormen en des vuurs zijn? De Profeet neemt door zijne eigene wijze van voorstelling de mogelijkheid weg, om zich het voorgestelde in letterlijken zin hier op aarde te denken; hij spreekt van hetgeen over het graf is, maar op ene wijze aan dit aardse ontleend. Wat hij voorzegt is niets anders, dan het nieuwe Jeruzalem der eeuwigheid en de eeuwige pijn der verdoemden; maar de wijze, waarop hij beide schildert, noodzaakt ons, uit het tegenwoordige, waarin hij zijne voorstellen kleedt, ons in het toekomstige te verplaatsen. In vs. 23 en 24 sluit de Profeet zijn Boek met de grote, met de finale tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de goddelozen. Zou er hier reeds een groot onderscheid zijn tussen het vleselijk Israël en de massa der heidenen, die den Christus zouden verwerpen en niet wilden dat Hij Koning over hen zou zijn, en het geestelijk Israël, zowel uit de Joden als uit de Heidenen, dat onderscheid zou doorgetrokken worden tot over de grenzen der eeuwigheid. Hier, bij het geestelijk Israël, een ongestoord, een voortdurend aanbidden van den Heere en daarom een eeuwig leven-het eeuwig leven is toch den Heere te kennen, te erkennen als zijn Heere-en daar, bij het vleselijk Israël en bij de degenen, die hun gelijk zouden zijn, een eeuwige dood, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust, een eeuwige afwezigheid van God en Zijnen hemel, en Zijnen dienst. Begon het Boek met een weeklagen over de zonde en den afval van het vleselijke Israël, maar was het desniettegenstaande, ja daarom vol van Goddelijke waarschuwingen en vermaningen aan de ene zijde, en van Goddelijke lokstemmen der liefde aan de andere zijde: het eindigt met het voorzeggen der toekomst van de godvrezenden en van de goddelozen. Voor de godvrezenden een heerlijke, voor de goddelozen een schrikkelijke. Het Evangelie van den Ouden dag is ook, gelijk het Evangelie van den Nieuwen in den grond der zaak hetzelfde Evangelie-een reuke des levens ten leven of een reuke des dode ten dode. SLOTWOORD OP HET BOEK JESAJA. Waar er velen zijn, onder de nieuwere uitleggers vooral, die het tweede gedeelte van dit profetische Boek aan een anderen Profeet, dan aan den zoon van Amos toeschrijven, achten we het niet overbodig, ook in deze editie op te nemen wat door wijlen Prof. Dr. A. Rutgers o. m. tot verdediging der echtheid is geschreven en wat o. i. nog immer wacht op degelijke weerlegging. “De eigenlijke hoofdzaak, ” zo schrijft hij, “waar het hier op aankomt, is het navolgende. Van den eersten bestrijder der echtheid dezer hoofdstukken af tot op den tegenwoordigen tijd, wordt telkens op nieuw als een sterk en onomstotelijk argument de volgende redenering bijgebracht. Men zegt: De Schrijver moet gedurende de Babylonische ballingschap te Babel geleefd hebben. Gewoonlijk toch wordt in deze 27 hoofdstukken het woord gericht tot de Joodse ballingen aldaar. Bovendien is de historische toestand, zo als hij hier voorkomt, uit- en inwendig, zodanig als hij te Babel in dien tijd werkelijk bestond. Er is in al deze hoofdstukken niets, dat op den leeftijd van Jesaja of op zijne woonplaats in Palestina wijst. Was de Schrijver Jesaja en leefde hij in Palestina, het moest toch wel hier of daar enigszins uitkomen. Al kon een schrijver zich met levendige verbeeldingskracht nu en dan in het tijdvak der ballingschap verplaatsen, ondenkbaar is het, dat zijn werkelijke leeftijd, indien deze vóór de Babylonische ballingschap viel, in zeven en twintig hoofdstukken nergens zou doorschemeren. Ziedaar het telkens herhaalde argument. Vooreerst moet wel hierop worden aangemerkt, dat bij de uitwerking van dat betoog, door allen, die daarvan gebruik maken, twee zaken verward worden, die men nauwkeurig behoort te onderscheiden. Door die verwarring ontstaat ene valse redenering en onwaar besluit. Men behoort wel te onderscheiden den toestand, die geprofeteerd wordt, van den toestand, die rechtstreeks of zijdelings wordt beschreven. Tot den toestand, die geprofeteerd wordt, behoorden niet meer dan vier onderwerpen. Het zijn de verwoesting van stad en tempel, de verlossing en terugkeer des volks, de redding door Cyrus, de komst van den Messias. Wat buiten deze profetieën in het tweede deel geschreven staat, de gebeurtenissen, beschouwingen, beelden, voorstellen, inkleding enz. dit alles behoort tot den historischen toestand, waaruit een besluit tot den leeftijd en de woonplaats van den Schrijver moet worden getrokken. Bij onzen Schrijver wordt de zaak als reeds geschied voorgesteld. Het land is verwoest, zegt hij; en niet: het zal verwoest worden, enz. Dit is intussen ene zwarigheid, die alleen van gewicht is voor hen, die met de Hebreeuwse grammatica en constructie en met de schrijfwijze der Profeten niet bekend zijn. De Hebreeuwse profeten, al spreken zij van de toekomstige zaken, verplaatsen zich niet zelden met hun gedachten zozeer midden in de dingen, die zij vermelden, dat zij daarvan spreken alsof ze nu geschieden, of die voorstellen en afschilderen alsof ze reeds voleindigd waren. Zo zegt Roorda terecht in zijne grammatica 359. En wil men een voorbeeld, den wijs ik op het eerste aldaar aangehaalde Jes. 9:1-5; waar ook het eerste vers in het Hebreeuws het perfectum heeft, en in overeenstemming met de volgende verzen, letterlijk luidt: “Het volk, dat in duisternis wandelt heeft een groot licht gezien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over deze heeft een licht geschenen, ” en zo verder tot vers 5, “een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven enz. ” en dat wel, ofschoon er klaarblijkelijk van de verre toekomst, van den tijd van Messias gesproken wordt. Zo als nu Jesaja in Hoofdstuk 9 zich verplaatst in den tijd, waarin het licht reeds gezien, en het kind reeds geboren is, zo doet hij het ook in de laatste hoofdstukken. Hij verplaatst zich in den tijd dat Jeruzalem verwoest is. De Auteur van de 27 laatste hoofdstukken van Jesaja is te huis in de geschiedenis. Onderscheidene gebeurtenissen, van den oudsten tijd af, vermeldt hij meermalen als in het voorbijgaan, en ontleent daaraan zijne beelden, en gebruikt die om de gebeurtenissen van zijn eigen tijd te levendiger voor te stellen. Dat doet Jesaja in de weinige hoofdstukken, die aan geen tegenspraak onderworpen zijn. Dat doet de Auteur van de laatste hoofdstukken op dezelfde wijze. Ook met den bijzonderen historischen toestand van vreemde volken, zo als die ten tijde van Jesaja was, is deze auteur goed bekend. Maar wat hij van geschiedenis geweten of vermeld moge hebben, de geschiedenis van Babel tijdens de ballingschap der Joden aldaar kende hij niet. Ik spreek nu niet van het gehele stilzwijgen van dezen auteur aangaande den politieken toestand, het staats-bestuur, de verschillende regeringsposten en betrekkingen, de personen, die deze ambten bekleedden, den toestand der Joden met betrekking tot de Overheid, hun levenswijze, middelen van bestaan enz. Evenmin wil ik nu met nadruk er op wijzen, dat hij Daniël niet schijnt gekend te hebben, ofschoon deze meermalen door diens tijdgenoot Ezechiël (wiens woonplaats onderscheidene dagen reizens van Babel verwijderd was) met de hoogste onderscheiding genoemd wordt; dat hij ook Daniël’s vrienden, die de aanzienlijkste ambten bekleed hebben, met stilzwijgen voorbij gaat. Zelfs wil ik niet nadrukkelijk wijzen op de onverklaarbare en ongehoorde vergissing, waaraan hij, in Babel levende, zich schuldig zou hebben gemaakt in Hoofdstuk 57:9, 10. Hij bestraft daar de Joden, omdat zij met olie (kostelijk product van Kanaän) en andere geschenken gezanten zonden (N. B. zij de Joodse ballingen) naar een verwijderden koning d. i naar Egypte: men zie Hosea 12:2b en Jes. 30:2 en 31:1 vv. Ik laat dit alles onbesproken, ofschoon het in een schrijver, te Babel levende, niet met gezonde redenen kan worden goedgemaakt. Maar dat hij nooit de algemeen bekende en gewichtigste gebeurtenis van zijne jeugd en van zijn mannelijken leeftijd aangehaald, ja de allerbelangrijkste, pas voorgevallen omwenteling te Babel niet gekend heeft, dit is niet alleen vreemd, maar volstrekt ongelooflijk en ondenkbaar. Ik meen te mogen komen tot het besluit: die Schrijver heeft waarschijnlijk niet te Babel onder die Chaldeeuwse koningen, en niet na de revolutie onder den Babylonischen geleefd. Het is zeer moeilijk twee niet ver van elkaar verwijderde landen te vinden, die in uitwendig voorkomen der natuur, in aard en voortbrengselen meer van elkaar verschillen, dan het eigenlijke Babylonië en Palestina. Als wij dus een schrijver voor ons hebben, die op het land, zijn toestand en producten zeer opmerkzaam is geweest, en daaraan al zijne beelden en spreekwijzen ontleent (en van het begin tot het einde van het gehele boek van Jesaja is dit in ieder van de 66 hoofdstukken overal het geval), dan is het reeds a priori waarschijnlijk, dat ook hierdoor de landstreek, waarin de schrijver woonde, wel zal worden aangeduid. Hij moet door hetgeen hij daarvan telkens vermeldt óf verraden óf duidelijk aanwijzen, in welk van de twee landen hij geleefd en geschreven heeft. De uitkomst bevestigt op de stelligste wijze dit reeds op zichzelf waarschijnlijke vermoeden. Wat de eigennamen van steden en landen betreft, vinden wij hier terstond een opmerkelijk verschijnsel. Behalve Babel waren in dat land der vreemdelingschap vele grote en sterk bevolkte steden, waarvan meer dan ene in het gezicht of in de nabijheid van Babel lag. Geen enkele van deze wordt in deze 27 hoofdstukken genoemd. Er komt ook geen enkele eigennaam voor van enige Babylonische provincie, district, landstreek, vesting, dorp enz. hoegenaamd; ja de naam van Babel zelf komt in al deze 27 hoofdstukken niet meer den drie malen voor. Wel mag men dit vreemd heten, vooral wanneer men bedenkt, dat de naam van Babel bij alle Schrijvers, die omstreeks de Babylonische ballingschap leefden, zo als natuurlijk is, dikwijls voorkomt; bij Jeremia meer dan 160 malen! van Kanaän daarentegen worden niet alleen veelmalen Jeruzalem, Zion, de Libanon enz. maar ook minder bekende plaatsen genoemd, b. v. de vallei van Saron en die van Achor, Hoofdstuk 65:10. Waarom juist deze? Zeker niet, omdat zij zo algemeen bekend waren, de laatste althans niet. Maar het zijn de uiterste einden van het rijk van Juda, ten tijde van Jesaja! Achor in het Noord-oosten. Saron in het Westen en Zuid-westen. Saron wordt ook nog genoemd Jes. 33:9, 2 en het dal van Achor door Jesaja’s tijdgenoot, Hosea 2:17. In lateren tijd, na dien van Jesaja, wordt van Achor niet meer gesproken. Ook van al de volken, die rondom Babylonië woonden, wordt niet een enkel in deze 27 hoofdstukken genoemd. Daarentegen is Palestina’s omgeving steeds voor den geest van den Schrijver. De volken, die hij noemt, zijn die naburen van Judea, met wie men door politiek of handel te Jeruzalem bekend was. Het eigenlijke Babylonië, dat ten oosten en ten zuiden door den Tigris en den Eufraat werd begrensd, ten westen sedert de uitgebreide ontginningen en kunstmatige besproeiing door Nebukadnezar, zich een weinig verder dan den Eufraat uitbreidde tot aan de Arabische woestijn, en dat ten noorden tot aan Hit (Is) en het daar tegenover liggende Samarah zich uitstrekte, is geheel en al een laag alluviaal land. Noch tussen den Tigris en den Eufraat, noch tussen deze rivier en de Arabische woestijn is hier ergens berg of heuvel, rots of spelonk, dal of beek te vinden. Het is van natuur ene eentonige vlakte, alleen afgebroken door gegraven kanalen, die gedeeltelijk bestemd zijn tot verdediging des lands en voor de scheepvaart. Tot op geringen afstand van den Eufraat werden de landen telken jare overstroomd en daardoor vruchtbaar, maar overigens moest het vlakke land gedurende een groot gedeelte van het jaar door kunst worden bewaterd, en waar dit middel ontbrak, lag het land onbebouwd en onvruchtbaar, en was veelal met een soort van wormkruid bedekt. Het land, waarin de Schrijver der laatste 27 hoofdstukken leefde, en waaraan hij zijne beelden ontleende, is geheel het tegenovergestelde. Telkens spreekt hij van bergen en heuvelen, rotsen en rotskloven, bergwegen en spelonken, dalen en valleien, beken, bronnen en putten. Men zie Jes. 40:4, 9, 12, 15; 41:18; 42:15; 44:8; 48:21; 49:9, 11; 50:7; 52:7; 55:10, 12; 57:5, 6, 7; 58:14; 63:2, 14; 65:7, 10; 66:12, 20. Het karakteristieke van het landschap van Babel wordt nergens, zelfs niet met een enkel woord aangeduid noch daarop gedoeld. De natuur van het land, waaraan de Schrijver zijne beschrijvingen, beelden, gelijkenissen ontleent, is die van Judea. Tot den natuurlijken toestand van het land behoort ook de aanwezigheid of het gemis van stenen: Babylonië’s alluviale grond bezat die niet. Nergens worden hier op of onder den grond zachtere of hardere steensoorten gevonden. Noch voor het bouwen van vestingen, paleizen, huizen of tempels waren hier de elders overvloedige gewone stenen voorhanden, noch ook edelgesteenten voor kostbaren tooi. De Schrijver van Jesaja’s tweede deel daarentegen kent en vermeldt, zo van als een bewoner van Palestina verwacht mocht worden, het zand der zee en zijne steentjes, 48:19; de gladde stenen der beken, 57:6; de stenen op de wegen verspreid liggende, 62:10; de rotssteen (Palestina’s meest gewone steensoort) 44:8; 51:1; de harde kei- of vuursteen, 50:7 enz. Zo doet gewoonlijk een schrijver, die in een land woont, dat rijk is aan stenen; zo doet men niet in een land, waar muren en huizen enz. bij gebrek van het natuurlijk voortbrengsel met gebakken steen gebouwd worden, en dit kunstproduct noemt hij nooit, evenmin als de naftha, die aldaar ook voor brandstof diende, of petroleum, die te Babel in de lampen gebrand werd in plaats van olie. Hetzelfde verschijnsel openbaart zich als wij op de planten acht geven, die in Babylonië gevonden worden. Die landstreek is arm aan bomen. In de hoven werden wel onderscheidene soorten van vruchtbomen met zorg gekweekt, perziken, abrikozen, moerbeziën, kersen, appelen, enz. maar in de vrije natuur vond men slechts bossen van palmbomen en aan den rivierkant twee soorten van populieren en wilgen. Van al die soorten is in dit tweede deel geen enkele genoemd, behalve alleen de wilgen, 44:4; maar hier voegt de Schrijver er nog een woord aan toe, dat ons verbiedt aan Babylonische wilgen te denken, en dat ons naar Palestina en de wilgen aldaar henen leidt. Hij zegt toch “wilgen aan waterbeken. ” Daar die waterbeken in Babylonië niet te vinden zijn, maar in Palestina van de bergen en heuvels afstromen (zie b. v. Jes. 30:25), kan dit gene uitzondering op den algemenen regel genoemd worden. Hij noemt de Babylonische bomen niet. De bomen daarentegen, die in Palestina gevonden werden, vermeldt hij vaak genoeg. Hij noemt ceder, acacia, mirteboom, olijfboom, dennenboom, beuk, kleine ceder, cipres, pijnboom, elk, olm, vooral ook den wijnstok met zijne druiven, most en wijn. Men zie 41:19; 44:14; 51:22; 54:13; 57:5; 61:5; 62:8; 63:2; 65:8, 21 enz. Geheel in overeenstemming hiermede is het gebruik van hout. Had men in Babylonië hout genoeg voor huizen, meubels, brandstof, dan gebruikte men hiertoe volgens Strabo (XVI:1, _14) en Theophrastus (Hist. plant, II:7, 8) palmbomenhout. Onze Schrijver daarentegen laat den timmerman een cederboom of cipres, een eik of een pijnboom omhouwen en verwerken, en bij een deel van dat hout zijn brood bakken en zijn vlees braden en zich verwarmen, 44:13-16, en die bomen vond men in Babylonië niet. Hoe is het nu denkbaar, dat iemand, in Babel wonende, de bomen van het land, waarin hij woont, en hun gebruik nergens zou vermeld hebben, en die van een ander land op de aanschouwlijkste wijze voorgesteld en in groten getale genoemd? Niet anders is het gesteld met de veldvruchten. Bij allen, die dit land bewoond of bereisd hebben, is maar ene stem over de geheel buitengewone vruchtbaarheid van Babylonië. Herodotus, die nog al vele landen gezien had, betuigt (I. 193), dat van alle landen die hij gezien heeft, dit verreweg de grootste opbrengst van koren oplevert. De gewone vruchtbomen, vijgen, wijnstok, olijfbomen, zegt hij, ziet men hier niet, maar het koren geeft overal althans twee honderdvoudige en in sommige streken drie honderdvoudige vrucht. De bladeren, zelfs van de tarwe en gerst zijn 4 vingeren breed, en hoe hoog en groot de gierst en sesamplant hier wordt, wil hij niet opgeven, omdat zij, die deze landstreek niet gezien hebben, het geheel ongelooflijk zullen vinden. Van die zo geheel buitengewone opbrengst der veldvruchten spreekt de Schrijver niet, ofschoon de opmerking daarvan voor de hand lag en voor een Israëliet niet onbelangrijk zijn kon; hij doet dit niet eens daar, waar hij van de toekomstige welvaart en landelijken rijkdom des volks spreekt. Hij alleen zal dit dus niet opgemerkt hebben! Hij noemt trouwens ook niet ene plant die aan Babylonië bijzonder eigen is, maar wel specerij, riet, vlas enz. die in Palestina gevonden of verbouwd werden. Met de dieren heeft hetzelfde plaats. Ofschoon hij in deze hoofdstukken 25 soorten van dieren opnoemt, is er niet één onder, die aan Babylonië bijzonder eigen was. De roofdieren kon hij licht, in de stad wonende, niet gekend hebben; ofschoon hij toch wel de roofdieren van Palestina, den leeuw, den wolf, den beer, den sjakal en meer dan ene soort van slangen noemt; maar ik meen, dat hij, in Babel levende, wel moest vernomen hebben van de zeldzame dieren, in die landstreek te vinden, van den bever, den otter, het grote stekelvarken, alligator of van de fazanten, flamingo’s, pelikanen enz. en bovenal dat hij de dagelijkse en geliefkoosde spijs der Babyloniërs, de keurige vissen, wel eens zou hebben genoemd, n. l. karpers, brasems enz. die in zeer groot aantal dagelijks aldaar werden aangevoerd. Hij schijnt geheel onkundig te zijn van al wat daarvan in Babylonië gevonden werd. Een onderzoek naar de mededelingen van den Schrijver van Jesaja’s tweede deel omtrent den godsdienst van Babel ligt geheel op onzen weg. Het kan niet onbelangrijk zijn op te merken, wat de schrijver wist en vermeldde van de voorgangers in den eredienst, van de plaatsen aan den dienst der goden gewijd, en van die goden zelf. Deze drie hoofdpunten toch kon aan iemand, die te Babel leefde, niet onbekend zijn. Zien wij dan of de Schrijver die kende. Reeds langen tijd vóór de Babylonische ballingschap en vóór Jesaja’s leeftijd, had de afdeling der Chaldeeën te Babel zich toegewijd aan den eredienst. Het was hun werk den dienst waar te nemen in den tempel en aan de altaren, dromen uit te leggen, voortekenen te verklaren, uit de sterren de toekomst te voorzeggen, en op te geven hoe men door offeranden enz. dreigende gevaren zou kunnen afwenden; bovendien waren zij de geleerden en hebben door hun astronomische aantekeningen, in verband met de geschiedenis van Nabonassar af, het nageslacht aan zich verplicht. Deze wijzen, in bijzonderen zin Chaldeeën genoemd, en in bijzondere klassen verdeeld naar den aard hunner werkzaamheden, stonden bij de koningen der Chaldeeën en hun raadslieden in de hoogste achting, en werden door het volk met de hoogste onderscheiding en eerbied bejegend. Ook toen door de nationale omwenteling, bij den dood van Beltsazar, de overheersing der Chaldeeën te Babel voor altijd had opgehouden, bleven deze Chaldeeën hun voormalige functies uitoefenen, behielden hun invloed als uitleggers van den wil der goden en bleven als astrologen en geleerden onder hun tijdgenoten in ere. De schrijver dezer laatste hoofdstukken, die gezegd wordt 5, 10 of 15 jaren ongeveer voor het einde der Babylonische ballingschap, en dus na den politieken val der Chaldeeuwse overheersers geleefd te hebben, moest hen te Babel gekend hebben; maar hij weet van hen niets en zegt van hen niets. Bij hem is de naam Chaldeeën alleen de naam van het krijgszuchtige, overheersende volk. De plaatsen aan den dienst der goden gewijd, moesten ieders aandacht trekken door de geheel eigenaardige, op astrologie gegronde, constructie der tempels, en door hun rijkdom, grootte en pracht. De verwondering, ja verbazing van alle reizigers wordt nu nog gewekt door de genoegzaam bewaarde overblijfselen van den tempel van Nebo, te Borsippa bij Babel, door Nebukadnezar gebouwd, en dien ik als ophelderend voorbeeld hier meen te moeten vermelden, om de bijzondere constructie te doen uitkomen. In ene vierkante, door een muur ingesloten ruimte, stond de tempel boven op een pyramidaalvormigen toren of ontzaglijk groot en hoog gebouw, dat uit zeven, aan de 7 planeten gewijde terrassen bestond. Op een grondslag van gebakken steen was gelijkvloers gemetseld ene onderste of eerste terras of volkomen vierkant, waarvan iedere zijde ene lengte had van 272 voet; de hoogte van dit geheel uit gebakken steen dicht gemetseld vierkant is 26 voet. De buitenzijden zijn zwart gekleurd, de kleur van den planeet Saturnus. Op dit onderste vierkant was een tweede kleiner vierkant gebouw, ook van baksteen, welks zijden slechts 230 voet lang waren; de hoogte was weer 26 voet. De buitenzijden waren aangestreken met oranje, de kleur van den planeet Jupiter. Het daarop geplaatste vierkant van 188 voeten hoogte, was aan de buitenzijden hoog rood, de kleur van Mars. Het vierde vierkant van 146 voet en 26 voet hoogte was aan de zon geheiligd en aan de buitenzijden met goudplaten bekleed. Het vijfde van 104 voet en 15 voet hoogte was geel geverfd, de kleur van Venus. Het zesde van 62 voet en 15 voet hoogte was donkerblauw, de kleur van Mercurius. Het zevende of bovenste vierkant, welks vier zijden 20 voet lang waren en dat weer 15 voet hoogte had, was dat der Maan en met zilveren platen gedekt. Het gehele naar boven steeds kleiner wordende ondergebouw was dus ene dicht gemetselde massa, 150 voet hoog en werd langs de buitenzijden beklommen. De tempel, die hier boven op geplaatst was, is nu geheel vernield en verdwenen; en deze beschrijving dient hier nu dus alleen om de geheel eigenaardige constructie van het kostbaar en vaste ondergebouw der Babylonische tempels enigszins te doen uitkomen. Geheel overeenkomstig met den zo-even beschreven onderbouw, en dus met veel grotere dimensie der vierkanten, was de tempel van Bel te Babel. Het piramidaal vormig ondergebouw was hier niet minder den 480 voet hoog en op den top van deze torenhoge vierkante piramide was het heiligdom van Bel geplaatst, waarheen men langs de buitenzijden opklom. Ter halverwege was ene rustplaats. In dat hooggeplaatste heiligdom bevonden zich, volgens Diodorus Siculus (II 9 _55) vóór Babels verovering door de Perzen, drie kolossale gouden standbeelden van Bel, Hera of Beltis en Rhea of Ischtar. Voor het beeld van Beltis lagen 2 gouden leeuwen en 3 zilveren slangen, elk van 30 talenten gewichts. Ene grote gouden tafel, 40 voet lang en 15 voet breed, was vóór de 3 beelden geplaatst en daarop stonden twee enorme bekkens, elk 30 talenten zwaar, en bovendien 2 buitengemeen grote wierookvaten, 3 gouden kannen enz. Behalve dit heiligdom was er een tweede heiligdom aan den voet van het stenen grondgebouw. Hierin bevond zich, toen Herodotus Babel bezocht (1:183), een groot gouden beeld zittende op een gouden troon aan ene gouden tafel, en voor dit heiligdom twee altaren, het ene van goud; op het andere werd op het jaarlijkse feest wierook gebrand en wel een gewicht van niet minder den 1000 talenten. Zo als hij vernam, had Xerxes uit dezen tempel laten wegnemen een standbeeld van menselijke gedaante, dat 22 ellen hoog en van massief goud was enz. En nu vergelijke men eens met dezen luister en pracht, met deze zeldzame constructie en ten toon gespreiden rijkdom-de beschrijving van den eenvoudigen afgodendienst, zo als die in de laatste hoofdstukken van Jesaja voorkomt. Men moet den wel tot de conclusie komen: de armelijke toestand der afgoderij, die hier beschreven en bespot wordt, is klaarblijkelijk niet die aan Babel, maar die van Judea. Had de Schrijver al de Babylonische pracht met eigene ogen aanschouwd, hij zou dan niet ene beschrijving hebben gegeven, die in generlei opzicht daarop past; hij zou dien luister hebben vermeld en het nietige daarvan hebben aangetoond. Zo als het nu door hem geschiedt, is zijn betoog krachtig te Jeruzalem, maar het is geheel ongepast en zonder enige betekenis, als de schrijver te Babel in het gezicht van dien Bels-tempel en van vele andere niet minder kostbare en prachtig versierde tempels geschreven had. Ik ga dit nog een weinig nader toelichten. Vooreerst dan hebben wij te letten op de plaatsen, waar de afgoderij wordt uitgeoefend, die door onzen Schrijver bestraft wordt. Bij hem is nergens sprake van een kostbaren pyramidaalvormigen onderbouw en luisterrijken tempel, maar zij geschiedt, zo als dit duidelijk wordt aangetoond in Jes. 57:5-7, bij terpentijnbomen, onder alle groene bomen, zo als dit ook door Jesaja zelf van zijn leeftijd verklaard wordt in Jesaja 1:29; en ook in Hosea 4:13, enz. en verder aan de beken bij de kloven der steenrotsen, op hoge en verheven bergen. Bedenkt men nu, dat er in Babylonië gene terpentijnbomen, gene beken, gene steenrotsen, gene hoge bergen waren, en dat dit alles alleen in Kanaän gevonden wordt en in Jesaja’s tijd voor den afgodendienst gebruikt werd tot aan de regering van Josia, den kleinzoon van Hizkia, dan ziet men, dat de Schrijver niet de Joodse afgodendienaars te Babel bestraft en niet de afgoderij van Babel bestrijdt, maar die van Judea. Men moet den Schrijver voor krankzinnig houden, als hij de Joden te Babel van afgoderij beschuldigde, uitgeoefend op plaatsen, die niet eens in het land bestonden. Men heeft daartoe geen recht. Die bomen en de beken, steenrotsen en de bergen verklaren met luider stem, dat de Schrijver de Joden in Judea bestraft, dat hij niet te Babel maar in zijn vaderland leefde en schreef. In het voorbijgaan lette men nog op het slachten van kinderen ter ere der afgoden. Dat behoort ook tot de afgoderij der Joden in hun eigen land, waar dit zelfs en in de onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem, in het dal Hinnoms geschiedde. Het was ene overoude Fenicische of Kanaänietische afgoderij, die te Babel niet bestond. Aan Bel, Nebo enz. werden wel zooglammeren geofferd, maar gene kinderen. Die onmenselijke eredienst, die door de profeten terecht als de grootste gruwel bestraft werd, was tot Babel niet doorgedrongen; ook hieraan heeft Josia in Judea kort na Jesaja’s tijd een einde gemaakt. Ten tweede vergelijke men de kostbare massief gouden beelden en tempelgereedschappen en ornamenten bij die der afgoden, zoals onze Schrijver die aftekent. Hij beschrijft ze als tweeërlei soort. In Hoofdstuk 40:19 is het een gegoten beeld van onedel metaal, dat met goud slechts overtrokken wordt en geplaatst is in een houten tabernakel. In Hoofdstuk 44:13. wordt de andere soort genoemd, door een timmerman eenvoudig uit hout vervaardigd. Kan men zich in ernst verbeelden, dat de Schrijver dit in Babel schreef? Moest niet elk, die dit daar zo hoorde voorstellen, zijne onkunde en dwaasheid bespotten? Viel niet ene scherpe en onvergelijkelijk krachtige ironie op hem zelven terug? Gewis had elk te Babel het recht om de bespotting dier armelijke beelden te beantwoorden met de juiste opmerking: spreek dit tot hen, die aan zulke beelden eer bewijzen! wij vereren geheel anderen. Ga naar den tempel van Bel, en zie met eigen ogen den luister en de schitterende pracht van onzen eredienst! Ook wij kunnen niet anders oordelen. Het eenvoudige en betrekkelijk povere van de hier beschrevene beelden maakt, dat wij den Schrijver plaatsen moeten, niet bij Babels prachtige tempels en beelden, maar in Judea, waar zijne beschrijving geheel past. Eindelijk hebben wij nog onze aandacht te vestigen op de afgoden, die door den Schrijver in onze 27 hoofdstukken genoemd worden. Het zijn niet meer dan twee, en wel de allerbekendste, Bel en Nebo, Hoofdstuk 47:1. Dit zijn juist de twee godennamen, die op de belangrijkste inscriptie van den koning Sargon, Jesaja’s tijdgenoot, voorkomen. Door kooplieden, door het Assyrische leger, door het gezantschap aan Hizkia door Merodach Baladan toegezonden, door reizigers enz. konden deze in Midden-Azië vereerde afgoden licht in Judea bekend zijn. De Schrijver schijnt ook geen andere dan zeer oppervlakkige kennis daarvan te hebben. Over geen van beiden heeft hij iets karakteristieks, iets bepaalde gezegd; in het geheel niets dat van eigene, zij het ook maar oppervlakkige, aanschouwing van hunnen eredienst getuigt. Of die dienst samenhangt met de verering van natuurkrachten, van stervelingen, van vergode mensen, of uit angst of andere opgewekte hartstochten is voortgevloeid, kan men uit hem niet vernemen. Iemand te Babel wonende moest er meer van weten. Maar buitendien zou hij dan nog wel andere goden genoemd hebben. Jeremia noemt ook nog Hoofdstuk 51, Merodach. Dezen althans had onze Schrijver niet mogen of kunnen verzwijgen, als hij in den tijd, dien men aangeeft, te Babel gewoond had. Immers nevens Bel werd Merodach aldaar op het luisterrijkst vereerd en gediend, vooral sedert Nebukadnezar, wiens beschermgod hij was. Tot ons is gekomen ene allerbelangrijkste inscriptie van Nebukadnezar zelven, die te Londen bewaard wordt. Hij vermeldt daarin de grote en kostbare werken, die door hem verricht zijn. Hij noemt daar die goden, wier tempels te Babel of in andere steden van Babylonië, door hem gebouwd of versierd of met rijke geschenken begiftigd waren. Wat hierin te dezer plaatse van belang schijnt te zijn, is de hoge rang, die onder deze goden aan Merodach wordt toegekend door Nebukadnezar zelven. Hij noemt Merodach boven alle anderen met nadruk zijn Heer, den groten Opperheer, den eersten der goden, den steun zijner heerschappij, den koning des hemels en der aarde. Nebukadnezar (even als na hem Neriglissar) deed al wat in zijn vermogen was, om de eer van dezen zijnen beschermgod te verhogen en den luister van zijnen dienst te vermeerderen. Hij had den tempel van Bel aan Merodach’s dienst toegewijd. Is het den niet vreemd, dat onze Schrijver, die in Babel onder Nebukadnezar’s regering zou zijn opgegroeid en kort na hem zou geschreven hebben, daarvan geen kennis schijnt te dragen, dat hij, die zo vaak den afgodendienst bestrijdt en bestraft, van Bel en Nebo slechts de namen, en van de anderen afgoden, in ‘t bijzonder van den hoogvereerden Merodach, die tijdens de Babylonische ballingschap Babels hoogste godheid was, niet eens den naam vermeldt? Mij schijnt ook dit ene aanwijzing te zijn, dat wij hem niet te Babel moeten zoeken? waar ieder kind er meer van wist dan deze auteur bericht. Als wij nagaan wat uit het tweede deel van Jesaja blijkt van kennis, die de Schrijver dezer 27 Hoofdstukken draagt van de voorgangers in den Babylonischen eredienst, van de plaatsen, die aan den dienst der goden waren gewijd en van de goden zelf, den blijkt het zeer onwaarschijnlijk te zijn, dat de auteur in het laatste gedeelte der ballingschap te Babel geleefd zou hebben. Te Babel zou hij geleefd hebben! Indien er ene stad in de oudheid was, wier gehele enige grootheid en wonderen op ieder den diepsten indruk moesten maken, het was Babel. Midden door de stad liep de brede en snelstromende Eufraat, die, waar hij door de stad henenstroomde, door Nabopolassar met een aarden dijk was ingesloten, opdat de stad zelf voor overstroming zou beveiligd zijn. In de straks genoemde inscriptie geeft Nebukadnezar als een zijner belangrijkste werken op, dat hij aan weerskanten van de rivier ene kade van gebakken steen langs de oevers had gemetseld en op enigen afstand van het water aan beide zijden van die kade een sterken en zwaren muur had laten bouwen, tot insluiting van de rivier en tot bevestiging van de stad tegen vijanden, die misschien te eniger tijd met schepen en vlotten over den Eufraat mochten willen binnendringen. Van dien trotsen Eufraat en de werken daaraan gebouwd komt in Jesaja’s tweede deel niets voor; evenmin als van zijne woelige drukte en veelvuldige scheepvaart, op ene wijze uitgeoefend, die nergens elders op den aardbodem bestond, en die boven alle andere zeldzaamheden van Babel Herodotus verbazing opwekte. Onder de zeven wonderen der wereld, hebben de ouden met reden gerangschikt den voorbeeldeloos langen, hogen en dikken muur van Babel. Van dit verwonderlijk grote welk, dat door Nebukadnezar was uitgevoerd zeer kort vóór den tijd, waarin de Schrijver gezegd wordt geschreven te hebben, en dat in de gehele wereld zijns gelijken niet had, wordt geen woord gerept. Onder de hoogstverwonderlijke gebouwen te Babel moest ieders aandacht getrokken worden, behalve door den tempel van Bel, vooral ook door het grote paleis van Nebukadnezar. Binnen de stad een weinig ten zuiden van den tempel van Bel had hij een kanaal doen graven, dat water bracht in een groot reservoir of waterbekken midden in Babel uitgegraven, en van daar weer afvoerde naar den Eufraat. Hier was alzo een groot eiland binnen onze stad, aan de ene zijde begrensd door de grote rivier, aan de andere zijde door het kanaal met den groten vijver. Nebukadnezar zelf noemt dit op onder zijne belangrijkste en grote werken. Op dit aldus gevormde eiland lag onder anderen het grote paleis van den koning. Het was met drie muren van gebakken steen omgeven en de buitenste dezer drie muren had ene lengte van uren gaans. Al wat Oosterse pracht en weelde had kunnen uitvinden was hier verenigd. De koninklijke grootheid en de versiering der zalen was in overeenstemming met de kostbare gehouwen stenen, waaruit het paleis gebouwd was en met zijne hoogte en daar aan geëvenredigde breedte, als ook met de torens, die het versierden. Nebukadnezar zelf verheft zich op den bouw en het voorkomen van dit trotse gebouw. Daaraan grensden de hangende tuinen, die alle verbazing in de hoogste mate opwekten. Nergens elders heeft ooit iets zo buitengewoon bestaan. Onderscheidene reien van stevige pilaren droegen een gewelf van gehouwen steen, dat terrasgewijze al hoger en hoger opging en met vruchtbare aarde bedekt was, waarin niet alleen bloemen en heesters, maar zelfs opgaande bomen welig groeiden. Het water tot besproeiing van dezen kunsthof werd met vernuftig uitgevondene werktuigen tot de hoogte van meer dan 80 voet opgevoerd. Met de grootste zorg was het gehele gebouw behandeld. Opdat het water tot de onderliggende gehouwen stenen niet mocht doordringen, was deze bodem eerst met riet en aardpek bedekt, hierover was een dubbele laag van baksteen en gips gemetseld en daarover heen ene bedekking van loden platen gelegd. Deze hoge tuin was even verrukkelijk door den sierlijken aanleg, de aangename rustplaatsen en tuinhuizen, het vergezicht over de stad, de rivier in den omtrek en de keur van bloemen, planten en bomen, als verbazend door de grootsheid der uitvinding, de juistheid der uitvoering en de samenstelling van schoonheid met kolossalen bouw. De Grieken hebben ook deze hangende tuinen onder de zeven wonderen der wereld gerangschikt. Ik zwijg nu van het andere koningspaleis, van het paleis van Neriglissar, van den burcht, en van zo vele prachtige tempels en paleizen, als Babel binnen zijne muren bezat, maar zulke geheel enige werken, als daar waren, konden voorzeker de aandacht van de inwoners niet ontgaan. En toch, ook waar Babels val en verwoesting opzettelijk en in het brede wordt aangekondigd (Hoofdstuk 46 en 47), is het de weelderige en aanzienlijke handelsstad, zo als die bestond, vóór dat Nabopolasser en vooral Nebukadnezar daarin die wonderbare werken hadden gesticht; maar van dien muur zonder wedergade, van den tempel van Bel, van het grote paleis, van de hangende tuinen heeft onze Schrijver niets, in het geheel niets vermeld. Wel spreekt hij hier en daar of zinspeelt op Jeruzalems poorten en muren, op gewone huizen, met hun deuren, posten, slaapsteden enz. op tenten met hare gordijnen, koorden en pinnen, b. v. Hoofdstuk 44:13; 49:16; 57:2, 7; 58:7; 54:2; 60:10; 62:6; maar van de onvergelijkelijk grote en prachtige en schone gebouwen van Babel heeft hij niets. Kan men het den waarschijnlijk achten, dat de Schrijver aldaar gewoond heeft zonder die te zien, dat de opmerkzame schrijver, die aan allerlei zaken uit de natuur en kunst zijne beelden ontleent, hierdoor niet is getroffen geworden, en dat hij die met onverschilligheid is voorbijgegaan, dat de Schrijver zijne beelden en voorstellingen niet ontleend zou hebben aan de plaats, waar hij woonde en aan de verbazende voorwerpen, die hem omringden? Als wij al wat op de schrijfwijze betrekking heeft overzien: de hoofdverdeling, de onderverdeling, de rangschikking der onderwerpen, de zuivere, nauwkeurige, levendige en eigenaardige taal, de geheel bijzondere, en in die volkomenheid aan Jesaja alleen eigene uitdrukking, dan worden wij hierdoor op de krachtigste wijze gedrongen om het tweede gedeelte van dit Boek aan Jesaja toe te kennen, wiens stempel daarop gedrukt staat. Bij middelmatige schrijvers moge dit argument soms twijfelachtig kunnen zijn, maar niet bij den uitstekendsten stilist. Het is ondenkbaar, dat een onbekend man te Babel bij het verval der Hebreeuwse taal, tegen het einde der Babylonische ballingschap levende, den eersten meester in het schrijven zou hebben geëvenaard, en dat hij den stempel van Jesaja’s volkomenheid op zijn bedrieglijk samenstel kon hebben weten te drukken. De taal wijst meer op den leeftijd des Schrijvers, de stijl op zijne ontwikkeling. Mij is geen Israëliet van den ouden tijd bekend, die dit dubbele bedrog zou hebben kunnen volbrengen. Indien nu ook iemand edel genoeg ware, om als Jesaja te kunnen schrijven, hij zou niet tevens snood genoeg zijn om het te willen doen. Het bestaan van zodanige man zou een zielkundig raadsel zijn en een onbegrijpelijk wonderbaar verschijnsel, indien het gene loutere verdichting was, om dogmatische redenen uitgedacht. Het gedeelte van Jesaja, welks echtheid werd aangetoond, is gelijk andere als onecht verworpene boeken des O. T. niet een bloot letterkundig voortbrengsel, maar het is ook een gedeelte des Bijbels, der Heilige Schrift. Uit dat oogpunt verdedig ik het Boek niet, even min als ik andere boeken der Heilige Schrift doen zou. Ik steun daarop. Zij zijn mij dierbaar als een uitnemend Gods-geschenk. Zij zijn mij ontelbare malen tot opwekking en vertroosting, tot verlichting en versterking geweest. Waar het oog en het hart geopend is, daar is de goddelijkheid van Gods Woord even duidelijk, als voor een helderziende het licht der zon, die aan den hemel staat. Als Gods Woord door ons verstaan en gevoeld wordt, dan is de verdediging daarvan voor ons onnodig. De Heilige Schrift spreekt voor zich zelf en zal in ere en tot zegen zijn, als de tegenwoordige bestrijders met hun geschriften zullen zijn vergeten. “Het woord van onzen God blijft in eeuwigheid. ” Het is mij nu toch nog een dure plicht, om ongeoefenden en ongeleerden op één punt opmerkzaam te maken. Het is in het algemeen ene prijzenswaardige eigenschap van allen, die niet door eigenwaan verblind zijn, dat men waarde hecht aan het gevoelen van hen, die de wetenschap beoefenen, en een billijk verworven roem van kunde en geleerdheid verkregen hebben. Ook deze deugd van volgzaamheid en leerzaamheid mag intussen niet overdreven worden. Elke deugd, die overdreven wordt, verandert juist daardoor in ondeugd. En daar nu onderwerpen als het thans besprokene, ook behandeld worden bij en voor hen, die de bezwaren, tegen de Heilige Schrift ingebracht, niet kunnen beoordelen; zal het niet ongepast kunnen geacht worden, als ik de grenzen aanwijs, binnen welke de volgzaamheid aan geleerden te betonen, begrepen moet blijven. Met het oog dan ook op het nu behandelde Boek, wijs ik op het getuigenis van onzen Heere Jezus Christus. Hecht men waarde aan de uitspraak van geleerden en volgt men hun gezag, dit behoort te eindigen, waar Hij gesproken heeft. Hij is toch de Zoon van God; door Zijnen Geest hebben de Profeten gesproken; Hij is onze Zon, het Licht der wereld; “Hij is alleen de Meester; Hij is de waarheid; Hem heeft de Vader getuigenis gegeven, toen van den Hemel de stem gehoord werd: hoort Hem! Weg dan met een beroep op het gezag van geleerden, welken naam zij ook dragen, als zij van Hem verschillen. Wat met het getuigenis des Heren strijdt is onwaar. Dat dan wij, die in den naam van Christus zijn gedoopt, die beleden hebben in Zijnen naam te geloven, die naar Hem Christenen worden genoemd, en die door Hem eens zullen geoordeeld worden-dat wij nimmermeer het getuigenis des Heren smadelijk verwerpen. De wetenschap heeft grote waarde, maar eens zal het blijken, dat hij alleen wijs is geweest, die bij alle verkregene wetenschap in een eenvoudig kinderlijk gemoed het geloof in den Heere heeft behouden, en met een dankbaar hart heeft gewaardeerd en gebruikt, wat Gods oneindige liefde ons schonk. Bij hetgeen we van wijlen Prof. Dr. A. Rutgers hierboven overnamen, hebben we weinig te voegen. Het komt ook ons onverklaarbaar voor, hoe nog in ernst de leeftijd van den Schrijver tijdens de ballingschap kan geplaatst worden. Onderscheidene plaatsen toch wijzen er op, dat hij moet geleefd hebben vóór de verwoesting van Jeruzalem en vóór de ballingschap. Wij wijzen slechts op voorspellingen als voorkomen in Hoofdstuk 40:2, 9 in verband met Hoofdstuk 41:27 en 51:17. Wij wijzen op het zoeken van de gunst van vreemde heersers en de veroordeling daarvan (Hoofdstuk 57:9 en vlg.). In Hoofdstuk 52:4 wordt de verdrukking door de ASSYRIËRS, als de laatste, waarvan de Profeet weet, genoemd, en die gesteld tegenover die van Egypte. Hoe, vragen we, is dit mogelijk, indien de verwoesting van Jeruzalem al een lang bedongen feit was en Israël zuchtte onder den ijzeren scepter der Babylonische heersers? Dit wijst juist op den tijd van Jesaja, en kan alleen verklaard worden, indien niet een ander, maar de Schrijver van de eerste 39 hoofdstukken ook de Schrijver van de laatste 27 is. Het tweede gedeelte is de ontplooiing en de ontwikkeling van hetgeen in het eerste gedeelte reeds als in den knop aanwezig was. De Profeet weet door Goddelijke openbaring wat Israël wacht. En nu tot troost en bemoediging van het ware Israël, maar ook tot. vermaning en waarschuwing voor wat Israël wilde zijn en niet-Israël was, geeft de H. Geest hem te spreken, opdat daardoor bovenal de ere en de hoogheid Gods zou schitteren tegenover de nietigheid en het ijdele der afgoden; Opdat straks het volk Gods, het overblijfsel naar de verkiezing der genade, het zou weten, dat die God, die hen in de ellende der ballingschap had geleid, hen ook weer door Zijn machtigen arm had verlost; Opdat straks ook de Heidenen zouden weten, dat er maar één God is, de HEERE der heirscharen; Opdat tot aan de voleindiging der eeuwen alle Gods ingeleide kinderen uit dit heerlijk Boek troost en bemoediging zouden scheppen, ook te midden van de meest duistere lotsbedelingen, wetende, dat de God des Verbonds Zijn erfdeel nooit verlaat, de Onveranderlijke en Getrouwe is, die van geen wankelen weet of van bezwijken. Ook van dit gehele Boek, gelijk van al de Profetieën, geldt de vermaning des Apostels: En wij hebben het Profetische woord, dat zeer vast is; en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in ene duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten (2 Petrus 2:19).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel