Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Ik ben gevonden van hen, die naar Mij nietH3808 vraagdenH7592; Ik ben gevonden van degenen, die Mij nietH3808 zochtenH1245; tot het volkH1471, dat naarH413 Mijn NaamH8034 nietH3808 genoemdH7121 was, heb Ik gezegdH559: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.
Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.
Ook in dit vers
gevondenH1875
gevondenH4672
KJV
I am sought1
of them that asked3
not2
for me; I am found4
of them that sought6
me not:5
I said,7
Behold me, behold me, unto a nation11
that was not called13
by my name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik heb Mijn handenH3027 uitgebreidH6566, den gansenH3605 dagH3117 totH413 een wederstrevigH5637 volkH5971, die wandelenH1980 op een wegH1870, die nietH3808 goedH2896 is, naar hun eigen gedachtenH4284.
Ik heb Mijn handen uitgebreid, den gansen dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten.
KJV
I have spread out1
my hands2
all the day4
unto a rebellious7
people,6
which walketh8
in a way9
that was not good,11
after12
their own thoughts;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Een volkH5971, Mij geduriglijkH8548 tergendeH3707 in Mijn aangezichtH6440, in hovenH1593 offerendeH2076, en rokendeH6999 opH5921 tichelstenenH3843;
Een volk, Mij geduriglijk tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en rokende op tichelstenen;
KJV
A people1
that provoketh me to anger2
continually6
to my face;5
that sacrificeth7
in gardens,8
and burneth incense9
upon altars of brick;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ZittendeH3427 bij de gravenH6913, zo vernachtenH3885 zij bij degenen, die bewaardH5341 worden, etendeH398 zwijnenvleesH2386, en er is sapH4839 van gruwelijkeH6292 dingen in hun vatenH3627.
Zittende bij de graven, zo vernachten zij bij degenen, die bewaard worden, etende zwijnenvlees, en er is sap van gruwelijke dingen in hun vaten.
KJV
Which remain1
among the graves,2
and lodge4
in the monuments,3
which eat5
swine's7
flesh,6
and broth8
of abominable9
things is in their vessels;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Die daar zeggenH559: HoudH7126 u totH413 uzelven, en naakH5066 tot mij nietH408, wantH3588 ik ben heiligerH6942 dan gij. DezenH428 zijn een rookH6227 in Mijn neusH639, een vuurH784, den gansenH3605 dagH3117 brandendeH3344.
Die daar zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. Dezen zijn een rook in Mijn neus, een vuur, den gansen dag brandende.
KJV
Which say,1
Stand2
by thyself, come not near5
to me; for I am holier8
than thou. These are a smoke10
in my nose,11
a fire12
that burneth13
all the day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
ZietH2009, het is voor Mijn aangezichtH6440 geschrevenH3789; Ik zal nietH3808 zwijgenH2814, maarH3588 Ik zal vergeldenH7999, ja, in hun boezemH2436 zal Ik vergeldenH7999;
Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden;
KJV
Behold, it is written2
before3
me: I will not keep silence,5
but will recompense,8
even recompense9
into their bosom,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Uw ongerechtighedenH5771, en uwer vaderenH1 ongerechtighedenH5771 tegelijkH3162, zegtH559 de HEEREH3068, dieH834 gerooktH6999 hebben opH5921 de bergenH2022, en Mij smaadheid aangedaanH2778 hebben opH5921 de heuvelenH1389; daarom zal Ik hun vorigH7223 werkloonH6468 in hun boezemH2436 weder toemetenH4058.
Uw ongerechtigheden, en uwer vaderen ongerechtigheden tegelijk, zegt de HEERE, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weder toemeten.
KJV
Your iniquities,1
and the iniquities2
of your fathers3
together,4
saith5
the LORD,6
which have burned incense8
upon the mountains,10
and blasphemed13
me upon the hills:12
therefore will I measure14
their former16
work15
into their bosom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Alzo zegtH559 de HEEREH3068: Gelijk wanneer men mostH8492 in een bos druivenH811 vindtH4672, men zegtH559: VerderfH7843 ze niet, wantH3588 er is een zegenH1293 in; alzo zal Ik het omH4616 Mijner knechtenH5650 wilH6213 doen, dat Ik hen niet allenH3605 verderveH7843.
Alzo zegt de HEERE: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen verderve.
KJV
Thus saith2
the LORD,3
As the new wine6
is found5
in the cluster,7
and one saith,8
Destroy10
it not; for a blessing12
is in it: so will I do15
for my servants'17
sakes, that I may not destroy
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En Ik zal zaadH2233 uit JakobH3290 voortbrengenH3318, en uit JudaH3063 een erfbezitterH3423 van Mijn bergenH2022; en Mijn uitverkorenenH972 zullen het erfelijkH3423 bezitten, en Mijn knechtenH5650 zullen aldaarH8033 wonenH7931.
En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen aldaar wonen.
KJV
And I will bring forth1
a seed3
out of Jacob,2
and out of Judah4
an inheritor5
of my mountains:6
and mine elect8
shall inherit7
it, and my servants9
shall dwell
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En SaronH8289 zal tot een schaapskooiH5116 worden, en het dalH6010 van AchorH5911 tot een runderlegerH1241, voor Mijn volkH5971, datH834 Mij gezochtH1875 heeft.
En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft.
KJV
And Sharon2
shall be a fold3
of flocks,4
and the valley5
of Achor6
a place for the herds8
to lie down in,7
for my people9
that have sought
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Maar gij verlatersH5800 des HEERENH3068, gij vergetersH7913 van den bergH2022 Mijner heiligheidH6944, gij aanrichtersH6186 ener tafelH7979 voor die bendeH1409, en gij opvullersH4390 des dranksH4469 voor dat getalH4507!
Maar gij verlaters des HEEREN, gij vergeters van den berg Mijner heiligheid, gij aanrichters ener tafel voor die bende, en gij opvullers des dranks voor dat getal!
KJV
But ye are they that forsake2
the LORD,3
that forget4
my holy7
mountain,6
that prepare8
a table10
for that troop,9
and that furnish11
the drink offering13
unto that number.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Ik zal ulieden ook ten zwaardeH2719 tellenH4487, dat gij allenH3605 u ter slachtingH2874 zult krommenH3766, omdat Ik geroepenH7121 heb, maar gij hebt nietH3808 geantwoordH6030, Ik gesprokenH1696 heb, maar gij hebt nietH3808 gehoordH8085, maar hebt gedaanH6213, dat kwaadH7451 was in Mijn ogenH5869, en hebt verkorenH977 hetgeen, waaraan Ik geenH3808 lustH2654 heb.
Ik zal ulieden ook ten zwaarde tellen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar gij hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt verkoren hetgeen, waaraan Ik geen lust heb.
KJV
Therefore will I number1
you to the sword,3
and ye shall all bow down6
to the slaughter:5
because when I called,8
ye did not answer;10
when I spake,11
ye did not hear;13
but did14
evil15
before mine eyes,16
and did choose20
that wherein I delighted
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
DaaromH3651 zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069 alzo: ZietH2009, Mijn knechtenH5650 zullen etenH398, doch gijliedenH859 zult hongerenH7456; zietH2009, Mijn knechtenH5650 zullen drinkenH8354, doch gijliedenH859 zult dorstenH6770; zietH2009, Mijn knechtenH5650 zullen blijdeH8055 zijn, doch gijliedenH859 zult beschaamdH954 zijn.
Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn.
KJV
Therefore thus saith3
the Lord4
GOD,5
Behold, my servants7
shall eat,8
but ye shall be hungry:10
behold, my servants12
shall drink,13
but ye shall be thirsty:15
behold, my servants17
shall rejoice,18
but ye shall be ashamed:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
ZietH2009, Mijn knechtenH5650 zullen juichenH7442 van goederH2898 harteH3820, maar gijliedenH859 zult schreeuwenH6817 van weedomH3511 des hartenH3820, en van verbrekingH7667 des geestesH7307 zult gij huilenH3213.
Ziet, Mijn knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen.
KJV
Behold, my servants2
shall sing3
for joy4
of heart,5
but ye shall cry7
for sorrow8
of heart,9
and shall howl12
for vexation10
of spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En gijlieden zult uw naamH8034 Mijn uitverkorenenH972 tot een vervloekingH7621 latenH3240; en de HeereH136 HEEREH3069 zal ulieden dodenH4191, maar Zijn knechtenH5650 zal Hij met een anderen naamH8034 noemenH7121;
En gijlieden zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heere HEERE zal ulieden doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen;
KJV
And ye shall leave1
your name2
for a curse3
unto my chosen:4
for the Lord6
GOD7
shall slay5
thee, and call9
his servants8
by another11
name:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zodat, wie zich zegenenH1288 zal op aardeH776, dieH834 zal zich zegenenH1288 in den GodH430 der waarheidH543; en wie zal zwerenH7650 op aardeH776, die zal zwerenH7650 bij den GodH430 der waarheidH543, omdat de vorigeH7223 benauwdhedenH6869 zullen vergetenH7911 zijn, en omdatH3588 zij voor Mijn ogenH5869 verborgenH5641 zijn.
Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid; en wie zal zweren op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn.
KJV
That he who blesseth2
himself in the earth3
shall bless4
himself in the God5
of truth;6
and he that sweareth7
in the earth8
shall swear9
by the God10
of truth;11
because the former15
troubles14
are forgotten,13
and because they are hid17
from mine eyes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WantH3588 zietH2005, Ik schepH1254 nieuweH2319 hemelenH8064 en een nieuweH2319 aardeH776; en de vorigeH7223 dingen zullen nietH3808 meer gedachtH2142 worden, en zullen in het hartH3820 nietH3808 opkomenH5927.
Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen.
KJV
For, behold, I create3
new5
heavens4
and a new7
earth:6
and the former10
shall not be remembered,9
nor come12
into mind.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Maar weest gijlieden vrolijkH7797, en verheugtH1523 u totH5704 in der eeuwigheidH5703 in hetgeenH834 IkH589 schepH1254; wantH3588 zietH2005, Ik schepH1254 JeruzalemH3389 een verheugingH1525, en haar volkH5971 een vrolijkheidH4885.
Maar weest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid.
KJV
But be ye glad3
and rejoice4
for ever6
in that which I create:9
for, behold, I create12
Jerusalem14
a rejoicing,15
and her people16
a joy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En Ik zal Mij verheugenH1523 over JeruzalemH3389, en vrolijkH7797 zijn over Mijn volkH5971; en in haar zal nietH3808 meerH5750 gehoordH8085 worden de stemH6963 der weningH1065, noch de stemH6963 des geschreeuwsH2201.
En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws.
KJV
And I will rejoice1
in Jerusalem,2
and joy3
in my people:4
and the voice9
of weeping10
shall be no more heard6
in her, nor the voice11
of crying.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Van daarH8033 zal niet meerH5750 wezenH1961 een zuigelingH5764 van weinig dagenH3117, noch een oudH1121 man, dieH834 zijn dagenH3117 nietH3808 zal vervullenH4390; wantH3588 een jongelingH5288 zal stervenH4191, honderdH3967 jarenH8141 oudH1121 zijnde, maar een zondaarH2398, honderdH3967 jarenH8141 oudH2205 zijnde, zal vervloektH7043 worden.
Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.
KJV
There shall be no more thence an infant5
of days,6
nor an old man7
that hath not filled10
his days:12
for the child14
shall die18
an hundred16
years17
old;15
but the sinner19
being an hundred21
years22
old20
shall be accursed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En zij zullen huizenH1004 bouwenH1129 en bewonenH3427, en zij zullen wijngaardenH3754 plantenH5193, en derzelver vruchtH6529 etenH398.
En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten.
KJV
And they shall build1
houses,2
and inhabit3
them; and they shall plant4
vineyards,5
and eat6
the fruit
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Zij zullen nietH3808 bouwenH1129, dat het een anderH312 bewoneH3427; zij zullen nietH3808 plantenH5193, dat het een anderH312 eteH398, wantH3588 de dagenH3117 Mijns volksH5971 zullen zijn als de dagenH3117 eens boomsH6086, en Mijn uitverkorenenH972 zullen het werkH4639 hunner handenH3027 verslijtenH1086.
Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen Mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en Mijn uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten.
KJV
They shall not build,2
and another3
inhabit;4
they shall not plant,6
and another7
eat:8
for as the days10
of a tree11
are the days12
of my people,13
and mine elect17
shall long enjoy16
the work14
of their hands.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Zij zullen niet tevergeefsH7385 arbeidenH3021, nochH3808 barenH3205 ter verstoringH928; wantH3588 zij zijn het zaadH2233 der gezegendenH1288 des HEERENH3068, en hunH1992 nakomelingenH6631 metH854 hen.
Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des HEEREN, en hun nakomelingen met hen.
KJV
They shall not labour2
in vain,3
nor bring forth5
for trouble;6
for they are the seed8
of the blessed9
of the LORD,10
and their offspring
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En het zal geschiedenH1961, eerH2962 zij roepenH7121, zo zal IkH589 antwoordenH6030; terwijl zij nogH5750 sprekenH1696, zo zal IkH589 horenH8085.
En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.
KJV
And it shall come to pass, that before they call,3
I will answer;5
and while they are yet speaking,8
I will hear.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
De wolfH2061 en het lamH2924 zullen te zamenH259 weidenH7462, en de leeuwH738 zal stroH8401 etenH398 als een rundH1241, en stofH6083 zal de spijzeH3899 der slangH5175 zijn; zij zullen geen kwaadH7489 doen nochH3808 verdervenH7843 op Mijn gansenH3605 heiligenH6944 bergH2022 zegtH559 de HEEREH3068.
De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn gansen heiligen berg zegt de HEERE.
KJV
The wolf1
and the lamb2
shall feed3
together,4
and the lion5
shall eat7
straw8
like the bullock:6
and dust10
shall be the serpent's9
meat.11
They shall not hurt13
nor destroy15
in all my holy18
mountain,17
saith19
the LORD.
gevonden
Hebreeuws eigenlijk gezocht. Versta hierbij, en gevonden, gelijk er staat Rom. 10:20 . Dit spreekt de Heere, en het is ene profetie van de beroeping der heidenen en de verwerping de Joden. Zie deze manier van spreken, te weten zoeken voor zoeken en vinden, Pred. 3:6 , en vergelijk Gen. 12:15 .
Hertaald:
gevonden
Hebreeuws eigenlijk: gezocht. Vul hierbij aan: en gevonden, zoals er staat in Rom. 10:20. Dit spreekt de HEERE, en het is een profetie van de roeping van de heidenen en de verwerping van de Joden. Zie deze manier van spreken, namelijk zoeken voor zoeken én vinden, in Pred. 3:6, en vergelijk Gen. 12:15.
die naar Mij
Hebreeuws, die niet vraagden.
Hertaald:
die naar Mij
Hebreeuws: die niet vroegen.
van degenen,
Dat is, van de heidenen, die vreemd waren van het burgerschap van Israël, enz. Zie Ef. 2:12 .
Hertaald:
van degenen,
Dat is: van de heidenen, die vreemd waren van het burgerschap van Israël, enzovoort. Zie Ef. 2:12.
het volk,
Versta hier ook de heidenen, die eertijds Gods volk niet genaamd werden. Zie Rom. 9:24-26 .
Hertaald:
het volk,
Versta hier ook de heidenen, die vroeger geen volk van God genoemd werden. Zie Rom. 9:24-26.
Ziet, hier ben Ik,
Dat is, ik bied mij tot uw bestaan, te weten in en door de predikatie van het heilig Evangelie.
Hertaald:
Ziet, hier ben Ik,
Dat is: Ik bied Mij aan om u bij te staan, namelijk in en door de prediking van het heilig Evangelie.
Mijn handen
Dat is, Ik heb de Joden door de predikatie der profeten, en daarna door de apostelen, steeds laten roepen en onderwijzen, maar zij hebben het niet ter harte genomen. Als de Heilige Schrift zegt dat de mensen de handen uitbreiden of uitspreiden, dat betekent bidden, gelijk Ex. 9:29 , en 1 Kon. 8:22 . Zie de aantekening aldaar. Maar als er gezegd wordt dat God prediken, gelijk hier en Spr. 1:24 , zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
Mijn handen
Dat is: Ik heb de Joden voortdurend laten roepen en onderwijzen, door de prediking van de profeten en daarna door de apostelen, maar zij hebben het niet ter harte genomen. Wanneer de Heilige Schrift zegt dat mensen de handen uitbreiden of uitspreiden, betekent dat bidden, zoals in Ex. 9:29 en 1 Kon. 8:22. Zie de aantekening daarbij. Maar wanneer er gezegd wordt dat God de handen uitbreidt, betekent dat prediken, zoals hier en in Spr. 1:24; zie de aantekening daarbij.
wederstrevig volk,
Zie Jes. 1:23 . De apostel Paulus, de Griekse overzetters volgende, heeft: tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk, en hij zegt dat dit tot Israël gesproken is, Rom. 10:21 .
Hertaald:
wederstrevig volk,
Zie Jes. 1:23. De apostel Paulus heeft, in navolging van de Griekse vertalers: tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk, en hij zegt dat dit tot Israël gesproken is, Rom. 10:21.
een weg,
Gelijk Ps. 36:5 . Het woord weg wordt somtijds in de Heilige Schrift gebruikt voor religie, gelijk Hand. 18:25-26 , en Hand. 22:4 .
Hertaald:
een weg,
Zoals in Ps. 36:5. Het woord weg wordt in de Heilige Schrift soms gebruikt voor godsdienst, zoals in Hand. 18:25-26 en Hand. 22:4.
naar hun eigen
Daar staat Ps. 94:11 , dat des mensen gedachten de ijdelheid zelve zijn. Zie ook Ps. 81:13 .
Hertaald:
naar hun eigen
In Ps. 94:11 staat dat de gedachten van de mens de ijdelheid zelf zijn. Zie ook Ps. 81:13.
Mij geduriglijk
Te weten door hunne afgoderij en gruwelen. Zie Deut. 32:16 .
Hertaald:
Mij geduriglijk
Namelijk: door hun afgoderij en gruwelen. Zie Deut. 32:16.
in Mijn aangezicht,
Dat is, openlijk, stoutelijk, onbeschaamd, het tegendeel van Gods verbod; Ex. 20:3 . Zie Job 1:11 .
Hertaald:
in Mijn aangezicht,
Dat is: openlijk, brutaal, onbeschaamd, in strijd met Gods verbod; Ex. 20:3. Zie Job 1:11.
in hoven
Te weten onder de groene bomen, naar de wijze der afgodendienaars. Zie Jes. 1:29 , en Jes. 66:17 .
Hertaald:
in hoven
Namelijk: onder de groene bomen, naar de gewoonte van de afgodendienaars. Zie Jes. 1:29 en Jes. 66:17.
op tichelstenen;
Dat is, op de afgodische altaren, die van tichelstenen gemaakt zijn, versmadende Gods gouden altaar, dat Salomo had laten maken, 1 Kon. 7:48 .
Hertaald:
op tichelstenen;
Dat is: op de afgodische altaren die van tichelstenen gemaakt zijn, terwijl zij Gods gouden altaar versmaadden dat Salomo had laten maken, 1 Kon. 7:48.
bij de graven,
Om de doden voor de levenden te vragen, Jes. 8:19 , hetwelk een gruwel is voor God; Deut. 8:11-12 . Zie Jes. 2:6 , Jes. 2:8 , Jes. 2:19 .
Hertaald:
bij de graven,
Om de doden voor de levenden te raadplegen, Jes. 8:19, wat voor God een gruwel is; Deut. 8:11-12. Zie Jes. 2:6, Jes. 2:8 en Jes. 2:19.
bij degenen,
Dat is, naar sommiger mening, bij de afgoden, of beelden der valse goden, die niet bewaarden, maar moesten bewaard en bewaakt worden, opdat zij niet zouden gestolen worden. Doch anderen verstaan het van de dode lichamen, die de zwarte kunstenaars plachten te bewaren, en bij nacht bij dezelve te blijven om hun wat af vragen. Anders: zo vernachten zij in woeste plaatsen, of in bewaarde begraafplaatsen.
Hertaald:
bij degenen,
Volgens sommigen is dit: bij de afgoden of beelden van de valse goden, die niet bewaarden maar zelf bewaard en bewaakt moesten worden opdat zij niet gestolen zouden worden. Maar anderen verstaan het van de dode lichamen die de zwarte kunstenaars plachten te bewaren en waarbij zij 's nachts bleven om hun iets te vragen. Anders: zo overnachten zij op woeste plaatsen, of in bewaakte begraafplaatsen.
etende
Tegen Gods uitdrukkelijk verbod [als zijnde onrein]; Lev. 11:7 ; Deut. 14:8 .
Hertaald:
etende
Tegen Gods uitdrukkelijke verbod, omdat het onrein is; Lev. 11:7 en Deut. 14:8.
sap
Dat is, sop van het vlees der verboden dieren, die den Heere een gruwel zijn als men ze eet. Anders: stukken van onrein, of stinkend, of verrot [vlees] is in hunne vaten. Zie de aantekening Lev. 7:18 . Doch men moet hier onder de bovenverhaalde gruwelen verstaan allerlei overtreding der wet Gods.
Hertaald:
sap
Dat is: sop van het vlees van de verboden dieren, die de HEERE een gruwel zijn wanneer men ze eet. Anders: stukken van onrein, of stinkend, of verrot vlees is in hun vaten. Zie de aantekening bij Lev. 7:18. Maar men moet onder de hierboven genoemde gruwelen allerlei overtreding van de wet van God verstaan.
zeggen
Te weten tot den profeet, die hen wil straffen en tot boete vermanen.
Hertaald:
zeggen
Namelijk: tot de profeet, die hen wil bestraffen en tot bekering vermanen.
Houd u tot uzelven,
Dat is, blijf van mij en nader mij niet, bekommer u met uzelven.
Hertaald:
Houd u tot uzelven,
Dat is: blijf van mij af en kom niet dichterbij, bemoei u met uzelf.
ik ben
Het zijn de woorden der pochers en schijnheiligen, anderen trotserende, als zeer heilige mannen zijnde, daar zij toch geheel onrein waren; zie Spr. 30:12 ; Luc. 18:11 ; Rom. 2:17 , enz.
Hertaald:
ik ben
Het zijn de woorden van de pochers en schijnheiligen, die anderen trotseren alsof zij zeer heilige mannen waren, terwijl zij toch volkomen onrein waren; zie Spr. 30:12, Luk. 18:11 en Rom. 2:17, enzovoort.
heiliger
Of, heilig, ten aanzien van u.
Hertaald:
heiliger
Of: heilig, in vergelijking met u.
zijn een rook
Dat is, zij zijn mij zeer bezwaarlijk, daarom zal Ik hen in mijnen toorn verdelgen. Anders: zij zijn een rook in mijnen toorn; dat is, zij verdienen een grote straf, die hun ook overkoemn zal in mijnen toorn. Alzo wordt rook voor grote straf genomen; Jes. 14:31 ; Openb. 18:9 , Openb. 18:18 , en Openb. 19:3 , en elders meer.
Hertaald:
zijn een rook
Dat is: zij zijn Mij zeer bezwaarlijk; daarom zal Ik hen in Mijn toorn verdelgen. Anders: zij zijn een rook in Mijn toorn — dat is: zij verdienen een grote straf, die hun ook in Mijn toorn zal overkomen. Zo wordt rook voor grote straf genomen; Jes. 14:31, Openb. 18:9, Openb. 18:18 en Openb. 19:3, en nog elders.
den gansen dag
Dat is, geduriglijk brandende. Zodat dit te verstaan is van het helse vuur, dat altoos brandt; Marc. 9:45-46 , Marc. 9:48 .
Hertaald:
den gansen dag
Dat is: voortdurend brandend. Zo moet dit verstaan worden van het helse vuur, dat altijd brandt; Mark. 9:45-46 en Mark. 9:48.
het
Te weten het afgodisch wezen der Joden, waarvan straks gesproken is.
Hertaald:
het
Namelijk: het afgodische wezen van de Joden, waarover zojuist gesproken is.
is voor Mijn aangezicht
Te weten opdat het niet vergeten worde; Ik zal het te zijner tijd wel straffen. Zie Ex. 17:14 ; Deut. 32:34 . Zie de aantekening aldaar en Jer. 17:1 .
Hertaald:
is voor Mijn aangezicht
Namelijk: opdat het niet vergeten wordt; Ik zal het te zijner tijd wel straffen. Zie Ex. 17:14 en Deut. 32:34. Zie de aantekening daarbij en Jer. 17:1.
Ik zal niet zwijgen,
Versta dit zwijgen niet zozeer van met woorden te zwijgen, als metterdaad zich stil te houden; gelijk Richt. 18:9 . Zie de aantekening aldaar; zie ook de aantekening 1 Kon. 22:3 .
Hertaald:
Ik zal niet zwijgen,
Versta dit zwijgen niet zozeer als zwijgen met woorden, maar als Zich metterdaad stilhouden, zoals in Richt. 18:9. Zie de aantekening daarbij; zie ook de aantekening bij 1 Kon. 22:3.
in hun boezem
Dat is overvloediglijk, met volle maat, gelijk Psa 79 , zie de aantekening Ps. 79:12 .
Hertaald:
in hun boezem
Dat is: overvloedig, met volle maat, zoals in Ps. 79; zie de aantekening bij Ps. 79:12.
Mij smaadheid
Of, gehoond hebben, te weten met hun valsen godsdienst. Zie Ps. 106:20-21 .
Hertaald:
Mij smaadheid
Of: gehoond hebben, namelijk met hun valse godsdienst. Zie Ps. 106:20-21.
zal Ik
Dat is, Ik zal hen straffen, gelijk zij wel verdiend hebben met mij tot toorn te verwekken.
Hertaald:
zal Ik
Dat is: Ik zal hen straffen zoals zij verdiend hebben door Mij tot toorn te verwekken.
hun vorig werkloon
Of, het eerste loon; te weten dat zij met hunne misdaden verdiend hebben. Zie Jes. 40:10 , en Jes. 62:11 .
Hertaald:
hun vorig werkloon
Of: het eerste loon, namelijk dat zij met hun misdaden verdiend hebben. Zie Jes. 40:10 en Jes. 62:11.
Gelijk
Hier geeft de Heere te kennen dat, gelijk wanneer iemand gezind is een wijnstok uit te roeien omdat hij geen goede vruchten draagt, nochtans denzelven verschoont als hij enige goede druiven aan denzelven vindt; alzo zal de Heere het kleine overblijfsel der Israëlieten sparen vanwege het klein getal zijner uitverkorenen; vergelijk hiermede Jes. 17:6 , en Rom. 11:5 .
Hertaald:
Gelijk
Hier geeft de HEERE te kennen dat, zoals iemand die van plan is een wijnstok uit te roeien omdat hij geen goede vruchten draagt hem toch spaart wanneer hij er enkele goede druiven aan vindt, zo ook de HEERE het kleine overblijfsel van de Isra«lieten zal sparen vanwege het kleine aantal van Zijn uitverkorenen; vergelijk hiermee Jes. 17:6 en Rom. 11:5.
niet,
Te weten de druif.
Hertaald:
niet,
Namelijk: de druif.
een zegen in;
Dat is, goede wijn, komende van den zegen des Heeren, en waarvoor Hij te zegenen, of te loven en te bedanken is.
Hertaald:
een zegen in;
Dat is: goede wijn, die van de zegen van de HEERE komt en waarvoor Hij te zegenen, te loven en te danken is.
om Mijner knechten
Dat is, om de godzaligen onder de Joden, die mij getrouwelijk dienen.
Hertaald:
om Mijner knechten
Dat is: omwille van de godzaligen onder de Joden, die Mij trouw dienen.
dat Ik hen
Dat is, dat Ik het ganse volk niet verderve. Anders: opdat Ik het niet alles verderve.
Hertaald:
dat Ik hen
Dat is: dat Ik het hele volk niet verderf. Anders: opdat Ik het niet alles verderf.
zaad uit Jakob
Dat is, enige weinigen, gelijk Rom. 9:29 ; zie Jes. 1:9 met de aantekening. De zin is: Ik zal mijne kerk vermenigvuldigen en zegenen.
Hertaald:
zaad uit Jakob
Dat is: enkele weinigen, zoals in Rom. 9:29; zie Jes. 1:9 met de aantekening. De betekenis is: Ik zal Mijn kerk vermenigvuldigen en zegenen.
voortbrengen,
Of, uitvoeren; te weten vooreerst uit de Babylonische gevangenschap, en daarna uit de geestelijke gevangenis des duivels.
Hertaald:
voortbrengen,
Of: uitvoeren, namelijk eerst uit de Babylonische gevangenschap en daarna uit de geestelijke gevangenis van de duivel.
een erfbezitter
Dat is, een klein hoopje, hetwelk de bergen bezit en bewoont.
Hertaald:
een erfbezitter
Dat is: een klein hoopje, dat de bergen bezit en bewoont.
van Mijn bergen;
Dat is, van het land Juda, hetwelk bergachtig is; de kerken of gemeenten der gelovigen, en daarna het rijk der hemelen, worden door het bergachtig land Kanaän, inzonderheid door den berg Zion, afgebeeld; zie Ezech. 36:1 , enz.
Hertaald:
van Mijn bergen;
Dat is: van het land Juda, dat bergachtig is. De kerken of gemeenten van de gelovigen, en daarna het Koninkrijk der hemelen, worden afgebeeld door het bergachtige land Kanaän en in het bijzonder door de berg Sion; zie Ezech. 36:1, enzovoort.
zullen het erfelijk
Te weten het land, gelijk Matt. 5:5 , of Jeruzalem; gelijk onder vs.19.
Hertaald:
zullen het erfelijk
Namelijk: het land, zoals in Matth. 5:5, of Jeruzalem, zoals hieronder in vers 19.
Saron
Dat is, hunne kudden zullen in vruchtbare plaatsen weiden; met welke woorden te kennen wordt gegeven de overvloed der zegeningen, die de kerk en een ieder lidmaat derzelve van God ontvangen zou. Want Saron was een vruchtbare en lustige vallei. Zie 1 Kron. 5:16 , en 1 Kron. 27:29 ; Hoogl. 2:1 ; Jes. 33:9 .
Hertaald:
Saron
Dat is: hun kudden zullen op vruchtbare plaatsen weiden. Met deze woorden wordt de overvloed van zegeningen te kennen gegeven die de kerk en ieder lid daarvan van God zou ontvangen. Want Saron was een vruchtbaar en lieflijk dal. Zie 1 Kron. 5:16 en 1 Kron. 27:29, Hoogl. 2:1 en Jes. 33:9.
het dal van Achor
Dit was ook een vruchtbaar dal, bij Jericho gelegen; zie Joz. 7:26 ; Hos. 2:14 .
Hertaald:
het dal van Achor
Dit was ook een vruchtbaar dal, gelegen bij Jericho; zie Joz. 7:26 en Hos. 2:14.
tot een runderleger,
Of, tot ene legerplaats der runderen, of tot ene plaats waar het vee nederliggen en rusten zal.
Hertaald:
tot een runderleger,
Of: tot een legerplaats voor de runderen, of tot een plaats waar het vee zal neerliggen en rusten.
gij vergeters
Of, gijlieden, die mijn heiligen berg vergeet, dat is mijn tempel en den waren godsdienst, die in mijn tempel behoorde geoefend te worden. Hij spreekt de ongelovige Joden aan. Zie Rom. 10:21 ; zie ook Ps. 106:21 .
Hertaald:
gij vergeters
Of: u die Mijn heilige berg vergeet, dat is: Mijn tempel en de ware godsdienst die in Mijn tempel beoefend behoorde te worden. Hij spreekt de ongelovige Joden aan. Zie Rom. 10:21; zie ook Ps. 106:21.
aanrichters
De zin is: Nadat gij uw afgodisch offer verricht heb, zo zet gij u aan de tafel en eet van zulke offeranden.
Hertaald:
aanrichters
De betekenis is: nadat u uw afgodische offer verricht hebt, zet u zich aan tafel en eet u van zulke offers.
bende,
Het Hebreeuwse woord betekent ene bende, een troep, een hoop, of heir; zie Gen. 30:11 ; enigen verstaan hier het heir des hemels, de zon, de maan en de sterren; vergelijk Jer. 7:18 , en Jer. 8:2 , en Jer. 19:13 . Anderen houden het woord Gad in den tekst, en verstaan daardoor de een Jupiter, de ander Mars, andere de fortuin, anderen de zon, anderen de ganse bende der valse goden.
Hertaald:
bende,
Het Hebreeuwse woord betekent een bende, een troep, een hoop of een leger; zie Gen. 30:11. Sommigen verstaan hier het heir van de hemel, de zon, de maan en de sterren; vergelijk Jer. 7:18, Jer. 8:2 en Jer. 19:13. Anderen behouden het woord Gad in de tekst en verstaan daaronder, de een Jupiter, de ander Mars, weer anderen het geluk, anderen de zon, en anderen de hele bende van de valse goden.
gij opvullers
Of, gij vermengers; gelijk Spr. 23:30 .
Hertaald:
gij opvullers
Of: u vermengers, zoals in Spr. 23:30.
voor dat getal
Dat is, ter ere der sterren, die in groten getale zijn. Hebreeuws, lameni. Dit behouden sommigen in den tekst, afsof het de naam van enigen afgod ware. Anderen nemen het voor een zeker getal van sterren bij elkander, en zetten het over: voorzoveel als men tellen kan; te weten aan zoveel afgoden als men zou kunnen tellen; dat is aan een zeer groot getal. Sommigen verstaan door dit woord de maan.
Hertaald:
voor dat getal
Dat is: ter ere van de sterren, die in groten getale zijn. Hebreeuws: lameni. Sommigen behouden dat in de tekst, alsof het de naam van een afgod was. Anderen vatten het op als een bepaald aantal sterren bij elkaar en vertalen het als: voor zoveel als men tellen kan, namelijk aan zoveel afgoden als men zou kunnen tellen, dat is: aan een zeer groot aantal. Sommigen verstaan onder dit woord de maan.
Ik zal ulieden
Of, welaan, Ik zal ulieden tellen, enz. Dit ziet op het woord getal, vs.11. De zin is: Welaan, dewijl gijlieden u verzondigt aan het getal, zo zal Ik u ook straffen met getal, en zovelen als Ik er aftel, zullen er met het zwaard omkomen.
Hertaald:
Ik zal ulieden
Of: welaan, Ik zal u tellen, enzovoort. Dit ziet op het woord getal in vers 11. De betekenis is: welaan, omdat u zich met het getal verzondigt, zal Ik u ook met getal straffen, en zovelen als Ik er aftel zullen door het zwaard omkomen.
zult krommen,
Dat is, gij zult moeten nederbukken en den hals uitstrekken voor degenen, die u doden zullen.
Hertaald:
zult krommen,
Dat is: u zult moeten neerbukken en de hals uitstrekken voor hen die u zullen doden.
geroepen heb,
Te weten door den mond mijner profeten, door welken Ik u mijnen wil heb laten verkondigen. Vergelijk hiermede Spr. 1:24 ; Jer. 7:13 , Jer. 7:27 ; Jes. 66:4 , en Matt. 23:34 .
Hertaald:
geroepen heb,
Namelijk: door de mond van Mijn profeten, door wie Ik u Mijn wil heb laten verkondigen. Vergelijk hiermee Spr. 1:24, Jer. 7:13 en Jer. 7:27, en Jes. 66:4 en Matth. 23:34.
zullen eten . . . zullen drinken
Versta hier door eten en drinken het genieten der goede gaven Gods. Zie Ps. 36:9 ; zie ook Lev. 26:10 .
Hertaald:
zullen eten . . . zullen drinken
Versta onder eten en drinken hier het genieten van de goede gaven van God. Zie Ps. 36:9; zie ook Lev. 26:10.
van goeder harte,
Hebreeuws, van goedheid des harten; dat is van vrolijkheid. Zie Richt. 16:25 .
Hertaald:
van goeder harte,
Hebreeuws: van goedheid van het hart — dat is: van vrolijkheid. Zie Richt. 16:25.
tot een vervloeking
Of, tot een eed. Dikwijls werden de eden gedaan met kwaadwensing, of met vervloeking. Num. 5:21 staat, een eed der vervloeking, zie de aantekening aldaar. Het formulier van zulke eedvervloekingen was: de Heere stelle u als dezen of dien; gelijk te zien is Jer. 29:22 ; dat is, op u moeten komen die plagen en vervloekingen, die op dezen of dien gevallen zijn door Gods rechtvaardig oordeel. Zie integendeel het formulier van zegening bij dezen of dien, Gen. 48:20 .
Hertaald:
tot een vervloeking
Of: tot een eed. Vaak werden de eden afgelegd met een kwaadwensing of vervloeking. In Num. 5:21 staat: een eed van de vervloeking; zie de aantekening daarbij. De formule van zulke eedvervloekingen was: de HEERE stelle u als deze of die, zoals te zien is in Jer. 29:22 — dat is: op u mogen die plagen en vervloekingen komen die door Gods rechtvaardig oordeel op deze of die gevallen zijn. Zie daartegenover de zegenformule met deze of die, Gen. 48:20.
ulieden doden,
Dat is, een ieder onder ulieden.
Hertaald:
ulieden doden,
Dat is: ieder van u.
een anderen naam
Dat is, zij zullen niet meer Israëlieten genoemd worden, maar Christenen, Hand. 11:26 . Zie Gen. 32:28 ; ook betekent somtijds een nieuwe maan een nieuwen en beteren staat, gelijk Jes. 62:2 ; zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
een anderen naam
Dat is: zij zullen niet meer Isra«lieten genoemd worden, maar christenen, Hand. 11:26. Zie Gen. 32:28. Ook betekent een nieuwe naam soms een nieuwe en betere staat, zoals in Jes. 62:2; zie de aantekening daarbij.
wie zich
Dat is, wie zichzelven alles goeds, heil en welvaart zal toewensen; zie Deut. 29:19 .
Hertaald:
wie zich
Dat is: wie zichzelf al het goede, heil en welvaart zal toewensen; zie Deut. 29:19.
in den God . . . bij den God
Dat is, in den waren, of in den gewissen God; anders: in den God Amen, of in den God van Amen, waarbij verstaan wordt onze Heere Jezus Christus, die de waarachtige God en het eeuwige leven is, 1 Joh. 5:20 ; en Hij wordt Amen genoemd Openb. 3:14 , en in Hem zullen alle geslachten der aarde zichzelven zegenen; Gen. 22:18 .
Hertaald:
in den God . . . bij den God
Dat is: in de ware, of in de gewisse God. Anders: in de God Amen, of in de God van het Amen, waaronder onze Heere Jezus Christus verstaan wordt, Die de waarachtige God en het eeuwige leven is, 1 Joh. 5:20; en Hij wordt Amen genoemd in Openb. 3:14, en in Hem zullen alle geslachten van de aarde zichzelf zegenen; Gen. 22:18.
zweren zal op aarde,
Zweren is een deel van godsdienst. Zie Ps. 63:12 .
Hertaald:
zweren zal op aarde,
Zweren is een deel van de godsdienst. Zie Ps. 63:12.
de vorige
Dat is, zowel de ellenden, die mijn volk geleden heeft, als de oorzaken derzelve, te weten hunne zonden.
Hertaald:
de vorige
Dat is: zowel de ellenden die Mijn volk geleden heeft als de oorzaken daarvan, namelijk hun zonden.
Ik schep
Hebreeuws, Ik ben scheppende; dat is, Ik ben gereed om te scheppen; alzo ook vs.18. De zin is: Ik zal alles in Christus vernieuwen, of Ik zal den gehelen staat der kerk alzo vernieuwen en verbeteren, alsof ik een nieuwen hemel en een nieuwe aarde schiep. Dit is wel ten dele geschied in de eerste komst van Christus, door de predikatie van het heilig Evangelie en de werking van den Heiligen Geest, die den gelovigen van het Nieuwe Testament rijkelijk is medegedeeld geworden, maar het zal eerst volkomenlijk geschieden in de tweede toekomst des Heeren, als Hij zijne kerk in het hemelrijk opnemen zal; zie Jes. 66:22 ; 2 Petr. 3:13 ; Openb. 21:1 .
Hertaald:
Ik schep
Hebreeuws: Ik ben scheppende — dat is: Ik sta gereed om te scheppen; zo ook in vers 18. De betekenis is: Ik zal alles in Christus vernieuwen, of: Ik zal de hele staat van de kerk zo vernieuwen en verbeteren alsof Ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde schiep. Dit is ten dele gebeurd bij de eerste komst van Christus, door de prediking van het heilig Evangelie en de werking van de Heilige Geest, Die aan de gelovigen van het Nieuwe Testament rijkelijk meegedeeld is; maar het zal pas volkomen gebeuren bij de tweede komst van de Heere, wanneer Hij Zijn kerk in het hemelrijk zal opnemen; zie Jes. 66:22, 2 Petr. 3:13 en Openb. 21:1.
een nieuwe aarde;
Dat is, de aardse heidenen zullen als nieuw gemaakt worden door de beroeping tot de kennis van het heilig Evangelie; zie Ps. 97:1 , en Ps. 98:3-4 ; Openb. 21:2 .
Hertaald:
een nieuwe aarde;
Dat is: de aardse heidenen zullen als nieuw gemaakt worden door de roeping tot de kennis van het heilig Evangelie; zie Ps. 97:1 en Ps. 98:3-4, en Openb. 21:2.
in het hart
Dat is, in gedachtenis; zie de aantekening Jer. 3:16 , en Jer. 7:31 .
Hertaald:
in het hart
Dat is: in de herinnering; zie de aantekening bij Jer. 3:16 en Jer. 7:31.
in hetgeen
Of, [over] hetgeen Ik schep. Anders: verheugt u in der eeuwigheid, gijlieden die Ik nieuw schep; te weten in Christus Jezus. Zie Ps. 102:19 ; Ef. 2:10 .
Hertaald:
in hetgeen
Of: over wat Ik schep. Anders: verheugt u in eeuwigheid, u die Ik nieuw schep, namelijk in Christus Jezus. Zie Ps. 102:19 en Ef. 2:10.
Ik schep Jeruzalem
Dat is, Ik zal mijne kerk en alle ledematen derzelve met eeuwige en hemelse vreugde vervullen, want hier wordt gesproken van het hemelse Jeruzalem.
Hertaald:
Ik schep Jeruzalem
Dat is: Ik zal Mijn kerk en al haar leden met eeuwige en hemelse vreugde vervullen, want hier wordt gesproken over het hemelse Jeruzalem.
haar volk
Te weten van het volk der stad Jeruzalem.
Hertaald:
haar volk
Namelijk: van het volk van de stad Jeruzalem.
Ik zal Mij
Zie Jes. 62:5 .
Hertaald:
Ik zal Mij
Zie Jes. 62:5.
over
Dat is, vanwege. Vergelijk Deut. 28:63 .
Hertaald:
over
Dat is: vanwege. Vergelijk Deut. 28:63.
in haar
In Jeruzalem, te weten in het hemelse Jeruzalem.
Hertaald:
in haar
In Jeruzalem, namelijk in het hemelse Jeruzalem.
de stem der wening,
Want alle tranen zullen van hunne ogen afgewist worden. Zie Jes. 25:8 , en Jes. 30:19 ; Openb. 7:17 , en Openb. 21:4 .
Hertaald:
de stem der wening,
Want alle tranen zullen van hun ogen afgewist worden. Zie Jes. 25:8 en Jes. 30:19, en Openb. 7:17 en Openb. 21:4.
Van daar
Of, daaruit; te weten van of uit Jeruzalem.
Hertaald:
Van daar
Of: daaruit, namelijk uit Jeruzalem.
een zuigeling
Of, een zoogkind, gelijk Jes. 49:15 . Hebreeuws, een zuigeling der dagen; dat is, een jong kind, of een kind dat een jaar oud zijnde sterft; want dagen betekent somtijds een jaar; gelijk 1 Sam. 2:19 , waar staat het offer der dagen voor het jaarlijkse offer.
Hertaald:
een zuigeling
Of: een zoogkind, zoals in Jes. 49:15. Hebreeuws: een zuigeling van dagen — dat is: een jong kind, of een kind dat sterft wanneer het één jaar oud is; want dagen betekent soms een jaar, zoals in 1 Sam. 2:19, waar staat: het offer van de dagen, voor het jaarlijkse offer.
zijn dagen niet zal
Te weten die dagen, die tot een gemenen ouderdom behoren.
Hertaald:
zijn dagen niet zal
Namelijk: de dagen die bij een gewone ouderdom horen.
honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar,
hebreeuws, een honderd jaars zoon, of een zoon van honderd jaar. Zie de aantekening Gen. 5:32 . Alzo straks, een zondaar een zoon van honderd jaar. Wat nu den zin van Jes. 65:20 aangaat, die is geestelijk en schijnt deze te zijn: Die eeuw zal veel anders zijn dan nu; heden ten dage sterven er velen, nog kinderen zijnde; anderen wel enigermate oud zijnde, hetzij zestig of zeventig jaren, maar weinigen die hun vollen ouderdom beleven en tot hunne honderd jaren komen; maar alsdan zal het met den enen gaan als met den anderen, met de jongelingen als met de ouden, zij allen zullen hunne dagen vervullen. Dit bevestigt hij aldus: Want een jongeling honderd jaren oud zijnde, zal sterven; dat is, een kind zal geen kind sterven, maar het zal den vollen tijd van zijn leven vervullen; maar een zondaar van honderd jaren zal vervloekt worden; dat is, een kind zal in het rijk van Christus een gelukzalige volmaaktheid des levens verkrijgen; maar in het rijk der wereld zal een zondaar, als hij zal schijnen tot de volmaaktheid des levens gekomen te zijn, vervloekt wezen. Anderen nemen het en verklaren het aldus: Vandaar zal het niet meer wezen een zuigeling [of kindje] van dagen, noch een oud man, wiens dagen niet zullen vervuld worden; maar een zondaar van honderd jaren zal vervloekt zijn; dat is, hoe langer hij leven zal, hoe meer hij aan den vloek zal onderworpen zijn.
Hertaald:
honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar,
Hebreeuws: een zoon van honderd jaar. Zie de aantekening bij Gen. 5:32. Zo ook meteen daarna: een zondaar, een zoon van honderd jaar. Wat de betekenis van Jes. 65:20 betreft: die is geestelijk en lijkt deze te zijn. Die tijd zal heel anders zijn dan nu. Tegenwoordig sterven velen terwijl zij nog kind zijn; anderen worden wel enigszins oud, zestig of zeventig jaar, maar weinigen beleven hun volle ouderdom en komen tot hun honderd jaar. Maar dan zal het de een gaan als de ander, de jongeman als de oude; zij allen zullen hun dagen vervullen. Dat bevestigt hij zo: want een jongeman zal sterven wanneer hij honderd jaar oud is — dat is: een kind zal niet als kind sterven, maar het zal de volle tijd van zijn leven vervullen; maar een zondaar van honderd jaar zal vervloekt worden — dat is: een kind zal in het rijk van Christus een gelukzalige volmaaktheid van het leven verkrijgen, maar in het rijk van de wereld zal een zondaar vervloekt zijn juist wanneer hij tot de volmaaktheid van het leven gekomen lijkt te zijn. Anderen vatten het zo op en verklaren het zo: vandaar zal er niet meer een zuigeling of kindje van dagen zijn, en ook geen oude man wiens dagen niet vervuld zullen worden; maar een zondaar van honderd jaar zal vervloekt zijn — dat is: hoe langer hij leeft, hoe meer hij aan de vloek onderworpen zal zijn.
zij
Te weten mijne knechten, vs.13.
Hertaald:
zij
Namelijk: Mijn knechten, vers 13.
zullen huizen
Dat is, zij zullen met allerlei zegen Gods verheugd worden. Vergelijk Deut. 28:3 , enz., en Lev. 26:4 tot Lev. 26:13 . Doch onder den tijdelijken zegen, dien God in de wet belooft, moet men hier en elders den geestelijken en eeuwigen zegen verstaan.
Hertaald:
zullen huizen
Dat is: zij zullen met allerlei zegen van God verblijd worden. Vergelijk Deut. 28:3, enzovoort, en Lev. 26:4 tot Lev. 26:13. Maar onder de tijdelijke zegen die God in de wet belooft moet men hier en elders de geestelijke en eeuwige zegen verstaan.
Zij zullen niet bouwen,
Dit vs. geeft te kennen dat zij van die vloeken, die de wet den ongehoorzamen dreigt, Deut. 28:30 , zullen bevrijd zijn.
Hertaald:
Zij zullen niet bouwen,
Dit vers geeft te kennen dat zij bevrijd zullen zijn van de vloeken waarmee de wet de ongehoorzamen dreigt, Deut. 28:30.
als de dagen eens booms,
Dat is, stijf, vast, bestendig; zie Ps. 52:10 , en Ps. 92:13 .
Hertaald:
als de dagen eens booms,
Dat is: stevig, vast, bestendig; zie Ps. 52:10 en Ps. 92:13.
verslijten
Of, oud maken, of bestendig maken; dat is, zij zullen het lang genieten, dewijl zij lang zullen leven.
Hertaald:
verslijten
Of: oud maken, of bestendig maken — dat is: zij zullen het lang genieten, omdat zij lang zullen leven.
tevergeefs
Of, tot ijdelheid. Zie Lev. 26:16 tot Lev. 26:20 .
Hertaald:
tevergeefs
Of: tot ijdelheid. Zie Lev. 26:16 tot Lev. 26:20.
ter verstoring;
Alzo namelijk, dat hunne kinderen van de vijanden zouden omgebracht of gevankelijk weggevoerd worden. Zie Deut. 28:32 , tot Deut. 28:41 .
Hertaald:
ter verstoring;
En wel zo dat hun kinderen door de vijanden omgebracht of in gevangenschap weggevoerd zouden worden. Zie Deut. 28:32 tot Deut. 28:41.
want zij zijn
Of, maar zij zullen zijn.
Hertaald:
want zij zijn
Of: maar zij zullen zijn.
het zaad
Dat is, de kinderen.
Hertaald:
het zaad
Dat is: de kinderen.
hun nakomelingen met hen
Dat is, hunne kindskinderen. Zie Jes. 44:3 .
Hertaald:
hun nakomelingen met hen
Dat is: hun kleinkinderen. Zie Jes. 44:3.
eer zij roepen,
Want God weet wat wij van node hebben eer wij bidden; Matt. 6:8 . Zie Ps. 145:18 , en zie een exempel Gen. 24:15 .
Hertaald:
eer zij roepen,
Want God weet wat wij nodig hebben voordat wij bidden; Matth. 6:8. Zie Ps. 145:18, en zie een voorbeeld in Gen. 24:15.
De wolf
Dat is, de wrede boze mensen zullen veranderen en als kleine kinderen worden; zie Jes. 11:6-9 , en Matt. 18:3 .
Hertaald:
De wolf
Dat is: de wrede, boze mensen zullen veranderen en als kleine kinderen worden; zie Jes. 11:6-9 en Matth. 18:3.
te zamen weiden,
Hebreeuws, als een.
Hertaald:
te zamen weiden,
Hebreeuws: als één.
de leeuw
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een verscheurenden leeuw.
Hertaald:
de leeuw
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een verscheurende leeuw.
stof zal
De zin is: De slang zal in hare holen verborgen blijven en zal niemand schade zoeken te doen, maar zal tevreden zijn met stof te eten, gelijk God haar verordineerd heeft; Gen. 3:14 .
Hertaald:
stof zal
De betekenis is: de slang zal in haar holen verborgen blijven en zal niemand schade proberen te doen, maar zij zal tevreden zijn met stof te eten, zoals God het haar bestemd heeft; Gen. 3:14.
spijze
Hebreeuws, haar brood.
Hertaald:
spijze
Hebreeuws: haar brood. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik" (Jes. 65:1). Onmiddellijk daarna staat het andere: "Ik heb Mijn handen uitgebreid, den gansen dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten" (Jes. 65:2). Verderop wordt gezegd dat God niet alles verderft, met een beeld uit de wijnoogst: "Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in" (Jes. 65:8). Bijbelse betekenis: Merk op hoe de twee verzen zich verhouden. Er wordt gevonden door wie niet zocht, en er wordt geweigerd door wie geroepen werd; dat staat naast elkaar en wordt niet weggepraat. Let vervolgens op de houding die in Jes. 65:2 beschreven wordt. Uitgestrekte handen zijn een gebaar van nodiging, en er staat bij dat het de hele dag duurt. Wat God verweten wordt in tijden van zwijgen, wordt hier van Zijn kant getekend als voortdurend uitnodigen. Let ten slotte op het beeld van Jes. 65:8. Om enkele goede druiven wordt de hele tros gespaard. Dat is dezelfde lijn als bij het overblijfsel eerder in het boek (reeds behandeld bij Jes. 10:21). Typologie: Paulus haalt deze twee verzen achter elkaar aan en verdeelt ze. Het eerste past hij toe op de heidenen, die niet zochten en toch vonden; het tweede op Israël, tot wie God de hele dag Zijn handen uitstrekte (Rom. 10:20-21). Jes. 65:1-8; Jes. 10:21; Rom. 10:20-21 "Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen" (Jes. 65:17). Wat volgt is heel concreet. Er zal geen stem van geween meer gehoord worden (Jes. 65:19). Men zal huizen bouwen en er zelf in wonen, en wijngaarden planten en zelf de vrucht eten (Jes. 65:21-22). Het arbeiden zal niet tevergeefs zijn (Jes. 65:23). En het gebed wordt eerder gehoord dan gesproken: "eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen" (Jes. 65:24). Het gedeelte sluit met het beeld uit het begin van het boek: "De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund" (Jes. 65:25). Bijbelse betekenis: Merk op waaruit de zaligheid hier bestaat. Niet uit iets vreemds maar uit gewoon werk dat eindelijk klopt: wonen in wat men bouwde, eten van wat men plantte, en arbeid die niet vergeefs is. Wat hier beloofd wordt, is de omkering van alles wat de mens sinds Gen. 3 dwarszit. Let vervolgens op Jes. 65:20. Dat vers spreekt van sterven op hoge leeftijd, en dat past niet vanzelf bij een wereld waarin de dood voorbij is. Over de vraag hoe dit gedeelte zich verhoudt tot een tussentijd of tot de eeuwige staat, lopen de uitleggingen uiteen; het register kiest daarin geen kant, in lijn met wat het ook bij andere toekomstvragen doet. Let ten slotte op het slotvers. Het beeld van wolf en lam stond al aan het begin van het boek (reeds behandeld bij Jes. 11:6); het boek eindigt dus waar de belofte begon. Typologie: Petrus vat de verwachting samen: "wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont" (2 Petr. 3:13). En Johannes ziet het: "En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde" (Op. 21:1). Wat daar volgt over de tranen die afgewist worden, is in dit register al behandeld (reeds behandeld bij Op. 21:4). Jes. 65:17-25; Jes. 11:6; 2 Petr. 3:13; Op. 21:1; Op. 21:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking Het volk heeft in het vorige hoofdstuk gebeden of God de hemelen wilde scheuren en neerkomen. Dit hoofdstuk is Gods antwoord, en het begint niet waar men het verwacht: bij mensen die niet naar Hem vroegen. Waar alles verdorven lijkt, wordt één tros gespaard omdat er nog sap in zit — en daaruit komt zaad voort. De eerste twee verzen staan omgekeerd van wat men verwacht: “Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten.” En daartegenover: “Ik heb Mijn handen uitgebreid, den gansen dag tot een wederstrevig volk.” Paulus haalt beide verzen aan, en hij deelt ze zoals ze hier staan: het eerste past hij toe op de heidenen, het tweede op Israël. Wat Jesaja naast elkaar zette, blijkt eeuwen later precies zo uitgekomen. Het beeld dat volgt is dat van een wijngaard in de oogsttijd. Een tros ziet er verdroogd uit en men wil hem wegwerpen — en dan blijkt er nog most in te zitten. Dan zegt men: “Verderf ze niet, want er is een zegen in.” De kanttekening legt uit hoe dat bedoeld is: zoals iemand die een wijnstok wil uitroeien hem toch spaart als hij er nog goede druiven aan vindt, zo zal de HEERE het kleine overblijfsel sparen om Zijn uitverkorenen. Zij verwijst daarbij naar Romeinen 11. En dan de zin waar deze post om draait: “En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen.” Daar staat het woord van de hele lijn, en het staat er in de smalste vorm die het aankan. Het gaat niet over een volk maar over wat er van een volk overblijft. De kanttekening zegt het onomwonden: dat is, enige weinigen — en zij verwijst naar Romeinen 9, waar Paulus schrijft dat er een overblijfsel behouden wordt. Zo werkt deze lijn door de hele Schrift. Zij versmalt zich telkens, en telkens blijkt de versmalling geen verlies maar bewaring. Acht zielen in een ark. Zeventig zielen op wagens naar Egypte. Zevenduizend die de knie voor Baäl niet gebogen hebben. Hier: één tros met nog wat sap erin. En wat er ten slotte uit voortkomt, is groter dan het volk waaruit het gespaard werd. Aan het slot van hetzelfde hoofdstuk staat: “Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.” Van dat ene zaad naar een nieuwe schepping — dat is de afstand die dit hoofdstuk in twintig verzen aflegt. In het Nieuwe Testament: Romeinen 10:20-21; Romeinen 9:29; Romeinen 11:5; Jesaja 1:9; 2 Petrus 3:13; Openbaring 21:1 Hoever dit reikt: Paulus haalt de eerste twee verzen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk aan. Hij past ze toe op de heidenen en op Israël, en daarop rust het niveau van deze post. Dat het zaad uit Jakob in vers 9 mede op Christus ziet, staat er niet. De kanttekening leest het als het overblijfsel dat gespaard wordt, en Paulus gebruikt dat woord in dezelfde zin.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Mensen zullen zich nooit verheugen in Gods nieuwe scheppingswerk zolang zij zich verheugen in hun eigen werken, op zichzelf vertrouwen en roemen in hun eigen verdiensten. Het is een teken van genade wanneer iemand zichzelf moe is en in overeenstemming met God gebracht wordt. De stem van de wenende zal niet meer gehoord worden. Jesaja 65:19 (Eng. vert. NKJV) De verheerlijkten zullen niet meer wenen, want al het verdriet dat ooit bestond,… En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag hij hem, en zei tot hem: Zachéus! Haast u en kom af, want ik moet heden in uw… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon Voor Iedere Morgen In haar zal geen stem van geween meer gehoord worden. Jesaja 65 vers 19 De verheerlijkten treuren niet meer, want daar… En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen. Jesaja 65:24 Ik ben soms verbijsterd over de kracht… Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des HEEREN, en hun nakomelingen met hen. Jesaja 65:23 Zelfvertrouwen wordt gezien… En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.Jesaja 65:24 Wat werk de Heere snel! Hij hoort ons… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 65
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Er is een zegen in — 65:1-2, 8-10, 17-19
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Geen verdriet meer
Luk. 19:5 - Moet Hij?
In haar zal geen stem van geween meer gehoord worden
Eer zij roepen...
Van ganser harte
Voor en tijdens het bidden gehoord


Jesaja 65
Jesaja 65:17-19.Kruisverwijzingen2 Petrus 3:13→Jesaja 66:22→Jesaja 35:10→Jeremia 3:16→Openbaring 21:1→Psalmen 98:1→Openbaring 7:17→Jesaja 25:8→
— Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Maar weest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws.
“Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Maar weest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws.”
Dit gedeelte zal, zoals de rest van de slotkapittels van Jesaja, zijn volledige vervulling vinden in de laatste dagen, wanneer Christus komen zal. Dan zal heel de schare van Zijn uitverkorenen uit de hele wereld verzameld zijn en heel de schepping vernieuwd. Dan zullen nieuwe hemelen en een nieuwe aarde de vrucht zijn van de macht van de Zaligmaker. En dan zullen de volmaakte heiligen van God in alle eeuwigheid Zijn aangezicht aanschouwen en zich in Hem verheugen. Ik geloof dat deze verzen werkelijk de staat beschrijven van de verlosten tijdens de regering van Christus op de aarde.
Maar het werk waarvan de tekst spreekt is onder ons al begonnen. Er komt een letterlijke nieuwe schepping, maar die nieuwe schepping is al aangevangen. Daarom meen ik dat wij ook nu al een deel van de vreugde behoren te laten zien. Worden wij geroepen blij te zijn en ons te verheugen wanneer het werk voltooid is, laten wij ons dan ook verheugen in het begin ervan. De HEERE Zelf zal Zich verheugen. Wij die met Hem meeleven worden aangespoord en zelfs bevolen blij te zijn; laten wij dan niet traag zijn in deze hemelse plicht.
Mensen moeten ophouden zich te verheugen in wat zij zelf kunnen doen en ertoe komen zich te verheugen in wat God gedaan heeft en nog doet. Daaraan blijkt dat er een werkelijke verandering in iemands leven heeft plaatsgevonden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VIII. Vs. 1-25.KruisverwijzingenRomeinen 10:20→Romeinen 10:21→Jesaja 1:2→Jesaja 1:29→Lukas 7:39→Lukas 18:9→Jeremia 16:18→Psalmen 50:3→
— Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. Ik heb Mijn handen uitgebreid, den gansen dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten. Een volk, Mij geduriglijk tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en rokende op tichelstenen; Zittende bij de graven, zo vernachten zij bij degenen, die bewaard worden, etende zwijnenvlees, en er is sap van gruwelijke dingen in hun vaten. Die daar zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. Dezen zijn een rook in Mijn neus, een vuur, den gansen dag brandende. Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden; Uw ongerechtigheden, en uwer vaderen ongerechtigheden tegelijk, zegt de HEERE, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weder toemeten. Alzo zegt de HEERE: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen verderve. En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen aldaar wonen. En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft.
De achtste rede. Op het gebed van Israël, dat zich met berouw tot Jehova wendt, volgt nu het antwoord van de zijde des Heren. Het gaat daarvan uit, dat Israël’s val de rijkdom der wereld en Israël’s schade de rijkdom der heidenen is geworden; dat het rijk Gods nu van diegenen is weggenomen, voor wie het oorspronkelijk bestemd was, maar die de genade, die hun zo lang en zo dringend was aangeboden, snood en aanhoudend hebben teruggestoten. Het stelt de grote menigte van Israël in zulk een diep bederf voor, dat het onmogelijk anders had kunnen zijn, of het moest eigenlijk de brandstof worden voor den Goddelijken toorngloed. De tegenwoordige toestand met de nog ergere, die daarop volgt, is slechts ene rechtvaardige, volkomen betaling van hun eigene misdaad met die van hun vaderen (vs. 1-7). Daar de ijverige God, die de zonden der vaderen bezoekt aan de kinderen in het derde en vierde lid, wil den wijnberg, dien Hij geplant heeft, niet in die mate verderven, dat Hij ook de druiven, welke Hij hier en daar vindt, mede te gronde zou richten. Hij weet wel, dat onder het verworpen volk enige van Zijne knechten zijn. Nu wil Hij uit Jakob een zaad laten opwassen en uit Juda een geslacht laten voortkomen, waaraan Hij Zijne belofte van het wedergeven des heiligen lands en van Jeruzalems herstel in heerlijkheid zal vervullen (vs. 8-10). Nadat nu uitdrukkelijk van deze belofte zijn uitgesloten al degenen, in wie Israël’s boze, oude natuur blijft voortbestaan, en hun het tegengestelde wordt bedreigd van de anderen, die hun hart uitstorten voor God in ‘t gebed (vs. 11-16), giet zich een stroom van heil en zegen in zulk ene volheid over de anderen uit, dat die tot aan den nieuwen hemel en de nieuwe aarde reikt, die aan het einde zijn van alle heilswegen Gods (vs. 17-25).
Ik, zegt de Heere, ben, sedert Ik Mij van Israël heb afgekeerd, gevonden van hen, die als vroeger heidenen, welke gene hoop hadden en zonder God in de wereld waren (Efeze 2:12), naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die, vreemdelingen van de verbonden der belofte en vervreemd van het burgerschap Israël’s, Mij niet zochten 1) (Rom. 10:20); tot het volk der heidenen dat naar Mijnen naam genoemd was, 2) heb Ik gezegd, Mij ontfermende over den nood hunner zielen: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik; Ik roep, door het Evangelie tot Mijn volk (Rom. 15:9). Ik bied Mij zelven aan u aan, om uw God te zijn.
De Profeet verkondigt hier zonder twijfel, dat degenen, die te voren vreemden waren, door nieuwe aanneming in Gods huis zullen worden aangenomen. Dit is derhalve de roeping der Heidenen, waarin nochtans als in een spiegel, een algemeen voorbeeld van de roeping aller gelovigen gezien wordt. Want er is niemand, die den Heere voorkomt, maar wij worden allen zonder uitzondering, in reddende genade, uit den zeer diepen afgrond des doods verlost, waar geen kennis Gods, geen begeerte om Hem te dienen en eindelijk geen gevoelen Zijner waarheid is. Met welk een vermaak spreekt de grote God hier daarvan, dat er naar Hem zal gezocht worden en hoe roemt Hij daarin bijzonder van degenen, die in vorige tijden niet naar Hem gevraagd hebben, want er is vreugde in den hemel over grote zondaren, die zich bekeren.
Anderen: hetwelk Mijn Naam niet aanroept. Zo vertaalt ook de Septuaginta. In elk geval wil de Heere hiermede gezegd hebben, dat het tot nu toe buiten het Verbond stond, geen kennis aan en van Hem had, zoals zijn volk Israël. De heidenen waren wel niet verstoken gebleven van in aanraking te komen met het volk der belofte, en wel waren er enkelen tot Israël’s godsdienst overgegaan, maar de massa kende God niet. De verwerping van Israël werd echter de aanneming der Heidenen.
Zulk ene roeping der heidenen tot Mijn rijk heeft Israël zelf veroorzaakt door zijne verstoktheid (MATTHEUS. 21:43. (Rom. 11:11). Ik heb Mijne handen uitgebreid den gansen dag 1) als een, die degene, dien hij bemint en naar wiens bezit hij verlangt, tot zich wil trekken, omdat hij hem in den armen sluite. Het was echter een roepen tot een wederstrevig volk (Rom. 11:21), tot mensen, die wandelen op enen weg, die niet goed is, maar naar het verderf leidt (Spr. 16:29), op enen weg naar hun eigene gedachten (Rom. 9:31 vv.).
Hij zegt dat Hij zijne handen uitstrekt tot Israël, hetwelk Hij ook zonder ophouden door het Woord riep, en niet aflaat met allerlei goedheid tot zich te trekken. Want deze twee wijzen gebruikt Hij om de mensen te roepen, dewijl Hij alzo hun Zijnen goedwilligheid bewijst. Het is een krachtige wijze van spreken, dat Hij zijne handen uitbreidt, omdat Hij, onze zaligheid door de dienaars Zijns woords bezorgende, ons niet anders Zijne handen toereikt, dan als een Vader, die bereid zijnde zijnen zoon vriendelijk te ontvangen, zijne armen uitstrekt. Dat ziet op zulk een bestendigheid, dat God met Zijne lokkende genade heeft aangehouden in het O. en N. Verbond voornamelijk tot nu toe, daar God het aan zijn roepende genade niet laat ontbreken. Gerechtiglijk heeft Hij aan hun verwerping gene, maar zij zelf alle schuld alleen.
Een volk, Mij geduriglijk tergende in Mijn aangezicht, als wilde het Mij dwingen, den gruwel, dien het bedrijft, rustig aan te zien, in hoven, die den afgoden gewijd zijn, offerende (Hoofdstuk 57:5; 66:17), en rokende op tichelstenen in plaats van op het voorgeschreven altaar (Exod. 20:24 vv.); zo doen zij naar de wijze der Babyloniërs en Assyriërs (2 Kon. 16:10 vv.).
Zittende bij de graven, om tegen het uitdrukkelijk verbod (Deut. 18:11) de doden te vragen, zo vernachten zij bij degenen, die bewaard worden 1) (2 (Kron. 33:6), waar zij heidense mysteriën hebben, etende zwijnenvlees bij hun offermaaltijden, hetgeen zelfs voor gewoon verbruik verboden is (Deut. 14:8), en er is sap van gruwelijke dingen, onreine sauzen, in hun vaten.
In het Hebr. Oebantsoerim jalinoe. Beter: en overnachten in beschutte plaatsen, d. w. z. in zogenaamde crypten of onderaardse verblijfplaatsen. De Heere God wijst op den zondigen afgodendienst van Israël. In plaats van op het altaar, hetwelk van onbehouwen steen moest zijn, offerden zij (vs. 3) op altaren van tichelstenen gemaakt. Zij zaten bij de graven om met de afgestorven geesten, zoals zij meenden, te kunnen spreken, zij woonden de afgodische mysteriën bij in de onderaardse holen, waar deze gevierd werden. Zij aten daar ook zwijnenvlees en van heidense offermaaltijden verzamelden zij in hun vaten om dat thuis te gebruiken, dingen, die in de ogen Gods gruwelijk waren. Waarbij nog kwam (vs. 5a) dat zij daardoor als ingewijden in de afgodische mysteriën, meenden dat zij een bijzondere heiligheid deelachtig waren; al hetwelk (vs. 5b) voor den Heere God was een rook in Zijne neusgaten, en op zulk een wijze, dat Zijn toorn niet eerder zou gestild zijn, dan aleer de gerechte straf over hen was voltrokken.
Die daar zeggen tot Mijnen Knecht, welke hen tot bekering vermaant en van hun heidense gruwelen wil terugbrengen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger den gij. Gij behoeft tot mij niet te komen om mij te bekeren, beter ware het tegenovergestelde. Deze, met wie het zo ver is gekomen, dat zij niet alleen met volle bewustzijn van Mij zijn afgevallen en in hun afgoderij zijn verzonken, maar ook in trotse vermetelheid op bijzondere heiligheid roem dragen, zijn een rook in Mijnen neus, een voorwerp van Mijnen rokenden toorn (Deut. 29:20), een vuur, den gansen dag brandende, nadat Ik den gansen dag onafgebroken Mijne handen te vergeefs tot hen had uitgestrekt (vs. 2). Of hiermede de huichelarij der schijnheiligheid bedoeld wordt, dan of, gelijk wij liever onderstellende, de hoogste trap van afgodisch bijgeloof hierdoor wordt aangeduid, dat zij in den dienst der valse goden en hare verborgenheden zich plechtig lieten inwijden en zich dan voor heiliger uitgaven dan de dienaars van Jehova, zodat zij met deze zelfs gene gemeenschap wilden houden? “Ik ben u heilig, ” dat is, gij behoort mij als een heilige te ontzien en u op een afstand van mij te houden.
Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven als een onweersprekelijk vonnis, dat Ik reeds heb geveld (Jer. 22:30. Ezechiël. 2:10); Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja in hunnen boezem zal Ik vergelden, daar Ik de gehele volle maat van Mijne straffen over hen uitstort (Luk. 6:38).
Uwe ongerechtigheden en uwer vaderen ongerechtigheden te gelijk (MATTHEUS. 23:35 vv.) zegt de HEERE, uwer vaderen, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen door hun afgoderij (Ezechiël. 6:13. (Hos. 4:13); daarom zal Ik den kinderen dezer vaderen, wier zonden zij in verhoogde mate voortzetten, hun vorig werkloon in hunnen boezem weer toemeten 1) zodat ene volle, gedrukte en overvloeiende mate van straf hen zal treffen; want wat de vaderen hebben gedaan; dat hebben de kinderen tot hun eigen werk gemaakt.
Het eerst wat de Heere uit kracht van Zijne heiligheid te doen heeft, is dat Hij de zonden van het afgevallen Israël straft, en Hij straft deze zo, dat, wijl de zonden der kinderen slechts de voortzetting der zonden der vaderen zijn, de straf wordt toegemeten, overeenkomstig het loon der zonden voor beiden. Hiermede heeft de Heere het uitgesproken, dat de verwerping van de massa des volks onherroepelijk is. De grote massa is der verwerping overgeven. De zonden des volks zijn ten hemel gestegen, en de toorn des Heren zal zich op schrikkelijke wijze openbaren. Daarmee is echter Gods trouw niet vernietigd, noch het Verbond te niet gedaan, met de vaderen aangegaan. Wat wegvalt, wat der verwerping wordt overgegeven, wilde Israël zijn, wilde het ware nakroost van Abraham zijn, maar was het feitelijk niet. Eet ware zaad Abrahams, de ware gelovige Israëliërs zullen behouden worden. Hierop wijzen de volgende verzen.
Alzo zegt de HEERE, ten opzichte van Zijne verdere gedachten omtrent Israël, nadat Hij het volk in zijn geheel aan het zo even uitgesproken vonnis heeft onderworpen: Gelijk wanneer men bij uitroeiing van enen wijngaard, welks bomen niets dan ranken zonder vrucht waren, toch hier en daar most in een bos druiven, ene most bevattende druif vindt, gelijk men dan zegt: Verderf ze den niet, werp dien bos niet weg, want er is een zegen in, ene edele gave Gods, en die mag niet verloren gaan, maar moet ten nutte worden aangewend alzo zal Ik, de Heere, bij uitroeiing van Mijnen wijngaard (Hoofdstuk 6:1 vv.) het om Mijner knechten wil doen, om de Mijnen, die Ik in het verdorven Israël (vs. 3 vv.) nog heb (Jes. 63:17 dat Ik hen niet allen verderve, met den wijngaard niet te gelijk die enkele most bevattende druiven wegwierp. Gelijk wanneer enige goede druiven gevonden worden onder een tros slechte, en de een den ander, die den wijnstok wil uitroeien, verzoekt dien te bewaren, omdat een deel druiven nog rijp kan worden en most geven, zo zou God ook het ganse volk niet verdelgen om den wil dier weinige vromen, welke gevonden worden onder al de bozen. Deze noemt Paulus een overblijfsel (Rom. 11:25), al waar hij zinspeelt op Jes. 1:9; 6:13; 7:3 en 9:20 van deze profetie.
En Ik zal uit Jakob het volk der tien stammen voortbrengen, en uit Juda het volk der twee stammen enen erfbezitter van Mijne bergen (Hoofdstuk 14:25; 65:25), en Mijne uitverkorenen, niet de grote massa van ‘t ganse volk, zullen het erfelijk bezitten, en Mijne knechten, die zich er toe overgeven om een tak Mijner planting en een werk Mijner handen te worden (Hoofdstuk 60:21) zullen aldaar in Mijn heilig bergland wonen. 1)
Gods uitverkorenen, het geestelijk zaad van den biddenden Jakob, zullen erfgenamen zijn van Zijne bergen van geluk en vreugde en zullen veilig tot dezelve overgebracht worden door het tranendal.
En Saron, die heerlijke vlakte aan de Middellandse zee (Joz. 9:2), nadat zij, zolang de vloek op Israël lag, ene woestijn geweest is, zal tot ene weide, ene schaapskooi worden, en het dal van Achor ten westen van het noordelijke der Dode zee (Joz. 7:24 dat steeds het dal der droefheid genoemd is, zal tot een runderleger worden, tot ene plaats, waar de runderen weiden. Zo zal het zijn niet voor allen, maar voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft, het zal zich in het heilige land weer nederzetten, om het in vrede te bezitten. Vs. 8-10. De ijverige God, die der vaderen zonden bezoekt tot in ‘t derde en vierde lid, wil den wijngaard, dien Hij geplant heeft, niet geheel verderven; slechts de verrotte druiven doet Hij weg, en de bessen, in welke een goed sap bereid is, leest Hij met behoudene zorgvuldigheid uit. Reeds heeft Jesaja altijd verkondigd, dat de Heere uit den wortel des gevelden boom Israël’s een nieuw zaad zal doen voortkomen, en zo wordt ook hier beloofd een Erfgenaam der heilige bergen; uitverkorenen zullen overblijven, knechten Gods, om in het land der vaderen te wonen. Daar ziet hij hen, die hunnen God gezocht hebben, op de vruchtbaarste weigronden in patriarchalen vrede bij hun kudde rusten.
Maar gij anderen in Jakob en Juda, verlaters des HEREN, die u ganselijk niet meer Mijn volk gevoelt (Hoofdstuk 64:9), gij vergeters van den berg Mijner heiligheid, zodat gij geen heimwee meer naar dien berg gevoelt, gelijk zich dat in Hoofdstuk 64:10 vv. uitspreekt, gij aanrichters ener tafel voor die bende 1) en gij opvullers des dranks voor dat getal! 1) Gij dienaars van vreemde goden!
De laatste woorden zijn zeer moeilijk. In het algemeen geven zij te kennen, dat de Joden de drekgoden der heidenen, niet alleen in het heimelijke hadden nagewandeld, maar zelfs in het openbaar; en dat zij hunnen ijver betoond hadden, om den afgoden tot in de minste kleinigheden van den bijgelovigen eredienst hulde te doen. Meer in het bijzonder schijnen de Hebreeuwse woorden, Gad en M’ni, door bende en getal vertaald, als eigennamen te moeten beschouwd worden; men denke aan twee afgoden, of wel aan enen afgod, die met twee onderscheidene titels benoemd wordt. Sommigen denken aan de zon en maan, anderen aan de maan alleen, nog anderen aan andere gesternten. Voor ons is het genoeg op te merken, dat verscheidene volken de bijgelovige gewoonte hadden om voor hun gewaande godheden op zekere tijden grote maaltijden aan te richten, en beddekens te spreiden voor de zogenaamde goden, om daarop aan te liggen; bijzonder deed men dit voor de nieuwe maan, om daardoor een vruchtbaar gewas te verwerven. Op zodanig iets schijnt hier gezien te worden; de Profeet tekent derhalve het bijgelovig bestaan van zulke mensen, die in den hoogsten trap op den afgodendienst verzot en daaraan verslaafd waren; en daardoor schildert hij wederom de gruwzaamste verbastering in den godsdienst op ene verbloemde wijze. Het is beter de woorden bende (Gad), en getal (Meni) onvertaald te laten. Hiermede worden toch twee afgoden bedoeld. Gad is de ster Jupiter, de afgod van het groot geluk, en Meni waarschijnlijk Venus, de afgod van het kleine geluk. Op Perzische en Palmyrische inschriften komt de naam van Gad in verschillende vormen voor. In plaats derhalve van den Heere alleen alle heil en zegen te verwachten, offerde men aan de sterren des hemels en gaf daarmee het geloof in Gods trouw en almacht prijs. De Engelse Godgeleerden tekenen ook reeds aan: het Hebreeuwse woord Gad, betekent soms een troep of bende, doch hier schijnt het de naam van een afgod aan te duiden. Vitringa is van oordeel dat met Gad de zon wordt bedoeld. Henry verstaat onder beiden, Jupiter en Mercurius. Jupiter en Venus ligt echter meest voor de hand.
Ik zal 1) dan ook als de ware God, die aan ieder zijn deel schenkt, zo als hij dit waardig is, ulieden ook ten zwaarde tellen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik, ook in den laatsten tijd, als Ik om Israël’s liefde dong, geroepen heb, maar gij hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan dat kwaad was in Mijne ogen, en hebt verkoren, hetgeen waaraan Ik geen lust heb.
Wijl Israël de hulp der valse, zogenaamde geluksgoden had ingeroepen, zou de Heere zijn heilig misnoegen openbaren, door in plaats van het geluk, het ongeluk, het onheil over hen te doen komen. Dat zou hen te beurt vallen, dewijl zij zich afkerig betoond hadden, en afkerig gebleven waren, niettegenstaande God, de Heere, hen gewaarschuwd had door Zijne heilige Profeten.
Daarom, om de tegenstelling in Israël voor het einde nogmaals op den voorgrond te stellen, de tegenstelling van hen, die zich nog ten laatste bekeren, en van hen, die zich ten einde toe verharden, zegt de Heere HEERE alzo, de God des heils en des gerichts, die de macht heeft Zijne beloften en bedreigingen te volvoeren: Ziet Mijne knechten (vs. 9) zullen in het volle genot van den zegen, die hun deel wordt, eten, doch gijlieden, die uzelven verstokt, zult voor eeuwig daarvan uitgesloten zijn en hongeren; ziet, Mijne knechten zullen drinken, daar dit heil elk van hun behoeften stilt en volle verzadiging schenkt, doch gijlieden zult dorsten; ziet Mijne knechten zullen blijde zijn over al het goede, waarin zij zich mogen verheugen, doch gijlieden zult met al de afgoden, waaraan gij uw hart hebt gehangen, beschaamd zijn.
Ziet, Mijne knechten zullen juichen van goeder harte, daar buitengewoon grote zaligheid hun hart vervult, maar gijlieden zult schreeuwen van weedom des harten over hetgeen gij verdarteld en verloren hebt, en van verbreking des geestes zult gij huilen van wege de ontzaglijke ellende, die u getroffen heeft (MATTHEUS. 8:12).
En gijlieden zult uwen naam Mijnen uitverkorenen tot ene vervloeking laten, 1) zodat de vloek een aan uwen naam ontleenden vorm aanneemt, gelijk Jer. 29:21 vv. en de Heere HEERE zal ulieden doden, maar Zijne knechten zal Hij daarentegen met enen andere naam noemen, dan zij te voren gemeenschappelijk met u droegen (Hoofdstuk 62:2).
De naam der afgodendienaars en ongelovigen zal tot een vloek gelaten worden, zal met schande overladen en voor eeuwig eerloos worden gemaakt. Dezelve zal gebruikt worden om kwade karaktertrekken aan te geven, bij voorbeeld: Gij zijt zo wreed als een Jood, en in vervloekingen: God make u zo ellendig als een Jood. Hij zal tot een vloek zijn voor Gods uitverkorenen, dat is tot ene waarschuwing voor hen: zij zullen vrezen te vallen onder den vloek, die op de Joodse natie ligt; verloren te gaan door hetzelfde exempel van ongeloof De Heere God zal u slaan, dat is zal de Joden ganselijk uitroeien en hen afsnijden, dat zij geen volk meer zijn. Zij zullen niet langer leven als een natie, noch ooit weer ingelijfd worden. Het benoemen van een anderen naam geeft figuurlijk te kennen, iemand in gunst, in eer en aanzien te verheffen, hem enen erenaam schenken: de voorbeelden der naamsveranderingen van Abram, Jakob, Simon en anderen kunnen dit genoegzaam verklaren.
Zodat, wie zich zegenen zal, een zegen over zich zal begeren op aarde, in het land, namelijk in Kanaän, die zal zich zegenen in den God der waarheid 1), in den naam van dien God, die Amen is, die wat Hij beloofd heeft, volkomen zal vervullen (2 (Kor. 1:20. Hand. 3:14); en wie zweren zal op aarde en daardoor dien God, in wie hij gelooft, zal belijden (Deut. 10:20), die zal zweren bij den God der waarheid, bij dezen God Amen; omdat de vorige benauwdheden, die ten gevolge der straffen Gods werden ondervonden, zullen vergeten zijn, zelfs de herinnering het zalig genot van het tegenwoordig ogenblik niet eens meer vergalt, en omdat zij voor Mijne ogen verborgen zijn, zodat ook Ik er niet aan denk, om ooit weer iets van dezen aard te laten geschieden.
In het Hebreeuws staat eigenlijk “in den God Amen. ” Het woord “Amen” is ene benaming van Christus (Openbaring 3:14), waar men leest: “Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige. ” Aangezien deze benaming hier ook op wordt toegepast, houden sommigen dat voor een groot bewijs van de Godheid van Christus, en zij oordelen, dat de bedoeling is: dat in de dagen van het Evangelie de mensen zich niet meer zouden zegenen als te voren in den naam van Abraham, Izaak en Jakob, maar in den naam van Christus, den God Amen. Anderen verstaan door “Elohe Amen” dien God, die Zich getrouw en waarachtig betoont in Zijne beloften.
Want ziet dit is het toppunt van alle Mijne raadsbesluiten, het hoofddoel van alle Mijne beloften, gelijk Ik reeds in Hoofdstuk 51:16 voorlopig heb aangetoond: Ik schep nieuwe hemelen en ene nieuwe aarde, en deze nieuwe hemel en deze nieuwe aarde zullen zozeer door hun heerlijkheid boeien, zozeer alle wensen bevredigen, dat de vorige dingen vergeten worden; zij zullen niet meer gedacht worden; en de oude hemel en de vorige aarde zullen, hoewel ook deze heerlijkheid bezaten, in het hart niet meer opkomen 1) dat iemand iets daarvan zou terug mensen (2 (Petrus 3:13. Openbaring 21:1).
Ongetwijfeld ziet dit ook, en dan in de eerste plaats, op den gelukkigen terugkeer der Joden naar Palestina, zodat het alles voor hen nieuw zou zijn, maar de Profeet ziet hier verder. Hij geeft ook hier een blik in de verre toekomst, als het Evangelie der genade zal gepredikt worden, als alle dingen nieuw zullen gemaakt worden door den Heere God. In den naam des Heren, ja den Heere sprekende invoerende, verkondigt Hij hier, ja wijst de Heere zelf hier hen op de voleindiging der eeuwen, wanneer bovenal het woord zal vervuld worden: Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde.
Maar weest gijlieden, die de heerlijkheid van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde deelachtig wordt, vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem op die nieuwe wereld ene verheuging, en haar volk ene vrolijkheid 1) (Hoofdstuk 35:10. (Openbaring 21:2 vv.). Ik zal Jeruzalem heerlijk herstellen en haren inwoners overvloedige stof geven tot bestendige blijdschap.
Alle de vrienden der Kerk, en allen die tot haar behoren, zullen vrolijk zijn. De nieuwe dingen, welke God in en door het Evangelie schept, zijn en zullen zijn ene stof van eeuwige vreugde voor alle gelovigen.
En Ik van Mijne zijne (Deut. 30:9) zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk 1) nadat Ik met beide tot het doel Mijner raadsbesluiten ben gekomen (Hoofdstuk 62:5); en in haar, in Jeruzalem en onder Mijn volk, zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws, maar alleen blijdschap en vreugde, dank- en lofgezang (Hoofdstuk 51:3 en 11).
Dit betekent, dat de Heere niet alleen vreugde en heerlijkheid zal brengen over Zijn volk en in Jeruzalem, maar dat het Hem ene vreugde zal zijn om dat te doen. Het zal den Heere God een verheuging zijn, om Zijn volk met de keure Zijner zegeningen te zegenen. De volle openbaring Zijner liefde zal de Heere aan zijn Zion betonen.
Van daar zal niet meer wezen onder het volk, dat tot Jeruzalem behoort gelijk in den tegenwoordigen toestand zo menigvuldig voorkomt, dat het tot regel is geworden, een zuigeling van weinige dagen, een kind, dat slechts weinige dagen oud wordt, noch een oud man, die zijne dagen niet zal vervullen, niet de volle maat van ‘t menselijk leven zal bereiken: want een jongeling zal sterven honderd jaren oud zijnde, zij, die als jongelingen sterven, die dus voor vroeg gestorvenen worden gehouden, zullen niet minder den honderd jaren tellen; maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden 1), eerst wanneer hij een tijdvak van genade achter zich heeft, zal hij onder den vloek des doods bezwijken, die op het zondige mensengeslacht drukt.
Ten gevolge van Israël’s bekering zal eenmaal niemand uit zijn midden sterven zonder zijne dagen uit te maken. Terwijl tegenwoordig al zijne leden ontijdig sterven, of als zuigelingen, die slechts weinige dagen tellen, of als jongelingen van weinige jaren, of als grijsaards in den ouderdom van hoogstens 70 en 80 jaren (Ps. 90:10), zo zullen zij dan ook nog wel sterven, omdat zij allen zondaars zijn, hoewel bekeerde zondaars; maar niet meer vóór den tijd als zuigelingen, jongelingen, nog niet zeer oude grijsaards, maar niet voordat zij het volle getal hunner dagen geleefd hebben, welke oorspronkelijk aan den mens door God ten leven verordend zijn, en die genoegzaam zijn om zijn wezen op aarde tot rijpheid en tot natuurlijke volkomenheid te brengen, zodat de dood niet komt als de ontijdige, geweldige scheiding van geest en lichaam, maar als de tijdige, natuurlijke zalige volmaking naar geest en lichaam. Anderen verklaren het laatste gedeelte van het vers, daar het woord “zondaar” afkomt van een wortel, die oorspronkelijk “missen” betekent, alsof de Heere zei: “Hij, die het levensperk van honderd jaren mist en niet bereikt, zal gerekend worden door enen goddelijken vloek vroegtijdig te zijn afgesneden. ” . Zo Umbreit: “Sterft een volwassene op dezen leeftijd, zo beschikt men zijn vroegtijdig heengaan als een vloek der zonde, ” vgl. Hesiodus (Opera vs. 130) in zijne beschrijving van de zilveren eeuw: “een jongeling wordt tot zijn honderdste jaar bij zijne moeder opgevoed, groeiende, zijnde een groot kind in het huis. ” Onzes inziens betekent het echter, dat voor een zondaar, een goddeloze, een lang leven, een leven van honderd jaar, een vloek zal zijn, dewijl hij zich te meer toorn vergadert als een schat, tegen den dag van het rechtvaardig oordeel Gods. Het lange leven van den goddeloze is dan ook ten leste, als hij in zijne zonde sterft, niet als een zegen, maar als een vloek te beschouwen, dewijl hij den eeuwigen dood tegemoet gaat.
En zij zullen huizen bouwen en ook zelf bewonen, en zij zullen wijngaarden planten en dezelve vrucht eten (Hoofdstuk 62:8 vv.).
Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, omdat zij niet meer vóór den tijd door den dood zullen worden weggenomen, zodat zij zich niet meer over hun planten en bouwen kunnen verheugen; want de dagen Mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, als de dagen van ceder of eik, die met eeuwen worden gerekend; en Mijne uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten, daar zij zelf kunnen gebruiken en genieten, wat zij met hun handen hebben gearbeid.
Zij zullen niet, gelijk zo dikwijls geschiedt, te vergeefs, zonder enigen zegen op hun pogingen te hebben, arbeiden, noch baren ter verstoring, om er veel leed van te ondervinden (Job 27:14); want zij zijn het zaad der gezegenden des HEREN, van hetwelk alle vloek, die nog heden op de aarde rust (Gen. 3:17) verre blijft (Hoofdstuk 61:8 vv.), en hun nakomelingen met hen, zij behouden hun kinderen; die worden hun niet vóór den tijd ontrukt. (Job 21:8).
En het zal geschieden, daar alle gebed volkomen met Mijnen wil verenigd is, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden, reeds de eerste opwelling van gebed in het hart zal Ik met den gewensten zegen bekronen; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen; 1) op het half uitgesproken gebed zal Ik reeds Mijn Ja en Amen zeggen (Hoofdstuk 30:19).
God zou Zijn volk voorkomen met Zijne zegeningen, en hun begeerten vervullen, eer zij het verzochten. Dat is een zeker teken van Zijne liefde en gunst jegens hen, gelijk integendeel Zijn verwerpen en verstoten van de mensen wordt uitgedrukt door de verberging van Zijn aangezicht voor hen en door de weigering van hun gebeden te horen (Spr. 1:28. Jes. 1:15. Jer. 14:12. Klaagt. 3:8, 44). Deze zijn krachtige uitdrukkingen van Gods gereedheid, om de gebeden te verhoren, en dat blijkt nog verder meer onder de genade des Evangeliums, dan het onder de Wet deed, en wij zijn de vertroosting daarvan verschuldigd aan de tussenspraak van Christus, als onzen Voorspraak bij den Vader, en wij zijn verplicht, om met dankbaarheid een toegenegen oor te geven aan Gods roepingen.
De wolf en het lam zullen te zamen nevens elkaar weiden, 1) daar de eerste zijne natuur als roofdier heeft afgelegd en in den staat der oorspronkelijke schepping is teruggetreden (Gen. 1:30), en de leeuw zal stro of haksel eten als een rund, en stof zal de spijze der slang 2) zijn, zij zal niet meer den mens naar ‘t leven staan, maar het haar opgelegde lot (Gen. 3:14) dragen. En welke dieren ook de aarde nu nog als roofdieren en wilde beesten bevat, zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijnen ganse heiligen berg, binnen het gehele gebied van Mijn heilig bergland Kanaän, zegt de HEERE (Hoofdstuk 11:6-9).
Zo verzekert deze profetie den dienstknechten van Christus, dat de tijd nadert, waarin zij zullen bewaard zijn voor uitwendige belediging en inwendige onenigheid, waarin zij gezegend zullen zijn met ongestoord genot van alles, wat tot hun zaligheid nodig is. Deze heerlijke, gelukkige toestand van Gods kerk zal worden te weeg gebracht en bevestigd door de almacht van Jehova, hoewel vele omkeringen en verwoesting de vervulling van dit grote werk zullen voorafgaan. Laat ons als medewerkers Gods met Hem arbeiden in den weg Zijner Voorzienigheid, in gehoorzaamheid aan Zijne ordeningen, in onderworpenheid aan Zijne bevelen. Laat ons den Heere bidden met ons te zijn en ons nooit te verlaten. Dat ieder uitroepe: welke onuitsprekelijke zegeningen voor Joden en Heidenen liggen nog verborgen in Gods beloften! Zo ik moet sterven zonder de vervulling te zien, laat mij den leven in het vast geloof daaraan. Wanneer ik soms ontmoedigd ben door het zichtbare ongenoegen Gods en den ondergang van zielen, laat mij dan hopen op dien gelukkigen tijd, waarin de koninkrijken dezer wereld zullen worden de koninkrijken van onzen God en van Zijnen Christus. (J. BROWN).
Zonder enigen twijfel staat deze uitdrukking in verband met de geschiedenis van ‘s mensen val. Het was het vonnis van de slang, dat zij stof zou eten. Hier wordt dit ook gezegd, om daarmee te verzekeren, dat de macht der slang, om den mens uit zijn vernieuwden staat te doen vallen, was verbroken. De Profeet voorspelt hier den heerlijken staat der Kerk, door Christus Jezus teweeg gebracht, als gevolg van Zijne overwinning over Satan en zonde. Niet alleen de menselijke vijanden, maar ook de geestelijke vijanden zullen overwonnen worden, en dan zal, wat in dit vers voorspeld wordt, volkomen vervuld zijn, als de koninkrijken zijn geworden onzen God en Zijnen Christus. Niet van een dusgenaamd duizendjarig rijk is hier sprake, maar de Heere God geeft hier door den Profeet Jesaja een vergezicht op de volkomen heerlijkheid der Kerk.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel