Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
HoortH8085 ditH2063, gij huisH1004 van JakobH3290, die genoemdH7121 wordt met den naamH8034 van IsraelH3478, en uit de waterenH4325 van JudaH3063 voortgekomenH3318 zijt! die daar zweertH7650 bij den NaamH8034 des HEERENH3068, en vermeldtH2142 den GodH430 IsraelsH3478, maar niet in waarheidH571, nochH3808 in gerechtigheidH6666.
Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israel, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israels, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.
KJV
Hear1
ye this, O house3
of Jacob,4
which are called5
by the name6
of Israel,7
and are come forth10
out of the waters8
of Judah,9
which swear11
by the name12
of the LORD,13
and make mention16
of the God14
of Israel,15
but not in truth,18
nor in righteousness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ja, van de heiligeH6944 stadH5892 worden zij genoemdH7121, en zij steunenH5564 opH5921 den GodH430 IsraelsH3478; HEEREH3068 der heirscharenH6635 is Zijn NaamH8034.
Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
KJV
For they call4
themselves of the holy3
city,2
and stay8
themselves upon the God6
of Israel;7
The LORD9
of hosts10
is his name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De vorigeH7223 dingen heb Ik verkondigdH5046 van toen af, en uit Mijn mondH6310 zijn zij voortgekomenH3318, en Ik heb ze doen horenH8085; Ik heb ze snellijkH6597 gedaanH6213, en zij zijn gekomenH935;
De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;
KJV
I have declared3
the former things1
from the beginning;2
and they went forth5
out of my mouth,4
and I shewed6
them; I did8
them suddenly,7
and they came to pass.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Omdat Ik wistH1847, datH3588 gijH859 hardH7186 zijt, en uw nekH6203 een ijzerenH1270 zenuwH1517 is, en uw voorhoofdH4696 koperH5154;
Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;
KJV
Because I knew1
that thou art obstinate,3
and thy neck7
is an iron6
sinew,5
and thy brow8
brass;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Daarom heb Ik het u van toen af verkondigdH5046, eerH935 dat het kwam, heb Ik het u doen horenH8085; opdat gij niet misschien zoudt zeggenH559: Mijn afgodH6090 heeft die dingen gedaanH6213, of mijn gesnedenH6459 beeldH5262, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolenH6680.
Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.
KJV
I have even from the beginning3
declared1
it to thee; before it came to pass5
I shewed6
it thee: lest thou shouldest say,8
Mine idol9
hath done10
them, and my graven image,11
and my molten image,12
hath commanded
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Gij hebt het gehoordH8085, aanmerktH2372 dat allesH3605; zult gijliedenH859 het ook nietH3808 verkondigenH5046? Van nuH6258 af doe Ik u nieuweH2319 dingen horenH8085, en verborgenH5341 dingen, en die gij nietH3808 gewetenH3045 hebt.
Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.
KJV
Thou hast heard,1
see2
all this; and will not ye declare6
it? I have shewed7
thee new things8
from this time,9
even hidden things,10
and thou didst not know
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
NuH6258 zijn zij geschapenH1254, en nietH3808 van toen af, en voorH6440 dezen dagH3117 hebt gij ze ook nietH3808 gehoordH8085; opdat gij niet misschien zeggenH559 zoudt: ZietH2009, ik heb ze gewetenH3045.
Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten.
KJV
They are created2
now, and not from the beginning; even before5
the day6
when thou heardest8
them not; lest thou shouldest say,10
Behold, I knew
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ook hebt gij ze nietH3808 gehoordH8085, ookH1571 hebt gij ze nietH3808 gewetenH3045, ookH1571 van toen af is uw oorH241 nietH3808 geopendH6605 geweest; wantH3588 Ik heb gewetenH3045, dat gij gans trouwelooslijkH898 handelenH898 zoudt, en dat gij van den buikH990 af een overtrederH6586 genaamdH7121 zijt.
Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.
KJV
Yea, thou heardest3
not; yea, thou knewest6
not; yea, from that time that thine ear11
was not opened:10
for I knew13
that thou wouldest deal very14
treacherously,15
and wast called18
a transgressor16
from the womb.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
OmH4616 Mijns NaamsH8034 wil zal Ik Mijn toornH639 langer uitstellenH748, en om Mijns roemsH8416 wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingenH2413, opdat Ik u nietH1115 afhouweH3772.
Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.
KJV
For my name's2
sake will I defer3
mine anger,4
and for my praise5
will I refrain6
for thee, that I cut thee not off.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
ZietH2009, Ik heb u gelouterdH6884, doch nietH3808 als zilverH3701, Ik heb u gekeurdH977 in den smeltkroesH3564 der ellendeH6040.
Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.
KJV
Behold, I have refined2
thee, but not with silver;4
I have chosen5
thee in the furnace6
of affliction.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doenH6213, wantH3588 hoeH349 zou Hij ontheiligdH2490 worden? en Ik zal Mijn eerH3519 aan geenH3808 anderH312 gevenH5414.
Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
KJV
For mine own sake, even for mine own sake, will I do3
it: for how should my name be polluted?6
and I will not give10
my glory7
unto another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
HoorH8085 naarH413 Mij, o JakobH3290! en gij IsraelH3478, Mijn geroepeneH7121! IkH589 ben DezelfdeH1931; IkH589 ben de EersteH7223, ook ben IkH589 de LaatsteH314.
Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israel, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.
KJV
Hearken1
unto me, O Jacob3
and Israel,4
my called;5
I am he; I am the first,9
I also am the last.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Ook heeft Mijn handH3027 de aardeH776 gegrondH3245, en Mijn rechterhandH3225 heeft de hemelenH8064 met de palm afgemetenH2946; wanneer IkH589 ze roepH7121, staanH5975 zij daar te zamenH3162.
Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.
KJV
Mine hand2
also hath laid the foundation3
of the earth,4
and my right hand5
hath spanned6
the heavens:7
when I call8
unto them, they stand up11
together.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
VergadertH6908 u, gij allenH3605, en hoortH8085; wieH4310 onder hen heeft dezeH428 dingen verkondigdH5046? De HEEREH3068 heeft hem liefH157, Hij zal Zijn welbehagenH2656 tegen BabelH894 doenH6213, en Zijn armH2220 zal tegen de ChaldeenH3778 zijn.
Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeen zijn.
KJV
All ye, assemble1
yourselves, and hear;3
which among them hath declared6
these things? The LORD9
hath loved10
him: he will do11
his pleasure12
on Babylon,13
and his arm14
shall be on the Chaldeans.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik, Ik heb het gesprokenH1696, ook heb Ik hem geroepenH7121; Ik zal hem doen komenH935, en hij zal voorspoedigH6743 zijn op zijn wegH1870.
Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.
KJV
I, even I, have spoken;3
yea, I have called5
him: I have brought6
him, and he shall make his way8
prosperous.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
NadertH7126 gijlieden totH413 Mij, hoortH8085 ditH2063: Ik heb van den beginneH7218 nietH3808 in het verborgeneH5643 gesprokenH1696, maar van dien tijdH6256 af, dat het geschied is, ben IkH589 daarH8033; en nuH6258, de HeereH136 HEEREH3069, en Zijn GeestH7307 heeft Mij gezondenH7971.
Nadert gijlieden tot Mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar van dien tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heere HEERE, en Zijn Geest heeft Mij gezonden.
KJV
Come1
ye near
unto me, hear3
ye this; I have not spoken8
in secret7
from the beginning;6
from the time9
that it was, there am I: and now the Lord14
GOD,15
and his Spirit,17
hath sent
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
AlzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068, uw VerlosserH1350, de HeiligeH6918 IsraelsH3478: IkH589 ben de HEEREH3068, uw GodH430, Die u leertH3925, wat nutH3276 is, Die u leidtH1869 op den wegH1870, dien gij gaan moetH3212.
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet.
KJV
Thus saith2
the LORD,3
thy Redeemer,4
the Holy One5
of Israel;6
I am the LORD8
thy God9
which teacheth10
thee to profit,11
which leadeth12
thee by the way13
that thou shouldest go.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
OchH3863, dat gij naar Mijn gebodenH4687 geluisterdH7181 hadt! zo zou uw vredeH7965 geweest zijn als een rivierH5104, en uw gerechtigheidH6666 als de golvenH1530 der zeeH3220.
Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.
KJV
O that1
thou hadst hearkened2
to my commandments!3
then had thy peace6
been as a river,5
and thy righteousness7
as the waves8
of the sea:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Ook zou uw zaadH2233 geweest zijn als het zandH2344, en die uit uw ingewandenH4578 voortkomenH6631 als deszelfs steentjesH4579; wiens naamH8034 nietH3808 zou worden afgehouwenH3772, nochH3808 verdelgdH8045 van voor Mijn aangezichtH6440.
Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als deszelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.
KJV
Thy seed3
also had been as the sand,2
and the offspring4
of thy bowels5
like the gravel6
thereof; his name11
should not have been cut off8
nor destroyed10
from before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Gaat uit van BabelH894, vliedtH1272 van de ChaldeenH3778, verkondigtH5046 met de stemmeH6963 des gejuichsH7440, doet zulks horenH8085, brengtH3318 het uit tot aanH5704 het eindeH7097 der aardeH776, zegtH559: De HEEREH3068 heeft Zijn knechtH5650 JakobH3290 verlostH1350!
Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeen, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!
KJV
Go ye forth1
of Babylon,2
flee3
ye from the Chaldeans,4
with a voice5
of singing6
declare7
ye, tell8
this, utter10
it even to the end12
of the earth;13
say14
ye, The LORD16
hath redeemed15
his servant17
Jacob.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En: Zij hadden geenH3808 dorstH6770, toen Hij hen leiddeH3212 door de woeste plaatsenH2723; Hij deed hun waterH4325 uit den rotssteenH6697 vlietenH5140; als Hij den rotssteenH6697 kliefdeH1234, zo vloeidenH2100 de waterenH4325 daarhenen.
En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.
KJV
And they thirsted2
not when he led4
them through the deserts:3
he caused the waters5
to flow7
out of the rock6
for them: he clave9
the rock10
also, and the waters12
gushed out.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Maar de goddelozenH7563 hebben geenH369 vredeH7965, zegtH559 de HEEREH3068.
Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.
KJV
There is no peace,2
saith3
the LORD,4
unto the wicked.
uit de wateren
Dat is, die uit den stam van Juda, als uit een springader, gesproten zijt. Zie Deut. 33:28 ; Ps. 68:27 , en de aantekening aldaar.
Hertaald:
uit de wateren
Dat is: u die uit de stam van Juda voortgekomen bent als uit een bron. Zie Deut. 33:28 en Ps. 68:27 met de aantekening daarbij.
zweert
Daarmede betuigende dat zij den Heere voor den waren God kennen. Want een rechtmatige eed is God tot getuige aanroepen.
Hertaald:
zweert
Waarmee zij betuigen dat zij de HEERE voor de ware God houden. Want een rechtmatige eed is God tot getuige aanroepen.
vermeldt
Te weten als zij bij Hem zweren. Zie Ex. 23:13 .
Hertaald:
vermeldt
Namelijk: wanneer zij bij Hem zweren. Zie Ex. 23:13.
maar
Dat is, niet oprechtelijk, gelijk het de Heere vereist, maar huichelachtig; zie Jer. 4:2 .
Hertaald:
maar
Dat is: niet oprecht, zoals de HEERE vereist, maar huichelachtig; zie Jer. 4:2.
Ja,
Of, hoewel.
Hertaald:
Ja,
Of: hoewel.
de heilige stad
Te weten Jeruzalem. Hebreeuws, de stad der heiligheid; dat is, zij roemen zich dat zij burgers en inwoners van de heilige stad Jeruzalem zijn.
Hertaald:
de heilige stad
Namelijk: Jeruzalem. Hebreeuws: de stad van de heiligheid — dat is: zij beroemen zich erop dat zij burgers en inwoners van de heilige stad Jeruzalem zijn.
steunen
Te weten zoveel den uiterlijken schijn belangt. Maar ofschoon zij met woorden hiervan roemen, zo zijn zij het inderdaad niet, maar hun hart is verre van Hem.
Hertaald:
steunen
Namelijk: voor zover het de uiterlijke schijn betreft. Maar hoewel zij daarop met woorden roemen, zijn zij het in werkelijkheid niet: hun hart is ver van Hem.
De vorige dingen
Te weten zo zegeningen als straffen.
Hertaald:
De vorige dingen
Namelijk: zowel zegeningen als straffen.
van toen af,
Te weten van dien tijd af, toen Ik ulieden tot mijn volk heb aangenomen, of van die tijd af, toen Ik u uitgeleid heb uit Egypte en Ik u mijne wet gegeven heb; alzo ook vs.5.
Hertaald:
van toen af,
Namelijk: vanaf de tijd dat Ik u tot Mijn volk aangenomen heb, of vanaf de tijd dat Ik u uit Egypte geleid en u Mijn wet gegeven heb; zo ook in vers 5.
dat gij hard zijt,
Zie de aantekening Ex. 32:9 , en Ex. 33:3 ; Deut. 9:13 , en Deut. 31:27 , en Deut. 32:5 .
Hertaald:
dat gij hard zijt,
Zie de aantekening bij Ex. 32:9 en Ex. 33:3, Deut. 9:13, Deut. 31:27 en Deut. 32:5.
een ijzeren
Dat is, zo hard als een ijzeren zenuw.
Hertaald:
een ijzeren
Dat is: zo hard als een ijzeren pees.
koper
Dat is, hard en onbeschaamd.
Hertaald:
koper
Dat is: hard en onbeschaamd.
Mijn afgod
Hebreeuws, mijn smart.
Hertaald:
Mijn afgod
Hebreeuws: mijn smart.
mijn gegoten beeld
Hebreeuws, mijne gieting.
Hertaald:
mijn gegoten beeld
Hebreeuws: mijn gieting.
hebt het gehoord,
Te weten hetgeen dat Ik tevoren verkondigd heb, en ook wat daarna geschied is.
Hertaald:
hebt het gehoord,
Namelijk: wat Ik tevoren verkondigd heb en ook wat daarna gebeurd is.
aanmerkt
Hebreeuws, aanschouwt, of ziet, dat is neemt ter harte, betracht wel.
Hertaald:
aanmerkt
Hebreeuws: aanschouwt, of ziet — dat is: neemt ter harte, let er goed op.
gijlieden
Die u beroemt mijn volk te zijn, dat Ik verkoren heb, opdat gij als profeten deze dingen mij ter ere zoudt verkondigen, te weten dat Ik zo vaderlijk en zo vriendelijk met u heb omgegaan.
Hertaald:
gijlieden
U die zich erop beroemt Mijn volk te zijn, dat Ik uitverkoren heb opdat u als profeten deze dingen tot Mijn eer zou verkondigen, namelijk dat Ik zo vaderlijk en vriendelijk met u omgegaan ben.
verkondigen?
Dat is, roemen en prijzen.
Hertaald:
verkondigen?
Dat is: roemen en prijzen.
nieuwe dingen
Te weten den ondergang der Babyloniërs en uwe verlossing uit de Babylonische gevangenschap door Cores.
Hertaald:
nieuwe dingen
Namelijk: de ondergang van de Babyloniërs en uw verlossing uit de Babylonische gevangenschap door Cores.
verborgen dingen,
Hebreeuws, verwaarde, bewaarde.
Hertaald:
verborgen dingen,
Hebreeuws: bewaarde, opgeborgen dingen.
Nu zijn zij
Dat is, het is nu eerst door de profeten geopenbaard en aan den dag gegeven, hetgeen tevoren als verborgen was in mijn heimelijken raad.
Hertaald:
Nu zijn zij
Dat is: wat tevoren als het ware verborgen lag in Mijn geheime raad, is nu pas door de profeten geopenbaard en aan het licht gebracht.
niet gehoord,
Te weten van uwe sterrenkijkers en waarzeggers.
Hertaald:
niet gehoord,
Namelijk: van uw sterrenwichelaars en waarzeggers.
dat gij gans
Hebreeuws, dat gij trouwelooslijk handelende trouwelooslijk handelen zoudt, te weten aan mij.
Hertaald:
dat gij gans
Hebreeuws: dat u trouweloos handelend trouweloos zou handelen, namelijk tegenover Mij.
van den buik
Dat is, van dien tijd af dat gij ontvangen en geboren zijt, en verder ook van den tijd af, dat Ik u geroepen en tot mijn volk aangenomen heb.
Hertaald:
van den buik
Dat is: vanaf de tijd dat u ontvangen en geboren bent, en verder ook vanaf de tijd dat Ik u geroepen en tot Mijn volk aangenomen heb.
genaamd zijt
Versta hierbij, en gij zijt het ook inderdaad geweest; of gij hebt u alzo gehouden en gedragen, dat men u wel met recht alzo mag noemen.
Hertaald:
genaamd zijt
Vul hierbij aan: en u bent het ook werkelijk geweest; of: u hebt zich zo gedragen dat men u met recht zo mag noemen.
langer
Of verlengen, of vertrekken.
Hertaald:
langer
Of: verlengen, of uitstellen.
u ten goede,
Of, uwenthalve. Anders: tegen u.
Hertaald:
u ten goede,
Of: omwille van u. Anders: tegen u.
bedwingen,
Anders: verzegelen; dat is, inhouden, tomen, terughouden.
Hertaald:
bedwingen,
Anders: verzegelen — dat is: inhouden, beteugelen, terughouden.
afhouwe
Gelijk men een boom afhouwt, dien men uitroeien wil.
Hertaald:
afhouwe
Zoals men een boom omhakt die men wil uitroeien.
gelouterd,
Te weten door kruis, ellende en tegenspoed.
Hertaald:
gelouterd,
Namelijk: door kruis, ellende en tegenspoed.
niet als zilver,
Te weten niet zo dikwijls noch zo nauw als men zilver loutert, opdat gij niet geheel vergaat; of, niet met het zilver; dat is, Ik zal u in den smeltkroes met het zilver niet tegelijk beproeven, gelijk men het valse zilver door het goede in een en denzelfden smeltkroes tegelijk beproeft. De zin is: Ik zal u wel met kruis bezoeken, maar Ik zal het matigen. Zie 1 Petr. 1:7 .
Hertaald:
niet als zilver,
Namelijk: niet zo vaak en niet zo scherp als men zilver loutert, opdat u niet geheel vergaat. Of: niet met het zilver — dat is: Ik zal u niet samen met het zilver in de smeltkroes beproeven, zoals men vals zilver samen met het goede in één en dezelfde smeltkroes beproeft. De betekenis is: Ik zal u wel met kruis bezoeken, maar Ik zal het matigen. Zie 1 Petr. 1:7.
gekeurd
Te weten als gereinigd, gelouterd en uitgelezen goud of zilver, dat in den smeltoven gelouterd is. Zie Spr. 17:3 , en Spr. 27:21 . De zin is: Als Ik u door mijne genade zolang in het kruis zal hebben laten steken, totdat gij u met ware hartgrondige boete tot mij bekeert, zal Ik u weder weldadigheid bewijzen.
Hertaald:
gekeurd
Namelijk: als gereinigd, gelouterd en uitgelezen goud of zilver dat in de smeltoven gelouterd is. Zie Spr. 17:3 en Spr. 27:21. De betekenis is: wanneer Ik u door Mijn genade zo lang in het kruis zal hebben laten zitten totdat u zich met waar, hartgrondig berouw tot Mij bekeert, zal Ik u weer weldaden bewijzen.
Hij ontheiligd worden
Te weten mijn naam, vs.9, ontheiligd worden; dat is, bespot en gesmaad worden, alsof Ik niet getrouwelijk met mijn volk gehandeld had, maar dat Ik het geheel verlaten had, daar Ik het toch anders beloofd had.
Hertaald:
Hij ontheiligd worden
Namelijk: Mijn Naam, vers 9, ontheiligd worden — dat is: bespot en gesmaad worden, alsof Ik niet trouw met Mijn volk gehandeld had maar het geheel verlaten had, terwijl Ik het toch anders beloofd had.
o Jakob . . . Israël
Dat is, gij nakomelingen van Jakob, die Ik tot mijn volk uitverkoren en geroepen heb.
Hertaald:
o Jakob . . . Israël
Dat is: u, nakomelingen van Jakob, die Ik tot Mijn volk uitverkoren en geroepen heb.
met de palm
Hebreeuws, gepalmd, of omspannen. Zie Jes. 40:12 .
Hertaald:
met de palm
Hebreeuws: gepalmd, of omspannen. Zie Jes. 40:12.
staan
Dat is, zij verschijnen en staan straks vaardig tot mijn dienst; ene manier van spreken genomen van de dienaars der koningen en prinsen. Zie 1 Kon. 10:8 ; of aldus: als Ik hen riep, stonden ze daar tezamen; te weten in de schepping.
Hertaald:
staan
Dat is: zij verschijnen en staan meteen gereed tot Mijn dienst; een manier van spreken die ontleend is aan de dienaars van koningen en vorsten. Zie 1 Kon. 10:8. Of zo: toen Ik hen riep, stonden zij daar samen, namelijk bij de schepping.
zij daar te zamen
Te weten de hemelen en alle creaturen. Zie Ps. 147:4 .
Hertaald:
zij daar te zamen
Namelijk: de hemelen en alle schepselen. Zie Ps. 147:4.
onder hen
Te weten de afgoden der heidenen, van welke melding gemaakt is boven vs.5.
Hertaald:
onder hen
Namelijk: de afgoden van de heidenen, waarvan hierboven in vers 5 melding gemaakt is.
hem
Te weten Cores.
Hertaald:
hem
Namelijk: Cores.
lief,
Te weten zoverre, dat Hij hem zijnen zegen en voorspoed tegen de Babyloniërs geven zal. Zie Jes. 45:1 .
Hertaald:
lief,
Namelijk: in die mate dat Hij hem Zijn zegen en voorspoed tegen de Babyloniërs zal geven. Zie Jes. 45:1.
Hij zal
Te weten Cores.
Hertaald:
Hij zal
Namelijk: Cores.
Zijn welbehagen
Te weten des Heeren welbehagen. De zin is: Cores zal, naar des Heeren welbehagen, Babel verstoren en de Joden uit de Babylonische gevangenschap verlossen.
Hertaald:
Zijn welbehagen
Namelijk: het welbehagen van de HEERE. De betekenis is: Cores zal naar het welbehagen van de HEERE Babel verstoren en de Joden uit de Babylonische gevangenschap verlossen.
Zijn arm
Te weten Gods arm, dat is macht, of zijn, te weten Cores' arm. Anders: hoewel de Chaldeën zijn arm geweest zijn. De zin is: Ofschoon God de Heere de Chaldeën gebruikt heeft om zijn volk te kastijden en om zijne macht te doen blijken; zo zal Hij hen evenwel, als een roede of slaanden staf verbreken en door Cores onderdrukken.
Hertaald:
Zijn arm
Namelijk: Gods arm, dat is: Zijn macht; of: zijn arm, namelijk die van Cores. Anders: hoewel de Chaldeeën Zijn arm geweest zijn. De betekenis is: hoewel God de HEERE de Chaldeeën gebruikt heeft om Zijn volk te kastijden en om Zijn macht te laten blijken, zal Hij hen toch als een roede of slaande staf verbreken en door Cores ten onder brengen.
heb Ik
Dat is, Ik zal hem ter bekwamer tijd roepen, want Cores was toen nog niet geboren, als Jesaja dit van hem profeteerde. Zie de aantekening Jes. 44:28 .
Hertaald:
heb Ik
Dat is: Ik zal hem op de juiste tijd roepen, want Cores was nog niet geboren toen Jesaja dit over hem profeteerde. Zie de aantekening bij Jes. 44:28.
hem geroepen;
Te weten Cores, gelijk boven Jes. 45:1 .
Hertaald:
hem geroepen;
Namelijk: Cores, zoals hierboven in Jes. 45:1.
Nadert gijlieden
Dit spreekt de profeet tot de Joden, hen tot zich roepende om hen meer en meer te versterken en te bevestigen in hetgeen hij hun tevoren verkondigd heeft.
Hertaald:
Nadert gijlieden
Dit spreekt de profeet tot de Joden, terwijl hij hen tot zich roept om hen meer en meer te versterken en te bevestigen in wat hij hun tevoren verkondigd heeft.
Ik heb
Alsof de profeet zeide: Ik heb ulieden niet verzwegen van zulks als mij de Heere bevolen heeft u te verkondigen; maar ik heb het u al tezamen klaarlijk en duidelijk te kennen gegeven.
Hertaald:
Ik heb
Alsof de profeet zei: ik heb u niets verzwegen van wat de HEERE mij bevolen heeft u te verkondigen, maar ik heb het u alles helder en duidelijk te kennen gegeven.
van den beginne
Hebreeuws, van het hoofd.
Hertaald:
van den beginne
Hebreeuws: van het hoofd.
dat het geschied is,
Dat is, dat het de Heere mij geopenbaard heeft. Anders: dat het daar geweest is, ben ik, of was ik, dat is, ik heb met vlijt en naarstigheid op mijn profetisch ambt gepast; zie Jes. 21:8 .
Hertaald:
dat het geschied is,
Dat is: dat de HEERE het mij geopenbaard heeft. Anders: van de tijd dat het er geweest is, ben ik of was ik daar — dat is: ik heb met vlijt en toewijding op mijn profetisch ambt gelet; zie Jes. 21:8.
heeft Mij gezonden
Dewijl ik een afgezant ben van onzen groten God, zo behoorde men mij te horen en geloof te geven.
Hertaald:
heeft Mij gezonden
Omdat ik een afgezant van onze grote God ben, behoorde men mij te horen en geloof te schenken.
uw vrede
Dat is, uw welstand. Zie Ps. 37:11 .
Hertaald:
uw vrede
Dat is: uw welstand. Zie Ps. 37:11.
als een rivier,
Dat is, overvloedig en altijddurende, gelijk en rivier altijd vliet.
Hertaald:
als een rivier,
Dat is: overvloedig en altijd voortdurend, zoals een rivier altijd stroomt.
uw gerechtigheid
De vrucht uwer gerechtigheid, te weten de gelukzalige staat uwer regering, die gevolgd zou zijn indien gij u ter gerechtigheid hadt begeven; zie de aantekening Ps. 24:5 .
Hertaald:
uw gerechtigheid
De vrucht van uw gerechtigheid, namelijk de gelukkige staat van uw bestuur, die gevolgd zou zijn wanneer u zich op de gerechtigheid had toegelegd; zie de aantekening bij Ps. 24:5.
als de golven
Dat is, overvloediglijk, bovenmate veel.
Hertaald:
als de golven
Dat is: overvloedig, bovenmate veel.
uw zaad
Dat is, uwe kinderen.
Hertaald:
uw zaad
Dat is: uw kinderen.
als het zand,
Te weten in menigte.
Hertaald:
als het zand,
Namelijk: in aantal.
die uit
Dat is, de kinderen, die uit u zouden voortkomen. Zie de aantekening Job 5:25 .
Hertaald:
die uit
Dat is: de kinderen die uit u zouden voortkomen. Zie de aantekening bij Job 5:25.
uw ingewanden
Dat is, uw lichaam.
Hertaald:
uw ingewanden
Dat is: uw lichaam.
deszelfs
Te weten van het zand.
Hertaald:
deszelfs
Namelijk: van het zand.
steentjes;
Anders, grof zand, of kiezelstenen.
Hertaald:
steentjes;
Anders: grof zand, of kiezelstenen.
afgehouwen,
Zie vs.9.
Hertaald:
afgehouwen,
Zie vers 9.
vliedt
Dat is, trekt haastelijk weg als ontvluchtende, opdat gij niet mede ingewikkeld wordt in het gestreng oordeel, hetwelk God over de Babyloniërs zal brengen. Zie Jer. 51:6 ; Openb. 18:4 .
Hertaald:
vliedt
Dat is: trekt haastig weg als vluchtelingen, opdat u niet mee betrokken raakt in het strenge oordeel dat God over de Babyloniërs zal brengen. Zie Jer. 51:6 en Openb. 18:4.
verlost
Te weten uit de Babylonische gevangenschap en uit andere ellende meer.
Hertaald:
verlost
Namelijk: uit de Babylonische gevangenschap en uit nog andere ellende.
En
Te weten zegt ook.
Hertaald:
En
Namelijk: zegt ook.
Zij hadden
Te weten de Joden, die uit Babel naar Judea door de woestijn trekken zouden.
Hertaald:
Zij hadden
Namelijk: de Joden, die uit Babel door de woestijn naar Judea zouden trekken.
geen dorst,
De Heere heeft eertijds zijn volk met allerlei nooddruft verzorgd, toen Hij hen door de woestijn naar het land Kanaän voerde. Alzo belooft hier de Heere dat Hij zijn volk ook verzorgen zou, als Hij het uit Babel naar het Joodse land wederom brengen zou en voorts zijne kerk geestelijk verlossen en zaligmaken; zie boven Jes. 43:19-20 .
Hertaald:
geen dorst,
De HEERE heeft vroeger Zijn volk van alle nooddruft voorzien toen Hij hen door de woestijn naar het land Kanaän voerde. Zo belooft de HEERE hier dat Hij Zijn volk ook zou verzorgen wanneer Hij het uit Babel weer naar het Joodse land zou brengen, en verder dat Hij Zijn kerk geestelijk zou verlossen en zalig maken; zie hierboven Jes. 43:19-20.
Hij hen leidde
Te weten de Heere.
Hertaald:
Hij hen leidde
Namelijk: de HEERE.
Hij deed hun water
Zie Ex. 17:6 ; Num. 20:11 ; Ps. 105:41 .
Hertaald:
Hij deed hun water
Zie Ex. 17:6, Num. 20:11 en Ps. 105:41.
de goddelozen
Dat is, de ongelovigen, de afgodendienaars, zij zijn dan Babyloniërs of Joden.
Hertaald:
de goddelozen
Dat is: de ongelovigen en de afgodendienaars, of dat nu Babyloniërs of Joden zijn.
geen vrede,
Dat is, geen welvaart, noch naar de ziel, noch naar het lichaam. Zie boven vs.18, en onder Jes. 57:21 .
Hertaald:
geen vrede,
Dat is: geen welvaart, niet naar de ziel en niet naar het lichaam. Zie hierboven vers 18 en hieronder Jes. 57:21. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het hoofdstuk begint met een aanspraak die eerst vleiend klinkt en dan omslaat: zij zweren bij de Naam des HEEREN en noemen zich naar de heilige stad, "maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid" (Jes. 48:1-2). Er staat bij waarom God de dingen tevoren aankondigde: "Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper" (Jes. 48:4); anders zouden zij gezegd hebben dat hun afgod het gedaan had (Jes. 48:5). Dan volgt het beeld van de smeltoven: "Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende" (Jes. 48:10). En het gedeelte sluit met de reden van het geheel: "Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen" (Jes. 48:11). In datzelfde vers staat er nog een zin achter: "Ik zal Mijn eer aan geen ander geven". Bijbelse betekenis: Merk op wat er in Jes. 48:10 staat en wat er niet staat. Er staat niet dat het volk als zilver gelouterd is, maar juist dat het níet als zilver ging; wie zilver smelt, houdt zuiver metaal over, en dat was hier de uitkomst niet. De oven deed zijn werk, en toch bleef de nek van ijzer. Let vervolgens op de reden die tweemaal genoemd wordt: om Mijnentwil. Het volk krijgt uitdrukkelijk te horen dat de grond van zijn behoud niet in hemzelf ligt. Dat is vernederend en tegelijk het enige wat vast is, want wat in de mens ligt is juist zojuist beproefd en ontoereikend gebleken. Let ten slotte op de aanhef. Men zweert bij de rechte Naam en beroept zich op de rechte stad, maar niet in waarheid. Een juiste belijdenis is dus geen bewijs; dat is dezelfde zaak als bij het naderen met de lippen (reeds behandeld bij Jes. 29:13). Typologie: Petrus gebruikt hetzelfde beeld, maar met de andere uitkomst: de beproeving van het geloof is er een "die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt" (1 Petr. 1:7). En Paulus noemt dezelfde grond als Jes. 48:11 wanneer hij zegt dat alles is "tot prijs der heerlijkheid Zijner genade" (Ef. 1:6). Jes. 48:1-11; Jes. 29:13; 1 Petr. 1:7; Ef. 1:6 "Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet" (Jes. 48:17). Daarop volgt de zin die het hoofdstuk zijn toon geeft: "Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee" (Jes. 48:18). Ook het nageslacht wordt genoemd: het zou geweest zijn als het zand (Jes. 48:19). En dan komt de opdracht die op de terugkeer vooruitloopt: "Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeen, verkondigt met de stemme des gejuichs" (Jes. 48:20). Het hoofdstuk eindigt met een korte, harde regel: "Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE" (Jes. 48:22). Bijbelse betekenis: Merk op hoe deze zin gebouwd is. Het is geen dreigement en geen verwijt achteraf, maar een uitroep over wat er had kunnen zijn. God zegt hier wat Hij Zijn volk gegund had, en dat maakt het zwaarder dan een straf. Let vervolgens op de twee beelden in Jes. 48:18. Een rivier en de golven van de zee hebben dit gemeen dat zij niet ophouden; wat gemist wordt is dus geen enkele goede dag maar een vrede die blijft doorstromen. Let ten slotte op de plaats van Jes. 48:17. Vóór de klacht staat wie Hij is: Verlosser, en Een Die leert wat nut is en leidt op de weg. De klacht komt dus niet van iemand die het volk in de steek liet, maar van Wie het onderwijs gaf dat men niet wilde. Typologie: De Heere Jezus spreekt dezelfde uitroep over Jeruzalem: "Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen" (Luk. 19:42). En Hij roept met dezelfde woorden als Jes. 48:17 tot Zich: "Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij" (Matt. 11:29). Jes. 48:17-22; Luk. 19:42; Matt. 11:29 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Ik heb u beproefd in de smeltkroes van ellende. Jesaja 48 vers 10 Word je op dit moment beproefd? Troost jezelf… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest. Jesaja 48:8… Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. Jesaja 48:10 Deze tekst heeft lang op een zichtbare plaats aan de muur van onze slaapkamer gehangen en het… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 48
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Beproefd in de smeltkroes van ellende
Een opmerkzaam hart
Uitverkoren mensen


Jesaja 48
Jesaja 48:1.KruisverwijzingenPsalmen 68:26→Jeremia 4:2→Deuteronomium 33:28→Jesaja 65:16→Jesaja 45:23→Numeri 24:7→Deuteronomium 6:13→Jeremia 5:2→
— Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israel, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israels, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.
Er waren altijd valse belijders, en ik veronderstel dat er altijd zullen zijn tot Christus komt. Er was een Judas onder de twaalf apostelen, en wij hoeven ons er niet over te verwonderen dat wij zulke mensen in elke gemeente vinden. Maar wat een verschrikkelijk ding is het de naam van God te dragen en Hem toch niet werkelijk te dienen, christen genoemd te worden en toch niet als Christus te zijn! Het moet God ten hoogste tergen dat men naar Zijn Naam genoemd wordt en die naam dan beschimpt door er niet getrouw aan te zijn.
Jesaja 48:2.KruisverwijzingenMicha 3:11→Jesaja 52:1→Jesaja 10:20→Romeinen 2:17→Jeremia 21:2→Jesaja 64:10→Jesaja 51:13→Jeremia 7:4→
— Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
Zij geven voor op Hem te vertrouwen, maar zij hebben Hem niet lief; zij noemen zich naar de heilige stad, maar zij zijn stellig geen heilige burgers. Ach, dat God over zo’n zaak als deze moet spreken! Het is uit zichzelf duidelijk boos, maar zij willen het niet zien.
Jesaja 48:3.KruisverwijzingenJesaja 41:22→Jesaja 42:9→Jesaja 43:9→Jozua 21:45→Jesaja 45:21→Jesaja 44:7→Jesaja 37:29→Jesaja 37:36→
— De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;
Er is geen beter bewijs dat God God is dan dat Zijn profetieën vervuld zijn. Alleen de Eeuwige kan in de toekomst zien. Hij heeft het gedaan, en elk woord van Hem is óf vervuld, óf zal nog vervuld worden.
Jesaja 48:4-5.KruisverwijzingenExodus 32:9→Deuteronomium 31:27→Zacharia 7:11→Handelingen 7:51→Exodus 33:3→2 Kronieken 36:13→Spreuken 29:1→Lukas 1:70→
— Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper; Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.
Zie de zorg van God voor de hardnekkigste mensen. Hij weet dat zij de dingen zullen verdraaien, en daarom voorkomt Hij dat zoveel als mogelijk is. Hij vertelt hun wat er gebeuren zal, opdat zij daarna niet zouden zeggen dat hun afgoden het gedaan hebben. Ach, geliefde vrienden, God heeft in velen van ons grote belangstelling gehad! Hij heeft als het ware Zijn plannen gemaakt om ons buiten de zonde te houden; en toch zijn wij vaak uitgebroken en over heg en sloot gegaan op de wegen van de zonde. Wij hebben vastbesloten geleken kwaad te doen; wij waren hardnekkig op onheil gezet. Vandaar dat Hij van ons spreekt als hardnekkig: “uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper”. Zal God ooit in barmhartigheid spreken tot zulke mensen als deze? Wij zullen het zien als wij verder lezen.
Jesaja 48:6-8.KruisverwijzingenPsalmen 58:3→Jesaja 42:9→Jesaja 43:8→Mattheüs 10:27→Psalmen 40:9→Jesaja 21:10→Johannes 15:15→Romeinen 16:25→
— Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt. Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten. Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.
Wat een beschrijving! Trouweloos, vals, ja, door en door trouweloos, boven de gewone maat van trouwloosheid; overtreders van de geboorte af, aan de zonde gewend. Het hart zelf is verkeerd, en daarom is alles wat uit ons voortkomt verkeerd. En wat volgt er nu?
Jesaja 48:9.KruisverwijzingenPsalmen 78:38→Jesaja 48:11→Nehemia 9:30→Psalmen 103:8→Psalmen 143:11→Ezechiël 20:14→Spreuken 19:11→Ezechiël 20:9→
— Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.
“Ik kan u niet sparen om uzelfs wil; maar Ik zal u sparen om Mijns Naams wil. Ik kan u niet sparen vanwege iets goeds in u; maar Ik zal u sparen vanwege het goede in Mijzelf.” Kan God Zich in uw zaligheid verheerlijken, dan vindt Hij daarin een gezegende drijfveer om u te behouden; en omdat er in u geen verdienste is, valt Hij terug op Zijn eigen eer en behoudt Hij u om Zijns Naams wil.
Jesaja 48:10.KruisverwijzingenDeuteronomium 4:20→Jeremia 9:7→Spreuken 17:3→Ezechiël 22:18→Job 23:10→Psalmen 66:10→1 Petrus 1:7→Hebreeën 12:10→
— Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.
U die zondig bent en toch een van Zijn eigen kinderen: Hij zal u telkens opnieuw louteren, en Hij zal Zich verheerlijken door u te behouden.
Jesaja 48:11.KruisverwijzingenEzechiël 20:9→Jesaja 42:8→Deuteronomium 32:26→Johannes 5:23→Ezechiël 20:22→Numeri 14:15→Ezechiël 20:44→Jeremia 14:7→
— Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
Dit vers moet als muziek klinken in het oor van iemand die barmhartigheid zoekt en niet kan ontdekken hoe die barmhartigheid tot hem komen kan.
“Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen… Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen.” Dit gedeelte laat de goddelijke liefde zien: eerst in de bekering van de zondaar, en ten tweede in het terugbrengen van de afgedwaalde. Gods barmhartigheid werd in de tijd van het Oude Testament aan zondaars én aan afgedwaalden bewezen, evenals in de tijd van de gemeente.
Het verslag van het Oude Testament wijst uit dat het volk van Israël in al zijn geslachten vol boosheid was. Tenslotte scheen de HEERE het moe te worden Zijn huis te houden onder zulke genadeloze kinderen en ontrouwe knechten, en zo brak Hij het huis geheel af. Hij gaf Zijn tempel over om verwoest te worden, heel het land om verscheurd te worden, en de inwoners om gevankelijk naar Babel weggevoerd te worden. De HEERE was toornig op Zijn erfdeel, en daarom gaf Hij Zijn heilig en schoon huis aan het vuur over; het beeldhouwwerk daarvan werd met hamers afgebroken, terwijl heel de Joodse staat volkomen verbrijzeld werd, zodat het hele koninkrijk verdween.
En toch is de onveranderlijkheid van God in Zijn liefde zodanig, dat Hij Zijn volk nog niet lang in gevangenschap gezonden had toen Zijn hart Zich alweer naar hen uitstrekte. De HEERE zocht in hun vroegere handel en wandel een grond om barmhartigheid te bewijzen, en vond er geen. Hij zag hun tegenwoordige karakter aan om een pleitgrond te vinden, en vond er geen; want zelfs onder de roede betoonden zij hardheid van hart, zodat ook de ogen van de barmhartigheid geen grond voor gunst in hen konden ontdekken.
Wat moest de HEERE dan doen? Hij zou niet zonder grond handelen: er moest iets zijn om Zijn barmhartigheid te rechtvaardigen en de wijsheid van Zijn weg te tonen. En daar er in de overtreder niets is, waar zou de barmhartigheid dan haar pleitgrond vinden? Zie hier de vindingrijkheid van de eeuwige liefde. De HEERE valt terug op Zichzelf, en vindt in Zichzelf een grond voor Zijn genade. Hij zou het doen om Zijns Naams wil, en Hij zou Zijn eer aan geen ander geven. Hij vond een drijfveer in Zijn eigen eer, die met het bestaan van Israël verbonden was en die door hun ondergang aangetast zou zijn; en zo keerde Hij Zich in liefde en goedheid tot hen. Cores schreef het bevel van de vrijlating, de Israëlieten kwamen terug in het land, en opnieuw genoten zij de vruchten van het beloofde land.
Jesaja 48:12-13.KruisverwijzingenJesaja 41:4→Jesaja 40:26→Openbaring 22:13→Jesaja 55:3→Exodus 20:11→Hebreeën 1:10→Psalmen 102:25→Jesaja 46:3→
— Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israel, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste. Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.
Wat een grote God is Hij, wiens rechterhand de hemelen omspande en die als het ware het gewelf van de lucht met de span van Zijn hand maakte!
Jesaja 48:14-15.KruisverwijzingenJesaja 43:9→Jesaja 45:20→Jeremia 50:21→Jesaja 13:17→Jesaja 13:4→Jesaja 46:10→Jesaja 41:22→Markus 10:21→
— Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeen zijn. Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.
Hij blijft bij de profetie stilstaan. God maakt aanspraak op de naam van God omdat Hij alles wat geschied is voorzegd heeft, wat de afgoden niet konden. En dan breekt God opnieuw uit in klachten over Zijn dwalende volk! Niet alleen is Hij bereid hun te vergeven, maar het bedroeft Hem dat zij zoveel smart over zichzelf gebracht hebben.
Jesaja 48:18-19.KruisverwijzingenJesaja 66:12→Jesaja 10:22→Deuteronomium 32:29→Genesis 22:17→Deuteronomium 5:29→Psalmen 119:165→Amos 5:24→Jesaja 32:15→
— Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee. Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als deszelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.
Alle mogelijke goed zou het uwe geweest zijn als u niet tegen God gerebelleerd had; en nu u het verloren hebt, bedroeft het God dat het zo is.
Jesaja 48:20.KruisverwijzingenJesaja 52:9→Zacharia 2:6→Jeremia 50:8→Jeremia 51:6→Jeremia 51:45→Jesaja 49:13→Openbaring 18:4→Jeremia 31:10→
— Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeen, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!
Wat een grootse boodschap om te vertellen! Vertel het, vertel het, vertel het overal, dat de HEERE Zijn volk verlost heeft.
Jesaja 48:21.KruisverwijzingenExodus 17:6→Jesaja 30:25→Psalmen 105:41→Numeri 20:11→Jesaja 43:19→Psalmen 78:15→Jesaja 35:6→Jesaja 41:17→
— En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.
En u zult ook geen dorst hebben, verloste, wanneer u in de woestijn bent! De onwaarschijnlijkste plaatsen zullen u hulp verschaffen. En toch staat er, om het hoofdstuk te besluiten, deze opmerkelijke zin:
Jesaja 48:22.KruisverwijzingenJesaja 57:21→Job 15:20→Lukas 19:42→Romeinen 3:17→
— Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.
O God, ontferm U over ons, en laat ons niet onder hen gerekend worden!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IX. Vs. 1-22.KruisverwijzingenMicha 3:11→Exodus 32:9→Deuteronomium 4:20→Psalmen 68:26→Jeremia 4:2→Jesaja 52:1→Jesaja 10:20→Romeinen 2:17→
— Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israel, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israels, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid. Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels; HEERE der heirscharen is Zijn Naam. De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen; Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper; Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen. Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt. Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten. Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt. Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe. Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.
In deze laatste rede der eerste groep vinden wij het slot van het tot hiertoe behandelde thema en van de tegenstelling, die dit gehele derde deel beheerst (zie Inl. op Hoofdstuk 41). De Heere keert Zich nu tot Zijn volk in de ballingschap, dat zich op den groten naam beroemt, van welken het zijne afkomst heeft, en op de heilige stad, waartoe het behoort, dat ook met de belijdenis der lippen zich aan Hem houdt, hoewel het hart nog niet in de rechte verhouding tot Hem is. Hij waarschuwt daarvoor, dat Israël niet, wanneer hetgeen Hij van de nabij zijnde toekomst heeft laten verkondigen vervuld wordt, aan zijne afgoden toeschrijve of als ene natuurlijke, van zelfsprekende gebeurtenis opvatte; integendeel Israël moet Zijne goedheid en lankmoedigheid erkennen en de gedachten ter redding verstaan, voor wier verwezenlijking Hij door middel der verlossing door Cyrus den weg baant. Terwijl de vermaning in die verwezenlijking zelf reeds ingrijpt en op eens Hem, door wie zij geschiedt, den Zoon des Vaders sprekende invoert, nodigt zij, op zeer uitlokkende wijze tot het aannemen van de zaligheid in Christus Jezus en sluit de goddeloze en tegenstrevende harten voor eeuwig van de zaligheid uit.
Hoor nu dit, wat Ik, de Heere, op grond van het in ‘t vorig hoofdstuk gezegde nog verder zal zeggen, en neem het ter harte, gij huis van Jakob, gij ballingen van het zuidelijke rijk (Hoofdstuk 46:3), die genoemd wordt met den naam van Israël, en die uit de wateren van Juda voortgekomen zijt, die aan de ene zijde aan den erenaam Israël even goed deel hebt als de vroegere leden van het noordelijk rijk, welke zich dezen naam alleen wilden toe-eigenen; maar aan de andere zijde boven hen vooruit hebt, dat gij tevens behoort tot de lijn der bijzondere belofte in Israël (Gen. 49:8 vv.), als de bron van uwen oorsprong (Ps. 68:27)! die ook, wat de uitwendige godsdienstbelijdenis aangaat, zweert bij den naam des HEREN (Deut. 10:20), en vermeldt den God Israël’s, Hem prijzende als den enigen Helper (Ps. 20:8 maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid, zodat met de belijdenis der lippen ook de inwendige gezindheid des harten zou overeenstemmen (Zach. 8:8).
De ballingen in Babel worden hier genoemd: het huis van Jakob, voortgekomen uit de wateren van Juda, en verder wordt van hen gezegd dat zij den dienst des Heren onderhouden, echter niet in waarheid of in gerechtigheid. Dit laatste wil zeggen, dat zij nog wel voor het uiterlijke vasthouden aan ‘s Heren dienst, en gebroken hebben met de afgoden, maar ook alleen voor het uitwendige, zodat het geen invloed heeft op hart en leven.
Ja mensen van de heilige stad Jeruzalem (Hoofdstuk 52:1) worden zij genoemd, en zij moesten daarom zelf heilige mensen zijn, en zij steunen op den God Israël’s 1): HEERE der heirscharen is Zijn naam, zo noemen zij Hem, en zij denken, dat de Almachtige hen helpen zal, doch helaas! hun hart is verre van Mij.
Beter: “En beroemen zich op den God Israël’s, wiens neem is Heere Zebaoth. ” Zonder waarachtige gerechtigheid op God steunen is een misdadige overmoed, al kan men zich daartoe ook beroepen op het erfdeel der beloftenissen, die aan Israël’s vaderen (Gen. 49:10) gegeven zijn, op de uiterlijke Godsverering naar de wet van Mozes en op het burgerschap der heilige stad Jeruzalem (Jes. 52:1), of op het lidmaatschap der “zaligmakende Kerk. ” Wie God niet vreest kan Hem niet lief hebben, en wie God niet van harte vreest en lief heeft, kan in Hem in der waarheid geen vertrouwen stellen. De berisping, die Jesaja hier in den geest tot de gevangenen in Babel richt, trof bovenal zijne tijdgenoten (Jes. 1:11-17), die deze woorden lazen.
En als de tweede omstandigheid voor Mij ene reden is tot spreken, en aan Mijne rede haren inhoud aangeeft, zo legt het eerste, dat gij u ten minste uiterlijk aan Mij vasthoudt, u den plicht op om te horen naar hetgeen Ik zeg, en dit is het wat Ik u te zeggen heb: De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af reeds lang en uit Mijnen mond zijn zij voortgekomen als Goddelijke voorzegging, en Ik heb ze doen horen uit den mond Mijner profeten; Ik heb ze ook, toen de tijd der vervulling was gekomen, snellijk gedaan, en zij zijn gekomen, juist zo als ze zijn voorzegd.
Met die voorzegging had Ik ten doel, u, Mijn volk, van uwe afgoderij tot een levend geloof in Mij, den enigen waren God te bekeren, omdat Ik wist, dat gij hard van harte zijt (Ezechiël. 2:4; 3:7), en uw nek een ijzeren zenuw is (Job 10:11), en uw voorhoofd koper 1) zodat het gericht der Babylonische ballingschap op zich zelven u niet tot zulk een geloof kan brengen (Jer. 5:3).
Dit is, dat zij zo stijfzinnig en verkeerd waren, dat zo Hij de wonderen Zijner voorzienigheid niet door voorzeggingen had onderschraagd, zij dezelve geloochend of als zaken zouden aangemerkt hebben, die in de macht van de afgoden stonden. God wist dat zij moedwillig hard en verhard waren en zeer ongeneigd en onbekwaam om zich te buigen, en aan het juk Zijner boeien te onderwerpen, ongezind om terug te zien op Gods vorige daden en handelingen met hen, onbuigzaam voor Zijn wil, afkerig van zijn oogmerk, onhandelbaar voor Zijn woord en bestuur, en dus geheel en al aan zich zelf en aan de wereld overgegeven, waarbij kwam de uiterste onbeschaamdheid, zodat zij zonder te blozen op een onbevreesde en vermetele wijze handelden naar het goeddunken van hun hart.
Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd; eer dan het kwam heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen; want tot in de ballingschap toe zal de neiging tot alle gruwelen der afgoderij u aanhangen (Ezechiël. 20:30 vv.).
Gij hebt hetgeen aan Babel en zijne afgoden geschieden zal (Hoofdstuk 26 en 27) reeds nu gehoord, hoewel nog ene tijdruimte van bijna 170 jaren vooraf verlopen zal, aanmerkt dat alles; zult gijlieden na verloop van dien tijd het ook niet verkondigen, niet roemende moeten bedenken, dat alles zo is gekomen, als Ik het had laten voorzeggen, en daardoor eindelijk erkennen, dat Ik de enige waarachtige God ben (Hoofdstuk 43:10; 44:8)? van nu af doe Ik nieuwe dingen 1) horen, niet alleen iets toekomstigs, maar tevens iets nieuws, in zo verre het uit de aanwezige tijdsomstandigheden zich geenszins ontwikkelt, maar als iets buitengewoons, iets onvoorbereids in de geschiedenis voorkomt, en verborgene dingen voor alle menselijke berekening, en die gij niet geweten hebt, zelfs niet kon gissen.
De nieuwe dingen zijn zonder twijfel de verlossing uit Babel, de terugkeer naar Jeruzalem, maar ook de bekering der Heidenen. Al wat de Heere in de vorige hoofdstukken zijn volk heeft doen horen. De Heere zegt, dat Hij hun die dingen niet eerder heeft verkondigd, opdat zij ze niet aan de afgoden zouden toeschrijven, maar ook opdat zij zich niet aan hun overtreding zouden overgeven, wetende dat de Heere hen toch zou verlossen. Er was dus niets in Israël, wat den Heere bewegen kon om het te verlossen, maar zo is er ook niets in de Kerk, waarom Hij haar zou genadig zijn. In vs. 9 wordt dan ook de grond en enige oorzaak aangegeven.
Nu zijn ze geschapen, en niet van toen van voor langen tijd af; als iets geheel nieuws, waarvan niet van voor lang de oorsprong aanwezig was, komt het, en vóór dezen dag hebt gij zij ook niet gehoord, het is iets verborgens, waarop een mens zelfs niet enen dag te voren met zijne gedachten komt; opdat gij niet misschien, wanneer het gebeurt, zeggen zoudt: Ziet, ik heb zij geweten, ik dacht het wel en kon wel verwachten, dat het zo komen zou.
Ook hebt gij ze niet gehoord van andere zijde, noch van uwe eigene valse profeten, noch van de waarzeggers en verklaarders der voortekenen onder de Babyloniërs, daar geen van beide een woord daarvan hebben laten vernemen; ook hebt gij ze niet geweten, door eigene berekening; ook van toen af van vóór langen tijd af, dat Ik het door Mijne profeten liet voorzeggen, is uw oor niet geopend geweest, dat gij van de profetie een weten omtrent dit toekomstige, dit nieuwe zoudt bewaard hebben; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en in ‘t geheel niet zoudt letten op ‘t geen Ik door Mijne profeten liet voorzeggen, en dat gij, even als uw stamvader Jakob, een onderkruiper was (Gen. 25:26; 27:36) gij van den buik af een overtreder (Ps. 95:10 v. daarom kon Ik, zonder aan het toekomstige, aan het nieuwe iets van zijn karakter, iets verborgens (vs. 6) te ontnemen, het lang te voren laten verkondigen.
Om Mijn naams wil zal Ik, wanneer Ik ondanks zulk ene trouweloosheid en geneigdheid tot afval, ene toekomst heb te verkondigen, die uitzicht geeft op verlossing van straf (vs. 3), Mijnen toorn langer uitstellen, die niet reeds nu in volle mate voor u laten uitbreken, en
om Mijns roems 1) wil, opdat het gehele verlossingsplan, waarop uw gehele bestaan gericht is, ook ter vervulling kome, zal Ik u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe 2) niet uitroeie, gelijk anders zou geschied zijn.
Jes. 43:21, 25.
Hier zegt de Heere zo duidelijk mogelijk, waaraan Israël zijn redding te danken had. Ziet Israël had vanwege zijn zonden zich waardig gemaakt, dat het immer in Babels gevangenschap bleef zuchten, maar dan hadden de Heidenen ook gezegd, dat de Heere Zijn verbond had verbroken, dat de trouweloosheid van Zijn volk Gods trouw had te niet gedaan. Gods ere, de eer van zijn Goddelijk wezen en de roem van Zijn Naam waren er mede gemoeid, dat Israël niet onderging in de ballingschap. En daarom, om Zijns Naams wil, om Zijns roems wille, zou de Heere zijn toorn verlengen, zou de Heere zijn genade openbaren en Israël verlossen.
Zij zijn toch Gods geroepenen, geroepen naar Zijn eeuwig voornemen, geroepen en getrokken door Hem uit Egypte en nu weer uit Babylonië, en dus een volk, hetwelk Hij met een onderscheiden naam, bij hun naam riep en nog roept.
Ziet Ik heb in plaats van u te vernietigen, u gelouterd, doch niet als zilver, waarbij het te doen is om daardoor ene afzondering der andere bestanddelen van het reeds voorhanden goede metaal te verkrijgen; Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende; Ik heb kruis en tegenspoed over u gebracht, om u geheel en al te zuiveren. Klinkenberg vertaalt: “Ik heb u verkozen in den smeltkroes der ellende. ” En zegt dan: Het woord “verkiezen” wordt meermalen genomen voor liefhebben, gelijk Hoofdstuk 14:1, 1 waar het met ontfermen verwisseld wordt. Volgens deze opvatting wil de Heere dit zeggen: “Ik heb u wel in den smeltkroes der ellende gebracht, maar Ik heb u in dien smeltkroes niet laten omkomen, en gedurende dien tijd van ellende u Mijne liefde doen ondervinden, door het vuur der beproeving te matigen en daardoor uwe verbetering te bedoelen. ” Echter moeten wij de vertaling behouden van keuren. Ik heb u gekeurd. De Heere zegt het hier, hoe Hij Israël gelouterd heeft, maar niet als zilver, d. w. z. niet door een aards vuur, maar in den smeltkroes der ellende, d. i. door lijden en straf, opdat Israël zou gereinigd en geheiligd worden. Die ellende zou echter om Zijns Naams wille niet altijd duren, opdat Israël niet geheel werd verteerd. Dit wordt nog eens in het volgende vers bevestigd.
Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, zal Ik tot bekering en niet tot verderven voortgaan; want hoe zou Hij, de God van Israël. door de heidenen ontheiligd worden, alsof Zijne Godheid gene andere dan die van de afgoden der heidenen ware? en Ik zal Mijne eer aan genen anderen (Hoofdstuk 42:8) geven, maar zal als de alleen ware God ten laatste overal op aarde erkend en geprezen worden. Even als de gezamenlijke hoofdstukken van ons troostboek (zie Inl. op Hoofdstuk 40) die groepen bevatten, elk in drie maal drie redenen verdeeld, zo komt ook de afdeling, die uit de voor ons liggende 9 verzen (vs. 3-11) bestaat als een dergelijk geheel voor; deze toch bevat 3 van elkaar afgezonderde maar onderling verbondene zinnen, elk van drie verzen (vs. 3-5; 6-8; 9-11). Men merke op hoe vs. 3 met vs. 5, vs. 6 met vs. 8, en vs. 9 met vs. 11 in gedachte en uitdrukking overeenkomt, hoe verder het slotvers van den eersten zin (vs. 5) in het middelvers van den tweeden (vs. 7) ingrijpt, en wederom juist dit middelvers van den tweeden zin in het middelvers van den derden (vs. 10); eindelijk hoe de eerste zin in vs. 5 met den derden zin in vs. 11 door tegenstelling verbonden is.
Hoor (vs. 1) naar Mij, o Jakob! en gij Israël, Mijn geroepene, dien Ik tot Mijn knecht verkoren heb (Jes. 41:9)! Ik ben dezelfde, de waarachtige God, die alleen op dien naam recht heb (Deut. 32:39), de Onveranderlijke en Eeuwige a) Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste, (Hoofdstuk 41:4).
Jes. 44:6. Openbaring 1:17; 22:13.
Ook heeft Mijne hand de aarde gegrond, en Mijne rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten (Hoofdstuk 42:5; 44:24), wanneer Ik ze tot aanzijn roep, staan zij daar te zamen (Ps. 33:9).
Vergadert u, gij allen, die tot Mijn volk (vs. 12) behoort, en hoort naar Mijne vraag: wie onder hen, onder de afgoden der Heidenen, a) heeft deze dingen verkondigd, die Ik u ten opzichte van Cyrus gezegd heb (Jes. 43:9)? De HEERE heeft hem, dezen Cores, die eens overeenkomstig Mijne voorzegging zal verschijnen (Hoofdstuk 45:3) lief; Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn, volvoerende de hem opgedragene gerichten Gods.
Jes. 41:22, 23.
Ik, Ik heb het gesproken, wat van Cores gezegd is, en niet een der heidense goden; ook heb Ik hem geroepen, dat hij uit verre landen zou komen (Hoofdstuk 46:11); Ik zal hem doen komen op den door Mij bepaalden tijd, en hij zal voorspoedig zijn op zijnen weg door Mijnen almachtigen bijstand.
Nadert gijlieden tot Mij, gij, die tot Mijn volk behoort, hoort dit, wat Ik verder van Mij heb te getuigen. Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar Mij duidelijk genoeg aan u geopenbaard (Hoofdstuk 45:19), van dien tijd af, dat het geschied is, dat het optreden van Cyrus tot een geschiedkundig feit is geworden, ben Ik daar, ben Ik werkzaam tegenwoordig (Spr 8:27), om alles zo te schikken, dat het op uwe verlossing uitloopt; en nu, wanneer het uur der verlossing, en wel van uwe laatste, volkomen verlossing, waarvan die door Cyrus slechts een zwak voorbeeld is, zal gekomen zijn, de Heere HEERE zo valt de Verlosser, die dan komen zal, in de rede Gods in) en Zijn Geest heeft Mij gezonden 1); Mijn werk in veel sterkeren zin, dan dat van Cyrus, medewerkende, gelijk het dan ook niet door geweld van vleselijke wapenen, maar alleen door de kracht van Gods Geest tot stand moet komen (Hoofdstuk 42:1 vv. (Zach. 4:6)
De twee reeksen der beloften, Theophanie (Godsverschijning) en Messiasverschijning lopen zo dicht aan elkaar voort, dat zij van tijd tot tijd elkaar reeds bijkans raken, ofschoon het bepaalde woord der menswording voor het N. T. moet bewaard blijven. Hier, waar in Hoofdstuk 49:1 vv. de rede van dien Knecht van Jehova omtrent Zich zelven volgt, die Zich als hersteller van Israël en Licht der Heidenen geeft, en dus noch Israël als volk, noch de Schrijver dezer redenen kan zijn, is niets waarschijnlijker, dan dat bovenstaande woorden een preludium zijn van de in Hoofdstuk 49 beginnende rede van den enen Enigen Knecht van Jehova over Zich zelven. Alleen op die wijze is de hoogst mysterieuze wijze, waarop hier de rede van Jehova in die van Zijnen gezant verandert, te verklaren. Die spreekwijze is alleen te vergelijken met Zach. 2:12 vv. 4:9, waar de Spreker eveneens, niet de profeet, maar een boven dezen verhevene, Goddelijke bode is. Het “en nu” wil zeggen, dat Jehova, nadat Hij de verlossing van Israël, door voorspellender wijze die van Cyrus en van zijn wapengeluk te vermelden, aangevoerd heeft, den hier Sprekende gezonden heeft, om de voorbereide verlossing als Middelaar te volbrengen. Betere vertaling is: De Heere HEERE heeft Mij en Zijnen Geest gezonden. Velen vatten dit op van den Profeet, maar het is duidelijk dat hier de Zone Gods spreekt, de tweede Persoon van het Goddelijk Wezen. Deze is nu gezonden door den Vader, niet door den Geest. Geest is dus hier niet onderwerp, maar voorwerp. Gelijk in Haggai 2:6 ook van het Woord en van den Geest gesproken wordt, alzo ook hier bij Jesaja. De nauwe vereniging van de zending des Zoons en des Geestes wordt daarmee aangekondigd, “opdat de Zoon, ” zoals Vitringa zo juist aanmerkt, “de Kerk zou bevrijden en de Geest haar zou onderwijzen, wederbaren, reinigen, heiligen en troosten. ” Hij vertaalt dan ook: met den Geest.
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israël’s, verder tot u, o Israël! want gelijk gij aan het in woord en daad voorbereidende werk uwer verlossing Zijne onvergelijkbaarheid moest erkennen, zo hangt ook van de verhouding, die gij voortaan tot Zijn woord en gebod zult innemen, uwe toekomst af. Ik ben des HEERE, uw God, die alleen recht hebt uw leraar te zijn en ook de alleen ware ben, die u leert wat nut is, die u leidt op den weg, dien gij gaan moet, om tot zegen te komen (Hoofdstuk 42:16).
a) Och dat gij, in plaats van gelijk tot hiertoe Mijn woord te verachten en u te gedragen als een overtreder van ‘s moeders lijf aan, naar Mijne geboden geluisterd had, in geloof aannemende, wat Ik tot uw heil aanbied! zo zou ten gevolge der verlossing (vs. 16) uw vrede geweest zijn als ene rivier, zo rijkelijk over u gekomen zijn, dat gij er u als het ware in zoudt gebaad hebben, en uwe gerechtigheid als de golven der zee; 1) er zou over u, het nu zo zondige volk, ene gerechtigheid zijn gekomen, die u geheel en al bedekt, en uw gehele bestaan doordringt en u beheerst (Hoofdstuk 11:9; 66:12).
Deut. 32:29 Ps. 81:14
In deze en dergelijke plaatsen worden vervat Vermaningen tot gehoorzaamheid en afmaningen van de zonden, en wel gesterkt en aangedrongen met hare beloften en bedreigingen, welke opgehelderd worden zo met gelijkenissen als met voorbeelden. Dezelve behoren dus tot den wetgevenden wil, welke aangaande de uitkomst der gewilde dingen niets bepaalt, maar alleen het onderscheidbare verband van den plicht met des zelfs belofte te kennen geeft, en dat God met dezelve niets anders wil, dan dat de mensen tot de voorgeschreven plichten, onder beloften en bedreigingen, verplicht en verbonden zijn.
Ook zou uw zaad, terwijl nu de aan Abraham in Gen. 22:17 gegevene belofte tot volle verwezenlijking zou gekomen zijn, zo ontelbaar geweest zijn als het zand, en die uit uwe ingewanden voortkomen zo onmetelijk vele als zijne steenjes, als de afzonderlijke korrels zand, en dit uw zaad zou tevens een boom zijn geweest, wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht, dus een volk, dat in alle eeuwigheid bestaat en onvergankelijk is. Het is ene bedroevende gedachte, van welk geluk het volk, welks schreden Jehova steeds ten heil leiden wil, door zijne ongehoorzaamheid zich beroofd heeft. Ontelbaar als het zand aan de zee zou dan zijne menigte zijn, maar ook Zijn vrede het met de volheid der zee bedekken. Doch ‘t is anders gegaan door des volks eigene schuld. Nu weergalmt de roepstem der genade: “niet verdelgd en niet uitgeroeid zal zijn naam voor Mij zijn!” En dit woord is vervuld maar de naam is verslonden in dien van den Knecht Gods, die u in Israël’s kern in zichtbare verschijning opgetreden, als Zoon Gods een naam voert, die boven alle namen gaat. Zijn geslacht is als het zand aan de zee; Zijn vrede gold als de volheid der zee over de wereld.
a) Gaat uit van Babel, het land der dienstbaarheid en des verderfs (Jer. 51:6, 45), zo zal op eens een vreugdegeroep klinken tot allen, die in gehoorzaamheid des geloofs Mij zijn toegedaan (vs. 18); vliedt, maakt u in allerijl weg (Exod. 14:5) van de Chaldeeën, verkondigt op den weg tot het vaderland met de stemme des gejuichs, de grote dingen, die God aan u gedaan heeft (Ps. 126:3); doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, laat het een Evangelie voor de gehele mensheid zijn; zegt, bedient u van deze woorden bij die boodschap der vreugde: De HEERE heeft Zijnen knecht Jakob (Jes. 41:8) verlost.
Jes. 52:11. Jer. 50:8. Openbaring 18:4. Even als de eerste helft van het vers in 2 Kor. 6:7; Openbaring 18:4 op het inwendige geestelijke leven wordt toegepast, zo heeft de Christelijke kerk de tweede helft: “predikt het met vrolijk geschal, dat men het horen, brengt tot aan de einden der wereld: “De Heere heeft Zijnen Knecht Jakob verlost, tot introïtus op den Zondag Rogate gemaakt, en noemt daarnaar dezen Zondag: ook Vocem Jucunditatis (Stem der aangenaamheid.).
En wanneer gij dan zover zult gekomen zijn, zal men van u zeggen: Zij hadden, zij leden genen dorst, toen Hij hen op den terugtocht naar het heilige land leidde door de woeste plaatsen, door welke hun pad liep; Hij deed, de wonderen der verlossing uit Egypte herhalende, hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen (Exod. 17:6. Num. 20:11). Ieder ziet lichtelijk, dat de voorstelling hier ontleend is aan hetgeen er gebeurde, toen God Israël uit Egypte door de Arabische wildernissen naar Kanaän leidde, en tevens dat wij ze hier zinnebeeldig verklaren moeten. De weg uit Babel naar Juda loopt zeker grotendeels door woestijnen, maar waar niet zo groot gebrek aan water is, of men kan, met behoorlijke voorzorgen te nemen, zijnen dorst gelest krijgen. Jehova wil alleenlijk zeggen, dat Hij den weg der wederkerenden naar hun vaderland voorspoedig zou maken, in hun noden voorzien, alle hinderlagen uit den weg ruimen, en, eer dan hen van dorst te laten versmachten, weer gelijk te voren, bronnen openen in de steenrotsen. Men vergelijke met deze voorstelling Jes. 11:15, 16.
Maar de goddelozen, die Mijn woord niet aannemen en Mijn heil verwerpen, hebben geen vrede 1), zegt de HEERE.
Deze Godsspraak, gelijk de eerste reeks van profetieën van ons troostboek met haar eindigt, sluit ook de tweede (Hoofdstuk 57:21); aan ‘t slot der derde (Hoofdstuk 66:24) komt in de plaats van deze spreuk ene treurige schilderij van de eeuwige wroeging der goddelozen. Hoewel deze wereld ene wildernis is en vele ellenden ons ontmoeten, zullen de vertroostingen des Heiligen Geesten overvloedig vloeien ten zegen der gelovigen. Maar de goddeloze zal voor eeuwig ellendig zijn, even als de rechtvaardige voor altijd gezegend. (HENRY en SOORT). Eer de tijd vervuld was, wanneer Hij verschijnen kon, uit Wiens mond het eeuwige woord der vreugde: “vrede Zij met ulieden!” klinken zou, moest eerst lang te voren in de door God welgeordende ontwikkeling der aardse dingen de roepstem aan Israël uitgaan: “trekt uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën!” Eer de Verlosser der wereld uit zijn midden zou uitgaan, moest eerst de jubelstem tot aan de einden der aarde vernomen worden: “de Heere heeft Jakob Zijn Knecht verlost. ” Verkwikkend en lavend zal de terugtocht des volks zijn. Gelijk bij de wederkomst uit Egypte zijn door God verwekte leidsman uit rotsen water sloeg, zo zullen deze wonderen des voortijds zich ook thans vernieuwen. Maar met een gewichtig woord eindigt de profetie: “geen vrede den goddelozen!” En hoe zou dit woord uit den mond des vrijen Gods aan de vrije mensen anders kunnen luiden? Hoe zouden toch dezulken, die vrede vinden, naar welke het ganse schepsel hijgt, die in ‘t kwaad eigenwillig volharden, en de aangeboden hand Desgenen van zich wijzen, die in woestijnen de dorstigen met het hemelwater Zijner genade verkwikken wil? zodanige moeten voorzeker in hardnekkiger afkeer van de levende bronnen des heils versmachten. Vrede is hier het inbegrip van alle heil en zaligheid. Dit is alleen voor het Israël Gods, voor degenen, die zich in waarheid bekeren; maar voor de goddelozen, voor het vleselijk Israël is er geen vrede, voor de verachters van Gods Naam en voor degenen, die zich verharden tegen Zijne roepstemmen is er geen heil.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel