Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1WeeH1945 den herderenH7462, die de schapenH6629 Mijner weideH4830ombrengenH6 en verstrooienH6327! spreektH5002 de HEEREH3068.Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.
KJVWoe1be unto the pastors2that destroy3and scatter4the sheep6of my pasture!7saith8the LORD.
1ה֣וֹיH1945Wee, wee, Ochah, alas, ho, O, woe2רֹעִ֗יםH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste3מְאַבְּדִ֧יםH6vergaan, verloren, omkomenbreak, destroy(-uction), [phrase] not escape, fail, lose, (cause to, make) perish, spend, [idiom] and surely, take, be undone, [idiom] utterly, be void of, have no way to flee4וּמְפִצִ֛יםH6327verstrooid, verstrooien, verstrooidebreak (dash, shake) in (to) pieces, cast (abroad), disperse (selves), drive, retire, scatter (abroad), spread abroad5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6צֹ֥אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)7מַרְעִיתִ֖יH4830weideflock, pasture8נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith9יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
2Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2DaaromH3651zegtH559 de HEEREH3068, de GodH430IsraelsH3478, alzo van de herderenH7462, die Mijn volkH5971weidenH7462: GijliedenH859 hebt Mijn schapenH6629verstrooidH6327, en hebt ze verdrevenH5080, en hebt ze nietH3808bezochtH6485; zietH2005, Ik zal overH5921 u bezoekenH6485 de boosheidH7455 uwer handelingenH4611, spreektH5002 de HEEREH3068.Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.
KJVTherefore thus saith3the LORD4God5of Israel6against the pastors8that feed9my people;11Ye have scattered13my flock,15and driven them away,16and have not visited18them: behold, I will visit21upon you the evil24of your doings,25saith26the LORD.
1לָ֠כֵןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder3אָמַ֨רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אֱלֹהֵ֣יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty6יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8הָרֹעִים֮H7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste9הָרֹעִ֣יםH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11עַמִּי֒H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12אַתֶּ֞םH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you13הֲפִצֹתֶ֤םH6327verstrooid, verstrooien, verstrooidebreak (dash, shake) in (to) pieces, cast (abroad), disperse (selves), drive, retire, scatter (abroad), spread abroad14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15צֹאנִי֙H6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)16וַתַּדִּח֔וּםH5080gedreven, verdreven, verdrevenenbanish, bring, cast down (out), chase, compel, draw away, drive (away, out, quite), fetch a stroke, force, go away, outcast, thrust away (out), withdraw17וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without18פְקַדְתֶּ֖םH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want19אֹתָ֑םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20הִנְנִ֨יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though21פֹקֵ֧דH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want22עֲלֵיכֶ֛םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with23אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)24רֹ֥עַH7455boosheid, droefheid, lelijkheid[idiom] be so bad, badness, ([idiom] be so) evil, naughtiness, sadness, sorrow, wickedness25מַעַלְלֵיכֶ֖םH4611handelingen, daden, werkendoing, endeavour, invention, work26נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith27יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
3En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En Ik zal het overblijfselH7611 Mijner schapenH6629 Zelf vergaderenH6908 uit alH3605 de landenH776, waarhenen Ik ze verdrevenH5080 heb; en Ik zal ze wederbrengenH7725 tot hun kooienH5116, en zij zullen vruchtbaarH6509 zijn, en vermenigvuldigenH7235.En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.
KJVAnd I will gather2the remnant4of my flock5out of all countries7whither I have driven9them, and will bring them again12to their folds;15and they shall be fruitful16and increase.
1וַאֲנִ֗יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who2אֲקַבֵּץ֙H6908vergaderen, vergaderd, vergaderdeassemble (selves), gather (bring) (together, selves together, up), heap, resort, [idiom] surely, take up3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שְׁאֵרִ֣יתH7611overblijfsel, overige, overigenthat had escaped, be left, posterity, remain(-der), remnant, residue, rest5צֹאנִ֔יH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)6מִכֹּל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7הָאֲרָצ֔וֹתH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9הִדַּ֥חְתִּיH5080gedreven, verdreven, verdrevenenbanish, bring, cast down (out), chase, compel, draw away, drive (away, out, quite), fetch a stroke, force, go away, outcast, thrust away (out), withdraw10אֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11שָׁ֑םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither12וַהֲשִׁבֹתִ֥יH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw13אֶתְהֶ֛ןH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15נְוֵהֶ֖ןH5116woning, schaapskooi, kooicomely, dwelling (place), fold, habitation, pleasant place, sheepcote, stable, tarried16וּפָר֥וּH6509vruchtbaar, vruchtbare, gewassenbear, bring forth (fruit), (be, cause to be, make) fruitful, grow, increase17וְרָבֽוּH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very
4En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En Ik zal herderenH7462overH5921 hen verwekkenH6965, die ze weidenH7462 zullen; en zij zullen nietH3808meerH5750vrezenH3372, nochH3808verschriktH2865 worden, nochH3808gemistH6485 worden, spreektH5002 de HEEREH3068.En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.
KJVAnd I will set up1shepherds3over them which shall feed4them: and they shall fear6no more, nor be dismayed,9neither shall they be lacking,11saith12the LORD.
1וַהֲקִמֹתִ֧יH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2עֲלֵיהֶ֛םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3רֹעִ֖יםH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste4וְרָע֑וּםH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste5וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6יִֽירְא֨וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)7ע֧וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)8וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9יֵחַ֛תּוּH2865ontzet, verbroken, verschriktabolish, affright, be (make) afraid, amaze, beat down, discourage, (cause to) dismay, go down, scare, terrify10וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11יִפָּקֵ֖דוּH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want12נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith13יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
5Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5ZietH2009, de dagenH3117komenH935, spreektH5002 de HEEREH3068, dat Ik aan DavidH1732 een rechtvaardigeH6662SpruitH6780 zal verwekkenH6965; Die zal KoningH4428 zijnde regerenH4427, en voorspoedigH7919 zijn, en rechtH4941 en gerechtigheidH6666doenH6213 op de aardeH776.Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
KJVBehold, the days2come,3saith4the LORD,5that I will raise6unto David7a righteous9Branch,8and a King11shall reign10and prosper,12and shall execute13judgment14and justice15in the earth.
1הִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see2יָמִ֤יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3בָּאִים֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith5יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6וַהֲקִמֹתִ֥יH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)7לְדָוִ֖דH1732David, DavidsDavid8צֶ֣מַחH6780gewas, SPRUIT, SPRUITEbranch, bud, that which (where) grew (upon), spring(-ing)9צַדִּ֑יקH6662rechtvaardige, rechtvaardigen, rechtvaardigjust, lawful, righteous (man)10וּמָ֤לַךְH4427koning, regeerde, regerenconsult, [idiom] indeed, be (make, set a, set up) king, be (make) queen, (begin to, make to) reign(-ing), rule, [idiom] surely11מֶ֨לֶךְ֙H4428koning, konings, koningenking, royal12וְהִשְׂכִּ֔ילH7919verstandelijk, verstandig, verstaanconsider, expert, instruct, prosper, (deal) prudent(-ly), (give) skill(-ful), have good success, teach, (have, make to) understand(-ing), wisdom, (be, behave self, consider, make) wise(-ly), guide wittingly13וְעָשָׂ֛הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14מִשְׁפָּ֥טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong15וּצְדָקָ֖הH6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)16בָּאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
6In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6In Zijn dagenH3117 zal JudaH3063verlostH3467 worden, en IsraelH3478zekerH983wonenH7931; en ditH2088 zal Zijn naamH8034 zijn, waarmede men Hem zal noemenH7121: De HEEREH3068: ONZE GERECHTIGHEID.In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.
KJVIn his days1Judah3shall be saved,2and Israel4shall dwell5safely:6and this is his name8whereby he shall be called,10THE LORD OUR RIGHTEOUSNESS.
1בְּיָמָיו֙H3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger2תִּוָּשַׁ֣עH3467verlossen, verlost, behouden[idiom] at all, avenging, defend, deliver(-er), help, preserve, rescue, be safe, bring (having) salvation, save(-iour), get victory3יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah4וְיִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5יִשְׁכֹּ֣ןH7931wonen, woont, woneabide, continue, (cause to, make to) dwell(-er), have habitation, inhabit, lay, place, (cause to) remain, rest, set (up)6לָבֶ֑טַחH983zeker, zekerheid, ekerassurance, boldly, (without) care(-less), confidence, hope, safe(-ly, -ty), secure, surely7וְזֶהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)8שְּׁמ֥וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report9אֲֽשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10יִקְרְא֖וֹH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say11יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12צִדְקֵֽנוּH6664gerechtigheid, rechte, rechtvaardige[idiom] even, ([idiom] that which is altogether) just(-ice), (un-)right(-eous) (cause, -ly, -ness)
7Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7DaaromH3651, zietH2009, de dagenH3117komenH935, spreektH5002 de HEEREH3068, dat zij nietH3808meerH5750 zullen zeggenH559: Zo waarachtig als de HEEREH3068leeftH2416, DieH834 de kinderenH1121IsraelsH3478 uit EgyptelandH776 heeft opgevoerdH5927.Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd.
KJVTherefore, behold, the days3come,4saith5the LORD,6that they shall no more say,8The LORD11liveth,10which brought up13the children15of Israel16out of the land17of Egypt;
1לָכֵ֛ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2הִנֵּֽהH2009ziet, ziebehold, lo, see3יָמִ֥יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger4בָּאִ֖יםH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way5נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith6יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8יֹ֤אמְרוּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9עוֹד֙H5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)10חַיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop11יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12אֲשֶׁ֧רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13הֶעֱלָ֛הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth16יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael17מֵאֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world18מִצְרָֽיִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim
8Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8MaarH3588: ZoH518 waarachtig als de HEEREH3068leeftH2416, DieH834 het zaadH2233 van het huisH1004IsraelsH3478 heeft opgevoerdH5927, en DieH834 het aangebrachtH935 heeft uit het land van het noordenH6828, en uit alH3605 de landenH776, waarheen Ik ze gedrevenH5080 had! want zij zullen wonenH3427 in hun land.Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.
Ook in dit vers
landH127
landH776
KJVBut, The LORD4liveth,3which brought up6and which led8the seed10of the house11of Israel12out of the north14country,13and from all countries16whither I had driven18them; and they shall dwell20in their own land.
1כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet3חַיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop4יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6הֶעֱלָה֩H5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work7וַאֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8הֵבִ֜יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10זֶ֨רַעH2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time11בֵּ֤יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)12יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael13מֵאֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world14צָפ֔וֹנָהH6828noorden, noordwaarts, Noordennorth(-ern, side, -ward, wind)15וּמִכֹּל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16הָֽאֲרָצ֔וֹתH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world17אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection18הִדַּחְתִּ֖יםH5080gedreven, verdreven, verdrevenenbanish, bring, cast down (out), chase, compel, draw away, drive (away, out, quite), fetch a stroke, force, go away, outcast, thrust away (out), withdraw19שָׁ֑םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither20וְיָשְׁב֖וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry21עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with22אַדְמָתָֽםH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land
9Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Aangaande de profetenH5030. Mijn hartH3820 wordt in mijn binnensteH7130gebrokenH7665, alH3605 mijn beenderenH6106bewegenH7363 zich; ik ben als een dronkenH7910 man, en als een man, dien de wijnH3196 te boven gaat; vanwegeH6440 den HEEREH3068, en vanwegeH6440 de woordenH1697 Zijner heiligheidH6944.Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.
Ook in dit vers
manH376
manH1397
KJVMine heart3within4me is broken2because of the prophets;1all my bones7shake;5I am like a drunken10man,9and like a man11whom wine13hath overcome,12because14of the LORD,15and because of the words17of his holiness.
1לַנְּבִאִ֞יםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet2נִשְׁבַּ֧רH7665verbroken, gebroken, verbrekenbreak (down, off, in pieces, up), broken (-hearted), bring to the birth, crush, destroy, hurt, quench, [idiom] quite, tear, view (by mistake for H7663 (שָׂבַר))3לִבִּ֣יH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom4בְקִרְבִּ֗יH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self5רָֽחֲפוּ֙H7363bewegen, zweefde, zweeftflutter, move, shake6כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7עַצְמוֹתַ֔יH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very8הָיִ֨יתִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9כְּאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10שִׁכּ֔וֹרH7910dronken, dronkaard, dronkenendrunk(-ard, -en, -en man)11וּכְגֶ֖בֶרH1397man, mans, mannenevery one, man, [idiom] mighty12עֲבָ֣רוֹH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath13יָ֑יִןH3196wijn, wijns, Wijnbanqueting, wine, wine(-bibber)14מִפְּנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you15יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)16וּמִפְּנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you17דִּבְרֵ֥יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work18קָדְשֽׁוֹH6944heilige, heiligheid, heiligdomsconsecrated (thing), dedicated (thing), hallowed (thing), holiness, ([idiom] most) holy ([idiom] day, portion, thing), saint, sanctuary
10Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Want het landH776 is volH4390overspelersH5003, wantH3588 het landH776treurtH56vanwegeH6440 den vloekH423, de weidenH4999 der woestijnH4057verdorrenH3001, omdat hun loopH4794boosH7451isH1961, en hun machtH1369nietH3808rechtH3651.Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.
KJVFor the land4is full3of adulterers;2for because6of swearing7the land9mourneth;8the pleasant places11of the wilderness12are dried up,10and their course14is evil,15and their force
1כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2מְנָֽאֲפִים֙H5003overspel, overspelers, bedrijven overspeladulterer(-ess), commit(-ing) adultery, woman that breaketh wedlock3מָלְאָ֣הH4390vervuld, vol, vervullenaccomplish, confirm, [phrase] consecrate, be at an end, be expired, be fenced, fill, fulfil, (be, become, [idiom] draw, give in, go) full(-ly, -ly set, tale), (over-) flow, fulness, furnish, gather (selves, together), presume, replenish, satisfy, set, space, take a (hand-) full, [phrase] have wholly4הָאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world5כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6מִפְּנֵ֤יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you7אָלָה֙H423vloek, eed, eed vloekscurse, cursing, execration, oath, swearing8אָבְלָ֣הH56rouw, treuren, treurtlament, mourn9הָאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world10יָבְשׁ֖וּH3001beschaamd, verdord, verdrogenbe ashamed, clean, be confounded, (make) dry (up), (do) shame(-fully), [idiom] utterly, wither (away)11נְא֣וֹתH4999weiden, woningen, herdershuttenhabitation, house, pasture, pleasant place12מִדְבָּ֑רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness13וַתְּהִ֤יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14מְרֽוּצָתָם֙H4794loopcourse, running. Compare H4835 (מְרֻצָה)15רָעָ֔הH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)16וּגְבוּרָתָ֖םH1369macht, mogendheden, sterkteforce, mastery, might, mighty (act, power), power, strength17לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without18כֵֽןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you
11Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11WantH3588 beiden, profetenH5030 en priestersH3548, zijn huichelaarsH2610; zelfsH1571 in Mijn huisH1004vindH4672 Ik hun boosheidH7451, spreektH5002 de HEEREH3068.Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.
KJVFor both prophet3and priest5are profane;6yea, in my house8have I found9their wickedness,10saith11the LORD.
1כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2גַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea3נָבִ֥יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet4גַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea5כֹּהֵ֖ןH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer6חָנֵ֑פוּH2610ontheiligd, bevlekt, huichelaarscorrupt, defile, [idiom] greatly, pollute, profane7גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea8בְּבֵיתִ֛יH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)9מָצָ֥אתִיH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on10רָעָתָ֖םH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)11נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith12יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
12Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12DaaromH3651 zal hun wegH1870 hun zijnH1961 als zeer gladdeH2519 plaatsen in de donkerheidH653; zij zullen aangedrevenH1760 worden en daarin vallenH5307; wantH3588 Ik zal een kwaadH7451overH5921 hen brengenH935 in het jaarH8141 hunner bezoekingH6486, spreektH5002 de HEEREH3068.Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.
KJVWherefore their way3shall be unto them as slippery5ways in the darkness:6they shall be driven on,7and fall8therein: for I will bring11evil13upon them, even the year14of their visitation,15saith16the LORD.
1לָכֵן֩H3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2יִֽהְיֶ֨הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use3דַרְכָּ֜םH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)4לָהֶ֗ם5כַּחֲלַקְלַקּוֹת֙H2519vleierijen, gladde, slibberigflattery, slippery6בָּֽאֲפֵלָ֔הH653donkerheid, dikke, donkeredark, darkness, gloominess, [idiom] thick7יִדַּ֖חוּH1760verdrevenen, aangedreven, aangestotenchase, drive away (on), overthrow, outcast, [idiom] sore, thrust, totter8וְנָ֣פְלוּH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down9בָ֑הּ10כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11אָבִ֨יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way12עֲלֵיהֶ֥םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13רָעָ֛הH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)14שְׁנַ֥תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)15פְּקֻדָּתָ֖םH6486bezoeking, opzicht, ambtaccount, (that have the) charge, custody, that which...laid up, numbers, office(-r), ordering, oversight, [phrase] prison, reckoning, visitation16נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith17יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
13Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Ik heb wel ongerijmdheidH8604gezienH7200 in de profetenH5030 van SamariaH8111, die door BaalH1168, profeteerdenH5012, en Mijn volkH5971IsraelH3478verleiddenH8582.Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden.
KJVAnd I have seen3folly4in the prophets1of Samaria;2they prophesied5in Baal,6and caused my people9Israel11to err.
1וּבִנְבִיאֵ֥יH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet2שֹׁמְר֖וֹןH8111SamariaSamaria3רָאִ֣יתִיH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions4תִפְלָ֑הH8604ongerijmds, ongerijmdheidfolly, foolishly5הִנַּבְּא֣וּH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet6בַבַּ֔עַלH1168Baal, BaalsBaal, (plural) Baalim7וַיַּתְע֥וּH8582dwalen, dolen, verleid(cause to) go astray, deceive, dissemble, (cause to, make to) err, pant, seduce, (make to) stagger, (cause to) wander, be out of the way8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9עַמִּ֖יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
14Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Maar in de profetenH5030 van JeruzalemH3389zieH7200 Ik afschuwelijkheidH8186; zij bedrijven overspelH5003, en gaanH1980 om met valsheidH8267, en sterkenH2388 de handenH3027 der boosdoenersH7489, opdat zij zich nietH1115bekerenH7725, een iegelijk van zijn boosheidH7451; zij allenH3605 zijn Mij als SodomH5467, en haar inwonersH3427 als GomorraH6017.Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.
KJVI have seen3also in the prophets1of Jerusalem2an horrible thing:4they commit adultery,5and walk6in lies:7they strengthen8also the hands9of evildoers,10that none13doth return12from his wickedness:14they are all of them unto me as Sodom,18and the inhabitants19thereof as Gomorrah.
1וּבִנְבִאֵ֨יH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet2יְרוּשָׁלִַ֜םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem3רָאִ֣יתִיH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions4שַׁעֲרוּרָ֗הH8186afschuwelijke, afschuwelijkheidhorrible thing5נָא֞וֹףH5003overspel, overspelers, bedrijven overspeladulterer(-ess), commit(-ing) adultery, woman that breaketh wedlock6וְהָלֹ֤ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl7בַּשֶּׁ֨קֶר֙H8267leugen, valse, valsheidwithout a cause, deceit(-ful), false(-hood, -ly), feignedly, liar, [phrase] lie, lying, vain (thing), wrongfully8וְחִזְּקוּ֙H2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand9יְדֵ֣יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves10מְרֵעִ֔יםH7489kwaad, boosdoeners, kwalijkafflict, associate selves (by mistake for H7462 (רָעָה)), break (down, in pieces), [phrase] displease, (be, bring, do) evil (doer, entreat, man), show self friendly (by mistake for H7462 (רָעָה)), do harm, (do) hurt, (behave self, deal) ill, [idiom] indeed, do mischief, punish, still, vex, (do) wicked (doer, -ly), be (deal, do) worse11לְבִ֨לְתִּיH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without12שָׁ֔בוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw13אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)14מֵרָֽעָת֑וֹH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)15הָֽיוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use16לִ֤י17כֻלָּם֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18כִּסְדֹ֔םH5467SodomSodom19וְיֹשְׁבֶ֖יהָH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry20כַּעֲמֹרָֽהH6017GomorraGomorrah
15Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15DaaromH3651zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635 van deze profetenH5030 alzo: ZietH2005, Ik zal hen met alsemH3939spijzigenH398, en met gallewaterH4325drenkenH8248; wantH3588vanH854JeruzalemsH3389profetenH5030 is de huichelarijH2613uitgegaanH3318 in het ganseH3605landH776.Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.
KJVTherefore thus saith3the LORD4of hosts5concerning the prophets;7Behold, I will feed9them with wormwood,11and make them drink12the water13of gall:14for from the prophets17of Jerusalem18is profaneness20gone forth19into all the land.
1לָכֵ֞ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder3אָמַ֨רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5צְבָאוֹת֙H6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7הַנְּבִאִ֔יםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet8הִנְנִ֨יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though9מַאֲכִ֤ילH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite10אוֹתָם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11לַֽעֲנָ֔הH3939alsemhemlock, wormwood12וְהִשְׁקִתִ֖יםH8248drinken, drenken, schenkerscause to (give, give to, let, make to) drink, drown, moisten, water. See H7937 (שָׁכַר), H8354 (שָׁתָה)13מֵיH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))14רֹ֑אשׁH7219gal, galle, adderenvergiftgall, hemlock, poison, venom15כִּ֗יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16מֵאֵת֙H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix17נְבִיאֵ֣יH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet18יְרוּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem19יָצְאָ֥הH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter20חֲנֻפָּ֖הH2613huichelarijprofaneness21לְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)22הָאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
16Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16ZoH3541zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: HoortH8085 niet naar de woordenH1697 der profetenH5030, die u profeterenH5012; zij maken u ijdelH1891; zijH1992sprekenH1696 het gezichtH2377 huns hartenH3820, niet uit des HEERENH3068mondH6310.Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.
KJVThus saith2the LORD3of hosts,4Hearken6not unto the words8of the prophets9that prophesy10unto you: they make you vain:12they speak17a vision15of their own heart,16and not out of the mouth19of the LORD.
1כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2אָמַ֞רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4צְבָא֗וֹתH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)5אַֽלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than6תִּשְׁמְע֞וּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8דִּבְרֵ֤יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work9הַנְּבִאִים֙H5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet10הַנִּבְּאִ֣יםH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet11לָכֶ֔ם12מַהְבִּלִ֥יםH1891ijdel, verijdeldbe (become, make) vain13הֵ֖מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye14אֶתְכֶ֑םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15חֲז֤וֹןH2377gezicht, gezichten, gezichtsvision16לִבָּם֙H3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom17יְדַבֵּ֔רוּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work18לֹ֖אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without19מִפִּ֥יH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word20יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
17Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Zij zeggenH559 steeds tot degenen, die Mij lasterenH5006: De HEEREH3068 heeft het gesprokenH1696, gijlieden zult vredeH7965 hebben; en tot alH3605 wie naar zijns hartenH3820goeddunkenH8307wandeltH1980, zeggenH559 zij: Ulieden zal geenH3808kwaadH7451overkomenH935.Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.
KJVThey say1still2unto them that despise3me, The LORD5hath said,4Ye shall have peace;6and they say13unto every one that walketh10after the imagination11of his own heart,12No evil17shall come
1אֹמְרִ֤יםH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אָמוֹר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3לִֽמְנַאֲצַ֔יH5006gelasterd, lasteren, versmadenabhor, (give occasion to) blaspheme, contemn, despise, flourish, [idiom] great, provoke4דִּבֶּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work5יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6שָׁל֖וֹםH7965vrede, welstand, vredes[idiom] do, familiar, [idiom] fare, favour, [phrase] friend, [idiom] great, (good) health, ([idiom] perfect, such as be at) peace(-able, -ably), prosper(-ity, -ous), rest, safe(-ty), salute, welfare, ([idiom] all is, be) well, [idiom] wholly7יִֽהְיֶ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8לָכֶ֑ם9וְ֠כֹלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10הֹלֵ֞ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl11בִּשְׁרִר֤וּתH8307goeddunkenimagination, lust12לִבּוֹ֙H3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom13אָֽמְר֔וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15תָב֥וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way16עֲלֵיכֶ֖םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17רָעָֽהH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)
18Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18WantH3588 wie heeft in des HEERENH3068raadH5475gestaanH5975, en Zijn woordH1697gezienH7200 of gehoordH8085? WieH4310 heeft Zijn woordH1697aangemerktH7181 en gehoordH8085?Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?
KJVFor who hath stood3in the counsel4of the LORD,5and hath perceived6and heard7his word?9who hath marked11his word,12and heard
1כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2מִ֤יH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God3עָמַד֙H5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry4בְּס֣וֹדH5475raad, verborgenheid, heimelijkeassembly, consel, inward, secret (counsel)5יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6וְיֵ֖רֶאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions7וְיִשְׁמַ֣עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9דְּבָר֑וֹH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work10מִֽיH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God11הִקְשִׁ֥יבH7181merk, merkt, opmerkenattend, (cause to) hear(-ken), give heed, incline, mark (well), regard12דְּבָר֖וֹH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work13וַיִּשְׁמָֽעH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness
19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19ZietH2009, een onwederH5591 des HEERENH3068, een grimmigheidH2534 is uitgegaanH3318, ja, een pijnlijkH2342onwederH5591, het zal blijven opH5921 der goddelozenH7563hoofdH7218.Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
KJVBehold, a whirlwind2of the LORD3is gone forth5in fury,4even a grievous7whirlwind:6it shall fall grievously11upon the head9of the wicked.
1הִנֵּ֣הH2009ziet, ziebehold, lo, see2סַעֲרַ֣תH5591onweder, storm, stormwindstorm(-y), tempest, whirlwind3יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4חֵמָה֙H2534grimmigheid, grimmige, vurig venijnanger, bottles, hot displeasure, furious(-ly, -ry), heat, indignation, poison, rage, wrath(-ful). See H2529 (חֶמְאָה)5יָֽצְאָ֔הH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6וְסַ֖עַרH5591onweder, storm, stormwindstorm(-y), tempest, whirlwind7מִתְחוֹלֵ֑לH2342geboren, barensnood, bevenbear, (make to) bring forth, (make to) calve, dance, drive away, fall grievously (with pain), fear, form, great, grieve, (be) grievous, hope, look, make, be in pain, be much (sore) pained, rest, shake, shapen, (be) sorrow(-ful), stay, tarry, travail (with pain), tremble, trust, wait carefully (patiently), be wounded8עַ֛לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9רֹ֥אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top10רְשָׁעִ֖יםH7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong11יָחֽוּלH2342geboren, barensnood, bevenbear, (make to) bring forth, (make to) calve, dance, drive away, fall grievously (with pain), fear, form, great, grieve, (be) grievous, hope, look, make, be in pain, be much (sore) pained, rest, shake, shapen, (be) sorrow(-ful), stay, tarry, travail (with pain), tremble, trust, wait carefully (patiently), be wounded
20Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Des HEERENH3068toornH639 zal zich nietH3808afwendenH7725, totdatH5704 Hij zal hebben gedaanH6213, en totdatH5704 Hij zal hebben daargesteldH6965 de gedachtenH4209 Zijns hartenH3820; in het laatsteH319 der dagenH3117 zult gij met verstandH998 daarop lettenH995.Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.
KJVThe anger3of the LORD4shall not return,2until he have executed,6and till he have performed8the thoughts9of his heart:10in the latter11days12ye shall consider13it perfectly.
1לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2יָשׁוּב֙H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw3אַףH639toorn, toorns, neusanger(-gry), [phrase] before, countenance, face, [phrase] forebearing, forehead, [phrase] (long-) suffering, nose, nostril, snout, [idiom] worthy, wrath4יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet6עֲשֹׂת֥וֹH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7וְעַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet8הֲקִימ֖וֹH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)9מְזִמּ֣וֹתH4209bedachtzaamheid, gedachten, schandelijke verdichtselen(wicked) device, discretion, intent, witty invention, lewdness, mischievous (device), thought, wickedly10לִבּ֑וֹH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom11בְּאַֽחֲרִית֙H319laatste, einde, nakomelingen(last, latter) end (time), hinder (utter) -most, length, posterity, remnant, residue, reward12הַיָּמִ֔יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger13תִּתְבּ֥וֹנְנוּH995verstaan, verstandig, verstaatattend, consider, be cunning, diligently, direct, discern, eloquent, feel, inform, instruct, have intelligence, know, look well to, mark, perceive, be prudent, regard, (can) skill(-full), teach, think, (cause, make to, get, give, have) understand(-ing), view, (deal) wise(-ly, man)14בָ֖הּ15בִּינָֽהH998verstand, verstands, Verstandknowledge, meaning, [idiom] perfectly, understanding, wisdom
21Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Ik heb die profetenH5030nietH3808gezondenH7971, nochtans hebben zij gelopenH7323; Ik heb totH413 hen nietH3808gesprokenH1696, nochtans hebben zijH1992geprofeteerdH5012.Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
KJVI have not sent2these prophets,4yet they ran:6I have not spoken8to them, yet they prophesied.
1לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2שָׁלַ֥חְתִּיH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַנְּבִאִ֖יםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet5וְהֵ֣םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye6רָ֑צוּH7323liep, lopen, trawantenbreak down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post7לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8דִבַּ֥רְתִּיH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work9אֲלֵיהֶ֖םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10וְהֵ֥םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye11נִבָּֽאוּH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet
22Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Maar zo zij in Mijn raadH5475 hadden gestaanH5975, zoH518 zouden zij Mijn volkH5971 Mijn woordenH1697 hebben doen horenH8085, en zouden hen afgekeerdH7725 hebben van hun bozenH7451wegH1870, en van de boosheidH7455 hunner handelingenH4611.Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.
KJVBut if they had stood2in my counsel,3and had caused my people7to hear4my words,5then they should have turned8them from their evil10way,9and from the evil11of their doings.
1וְאִֽםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2עָמְד֖וּH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry3בְּסוֹדִ֑יH5475raad, verborgenheid, heimelijkeassembly, consel, inward, secret (counsel)4וְיַשְׁמִ֤עוּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness5דְבָרַי֙H1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7עַמִּ֔יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people8וִֽישִׁבוּם֙H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw9מִדַּרְכָּ֣םH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)10הָרָ֔עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)11וּמֵרֹ֖עַH7455boosheid, droefheid, lelijkheid[idiom] be so bad, badness, ([idiom] be so) evil, naughtiness, sadness, sorrow, wickedness12מַֽעַלְלֵיהֶֽםH4611handelingen, daden, werkendoing, endeavour, invention, work
23Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Ben IkH589 een GodH430 van nabijH7138, spreektH5002 de HEEREH3068, en nietH3808 een GodH430 van verreH7350?Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?
KJVAm I a God1at hand,2saith4the LORD,5and not a God7afar off?
1הַאֱלֹהֵ֧יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty2מִקָּרֹ֛בH7138nabij, naaste, nabestaandeallied, approach, at hand, [phrase] any of kin, kinsfold(-sman), (that is) near (of kin), neighbour, (that is) next, (them that come) nigh (at hand), more ready, short(-ly)3אָ֖נִיH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who4נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith5יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7אֱלֹהֵ֖יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty8מֵרָחֹֽקH7350verre, verren, ver(a-) far (abroad, off), long ago, of old, space, great while to come
24Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24Zou zich iemandH376 in verborgene plaatsenH4565 kunnen verbergenH5641, dat IkH589 hem nietH3808 zou zienH7200? spreektH5002 de HEEREH3068; vervulH4392IkH589nietH3808 den hemelH8064 en de aardeH776? spreektH5002 de HEEREH3068.Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.
KJVCan any3hide2himself in secret places4that I shall not see7him? saith8the LORD.9Do not I fillheaven12and earth?14saith17the LORD.
1אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2יִסָּתֵ֨רH5641verborgen, verbergen, verbergtbe absent, keep close, conceal, hide (self), (keep) secret, [idiom] surely3אִ֧ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4בַּמִּסְתָּרִ֛יםH4565verborgene plaatsen, verborgen plaatsen, verborgensecret(-ly, place)5וַאֲנִ֥יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who6לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7אֶרְאֶ֖נּוּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions8נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith9יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)10הֲל֨וֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12הַשָּׁמַ֧יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14הָאָ֛רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world15אֲנִ֥יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who16מָלֵ֖אH4390vervuld, vol, vervullenaccomplish, confirm, [phrase] consecrate, be at an end, be expired, be fenced, fill, fulfil, (be, become, [idiom] draw, give in, go) full(-ly, -ly set, tale), (over-) flow, fulness, furnish, gather (selves, together), presume, replenish, satisfy, set, space, take a (hand-) full, [phrase] have wholly17נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith18יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
25Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25Ik heb gehoordH8085, wat de profetenH5030zeggenH559, die in Mijn NaamH8034leugenH8267profeterenH5012, zeggendeH559: Ik heb gedroomdH2492, ik heb gedroomdH2492.Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.
KJVI have heard1what the prophets5said,4that prophesy6lies8in my name,7saying,9I have dreamed,10I have dreamed.
1שָׁמַ֗עְתִּיH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2אֵ֤תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4אָֽמְרוּ֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5הַנְּבִאִ֔יםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet6הַֽנִּבְּאִ֥יםH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet7בִּשְׁמִ֛יH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report8שֶׁ֖קֶרH8267leugen, valse, valsheidwithout a cause, deceit(-ful), false(-hood, -ly), feignedly, liar, [phrase] lie, lying, vain (thing), wrongfully9לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10חָלַ֖מְתִּיH2492gedroomd, droomde, dromen(cause to) dream(-er), be in good liking, recover11חָלָֽמְתִּיH2492gedroomd, droomde, dromen(cause to) dream(-er), be in good liking, recover
26Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Hoe langH3426? Is er dan een droom in het hartH3820 der profetenH5030, die de leugenH8267profeterenH5012? Ja, het zijn profetenH5030 van huns hartenH3820bedriegerijH8649.Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.
KJVHow long shall this be3in the heart4of the prophets5that prophesy6lies?7yea, they are prophets8of the deceit9of their own heart;
1עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet2מָתַ֗יH4970langlong, when3הֲיֵ֛שׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest4בְּלֵ֥בH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom5הַנְּבִאִ֖יםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet6נִבְּאֵ֣יH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet7הַשָּׁ֑קֶרH8267leugen, valse, valsheidwithout a cause, deceit(-ful), false(-hood, -ly), feignedly, liar, [phrase] lie, lying, vain (thing), wrongfully8וּנְבִיאֵ֖יH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet9תַּרְמִ֥תH8649bedriegerij, bedrog, bedriegelijkedeceit(-ful), privily10לִבָּֽםH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom
27Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27DieH834 daar denkenH2803 om Mijn volkH5971 Mijn NaamH8034 te doen vergetenH7911, door hun dromenH2472, dieH834 zij, een iederH376 zijn naasteH7453, vertellenH5608; gelijk als hun vadersH1 Mijn NaamH8034vergetenH7911 hebben door BaalH1168.Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal.
KJVWhich think1to cause my people4to forget2my name5by their dreams6which they tell8every man9to his neighbour,10as their fathers13have forgotten12my name15for Baal.
1הַחֹשְׁבִ֗יםH2803geacht, gedacht, bedenken(make) account (of), conceive, consider, count, cunning (man, work, workman), devise, esteem, find out, forecast, hold, imagine, impute, invent, be like, mean, purpose, reckon(-ing be made), regard, think2לְהַשְׁכִּ֤יחַH7911vergeten, vergeet, vergaten[idiom] at all, (cause to) forget3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4עַמִּי֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5שְׁמִ֔יH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report6בַּחֲל֣וֹמֹתָ֔םH2472droom, dromen, droomsdream(-er)7אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8יְסַפְּר֖וּH5608schrijver, vertellen, tellencommune, (ac-) count; declare, number, [phrase] penknife, reckon, scribe, shew forth, speak, talk, tell (out), writer9אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10לְרֵעֵ֑הוּH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other11כַּאֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12שָׁכְח֧וּH7911vergeten, vergeet, vergaten[idiom] at all, (cause to) forget13אֲבוֹתָ֛םH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15שְׁמִ֖יH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report16בַּבָּֽעַלH1168Baal, BaalsBaal, (plural) Baalim
28De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28De profeetH5030, bijH854welkenH834 een droomH2472 is, die vertelleH5608 den droomH2472; en bij welkenH834 Mijn woordH1697 is, die sprekeH1696 Mijn woordH1697waarachtiglijkH571; wat heeft het stroH8401metH854 het korenH1250 te doen? spreektH5002 de HEEREH3068.De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.
KJVThe prophet1that hath a dream,4let him tell5a dream;6and he that hath my word,8let him speak10my word11faithfully.12What is the chaff14to the wheat?16saith17the LORD.
1הַנָּבִ֞יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet2אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3אִתּ֤וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix4חֲלוֹם֙H2472droom, dromen, droomsdream(-er)5יְסַפֵּ֣רH5608schrijver, vertellen, tellencommune, (ac-) count; declare, number, [phrase] penknife, reckon, scribe, shew forth, speak, talk, tell (out), writer6חֲל֔וֹםH2472droom, dromen, droomsdream(-er)7וַאֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8דְּבָרִי֙H1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work9אִתּ֔וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix10יְדַבֵּ֥רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work11דְּבָרִ֖יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12אֱמֶ֑תH571waarheid, trouw, waarachtigassured(-ly), establishment, faithful, right, sure, true (-ly, -th), verity13מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why14לַתֶּ֥בֶןH8401stro, trochaff, straw, stubble15אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix16הַבָּ֖רH1250korencorn, wheat17נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith18יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
29Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Is Mijn woordH1697nietH3808alzoH3541, als een vuurH784? spreektH5002 de HEEREH3068, en als een hamerH6360, die een steenrotsH5553 te morzel slaatH6327?Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
KJVIs not my word3like2as a fire?4saith5the LORD;6and like a hammer7that breaketh8the rock9in pieces?
1הֲל֨וֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2כֹ֧הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder3דְבָרִ֛יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work4כָּאֵ֖שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot5נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith6יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7וּכְפַטִּ֖ישׁH6360hamerhammer8יְפֹ֥צֵֽץH6327verstrooid, verstrooien, verstrooidebreak (dash, shake) in (to) pieces, cast (abroad), disperse (selves), drive, retire, scatter (abroad), spread abroad9סָֽלַעH5553steenrots, rotssteen, steenrotsen(ragged) rock, stone(-ny), strong hold
30Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30DaaromH3651, zietH2005, Ik wil aanH5921 de profetenH5030, spreektH5002 de HEEREH3068, die Mijn woordenH1697stelenH1589, een iederH376vanH854 zijn naasteH7453;Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;
KJVTherefore, behold, I am against the prophets,4saith5the LORD,6that steal7my words8every one9from his neighbour.
1לָכֵ֛ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2הִנְנִ֥יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though3עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4הַנְּבִאִ֖יםH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet5נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith6יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7מְגַנְּבֵ֣יH1589gestolen, stelen, steeltcarry away, [idiom] indeed, secretly bring, steal (away), get by stealth8דְבָרַ֔יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work9אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10מֵאֵ֥תH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix11רֵעֵֽהוּH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other
31Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31ZietH2005, Ik wil aanH5921 de profetenH5030, spreektH5002 de HEEREH3068, die hun tongH3956nemenH3947, en sprekenH5001: Hij heeft het gesprokenH5002;Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;
KJVBehold, I am against the prophets,3saith4the LORD,5that use6their tongues,7and say,8He saith.
1הִנְנִ֥יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though2עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3הַנְּבִיאִ֖םH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet4נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith5יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6הַלֹּקְחִ֣יםH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win7לְשׁוֹנָ֔םH3956tong, spraak, tongen[phrase] babbler, bay, [phrase] evil speaker, language, talker, tongue, wedge8וַֽיִּנְאֲמ֖וּH5001sprekensay9נְאֻֽםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith
32Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32ZietH2005, Ik wil aanH5921 degenen, die valseH8267dromenH2472profeterenH5012, spreektH5002 de HEEREH3068, en vertellenH5608 die, en verleidenH8582 Mijn volkH5971 met hun leugenenH8267 en met hun lichtvaardigheidH6350; daar IkH595 hen nietH3808gezondenH7971, en hun niets bevolenH6680 heb, en zij ditH2088volkH5971gansH3276geenH3808nutH3276 doen, spreektH5002 de HEEREH3068.Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.
KJVBehold, I am against them that prophesy3false5dreams,4saith6the LORD,7and do tell8them, and cause my people11to err9by their lies,12and by their lightness;13yet I sent16them not, nor commanded18them: therefore they shall not profit19this people22at all,21saith24the LORD.
1הִ֠נְנִיH2005ziet, ziebehold, if, lo, though2עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3נִבְּאֵ֞יH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet4חֲלֹמ֥וֹתH2472droom, dromen, droomsdream(-er)5שֶׁ֨קֶר֙H8267leugen, valse, valsheidwithout a cause, deceit(-ful), false(-hood, -ly), feignedly, liar, [phrase] lie, lying, vain (thing), wrongfully6נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith7יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8וַֽיְסַפְּרוּם֙H5608schrijver, vertellen, tellencommune, (ac-) count; declare, number, [phrase] penknife, reckon, scribe, shew forth, speak, talk, tell (out), writer9וַיַּתְע֣וּH8582dwalen, dolen, verleid(cause to) go astray, deceive, dissemble, (cause to, make to) err, pant, seduce, (make to) stagger, (cause to) wander, be out of the way10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11עַמִּ֔יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people12בְּשִׁקְרֵיהֶ֖םH8267leugen, valse, valsheidwithout a cause, deceit(-ful), false(-hood, -ly), feignedly, liar, [phrase] lie, lying, vain (thing), wrongfully13וּבְפַחֲזוּתָ֑םH6350lichtvaardigheidlightness14וְאָנֹכִ֨יH595ik, mijI, me, [idiom] which15לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without16שְׁלַחְתִּ֜יםH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)17וְלֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without18צִוִּיתִ֗יםH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order19וְהוֹעֵ֛ילH3276nut, voordeel, baat[idiom] at all, set forward, can do good, (be, have) profit, (able)20לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without21יוֹעִ֥ילוּH3276nut, voordeel, baat[idiom] at all, set forward, can do good, (be, have) profit, (able)22לָֽעָםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people23הַזֶּ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)24נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith25יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
33Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33Wanneer dan ditH2088volkH5971, of een profeetH5030, ofH176priesterH3548 u vragenH7592 zal, zeggendeH559: WatH4100 is des HEERENH3068lastH4853? Zo zult gij totH413 hen zeggenH559: WatH4100lastH4853? Dat Ik ulieden verlatenH5203 zal, spreektH5002 de HEEREH3068.Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.
KJVAnd when this people,3or the prophet,6or a priest,8shall ask2thee, saying,9What is the burden11of the LORD?12thou shalt then say13unto them, What burden?17I will even forsake18you, saith20the LORD.
1וְכִיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2יִשְׁאָלְךָ֩H7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish3הָעָ֨םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4הַזֶּ֜הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)5אֽוֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether6הַנָּבִ֤יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet7אֽוֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether8כֹהֵן֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer9לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why11מַשָּׂ֖אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute12יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13וְאָמַרְתָּ֤H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14אֲלֵיהֶם֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why17מַשָּׂ֔אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute18וְנָטַשְׁתִּ֥יH5203verlaten, varen, verlaatcast off, drawn, let fall, forsake, join (battle), leave (off), lie still, loose, spread (self) abroad, stretch out, suffer19אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith21יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
34En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34En aangaande den profeetH5030, of den priesterH3548, of hetH1931volkH5971, dat zeggenH559 zal: Des HEERENH3068lastH4853; dat Ik bezoekingH6485 zal doen overH5921 dien manH376 en overH5921 zijn huisH1004.En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.
KJVAnd as for the prophet,1and the priest,2and the people,3that shall say,5The burden6of the LORD,7I will even punish8that man10and his house.
1וְהַנָּבִ֤יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet2וְהַכֹּהֵן֙H3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer3וְהָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5יֹאמַ֖רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6מַשָּׂ֣אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute7יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8וּפָקַדְתִּ֛יH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10הָאִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11הַה֖וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13בֵּיתֽוֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)
35Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35AldusH3541 zult gijlieden zeggenH559, een iegelijkH376 tot zijn naasteH7453, en een iegelijkH376totH413 zijn broederH251: WatH4100 heeft de HEEREH3068geantwoordH6030, en watH4100 heeft de HEEREH3068gesprokenH1696?Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
KJVThus shall ye say2every one3to his neighbour,5and every one6to his brother,8What hath the LORD11answered?10and, What hath the LORD14spoken?
1כֹּ֥הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2תֹאמְר֛וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5רֵעֵ֖הוּH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other6וְאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8אָחִ֑יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'9מֶהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why10עָנָ֣הH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)11יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12וּמַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why13דִּבֶּ֖רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work14יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
36Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36Maar des HEERENH3068lastH4853 zult gij nietH3808meerH5750gedenkenH2142; want een iegelijkH376 zal zijn eigen woordH1697 een lastH4853 zijn, dewijl gij verkeertH2015 de woordenH1697 van den levendenH2416GodH430, den HEEREH3068 der heirscharenH6635, onzen GodH430.Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.
KJVAnd the burden1of the LORD2shall ye mention4no more: for every man's9word10shall be his burden;7for ye have perverted11the words13of the living15God,14of the LORD16of hosts17our God.
1וּמַשָּׂ֥אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute2יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4תִזְכְּרוּH2142gedenken, gedacht, Gedenk[idiom] burn (incense), [idiom] earnestly, be male, (make) mention (of), be mindful, recount, record(-er), remember, make to be remembered, bring (call, come, keep, put) to (in) remembrance, [idiom] still, think on, [idiom] well5ע֑וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)6כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7הַמַּשָּׂ֗אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute8יִֽהְיֶה֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9לְאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10דְּבָר֔וֹH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work11וַהֲפַכְתֶּ֗םH2015veranderd, omgekeerd, keerde[idiom] become, change, come, be converted, give, make (a bed), overthrow (-turn), perverse, retire, tumble, turn (again, aside, back, to the contrary, every way)12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13דִּבְרֵי֙H1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work14אֱלֹהִ֣יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty15חַיִּ֔יםH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop16יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)17צְבָא֖וֹתH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)18אֱלֹהֵֽינוּH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
37Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37AldusH3541 zult gij zeggenH559totH413 den profeetH5030: WatH4100 heeft u de HEEREH3068geantwoordH6030 en watH4100 heeft de HEEREH3068gesprokenH1696?Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?
KJVThus shalt thou say2to the prophet,4What hath the LORD7answered6thee? and, What hath the LORD10spoken?
1כֹּ֥הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2תֹאמַ֖רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַנָּבִ֑יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet5מֶהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why6עָנָ֣ךְH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)7יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8וּמַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why9דִּבֶּ֖רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work10יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
38Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38Maar dewijl gij zegtH559: Des HEERENH3068lastH4853; daaromH3651, zo zegtH559 de HEEREH3068: Omdat gij ditH2088woordH1697zegtH559: Des HEERENH3068lastH4853, daar Ik totH413 u gezondenH7971 heb, zeggendeH559: Gij zult nietH3808zeggenH559: Des HEERENH3068lastH4853;Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;
KJVBut1since ye say,4The burden2of the LORD;3therefore thus saith7the LORD;8Because ye say10this word,12The burden14of the LORD,15and I have sent16unto you, saying,18Ye shall not say,20The burden21of the LORD;
1וְאִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2מַשָּׂ֣אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute3יְהוָה֮H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4תֹּאמֵרוּ֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5לָכֵ֗ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you6כֹּ֚הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder7אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9יַ֧עַןH3282omdat, daarombecause (that), forasmuch ([phrase] as), seeing then, [phrase] that, [phrase] wheras, [phrase] why10אֲמָרְכֶ֛םH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12הַדָּבָ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work13הַזֶּ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)14מַשָּׂ֣אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute15יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)16וָאֶשְׁלַ֤חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)17אֲלֵיכֶם֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)18לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet19לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without20תֹאמְר֖וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet21מַשָּׂ֥אH4853last, opheffen, bezwaarnisburden, carry away, prophecy, [idiom] they set, song, tribute22יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
39Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39DaaromH3651, zietH2005, Ik zal u ook ganselijkH5377vergetenH5382, en u, mitsgaders de stadH5892, dieH834 Ik u en uw vaderenH1gegevenH5414 heb, van Mijn aangezichtH6440 laten varenH5203.Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
KJVTherefore, behold, I, even I, will utterly5forget3you, and I will forsake6you, and the city9that I gave11you and your fathers,13and cast you out of my presence:
1לָכֵ֣ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2הִנְנִ֔יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though3וְנָשִׁ֥יתִיH5382vergeten, ontbloot, vergeetforget, deprive, exact4אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5נָשֹׁ֑אH5377bedrogen, bedriege, bedriegenbeguile, deceive, [idiom] greatly, [idiom] utterly6וְנָטַשְׁתִּ֣יH5203verlaten, varen, verlaatcast off, drawn, let fall, forsake, join (battle), leave (off), lie still, loose, spread (self) abroad, stretch out, suffer7אֶתְכֶ֗םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9הָעִיר֙H5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town10אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11נָתַ֧תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield12לָכֶ֛ם13וְלַאֲבוֹתֵיכֶ֖םH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'14מֵעַ֥לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15פָּנָֽיH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
40En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40En Ik zal u eeuwigeH5769smaadheidH2781aandoenH5414, en eeuwigeH5769schandeH3640, dieH834nietH3808 zal worden vergetenH7911.En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.
KJVAnd I will bring1an everlasting4reproach3upon you, and a perpetual6shame,5which shall not be forgotten.
1וְנָתַתִּ֥יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2עֲלֵיכֶ֖םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3חֶרְפַּ֣תH2781smaadheid, smaad, versmaadheidrebuke, reproach(-fully), shame4עוֹלָ֑םH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)5וּכְלִמּ֣וּתH3640schandeshame6עוֹלָ֔םH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)7אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9תִשָּׁכֵֽחַH7911vergeten, vergeet, vergaten[idiom] at all, (cause to) forget
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Jeremia 23:1— Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.Jeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→Jeremia 2:8→Jeremia 22:22→Jeremia 12:10→
Jeremia 23:2— Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.Jeremia 21:12→Micha 7:4→Exodus 32:34→Jakobus 1:27→Jeremia 23:34→Jeremia 11:22→Jeremia 13:21→Jeremia 8:12→
Jeremia 23:3— En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.Jeremia 32:37→Jeremia 29:14→Jesaja 43:5→Jeremia 31:8→Sefanja 3:19→Amos 9:14→Jesaja 11:11→Ezechiël 34:11→
Jeremia 23:4— En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.Jeremia 3:14→1 Petrus 1:5→Micha 5:4→Johannes 21:15→Johannes 17:12→Psalmen 78:70→Jeremia 33:26→Hosea 3:3→
Jeremia 23:5— Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.Jesaja 4:2→Jesaja 52:13→Jesaja 9:7→Jesaja 53:2→Lukas 1:32→Zacharia 3:8→Jesaja 11:1→Zacharia 6:12→
Jeremia 23:6— In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.1 Korinthe 1:30→Romeinen 3:22→Mattheüs 1:21→Jeremia 33:16→2 Korinthe 5:21→Filippenzen 3:9→Daniël 9:24→Jeremia 30:10→
Jeremia 23:7— Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd.Jeremia 16:14→Jeremia 23:3→Jesaja 43:18→Jeremia 31:31→
Jeremia 23:8— Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.Jesaja 43:5→Amos 9:14→Ezechiël 34:13→Ezechiël 39:28→Ezechiël 36:24→Ezechiël 37:25→Jesaja 27:12→Jesaja 14:1→
Jeremia 23:9— Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.Habakuk 3:16→Jesaja 51:21→Jeremia 25:15→Ezechiël 9:6→Klaagliederen 3:15→Ezechiël 9:4→Jesaja 28:1→Jeremia 5:31→
Jeremia 23:10— Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.Psalmen 107:34→Jeremia 9:10→Jeremia 9:2→Hosea 4:2→Jeremia 5:7→Maleachi 3:5→Joël 1:10→Galaten 5:19→
Jeremia 23:11— Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.Jeremia 6:13→Sefanja 3:4→Jeremia 32:34→Ezechiël 8:16→Jeremia 7:30→Ezechiël 23:39→Jeremia 7:10→Jeremia 8:10→
Jeremia 23:12— Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.Jeremia 13:16→Psalmen 35:6→Jeremia 11:23→Spreuken 4:19→Johannes 12:35→Psalmen 73:18→Jesaja 8:22→Judas 1:13→
Jeremia 23:13— Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden.Jeremia 2:8→Jesaja 9:16→1 Koningen 18:18→Hosea 9:7→1 Koningen 18:40→1 Koningen 18:25→2 Kronieken 33:9→
Jeremia 23:14— Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.Jesaja 1:9→Jeremia 29:23→Jeremia 23:32→Ezechiël 22:25→Jeremia 14:14→Genesis 18:20→Ezechiël 13:22→Mattheüs 11:24→
Jeremia 23:15— Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.Jeremia 9:15→Jeremia 8:14→Psalmen 69:21→Openbaring 8:11→Klaagliederen 3:5→Mattheüs 27:34→Klaagliederen 3:19→Klaagliederen 3:15→
Jeremia 23:16— Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.Jeremia 14:14→Mattheüs 7:15→Jeremia 27:9→Ezechiël 13:3→2 Korinthe 11:13→Jeremia 23:21→Jeremia 27:14→Ezechiël 13:6→
Jeremia 23:17— Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.Micha 3:11→Jeremia 13:10→Jeremia 8:11→Amos 9:10→Jeremia 9:14→Zacharia 10:2→Ezechiël 13:22→Jeremia 3:17→
Jeremia 23:18— Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?Jeremia 23:22→1 Korinthe 2:16→Psalmen 25:14→2 Kronieken 18:23→Job 15:8→Amos 3:7→1 Koningen 22:24→Jesaja 40:13→
Jeremia 23:19— Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.Jeremia 25:32→Jeremia 30:23→Amos 1:14→Psalmen 58:9→Jesaja 66:15→Jesaja 5:25→Jesaja 40:24→Jeremia 4:11→
Jeremia 23:20— Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.Jeremia 30:24→Genesis 49:1→Zacharia 1:6→Jesaja 55:11→Jesaja 14:24→2 Koningen 23:26→1 Koningen 8:47→Spreuken 5:11→
Jeremia 23:21— Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.Jeremia 14:14→Jeremia 27:15→Jeremia 23:32→Johannes 20:21→Jeremia 29:31→Jeremia 29:9→Jesaja 6:8→Romeinen 10:15→
Jeremia 23:22— Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.Zacharia 1:4→Jeremia 25:5→Jeremia 23:18→Jeremia 35:15→Ezechiël 18:30→Handelingen 26:18→1 Thessalonicenzen 5:6→Jeremia 36:3→
Jeremia 23:23— Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?Psalmen 139:1→Jona 1:3→1 Koningen 20:23→Ezechiël 20:32→Psalmen 113:5→1 Koningen 20:28→
Jeremia 23:24— Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.Spreuken 15:3→Psalmen 90:8→Psalmen 139:7→Jesaja 29:15→1 Koningen 8:27→Jesaja 57:15→Psalmen 10:11→Jesaja 66:1→
Jeremia 23:25— Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.Jeremia 29:8→Joël 2:28→Jeremia 23:32→Jeremia 23:28→Numeri 12:6→1 Korinthe 4:5→Jeremia 8:6→Jeremia 13:27→
Jeremia 23:26— Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.1 Timotheüs 4:1→2 Petrus 2:13→Jeremia 14:14→Jeremia 4:14→2 Thessalonicenzen 2:9→Psalmen 4:2→Jeremia 17:9→Handelingen 13:10→
Jeremia 23:27— Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal.Richteren 3:7→Richteren 8:33→Jeremia 29:8→2 Koningen 21:3→Handelingen 13:8→Deuteronomium 13:1→2 Timotheüs 3:6→2 Timotheüs 2:17→
Jeremia 23:28— De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.1 Korinthe 3:12→Mattheüs 24:45→Spreuken 14:5→1 Korinthe 4:2→2 Korinthe 2:17→Lukas 12:42→1 Timotheüs 1:12→
Jeremia 23:29— Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?Jeremia 5:14→Hebreeën 4:12→Jeremia 20:9→2 Korinthe 10:4→Lukas 24:32→Openbaring 11:5→Johannes 6:63→Handelingen 2:37→
Jeremia 23:30— Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;Deuteronomium 18:20→Ezechiël 13:8→Jeremia 14:14→Psalmen 34:16→Ezechiël 15:7→Ezechiël 13:20→Jeremia 44:29→1 Petrus 3:12→
Jeremia 23:31— Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;Jeremia 23:17→2 Kronieken 18:19→2 Kronieken 18:10→Jesaja 30:10→2 Kronieken 18:5→Micha 2:11→
Jeremia 23:32— Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.Jeremia 7:8→Klaagliederen 2:14→Sefanja 3:4→Deuteronomium 13:1→Openbaring 19:20→Jeremia 29:31→Deuteronomium 18:20→Zacharia 13:2→
Jeremia 23:33— Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.Maleachi 1:1→Habakuk 1:1→Nahum 1:1→Jesaja 13:1→Jeremia 12:7→Jeremia 23:39→2 Kronieken 15:2→Deuteronomium 31:17→
Jeremia 23:34— En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.Zacharia 13:3→Klaagliederen 2:14→
Jeremia 23:35— Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?Jeremia 33:3→Jeremia 31:34→Hebreeën 8:11→Jeremia 42:4→
Jeremia 23:36— Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.2 Petrus 3:16→2 Koningen 19:4→Jeremia 10:10→Jesaja 28:22→Galaten 1:7→Galaten 6:5→1 Samuël 17:26→1 Thessalonicenzen 1:9→
Jeremia 23:38— Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;2 Kronieken 11:13→
Jeremia 23:39— Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.Jeremia 23:33→Ezechiël 8:18→Genesis 6:17→Klaagliederen 5:20→Jeremia 7:15→Ezechiël 34:11→Jesaja 48:15→Spreuken 13:13→
Jeremia 23:40— En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.Jeremia 20:11→Ezechiël 5:14→Jeremia 42:18→Jeremia 24:9→Deuteronomium 28:37→Jeremia 44:8→Daniël 12:2→Daniël 9:16→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Jeremia 23 vers 1— Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.
ombrengen
Of, vernielen, doen omkomen, vergaan, verderven, in het verderf brengen, vergelijk deze profetie met Eze 34 .
Hertaald:ombrengen
Of: vernielen, doen omkomen, doen vergaan, verderven, in het verderf brengen; vergelijk deze profetie met Ezech. 34.
Jeremia 23 vers 2— Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.
bezocht;
Geen opzicht op hen gehad, hunnen welstand niet bezorgd.
Hertaald:bezocht;
Geen toezicht op hen gehouden, niet voor hun welzijn gezorgd.
bezoeken
Dat is, straffen. Zie Gen. 21:1 .
Hertaald:bezoeken
Dat is: straffen. Zie Gen. 21:1.
Jeremia 23 vers 3— En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.
vergaderen
Als Ik vooreerst mijn volk uit Babel, en daarna [dat het voornaamste en daardoor afgebeeld was] mijne kerk zal vergaderen uit Joden en heidenen door den Messias, die van beiden een schaapsstal zal maken, Joh. 10:16 .
Hertaald:vergaderen
Wanneer Ik eerst Mijn volk uit Babel zal verzamelen en daarna — wat het voornaamste is en waarvan dat een afbeelding was — Mijn kerk uit Joden en heidenen door de Messias, Die van beide één schaapskooi zal maken, Joh. 10:16.
Jeremia 23 vers 4— En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.
verwekken,
Of, stellen, zetten.
Hertaald:verwekken,
Of: stellen, aanstellen.
gemist worden,
Dat is, geen van hen zal er ontbreken. Anders: bezocht, dat is gestraft, geplaagd worden; gelijk boven vs.2.
Hertaald:gemist worden,
Dat is: geen van hen zal ontbreken. Anders: bezocht, dat is: gestraft of geplaagd worden, zoals hierboven in vers 2.
Jeremia 23 vers 5— Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
rechtvaardige
Zijnde zonder zonden, onbevlekt, heilig en rechtvaardig, ja onze gerechtigheid, geljk volgt, die God in Hem voor ons overvloediglijk heeft als doen groenen en bloeien.
Hertaald:rechtvaardige
Hij is zonder zonde, onbevlekt, heilig en rechtvaardig, ja onze gerechtigheid, zoals volgt — die God in Hem voor ons overvloedig als het ware heeft doen groenen en bloeien.
Spruit
Of, spruitsel, uitspruitsel, scheut; namelijk, den Messias, onzen Heere Jezus Christus, welke, zijnde Gods eeuwige en eniggeboren Zoon, in de volheid des tijds, door de wonderbare en onbegrijpelijke werking van den Heiligen Geest, onzen natuur heeft aangenomen, voortspruitende uit Maria [die van den huize Davids was] gelijk een nieuw uitspruitsel uit een stam, stomp, of stronk, die vergaan en verstorven scheen te zijn. Vergelijk Jes. 4:2 , en Jes. 11:1 , en zie onder Jer. 33:15-16 ; Zach. 3:8 , en Zach. 6:12; Hebr. 7:14 , alwaar een Grieks woord gebruikt wordt, dat wel eigenlijk en meest past op het opgaan, oprijzen en opschieten der zon, maar van de Griekse overzetters hier en elders gebruikt is tot vertaling van dit woord spruit, gelijk het ook van den Evangelist Lukas gehouden is, Luc. 1:78 , waar Zacharia den Heere Christus noemt den opgang uit de hoogte; alzo gebruiken wij ook dit woord opgaan, opkomen, rijzen, niet alleen van de zon en sterren, maar ook van kruiden en gewassen, waarop het Hebreeuwse woord tsemach, spruit, of uitspruitsel eigenlijk ziet; hoewel het Griekse woord Luc. 1:78 , daar schijnt te zien op den opgang der zon in het oosten, gelijk enigen afnemen uit Luc. 1:79 aldaar.
Hertaald:Spruit
Of: spruitsel, uitspruitsel, scheut; namelijk de Messias, onze Heere Jezus Christus. Als Gods eeuwige en eniggeboren Zoon heeft Hij in de volheid van de tijd door de wonderlijke en onbegrijpelijke werking van de Heilige Geest onze natuur aangenomen, terwijl Hij voortsproot uit Maria, die uit het huis van David was, als een nieuwe scheut uit een stam, stronk of stomp die vergaan en verstorven leek te zijn. Vergelijk Jes. 4:2 en Jes. 11:1, en zie hieronder Jer. 33:15-16, Zach. 3:8 en Zach. 6:12, en Hebr. 7:14. Daar wordt een Grieks woord gebruikt dat eigenlijk het meest past bij het opgaan, oprijzen en opkomen van de zon, maar dat de Griekse vertalers hier en elders gebruikt hebben om dit woord spruit te vertalen; zo is het ook opgevat door de evangelist Lukas, Luk. 1:78, waar Zacharias de Heere Christus de Opgang uit de hoogte noemt. Zo gebruiken ook wij het woord opgaan, opkomen of rijzen niet alleen van de zon en de sterren maar ook van kruiden en gewassen, waarop het Hebreeuwse woord tsemach, spruit of uitspruitsel, eigenlijk ziet — hoewel het Griekse woord in Luk. 1:78 daar op de opgang van de zon in het oosten lijkt te zien, zoals sommigen afleiden uit Luk. 1:79.
Koning zijnde regeren,
Dezelfde manier van spreken is onder Jer. 37:1 . Zie de aantekening aldaar, en vergelijk Hos. 3:4-5 .
Hertaald:Koning zijnde regeren,
Dezelfde manier van spreken staat hieronder in Jer. 37:1. Zie de aantekening daarbij, en vergelijk Hos. 3:4-5.
recht en gerechtigheid doen
Als een Koning en rechtvaardig Rechter der ganse wereld, verdoende de goddelozen en behoudende de zijnen. Zie 1 Kon. 10:9 .
Hertaald:recht en gerechtigheid doen
Als Koning en rechtvaardig Rechter van de hele wereld, Die de goddelozen verdelgt en de Zijnen behoudt. Zie 1 Kon. 10:9.
Jeremia 23 vers 6— In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.
Zijn dagen
Des Heeren Christus; dat is, in den tijd van het Nieuwe Testament. Zie Hand. 3:24 .
Hertaald:Zijn dagen
Van de Heere Christus — dat is: in de tijd van het Nieuwe Testament. Zie Hand. 3:24.
Juda
Versta door Juda en Israël Gods kerk, ook Jeruzalem genoemd, onder Jer. 33:16 , en Jezus Christus' volk; Matt. 1:21 .
Hertaald:Juda
Versta onder Juda en Israël de kerk van God, die hieronder in Jer. 33:16 ook Jeruzalem genoemd wordt, en het volk van Jezus Christus; Matth. 1:21.
zeker wonen;
Gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, en dienvolgens vrede hebbende met God door onzen Heere Jezus Christus, enz., Rom. 5:1 .
Hertaald:zeker wonen;
Terwijl zij uit het geloof gerechtvaardigd zijn en daarom vrede hebben met God door onze Heere Jezus Christus, enzovoort, Rom. 5:1.
men Hem zal noemen
Hebreeuws, Hij zal, enz.; dat is, men zal Hem noemen, of Hij zal genoemd worden, [gelijk elders dikwijls] te weten van zijn volk, gelijk het volgende woord, onze, verklaart.
Hertaald:men Hem zal noemen
Hebreeuws: Hij zal, enzovoort — dat is: men zal Hem noemen, of Hij zal genoemd worden, zoals elders vaak, namelijk door Zijn volk, zoals het volgende woord onze verklaart.
De HEERE
ONZE GERECHTIGHEID. Vergelijk Deut. 6:25 ; Richt. 6:24 , en wijders 1 Kor. 1:30 ; Dan. 9:24 ; idem onder Jer. 33:16 . Hebreeuws, Jehova Tzidkenu; hetwelk van sommige overzetters als een eigen naam alzo in den tekst gesteld wordt.
Hertaald:De HEERE
DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID. Vergelijk Deut. 6:25 en Richt. 6:24, en verder 1 Kor. 1:30 en Dan. 9:24, en ook hieronder Jer. 33:16. Hebreeuws: Jehova Tsidkenu, wat door sommige vertalers als eigennaam zo in de tekst gezet wordt.
Jeremia 23 vers 7— Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd.
niet meer zullen zeggen
Zie boven Jer. 16:14-15 , en de aantekening aldaar.
Hertaald:niet meer zullen zeggen
Zie hierboven Jer. 16:14-15 met de aantekening daarbij.
Jeremia 23 vers 8— Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.
Ik ze gedreven had
Dat is, de Heere.
Hertaald:Ik ze gedreven had
Dat is: de HEERE.
Jeremia 23 vers 9— Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.
Aangaande de profeten
Of, om der profeten [versta, de valse] wil is mijn hart, enz. Dit zijn de woorden van den profeet.
Hertaald:Aangaande de profeten
Of: vanwege de profeten — versta: de valse — is mijn hart, enzovoort. Dit zijn de woorden van de profeet.
gebroken,
Van droefenis en ontsteltenis; vergelijk Ps. 51:19 .
Hertaald:gebroken,
Van droefheid en ontsteltenis; vergelijk Ps. 51:19.
te boven gaat;
Zodat hij zijn verstand en leden niet recht gebruiken kan.
Hertaald:te boven gaat;
Zodat hij zijn verstand en zijn ledematen niet goed kan gebruiken.
heiligheid
Dat is, zijn heilige woorden, die de valse profeten verachten en voor leugen houden.
Hertaald:heiligheid
Dat is: Zijn heilige woorden, die de valse profeten verachten en voor leugen houden.
Jeremia 23 vers 10— Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.
vloek,
Of, het vloeken; men kan het duiden op Gods vloek over het land, of op het vloeken en vals zweren der inwoners; zie boven Jer. 5:2 , en Jer. 12:4 , en gelijk gebruik van het Hebreeuwse woord Hos. 4:2 .
Hertaald:vloek,
Of: het vloeken. Men kan het betrekken op Gods vloek over het land, of op het vloeken en het valse zweren van de inwoners; zie hierboven Jer. 5:2 en Jer. 12:4, en een gelijk gebruik van het Hebreeuwse woord in Hos. 4:2.
loop boos is,
Dat is, manier van leven, de loop hunner handelingen, of hun overlast; zie van het Hebreeuwse woord boven Jer. 22:17 .
Hertaald:loop boos is,
Dat is: manier van leven, de loop van hun handelingen, of hun geweld; over het Hebreeuwse woord, zie hierboven Jer. 22:17.
niet recht
Zij misbruiken ze tot enkel onrecht.
Hertaald:niet recht
Zij misbruiken die tot enkel onrecht.
Jeremia 23 vers 11— Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.
beiden
Hebreeuws, ook profeet, ook priester.
Hertaald:beiden
Hebreeuws: ook profeet, ook priester.
zijn huichelaars;
Of, zijn onheilig, profaan, handelen onheiliglijk.
Hertaald:zijn huichelaars;
Of: zijn onheilig, profaan, handelen onheilig.
Jeremia 23 vers 12— Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.
gladde plaatsen
Hebreeuws, slibberigheden, gladdigheden. Zie Ps. 35:6 , en Ps. 73:18 .
Hertaald:gladde plaatsen
Hebreeuws: glibberigheden, gladheden. Zie Ps. 35:6 en Ps. 73:18.
daarin vallen;
In de donkerheid.
Hertaald:daarin vallen;
In de duisternis.
kwaad over hen brengen
Der straf, ongeluk, ellende.
Hertaald:kwaad over hen brengen
Van de straf, het ongeluk, de ellende.
in het jaar
Gelijk boven, Jer. 11:23 .
Hertaald:in het jaar
Zoals hierboven Jer. 11:23.
Jeremia 23 vers 13— Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden.
ongerijmdheid
Hebreeuws eigenlijk, onsmakelijkheid; dat is ongerijmde, dwaze dingen; zie Job 1:22 , met de aantekening.
Hertaald:ongerijmdheid
Hebreeuws eigenlijk: onsmakelijkheid — dat is: ongerijmde, dwaze dingen; zie Job 1:22 met de aantekening.
door Baäl,
Of van.
Hertaald:door Baäl,
Of: van.
Israël
Dat is, de tien stammen.
Hertaald:Israël
Dat is: de tien stammen.
Jeremia 23 vers 14— Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.
afschuwelijkheid;
Gelijk boven Jer. 5:30 .
Hertaald:afschuwelijkheid;
Zoals hierboven Jer. 5:30.
gaan om met valsheid,
Hebreeuws, wandelen in, of met valsheid.
Hertaald:gaan om met valsheid,
Hebreeuws: wandelen in of met valsheid.
sterken de handen der boosdoeners,
Geven hun goeden moed, belovende hun Gods zegen en vrede. Zie onder vs.17, en vergelijk Ezech. 13:22 .
Hertaald:sterken de handen der boosdoeners,
Zij geven hun goede moed door hun Gods zegen en vrede te beloven. Zie hieronder vers 17, en vergelijk Ezech. 13:22.
Sodom,
Dat is, als de inwoners van Sodom eertijds waren, te weten ten hoogste goddeloos.
Hertaald:Sodom,
Dat is: zoals de inwoners van Sodom vroeger waren, namelijk ten hoogste goddeloos.
haar inwoners
Van Jeruzalem.
Hertaald:haar inwoners
Van Jeruzalem.
Gomórra
Dat is, de inwoners van Gomorra.
Hertaald:Gomórra
Dat is: de inwoners van Gomorra.
Jeremia 23 vers 15— Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.
heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15 .
Hertaald:heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15.
alsem spijzigen,
Gelijk boven Jer. 9:15 , zie aldaar.
Hertaald:alsem spijzigen,
Zoals hierboven Jer. 9:15; zie daar.
Jeremia 23 vers 16— Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.
ijdel;
Met valse en ijdele beloften bedriegen zij u, zodat gij bedrogen zult uitkomen als gij u daarop verlaat. Vergelijk Ps. 62:11 .
Hertaald:ijdel;
Met valse en ijdele beloften bedriegen zij u, zodat u bedrogen zult uitkomen wanneer u daarop vertrouwt. Vergelijk Ps. 62:11.
huns harten,
Dat zij zelf versierd en niet van mij ontvangen hebben. Vergelijk Ezech. 13:2 .
Hertaald:huns harten,
Die zij zelf verzonnen hebben en niet van Mij ontvangen. Vergelijk Ezech. 13:2.
Jeremia 23 vers 17— Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.
steeds
Hebreeuws, zij zijn zeggende zeggende.
Hertaald:steeds
Hebreeuws: zij zijn voortdurend zeggende (een verdubbeling in de grondtekst).
Hertaald:vrede hebben;
Dat is: het zal u goed gaan.
Jeremia 23 vers 18— Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?
wie heeft in des HEEREN raad gestaan,
Anders dan wij, willen zij zeggen; vergelijk vs.22. Of, zij willen zeggen dat niemand Gods verborgen raad kan weten, en derhalve ook Jeremia niet; spottende alzo goddelooslijk met de getrouwe waarschuwingen, die God door zijne profeten hun deed. Sommigen verstaan hier de vergadering der heilige engelen, met wie God gezegd wordt als te beraadslagen, zie 1 Kon. 22:19 , enz.
Hertaald:wie heeft in des HEEREN raad gestaan,
Anders dan wij, willen zij zeggen; vergelijk vers 22. Of zij willen zeggen dat niemand Gods verborgen raad kan kennen, en dus ook Jeremia niet, en zo spotten zij goddeloos met de trouwe waarschuwingen die God hun door Zijn profeten deed. Sommigen verstaan hier de vergadering van de heilige engelen, met wie God als het ware gezegd wordt te beraadslagen; zie 1 Kon. 22:19, enzovoort.
gezien of gehoord?
Dat is, vernomen; of wien is het door profetische gezichten geopenbaard? Vergelijk Am. 1:1 ; Mi. 1:1 .
Hertaald:gezien of gehoord?
Dat is: vernomen; of: aan wie is het door profetische gezichten geopenbaard? Vergelijk Amos 1:1 en Micha 1:1.
Jeremia 23 vers 19— Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
blijven
Vergelijk 2 Sam. 3:29 . Anders: het zal pijnlijk vallen.
Hertaald:blijven
Vergelijk 2 Sam. 3:29. Anders: het zal pijnlijk vallen.
Jeremia 23 vers 20— Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.
laatste der dagen
In den toekomstigen tijd, gelijk Gen. 49:1 , als deze profetieën zullen vervuld worden, die gij nu bespot.
Hertaald:laatste der dagen
In de toekomende tijd, zoals in Gen. 49:1, wanneer deze profetieën vervuld zullen worden die u nu bespot.
met verstand
Of, verstand daarvan bekomen. Anders: zult gij het klaarlijk verstaan. Vergelijk onder Jer. 30:24 .
Hertaald:met verstand
Of: er verstand van krijgen. Anders: zult u het helder verstaan. Vergelijk hieronder Jer. 30:24.
Jeremia 23 vers 22— Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.
raad hadden gestaan,
Waarvan boven vs.18.
Hertaald:raad hadden gestaan,
Waarover hierboven vers 18.
weg,
Zie Gen. 6:12 .
Hertaald:weg,
Zie Gen. 6:12.
Jeremia 23 vers 23— Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?
Ben Ik een God van nabij,
Geenszins, wil de Heere zeggen, maar Ik ben een God van nabij en van verre. Dit wordt in het volgende verklaard.
Hertaald:Ben Ik een God van nabij,
Volstrekt niet, wil de HEERE zeggen; maar Ik ben een God van nabij én van verre. Dit wordt in het vervolg verklaard.
Jeremia 23 vers 25— Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.
gedroomd, ik heb gedroomd
God heeft mij dit en dat door een droom geopenbaard; zie Gen. 20:3 , en Gen. 28:12 , en Num. 12:6 .
Hertaald:gedroomd, ik heb gedroomd
God heeft mij dit en dat door een droom geopenbaard; zie Gen. 20:3, Gen. 28:12 en Num. 12:6.
Jeremia 23 vers 26— Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.
Hoe lang?
Zullen zij alzo spreken en mijn volk bedriegen?
Hertaald:Hoe lang?
Zullen zij zo blijven spreken en Mijn volk bedriegen?
een droom
Versta een goddelijken droom. Dit woord is hier uit het voorgaande en volgende ingevoegd.
Hertaald:een droom
Versta: een goddelijke droom. Dit woord is hier vanuit het voorgaande en volgende ingevoegd.
Jeremia 23 vers 27— Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal.
denken
Voorhebben en bedenken dat zij mijn volk mogen brengen tot een goddeloze onachtzaamheid en onwetendheid van mij, mijn woord, wil en werken.
Hertaald:denken
Zij hebben het erop gemunt en beramen dat zij Mijn volk kunnen brengen tot een goddeloze achteloosheid en onwetendheid ten aanzien van Mij, Mijn Woord, Mijn wil en Mijn werken.
Jeremia 23 vers 28— De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.
droom is,
Eene goddelijke droom, van mij hem toegezonden; sommigen menen: de Heere wil zeggen dat die een valsen en versierden droom heeft, dien zal vertellen of voorstellen als zijn eigen versiersel en vond, niet als van God gekomen zijnde.
Hertaald:droom is,
Een goddelijke droom, die Ik hem toegezonden heb. Sommigen menen dat de HEERE wil zeggen dat wie een valse en verzonnen droom heeft, die moet vertellen als zijn eigen verzinsel en vondst en niet alsof hij van God gekomen is.
waarachtiglijk;
Of, getrouwelijk. Hebreeuws eigenlijk, [in, of met] waarheid of getrouwheid.
Hertaald:waarachtiglijk;
Of: getrouw. Hebreeuws eigenlijk: in of met waarheid of trouw.
wat heeft het stro met het koren te doen?
Dat is, welke gemeenschap hebben valse leer of mensengedichtselen [die geen nut kunnen doen] met mijn zaligmakend woord en waarheid? Zie de manier van spreken 2 Sam. 16:10 , enz.
Hertaald:wat heeft het stro met het koren te doen?
Dat is: wat hebben valse leer of menselijke verzinsels, die geen nut kunnen doen, gemeen met Mijn zaligmakende Woord en waarheid? Zie deze manier van spreken in 2 Sam. 16:10, enzovoort.
Jeremia 23 vers 29— Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
te morzel slaat?
Alzo in stukken slaat, dat de stukken verstrooid worden, of dat de steenrots als gruis verstrooid wordt, waarop de betekenis van het Hebreeuwse woord ziet. Vergelijk boven Jer. 22:28 , en onder Jer. 51:20 , met de aantekening.
Hertaald:te morzel slaat?
Zo stukslaat dat de stukken verstrooid worden, of dat de rots als gruis verstrooid wordt; daarop ziet de betekenis van het Hebreeuwse woord. Vergelijk hierboven Jer. 22:28 en hieronder Jer. 51:20 met de aantekening.
Jeremia 23 vers 30— Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;
Ik wil aan de profeten,
Gelijk boven Jer. 21:13 .
Hertaald:Ik wil aan de profeten,
Zoals hierboven Jer. 21:13.
naaste;
Of, metgezel; dat is, die heimelijk en steelsgewijze met elkander samenspannen en de een den ander leren wat zij tezamen het volk als mijn woord en op mijn naam zullen voorstellen; of die wel weten dat de ware profetieën mijn woord zijn, en ontkennen het evenwel voor het volk, of houden het achter, stelende alzo mijn woord uit de harten der mensen en benemende hun de gedachten, die zij daarvan mogen hebben, opdat het in den wind geslagen worde. Sommigen menen dat dit ziet op de arglistigheid der valse profeten, die enige woorden en manieren van spreken, die de ware profeten gewoon waren in hunne profetieën te gebruiken, hun ontstalen, en tot een dekmantel van hun bedrog in hun valse profetieën gebruikten, en de ware profeten alzo, gelijk men zegt, naäapten, waarvan in het volgende.
Hertaald:naaste;
Of: metgezel — dat is: zij die heimelijk en stiekem met elkaar samenspannen en de een de ander leert wat zij samen het volk als Mijn woord en in Mijn Naam zullen voorhouden. Of: zij die heel goed weten dat de ware profetieën Mijn woord zijn en het toch tegenover het volk ontkennen of achterhouden, en zo Mijn woord uit de harten van de mensen stelen en hun de gedachten daarover ontnemen, opdat het in de wind geslagen wordt. Sommigen menen dat dit ziet op de arglistigheid van de valse profeten, die enkele woorden en uitdrukkingen welke de ware profeten in hun profetieën plachten te gebruiken van hen ontstalen en als dekmantel voor hun bedrog in hun valse profetieën gebruikten, en de ware profeten zo, zoals men zegt, naaapten; daarover in het vervolg.
Jeremia 23 vers 31— Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;
hun tong nemen,
Dat is, hunne tong stoutelijk hiertoe misbruiken, of, [met] hunne tongen vangen; dat is, de mensen met zoete woorden verstrikken en overreden, stoutelijk en valselijk zeggende dat het mijn woord is, hetgeen hun eigen versiersel is.
Hertaald:hun tong nemen,
Dat is: hun tong brutaal hiervoor misbruiken; of: met hun tong vangen — dat is: de mensen met vriendelijke woorden verstrikken en overreden, terwijl zij brutaal en vals zeggen dat wat hun eigen verzinsel is Mijn woord zou zijn.
Hij heeft het gesproken;
Namelijk de HEERE: gelijk de ware profeten, bij en in het verhaal van Gods woorden, zeer dikwijls deze woorden plegen te gebruiken: spreekt, of, zegt de HEERE. Hebreeuws eigenlijk, het gezegde, of gesprokene des HEEREN; Matt. 22:44 , uit Ps. 110:1 , wordt daarvoor gesteld [gelijk als hier] heeft gezegd, of gesproken, of sprak, in deze woorden: De HEERE heeft gezegd, of gesproken tot mijnen Heere. Alwaar dit woord ook in den Hebreeuwsen tekst staat.
Hertaald:Hij heeft het gesproken;
Namelijk: de HEERE. Zo gebruiken de ware profeten bij en in het weergeven van Gods woorden zeer vaak deze uitdrukking: spreekt, of: zegt de HEERE. Hebreeuws eigenlijk: het gezegde of gesprokene van de HEERE. In Matth. 22:44, aangehaald uit Ps. 110:1, staat daarvoor — net als hier — heeft gezegd of gesproken, of: sprak, in deze woorden: de HEERE heeft gezegd tot mijn Heere. Daar staat dit woord ook in de Hebreeuwse tekst.
Jeremia 23 vers 32— Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.
valse dromen profeteren,
Hebreeuws, dromen der valsheid, of der leugen, leugendromen.
Hertaald:valse dromen profeteren,
Hebreeuws: dromen van de valsheid of van de leugen, leugendromen.
gans geen nut doen,
Hebreeuws, nut doende, geen nut doen.
Hertaald:gans geen nut doen,
Hebreeuws: nut doend geen nut doen.
Jeremia 23 vers 33— Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.
vragen zal,
Te weten spottenderwijze, en niet uit een heilige bekommering.
Hertaald:vragen zal,
Namelijk: spottend, en niet uit heilige bezorgdheid.
last?
Alzo werden de profetieën genoemd, die Gods dreigementen, straffen en plagen inhielden. Zie 2 Kon. 9:25 , enz. Alsof zij zeiden: Hebt gij al weder wat kwaads in het hoofd? Hebt gij niets anders dan zwarigheid te profeteren?
Hertaald:last?
Zo werden de profetieën genoemd die Gods dreigementen, straffen en plagen inhielden. Zie 2 Kon. 9:25, enzovoort. Alsof zij zeiden: hebt u alweer iets kwaads in het hoofd? Hebt u niets anders te profeteren dan onheil?
verlaten zal,
Gelijk onder vs.39.
Hertaald:verlaten zal,
Zoals hieronder vers 39.
Jeremia 23 vers 34— En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.
volk,
Dat is, die van het volk, welke, enz.
Hertaald:volk,
Dat is: zij van het volk die, enzovoort.
Des HEEREN last;
Noemende alzo des Heeren woord, uit enkel spotternij, boosheid en verkeerdheid, alsof er in Gods woord geen getrouw onderwijs en overvloedige troost ware, maar enkel dreigen, vloeken en straffen, om de mensen wanhopend te maken.
Hertaald:Des HEEREN last;
Zo noemen zij het Woord van de HEERE, uit louter spot, boosheid en verkeerdheid, alsof er in Gods Woord geen trouw onderwijs en overvloedige troost zou zijn maar alleen dreigen, vloeken en straffen, om de mensen wanhopig te maken.
bezoeking zal doen
Door straf. Zie Gen. 21:1 .
Hertaald:bezoeking zal doen
Door straf. Zie Gen. 21:1.
Jeremia 23 vers 35— Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
zeggen,
In godvruchtigen ernst en nederigheid vragende naar des HEEREN woord.
Hertaald:zeggen,
Terwijl u in godvruchtige ernst en nederigheid naar het Woord van de HEERE vraagt.
Jeremia 23 vers 36— Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.
gedenken;
Dat is, vermelden, zulke woorden niet meer in den mond voeren, gelijk gij nu spottende dagelijks doet.
Hertaald:gedenken;
Dat is: vermelden, zulke woorden niet meer in de mond nemen zoals u nu dagelijks spottend doet.
zijn eigen woord een last zijn,
Door zijne spotternijen en omkeringen van Gods woord zal hij zichzelven den vloek en het verderf op den hals halen, zo zeker alsof er een uitgedrukte profetie tegen hem geprofeteerd was.
Hertaald:zijn eigen woord een last zijn,
Door zijn spotternijen en zijn verdraaiingen van Gods Woord zal hij zichzelf de vloek en het verderf op de hals halen, even zeker alsof er een uitdrukkelijke profetie tegen hem uitgesproken was.
Jeremia 23 vers 37— Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?
profeet
Een waren profeet, gelijk Jeremia was.
Hertaald:profeet
Een ware profeet, zoals Jeremia was.
Jeremia 23 vers 38— Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;
Maar dewijl gij zegt
Of: Zult gij dan nog zeggen des HEEREN last? Blijft gij nog even hardnekkig niet vragende naar alle waarschuwingen en dreigementen?
Hertaald:Maar dewijl gij zegt
Of: zult u dan nog zeggen: de last van de HEERE? Blijft u even hardnekkig en vraagt u niet naar alle waarschuwingen en dreigementen?
Jeremia 23 vers 39— Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
ook ganselijk vergeten,
Hebreeuws, vergeten vergetende.
laten varen
Of, laten heengaan; zulke betekenis van het Hebreeuwse woord is in de heilige Schriftuur algemeen. Anders, [door verwisseling ener letter in het Hebreeuws] uit of wegrukken, wegrijten.
Hertaald:laten varen
Of: laten heengaan; die betekenis van het Hebreeuwse woord is in de Heilige Schrift algemeen. Anders — door de verwisseling van één letter in het Hebreeuws —: uitrukken, wegrukken, wegscheuren.
Jeremia 23 vers 40— En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.
eeuwige smaadheid
Hebreeuws, smaadheid der eeuwigheid, en zo in het volgende.
Hertaald:eeuwige smaadheid
Hebreeuws: smaad van de eeuwigheid; zo ook in het vervolg.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De herders die verstrooien — een wee over leiders die de kudde kwijtraken, met de belofte dat God Zelf vergadert (Jer. 23:1-4)
"Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien!" (Jer. 23:1). De aanklacht wordt uitgeschreven: "Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen" (Jer. 23:2). Er staat een woordspel in: zij hebben de schapen niet bezocht, dus zal God hén bezoeken. Dan neemt Hij het werk Zelf over: "Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb" (Jer. 23:3). En daarna volgt opnieuw de belofte van goede leiding: "Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden" (Jer. 23:4).
Bijbelse betekenis: Merk op van wie de schapen heten. Vier keer staat er Mijn: Mijn weide, Mijn schapen. De herders hadden ze in beheer en niet in bezit, en juist daarom is het verstrooien zo zwaar. Let vervolgens op het verwijt zelf. Er staat niet dat zij de kudde bedrogen of uitbuitten — dat komt elders — maar dat zij haar niet bezochten. Verwaarlozing telt hier even zwaar als geweld. Let ten slotte op de volgorde in Jer. 23:3-4. God vergadert eerst Zelf, en daarna geeft Hij herders. De belofte van goede leiding stond al eerder in dit boek (reeds behandeld bij Jer. 3:15); hier krijgt zij haar plaats na het oordeel over de slechte.
Typologie: De Heere Jezus vervult beide helften: Hij ontfermt Zich over de schare, omdat zij verstrooid waren "gelijk schapen, die geen herder hebben" (Matt. 9:36), en Hij noemt Zich de goede Herder Die Zijn leven stelt voor de schapen (reeds behandeld bij Joh. 10:11).
Jer. 23:1-4; Jer. 3:15; Matt. 9:36; Joh. 10:11
De HEERE onze gerechtigheid — de naam die aan de beloofde Spruit gegeven wordt (Jer. 23:5-6)
"Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde" (Jer. 23:5). Het woord Spruit staat in dit boek voor een scheut die opkomt uit een stronk die afgehouwen leek; het is dezelfde naam die eerder bij Jesaja klonk (reeds behandeld bij Jes. 4:2). Wat er in Zijn dagen gebeurt, staat er ook bij: Juda zal verlost worden en Israël zeker wonen. En dan volgt de naam: "dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID" (Jer. 23:6).
Bijbelse betekenis: Eerst het gedeelte in zijn eigen tijd. Het staat vlak na het vonnis over Chonia, van wie gezegd was dat niemand van zijn zaad voorspoedig op de troon zou zitten (Jer. 22:30). Juist daar wordt beloofd dat God Zelf een rechtvaardige Spruit verwekt, van wie staat dat Hij vóórspoedig zal zijn. Wat de menselijke lijn niet meer kan opleveren, geeft God. Let vervolgens op de naam. Er staat niet dat Hij rechtvaardig regeert — dat is al gezegd — maar dat Hij ONZE gerechtigheid heet; de naam gaat niet alleen over Hem maar over wat Hij voor anderen is. Let ten slotte op de hoofdletters. De Statenvertaling drukt hier de Godsnaam met hoofdletters in de naam van deze Koning; het register volgt die lezing en zegt er niet meer bij dan de tekst zelf zegt.
Typologie: Paulus gebruikt precies deze naam voor Christus: Hij is ons geworden "wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing" (reeds behandeld bij 1 Kor. 1:30). En hij zegt hoe die gerechtigheid de onze wordt: God heeft Hem, Die geen zonde gekend heeft, zonde voor ons gemaakt, "opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Kor. 5:21).
Stro en koren — de toets waarmee een droom van een woord onderscheiden wordt (Jer. 23:21-29)
"Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd" (Jer. 23:21). Er staat bij waaraan dat te merken is: "zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg" (Jer. 23:22). Dan volgt het beeld: "De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen?" (Jer. 23:28). En daarop de vraag die zegt wat een woord van God uitwerkt: "Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?" (Jer. 23:29).
Bijbelse betekenis: Merk op welke toets er in Jer. 23:22 gegeven wordt. Niet of de boodschap indruk maakt en niet of zij uitkomt, maar wat zij uitwerkt: echte profetie keert mensen af van hun boze weg. Wie alleen geruststelt, verraadt daarmee waar hij zijn woord vandaan heeft. Let vervolgens op het beeld van stro en koren. Beide komen van dezelfde akker en beide zien er van een afstand hetzelfde uit; het verschil merkt men pas als men ervan wil eten. Let ten slotte op Jer. 23:29. Vuur en hamer zijn geen zachte beelden. Een woord dat niets losmaakt en niemand raakt, kan van alles zijn, maar het is niet het woord dat hier beschreven wordt.
Typologie: De Hebreeënbrief zegt hetzelfde van de uitwerking van het Woord: het is levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard (reeds behandeld bij Hebr. 4:12). En Petrus zegt waar echte profetie vandaan komt: niet uit de wil van een mens, maar van heilige mensen Gods die door de Heilige Geest gedreven werden (reeds behandeld bij 2 Petr. 1:21).
Jer. 23:21-29; Hebr. 4:12; 2 Petr. 1:21
Een God van nabij en van verre — twee vragen waarmee God zegt dat niemand zich voor Hem verbergen kan (Jer. 23:23-24)
"Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?" (Jer. 23:23). Daarop volgt de tweede vraag: "Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde?" (Jer. 23:24). Beide verzen staan midden in het gedeelte over de profeten die zeggen wat zij zelf bedacht hebben.
Bijbelse betekenis: Merk op waartegen dit gezegd wordt. De valse profeten meenden dat men op afstand van God kon werken zolang men Zijn Naam maar gebruikte. Daartegenover staat dat Hij hemel en aarde vervult; er is geen hoek van het bestaan waar men buiten Zijn gehoor is. Let vervolgens op de vorm. Het zijn vragen en geen leerstellingen, en dat maakt ze scherper: de hoorder moet ze zelf beantwoorden. Let ten slotte op wat deze twee verzen in dit verband doen. Zij zijn niet in de eerste plaats troost maar toets; dezelfde waarheid die de gelovige geruststelt, maakt de huichelaar doorzichtig. Dat de psalm er ook de troostkant van kent, staat elders (reeds behandeld bij Ps. 139:7-10).
Typologie: Paulus zegt hetzelfde tot de Atheners: Hij is van niemand van ons ver, "want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij" (Hand. 17:27-28). En de Hebreeënbrief zegt dat er geen schepsel onzichtbaar is voor Hem (reeds behandeld bij Hebr. 4:13).
Jer. 23:23-24; Ps. 139:7-10; Hand. 17:27-28; Hebr. 4:13
De last des HEEREN — een woord dat een spotnaam was geworden, en dat daarom verboden wordt (Jer. 23:33-40)
"Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE" (Jer. 23:33). Het woord last betekent in de profeten een godsspraak die zwaar weegt en die de profeet te dragen krijgt (reeds behandeld bij Jes. 13:1). Hier is het een spottende vraag geworden: heb je weer een last voor ons? Daarom wordt het gebruik van het woord verboden, en er staat bij waarom: men verdraait er het levende woord mee (Jer. 23:36).
Bijbelse betekenis: Merk op wat er met het woord gebeurd is. Het was de naam voor een boodschap van God, en het is een grap geworden waarmee men de profeet begroette. Zo kan een goed woord onbruikbaar raken door de mond die het gebruikt. Let vervolgens op het antwoord dat Jeremia moet geven. Op de vraag wat de last is, luidt het antwoord dat zij zelf de last zijn en dat God hen verlaten zal; de spot krijgt haar eigen woord terug. Let ten slotte op het verbod. Wat verboden wordt is niet de zaak maar het misbruikte woord; men moet voortaan vragen wat de HEERE geantwoord en gesproken heeft (Jer. 23:37). De boodschap blijft, alleen de spotnaam gaat weg.
Typologie: Paulus waarschuwt Timotheüs voor woordenstrijd die tot geen nut is dan tot verkering van de hoorders (2 Tim. 2:14). En de Heere Jezus zegt dat van elk ijdel woord rekenschap gegeven zal worden (Matt. 12:36).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het koninkrijkniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenambt
De HEERE: onze gerechtigheid — 23:1-8
Jeremia heeft zojuist de koningen van Juda langsgelopen, de een na de ander, en geen van hen deugde. Het hoofdstuk begint met een oordeel over de herders die de schapen verstrooien in plaats van te weiden. En juist daar valt de belofte.
God zal zelf een rechtvaardige Spruit verwekken, en Zijn naam bevat een aanspraak die geen mens dragen kan.
De herders hebben gefaald, dus zegt God: Ik zal Mijn schapen zelf vergaderen. En dan: Ik zal aan David een rechtvaardige Spruit verwekken.
Dat woord Spruit is een vaste aanduiding geworden. De kanttekening zegt wie ermee bedoeld is: het uitspruitsel, namelijk de Messias, onze Heere Jezus Christus — als Gods eeuwige en eniggeboren Zoon heeft Hij in de volheid van de tijd onze natuur aangenomen, voortsproten uit Maria, die uit het huis van David was.
Het beeld is dat van een tak uit een wortel die er nog is terwijl de boom weg lijkt. Jesaja gebruikte het al bij de afgehouwen tronk van Isaï, en Zacharia zal het opnieuw doen.
Maar het opzienbarendste staat in vers 6, in de naam. Dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: DE HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. Daar staat het Verbondsnaam zelf — de Naam die God aan Mozes bekendmaakte — en dan verbonden aan wat Hij voor ons is.
De kanttekening werkt beide helften uit. Bij het woord rechtvaardig: Hij is zonder zonde, onbevlekt, heilig en rechtvaardig, ja onze gerechtigheid, die God in Hem voor ons overvloedig heeft doen groenen en bloeien. En bij de naam zelf: terwijl zij uit het geloof gerechtvaardigd zijn en daarom vrede hebben met God door onze Heere Jezus Christus, met verwijzing naar Romeinen 5.
Dat is precies waar Paulus op uitkomt wanneer hij schrijft dat Christus ons geworden is tot wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.
Jeremia 23:1-2 — Wee de herders die de schapen verstrooien; God neemt het van hen over.
Jeremia 23:5 — Ik zal aan David een rechtvaardige Spruit verwekken.
Jeremia 23:6 — Zijn naam: DE HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.
Zacharia 3:8 — Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.
1 Korinthe 1:30 — Christus is ons geworden tot rechtvaardigheid en heiligmaking.
2 Korinthe 5:21 — Opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
In het Nieuwe Testament: 1 Korinthe 1:30; 2 Korinthe 5:21; Romeinen 5:1; Filippenzen 3:9
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Jeremia 23:1.KruisverwijzingenJeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→Jeremia 2:8→Jeremia 22:22→Jeremia 12:10→ — Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE. Wat een verschrikkelijk wee is dit over alle valse herders! Zij geven voor van God gezonden te zijn om het volk te onderwijzen, maar zij zijn in het geheel niet van God gezonden. Hun arbeid heeft alleen maar tot gevolg dat de schapen verstrooid en verdorven worden, in plaats van tot Christus vergaderd te worden tot hun zaligheid.
Jeremia 23:2-4.KruisverwijzingenJeremia 32:37→Jeremia 29:14→Jesaja 43:5→Jeremia 31:8→Jeremia 21:12→Micha 7:4→Exodus 32:34→Sefanja 3:19→ — Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE. Als de onderherders de kudde niet weiden, dan zal God het Zelf doen. Zijn eigen verloste kudde zal niet door wolven verscheurd worden en niet omkomen in de landen waarheen zij verdreven is. Hij die de Schrift “den grote Herder der schapen” noemt, zal doen wat anderen nalaten.
Maar dat neemt hun verantwoordelijkheid niet weg. Het moet wel de plechtigste verantwoordelijkheid zijn die op een sterfelijk mens rusten kan: voorgeven een herder van zielen te zijn en toch niet van God gezonden te wezen.
Jeremia 23:5.KruisverwijzingenJesaja 4:2→Jesaja 52:13→Jesaja 9:7→Jesaja 53:2→Lukas 1:32→Zacharia 3:8→Jesaja 11:1→Zacharia 6:12→ — Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Wij zien uit naar die heerlijke Koning. Och, of Hij spoedig kwam! Hij is de grote Vorst die alle andere heerschappijen in Zich opnemen zal, want “Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid”.
Jeremia 23:6.Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:30→Romeinen 3:22→Mattheüs 1:21→Jeremia 33:16→2 Korinthe 5:21→Filippenzen 3:9→Daniël 9:24→Jeremia 30:10→ — In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. Wat een heerlijke naam voor onze Koning, die ons van God tot gerechtigheid geworden is! Wij mogen ons wel verblijden bij de gedachte dat heel de volmaakte gerechtigheid van onze grote Koning en Heere ons toebehoren zal, want dit zal Zijn eigen naam zijn: “De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.”
Jeremia 23:7-8.KruisverwijzingenJeremia 16:14→Jesaja 43:5→Amos 9:14→Jeremia 23:3→Jesaja 43:18→Ezechiël 34:13→Jeremia 31:31→Ezechiël 39:28→ — Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd. Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. Er komen voor Israël betere tijden dan Israël ooit gekend heeft. De heerlijkheden van Egypte en van de Rode Zee moeten nog overtroffen worden. En ook voor de kerk van God zijn er betere tijden weggelegd dan zij tot nu toe gezien heeft.
Jeremia 23:9.KruisverwijzingenHabakuk 3:16→Jesaja 51:21→Jeremia 25:15→Ezechiël 9:6→Klaagliederen 3:15→Ezechiël 9:4→Jesaja 28:1→Jeremia 5:31→ — Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid. In Jeremia’s dagen was er een groep mensen die voorgaven profeten te zijn, maar die de knecht van de HEERE op elk punt tegenspraken.
Jeremia had het Woord van de HEERE werkelijk ontvangen, en dat leek hem te overweldigen. Omdat dat Woord vol verschrikking was, voelde hij zich als iemand die door de wijn bevangen is.
Jeremia 23:10-11.KruisverwijzingenPsalmen 107:34→Jeremia 9:10→Jeremia 9:2→Hosea 4:2→Jeremia 6:13→Sefanja 3:4→Jeremia 5:7→Maleachi 3:5→ — Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht. Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE. Het is een ontzettende zaak wanneer de goddeloosheid zelfs in het huis van God overvloedig is. En het valt te vrezen dat de kerk van deze tijd op veel plaatsen in deze zaak niet vrijuit gaat.
Jeremia 23:12.KruisverwijzingenJeremia 13:16→Psalmen 35:6→Jeremia 11:23→Spreuken 4:19→Johannes 12:35→Psalmen 73:18→Jesaja 8:22→Judas 1:13→ — Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE. Wat een verschrikkelijke beschrijving van het lot van de onheilige profeten en priesters! Gladde plaatsen zijn al erg genoeg bij daglicht, maar hier staat: “Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid.”
Jeremia 23:13-14.KruisverwijzingenJeremia 2:8→Jesaja 1:9→Jeremia 29:23→Jesaja 9:16→Jeremia 23:32→Ezechiël 22:25→Jeremia 14:14→Genesis 18:20→ — Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden. Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra. Het was al erg genoeg dat Samaria afdwaalde. Daar woonde een gemengd volk, dus het is geen wonder dat hun profeten dwaas waren. Maar och, dat er in Jeruzalem, de stad van de grote Koning, valse profeten waren — dat was het ergste van alles.
Jeremia 23:15.KruisverwijzingenJeremia 9:15→Jeremia 8:14→Psalmen 69:21→Openbaring 8:11→Klaagliederen 3:5→Mattheüs 27:34→Klaagliederen 3:19→Klaagliederen 3:15→ — Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land. Wanneer de predikers slecht zijn, wie verwondert zich er dan over dat het volk nog slechter is? Als de profeten afdwalen, hoe zullen zij die hen volgen dan de rechte weg vinden?
Jeremia 23:16.KruisverwijzingenJeremia 14:14→Mattheüs 7:15→Jeremia 27:9→Ezechiël 13:3→2 Korinthe 11:13→Jeremia 23:21→Jeremia 27:14→Ezechiël 13:6→ — Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond. Dit is één kenmerk van een valse profeet: hij geeft u het gevoel dat u een prachtkerel bent, dat er iets goeds in u is. “Zij maken u ijdel.”
En hier is een tweede kenmerk. Zo iemand is een groot denker; hij heeft zijn godgeleerdheid zelf uitgedacht, zelf bedacht en zelf uitgevonden. “Zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.”
Jeremia 23:17.KruisverwijzingenMicha 3:11→Jeremia 13:10→Jeremia 8:11→Amos 9:10→Jeremia 9:14→Zacharia 10:2→Ezechiël 13:22→Jeremia 3:17→ — Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. En dit is nog een derde kenmerk van de valse profeet. Hij probeert de gevolgen van de zonde altijd glad te strijken. “In de toekomende staat”, zegt hij, “mag de zonde wat tijdelijk ongemak veroorzaken, maar alles komt vroeg of laat wel goed.” Zo iemand is door de duivel gezonden; hij is geen dienaar van de levende God.
Aan deze drie toetsen kunt u herkennen wie de valse profeten zijn. Zij maken u ijdel; zij spreken uit hun eigen hart en niet uit de mond van God; en zij maken het u gemakkelijk te zondigen door de grootheid van de straf erop te ontkennen.
Jeremia 23:18-19.KruisverwijzingenJeremia 25:32→Jeremia 30:23→Jeremia 23:22→1 Korinthe 2:16→Amos 1:14→Psalmen 25:14→2 Kronieken 18:23→Job 15:8→ — Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord? Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd. Dit is Gods Woord. Hij profeteert de goddeloze geen gladde dingen en belooft hem geen geringe gevolgen van de zonde, maar een onweder — en een aanhoudend onweder.
Jeremia 23:20-22.KruisverwijzingenJeremia 30:24→Jeremia 14:14→Jeremia 27:15→Zacharia 1:4→Jeremia 25:5→Jeremia 23:18→Genesis 49:1→Zacharia 1:6→ — Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten. Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen. Valse profeten zijn onmachtig en ijdel; uit al hun onderwijs komt niets goeds voort. Maar och, als zij het Woord van de HEERE gekend hadden, als zij werkelijk van God gezonden waren geweest — wat een verschil zou dat gemaakt hebben! God geve dat niemand van ons voorgeeft anderen te onderwijzen wat hij zelf nooit geleerd heeft, of voor God te spreken terwijl God nooit tot hem gesproken heeft.
Jeremia 23:23-26.KruisverwijzingenSpreuken 15:3→Psalmen 139:1→Psalmen 90:8→Psalmen 139:7→Jesaja 29:15→1 Koningen 8:27→Jeremia 29:8→Joël 2:28→ — Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre? Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE. Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij. Zij geven voor profeten van hun eigen hart te zijn; maar zij zijn profeten van het bedrog van hun eigen hart. Want wat uit het hart van de mens voortkomt is als dat hart zelf, en het hart van de mens is “arglistig…, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het”.
Jeremia 23:27-28.KruisverwijzingenRichteren 3:7→Richteren 8:33→1 Korinthe 3:12→Jeremia 29:8→2 Koningen 21:3→Handelingen 13:8→Deuteronomium 13:1→2 Timotheüs 3:6→ — Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal. De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE. Laat hij zijn droom dan vertellen als een dróom, want meer is het niet. Heeft hij hem gedroomd, laat hij dan zeggen: dit is een droom die ik gedroomd heb, maar het is niet meer dan een droom. En wie het Woord van de HEERE heeft, laat die het spreken als het Woord van de HEERE.
De gedachten van de mens en de bedenksels van de mens zijn op hun allerbest niet meer dan stro; alleen het Woord van de HEERE is het echte koren. “Wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.”
Jeremia 23:29-30.KruisverwijzingenDeuteronomium 18:20→Jeremia 5:14→Ezechiël 13:8→Hebreeën 4:12→Jeremia 20:9→2 Korinthe 10:4→Jeremia 14:14→Psalmen 34:16→ — Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste; Geleende predikaties, bladzijden uit de ervaring van anderen, brokstukken getrokken uit oude of nieuwe godgeleerden. Niets van henzelf, niets dat God ooit tot hen gezegd heeft, niets dat ooit hun hart doortrild of hun ziel bewogen heeft. God zal zulk onderwijs niet voor het Zijne erkennen.
Jeremia 23:31.KruisverwijzingenJeremia 23:17→2 Kronieken 18:19→2 Kronieken 18:10→Jesaja 30:10→2 Kronieken 18:5→Micha 2:11→ — Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken; Zij hebben geen hart; zij gebruiken enkel hun tong. Zij zeggen: “Hij spreekt het”, alsof God hun iets gezegd heeft dat Hij nooit gezegd heeft.
Jeremia 23:32.KruisverwijzingenJeremia 7:8→Klaagliederen 2:14→Sefanja 3:4→Deuteronomium 13:1→Openbaring 19:20→Jeremia 29:31→Deuteronomium 18:20→Zacharia 13:2→ — Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE. Zie hoe zwaar God met de valse profeten van Jeremia’s tijd handelt. En met dezelfde strengheid zal Hij handelen met ieder die iets anders predikt of leert dan het evangelie van Zijn gezegende Zoon: de zuivere openbaring die in dit Boek geschreven staat. God geve dat niemand van ons door hen bedrogen wordt, om Zijns lieven Zoons wil! Amen.
III. Vs. 1-40.KruisverwijzingenJeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Jesaja 4:2→Jesaja 52:13→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→1 Korinthe 1:30→ — Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE. Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE. Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd. Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid. Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht. Het oordeel, uitgesproken over de drie eerstvolgende opvolgers van Josia in ‘t bijzonder, wordt nog eens in een algemeen weegeroep over de herders zamengevat, die de hun toevertrouwde kudde verwaarloosd, verdorven en verstrooid hebben. De verdiende straf zal hen daarvoor treffen, doch daarna zal de Heere het overschot der verstrooide kudden weer verzamelen en op de weide terugvoeren, waar het onder goede herders veilig en zonder vrees weiden, op nieuw voorspoedig zijn en zich uitbreiden zal. Een rechtvaardige spruit van David zal met wijsheid en gerechtigheid als Koning over Juda en Israël regeren. “De Heer, onze gerechtigheid zal Zijn naam zijn. ” Dan zal ene verlossing komen uit het land van het noorden, welke de vroegere verlossing uit Egypte verre overtreft en doet vergeten (vs. 1-8 Daar echter de valse Profeten ook tot de leidslieden van het volk behoren, die het verleiden en verderven, zo is aan de bestraffende rede tegen die herders dadelijk ene tegen deze Profeten verbonden. Vooreerst worden zij in hun pogen geschilderd als verleiders des volks (vs. 9-15): vervolgens wordt het volk voor hun bedrog gewaarschuwd (vs. 16-24) Daarop wordt hun snood misbruik van den naam des Heeren voorgesteld (vs. 25-32), en ten laatste het volk bestraft, omdat het de ware voorzeggingen Gods spottend en boosaardig een last des Heeren noemt (vs. 33-40).
KruisverwijzingenJeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→Jeremia 2:8→Jeremia 22:22→Jeremia 12:10→— Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.
Wee den herderen, den overheden (Hoofdstuk 2:8; 3:15; 10:21 die de schapen Mijner weide, de kudde die Mijn eigendom is, en aan welke Ik een land gegeven heb, waar zij verzorgd zijn (Hoofdst. 13:17. Ps. 74:1; 100:3), ombrengen en verstrooien, door hun gewelddadigheden en verdrukkingen te gronde richten (Hoofdst. 22:13 vv.), en door het geestelijk verderf, dat van hen uitgaat, maken, dat zij uit het land worden verbannen (Hoofdst. 15:4), spreekt de HEERE (vgl. Ezech. 34).
KruisverwijzingenJeremia 21:12→Micha 7:4→Exodus 32:34→Jakobus 1:27→Jeremia 23:34→Jeremia 11:22→Jeremia 13:21→Jeremia 8:12→— Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.
Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, dit algemene (vs. 1) op de laatste koningen van Israël in ‘t bijzonder toepassende, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden, van Joahaz, Jojakim en Jojachin: Gijlieden hebt door uwe goddeloze, zelfzuchtige regering Mijne schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, zo ver gebracht, dat zij moeten verstoten en verdreven worden, en gij hebt ze niet bezocht, er geen acht op geslagen, zo als uwe roeping meebracht (Ezech. 34:2 vv.). Ziet, Ik zal over u bezoeken(Jes. 26:1) de boosheid uwer handelingen, waarin gij integendeel allerlei ongerechtigheid hebt gepleegd (Hoofdst. 21:12), spreekt de HEERE. 1)
Hier geeft God de oorzaken aan, waarom Hij zo zeer verontwaardigd is over deze verwoesters, dewijl waar zij tyrannie oefenden over het volk, niet slechts des mensen leed hebben aangedaan, maar God zelven, die in Zijn trouw het uitgeredde volk had aangenomen. Wel is het waar dat zij allen die verwoesting zich waardig hadden gemaakt. Want wij hebben uit vele plaatsen gezien, dat het volk niet kon verontschuldigd worden, waar het bedrogen werd door slechte en goddeloze leidslieden, dewijl op deze wijze allen een rechtvaardig loon werd vergolden, daarom, omdat van den minste tot den grootste allen zich den toorn Gods op den hals hadden gehaald. Maar daarmee was de goddeloosheid der slechte leiders niet te verontschuldigen, dewijl zij hadden moeten berekenen, waartoe hun die last was opgelegd, vervolgens door Wien zij waren aangesteld.
KruisverwijzingenJeremia 32:37→Jeremia 29:14→Jesaja 43:5→Jeremia 31:8→Sefanja 3:19→Amos 9:14→Jesaja 11:11→Ezechiël 34:11→— En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.
En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen, wat van de straf der verstoting en verbanning overblijft (Jes 6:13; 10:22) redden en zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb. En Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien (Jes. 13:20), d. i. tot de steden en vlekken van het heilige land, en zij zullen vruchtbaar zijn en door grote vruchtbaarheid, die Ik ze zal geven, vermenigvuldigen.
KruisverwijzingenJeremia 3:14→1 Petrus 1:5→Micha 5:4→Johannes 21:15→Johannes 17:12→Psalmen 78:70→Jeremia 33:26→Hosea 3:3→— En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.
En Ik zal a) herderen over hen verwekken, die in getrouwe en nauwgezette waarneming van hun ambt ze weiden zullen in den waren zin des woords (Hoofdst. 3:15), en zij zullennu recht geregeerd en goed geleid in Mijne genade blijven, en Mijn verbond bewaren; zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden voor herhaling van de gerichten Mijns toorns, noch gemist, uit hun land verbannen worden, spreekt de HEERE.
Ezech. 34:11, 12. Deze belofte is wel aanvankelijk vervuld ten tijde der bevrijding uit de ballingschap en de wederoprichting van het Joodse rijk, toen zij in Zerubbabel, Jozua, Nehemia, Ezra, ook in de Profeten Haggaï, Zacharia, Maleachi, en dergelijken hun goede herders of bestuurders en leraars hadden. Men ken echter niet zeggen, dat zij daardoor geheel is vervuld, want het Joodse volk is na dien tijd geenszins buiten alle vrees en verschrikking, buiten alle vijandige bezoeking en verontrusting gebleven, gelijk hier wordt beloofd. Wat zij, in de volgende tijden tot op Christus deels van de Egyptische, deels van de Syrische koningen, in ‘t bijzonder van Antiochus Epifanes en ook van de Romeinen hebben geleden, is bekend. Voegt men nu ook hierbij de eerste tijden van het Nieuwe Testament, zo kwam in plaats van de hier beloofde vergadering bij verreweg de meesten de verstrooiing met de inwendige verstokking, in welken toestand hun nakomelingen zich nog heden bevinden. Deze voorspelling behoort dus ten opzichte van hare volledige vervulling tot de laatste en nu nog toekomstige tijden.
KruisverwijzingenJesaja 4:2→Jesaja 52:13→Jesaja 9:7→Jesaja 53:2→Lukas 1:32→Zacharia 3:8→Jesaja 11:1→Zacharia 6:12→— Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
Ziet, dit is het voornamelijk, waarop de in vs. 4 uitgesprokene voorzegging uitloopt a) de dagen komen spreekt de HEERE, dat Ik aan David in den aan hem beloofden Zoon (2 (Sam. 7:12 vv.) ene rechtvaardige spruit (Jes. 11:1; 53:2. Zach. 3:8; 6:12) zal verwekken; die zal, koning zijnde, regeren en voorspoedig zijn (Jes. 52:13), en recht en gerechtigheid doen op de aarde(Jes. 32:1. Ezech. 34:23).
Jes. 4:2; 40:11. Jer. 33:14, 15. Dan. 9:24. Luk. 1:32, 33. Het: “Ziet, de dagen komen” betekent volgens het gewone spraakgebruik van Jeremia niet een vervolg in den tijd met betrekking tot het voorgaande, maar het vestigt ook de aandacht op de grootte van hetgeen verkondigd wordt. Tevens wordt gewezen op de tegenstelling der hoop tegenover het zichtbare, dat in het geheel gene aanleiding tot haar geeft. Moge het tegenwoordige nog zo droevig zijn, zo komt toch de tijd. De Heere wil niet, dat de schapen, die door de schuld hunner herders moesten verjaagd worden naar een vreemd land, altijd de straf daarvoor zouden dragen. De overgeblevenen moeten terugkeren op hun weiden en op nieuw vermenigvuldigen. Hij zal hun nieuwe herders geven, onder wier leiding zij veilig zullen zijn van vrees en siddering en herhaling der vlucht. De blik des zieners door den Geest vervrolijkt, vestigt zich op de zich verheffende gedaante van Hem, die gezegd heeft: “Ik ben de goede Herder. ” Hij ziet den gezalfde des Heeren uit Davids stam, die komt, die recht en gerechtigheid uitoefent op aarde en zegen geeft. Hier wordt van Christus gesproken als van een Spruit. Zijn voortkomen, Zijn begin zal gering zijn, als van een lot of spruit, en zijn opkomen als uit de aarde, maar voortgroeiende groent, groot wordt en met vrucht beladen is. Christus is de wortel en het geslacht Davids. Hij is een spruit van Gods planting. Hij verwekt hem. Hij heiligde hem en zond hem in de wereld, gaf hem zijn last en hoedanigheid. Hij is een rechtvaardige spruit, want Hij is zelf rechtvaardig en door Hem worden velen, ja allen die de Zijnen zijn, rechtvaardig gemaakt; een Voorspraak is hij, Jezus Christus, de rechtvaardige.
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:30→Romeinen 3:22→Mattheüs 1:21→Jeremia 33:16→2 Korinthe 5:21→Filippenzen 3:9→Daniël 9:24→Jeremia 30:10→— In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.
In zijne dagen zal Juda verlost worden, zodat het tot waarachtigen en voortdurenden voorspoed komt, en Israël zal, gelijk de voorzegging in Deut. 33:28 belooft, zeker wonen. En dit zal Zijn naam zijn, de naam van dezen Koning, den rechtvaardigen Spruit van David, de naad, waarmee men Hem zal noemen: DE HEERE (Jes 45:17), ONZE GERECHTIGHEID (1 Kor. 1:30, vgl. Hoofdst. 30:21 vv.)
Hij kondigt Hem derhalve aan als den waren God en echter als den Zoon Davids. Vervolgens beveelt Hij om van Hem de gerechtigheid te verwachten en al wat tot het volmaakte en volle geluk dienen kan. Het is een symbolische bijnaam, die zich daardoor van enen gewonen naam onderscheidt, dat hij niet tot werkelijk gebruik dient, maar tot objectieve karakterisering, tot een ideaal opschrift. Daarom wordt aan dezen naam ook een object toegevoegd, dat reeds zijnen naam heeft. Op gelijke wijze geeft David aan zijn zoon den naam Jedidja (2 Sam. 12:25). dien hij in werkelijkheid nooit heeft gedragen. De bijzondere veel betekenende naam moet zeker op den hoofdpersoon van het vers, op den Messias zien in wiens dagen Juda gered zou worden en Israël zeker zou wonen, maar niet op Israël, zo als velen willen. Door den beloofden Koning wordt vervuld wat in Deut. 6:25 gezegd is. Op die plaats lezen wij: “het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden voor het aangezicht des Heeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. ” maar wie heeft de wet volkomen onder het Oude Verbond vervuld? De vrome David? de wijze Salomo? of wie? Daarom komt hier de Messias voor in de gehele noodzakelijkheid Zijner verschijning, in het volle licht Zijner betekenis. Hij, de enig Rechtvaardige, maakt velen rechtvaardig, die in Hem geloven (Jes. 53:11). In Zich het heilige, goddelijke leven werkelijk openbarende, verschaft Hij aan degenen, die in Hem geloven, Gods gerechtigheid, ja wordt zelf tot deze. Hebr. : “Jehova Tzidkenoe, ” woordelijk vertaald: “de Heere (Jehova), onze Gerechtigheid. ” Daarmee komt de verklaring (Jer. 33:16) zeer overeen: “In dien tijd zal Juda geholpen worden en Jeruzalem veilig wonen, en men zal haar noemen: de HEERE onze gerechtigheid (Jehova-Tzidkenoe). ” Hier is het ontwijfelbaar, dat de naam Jehova niet aan Jeruzalem kan zijn toegezegd, maar alleen de gehele spreuk: Jehova (is) onze gerechtigheid. De stad Gods wordt daardoor aangeduid als zulk ene die voor al hare bewoners gene gerechtigheid bezit en kent dan die uit het geloof in den Heere (Jehova) komt, vermits dßßr alle tongen belijden, gelijk in Jes. 45:24 gezegd wordt: “in den Heere heb ik gerechtigheid en sterkte. ” Dezelfde verklaring zou zich nu ook in deze plaats laten toepassen, wanneer zij van den beloofden Koning luidde: “Jehova mijne gerechtigheid. ” (Hebr. “Jehova Tzidki, ” wat van gelijke betekenis ware met den naam Zedekia). Maar vermits het toevoegende “onze gerechtigheid” niet op den koning, maar op het volk slaat, zo zou de naam voor den beloofden koning zelven zonder betekenis zijn, en hem slechts als zinnebeeld des volks toegevoegd worden, wanneer niet het hoofdwoord “Jehova” van hem gebezigd ware. De zin is dus in deze onze plaats een andere dan in Jer 33:16, omdat de naam op een geheel anderen persoon slaat. Wij verstaan ze zo: “Deze (de beloofde koning) is Jehova, die onze gerechtigheid is. ” Luther heeft dus goed vertaald: dat is zijn naam-“Heere, die onze gerechtigheid is. ” De te wachten Messias wordt hier werkelijk Jehova genoemd, als de tweede persoon, het ander Ik der Godheid. Wanneer op één altaar (Exod. 17:15) geschreven stond: “Jehova, mijne banier” en op een ander (Gen. 33:20): “God Israëls God, ” zo was dit wel een bloot herinneringsteken, en zulk een altaar is niet Jehova of God, maar het is geheel wat anders, dan wanneer de rechtvaardige Spruit, waarop Israël als op zijnen Verlosser wacht, wanneer die Koning die recht en gerechtigheid op aarde sticht, den naam ontvangt “Jehova onze gerechtigheid. ” Dat kan niet anders worden verstaan dan dat Hij is wat Hij heet, dat Hij als Jehova onze gerechtigheid is. Hem dus, dien wij nu Jezus Christus noemen, dien noemt Jeremia op profetische wijze naar Zijn wezenlijk karakter Jehova onze Gerechtigheid; en wel daarom, omdat Hij, als God in het vlees verschenen, de enige bron der gerechtigheid voor Zijn rijk en voor Zijn volk is. Het zal den Christen steeds ene grote kalmte, rust en vrede geven, als hij peinzen mag over de volmaakte gerechtigheid des Heeren Jezus. Hoe menigwerf zijn Gods heiligen ter nedergedrukt en treurig! Ik geloof niet, dat zij dit mogen zijn. Ik geloof niet, dat zij het zouden kunnen, wanneer zij steeds hun volmaaktheid in Christus zagen. Sommigen spreken altijd over het bederf en de arglistigheid des harten en de natuurlijke boosheid der ziel. Dit is alles zeer waar; maar waarom gaat men niet wat verder en herinnert zich, dat wij “volmaakt zijn in Christus Jezus. ” Het is niet te verwonderen, dat zij, die bij hun eigene verdorvenheid altijd blijven stilstaan, zo gedrukt zijn; maar het kan niet anders of er zal vreugde in ons hart komen, zo wij ons herinneren dat Christus onze gerechtigheid is geworden. Al moet ik veel droefheid ondervinden, al valt satan mij aan, al heb ik nog veel door te worstelen, eer ik in den hemel kom, ik sta in het verbond der Goddelijke genade; ik heb alles in mijnen Heer; Christus heeft alles volbracht. Aan het kruis riep Hij uit: “het is volbracht!” en daar alles volbracht is, ben ik volmaakt in Hem, en mag ik mij verheugen met ene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die uit het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof. Aan deze zijde van den hemel zult gij geen heiliger volk vinden dan zij, die in hun hart de leer van Christus’ gerechtigheid ontvangen. Als de gelovige zegt: “mijn leven is Christus alleen, in Hem rust ik voor mijne zaligheid, en ik geloof dat, hoe onwaardig ook, ik in Jezus verlost ben, ” dan rijst deze gedachte uit dankbaarheid in het hart op: “zal ik dan niet voor Christus leven, Hem niet liefhebben en dienen, daar Hij mij door Zijne verdiensten heeft gered?” “De liefde van Christus dringt ons, opdat degenen, die leven niet meer zich zelven zouden leven, maar Dien, die voor hen gestorven is. ” Eerst als wij door de toegerekende gerechtigheid verlost zijn, zullen wij de ons medegedeelde gerechtigheid op prijs stellen. Deze voorspelling is te merkwaardiger, omdat de Profeet aan het einde van het vorige hoofdstuk met ene vernedering van het Davidisch stamhuis had moeten dreigen, die bijna aan vernietiging grensde. Maar ook afgezien van haar historisch verband, mag zij ene der ondubbelzinnigste aankondigingen van den aanstaanden Messias genoemd worden. Of zou het mogelijk zijn, gelijk een der beroemdste uitleggers voorsloeg, dat hier onder den naam van spruite Zerubbabel, de beroemde nazaat van David, zou voorgesteld zijn? Maar wie zal beweren, veel minder bewijzen, dat onder zijne weldadige leiding de herstelling van al de twaalf stammen van Juda en Israël plaats gehad heeft, en wie acht het gene snode godslastering op hem, of op énig zondig aardbewoner de verhevene beschrijving toe te passen, hier van de Spruite gegeven? Geen wonder, dat reeds oude Joodse uitleggers hier aan niemand dan den Messias gedacht hebben. De luister Zijner regering wordt hier met trekken getekend, ten dele uit het gewijd geschiedverhaal van Davids leven ontleend; en niet onwaarschijnlijk achten wij het, dat de eigenaardige spreekwijs dien spruit aan David verwelken, ene zijdelingse toespeling op de belofte behelst aan dit stamhuis door Nathan gedaan. Wat de benaming betreft waarmee men Hem zal noemen: “Jehova onze gerechtigheid, ” zij schijnt ons toe den David-spruit aan te kondigen als degene, in en door wien Jehova ene volkomene gerechtigheid aan Zijn volk zou verlenen. Zo duidt in het oud geschiedverhaal de naam des altaars “Jehova mijne Banier” met andere woorden aan, dat aan Jehova als banier van Zijn volk, dit altaar toegewijd was. Zo wordt door den naam Immanuël, aan den zoon der maagd bij Jesaja toegekend, te kennen gegeven, dat Hij, die hem draagt, voor het volk een teken en onderpand van Gods gunstrijke bescherming zou wezen. Dat hier ene dergelijke verklaring moet gevolgd worden, en alzo geen persoonlijke eigen naam ter aanduiding van den Messias zelven gevonden wordt, blijkt zonneklaar uit Hoofdst. 33:15, 16, waar dezelfde naam van Jehova ook aan de stad Jeruzalem toegekend wordt. Ziet, zo luidt het op die plaats, de tweede der bovenbedoelde: ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis Israëls en over het huis Juda gesproken heb. In die dagen en te dier tijd zal Ik den David ene spruit der gerechtigheid doen uitspruiten, en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen, en-aldus zo staat er letterlijk-zal men haar noemen “Jehova, onze gerechtigheid!” Hoe zouden deze woorden, indien zij ene opzettelijke beschrijving van de natuur en het wezen van den Messias, als vlees geworden Jehova, behelsden, met hetzelfde recht tot ene beschrijving van Zijne rijkstad gebruikt kunnen worden? De duidelijke bewijzen voor de erkentenis der Goddelijke natuur van den Messias ook in het Oude Verbond zijn veel te talrijk, dan dat wij deze heilige waarheid zouden behoeven te staven alleen door de klank van een woord. Intussen moest het den dieper denkende niet moeilijk vallen, ook op grond van dergelijke uitspraken tot de gedachten te komen, dat Hij, door wien zulk een heil zou tot stand gebracht worden, en die zulk een naam waardig kon dragen, boven alle aardbewoners oneindig verheven moest zijn. Wat soortgelijke toezeggingen voor den vromen Israëliet uit die dagen inzonderheid aantrekkelijk maken moest, het was boven alles het uitzicht, zowel hier als elders ontsloten, op ene gelukkige hereniging der beide koninkrijken onder éénen Davidischen scepter; een uitzicht, tot dusver nimmer volkomen verwezenlijkt, en waarvan dus de invulling voor latere eeuwen bewaard blijft. Zo helder staat het den Profeet voor den geest, dat hij, na de eerstgenoemde voorspelling een tijd te gemoet ziet, waarin men niet meer de verlossing van Israël uit Egypte, maar de hereniging van het verstrooide volk uit alle streken der aarde, als de roemrijkste openbaring van Gods trouw, bij zijne plechtige eden vermelden zal. De vraag, of de heiligen onder het Oude Testament wel het Evangelie gekend hebben, is zoveel, alsof men ze vroeg: Hebben zij onder het Oude Testament wel brood gehad en gegeten? Indien er gene belofte des levens en der heerlijkheid onder het Oude Testament geweest ware, dan zouden de Profeten nog veel meer dan de apostelen gezegd kunnen worden: de ellendigste van alle mensen te zijn. Doch altijd hing er, al was het ook maar een lampje (zo als in Ps. 88), in de lange donkere tempelzaal; de lamp van David, de belofte Gods. Dat was hun bestendig licht, waarbij, zij arbeidden en leefden. De Heere onze gerechtigheid. Zo hebben wij dan ene levende, persoonlijke bron van de vergeving der zonde, en een altijd bij ons blijvenden Trooster, door wien wij altijd vergeving der zonde hebben; want de Heilige Geest en Jezus zijn niet te scheiden. Wij hebben tweeërlei voorspraak, de ene in den hemel: Christus; de ander in ons hart. De Heilige Geest. De Heere. Jehova: De spruit uit Davids stam zou dus niet enkel mens en koning, maar ook mens en God zijn. Doch hoe nu Jezus te gelijk waarachtig God en waarachtig mens kan zijn, dat kan den ene mens den anderen niet leren. Zulke dingen leert men alleen van God. Wien God het geloof geeft, dien onderwijst Hij zelf, en die weet de dingen Gods voor zichzelven, al kan hij ze ook den ongelovige niet wiskunstig bewijzen. De zalving des Heiligen Geestes, die ons alle dingen leert, is daarom waarachtig en gene leugen. Wij zouden ook het geloof het proefondervindelijk weten der geestelijke dingen kunnen noemen. Zelfs de Schrift kan niet meer doen, dan het brood des eeuwigen levens aanbieden en aanprijzen; doch hoe dat brood smaakt, en welke krachten het geeft, dat moet de mens zelf leren door het eten, door het geloven. Onze gerechtigheid. Gerechtigheid is onzondigheid. In de tegenwoordigheid Gods kan gene zonde bestaan. Zullen wij voor God bestaan, zo moeten wij ontzondigd worden. Dit geschiedt in de vergeving onzer zonden door God. Op welk een grond? Op grond der offerande van Christus, welke ene verzoening der zonde is bij God. De gerechtigheid is dus buiten ons, maar voor ons. Het is hiermede als met de zon. Is zij niet buiten en hoog boven ons; maar is zij niet voor ons; verlicht, verwarmt zij ons niet, en maakt zij niet al onze vruchten rijp? . Hier wordt niet alleen van den Christus getuigd dat Hij is God, boven allen te prijzen tot in eeuwigheid, maar ook wordt Hij als de Middelaar aangekondigd, die een eeuwige gerechtigheid zou aanbrengen, voor alle de zijnen. En dat de Profeet Hem noemt onze gerechtigheid, daaruit blijkt zo duidelijk mogelijk dat deze weet, dat niet alleen onder het N. maar ook onder het O. Verbond al de verbondelingen door Hem hun zaligheid, of liever hun gerechtigheid bij God hadden.
KruisverwijzingenJeremia 16:14→Jeremia 23:3→Jesaja 43:18→Jeremia 31:31→— Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd.
Daarom, om aan de bedreiging in Hoofdst. 16:14 vv. nu ook ene troostvolle voorzegging toe te voegen, ziet de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd!
KruisverwijzingenJesaja 43:5→Amos 9:14→Ezechiël 34:13→Ezechiël 39:28→Ezechiël 36:24→Ezechiël 37:25→Jesaja 27:12→Jesaja 14:1→— Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.
Maar zo waarachtig als de HEERE leeft, die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en die het aangebracht heeft uit het land van het noorden en uit al de landen, waarhenen Ik ze gedreven had! Want zij zullen wonen in hun land. De heerlijke verschijning van den Herder aller herders is slechts als voorbijgaande; het oog van den Profeet wendt zich daarom terug tot de kudde, welke de Heere zeker eens uit Babel op haren grond zal doen wederkeren. Gods wonderbaar werk in de herstelling van het Joodse volk na zijne verstrooiing over de ganse aarde, gepaard met de toebrenging der Heidenen, welke door dat middel ook zal worden teweeg gebracht, zal zo verre overtreffen de wonderen, door God gewrocht bij de uitvoering van de Joden uit Egypte, dat deze niet zou verdienen genoemd of vergeleken te worden bij de andere. De Apostel noemt (Rom. 11:15) deze herstelling van de Joden een leven uit den dood.
KruisverwijzingenHabakuk 3:16→Jesaja 51:21→Jeremia 25:15→Ezechiël 9:6→Klaagliederen 3:15→Ezechiël 9:4→Jesaja 28:1→Jeremia 5:31→— Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.
Aangaande of tegen de Profeten, die valselijk in den naam des Heeren profeteren en met de priesters het volk in het verderf storten, even als de koningen en regenten (Hoofdst. 14:13 vv.), volgt nu het verdiende wee. Dit heeft al het voorkomen van het opschrift te zijn ener nieuwe godsspraak, wier inhoud door dit woord wordt aangeduid, als handelende van de valse profeten, van hun roekeloosheid en het lot, dat zij daardoor zich zelven en hun volk bereidden, waaraan Jeremia niet denken kan zonder de hevigste ontroering, waarvan het overige van dit vers gewaagt. Mijn hart wordt hij hetgeen Ik tegen die Profeten heb te zeggen, in mijn binnenste gebroken van wege het vreeslijke der ontvangene openbaring; al mijne beenderen bewegen zich daarover van ontzetting. Ik ben als een dronken man, die zich zelven niet meer machtig is, en als een man, dien de wijn te boven gaat; van wege den HEERE, en van wege de woorden Zijner heiligheid, die Hij mij heeft opgedragen, om ten opzichte der toestanden, die Zijne gerichten noodzakelijk maken te verkondigen. De grote liefde maakt den knecht Gods zo ijverig, dat hij geweldig op de verleiders loslaat. Hij denkt er niet aan, dat hij nu in een wespennest geslagen heeft, en voor altijd zijn leven verbitterd heeft; want hij heeft nog een hoger leven en het mindere geeft hij gaarne om der liefde wil. Toch zal de gehele wereld hem gehouden hebben voor enen onverbeterlijken en dollen ijveraar, die niets verschoont. Hij zegt zelfs, dat hij van God en Zijn woord als bedwelmd is, wanneer hij het land daarbij beschouwt. De toorn Gods heeft zijn hart verbroken en al zijn gebeente aangegrepen, zodat hij krachteloos wankelde en hij een dronken man gelijkt, die niet meer vast op zijn voeten kan staan. Hij gevoelt zich innerlijk geheel verslagen, waar hij niet slechts den schrik van het gericht ondervindt, hetwelk over de valse profeten en de valse priesteren, welke het volk tot dwaling hebben vervoerd, maar ook het schrikkelijk lijden, hetwelk over zijn volk zou komen.
KruisverwijzingenPsalmen 107:34→Jeremia 9:10→Jeremia 9:2→Hosea 4:2→Jeremia 5:7→Maleachi 3:5→Joël 1:10→Galaten 5:19→— Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.
Want het land, zo spreekt de Heere, is door die profeten en priesters vol overspelers (Hoofdst. 29:23), want het land treurt over de gruwelen van zijne bewoners (Hoofdst. 12:4; 14:2 vv.) van wege den vloek, die om de overtreding der geboden daarop is gelegd (Deut. 28:15 vv.). De weiden der woestijn, waarop het vee weidt, verdorren (Hoofdst. 9:10), omdat hun loop boos is, hun leven onophoudelijk in slechtheid is (Hoofdst. 5:8; 9:2. Jes. 59:7), en hun macht niet recht; zij zijn sterk in leugen en ontrouw (Hoofdst. 8:6).
KruisverwijzingenJeremia 6:13→Sefanja 3:4→Jeremia 32:34→Ezechiël 8:16→Jeremia 7:30→Ezechiël 23:39→Jeremia 7:10→Jeremia 8:10→— Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.
Want beiden, profeten en priesters, zijn a) huichelaars(Hebr. onheiligen, heiligschenners); zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE; zelfs op de heilige plaats bedrijven zij de zonde der ontucht.
Jer. 6:13; 8:10; 14:18. Tot zulk ene ontucht boden de nissen en cellen van den tempel gelegenheid (vgl. 1 Sam. 2:22); en de priesters, dienstdoende naar de orde in hun klasse, waren van hun vrouwen verwijderd (Luk. 1:8 vv. 23 vv.). Den profeten, die veel in den tempel verkeerden, en die wellicht juist meer door vrouwen dan door mannen werden geraadpleegd (1 Kon. 14:2 vv. 2 Kon. 4:1, 8 wordt in vs. 14 uitdrukkelijk echtbreuk verweten.
KruisverwijzingenJeremia 13:16→Psalmen 35:6→Jeremia 11:23→Spreuken 4:19→Johannes 12:35→Psalmen 73:18→Jesaja 8:22→Judas 1:13→— Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.
Daarom, tot rechtvaardige straf voor zulk een verborgen zondigen, zal hun weg hun zijn als zeer a) gladde plaatsen in de b) donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen (Ps. 35:6. (Spr. 4:19): want Ik zal een kwaad over hen brengen in (liever: namelijk) het jaar hunner bezoeking(Hoofdst. 11:23), spreekt de HEERE.
(Ps. 73:18. b) Jer. 13:16.
KruisverwijzingenJeremia 2:8→Jesaja 9:16→1 Koningen 18:18→Hosea 9:7→1 Koningen 18:40→1 Koningen 18:25→2 Kronieken 33:9→— Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden.
Ik heb wel ongerijmdheid (Ps. 14:1) gezien in de profeten van Samaria, de hoofdstad van het rijk van Israël sedert het ontstaan van het goddelooste koningshuis (1 Kon. 16:33 vv.), profeten, die door Baäl profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden (1 Kon. 16:33), en men zou menen, dat iets ergers niet kon bestaan.
KruisverwijzingenJesaja 1:9→Jeremia 29:23→Jeremia 23:32→Ezechiël 22:25→Jeremia 14:14→Genesis 18:20→Ezechiël 13:22→Mattheüs 11:24→— Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.
Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwlijkheid(Hoofdst. 5:30), die veel ontzettender is; zij bedrijven overspel en gaan om met valsheid, en sterken door hun bedrieglijke voorstellingen (vs. 17; Hoofdst. 6:14; 14:13) de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijne boosheid. In plaats van zich tot berouw te laten opwekken door de straffen, welke door Mijne profeten worden aangekondigd, verleiden zij niet alleen door hun voorbeeld tot het kwade, maar doen het ook door hun gezag daarin blijven, en houden het van het geloof terug (Ezech. 13:22). Zij allen zijn Mij, wat het gericht aangaat, dat Ik over hen zal doen komen, als Sodom en hare inwoners, de bewoners van Jeruzalem, die door hen zijn verdorven en op hun beurt de overige bewoners des lands hebben bedorven, als Gomorra (Deut. 32:32. Jes. 1:10).
KruisverwijzingenJeremia 9:15→Jeremia 8:14→Psalmen 69:21→Openbaring 8:11→Klaagliederen 3:5→Mattheüs 27:34→Klaagliederen 3:19→Klaagliederen 3:15→— Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.
Daarom zegt de HEERE der heirscharen, terwijl Hij overgaat tot de volvoering van het vonnis, van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal aan hen voor alle anderen en in bijzondere mate doen, wat Ik in Hoofdst. 9:15 het gehele volk heb gedreigd. Ik zal hen met alsem spijzigen en met a) gallewater drenken, Ik zal hun de bitterste en smartelijkste rampen toezenden, want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land, zodat het afvallige Israël nog voor vroom kan gehouden worden bij het verstokte Juda (Jer. 3:11 11).
Jer. 8:14. Dat is een natuurlijk gevolg der superoriteit, welke de akademiën, ministeriën enz. hebben en in hun mate moeten hebben. Wanneer zij op verkeerde wegen gaan, deelt het gehele land mede in hun verderf. Men bemerkt het in het gehele land, welke Theologen aan het roer zitten.
KruisverwijzingenJeremia 14:14→Mattheüs 7:15→Jeremia 27:9→Ezechiël 13:3→2 Korinthe 11:13→Jeremia 23:21→Jeremia 27:14→Ezechiël 13:6→— Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.
Zo zegt de HEERE der heirscharen tot degenen, die te Jeruzalem zijn en in het ganse land: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren, zodat gij aan hun voorzegging geloof zoudt schenken, en naar hun woorden uw gedrag zoudt regelen (Hoofdst. 27:14 vv.). Zij maken u ijdel, zij vervullen u met een dwaas, nietswaardig vertrouwen op ene gelukkige toekomst (Ezech. 11:2 vv.); zij spreken het gezicht huns harten niet uit des HEEREN mond, als had de Heere hun werkelijk iets geopenbaard en hun een bevel gegeven (Hoofdst. 14:14).
KruisverwijzingenMicha 3:11→Jeremia 13:10→Jeremia 8:11→Amos 9:10→Jeremia 9:14→Zacharia 10:2→Ezechiël 13:22→Jeremia 3:17→— Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.
Zij a) zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren door verachting van Mijn waarachtig woord: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken, in ongeloof en volharding wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. Aan de tegenspraak tussen den inhoud van hun woord, en den toestand van hen, tot wie zij zich wenden, is duidelijk te zien, dat zij leugenprofeten zijn.
Jer. 6:14; 8:11. Ezech. 13:10. Zach. 10:2.
KruisverwijzingenJeremia 23:22→1 Korinthe 2:16→Psalmen 25:14→2 Kronieken 18:23→Job 15:8→Amos 3:7→1 Koningen 22:24→Jesaja 40:13→— Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?
Want wie van ons-die profeten met hun aankondigingen van geluk, of ik met mijne bedreigingen in den naam van God-heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord en nu ook de waarheid gezegd? Men kan dit tweeledig opvatten, of als woorden van Jeremia aangaande de valse profeten: Wie hunner is in den raad des Heeren tegenwoordig geweest? Wie heeft Zijn woord verstaan en gehoord? Geen hunner! hun voorgewende Godspraken zijn louter verzinsels! Voor deze opvatting pleit de tekstlezing, welke in plaats van “Zijn woord” heeft: “mijne woorden. ” Of als een gezegde in den mond der valse profeten, die in het slot van het vorig vers reeds sprekend worden ingevoerd; waarmee zij te kennen geven, dat het een louter voorgeven van Jeremia was, dat hij zijne profetieën van Godzelven had ontvangen; het was immers ene ongerijmdheid, dat iemand in den raad van God zou gezeten en daar iets gezien of gehoord hebben! En voor deze opvatting pleit de gemakkelijkheid der verklaring en de gestrenge uitspraak in het onmiddellijk volgende vers. Het is dan opmerkelijk, dat sommige hedendaagse uitleggers der oude profeten dezelfde taal voeren, die Jeremia aan de valse profeten toeschrijft.
KruisverwijzingenJeremia 25:32→Jeremia 30:23→Amos 1:14→Psalmen 58:9→Jesaja 66:15→Jesaja 5:25→Jesaja 40:24→Jeremia 4:11→— Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
Spoedig genoeg zal het openbaar worden. Ziet, een a) onweder, een alles verwoestend oordeel des HEEREN, ene grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk onweder: het zal blijven op der goddelozen hoofd.
Jer. 30:23, 24.
KruisverwijzingenJeremia 30:24→Genesis 49:1→Zacharia 1:6→Jesaja 55:11→Jesaja 14:24→2 Koningen 23:26→1 Koningen 8:47→Spreuken 5:11→— Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.
Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen (liever: in latere dagen) zult gij met verstand daarop letten. Bij de uitkomst zal het blijken, wie in des Heeren raad heeft gestaan en wie Zijn woord heeft gehoord (Hoofdst. 30:23).
KruisverwijzingenJeremia 14:14→Jeremia 27:15→Jeremia 23:32→Johannes 20:21→Jeremia 29:31→Jeremia 29:9→Jesaja 6:8→Romeinen 10:15→— Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
Maar reeds nu laat de Heere u weten, hoe het is met degenen, die u enkel geluk beloven; wanneer gij slechts Zijn getuigenis wilt aannemen? Ik heb die profeten niet gezonden, zo heeft de Heere uitdrukkelijk tot Mij gesproken, en ik heb het u getrouw overgebracht (Hoofdst. 14:14), nochtans hebben zij gelopen om hun gewaande openbaringen te verbreiden: Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
KruisverwijzingenZacharia 1:4→Jeremia 25:5→Jeremia 23:18→Jeremia 35:15→Ezechiël 18:30→Handelingen 26:18→1 Thessalonicenzen 5:6→Jeremia 36:3→— Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.
Maar zo zij in Mijnen raad hadden gestaan, zo als zij voorgeven (vs. 18), zo zouden zij Mijn volk Mijne woorden, die Ik werkelijk gesproken heb, hebben doen horen, en zouden hen, omdat een goede boom slechts goede vruchten kan voortbrengen, en een waar Profeet alleen heilzaam op het volk kan werken (Matth. 7:15 vv.), afgekeerd hebben van hunnen bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen. Nu zij echter de boosaardigen sterken, opdat niemand zich bekere van zijne boosheid (vs. 14), is het duidelijk, dat zij met leugen omgaan. Zij zouden getracht hebben de menigte af te trekken en terug te roepen van hun boos gedrag, gelijk Mijne andere getrouwe boden en Profeten doen (Hoofdst. 25:3-5), en (vs. 17 Zo versta men de plaats liever dan ze met anderen, de Vulgata volgende te verklaren, dat, indien de valse Profeten den volke Gods woord getrouw hadden voorgedragen, het dan zou zijn bekeerd geworden; want dit is niet altijd het lot van getrouwe knechten en Gods ware Profeten (Jes. 49:4; 53:1), ja is dat niet geweest van den Heiland zelven, toen Hij op aarde was (Matth. 11:20. Joh. 12:36, 38).
KruisverwijzingenPsalmen 139:1→Jona 1:3→1 Koningen 20:23→Ezechiël 20:32→Psalmen 113:5→1 Koningen 20:28→— Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?
Zouden die Profeten misschien denken, dat Ik niet hoorde en zag wat zij doen? Ben Ik aan God van nabij, zodat Ik alleen zou weten wat er in den hemel geschiedt, spreekt de HEERE, en niet een God van verre, zodat Ik onkundig zou wezen van hetgeen op aarde voorvalt?
Hier verwijt Hij aan de hypocrieten hun aanmatiging, dewijl zij zo gevoelloos waren in hun ondeugden, dat zij meenden, dat zij op allerlei manier God de ogen konden verblinden. Niet dat zij aldus hebben gesproken. Maar nooit zou de slaperigheid bij de mensen zo groot zijn, indien zij er van overtuigd waren, dat voor God niets verborgen is, maar dat Hij doordringt tot de verborgenste overleggingen van het hart, onderscheidt tussen de overleggingen en aandoeningen en van de verborgene drijfveren niet onkundig is. Indien dit derhalve bij allen vast stond zouden zij met te groter eerbied aan God zich onderwerpen en vervolgens vreze koesteren voor Zijne bedreigingen. Hiermede wil de Heere God zich doen kennen als degene, die niet alleen weet wat nabij, maar ook wat van verre is. De leugenprofeten deden het voorkomen alsof de Heere God hen niet zag, hen niet hoorde, van hen daarom geen kennis nam. En hiertegen komt de Heere God op. Daarom zegt Hij ook in het volgende vers: Ik heb wel gehoord enz.
KruisverwijzingenSpreuken 15:3→Psalmen 90:8→Psalmen 139:7→Jesaja 29:15→1 Koningen 8:27→Jesaja 57:15→Psalmen 10:11→Jesaja 66:1→— Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.
Zou zich, o dwaze mens! iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat ik hem niet zou zien (Hoofdst. 16:17. Ps. 139:7 vv. Amos 9:2 vv.)? spreekt de HEERE. Vervul Ik niet den hemel en de aarde? (1 Kon. 8:27. Jes. 66:1) spreekt de HEERE.
KruisverwijzingenJeremia 29:8→Joël 2:28→Jeremia 23:32→Jeremia 23:28→Numeri 12:6→1 Korinthe 4:5→Jeremia 8:6→Jeremia 13:27→— Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.
Ik heb het wel gehoord, wat de Profeten zeggen, alsof Ik ze tot Mijne predikers had geroepen (Hoofdst. 1 5:19), die in Mijnen naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, Ik heb gedroomd 1), en in dien droom ene openbaring gehad.
Onder de vormen der Goddelijke openbaring, die in Num. 12:6 vv. genoemd worden, neemt de droom de minste plaats in, want daarin kunnen het gemakkelijkst de bedrieglijke voorstellingen van het eigen hart den schijn van Goddelijke openbaring aannemen. Bovendien onttrekt zich de droom het meest aan de controle van anderen; niets is daarom gemakkelijker, dan te zeggen: “ik heb dit of dat gedroomd. ” Met het oog daarop wordt dan ook reeds in Deut. 13:1 vv. een dromer voorgesteld als ongeveer hetzelfde als een valse Profeet. In het geval, dat voor ons ligt, moet nu de voorgewende openbaring reeds zeer verdacht maken, dat zij slechts wisten te zeggen: “ik heb gedroomd. ” Vooral in lateren tijd gingen, zo als het schijnt, de dromen hand in hand met de waarzeggerij (Zach. 10:2). Geen van de Profeten, van welke wij geschriften bezitten, beroept zich daarom later op dezen vorm van goddelijke mededeling. Eerst in Matth. 1:20; 2:13 en 19; 27:19 wordt hij weer gevonden; het laatste geval behoort echter slechts gedeeltelijk hiertoe. Zij dachten dat God zo veel te doen had met de andere wereld, dat Hij geen gelegenheid had om kennis te nemen van deze, of zich te bemoeien met hetgeen daar gebeurt. Maar God wil hen doen weten, dat Hij al hun bedriegerijen, al de schande weet die zij op de wereld gebracht hebben, onder den schijn van goddelijke openbaring. Wat zij het volk wilden inboezemen, geven zij voor in een droom van God ontvangen te hebben, daar ondertussen hun nooit zo iets gebeurde. Dit kan het volk niet ontdekken, want als een mens mij verhaalt hij heeft zo en zo gedroomd, kan ik hem niet tegenspreken, en hij weet dat ik dat niet kan doen. Maar God ontdekt het bedrog.
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 4:1→2 Petrus 2:13→Jeremia 14:14→Jeremia 4:14→2 Thessalonicenzen 2:9→Psalmen 4:2→Jeremia 17:9→Handelingen 13:10→— Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.
Hoe lang zal dit duren? Hoelang zullen zij met die bedriegerijen voortgaan in Mijnen naam? Is er dan een droom in het hart der Profeten, die de leugen profeteren? Neen, Ik gaf ze nimmer zulk een droom in het hart. Ja, het zijn Profeten van huns harten bedriegerij. 1)
De zin is deze. De Heere vraagt hoe lang nog? Hoe lang zullen deze leugenprofeten nog de leugen profeteren, in den naam des Heeren? Hun bedoeIing was, om den naam des Heeren in vergetelheid te brengen, in den zin, dat het volk de wonderdaden Gods zouden vergeten, zouden vergeten dat het de Heere was, die hen geleid had en tot een zelfstandig volk had gemaakt.
KruisverwijzingenRichteren 3:7→Richteren 8:33→Jeremia 29:8→2 Koningen 21:3→Handelingen 13:8→Deuteronomium 13:1→2 Timotheüs 3:6→2 Timotheüs 2:17→— Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal.
Die daar denken, het doel hebben, om Mijn volk Mijnen naam te doen {a} vergeten door hun dromen, die zij, een ieder zijnen naaste, vertellen. Niet de ene Profeet verhaalt het den anderen, maar de Profeet aan een zijner naasten, die het dan weer aan anderen verkondigt. Zij zoeken dat, gelijk als hun vaders, die Mijnen naam vergeten hebben door Baäl, dien zij willen dienen, alsof zij op hem verzot waren. {a} Richt. 3:7; 8:33, 34.
Kruisverwijzingen1 Korinthe 3:12→Mattheüs 24:45→Spreuken 14:5→1 Korinthe 4:2→2 Korinthe 2:17→Lukas 12:42→1 Timotheüs 1:12→— De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.
De Profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom, wanneer hij daarop verzot is, maar geve dien niet voor enen goddelijke openbaring uit; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk. Wat heeft het stro met het koren te doen? Dromen zijn toch inderdaad slechts stro, Mijn woord, dat de goede tarwe is, mag daarmee niet vermengd worden, spreekt de HEERE. Hij late mijnen naam met vrede en zegge niet, dat het Mijne woorden zijn wat hij gedroomd heeft, maar dat het zijn woord is en zijnen naam draagt. Luther zegt: “Wie zijn mond niet kan houden, die storte zijn hart uit, maar hij zegge het open en eerlijk, dat het zijne dromen zijn, die hij predikt. ” De valse Profeten weten wel, dat enkel leugens niets dan stro is; zij mengen er daarom altijd iets van het ware woord van God onder; zo is er tarwe onder het stro. Ene heilloze vermenging! In dit vermengen bestaat de grootste kunst van den satan, waardoor hij tevens zijn werk alleen bevordert en tegen zich zelven getuigt. De Profeet maakt een juist en nauwkeurig onderscheid tussen droom en woord, tussen verhalen en spreken; den droom behandele men als een droom, en men verhale dien; het woord spreke men getrouw en beslist.
KruisverwijzingenJeremia 5:14→Hebreeën 4:12→Jeremia 20:9→2 Korinthe 10:4→Lukas 24:32→Openbaring 11:5→Johannes 6:63→Handelingen 2:37→— Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
Is Mijn woord niet alzo als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die ene steenrots te morzel slaat? 1) (Hebr. 4:12).
Hij bevestigt hier wat Hij gezegd heeft over het stro en het hooi, maar met andere woorden. Die vergelijking was geschikt, waar Jeremia het woord Gods vergelijkt met het koren en de verdichtselen van den mens met stro. Maar dewijl de Joden om hun ondankbaarheid bewerkt hadden dat zij geen vrucht uit het woord Gods hadden ontvangen, n. l. dat het hun tot geestelijk voedsel was geworden, daarom zegt de Profeet dat het zou zijn als vuur en als een hamer, alsof hij wil zeggen, dat de Joden zich beroofd hadden van den smaak er in, dewijl zij in hun boosheid waren verstompt geworden, maar dat zij het woord Gods echter niet konden uitroeien, noch veel minder de indrukken er van konden wegnemen, dewijl zoals Paulus zegt (2 Kor. 2:16) indien het niet een reuk des levens ten leven, het ten minste is een reuk des doods ten dode voor hen, die verloren gaan. Men kan mijn woord gemakkelijk onderscheiden van de menselijke mening; want mijn woord heeft ene bijzondere kracht en werking. Het ontvlamt het hart tot geestelijk leven, tot liefde jegens God en den naaste, zodat de mens brandend wordt in den geest; het reinigt en loutert steeds meer de harten der goddelozen, en verslaat als een hamer de harten en gewetens der goddelozen, daar zij er krachtig onder bewogen, overtuigd en overwonnen worden. Gods woord bekeert, elke andere leer verdwaast. Daar is een zeer groot verschil tussen de verdichtselen der mensen en het zuivere woord van God, als tussen het kaf en het koren. Zo volgt er in vs 29 : Is Mijn woord niet anders als een vuur, spreekt de Heere? Is hun woord zo? Heeft het die kracht en uitwerking die het woord Gods heeft? Neen niets dat daaraan gelijkt. Daar is geen meer gelijkenis in, dan in een geschilderd vuur en in een waar vuur. Dit is een dwaallicht, dat de mens van den weg af op bijpaden leidt, en in gevaarlijke diepten. Het vuur heeft tweeërlei uitwerking. Het reinigt en zuivert of het verteert. De hamer vermorzelt, indien het hart niet smelten wil door het vuur van Gods woord. Wie hier niet buigen wil zal moeten bukken voor den hogen God. Men moge zich tegen het woord Gods verzetten: God en Zijn woord zullen toch ten slotte het laatste woord hebben.
KruisverwijzingenDeuteronomium 18:20→Ezechiël 13:8→Jeremia 14:14→Psalmen 34:16→Ezechiël 15:7→Ezechiël 13:20→Jeremia 44:29→1 Petrus 3:12→— Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;
Daarom ziet, a) Ik wil aan de Profeten, Ik zal tot hen komen met Mijn gericht (Jes. 5:8), spreekt de HEERE, die Mijne woorden stelen, een ieder van zijnen naaste. Uit oude Godspraken nemen zij woorden en spreekwijzen over, om zo aan hun woorden den schijn te geven, of zij ze van Mij hadden ontvangen en de een leert dat van den ander.
Deut. 18:20. Jer. 14:14, 15.
Op drieërlei zonden wordt hier gewezen. Vooreerst dat zij, de valse Profeten, wijl zij niet geïnspireerd waren door den H. Geest, van anderen stalen wat zij spraken, om daarmee aan hun redenen nog een goddelijk karakter te geven. Ten tweeden dat zij hun tongen gebruikten om wat zij spraken voor echte woorden Gods uit te geven. Ten derden dat zij voorgaven openbaringen door dromen te hebben ontvangen, terwijl het toch dromen der leugens waren.
KruisverwijzingenJeremia 23:17→2 Kronieken 18:19→2 Kronieken 18:10→Jesaja 30:10→2 Kronieken 18:5→Micha 2:11→— Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;
Ziet, Ik wil aan de Profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, hun eigen woord voortbrengen, en om hun eigene mening tot een woord van God te bestempelen, spreken: Hij, de Heere, heeft het gesproken.
KruisverwijzingenJeremia 7:8→Klaagliederen 2:14→Sefanja 3:4→Deuteronomium 13:1→Openbaring 19:20→Jeremia 29:31→Deuteronomium 18:20→Zacharia 13:2→— Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.
Ziet, Ik wil aan degenen, die valse, gelogene dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun a) lichtvaardigheid (Exod. 21:22); daar Ik hen niet gezonden en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, maar het slechts te meer in slaap wiegen en in zijne boosheid sterken, spreekt de HEERE.
Zef. 3:4. Drie zonden van leraars en Profeten worden in vs. 30 en 31 vermeld. 1. Eigen liefde, die met vreemde veren wil pronken, waar de een den ander Gods woord ontsteelt en zich ten nutte maakt wat den ander gegeven is, om er mede te schitteren. 2. Ontrouw, die Gods woord veracht, en naar willekeur er eigene menschenwoorden voor in plaats stelt. 3. Geestdrijverij of dweperij, die met dromen en visioenen de verbeelding bevredigen en bewondering wekken wil, in stede van met Gods waarheid de gewetens gezond te houden. Niemand kan Gods zegen over zijn ambt verwachten, die niet door Hem tot den heiligen dienst geroepen en gezonden is. Niemand stote zich daaraan, wanneer valse leraars nog niet van wege hun valse leer door God gestraft worden; zij zullen niet ongestraft blijven, maar op hunnen tijd ontvangen, wat hun daden verdienden.
KruisverwijzingenMaleachi 1:1→Habakuk 1:1→Nahum 1:1→Jesaja 13:1→Jeremia 12:7→Jeremia 23:39→2 Kronieken 15:2→Deuteronomium 31:17→— Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.
Wanneer dan dit volk of een profeet of priester in het vervolg u, Jeremia, weer op spottende wijze vragen zal, zegende: Wat is des HEEREN last, dien gij ons te brengen hebt? zo zult gij tot hen zeggen: Wat is de last? dat Ik 1) ulieden verlaten zal als een last, dien Ik niet langer kan dragen (Hoofdst. 7:29 12:7. (Jes. 1:14), spreekt de HEERE.
Uit deze plaats, blijkt duidelijk genoeg, dat er zeer grote weerspannigheid bij de Joden is geweest, zodat zij zich van alle zij den stof tot zorgeloosheid vermeerderden, alsof zij ongestraft God konden verachten, waar zij Zijn woord verwierpen. Want ook door dat kunstmiddel bedriegt de duivel de goddelozen, waar hij of het woord Gods hen hatelijk maakt of verachtelijk. En wanneer hij hun gemoederen kan verbitteren om de woorden Gods niet aan te horen zonder haat en bitterheid, heeft hij verkregen wat hij wilde. Het schijnt ene gewoonte geweest te zijn, dat men de Profeten, als zij zich vertoonden, vroeg, of hun ook ene nieuwe openbaring was ten deel geworden. Daarbij gebruikte men voor “openbaring” waarschijnlijk het woord massa, dat volgens de opmerking bij Jes. 13:1 in 1 ‘t algemeen ene Godsspraak betekent (Klaagl. 2:14). Daar echter het woord ook “last” betekent, en het voornamelijk Jeremia’s roeping was, om dreigende gerichts-uitspraken van God tegenover de valse Profeten te verkondigen, zo wendde men bij hem hetzelfde slechts in dezen laatsten zin aan, om daardoor te kennen te geven, dat elke nieuwe voorzegging in zijnen mond niets, dan een nieuwe last was, dien hij over het volk bracht, dat er alleen iets lastigs en nooit iets verblijdens van dien God kwam, in wiens dienst hij zich had gesteld, en men vroeg spottend: Nu, Jeremia wat massa hebt gij weer te brengen? Voor zulk ene misdadige bespotting van het woord Gods, die dat zoekt af te slaan, wordt nu de weg daardoor afgesneden, dat op het verder gebruik van het misbruikte woord een plechtig verbod wordt gelegd. Als het woord van God den mensen onverdraaglijk voor den Heere, onzen God; zij zijn den niets anders den een nutteloze last, dien het land niet meer kan dragen, daarom moeten zij worden uitgeroeid.
KruisverwijzingenZacharia 13:3→Klaagliederen 2:14→— En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.
En aangaande den profeet of den priester of het volk, datten opzichte van ene door u hun medegedeelde (Godsspraak zeggen zal: Des HEEREN last, dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis, behalve het algemene oordeel nog in ‘t bijzonder over dien.
KruisverwijzingenJeremia 33:3→Jeremia 31:34→Hebreeën 8:11→Jeremia 42:4→— Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
Aldus zult gijlieden zeggen, opdat het zo schandelijk misbruikte woord geheel vermeden worde, Een iegelijk tot zijnen naaste en een iegelijk tot zijnen broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
Kruisverwijzingen2 Petrus 3:16→2 Koningen 19:4→Jeremia 10:10→Jesaja 28:22→Galaten 1:7→Galaten 6:5→1 Samuël 17:26→1 Thessalonicenzen 1:9→— Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.
Maar des HEEREN last zult gij bij de Godspraken, die tot u komen, niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn 1), dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God, die in een geheel verkeerd gezichtspunt stelt.
Uwe spotternij zal u lastig genoeg worden en rampzalige gevolgen hebben.
— Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?
Aldus zult gij zeggen tot den profeet, dien gij door die uitdrukking wildet honen en ergeren, gelijk reeds in vs. 35 omtrent alle profeten is opgemerkt: Wat heeft u de HEERE geantwoord? en wat heeft de HEERE gesproken?
Kruisverwijzingen2 Kronieken 11:13→— Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;
Maar dewijl (liever: wanneer) gij ondanks Mijn verbod zegt: Des HEEREN last, daarom zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last.
KruisverwijzingenJeremia 23:33→Ezechiël 8:18→Genesis 6:17→Klaagliederen 5:20→Jeremia 7:15→Ezechiël 34:11→Jesaja 48:15→Spreuken 13:13→— Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
Daarom ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten (liever: opnemen, gelijk men een last opheft, dien men wil wegwerpen), en u mitsgaders de stad, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
KruisverwijzingenJeremia 20:11→Ezechiël 5:14→Jeremia 42:18→Jeremia 24:9→Deuteronomium 28:37→Jeremia 44:8→Daniël 12:2→Daniël 9:16→— En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.
En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten (Hoofdst. 29:11). Helaas zelfs het Evangelie is voor velen een last, het aandringen op veranderen van hart en leven ten minste, en toch moest het ons een zacht juk zijn (Matth. 11:30). Welk het gevolg van zulk ene gezindheid is blijkt uit vs. 30 v. en 38Ä40. De woorden van God, hoewel dus verkeerd, zullen vervuld worden. Indien zij vroegen: wat is de last des Heeren, laat de Profeet hen vragen wat voor last zij menen. Het is die: Ik zal u laten varen en geen gedachten hebben, om tot u weer te keren. Zodanige zijn inderdaad ellendig, die van God vergeten en verlaten zijn, en het spotten van de mensen met Gods oordelen zal dezelve niet stuiten. Gods woord zal verhoogd worden en geëerbiedigd, wanneer zij, die hetzelve bespotten, veracht en versmaad zullen zijn.
III. Vs. 1-40.KruisverwijzingenJeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Jesaja 4:2→Jesaja 52:13→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→1 Korinthe 1:30→ — Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE. Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE. Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd. Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid. Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht. Het oordeel, uitgesproken over de drie eerstvolgende opvolgers van Josia in ‘t bijzonder, wordt nog eens in een algemeen weegeroep over de herders zamengevat, die de hun toevertrouwde kudde verwaarloosd, verdorven en verstrooid hebben. De verdiende straf zal hen daarvoor treffen, doch daarna zal de Heere het overschot der verstrooide kudden weer verzamelen en op de weide terugvoeren, waar het onder goede herders veilig en zonder vrees weiden, op nieuw voorspoedig zijn en zich uitbreiden zal. Een rechtvaardige spruit van David zal met wijsheid en gerechtigheid als Koning over Juda en Israël regeren. “De Heer, onze gerechtigheid zal Zijn naam zijn. ” Dan zal ene verlossing komen uit het land van het noorden, welke de vroegere verlossing uit Egypte verre overtreft en doet vergeten (vs. 1-8 Daar echter de valse Profeten ook tot de leidslieden van het volk behoren, die het verleiden en verderven, zo is aan de bestraffende rede tegen die herders dadelijk ene tegen deze Profeten verbonden. Vooreerst worden zij in hun pogen geschilderd als verleiders des volks (vs. 9-15): vervolgens wordt het volk voor hun bedrog gewaarschuwd (vs. 16-24) Daarop wordt hun snood misbruik van den naam des Heeren voorgesteld (vs. 25-32), en ten laatste het volk bestraft, omdat het de ware voorzeggingen Gods spottend en boosaardig een last des Heeren noemt (vs. 33-40).
Wee den herderen, den overheden (Hoofdstuk 2:8; 3:15; 10:21 die de schapen Mijner weide, de kudde die Mijn eigendom is, en aan welke Ik een land gegeven heb, waar zij verzorgd zijn (Hoofdst. 13:17. Ps. 74:1; 100:3), ombrengen en verstrooien, door hun gewelddadigheden en verdrukkingen te gronde richten (Hoofdst. 22:13 vv.), en door het geestelijk verderf, dat van hen uitgaat, maken, dat zij uit het land worden verbannen (Hoofdst. 15:4), spreekt de HEERE (vgl. Ezech. 34).
Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, dit algemene (vs. 1) op de laatste koningen van Israël in ‘t bijzonder toepassende, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden, van Joahaz, Jojakim en Jojachin: Gijlieden hebt door uwe goddeloze, zelfzuchtige regering Mijne schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, zo ver gebracht, dat zij moeten verstoten en verdreven worden, en gij hebt ze niet bezocht, er geen acht op geslagen, zo als uwe roeping meebracht (Ezech. 34:2 vv.). Ziet, Ik zal over u bezoeken (Jes. 26:1) de boosheid uwer handelingen, waarin gij integendeel allerlei ongerechtigheid hebt gepleegd (Hoofdst. 21:12), spreekt de HEERE. 1)
Hier geeft God de oorzaken aan, waarom Hij zo zeer verontwaardigd is over deze verwoesters, dewijl waar zij tyrannie oefenden over het volk, niet slechts des mensen leed hebben aangedaan, maar God zelven, die in Zijn trouw het uitgeredde volk had aangenomen. Wel is het waar dat zij allen die verwoesting zich waardig hadden gemaakt. Want wij hebben uit vele plaatsen gezien, dat het volk niet kon verontschuldigd worden, waar het bedrogen werd door slechte en goddeloze leidslieden, dewijl op deze wijze allen een rechtvaardig loon werd vergolden, daarom, omdat van den minste tot den grootste allen zich den toorn Gods op den hals hadden gehaald. Maar daarmee was de goddeloosheid der slechte leiders niet te verontschuldigen, dewijl zij hadden moeten berekenen, waartoe hun die last was opgelegd, vervolgens door Wien zij waren aangesteld.
En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen, wat van de straf der verstoting en verbanning overblijft (Jes 6:13; 10:22) redden en zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb. En Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien (Jes. 13:20), d. i. tot de steden en vlekken van het heilige land, en zij zullen vruchtbaar zijn en door grote vruchtbaarheid, die Ik ze zal geven, vermenigvuldigen.
En Ik zal a) herderen over hen verwekken, die in getrouwe en nauwgezette waarneming van hun ambt ze weiden zullen in den waren zin des woords (Hoofdst. 3:15), en zij zullennu recht geregeerd en goed geleid in Mijne genade blijven, en Mijn verbond bewaren; zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden voor herhaling van de gerichten Mijns toorns, noch gemist, uit hun land verbannen worden, spreekt de HEERE.
Ezech. 34:11, 12. Deze belofte is wel aanvankelijk vervuld ten tijde der bevrijding uit de ballingschap en de wederoprichting van het Joodse rijk, toen zij in Zerubbabel, Jozua, Nehemia, Ezra, ook in de Profeten Haggaï, Zacharia, Maleachi, en dergelijken hun goede herders of bestuurders en leraars hadden. Men ken echter niet zeggen, dat zij daardoor geheel is vervuld, want het Joodse volk is na dien tijd geenszins buiten alle vrees en verschrikking, buiten alle vijandige bezoeking en verontrusting gebleven, gelijk hier wordt beloofd. Wat zij, in de volgende tijden tot op Christus deels van de Egyptische, deels van de Syrische koningen, in ‘t bijzonder van Antiochus Epifanes en ook van de Romeinen hebben geleden, is bekend. Voegt men nu ook hierbij de eerste tijden van het Nieuwe Testament, zo kwam in plaats van de hier beloofde vergadering bij verreweg de meesten de verstrooiing met de inwendige verstokking, in welken toestand hun nakomelingen zich nog heden bevinden. Deze voorspelling behoort dus ten opzichte van hare volledige vervulling tot de laatste en nu nog toekomstige tijden.
Ziet, dit is het voornamelijk, waarop de in vs. 4 uitgesprokene voorzegging uitloopt a) de dagen komen spreekt de HEERE, dat Ik aan David in den aan hem beloofden Zoon (2 (Sam. 7:12 vv.) ene rechtvaardige spruit (Jes. 11:1; 53:2. Zach. 3:8; 6:12) zal verwekken; die zal, koning zijnde, regeren en voorspoedig zijn (Jes. 52:13), en recht en gerechtigheid doen op de aarde(Jes. 32:1. Ezech. 34:23).
Jes. 4:2; 40:11. Jer. 33:14, 15. Dan. 9:24. Luk. 1:32, 33. Het: “Ziet, de dagen komen” betekent volgens het gewone spraakgebruik van Jeremia niet een vervolg in den tijd met betrekking tot het voorgaande, maar het vestigt ook de aandacht op de grootte van hetgeen verkondigd wordt. Tevens wordt gewezen op de tegenstelling der hoop tegenover het zichtbare, dat in het geheel gene aanleiding tot haar geeft. Moge het tegenwoordige nog zo droevig zijn, zo komt toch de tijd. De Heere wil niet, dat de schapen, die door de schuld hunner herders moesten verjaagd worden naar een vreemd land, altijd de straf daarvoor zouden dragen. De overgeblevenen moeten terugkeren op hun weiden en op nieuw vermenigvuldigen. Hij zal hun nieuwe herders geven, onder wier leiding zij veilig zullen zijn van vrees en siddering en herhaling der vlucht. De blik des zieners door den Geest vervrolijkt, vestigt zich op de zich verheffende gedaante van Hem, die gezegd heeft: “Ik ben de goede Herder. ” Hij ziet den gezalfde des Heeren uit Davids stam, die komt, die recht en gerechtigheid uitoefent op aarde en zegen geeft. Hier wordt van Christus gesproken als van een Spruit. Zijn voortkomen, Zijn begin zal gering zijn, als van een lot of spruit, en zijn opkomen als uit de aarde, maar voortgroeiende groent, groot wordt en met vrucht beladen is. Christus is de wortel en het geslacht Davids. Hij is een spruit van Gods planting. Hij verwekt hem. Hij heiligde hem en zond hem in de wereld, gaf hem zijn last en hoedanigheid. Hij is een rechtvaardige spruit, want Hij is zelf rechtvaardig en door Hem worden velen, ja allen die de Zijnen zijn, rechtvaardig gemaakt; een Voorspraak is hij, Jezus Christus, de rechtvaardige.
In zijne dagen zal Juda verlost worden, zodat het tot waarachtigen en voortdurenden voorspoed komt, en Israël zal, gelijk de voorzegging in Deut. 33:28 belooft, zeker wonen. En dit zal Zijn naam zijn, de naam van dezen Koning, den rechtvaardigen Spruit van David, de naad, waarmee men Hem zal noemen: DE HEERE (Jes 45:17), ONZE GERECHTIGHEID (1 Kor. 1:30, vgl. Hoofdst. 30:21 vv.)
Hij kondigt Hem derhalve aan als den waren God en echter als den Zoon Davids. Vervolgens beveelt Hij om van Hem de gerechtigheid te verwachten en al wat tot het volmaakte en volle geluk dienen kan. Het is een symbolische bijnaam, die zich daardoor van enen gewonen naam onderscheidt, dat hij niet tot werkelijk gebruik dient, maar tot objectieve karakterisering, tot een ideaal opschrift. Daarom wordt aan dezen naam ook een object toegevoegd, dat reeds zijnen naam heeft. Op gelijke wijze geeft David aan zijn zoon den naam Jedidja (2 Sam. 12:25). dien hij in werkelijkheid nooit heeft gedragen. De bijzondere veel betekenende naam moet zeker op den hoofdpersoon van het vers, op den Messias zien in wiens dagen Juda gered zou worden en Israël zeker zou wonen, maar niet op Israël, zo als velen willen. Door den beloofden Koning wordt vervuld wat in Deut. 6:25 gezegd is. Op die plaats lezen wij: “het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden voor het aangezicht des Heeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. ” maar wie heeft de wet volkomen onder het Oude Verbond vervuld? De vrome David? de wijze Salomo? of wie? Daarom komt hier de Messias voor in de gehele noodzakelijkheid Zijner verschijning, in het volle licht Zijner betekenis. Hij, de enig Rechtvaardige, maakt velen rechtvaardig, die in Hem geloven (Jes. 53:11). In Zich het heilige, goddelijke leven werkelijk openbarende, verschaft Hij aan degenen, die in Hem geloven, Gods gerechtigheid, ja wordt zelf tot deze. Hebr. : “Jehova Tzidkenoe, ” woordelijk vertaald: “de Heere (Jehova), onze Gerechtigheid. ” Daarmee komt de verklaring (Jer. 33:16) zeer overeen: “In dien tijd zal Juda geholpen worden en Jeruzalem veilig wonen, en men zal haar noemen: de HEERE onze gerechtigheid (Jehova-Tzidkenoe). ” Hier is het ontwijfelbaar, dat de naam Jehova niet aan Jeruzalem kan zijn toegezegd, maar alleen de gehele spreuk: Jehova (is) onze gerechtigheid. De stad Gods wordt daardoor aangeduid als zulk ene die voor al hare bewoners gene gerechtigheid bezit en kent dan die uit het geloof in den Heere (Jehova) komt, vermits dßßr alle tongen belijden, gelijk in Jes. 45:24 gezegd wordt: “in den Heere heb ik gerechtigheid en sterkte. ” Dezelfde verklaring zou zich nu ook in deze plaats laten toepassen, wanneer zij van den beloofden Koning luidde: “Jehova mijne gerechtigheid. ” (Hebr. “Jehova Tzidki, ” wat van gelijke betekenis ware met den naam Zedekia). Maar vermits het toevoegende “onze gerechtigheid” niet op den koning, maar op het volk slaat, zo zou de naam voor den beloofden koning zelven zonder betekenis zijn, en hem slechts als zinnebeeld des volks toegevoegd worden, wanneer niet het hoofdwoord “Jehova” van hem gebezigd ware. De zin is dus in deze onze plaats een andere dan in Jer 33:16, omdat de naam op een geheel anderen persoon slaat. Wij verstaan ze zo: “Deze (de beloofde koning) is Jehova, die onze gerechtigheid is. ” Luther heeft dus goed vertaald: dat is zijn naam-“Heere, die onze gerechtigheid is. ” De te wachten Messias wordt hier werkelijk Jehova genoemd, als de tweede persoon, het ander Ik der Godheid. Wanneer op één altaar (Exod. 17:15) geschreven stond: “Jehova, mijne banier” en op een ander (Gen. 33:20): “God Israëls God, ” zo was dit wel een bloot herinneringsteken, en zulk een altaar is niet Jehova of God, maar het is geheel wat anders, dan wanneer de rechtvaardige Spruit, waarop Israël als op zijnen Verlosser wacht, wanneer die Koning die recht en gerechtigheid op aarde sticht, den naam ontvangt “Jehova onze gerechtigheid. ” Dat kan niet anders worden verstaan dan dat Hij is wat Hij heet, dat Hij als Jehova onze gerechtigheid is. Hem dus, dien wij nu Jezus Christus noemen, dien noemt Jeremia op profetische wijze naar Zijn wezenlijk karakter Jehova onze Gerechtigheid; en wel daarom, omdat Hij, als God in het vlees verschenen, de enige bron der gerechtigheid voor Zijn rijk en voor Zijn volk is. Het zal den Christen steeds ene grote kalmte, rust en vrede geven, als hij peinzen mag over de volmaakte gerechtigheid des Heeren Jezus. Hoe menigwerf zijn Gods heiligen ter nedergedrukt en treurig! Ik geloof niet, dat zij dit mogen zijn. Ik geloof niet, dat zij het zouden kunnen, wanneer zij steeds hun volmaaktheid in Christus zagen. Sommigen spreken altijd over het bederf en de arglistigheid des harten en de natuurlijke boosheid der ziel. Dit is alles zeer waar; maar waarom gaat men niet wat verder en herinnert zich, dat wij “volmaakt zijn in Christus Jezus. ” Het is niet te verwonderen, dat zij, die bij hun eigene verdorvenheid altijd blijven stilstaan, zo gedrukt zijn; maar het kan niet anders of er zal vreugde in ons hart komen, zo wij ons herinneren dat Christus onze gerechtigheid is geworden. Al moet ik veel droefheid ondervinden, al valt satan mij aan, al heb ik nog veel door te worstelen, eer ik in den hemel kom, ik sta in het verbond der Goddelijke genade; ik heb alles in mijnen Heer; Christus heeft alles volbracht. Aan het kruis riep Hij uit: “het is volbracht!” en daar alles volbracht is, ben ik volmaakt in Hem, en mag ik mij verheugen met ene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die uit het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof. Aan deze zijde van den hemel zult gij geen heiliger volk vinden dan zij, die in hun hart de leer van Christus’ gerechtigheid ontvangen. Als de gelovige zegt: “mijn leven is Christus alleen, in Hem rust ik voor mijne zaligheid, en ik geloof dat, hoe onwaardig ook, ik in Jezus verlost ben, ” dan rijst deze gedachte uit dankbaarheid in het hart op: “zal ik dan niet voor Christus leven, Hem niet liefhebben en dienen, daar Hij mij door Zijne verdiensten heeft gered?” “De liefde van Christus dringt ons, opdat degenen, die leven niet meer zich zelven zouden leven, maar Dien, die voor hen gestorven is. ” Eerst als wij door de toegerekende gerechtigheid verlost zijn, zullen wij de ons medegedeelde gerechtigheid op prijs stellen. Deze voorspelling is te merkwaardiger, omdat de Profeet aan het einde van het vorige hoofdstuk met ene vernedering van het Davidisch stamhuis had moeten dreigen, die bijna aan vernietiging grensde. Maar ook afgezien van haar historisch verband, mag zij ene der ondubbelzinnigste aankondigingen van den aanstaanden Messias genoemd worden. Of zou het mogelijk zijn, gelijk een der beroemdste uitleggers voorsloeg, dat hier onder den naam van spruite Zerubbabel, de beroemde nazaat van David, zou voorgesteld zijn? Maar wie zal beweren, veel minder bewijzen, dat onder zijne weldadige leiding de herstelling van al de twaalf stammen van Juda en Israël plaats gehad heeft, en wie acht het gene snode godslastering op hem, of op énig zondig aardbewoner de verhevene beschrijving toe te passen, hier van de Spruite gegeven? Geen wonder, dat reeds oude Joodse uitleggers hier aan niemand dan den Messias gedacht hebben. De luister Zijner regering wordt hier met trekken getekend, ten dele uit het gewijd geschiedverhaal van Davids leven ontleend; en niet onwaarschijnlijk achten wij het, dat de eigenaardige spreekwijs dien spruit aan David verwelken, ene zijdelingse toespeling op de belofte behelst aan dit stamhuis door Nathan gedaan. Wat de benaming betreft waarmee men Hem zal noemen: “Jehova onze gerechtigheid, ” zij schijnt ons toe den David-spruit aan te kondigen als degene, in en door wien Jehova ene volkomene gerechtigheid aan Zijn volk zou verlenen. Zo duidt in het oud geschiedverhaal de naam des altaars “Jehova mijne Banier” met andere woorden aan, dat aan Jehova als banier van Zijn volk, dit altaar toegewijd was. Zo wordt door den naam Immanuël, aan den zoon der maagd bij Jesaja toegekend, te kennen gegeven, dat Hij, die hem draagt, voor het volk een teken en onderpand van Gods gunstrijke bescherming zou wezen. Dat hier ene dergelijke verklaring moet gevolgd worden, en alzo geen persoonlijke eigen naam ter aanduiding van den Messias zelven gevonden wordt, blijkt zonneklaar uit Hoofdst. 33:15, 16, waar dezelfde naam van Jehova ook aan de stad Jeruzalem toegekend wordt. Ziet, zo luidt het op die plaats, de tweede der bovenbedoelde: ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis Israëls en over het huis Juda gesproken heb. In die dagen en te dier tijd zal Ik den David ene spruit der gerechtigheid doen uitspruiten, en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen, en-aldus zo staat er letterlijk-zal men haar noemen “Jehova, onze gerechtigheid!” Hoe zouden deze woorden, indien zij ene opzettelijke beschrijving van de natuur en het wezen van den Messias, als vlees geworden Jehova, behelsden, met hetzelfde recht tot ene beschrijving van Zijne rijkstad gebruikt kunnen worden? De duidelijke bewijzen voor de erkentenis der Goddelijke natuur van den Messias ook in het Oude Verbond zijn veel te talrijk, dan dat wij deze heilige waarheid zouden behoeven te staven alleen door de klank van een woord. Intussen moest het den dieper denkende niet moeilijk vallen, ook op grond van dergelijke uitspraken tot de gedachten te komen, dat Hij, door wien zulk een heil zou tot stand gebracht worden, en die zulk een naam waardig kon dragen, boven alle aardbewoners oneindig verheven moest zijn. Wat soortgelijke toezeggingen voor den vromen Israëliet uit die dagen inzonderheid aantrekkelijk maken moest, het was boven alles het uitzicht, zowel hier als elders ontsloten, op ene gelukkige hereniging der beide koninkrijken onder éénen Davidischen scepter; een uitzicht, tot dusver nimmer volkomen verwezenlijkt, en waarvan dus de invulling voor latere eeuwen bewaard blijft. Zo helder staat het den Profeet voor den geest, dat hij, na de eerstgenoemde voorspelling een tijd te gemoet ziet, waarin men niet meer de verlossing van Israël uit Egypte, maar de hereniging van het verstrooide volk uit alle streken der aarde, als de roemrijkste openbaring van Gods trouw, bij zijne plechtige eden vermelden zal. De vraag, of de heiligen onder het Oude Testament wel het Evangelie gekend hebben, is zoveel, alsof men ze vroeg: Hebben zij onder het Oude Testament wel brood gehad en gegeten? Indien er gene belofte des levens en der heerlijkheid onder het Oude Testament geweest ware, dan zouden de Profeten nog veel meer dan de apostelen gezegd kunnen worden: de ellendigste van alle mensen te zijn. Doch altijd hing er, al was het ook maar een lampje (zo als in Ps. 88), in de lange donkere tempelzaal; de lamp van David, de belofte Gods. Dat was hun bestendig licht, waarbij, zij arbeidden en leefden. De Heere onze gerechtigheid. Zo hebben wij dan ene levende, persoonlijke bron van de vergeving der zonde, en een altijd bij ons blijvenden Trooster, door wien wij altijd vergeving der zonde hebben; want de Heilige Geest en Jezus zijn niet te scheiden. Wij hebben tweeërlei voorspraak, de ene in den hemel: Christus; de ander in ons hart. De Heilige Geest. De Heere. Jehova: De spruit uit Davids stam zou dus niet enkel mens en koning, maar ook mens en God zijn. Doch hoe nu Jezus te gelijk waarachtig God en waarachtig mens kan zijn, dat kan den ene mens den anderen niet leren. Zulke dingen leert men alleen van God. Wien God het geloof geeft, dien onderwijst Hij zelf, en die weet de dingen Gods voor zichzelven, al kan hij ze ook den ongelovige niet wiskunstig bewijzen. De zalving des Heiligen Geestes, die ons alle dingen leert, is daarom waarachtig en gene leugen. Wij zouden ook het geloof het proefondervindelijk weten der geestelijke dingen kunnen noemen. Zelfs de Schrift kan niet meer doen, dan het brood des eeuwigen levens aanbieden en aanprijzen; doch hoe dat brood smaakt, en welke krachten het geeft, dat moet de mens zelf leren door het eten, door het geloven. Onze gerechtigheid. Gerechtigheid is onzondigheid. In de tegenwoordigheid Gods kan gene zonde bestaan. Zullen wij voor God bestaan, zo moeten wij ontzondigd worden. Dit geschiedt in de vergeving onzer zonden door God. Op welk een grond? Op grond der offerande van Christus, welke ene verzoening der zonde is bij God. De gerechtigheid is dus buiten ons, maar voor ons. Het is hiermede als met de zon. Is zij niet buiten en hoog boven ons; maar is zij niet voor ons; verlicht, verwarmt zij ons niet, en maakt zij niet al onze vruchten rijp? . Hier wordt niet alleen van den Christus getuigd dat Hij is God, boven allen te prijzen tot in eeuwigheid, maar ook wordt Hij als de Middelaar aangekondigd, die een eeuwige gerechtigheid zou aanbrengen, voor alle de zijnen. En dat de Profeet Hem noemt onze gerechtigheid, daaruit blijkt zo duidelijk mogelijk dat deze weet, dat niet alleen onder het N. maar ook onder het O. Verbond al de verbondelingen door Hem hun zaligheid, of liever hun gerechtigheid bij God hadden.
Daarom, om aan de bedreiging in Hoofdst. 16:14 vv. nu ook ene troostvolle voorzegging toe te voegen, ziet de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd!
Maar zo waarachtig als de HEERE leeft, die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en die het aangebracht heeft uit het land van het noorden en uit al de landen, waarhenen Ik ze gedreven had! Want zij zullen wonen in hun land. De heerlijke verschijning van den Herder aller herders is slechts als voorbijgaande; het oog van den Profeet wendt zich daarom terug tot de kudde, welke de Heere zeker eens uit Babel op haren grond zal doen wederkeren. Gods wonderbaar werk in de herstelling van het Joodse volk na zijne verstrooiing over de ganse aarde, gepaard met de toebrenging der Heidenen, welke door dat middel ook zal worden teweeg gebracht, zal zo verre overtreffen de wonderen, door God gewrocht bij de uitvoering van de Joden uit Egypte, dat deze niet zou verdienen genoemd of vergeleken te worden bij de andere. De Apostel noemt (Rom. 11:15) deze herstelling van de Joden een leven uit den dood.
Aangaande of tegen de Profeten, die valselijk in den naam des Heeren profeteren en met de priesters het volk in het verderf storten, even als de koningen en regenten (Hoofdst. 14:13 vv.), volgt nu het verdiende wee. Dit heeft al het voorkomen van het opschrift te zijn ener nieuwe godsspraak, wier inhoud door dit woord wordt aangeduid, als handelende van de valse profeten, van hun roekeloosheid en het lot, dat zij daardoor zich zelven en hun volk bereidden, waaraan Jeremia niet denken kan zonder de hevigste ontroering, waarvan het overige van dit vers gewaagt. Mijn hart wordt hij hetgeen Ik tegen die Profeten heb te zeggen, in mijn binnenste gebroken van wege het vreeslijke der ontvangene openbaring; al mijne beenderen bewegen zich daarover van ontzetting. Ik ben als een dronken man, die zich zelven niet meer machtig is, en als een man, dien de wijn te boven gaat; van wege den HEERE, en van wege de woorden Zijner heiligheid, die Hij mij heeft opgedragen, om ten opzichte der toestanden, die Zijne gerichten noodzakelijk maken te verkondigen. De grote liefde maakt den knecht Gods zo ijverig, dat hij geweldig op de verleiders loslaat. Hij denkt er niet aan, dat hij nu in een wespennest geslagen heeft, en voor altijd zijn leven verbitterd heeft; want hij heeft nog een hoger leven en het mindere geeft hij gaarne om der liefde wil. Toch zal de gehele wereld hem gehouden hebben voor enen onverbeterlijken en dollen ijveraar, die niets verschoont. Hij zegt zelfs, dat hij van God en Zijn woord als bedwelmd is, wanneer hij het land daarbij beschouwt. De toorn Gods heeft zijn hart verbroken en al zijn gebeente aangegrepen, zodat hij krachteloos wankelde en hij een dronken man gelijkt, die niet meer vast op zijn voeten kan staan. Hij gevoelt zich innerlijk geheel verslagen, waar hij niet slechts den schrik van het gericht ondervindt, hetwelk over de valse profeten en de valse priesteren, welke het volk tot dwaling hebben vervoerd, maar ook het schrikkelijk lijden, hetwelk over zijn volk zou komen.
Want het land, zo spreekt de Heere, is door die profeten en priesters vol overspelers (Hoofdst. 29:23), want het land treurt over de gruwelen van zijne bewoners (Hoofdst. 12:4; 14:2 vv.) van wege den vloek, die om de overtreding der geboden daarop is gelegd (Deut. 28:15 vv.). De weiden der woestijn, waarop het vee weidt, verdorren (Hoofdst. 9:10), omdat hun loop boos is, hun leven onophoudelijk in slechtheid is (Hoofdst. 5:8; 9:2. Jes. 59:7), en hun macht niet recht; zij zijn sterk in leugen en ontrouw (Hoofdst. 8:6).
Want beiden, profeten en priesters, zijn a) huichelaars(Hebr. onheiligen, heiligschenners); zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE; zelfs op de heilige plaats bedrijven zij de zonde der ontucht.
Jer. 6:13; 8:10; 14:18. Tot zulk ene ontucht boden de nissen en cellen van den tempel gelegenheid (vgl. 1 Sam. 2:22); en de priesters, dienstdoende naar de orde in hun klasse, waren van hun vrouwen verwijderd (Luk. 1:8 vv. 23 vv.). Den profeten, die veel in den tempel verkeerden, en die wellicht juist meer door vrouwen dan door mannen werden geraadpleegd (1 Kon. 14:2 vv. 2 Kon. 4:1, 8 wordt in vs. 14 uitdrukkelijk echtbreuk verweten.
Daarom, tot rechtvaardige straf voor zulk een verborgen zondigen, zal hun weg hun zijn als zeer a) gladde plaatsen in de b) donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen (Ps. 35:6. (Spr. 4:19): want Ik zal een kwaad over hen brengen in (liever: namelijk) het jaar hunner bezoeking(Hoofdst. 11:23), spreekt de HEERE.
(Ps. 73:18. b) Jer. 13:16.
Ik heb wel ongerijmdheid (Ps. 14:1) gezien in de profeten van Samaria, de hoofdstad van het rijk van Israël sedert het ontstaan van het goddelooste koningshuis (1 Kon. 16:33 vv.), profeten, die door Baäl profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden (1 Kon. 16:33), en men zou menen, dat iets ergers niet kon bestaan.
Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwlijkheid(Hoofdst. 5:30), die veel ontzettender is; zij bedrijven overspel en gaan om met valsheid, en sterken door hun bedrieglijke voorstellingen (vs. 17; Hoofdst. 6:14; 14:13) de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijne boosheid. In plaats van zich tot berouw te laten opwekken door de straffen, welke door Mijne profeten worden aangekondigd, verleiden zij niet alleen door hun voorbeeld tot het kwade, maar doen het ook door hun gezag daarin blijven, en houden het van het geloof terug (Ezech. 13:22). Zij allen zijn Mij, wat het gericht aangaat, dat Ik over hen zal doen komen, als Sodom en hare inwoners, de bewoners van Jeruzalem, die door hen zijn verdorven en op hun beurt de overige bewoners des lands hebben bedorven, als Gomorra (Deut. 32:32. Jes. 1:10).
Daarom zegt de HEERE der heirscharen, terwijl Hij overgaat tot de volvoering van het vonnis, van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal aan hen voor alle anderen en in bijzondere mate doen, wat Ik in Hoofdst. 9:15 het gehele volk heb gedreigd. Ik zal hen met alsem spijzigen en met a) gallewater drenken, Ik zal hun de bitterste en smartelijkste rampen toezenden, want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land, zodat het afvallige Israël nog voor vroom kan gehouden worden bij het verstokte Juda (Jer. 3:11 11).
Jer. 8:14. Dat is een natuurlijk gevolg der superoriteit, welke de akademiën, ministeriën enz. hebben en in hun mate moeten hebben. Wanneer zij op verkeerde wegen gaan, deelt het gehele land mede in hun verderf. Men bemerkt het in het gehele land, welke Theologen aan het roer zitten.
Zo zegt de HEERE der heirscharen tot degenen, die te Jeruzalem zijn en in het ganse land: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren, zodat gij aan hun voorzegging geloof zoudt schenken, en naar hun woorden uw gedrag zoudt regelen (Hoofdst. 27:14 vv.). Zij maken u ijdel, zij vervullen u met een dwaas, nietswaardig vertrouwen op ene gelukkige toekomst (Ezech. 11:2 vv.); zij spreken het gezicht huns harten niet uit des HEEREN mond, als had de Heere hun werkelijk iets geopenbaard en hun een bevel gegeven (Hoofdst. 14:14).
Zij a) zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren door verachting van Mijn waarachtig woord: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken, in ongeloof en volharding wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. Aan de tegenspraak tussen den inhoud van hun woord, en den toestand van hen, tot wie zij zich wenden, is duidelijk te zien, dat zij leugenprofeten zijn.
Jer. 6:14; 8:11. Ezech. 13:10. Zach. 10:2.
Want wie van ons-die profeten met hun aankondigingen van geluk, of ik met mijne bedreigingen in den naam van God-heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord en nu ook de waarheid gezegd? Men kan dit tweeledig opvatten, of als woorden van Jeremia aangaande de valse profeten: Wie hunner is in den raad des Heeren tegenwoordig geweest? Wie heeft Zijn woord verstaan en gehoord? Geen hunner! hun voorgewende Godspraken zijn louter verzinsels! Voor deze opvatting pleit de tekstlezing, welke in plaats van “Zijn woord” heeft: “mijne woorden. ” Of als een gezegde in den mond der valse profeten, die in het slot van het vorig vers reeds sprekend worden ingevoerd; waarmee zij te kennen geven, dat het een louter voorgeven van Jeremia was, dat hij zijne profetieën van Godzelven had ontvangen; het was immers ene ongerijmdheid, dat iemand in den raad van God zou gezeten en daar iets gezien of gehoord hebben! En voor deze opvatting pleit de gemakkelijkheid der verklaring en de gestrenge uitspraak in het onmiddellijk volgende vers. Het is dan opmerkelijk, dat sommige hedendaagse uitleggers der oude profeten dezelfde taal voeren, die Jeremia aan de valse profeten toeschrijft.
Spoedig genoeg zal het openbaar worden. Ziet, een a) onweder, een alles verwoestend oordeel des HEEREN, ene grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk onweder: het zal blijven op der goddelozen hoofd.
Jer. 30:23, 24.
Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen (liever: in latere dagen) zult gij met verstand daarop letten. Bij de uitkomst zal het blijken, wie in des Heeren raad heeft gestaan en wie Zijn woord heeft gehoord (Hoofdst. 30:23).
Maar reeds nu laat de Heere u weten, hoe het is met degenen, die u enkel geluk beloven; wanneer gij slechts Zijn getuigenis wilt aannemen? Ik heb die profeten niet gezonden, zo heeft de Heere uitdrukkelijk tot Mij gesproken, en ik heb het u getrouw overgebracht (Hoofdst. 14:14), nochtans hebben zij gelopen om hun gewaande openbaringen te verbreiden: Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
Maar zo zij in Mijnen raad hadden gestaan, zo als zij voorgeven (vs. 18), zo zouden zij Mijn volk Mijne woorden, die Ik werkelijk gesproken heb, hebben doen horen, en zouden hen, omdat een goede boom slechts goede vruchten kan voortbrengen, en een waar Profeet alleen heilzaam op het volk kan werken (Matth. 7:15 vv.), afgekeerd hebben van hunnen bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen. Nu zij echter de boosaardigen sterken, opdat niemand zich bekere van zijne boosheid (vs. 14), is het duidelijk, dat zij met leugen omgaan. Zij zouden getracht hebben de menigte af te trekken en terug te roepen van hun boos gedrag, gelijk Mijne andere getrouwe boden en Profeten doen (Hoofdst. 25:3-5), en (vs. 17 Zo versta men de plaats liever dan ze met anderen, de Vulgata volgende te verklaren, dat, indien de valse Profeten den volke Gods woord getrouw hadden voorgedragen, het dan zou zijn bekeerd geworden; want dit is niet altijd het lot van getrouwe knechten en Gods ware Profeten (Jes. 49:4; 53:1), ja is dat niet geweest van den Heiland zelven, toen Hij op aarde was (Matth. 11:20. Joh. 12:36, 38).
Zouden die Profeten misschien denken, dat Ik niet hoorde en zag wat zij doen? Ben Ik aan God van nabij, zodat Ik alleen zou weten wat er in den hemel geschiedt, spreekt de HEERE, en niet een God van verre, zodat Ik onkundig zou wezen van hetgeen op aarde voorvalt?
Hier verwijt Hij aan de hypocrieten hun aanmatiging, dewijl zij zo gevoelloos waren in hun ondeugden, dat zij meenden, dat zij op allerlei manier God de ogen konden verblinden. Niet dat zij aldus hebben gesproken. Maar nooit zou de slaperigheid bij de mensen zo groot zijn, indien zij er van overtuigd waren, dat voor God niets verborgen is, maar dat Hij doordringt tot de verborgenste overleggingen van het hart, onderscheidt tussen de overleggingen en aandoeningen en van de verborgene drijfveren niet onkundig is. Indien dit derhalve bij allen vast stond zouden zij met te groter eerbied aan God zich onderwerpen en vervolgens vreze koesteren voor Zijne bedreigingen. Hiermede wil de Heere God zich doen kennen als degene, die niet alleen weet wat nabij, maar ook wat van verre is. De leugenprofeten deden het voorkomen alsof de Heere God hen niet zag, hen niet hoorde, van hen daarom geen kennis nam. En hiertegen komt de Heere God op. Daarom zegt Hij ook in het volgende vers: Ik heb wel gehoord enz.
Zou zich, o dwaze mens! iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat ik hem niet zou zien (Hoofdst. 16:17. Ps. 139:7 vv. Amos 9:2 vv.)? spreekt de HEERE. Vervul Ik niet den hemel en de aarde? (1 Kon. 8:27. Jes. 66:1) spreekt de HEERE.
Ik heb het wel gehoord, wat de Profeten zeggen, alsof Ik ze tot Mijne predikers had geroepen (Hoofdst. 1 5:19), die in Mijnen naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, Ik heb gedroomd 1), en in dien droom ene openbaring gehad.
Onder de vormen der Goddelijke openbaring, die in Num. 12:6 vv. genoemd worden, neemt de droom de minste plaats in, want daarin kunnen het gemakkelijkst de bedrieglijke voorstellingen van het eigen hart den schijn van Goddelijke openbaring aannemen. Bovendien onttrekt zich de droom het meest aan de controle van anderen; niets is daarom gemakkelijker, dan te zeggen: “ik heb dit of dat gedroomd. ” Met het oog daarop wordt dan ook reeds in Deut. 13:1 vv. een dromer voorgesteld als ongeveer hetzelfde als een valse Profeet. In het geval, dat voor ons ligt, moet nu de voorgewende openbaring reeds zeer verdacht maken, dat zij slechts wisten te zeggen: “ik heb gedroomd. ” Vooral in lateren tijd gingen, zo als het schijnt, de dromen hand in hand met de waarzeggerij (Zach. 10:2). Geen van de Profeten, van welke wij geschriften bezitten, beroept zich daarom later op dezen vorm van goddelijke mededeling. Eerst in Matth. 1:20; 2:13 en 19; 27:19 wordt hij weer gevonden; het laatste geval behoort echter slechts gedeeltelijk hiertoe. Zij dachten dat God zo veel te doen had met de andere wereld, dat Hij geen gelegenheid had om kennis te nemen van deze, of zich te bemoeien met hetgeen daar gebeurt. Maar God wil hen doen weten, dat Hij al hun bedriegerijen, al de schande weet die zij op de wereld gebracht hebben, onder den schijn van goddelijke openbaring. Wat zij het volk wilden inboezemen, geven zij voor in een droom van God ontvangen te hebben, daar ondertussen hun nooit zo iets gebeurde. Dit kan het volk niet ontdekken, want als een mens mij verhaalt hij heeft zo en zo gedroomd, kan ik hem niet tegenspreken, en hij weet dat ik dat niet kan doen. Maar God ontdekt het bedrog.
Hoe lang zal dit duren? Hoelang zullen zij met die bedriegerijen voortgaan in Mijnen naam? Is er dan een droom in het hart der Profeten, die de leugen profeteren? Neen, Ik gaf ze nimmer zulk een droom in het hart. Ja, het zijn Profeten van huns harten bedriegerij. 1)
De zin is deze. De Heere vraagt hoe lang nog? Hoe lang zullen deze leugenprofeten nog de leugen profeteren, in den naam des Heeren? Hun bedoeIing was, om den naam des Heeren in vergetelheid te brengen, in den zin, dat het volk de wonderdaden Gods zouden vergeten, zouden vergeten dat het de Heere was, die hen geleid had en tot een zelfstandig volk had gemaakt.
Die daar denken, het doel hebben, om Mijn volk Mijnen naam te doen {a} vergeten door hun dromen, die zij, een ieder zijnen naaste, vertellen. Niet de ene Profeet verhaalt het den anderen, maar de Profeet aan een zijner naasten, die het dan weer aan anderen verkondigt. Zij zoeken dat, gelijk als hun vaders, die Mijnen naam vergeten hebben door Baäl, dien zij willen dienen, alsof zij op hem verzot waren. {a} Richt. 3:7; 8:33, 34.
De Profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom, wanneer hij daarop verzot is, maar geve dien niet voor enen goddelijke openbaring uit; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk. Wat heeft het stro met het koren te doen? Dromen zijn toch inderdaad slechts stro, Mijn woord, dat de goede tarwe is, mag daarmee niet vermengd worden, spreekt de HEERE. Hij late mijnen naam met vrede en zegge niet, dat het Mijne woorden zijn wat hij gedroomd heeft, maar dat het zijn woord is en zijnen naam draagt. Luther zegt: “Wie zijn mond niet kan houden, die storte zijn hart uit, maar hij zegge het open en eerlijk, dat het zijne dromen zijn, die hij predikt. ” De valse Profeten weten wel, dat enkel leugens niets dan stro is; zij mengen er daarom altijd iets van het ware woord van God onder; zo is er tarwe onder het stro. Ene heilloze vermenging! In dit vermengen bestaat de grootste kunst van den satan, waardoor hij tevens zijn werk alleen bevordert en tegen zich zelven getuigt. De Profeet maakt een juist en nauwkeurig onderscheid tussen droom en woord, tussen verhalen en spreken; den droom behandele men als een droom, en men verhale dien; het woord spreke men getrouw en beslist.
Is Mijn woord niet alzo als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die ene steenrots te morzel slaat? 1) (Hebr. 4:12).
Hij bevestigt hier wat Hij gezegd heeft over het stro en het hooi, maar met andere woorden. Die vergelijking was geschikt, waar Jeremia het woord Gods vergelijkt met het koren en de verdichtselen van den mens met stro. Maar dewijl de Joden om hun ondankbaarheid bewerkt hadden dat zij geen vrucht uit het woord Gods hadden ontvangen, n. l. dat het hun tot geestelijk voedsel was geworden, daarom zegt de Profeet dat het zou zijn als vuur en als een hamer, alsof hij wil zeggen, dat de Joden zich beroofd hadden van den smaak er in, dewijl zij in hun boosheid waren verstompt geworden, maar dat zij het woord Gods echter niet konden uitroeien, noch veel minder de indrukken er van konden wegnemen, dewijl zoals Paulus zegt (2 Kor. 2:16) indien het niet een reuk des levens ten leven, het ten minste is een reuk des doods ten dode voor hen, die verloren gaan. Men kan mijn woord gemakkelijk onderscheiden van de menselijke mening; want mijn woord heeft ene bijzondere kracht en werking. Het ontvlamt het hart tot geestelijk leven, tot liefde jegens God en den naaste, zodat de mens brandend wordt in den geest; het reinigt en loutert steeds meer de harten der goddelozen, en verslaat als een hamer de harten en gewetens der goddelozen, daar zij er krachtig onder bewogen, overtuigd en overwonnen worden. Gods woord bekeert, elke andere leer verdwaast. Daar is een zeer groot verschil tussen de verdichtselen der mensen en het zuivere woord van God, als tussen het kaf en het koren. Zo volgt er in vs 29 : Is Mijn woord niet anders als een vuur, spreekt de Heere? Is hun woord zo? Heeft het die kracht en uitwerking die het woord Gods heeft? Neen niets dat daaraan gelijkt. Daar is geen meer gelijkenis in, dan in een geschilderd vuur en in een waar vuur. Dit is een dwaallicht, dat de mens van den weg af op bijpaden leidt, en in gevaarlijke diepten. Het vuur heeft tweeërlei uitwerking. Het reinigt en zuivert of het verteert. De hamer vermorzelt, indien het hart niet smelten wil door het vuur van Gods woord. Wie hier niet buigen wil zal moeten bukken voor den hogen God. Men moge zich tegen het woord Gods verzetten: God en Zijn woord zullen toch ten slotte het laatste woord hebben.
Daarom ziet, a) Ik wil aan de Profeten, Ik zal tot hen komen met Mijn gericht (Jes. 5:8), spreekt de HEERE, die Mijne woorden stelen, een ieder van zijnen naaste. Uit oude Godspraken nemen zij woorden en spreekwijzen over, om zo aan hun woorden den schijn te geven, of zij ze van Mij hadden ontvangen en de een leert dat van den ander.
Deut. 18:20. Jer. 14:14, 15.
Op drieërlei zonden wordt hier gewezen. Vooreerst dat zij, de valse Profeten, wijl zij niet geïnspireerd waren door den H. Geest, van anderen stalen wat zij spraken, om daarmee aan hun redenen nog een goddelijk karakter te geven. Ten tweeden dat zij hun tongen gebruikten om wat zij spraken voor echte woorden Gods uit te geven. Ten derden dat zij voorgaven openbaringen door dromen te hebben ontvangen, terwijl het toch dromen der leugens waren.
Ziet, Ik wil aan de Profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, hun eigen woord voortbrengen, en om hun eigene mening tot een woord van God te bestempelen, spreken: Hij, de Heere, heeft het gesproken.
Ziet, Ik wil aan degenen, die valse, gelogene dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun a) lichtvaardigheid (Exod. 21:22); daar Ik hen niet gezonden en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, maar het slechts te meer in slaap wiegen en in zijne boosheid sterken, spreekt de HEERE.
Zef. 3:4. Drie zonden van leraars en Profeten worden in vs. 30 en 31 vermeld. 1. Eigen liefde, die met vreemde veren wil pronken, waar de een den ander Gods woord ontsteelt en zich ten nutte maakt wat den ander gegeven is, om er mede te schitteren. 2. Ontrouw, die Gods woord veracht, en naar willekeur er eigene menschenwoorden voor in plaats stelt. 3. Geestdrijverij of dweperij, die met dromen en visioenen de verbeelding bevredigen en bewondering wekken wil, in stede van met Gods waarheid de gewetens gezond te houden. Niemand kan Gods zegen over zijn ambt verwachten, die niet door Hem tot den heiligen dienst geroepen en gezonden is. Niemand stote zich daaraan, wanneer valse leraars nog niet van wege hun valse leer door God gestraft worden; zij zullen niet ongestraft blijven, maar op hunnen tijd ontvangen, wat hun daden verdienden.
Wanneer dan dit volk of een profeet of priester in het vervolg u, Jeremia, weer op spottende wijze vragen zal, zegende: Wat is des HEEREN last, dien gij ons te brengen hebt? zo zult gij tot hen zeggen: Wat is de last? dat Ik 1) ulieden verlaten zal als een last, dien Ik niet langer kan dragen (Hoofdst. 7:29 12:7. (Jes. 1:14), spreekt de HEERE.
Uit deze plaats, blijkt duidelijk genoeg, dat er zeer grote weerspannigheid bij de Joden is geweest, zodat zij zich van alle zij den stof tot zorgeloosheid vermeerderden, alsof zij ongestraft God konden verachten, waar zij Zijn woord verwierpen. Want ook door dat kunstmiddel bedriegt de duivel de goddelozen, waar hij of het woord Gods hen hatelijk maakt of verachtelijk. En wanneer hij hun gemoederen kan verbitteren om de woorden Gods niet aan te horen zonder haat en bitterheid, heeft hij verkregen wat hij wilde. Het schijnt ene gewoonte geweest te zijn, dat men de Profeten, als zij zich vertoonden, vroeg, of hun ook ene nieuwe openbaring was ten deel geworden. Daarbij gebruikte men voor “openbaring” waarschijnlijk het woord massa, dat volgens de opmerking bij Jes. 13:1 in 1 ‘t algemeen ene Godsspraak betekent (Klaagl. 2:14). Daar echter het woord ook “last” betekent, en het voornamelijk Jeremia’s roeping was, om dreigende gerichts-uitspraken van God tegenover de valse Profeten te verkondigen, zo wendde men bij hem hetzelfde slechts in dezen laatsten zin aan, om daardoor te kennen te geven, dat elke nieuwe voorzegging in zijnen mond niets, dan een nieuwe last was, dien hij over het volk bracht, dat er alleen iets lastigs en nooit iets verblijdens van dien God kwam, in wiens dienst hij zich had gesteld, en men vroeg spottend: Nu, Jeremia wat massa hebt gij weer te brengen? Voor zulk ene misdadige bespotting van het woord Gods, die dat zoekt af te slaan, wordt nu de weg daardoor afgesneden, dat op het verder gebruik van het misbruikte woord een plechtig verbod wordt gelegd. Als het woord van God den mensen onverdraaglijk voor den Heere, onzen God; zij zijn den niets anders den een nutteloze last, dien het land niet meer kan dragen, daarom moeten zij worden uitgeroeid.
En aangaande den profeet of den priester of het volk, datten opzichte van ene door u hun medegedeelde (Godsspraak zeggen zal: Des HEEREN last, dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis, behalve het algemene oordeel nog in ‘t bijzonder over dien.
Aldus zult gijlieden zeggen, opdat het zo schandelijk misbruikte woord geheel vermeden worde, Een iegelijk tot zijnen naaste en een iegelijk tot zijnen broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
Maar des HEEREN last zult gij bij de Godspraken, die tot u komen, niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn 1), dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God, die in een geheel verkeerd gezichtspunt stelt.
Uwe spotternij zal u lastig genoeg worden en rampzalige gevolgen hebben.
Aldus zult gij zeggen tot den profeet, dien gij door die uitdrukking wildet honen en ergeren, gelijk reeds in vs. 35 omtrent alle profeten is opgemerkt: Wat heeft u de HEERE geantwoord? en wat heeft de HEERE gesproken?
Maar dewijl (liever: wanneer) gij ondanks Mijn verbod zegt: Des HEEREN last, daarom zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last.
Daarom ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten (liever: opnemen, gelijk men een last opheft, dien men wil wegwerpen), en u mitsgaders de stad, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten (Hoofdst. 29:11). Helaas zelfs het Evangelie is voor velen een last, het aandringen op veranderen van hart en leven ten minste, en toch moest het ons een zacht juk zijn (Matth. 11:30). Welk het gevolg van zulk ene gezindheid is blijkt uit vs. 30 v. en 38Ä40. De woorden van God, hoewel dus verkeerd, zullen vervuld worden. Indien zij vroegen: wat is de last des Heeren, laat de Profeet hen vragen wat voor last zij menen. Het is die: Ik zal u laten varen en geen gedachten hebben, om tot u weer te keren. Zodanige zijn inderdaad ellendig, die van God vergeten en verlaten zijn, en het spotten van de mensen met Gods oordelen zal dezelve niet stuiten. Gods woord zal verhoogd worden en geëerbiedigd, wanneer zij, die hetzelve bespotten, veracht en versmaad zullen zijn.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Jeremia 23
Jeremia 23:1.KruisverwijzingenJeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→Jeremia 2:8→Jeremia 22:22→Jeremia 12:10→
— Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.
Wat een verschrikkelijk wee is dit over alle valse herders! Zij geven voor van God gezonden te zijn om het volk te onderwijzen, maar zij zijn in het geheel niet van God gezonden. Hun arbeid heeft alleen maar tot gevolg dat de schapen verstrooid en verdorven worden, in plaats van tot Christus vergaderd te worden tot hun zaligheid.
Jeremia 23:2-4.KruisverwijzingenJeremia 32:37→Jeremia 29:14→Jesaja 43:5→Jeremia 31:8→Jeremia 21:12→Micha 7:4→Exodus 32:34→Sefanja 3:19→
— Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.
Als de onderherders de kudde niet weiden, dan zal God het Zelf doen. Zijn eigen verloste kudde zal niet door wolven verscheurd worden en niet omkomen in de landen waarheen zij verdreven is. Hij die de Schrift “den grote Herder der schapen” noemt, zal doen wat anderen nalaten.
Maar dat neemt hun verantwoordelijkheid niet weg. Het moet wel de plechtigste verantwoordelijkheid zijn die op een sterfelijk mens rusten kan: voorgeven een herder van zielen te zijn en toch niet van God gezonden te wezen.
Jeremia 23:5.KruisverwijzingenJesaja 4:2→Jesaja 52:13→Jesaja 9:7→Jesaja 53:2→Lukas 1:32→Zacharia 3:8→Jesaja 11:1→Zacharia 6:12→
— Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
Wij zien uit naar die heerlijke Koning. Och, of Hij spoedig kwam! Hij is de grote Vorst die alle andere heerschappijen in Zich opnemen zal, want “Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid”.
Jeremia 23:6.Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:30→Romeinen 3:22→Mattheüs 1:21→Jeremia 33:16→2 Korinthe 5:21→Filippenzen 3:9→Daniël 9:24→Jeremia 30:10→
— In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.
Wat een heerlijke naam voor onze Koning, die ons van God tot gerechtigheid geworden is! Wij mogen ons wel verblijden bij de gedachte dat heel de volmaakte gerechtigheid van onze grote Koning en Heere ons toebehoren zal, want dit zal Zijn eigen naam zijn: “De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.”
Jeremia 23:7-8.KruisverwijzingenJeremia 16:14→Jesaja 43:5→Amos 9:14→Jeremia 23:3→Jesaja 43:18→Ezechiël 34:13→Jeremia 31:31→Ezechiël 39:28→
— Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd. Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.
Er komen voor Israël betere tijden dan Israël ooit gekend heeft. De heerlijkheden van Egypte en van de Rode Zee moeten nog overtroffen worden. En ook voor de kerk van God zijn er betere tijden weggelegd dan zij tot nu toe gezien heeft.
Jeremia 23:9.KruisverwijzingenHabakuk 3:16→Jesaja 51:21→Jeremia 25:15→Ezechiël 9:6→Klaagliederen 3:15→Ezechiël 9:4→Jesaja 28:1→Jeremia 5:31→
— Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.
In Jeremia’s dagen was er een groep mensen die voorgaven profeten te zijn, maar die de knecht van de HEERE op elk punt tegenspraken.
Jeremia had het Woord van de HEERE werkelijk ontvangen, en dat leek hem te overweldigen. Omdat dat Woord vol verschrikking was, voelde hij zich als iemand die door de wijn bevangen is.
Jeremia 23:10-11.KruisverwijzingenPsalmen 107:34→Jeremia 9:10→Jeremia 9:2→Hosea 4:2→Jeremia 6:13→Sefanja 3:4→Jeremia 5:7→Maleachi 3:5→
— Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht. Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.
Het is een ontzettende zaak wanneer de goddeloosheid zelfs in het huis van God overvloedig is. En het valt te vrezen dat de kerk van deze tijd op veel plaatsen in deze zaak niet vrijuit gaat.
Jeremia 23:12.KruisverwijzingenJeremia 13:16→Psalmen 35:6→Jeremia 11:23→Spreuken 4:19→Johannes 12:35→Psalmen 73:18→Jesaja 8:22→Judas 1:13→
— Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.
Wat een verschrikkelijke beschrijving van het lot van de onheilige profeten en priesters! Gladde plaatsen zijn al erg genoeg bij daglicht, maar hier staat: “Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid.”
Jeremia 23:13-14.KruisverwijzingenJeremia 2:8→Jesaja 1:9→Jeremia 29:23→Jesaja 9:16→Jeremia 23:32→Ezechiël 22:25→Jeremia 14:14→Genesis 18:20→
— Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden. Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.
Het was al erg genoeg dat Samaria afdwaalde. Daar woonde een gemengd volk, dus het is geen wonder dat hun profeten dwaas waren. Maar och, dat er in Jeruzalem, de stad van de grote Koning, valse profeten waren — dat was het ergste van alles.
Jeremia 23:15.KruisverwijzingenJeremia 9:15→Jeremia 8:14→Psalmen 69:21→Openbaring 8:11→Klaagliederen 3:5→Mattheüs 27:34→Klaagliederen 3:19→Klaagliederen 3:15→
— Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.
Wanneer de predikers slecht zijn, wie verwondert zich er dan over dat het volk nog slechter is? Als de profeten afdwalen, hoe zullen zij die hen volgen dan de rechte weg vinden?
Jeremia 23:16.KruisverwijzingenJeremia 14:14→Mattheüs 7:15→Jeremia 27:9→Ezechiël 13:3→2 Korinthe 11:13→Jeremia 23:21→Jeremia 27:14→Ezechiël 13:6→
— Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.
Dit is één kenmerk van een valse profeet: hij geeft u het gevoel dat u een prachtkerel bent, dat er iets goeds in u is. “Zij maken u ijdel.”
En hier is een tweede kenmerk. Zo iemand is een groot denker; hij heeft zijn godgeleerdheid zelf uitgedacht, zelf bedacht en zelf uitgevonden. “Zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.”
Jeremia 23:17.KruisverwijzingenMicha 3:11→Jeremia 13:10→Jeremia 8:11→Amos 9:10→Jeremia 9:14→Zacharia 10:2→Ezechiël 13:22→Jeremia 3:17→
— Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.
En dit is nog een derde kenmerk van de valse profeet. Hij probeert de gevolgen van de zonde altijd glad te strijken. “In de toekomende staat”, zegt hij, “mag de zonde wat tijdelijk ongemak veroorzaken, maar alles komt vroeg of laat wel goed.” Zo iemand is door de duivel gezonden; hij is geen dienaar van de levende God.
Aan deze drie toetsen kunt u herkennen wie de valse profeten zijn. Zij maken u ijdel; zij spreken uit hun eigen hart en niet uit de mond van God; en zij maken het u gemakkelijk te zondigen door de grootheid van de straf erop te ontkennen.
Jeremia 23:18-19.KruisverwijzingenJeremia 25:32→Jeremia 30:23→Jeremia 23:22→1 Korinthe 2:16→Amos 1:14→Psalmen 25:14→2 Kronieken 18:23→Job 15:8→
— Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord? Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.
Dit is Gods Woord. Hij profeteert de goddeloze geen gladde dingen en belooft hem geen geringe gevolgen van de zonde, maar een onweder — en een aanhoudend onweder.
Jeremia 23:20-22.KruisverwijzingenJeremia 30:24→Jeremia 14:14→Jeremia 27:15→Zacharia 1:4→Jeremia 25:5→Jeremia 23:18→Genesis 49:1→Zacharia 1:6→
— Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten. Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.
Valse profeten zijn onmachtig en ijdel; uit al hun onderwijs komt niets goeds voort. Maar och, als zij het Woord van de HEERE gekend hadden, als zij werkelijk van God gezonden waren geweest — wat een verschil zou dat gemaakt hebben! God geve dat niemand van ons voorgeeft anderen te onderwijzen wat hij zelf nooit geleerd heeft, of voor God te spreken terwijl God nooit tot hem gesproken heeft.
Jeremia 23:23-26.KruisverwijzingenSpreuken 15:3→Psalmen 139:1→Psalmen 90:8→Psalmen 139:7→Jesaja 29:15→1 Koningen 8:27→Jeremia 29:8→Joël 2:28→
— Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre? Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE. Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.
Zij geven voor profeten van hun eigen hart te zijn; maar zij zijn profeten van het bedrog van hun eigen hart. Want wat uit het hart van de mens voortkomt is als dat hart zelf, en het hart van de mens is “arglistig…, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het”.
Jeremia 23:27-28.KruisverwijzingenRichteren 3:7→Richteren 8:33→1 Korinthe 3:12→Jeremia 29:8→2 Koningen 21:3→Handelingen 13:8→Deuteronomium 13:1→2 Timotheüs 3:6→
— Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal. De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.
Laat hij zijn droom dan vertellen als een dróom, want meer is het niet. Heeft hij hem gedroomd, laat hij dan zeggen: dit is een droom die ik gedroomd heb, maar het is niet meer dan een droom. En wie het Woord van de HEERE heeft, laat die het spreken als het Woord van de HEERE.
De gedachten van de mens en de bedenksels van de mens zijn op hun allerbest niet meer dan stro; alleen het Woord van de HEERE is het echte koren. “Wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.”
Jeremia 23:29-30.KruisverwijzingenDeuteronomium 18:20→Jeremia 5:14→Ezechiël 13:8→Hebreeën 4:12→Jeremia 20:9→2 Korinthe 10:4→Jeremia 14:14→Psalmen 34:16→
— Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;
Geleende predikaties, bladzijden uit de ervaring van anderen, brokstukken getrokken uit oude of nieuwe godgeleerden. Niets van henzelf, niets dat God ooit tot hen gezegd heeft, niets dat ooit hun hart doortrild of hun ziel bewogen heeft. God zal zulk onderwijs niet voor het Zijne erkennen.
Jeremia 23:31.KruisverwijzingenJeremia 23:17→2 Kronieken 18:19→2 Kronieken 18:10→Jesaja 30:10→2 Kronieken 18:5→Micha 2:11→
— Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;
Zij hebben geen hart; zij gebruiken enkel hun tong. Zij zeggen: “Hij spreekt het”, alsof God hun iets gezegd heeft dat Hij nooit gezegd heeft.
Jeremia 23:32.KruisverwijzingenJeremia 7:8→Klaagliederen 2:14→Sefanja 3:4→Deuteronomium 13:1→Openbaring 19:20→Jeremia 29:31→Deuteronomium 18:20→Zacharia 13:2→
— Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.
Zie hoe zwaar God met de valse profeten van Jeremia’s tijd handelt. En met dezelfde strengheid zal Hij handelen met ieder die iets anders predikt of leert dan het evangelie van Zijn gezegende Zoon: de zuivere openbaring die in dit Boek geschreven staat. God geve dat niemand van ons door hen bedrogen wordt, om Zijns lieven Zoons wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-40.KruisverwijzingenJeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Jesaja 4:2→Jesaja 52:13→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→1 Korinthe 1:30→
— Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE. Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE. Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd. Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid. Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.
Het oordeel, uitgesproken over de drie eerstvolgende opvolgers van Josia in ‘t bijzonder, wordt nog eens in een algemeen weegeroep over de herders zamengevat, die de hun toevertrouwde kudde verwaarloosd, verdorven en verstrooid hebben. De verdiende straf zal hen daarvoor treffen, doch daarna zal de Heere het overschot der verstrooide kudden weer verzamelen en op de weide terugvoeren, waar het onder goede herders veilig en zonder vrees weiden, op nieuw voorspoedig zijn en zich uitbreiden zal. Een rechtvaardige spruit van David zal met wijsheid en gerechtigheid als Koning over Juda en Israël regeren. “De Heer, onze gerechtigheid zal Zijn naam zijn. ” Dan zal ene verlossing komen uit het land van het noorden, welke de vroegere verlossing uit Egypte verre overtreft en doet vergeten (vs. 1-8 Daar echter de valse Profeten ook tot de leidslieden van het volk behoren, die het verleiden en verderven, zo is aan de bestraffende rede tegen die herders dadelijk ene tegen deze Profeten verbonden. Vooreerst worden zij in hun pogen geschilderd als verleiders des volks (vs. 9-15): vervolgens wordt het volk voor hun bedrog gewaarschuwd (vs. 16-24) Daarop wordt hun snood misbruik van den naam des Heeren voorgesteld (vs. 25-32), en ten laatste het volk bestraft, omdat het de ware voorzeggingen Gods spottend en boosaardig een last des Heeren noemt (vs. 33-40).
Wee den herderen, den overheden (Hoofdstuk 2:8; 3:15; 10:21 die de schapen Mijner weide, de kudde die Mijn eigendom is, en aan welke Ik een land gegeven heb, waar zij verzorgd zijn (Hoofdst. 13:17. Ps. 74:1; 100:3), ombrengen en verstrooien, door hun gewelddadigheden en verdrukkingen te gronde richten (Hoofdst. 22:13 vv.), en door het geestelijk verderf, dat van hen uitgaat, maken, dat zij uit het land worden verbannen (Hoofdst. 15:4), spreekt de HEERE (vgl. Ezech. 34).
Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, dit algemene (vs. 1) op de laatste koningen van Israël in ‘t bijzonder toepassende, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden, van Joahaz, Jojakim en Jojachin: Gijlieden hebt door uwe goddeloze, zelfzuchtige regering Mijne schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, zo ver gebracht, dat zij moeten verstoten en verdreven worden, en gij hebt ze niet bezocht, er geen acht op geslagen, zo als uwe roeping meebracht (Ezech. 34:2 vv.). Ziet, Ik zal over u bezoeken(Jes. 26:1) de boosheid uwer handelingen, waarin gij integendeel allerlei ongerechtigheid hebt gepleegd (Hoofdst. 21:12), spreekt de HEERE. 1)
Hier geeft God de oorzaken aan, waarom Hij zo zeer verontwaardigd is over deze verwoesters, dewijl waar zij tyrannie oefenden over het volk, niet slechts des mensen leed hebben aangedaan, maar God zelven, die in Zijn trouw het uitgeredde volk had aangenomen. Wel is het waar dat zij allen die verwoesting zich waardig hadden gemaakt. Want wij hebben uit vele plaatsen gezien, dat het volk niet kon verontschuldigd worden, waar het bedrogen werd door slechte en goddeloze leidslieden, dewijl op deze wijze allen een rechtvaardig loon werd vergolden, daarom, omdat van den minste tot den grootste allen zich den toorn Gods op den hals hadden gehaald. Maar daarmee was de goddeloosheid der slechte leiders niet te verontschuldigen, dewijl zij hadden moeten berekenen, waartoe hun die last was opgelegd, vervolgens door Wien zij waren aangesteld.
En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen, wat van de straf der verstoting en verbanning overblijft (Jes 6:13; 10:22) redden en zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb. En Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien (Jes. 13:20), d. i. tot de steden en vlekken van het heilige land, en zij zullen vruchtbaar zijn en door grote vruchtbaarheid, die Ik ze zal geven, vermenigvuldigen.
En Ik zal a) herderen over hen verwekken, die in getrouwe en nauwgezette waarneming van hun ambt ze weiden zullen in den waren zin des woords (Hoofdst. 3:15), en zij zullennu recht geregeerd en goed geleid in Mijne genade blijven, en Mijn verbond bewaren; zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden voor herhaling van de gerichten Mijns toorns, noch gemist, uit hun land verbannen worden, spreekt de HEERE.
Ezech. 34:11, 12. Deze belofte is wel aanvankelijk vervuld ten tijde der bevrijding uit de ballingschap en de wederoprichting van het Joodse rijk, toen zij in Zerubbabel, Jozua, Nehemia, Ezra, ook in de Profeten Haggaï, Zacharia, Maleachi, en dergelijken hun goede herders of bestuurders en leraars hadden. Men ken echter niet zeggen, dat zij daardoor geheel is vervuld, want het Joodse volk is na dien tijd geenszins buiten alle vrees en verschrikking, buiten alle vijandige bezoeking en verontrusting gebleven, gelijk hier wordt beloofd. Wat zij, in de volgende tijden tot op Christus deels van de Egyptische, deels van de Syrische koningen, in ‘t bijzonder van Antiochus Epifanes en ook van de Romeinen hebben geleden, is bekend. Voegt men nu ook hierbij de eerste tijden van het Nieuwe Testament, zo kwam in plaats van de hier beloofde vergadering bij verreweg de meesten de verstrooiing met de inwendige verstokking, in welken toestand hun nakomelingen zich nog heden bevinden. Deze voorspelling behoort dus ten opzichte van hare volledige vervulling tot de laatste en nu nog toekomstige tijden.
Ziet, dit is het voornamelijk, waarop de in vs. 4 uitgesprokene voorzegging uitloopt a) de dagen komen spreekt de HEERE, dat Ik aan David in den aan hem beloofden Zoon (2 (Sam. 7:12 vv.) ene rechtvaardige spruit (Jes. 11:1; 53:2. Zach. 3:8; 6:12) zal verwekken; die zal, koning zijnde, regeren en voorspoedig zijn (Jes. 52:13), en recht en gerechtigheid doen op de aarde(Jes. 32:1. Ezech. 34:23).
Jes. 4:2; 40:11. Jer. 33:14, 15. Dan. 9:24. Luk. 1:32, 33. Het: “Ziet, de dagen komen” betekent volgens het gewone spraakgebruik van Jeremia niet een vervolg in den tijd met betrekking tot het voorgaande, maar het vestigt ook de aandacht op de grootte van hetgeen verkondigd wordt. Tevens wordt gewezen op de tegenstelling der hoop tegenover het zichtbare, dat in het geheel gene aanleiding tot haar geeft. Moge het tegenwoordige nog zo droevig zijn, zo komt toch de tijd. De Heere wil niet, dat de schapen, die door de schuld hunner herders moesten verjaagd worden naar een vreemd land, altijd de straf daarvoor zouden dragen. De overgeblevenen moeten terugkeren op hun weiden en op nieuw vermenigvuldigen. Hij zal hun nieuwe herders geven, onder wier leiding zij veilig zullen zijn van vrees en siddering en herhaling der vlucht. De blik des zieners door den Geest vervrolijkt, vestigt zich op de zich verheffende gedaante van Hem, die gezegd heeft: “Ik ben de goede Herder. ” Hij ziet den gezalfde des Heeren uit Davids stam, die komt, die recht en gerechtigheid uitoefent op aarde en zegen geeft. Hier wordt van Christus gesproken als van een Spruit. Zijn voortkomen, Zijn begin zal gering zijn, als van een lot of spruit, en zijn opkomen als uit de aarde, maar voortgroeiende groent, groot wordt en met vrucht beladen is. Christus is de wortel en het geslacht Davids. Hij is een spruit van Gods planting. Hij verwekt hem. Hij heiligde hem en zond hem in de wereld, gaf hem zijn last en hoedanigheid. Hij is een rechtvaardige spruit, want Hij is zelf rechtvaardig en door Hem worden velen, ja allen die de Zijnen zijn, rechtvaardig gemaakt; een Voorspraak is hij, Jezus Christus, de rechtvaardige.
In zijne dagen zal Juda verlost worden, zodat het tot waarachtigen en voortdurenden voorspoed komt, en Israël zal, gelijk de voorzegging in Deut. 33:28 belooft, zeker wonen. En dit zal Zijn naam zijn, de naam van dezen Koning, den rechtvaardigen Spruit van David, de naad, waarmee men Hem zal noemen: DE HEERE (Jes 45:17), ONZE GERECHTIGHEID (1 Kor. 1:30, vgl. Hoofdst. 30:21 vv.)
Hij kondigt Hem derhalve aan als den waren God en echter als den Zoon Davids. Vervolgens beveelt Hij om van Hem de gerechtigheid te verwachten en al wat tot het volmaakte en volle geluk dienen kan. Het is een symbolische bijnaam, die zich daardoor van enen gewonen naam onderscheidt, dat hij niet tot werkelijk gebruik dient, maar tot objectieve karakterisering, tot een ideaal opschrift. Daarom wordt aan dezen naam ook een object toegevoegd, dat reeds zijnen naam heeft. Op gelijke wijze geeft David aan zijn zoon den naam Jedidja (2 Sam. 12:25). dien hij in werkelijkheid nooit heeft gedragen. De bijzondere veel betekenende naam moet zeker op den hoofdpersoon van het vers, op den Messias zien in wiens dagen Juda gered zou worden en Israël zeker zou wonen, maar niet op Israël, zo als velen willen. Door den beloofden Koning wordt vervuld wat in Deut. 6:25 gezegd is. Op die plaats lezen wij: “het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden voor het aangezicht des Heeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. ” maar wie heeft de wet volkomen onder het Oude Verbond vervuld? De vrome David? de wijze Salomo? of wie? Daarom komt hier de Messias voor in de gehele noodzakelijkheid Zijner verschijning, in het volle licht Zijner betekenis. Hij, de enig Rechtvaardige, maakt velen rechtvaardig, die in Hem geloven (Jes. 53:11). In Zich het heilige, goddelijke leven werkelijk openbarende, verschaft Hij aan degenen, die in Hem geloven, Gods gerechtigheid, ja wordt zelf tot deze. Hebr. : “Jehova Tzidkenoe, ” woordelijk vertaald: “de Heere (Jehova), onze Gerechtigheid. ” Daarmee komt de verklaring (Jer. 33:16) zeer overeen: “In dien tijd zal Juda geholpen worden en Jeruzalem veilig wonen, en men zal haar noemen: de HEERE onze gerechtigheid (Jehova-Tzidkenoe). ” Hier is het ontwijfelbaar, dat de naam Jehova niet aan Jeruzalem kan zijn toegezegd, maar alleen de gehele spreuk: Jehova (is) onze gerechtigheid. De stad Gods wordt daardoor aangeduid als zulk ene die voor al hare bewoners gene gerechtigheid bezit en kent dan die uit het geloof in den Heere (Jehova) komt, vermits dßßr alle tongen belijden, gelijk in Jes. 45:24 gezegd wordt: “in den Heere heb ik gerechtigheid en sterkte. ” Dezelfde verklaring zou zich nu ook in deze plaats laten toepassen, wanneer zij van den beloofden Koning luidde: “Jehova mijne gerechtigheid. ” (Hebr. “Jehova Tzidki, ” wat van gelijke betekenis ware met den naam Zedekia). Maar vermits het toevoegende “onze gerechtigheid” niet op den koning, maar op het volk slaat, zo zou de naam voor den beloofden koning zelven zonder betekenis zijn, en hem slechts als zinnebeeld des volks toegevoegd worden, wanneer niet het hoofdwoord “Jehova” van hem gebezigd ware. De zin is dus in deze onze plaats een andere dan in Jer 33:16, omdat de naam op een geheel anderen persoon slaat. Wij verstaan ze zo: “Deze (de beloofde koning) is Jehova, die onze gerechtigheid is. ” Luther heeft dus goed vertaald: dat is zijn naam-“Heere, die onze gerechtigheid is. ” De te wachten Messias wordt hier werkelijk Jehova genoemd, als de tweede persoon, het ander Ik der Godheid. Wanneer op één altaar (Exod. 17:15) geschreven stond: “Jehova, mijne banier” en op een ander (Gen. 33:20): “God Israëls God, ” zo was dit wel een bloot herinneringsteken, en zulk een altaar is niet Jehova of God, maar het is geheel wat anders, dan wanneer de rechtvaardige Spruit, waarop Israël als op zijnen Verlosser wacht, wanneer die Koning die recht en gerechtigheid op aarde sticht, den naam ontvangt “Jehova onze gerechtigheid. ” Dat kan niet anders worden verstaan dan dat Hij is wat Hij heet, dat Hij als Jehova onze gerechtigheid is. Hem dus, dien wij nu Jezus Christus noemen, dien noemt Jeremia op profetische wijze naar Zijn wezenlijk karakter Jehova onze Gerechtigheid; en wel daarom, omdat Hij, als God in het vlees verschenen, de enige bron der gerechtigheid voor Zijn rijk en voor Zijn volk is. Het zal den Christen steeds ene grote kalmte, rust en vrede geven, als hij peinzen mag over de volmaakte gerechtigheid des Heeren Jezus. Hoe menigwerf zijn Gods heiligen ter nedergedrukt en treurig! Ik geloof niet, dat zij dit mogen zijn. Ik geloof niet, dat zij het zouden kunnen, wanneer zij steeds hun volmaaktheid in Christus zagen. Sommigen spreken altijd over het bederf en de arglistigheid des harten en de natuurlijke boosheid der ziel. Dit is alles zeer waar; maar waarom gaat men niet wat verder en herinnert zich, dat wij “volmaakt zijn in Christus Jezus. ” Het is niet te verwonderen, dat zij, die bij hun eigene verdorvenheid altijd blijven stilstaan, zo gedrukt zijn; maar het kan niet anders of er zal vreugde in ons hart komen, zo wij ons herinneren dat Christus onze gerechtigheid is geworden. Al moet ik veel droefheid ondervinden, al valt satan mij aan, al heb ik nog veel door te worstelen, eer ik in den hemel kom, ik sta in het verbond der Goddelijke genade; ik heb alles in mijnen Heer; Christus heeft alles volbracht. Aan het kruis riep Hij uit: “het is volbracht!” en daar alles volbracht is, ben ik volmaakt in Hem, en mag ik mij verheugen met ene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die uit het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof. Aan deze zijde van den hemel zult gij geen heiliger volk vinden dan zij, die in hun hart de leer van Christus’ gerechtigheid ontvangen. Als de gelovige zegt: “mijn leven is Christus alleen, in Hem rust ik voor mijne zaligheid, en ik geloof dat, hoe onwaardig ook, ik in Jezus verlost ben, ” dan rijst deze gedachte uit dankbaarheid in het hart op: “zal ik dan niet voor Christus leven, Hem niet liefhebben en dienen, daar Hij mij door Zijne verdiensten heeft gered?” “De liefde van Christus dringt ons, opdat degenen, die leven niet meer zich zelven zouden leven, maar Dien, die voor hen gestorven is. ” Eerst als wij door de toegerekende gerechtigheid verlost zijn, zullen wij de ons medegedeelde gerechtigheid op prijs stellen. Deze voorspelling is te merkwaardiger, omdat de Profeet aan het einde van het vorige hoofdstuk met ene vernedering van het Davidisch stamhuis had moeten dreigen, die bijna aan vernietiging grensde. Maar ook afgezien van haar historisch verband, mag zij ene der ondubbelzinnigste aankondigingen van den aanstaanden Messias genoemd worden. Of zou het mogelijk zijn, gelijk een der beroemdste uitleggers voorsloeg, dat hier onder den naam van spruite Zerubbabel, de beroemde nazaat van David, zou voorgesteld zijn? Maar wie zal beweren, veel minder bewijzen, dat onder zijne weldadige leiding de herstelling van al de twaalf stammen van Juda en Israël plaats gehad heeft, en wie acht het gene snode godslastering op hem, of op énig zondig aardbewoner de verhevene beschrijving toe te passen, hier van de Spruite gegeven? Geen wonder, dat reeds oude Joodse uitleggers hier aan niemand dan den Messias gedacht hebben. De luister Zijner regering wordt hier met trekken getekend, ten dele uit het gewijd geschiedverhaal van Davids leven ontleend; en niet onwaarschijnlijk achten wij het, dat de eigenaardige spreekwijs dien spruit aan David verwelken, ene zijdelingse toespeling op de belofte behelst aan dit stamhuis door Nathan gedaan. Wat de benaming betreft waarmee men Hem zal noemen: “Jehova onze gerechtigheid, ” zij schijnt ons toe den David-spruit aan te kondigen als degene, in en door wien Jehova ene volkomene gerechtigheid aan Zijn volk zou verlenen. Zo duidt in het oud geschiedverhaal de naam des altaars “Jehova mijne Banier” met andere woorden aan, dat aan Jehova als banier van Zijn volk, dit altaar toegewijd was. Zo wordt door den naam Immanuël, aan den zoon der maagd bij Jesaja toegekend, te kennen gegeven, dat Hij, die hem draagt, voor het volk een teken en onderpand van Gods gunstrijke bescherming zou wezen. Dat hier ene dergelijke verklaring moet gevolgd worden, en alzo geen persoonlijke eigen naam ter aanduiding van den Messias zelven gevonden wordt, blijkt zonneklaar uit Hoofdst. 33:15, 16, waar dezelfde naam van Jehova ook aan de stad Jeruzalem toegekend wordt. Ziet, zo luidt het op die plaats, de tweede der bovenbedoelde: ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis Israëls en over het huis Juda gesproken heb. In die dagen en te dier tijd zal Ik den David ene spruit der gerechtigheid doen uitspruiten, en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen, en-aldus zo staat er letterlijk-zal men haar noemen “Jehova, onze gerechtigheid!” Hoe zouden deze woorden, indien zij ene opzettelijke beschrijving van de natuur en het wezen van den Messias, als vlees geworden Jehova, behelsden, met hetzelfde recht tot ene beschrijving van Zijne rijkstad gebruikt kunnen worden? De duidelijke bewijzen voor de erkentenis der Goddelijke natuur van den Messias ook in het Oude Verbond zijn veel te talrijk, dan dat wij deze heilige waarheid zouden behoeven te staven alleen door de klank van een woord. Intussen moest het den dieper denkende niet moeilijk vallen, ook op grond van dergelijke uitspraken tot de gedachten te komen, dat Hij, door wien zulk een heil zou tot stand gebracht worden, en die zulk een naam waardig kon dragen, boven alle aardbewoners oneindig verheven moest zijn. Wat soortgelijke toezeggingen voor den vromen Israëliet uit die dagen inzonderheid aantrekkelijk maken moest, het was boven alles het uitzicht, zowel hier als elders ontsloten, op ene gelukkige hereniging der beide koninkrijken onder éénen Davidischen scepter; een uitzicht, tot dusver nimmer volkomen verwezenlijkt, en waarvan dus de invulling voor latere eeuwen bewaard blijft. Zo helder staat het den Profeet voor den geest, dat hij, na de eerstgenoemde voorspelling een tijd te gemoet ziet, waarin men niet meer de verlossing van Israël uit Egypte, maar de hereniging van het verstrooide volk uit alle streken der aarde, als de roemrijkste openbaring van Gods trouw, bij zijne plechtige eden vermelden zal. De vraag, of de heiligen onder het Oude Testament wel het Evangelie gekend hebben, is zoveel, alsof men ze vroeg: Hebben zij onder het Oude Testament wel brood gehad en gegeten? Indien er gene belofte des levens en der heerlijkheid onder het Oude Testament geweest ware, dan zouden de Profeten nog veel meer dan de apostelen gezegd kunnen worden: de ellendigste van alle mensen te zijn. Doch altijd hing er, al was het ook maar een lampje (zo als in Ps. 88), in de lange donkere tempelzaal; de lamp van David, de belofte Gods. Dat was hun bestendig licht, waarbij, zij arbeidden en leefden. De Heere onze gerechtigheid. Zo hebben wij dan ene levende, persoonlijke bron van de vergeving der zonde, en een altijd bij ons blijvenden Trooster, door wien wij altijd vergeving der zonde hebben; want de Heilige Geest en Jezus zijn niet te scheiden. Wij hebben tweeërlei voorspraak, de ene in den hemel: Christus; de ander in ons hart. De Heilige Geest. De Heere. Jehova: De spruit uit Davids stam zou dus niet enkel mens en koning, maar ook mens en God zijn. Doch hoe nu Jezus te gelijk waarachtig God en waarachtig mens kan zijn, dat kan den ene mens den anderen niet leren. Zulke dingen leert men alleen van God. Wien God het geloof geeft, dien onderwijst Hij zelf, en die weet de dingen Gods voor zichzelven, al kan hij ze ook den ongelovige niet wiskunstig bewijzen. De zalving des Heiligen Geestes, die ons alle dingen leert, is daarom waarachtig en gene leugen. Wij zouden ook het geloof het proefondervindelijk weten der geestelijke dingen kunnen noemen. Zelfs de Schrift kan niet meer doen, dan het brood des eeuwigen levens aanbieden en aanprijzen; doch hoe dat brood smaakt, en welke krachten het geeft, dat moet de mens zelf leren door het eten, door het geloven. Onze gerechtigheid. Gerechtigheid is onzondigheid. In de tegenwoordigheid Gods kan gene zonde bestaan. Zullen wij voor God bestaan, zo moeten wij ontzondigd worden. Dit geschiedt in de vergeving onzer zonden door God. Op welk een grond? Op grond der offerande van Christus, welke ene verzoening der zonde is bij God. De gerechtigheid is dus buiten ons, maar voor ons. Het is hiermede als met de zon. Is zij niet buiten en hoog boven ons; maar is zij niet voor ons; verlicht, verwarmt zij ons niet, en maakt zij niet al onze vruchten rijp? . Hier wordt niet alleen van den Christus getuigd dat Hij is God, boven allen te prijzen tot in eeuwigheid, maar ook wordt Hij als de Middelaar aangekondigd, die een eeuwige gerechtigheid zou aanbrengen, voor alle de zijnen. En dat de Profeet Hem noemt onze gerechtigheid, daaruit blijkt zo duidelijk mogelijk dat deze weet, dat niet alleen onder het N. maar ook onder het O. Verbond al de verbondelingen door Hem hun zaligheid, of liever hun gerechtigheid bij God hadden.
Daarom, om aan de bedreiging in Hoofdst. 16:14 vv. nu ook ene troostvolle voorzegging toe te voegen, ziet de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd!
Maar zo waarachtig als de HEERE leeft, die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en die het aangebracht heeft uit het land van het noorden en uit al de landen, waarhenen Ik ze gedreven had! Want zij zullen wonen in hun land. De heerlijke verschijning van den Herder aller herders is slechts als voorbijgaande; het oog van den Profeet wendt zich daarom terug tot de kudde, welke de Heere zeker eens uit Babel op haren grond zal doen wederkeren. Gods wonderbaar werk in de herstelling van het Joodse volk na zijne verstrooiing over de ganse aarde, gepaard met de toebrenging der Heidenen, welke door dat middel ook zal worden teweeg gebracht, zal zo verre overtreffen de wonderen, door God gewrocht bij de uitvoering van de Joden uit Egypte, dat deze niet zou verdienen genoemd of vergeleken te worden bij de andere. De Apostel noemt (Rom. 11:15) deze herstelling van de Joden een leven uit den dood.
Aangaande of tegen de Profeten, die valselijk in den naam des Heeren profeteren en met de priesters het volk in het verderf storten, even als de koningen en regenten (Hoofdst. 14:13 vv.), volgt nu het verdiende wee. Dit heeft al het voorkomen van het opschrift te zijn ener nieuwe godsspraak, wier inhoud door dit woord wordt aangeduid, als handelende van de valse profeten, van hun roekeloosheid en het lot, dat zij daardoor zich zelven en hun volk bereidden, waaraan Jeremia niet denken kan zonder de hevigste ontroering, waarvan het overige van dit vers gewaagt. Mijn hart wordt hij hetgeen Ik tegen die Profeten heb te zeggen, in mijn binnenste gebroken van wege het vreeslijke der ontvangene openbaring; al mijne beenderen bewegen zich daarover van ontzetting. Ik ben als een dronken man, die zich zelven niet meer machtig is, en als een man, dien de wijn te boven gaat; van wege den HEERE, en van wege de woorden Zijner heiligheid, die Hij mij heeft opgedragen, om ten opzichte der toestanden, die Zijne gerichten noodzakelijk maken te verkondigen. De grote liefde maakt den knecht Gods zo ijverig, dat hij geweldig op de verleiders loslaat. Hij denkt er niet aan, dat hij nu in een wespennest geslagen heeft, en voor altijd zijn leven verbitterd heeft; want hij heeft nog een hoger leven en het mindere geeft hij gaarne om der liefde wil. Toch zal de gehele wereld hem gehouden hebben voor enen onverbeterlijken en dollen ijveraar, die niets verschoont. Hij zegt zelfs, dat hij van God en Zijn woord als bedwelmd is, wanneer hij het land daarbij beschouwt. De toorn Gods heeft zijn hart verbroken en al zijn gebeente aangegrepen, zodat hij krachteloos wankelde en hij een dronken man gelijkt, die niet meer vast op zijn voeten kan staan. Hij gevoelt zich innerlijk geheel verslagen, waar hij niet slechts den schrik van het gericht ondervindt, hetwelk over de valse profeten en de valse priesteren, welke het volk tot dwaling hebben vervoerd, maar ook het schrikkelijk lijden, hetwelk over zijn volk zou komen.
Want het land, zo spreekt de Heere, is door die profeten en priesters vol overspelers (Hoofdst. 29:23), want het land treurt over de gruwelen van zijne bewoners (Hoofdst. 12:4; 14:2 vv.) van wege den vloek, die om de overtreding der geboden daarop is gelegd (Deut. 28:15 vv.). De weiden der woestijn, waarop het vee weidt, verdorren (Hoofdst. 9:10), omdat hun loop boos is, hun leven onophoudelijk in slechtheid is (Hoofdst. 5:8; 9:2. Jes. 59:7), en hun macht niet recht; zij zijn sterk in leugen en ontrouw (Hoofdst. 8:6).
Want beiden, profeten en priesters, zijn a) huichelaars(Hebr. onheiligen, heiligschenners); zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE; zelfs op de heilige plaats bedrijven zij de zonde der ontucht.
Jer. 6:13; 8:10; 14:18. Tot zulk ene ontucht boden de nissen en cellen van den tempel gelegenheid (vgl. 1 Sam. 2:22); en de priesters, dienstdoende naar de orde in hun klasse, waren van hun vrouwen verwijderd (Luk. 1:8 vv. 23 vv.). Den profeten, die veel in den tempel verkeerden, en die wellicht juist meer door vrouwen dan door mannen werden geraadpleegd (1 Kon. 14:2 vv. 2 Kon. 4:1, 8 wordt in vs. 14 uitdrukkelijk echtbreuk verweten.
Daarom, tot rechtvaardige straf voor zulk een verborgen zondigen, zal hun weg hun zijn als zeer a) gladde plaatsen in de b) donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen (Ps. 35:6. (Spr. 4:19): want Ik zal een kwaad over hen brengen in (liever: namelijk) het jaar hunner bezoeking(Hoofdst. 11:23), spreekt de HEERE.
(Ps. 73:18. b) Jer. 13:16.
Ik heb wel ongerijmdheid (Ps. 14:1) gezien in de profeten van Samaria, de hoofdstad van het rijk van Israël sedert het ontstaan van het goddelooste koningshuis (1 Kon. 16:33 vv.), profeten, die door Baäl profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden (1 Kon. 16:33), en men zou menen, dat iets ergers niet kon bestaan.
Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwlijkheid(Hoofdst. 5:30), die veel ontzettender is; zij bedrijven overspel en gaan om met valsheid, en sterken door hun bedrieglijke voorstellingen (vs. 17; Hoofdst. 6:14; 14:13) de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijne boosheid. In plaats van zich tot berouw te laten opwekken door de straffen, welke door Mijne profeten worden aangekondigd, verleiden zij niet alleen door hun voorbeeld tot het kwade, maar doen het ook door hun gezag daarin blijven, en houden het van het geloof terug (Ezech. 13:22). Zij allen zijn Mij, wat het gericht aangaat, dat Ik over hen zal doen komen, als Sodom en hare inwoners, de bewoners van Jeruzalem, die door hen zijn verdorven en op hun beurt de overige bewoners des lands hebben bedorven, als Gomorra (Deut. 32:32. Jes. 1:10).
Daarom zegt de HEERE der heirscharen, terwijl Hij overgaat tot de volvoering van het vonnis, van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal aan hen voor alle anderen en in bijzondere mate doen, wat Ik in Hoofdst. 9:15 het gehele volk heb gedreigd. Ik zal hen met alsem spijzigen en met a) gallewater drenken, Ik zal hun de bitterste en smartelijkste rampen toezenden, want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land, zodat het afvallige Israël nog voor vroom kan gehouden worden bij het verstokte Juda (Jer. 3:11 11).
Jer. 8:14. Dat is een natuurlijk gevolg der superoriteit, welke de akademiën, ministeriën enz. hebben en in hun mate moeten hebben. Wanneer zij op verkeerde wegen gaan, deelt het gehele land mede in hun verderf. Men bemerkt het in het gehele land, welke Theologen aan het roer zitten.
Zo zegt de HEERE der heirscharen tot degenen, die te Jeruzalem zijn en in het ganse land: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren, zodat gij aan hun voorzegging geloof zoudt schenken, en naar hun woorden uw gedrag zoudt regelen (Hoofdst. 27:14 vv.). Zij maken u ijdel, zij vervullen u met een dwaas, nietswaardig vertrouwen op ene gelukkige toekomst (Ezech. 11:2 vv.); zij spreken het gezicht huns harten niet uit des HEEREN mond, als had de Heere hun werkelijk iets geopenbaard en hun een bevel gegeven (Hoofdst. 14:14).
Zij a) zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren door verachting van Mijn waarachtig woord: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken, in ongeloof en volharding wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. Aan de tegenspraak tussen den inhoud van hun woord, en den toestand van hen, tot wie zij zich wenden, is duidelijk te zien, dat zij leugenprofeten zijn.
Jer. 6:14; 8:11. Ezech. 13:10. Zach. 10:2.
Want wie van ons-die profeten met hun aankondigingen van geluk, of ik met mijne bedreigingen in den naam van God-heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord en nu ook de waarheid gezegd? Men kan dit tweeledig opvatten, of als woorden van Jeremia aangaande de valse profeten: Wie hunner is in den raad des Heeren tegenwoordig geweest? Wie heeft Zijn woord verstaan en gehoord? Geen hunner! hun voorgewende Godspraken zijn louter verzinsels! Voor deze opvatting pleit de tekstlezing, welke in plaats van “Zijn woord” heeft: “mijne woorden. ” Of als een gezegde in den mond der valse profeten, die in het slot van het vorig vers reeds sprekend worden ingevoerd; waarmee zij te kennen geven, dat het een louter voorgeven van Jeremia was, dat hij zijne profetieën van Godzelven had ontvangen; het was immers ene ongerijmdheid, dat iemand in den raad van God zou gezeten en daar iets gezien of gehoord hebben! En voor deze opvatting pleit de gemakkelijkheid der verklaring en de gestrenge uitspraak in het onmiddellijk volgende vers. Het is dan opmerkelijk, dat sommige hedendaagse uitleggers der oude profeten dezelfde taal voeren, die Jeremia aan de valse profeten toeschrijft.
Spoedig genoeg zal het openbaar worden. Ziet, een a) onweder, een alles verwoestend oordeel des HEEREN, ene grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk onweder: het zal blijven op der goddelozen hoofd.
Jer. 30:23, 24.
Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen (liever: in latere dagen) zult gij met verstand daarop letten. Bij de uitkomst zal het blijken, wie in des Heeren raad heeft gestaan en wie Zijn woord heeft gehoord (Hoofdst. 30:23).
Maar reeds nu laat de Heere u weten, hoe het is met degenen, die u enkel geluk beloven; wanneer gij slechts Zijn getuigenis wilt aannemen? Ik heb die profeten niet gezonden, zo heeft de Heere uitdrukkelijk tot Mij gesproken, en ik heb het u getrouw overgebracht (Hoofdst. 14:14), nochtans hebben zij gelopen om hun gewaande openbaringen te verbreiden: Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
Maar zo zij in Mijnen raad hadden gestaan, zo als zij voorgeven (vs. 18), zo zouden zij Mijn volk Mijne woorden, die Ik werkelijk gesproken heb, hebben doen horen, en zouden hen, omdat een goede boom slechts goede vruchten kan voortbrengen, en een waar Profeet alleen heilzaam op het volk kan werken (Matth. 7:15 vv.), afgekeerd hebben van hunnen bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen. Nu zij echter de boosaardigen sterken, opdat niemand zich bekere van zijne boosheid (vs. 14), is het duidelijk, dat zij met leugen omgaan. Zij zouden getracht hebben de menigte af te trekken en terug te roepen van hun boos gedrag, gelijk Mijne andere getrouwe boden en Profeten doen (Hoofdst. 25:3-5), en (vs. 17 Zo versta men de plaats liever dan ze met anderen, de Vulgata volgende te verklaren, dat, indien de valse Profeten den volke Gods woord getrouw hadden voorgedragen, het dan zou zijn bekeerd geworden; want dit is niet altijd het lot van getrouwe knechten en Gods ware Profeten (Jes. 49:4; 53:1), ja is dat niet geweest van den Heiland zelven, toen Hij op aarde was (Matth. 11:20. Joh. 12:36, 38).
Zouden die Profeten misschien denken, dat Ik niet hoorde en zag wat zij doen? Ben Ik aan God van nabij, zodat Ik alleen zou weten wat er in den hemel geschiedt, spreekt de HEERE, en niet een God van verre, zodat Ik onkundig zou wezen van hetgeen op aarde voorvalt?
Hier verwijt Hij aan de hypocrieten hun aanmatiging, dewijl zij zo gevoelloos waren in hun ondeugden, dat zij meenden, dat zij op allerlei manier God de ogen konden verblinden. Niet dat zij aldus hebben gesproken. Maar nooit zou de slaperigheid bij de mensen zo groot zijn, indien zij er van overtuigd waren, dat voor God niets verborgen is, maar dat Hij doordringt tot de verborgenste overleggingen van het hart, onderscheidt tussen de overleggingen en aandoeningen en van de verborgene drijfveren niet onkundig is. Indien dit derhalve bij allen vast stond zouden zij met te groter eerbied aan God zich onderwerpen en vervolgens vreze koesteren voor Zijne bedreigingen. Hiermede wil de Heere God zich doen kennen als degene, die niet alleen weet wat nabij, maar ook wat van verre is. De leugenprofeten deden het voorkomen alsof de Heere God hen niet zag, hen niet hoorde, van hen daarom geen kennis nam. En hiertegen komt de Heere God op. Daarom zegt Hij ook in het volgende vers: Ik heb wel gehoord enz.
Zou zich, o dwaze mens! iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat ik hem niet zou zien (Hoofdst. 16:17. Ps. 139:7 vv. Amos 9:2 vv.)? spreekt de HEERE. Vervul Ik niet den hemel en de aarde? (1 Kon. 8:27. Jes. 66:1) spreekt de HEERE.
Ik heb het wel gehoord, wat de Profeten zeggen, alsof Ik ze tot Mijne predikers had geroepen (Hoofdst. 1 5:19), die in Mijnen naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, Ik heb gedroomd 1), en in dien droom ene openbaring gehad.
Onder de vormen der Goddelijke openbaring, die in Num. 12:6 vv. genoemd worden, neemt de droom de minste plaats in, want daarin kunnen het gemakkelijkst de bedrieglijke voorstellingen van het eigen hart den schijn van Goddelijke openbaring aannemen. Bovendien onttrekt zich de droom het meest aan de controle van anderen; niets is daarom gemakkelijker, dan te zeggen: “ik heb dit of dat gedroomd. ” Met het oog daarop wordt dan ook reeds in Deut. 13:1 vv. een dromer voorgesteld als ongeveer hetzelfde als een valse Profeet. In het geval, dat voor ons ligt, moet nu de voorgewende openbaring reeds zeer verdacht maken, dat zij slechts wisten te zeggen: “ik heb gedroomd. ” Vooral in lateren tijd gingen, zo als het schijnt, de dromen hand in hand met de waarzeggerij (Zach. 10:2). Geen van de Profeten, van welke wij geschriften bezitten, beroept zich daarom later op dezen vorm van goddelijke mededeling. Eerst in Matth. 1:20; 2:13 en 19; 27:19 wordt hij weer gevonden; het laatste geval behoort echter slechts gedeeltelijk hiertoe. Zij dachten dat God zo veel te doen had met de andere wereld, dat Hij geen gelegenheid had om kennis te nemen van deze, of zich te bemoeien met hetgeen daar gebeurt. Maar God wil hen doen weten, dat Hij al hun bedriegerijen, al de schande weet die zij op de wereld gebracht hebben, onder den schijn van goddelijke openbaring. Wat zij het volk wilden inboezemen, geven zij voor in een droom van God ontvangen te hebben, daar ondertussen hun nooit zo iets gebeurde. Dit kan het volk niet ontdekken, want als een mens mij verhaalt hij heeft zo en zo gedroomd, kan ik hem niet tegenspreken, en hij weet dat ik dat niet kan doen. Maar God ontdekt het bedrog.
Hoe lang zal dit duren? Hoelang zullen zij met die bedriegerijen voortgaan in Mijnen naam? Is er dan een droom in het hart der Profeten, die de leugen profeteren? Neen, Ik gaf ze nimmer zulk een droom in het hart. Ja, het zijn Profeten van huns harten bedriegerij. 1)
De zin is deze. De Heere vraagt hoe lang nog? Hoe lang zullen deze leugenprofeten nog de leugen profeteren, in den naam des Heeren? Hun bedoeIing was, om den naam des Heeren in vergetelheid te brengen, in den zin, dat het volk de wonderdaden Gods zouden vergeten, zouden vergeten dat het de Heere was, die hen geleid had en tot een zelfstandig volk had gemaakt.
Die daar denken, het doel hebben, om Mijn volk Mijnen naam te doen {a} vergeten door hun dromen, die zij, een ieder zijnen naaste, vertellen. Niet de ene Profeet verhaalt het den anderen, maar de Profeet aan een zijner naasten, die het dan weer aan anderen verkondigt. Zij zoeken dat, gelijk als hun vaders, die Mijnen naam vergeten hebben door Baäl, dien zij willen dienen, alsof zij op hem verzot waren. {a} Richt. 3:7; 8:33, 34.
De Profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom, wanneer hij daarop verzot is, maar geve dien niet voor enen goddelijke openbaring uit; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk. Wat heeft het stro met het koren te doen? Dromen zijn toch inderdaad slechts stro, Mijn woord, dat de goede tarwe is, mag daarmee niet vermengd worden, spreekt de HEERE. Hij late mijnen naam met vrede en zegge niet, dat het Mijne woorden zijn wat hij gedroomd heeft, maar dat het zijn woord is en zijnen naam draagt. Luther zegt: “Wie zijn mond niet kan houden, die storte zijn hart uit, maar hij zegge het open en eerlijk, dat het zijne dromen zijn, die hij predikt. ” De valse Profeten weten wel, dat enkel leugens niets dan stro is; zij mengen er daarom altijd iets van het ware woord van God onder; zo is er tarwe onder het stro. Ene heilloze vermenging! In dit vermengen bestaat de grootste kunst van den satan, waardoor hij tevens zijn werk alleen bevordert en tegen zich zelven getuigt. De Profeet maakt een juist en nauwkeurig onderscheid tussen droom en woord, tussen verhalen en spreken; den droom behandele men als een droom, en men verhale dien; het woord spreke men getrouw en beslist.
Is Mijn woord niet alzo als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die ene steenrots te morzel slaat? 1) (Hebr. 4:12).
Hij bevestigt hier wat Hij gezegd heeft over het stro en het hooi, maar met andere woorden. Die vergelijking was geschikt, waar Jeremia het woord Gods vergelijkt met het koren en de verdichtselen van den mens met stro. Maar dewijl de Joden om hun ondankbaarheid bewerkt hadden dat zij geen vrucht uit het woord Gods hadden ontvangen, n. l. dat het hun tot geestelijk voedsel was geworden, daarom zegt de Profeet dat het zou zijn als vuur en als een hamer, alsof hij wil zeggen, dat de Joden zich beroofd hadden van den smaak er in, dewijl zij in hun boosheid waren verstompt geworden, maar dat zij het woord Gods echter niet konden uitroeien, noch veel minder de indrukken er van konden wegnemen, dewijl zoals Paulus zegt (2 Kor. 2:16) indien het niet een reuk des levens ten leven, het ten minste is een reuk des doods ten dode voor hen, die verloren gaan. Men kan mijn woord gemakkelijk onderscheiden van de menselijke mening; want mijn woord heeft ene bijzondere kracht en werking. Het ontvlamt het hart tot geestelijk leven, tot liefde jegens God en den naaste, zodat de mens brandend wordt in den geest; het reinigt en loutert steeds meer de harten der goddelozen, en verslaat als een hamer de harten en gewetens der goddelozen, daar zij er krachtig onder bewogen, overtuigd en overwonnen worden. Gods woord bekeert, elke andere leer verdwaast. Daar is een zeer groot verschil tussen de verdichtselen der mensen en het zuivere woord van God, als tussen het kaf en het koren. Zo volgt er in vs 29 : Is Mijn woord niet anders als een vuur, spreekt de Heere? Is hun woord zo? Heeft het die kracht en uitwerking die het woord Gods heeft? Neen niets dat daaraan gelijkt. Daar is geen meer gelijkenis in, dan in een geschilderd vuur en in een waar vuur. Dit is een dwaallicht, dat de mens van den weg af op bijpaden leidt, en in gevaarlijke diepten. Het vuur heeft tweeërlei uitwerking. Het reinigt en zuivert of het verteert. De hamer vermorzelt, indien het hart niet smelten wil door het vuur van Gods woord. Wie hier niet buigen wil zal moeten bukken voor den hogen God. Men moge zich tegen het woord Gods verzetten: God en Zijn woord zullen toch ten slotte het laatste woord hebben.
Daarom ziet, a) Ik wil aan de Profeten, Ik zal tot hen komen met Mijn gericht (Jes. 5:8), spreekt de HEERE, die Mijne woorden stelen, een ieder van zijnen naaste. Uit oude Godspraken nemen zij woorden en spreekwijzen over, om zo aan hun woorden den schijn te geven, of zij ze van Mij hadden ontvangen en de een leert dat van den ander.
Deut. 18:20. Jer. 14:14, 15.
Op drieërlei zonden wordt hier gewezen. Vooreerst dat zij, de valse Profeten, wijl zij niet geïnspireerd waren door den H. Geest, van anderen stalen wat zij spraken, om daarmee aan hun redenen nog een goddelijk karakter te geven. Ten tweeden dat zij hun tongen gebruikten om wat zij spraken voor echte woorden Gods uit te geven. Ten derden dat zij voorgaven openbaringen door dromen te hebben ontvangen, terwijl het toch dromen der leugens waren.
Ziet, Ik wil aan de Profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, hun eigen woord voortbrengen, en om hun eigene mening tot een woord van God te bestempelen, spreken: Hij, de Heere, heeft het gesproken.
Ziet, Ik wil aan degenen, die valse, gelogene dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun a) lichtvaardigheid (Exod. 21:22); daar Ik hen niet gezonden en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, maar het slechts te meer in slaap wiegen en in zijne boosheid sterken, spreekt de HEERE.
Zef. 3:4. Drie zonden van leraars en Profeten worden in vs. 30 en 31 vermeld. 1. Eigen liefde, die met vreemde veren wil pronken, waar de een den ander Gods woord ontsteelt en zich ten nutte maakt wat den ander gegeven is, om er mede te schitteren. 2. Ontrouw, die Gods woord veracht, en naar willekeur er eigene menschenwoorden voor in plaats stelt. 3. Geestdrijverij of dweperij, die met dromen en visioenen de verbeelding bevredigen en bewondering wekken wil, in stede van met Gods waarheid de gewetens gezond te houden. Niemand kan Gods zegen over zijn ambt verwachten, die niet door Hem tot den heiligen dienst geroepen en gezonden is. Niemand stote zich daaraan, wanneer valse leraars nog niet van wege hun valse leer door God gestraft worden; zij zullen niet ongestraft blijven, maar op hunnen tijd ontvangen, wat hun daden verdienden.
Wanneer dan dit volk of een profeet of priester in het vervolg u, Jeremia, weer op spottende wijze vragen zal, zegende: Wat is des HEEREN last, dien gij ons te brengen hebt? zo zult gij tot hen zeggen: Wat is de last? dat Ik 1) ulieden verlaten zal als een last, dien Ik niet langer kan dragen (Hoofdst. 7:29 12:7. (Jes. 1:14), spreekt de HEERE.
Uit deze plaats, blijkt duidelijk genoeg, dat er zeer grote weerspannigheid bij de Joden is geweest, zodat zij zich van alle zij den stof tot zorgeloosheid vermeerderden, alsof zij ongestraft God konden verachten, waar zij Zijn woord verwierpen. Want ook door dat kunstmiddel bedriegt de duivel de goddelozen, waar hij of het woord Gods hen hatelijk maakt of verachtelijk. En wanneer hij hun gemoederen kan verbitteren om de woorden Gods niet aan te horen zonder haat en bitterheid, heeft hij verkregen wat hij wilde. Het schijnt ene gewoonte geweest te zijn, dat men de Profeten, als zij zich vertoonden, vroeg, of hun ook ene nieuwe openbaring was ten deel geworden. Daarbij gebruikte men voor “openbaring” waarschijnlijk het woord massa, dat volgens de opmerking bij Jes. 13:1 in 1 ‘t algemeen ene Godsspraak betekent (Klaagl. 2:14). Daar echter het woord ook “last” betekent, en het voornamelijk Jeremia’s roeping was, om dreigende gerichts-uitspraken van God tegenover de valse Profeten te verkondigen, zo wendde men bij hem hetzelfde slechts in dezen laatsten zin aan, om daardoor te kennen te geven, dat elke nieuwe voorzegging in zijnen mond niets, dan een nieuwe last was, dien hij over het volk bracht, dat er alleen iets lastigs en nooit iets verblijdens van dien God kwam, in wiens dienst hij zich had gesteld, en men vroeg spottend: Nu, Jeremia wat massa hebt gij weer te brengen? Voor zulk ene misdadige bespotting van het woord Gods, die dat zoekt af te slaan, wordt nu de weg daardoor afgesneden, dat op het verder gebruik van het misbruikte woord een plechtig verbod wordt gelegd. Als het woord van God den mensen onverdraaglijk voor den Heere, onzen God; zij zijn den niets anders den een nutteloze last, dien het land niet meer kan dragen, daarom moeten zij worden uitgeroeid.
En aangaande den profeet of den priester of het volk, datten opzichte van ene door u hun medegedeelde (Godsspraak zeggen zal: Des HEEREN last, dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis, behalve het algemene oordeel nog in ‘t bijzonder over dien.
Aldus zult gijlieden zeggen, opdat het zo schandelijk misbruikte woord geheel vermeden worde, Een iegelijk tot zijnen naaste en een iegelijk tot zijnen broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
Maar des HEEREN last zult gij bij de Godspraken, die tot u komen, niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn 1), dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God, die in een geheel verkeerd gezichtspunt stelt.
Uwe spotternij zal u lastig genoeg worden en rampzalige gevolgen hebben.
Aldus zult gij zeggen tot den profeet, dien gij door die uitdrukking wildet honen en ergeren, gelijk reeds in vs. 35 omtrent alle profeten is opgemerkt: Wat heeft u de HEERE geantwoord? en wat heeft de HEERE gesproken?
Maar dewijl (liever: wanneer) gij ondanks Mijn verbod zegt: Des HEEREN last, daarom zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last.
Daarom ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten (liever: opnemen, gelijk men een last opheft, dien men wil wegwerpen), en u mitsgaders de stad, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten (Hoofdst. 29:11). Helaas zelfs het Evangelie is voor velen een last, het aandringen op veranderen van hart en leven ten minste, en toch moest het ons een zacht juk zijn (Matth. 11:30). Welk het gevolg van zulk ene gezindheid is blijkt uit vs. 30 v. en 38Ä40. De woorden van God, hoewel dus verkeerd, zullen vervuld worden. Indien zij vroegen: wat is de last des Heeren, laat de Profeet hen vragen wat voor last zij menen. Het is die: Ik zal u laten varen en geen gedachten hebben, om tot u weer te keren. Zodanige zijn inderdaad ellendig, die van God vergeten en verlaten zijn, en het spotten van de mensen met Gods oordelen zal dezelve niet stuiten. Gods woord zal verhoogd worden en geëerbiedigd, wanneer zij, die hetzelve bespotten, veracht en versmaad zullen zijn.
III. Vs. 1-40.KruisverwijzingenJeremia 10:21→Zacharia 11:15→Ezechiël 34:2→Jesaja 4:2→Jesaja 52:13→Mattheüs 9:36→Ezechiël 13:3→1 Korinthe 1:30→
— Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE. Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE. En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE. Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd. Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid. Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.
Het oordeel, uitgesproken over de drie eerstvolgende opvolgers van Josia in ‘t bijzonder, wordt nog eens in een algemeen weegeroep over de herders zamengevat, die de hun toevertrouwde kudde verwaarloosd, verdorven en verstrooid hebben. De verdiende straf zal hen daarvoor treffen, doch daarna zal de Heere het overschot der verstrooide kudden weer verzamelen en op de weide terugvoeren, waar het onder goede herders veilig en zonder vrees weiden, op nieuw voorspoedig zijn en zich uitbreiden zal. Een rechtvaardige spruit van David zal met wijsheid en gerechtigheid als Koning over Juda en Israël regeren. “De Heer, onze gerechtigheid zal Zijn naam zijn. ” Dan zal ene verlossing komen uit het land van het noorden, welke de vroegere verlossing uit Egypte verre overtreft en doet vergeten (vs. 1-8 Daar echter de valse Profeten ook tot de leidslieden van het volk behoren, die het verleiden en verderven, zo is aan de bestraffende rede tegen die herders dadelijk ene tegen deze Profeten verbonden. Vooreerst worden zij in hun pogen geschilderd als verleiders des volks (vs. 9-15): vervolgens wordt het volk voor hun bedrog gewaarschuwd (vs. 16-24) Daarop wordt hun snood misbruik van den naam des Heeren voorgesteld (vs. 25-32), en ten laatste het volk bestraft, omdat het de ware voorzeggingen Gods spottend en boosaardig een last des Heeren noemt (vs. 33-40).
Wee den herderen, den overheden (Hoofdstuk 2:8; 3:15; 10:21 die de schapen Mijner weide, de kudde die Mijn eigendom is, en aan welke Ik een land gegeven heb, waar zij verzorgd zijn (Hoofdst. 13:17. Ps. 74:1; 100:3), ombrengen en verstrooien, door hun gewelddadigheden en verdrukkingen te gronde richten (Hoofdst. 22:13 vv.), en door het geestelijk verderf, dat van hen uitgaat, maken, dat zij uit het land worden verbannen (Hoofdst. 15:4), spreekt de HEERE (vgl. Ezech. 34).
Daarom zegt de HEERE, de God Israëls, dit algemene (vs. 1) op de laatste koningen van Israël in ‘t bijzonder toepassende, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden, van Joahaz, Jojakim en Jojachin: Gijlieden hebt door uwe goddeloze, zelfzuchtige regering Mijne schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, zo ver gebracht, dat zij moeten verstoten en verdreven worden, en gij hebt ze niet bezocht, er geen acht op geslagen, zo als uwe roeping meebracht (Ezech. 34:2 vv.). Ziet, Ik zal over u bezoeken (Jes. 26:1) de boosheid uwer handelingen, waarin gij integendeel allerlei ongerechtigheid hebt gepleegd (Hoofdst. 21:12), spreekt de HEERE. 1)
Hier geeft God de oorzaken aan, waarom Hij zo zeer verontwaardigd is over deze verwoesters, dewijl waar zij tyrannie oefenden over het volk, niet slechts des mensen leed hebben aangedaan, maar God zelven, die in Zijn trouw het uitgeredde volk had aangenomen. Wel is het waar dat zij allen die verwoesting zich waardig hadden gemaakt. Want wij hebben uit vele plaatsen gezien, dat het volk niet kon verontschuldigd worden, waar het bedrogen werd door slechte en goddeloze leidslieden, dewijl op deze wijze allen een rechtvaardig loon werd vergolden, daarom, omdat van den minste tot den grootste allen zich den toorn Gods op den hals hadden gehaald. Maar daarmee was de goddeloosheid der slechte leiders niet te verontschuldigen, dewijl zij hadden moeten berekenen, waartoe hun die last was opgelegd, vervolgens door Wien zij waren aangesteld.
En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen, wat van de straf der verstoting en verbanning overblijft (Jes 6:13; 10:22) redden en zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb. En Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien (Jes. 13:20), d. i. tot de steden en vlekken van het heilige land, en zij zullen vruchtbaar zijn en door grote vruchtbaarheid, die Ik ze zal geven, vermenigvuldigen.
En Ik zal a) herderen over hen verwekken, die in getrouwe en nauwgezette waarneming van hun ambt ze weiden zullen in den waren zin des woords (Hoofdst. 3:15), en zij zullennu recht geregeerd en goed geleid in Mijne genade blijven, en Mijn verbond bewaren; zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden voor herhaling van de gerichten Mijns toorns, noch gemist, uit hun land verbannen worden, spreekt de HEERE.
Ezech. 34:11, 12. Deze belofte is wel aanvankelijk vervuld ten tijde der bevrijding uit de ballingschap en de wederoprichting van het Joodse rijk, toen zij in Zerubbabel, Jozua, Nehemia, Ezra, ook in de Profeten Haggaï, Zacharia, Maleachi, en dergelijken hun goede herders of bestuurders en leraars hadden. Men ken echter niet zeggen, dat zij daardoor geheel is vervuld, want het Joodse volk is na dien tijd geenszins buiten alle vrees en verschrikking, buiten alle vijandige bezoeking en verontrusting gebleven, gelijk hier wordt beloofd. Wat zij, in de volgende tijden tot op Christus deels van de Egyptische, deels van de Syrische koningen, in ‘t bijzonder van Antiochus Epifanes en ook van de Romeinen hebben geleden, is bekend. Voegt men nu ook hierbij de eerste tijden van het Nieuwe Testament, zo kwam in plaats van de hier beloofde vergadering bij verreweg de meesten de verstrooiing met de inwendige verstokking, in welken toestand hun nakomelingen zich nog heden bevinden. Deze voorspelling behoort dus ten opzichte van hare volledige vervulling tot de laatste en nu nog toekomstige tijden.
Ziet, dit is het voornamelijk, waarop de in vs. 4 uitgesprokene voorzegging uitloopt a) de dagen komen spreekt de HEERE, dat Ik aan David in den aan hem beloofden Zoon (2 (Sam. 7:12 vv.) ene rechtvaardige spruit (Jes. 11:1; 53:2. Zach. 3:8; 6:12) zal verwekken; die zal, koning zijnde, regeren en voorspoedig zijn (Jes. 52:13), en recht en gerechtigheid doen op de aarde(Jes. 32:1. Ezech. 34:23).
Jes. 4:2; 40:11. Jer. 33:14, 15. Dan. 9:24. Luk. 1:32, 33. Het: “Ziet, de dagen komen” betekent volgens het gewone spraakgebruik van Jeremia niet een vervolg in den tijd met betrekking tot het voorgaande, maar het vestigt ook de aandacht op de grootte van hetgeen verkondigd wordt. Tevens wordt gewezen op de tegenstelling der hoop tegenover het zichtbare, dat in het geheel gene aanleiding tot haar geeft. Moge het tegenwoordige nog zo droevig zijn, zo komt toch de tijd. De Heere wil niet, dat de schapen, die door de schuld hunner herders moesten verjaagd worden naar een vreemd land, altijd de straf daarvoor zouden dragen. De overgeblevenen moeten terugkeren op hun weiden en op nieuw vermenigvuldigen. Hij zal hun nieuwe herders geven, onder wier leiding zij veilig zullen zijn van vrees en siddering en herhaling der vlucht. De blik des zieners door den Geest vervrolijkt, vestigt zich op de zich verheffende gedaante van Hem, die gezegd heeft: “Ik ben de goede Herder. ” Hij ziet den gezalfde des Heeren uit Davids stam, die komt, die recht en gerechtigheid uitoefent op aarde en zegen geeft. Hier wordt van Christus gesproken als van een Spruit. Zijn voortkomen, Zijn begin zal gering zijn, als van een lot of spruit, en zijn opkomen als uit de aarde, maar voortgroeiende groent, groot wordt en met vrucht beladen is. Christus is de wortel en het geslacht Davids. Hij is een spruit van Gods planting. Hij verwekt hem. Hij heiligde hem en zond hem in de wereld, gaf hem zijn last en hoedanigheid. Hij is een rechtvaardige spruit, want Hij is zelf rechtvaardig en door Hem worden velen, ja allen die de Zijnen zijn, rechtvaardig gemaakt; een Voorspraak is hij, Jezus Christus, de rechtvaardige.
In zijne dagen zal Juda verlost worden, zodat het tot waarachtigen en voortdurenden voorspoed komt, en Israël zal, gelijk de voorzegging in Deut. 33:28 belooft, zeker wonen. En dit zal Zijn naam zijn, de naam van dezen Koning, den rechtvaardigen Spruit van David, de naad, waarmee men Hem zal noemen: DE HEERE (Jes 45:17), ONZE GERECHTIGHEID (1 Kor. 1:30, vgl. Hoofdst. 30:21 vv.)
Hij kondigt Hem derhalve aan als den waren God en echter als den Zoon Davids. Vervolgens beveelt Hij om van Hem de gerechtigheid te verwachten en al wat tot het volmaakte en volle geluk dienen kan. Het is een symbolische bijnaam, die zich daardoor van enen gewonen naam onderscheidt, dat hij niet tot werkelijk gebruik dient, maar tot objectieve karakterisering, tot een ideaal opschrift. Daarom wordt aan dezen naam ook een object toegevoegd, dat reeds zijnen naam heeft. Op gelijke wijze geeft David aan zijn zoon den naam Jedidja (2 Sam. 12:25). dien hij in werkelijkheid nooit heeft gedragen. De bijzondere veel betekenende naam moet zeker op den hoofdpersoon van het vers, op den Messias zien in wiens dagen Juda gered zou worden en Israël zeker zou wonen, maar niet op Israël, zo als velen willen. Door den beloofden Koning wordt vervuld wat in Deut. 6:25 gezegd is. Op die plaats lezen wij: “het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden voor het aangezicht des Heeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. ” maar wie heeft de wet volkomen onder het Oude Verbond vervuld? De vrome David? de wijze Salomo? of wie? Daarom komt hier de Messias voor in de gehele noodzakelijkheid Zijner verschijning, in het volle licht Zijner betekenis. Hij, de enig Rechtvaardige, maakt velen rechtvaardig, die in Hem geloven (Jes. 53:11). In Zich het heilige, goddelijke leven werkelijk openbarende, verschaft Hij aan degenen, die in Hem geloven, Gods gerechtigheid, ja wordt zelf tot deze. Hebr. : “Jehova Tzidkenoe, ” woordelijk vertaald: “de Heere (Jehova), onze Gerechtigheid. ” Daarmee komt de verklaring (Jer. 33:16) zeer overeen: “In dien tijd zal Juda geholpen worden en Jeruzalem veilig wonen, en men zal haar noemen: de HEERE onze gerechtigheid (Jehova-Tzidkenoe). ” Hier is het ontwijfelbaar, dat de naam Jehova niet aan Jeruzalem kan zijn toegezegd, maar alleen de gehele spreuk: Jehova (is) onze gerechtigheid. De stad Gods wordt daardoor aangeduid als zulk ene die voor al hare bewoners gene gerechtigheid bezit en kent dan die uit het geloof in den Heere (Jehova) komt, vermits dßßr alle tongen belijden, gelijk in Jes. 45:24 gezegd wordt: “in den Heere heb ik gerechtigheid en sterkte. ” Dezelfde verklaring zou zich nu ook in deze plaats laten toepassen, wanneer zij van den beloofden Koning luidde: “Jehova mijne gerechtigheid. ” (Hebr. “Jehova Tzidki, ” wat van gelijke betekenis ware met den naam Zedekia). Maar vermits het toevoegende “onze gerechtigheid” niet op den koning, maar op het volk slaat, zo zou de naam voor den beloofden koning zelven zonder betekenis zijn, en hem slechts als zinnebeeld des volks toegevoegd worden, wanneer niet het hoofdwoord “Jehova” van hem gebezigd ware. De zin is dus in deze onze plaats een andere dan in Jer 33:16, omdat de naam op een geheel anderen persoon slaat. Wij verstaan ze zo: “Deze (de beloofde koning) is Jehova, die onze gerechtigheid is. ” Luther heeft dus goed vertaald: dat is zijn naam-“Heere, die onze gerechtigheid is. ” De te wachten Messias wordt hier werkelijk Jehova genoemd, als de tweede persoon, het ander Ik der Godheid. Wanneer op één altaar (Exod. 17:15) geschreven stond: “Jehova, mijne banier” en op een ander (Gen. 33:20): “God Israëls God, ” zo was dit wel een bloot herinneringsteken, en zulk een altaar is niet Jehova of God, maar het is geheel wat anders, dan wanneer de rechtvaardige Spruit, waarop Israël als op zijnen Verlosser wacht, wanneer die Koning die recht en gerechtigheid op aarde sticht, den naam ontvangt “Jehova onze gerechtigheid. ” Dat kan niet anders worden verstaan dan dat Hij is wat Hij heet, dat Hij als Jehova onze gerechtigheid is. Hem dus, dien wij nu Jezus Christus noemen, dien noemt Jeremia op profetische wijze naar Zijn wezenlijk karakter Jehova onze Gerechtigheid; en wel daarom, omdat Hij, als God in het vlees verschenen, de enige bron der gerechtigheid voor Zijn rijk en voor Zijn volk is. Het zal den Christen steeds ene grote kalmte, rust en vrede geven, als hij peinzen mag over de volmaakte gerechtigheid des Heeren Jezus. Hoe menigwerf zijn Gods heiligen ter nedergedrukt en treurig! Ik geloof niet, dat zij dit mogen zijn. Ik geloof niet, dat zij het zouden kunnen, wanneer zij steeds hun volmaaktheid in Christus zagen. Sommigen spreken altijd over het bederf en de arglistigheid des harten en de natuurlijke boosheid der ziel. Dit is alles zeer waar; maar waarom gaat men niet wat verder en herinnert zich, dat wij “volmaakt zijn in Christus Jezus. ” Het is niet te verwonderen, dat zij, die bij hun eigene verdorvenheid altijd blijven stilstaan, zo gedrukt zijn; maar het kan niet anders of er zal vreugde in ons hart komen, zo wij ons herinneren dat Christus onze gerechtigheid is geworden. Al moet ik veel droefheid ondervinden, al valt satan mij aan, al heb ik nog veel door te worstelen, eer ik in den hemel kom, ik sta in het verbond der Goddelijke genade; ik heb alles in mijnen Heer; Christus heeft alles volbracht. Aan het kruis riep Hij uit: “het is volbracht!” en daar alles volbracht is, ben ik volmaakt in Hem, en mag ik mij verheugen met ene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die uit het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof. Aan deze zijde van den hemel zult gij geen heiliger volk vinden dan zij, die in hun hart de leer van Christus’ gerechtigheid ontvangen. Als de gelovige zegt: “mijn leven is Christus alleen, in Hem rust ik voor mijne zaligheid, en ik geloof dat, hoe onwaardig ook, ik in Jezus verlost ben, ” dan rijst deze gedachte uit dankbaarheid in het hart op: “zal ik dan niet voor Christus leven, Hem niet liefhebben en dienen, daar Hij mij door Zijne verdiensten heeft gered?” “De liefde van Christus dringt ons, opdat degenen, die leven niet meer zich zelven zouden leven, maar Dien, die voor hen gestorven is. ” Eerst als wij door de toegerekende gerechtigheid verlost zijn, zullen wij de ons medegedeelde gerechtigheid op prijs stellen. Deze voorspelling is te merkwaardiger, omdat de Profeet aan het einde van het vorige hoofdstuk met ene vernedering van het Davidisch stamhuis had moeten dreigen, die bijna aan vernietiging grensde. Maar ook afgezien van haar historisch verband, mag zij ene der ondubbelzinnigste aankondigingen van den aanstaanden Messias genoemd worden. Of zou het mogelijk zijn, gelijk een der beroemdste uitleggers voorsloeg, dat hier onder den naam van spruite Zerubbabel, de beroemde nazaat van David, zou voorgesteld zijn? Maar wie zal beweren, veel minder bewijzen, dat onder zijne weldadige leiding de herstelling van al de twaalf stammen van Juda en Israël plaats gehad heeft, en wie acht het gene snode godslastering op hem, of op énig zondig aardbewoner de verhevene beschrijving toe te passen, hier van de Spruite gegeven? Geen wonder, dat reeds oude Joodse uitleggers hier aan niemand dan den Messias gedacht hebben. De luister Zijner regering wordt hier met trekken getekend, ten dele uit het gewijd geschiedverhaal van Davids leven ontleend; en niet onwaarschijnlijk achten wij het, dat de eigenaardige spreekwijs dien spruit aan David verwelken, ene zijdelingse toespeling op de belofte behelst aan dit stamhuis door Nathan gedaan. Wat de benaming betreft waarmee men Hem zal noemen: “Jehova onze gerechtigheid, ” zij schijnt ons toe den David-spruit aan te kondigen als degene, in en door wien Jehova ene volkomene gerechtigheid aan Zijn volk zou verlenen. Zo duidt in het oud geschiedverhaal de naam des altaars “Jehova mijne Banier” met andere woorden aan, dat aan Jehova als banier van Zijn volk, dit altaar toegewijd was. Zo wordt door den naam Immanuël, aan den zoon der maagd bij Jesaja toegekend, te kennen gegeven, dat Hij, die hem draagt, voor het volk een teken en onderpand van Gods gunstrijke bescherming zou wezen. Dat hier ene dergelijke verklaring moet gevolgd worden, en alzo geen persoonlijke eigen naam ter aanduiding van den Messias zelven gevonden wordt, blijkt zonneklaar uit Hoofdst. 33:15, 16, waar dezelfde naam van Jehova ook aan de stad Jeruzalem toegekend wordt. Ziet, zo luidt het op die plaats, de tweede der bovenbedoelde: ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis Israëls en over het huis Juda gesproken heb. In die dagen en te dier tijd zal Ik den David ene spruit der gerechtigheid doen uitspruiten, en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen, en-aldus zo staat er letterlijk-zal men haar noemen “Jehova, onze gerechtigheid!” Hoe zouden deze woorden, indien zij ene opzettelijke beschrijving van de natuur en het wezen van den Messias, als vlees geworden Jehova, behelsden, met hetzelfde recht tot ene beschrijving van Zijne rijkstad gebruikt kunnen worden? De duidelijke bewijzen voor de erkentenis der Goddelijke natuur van den Messias ook in het Oude Verbond zijn veel te talrijk, dan dat wij deze heilige waarheid zouden behoeven te staven alleen door de klank van een woord. Intussen moest het den dieper denkende niet moeilijk vallen, ook op grond van dergelijke uitspraken tot de gedachten te komen, dat Hij, door wien zulk een heil zou tot stand gebracht worden, en die zulk een naam waardig kon dragen, boven alle aardbewoners oneindig verheven moest zijn. Wat soortgelijke toezeggingen voor den vromen Israëliet uit die dagen inzonderheid aantrekkelijk maken moest, het was boven alles het uitzicht, zowel hier als elders ontsloten, op ene gelukkige hereniging der beide koninkrijken onder éénen Davidischen scepter; een uitzicht, tot dusver nimmer volkomen verwezenlijkt, en waarvan dus de invulling voor latere eeuwen bewaard blijft. Zo helder staat het den Profeet voor den geest, dat hij, na de eerstgenoemde voorspelling een tijd te gemoet ziet, waarin men niet meer de verlossing van Israël uit Egypte, maar de hereniging van het verstrooide volk uit alle streken der aarde, als de roemrijkste openbaring van Gods trouw, bij zijne plechtige eden vermelden zal. De vraag, of de heiligen onder het Oude Testament wel het Evangelie gekend hebben, is zoveel, alsof men ze vroeg: Hebben zij onder het Oude Testament wel brood gehad en gegeten? Indien er gene belofte des levens en der heerlijkheid onder het Oude Testament geweest ware, dan zouden de Profeten nog veel meer dan de apostelen gezegd kunnen worden: de ellendigste van alle mensen te zijn. Doch altijd hing er, al was het ook maar een lampje (zo als in Ps. 88), in de lange donkere tempelzaal; de lamp van David, de belofte Gods. Dat was hun bestendig licht, waarbij, zij arbeidden en leefden. De Heere onze gerechtigheid. Zo hebben wij dan ene levende, persoonlijke bron van de vergeving der zonde, en een altijd bij ons blijvenden Trooster, door wien wij altijd vergeving der zonde hebben; want de Heilige Geest en Jezus zijn niet te scheiden. Wij hebben tweeërlei voorspraak, de ene in den hemel: Christus; de ander in ons hart. De Heilige Geest. De Heere. Jehova: De spruit uit Davids stam zou dus niet enkel mens en koning, maar ook mens en God zijn. Doch hoe nu Jezus te gelijk waarachtig God en waarachtig mens kan zijn, dat kan den ene mens den anderen niet leren. Zulke dingen leert men alleen van God. Wien God het geloof geeft, dien onderwijst Hij zelf, en die weet de dingen Gods voor zichzelven, al kan hij ze ook den ongelovige niet wiskunstig bewijzen. De zalving des Heiligen Geestes, die ons alle dingen leert, is daarom waarachtig en gene leugen. Wij zouden ook het geloof het proefondervindelijk weten der geestelijke dingen kunnen noemen. Zelfs de Schrift kan niet meer doen, dan het brood des eeuwigen levens aanbieden en aanprijzen; doch hoe dat brood smaakt, en welke krachten het geeft, dat moet de mens zelf leren door het eten, door het geloven. Onze gerechtigheid. Gerechtigheid is onzondigheid. In de tegenwoordigheid Gods kan gene zonde bestaan. Zullen wij voor God bestaan, zo moeten wij ontzondigd worden. Dit geschiedt in de vergeving onzer zonden door God. Op welk een grond? Op grond der offerande van Christus, welke ene verzoening der zonde is bij God. De gerechtigheid is dus buiten ons, maar voor ons. Het is hiermede als met de zon. Is zij niet buiten en hoog boven ons; maar is zij niet voor ons; verlicht, verwarmt zij ons niet, en maakt zij niet al onze vruchten rijp? . Hier wordt niet alleen van den Christus getuigd dat Hij is God, boven allen te prijzen tot in eeuwigheid, maar ook wordt Hij als de Middelaar aangekondigd, die een eeuwige gerechtigheid zou aanbrengen, voor alle de zijnen. En dat de Profeet Hem noemt onze gerechtigheid, daaruit blijkt zo duidelijk mogelijk dat deze weet, dat niet alleen onder het N. maar ook onder het O. Verbond al de verbondelingen door Hem hun zaligheid, of liever hun gerechtigheid bij God hadden.
Daarom, om aan de bedreiging in Hoofdst. 16:14 vv. nu ook ene troostvolle voorzegging toe te voegen, ziet de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd!
Maar zo waarachtig als de HEERE leeft, die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en die het aangebracht heeft uit het land van het noorden en uit al de landen, waarhenen Ik ze gedreven had! Want zij zullen wonen in hun land. De heerlijke verschijning van den Herder aller herders is slechts als voorbijgaande; het oog van den Profeet wendt zich daarom terug tot de kudde, welke de Heere zeker eens uit Babel op haren grond zal doen wederkeren. Gods wonderbaar werk in de herstelling van het Joodse volk na zijne verstrooiing over de ganse aarde, gepaard met de toebrenging der Heidenen, welke door dat middel ook zal worden teweeg gebracht, zal zo verre overtreffen de wonderen, door God gewrocht bij de uitvoering van de Joden uit Egypte, dat deze niet zou verdienen genoemd of vergeleken te worden bij de andere. De Apostel noemt (Rom. 11:15) deze herstelling van de Joden een leven uit den dood.
Aangaande of tegen de Profeten, die valselijk in den naam des Heeren profeteren en met de priesters het volk in het verderf storten, even als de koningen en regenten (Hoofdst. 14:13 vv.), volgt nu het verdiende wee. Dit heeft al het voorkomen van het opschrift te zijn ener nieuwe godsspraak, wier inhoud door dit woord wordt aangeduid, als handelende van de valse profeten, van hun roekeloosheid en het lot, dat zij daardoor zich zelven en hun volk bereidden, waaraan Jeremia niet denken kan zonder de hevigste ontroering, waarvan het overige van dit vers gewaagt. Mijn hart wordt hij hetgeen Ik tegen die Profeten heb te zeggen, in mijn binnenste gebroken van wege het vreeslijke der ontvangene openbaring; al mijne beenderen bewegen zich daarover van ontzetting. Ik ben als een dronken man, die zich zelven niet meer machtig is, en als een man, dien de wijn te boven gaat; van wege den HEERE, en van wege de woorden Zijner heiligheid, die Hij mij heeft opgedragen, om ten opzichte der toestanden, die Zijne gerichten noodzakelijk maken te verkondigen. De grote liefde maakt den knecht Gods zo ijverig, dat hij geweldig op de verleiders loslaat. Hij denkt er niet aan, dat hij nu in een wespennest geslagen heeft, en voor altijd zijn leven verbitterd heeft; want hij heeft nog een hoger leven en het mindere geeft hij gaarne om der liefde wil. Toch zal de gehele wereld hem gehouden hebben voor enen onverbeterlijken en dollen ijveraar, die niets verschoont. Hij zegt zelfs, dat hij van God en Zijn woord als bedwelmd is, wanneer hij het land daarbij beschouwt. De toorn Gods heeft zijn hart verbroken en al zijn gebeente aangegrepen, zodat hij krachteloos wankelde en hij een dronken man gelijkt, die niet meer vast op zijn voeten kan staan. Hij gevoelt zich innerlijk geheel verslagen, waar hij niet slechts den schrik van het gericht ondervindt, hetwelk over de valse profeten en de valse priesteren, welke het volk tot dwaling hebben vervoerd, maar ook het schrikkelijk lijden, hetwelk over zijn volk zou komen.
Want het land, zo spreekt de Heere, is door die profeten en priesters vol overspelers (Hoofdst. 29:23), want het land treurt over de gruwelen van zijne bewoners (Hoofdst. 12:4; 14:2 vv.) van wege den vloek, die om de overtreding der geboden daarop is gelegd (Deut. 28:15 vv.). De weiden der woestijn, waarop het vee weidt, verdorren (Hoofdst. 9:10), omdat hun loop boos is, hun leven onophoudelijk in slechtheid is (Hoofdst. 5:8; 9:2. Jes. 59:7), en hun macht niet recht; zij zijn sterk in leugen en ontrouw (Hoofdst. 8:6).
Want beiden, profeten en priesters, zijn a) huichelaars(Hebr. onheiligen, heiligschenners); zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE; zelfs op de heilige plaats bedrijven zij de zonde der ontucht.
Jer. 6:13; 8:10; 14:18. Tot zulk ene ontucht boden de nissen en cellen van den tempel gelegenheid (vgl. 1 Sam. 2:22); en de priesters, dienstdoende naar de orde in hun klasse, waren van hun vrouwen verwijderd (Luk. 1:8 vv. 23 vv.). Den profeten, die veel in den tempel verkeerden, en die wellicht juist meer door vrouwen dan door mannen werden geraadpleegd (1 Kon. 14:2 vv. 2 Kon. 4:1, 8 wordt in vs. 14 uitdrukkelijk echtbreuk verweten.
Daarom, tot rechtvaardige straf voor zulk een verborgen zondigen, zal hun weg hun zijn als zeer a) gladde plaatsen in de b) donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen (Ps. 35:6. (Spr. 4:19): want Ik zal een kwaad over hen brengen in (liever: namelijk) het jaar hunner bezoeking(Hoofdst. 11:23), spreekt de HEERE.
(Ps. 73:18. b) Jer. 13:16.
Ik heb wel ongerijmdheid (Ps. 14:1) gezien in de profeten van Samaria, de hoofdstad van het rijk van Israël sedert het ontstaan van het goddelooste koningshuis (1 Kon. 16:33 vv.), profeten, die door Baäl profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden (1 Kon. 16:33), en men zou menen, dat iets ergers niet kon bestaan.
Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwlijkheid(Hoofdst. 5:30), die veel ontzettender is; zij bedrijven overspel en gaan om met valsheid, en sterken door hun bedrieglijke voorstellingen (vs. 17; Hoofdst. 6:14; 14:13) de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijne boosheid. In plaats van zich tot berouw te laten opwekken door de straffen, welke door Mijne profeten worden aangekondigd, verleiden zij niet alleen door hun voorbeeld tot het kwade, maar doen het ook door hun gezag daarin blijven, en houden het van het geloof terug (Ezech. 13:22). Zij allen zijn Mij, wat het gericht aangaat, dat Ik over hen zal doen komen, als Sodom en hare inwoners, de bewoners van Jeruzalem, die door hen zijn verdorven en op hun beurt de overige bewoners des lands hebben bedorven, als Gomorra (Deut. 32:32. Jes. 1:10).
Daarom zegt de HEERE der heirscharen, terwijl Hij overgaat tot de volvoering van het vonnis, van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal aan hen voor alle anderen en in bijzondere mate doen, wat Ik in Hoofdst. 9:15 het gehele volk heb gedreigd. Ik zal hen met alsem spijzigen en met a) gallewater drenken, Ik zal hun de bitterste en smartelijkste rampen toezenden, want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land, zodat het afvallige Israël nog voor vroom kan gehouden worden bij het verstokte Juda (Jer. 3:11 11).
Jer. 8:14. Dat is een natuurlijk gevolg der superoriteit, welke de akademiën, ministeriën enz. hebben en in hun mate moeten hebben. Wanneer zij op verkeerde wegen gaan, deelt het gehele land mede in hun verderf. Men bemerkt het in het gehele land, welke Theologen aan het roer zitten.
Zo zegt de HEERE der heirscharen tot degenen, die te Jeruzalem zijn en in het ganse land: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren, zodat gij aan hun voorzegging geloof zoudt schenken, en naar hun woorden uw gedrag zoudt regelen (Hoofdst. 27:14 vv.). Zij maken u ijdel, zij vervullen u met een dwaas, nietswaardig vertrouwen op ene gelukkige toekomst (Ezech. 11:2 vv.); zij spreken het gezicht huns harten niet uit des HEEREN mond, als had de Heere hun werkelijk iets geopenbaard en hun een bevel gegeven (Hoofdst. 14:14).
Zij a) zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren door verachting van Mijn waarachtig woord: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken, in ongeloof en volharding wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. Aan de tegenspraak tussen den inhoud van hun woord, en den toestand van hen, tot wie zij zich wenden, is duidelijk te zien, dat zij leugenprofeten zijn.
Jer. 6:14; 8:11. Ezech. 13:10. Zach. 10:2.
Want wie van ons-die profeten met hun aankondigingen van geluk, of ik met mijne bedreigingen in den naam van God-heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord en nu ook de waarheid gezegd? Men kan dit tweeledig opvatten, of als woorden van Jeremia aangaande de valse profeten: Wie hunner is in den raad des Heeren tegenwoordig geweest? Wie heeft Zijn woord verstaan en gehoord? Geen hunner! hun voorgewende Godspraken zijn louter verzinsels! Voor deze opvatting pleit de tekstlezing, welke in plaats van “Zijn woord” heeft: “mijne woorden. ” Of als een gezegde in den mond der valse profeten, die in het slot van het vorig vers reeds sprekend worden ingevoerd; waarmee zij te kennen geven, dat het een louter voorgeven van Jeremia was, dat hij zijne profetieën van Godzelven had ontvangen; het was immers ene ongerijmdheid, dat iemand in den raad van God zou gezeten en daar iets gezien of gehoord hebben! En voor deze opvatting pleit de gemakkelijkheid der verklaring en de gestrenge uitspraak in het onmiddellijk volgende vers. Het is dan opmerkelijk, dat sommige hedendaagse uitleggers der oude profeten dezelfde taal voeren, die Jeremia aan de valse profeten toeschrijft.
Spoedig genoeg zal het openbaar worden. Ziet, een a) onweder, een alles verwoestend oordeel des HEEREN, ene grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk onweder: het zal blijven op der goddelozen hoofd.
Jer. 30:23, 24.
Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen (liever: in latere dagen) zult gij met verstand daarop letten. Bij de uitkomst zal het blijken, wie in des Heeren raad heeft gestaan en wie Zijn woord heeft gehoord (Hoofdst. 30:23).
Maar reeds nu laat de Heere u weten, hoe het is met degenen, die u enkel geluk beloven; wanneer gij slechts Zijn getuigenis wilt aannemen? Ik heb die profeten niet gezonden, zo heeft de Heere uitdrukkelijk tot Mij gesproken, en ik heb het u getrouw overgebracht (Hoofdst. 14:14), nochtans hebben zij gelopen om hun gewaande openbaringen te verbreiden: Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
Maar zo zij in Mijnen raad hadden gestaan, zo als zij voorgeven (vs. 18), zo zouden zij Mijn volk Mijne woorden, die Ik werkelijk gesproken heb, hebben doen horen, en zouden hen, omdat een goede boom slechts goede vruchten kan voortbrengen, en een waar Profeet alleen heilzaam op het volk kan werken (Matth. 7:15 vv.), afgekeerd hebben van hunnen bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen. Nu zij echter de boosaardigen sterken, opdat niemand zich bekere van zijne boosheid (vs. 14), is het duidelijk, dat zij met leugen omgaan. Zij zouden getracht hebben de menigte af te trekken en terug te roepen van hun boos gedrag, gelijk Mijne andere getrouwe boden en Profeten doen (Hoofdst. 25:3-5), en (vs. 17 Zo versta men de plaats liever dan ze met anderen, de Vulgata volgende te verklaren, dat, indien de valse Profeten den volke Gods woord getrouw hadden voorgedragen, het dan zou zijn bekeerd geworden; want dit is niet altijd het lot van getrouwe knechten en Gods ware Profeten (Jes. 49:4; 53:1), ja is dat niet geweest van den Heiland zelven, toen Hij op aarde was (Matth. 11:20. Joh. 12:36, 38).
Zouden die Profeten misschien denken, dat Ik niet hoorde en zag wat zij doen? Ben Ik aan God van nabij, zodat Ik alleen zou weten wat er in den hemel geschiedt, spreekt de HEERE, en niet een God van verre, zodat Ik onkundig zou wezen van hetgeen op aarde voorvalt?
Hier verwijt Hij aan de hypocrieten hun aanmatiging, dewijl zij zo gevoelloos waren in hun ondeugden, dat zij meenden, dat zij op allerlei manier God de ogen konden verblinden. Niet dat zij aldus hebben gesproken. Maar nooit zou de slaperigheid bij de mensen zo groot zijn, indien zij er van overtuigd waren, dat voor God niets verborgen is, maar dat Hij doordringt tot de verborgenste overleggingen van het hart, onderscheidt tussen de overleggingen en aandoeningen en van de verborgene drijfveren niet onkundig is. Indien dit derhalve bij allen vast stond zouden zij met te groter eerbied aan God zich onderwerpen en vervolgens vreze koesteren voor Zijne bedreigingen. Hiermede wil de Heere God zich doen kennen als degene, die niet alleen weet wat nabij, maar ook wat van verre is. De leugenprofeten deden het voorkomen alsof de Heere God hen niet zag, hen niet hoorde, van hen daarom geen kennis nam. En hiertegen komt de Heere God op. Daarom zegt Hij ook in het volgende vers: Ik heb wel gehoord enz.
Zou zich, o dwaze mens! iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat ik hem niet zou zien (Hoofdst. 16:17. Ps. 139:7 vv. Amos 9:2 vv.)? spreekt de HEERE. Vervul Ik niet den hemel en de aarde? (1 Kon. 8:27. Jes. 66:1) spreekt de HEERE.
Ik heb het wel gehoord, wat de Profeten zeggen, alsof Ik ze tot Mijne predikers had geroepen (Hoofdst. 1 5:19), die in Mijnen naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, Ik heb gedroomd 1), en in dien droom ene openbaring gehad.
Onder de vormen der Goddelijke openbaring, die in Num. 12:6 vv. genoemd worden, neemt de droom de minste plaats in, want daarin kunnen het gemakkelijkst de bedrieglijke voorstellingen van het eigen hart den schijn van Goddelijke openbaring aannemen. Bovendien onttrekt zich de droom het meest aan de controle van anderen; niets is daarom gemakkelijker, dan te zeggen: “ik heb dit of dat gedroomd. ” Met het oog daarop wordt dan ook reeds in Deut. 13:1 vv. een dromer voorgesteld als ongeveer hetzelfde als een valse Profeet. In het geval, dat voor ons ligt, moet nu de voorgewende openbaring reeds zeer verdacht maken, dat zij slechts wisten te zeggen: “ik heb gedroomd. ” Vooral in lateren tijd gingen, zo als het schijnt, de dromen hand in hand met de waarzeggerij (Zach. 10:2). Geen van de Profeten, van welke wij geschriften bezitten, beroept zich daarom later op dezen vorm van goddelijke mededeling. Eerst in Matth. 1:20; 2:13 en 19; 27:19 wordt hij weer gevonden; het laatste geval behoort echter slechts gedeeltelijk hiertoe. Zij dachten dat God zo veel te doen had met de andere wereld, dat Hij geen gelegenheid had om kennis te nemen van deze, of zich te bemoeien met hetgeen daar gebeurt. Maar God wil hen doen weten, dat Hij al hun bedriegerijen, al de schande weet die zij op de wereld gebracht hebben, onder den schijn van goddelijke openbaring. Wat zij het volk wilden inboezemen, geven zij voor in een droom van God ontvangen te hebben, daar ondertussen hun nooit zo iets gebeurde. Dit kan het volk niet ontdekken, want als een mens mij verhaalt hij heeft zo en zo gedroomd, kan ik hem niet tegenspreken, en hij weet dat ik dat niet kan doen. Maar God ontdekt het bedrog.
Hoe lang zal dit duren? Hoelang zullen zij met die bedriegerijen voortgaan in Mijnen naam? Is er dan een droom in het hart der Profeten, die de leugen profeteren? Neen, Ik gaf ze nimmer zulk een droom in het hart. Ja, het zijn Profeten van huns harten bedriegerij. 1)
De zin is deze. De Heere vraagt hoe lang nog? Hoe lang zullen deze leugenprofeten nog de leugen profeteren, in den naam des Heeren? Hun bedoeIing was, om den naam des Heeren in vergetelheid te brengen, in den zin, dat het volk de wonderdaden Gods zouden vergeten, zouden vergeten dat het de Heere was, die hen geleid had en tot een zelfstandig volk had gemaakt.
Die daar denken, het doel hebben, om Mijn volk Mijnen naam te doen {a} vergeten door hun dromen, die zij, een ieder zijnen naaste, vertellen. Niet de ene Profeet verhaalt het den anderen, maar de Profeet aan een zijner naasten, die het dan weer aan anderen verkondigt. Zij zoeken dat, gelijk als hun vaders, die Mijnen naam vergeten hebben door Baäl, dien zij willen dienen, alsof zij op hem verzot waren. {a} Richt. 3:7; 8:33, 34.
De Profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom, wanneer hij daarop verzot is, maar geve dien niet voor enen goddelijke openbaring uit; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk. Wat heeft het stro met het koren te doen? Dromen zijn toch inderdaad slechts stro, Mijn woord, dat de goede tarwe is, mag daarmee niet vermengd worden, spreekt de HEERE. Hij late mijnen naam met vrede en zegge niet, dat het Mijne woorden zijn wat hij gedroomd heeft, maar dat het zijn woord is en zijnen naam draagt. Luther zegt: “Wie zijn mond niet kan houden, die storte zijn hart uit, maar hij zegge het open en eerlijk, dat het zijne dromen zijn, die hij predikt. ” De valse Profeten weten wel, dat enkel leugens niets dan stro is; zij mengen er daarom altijd iets van het ware woord van God onder; zo is er tarwe onder het stro. Ene heilloze vermenging! In dit vermengen bestaat de grootste kunst van den satan, waardoor hij tevens zijn werk alleen bevordert en tegen zich zelven getuigt. De Profeet maakt een juist en nauwkeurig onderscheid tussen droom en woord, tussen verhalen en spreken; den droom behandele men als een droom, en men verhale dien; het woord spreke men getrouw en beslist.
Is Mijn woord niet alzo als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die ene steenrots te morzel slaat? 1) (Hebr. 4:12).
Hij bevestigt hier wat Hij gezegd heeft over het stro en het hooi, maar met andere woorden. Die vergelijking was geschikt, waar Jeremia het woord Gods vergelijkt met het koren en de verdichtselen van den mens met stro. Maar dewijl de Joden om hun ondankbaarheid bewerkt hadden dat zij geen vrucht uit het woord Gods hadden ontvangen, n. l. dat het hun tot geestelijk voedsel was geworden, daarom zegt de Profeet dat het zou zijn als vuur en als een hamer, alsof hij wil zeggen, dat de Joden zich beroofd hadden van den smaak er in, dewijl zij in hun boosheid waren verstompt geworden, maar dat zij het woord Gods echter niet konden uitroeien, noch veel minder de indrukken er van konden wegnemen, dewijl zoals Paulus zegt (2 Kor. 2:16) indien het niet een reuk des levens ten leven, het ten minste is een reuk des doods ten dode voor hen, die verloren gaan. Men kan mijn woord gemakkelijk onderscheiden van de menselijke mening; want mijn woord heeft ene bijzondere kracht en werking. Het ontvlamt het hart tot geestelijk leven, tot liefde jegens God en den naaste, zodat de mens brandend wordt in den geest; het reinigt en loutert steeds meer de harten der goddelozen, en verslaat als een hamer de harten en gewetens der goddelozen, daar zij er krachtig onder bewogen, overtuigd en overwonnen worden. Gods woord bekeert, elke andere leer verdwaast. Daar is een zeer groot verschil tussen de verdichtselen der mensen en het zuivere woord van God, als tussen het kaf en het koren. Zo volgt er in vs 29 : Is Mijn woord niet anders als een vuur, spreekt de Heere? Is hun woord zo? Heeft het die kracht en uitwerking die het woord Gods heeft? Neen niets dat daaraan gelijkt. Daar is geen meer gelijkenis in, dan in een geschilderd vuur en in een waar vuur. Dit is een dwaallicht, dat de mens van den weg af op bijpaden leidt, en in gevaarlijke diepten. Het vuur heeft tweeërlei uitwerking. Het reinigt en zuivert of het verteert. De hamer vermorzelt, indien het hart niet smelten wil door het vuur van Gods woord. Wie hier niet buigen wil zal moeten bukken voor den hogen God. Men moge zich tegen het woord Gods verzetten: God en Zijn woord zullen toch ten slotte het laatste woord hebben.
Daarom ziet, a) Ik wil aan de Profeten, Ik zal tot hen komen met Mijn gericht (Jes. 5:8), spreekt de HEERE, die Mijne woorden stelen, een ieder van zijnen naaste. Uit oude Godspraken nemen zij woorden en spreekwijzen over, om zo aan hun woorden den schijn te geven, of zij ze van Mij hadden ontvangen en de een leert dat van den ander.
Deut. 18:20. Jer. 14:14, 15.
Op drieërlei zonden wordt hier gewezen. Vooreerst dat zij, de valse Profeten, wijl zij niet geïnspireerd waren door den H. Geest, van anderen stalen wat zij spraken, om daarmee aan hun redenen nog een goddelijk karakter te geven. Ten tweeden dat zij hun tongen gebruikten om wat zij spraken voor echte woorden Gods uit te geven. Ten derden dat zij voorgaven openbaringen door dromen te hebben ontvangen, terwijl het toch dromen der leugens waren.
Ziet, Ik wil aan de Profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, hun eigen woord voortbrengen, en om hun eigene mening tot een woord van God te bestempelen, spreken: Hij, de Heere, heeft het gesproken.
Ziet, Ik wil aan degenen, die valse, gelogene dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun a) lichtvaardigheid (Exod. 21:22); daar Ik hen niet gezonden en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, maar het slechts te meer in slaap wiegen en in zijne boosheid sterken, spreekt de HEERE.
Zef. 3:4. Drie zonden van leraars en Profeten worden in vs. 30 en 31 vermeld. 1. Eigen liefde, die met vreemde veren wil pronken, waar de een den ander Gods woord ontsteelt en zich ten nutte maakt wat den ander gegeven is, om er mede te schitteren. 2. Ontrouw, die Gods woord veracht, en naar willekeur er eigene menschenwoorden voor in plaats stelt. 3. Geestdrijverij of dweperij, die met dromen en visioenen de verbeelding bevredigen en bewondering wekken wil, in stede van met Gods waarheid de gewetens gezond te houden. Niemand kan Gods zegen over zijn ambt verwachten, die niet door Hem tot den heiligen dienst geroepen en gezonden is. Niemand stote zich daaraan, wanneer valse leraars nog niet van wege hun valse leer door God gestraft worden; zij zullen niet ongestraft blijven, maar op hunnen tijd ontvangen, wat hun daden verdienden.
Wanneer dan dit volk of een profeet of priester in het vervolg u, Jeremia, weer op spottende wijze vragen zal, zegende: Wat is des HEEREN last, dien gij ons te brengen hebt? zo zult gij tot hen zeggen: Wat is de last? dat Ik 1) ulieden verlaten zal als een last, dien Ik niet langer kan dragen (Hoofdst. 7:29 12:7. (Jes. 1:14), spreekt de HEERE.
Uit deze plaats, blijkt duidelijk genoeg, dat er zeer grote weerspannigheid bij de Joden is geweest, zodat zij zich van alle zij den stof tot zorgeloosheid vermeerderden, alsof zij ongestraft God konden verachten, waar zij Zijn woord verwierpen. Want ook door dat kunstmiddel bedriegt de duivel de goddelozen, waar hij of het woord Gods hen hatelijk maakt of verachtelijk. En wanneer hij hun gemoederen kan verbitteren om de woorden Gods niet aan te horen zonder haat en bitterheid, heeft hij verkregen wat hij wilde. Het schijnt ene gewoonte geweest te zijn, dat men de Profeten, als zij zich vertoonden, vroeg, of hun ook ene nieuwe openbaring was ten deel geworden. Daarbij gebruikte men voor “openbaring” waarschijnlijk het woord massa, dat volgens de opmerking bij Jes. 13:1 in 1 ‘t algemeen ene Godsspraak betekent (Klaagl. 2:14). Daar echter het woord ook “last” betekent, en het voornamelijk Jeremia’s roeping was, om dreigende gerichts-uitspraken van God tegenover de valse Profeten te verkondigen, zo wendde men bij hem hetzelfde slechts in dezen laatsten zin aan, om daardoor te kennen te geven, dat elke nieuwe voorzegging in zijnen mond niets, dan een nieuwe last was, dien hij over het volk bracht, dat er alleen iets lastigs en nooit iets verblijdens van dien God kwam, in wiens dienst hij zich had gesteld, en men vroeg spottend: Nu, Jeremia wat massa hebt gij weer te brengen? Voor zulk ene misdadige bespotting van het woord Gods, die dat zoekt af te slaan, wordt nu de weg daardoor afgesneden, dat op het verder gebruik van het misbruikte woord een plechtig verbod wordt gelegd. Als het woord van God den mensen onverdraaglijk voor den Heere, onzen God; zij zijn den niets anders den een nutteloze last, dien het land niet meer kan dragen, daarom moeten zij worden uitgeroeid.
En aangaande den profeet of den priester of het volk, datten opzichte van ene door u hun medegedeelde (Godsspraak zeggen zal: Des HEEREN last, dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis, behalve het algemene oordeel nog in ‘t bijzonder over dien.
Aldus zult gijlieden zeggen, opdat het zo schandelijk misbruikte woord geheel vermeden worde, Een iegelijk tot zijnen naaste en een iegelijk tot zijnen broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?
Maar des HEEREN last zult gij bij de Godspraken, die tot u komen, niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn 1), dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God, die in een geheel verkeerd gezichtspunt stelt.
Uwe spotternij zal u lastig genoeg worden en rampzalige gevolgen hebben.
Aldus zult gij zeggen tot den profeet, dien gij door die uitdrukking wildet honen en ergeren, gelijk reeds in vs. 35 omtrent alle profeten is opgemerkt: Wat heeft u de HEERE geantwoord? en wat heeft de HEERE gesproken?
Maar dewijl (liever: wanneer) gij ondanks Mijn verbod zegt: Des HEEREN last, daarom zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last.
Daarom ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten (liever: opnemen, gelijk men een last opheft, dien men wil wegwerpen), en u mitsgaders de stad, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten (Hoofdst. 29:11). Helaas zelfs het Evangelie is voor velen een last, het aandringen op veranderen van hart en leven ten minste, en toch moest het ons een zacht juk zijn (Matth. 11:30). Welk het gevolg van zulk ene gezindheid is blijkt uit vs. 30 v. en 38Ä40. De woorden van God, hoewel dus verkeerd, zullen vervuld worden. Indien zij vroegen: wat is de last des Heeren, laat de Profeet hen vragen wat voor last zij menen. Het is die: Ik zal u laten varen en geen gedachten hebben, om tot u weer te keren. Zodanige zijn inderdaad ellendig, die van God vergeten en verlaten zijn, en het spotten van de mensen met Gods oordelen zal dezelve niet stuiten. Gods woord zal verhoogd worden en geëerbiedigd, wanneer zij, die hetzelve bespotten, veracht en versmaad zullen zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel