Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
HoortH8085 ditH2063, gij priestersH3548! en merktH7181 op, gij huisH1004 IsraelsH3478! en neemt ter oren, gij huisH1004 des koningsH4428! want ulieden gaat dit oordeelH4941 aan, omdatH3588 gij een strikH6341 zijt geworden te MizpaH4709, en een uitgespannenH6566 netH7568 opH5921 ThaborH8396.
Hoort dit, gij priesters! en merkt op, gij huis Israels! en neemt ter oren, gij huis des konings! want ulieden gaat dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor.
Ook in dit vers
neemt orenH238
KJV
Hear1
ye this, O priests;3
and hearken,4
ye house5
of Israel;6
and give ye ear,9
O house7
of the king;8
for judgment12
is toward you, because ye have been a snare14
on Mizpah,16
and a net17
spread18
upon Tabor.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En die afwijkenH7846, verdiepenH6009 zich om te slachtenH7819; maar IkH589 zal hun allenH3605 een tuchtmeesterH4148 zijn.
En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.
KJV
And the revolters2
are profound3
to make slaughter,1
though I have been a rebuker
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
IkH589 kenH3045 EfraimH669, en Israel is voor Mij nietH3808 verborgenH3582; datH3588 gij, o EfraimH669! nuH6258 hoereertH2181, en Israel verontreinigdH2930 is.
Ik ken Efraim, en Israel is voor Mij niet verborgen; dat gij, o Efraim! nu hoereert, en Israel verontreinigd is.
Ook in dit vers
IsraelH3478
KJV
I know2
Ephraim,3
and Israel4
is not hid6
from me: for now, O Ephraim,11
thou committest whoredom,10
and Israel13
is defiled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zij stellenH5414 hun handelingenH4611 nietH3808 aan, om zich tot hun GodH430 te bekerenH7725; wantH3588 de geestH7307 der hoererijenH2183 is in het middenH7130 van hen, en den HEEREH3068 kennenH3045 zij nietH3808.
Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest der hoererijen is in het midden van hen, en den HEERE kennen zij niet.
KJV
They will not frame2
their doings3
to turn4
unto their God:6
for the spirit8
of whoredoms9
is in the midst10
of them, and they have not known14
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Dies zal IsraelH3478 hovaardijH1347 in zijn aangezichtH6440 getuigenH6030; en IsraelH3478 en EfraimH669 zullen vallenH3782 door hun ongerechtigheidH5771; ookH1571 zal JudaH3063 metH5973 hen vallenH3782.
Dies zal Israel hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israel en Efraim zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.
KJV
And the pride2
of Israel3
doth testify1
to his face:4
therefore shall Israel5
and Ephraim6
fall7
in their iniquity;8
Judah11
also shall fall
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Met hun schapenH6629, en met hun runderenH3212 zullen zij dan gaan, om den HEEREH3068 te zoekenH1245, maar nietH3808 vindenH4672; Hij heeft Zich van hen onttrokkenH2502.
Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij dan gaan, om den HEERE te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen onttrokken.
KJV
They shall go3
with their flocks1
and with their herds2
to seek4
the LORD;6
but they shall not find8
him; he hath withdrawn
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zij hebben trouwelooslijkH898 gehandeld tegen den HEEREH3068; wantH3588 zij hebben vreemdeH2114 kinderenH1121 gewonnenH3205; nuH6258 zal hen de nieuwe maandH2320 verterenH398 metH854 hun delenH2506.
Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den HEERE; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen.
KJV
They have dealt treacherously2
against the LORD:1
for they have begotten6
strange5
children:4
now shall a month9
devour8
them with their portions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
BlaastH8628 de bazuinH7782 te GibeaH1390, de trompetH2689 te RamaH7414; roept luideH7321 te Beth-AvenH1007; achterH310 u, BenjaminH1144!
Blaast de bazuin te Gibea, de trompet te Rama; roept luide te Beth-Aven; achter u, Benjamin!
KJV
Blow1
ye the cornet2
in Gibeah,3
and the trumpet4
in Ramah:5
cry aloud6
at Bethaven,7
after9
thee, O Benjamin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EfraimH669 zal tot verwoestingH8047 worden, ten dageH3117 der strafH8433; onder de stammenH7626 IsraelsH3478 heb Ik bekendH3045 gemaakt, dat gewisH539 isH1961.
Efraim zal tot verwoesting worden, ten dage der straf; onder de stammen Israels heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is.
KJV
Ephraim1
shall be desolate2
in the day4
of rebuke:5
among the tribes6
of Israel7
have I made known8
that which shall surely be.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De vorstenH8269 van JudaH3063 zijnH1961 geworden, gelijk die de landpalenH1366 verrukkenH5253; Ik zal Mijn verbolgenheidH5678, als waterH4325, overH5921 hen uitgietenH8210.
De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid, als water, over hen uitgieten.
KJV
The princes2
of Judah3
were like them that remove4
the bound:5
therefore I will pour out7
my wrath9
upon them like water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EfraimH669 is verdruktH6231, hij is verpletterdH7533 met rechtH4941; wantH3588 hij heeft zo gewildH2974; hij heeft gewandeldH1980 naar het gebodH6673.
Efraim is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod.
KJV
Ephraim2
is oppressed1
and broken3
in judgment,4
because he willingly6
walked7
after8
the commandment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Daarom zal IkH589 EfraimH669 zijn als een motH6211, en den huizeH1004 van JudaH3063 als een verrottingH7538.
Daarom zal Ik Efraim zijn als een mot, en den huize van Juda als een verrotting.
KJV
Therefore will I be unto Ephraim3
as a moth,2
and to the house5
of Judah6
as rottenness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Als EfraimH669 zijn krankheidH2483 zagH7200, en JudaH3063 zijn gezwelH4205, zo toogH3212 EfraimH669 totH413 AssurH804, en hij zondH7971 totH413 den koningH4428 JarebH3377; maar dieH1931 zal ulieden niet kunnen genezenH7495, en zal het gezwelH4205 vanH4480 ulieden niet helenH1455.
Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.
KJV
When Ephraim2
saw1
his sickness,4
and Judah5
saw his wound,7
then went8
Ephraim9
to the Assyrian,11
and sent12
to king14
Jareb:15
yet could18
he not heal19
you, nor cure22
you of your wound.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Want Ik zal EfraimH669 zijn als een felle leeuwH7826, en den huizeH1004 van JudaH3063 als een jonge leeuwH3715; Ik, Ik zal verscheurenH2963 en henengaanH3212; Ik zal wegvoerenH5375, en er zal geenH369 redderH5337 zijn.
Want Ik zal Efraim zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.
KJV
For I will be unto Ephraim4
as a lion,3
and as a young lion5
to the house6
of Judah:7
I, even I, will tear10
and go away;11
I will take away,12
and none shall rescue
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik zal henengaanH3212 en kerenH7725 weder tot Mijn plaatsH4725, totdatH5704 zij zichzelven schuldig kennenH816 en Mijn aangezichtH6440 zoekenH1245; als hun bangeH6862 zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoekenH7836.
Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.
KJV
I will go1
and return2
to my place,4
till they acknowledge their offence,7
and seek8
my face:9
in their affliction10
they will seek me early.
priesters
De profeet schijnt hier de drie standen van het koninkrijk van Israël onderscheidenlijk aan te spreken: de kerkelijke, de oudsten van het volk en den koning. Doch sommigen menen dat het huis Israëls hier de tien stammen betekent, en door den koning de koning van Juda verstaan wordt.
Hertaald:
priesters
De profeet lijkt hier de drie standen van het koninkrijk Israël afzonderlijk aan te spreken: de kerkelijke stand, de oudsten van het volk en de koning. Maar sommigen menen dat het huis van Israël hier de tien stammen aanduidt en dat met de koning de koning van Juda bedoeld wordt.
ulieden gaat dit oordeel aan,
Hebreeuws, tot, of voor ulieden [is] dit oordeel: te weten Gods; dat is, deze straf gaat u aan; zie Jer. 48:21 . Anders: u betaamt het gericht, of recht; dat is, gij behoordet recht te doen; en dan voorts, maar gij zijt een strik. Vergelijk Mi. 3:1 , en Mal. 2:1 , Mal. 2:4 .
Hertaald:
ulieden gaat dit oordeel aan,
Hebreeuws: tot of voor u is dit oordeel, namelijk dat van God; dat is: deze straf gaat u aan; zie Jer. 48:21. Anders: u betaamt het recht, dat is: u behoorde recht te doen — en dan verder: maar u bent een strik. Vergelijk Micha 3:1 en Mal. 2:1, Mal. 2:4.
strik zijt geworden
Dat is, als een strik; idem, als een net.
Hertaald:
strik zijt geworden
Dat is: als een strik, of ook: als een net.
Mizpa,
Daar waren verscheidene hoogten en plaatsen van dezen naam aan beide zijden der Jordaan: van Mizpa in Gilead, zie Richt. 10:17 , met de aantekening. Dit kan men aldus nemen dat de afgodische regenten en priesters der tien stammen aan beide zijden van de Jordaan op de hoogten wachten hebben besteld om te loeren op allen, die naar Jeruzalem mochten trekken om den waren godsdienst te oefenen, om die te vermoorden; waarop ook het begin van Joz. 5:2 kan zien. Vergelijk onder Hos. 6:9 , met de aantekening en Hos. 7:1 ; idem, 1 Kon. 15:17 , en de aantekening aldaar. Anderen verstaan het alzo, dat zij met allerlei listen en vonden de ingezetenen gezocht hebben te trekken tot hun aangestelde afgoderij, om die als Gode behagelijk te doen goedvinden, handelende alzo met de mensen gelijk de vogelvangers en jagers met de vogels en het wild op deze beide hoge bergen plegen te doen.
Hertaald:
Mizpa,
Er waren aan beide zijden van de Jordaan verschillende hoogten en plaatsen met deze naam; over Mizpa in Gilead, zie Richt. 10:17 met de aantekening. Men kan dit zo opvatten dat de afgodische bestuurders en priesters van de tien stammen aan beide zijden van de Jordaan op de hoogten wachtposten hadden neergezet, om te loeren op allen die naar Jeruzalem trokken om de ware godsdienst te oefenen, en hen te vermoorden; daarop kan ook het begin van Joz. 5:2 zien. Vergelijk Hos. 6:9 met de aantekening en Hos. 7:1, en ook 1 Kon. 15:17 met de aantekening daar. Anderen vatten het zo op dat zij met allerlei listen en streken de inwoners tot hun ingestelde afgoderij probeerden te trekken, om die als God welgevallig te doen aanvaarden, en zo met de mensen omgingen zoals vogelvangers en jagers op deze twee hoge bergen met de vogels en het wild plegen te doen.
Thabor
Van den berg Thabor zie Richt. 8:18 .
Hertaald:
Thabor
Over de berg Thabor, zie Richt. 8:18.
verdiepen zich om te slachten;
Wanneer de uitgezonden afvallige Israëlieten van de hoogten der voorschreven bergen enige vrome voorbijgangers hebben gezien, dan begeven zij zich in de laagten om die onvoorziens te vangen en te vermoorden. Sommigen zetten het aldus over: Zij verdiepen zich om de afgaanden of afwijkenden [te weten van het afgodisch Israël naar Juda en Jeruzalem] te kelen; den zin opeen uitkomende. Anderen verstaan het van diep te zondigen door het moorden der vromen, en zetten het over: verdiepen, of vermenigvuldigen het slachten; [dat van het voorzegde weinig verscheelt] of, van de diepe praktijken en arglistige vonden om het slachten der afgodische offeranden [dat God voor onnut slachten, kelen der beesten houdt, Jes. 66:3 ] , goed te maken bij het volk, waarvan in de voorgaande aantekening. Het Hebreeuwse woord wordt van beide gebruikt; van zich in diepe plaatsen te begeven, versteken, verbergen, gelijk Jer. 49:8 , Jer. 49:30 , en van diep zondigen, gelijk Jes. 31:6 , onder Hos. 9:9 , en van beide tezamen [zo het schijnt] Jes. 29:15 , met welke plaatsen deze beide verzen, vs.2,3, ook bekwamelijk kunnen worden vergeleken.
Hertaald:
verdiepen zich om te slachten;
Wanneer de uitgezonden afvallige Israëlieten vanaf de hoogten van de genoemde bergen enkele vrome voorbijgangers gezien hadden, begaven zij zich in de dalen om die onverwacht te grijpen en te vermoorden. Sommigen vertalen het zo: zij verdiepen zich om de afwijkenden — namelijk die van het afgodische Israël naar Juda en Jeruzalem gaan — te kelen; dat komt op hetzelfde neer. Anderen verstaan het als diep zondigen door het vermoorden van de vromen, en vertalen: zij verdiepen of vermenigvuldigen het slachten (wat weinig van het voorgaande verschilt); of van de diepe streken en listige vondsten om het slachten van de afgodische offeranden — dat God als nutteloos slachten en kelen van de dieren beschouwt, Jes. 66:3 — bij het volk goed te praten, waarover de vorige aantekening. Het Hebreeuwse woord wordt voor allebei gebruikt: voor zich in diepe plaatsen begeven, zich verschuilen of verbergen (zoals Jer. 49:8, Jer. 49:30) en voor diep zondigen (zoals Jes. 31:6 en Hos. 9:9), en naar het lijkt voor allebei tegelijk in Jes. 29:15 — plaatsen waarmee deze twee verzen 2 en 3 ook goed vergeleken kunnen worden.
tuchtmeester zijn
Hebreeuws, tucht; dat is, tuchter, tuchtmeester, welk woord voor tuchtigen met woorden en slagen gebruikt wordt. Zie Spr. 7:22 . Anders: hoewel Ik hun allen een tuchtmeester geweest ben; dat is, hen anders onderwezen en geleerd heb door mijne profeten.
Hertaald:
tuchtmeester zijn
Hebreeuws: tucht; dat is: tuchtiger, tuchtmeester, welk woord gebruikt wordt voor tuchtigen met woorden en met slagen. Zie Spr. 7:22. Anders: hoewel Ik voor hen allen een tuchtmeester geweest ben, dat is: hen wel degelijk onderwezen en geleerd heb door Mijn profeten.
dat gij, o Efraïm
Alsof God zeide: Gij zult mij uw hoerdom niet verduisteren met ontkennen of bemantelen, Ik heb u al te veel op de daad betrapt.
Hertaald:
dat gij, o Efraïm
Alsof God zei: u zult Mij uw hoererij niet verbergen door haar te ontkennen of te bemantelen; Ik heb u er al te vaak op betrapt.
stellen hun handelingen niet aan,
Of, hunne handelingen geven het niet dat zij, enz. Of, zij begeven zich niet [met] hunne handelingen, om, enz. Beide manieren van spreken zijn ook in onze taal gebruikelijk. Anders: hunne werken zullen het niet toelaten dat zij, enz. Vergelijk Ps. 36:3 , Ps. 36:5 , en Ps. 55:20 , en Ps. 64:6 .
Hertaald:
stellen hun handelingen niet aan,
Of: hun daden laten het niet toe dat zij, enzovoort. Of: zij zetten zich met hun daden er niet toe om, enzovoort. Beide manieren van spreken zijn ook in onze taal gebruikelijk. Anders: hun werken zullen niet toelaten dat zij, enzovoort. Vergelijk Ps. 36:3, Ps. 36:5, Ps. 55:20 en Ps. 64:6.
geest der hoererijen
Zie boven Hos. 4:12 .
Hertaald:
geest der hoererijen
Zie Hos. 4:12.
kennen zij niet
Hoewel zij hunne afgoderij met zijn naam zoeken te bemantelen. Zie boven Hos. 4:1 , Hos. 4:15 .
Hertaald:
kennen zij niet
Hoewel zij hun afgoderij met Zijn naam proberen te bemantelen. Zie Hos. 4:1, Hos. 4:15.
zal Israël
Anders: getuigt, of antwoordt. Alzo onder Hos. 7:10 . De zin is: Hun stoute en hardnekkige verachting van alle getrouwe vermaningen en waarschuwingen mijner profeten is zo openbaar, dat zij niet kan worden geloochend, en zal tegen hen staan en als onder hunne ogen, of hen in het aangezicht beschamen en tegen getuigen in mijn gericht, tot hunne overtuiging, en een bewijs dat zij met groot recht van mij gestraft zijn; vergelijk Jes. 59:12 ; Jer. 14:7 ; Am. 6:8 ; Sef. 2:10 . En een gelijke manier van spreken van het tegendeel, Gen. 30:33 . Anders: Israëls heerlijkheid, hoogheid, uitnemendheid, enz.; dat is, de zegen, door welken Ik hen zozeer verhoogd heb, zal hen overtuigen van hunne ondankbaarheid.
Hertaald:
zal Israël
Anders: getuigt, of antwoordt; zo ook Hos. 7:10. De betekenis is: hun brutale en hardnekkige verachting van alle trouwe vermaningen en waarschuwingen van Mijn profeten is zo openlijk dat zij niet ontkend kan worden. Zij zal tegen hen staan, hen als het ware onder hun ogen en in hun gezicht beschamen en in Mijn gericht tegen hen getuigen, tot hun overtuiging en als een bewijs dat zij met groot recht door Mij gestraft zijn; vergelijk Jes. 59:12; Jer. 14:7; Amos 6:8; Zef. 2:10. Een soortgelijke manier van spreken in het tegendeel staat in Gen. 30:33. Anders: Israëls heerlijkheid, hoogheid of uitnemendheid; dat is: de zegen waarmee Ik hen zo verhoogd heb, zal hen overtuigen van hun ondankbaarheid.
vallen door hun ongerechtigheid;
Zie boven Hos. 4:5 , en onder Hos. 14:2 .
Hertaald:
vallen door hun ongerechtigheid;
Zie Hos. 4:5 en Hos. 14:2.
zal Juda met hen vallen
Hebreeuws, is gevallen.
Hertaald:
zal Juda met hen vallen
Hebreeuws: is gevallen.
schapen,
Om God door offeranden te paaien en hulp van Hem te verkrijgen, maar tevergeefs. Vergelijk 2 Kon. 23:21-22 , 2 Kon. 23:26 .
Hertaald:
schapen,
Om God door offeranden gunstig te stemmen en hulp van Hem te krijgen, maar tevergeefs. Vergelijk 2 Kon. 23:21-22, 2 Kon. 23:26.
onttrokken
Of, losgemaakt, vrijgemaakt, niet meer met hen willende te doen hebben, dewijl zij hem met hunne gruwelen lastig en verdrietig waren.
Hertaald:
onttrokken
Of: losgemaakt, vrijgemaakt; Hij wil niets meer met hen te maken hebben, omdat zij Hem met hun gruwelen lastig en verdrietig waren.
vreemde kinderen gewonnen;
Uithuwelijken met heidense vrouwen, tegen Gods uitgedrukt bevel; vergelijk Ezra 9:1-2 ; Neh. 13:23 ; Mal. 2:11 ; aan zulke huwelijken was dit mede vast, dat de kinderen in afgoderij werden opgevoed.
Hertaald:
vreemde kinderen gewonnen;
Doordat zij huwden met heidense vrouwen, tegen Gods uitdrukkelijke gebod in; vergelijk Ezra 9:1-2; Neh. 13:23; Mal. 2:11. Aan zulke huwelijken zat bovendien vast dat de kinderen in de afgoderij werden opgevoed.
nu zal hen
Al haast, of daaRom.
Hertaald:
nu zal hen
Spoedig; of: daarom.
nieuwe maand verteren
Dat is, de afgoderij, die zij op de nieuwe maanden bedrijven. Sommigen nemen het als ene gelijkenis van woeker of maandgeld, dat haastelijk oploopt en den schuldenaar verteert. Anderen nemen ene maand voor een korten tijd, gelijk Zach. 11:8 , of voor een gezetten zekeren tijd.
Hertaald:
nieuwe maand verteren
Dat is: de afgoderij die zij op de nieuwe maanden bedrijven. Sommigen vatten het op als een vergelijking met woeker of maandrente, die snel oploopt en de schuldenaar verteert. Anderen vatten een maand op als een korte tijd, zoals Zach. 11:8, of als een vastgestelde, bepaalde tijd.
delen
Of, portiën, dat is, al hun goed, bezittend land; vergelijk Ps. 16:5 met de aantekening. Sommigen verstaan de offeranden, die in vele delen verdeeld werden.
Hertaald:
delen
Of: porties; dat is: al hun bezit en grondgebied; vergelijk Ps. 16:5 met de aantekening. Sommigen verstaan er de offeranden onder, die in veel delen verdeeld werden.
Blaast de bazuin
Hier stelt hun God levendig voor ogen de nakende aankomst van den vijand, wanneer men gewoon is in de naastliggende plaatsen alarm te maken.
Hertaald:
Blaast de bazuin
Hier stelt God hun de naderende komst van de vijand levendig voor ogen, waarbij men gewoonlijk in de nabijgelegen plaatsen alarm slaat.
Gibea,
Gibea en Rama lagen beide in Benjamin aan de grenzen van Efraïm; zie Richt. 19:13 . Deze grens plaatsen zijn ontwijfelijk sterk en wel bezet, en dienvolgens hun toeverlaat geweest. Te Gibea had Saul gewoond, Samuël was geboren te Rama, 1Sa 1 en 1 Sam. 10:26 ; zie ook 1 Kon. 15:17 , 1 Kon. 15:21-22 .
Hertaald:
Gibea,
Gibea en Rama lagen allebei in Benjamin, aan de grens van Efraïm; zie Richt. 19:13. Deze grensplaatsen zijn ongetwijfeld sterk en goed bezet geweest en dus hun toevlucht. In Gibea had Saul gewoond en Samuël was in Rama geboren, 1 Sam. 1 en 1 Sam. 10:26; zie ook 1 Kon. 15:17, 1 Kon. 15:21-22.
Beth-aven;
Zie boven Hos. 4:15 .
Hertaald:
Beth-aven;
Zie Hos. 4:15.
achter u, Benjamin
Hierop kan men verstaan, is de vijand, of daar is het te doen; te weten in Efraïm is de vijand doende, en daar begint hij te verwoesten, waarvan in vs.9. Benjamin lag tussen Juda en Efraïm; waarvan sommigen deze woorden nemen als ene beschrijving der gelegenheid van Juda, als gelegen in het zuiden achter Benjamin; en dat alzo Juda ook in alarm zou geraken, met trompetten en roepen, gelijk de andere voorzegde plaatsen. Of, men kan het eenvoudig aldus nemen: achter u Benjamin; dat is, Benjamin blaze ook alarm, na, of achter u, om te kennen te geven dat de alarmen van de ene plaats zouden voortgaan tot de andere en elkander volgen.
Hertaald:
achter u, Benjamin
Hierbij kan men aanvullen: is de vijand, of: daar is het te doen; namelijk in Efraïm is de vijand bezig en daar begint hij te verwoesten, waarover vers 9. Benjamin lag tussen Juda en Efraïm; daarom vatten sommigen deze woorden op als een beschrijving van de ligging van Juda, dat in het zuiden achter Benjamin lag, en menen zij dat ook Juda in alarm zou raken met trompetten en geroep, zoals de andere genoemde plaatsen. Of men kan het eenvoudig zo opvatten: achter u, Benjamin, dat is: laat Benjamin ook alarm blazen, na of achter u, om te kennen te geven dat het alarm van de ene plaats naar de andere zou doorgaan en elkaar zou opvolgen.
straf;
Of, bestraffing, dat is, ten tijde als Ik het oordeel [waarvan boven vs.1] over hen spreken en uitvoeren zal.
Hertaald:
straf;
Of: bestraffing; dat is: in de tijd waarin Ik het oordeel waarover vers 1 spreekt over hen zal uitspreken en uitvoeren.
heb Ik bekend gemaakt,
Of, maak Ik bekend; dat is, ik voorzeg openlijk wat zeker en gewis is en zonder fout geschieden zal, opdat zij mogen weten, wanneer het geschiedt, dat Ik de Heere ben. Anders: Ik heb de trouw bekend gemaakt; dat is, mijne trouw aan Israël betoond door veelvuldige waarschuwingen van hun aanstaande verwoesting, indien zij zich niet bekeren.
Hertaald:
heb Ik bekend gemaakt,
Of: maak Ik bekend; dat is: Ik voorzeg openlijk wat zeker en vast is en onfeilbaar zal gebeuren, opdat zij, wanneer het gebeurt, mogen weten dat Ik de HEERE ben. Anders: Ik heb de trouw bekendgemaakt, dat is: Mijn trouw aan Israël betoond door veelvuldige waarschuwingen voor hun aanstaande verwoesting, als zij zich niet zouden bekeren.
gewis is
Anders: dat zij gewis is, zij; te weten de voorzegde en gedreigde straf.
Hertaald:
gewis is
Anders: dat zij vast is, namelijk de voorzegde en gedreigde straf.
landpalen verrukken;
Dat God scherpelijk vervloekt en verboden had, Deut. 19:14 , en Deut. 27:17 ; Job 24:2 ; Spr. 22:28 . Desgelijks deden de regenten van Juda ten tijde van Achaz, als zij de grenzen van den reinen godsdienst, van God gesteld en van de vrome koningen bewaard, verrukten, en de grenzen van hun ambt tebuiten gingen, en alles voorts in verwarring brachten, hetwelk op de verwarring der religie door Gods rechtvaardig oordeel placht te volgen; zie 2Ki 16 , en zulks trekt met zich een zondvloed van Gods toorn, die alles overloopt en in verderf stelt.
Hertaald:
landpalen verrukken;
Wat God scherp vervloekt en verboden had, Deut. 19:14 en Deut. 27:17; Job 24:2; Spr. 22:28. Hetzelfde deden de bestuurders van Juda in de tijd van Achaz, toen zij de grenzen van de zuivere godsdienst verlegden die door God gesteld en door de vrome koningen bewaard waren, buiten de grenzen van hun ambt traden en alles in verwarring brachten — wat door Gods rechtvaardig oordeel gewoonlijk volgt op de verwarring van de godsdienst; zie 2 Kon. 16. En dat brengt een zondvloed van Gods toorn met zich mee, die alles overspoelt en te gronde richt.
water, over hen uitgieten
Zie Ps. 79:6 .
Hertaald:
water, over hen uitgieten
Zie Ps. 79:6.
verpletterd met recht;
Of, verkneuzeld, in stukken gebroken, of gestoten. Hebreeuws, een gepletterde des rechts. De eenvoudigste zin dezer woorden schijnt te zijn, dat hun dit alles rechtvaardiglijk zal overkomen naar hunne verdiensten; waarop de volgende woorden bekwamelijk passen. Sommigen nemen het aldus, dat Efraïm, die tevoren over anderen gewoon was te richten, zal moeten lijden dat andere over hem recht spreken en hem in het gericht verpletteren.
Hertaald:
verpletterd met recht;
Of: gekneusd, in stukken gebroken of gestoten. Hebreeuws: een verpletterde van het recht. De eenvoudigste betekenis van deze woorden lijkt te zijn dat dit alles hun rechtvaardig zal overkomen naar wat zij verdiend hebben; daar passen de volgende woorden goed bij. Sommigen vatten het zo op dat Efraïm, die tevoren gewoon was over anderen recht te spreken, zal moeten dulden dat anderen over hem recht spreken en hem in het gericht verpletteren.
gebod
Van zijn koning Jerobeam, die de stichter der gruwelijke afgoderij en van alle gevolgde ongebondenheid geweest is, en dien zijne opvolgers hebben nagevolgd. Het is hun genoeg geweest dat hun koning zulks gebood, daarop zijn zij onbeschroomd en met lust voortgegaan, zonder op God en zijner profeten waarschuwing te letten. Anderen aldus: Hij heeft gewilligelijk gewandeld, of hij heeft willen wandelen naar het gebod, of bevel. Hebreeuws, hij heeft gewild, hij heeft gewandeld, enz. Zie Ps. 45:5 .
Hertaald:
gebod
Namelijk van zijn koning Jerobeam, die de stichter geweest is van de gruwelijke afgoderij en van alle ongebondenheid die daarop volgde, en die zijn opvolgers hebben nagevolgd. Het was hun genoeg dat hun koning het gebood; daarop zijn zij onbeschroomd en met lust voortgegaan, zonder op God en de waarschuwing van Zijn profeten te letten. Anderen aldus: hij heeft gewillig gewandeld, of: hij heeft willen wandelen naar het gebod. Hebreeuws: hij heeft gewild, hij heeft gewandeld, enzovoort. Zie Ps. 45:5.
mot,
Zie Job 13:28 ; Ps. 39:12 ; Spr. 12:4 , en Spr. 14:30 ; Jes. 50:9 , en Jes. 51:8 .
Hertaald:
mot,
Zie Job 13:28; Ps. 39:12; Spr. 12:4 en Spr. 14:30; Jes. 50:9 en Jes. 51:8.
verrotting
Of, vervulling, wormstekigheid; dat is, gelijk de klederen door de motten en andere dingen door verrotting of den worm allengskens worden verteerd, alzo zal Ik deze beide volken door mijn straffen allengskens verteren, hetwelk aan beiden, eerst aan Israël, daarna aan Juda, alzo geschied is.
Hertaald:
verrotting
Of: wormstekigheid; dat is: zoals kleren door de motten en andere dingen door verrotting of de worm geleidelijk verteerd worden, zo zal Ik deze beide volken door Mijn straffen geleidelijk verteren — wat bij allebei ook zo gebeurd is, eerst bij Israël en daarna bij Juda.
krankheid zag,
Al dit voorzegde kwaad en nakend gevaar gevoelde of merkte.
Hertaald:
krankheid zag,
Al dit voorzegde kwaad en het dreigende gevaar voelde of merkte.
gezwel,
Vergelijk Ob. 1:7 .
Hertaald:
gezwel,
Vergelijk Obadja 1:7.
Assur,
Tot Pul, den koning van Assyrië, om dien van vijand tot vriend en helper te maken, door geschenken; dewijl dit schijnt te zien op de geschiedenis van den koning Menahem, 2 Kon. 15:19 , enz. Zie wijders onder Hos. 7:11 , enz.
Hertaald:
Assur,
Namelijk tot Pul, de koning van Assyrië, om die door geschenken van vijand tot vriend en helper te maken; dit lijkt namelijk te zien op de geschiedenis van koning Menahem, 2 Kon. 15:19, enzovoort. Zie verder Hos. 7:11, enzovoort.
hij zond tot den koning
Dit duiden sommigen op Juda, uit vergelijking met het voorgaande [zie 2 Kon. 16:7 ] en vs.14.
Hertaald:
hij zond tot den koning
Sommigen betrekken dit op Juda, door vergelijking met het voorgaande (zie 2 Kon. 16:7) en met vers 14.
Jareb;
Vergelijk onder Hos. 10:6 , uit welke plaats afgenomen wordt dat dit een naam moet geweest zijn van zekeren koning in Assyrië, [gelijk ook sommige kroniekschrijvers hebben] of in het algemeen een naam, dien de Joden en Israëlieten dien uitlandsen koningen gewoon waren te geven, welker hulp en bescherming zij, uit mistrouwen op God, verzochten; Jareb is in het Hebreeuws zoveel als: hij zal twisten, richten, pleiten; dat is, de zaak voor ons opnemen en uitvoeren. Vergelijk Richt. 6:31-32 , met de aantekening.
Hertaald:
Jareb;
Vergelijk Hos. 10:6, waaruit afgeleid wordt dat dit de naam van een bepaalde koning in Assyrië geweest moet zijn, zoals ook sommige kroniekschrijvers hebben. Of in het algemeen een naam die de Joden en Israëlieten plachten te geven aan die buitenlandse koningen wier hulp zij uit wantrouwen tegen God inriepen. Jareb betekent in het Hebreeuws zoveel als: hij zal twisten, richten, pleiten; dat is: onze zaak op zich nemen en uitvoeren. Vergelijk Richt. 6:31-32 met de aantekening.
van ulieden niet helen
Alzo dat Hij het van u wegneemt, dat gij het kwijt wordt. Anders: zal de wonde [van niemand] uit, of van u helen.
Hertaald:
van ulieden niet helen
Zodat Hij die van u wegneemt en u haar kwijtraakt. Anders: zal de wonde niet van u genezen.
verscheuren en henengaan;
Of, roven. Vergelijk onder Hos. 6:1 .
Hertaald:
verscheuren en henengaan;
Of: roven. Vergelijk Hos. 6:1.
plaats,
Menselijk van God gesproken, die gezegd wordt neder te dalen wanneer Hij iets bijzonders op aarde werkt, of zijne oordelen uitvoert, en weder in zijne plaats te keren en zich stil te houden, als Hij de mensen in ellende laat of niet verlost, totdat zij zich bekeren, en zijn tijd daar is. Vergelijk Gen. 11:7 ; Jes. 18:4 en Jes. 26:21 .
Hertaald:
plaats,
Op menselijke wijze over God gesproken, van Wie gezegd wordt dat Hij neerdaalt wanneer Hij iets bijzonders op aarde werkt of Zijn oordelen uitvoert, en dat Hij weer naar Zijn plaats terugkeert en Zich stilhoudt wanneer Hij de mensen in ellende laat en niet verlost, totdat zij zich bekeren en Zijn tijd gekomen is. Vergelijk Gen. 11:7; Jes. 18:4 en Jes. 26:21.
aangezicht zoeken;
Zie 2 Kron. 7:14 , en 2 Kron. 11:16 .
Hertaald:
aangezicht zoeken;
Zie 2 Kron. 7:14 en 2 Kron. 11:16.
vroeg zoeken
Dat is, met groten vlijt, ijver en tijdig. Zie Job 7:21 , en Job 8:5 ; Ps. 5:4 ; Spr. 7:15 , met de aantekening en vergelijk Jer. 29:12-14 ; Dan 9 , en de boeken Ezra en Nehemia, en voorts den tijd van het Nieuwe Testament, voornamelijk Matt. 11:12 , enz.
Hertaald:
vroeg zoeken
Dat is: met grote inzet, ijver en op tijd. Zie Job 7:21 en Job 8:5; Ps. 5:4; Spr. 7:15 met de aantekening, en vergelijk Jer. 29:12-14; Dan. 9, en de boeken Ezra en Nehemia, en verder de tijd van het Nieuwe Testament, vooral Matth. 11:12, enzovoort. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een aanduiding voor een koning van Assyrië tot wie Efraïm (Israël) zijn toevlucht zocht in zijn nood, zonder baat, en aan wie het volk uiteindelijk als schatting werd weggevoerd (Hos. 5:13; 10:6); de identiteit is onder geleerden onzeker. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas "Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken" (Hos. 5:15). Bijbelse betekenis: Merk op de twee bewegingen in dit vers. God gaat weg, en Hij keert weder — beide zijn Zijn eigen daad. Wat ertussen ligt, is geen straf om de straf, maar een tijd die tot iets moet leiden: totdat zij zichzelven schuldig kennen. Let vervolgens op het woord bange. De terugkeer wordt niet voorafgegaan door welvaart maar door nood; het is de benauwdheid die het zoeken op gang brengt. Let ten slotte op de plaats van dit vers, vlak vóór het lied van Hos. 6:1-3. Wat daar als een mooi gebed klinkt, is het antwoord dat dit vers al had voorzien. Typologie: Dezelfde volgorde tekent de verloren zoon: pas toen hij tot zichzelf kwam, in de nood van het land waar hij was, stond hij op en ging naar zijn vader (Luk. 15:17-18, reeds behandeld). Nood is in de Schrift vaak niet het einde van de genade, maar het middel ervan. Hos. 5:15; Luk. 15:17-18 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken. Hosea 5:15 We moeten leren om beproevingen met vreugde te ontvangen. Het is geen makkelijke les, maar de Trooster kan… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Zij hebben trouweloos gehandeld tegen den Heere. Hosea 5:7 Gelovige! dit is een diep bedroevende waarheid. U bent een beminde van de… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Als het hun bang zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. Hosea 5:15 Verlies en tegenspoed zijn voor de grote Herder van… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hosea 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
De wil van God
Trouweloos gehandeld
Als het hun bang zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken


Hosea 5
Hosea 5:13.KruisverwijzingenHosea 7:11→Hosea 12:1→Hosea 10:6→Hosea 8:9→2 Koningen 15:19→Jeremia 30:12→Jeremia 30:14→2 Koningen 16:7→
— Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.
“Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.”
Hier hebben wij een schildering van de zondaar die zijn verloren staat ten dele ontdekt heeft. Maar het is slechts een halve ontdekking. Veel mensen zijn juist ver genoeg gekomen om te weten dat er iets met hen aan de hand is. Zij weten niet dat zij volstrekt verloren zijn, hoewel zij wel voelen dat niet alles goed met hen is. Zij zijn zich ervan bewust dat zij niet volmaakt zijn, zelfs niet naar hun eigen lage maatstaf van fatsoen, en daarom beginnen zij zich onbehaaglijk te voelen.
Toch menen zij nog altijd dat zij zichzelf beter kunnen maken, en dat zij door trapsgewijze verbetering en dagelijks gebed boven zichzelf uit zullen stijgen. Zij hebben de leer van de val nog niet geleerd, en evenmin de diepe verdorvenheid van de mensheid en de volslagen bederving van het menselijk hart. Zij zijn niet verder gekomen dan sommige hedendaagse leraars, die van de mens spreken als een weinig geschonden maar niet geheel gebroken. Hij zou een val gemaakt hebben en enigszins beschadigd zijn, wat verminkt in zijn uitwendige schoonheid. Maar niet volkomen verloren, en niet buiten staat zich op te richten en zijn kracht te herwinnen. Zij klampen zich nog met enige hoop aan hun eigen middelen vast.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Hoort dit, wat de Heere zo even in Hoofdst. 4 omtrent u gezegd heeft, gij priesters! en merkt op, gij huis, gemeente Israëls, en neemt ter oren gij huis, familie des konings 1) met alle zijne raadgevers en hovelingen! want ulieden, priesters en vorsten gaat dit oordeel aan, omdat gij, in plaats van getrouwe leidslieden en vrome raadgevers van het arme volk te zijn, door uw zondig leven en uwen afgodendienst een strik zijt geworden te Mizpa, of Ramoth in Gilead aan gene zijde van den Jordaan (Deut. 4:33), en een uitgespannen net op Thabor, op den bosrijken top van dien berg aan deze zijde van den Jordaan (Richt. 4:6 #Jud) 2). Gij hebt het gehele land overal in het verderf gelokt.
Welk koningshuis hier wordt aangesproken, blijft twijfelachtig, omdat Hosea, zoals bij Hoofdst. 1:2 is opgemerkt, in zijn Boek niet de redenen wedergeeft, gelijk zij woordelijk door hem zijn gehouden, maar alleen de hoofdgedachten van zijne profetische verkondigingen mededeelt. Misschien is Zacharia, de zoon van Jerobeam 11 (772 v. C. 2 Kon. 15:8 vv.), bedoeld waarschijnlijker echter zijn opvolger Menahem (771-760 v. C. 2 Kon. 15:13-22), daar op dezen bijzonder het in vs. 13 gezegde past.
Ik heb u tot wachters onder het volk en op ene verhevene hoogte van waardigheid gesteld, opdat gij het dwalende volk zoudt regeren, maar gij zijt een valstrik geworden en niet zozeer wachters, maar jagers te noemen. Beide plaatsen waren waarschijnlijk bekend als zeer geschikt om vogels te vangen; zoals toch Thabor zich als een alleenstaande bergkegel verheft, zo is Ramoth in Gilead, het tegenwoordige es Szalt, rondom aan de zijden van een kleinen, ronden, steilen berg gebouwd, die zich in een smal dal van rotsen verheft, en op welks top een vaste burg staat.
En die van Mij afwijken verdiepen zich, zoeken diepten om te slachten 1), maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn2), het volk zowel als den vorsten en priesters.
In het Hebr.Wesjachatah setim hèëmchoe. de Septuaginta heeft: De jagers op het wild hebben het ver uitgestrekt. Onze Staten-Overzetters vatten de woorden op van het slachten van offeranden, dus van vormelijke offeranden brengen. O. i. is de vertaling beter: Overtredingen hebben zij diep uitgestrekt, d. w. z. in de zonde en de overtredingen van afval en afgodendienst hebben zij het ver gebracht. Dit verstaan zij opperbest, Het is dan ook daarom, dat de Heere dadelijk daarop laat volgen, dat Hij hen tot een tuchtmeester zal worden.
Zij, offeren veel en maken hun afgoderij, waardoor zij van God afwijken, even als ene echtbreekster zich verloopt, zo diep, dat er geen genezen mogelijk is; de Profeet wil het geen offeren noemen, het is slechts een slachten. Israël verontschuldigde zich wel, dat het toch offeranden waren, en de Heere toch Zijne offers ontving, maar Hosea noemt zulk een offeren met verachting een slachten, want afgodenoffer is niets beters, en offeren daarnevens is ook een gruwel. Wat zou zulk een slachten baten, dan dat het volk het steeds verder in het afwijken brengt? Het kan niet missen, waar zulk afvalligheid algemeen is, daar moet ook de straf algemeen worden.
Ik ken Efraïm, den hoofdstam van het noordelijk rijk, die in Jerobeam I (1 (Kon. 11:26) de aanvoerder der overige tot dit rijk behorende stammen geworden is; Ik ken de gezindheid van zijn hart, zodat Ik mij niet door verontschuldiging en uitvluchten laat misleiden, en Israël het overige volk der 10 stammen is in zijne gruwelen voor Mij niet verborgen, hoewel het meent zich met een uitwendigen godsdienst te kunnen bedekken. Het is integendeel een voor Mij bewezen feit, dat gij, o Efraïm! nu hoereert in den geestelijken zin van het woord, en Israël verontreinigd is 1), met hoererij geheel en al bevlekt.
De afgoderij en het bederven van den godsdienst is geestelijke hoererij en onreinheid voor God; ook is de dwaling en de bijgelovigheid zulk een vijand van de godzaligheid, dat die tot onreinigheid in den wandel brengt, en het is een bewijs van Gods alwetendheid, wanneer Hij zich niet laat bespotten met des mensen schoonschijnende voorwendsels, door welke zij hare wegen bedekken, maar wanneer Hij die openbaar maakt en Zijnen dienstknecht onderwijst, om ze in hun snoodheid te ontdekken. Want ten bewijze dat Hij ze kende, zo zendt Hij Zijn Profeet, om te verkondigen, dat hun wel opgemerkte wegen hoererij waren, en dat geheel Israël door die wegen en door derzelver vruchtgevolgen verontreinigd was geworden.
Zij stellen hun handelingen niet aan, zij denken er niet aan om zich tot hunnen God te bekeren, maar wijzen dat geheel van zich af: want de geest der hoererijen (Hoofdst. 4:13)is in het midden van hen, en laat hun omkering niet toe, en den HEERE kennen zij niet; de boze geest, die in hen woont, heeft alle kennis van den waren God teniet gedaan. Ene vrouw, al is zij haren man niet getrouw, behoudt nog enig gevoel van schaamte, zo lang zij in huis blijft en zij nog onder brave en goede vrouwen wordt gewaarschuwd. Zodra zij echter eens in het hoerenhuis is gegaan, en zich openlijk aan allen heeft prijs gegeven, wanneer zij weet, dat hare schande aan allen bekend is, dan werpt zij alle schaamtegevoel af en vergeet zij geheel en al hare roeping. Zo zegt ook de Profeet, dat een hoerengeest in het hart des volks is, alsof hij wilde zeggen: de Israëlieten zijn zo in hunnen afgodendienst verzonken, dat zij in het geheel niet meer kunnen bewogen of bezield worden met enigen eerbied voor God, in ‘t geheel niet meer kunnen teruggebracht worden op den weg des Heeren, omdat de duivel hen van hun zinnen heeft beroofd, en zij van al de schaamte ontbloot, aan geschandvlekte deernen gelijk geworden zijn. De Profeet wijst hier op de gezindheid des harten bij het volk. Zij stellen hun handelingen niet aan, wil zeggen, dat in hun hart geen ander bedenken is, dan om afgoderij, dat is geestelijk hoererij te plegen, en indien het dan niet komt tot een gehele hartsverandering, zal er ook geen breken met de afgoderij plaats hebben.
a) Dies zal Israëls hovaardij 1), trots, zijn godsdienst, waarop het roemt, in zijn aangezicht getuigen tegen hem, en Israël en Efraïm, de verleide zowel als de verleider, zullen vallen door hun ongerechtigheid als in een net, waarin zij zich moedwillig hebben verstrikt; ook zal Juda, dat zich ondanks de waarschuwing in Hoofdst. 4:15 in dezelfde zonde heeft gewikkeld, met hen vallen, al blijft het ook een tijd langer bestaan.
Hos. 7:10.
Israëls hovaardij is niet zijn heerlijke staat, zijn bloeiende toestand, maar dat wat Israëls heerlijkheid uitmaakt, n. l. Israëls godsdienst, of wil men, de Heere zelf. De Heere zelf zal tegen Israël optreden, ver van Zijn aangezicht, door Zijne strafgerichten getuigenis geven, dat Hij schrikkelijk toornt over het verlaten van Hem. Hetzelfde zal Juda wedervaren.
Met hun schapen en met hun runderen zullen zij dan gaan, met offerdieren, om den HEERE is zoeken, en Zijne gerichten van zich af te wenden. Maar zij zullen Hem niet vinden, dat zij vergeving der zonden en vrijstelling van straffen zouden verkrijgen, de toorn Gods zal op hen blijven, Hij heeft zich van hen onttrokken 1), en ze aan hun vijanden prijs gegeven.
Als het Israël benauwd zal zijn, zal het wel met offers komen, om des Heeren toorn af te bidden, maar het zal hen niet baten, dewijl er wel afwending van de gevolgen der zonde wordt gesmeekt, maar geen verlossing van de zonde zelf. Het ontbreekt aan het ware offer, een verbroken hart en een verslagen geest.
Zij hebben als ene overspelige vrouw, die zich van haren man afkeert (Jer. 3:20), trouwelooslijk gehandeld tegen den HEERE; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen, welke de Heere niet voor de Zijne kan erkennen, zo als ook zij Hem niet als hunnen God en Vader kunnen liefhebben en eren; nu zal hen de nieuwe maand, hun huichelachtige offerplechtigheden en nieuwe maans-feesten (Num. 28:15), door welke zij meenden verzoening te verkrijgen, niet van den ondergang redden, maar integendeel verteren met hun delen, met het land, dat hun slechts onder voorwaarde van gehoorzaamheid ten erfdeel is geworden, maar dat zij door hun zonden schandelijk hebben misbruikt en daardoor verloren. Een vreselijk gericht, wanneer God op die wijze de hand aftrekt! Maar er is ook ene gewone reden, waarom zelfs onder den schrik, dien de straffen veroorzaken, geen meer wezenlijk goed wordt geboren, omdat namelijk de mensen zo licht van het vroegere ongeloof en de ongehoorzaamheid, in bijgeloof vervallen, en het willen goed maken met het uitwendige en de waarneming daarvan. Onze plaats is een bewijs, dat in het rijk der tien stammen, op de plaatsen der afgoderij, te Bethel en te Dan, de feesten, in de Mozaïsche wet voorgeschreven en de godsdienstplechtigheden gehouden werden. Vgl. Hoofdst. 4:8 Laat ons onderzoeken wat wij hebben gedaan, en onze zielen beschuldigen van wege deze grote zonde; gij hebt niet alleen overtreden en ongehoorzaamheid betoond, maar gij hebt verraderlijk gehandeld tegenover den Heere! Dat wij onze harten met diep ontzag vervullen door deze gedachte: “Zal ik nu God verlaten en verraderlijk met Hem handelen?” Zij, die beginnen te denken, dat vereniging met God en Zijne wegen ene harde zaak is, en meer vrijheid zouden wensen, zijn in groot gevaar verraderlijk met God om te gaan, ja, hun harten verwijderen zich reeds van Hem. Dit is de snoodheid van der mensen hart. Hoewel God zo goed, zo genadig, zo getrouw is, hoewel Hij zo gezegend, zo heerlijk in Zich zelven is, en zo zeer alle ere waard, toch is des mensen hart zo laag, dat het verraderlijk met God wil omgaan Zij die den Heeren alleen gaan zoeken met hun vee en hun kudden, en niet met hun harten en zielen, kunnen niet verwachten Hem te vinden; zij zullen dat niet bereiken, die den Heere niet zoeken, terwijl Hij te vinden is. Er is een tijd, dat Hij wil gevonden zijn, omdat Hij Zich zelven heeft teruggetrokken. Ziet hier van hoeveel belang het is God vroeg te zoeken, nu, terwijl het de aangename tijd en de dag der genade is. .
Blaast, terwijl nu het gericht daar is en de vijand het noordelijk rijk met zijne scharen geheel overstroomd heeft, de bazuin te Gibea Sauls in den stam van Benjamin (Richt. 19:13); de trompet te Rama (1 (Sam. 1:1); roept luide met alarmsignalen te Beth-Aven, het ontheiligde Bethel (Hoofdst. 4:15); achter u, Benjamin! 1) de vijand is u reeds dicht op de hielen, haast u daarom en berg u in veiligheid! Maar wat zal u dat alles nog baten? Het is te laat.
Zowel Gibea als Rama waren twee hooggelegen plaatsen op de noordelijke grenzen van den stam Benjamin. De Profeet ziet derhalve Efraïm reeds verwoest en den vijand genaderd tot aan de grenzen van Juda. Ja, het achter u, Benjamin, overgenomen uit den strijdzang van Debora (Richt. 5:14), toont, dat de vijand reeds in Juda is gevallen en achter Benjamin is omgetrokken.
Efraïm, het noordelijk rijk door het verderf het eerst en het zwaarst getroffen, omdat het de zwaarste schuld geeft, zal tot verwoesting worden ten dage der straf; onder of over de stammen Israëls heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is wat van zekeren duur zal zijn; maar zij hebben zich niet laten waarschuwen; daarom moeten de zware en ondragelijke plagen over hen komen, waarmee Ik hen gedreigd heb. (Deut. 28:50). 10. GODS STRAF BRENGT TOT BEROUW.
De vorsten van Juda hebben den afstand tussen Mij, den levenden God en de afgoden niet opgemerkt, maar delende in Efraïms zonde zijnzij geworden, die de landpalen van hunnen naaste verrukken 1), over welke de wet (Deut. 19:14; 27:17) den vloek Gods uitspreekt. Ik zal Mijne verbolgenheid zo overvloedig als water over hen uitgieten, want wanneer hij reeds vervloekt is, die de grenzen van zijnen naaste vernauwt, hoe veel te meer hij, die de bezittingen zijns Gods aantast.
Dit wil zeggen, niet dat zij de grenzen van Efraïm hebben overschreden, want God kende feitelijk geen grens tussen Juda en Efraïm, maar de grenzen op het terrein van den godsdienst. Zij hadden de grenzen van het Goddelijk recht verzaakt, door aan Baäl evenveel recht van bestaan toe te kennen als aan Jehova. En daarom zal Juda ook gestraft worden door de gerichten van Gods toorn.
Efraïm is verdrukt, door zware en ondragelijke plagen van nu aan voor langen tijd over hem gekomen; hij is verpletterd metdoor het recht (Deut. 28:33); want hij heeft zo gewild, hij is gewaarschuwd, maar koos toen den weg des verderfs; hij heeft van den beginne het woord en gebod Gods veracht en gewandeld naar het gebod 1) der mensen, daar hij den kalverendienst, door den stichter van het rijk ingevoerd, zo hardnekkig heeft vastgehouden (1 (Kon. 12:26 vv.).
Dit woord komt hier en in Jesaja 28:10, 13 voor, in den zin van, menselijk gebod, in tegenoverstelling van het goddelijk gebod. Het gebod is hier dan de kalverdienst, welken Jerobeam Israël had ingesteld.
Daarom zal Ik reeds nu tot aan den tijd zijner volkomene verwoesting Efraïm door langzaam werkende plagen en vijandige invallen, gelijk die in de wet der overtreders bedreigd worden, zijn als ene mot, die onmerkbaar en langzaam maar zeker de klederen verteert (Jes. 50:9; 51:8. Ps. 89:12), en den huize van Juda, als ene verrotting, als ene worm, die het hout, waarin zij woelt, geheel en al verderft.
Als Efraïm zijne ziekte 1) door welke hij inwendig verteerd werd, burgeroorlog en anarchie, zag, en Juda zijn gezwel, want ook dit rijk ging zijne inwendige ontbinding steeds meer te gemoet (Jes. 1:5 v.), zo toog Efraïm om hier van Juda te zwijgen-in plaats van boete te doen, tot Assur, om daarbij bescherming te vinden, en hij zond tot den koning Jareb (= hij zal tegenstaan), den strijder, die, verre er van om Efraïm te beschermen, integendeel in ‘s Heeren hand het werktuig zal zijn, om tegen Zijn volk te strijden; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet kunnen helen (Ps. 146:3).
In het lichaam van het staatkundig bestuur is de vorst of de overheid het hoofd; de ogen zijn de verstandige, voorzichtige, wijze lieden, die er nauwkeurig op letten, wat voor den staat heilzaam of schadelijk is; de oren zijn gehoorzame onderdanen, die aan goede regels en wetten gehoor geven; de tongen zijn verstandige redenaars, die juist en met nadruk voordragen, wat in alle omstandigheden den staat dienstig is; handen en armen zijn de oversten en krijgshelden, die in geval van nood tegen den vijand uittrekken en voor het vaderland strijden; de voeten zijn landbouwers en handwerkslieden, die aanbrengen, wat voor lichamelijke voeding nodig is. (JOH. GERHARD).
De koning Jareb, d. i. de koning, die den rechtsstrijd voert, waarmee bedoeld wordt de koning van Assyrië. Deze zal dien echter niet voor u, maar tegen u voeren, als een werktuig in Gods hand, om Israël te straffen. Weten wij het nog heden, waartoe een volk komt, wanneer het vertrouwt op de verdachte vriendschap van den overmachtigen nabuur? Dat deed in het rijk van Israël eerst de koning Menahem; hij kocht zich voor 1. 000 centenaars zilver de gevaarlijke bescherming van den Assyriër Pul (2 Kon. 15:19).
Want Ik, de almachtige God, tegen wien gene aardse macht iets vermag, zal Efraïm zijn als ene felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge nog veel begeriger leeuw; Ik, Ik zal verscheuren, gelijk de leeuw zijn buit verscheurt, en henen gaan met den roof; Ik zal wegvoeren, gelijk een leeuw in zijn hol, en er zal geen redder zijn; niemand, ook de machtigste op aarde niet, zal uit Mijne hand redden, even als niemand den leeuw zijnen buit kan ontnemen. (Jes. 43:13).
Ik zal, wanneer Ik die straf volbracht heb, en hen in een ver land heb weggevoerd, henengaan, en keren weer tot Mijne plaats, den hemel; Ik zal Mijn volk een tijd lang Mijne genadige tegenwoordigheid onttrekken, totdat zij alle over hen beslotene gerichten hebben doorgestaan, en zich zelven schuldig kennen, en Mijn aangezicht met berouw zoeken; als hun door de vervolging van de zijde der heidenwereld bange zal zijn, zullen ze Mij vroeg ijverig en ernstig zoeken, omdat zij zien, dat Ik alleen Die ben, en er geen God is buiten Mij (Deut. 32:39). Och! dat de mens het vrijwillig en niet gedwongen deed! Och, dat men toch niet wachtte, totdat men er eerst door vele slagen toe gebracht werd! Dat men zich toch door Gods goedheid tot berouw liet leiden, en het er niet toe liet komen dat men eerst door harde middelen moest worden terechtgebracht. De eerste schrede tot genezing is, dat wij door smart worden bewogen, wanneer wij gevoelen, dat wij Gods toorn hebben verwekt, en ons de zonden mishagen. Wie dan op die wijze in zich zelven een zondaar is geworden, d. i. wie begint zijn eigen rechter te zijn, moet daarna nog ene tweede zaak doen, namelijk, dat hij Gods aangezicht zoekt, d. i. dat hij zich Gode als een misdadiger overlevert en om vergeving smeekt. Wees dan begerig om dit hoogste goed, de Goddelijke tegenwoordigheid, te kennen en vooral te genieten. De ervaring daarvan zal dringen om haar te prijzen en zorgvuldig aan te kweken, nooit met opzet zo groot en zo liefelijk een genot te miskennen of te verdrijven, een zegen, die zo veel geluk aanbrengt, waar zij is. Er is een bestendige vrede, maar daar alleen waar God is. Verliezen en tegenspoeden zijn voor den groten Herder der schapen de gebruikelijke middelen, door welke Hij de afgezworvene lammeren in de schaapskooi terughaalt. Gene leeuwen kunnen getemd worden, zo lang zij te goed gevoed zijn, hun grote kracht moet gebroken worden; eerst dan, wanneer zij uitgehongerd zijn, zullen zij onder de hand van den temmer bukken; zo zagen wij dikwijls, dat de Christen eerst gehoorzaam gemaakt werd aan den wil van zijn God, door gebrek en door moeitevollen arbeid. Wanneer zij rijk zijn, en wanneer het goede der aarde hun toevloeit, dan dragen vele naam-Christenen het hoofd zeer hoog, en spreken trotse woorden. Met David beroemen zij er zich in, dat hun berg vaststaat, en dat zij nimmer bewogen zullen worden. Wanneer de Christen rijk wordt, een goeden naam geniet, met gezondheid gezegend is, en een gelukkigen familiekring om zich heen heeft, dan sluipt ook de vleselijke gerustheid al zeer spoedig naar binnen, en neemt plaats aan zijn dis. Maar, zo hij alsdan een waar kind van God is, dan wordt er ook ene roede voor hem in gereedheid gebracht. Wacht slechts een weinig, en wie weet hoe spoedig gij zijne bezittingen zult zien verdwijnen als een droom. Hier moet hij een deel zijner landerijen missen; hoe snel toch wisselen de handen af, die de binders als hun eigendom vasthouden. Die schuld, die onterende rekening! Hoe schielijk volgt het ene verlies op het andere. Waar zullen de tegenheden eindigen? Wanneer dergelijke tegenspoeden ons kort na elkaar treffen, zo is dit dikwijls een gezegend teken voor het geestelijk leven; de ziel vangt alzo aan onrustig te worden van wege haar ontrouw, en keert weer tot God. Gezegend zijn de golven, die den drenkeling aanspoelen op de rots der behoudenis! Zo tijdelijk verlies aan ons geheiligd wordt, dan verrijkt het vaak onze ziel. Weigeren wij tot den Heere te naderen met voorspoed gezegend zijnde, dan worden wij vaak naakt tot Hem uitgedreven. Ziet de Heere in Zijne genade geen ander middel, dat ons bewegen kan om onder de mensen Zijne eer groot te maken, dan leidt Hij ons in diepe wegen. Vergeten wij Hem in overvloed, dan drijft Hij ons in den weg der armoede. Verlies den moed toch niet, gij erfgenaam van velerlei moeite; wordt gij aldus bezocht, erken juist dan de hand, die liefdevol kastijdt, en zeg: “Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan. “
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel