Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Zo hadG2192 dan wel ookG2532 het eersteG4413 verbond rechtenG1345 van de gods dienstG2999, en het wereldlijkG2886 heiligdomG39.
Zo had dan wel ook het eerste verbond rechten van de gods dienst, en het wereldlijk heiligdom.
KJV
Then3
verily2
the first6
covenant had1
also4
ordinances11
of divine service,12
and14
a worldly16
sanctuary.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WantG1063 de tabernakelG4633 was toebereidG2680, namelijk de eersteG4413, inG1722 welkenG3739 was de kandelaarG3087, enG2532 de tafelG5132, enG2532 de toonbrodenG4286, welke genaamdG3004 wordt het heiligeG39;
Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige;
KJV
For2
there was3
a tabernacle1
made;
the first,5
wherein6
was the candlestick,10
and11
the table,13
and14
the shewbread;16
which19
is called20
the sanctuary.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
MaarG1161 achterG3326 het tweedeG1208 voorhangselG2665 was de tabernakelG4633, genaamdG3004 het heiligeG39 der heiligenG39;
Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige der heiligen;
KJV
And2
after1
the second4
veil,5
the tabernacle6
which3
is called8
the Holiest of all;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
HebbendeG2192 een goudenG5552 wierookvatG2369, enG2532 de arkG2787 des verbondsG1242, alomG3840 met goudG5553 overdektG4028, inG1722 welkeG3739 was de goudenG5552 kruikG4713, daar het MannaG3131 in was, enG2532 de stafG4464 van AaronG2, die gebloeidG985 hadG2192, enG2532 de tafelenG4109 des verbondsG1242.
Hebbende een gouden wierookvat, en de ark des verbonds, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aaron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds.
KJV
Which had2
the golden1
censer,3
and4
the ark6
of the covenant8
overlaid9
round about10
with gold,11
wherein12
was the golden15
pot14
that had16
manna,18
and19
Aaron's22
rod21
that budded,24
and25
the tables27
of the covenant;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En boven over deze ark warenG1510 de cherubijnenG5502 der heerlijkheidG1391, die het verzoendekselG2435 beschaduwdenG2683; vanG4012 welkeG3739 dingen wij nu van stuk tot stuk nietG3756 zullen zeggenG3004.
En boven over deze ark waren de cherubijnen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
Ook in dit vers
stuk stukG2596
Joh. 21:06;G3313
KJV
And2
over1
it3
the cherubims4
of glory5
shadowing6
the mercyseat;8
of9
which10
we cannot11
now13
speak14
particularly.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DezeG3778 dingen nuG1161, aldusG3779 toebereidG2680 zijnde, zo gingenG1524 wel de priestersG2409 inG1519 den eerstenG4413 tabernakelG4633, te allenG3956 tijdeG1275, om de gods dienstenG2999 te volbrengenG2005;
Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel, te allen tijde, om de gods diensten te volbrengen;
KJV
Now2
when these things
were4
thus3
ordained,
the priests18
went16
always11
into5
the first8
tabernacle,9
accomplishing21
the service
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
MaarG1161 inG1519 den tweedenG1208 tabernakel ging alleen de hogepriesterG749, eenmaalG530 des jaarsG1763, nietG3756 zonder bloedG129, hetwelkG3739 hij offerdeG4374 voor zichzelvenG1438 en voor des volksG2992 misdadenG51.
Maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden.
Ook in dit vers
[tabernakel]G3441
KJV
But2
into1
the second4
went the high priest10
alone8
once5
every year,7
not11
without12
blood,13
which14
he offered15
for16
himself,17
and18
for the errors22
of the people:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Waarmede de HeiligeG40 GeestG4151 dit beduiddeG1213, dat de wegG3598 des heiligdomsG39 nog niet openbaarG5319 gemaakt was, zolang de eersteG4413 tabernakelG4633 nog standG4714 hadG2192;
Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had;
KJV
The Holy6
Ghost4
this
signifying,2
that the way12
into the holiest of all
was8
not yet7
made manifest,
while as the first15
tabernacle16
was17
yet13
standing:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Welke was een afbeeldingG3850 voor dien tegenwoordigenG1764 tijdG2540, inG1519 welkenG3739 gavenG1435 enG2532 slachtofferenG2378 geofferdG4374 werden, die dengene, die de dienst pleegdeG3000, nietG3361 kondenG1410 heiligenG5048 naar het gewetenG4893;
Welke was een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten;
KJV
Which1
was a figure2
for3
the time5
then present,7
in8
which9
were offered14
both11
gifts10
and12
sacrifices,13
that could16
not15
make19
him that did the service21
perfect,
as pertaining to17
the conscience;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Bestaande alleen in spijzenG1033, enG2532 drankenG4188, enG2532 verscheideneG1313 wassingenG909 enG2532 rechtvaardigmakingenG1345 des vlesesG4561, tot op den tijdG2540 der verbeteringG1357 opgelegdG1945.
Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op den tijd der verbetering opgelegd.
Ook in dit vers
[Bestaande]G3440
KJV
Which stood only1
in2
meats3
and4
drinks,5
and6
divers7
washings,8
and9
carnal11
ordinances,10
imposed15
on them until12
the time13
of reformation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
MaarG1161 ChristusG5547, de HogepriesterG749 der toekomendeG3195 goederenG18, gekomen zijnde, is doorG1223 den meerderenG3187 en volmaaktenG5046 tabernakelG4633, nietG3756 met handenG5499 gemaakt, datG3778 isG1510, nietG3756 van ditG3778 maakselG2937,
Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
KJV
But2
Christ1
being come3
an high priest4
of good things7
to come,6
by8
a greater
and11
more perfect12
tabernacle,13
not14
made with hands,15
that is to say,
not18
of this
building;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Noch doorG1223 het bloedG129 der bokkenG5131 en kalverenG3448, maarG1161 doorG1223 Zijn eigenG2398 bloedG129, eenmaalG2178 ingegaanG1525 inG1519 het heiligdomG39, een eeuwigeG166 verlossingG3085 teweeggebrachtG2147 hebbende.
Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
KJV
Neither1
by2
the blood3
of goats4
and5
calves,6
but8
by7
his own10
blood11
he entered in12
once13
into14
the holy place,
having obtained19
eternal17
redemption
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 indienG1487 het bloedG129 der stierenG5022 enG2532 bokkenG5131, enG2532 de asG4700 der jonge koeG1151, besprengendeG4472 de onreinenG2840, hen heiligtG37 totG4314 de reinigheidG2514 des vlesesG4561;
Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleses;
KJV
For2
if1
the blood4
of bulls5
and6
of goats,7
and8
the ashes9
of an heifer10
sprinkling11
the unclean,13
sanctifieth14
to15
the purifying19
of the flesh:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
HoeveelG4214 te meer zal het bloedG129 van ChristusG5547, DieG3739 doorG1223 den eeuwigenG166 GeestG4151 ZichzelvenG1438 GodeG2316 onstraffelijkG299 opgeofferdG4374 heeft, uw gewetenG4893 reinigenG2511 vanG575 dodeG3498 werkenG2041, om den levendeG2198 GodG2316 te dienenG3000?
Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levende God te dienen?
KJV
How much1
more2
shall16
the blood4
of Christ,6
who7
through8
the eternal10
Spirit9
offered12
himself11
without spot13
to God,15
purge
your
conscience18
from20
dead21
works22
to23
serve25
the living27
God?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 daarom isG1510 Hij de MiddelaarG3316 des nieuwenG2537 testamentsG1242, opdat, de doodG2288 daartussen gekomen zijnde, tot verzoeningG629 der overtredingenG3847, die onder het eersteG4413 testamentG1242 waren, degenen, die geroepenG2564 zijn, de beloftenisG1860 der eeuwigeG166 erveG2817 ontvangenG2983 zouden.
En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.
Ook in dit vers
[daartussen]G1096
KJV
And1
for this
cause2
he is
the mediator6
of the new5
testament,4
that8
by means10
of death,9
for11
the redemption12
of the transgressions18
that were under14
the first16
testament,17
they which are called23
might receive21
the promise20
of eternal25
inheritance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 waar een testamentG1242 is, daar is het noodzaakG318, dat de doodG2288 des testamentmakersG1303 tussen komeG5342;
Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome;
KJV
For2
where1
a testament3
is, there must also of necessity5
be6
the death4
of the testator.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WantG1063 een testamentG1242 is vastG949 in de dodenG3498, dewijl het nog geen krachtG2480 heeft, wanneer de testamentmakerG1303 leeftG2198.
Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
KJV
For2
a testament1
is of force5
after3
men are dead:4
otherwise6
it is of8
no7
strength
at all
while9
the testator12
liveth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Waarom ook het eersteG4413 niet zonder bloedG129 is ingewijdG1457.
Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.
KJV
Whereupon1
neither2
the first4
testament was dedicated7
without5
blood.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantG1063 als al de gebodenG1785, naarG2596 de wetG3551 vanG5259 MozesG3475, tot alG3956 het volkG2992 uitgesprokenG2980 waren, namG2983 hij het bloedG129 der kalverenG3448 enG2532 bokkenG5131, metG3326 waterG5204, enG2532 purperenG2847 wolG2053, enG2532 hysopG5301, besprengdeG4472 beideG5037 het boekG975 zelfG846, enG2532 alG3956 het volkG2992,
Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde beide het boek zelf, en al het volk,
KJV
For2
when7
Moses8
had spoken1
every3
precept4
to all9
the people11
according5
to the law,6
he took12
the blood14
of calves16
and17
of goats,18
with19
water,20
and21
scarlet23
wool,22
and24
hyssop,25
and sprinkled34
both27
the book,29
and30
all31
the people,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
ZeggendeG3004: DitG3778 is het bloedG129 des testamentsG1242, hetwelkG3739 GodG2316 aanG4314 ulieden heeft gebodenG1781.
Zeggende: Dit is het bloed des testaments, hetwelk God aan ulieden heeft geboden.
KJV
Saying,1
This
is the blood4
of the testament6
which7
God12
hath enjoined8
unto9
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En hij besprengdeG4472 desgelijks ookG2532 den tabernakelG4633, en alG3956 de vatenG4632 van den dienstG3009 met het bloedG129.
En hij besprengde desgelijks ook den tabernakel, en al de vaten van den dienst met het bloed.
KJV
Moreover4
he sprinkled14
with blood12
both1
the tabernacle,3
and5
all6
the vessels8
of the ministry.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En alleG3956 dingen worden bijnaG4975 door bloedG129 gereinigdG2511 naarG2596 de wetG3551, enG2532 zonder bloedstortingG130 geschiedtG1096 geenG3756 vergevingG859.
En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.
KJV
And1
almost2
all things5
are6
by7
the law9
purged
with3
blood;4
and10
without11
shedding of blood12
is14
no13
remission.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
ZoG3767 was het dan noodzaakG318, dat wel de voorbeeldingenG5262 der dingen, die inG1722 de hemelenG3772 zijn, door dezeG3778 dingen gereinigdG2511 werden, maarG1161 de hemelseG2032 dingen zelveG846 door betereG2909 offerandenG2378 dan dezeG3778.
Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen der dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelve door betere offeranden dan deze.
KJV
It was therefore2
necessary1
that the patterns5
of things4
in7
the heavens9
should be purified11
with these;
but13
the heavenly things15
themselves12
with better16
sacrifices17
than18
these.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WantG1063 ChristusG5547 is nietG3756 ingegaanG1525 in het heiligdomG39, dat met handenG5499 gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeldG499 van het wareG228, maarG235 in den hemelG3772 zelvenG846, om nu te verschijnenG1718 voor het aangezichtG4383 van GodG2316 voor ons;
Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
KJV
For2
Christ8
is6
not1
entered
into3
the holy places
made with hands,4
which are the figures9
of the true;11
but12
into13
heaven16
itself,14
now17
to appear18
in the presence20
of God22
for23
us:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Noch ook, opdatG2443 Hij ZichzelvenG1438 dikwijlsG4178 zou opofferenG4374, gelijk de hogepriesterG749 alle jaarG1763 in het heiligdomG39 ingaatG1525 metG1722 vreemdG245 bloedG129;
Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed;
KJV
Nor1
yet that2
he should offer4
himself5
often,3
as6
the high priest8
entereth9
into10
the holy place
every13
year14
with15
blood16
of others;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
(AndersG1893 had HijG846 dikwijlsG4178 moetenG1163 lijdenG3958 vanG575 de grondleggingG2602 der wereldG2889 af) maar nu is Hij eenmaalG530 inG1519 de voleindingG4930 der eeuwenG165 geopenbaardG5319, om de zondeG266 te niet te doen, doorG1223 Zijnzelfs offerandeG2378.
(Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande.
Ook in dit vers
)G1161
KJV
For then1
must2
he3
often4
have suffered5
since6
the foundation7
of the world:8
but10
now9
once11
in12
the end13
of the world15
hath he appeared23
to16
put away17
sin18
by19
the sacrifice21
of himself.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
En gelijk het den mensenG444 gezetG606 is, eenmaalG530 te stervenG599, en daarna het oordeelG2920;
En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;
KJV
And1
as2
it is appointed4
unto men6
once7
to die,8
but10
after9
this
the judgment:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
AlzoG3779 ook ChristusG5547, eenmaalG530 geofferdG4374 zijnde, omG1519 velerG4183 zondenG266 weg te nemen, zal ten anderen maleG1208 zonder zondeG266 gezienG3708 worden vanG1537 degenen, die HemG846 verwachtenG553 totG1519 zaligheidG4991.
Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
Ook in dit vers
weg nemenG399
KJV
So1
Christ3
was once4
offered5
to6
bear9
the sins10
of many;8
and unto them that look18
for him17
shall he appear11
the second time12
without13
sin14
unto19
salvation.
het eerste [verbond]
Vele Griekse boeken hebben den eerste tabernakel; maar uit Hebr. 8:13, alsook uit vs.2 blijkt, dat hier beter gelezen wordt: het eerste verbond.
Hertaald:
het eerste [verbond]
Veel Griekse handschriften hebben: de eerste tabernakel. Maar uit Hebr. 8:13 en ook uit vers 2 blijkt dat hier beter gelezen wordt: het eerste verbond.
rechten van de [gods]dienst,
Of rechtvaardigmakingen, of instellingen; dat is, wijzen van doen, waarnaar de godsdienst moest gericht zijn, waarin de ceremoniëele rechtvaardigmaking bestond.
Hertaald:
rechten van de [gods]dienst,
Of: rechtvaardigingen, of instellingen; dat is: manieren van doen waarnaar de godsdienst gericht moest zijn en waarin de ceremoniële rechtvaardiging bestond.
het wereldlijk
Of, dat wereldlijk heiligdom; dat is, dat aards is en van vergankelijke stof gemaakt, gelijk alle dingen in de wereld zijn: waarvan zie Exo 25, Exo 26, Exo 36, Exo 37. En wordt hier gesteld tegenover de hemelse en onvergankelijke, dat hierdoor betekend wordt: gelijk de apostel hierna zal verklaren.
Hertaald:
het wereldlijk
Of: dat wereldlijke heiligdom; dat is: dat aards is en van vergankelijke stof gemaakt, zoals alle dingen in de wereld zijn. Zie daarover Ex. 25, Ex. 26, Ex. 36 en Ex. 37. Het wordt hier gesteld tegenover het hemelse en onvergankelijke heiligdom dat hierdoor aangeduid wordt, zoals de apostel hierna zal verklaren.
heiligdom
Zo wordt genoemd het gebouw, dat in het Oude Testament door Gods ordinantie tot den godsdienst was geheiligd, in welks plaats daarna de tempel Salomo's is gekomen. Doch Paulus beschrijft hier niet den tempel, maar den tabernakel, omdat die eerst door Mozes, naar het voorbeeld hem van God op den berg getoond, was gebouwd, en dat Salomo daarna den tempel naar dezen tabernakel heeft gemaakt, zo nochtans dat hij enige andere dingen daarbij heeft gevoegd.
Hertaald:
heiligdom
Zo wordt het gebouw genoemd dat in het Oude Testament door Gods verordening tot de godsdienst geheiligd was; in de plaats daarvan is daarna de tempel van Salomo gekomen. Maar Paulus beschrijft hier niet de tempel, maar de tabernakel, omdat die als eerste door Mozes gebouwd was naar het voorbeeld dat hem door God op de berg getoond was, en omdat Salomo daarna de tempel naar deze tabernakel gemaakt heeft, hoewel hij daar enkele andere dingen aan toegevoegd heeft.
de eerste,
Dat is, het eerste deel des tabernakels. Want den voorhof des volks en der priesters, waarin de vergaderingen en slachtoffers geschiedden, gaat de apostel hier voorbij, en verklaart alleen de zaken, die in den gedekten tabernakel of hut waren, en de handelingen die daarin gepleegd werden; waarvan het eerste deel het heilige, het andere deel het heilige der heilige genoemd werd.
Hertaald:
de eerste,
Dat is: het eerste deel van de tabernakel. Want de voorhof van het volk en van de priesters, waarin de bijeenkomsten en de slachtoffers gehouden werden, gaat de apostel hier voorbij; hij verklaart alleen de zaken die in de overdekte tabernakel of tent waren en de handelingen die daarin verricht werden. Het eerste deel daarvan werd het heilige genoemd en het andere deel het heilige der heiligen.
de kandelaar,
Deze kandelaar, tafel en toonbroden waren in het eerste deel van den tabernakel; Ex. 25:23, enz.
Hertaald:
de kandelaar,
Deze kandelaar, de tafel en de toonbroden waren in het eerste deel van de tabernakel; Ex. 25:23, enzovoort.
de toonbroden,
Grieks de voorzetting der broden.
Hertaald:
de toonbroden,
Grieks: het voorzetten van de broden.
achter het tweede voorhangsel
Dat was het voorhangsel, dat het heilige van het heilige der heiligen scheidde, en wordt het tweede genoemd, ten opzichte van het eerste voorhangsel, dat den ingang van het heilige in den tabernakel bedekte. Zie Ex. 26:36; want in den tempel was dit met muren van de voorhoven gescheiden, waarin daarom maar één voorhangsel was, hetwelk scheurde toen Christus aan het kruis is gestorven; Luc. 23:45.
Hertaald:
achter het tweede voorhangsel
Dat was het voorhangsel dat het heilige van het heilige der heiligen scheidde. Het wordt het tweede genoemd met het oog op het eerste voorhangsel, dat de ingang van het heilige in de tabernakel bedekte. Zie Ex. 26:36. Want in de tempel was dit door muren van de voorhoven gescheiden, waarin daarom maar één voorhangsel was; dat scheurde toen Christus aan het kruis gestorven is; Luk. 23:45.
de tabernakel,
Dat is, het deel van den tabernakel; want beide deze delen waren onder één dak.
Hertaald:
de tabernakel,
Dat is: het deel van de tabernakel. Want deze beide delen waren onder één dak.
wierookvat,
Grieks thymiaterion; waardoor sommigen verstaan het reuk-altaar zelf, dat in het heilige stond, waar de priesters alle dagen ingingen om daarop te roken, gelijk vs.6 ook wordt aangewezen, en Ex. 30:6 te zien is. Welk, gelijk het dicht aan het heilige der heiligen stond, zo menen zij dat hier gezegd wordt, dat het heilige der heiligen hem had. Doch deze manier van spreken zou zeer ongewoon zijn, dewijl hier uitdrukkelijk staat, dat het heilige der heiligen, hetwelk achter het tweede voorhangsel was, dit thymiaterion had, gelijk ook de ark des verbonds. Daarom wordt het bekwamer genomen voor het wierookvat, waarmede de hogepriester eenmaal des jaars in het heilige der heiligen ging, om te roken; hetwelk daarom ook in het heilige der heiligen bewaard werd, gelijk Josefus getuigt, lib.2, tegen Appion. En hoewel Mozes daarvan geen uitdrukkelijk gewag maakt, zo kan nochtans hetzelve uit Lev. 16:12 ook genomen worden.
Hertaald:
wierookvat,
Grieks: thymiatèrion. Daaronder verstaan sommigen het reukaltaar zelf, dat in het heilige stond, waar de priesters alle dagen binnengingen om daarop te roken, zoals in vers 6 ook aangewezen wordt en zoals in Ex. 30:6 te zien is. Omdat dat dicht bij het heilige der heiligen stond, menen zij dat hier gezegd wordt dat het heilige der heiligen dat had. Maar zulk een manier van spreken zou zeer ongebruikelijk zijn, omdat hier uitdrukkelijk staat dat het heilige der heiligen, dat achter het tweede voorhangsel was, dit thymiatèrion had, net als de ark van het verbond. Daarom wordt het beter opgevat als het wierookvat waarmee de hogepriester eenmaal per jaar in het heilige der heiligen ging om te roken; dat werd daarom ook in het heilige der heiligen bewaard, zoals Josefus betuigt, boek 2, tegen Apion. En hoewel Mozes daarvan geen uitdrukkelijk gewag maakt, kan dat toch ook uit Lev. 16:12 opgemaakt worden.
in welke was
Sommigen menen, dat deze woorden in welke, zien op het woord tabernakel, waarvan in vs.3 gesproken is, omdat 1 Kon. 8:9 en 2 Kron. 5:10, uitdrukkelijk gezegd wordt, dat in de ark des verbonds niet was besloten dan de twee tafelen der wet. Doch anderen verstaan het van de ark zelf, in of omtrent welke de gouden kruik met manna en de staf Aärons ten tijde van den tabernakel geweest zijn, gelijk te zien is Ex. 16:33-34, en Num. 17:10, hoewel die ten tijde toen de tempel van Salomo was gebouwd daar niet meer in of omtrent geweest zijn, of omdat zij vergaan waren, of omdat zij ergens in een ander deel des tempels zijn gebracht, gelijk ook het echte boek der wet, waarvan gewag wordt gemaakt Deut. 31:26; 2 Kron. 34:14.
Hertaald:
in welke was
Sommigen menen dat deze woorden in welke zien op het woord tabernakel, waarover in vers 3 gesproken is, omdat in 1 Kon. 8:9 en 2 Kron. 5:10 uitdrukkelijk gezegd wordt dat in de ark van het verbond niets anders opgesloten was dan de twee tafelen van de wet. Maar anderen verstaan het van de ark zelf, waarin of waarbij in de tijd van de tabernakel de gouden kruik met manna en de staf van Aäron geweest zijn, zoals te zien is in Ex. 16:33-34 en Num. 17:10. In de tijd dat de tempel van Salomo gebouwd was, waren die daar niet meer in of bij: óf omdat zij vergaan waren, óf omdat zij ergens in een ander deel van de tempel gebracht waren, zoals ook het echte boek van de wet, waarvan gewag gemaakt wordt in Deut. 31:26; 2 Kron. 34:14.
de cherubijnen der heerlijkheid,
Deze waren twee gedaanten van engelen, met hunne hoofden naar elkander gebogen, en met hunne vleugelen elkander rakende, gelijk te zien is Ex. 25:18, waartussen God aan Mozes antwoord gaf uit het opperste deel des genadestoels, gelijk betuigt wordt Num. 7:89.
Hertaald:
de cherubijnen der heerlijkheid,
Dit waren twee gedaanten van engelen, met hun hoofden naar elkaar gebogen en met hun vleugels elkaar aanrakend, zoals te zien is in Ex. 25:18. Daartussen gaf God vanuit het bovenste deel van het verzoendeksel antwoord aan Mozes, zoals betuigd wordt in Num. 7:89.
het verzoendeksel beschaduwden;
Of genadestoel, welk was het deksel der ark, waar de twee stenen tafelen der wet mede werden bedekt, en een voorbeeld was van Christus, die de wet bedekt, omdat hij voor ons onder de wet is geworden, en ons van den vloek der wet heeft verlost, gelijk Christus ook daarom met den naam van verzoendeksel, of verzoening wordt genoemd, Rom. 3:25, en de engelen worden gezegd begerig te zijn om deze verborgenheden te aanschouwen; 1 Petr. 1:12.
Hertaald:
het verzoendeksel beschaduwden;
Of: genadetroon. Dat was het deksel van de ark, waarmee de twee stenen tafelen van de wet bedekt werden. Het was een voorbeeld van Christus, Die de wet bedekt, omdat Hij voor ons onder de wet geworden is en ons van de vloek van de wet verlost heeft; daarom wordt Christus ook met de naam verzoendeksel of verzoening genoemd, Rom. 3:25. Van de engelen wordt gezegd dat zij begerig zijn deze geheimen te aanschouwen; 1 Petr. 1:12.
in den eersten tabernakel,
Dat is, in het eerste deel, namelijk tabernakel, genaamd het heilige, gelijk vs.2.
Hertaald:
in den eersten tabernakel,
Dat is: in het eerste deel van de tabernakel, dat het heilige genoemd wordt, zoals in vers 2.
te allen tijde,
Dat is, elk in zijn dagordening, gelijk te zien is Luc. 1:8-9.
Hertaald:
te allen tijde,
Dat is: ieder in zijn dagorde, zoals te zien is in Luk. 1:8-9.
in den tweeden
Dat is, in het tweede deel, namelijk het heilige der heiligen, gelijk voren.
Hertaald:
in den tweeden
Dat is: in het tweede deel, namelijk het heilige der heiligen, zoals eerder.
eenmaal des jaars,
Namelijk op den tienden dag der zevende maand van Thisri, op den plechtigen dag van de vasten en der verzoening van het ganse volk. Zie Lev. 16:29, enz.
Hertaald:
eenmaal des jaars,
Namelijk op de tiende dag van de zevende maand Tisri, op de plechtige dag van het vasten en van de verzoening van het hele volk. Zie Lev. 16:29, enzovoort.
niet zonder bloed,
Namelijk van de offerande der verzoening, die buiten den tabernakel, op het grote altaar in den voorhof, was geslacht en geofferd; waarvan het bloed na de ontsteking van het reukwerk in het voorzeide wierookvat, door den priester in het heilige der heiligen voor de ark en den genadestoel gebracht werd, en werd de genadestoel daarmee tot zeven malen besprengd, nadat hij met het reukwerk, als met een wolk was overdekt; gelijk Lev. 16:11, enz. te zien is. Welke schaduw en voorbeeld de apostel in vervolg van stuk tot stuk gaat verklaren.
Hertaald:
niet zonder bloed,
Namelijk het bloed van het verzoenoffer, dat buiten de tabernakel op het grote altaar in de voorhof geslacht en geofferd was. Nadat het reukwerk in het genoemde wierookvat ontstoken was, werd het bloed daarvan door de priester in het heilige der heiligen voor de ark en het verzoendeksel gebracht; en het verzoendeksel werd daarmee zeven maal besprenkeld, nadat het met het reukwerk als met een wolk overdekt was, zoals in Lev. 16:11, enzovoort te zien is. Die schaduw en dat voorbeeld gaat de apostel in het vervolg punt voor punt verklaren.
misdaden
Grieks onwetendheden, of onbedachtzaamheden; waardoor verstaan worden, niet alleen de zonden, die eigenlijk uit onwetendheid gedaan worden, maar ook alle soorten van zonden, gelijk uit de plaats Lev. 16:16, waarop Paulus hier ziet, genoeg blijkt, en hiervoor Hebr. 7:27, en elders meer. En worden ook de zonden zo genoemd, omdat alle zonden [de zonde tegen den Heiligen Geest uitgenomen] met enige dwaling van het verstand door de verleiding van den Satan altijd zijn gevoegd.
Hertaald:
misdaden
Grieks: onwetendheden, of onbedachtzaamheden. Daaronder worden niet alleen de zonden verstaan die eigenlijk uit onwetendheid gedaan worden, maar ook alle soorten zonden, zoals genoeg blijkt uit de plaats Lev. 16:16 waarop Paulus hier ziet, en uit Hebr. 7:27 en elders meer. De zonden worden ook zo genoemd omdat alle zonden — met uitzondering van de zonde tegen de Heilige Geest — altijd gepaard gaan met een zekere dwaling van het verstand door de verleiding van de satan.
de Heilige Geest
Namelijk die een insteller was van al deze godsdiensten, en derhalve een waarachtig eeuwig God met den Vader en den Zoon, en nochtans een onderscheiden persoon.
Hertaald:
de Heilige Geest
Namelijk de Heilige Geest, Die de Insteller van al deze godsdienstige inzettingen was en dus een waarachtig eeuwig God met de Vader en de Zoon, en toch een onderscheiden Persoon.
de weg des heiligdoms
Dat is, van het heilige der heiligen, of des hemels, gelijk hierna vs.12, 24 wordt verklaard.
Hertaald:
de weg des heiligdoms
Dat is: van het heilige der heiligen, of van de hemel, zoals hierna in vers 12 en 24 verklaard wordt.
nog niet openbaar gemaakt was,
Dat is, nog niet zo klaar en volkomen bekend was gemaakt, gelijk daarna is geschied, toen Christus de zaken, hierdoor betekend, in zijn eerste komst heeft volbracht; gelijk 1 Joh. 3:2 gezegd wordt, dat het nog niet geopenbaard, of openbaar gemaakt is wat wij worden zullen; namelijk na Christus' tweede komst; hoewel wij nochtans ook hier enigszins daarvan onderricht zijn, maar niet zo klaar en volkomen als het ons zal bekend worden, wanneer de zaak zelf in ons zal vervuld zijn.
Hertaald:
nog niet openbaar gemaakt was,
Dat is: nog niet zo helder en volkomen bekendgemaakt was als daarna gebeurd is, toen Christus de zaken die hierdoor aangeduid werden bij Zijn eerste komst volbracht heeft. Zo wordt in 1 Joh. 3:2 gezegd dat het nog niet geopenbaard of bekendgemaakt is wat wij zullen zijn, namelijk na de tweede komst van Christus; hoewel wij daarvan hier toch ook enigszins onderricht zijn, maar niet zo helder en volkomen als het ons bekend zal worden wanneer de zaak zelf in ons vervuld zal zijn.
zolang de eerste tabernakel nog stand had;
Dat is, zo lang de gemeente onder het Oude Testament door de ceremoniën en handelingen van den eersten tabernakel en vervolgens ook van den eersten tempel, alleen werd onderricht, zonder dat het Evangelie haar in zijn naaktheid en volle klaarheid werd voorgedragen, gelijk na de vervulling is geschied. Want dat enigen dit zo duiden als of de gelovigen in het Oude Testament geen toegang hadden tot den hemel, voordat Christus ten hemel was opgevaren, strijdt tegen het voorbeeld van Elia, 2 Kon. 2:11, en van Lazarus, Luc. 16:22; vergeleken met Matt. 8:11, en van den moordenaar aan het kruis, Luc. 23:43, vergeleken met 2 Kor. 12:2-4, en met de hoop der gelovige vaderen, Hebr. 11:16; en strijd ook met Christus' beloften, Matt. 5:10-12; die lang voor zijne verrijzenis zijn geschied.
Hertaald:
zolang de eerste tabernakel nog stand had;
Dat is: zolang de gemeente onder het Oude Testament alleen onderricht werd door de ceremoniën en handelingen van de eerste tabernakel en vervolgens ook van de eerste tempel, zonder dat het Evangelie haar in zijn naaktheid en volle helderheid voorgehouden werd, zoals na de vervulling gebeurd is. Want dat sommigen dit zo uitleggen als zouden de gelovigen in het Oude Testament geen toegang tot de hemel gehad hebben voordat Christus ten hemel opgevaren was, strijdt met het voorbeeld van Elia, 2 Kon. 2:11, en van Lazarus, Luk. 16:22, vergeleken met Matth. 8:11, en van de misdadiger aan het kruis, Luk. 23:43, vergeleken met 2 Kor. 12:2-4, en met de hoop van de gelovige vaderen, Hebr. 11:16. Het strijdt ook met de beloften van Christus, Matth. 5:10-12, die lang voor Zijn opstanding gedaan zijn.
een afbeelding
Grieks parabole; dat is, ene gelijkenis die wat anders beduidt.
Hertaald:
een afbeelding
Grieks: parabolè; dat is: een gelijkenis die iets anders aanduidt.
dengene, die de dienst pleegde,
Grieks den dienenden; dat is, die den dienst was doende.
Hertaald:
dengene, die de dienst pleegde,
Grieks: de dienende; dat is: hij die de dienst verrichtte.
niet konden heiligen naar het geweten;
Of niet konden volmaken, namelijk in zichzelf aangemerkt, of door hun kracht; anderszins konden zij, in hun recht gebruik, dienen om de gelovige vaderen op Christus te wijzen, door wiens offerande de conscientiën zouden gereinigd worden, gelijk hierna vs.14 wordt verklaard.
Hertaald:
niet konden heiligen naar het geweten;
Of: niet konden volmaken; namelijk in zichzelf beschouwd, of door hun eigen kracht. Overigens konden zij in hun juiste gebruik wel dienen om de gelovige vaderen op Christus te wijzen, door Wiens offer de gewetens gereinigd zouden worden, zoals hierna in vers 14 verklaard wordt.
wassingen
Grieks dopingen.
Hertaald:
wassingen
Grieks: dopingen.
rechtvaardigmakingen
Dat is, uiterlijke inzettingen, die den mens naar den uitwendigen, of lichamelijken stand, alleen rechtvaardigden of heiligden. Zie vs.13.
Hertaald:
rechtvaardigmakingen
Dat is: uiterlijke inzettingen, die de mens alleen naar zijn uiterlijke of lichamelijke staat rechtvaardigden of heiligden. Zie vers 13.
verbetering
Grieks rechting; dat is, waarop het te recht zal worden gebracht, namelijk tot op de tijden van het Nieuwe Testament, waar Jeremia van gesproken had, waarin de betekende zaak zou vervuld worden, deze ceremoniën geweerd, en andere kortere godsdiensten ingesteld, waardoor de Heilige Geest krachtiger zou werken, 2Co 3.
Hertaald:
verbetering
Grieks: rechtzetting; dat is: de tijd waarop het terecht gebracht zal worden, namelijk tot de tijden van het Nieuwe Testament waarover Jeremia gesproken had. Daarin zou de aangeduide zaak vervuld worden, zouden deze ceremoniën geweerd worden en zouden andere, kortere godsdienstige inzettingen ingesteld worden, waardoor de Heilige Geest krachtiger zou werken, 2 Kor. 3.
opgelegd
Namelijk als een juk, hetwelk de vaders zelf niet hebben kunnen dragen, en door Christus is afgenomen; Hand. 15:10-11.
Hertaald:
opgelegd
Namelijk opgelegd als een juk, dat de vaders zelf niet hebben kunnen dragen en dat door Christus weggenomen is; Hand. 15:10-11.
der toekomende goederen,
Dat is, al de geestelijke weldaden, die door de offerande van Christus aan het kruis, en door zijn ingang in den hemel verworven zijn; gelijk daar zijn: vergeving der zonden, wedergeboorte, den geest der aanneming tot kinderen, en de eeuwige zaligheid, die in het Oude Testament afgebeeld zijnde, in het Nieuwe door Christus zijn verworven.
Hertaald:
der toekomende goederen,
Dat is: al de geestelijke weldaden die door het offer van Christus aan het kruis en door Zijn ingaan in de hemel verworven zijn, zoals vergeving van de zonden, wedergeboorte, de Geest van de aanneming tot kinderen en de eeuwige zaligheid. Die zijn in het Oude Testament afgebeeld en in het Nieuwe door Christus verworven.
gekomen zijnde,
Namelijk in het vlees, of in de wereld.
Hertaald:
gekomen zijnde,
Namelijk in het vlees, of in de wereld.
den meerderen
Hierdoor wordt verstaan de menselijke natuur van Christus, waarin de volheid der Godheid als in een tabernakel of tempel woont, Joh. 1:14, en Joh. 2:19; gelijk Hebr. 8:2 ook is aangewezen. Er wordt van Christus gezegd door dezen tabernakel zijns vleesches ingegaan te zijn in den hemel, omdat door de geestelijke kracht en waardigheid zijner offerande voor ons volbracht, hem de toegang tot den hemel is geopend, en hem een naam is gegeven boven alle namen, Fil. 2:8-9; met welke verklaring overeenkomt hetgeen hij hierna zegt Hebr. 10:20, van den nieuwen weg, die ons geopend is, om in te gaan in het heilige, door dit voorhangsel, dat is, het vlees van Christus. Want Christus is ons voorgegaan om ons plaats te bereiden, Joh. 14:2. Hij wil dan zeggen: gelijk Christus door zichzelf en door zijn eigen bloed ingegaan is in het heiligdom, dat wij ook door denzelfden weg daarin moeten komen.
Hertaald:
den meerderen
Hiermee wordt de menselijke natuur van Christus bedoeld, waarin de volheid van de Godheid als in een tabernakel of tempel woont, Joh. 1:14 en Joh. 2:19, zoals ook bij Hebr. 8:2 aangewezen is. Van Christus wordt gezegd dat Hij door deze tabernakel van Zijn vlees in de hemel ingegaan is, omdat door de geestelijke kracht en waardigheid van Zijn offer, dat voor ons volbracht is, de toegang tot de hemel voor Hem geopend is en Hem een naam gegeven is boven alle namen, Filipp. 2:8-9. Met die verklaring komt overeen wat hij hierna in Hebr. 10:20 zegt over de nieuwe weg die voor ons geopend is om in het heilige in te gaan, door dit voorhangsel, dat is: het vlees van Christus. Want Christus is ons voorgegaan om voor ons plaats te bereiden, Joh. 14:2. Hij wil dus zeggen: zoals Christus door Zichzelf en door Zijn eigen bloed in het heiligdom ingegaan is, zo moeten ook wij langs diezelfde weg daarin komen.
van dit maaksel,
Grieks van deze schepping, of van dit schepsel.
Hertaald:
van dit maaksel,
Grieks: van deze schepping, of van dit schepsel.
der bokken en kalveren,
Want beide deze soorten van dieren werden geslacht als de hogepriester in het heilige der heiligen zou ingaan, Lev. 16:11, Lev. 16:15, met welker beider bloed hij ook in het heilige der heiligen inging, vs.18.
Hertaald:
der bokken en kalveren,
Want beide soorten dieren werden geslacht wanneer de hogepriester in het heilige der heiligen zou ingaan, Lev. 16:11, Lev. 16:15; met het bloed van beide ging hij ook in het heilige der heiligen binnen, vers 18.
een eeuwige
Dat is, altijddurend en van eeuwige kracht, gelijk Hebr. 10:14.
Hertaald:
een eeuwige
Dat is: altijd durend en van eeuwige kracht, zoals in Hebr. 10:14.
verlossing teweeggebracht
Grieks rantsoening; dat is, verlossing, die door rantsoen geschiedt, gevonden hebbende.
Hertaald:
verlossing teweeggebracht
Grieks: rantsoenering; dat is: een verlossing gevonden hebbende die door een rantsoen gebeurt.
de as der jonge koe,
Dit was nog een andere ceremonie, waardoor de onreinen naar de wet in het Oude Testament werden gereinigd, die ook op Christus en de besprenging van zijn bloed zag; waarvan zie Num. 19:2, enz.
Hertaald:
de as der jonge koe,
Dit was nog een andere ceremonie waardoor de onreinen naar de wet in het Oude Testament gereinigd werden; die zag ook op Christus en op de besprenkeling met Zijn bloed. Zie daarover Num. 19:2, enzovoort.
de onreinen,
Namelijk naar de wet, door het aanraken van enigen dode, of gebeente, of graven; Num. 19:16. Grieks die gemeen gemaakt waren.
Hertaald:
de onreinen,
Namelijk onrein naar de wet, door het aanraken van een dode, of van gebeente, of van graven; Num. 19:16. Grieks: die gemeen gemaakt waren.
tot de reinigheid
Dat is, om uitwendig naar de wet rein te zijn en toegang te mogen hebben tot de vergaderingen en andere uitwendige godsdiensten van het Oude Testament.
Hertaald:
tot de reinigheid
Dat is: om uiterlijk naar de wet rein te zijn en toegang te mogen hebben tot de bijeenkomsten en de andere uiterlijke godsdienstige inzettingen van het Oude Testament.
door den eeuwigen Geest
Dat is, door zijn eeuwige godheid, waardoor de kracht en waardigheid der offerande van Christus is voortgekomen, gelijk Hand. 20:28 ook wordt aangewezen; en gelijk de eeuwige godheid van Christus ook een Geest wordt genoemd; Rom. 1:4; 1 Tim. 3:16; 1 Petr. 3:18.
Hertaald:
door den eeuwigen Geest
Dat is: door Zijn eeuwige godheid, waaruit de kracht en de waardigheid van het offer van Christus voortgekomen is, zoals in Hand. 20:28 ook aangewezen wordt; en zoals de eeuwige godheid van Christus ook een Geest genoemd wordt; Rom. 1:4; 1 Tim. 3:16; 1 Petr. 3:18.
uw geweten
Dat is, uwe zielen, verstand, wil en genegenheid, waarvan de conscientiën ook het gevoel hebben, om te weten hetgeen ons door God geschonken is; 1 Kor. 2:12. Anderen lezen: onze conscientiën.
Hertaald:
uw geweten
Dat is: uw zielen, uw verstand, uw wil en uw neigingen; daarvan hebben de gewetens ook het gevoel, om te weten wat ons door God geschonken is; 1 Kor. 2:12. Anderen lezen: onze gewetens.
dode werken,
Dat is zonden. Zie Hebr. 6:1.
Hertaald:
dode werken,
Dat is: zonden. Zie Hebr. 6:1.
testaments,
Het Hebreeuwse woord berith, dat Jeremia gebruikt Jer. 31:1, betekent in het algemeen allerlei verbond of contract, hetzij het tussen twee partijen gemaakt wordt, of door één partij alleen, gelijk de testamenten plegen; waarvan voorbeelden zijn te lezen Gen. 6:18, en Gen. 9:9; Job 31:1. Dat nu dit Verbond een Testament is, stelt de apostel als zeker, omdat het alleen van Gods zijde komt, gelijk de plaats Jer. 31:1, in het voorgaande hoofdstuk verhaald, genoeg aantoont; en omdat alle voorbeelden daarvan zulks toonden, die met bloed der gedode offeranden werden besprengd en verzegeld.
Hertaald:
testaments,
Het Hebreeuwse woord berit, dat Jeremia gebruikt in Jer. 31:1, betekent in het algemeen allerlei verbond of overeenkomst, hetzij die tussen twee partijen gesloten wordt, hetzij door één partij alleen, zoals bij testamenten gewoonlijk gebeurt; voorbeelden daarvan zijn te lezen in Gen. 6:18 en Gen. 9:9; Job 31:1. Dat dit verbond nu een testament is, stelt de apostel als zeker, omdat het alleen van Gods zijde komt, zoals de plaats Jer. 31:1, in het voorgaande hoofdstuk aangehaald, genoeg aantoont; en omdat alle voorbeelden daarvan dat aantoonden, die met het bloed van de gedode offers besprenkeld en verzegeld werden.
tot verzoening der overtredingen,
Grieks verrantsoening.
Hertaald:
tot verzoening der overtredingen,
Grieks: verrantsoenering.
die onder het eerste testament waren,
Dat is, die ten tijde van het Oude Testament geschied en onverzoend gebleven waren, maar door God voorbijgegaan en vergeven waren, om de offerande en genoegdoening van Christus, die daarna geschieden zou. Zie Hand. 15:11; Rom. 3:25-26.
Hertaald:
die onder het eerste testament waren,
Dat is: de overtredingen die in de tijd van het Oude Testament gebeurd waren en onverzoend gebleven waren, maar die door God voorbijgegaan en vergeven waren om het offer en de voldoening van Christus die daarna zouden gebeuren. Zie Hand. 15:11; Rom. 3:25-26.
die geroepen zijn,
Namelijk met een krachtige roeping tot het geloof, gelijk Abraham en zijn geestelijke zaad waren; Rom. 4:16.
Hertaald:
die geroepen zijn,
Namelijk geroepen met een krachtige roeping tot het geloof, zoals Abraham en zijn geestelijke zaad waren; Rom. 4:16.
de beloftenis
Dat is, de beloofde eeuwige erve. Zie hierna Hebr. 11:8-10.
Hertaald:
de beloftenis
Dat is: de beloofde eeuwige erfenis. Zie hierna Hebr. 11:8-10.
[tussen-]kome;
Grieks gebracht worde; namelijk eer het vast is, gelijk vs.17 verklaart.
Hertaald:
[tussen-]kome;
Grieks: gebracht wordt; namelijk voordat het vast is, zoals vers 17 verklaart.
het eerste
Namelijk verbond door Mozes gemaakt.
Hertaald:
het eerste
Namelijk het eerste verbond, dat door Mozes gesloten is.
niet zonder bloed is
Namelijk de geslachte of gedode dieren, die op den dood van den Middelaar van het Nieuwe Testament hun oogmerk hadden. Want terwijl de overtreding der wet den dood verdiende, en God den overtreder door zijn genade naar den inhoud van het Nieuwe Testament daarvan zou vrijhouden, mits dat zijn gerechtigheid genoeg zou geschieden, zo is Christus de Middelaar hiertussen gekomen, en heeft als borg, Hebr. 7:22, de voldoening op zich genomen en daarna door zijn dood de schuld der overtreding betaald, en hun de eeuwige erve, die hem als den Zoon Gods toekwam, ook verworven.
Hertaald:
niet zonder bloed is
Namelijk het bloed van de geslachte of gedode dieren, die de dood van de Middelaar van het Nieuwe Testament als doel hadden. Want de overtreding van de wet verdiende de dood, en God zou de overtreder door Zijn genade naar de inhoud van het Nieuwe Testament daarvan vrijhouden, mits Zijn gerechtigheid genoegdoening zou krijgen. Zo is Christus daartussen gekomen als Middelaar, en Hij heeft als borg, Hebr. 7:22, de voldoening op Zich genomen; daarna heeft Hij door Zijn dood de schuld van de overtreding betaald en de eeuwige erfenis, die Hem als de Zoon van God toekwam, ook voor hen verworven.
ingewijd
Dat is, openlijk ingesteld, gevierd en voor vast en bondig verklaard.
Hertaald:
ingewijd
Dat is: openlijk ingesteld, gevierd en voor vast en bindend verklaard.
Want als al de geboden,
Dit verhaal van Paulus is genomen uit Ex. 24:3, enz. alleen dat de apostel hier water, purperen, wol en hysop bijvoegt uit Lev. 14:6, en Num. 19:6; waar deze dingen in dergelijke besprengingen gebruikt werden.
Hertaald:
Want als al de geboden,
Dit verhaal van Paulus is genomen uit Ex. 24:3, enzovoort; alleen voegt de apostel hier water, purperen wol en hysop toe uit Lev. 14:6 en Num. 19:6, waar deze dingen bij dergelijke besprenkelingen gebruikt werden.
het bloed der kalveren
Waarvan in andere plaatsen dikwijls wordt gewag gemaakt.
Hertaald:
het bloed der kalveren
Daarvan wordt op andere plaatsen dikwijls gewag gemaakt.
beide het boek zelf,
Dit wordt wel Exo 24 niet uitdrukkelijk gezegd, maar kan evenwel uit het verhaal van Mozes daar genoeg genomen worden.
Hertaald:
beide het boek zelf,
Dit wordt in Ex. 24 wel niet uitdrukkelijk gezegd, maar het kan toch genoeg opgemaakt worden uit het verhaal van Mozes daar.
al het volk,
Dat is, de twaalf pilaren, die Mozes aldaar oprichtte, om de twaalf stammen van Israël te vertegenwoordigen, en dat ten overstaan en in de tegenwoordigheid van al het volk. Zie de aantekeningen op Ex. 24:8.
Hertaald:
al het volk,
Dat is: de twaalf pilaren die Mozes daar oprichtte om de twaalf stammen van Israël te vertegenwoordigen, en dat ten overstaan en in de aanwezigheid van heel het volk. Zie de aantekeningen bij Ex. 24:8.
des testaments,
Dat is, een teken en zegel van het verbond of testament. Want het was het bloed van kalveren en bokken, dat tot inwijding of bevestiging van dit verbond werd gebruikt. Een sacramentele wijze van spreken, gelijk Luc. 22:19; 1 Kor. 11:24-25.
Hertaald:
des testaments,
Dat is: een teken en zegel van het verbond of testament. Want het was het bloed van kalveren en bokken dat gebruikt werd voor de inwijding of bevestiging van dit verbond. Dit is een sacramentele manier van spreken, zoals in Luk. 22:19; 1 Kor. 11:24-25.
geboden
Dat is, met u heeft gemaakt, naar of over al deze woorden of geboden; gelijk uitgedrukt wordt Ex. 24:8.
Hertaald:
geboden
Dat is: dat Hij met u gesloten heeft naar of over al deze woorden of geboden, zoals uitgedrukt wordt in Ex. 24:8.
En hij besprengde desgelijks
Dat is genomen uit verscheidene andere plaatsen der wet, inzonderheid uit Ex. 29:12; Lev. 16:14, enz.
Hertaald:
En hij besprengde desgelijks
Dat is genomen uit verschillende andere plaatsen van de wet, in het bijzonder uit Ex. 29:12; Lev. 16:14, enzovoort.
bijna door bloed gereinigd
Dit wordt er bij gedaan, omdat enige reinigmakingen der wet alleen door water geschieden, die ook op de offerande van Christus hun oogmerk hadden, daar in zijn dood, bloed en water zijn gevloten. Zie Joh. 19:34 en 1 Joh. 5:6.
Hertaald:
bijna door bloed gereinigd
Dit wordt eraan toegevoegd omdat enkele reinigingen van de wet alleen door water gebeurden; ook die hadden het offer van Christus als doel, omdat in Zijn dood bloed en water gevloeid zijn. Zie Joh. 19:34 en 1 Joh. 5:6.
Zo was het dan noodzaak,
Namelijk volgens Gods onveranderlijk bevel en ordinantie. Zie hierna Hebr. 10:9-10.
Hertaald:
Zo was het dan noodzaak,
Namelijk noodzakelijk volgens Gods onveranderlijke bevel en verordening. Zie hierna Hebr. 10:9-10.
de voorbeeldingen der dingen,
Of afbeeldingen, figuren.
Hertaald:
de voorbeeldingen der dingen,
Of: afbeeldingen, figuren.
gereinigd werden,
Dat is, van het algemeen gebruik afgezonderd en bekwaam gemaakt om godsdienstige gemeenschap daaraan te hebben.
Hertaald:
gereinigd werden,
Dat is: van het algemene gebruik afgezonderd en geschikt gemaakt om daaraan godsdienstige gemeenschap te hebben.
maar de hemelse dingen zelve
Dat is, de ingang tot den hemel zelf en de geestelijke gaven, welke ons, om daarin te komen, nodig zijn, en die door deze uitwendige reinigmakingen zijn betekend. Zie Ef. 1:3; Kol. 3:1-2.
Hertaald:
maar de hemelse dingen zelve
Dat is: de toegang tot de hemel zelf en de geestelijke gaven die wij nodig hebben om daarin te komen, en die door deze uiterlijke reinigingen aangeduid zijn. Zie Ef. 1:3; Kol. 3:1-2.
door betere offeranden dan deze
Dat is, door de offerande van Christus, die beter en van meerder waarde is. En die wordt hier in het meervoud gezet, hoewel die maar één is, en éénmaal geofferd, omdat zij de kracht van al de figuurlijke offeranden en zaken, daardoor betekend in zich bevat.
Hertaald:
door betere offeranden dan deze
Dat is: door het offer van Christus, dat beter en van meer waarde is. Dat wordt hier in het meervoud gezet, hoewel het er maar één is en eenmaal geofferd, omdat het de kracht van al de figuurlijke offers en van de zaken die daardoor aangeduid werden in zich bevat.
van het ware,
Namelijk van het heiligdom, dat is, des hemels, dat door dit ander werd afgebeeld, gelijk volgt.
Hertaald:
van het ware,
Namelijk van het ware heiligdom, dat is: van de hemel, dat door dat andere afgebeeld werd, zoals volgt.
om nu te verschijnen
Namelijk met Zijne overwinnende offerande, die Hij hier op aarde Zijn Vader onstraffelijk opgeofferd had, tot een verzoening voor alle zonden Zijner gelovigen, en met een eeuwige begeerte, dat die ons tot onze zaligheid altijd zou worden toegeëigend. Zie Rom. 8:34; 1 Tim. 2:5, en 1 Joh. 2:1-2.
Hertaald:
om nu te verschijnen
Namelijk om te verschijnen met Zijn overwinnende offer, dat Hij hier op aarde Zijn Vader onberispelijk opgeofferd had tot een verzoening voor alle zonden van Zijn gelovigen, en met een eeuwig verlangen dat het ons altijd tot onze zaligheid toegeëigend zou worden. Zie Rom. 8:34; 1 Tim. 2:5 en 1 Joh. 2:1-2.
met vreemd bloed;
Of eens anders; dat is, met bloed van geslachte dieren, die van een andere natuur zijn dan hijzelf.
Hertaald:
met vreemd bloed;
Of: van een ander; dat is: met bloed van geslachte dieren, die van een andere natuur zijn dan Hijzelf.
(Anders had Hij dikwijls moeten lijden
Namelijk zo Hij Zichzelf dikwijls had moeten opofferen, aangezien Zijn offerande door lijden en met lijden werd volbracht, en zonder lijden niet kon volbracht worden.
Hertaald:
(Anders had Hij dikwijls moeten lijden
Namelijk als Hij Zichzelf dikwijls had moeten opofferen, aangezien Zijn offer door lijden en met lijden volbracht werd en zonder lijden niet volbracht kon worden.
van de grondlegging der wereld af)
Dat is, van den beginne dat de mensen hebben gezondigd. Waaruit blijkt dat God de zonden nooit heeft vergeven, dan ten opzichte van deze offerande van Christus.
Hertaald:
van de grondlegging der wereld af)
Dat is: vanaf het begin dat de mensen gezondigd hebben. Daaruit blijkt dat God de zonden nooit vergeven heeft dan met het oog op dit offer van Christus.
in de voleinding der eeuwen geopenbaard,
Dat is, in de volheid des tijds, dien God daartoe bestemd had. Zie Gal. 4:4.
Hertaald:
in de voleinding der eeuwen geopenbaard,
Dat is: in de volheid van de tijd die God daarvoor bestemd had. Zie Gal. 4:4.
gelijk het den mensen gezet is,
Grieks na zo veel.
Hertaald:
gelijk het den mensen gezet is,
Grieks: naar zoveel.
eenmaal te sterven,
Namelijk door Gods ordinantie, nadat de mens heeft gezondigd, Rom. 5:12. Want dat sommige mensen niet zijn gestorven, gelijk Henoch en Elia, en dat enigen tweemaal zijn gestorven, gelijk daar zijn geweest die wonderbaarlijk in dit leven zijn opgewekt, is een bijzondere gunst en uitzondering geweest van dezen algemenen regel.
Hertaald:
eenmaal te sterven,
Namelijk door Gods verordening, nadat de mens gezondigd heeft, Rom. 5:12. Want dat sommige mensen niet gestorven zijn, zoals Henoch en Elia, en dat sommigen tweemaal gestorven zijn, zoals zij die op wonderbaarlijke wijze in dit leven opgewekt zijn, is een bijzondere gunst en een uitzondering op deze algemene regel geweest.
daarna het oordeel;
Namelijk van elk een in het bijzonder terstond na den dood, en van allen in het algemeen hier namaals ten uitersten dage.
Hertaald:
daarna het oordeel;
Namelijk het oordeel van ieder persoonlijk meteen na de dood, en van allen samen hierna op de laatste dag.
veler zonden weg te nemen,
Namelijk van al Zijne uitverkorenen en gelovigen. Of veler zonden op zich te nemen; of te dragen.
Hertaald:
veler zonden weg te nemen,
Namelijk van al Zijn uitverkorenen en gelovigen. Of: om de zonden van velen op Zich te nemen, of te dragen.
zonder zonde
Dat is, zonder toerekening en straf onzer zonden meer te dragen, maar om in heerlijkheid alles te oordelen.
Hertaald:
zonder zonde
Dat is: zonder de toerekening en de straf van onze zonden nog te dragen, maar om in heerlijkheid alles te oordelen.
die Hem verwachten
Namelijk door geloof en hoop. Zie 2 Tim. 4:8.
Hertaald:
die Hem verwachten
Namelijk door geloof en hoop. Zie 2 Tim. 4:8. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Christus is niet, zoals de hogepriester op de Grote Verzoendag (reeds behandeld, Lev. 16), door een met handen gemaakte tabernakel gegaan met het bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, "eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende" (Hebr. 9:12). Het argument gaat van het mindere naar het meerdere: "indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleses" (Hebr. 9:13). Daarop volgt de gevolgtrekking: "Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken" (Hebr. 9:13-14). "Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving" (Hebr. 9:22), maar Christus is niet in een aards heiligdom ingegaan, "hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons" (Hebr. 9:24), en "eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen", zal Hij "ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid" (Hebr. 9:28). Hoofdstuk 10 herhaalt en verscherpt het argument: de wet, met haar "schaduw der toekomende goederen", kon met dezelfde, jaarlijks herhaalde offeranden "nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan" (Hebr. 10:1) — "het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme" (Hebr. 10:4). Daartegenover staat de ene, afdoende offerande: "met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden" (Hebr. 10:14), waarna Hij, in tegenstelling tot de priesters die staande bleven dienen, "is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods" (Hebr. 10:12) — een zittende houding die zelf al spreekt van een voltooid werk. Bijbelse betekenis: Dit is de volle, systematische uitwerking van wat elders al kort was aangeroerd: Verzoening/hilasterion (Rom. 3) en Het is volbracht (Joh. 19). De herhaling van de Levitische offeranden was zelf al het bewijs van hun onvolkomenheid — een werkelijk afdoend offer hoeft immers niet herhaald te worden. Omdat de gelovigen nu "vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg" (Hebr. 10:19-20), volgt de oproep om toe te gaan met een waarachtig hart en de onderlinge samenkomst niet na te laten (Hebr. 10:22,25). Typologie: Lev. 16:34 noemde de Verzoendag zelf al "een eeuwige inzetting", maar juist de herhaling ervan "eenmaal des jaars" wijst vooruit naar het ene offer dat geen herhaling meer nodig heeft. Paulus vat de kern van het Evangelie in dezelfde lijn samen: "Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften" (1 Kor. 15:3, reeds behandeld). Hebr. 9:12-14,22,24,28; Hebr. 10:1,4,12,14,19-20,22,25; Lev. 16:34; 1 Kor. 15:3 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt De schrijver heeft de tabernakel beschreven: de kandelaar, de tafel, het voorhangsel, de ark met de gouden kruik en de bloeiende staf. En dan wijst hij op wat de inrichting zelf zei. Zolang de eerste tabernakel stond, was de weg naar het heiligdom niet openbaar — en dat was met opzet. In het voorste deel gingen de priesters altijd, staat er, maar in het tweede alleen de hogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed. En dan geeft de schrijver de betekenis: de Heilige Geest gaf daarmee te kennen dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had. De gesloten deur was dus zelf een prediking. Elk jaar opnieuw ging één man naar binnen en kwamen alle anderen er niet in — en dat leerde iets. Dan komt de omslag: maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde. Vier verschillen worden opgesomd, en zij staan alle in dit hoofdstuk. Door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt. Niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed — de kanttekening merkt op dat het bij de Grote Verzoendag inderdaad om beide soorten dieren ging. Eenmaal ingegaan, niet jaarlijks. En: een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende; de kanttekening zegt bij dat eeuwige: altijd durend en van eeuwige kracht. De redenering die daarop volgt is scherp. Als de as van een jonge koe het vlees al reinigde, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die Zichzelven onstraffelijk aan God opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken. En het hoofdstuk eindigt met een blik vooruit: gelijk het den mensen gezet is eenmaal te sterven en daarna het oordeel, alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, zal ten anderen male gezien worden — zonder zonde, dengenen die Hem verwachten, tot zaligheid. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 10:19-22; Mattheüs 27:51; Romeinen 5:9; 1 Petrus 3:18
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een preek uitgesproken op zondagochtend, 7 Juli 1867, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Maar nu is Hij bij de voleinding van de eeuwen eenmaal geopenbaard… Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Hebreeën 9:22b Overal onder de oude bedeling, was het zeker dat er bloedt zou vloeien. Het was een van de meest vooraanstaande zaken… Uiteindelijk. (Spreuken 5:11) Lees verder Jesaja 46:8—47:7. Ik kan mijn tekst in zijn weergaloze kracht alleen vergelijken met Ithuriel’s speer waarmee hij, volgens Milton (Paradise Lost 4:810), de smeerlap… Wanneer Christus zal verschijnen, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid. (Kolossenzen 3:4) Lees verder 1 Johannes 2:28—3:3. Christus zal verschijnen. De tekst… En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen… En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden. Hebreeën 9:5 De laatste gedachte betreft de personen die bij deze zaligheid… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Zonder het vergieten van bloed vindt er geen vergeving plaats. Hebreeën 9 vers 22 Dit is een onveranderlijke waarheid. In alle… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Zeggende: Dit is het bloed van het testament, hetwelk God aan u heeft geboden. Hebreeën 9:20 Er ligt een vreemde kracht in… Hij zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid. Hebreeën 9:28 Dit is onze hoop. Hij die wij al eens gezien… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hebreeën 9
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Eenmaal ingegaan met Zijn eigen bloed — 9:1-28
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Jezus de zonde teniet doende
De kracht van het bloed
Uiteindelijk
De verschijning van Christus
De eenvoudige waarheid
Gehoorzaam
Zonder bloed vindt men geen vergeving
Het bloed van het testament
Uitzien naar Hem


Hebreeën 9
Hebreeën 9:1
KruisverwijzingenExodus 25:8→Hebreeën 8:2→Hebreeën 9:10→Leviticus 18:3→Hebreeën 8:7→Leviticus 22:9→Lukas 1:6→Leviticus 18:30→— Zo had dan wel ook het eerste verbond rechten van de gods dienst, en het wereldlijk heiligdom.
Onder het oude verbond waren er bepaalde uiterlijke symbolen. Onder het nieuwe verbond hebben wij niet de symbolen, maar de zaak zelf. De oude wet had te maken met voorbeelden en schaduwen, maar het Evangelie heeft te maken met de geestelijke werkelijkheden zelf.
Hebreeën 9:2-5
KruisverwijzingenExodus 40:4→Leviticus 16:2→Exodus 26:31→Numeri 17:10→Exodus 26:35→Leviticus 24:5→Exodus 40:3→Exodus 25:17→— Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige; Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige der heiligen; Hebbende een gouden wierookvat, en de ark des verbonds, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aaron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds. En boven over deze ark waren de cherubijnen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
Dit alles was door goddelijke beschikking; de vorm van de vertrekken, de stijl van het meubilair, alles was door God verordend. Dat was niet louter tot versiering, maar tot onderwijzing. Zoals wij verderop zullen zien, had de Heilige Geest een betekenis, een lering, een zin bedoeld bij alles in de oude tabernakel. Dat gold voor de kandelaar, de tafel, en de toonbroden. Het zou niet ter zake zijn geweest voor wat de apostel behandelde, dus liet hij de uitleg van die dingen voor een andere gelegenheid.
Hebreeën 9:6-8
KruisverwijzingenLeviticus 16:34→Numeri 28:3→Johannes 14:6→Exodus 30:10→Hebreeën 3:7→Hebreeën 7:27→Leviticus 5:18→2 Kronieken 26:16→— Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel, te allen tijde, om de gods diensten te volbrengen; Maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden. Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had;
Uit deze zin weet ik zeker dat de Heilige Geest een betekenis, een zin, een lering had voor elk onderdeel van de oude tabernakel en tempel. Wij spinnen geen verzinsels uit ledige breinen wanneer wij deze voorbeelden uitleggen, en er belangrijke evangelische lessen uit trekken. Het was nodig dat de heilige tent, de tabernakel, ja, en ook de tempel, weggenomen zouden worden, voordat men de geestelijke betekenis ervan kon leren. Men moet de schil breken om bij de kern te komen. Zo had God het verordend. Vandaar dat er nu geen tabernakel meer is, geen tempel, geen heilige voorhof, geen binnenste heiligdom, het heilige der heiligen. De stoffelijke eredienst is afgeschaft, opdat wij de geestelijke eredienst zouden brengen, waarvan de stoffelijke slechts het voorbeeld was.
Hebreeën 9:9-10
KruisverwijzingenHebreeën 5:1→Hebreeën 7:16→Kolossenzen 2:16→Leviticus 11:2→Hebreeën 10:1→Hebreeën 7:18→Hebreeën 9:24→1 Petrus 3:21→— Welke was een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op den tijd der verbetering opgelegd.
Slechts een afbeelding, en alleen bedoeld voor “dien tegenwoordigen tijd.” Het was de kindsheid van de Heere Zijn volk. Het was een tijd waarin het licht nog niet volledig was doorgebroken in de geestelijke ogen, zodat zij door prentenboeken onderwezen moesten worden. Zij moesten een soort kleuterschool hebben voor de kleine kinderen, opdat zij de beginselen van het geloof konden leren door de symbolen, voorbeelden en voorstellingen van een stoffelijke eredienst. Komen wij in het ware evangelische licht, dan is dat alles afgeschaft; het was slechts “een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd.” Al deze rituelen konden slechts een vleselijke reinheid geven, maar zij konden het geweten niet raken. Zag een mens wat door het uiterlijke voorbeeld bedoeld werd, dan werd het geweten gestild. Maar door het uiterlijke teken zelf werd het geweten nooit getroost, als het een levend en ootmoedig geweten was.
Hebreeën 9:11-12
KruisverwijzingenHebreeën 10:1→2 Korinthe 5:1→Hebreeën 2:17→Hebreeën 10:4→Johannes 1:14→Johannes 4:25→Hebreeën 8:1→Handelingen 7:48→— Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
O, hoe verheffen wij ons als het ware, wanneer wij dichter bij Hem komen, weg van de hogepriesters van de Joden! De Joodse hogepriesters gingen eenmaal per jaar het heilige der heiligen binnen. Elk jaar dat kwam, vroeg dat zij weer moesten gaan. Hun werk was nooit klaar; maar Christus is, en dat slechts eenmaal, “eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.” Ik houd van die uitdrukking, “eeuwige verlossing”: een verlossing die werkelijk verlost, en verlost tot in alle eeuwigheid. Bent u erdoor verlost, dan kunt u niet verloren gaan. Is deze verlossing de uwe, dan is zij niet voor een tijd of een seizoen, maar “eeuwige verlossing.” O, hoe zou u zich moeten verblijden in die ene ingang binnen het voorhangsel door onze grote Hogepriester, Die eeuwige verlossing voor ons teweeggebracht heeft!
Hebreeën 9:13-15
Kruisverwijzingen1 Petrus 3:18→Hebreeën 1:3→Hebreeën 6:1→Hebreeën 10:22→Hebreeën 9:12→Titus 2:14→1 Timotheüs 2:5→Hebreeën 12:24→— Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleses; Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levende God te dienen? En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.
Hebt u met Christus te doen, dan hebt u met eeuwige dingen te doen. Er is niets tijdelijks aan Hem, of aan Zijn werk. Het is “eeuwige verlossing” die Hij voor ons verworven heeft, het is een “eeuwige erve” die Hij voor ons gekocht heeft.
Hebreeën 9:16-17
KruisverwijzingenGalaten 3:15→Johannes 14:27→Genesis 48:21→— Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome; Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
Waar een verbond is, moet ook de dood zijn van hem die het verbond sluit, of van hetgeen waardoor het verbond bekrachtigd wordt. Zolang het offerdier dat het verbond moest bevestigen nog leefde, was het verbond niet bekrachtigd; het moest eerst geslacht worden voordat het van kracht kon zijn.
Hebreeën 9:18-22
KruisverwijzingenLeviticus 17:11→Leviticus 6:7→Mattheüs 26:28→Numeri 19:6→Hebreeën 9:12→Leviticus 8:19→Leviticus 8:15→1 Petrus 1:2→— Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde beide het boek zelf, en al het volk, Zeggende: Dit is het bloed des testaments, hetwelk God aan ulieden heeft geboden. En hij besprengde desgelijks ook den tabernakel, en al de vaten van den dienst met het bloed. En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.
Er is geen waarheid duidelijker dan deze in heel het Oude Testament, en zij moet een zeer gewichtige les voor onze ziel bevatten. Er zijn er die de leer van de plaatsvervangende verzoening niet kunnen verdragen. Laten zij oppassen dat zij niet juist de ziel en het wezen van het Evangelie wegwerpen. Het is duidelijk dat het offer van Christus bedoeld was om het geweten gerust te stellen, want wij lezen dat het bloed van stieren en bokken dat niet kon. Ik zie niet in hoe enige leer van de verzoening, behalve de leer van het plaatsvervangend offer van Christus, het schuldige geweten gerust kan stellen. Christus, Die in mijn plaats de straf van mijn zonde draagt: dat stilt mijn geweten, en niets anders doet dat. “Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.”
Hebreeën 9:23-24
KruisverwijzingenHebreeën 8:2→Hebreeën 8:5→Hebreeën 9:24→Efeze 4:8→Exodus 28:29→Kolossenzen 3:2→Lukas 24:51→Efeze 1:20→— Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen der dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelve door betere offeranden dan deze. Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
Hij is nooit binnen het voorhangsel van de Joodse tempel geweest; dat was slechts het symbool van het ware heilige der heiligen. Hij is “in den hemel zelven” gegaan, “om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons.”
Hebreeën 9:25-26
KruisverwijzingenHebreeën 9:7→Mattheüs 25:34→Hebreeën 7:27→1 Petrus 1:20→Hebreeën 1:2→1 Johannes 3:5→1 Petrus 3:18→Hebreeën 10:19→— Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande.
De hogepriester bracht het bloed van de dieren die als zondoffer geslacht waren, en daarom kwam hij vaak. Hij kon zijn eigen bloed niet brengen, anders zou hij maar eenmaal gekomen zijn. Maar onze Zaligmaker is slechts eenmaal gekomen, “om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande.”
Hebreeën 9:27-28
Kruisverwijzingen2 Korinthe 5:10→Prediker 12:14→Judas 1:15→1 Petrus 2:24→Romeinen 6:10→2 Samuël 14:14→Prediker 11:9→Handelingen 17:31→— En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel; Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
Hij moest eenmaal lijden vanwege de zonde, maar dat zal Hij nooit meer hoeven te doen. Zijn offer zal nooit herhaald hoeven te worden, en kan ook nooit herhaald worden. Christus’ wederkomst zal “zonder zonde” zijn, en ook zonder zondoffer, geheel los van de zonde, tot de zaligheid van al Zijn uitverkorenen. Mogen wij allen behoren tot hen die naar Hem uitzien! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Nu had dan wel, om thans op het punt dat in hoofdstuk 8: 4 aangehaald is, terug te komen, ook het eerste onder Mozes opgerichte verbond (hoofdstuk 8: 7 en 13), rechten van godsdienst, rechten betrekking hebbend op goddelijke instellingen (vs. 6) en het wereldlijk heiligdom (vs. 10), zoals zij overeenkwamen met het wereldlijk heiligdom dat voor de godsdienst gegeven was.
a) Want, om eerst wat nader te spreken over dit heiligdom, zoals Mozes het moest maken volgens het beeld dat hem op de berg getoond was 2Ki 25: 17, er was een tent ingericht, namelijk de eerste, waarin de kandelaar stond 1) (Exod. 25: 31) aan de westzijde (Exod. 40: 24) en de tafel met de toonbroden aan de noordzijde (Exod. 25: 22; 40: 22); deze tent werd het heilige genoemd (Exod. 26: 23).
Exod. 26: 1; 36: 1
De kandelaar is het licht in de tent van de HEERE; een licht toebereid uit de olie, het vette van de aarde en versierd uit de schoonste en rijkste pracht van de plantenwereld. Als een aards en menselijk licht laat de HEERE Zich toebereiden, Hij die onder Zijn volk en op aarde woont. Wel is in de eigenlijkste zin Zijn plaats in het allerheilige, dat donker is en daarmee toont Hij dat Hij het aardse licht niet nodig heeft, daar het licht oorspronkelijk van Hem komt (Ps. 36: 10). In zoverre dus als de HEERE in de donkerheid van het allerheilige woont, verschijnt Hij in Zijn goddelijk licht, maar in zoverre de kandelaar brandt en zijn licht verspreidt in Zijn heiligdom, belooft Hij dat Hij uit Zijn onbereikbaar licht uittreden en in het licht van de mensen binnenkomen wil.
Maar achter het tweede voorhangsel, dat zich binnen in het heiligdom bevindt (Exod. 26: 21) en van het eerste wel te onderscheiden is (Exod. 36: 35, 37v.), was een tent, genaamd het heilige der heiligen, het allerheiligste (1 Kon. 6: 16).
Waren er, mag men vragen, meer dan één voorhangsel? De Heilige Schrift spreekt maar van één (Exod. 26: 31). Daar was wel een neerhangend kleed voor de deur van de tent, maar dat wordt een voorhangsel genoemd; er was niets meer dan één voorhangsel in de tabernakel, noch in de tempel van Salomo: maar in de tweede tempel, waaronder de apostel leefde, waren er twee voorhangsels, die het heilige van het heilige der heiligen afscheidden; op het binnenste van deze twee wordt hier door de apostel gedoeld; en de Joodse schrijvers beweren voortdurend dat er twee voorhangsels waren tussen de gemelde plaatsen en dat jaarlijks twee nieuwe werden gemaakt. Dus wordt er gezegd dat wanneer de hogepriester op de grote Verzoendag met het reukwerk het heilige der heiligen binnenging, hij dan ging in de tempel, totdat hij kwam tussen shette happarochoth, de twee voorhangsels die het heilige afscheidden van het heilige der heiligen en dat er een ruimte van een el daartussen was. De reden van deze twee voorhangsels kunnen wij zien uit het bericht dat Maimonides over deze zaak geeft. In de eerste tempel was een muur, die het heilige van het heilige der heiligen afscheidde, ter dikte van een el; maar toen zij de tweede tempel bouwden, werd eraan getwijfeld of de dikte van de muur afgenomen was van de ruimte van het heilige of van het heilige van de heiligen; om die reden maakten zij het heilige der heiligen twintig volledige ellen groot en zij lieten een ruimte van een el tussen het heilige en het heilige der heiligen en zij bouwden geen muur in de tweede tempel, maar maakten “shetthe parochoth”, twee voorhangsels; één aan de zijde van het heilige der heiligen en het andere aan de zijde van het heilige en lieten tussen deze beide een ruimte van een el, zoals de dikte van de muur die er in de eerste tempel was; maar in de eerste tempel was slechts één voorhangsel, zoals gezegd wordt in Exod. 26: 33 : “en het voorhangsel zal u een scheiding maken tussen het heilige en het heilige der heiligen. ” En met dit verhaal stemmen andere Joodse schrijvers overeen. De ruimte tussen de twee voorhangsels wordt door hen genoemd tarkesn, vanwege de moeilijkheid en verbijstering die deze zaak hun maakte. Dit voorhangsel of deze voorhangsels kunnen opgevat worden als afbeeldingen van de zonde van de mensen, die scheiding maakt tussen God en de mensen en hen buiten de hemel sluit, maar door de dood van Christus weggenomen is, toen het voorhangsel in tweeën scheurde, zodat er nu een open weg naar de hemel is. Christus is daar ingegaan door Zijn eigen bloed en de gelovigen hebben vrijmoedigheid om nu door geloof en hoop in te gaan en zullen hierna persoonlijk daarin gaan; of anders kan dit voorhangsel betekenen de ceremoniële wet, die scheiding maakte tussen Joden en heidenen en vernietigd is door de dood van Christus; of liever was dit voorhangsel een afschaduwing en afbeelding van het vlees of de menselijke natuur van Christus, genaamd het voorhangsel van Zijn vlees (hoofdstuk 10: 20).
Met een gouden wierookvat, waarmee de hogepriester op de grotenVerzoendag het heilige der heiligen moest bewieroken (Lev. 16: 12), volgens de betekenis van het Griekse woord, die thans bijna algemeen wordt aangenomen, het “gouden wierookaltaar”, dat weliswaar voor het voorhangsel (vs. 3) staat, maar toch tot het heilige der heiligen gerekend wordt (Exod. 30: 1v. ; 40: 26v. ; 1 Kon. 6: 20, 22 en de ark van het verbond, rondom met goud overdekt 1) (Exod. 25: 10v. ; 40: 20v., waarin “1Ki 8: 9 de gouden kruik of urn met het manna lag (Exod. 16: 32, 33) en de staf van Aäron, die gebloeid had (Num. 17: 10) en de tafelen van het verbond; de laatsten in de ark zelf, maar de beide eersten naast of aan de zijde van de ark (Exod. 34: 29; 2 Kron. 5: 10).
Deze wordt de ark van het Verbond genoemd, omdat de tafelen van het Verbond, naderhand vermeld, daarin lagen en dat zij rondom met goud overdekt en belegd was, is zeker op te maken uit Ex. 25: 11, waar gezegd wordt dat zij overtrokken was met louter goud van binnen en van buiten en het feit dat de ark binnen het voorhangsel en in het heilige der heiligen was, wordt duidelijk in Ex. 40: 21 en 2 Kron. 5: 7 Dat deze ark ontbrak in de tweede tempel, wordt algemeen toegestaan, maar wie haar wegnam, waar zij gebracht is of wat van haar geworden zij, daaromtrent zijn de gevoelens van de Joodse schrijvers verschillend; sommigen zeggen dat zij door Nebukadnezar naar Babel weggevoerd werd samen met de kostelijke vaten van het huis van de Heere (2 Kron. 36: 10); anderen zeggen dat de profeet Jeremia haar nam en verborg in een hol van de berg Nebo; maar de meest aangenomen hypothese is dat zij verborgen werd door koning Josia in een diepe en verborgen plaats, die Salomo tot dat doel onder de grond had doen bouwen, omdat hij wist dat de tempel zou verwoest worden en dikwijls wordt in de Joodse schriften gezegd dat zij verborgen was onder de vloer van een plaats in de tempel, genaamd “de houtplaats. “
En bovenop deze ark van het verbond stonden de cherubijnen, deze dragers van de goddelijke heerlijkheid (Lev. 16: 2; 1 Sam. 4: 4; 2 Kon. 19: 15) die het verzoendeksel overschaduwden (Exod. 25: 18); hierover, over de dingen die hier van vs. 2-5 voor ons opgesomd worden, zullen wij nu niet in bijzonderheden treden, omdat het buiten onze roeping ligt om deze stukken alle in het bijzonder naar hun nadere gedaante en symbolische betekenis te verklaren.
Het eerste verbond, zegt de schrijver, was nu weliswaar op zijn wijze zeer godsdienstig ingericht; het had godsdienstige verordeningen van positieve wettelijke kracht, die rustten op goddelijke openbaring, op openbaring van de goddelijke wil. Het had een wereldlijk heiligdom, d. i. een heiligdom dat, wat de stof aangaat waaruit het bestond en de plaats die het innam en de aard en de wijze van zijn bediening, tot de tegenwoordige stoffelijke wereld behoort. Doch dit “maar, ” dat reeds wordt gevonden in de uitdrukking “wereldlijk” en in vs. 6 letterlijk wordt geschreven, komt in vs. 11v. tot de positieve uitdrukking waarnaar het vanaf vs. 6 zocht, door de ontkenning die in de uitdrukking ligt. In vs. 6-10 begint de schrijver eerst te spreken over de bepalingen van de godsdienst en hij begint dadelijk te bewijzen dat het Oude Testament ook een heiligdom had en wel één van wereldlijke aard.
Als de lente gekomen is, zeggen wij: “de winter is voorbij”, al blijft ook soms nog enige weken in de lente de sneeuw liggen. In deze zin zegt de schrijver: “zo had dan ook wel het eerste verbond voorschriften voor de godsdienst en het wereldlijk heiligdom, hoewel de tempel er nog stond en er zelfs nog geofferd werd; daar echter het Nieuwe Verbond reeds bestond, behoorden de tempel en de offerdienst reeds tot het verleden. Het geloof van de christen ziet scherper dan zijn lichamelijk oog. Terwijl nu echter de schrijver met ons in de geest het Joodse heiligdom binnentreedt en ons een blik laat slaan op zijn heerlijkheid, beschrijft hij ons niet de tempel zoals hij toen voor de ogen van zijn lezers stond, maar gaat met voorbedachte rade terug tot de oorsprong, de eerste inrichting van de tabernakel onder Mozes. Er ontbrak in de toenmalige tempel reeds menig stuk dat hier genoemd wordt, b. v. de ark van het verbond Ezr 6: 15, zodat de lezer hieraan reeds kon bemerken dat waar was wat in hoofdstuk 8: 13 over het Oude Verbond gezegd is: “het verbond, dat nu oud gemaakt is en verouderd en nabij de verdwijning”. Maar ook in zijn eerste oorspronkelijke reinheid en volkomenheid was het oudtestamentische heiligdom slechts een voorafschaduwing en de priesterdienst onvolmaakt.
Deze dingen nu (juister uitgedrukt: “echter waren zo ingericht, het heiligdom naar zijn beide hiervoor genoemde gedeeltes met de gereedschappen die bij elke afdeling in het bijzonder behoren voor alle toekomende tijden a) en zo gingen de priesters, zoals het ook tegenwoordig in de tempel geschiedt, voortdurend de eerste tent binnen (vs. 2) om de erediensten, zoals in Exod. 30: 6vv. voorgeschreven is (Luk. 1: 8), te volbrengen, tweemaal per dag aan het reukaltaar (vs. 4).
Num. 28: 3
a) Maar in de tweede tent, in het heilige der heiligen (vs. 3), ging, naar het voorschrift in Exod. 30: 10 Lev. 16: 1vv., alleen de hogepriester eenmaal per jaar naar binnen, namelijk op de grote Verzoendag, niet zonder bloed, dat hij zelf offerde, nadat hij het bij het slachten van zijn eigen zondoffer en van het zondoffer voor de gemeente in het priestervoorhof opgevangen had, voor zichzelf en voor de misdaden van het volk, voor zonden door onwetendheid en dwaling begaan (hoofdstuk 5: 2; 7: 27
Hebr. 9: 25
Daarmee, met de instelling die het heilige der heiligen zo goed als ontoegankelijk maakt, wilde de Heilige Geest, 1) op wiens bevel en onder wiens ingeving de bepalingen van de wet die op de eredienst van Mozes betrekking hebben, zijn gemaakt (1 Petrus 1: 11), a) zeggen dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, dat de toegang tot het eigenlijke heiligdom van God (hoofdstuk 8: 1; 6: 19) nog niet voor iedereen en op elk moment geopend is (hoofdstuk 10: 19), zolang de eerste tent met het voorhangsel, dat haar van de tweede afdeling scheidt, maar dat bij de dood van Jezus doorgescheurd is (vs. 3 MATTHEUS. 27: 51), nog bestond. 2).
Joh. 14: 6
Dit toont dat de Heilige Geest bestond en in wezen was onder het Oude Verbond, dat Hij een onderscheiden persoon in de Godheid is, aangezien hier een persoonlijke daad aan Hem wordt toegeschreven; dat Hij waarachtig en eigenlijk God is, de God, Wiens dienst de priesters in de tabernakel verrichtten, door wie Mozes vermaand werd alles in de tabernakel te maken naar het hem getoonde voorbeeld en die de hogepriester waarschuwde om niet op elke moment binnen het voorhangsel te gaan; verder dat de Levitische inzettingen van God waren en een geestelijke betekenis hadden; dat de heiligen van het Oude Verbond niet zonder kennis van de geestelijke betekenis van die dingen waren en dat de Heilige Geest de gever en oorzaak van die kennis was.
Deze tekst lijkt mij dat vertroostend leerstuk te leren, dat echter door vele zeer brave, waardige en geleerde christenen niet wordt geloofd, dat wanneer de vromen sterven, zij niet in een staat van slaap vallen en daarin blijven tot de opstanding, maar dat rechtstreeks na hun dood hun zielen naar de hemel gaan en naar de plaats waar onze verheerlijkte Zaligmaker is en daar waarachtig zalig zijn in het genot van Christus en van God. Ik zeg, deze tekst schijnt deze leer te vervatten, omdat ik die anders niet kan verstaan dan in de veronderstelling dat deze leer waar is. Dat de apostel onder het heiligdom hier niet verstaat het heilige der heiligen van de Joodse tabernakel of tempel zal redelijk geaccepteerd worden. Verder dat het niet kan betekenen het hemels Jeruzalem, waarin de verheerlijkte heiligen tot in eeuwigheid zullen wonen na de opstanding, is duidelijk, omdat de apostel hiervan niet kon zeggen dat het niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel bestond en omdat dezelfde apostel in deze zelfde brief wel zeer uitdrukkelijk zegt dat het openbaar was gemaakt in die tijd. Hij zegt (hoofdstuk 11: 10) dat Abraham, voordat de mozaïsche tabernakel gebouwd was, de stad, dat is het hemels Jeruzalem zelf verwachtte, waarvan God de kunstenaar en bouwmeester is. De apostel voegt erbij, aangaande Abel, Enoch, Abraham, Izaak, Jakob en Sara: “deze allen zijn in het geloof gestorven, zonder de beloften, dat is de vervulling van de beloften, verkregen te hebben, maar zij hebben die van verre gezien en geloofd en omhelsd en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen waren. Want zij die zulke dingen zeggen, tonen duidelijk dat zij een vaderland zoeken. Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is naar het hemelse vaderland. Mozes zag op de vergelding van het loon. Anderen namen de aangeboden verlossingen niet aan, opdat zij een betere opstanding zouden verkrijgen dan de terugkering uit het graf in deze wereld. ” Uit dit alles blijkt zeer duidelijk dat de weg tot de toekomstige staat van gelukzaligheid na de opstanding openbaar was aan de vromen, terwijl de tabernakel en tempel stonden. De apostel kan dan niet verondersteld worden in deze tekst te spreken van deze toekomstige staat na de opstanding. Dientengevolge moet hij met het heiligdom de hemel bedoelen, waar Christus nu is en waar de vromen nu zijn in een staat van gelukzaligheid tussen hun dood en hun opstanding, wanneer de apostel zegt dat de weg hiertoe niet openbaar gemaakt is, voordat die tabernakel weggedaan werd. Dat de weg tot het heiligdom toen niet openbaar was, werd aangeduid door het feit dat niemand, behalve de hogepriester alleen, in het heilige der heiligen mocht komen. In dat heilige der heiligen was de wolk van de heerlijkheid op het verzoendeksel en verbeeldde de persoonlijke tegenwoordigheid van God. Doordat het volk niet toegelaten werd om in de tegenwoordigheid van God te komen in de tabernakel, werd aangegeven dat de weg voor hen niet open was om in de tegenwoordigheid van God te gaan in de hemel, tussen de dood en de opstanding. Als de apostel zegt dat de weg niet open was, is het duidelijk dat hij niet bedoelt dat de weg niet openbaar was voor onze Hogepriester Christus Jezus; de Heilige Geest kon dus met het binnengaan van de Joodse hogepriester in het heilige der heiligen nooit te kennen willen geven dat de weg van het heiligdom niet openbaar was voor onze Hogepriester. Omdat de weg in het heilige der heiligen open was voor de Joodse hogepriester, moet dat natuurlijk betekenen dat de weg in het allerheilige ook open was voor onze Hogepriester. En zoals de weg in het heilige der heiligen niet openbaar was voor het Joodse volk, zo was de weg naar de hemel op dat moment niet openbaar voor datzelfde volk. Wanneer de hogepriester in het heilige der heiligen ging, kon hij het volk achter hem niet naar binnen laten gaan, maar Christus, die ingegaan is in het heiligdom, dat is in de hemel zelf, heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht voor ons, zodat wij, buiten ons lichaam, bij de Heere tegenwoordig zullen zijn. Wij hebben vrijheid om in te gaan in het heiligdom, door het bloed van Jezus.
Deze eerste voorhof, waarin de priesters altijd mochten komen (vs. 6), was een gelijkenis of afbeelding (hoofdstuk 11: 19), van die tegenwoordige tijd, zolang het Oude Verbond recht van bestaan had, waarin gaven en slachtoffers (hoofdstuk 5: 1) geofferd werden, die als zodanig beantwoordden aan hun vooraf schaduwend karakter, die degene die de dienst pleegde, niet konden heiligen (hoofdstuk 7: 19) naar het geweten, zodat zij het bewustzijn konden hebben nu werkelijk bereikt te hebben waarnaar zij gestreefd hadden, om zo met God verzoend en Hem aangenaam te zijn.
Wat beeldde die eerste tent af? Ik aarzel niet hierop dit antwoord te geven, waardoor het hier gebruikte voorzetsel (voor of tot) in dubbele zin gebruikt wordt en twee gedachten in één zinsnede worden uitgedrukt; die eerste tent, die tot in de tegenwoordige tijd moest dienen, was ook de afbeelding van deze tegenwoordige tijd. De tegenwoordige tijd is dan die waarin Christus tot ons is gekomen, zonder dat wij Hem reeds in het binnenste heiligdom achter het voorhangsel, in de hemel zijn gevolgd. Welnu, is dit het niet juist wat door de dienst in het heilige werd afgebeeld? Daar verkeerden dagelijks de priesters zonder onderscheid van rang en brachten er de gaven en offers van het volk. Daar geschiedde dus de dagelijkse godsdienst van het volk. De zich daar bevindende voorwerpen toonden aan, wij zagen het, de zaliging van het natuurlijke leven. Is het nu niet juist deze dienst die in de gemeente van de Heere vervuld is? Wat is daar symbolisch geworden? Is niet, door de dienst van Christus in deze wereld, deze wereld aan God gewijd? Is Hij niet door Zijn komst in de duisternis, het licht van deze wereld, zoals in het duistere heiligdom de gouden kandelaar brandde, als teken van het licht in de duisternis? Richt Hij niet Zijn priesterlijke tafel aan voor ons in deze wereld in het heilig avondmaal, dat niet als een afzonderlijke maaltijd moet beschouwd worden, afgescheiden van onze dagelijkse maaltijden, maar als de maaltijd van de gemeente, van die gemeente, die ook in haar huizen Christus opneemt en Hem als gast eert aan de huiselijke tafel? Is de voorstelling van de broden niet het symbool van het feit dat Christus in ons midden heeft gewoond, Hij eigenlijk Zijn tabernakel heeft opgericht, (Joh. 1: 14) al het onze, ons huiselijk en maatschappelijk leven, het Zijne is geworden? Voorwaar, de eerste tent was afbeelding en geen wezen en alles wat daarin plaats vond, was afbeelding van een toestand waarin het wezen van deze dingen openbaar zou zijn geworden, maar wees daardoor ook op die toestand als afbeelding van de toekomende tijd.
Daar zij alleen a) (slechts) bestonden uit spijzen en dranken (Rom. 14: 17 Kol. 2: 16) b) en verscheidene wassingen (2 Kon. 5: 14 Mark. 7: 4) en dergelijke rechtvaardigmakingen van het vlees, zoals de wet ze voorschrijft, behalve de gaven en offeranden die zulke inzettingen uitmaken, opgelegd tot op de tijd van de verbetering die met het beloofde Nieuwe Verbond (hoofdstuk 8: 8) zou beginnen (Hand. 15: 10 Gal. 4: 3, 9).
Lev. 11: 2 b) Num. 19: 7, enz.
Aan het einde van het vijfde vers verklaarde de schrijver dat hij hier niet de juiste betekenis van alle vroeger opgenoemde voorbeelden in het bijzonder wilde verklaren. Hij wijst echter de juiste betekenis aan van de beide hoofdafdelingen van de tabernakel zelf en zo begint hij dan in vs. 6, terwijl hij nu de bepalingen van de godsdienst (vs. 1) bij één van haar hoofdpunten aanhaalt, zo’n verklaring en laat die in vs. 8 ook werkelijk volgen. De gedachte, in dit vers uitgedrukt, is deze: door de verordening dat het heilige der heiligen, de zetel van God en de plaats waar Hij Zich openbaart, niet mag betreden worden, behalve op één dag per jaar, alleen door de Hogepriester en daarentegen de dagelijkse Levitische priesterdienst in het heilige plaats heeft en de toegang tot het heilige der heiligen daardoor wordt versperd en gesloten, spreekt de Heilige Geest uit dat zolang de Levitische priesterdienst bestaat, de onmiddellijke toegang tot God nog niet veroorloofd is. Er moet dus nog iets anders geschieden om een volkomen en directe gemeenschap met God te bewerken en mogelijk te maken, hetgeen reeds door de jaarlijkse dienst van de hogepriester op de grote verzoendag is voor afgebeeld.
Bij de beschrijving van de bouw van het heiligdom (vs. 2-5), heeft de schrijver zich niet gehouden aan de Herodiaanse tempel, maar aan de beschrijving die door Mozes gegeven is van het oorspronkelijke heiligdom, de tabernakel. Herodes heeft zich toch bij de verbouwing van de tempel velerlei veranderingen veroorloofd (slotw. bij 1 Makk. nr. 11), zodat men ook hieruit de waarheid kan zien van hetgeen in hoofdstuk 8: 13 gezegd is. Hier echter, waar hij van de uitoefening van de godsdienst spreekt, beschrijft hij ze als nog voortdurend. Deze handelingen toch waren dezelfde gebleven, evenals ook het tweevoudige van het heiligdom als heilige en heilige der heiligen, hoewel in een andere vorm, bewaard gebleven is.
Evenmin als de priesters van het Oude Verbond, volgens de wet van het heiligdom van het Oude Verbond, zelf niet tot God kunnen naderen (Lev. 16: 1), evenmin kunnen zij ook anderen een vrije toegang tot God verschaffen; slechts in het heilige mogen zij komen en daar in eerbiedige vorm God door hun priesterlijk werk eren. En zo is dit heilige een treffende afbeelding van de tijd van het Oude Verbond, waarin slechts een onvolkomen nadering tot God mogelijk was, waarin zelfs zij die het allereerst Hem konden naderen, nog door een voorhangsel van Hem gescheiden bleven. Ja, zelfs de enige onder hen, voor wie het allerhoogste, als hem alleen toekomend, weggelegd was, mocht zich altijd slechts zeer kort en slechts wanneer hij elke keer verzoening deed voor zijn zonden, in de onmiddellijke, maar toch nog slechts uiterlijk symbolische nabijheid van God wagen. Het hele karakter van de tijd van het Oude Verbond, van zijn godsdienst en zijn godsdienstig leven wordt dus door het heilige als in een gelijkenis voorgesteld. Dit symbool, dat het karakter van de hele tijd van het Oude Verbond voorstelt, doet ons ook zien dat de offers van het Oude Verbond, het voornaamste onderdeel van de priesterdienst, onvolmaakt waren en slechts een heel onvolkomen, uiterlijke nadering tot God mogelijk maakten. Daarbij noemt de schrijver nog andere godsdienstige inzettingen, die behalve de priesterdienst, nog bekwaam hadden kunnen maken tot de nadering tot God; maar ook zij zijn van hetzelfde karakter; alles samen is niets dan een menigte uiterlijke, vleselijke inzettingen.
EPISTEL OP DE VIJFDE ZONDAG IN DE VASTENTIJD: JUDICA
In deze brief zien wij onze Heere niet alleen als de onschuldige en reine, zoals in het evangelie van de Zondag, niet alleen in majestueuze rust door de haat van Zijn vijanden heengaan; maar wij zien Hem daar aangedaan met de hogepriesterlijke waardigheid. De beide eerste verzen van onze tekst vertellen ons over Zijn intreden in de volmaakte tabernakel. Hij wordt ons voorgesteld, zoals Hij met Zijn eigen bloed binnengaat. In de twee volgende verzen worden ons de zalige gevolgen van al het lijden van Christus op aarde voorgesteld; en evenals het bloed in het eerste gedeelte van de tekst, in de hemel een eeuwige verlossing uitwerkt, zo wordt ons nu getoond wat een vrede en grote vrijheid datzelfde wonderbare middel op aarde in de harten en het geweten van de gelovigen teweegbrengt. Tenslotte verkondigt ons het laatste vers niet alleen wat het bloed van de Heere in de hemel bewerkt, maar ook hoe de gelovigen door de kracht van het bloed zelf de hemel ingaan en de beloofde erfenis verkrijgen.
Christus, onze Hogepriester: 1) door de heerlijkheid van Zijn offer, 2) door de werking van Zijn bloed.
Van het hogepriesterlijk ambt van Christus: 1) hoe dit reeds in het Oude Testament voor afgebeeld is, 2) hoe Christus het uitgeoefend heeft en nog uitoefent, 3) welke winst dat ambt ons geeft.
Het hogepriesterschap van Jezus Christus: 1) het altaar waarop Hij Zijn offer brengt, 2) het heiligdom waar Hij als priester regeert, 3) de zegen die Hij uitstort.
De verzoening van de zondige mensheid met God: 1) hoe zij bewerkt is door het bloed van Christus, 2) hoe zij kracht verleent voor de dienst van God, 3) hoe zij de eeuwige erfenis voor ons ontsluit. De reiniging van ons geweten; wij vertegenwoordigen ons 1) de dode werken, die ons geweten bevlekken, 2) het middel, waardoor wij van deze bevrijd kunnen worden, 3) de heiligmaking, die op de bevrijding volgt.
Van de eeuwige verlossing; 1) wie is de mens die haar verworven heeft? 2) wat is de prijs die er voor betaald is? 3) welke winst heeft zij aangebracht?
In hoeverre is onze Heere Jezus Christus de Middelaar van het Nieuwe Verbond? In zoverre Hij 1) het offer werkelijk brengt dat in het Oude Testament slechts voor afgebeeld wordt, 2) de gerechtigheid aanbiedt die in het Oude Testament wel geëist, maar niet gegeven werd, 3) ons de eeuwige goederen aanbiedt die in het Oude Testament beloofd worden.
Maar Christus is, a) in onderscheiding van de priesters van het Oude Testament (vs. 6 hoofdstuk 8: 5), die slechts tot voorafschaduwing dienden, de Hogepriester van de toekomende goederen, die tot de toekomstige wereld (hoofdstuk 10: 1; 2: 5; 13: 14) behoren. Hij is het die door Zijn hogepriesterlijke dienst deze aanbrengt en dan ook op hogepriesterlijke wijze bestuurt (hoofdstuk 8: 2). En nadat Hij bij Zijn lijden als het ware de hogepriesterlijke dienst van de Grote Verzoendag in het voorhof heeft vervuld (hoofdstuk 5: 7; 7: 27) het begin van de tijd van de verbetering (vs. 10), is Hij door de meerdere en volmaaktere tabernakel (vs. 6 en 8) heengegaan (hoofdstuk 4: 14). Deze is niet zoals het heiligdom van Mozes (vs. 2) met handen gemaakt (hoofdstuk 8: 2), dat is, om nader aan te duiden welke tabernakel hier bedoeld wordt, niet van dit maaksel (beter, zoals Luther eerst vertaald heeft, niet van deze schepping). Ik bedoel de tabernakel die niet tot deze aardse zichtbare wereld behoort, maar zich in de onzichtbare wereld aan de andere zijde bevindt, namelijk in de verblijfplaats van de hemelse legermacht (hoofdstuk 4: 14; 7: 26
Hebr. 3: 1; 4: 14; 6: 20; 8: 1
Niet door het bloed van bokken en kalveren zoals de levitische hogepriester (vs. 7 Lev. 16: 15v., 12v.), heeft Hij Zich de intrede in het heilige verschaft, a) maar door Zijn eigen bloed, dat Hij in Zijn verheerlijkt lichaam met Zich bracht en waarin de verzoenende kracht woonde van Zijn aan het kruis vergoten bloed. Hij is eenmaal voor altijd (Hand. 3: 21), niet om het net als de levitische hogepriester elk jaar weer te moeten doen (vs. 25), ingegaan in het heiligdom, dat in de hoogste zin van het woord het heilige der heiligen is, in de troonhemel van God (vs. 24 MATTHEUS. 6: 9), waardoor Hij een eeuwige verlossing teweeg bracht van alle schuld en straf van de zonde, om die te geven aan allen die in Zijn naam geloven, zodat wij nu werkelijk en waarachtig, hetgeen de Levitische priester nooit met zijn offerdienst kon bewerken (vs. 9), geheiligd Zijn naar het geweten.
Hand. 20: 28 Efeze. 1: 7 Kol. 1: 14 Hebr. 10: 10; 1 Petrus 1: 19
Het is niet zonder betekenis dat het onderwerp in deze beide verzen “Christus” is en niet zoals in hoofdstuk 7: 22 “Jezus”. Hier wordt niet gezegd wat wij aan Jezus hebben, maar hoe geheel anders het met het hogepriesterlijk werk gesteld is dat de beloofde Middelaar gedaan heeft nadat Hij verschenen is, dan met het werk van de vorige ordening van God en van haar heiligdom. Hij is namelijk als de beloofde Middelaar “een hogepriester van de toekomende goederen, ” waarmee de goederen bedoeld zijn, die verwezenlijkt zullen worden aan het einde van de geschiedenis die tussen God en de mensheid plaats heeft, in tegenstelling tot de goederen die behoren tot de toestand van de wereld, zoals die door de schepping teweeggebracht is.
Als Hogepriester van de toekomende goederen, in vs. 15 met de uitdrukking “de beloofde eeuwige erfenis” aangeduid, is Christus ingegaan in “het heilige”, d. i. in het hemelse heilige der heiligen, in de plaats van de onmiddellijke nabijheid van God en van de volkomen openbaring van Zijn heerlijkheid. Evenals de hogepriester van het Oude Verbond van het voorhof in het heilige en hierdoor in het heilige der heiligen van de mozaïsche tabernakel ging, zo is Christus bij Zijn hemelvaart van de aarde, door alle ruimten van de hemel, naar de hoogste hemel, in het hemelse heilige der heiligen gegaan. Dat er boven de zichtbare sterrenhemel nog andere hemelen zijn, die tot de geestelijke wereld behoren en waarvan de allerhoogste pas als de eigenlijke woonplaats van God is te beschouwen, wordt in 2 Kor. 12: 2 aangetoond. Daar zegt Paulus dat hij opgetrokken is geweest tot in de derde hemel. De hemelen nu, waar Christus doorgegaan is (waar de engelen als gewone priesters God dienen nacht en dagen vs. 6) zijn “niet met handen gemaakt” zoals de tabernakel van Mozes. Zij zijn wel geschapen, maar behoren niet tot deze schepping, niet tot de stoffelijke schepping die men met het oog kan zien (Ps. 33: 6) en die de grondstoffen levert waarmee mensenhanden een tent als de tabernakel konden maken (hoofdstuk 8: 2). Als behorend tot het gebied van een bovennatuurlijke wereld, zijn zij een “grotere en meer volmaakte tabernakel”, dan het voorste gedeelte (hoofdst. 9: 2) van de tabernakel, die wat tijd en ruimte betreft, beperkt was.
De schrijver noemt deze hemelse tabernakel groter, in tegenstelling tot de nietigheid en volmaakter in tegenstelling tot de ontoereikendheid van het heilige in de tabernakel van Mozes, waarachter een ondoordringbaar, maar beperkt heilige der heiligen lag. De hemelse woonplaats van de reine geesten heeft weliswaar het heilige der heiligen, de verblijfplaats van de godheid achter zich, maar zij is door geen voorhangsel van Gods tegenwoordigheid gescheiden.
“Niet door het bloed van bokken en kalveren”, zegt de schrijver, terugziende op de hogepriester van het Oude Verbond die met het bloed van een bok voor de zonden van het volk en met het bloed van een stier voor zijn eigen zonden het heilige der heiligen moet binnengaan. Er werd, weliswaar, elke keer slechts één bok en slechts één stier geslacht, maar elk jaar moest die slachting herhaald worden en in de loop der jaren waren de offeranden voor de hogepriester en voor het volk reeds vele geworden. Daar tegenover staat dat Christus eenmaal het heilige der heiligen is binnengegaan en wel met Zijn eigen bloed.
Daarheen, waar Hij van eeuwigheid was als Gods Zoon (Joh. 1: 1v. ; 17: 5) ging Christus als Mensenzoon bij Zijn hemelvaart (Joh. 17: 11 Mark. 16: 19) door middel van “Zijn eigen bloed, ” hoe moeten wij ons dit voorstellen? Toen Hij aan het kruis Zijn bloed vergoot, heeft Hij niet al het bloed vergoten dat in Hem was, maar slechts zoveel als tot Zijn dood, tot Zijn sterven nodig was. Dit vergoten bloed drinkt de aarde, die met Gods vloek beladen was (Gen. 3: 17) en voor haar is het een heilig zaad, dat zij verbergt en dat haar in staat stelt eens opnieuw verlevendigd en verheerlijkt te worden. Ook hij die het lichaam en het bloed van Christus ontvangen heeft, heeft een tegengif tegen de dood, een zaadkorrel van de opstanding in zich. Het bloed daarentegen dat bij de dood van de Heere achterbleef en dat de verzoenende kracht van het bloed dat Hij vergoten heeft en dat nauw met Hem verbonden is met Zich droeg, dat bloed voert Hij in Zijn weer opgestaan en verheerlijkt lichaam met Zich tot het heilige der heiligen in de hemel.
Als hogepriesterlijk Middelaar voor de zondige mensheid was ook voor Hem de toegang tot de heilige majesteit van God nog gesloten, zolang Hij de offerdood nog niet had ondergaan; want als zodanig had Hij toch de zaak van de mensheid tot Zijn eigen gemaakt; wat dus naar de onveranderlijke verordeningen van de goddelijke heiligheid en gerechtigheid voor hen gold, moest ook voor Hem gelden. Hij moest de straf van de zonde, de dood, vrijwillig op Zich nemen, voor Hij als Middelaar voor God verschijnen en om genade en vergeving voor hen bidden kon. Nu Hij echter de dood ondergaan heeft en zo door Zijn eigen bloed het hemelse heiligdom binnenging, heeft Hij “een eeuwige verlossing teweeggebracht”; aan de verordeningen van de heiligheid en gerechtigheid is voldaan, ook nu zij toch voor de door Christus vrijgekochte zondaars niet meer aangewend hoeven te worden.
Een eeuwige verlossing van zonde, satan, de wet en de dood, waaronder Zijn volk in slavernij was; en deze verlossing heeft Christus teweeggebracht door een losprijs daarvoor te betalen, die niet bestond in vergankelijke dingen, zoals zilver en goud, maar in Zijn dierbaar bloed. In de grondtekst staat “een eeuwige verlossing gevonden hebbend”; hier schijnt een toespeling te worden gemaakt op Job 33: 24 Deze verlossing werd reeds lang gezocht door de heiligen van het Oude Testament, die deze zaligheid wensten, verwachtten en reikhalzend tegemoet zagen; zij is een zeer dierbaar ding en moeilijk te vinden: zij kan nergens verkregen worden dan alleen in Christus en wanneer zij in Hem gevonden is, is zij reden tot grote blijdschap voor ontwaakte zondaren; God vond ze in Christus en vond Hem een allergeschiktst persoon om haar teweeg te brengen en Christus heeft ze gevonden door de oorzaak daarvan te zijn. Deze wordt genoemd een eeuwige verlossing, omdat zij zich uitstrekt tot de heiligen in alle eeuwen, zowel in voorgaande als in de toekomende tijd: omdat zij een eeuwig leven en eeuwige zaligheid insluit en omdat zij die daar deel aan hebben, nooit zullen vergaan, maar gezaligd zullen worden met een eeuwige zaligheid; en zij wordt zo genoemd in tegenstelling tot de vleselijke verzoeningen van de hogepriesters en in onderscheiding van tijdelijke verlossingen, bevrijdingen en zaligingen. Opmerkelijk is de uitbreiding van Jonathan en Uzziël over Gen. 49: 18 Jakob zei, toen hij Gideon, de zoon van Joas en Simson, de zoon van Manoah zag, die verlossers zouden zijn: ik wacht niet op de verlossing van Gideon, noch zie ik uit naar de verlossing van Simson, want hun verlossing is een tijdelijke verlossing, maar op Uw verlossing wacht ik en naar deze zie ik uit, o Heere, want Uw verlossing is purkan olamin, een eeuwige verlossing.
Ja, hoeveel te meer zal a) het bloed van Christus, b) die door de eeuwige Geest, die Hem vervulde en die Zijn daad maakte tot een vrijwillige gehoorzaamheid aan God en tot opofferende liefde voor Zijn broeders, Zichzelf (hoofdstuk 7: 27) aan God als een smetteloos offer gebracht heeft, zoals het bij een volmaakt offer nodig is (Lev. 1: 3; 4: 3v. ; 22: 19 en daardoor de reiniging van onze zonden teweeggebracht heeft (hoofdst. 1: 3), wanneer wij nu met hetzelfde bloed in ons hart gereinigd worden (hoofdst. 10: 22), uw geweten reinigen van dode werken. En in zulke werken, die niet voortkomen uit, noch vervuld zijn van het leven in God, c) hebben wij tot hiertoe geleefd (hoofdstuk 6: 1). Maar dat bloed zal ertoe leiden om de levende God te dienen, in levende, waarlijk goede werken (hoofdst. 10: 24; 13: 21).
1 Joh. 1: 7 Openb. 1: 5 b) Gal. 1: 4 Efeze. 5: 2 Tit. 2: 14 c) Luk. 1: 74 Rom. 6: 13 Gal. 2: 20; 1 Petrus 4: 2
Een “eeuwige verlossing” heeft onze Hogepriester teweeggebracht. Dit woord is vroeger alleen als een bewering voorgesteld; thans echter wordt het bewijs daarvoor geleverd en tegelijk gezegd waarin die verlossing bestaat, namelijk in de reiniging van ons geweten van de zondenlast en in de versterking van onze zedelijke kracht. Het bewijs wordt echter, te oordelen naar de algemene wijze van behandeling in deze brief, genomen uit een vergelijking met de reinigingsmaatregelen in het Oude Testament en de aanvoering van het bewijs heeft plaats in de vorm van een gevolgtrekking a minori ad majus (van het mindere tot het meerdere). Gods volk uit het Oude Testament had een dubbele reiniging nodig, daar het zich voor God verontreinigd had of doordat het zelf in de zonde behagen had of doordat het iemand had aangeraakt die aan de dood, de straf van zonde, ten prooi was geworden. Voor de ene soort van verontreinigingen werd op de jaarlijkse grote Verzoendag een reinigingsoffer gebracht voor de hele gemeente; voor de andere soort was de besprenging met water, gemengd met de as van een rode koe, vereist (en wordt, wijzend op de hele offerdienst van Mozes, waarvan de beide uiteinden worden voorgesteld in het offer van de hogepriester op de grote Verzoendag en in de offering van de rode koe, die door de zoon en vermoedelijke opvolger van de hogepriester moest worden gedaan, samengevat). Deze reinigingsmiddelen van het Oude Verbond brachten geen reiniging van het hart van de zonden, noch een bevrijding van de straf van de zonde, van de dood, teweeg, maar “heiligden slechts de onreinen tot de reinheid van het vlees”. De reiniging die zij bewerkte, bestond in niets anders dan daarin, dat hetgeen de leden van het volk van God van de gemeenschap met God buitensloot, hun door een symbolische handeling werd ontnomen, zodat daardoor de uiterlijke gemeenschap met God weer tot stand kwam. Slechts zo’n uiterlijke reiniging, die, daar het lichaam onze uiterlijke gedaante vormt en ons uiterlijk verkeer mogelijk maakt, daarom ook slechts door uiterlijke heilige gebruiken aan het lichaam geschiedt, was de uitwerking van deze reiniging. Men moet echter deze werking niet gering achten: het is reeds iets zeer groots, wanneer voor de mens die voor God gezondigd of zich verontreinigd heeft, de uiterlijke toegang tot God en Zijn heiligdommen weer geopend is en hem tenminste de uiterlijke gemeenschap met zijn God weer plechtig en stellig beloofd wordt. Dit heil wordt des te groter, omdat in de offerdienst van Mozes geen inzettingen zijn die de mens, om zijn hart tot rust te brengen, zelf heeft opgericht, maar omdat deze heilige ceremoniën, die de uiterlijke gemeenschap met God herstellen, allemaal verordeningen van God zelf zijn. Dezelfde zichtbare tekenen en onderpanden van de genade van zijn God worden dus de mens aangeboden; maar wat zijn deze reinigingsmiddelen van het Oude Verbond, vergeleken bij de reinigingsmiddelen van het Nieuwe? Wanneer die reinigingsmiddelen reeds zo’n uitwerking gehad hebben, wat een uitwerking zal dan het bloed van Christus niet hebben! Zoveel hoger als het bloed van Christus staat in de ogen van God boven het bloed van de stieren en bokken, zoveel groter moet de uitwerking van het bloed van Christus zijn.
Met de woorden “die door de eeuwige Geest Zichzelf aan God als een smetteloos offer gebracht heeft”, treedt Christus als offer op in tegenstelling tot de offeranden van het Oude Testament, zoals in het bijzonder het woord “smetteloos” boven alle twijfel verheft; wij moeten dus denken aan Zijn zelfopoffering aan het kruis, aan het offer op Golgotha (“Heb 5: 8. Door de kracht van de Heilige Geest heeft Christus daar Zichzelf geofferd: voor het dier is de offerdood een werk van dwang, het gedraagt zich bij het werk van de offering slechts lijdelijk, zonder bewustzijn; de zelfopoffering van Christus daarentegen geschiedt in de kracht van de Heilige Geest, is dus een geheel vrije daad van de gehoorzaamheid en van de liefde, met het volle bewustzijn gedaan; de Heilige Geest is het, die deze daad bezielt. Daarom is zij niet een voorafschaduwing, maar werkelijk een verzoening, die voor God voldoende is; zij is de overgave van een geheel rein, onschuldig leven, maar ook een oneindig leven dat door de Heilige Geest voortleeft (hoofdst. 7: 16) en dus een werk van oneindige intensiteit, dat de zaligheid bewerkt heeft niet alleen van enkelen, maar van de hele mensheid. De schrijver houdt hun de jaarlijkse zoenoffers voor het gehele volk en de as van de rode koe, die niet voor enkelen, maar voor de behoefte van alle leden van de gemeente bestemd was, voor ogen; hij heeft dus blijkbaar de algemeenheid van hun zaligheid op het oog. De reiniging van het geweten van dode werken tot de dienst van de levende God is dus de uitwerking, die men van dit heilig bloed van God (Hand. 20: 28) kan verwachten en die zij allen zeker zullen ervaren, die er zich van willen laten bedienen, waartoe de Heere het ook heeft vergoten, toen Hij Zich opofferde om ons met God te verzoenen. Voor de verzoende en gereinigde van het Oude Verbond was de uiterlijke deelname aan de algemene godsdienst en het gemeenteleven weer geoorloofd zonder dat hij een innerlijke verandering, die van het offer en de besprenging uitging, ervaren had. Maar de gereinigde door Christus’ bloed is daarentegen door de kracht van Christus’ zoenoffer, in de levensgemeenschap met de levende God gebracht en zo niet meer alleen tot de uiterlijke en dode, maar tot de innerlijke en levende dienst van de levende God in staat gesteld.
Velen hebben onder de eeuwige geest verstaan de Godheid in het algemeen of de goddelijke natuur van Christus. Maar omdat de woorden zeer goed te verstaan zijn, verkies ik die laatste uitleg als de beste. Bisschop Fell begrijpt dit wonder op dezelfde wijze en meldt wel degelijk Christus’ ontvangenis, roeping, zalving om wonderwerken en Zijn vrijwillig aanbrengen en aannemen van Zijn leven door deze Geest. En ik heb het genoegen te vinden dat de heer Owen zich op dezelfde wijze uitdrukt, wanneer hij meldt dat Christus door deze Geest versterkt werd in het oefenen van dat wonderbare geloof en die onderwerping, liefde en ijver, die Hij in Zijn stervende ogenblikken vertoonde.
Met het bloed dat het geweten reinigt, wordt het bloed van de besprenging bedoeld, waarmee de Hogepriester van de toekomende goederen het hemelse heiligdom binnentrad (vs. 11; 12: 24). Evenals de verhandeling over het besprengd worden van het hart in hoofdst. 10: 22 voorafgegaan wordt door de verhandeling over de offerande (hoofdst. 10: 14, 18), zo wordt hier ook de reiniging van het geweten door het bloed voorafgegaan door het woord: “die Zichzelf aan God opgeofferd heeft. ” Het Zichzelf opofferen van Christus is Zijn hogepriesterlijk werk op aarde, maar de besprenging met Zijn bloed, die Hij ons ten deel laat vallen, is Zijn hogepriesterlijk werk in de hemel; zij heeft ten gevolge de reiniging van het geweten en met haar gaat hand aan hand de vernieuwing van het leven.
Het was bij de reinigingsmiddelen van het Oude Verbond niet genoeg dat het bloed van de stieren en bokken in het heiligdom gebracht werd, maar de besprenging van de as van de jonge koe moest in het bijzonder bij enkelen gebruikt en toegedeeld worden. Daaruit zou men moeten concluderen dat ook in het Nieuwe Testament het bloed van Jezus Christus, de Zoon van God, aan de gelovige zondaars op een bijzondere wijze toegedeeld wordt. En dat geschiedt dan ook inderdaad in de beide sacramenten: als bewijs voor het feit dat in de doop een besprenging met het bloed van Christus plaats heeft, spreekt het woord in hoofdst. 10: 22, waar “onze harten gereinigd van het kwaad geweten” met “het lichaam gewassen met rein water”, samengevoegd is. Zoals echter in het eerste sacrament, in de heilige doop, het begin ligt van de gave van het bloed van Christus, zo is het heilig avondmaal de voortzetting ervan. Werkelijk, hier opent zich voor ons een hemel op aarde, de aarde wordt tot een voorhof van het eeuwige heiligdom. Wat daarboven geschiedt, wordt hier beneden ondervonden en van de bediening van het eeuwige hogepriesterschap ontvangen wij bij het naderen tot het sacrament in het heiligdom de hemelse boodschap. Daar is het ons alsof de tempel van de eeuwigheid zich tot dit tijdelijke leven uitstrekte, alsof de viering van het sacrament zelf tot het hemelse heiligdom behoorde, alsof slechts een dunne scheidsmuur ons scheidde van de verheven plaats, waar Christus, de Alomtegenwoordige, Zijn eeuwig, hogepriesterlijk ambt bekleedt.
En omdat Hij, zoals in vs. 12 gezegd is, niet door het bloed van stieren en bokken, maar door Zijn eigen bloed eenmaal het heiligdom binnengegaan is, is Hij, om hier weer in de in hoofdst. 8: 6v. voorgestelde gedachtereeks te treden, de Middelaar van het Nieuwe Testament, dat naar Gods eigen Woord, dat daar aangehaald wordt, in de plaats van het Oude moest treden. Hij is dat a) opdat door de door Hem als Middelaar ondergane dood er een middel zou zijn tot verzoening van de overtredingen, die door het verbondsvolk onder het eerste testament zijn begaan, door de voorafschaduwende middelen van de verzoening echter niet werkelijk verzoend, maar slechts aan Gods geduld overgeleverd waren (Hand. 13: : 38v. Rom. 3: 25); om die reden kon ook onder dit testament de vervulling van de belofte niet plaatshebben. Hij heeft die dood namelijk geleden, opdat degenen die geroepen zijn, die de kring van de geroepenen vormen, d. i. de leden van het oudtestamentische verbondsvolk (Luk. 14: 17), de belofte van de eeuwige erfenis, de inbezitneming van de hemelse goederen (vs. 11) ontvangen zouden, opdat zo het verbond van God met het uitverkoren volk tot volmaking zou komen (Rom. 15: 8v.).
Rom. 5: 6; 1 Petrus 3: 18
Het gedeelte dat nu volgt, gaat terug op hoofdst. 8, waar in het algemeen wordt uitgesproken dat God beloofd heeft een nieuw verbond te stichten en dat door het nieuwe het oude moest worden vernietigd. In hoofdstuk 9 spreekt de schrijver nader over het Oude Verbond, erkent zijn waarde, maar toont ook aan dat zowel het heiligdom van dat verbond als de dienst die daarin gehouden werd, slechts heen wees naar een toekomstig en volmaakt heiligdom. Tegelijk bewijst hij ook dat het laatste met Christus’ verschijning nu voorhanden is; dan toont hij verder nog aan hoe de dood, die door Christus als priester ondergaan is, nu ook het Nieuwe Verbond tot stand brengt.
De schrijver heeft bij die verklaring allereerst Israël op het oog, want de heidenen waren toch buiten het verbond met God en vreemd aan het verbond van de belofte (Ef. 2: 12). Israël had dus de eerste roeping om van een gemeente van het Oude Verbond een gemeente van het Nieuwe te worden. Dezelfde Christus nu, die hij eerder als het tegenbeeld van Aäron heeft voorgesteld, stelt hij hier voor als het tegenbeeld van Mozes, noemt Hem de Middelaar van het Nieuwe Verbond; dan denkt hij ook bij het woord dat hij voor Testament gebruikt, niet wat wij, maar wat de Grieken daarbij denken; want in het Griekse woord liggen de begrippen van wederzijdse beschikking (verbond) en van uiterste wil (testament) (“Jer 31: 34” en “2Co 3: 6. Dadelijk vanaf het begin staat hem het Nieuwe Verbond voor de geest, als gegrond op de belofte van een erfenis, dus een beschikking zowel van een verbond als van een erfenis. Christus is dus als de Middelaar aan de zijde van de mensen degene, in wie het erfgoed gelegen is om dit aan de mensen over te geven en aan de zijde van God degene, die voor de mensen teweeg moet brengen wat voor hen de voorwaarde is om in het werkelijk bezit van dat erfgoed te komen. Het overgaan van de erfenis tot eigendom van de geroepene was echter niet mogelijk, zonder dat vooraf een sterven plaats had, dat de geroepene door verzoening van de onder het eerste verbond opgehoopte overtredingen bekwaam maakte de erfenis te aanvaarden en die erfenis zelf vrijmaakte, zodat zij in bezit kon worden genomen.
Zij, die tot de eeuwige erfenis geroepen waren (de kinderen van Abraham) waren gevangen gemaakt om de overtredingen die zij in de tijd van het eerste verbond begaan hadden. Deze overtredingen hadden krachtens het verbond door God met Israël gesloten, recht en macht om het volk de vervulling van die belofte te doen verliezen; het Nieuwe Verbond kon dus niet in de plaats van het Oude treden en de geroepenen tot de eeuwige erfenis konden de belofte niet deelachtig worden, voordat zij van deze overtredingen vrijgekocht waren. Terwijl nu echter Hij aan wie God volmacht gegeven heeft om de geroepenen tot de erfenis de belofte deelachtig te doen worden, de dood onderging, zo is aan die overtredingen recht gedaan. Niets staat de vervulling van de belofte meer in de weg en het Nieuwe Verbond kan in de plaats van het Oude treden.
Volgens hetgeen in Gal. 4: 6 opgemerkt wordt, hebben de heidenen het recht zich te achten als mede behorend tot de gemeente van het Oude Testament en komt de inlijving van die gemeente bij het Nieuwe Verbond ook hun ten goede.
“Toen de dood daar tussen gekomen is, ” zo luidt het in het vorige vers; zo zullen zij de erfenis verkrijgen, want waar een testament voorhanden is, dat werkelijk nagekomen zal worden, daar is het noodzaak dat eerst de dood van de testamentmaker, de dood van hem die de erfenis nalaat, tussenkomt.
Want een testament wordt pas van kracht, zodat de erfenis aanvaard kan worden, door de dood van de erflater, omdat het nog geen kracht heeft om volgens het recht geldig te worden; het rust veeleer wanneer de testamentmaker leeft (Vgl. Joh. 16: 7). a)
Gal. 3: 16
Eigenlijk is hij die het testament maakt, de oprichter van het testament, God; maar daar God de erfenis, die voor de mensen bestemd was, aan Christus overgegeven heeft, om die als Middelaar aan de mensen te brengen, zodat deze slechts erfgenamen van God kunnen worden, wanneer zij mede-erfgenamen van Christus worden (Rom. 8: 17), is het Christus, die aan de avond vóór Zijn dood van Zichzelf zegt (Luk. 22: 29v.): “en Ik beschik u het koninkrijk, zoals Mijn Vader dat Mij beschikt heeft, opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn koninkrijk. ” In Zijn hand is de eeuwige erfenis, die daar “koninkrijk” genoemd wordt, gelegd; Hij is dus de testamentmaker die sterven moet, opdat voor ons het in bezit nemen van het genadegoed mogelijk zou worden, waarvan toch de gedachte verwijderd moet blijven dat Hij door Zijn sterven zou verliezen wat op ons overgaat.
Wanneer God aan Abraham de belofte geeft: “in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden, ” dan is zeker het woord “zaad” een collectief woord, d. i. een woord dat, hoewel het in het enkelvoud staat, toch de hele menigte van alle mensen van hetzelfde geslacht, al de nakomelingen van Abraham, insluit. Toch doelt het woord, zoals de Schrift uitdrukkelijk zegt (Gal. 3: 16) naar de bedoeling van God, op één uit het zaad van Abraham, op één enkele van zijn nakomelingen. Op één, die bij voorkeur Abrahams zoon genoemd wordt, die daar zijn zal tot een zegen voor alle geslachten van de aarde. Evenzo is het als God in het paradijs zegt (Gen. 3: 15), als Hij de slang verdoemt en het menselijk geslacht, heil en verlossing belooft: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, tussen uw zaad en tussen haar zaad; dat zal u de kop vermorzelen. ” Ook daar sluit het woord “zaad” de hele nakomelingschap van de vrouw in, als gij als een huisgezin van kinderen van God, tegenover een huisgezin van kinderen van de wereld, de heilige door God bevolen strijd tegen de slang zullen voeren en volhouden. Toch heeft God slechts het oog op één vrouwenzaad, op één zoon van de moeder van alle levenden, op één, die bij voorkeur de Mensenzoon genoemd wordt, die zowel de zonde als de slang overwinnen zou door Zijn verhoging aan het kruis. Deze één zoon van Abraham en Zoon van de mensen, zoals Hij Zichzelf noemt, is nu ook aangesteld tot een erfgenaam over alles (hoofdst. 1: 2). Hij is degene onder wiens voeten God alle dingen onderworpen heeft (hoofdst. 2: 8). Alle andere mensen konden slechts door Hem de eeuwige erfenis verkrijgen, slechts dan wanneer Hij hun als Zijn broeders het recht verleende om mede erfgenamen te zijn. Dit geeft aan de Zijnen de hoop om tot het bezit te komen van hetgeen Hij Zich verworven heeft, wat Zijn eigendom is, als een testament nagelaten. Hij heeft hun het Zijne vermaakt; maar Zijn testament moest eerst vast worden en kracht en geldigheid verkrijgen door Zijn dood, zodat Zijn erfenis aanvaard kan worden door hen die in het testament staan. Toch kon Hij hen, die Hij als broeders aangenomen had, niet zo, zonder meer, het recht verlenen om mede erfgenamen te zijn van de eeuwige, onbevlekte, hemelse erfenis; eerst moest Hij de zondaren verzoenen, de onreinen reinigen, voor de overtreders van de wet aan de wet voldoen, opdat zij rechtmatig bevrijd zouden woorden van de vloek en de verdoemenis van de wet; en ook dat kon niet geschieden zonder Zijn dood, waarmee Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf teweeggebracht heeft (hoofdst. 1: 3). Om nu aan zijn lezers nog eens van deze zijde de betekenis van de dood van Christus onder de aandacht te brengen en om hun te leren dat zij, als de geroepen erfgenamen, niet in het werkelijke bezit van de beloofde eeuwige erfenis konden komen, tenzij zij eerst verzoend, gereinigd en geheiligd werden, wijst de schrijver vervolgens op het feit dat ook het Oude Verbond niet zonder bloed gesticht is.
In vs. 15 stond verder “tot verzoening van de overtredingen die onder het eerste testament waren. ” Om die reden, omdat het nodig was dat er een verlossing van vroegere zonden en overtredingen door het offerbloed vooraf ging om te komen tot het verbond met God, is ook het eerste testament, dat meestal verbond genoemd wordt (Jer. 31: 31v.), niet zonder bloed ingewijd, zoals wij in Exod. 24: 4-8 gezien hebben.
Want nadat al de geboden naar de wet van Mozes voor heel het volk uitgesproken waren, al die geboden in het bijzonder, daar toch de wet een samenvoegsel van verschillende geboden was die aan het volk voorgelegd werden, waarbij hun de verplichting werd opgelegd om ze te houden, nam hij het bloed van de kalveren en bokken, dat hij van de dank- en brandoffers genomen had. Daarvan sprengde hij de ene helft op het altaar, met water vermengd en zich nu bedienend van een sprengkwast (Lev. 14: 6)van purperen wol en hysop, besprengde hij met de andere helft zowel het boek zelf, hetgeen de zo-even meegedeelde geboden als grondslagen van het verbond bevatte, als heel het volk, dat in het verbond met God ingelijfd zou worden en daarvoor een reiniging van vroegere zonden nodig had.
Bij Mozes wordt geen melding gemaakt van zijn besprenging van het boek. En ook kan het verband van de woorden hier heel goed dit zijn (zoals Grotius heeft opgemerkt): nam hij het bloed van de kalveren en bokken met water en purperen wol en hysop en het boek zelf en besprengde heel het volk. Hij hield het boek van het Verbond in zijn hand; en wanneer hij al de geboden tot het volk had uitgesproken, besprengde hij het altaar aan de ene kant en heel het volk aan de andere kant, met bloed. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij op dezelfde wijze het boek zelf besprengde. De plechtigheid was nadrukkelijk en veelbetekenend; zij hield in dat de overeenkomende partijen in dat verbond verplicht werden tot een stipte nakoming van hetgeen dat verbond hun oplegde. Het bloed werd gehouden voor het leven van alle dieren zowel als van de mensen; en deze plechtigheid werd geacht in te sluiten dat de personen, die een op deze manier aangegaan verbond schonden, bereid waren om hun bloed te laten vergieten, zoals het bloed van het dier, dat voor hen stond, vergoten werd. Het altaar werd besprengd van Gods zijde, die zich dus vernederde om naar de manier van de mensen te handelen; het volk werd besprengd ten teken van hun gezindheid om het verbond te houden en tot erkentenis van hun bereidheid dat hun bloed vergoten werd, indien zij het verbraken. En het boek zelf werd mogelijk besprengd, ten teken en bewijs dat dit het verbond zelf bevatte, waarin de overeenkomende partijen op zo’n plechtige wijze bewilligd hadden.
Hij deed dat, zeggende, terwijl hij op die wijze het bloed voor de kinderen van Israël gebruikte: a) “Dit is het bloed van het testament (vgl. Luk. 22: 20), dat (het woord testament wordt hier in de betekenis van verbond gebruikt), God aan u heeft geboden en dat gij voortaan verplicht zijt te houden (Joz. 23: 16).
Exod. 24: 8 Matth. 26: 28
En hij besprengde evenzo ook de tabernakel en al de vaten voor de eredienst, als later de tabernakel met zijn gereedschappen opgericht en voor de eredienst gewijd moest worden, met het bloed (Exod. 40: 9 Lev. 8: 10).
En, zoals hier met de tabernakel en met de vaten voor de eredienst geschiedde, zo is het ook in het verdere godsdienstig leven van Israël. Bijna alle dingen wordendoor het bloed gereinigd naar de wet, terwijl alleen bij kleinere verontreinigingen het gebruik van water alleen voldoende is (Lev. 15: 5); en wat de eigenlijk zedelijke reiniging van personen (vs. 19), in onderscheiding van de uiterlijke reiniging van zaken aangaat (vs. 21), zo geldt daar, zoals de Joodse leraars dit zelf erkennen, de grondstelling: “zonder bloedstorting door het doen van slachtoffersgeschiedt volgens het woord in Lev. 17: 11 geen vergeving van de zonden, in zoverre deze in het Oude Testament kon plaatshebben.”
De schrijver wil niet zeggen dat vermits er bij de stichting van het Oude Verbond bloed vloeide, dit ook in de eigenlijke zin een testament was, zoals het Nieuwe is. Integendeel, omdat de offers van dieren slechts afbeeldingen van het eigenlijke offer waren: omdat de stichter van het verbond, de testamentmaker niet zelf stierf kon ook het Oude Verbond geen eigenlijk testament zijn. Het was slechts uiterlijk, symbolisch. Het algemene denkbeeld “zonder bloedvergieten geen vergeving, ” zonder voldoening geen schulddelging, zonder algehele zelfverzaking en zonder overgave tot in de dood geen verzoening en geen hemels erfdeel, dit denkbeeld werd symbolisch voorgesteld door het dierlijk offer. Maar omdat het de zonde niet kon wegnemen, was het Oude Testament ook slechts in afbeeldende zin een Testament, in zoverre het dierlijk offer geen voldoening schenken kon en door zijn onvolkomenheid zelf op het eens te wachten enig volkomen offer heen wees.
Daar volgens de wet van de heilige gebruiken en symbolische handelingen van het Oude Verbond bijna alles met bloed gereinigd werd en zonder bloedstorting geen vergeving geschiedde, stelde die wet aan de Israëlieten overal de noodzaak en het oneindige belang van het offer voor ogen tot verzoening en tot besprenging, tot vergeving van de zonde, die een schuld is en tot reiniging van de zonde, die een verderf en een verontreiniging is. Bij deze symbolische profetische eredienst van het Oude Testament was de dood van het offer iets van zeer veel betekenis en het bloed van dat offer werd, als zo belangrijk en vol diepe betekenis, naar boven opgeheven en nauwkeurig onder de aandacht gebracht. Zo leerde en predikte, profeteerde en evangeliseerde de wet van het heiligdom overal de heilige dienst van het priesterdom van Christus en betuigde dat Christus slechts de Christus kon zijn door Zijn dood en door Zijn vergoten bloed. Alles wat Hij nu, nadat Hij werkelijk verschenen is, geworden is: Vervuller van de wet, Verzoener van de wereld, Gever van het eeuwige leven en van de eeuwige erfenis, Hogepriester van het hemelse heiligdom, Koning van het rijk van God, dat is Hij dan inderdaad door de betekenis van Zijn dood; en alles wat wij door Hem worden en verkrijgen, wordt ons nu, indien wij deel hebben gekregen aan Zijn vergoten bloed, tot verzoening en tot reiniging.
Men moet Christus niet als priester en offer beschouwen, als zich schikkend naar Joodse voorstellingen en spreekwijzen van de rabbijnen; veeleer moet men de Levitische offers opvatten vanuit het gezichtspunt van een type van een offer, dat in het eeuwig raadsbesluit van God besloten is en daar door Christus vrijwillig overgenomen is.
Dit is de stem van de onveranderlijke waarheid: bij alle Joodse plechtigheden werden de zonden alleen door bloedstorting weggenomen. In geen geval en door geen ander middel dan door verzoening kunnen de zonden worden kwijtgescholden. Het is dus duidelijk dat er buiten Christus voor mij geen hoop is; want er is geen andere bloedstorting die ook slechts een gedachte aan verzoening van de zonde waardig is. Geloof ik dan in Hem? Is mijn ziel echt besprengd met het bloed van Zijn verzoening? Alle mensen hebben dezelfde behoefte aan Hem. Al zijn wij ook nog zo braaf, zo edelmoedig, beminnelijk, of vaderlandslievend, op deze regel wordt nooit een uitzondering gemaakt. De zonde wijkt voor niets minder dan het bloed van Hem, die God voorgesteld heeft tot een verzoening. Wat een zaligheid, dat daar de enige weg tot vergeving is! Waarom zouden wij een andere zoeken? Zij die slechts vormelijk godsdienstig zijn, kunnen niet begrijpen hoe wij zo verheugd kunnen wezen dat al onze zonden om Christus’ wil ons vergeven zijn. Hun werken en gebeden en godsdienstplechtigheden geven hun een zeer arme troost en zij hebben werkelijk wel reden om onrustig te zijn, daar zij op de ene grote zaligheid geen acht geven en vergeving trachten te verkrijgen zonder bloed. O mijn ziel, zit neer en zie de rechtvaardigheid van God, die verplicht is om de zonde te straffen; zie die straf gelegd op uw Heer Jezus, zink neer in ootmoedige vreugde en kus de dierbare voeten van Hem, wiens bloed verzoening voor u heeft teweeggebracht. Wanneer het geweten wakker is, neemt men tevergeefs voor vertroosting de toevlucht tot bevindingen en kentekenen; dat is een gewoonte die wij hebben aangeleerd in het Egypte van onze vroegere slavernij van de wet. Het enige geneesmiddel voor een schuldig geweten is een blik op het lijden van de Heere Jezus aan het kruis. “Zijn ziel is in het bloed, ” zegt de Levitische wet en laat ons verzekerd zijn dat dit het leven van het geloof, van de blijdschap en van elke andere heerlijke genade is.
O hoe zalig voor ‘t gemoed; ‘t Vloeien van mijns Heilands bloed: En te weten heerlijk lot! ‘k Ben door Hem verzoend met God.
Zo was het dan noodzaak, zoals blijkt uit de zaak die in vs. 21 gemeld wordt en die toch op een goddelijke verordening berustte en niet op menselijke instellingen, dat wel de voorbeeldingen van de dingen diein de hemelen zijn (juister uitgedrukt “afbeeldingen, ” waaronder wij in hoofdst. 8: 5 de tabernakel met zijn beide gedeeltes, het heilige en het heilige der heiligen met hun gereedschappen verstonden), hiermee, met het bloed van verschillende offers van dieren (Lev. 8: 14) gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf, dingen die voor de aardse de oorspronkelijke beelden zijn en waarop reeds in vs. 11 en 12 gewezen werd, met betere offeranden dan deze offers van dieren.
Vreemd zou het kunnen voorkomen dat van de hemelse dingen gezegd wordt dat zij reiniging nodig hadden. Men moet er hier opletten dat de hemel zelf niet genoemd wordt, maar veeleer de dingen die een hemels karakter dragen onder de mensen en die bestemd zijn om aan de mensen die hemel te verschaffen. Daarom ontving ook de tabernakel in Israël het bloed van de verzoening niet voordat de priesters er hun dienst in begonnen. Onder de hemelse dingen verstaan wij dus de hele inrichting van het Nieuwe Verbond voor zover die hemels is, de gemeente gezien, niet in haar onvolmaaktheid en in haar strijd, maar in haar voleinding. Die gemeente is dan niet alleen zichtbaar, maar ook levend in een zichtbare wereld die met haar behoeften en haar heilig karakter volkomen overeenstemt, namelijk in de hemel. Welnu, die hemel, niet als woonplaats van God, maar als woonplaats van de gemeente, dus de hele hemelse inrichting van de gemeente, het hemelse organisme, als ik het zo mag uitdrukken, van haar leven, zowel voor zover het tot de sfeer van de zichtbaarheid behoort als tot de onzichtbare dingen van de Geest: de gemeente, in één woord, als hemelse maatschappij, heeft, om te bestaan, reiniging nodig, kan niet anders ontstaan dan door middel van reiniging. Door reiniging alleen wordt zij gemeente, omdat de uitgangen van de gemeente onrein zijn, de gemeente was in haar oorsprong wereld. Daarom zegt de apostel Paulus van de gemeente dat Christus haar heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar heiligen zou, na haar gereinigd te hebben met het bad van het water door het woord, opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een gemeente die vlek noch rimpel heeft, noch iets dergelijks, maar dat zij heilig zou zijn en onberispelijk (Efez. 5: 25-26). Een dergelijke gedachte wordt hier ook uitgesproken in de vorm van een tegenstelling met de reiniging van de tabernakel en dientengevolge in uitdrukkingen aan die tegenstelling ontleend.
En deze noodzakelijkheid heeft nu door een ander geschiedkundig feit, dat bij ons christenen algemeen bekend is en waaraan algemeen geloof gehecht wordt, haar bevestiging zowel als haar vervulling gevonden. Want Christus is niet, zoals de Joodse hogepriester op de grote Verzoendag, binnengegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, in het heilige der heiligen van de tempel (hoofdst. 8: 2), dat nog niet het werkelijke heiligdom zelf is, maar slechts een tegenbeeld van het ware, van het werkelijke heilige der heiligen, maar Hij is zoals in vs. 12 gezegd is, de hemel zelf door Zijn eigen bloed binnengegaan om nu werkelijk en letterlijk, niet meer op symbolische wijze zoals met de Joodse hogepriester het geval was (Hand. 7: 48), te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons, nadat hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf teweeggebracht had (hoofdst. 1: 3).
Hoe men moet opvatten wat de schrijver zegt, dat wanneer Christus als onze Middelaar voor God zou verschijnen er een reiniging van het hemelse heiligdom door Zijn zelfopoffering nodig was, wordt ons het duidelijkste uit de tekst in Lev. 16: 16, 19, waar staat dat door het bloed van het zoenoffer het heiligdom van de onreinheid en de zonden van de kinderen van Israël gereinigd werd. De grond voor deze voorstelling is dus dat de zonden van het volk het heiligdom, dat zich midden in hun onreinheden bevindt, bevlekken. Dit heiligdom wordt gereinigd doordat deze vlekken door het verzoenende offerbloed bedekt worden, zodat het oog van God ze niet meer ziet, maar in de plaats daarvan het bloed, dat teken van het feit dat er een leven in de dood gegeven is tot verzoening van de zonden en dat God die zonden daarom niet meer hoeft te straffen. Zo wordt hier ook aan de zonden gedacht als aan vlekken die aan de troon van God en aan het hemelse heiligdom kleven. Maar God heeft in Zijn genade het besluit genomen dat de mensen, die toch met zonde bevlekt zijn, Zijn heilige, hemelse woning binnengaan, het hemelse heiligdom betreden, tot Zijn troon naderen en in het hemelse heiligdom hun eeuwige woonplaats zouden vinden. Zo is ook het hele hemelse heiligdom, zolang er nog geen verzoening voor de zonden geschied is, even bevlekt als de symbolische woning van God, die de heilige God in Zijn liefderijk raadsbesluit over het volk van Israël in het midden van het volk opgeslagen heeft, hoewel het nog (vóór de verzoening die steeds weer geschiedde) een zondig en onrein volk is. Indien God dit raadsbesluit niet genomen had, zou het hemelse heiligdom niet door de zonden van de mensen bevlekt zijn; het wonderbare genadige raadsbesluit van de Heilige over de zondaren is de reden waarom de zonden de verheven woning van God konden bevlekken. Deze bevlekking zou het straffen van de zonden noodzakelijk en daarom de verwezenlijking van dit liefderijk raadsbesluit onmogelijk maken, wanneer niet door het bloed van Christus de troon van God en het hemelse heiligdom gereinigd werden, daar het deze vlekken bedekt. God ziet nu niet meer de zonden van de mensen, maar het bloed van Christus, dat, zoals het bloed van Abel om wraak riep (hoofdst. 12: 24), ervan getuigt dat er een verzoening van de zonden geschied is, omdat Christus Zijn leven, dat aan de dood overgegeven is, aan God heeft aangeboden. Daarom kan God de Middelaar van de zondige mensheid en in Hem de mensheid zelf in Zijn gemeenschap opnemen, zonder dat Zijn troon en Zijn woning bevlekt wordt, d. i. Zijn heilige Majesteit benadeeld wordt, zonder dat Hij Zijn heilige verhevenheid verliest en in Zijn gerechtigheid gekrenkt wordt, want door de offerdood van Christus is aan Zijn Heilige Majesteit recht geschied en aan de eisen van Zijn heiligheid en gerechtigheid voldaan.
Indien de reiniging van de aardse tabernakel nodig was omdat hij in het midden van een zondig volk stond, dan is die ook nodig voor de hemelse, omdat er een zondig volk in komen zal: want het zijn zondaars die de toekomstige stad, het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God zoeken (hoofdst. 12: 22; 13: 14). De verschijning van de Gezalfde met Zijn bloed in de hemel bewaart dat bloed voor elke verontreiniging door hen die na Hem zullen komen (vgl. Joh. 14: 2v.).
Zolang wij nog in deze wereld leven, behoren ook nog onze gebeden aan haar; zij zouden, wanneer ze tot de troon van God opklimmen, met het vele gebrekkige en zondige dat ze aankleeft, het hemelse heiligdom bevlekken; daarom kunnen ze ook slechts verhoring vinden wanneer ze in Jezus’ naam geschieden (Joh. 14: 13; 16: 24vv.).
Hij is ook niet op zo’n onvolmaakte wijze dit heiligdom binnengegaan, dat hij het weer zou moeten verlaten, opdat Hij terug zou keren in de wereld om Zichzelf vaker, elk jaar weer, op te offeren om daarna steeds weer opnieuw metZijn bloed het heiligdom binnen te gaan, a) zoals de hogepriester van de Joodse tempel elk jaar het heiligdom, het heilige der heiligen, binnengaat met vreemd bloed, nadat hij weer het voorgeschreven offer op de grote Verzoendag heeft gebracht.
Exod. 30: 10 Lev. 16: 2, 34 Hebr. 9: 7
Anders, indien het in dit opzicht met Zijn hogepriesterschap net zo stond als met dat van Aäron, had Hij dikwijls de offerdood (hoofdst. 13: 12) moeten lijden vanaf de grondlegging van de wereld, daar alle geslachten vanaf het begin (Luk. 11: 51) door Hem verzoend moesten worden (hoofdst. 2: 9). Maar nu is Hij eenmaal bij de voleinding van de eeuwen (hoofdst. 1: 2; 1 Petrus 1: 20; 1 Kor. 10: 11
de zonde teniet te doen (1 Joh. 3: 5), zodat ze bij onze relatie tot God eens voor altijd niet meer aanwezig is (Rom. 6: 9), door het offer van Hemzelf, in plaats van de offerande van dieren (vs. 25 en 12).
Reeds in vs. 12 heeft de schrijver niet nagelaten nadrukkelijk op te merken dat Christus eens voor altijd het hemelse heilige der heiligen is binnengegaan en dat Hij door deze weg door het verheven karakter dat die weg kenmerkt, een eeuwige verlossing gevonden heeft. Hij spreekt nu nog verder over de verhevenheid van de hogepriesterlijke dienst van Christus en bewijst dat er bij Christus volstrekt niet gedacht kan worden aan herhaalde offerande. Het doel van zijn brief vereiste dit des te meer omdat de lezers juist door hun gehechtheid aan de offerdienst van het Oude Testament, die zij voortdurend meenden nodig te hebben tot verzoening van de zonden, blootgesteld waren aan het gevaar van afval. Er ontbrak hun een duidelijke kennis van de algenoegzaamheid van het offer van Christus; de zich herhalende offeranden op de Grote Verzoendag, die jaarlijks terugkwamen, bevielen hun beter en schenen hun beter geschikt om hun geweten tot rust te brengen en om hen van de toekomstige zaligheid te verzekeren. Evenzo heeft het katholieke zogenaamde misoffer dat aan zo’n gewaande behoefte wil tegemoet komen, soms voor evangelische christenen, die zich op hetzelfde beperkte standpunt bevinden, iets aantrekkelijks dat hen uiteindelijk bijna verleidt om van hun kerk af te vallen.
En zoals het de mensen, naar het plan van God, beschikt is eenmaal te sterven en daarmee hun leven voor altijd te beëindigen, en daarna het oordeel, dat over hun toestand aan de andere kant van het graf beslist;
Het is de mens beschikt te sterven. Onder dit opschrift wordt deel bij deel aan de geschiedenis van het mensdom toegevoegd. Het is een spreuk die niet slechts op de graven, maar ook op wiegen te lezen staat. Niet slechts het bleek, maar ook menig blozend gelaat roept ze ons toe. Wij voelen, wij ondervinden haar waarheid. Alles zal leven zijn, om ons heen en binnen in ons; onze ogen zien niets dan levensvreugde en bloeiende kracht, opeens! daar betrekt een gelaat, daar zinkt een hoofd op de borst, daar wordt een dode uitgedragen! Of wel, wijzelf voelen ons door een onzichtbare hand aangetast; ons hart krimpt samen, onze pols begint te jagen. misschien is het slechts een koorts die voorbijgaat, maar als wij het willen aannemen, ook daarin horen wij het gelui van een klok, waarvan de klepel verkondigt: het is de mens beschikt te sterven. Redelijkerwijs verwacht men dat de gedachte aan hetgeen zo zeker en dus ernstig is en allen treffen zal, ook een zekere invloed zal oefenen op ieders stemming, ieders gedrag en dat, daar het allen beschikt is te sterven, allen ook zullen trachten zich enigszins eigen te maken met het denkbeeld en de werkelijkheid van dat lot. In deze verwachtingen wordt men teleurgesteld. Ziende op het leven en de bedrijvigheid van velen, heeft men het recht uit te roepen aan de ene kant: is er zoveel, aan de andere kant: is er zo weinig nodig om te sterven! Zoveel zorg en onrust en inspanning en verwarring van allerlei hartstocht voor tijdelijk goed en eer? Zo weinig voorbereiding en ernstig nadenken op dat ontzaglijk en onzeker uur? Zich in het leven eigen te maken met de dood, hoe weinigen achten het menselijk. Als het anders was, zouden wij wel zo vaak wenend moeten aanschouwen hoe de ene sterveling de andere, soms tot op het sterfbed toe, met gemoedelijke zorg tracht te behoeden voor de gedachte: het is de mensen, het is u beschikt te sterven? Niemand is er die niet weet hoeveel lichtzinnigheid de mens in dat leven ten dienste staat, hoeveel zelfbedrog hem vaak tot in het sterven bijblijft, om de punt af te breken van die scherpe pijl van de Heere: gij zijt stof en zult tot stof wederkeren! Niemand is er die niet weet dat een sterflijst van zestig eeuwen en een graf groot als de aarde, hoe gehoorzaam ook om dat slangenwoord te logenstraffen: gij zult de dood niet sterven, toch onvoldoende zijn om het graag bedrogen Adamskind te verbieden naar de herhaling van die leugen te luisteren, alsof zij waarheid bevatte, alsof zij hem bemoedigen en besturen moest. Elk uur kan voor mij het laatste zijn, dit weet men; maar in het onheilig middelpunt van het levenslustig hart van de mens spreekt een stem die uitroept: nog niet! En met dit “nog niet” wordt de ziel heimelijk getroost, met dit “nog niet” wandelt zij verder op de weg van de begeerlijkheden, van de ijdelheden, van de bekommeringen van deze wereld, alsof er geen eind aan was; aan dit “nog niet” houdt hij zich vast. De jaren vermeerderen, de krachten nemen af; reeds wandelt men niet meer alleen tussen graven van voorgeslachten, maar ook van tijdgenoten en jongeren dan men zelf is; alles roept uit: bijna! Maar nog houdt het hart vol met zijn “nog niet” en wordt er in gesterkt door allen die even levenslustig zijn en even stervensschuw; en dit op de stilzwijgende voorwaarde dat men ook anderen niet storen zal in de behagelijke droom, die zij wensen door te dromen. Dan, ziedaar de tijd door God bepaald. Men voelt wat men nog nooit voeld heeft, maar nauwelijks miskennen kan: banden van de dood, zwarte schaduwen, ruisende wateren, zou dit sterven zijn? Men durft het niet te vragen, men durft geen antwoord te verwachten. In een nevel ziet men hen die rondom het ziekbed staan. Bedenkelijke gezichten genoeg, zeker, bij arts en huisgenoot en vriend. Misschien verschijnt onwillekeurig de vraag in het brekend oog: nu al? Dan verhelderen die gezichten, alsof zij nog eenmaal wilden vleien: nog niet! Helaas, nog een enkele dag van verzwijgen en verbergen, nog een enkel uur van bewusteloos lijden, nog een enkel ogenblik van een naamloos gevoel en er wordt niets meer gevraagd. Er hoeft ook niets meer gezegd te worden of verzwegen. Zo gaat het, waar het vlees de weg van het vlees gaat, dwaas in het leven, dwaas in het sterven. Mijn lezer, zal het bij u anders zijn? Hebt gij reeds gevoeld dat een waarheid zo ernstig als deze: et is u beschikt te sterven, recht heeft om in uw hart te leven en u in het gebruik van het leven te leiden? Hebt gij al leren zien dat die ontzettende waarheid voor u nuttig en bruikbaar is, vertroostend worden kan? Hebt gij reeds pogingen gedaan om u eigen te maken met een gedachte, waarvan anderszins het vlees zo schuw terugtreedt? Als de Heilige Schrift u toeroept: het is de mens beschikt te sterven, hoort gij er een vermaning in om u op dat sterven voor te bereiden? En zijt gij reeds gekomen tot overdenkingen, maatregelen, stappen, voor uzelf en anderen van meer gewicht dan de zorg wie uw eigendommen zal hebben en wie uw geld; met welk doodskleed gij bekleed, op welke plank gij zult uitgestrekt worden en of het een zode zijn zal of een steen, waaronder gij de lange slaap zult slapen? Of zou hetgeen wij dwaasheid genoemd hebben, inderdaad een hoge wijsheid zijn? En eerder dwaasheid om in het sterfelijk hart enigszins een waarheid te laten hechten, die zo diep grieft en zo smartelijk schijnt? Wijsheid, de gedachte aan de dood als het stof van de graven af te schudden en als wij tot de dood zelf niet zeggen kunnen “nog niet” dat woord tenminste toe te roepen aan de verschrikkingen die van hem uitgaan? Dwaasheid, zoveel strenge ernst te plaatsen tussen het leven en het genot van het leven? Wijsheid, toe te geven aan een begoocheling, die ons van dag tot dag gerust stelt? Dwaasheid, tot de Heere te zeggen: maak mij mijn einde bekend en wat de maat van mijn dagen is, zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben? Wijsheid, zijn ziel toe te roepen: ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren; eet, drink en wees vrolijk? Ja, de hoogste wijsheid van het leven, niet aan het sterven te denken om des te gulziger het leven in te zwelgen: laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij? Wij staan versteld van deze dierlijke leer, waar zij zo grof en onbeschaamd geleerd wordt; wij keren ons af waar dit slordig stelsel met ruwe zinnelijkheid wordt beoefend; laat ons bedenken dat wij het in beginsel aannemen, wanneer wij, op grond van de kortheid van het leven, aan de ijdelheden van het leven zo zeer toegevend zijn en dit woord ons een vrijbrief is voor zonde en dwaasheid: de mens leeft slechts eenmaal. Mijn lezer, laat niemand ons met ijdele woorden verleiden! Als wij tot elkaar of in ons hart zeggen: we laten ons het leven niet verbitteren door te veel ernst, de mens leeft slechts eenmaal, dan heeft Gods Woord een ontzettend woord daartegen over te stellen: eenmaal sterft de mens, het is hem beschikt eenmaal te sterven en daarna. niet de vernietiging, die misschien wenselijk zou lijken voor hen die een heel leven in nietigheid van zonde en wereld hebben doorgebracht. Daarna niet nog weer een proeftijd om het anders te leren inzien en het beter te maken dan men het in dit leven met het leven en de gedachte van de dood gemaakt heeft en dan voor eeuwig gelukkig te zijn; donkere hoop van een lichtschuw hart dat geen bekering wil en dan toch eenmaal zou willen bekeerd zijn! Daarna: niet het ontwaken op een hoge trap van zedelijke ontwikkeling, waartoe niet de oefening en de strijd van het doorleefde leven, maar de dood de mens zou ontwikkeld hebben; waartoe hij zou veranderd zijn, niet door een goddelijke werking in zijn redelijke zelfbewuste geest, maar in de bewusteloosheid van een ellendig sterven, om zo verder van trap tot trap op te klimmen, totdat hij het hoogste toppunt zou bereikt hebben; ijdele verwachtingen, voorgegeven door mensen die de hoogmoed van hun verstand voor redelijke ernst houden en door honderden nagepraat die van niets anders weten dan zich dagelijks in de goederen en de besmettingen van de wereld te wentelen! Daarna niets van dit alles, daarna het oordeel! Het is de mens beschikt eenmaal te sterven en na dit ontzaglijk eenmaal, het nog zo veel ontzaglijker daarna; het oordeel, even zeker als de dood, even zeker als die ontzettende zekerheid dat men slechts eenmaal sterven kan. Ja men sterft slechts eenmaal om tot een onherroepelijk oordeel te ontwaken; men sterft en het eeuwig lot is beslist; men weet, men voelt, men verneemt wat voor eeuwig zijn lot zal zijn; en de dag komt, waarop men geopenbaard zal worden voor de rechterstoel van Christus. Men kan niet sterven bij wijze van proef om te zien of Gods woord waarheid spreekt of het aan de andere kant inderdaad zo is als ons gezegd en gepredikt werd. Het sterven zelf is de proef van het leven en brengt tot beslissing en openbaring of wij een leven gezocht en gevonden hebben dat niet sterft of dat wij in de dood gebleven zijn en nu de eeuwige dood moeten ondergaan. De vraag “wat denkt u van de dood? ” is gelijk aan de vraag “wat denkt u van de eeuwigheid, die gij tegemoet gaat? ” Zich op het sterven voorbereiden, is zich voorbereiden op het oordeel. Slechts eenmaal sterft de mens, die slechts eenmaal leeft; dat eenmaal kan nog heden zijn; en als het nog heden is, dan is nog heden zijn eeuwigheid van zaligheid of van smart begonnen. Zoals de boom valt blijft hij liggen. Het is hoog tijd voor het gebed: leer mij mijn dagen zo tellen, dat ik een wijs hart bekome. Maak mij de wegen van het leven bekend.
a) Zo zal ook Christus, nadat Hij zich eveneens slechts eenmaal geofferd heeft, aan de offerdood overgegeven is (Rom. 8: 32) om de zonden van velen weg te nemen (hoofdstuk 7: 27; 10: 12, een tweede maal, wanneer Hij weer in de wereld komt, hetgeen bij Hem zeker nog eens zal geschieden (hoofdstuk 10: 37 Hand. 1: 11), zonder zonde, niet meer met de zonden beladen zoals bij Zijn eerste verschijning (2 Kor. 5: 21), gezien worden door degenen die Hem verwachten (1 Kor. 1: 7 Fil. 3: 20; 1 Thessalonicenzen. 1: 10 tot hun heil (2 Thessalonicenzen. 1: 7; 1 Petrus 4: 13).
Rom. 5: 6, 8; 1 Petrus 3: 18
De schrijver neemt hier tot maatstaf het afgeslotene van het met de dood eindigende mensenleven, waarop alleen het gericht nog volgt, voor hetgeen men zich van Christus moet voorstellen. Hiernaar te oordelen heeft Christus na Zijn offer niets meer te doen van dien aard, maar Hem wacht alleen nog op Zijn wederkomst in de wereld.
Op de dood volgt een gericht, waardoor aan de gestorvene zijn plaats en toestand aan de andere kant van het graf wordt toegewezen. Wanneer dit gericht eenmaal geschied is, (zoals bij hen die uit de dood opgewekt werden, nog niet het geval was), dan kan een gestorvene niet weer in het oude aardse leven terugkeren, dus ook niet voor de tweede maal sterven. Ook bij Christus heeft in zekere zin een gericht van God beslist over Zijn tegenwoordige toestand; Hij is door opstanding en hemelvaart tot Zijn heerlijkheid ingegaan; vandaar keert Hij niet in deze tegenwoordige wereld terug. Het katholieke misoffer heeft dus geen werkelijke gebeurtenis tot grond. Wanneer Christus aan het einde van de wereld terugkomt, komt Hij juist in heerlijkheid om een einde aan de wereld te maken.
Zijn dood is geweest wat geen dood van een mens geweest is, het heilige offer dat een heilige mensheid brengt aan God. Is de dood van de zondaar beeld en teken van het oordeel van God over hem, de dood van Christus is de triomf van de gehoorzaamheid, de verwerving van de heiligheid in de mensheid. De mensheid brengt in de mens Jezus aan God het volmaakte offer. Daarom is ook die dood verzoenend, de zonden van velen wegnemend. Het ene volmaakte offer is toereikend om menigte van zonden en de zonden van velen weg te nemen. Christus neemt ze weg door ze te dragen. Zijn lijden tot in de dood is een lijden van de straf van de zonden, een ondergaan van die straf is de volmaakste gehoorzaamheid, zodat, wordt de dood in Hem overwonnen ten leven, de kracht van die overwinning ligt in het overwinnen van de zonde door de heiligheid. Is Gods Zoon door Zijn verbroedering met het menselijk geslacht zo volkomen in de lotsbedeling van dat geslacht ingegaan, dat wat dat lot als bitterst heeft, de toorn van God over de zonde, door Hem, de Heilige, gesmaakt wordt, zoals door geen zondaar; welnu, juist in dat bittere lijden van de dood viert de mensheid haar triomf, wordt in het vlees van de zonde de Heilige Geest gevonden, hervonden, wordt de schuld vernietigd en de smet van de zonde uitgewist. Zo is het offer van Zijn gehoorzaamheid een zoenoffer geworden, bedekkend in de één de zonden van de velen. Dit verzoeningswerk echter wacht zijn voltooiing. De Geest van de verzoening werkt verder met kracht te midden van de zondaren; Hij wekt zondaren tot bekering en brengt hen tot die wederkerige aansluiting aan, vereniging met het onzichtbare Hoofd in de hemel, die gegrond is in zijn oorspronkelijke aansluiting aan en vereniging met hen, de zondaren. Waar dit werk voltooid is, de gemeente geheiligd, daar valt het voorhangsel van de dood weg; het oordeel dat ieder mens wacht na de dood blijkt een verlossing te zijn voor hen die Christus verwachten. Verlost moeten zij worden, verlost van het lichaam van de dood, verlost van de zondige hun vreemd geworden wereld. Het doet hier niets ter zake of die verlossing persoonlijk of gemeentelijk gedacht moet worden. De kracht van de redenering hier ligt noch in het persoonlijke, noch in het gemeentelijke van de verlossing; op beide is hier het gezegde van toepassing; het ligt in het feit dat voor hen, die Christus verwachten, het oordeel een komst is van Hem tot hun verlossing. Hiermee wordt de hogepriesterlijke dienst van de Middelaar vervuld. Hij komt terug van achter het voorhangsel van de dood, zoals de hogepriester uit het heilige der heiligen terugkwam; Hij komt terug, maar niet om nu opnieuw het strijden met, het lijden voor de zonde te beginnen; Hij komt terug zonder zonde, niet meer haar last, haar vloek dragend zoals toen Hij in de wereld was; maar als de verheerlijkte, de verheerlijkte Mensenzoon, om in Zijn heerlijkheid op te nemen degenen die Hem verwachten. Onverschillig is het, ik herhaal het, of men zich die toekomst, dit wegvallen van het voorhangsel tussen de tweede en de eerste tent, voorstelt als iets dat plaats heeft bij de dood van de gelovige individu’s of bij de voleinding van de eeuwen voor de mensheid; genoeg is het dat voor de enkelen zowel als voor de gemeente het wegvallen van dat voorhangsel de laatste voorwaarde is van de volkomen verlossing. Aan deze zijde van het graf staat de gemeente als in de eerste tent haar priesterlijke dienst vervullend op aarde, zij wacht op de terugkeer van haar eeuwige Voorganger en Hogepriester, die in het binnenste heiligdom is ingegaan met het bloed van het Nieuwe Testament, maar die eenmaal terugkeert om ons de blik te doen slaan in en de toegang te verlenen tot de heerlijkheid van de tweede tent, die de hemel van de heerlijkheid van God is, geworden tot een hemel van heerlijkheid voor de mens.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel