Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Dat de broederlijke liefdeG5360 blijveG3306.
Dat de broederlijke liefde blijve.
KJV
Let3
brotherly love2
continue.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
VergeetG1950 de herbergzaamheidG5381 nietG3361; wantG1063 hierdoorG1223 hebben sommigenG5100 onwetendG2990 engelenG32 geherbergdG3579.
Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
KJV
Be4
not3
forgetful
to entertain strangers:2
for7
thereby5
some9
have entertained10
angels11
unawares.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
GedenktG3403 der gevangenenG1198, alsofG5613 gij mede gevangenG4887 waartG5607; en dergenen, die kwalijkG2558 gehandeld worden, alsofG5613 gij ookG2532 zelvenG846 inG1722 het lichaamG4983 kwalijk gehandeld waart.
Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld waart.
KJV
Remember1
them that are in bonds,3
as4
bound with them;5
and them which suffer adversity,7
as8
being
yourselves10
also9
in12
the body.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Het huwelijkG1062 is eerlijkG5093 onderG1722 allenG3956, en het bedG2845 onbevlektG283; maarG1161 hoereerdersG4205 en overspelersG3432 zal GodG2316 oordelenG2919.
Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.
KJV
Marriage3
is honourable1
in4
all,5
and6
the bed8
undefiled:9
but11
whoremongers10
and12
adulterers13
God16
will judge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Uw wandelG5158 zij zonder geldgierigheidG866; en zijt vergenoegdG714 met het tegenwoordigeG3918; wantG1063 HijG846 heeft gezegdG2046: Ik zal uG4771 niet begevenG447, en Ik zal uG4771 niet verlatenG1459.
Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
KJV
Let your conversation3
be without covetousness;1
and be content4
with such things as ye have:6
for8
he7
hath said,9
I will never
leave13
thee,
nor14
forsake18
thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Zodat wij vrijmoediglijkG2292 durven zeggenG3004: De HeereG2962 is mijG1473 een HelperG998, enG2532 ik zal nietG3756 vrezenG5399, watG5101 mijG1473 een mensG444 zal doenG4160.
Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen.
KJV
So that1
we
may boldly2
say,4
The Lord5
is my
helper,7
and8
I will10
not9
fear
what11
man14
shall do12
unto me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
GedenktG3421 uwer voorgangerenG5216, dieG3739 uG4771 het WoordG3056 GodsG2316 gesprokenG2980 hebben; en volgtG3401 hun geloofG4102 na, aanschouwendeG333 de uitkomstG1545 hunner wandelingG391.
Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.
KJV
Remember1
them which have the rule3
over you,
who5
have spoken6
unto you
the word9
of God:11
whose12
faith20
follow,18
considering13
the end15
of their conversation.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
JezusG2424 ChristusG5547 is gisterenG5504 enG2532 hedenG4594 dezelfde enG2532 inG1519 der eeuwigheidG165.
Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.
KJV
Jesus1
Christ2
the same7
yesterday,3
and4
to day,5
and8
for9
ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Wordt niet omgevoerdG4064 met verscheideneG4164 enG2532 vreemdeG3581 leringenG1322; wantG1063 het is goedG2570, dat het hartG2588 gesterktG950 wordt door genadeG5485, niet door spijzenG1033, doorG1722 welkeG3739 geen nuttigheidG5623 bekomen hebben, die daarin gewandeldG4043 hebben.
Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben.
KJV
Be6
not5
carried about
with divers2
and3
strange4
doctrines.1
For8
it is a good thing7
that the heart12
be established10
with grace;9
not13
with meats,14
which have18
not17
profited
them that have been occupied20
therein.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Wij hebben een altaarG2379, vanG1537 hetwelk geenG3756 machtG1849 hebbenG2192 te etenG5315, die den tabernakelG4633 dienenG3000.
Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen.
KJV
We have1
an altar,2
whereof3
they have7
no6
right8
to eat5
which serve12
the tabernacle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 welker dierenG2226 bloedG129 voor de zondeG266 gedragenG1533 werd inG1519 het heiligdomG39 doorG1223 den hogepriesterG749, derzelver lichamenG4983 werden verbrandG2618 buitenG1854 de legerplaatsG3925.
Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.
KJV
For2
the bodies17
of those
beasts,4
whose1
blood6
is brought3
into9
the sanctuary
by12
the high priest14
for7
sin,8
are burned18
without19
the camp.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Daarom heeft ookG2532 JezusG2424, opdatG2443 Hij doorG1223 Zijn eigenG2398 bloedG129 het volkG2992 zou heiligenG37, buitenG1854 de poortG4439 geledenG3958.
Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.
KJV
Wherefore1
Jesus3
also,2
that4
he might sanctify5
the people11
with6
his own8
blood,9
suffered15
without12
the gate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zo laat ons dan totG4314 HemG846 uitgaanG1831 buitenG1854 de legerplaatsG3925, Zijn smaadheidG3680 dragendeG5342.
Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende.
KJV
Let us go forth2
therefore1
unto3
him4
without5
the camp,7
bearing11
his10
reproach.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WantG1063 wij hebbenG2192 hier geenG3756 blijvendeG3306 stadG4172, maarG235 wij zoekenG1934 de toekomendeG3195.
Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
KJV
For2
here4
have we3
no1
continuing5
city,6
but7
we seek one10
to come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Laat ons danG3767 doorG1223 HemG846 altijdG1275 GodeG2316 opofferenG399 een offerandeG2378 des lofsG133, dat isG1510, de vruchtG2590 der lippenG5491, die Zijn NaamG3686 belijdenG3670.
Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden.
KJV
By1
him2
therefore3
let us offer4
the sacrifice5
of praise6
to God14
continually,8
that is,
the fruit17
of our lips18
giving thanks19
to his22
name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En vergeetG1950 de weldadigheidG2140 en de mededeelzaamheidG2842 nietG3361; wantG1063 aan zodanigeG5108 offerandenG2378 heeft GodG2316 een welbehagenG2100.
En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.
KJV
But2
to do good3
and4
to communicate5
forget7
not:6
for9
with such8
sacrifices10
God13
is well pleased.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zijt uw voorgangerenG2233 gehoorzaamG3982, enG2532 zijt hun onderdanigG5226; wantG1063 zij wakenG69 voor uw zielenG5590, alsG5613 dieG3778 rekenschapG3056 geven zullen; opdatG2443 zij dat doen mogenG4160 metG3326 vreugdeG5479 enG2532 nietG3361 al zuchtendeG4727; wantG1063 dat is uG4771 niet nuttigG255.
Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
KJV
Obey1
them that have the rule3
over you,
and5
submit yourselves:6
for8
they7
watch9
for10
your
souls,12
as14
they that must give16
account,15
that17
they may do21
it
with18
joy,19
and22
not23
with grief:24
for26
that
is unprofitable25
for you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
BidtG4336 voor ons; want wij vertrouwenG3982, datG3754 wij een goedG2570 gewetenG4893 hebbenG2192, als die inG1722 allesG3956 willenG2309 eerlijkG2573 wandelenG390.
Bidt voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen.
KJV
Pray1
for2
us:
for5
we trust4
we have9
a good7
conscience,8
in10
all things11
willing13
to live14
honestly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
EnG1161 ik bidG3870 u te meer, dat gij ditG3778 doetG4160, opdatG2443 ik te eerderG5032 ulieden moge wedergegevenG600 worden.
En ik bid u te meer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden.
KJV
But2
I beseech3
you the rather
to do5
this,
that6
I may be restored8
to you
the sooner.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
De GodG2316 nuG1161 des vredesG1515, Die den groteG3173 HerderG4166 der schapenG4263, doorG1722 het bloedG129 des eeuwigenG166 testamentsG1242, uitG1537 de dodenG3498 heeft wedergebrachtG321, namelijk onze HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547,
De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus,
KJV
Now2
the God3
of peace,5
that brought again7
from8
the dead9
our
Lord21
Jesus,23
that great15
shepherd11
of the sheep,13
through16
the blood17
of the everlasting19
covenant,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Die volmakeG2675 uG4771 in alleG3956 goedG18 werkG2041, opdat gij Zijn wilG2307 moogtG4160 doen; werkendeG4160 in uG4771, hetgeen voor Hem welbehagelijkG2101 is, door JezusG2424 ChristusG5547; Denwelken zij de heerlijkheidG1391 in alle eeuwigheidG165. AmenG281.
Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
KJV
Make1
you
perfect
in3
every4
good6
work5
to7
do9
his12
will,11
working13
in14
you
that which is wellpleasing17
in his19
sight,18
through20
Jesus21
Christ;22
to whom23
be glory25
for26
ever28
and ever.30
Amen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
DochG1161 ik bidG3870 uG4771, broedersG80, verdraagtG430 het woordG3056 dezer vermaningG3874; wantG1063 ik heb uG4771 in het kortG1024 geschrevenG1989.
Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in het kort geschreven.
KJV
And2
I beseech1
you,
brethren,4
suffer5
the word7
of exhortation:9
for11
I have written a letter14
unto you
in12
few words.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Weet, dat de broederG80 TimotheusG5095 losgelatenG630 is, metG3326 welken (zoG1437 hij haastG5032 komtG2064) ik uG4771 zal zienG3700.
Weet, dat de broeder Timotheus losgelaten is, met welken (zo hij haast komt) ik u zal zien.
KJV
Know ye1
that our brother4
Timothy5
is set at liberty;6
with7
whom,8
if9
he come11
shortly,10
I will see
you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
GroetG782 alG3956 uw voorgangerenG2233, enG2532 alG3956 de heiligenG40. UG4771 groetenG782 die vanG575 ItalieG2482 zijn.
Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italie zijn.
KJV
Salute1
all2
them that have the rule4
over you,
and6
all7
the saints.9
They of13
Italy15
salute10
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
De genadeG5485 zij metG3326 uG4771 allenG3956. AmenG281.
De genade zij met u allen. Amen.
KJV
Grace2
be with3
you
all.4
Amen.
De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
blijve
Dat is, volharde, gelijk gij daarin wel begonnen hebt. Zie Hebr. 6:10.
Hertaald:
blijve
Dat is: volharde, zoals u daarin ook goed begonnen bent. Zie Hebr. 6:10.
de herbergzaamheid niet;
Namelijk tegen de vreemdelingen en verjaagde christenen, die dikwijls hun vaderland moesten verlaten en niet wisten waar in te keren. Zie ook Rom. 12:13, en 1 Petr. 4:9, welke deugd inzonderheid den herders wordt aangeprezen; 1 Tim. 3:2; Tit. 1:8.
Hertaald:
de herbergzaamheid niet;
Namelijk de gastvrijheid tegenover de vreemdelingen en de verjaagde christenen, die dikwijls hun vaderland moesten verlaten en niet wisten waar zij konden onderdak vinden. Zie ook Rom. 12:13 en 1 Petr. 4:9. Die deugd wordt in het bijzonder de herders aangeprezen; 1 Tim. 3:2; Tit. 1:8.
onwetend engelen geherbergd
Namelijk gelijk Abraham, Gen. 18:2, en Lot, Gen. 19:1.
Hertaald:
onwetend engelen geherbergd
Namelijk zoals Abraham, Gen. 18:2, en Lot, Gen. 19:1.
in het lichaam
Namelijk zo kwalijk gehandeld, of kwalijk gesteld als dezen. Of als die ook zelf zijt in het lichaam; dat is, in dit lichamelijke leven, dat veel verdrukkingen onderworpen is. Anderen verstaan het van het lichaam van Christus, dat is, van Zijn gemeente, in dezen zin, als die ook in het lichaam zijn; dat is, leden van hetzelfde lichaam. Zie 1 Kor. 12:25-26.
Hertaald:
in het lichaam
Namelijk alsof u zelf ook zo slecht behandeld werd of er zo aan toe was als zij. Of: als mensen die zelf ook in het lichaam zijn, dat is: in dit lichamelijke leven, dat aan veel verdrukkingen onderworpen is. Anderen verstaan het van het lichaam van Christus, dat is: van Zijn gemeente, in deze betekenis: als mensen die ook in het lichaam zijn, dat is: leden van hetzelfde lichaam. Zie 1 Kor. 12:25-26.
onder allen,
Grieks in allen; dat is, in alle dingen of onder alle personen. Want op beide wijzen kan het genomen worden: in alle dingen; namelijk die de huwelijke staat naar Gods instelling medebrengt en vereist; of onder alle personen; namelijk van welken staat en roeping zij ook zijn, mits dat zij zulks wettelijk en in den Heere doen; Lev 18;; 1 Kor. 7:39. Anderen zetten het over: Het huwelijk zij eerlijk; alzo dat de apostel hier den gehuwden een regel zou stellen, waarnaar zij zich hebben te gedragen. Doch het woord maat, hetwelk volgt, duidt deze verklaring niet. De apostel stelt dan hier deze vermaning tegen het misbruik van vele mensen, die zich in hoererij of door echtscheiding in overspel verliepen, om de lasten en ongemakken van het huwelijk te ontgaan; en ook tegen sommige valse leraars, die ten tijde der apostelen, en, ook daarna den huwelijken staat als oneerlijk en bevlekt verwierpen, van wie de apostel ook Timotheüs vermaant; 1 Tim. 4:3.
Hertaald:
onder allen,
Grieks: in allen; dat is: in alle dingen, of onder alle personen. Want het kan op beide manieren opgevat worden: in alle dingen, namelijk die de huwelijke staat naar Gods instelling meebrengt en vraagt; of onder alle personen, namelijk van welke stand en roeping zij ook zijn, mits zij dat op wettige wijze en in de Heere doen; Lev. 18; 1 Kor. 7:39. Anderen vertalen het: het huwelijk zij eerbaar, zo dat de apostel de gehuwden hier een regel zou stellen waarnaar zij zich moeten gedragen. Maar het woord bed dat volgt laat die verklaring niet toe. De apostel stelt deze aansporing hier dus tegenover het misbruik van veel mensen. Die begaven zich in hoererij, of door echtscheiding in echtbreuk, om de lasten en de ongemakken van het huwelijk te ontgaan. Zij is ook gericht tegen sommige valse leraars, die in de tijd van de apostelen en ook daarna de huwelijke staat als oneerbaar en bevlekt verwierpen. Over hen spoort de apostel ook Timotheüs aan; 1 Tim. 4:3.
[Uw] wandel zij zonder geldgierigheid;
Of uwe zeden; dat is, uw verkering en handel onder de mensen.
Hertaald:
[Uw] wandel zij zonder geldgierigheid;
Of: uw zeden; dat is: uw omgang en uw handel onder de mensen.
met het tegenwoordige;
Namelijk dat u de Heere door uwen arbeid en in uw beroep verleent, zonder door onbehoorlijke wegen, of te grote bekommering, naar meerder rijkdom te trachten. Zie Matt. 6:31, enz.; 1 Tim. 6:6.
Hertaald:
met het tegenwoordige;
Namelijk met wat de Heere u door uw arbeid en in uw beroep geeft, zonder langs onbehoorlijke wegen of met te grote bekommering naar meer rijkdom te streven. Zie Matth. 6:31, enzovoort; 1 Tim. 6:6.
Hij heeft gezegd
Namelijk God tot Jozua, Joz. 1:5, en derhalve in Zijn persoon tot alle gelovigen.
Hertaald:
Hij heeft gezegd
Namelijk God tegen Jozua, Joz. 1:5, en dus in zijn persoon tegen alle gelovigen.
durven zeggen
Namelijk met David door het geloof; Ps. 118:6.
Hertaald:
durven zeggen
Namelijk met David door het geloof; Ps. 118:6.
voorgangeren,
Of leidslieden, gelijk vs.17. Hij spreekt inzonderheid van de apostelen en andere getrouwe leraars, die hun leer met hun bloed hadden verzegeld, zonder op enige wereldse vergelding te letten, maar alleen op de eeuwige en hemelse hebben gezien, gelijk de volgende woorden uitwijzen. Hij wil dan dat zij altijd hunner voorgangers leer, standvastigheid in het geloof en geduld in het lijden gedenken, maar niet dat zij die enige godsdienstige eer zouden aandoen.
Hertaald:
voorgangeren,
Of: leidslieden, zoals in vers 17. Hij spreekt in het bijzonder over de apostelen en andere trouwe leraars, die hun leer met hun bloed verzegeld hadden zonder op enige wereldse vergelding te letten, maar die alleen op de eeuwige en hemelse vergelding gezien hebben, zoals de volgende woorden uitwijzen. Hij wil dus dat zij altijd de leer van hun voorgangers, hun standvastigheid in het geloof en hun geduld in het lijden gedenken; maar niet dat zij hun enige godsdienstige eer zouden bewijzen.
gisteren en heden
Dat is, gelijk Hij hun helper is geweest in alle zwarigheden, en gelijk zij op Hem hun vertrouwen hebben gesteld, en gelijk hun leer Christus Jezus alleen voor het vaste fundament der zaligheid heeft gehouden; alzo is Hij ook dezelfde altijd geweest en is nog dezelfde, en zal het in eeuwigheid blijven; als zijnde eenzelfde God en eenzelfde middelaar, zo wel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Zie 1 Kor. 3:11; Ef. 2:20; Openb. 1:8, en Openb. 22:13.
Hertaald:
gisteren en heden
Dat is: zoals Hij hun Helper geweest is in alle moeilijkheden, en zoals zij hun vertrouwen op Hem gesteld hebben, en zoals hun leer Christus Jezus alleen voor het vaste fundament van de zaligheid gehouden heeft, zo is Hij ook altijd Dezelfde geweest en is Hij nog Dezelfde, en Hij zal dat in eeuwigheid blijven. Want Hij is dezelfde God en dezelfde Middelaar, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Zie 1 Kor. 3:11; Ef. 2:20; Openb. 1:8 en Openb. 22:13.
Wordt niet omgevoerd
Dat is, zo wordt dan niet. Want het is een besluit uit de vermaningen der twee voorgaande verzen, vs.7,8, getrokken.
Hertaald:
Wordt niet omgevoerd
Dat is: word dan niet. Want dit is een gevolgtrekking uit de aansporingen van de twee voorgaande verzen 7 en 8.
door genade,
Dat is, door de zaak zelve, die door de ceremoniën van het Oude Testament was betekend, en niet door deze ceremoniëele schaduwen, waarvan hij een soort verhaalt, namelijk het onderscheid der spijzen, de andere daaronder verstaande. Zie dergelijke betekenis van het woord genade, Joh. 1:17; Hand. 15:10-11.
Hertaald:
door genade,
Dat is: door de zaak zelf die door de ceremoniën van het Oude Testament aangeduid werd, en niet door deze ceremoniële schaduwen, waarvan hij één soort noemt, namelijk het onderscheid van de voedselsoorten, terwijl hij de andere daaronder begrijpt. Zie een dergelijke betekenis van het woord genade in Joh. 1:17; Hand. 15:10-11.
geen nuttigheid bekomen hebben,
Namelijk voor de ziel, en in zichzelf aangezien. Want het koninkrijk der hemelen is noch spijs noch drank, maar rechtvaardigheid en vrede en vreugde door den Heiligen Geest; Rom. 14:17.
Hertaald:
geen nuttigheid bekomen hebben,
Namelijk geen nut voor de ziel en in zichzelf beschouwd. Want het Koninkrijk van de hemel is geen eten en geen drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest; Rom. 14:17.
een altaar,
Hierdoor wordt geen stenen of uitwendig altaar verstaan, want dan moest de apostel zeggen dat wij vele altaren hebben, of moeten hebben, namelijk in alle tempels of hoeken van de tempels; maar hij spreekt van een geestelijk altaar, namelijk Christus Jezus zelf, die door den eeuwigen Geest zich zelven onstraffelijk heeft opgeofferd, Hebr. 9:14. Gelijk dan Christus' vlees de offerande is, alzo is Christus ook de hogepriester en het altaar zelf, die deze offerande heeft geheiligd, gelijk het altaar de offerande placht te heiligen, naar de getuigenis van Christus, Matt. 23:19. En wordt ook Christus ons altaar genoemd, omdat wij op Hem onze gebeden en dankzegging Gode moeten opofferen. Zie Openb. 6:9, en Openb. 8:3.
Hertaald:
een altaar,
Hiermee wordt geen stenen of uiterlijk altaar bedoeld; want dan zou de apostel moeten zeggen dat wij veel altaren hebben of moeten hebben, namelijk in alle tempels of in de hoeken van de tempels. Hij spreekt over een geestelijk altaar, namelijk Christus Jezus Zelf, Die Zichzelf door de eeuwige Geest onberispelijk opgeofferd heeft, Hebr. 9:14. Zoals het vlees van Christus dus het offer is, zo is Christus ook de Hogepriester en het altaar zelf, Die dit offer geheiligd heeft, zoals het altaar het offer gewoonlijk heiligde, naar het getuigenis van Christus, Matth. 23:19. Christus wordt ook ons altaar genoemd omdat wij op Hem onze gebeden en dankzegging aan God moeten offeren. Zie Openb. 6:9 en Openb. 8:3.
te eten,
Dat is, waaraan geen macht hebben, om geestelijke gemeenschap te hebben, gelijk Paulus verklaard 1 Kor. 10:16.
Hertaald:
te eten,
Dat is: waaraan zij geen macht hebben om geestelijke gemeenschap te hebben, zoals Paulus verklaart in 1 Kor. 10:16.
die den tabernakel dienen
Dat is, die aan de ceremoniën van het Oude Testament nog gemeenschap willen hebben, om een deel van hun zaligheid daarin te zoeken. Zie Gal. 5:2.
Hertaald:
die den tabernakel dienen
Dat is: zij die nog gemeenschap willen hebben met de ceremoniën van het Oude Testament, om daarin een deel van hun zaligheid te zoeken. Zie Gal. 5:2.
voor de zonde gedragen werd
Dat is, tot een offer voor de zonde.
Hertaald:
voor de zonde gedragen werd
Dat is: tot een offer voor de zonde.
in het heiligdom
Dat is, in het heilige der heiligen, op den verzoendag, welke was de tiende dag van de zevende maand; Lev. 23:27.
Hertaald:
in het heiligdom
Dat is: in het heilige der heiligen, op de verzoendag, die de tiende dag van de zevende maand was; Lev. 23:27.
derzelver lichamen
Namelijk der geslachte dieren.
Hertaald:
derzelver lichamen
Namelijk van de geslachte dieren.
werden verbrand
Namelijk door Gods bevel, waarvan zie Lev. 16:27.
Hertaald:
werden verbrand
Namelijk door Gods bevel; zie daarover Lev. 16:27.
buiten de legerplaats
Namelijk der Israëlieten in de woestijn; waaruit de apostel, als uit een voorbeeld, besluit, dat de gelovigen, die gemeenschap hebben aan het bloed van Jezus Christus en Zijn verdiensten, geen gemeenschap moeten hebben in hun uiterlijken godsdienst met dat vleselijk Israël of Jeruzalem, nadat onze hogepriester zijn offerande daar buiten heeft volbracht, en met zijn bloed in het ware heilige der heiligen is ingegaan.
Hertaald:
buiten de legerplaats
Namelijk buiten de legerplaats van de Israëlieten in de woestijn. Daaruit besluit de apostel, als uit een voorbeeld, dat de gelovigen die gemeenschap hebben aan het bloed van Jezus Christus en aan Zijn verdiensten in hun uiterlijke godsdienst geen gemeenschap moeten hebben met dat vleselijke Israël of Jeruzalem, nu onze Hogepriester Zijn offer daarbuiten volbracht heeft en met Zijn bloed in het ware heilige der heiligen ingegaan is.
Daarom heeft ook Jezus,
Dat is het tweede besluit van den apostel, uit het voorgaande voorbeeld van het verbranden der lichamen van de dieren buiten de legerplaats, namelijk dat Christus buiten de poort der stad Jeruzalem, waarin al de ceremoniën van het Oude Testament gepleegd werden, het vuur van den toorn Gods moest lijden, om ons met God te verzoenen.
Hertaald:
Daarom heeft ook Jezus,
Dat is de tweede gevolgtrekking van de apostel uit het voorgaande voorbeeld van het verbranden van de lichamen van de dieren buiten de legerplaats. Christus moest namelijk het vuur van de toorn van God lijden buiten de poort van de stad Jeruzalem, waarin al de ceremoniën van het Oude Testament verricht werden, om ons met God te verzoenen.
het volk zou heiligen,
Dat is, het geestelijke Israël, de kinderen der belofte, die de engel het volk van Christus noemt, Matt. 1:21, en Christus Zijne schapen, Joh. 10:15-16, en die, die de Vader Hem gegeven heeft; Joh. 17:9, enz.
Hertaald:
het volk zou heiligen,
Dat is: het geestelijke Israël, de kinderen van de belofte, die de engel het volk van Christus noemt, Matth. 1:21, en die Christus Zijn schapen noemt, Joh. 10:15-16, en zij die de Vader Hem gegeven heeft; Joh. 17:9, enzovoort.
tot Hem
Namelijk alleen.
Hertaald:
tot Hem
Namelijk alleen tot Hem.
uitgaan
Namelijk door een waarachtig geloof, zonder ons aan enige andere ceremoniën meer te binden.
Hertaald:
uitgaan
Namelijk uitgaan door een waarachtig geloof, zonder ons nog aan enige andere ceremoniën te binden.
buiten de legerplaats,
Namelijk in welke al de ceremoniën der Israëlieten en priesters werden bediend en gebruikt.
Hertaald:
buiten de legerplaats,
Namelijk de legerplaats waarin al de ceremoniën van de Israëlieten en de priesters bediend en gebruikt werden.
Zijn smaadheid dragende
Dit wordt om twee redenen daarbij gevoegd; eerst, omdat buiten de legerplaats, gelijk ook daarna buiten de stad Jeruzalem, de plaats was, waar men de misdadigers als het gezelschap der mensen voortaan onwaardig, placht uit te brengen om gedood te worden, gelijk te zien is Lev. 24:14; Joz. 7:24; Hand. 7:58, enz. Daarna ook, omdat de Joden voor een grote smaadheid hielden geen gemeenschap te hebben aan de ceremoniën der wet. Zie Hand. 10:14-15, Hand. 10:28, en Gal. 2:12-13. Paulus vermaant hen dan dat zij, niettegenstaande alle versmading en vervolging der Joden en ook der wereld over deze zaak, tot Christus alleen en Zijn offerande hun toevlucht zullen nemen, en daarbij standvastig blijven.
Hertaald:
Zijn smaadheid dragende
Dit wordt om twee redenen toegevoegd. In de eerste plaats omdat buiten de legerplaats, zoals daarna ook buiten de stad Jeruzalem, de plaats was waar men de misdadigers, die het gezelschap van de mensen voortaan onwaardig waren, gewoonlijk heen bracht om gedood te worden, zoals te zien is in Lev. 24:14; Joz. 7:24; Hand. 7:58, enzovoort. En daarnaast ook omdat de Joden het voor een grote smaad hielden geen gemeenschap te hebben met de ceremoniën van de wet. Zie Hand. 10:14-15, Hand. 10:28 en Gal. 2:12-13. Paulus spoort hen dus aan om, ondanks alle versmading en vervolging van de Joden en ook van de wereld over deze zaak, alleen tot Christus en Zijn offer hun toevlucht te nemen en daarbij standvastig te blijven.
geen blijvende stad,
Dat is, geen vaste stad die vaste fondamenten heeft; of waar wij werk van moeten maken om lang te blijven en ons heil te zoeken.
Hertaald:
geen blijvende stad,
Dat is: geen vaste stad die vaste fundamenten heeft; of geen stad waarvan wij werk moeten maken om er lang te blijven en er ons heil te zoeken.
zoeken de toekomende
Dat is, die vaste fondamenten heeft en eeuwig is in den hemel. Zie hiervoor Hebr. 11:10, Hebr. 11:16.
Hertaald:
zoeken de toekomende
Dat is: de stad die vaste fundamenten heeft en die eeuwig is in de hemel. Zie hiervoor Hebr. 11:10, Hebr. 11:16.
door Hem altijd
Namelijk Jezus Christus; dat is, steunende door het geloof op Hem, op Zijn verdienste en voorbidding. Zie 1 Petr. 2:5, en 1 Joh. 2:1.
Hertaald:
door Hem altijd
Namelijk door Jezus Christus; dat is: door het geloof op Hem, op Zijn verdienste en Zijn voorbede te steunen. Zie 1 Petr. 2:5 en 1 Joh. 2:1.
vrucht der lippen,
Dat is, niet gelijk de Israëlieten uit de eerstelingen of vruchten der aarde, maar de vrucht onzer lippen, welke Hosea, Hos. 14:3, noemt de kalven der lippen; dat is, dankzegging voor de verworvene weldaden.
Hertaald:
vrucht der lippen,
Dat is: niet zoals de Israëlieten uit de eerstelingen of de vruchten van de aarde, maar de vrucht van onze lippen, die Hosea in Hos. 14:3 de kalveren van de lippen noemt; dat is: dankzegging voor de verworven weldaden.
belijden
Dat is, loven en danken, gelijk Matt. 11:25; Rom. 14:11.
Hertaald:
belijden
Dat is: loven en danken, zoals in Matth. 11:25; Rom. 14:11.
zodanige offeranden
Namelijk der dankbaarheid. Want Christus is alleen de offerande onzer verzoening met God, gelijk de apostel meermalen heeft betuigd. Zie hiervoor Hebr. 9:25-28, en Hebr. 10:14, Hebr. 10:18.
Hertaald:
zodanige offeranden
Namelijk de offers van de dankbaarheid. Want Christus is als enige het offer van onze verzoening met God, zoals de apostel meermalen betuigd heeft. Zie hiervoor Hebr. 9:25-28 en Hebr. 10:14, Hebr. 10:18.
heeft God een welbehagen
Namelijk in Christus Jezus, gelijk hierna vs.21 wordt uitgedrukt. Gelijk dan de gehoorzaamheid van een kind, al verdient het niets bij zijn vader en van een onderdaan aan zijn overheid, toch aangenaam is, zo is onze weldadigheid ook Gode in Christus behagelijk en aangenaam, al kunnen wij daarover van geen verdienste voor Hem roemen. Zie Luc. 17:10; Rom. 11:35.
Hertaald:
heeft God een welbehagen
Namelijk in Christus Jezus, zoals hierna in vers 21 uitgedrukt wordt. Zoals de gehoorzaamheid van een kind, ook al verdient het niets bij zijn vader, en die van een onderdaan aan zijn overheid toch aangenaam is, zo is onze weldadigheid in Christus ook God welgevallig en aangenaam, ook al kunnen wij daarover niet op enige verdienste voor Hem roemen. Zie Luk. 17:10; Rom. 11:35.
voorgangeren
Dat is, herders en leraars, gelijk tevoren vs.7. Waarmede niet alleen de waardigheid van het ambt der leraars, maar ook hun schuldige plicht wordt uigedrukt, gelijk ook in de volgende woorden, dat zij waken voor hunne zielen; dat is, voor de zaligheid van hun zielen. Zie Ezech. 3:18.
Hertaald:
voorgangeren
Dat is: herders en leraars, zoals eerder in vers 7. Daarmee wordt niet alleen de waardigheid van het ambt van de leraars uitgedrukt, maar ook hun verschuldigde plicht, zoals ook in de volgende woorden, dat zij waken voor hun zielen; dat is: voor de zaligheid van hun zielen. Zie Ezech. 3:18.
gehoorzaam,
Namelijk in alles wat zij u uit Gods woorden en volgens Gods woord gebieden, gelijk Ezech. 3:2, wordt uitgedrukt. Anders beveelt ook Christus Zijn discipelen, dat zij zich zullen wachten voor den zuurdesem, dat is, kwade leringen der Farizeën, Matt. 16:6, Matt. 16:12.
Hertaald:
gehoorzaam,
Namelijk gehoorzaam in alles wat zij u uit Gods Woord en volgens Gods Woord gebieden, zoals in Ezech. 3:2 uitgedrukt wordt. Overigens beveelt Christus Zijn discipelen ook dat zij zich zullen wachten voor het zuurdeeg, dat is: voor de kwade leringen van de farizeeën, Matth. 16:6, Matth. 16:12.
rekenschap geven zullen;
Namelijk zo iemand door hun nalatigheid of kwade voorbeelden verloren gaat. Zie Ezech. 3:18; 1 Tim. 4:16.
Hertaald:
rekenschap geven zullen;
Namelijk als iemand door hun nalatigheid of door hun slechte voorbeelden verloren gaat. Zie Ezech. 3:18; 1 Tim. 4:16.
al zuchtende;
Namelijk over de ondankbaarheid of halsstarrigheid des volks.
Hertaald:
al zuchtende;
Namelijk zuchtend over de ondankbaarheid of de halsstarrigheid van het volk.
een goede consciëntie hebben,
Namelijk in al ons doen en leren, inzonderheid wat aangaat het verwerpen der ceremoniën, waarvan hij kort tevoren had gesproken, en waartoe de Joden kwalijk konden komen. Zie dergelijke Hand. 23:1; 1 Kor. 4:4, en 2 Kor. 1:12.
Hertaald:
een goede consciëntie hebben,
Namelijk in al ons doen en leren, en in het bijzonder wat het verwerpen van de ceremoniën betreft, waarover hij kort daarvoor gesproken had en waartoe de Joden moeilijk konden komen. Zie iets dergelijks in Hand. 23:1; 1 Kor. 4:4 en 2 Kor. 1:12.
in alles willen
Of onder allen; gelijk vs.4.
Hertaald:
in alles willen
Of: onder allen, zoals in vers 4.
eerlijk wandelen
Dat is, oprechtelijk, naar Gods wil en bevel, gelijk 2 Kor. 1:12 wordt verklaard.
Hertaald:
eerlijk wandelen
Dat is: oprecht, naar Gods wil en bevel, zoals in 2 Kor. 1:12 verklaard wordt.
wedergegeven worden
Namelijk gelijk de apostel niet alleen hier, maar ook elders deze zijn hoop van verlost te zullen worden uit de banden betuigt. Zie Fil. 2:24; Filem. 1:22.
Hertaald:
wedergegeven worden
Namelijk zoals de apostel niet alleen hier, maar ook elders deze hoop betuigt dat hij uit de boeien verlost zal worden. Zie Filipp. 2:24; Filem. 1:22.
De God nu des vredes,
Met dit gebed besluit de apostel naar zijn gewoonte den brief, en noemt God een God des vredes, gelijk Rom. 15:33, en Rom. 16:20; 2 Kor. 13:11; ten aanzien van het Evangelie des vredes, waardoor ons vrede met God en de mensen wordt verkondigd en inderdaad medegedeeld. Zie Luc. 2:14; Rom. 5:1; Ef. 2:14-15.
Hertaald:
De God nu des vredes,
Met dit gebed sluit de apostel naar zijn gewoonte de brief af. Hij noemt God een God van de vrede, zoals in Rom. 15:33 en Rom. 16:20; 2 Kor. 13:11; met het oog op het Evangelie van de vrede, waardoor ons vrede met God en met de mensen verkondigd en ook werkelijk meegedeeld wordt. Zie Luk. 2:14; Rom. 5:1; Ef. 2:14-15.
grote Herder der schapen,
Namelijk Jezus Christus, gelijk volgt, dien de apostel zo noemt, niet alleen omdat Hij op een bijzondere wijze Zijn schapen heeft verlost, maar ook omdat Hij is een herder van alle herders. Zie Joh. 10:11, enz.; 1 Petr. 5:4.
Hertaald:
grote Herder der schapen,
Namelijk Jezus Christus, zoals volgt. De apostel noemt Hem zo, niet alleen omdat Hij Zijn schapen op een bijzondere wijze verlost heeft, maar ook omdat Hij een Herder van alle herders is. Zie Joh. 10:11, enzovoort; 1 Petr. 5:4.
door het bloed
Dat is, waardoor het nieuwe en dies ook eeuwig blijvende Testament is bevestigd, Hebr. 9:12. En kunnen deze woorden in het bloed, of door het bloed gevoegd worden, òf bij de woorden groten herder der schapen, alzo dat Hij daarom een groot een goed herder is, omdat Hij Zijn schapen door Zijn bloed in eeuwigheid heeft verzoend; òf ook bij de woorden uit de doden heeft wedergebracht; omdat Hij door Zijn bloed het eeuwige Testament bevestigd hebbende, naar de voorzegging der profeten, van den dood niet langer kon gehouden worden, gelijk Petrus getuigt Hand. 2:24, enz.
Hertaald:
door het bloed
Dat is: het bloed waardoor het nieuwe en daarom ook eeuwig blijvende Testament bevestigd is, Hebr. 9:12. Deze woorden in het bloed, of door het bloed, kunnen gevoegd worden bij de woorden grote Herder van de schapen, zo dat Hij daarom een grote en goede Herder is omdat Hij Zijn schapen door Zijn bloed in eeuwigheid verzoend heeft; of ook bij de woorden uit de doden heeft teruggebracht, omdat Hij, nadat Hij door Zijn bloed het eeuwige Testament bevestigd had, naar de voorzegging van de profeten niet langer door de dood gehouden kon worden, zoals Petrus betuigt in Hand. 2:24, enzovoort.
des eeuwigen testaments,
Dat is, dat nimmermeer veranderd wordt, gelijk het eerste veranderd is; en dienvolgens van een eeuwigdurende kracht is.
Hertaald:
des eeuwigen testaments,
Dat is: dat nooit meer veranderd wordt, zoals het eerste veranderd is, en dat dus van een eeuwig durende kracht is.
volmake u in alle goed werk,
Of bereide u, make u bekwaam in alle goede werken; dat is, volbrenge in u hetgeen daar nog zou ontbreken, gelijk het Griekse woord eigenlijk beduidt.
Hertaald:
volmake u in alle goed werk,
Of: bereide u, make u bekwaam tot alle goede werken; dat is: volbrenge in u wat daar nog aan zou ontbreken, zoals het Griekse woord eigenlijk aanduidt.
werkende in u,
Grieks makende in u; namelijk door Zijnen Heiligen Geest. Zie Fil. 2:13.
Hertaald:
werkende in u,
Grieks: makende in u; namelijk door Zijn Heilige Geest. Zie Filipp. 2:13.
Denwelken zij de heerlijkheid
Namelijk Christus Jezus. Deze lof wordt niemand dan den waren en eeuwigen God in Gods Woord immer gegeven.
Hertaald:
Denwelken zij de heerlijkheid
Namelijk Christus Jezus. Deze lof wordt in Gods Woord nooit aan iemand anders gegeven dan aan de ware en eeuwige God.
in alle eeuwigheid
Grieks in eeuwigheden eeuwigheden.
Hertaald:
in alle eeuwigheid
Grieks: in eeuwigheden van eeuwigheden.
verdraagt het woord dezer vermaning;
De apostel spreekt hier zo, om te verzachten de scherpheid van sommige vermaningen, die in dezen brief voorkomen, voornamelijk Heb 6 en Hebr. 10.
Hertaald:
verdraagt het woord dezer vermaning;
De apostel spreekt hier zo om de scherpte van sommige aansporingen die in deze brief voorkomen te verzachten, vooral die van hoofdstuk 6 en Hebr. 10.
in het kort geschreven
Dit wordt gezegd, niet ten opzichte van andere brieven, maar ten opzichte van de overvloedigheid en zwaarheid der stof, die de apostel hier in het kort verhandelt.
Hertaald:
in het kort geschreven
Dit wordt niet gezegd met het oog op andere brieven, maar met het oog op de overvloed en de zwaarte van de stof die de apostel hier in het kort behandelt.
Timótheüs losgelaten is,
Hieruit schijnt, dat Timotheüs ergens in Azië gevangen is geweest, gelijk enigen ook besluiten uit 1 Tim. 6:12, hoewel Lukas in de handelingen der apostelen daarvan geen gewag maakt, dewijl hij in zijn geschiedenissen niet verder gaat dan tot de gevangenschap binnen Rome.
Hertaald:
Timótheüs losgelaten is,
Hieruit lijkt te blijken dat Timotheüs ergens in Azië gevangen geweest is, zoals sommigen ook besluiten uit 1 Tim. 6:12, hoewel Lukas daarvan in de Handelingen der Apostelen geen gewag maakt, omdat hij in zijn geschiedverhaal niet verder gaat dan tot de gevangenschap in Rome.
ik u zal zien
Hieruit besluiten enigen dat Paulus van zijn gevangenschap vrij was, toen hij deze brief schreef, gelijk zulks ook van velen genomen wordt uit 2 Tim. 4:17-18, en vele oude leraars schrijven, dat hij na zijn eerste loslating te Rome nog een reis in Syrië en andere plaatsen heeft gedaan. Doch deze woorden kunnen ook verstaan worden van de goede hoop, die hij toen van zijn loslating had, waarvan in vs.19 hiervoor is gesproken.
Hertaald:
ik u zal zien
Hieruit besluiten sommigen dat Paulus vrij was van zijn gevangenschap toen hij deze brief schreef, zoals dat door velen ook opgemaakt wordt uit 2 Tim. 4:17-18. Veel oude leraars schrijven dat hij na zijn eerste vrijlating in Rome nog een reis naar Syrië en andere plaatsen gemaakt heeft. Maar deze woorden kunnen ook verstaan worden van de goede hoop die hij toen op zijn vrijlating had, waarover hiervoor in vers 19 gesproken is.
voorgangeren,
Dat is, herders en leraars, gelijk hiervoor vs.7, 17.
Hertaald:
voorgangeren,
Dat is: herders en leraars, zoals hiervoor in vers 7 en 17.
de heiligen
Dat is, gelovige christenen, gelijk alom in de titels van de brieven van Paulus te zien is.
Hertaald:
de heiligen
Dat is: gelovige christenen, zoals telkens in de opschriften van de brieven van Paulus te zien is.
van Itálië zijn
Dat is, niet alleen van Rome, maar ook degenen, die uit geheel Italië hem in zijn gevangenschap dikwijls bezochten. Zie Hand. 28:30-31.
Hertaald:
van Itálië zijn
Dat is: niet alleen zij die uit Rome zijn, maar ook zij die uit heel Italië hem in zijn gevangenschap dikwijls bezochten. Zie Hand. 28:30-31.
De genade zij met u allen
Namelijk Jezus Christus; gelijk de apostel in andere brieven daarbij doet.
Hertaald:
De genade zij met u allen
Namelijk de genade van Jezus Christus, zoals de apostel er in andere brieven bij voegt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De brief loopt ten einde en gaat over op vermaningen: gastvrijheid, huwelijk, tevredenheid. Middenin komt de schrijver nog één keer terug op het altaar, en hij doet dat met een bepaling die niemand had verwacht. Op de grote verzoendag ging het bloed naar binnen en het lichaam naar buiten — en de brief wijst aan waar dat op uitliep. Het gedeelte begint met een zin die als een grendel vastzit: “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.” Alles wat volgt hangt daaraan. Dan komt het altaar. “Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen.” Bij de meeste offers mochten de priesters meeëten; bij één niet. Op de grote verzoendag werd het bloed van de var en de bok naar binnen gedragen, tot achter het voorhangsel — en van diezelfde dieren gold: hun lichamen moesten buiten het leger verbrand worden. Wat het dichtst bij God kwam, moest het verst van het kamp vandaan. Daar knoopt de brief bij aan, en de gevolgtrekking staat er in één woord: “Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.” Buiten de poort. Johannes noteert dat Hij Zijn kruis dragende uitging naar de plaats genaamd Golgotha; het gebeurde niet in de tempel en niet binnen de muren. Buiten het leger was in Israël de plaats voor wat onrein was: de melaatse woonde er, de vloeker werd erheen gebracht, en het karkas van het zondoffer werd er verbrand. De kanttekening trekt daar de lijn van: Christus moest buiten de poort van de stad, waarin alle plechtigheden van het Oude Testament plaatsvonden, het vuur van Gods toorn lijden om ons met God te verzoenen. En dan volgt de wending die dit gedeelte zo scherp maakt. Er wordt niet gezegd: verheug u dat het volbracht is. Er staat: “Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende.” De plaats van de schande is de plaats waar Hij te vinden is. Dat kostte de eerste lezers werkelijk iets. Zij waren Joden, en uitgaan betekende de tempeldienst achterlaten waarin zij waren opgegroeid. Daarom staat er de troost meteen bij: wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Het slot maakt duidelijk wat er dan nog te offeren valt, nu het offer gebracht is: een offerande des lofs, dat is de vrucht der lippen die Zijn Naam belijden — en daarnaast weldadigheid en mededeelzaamheid, want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen. In het Nieuwe Testament: Leviticus 16:27; Johannes 19:17; Leviticus 24:14; Leviticus 13:46; Hosea 14:3; Psalm 50:14 Hoever dit reikt: De brief redeneert hier vanuit één bepaling van de grote verzoendag. Dat de plaats buiten het leger ook die van onreinheid was, staat elders in de wet en wordt hier niet uitgewerkt. Wat het altaar in vers 10 precies is, wordt verschillend uitgelegd. Deze post volgt de lijn die de schrijver zelf trekt: van het verbranden buiten het leger naar het lijden buiten de poort.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas 'Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u nooit verlaten!' Vrees, twijfel en beproeving overwinnen door Gods eeuwige trouw. Bijbelteksten, troost en moed voor gelovigen. Bestemd om te worden voorgelezen op zondag 29 april 1894. Uitgesproken op donderdag 23 februari 1888, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Jezus Christus is gisteren… Ik zal u beslist niet verlaten. Hebreeën 13:5 Wat God belooft, is nooit slechts voor één persoon. Alles wat Hij tegen één van Zijn kinderen zei, geldt ook… Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. Hebreeën 13:1 Ik geloof dat zodra je begint… Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. Hebreeën 13:5 Is het niet een prachtig en ontroerend feit dat, terwijl anderen ons verlaten… …omdat wij in alle dingen goed willen wandelen. Hebr. 13:18 Mensen met verschillende banen hebben verschillend gereedschap nodig. Kun je een denkbeeldige lijn trekken van elke persoon in… Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Hebr. 13:5 Hier is een woord uit Gods eigen mond. Hier is een belofte, die… En bedroef de Heilige Geest van God niet, door Wie u verzegeld bent tot de dag van de verlossing. (Efeze 4:30) Lees verder Jesaja 63:7—19. Het bedroeven van de… Daarna liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem… En de Heere zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde… Ik zal u niet verlaten. Hebreeën 13:5 Geen enkele belofte is alleen maar persoonlijk; wat de Heere aan één van Zijn heiligen heeft beloofd, belooft Hij aan allen.… Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Hebreeën 13:5 Wie in Jezus gelooft, zal nooit zó van God verlaten worden, dat hij uiteindelijk van… Jezus Christus Is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Hebreeën 13:8 Wie heeft ooit de zee eentonig genoemd? Zelfs voor de zeeman, die haar het hele… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Hebreeën 13 vers 13 Jezus ging de stad… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Ik zal u beslist niet loslaten. Hebreeën 13 vers 5 Wij mogen geen enkele belofte begrenzen. Wat God tegen één heilige… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Want Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. Hebreeën 13 vers… Sommige oude Romeinse muren zijn met zo'n uitstekende cement gemetseld, dat het bijna onmogelijk zou zijn om de ene steen van de andere te scheiden. In feite is… Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Hebr. 13:5. Verscheiden malen heeft de HEERE dit in de Schriften gezegd. Hij heeft het… Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. Hebreeën 13: 6 Omdat God je… Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in der eeuwigheid. Hebreeën 13:8 Het is goed dat er één Persoon is Die dezelfde is. Het is goed… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hebreeën 13
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Buiten de poort — 13:8-16
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Nooit! Nooit! Nooit! Nooit! Nooit!
De onveranderlijke Christus
Altijd bij je
Een dankbaar hart
Een Vriend die dichter staat dan een broer
Eerlijk duurt het langst
Hebr. 13:5 - Nooit, nee nooit
Bedroef de Heilige Geest niet
Dienen als priesters
De juiste weg
Niet verlaten
Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten
Nooit vervelend
Buiten de legerplaats
Ik zal u niet loslaten
Hij heeft het Zelf gezegd
De eenheid van de gemeente
Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten
Vrees God Alleen
De onveranderlijkheid van Christus


Hebreeën 13
Hebreeën 13:1
Kruisverwijzingen1 Petrus 1:22→2 Petrus 1:7→1 Petrus 3:8→1 Petrus 2:17→Hebreeën 6:10→1 Johannes 4:7→2 Thessalonicenzen 1:3→1 Petrus 4:8→— Dat de broederlijke liefde blijve.
Het woord “blijve” veronderstelt dat de broederlijke liefde al bestaat. Er zijn veel dingen die er een einde aan zouden kunnen maken, dus zorg ervoor dat zij, voor zover het van u afhangt, blijft. Onder alle uitdagingen en alle teleurstellingen: laat de broederlijke liefde blijven.
Hebreeën 13:2-3
KruisverwijzingenHebreeën 10:34→Mattheüs 25:36→Mattheüs 25:35→1 Petrus 4:9→Genesis 18:1→Romeinen 12:13→1 Korinthe 12:26→Romeinen 16:23→— Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld waart.
Abraham deed dat, en Lot ook; zij dachten gewone vreemdelingen te herbergen, en wasten hun voeten, en bereidden hun voedsel, maar het bleek dat zij engelen geherbergd hadden. Sommige mensen zullen nooit onwetend engelen herbergen, want zij herbergen nooit iemand. Mochten wij gastvrij zijn, want dat behoort tot het karakter van heiligen.
Hebreeën 13:4-5
KruisverwijzingenJozua 1:5→Deuteronomium 31:8→Deuteronomium 31:6→1 Samuël 12:22→1 Kronieken 28:20→1 Korinthe 6:9→Genesis 28:15→Mattheüs 6:34→— Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen. Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
Daar hebt u een fortuin, een pensioen om op terug te vallen. U mag er gerust vrede mee hebben uw tijdelijke zaken in Gods handen te leggen, want Hij heeft gezegd: “Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.” Gelooft u die ene belofte van God, dan zal Hij beter voor u zijn dan tienduizend vrienden die beloven voor u te zorgen! De Voorzienigheid uit de hemel is beter dan welke voorziener op aarde ook.
Hebreeën 13:6-7
KruisverwijzingenPsalmen 118:6→Jesaja 41:10→Psalmen 27:1→Romeinen 8:31→Psalmen 56:4→Hebreeën 4:16→Psalmen 124:8→Mattheüs 10:28→— Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.
Er waren blijkbaar bijzondere personen, leiders in de Gemeente van God, die herdacht, overdacht en overwogen moesten worden. Zij waren daarvoor apart gezet: “uw voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben.” Zij waren leiders onder de heiligen, en Paulus wilde dat de gewone gelovigen hen navolgden in hun vertrouwvol geloof in de Heere Jezus Christus.
Hebreeën 13:8-9
KruisverwijzingenJakobus 1:17→Maleachi 3:6→Hebreeën 1:12→Openbaring 1:8→Efeze 4:14→Johannes 8:56→Jesaja 41:4→Psalmen 90:2→— Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben.
Geloof niet vandaag het ene, en morgen het andere; laat u niet heen en weer voeren, als het pluis van een distel in de wind. Heb een eigen geloof, weet wat u gelooft, en houd er standvastig aan vast.
Hebreeën 13:9-10
KruisverwijzingenEfeze 4:14→Romeinen 14:6→1 Korinthe 9:13→Judas 1:12→Hebreeën 9:9→Handelingen 20:30→2 Korinthe 1:21→Efeze 5:6→— Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben. Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen.
Ja, de ware godsdienst kan niet bestaan zonder een altaar, maar wat voor altaar is het? Is het een stoffelijk altaar? Verre van dat; maar “wij hebben een altaar.” Zij die aan de uiterlijke, ceremoniële vormen van de godsdienst vasthouden, hebben er niets mee te maken, want zij staan nog onder de oude ceremoniële wet. Wier godsdienst bestaat uit uiterlijke riten en plechtigheden, kan nooit eten van het geestelijke altaar waaraan geestelijke mensen eten. Zij begrijpen de Schrift niet, en dienen nog steeds de Mozaïsche tabernakel.
Hebreeën 13:11-14
KruisverwijzingenExodus 29:14→Leviticus 16:27→Hebreeën 11:26→Filippenzen 3:20→Hebreeën 12:22→Numeri 19:3→Leviticus 9:11→Efeze 5:26→— Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
Buiten de poort was de plaats van Christus’ verzoenend sterven. “Buiten de legerplaats” is de plaats waar Zijn dienstknechten zich het meest thuis zullen voelen. Wij kunnen niet in de veroordeelde stad blijven; wij moeten buiten haar muren zijn. Onze Heere ging de stad uit om te sterven, en wij moeten buiten de legerplaats gaan om te leven.
Hebreeën 13:15-16
KruisverwijzingenFilippenzen 4:18→Hosea 14:2→Romeinen 12:13→Galaten 6:10→Efeze 4:28→Leviticus 7:12→Hebreeën 6:10→Micha 6:7→— Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden. En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.
Bent u een gelovige in Christus, dan bent u een priester van God. Dit is het offer dat u voortdurend moet brengen: de vrucht van uw lippen, die Zijn Naam dankzegt.
Hebreeën 13:17-19
KruisverwijzingenHandelingen 20:28→Hebreeën 13:7→1 Petrus 5:2→1 Timotheüs 5:17→1 Thessalonicenzen 5:25→Filemon 1:22→1 Thessalonicenzen 5:12→Exodus 32:31→— Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. Bidt voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen. En ik bid u te meer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden.
U hebt vast gemerkt hoe vaak de apostel om de gebeden vraagt van hen aan wie hij schrijft. Wij volgen dus een goed voorbeeld wanneer wij u vragen voor ons te bidden.
Hebreeën 13:20-25
KruisverwijzingenRomeinen 15:33→Johannes 10:11→Filippenzen 2:13→2 Thessalonicenzen 2:17→Handelingen 2:24→Zacharia 9:11→Ezechiël 37:26→1 Petrus 5:12→— De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in het kort geschreven. Weet, dat de broeder Timotheus losgelaten is, met welken (zo hij haast komt) ik u zal zien. Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italie zijn. De genade zij met u allen. Amen.
Klinkt die zegen niet als door de eeuwen heen, even fris alsof wij de apostel hem met levende lippen hoorden uitspreken? O, mochten wij het vanavond ervaren als waarheid! “De genade zij met u allen. Amen.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-21.KruisverwijzingenPsalmen 118:6→Jesaja 41:10→Psalmen 27:1→Romeinen 8:31→Psalmen 56:4→Hebreeën 4:16→Psalmen 124:8→Mattheüs 10:28→
— Dat de broederlijke liefde blijve. Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld waart. Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen. Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten. Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben. Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen.
Men heeft beweerd dat hier in het slot van het paranetische gedeelte bijzondere vermaningen volgden, die ook meer of minder gericht konden zijn aan andere lezers dan die met wie de schrijver in het bijzonder te doen heeft. Dit heeft een schijn van waarheid, voor zover de inhoud van deze vermaningen deels een algemeen christelijk karakter bezit. Maar niet alleen is de keus van de bijzondere vermaningen in juiste overeenstemming geschied met de bijzondere toestanden en behoeften, zoals wij die in de Jeruzalemse gemeente van die tijd hebben leren kennen, maar ook de vorm waarin zij zijn uitgesproken en de kleur die daaraan doorgaans is gegeven, passen moeilijk bij enige andere gemeente even goed als bij deze: de briefschrijver is meester over de taal, ook in het individualiseren, tot aan het einde toe. Uitgaande van de broederlijke liefde in het algemeen, maant hij aan tot betoning daarvan in gastvriendschap en jegens geloofsgenoten die gevangen zitten of zich in enige andere moeilijkheid bevinden (vs. 1-3). Dan laat hij een waarschuwing volgen tegen ontucht en gierigheid, als de hoofdzonden die tegenover die hoofddeugden staan (vs. 4-5). Hij herinnert daarna aan leraars en opzieners die zijn heengegaan, opdat zij met het oog op hun zalig einde zich laten bewegen te blijven bij Jezus Christus, de enige grond van de zaligheid en zich niet laten ompraten door allerlei vreemde leringen (vs. 6-9). Zo komt hij er verder toe hun heel duidelijk voor ogen te stellen wat een verheven voorrang zij in het Nieuwe Testament hebben ontvangen boven de ongelovig gebleven leden van het Oude Verbond en zich te verzoenen met de gedachte dat zij zich van hun broeders naar het vlees en van hun godsdienst en Gods huis en Gods stad geheel moeten losmaken (vs. 10-16). Dan volgt een aansporing tot een juiste houding ten opzichte van de leraars, die zich nu in het ambt van opzieners bevinden en onder wie de schrijver zichzelf in deze brief als medearbeider schaart. Daaraan verbindt hij daarna ook de vermaning in voorbede te denken aan hem en aan zijn medearbeiders, zoals hij hun ook van God toebidt wat hun tot hun zaligheid nuttig en nodig is (vs. 17-21 b)
Laat de broederlijke liefde blijven, zoals gij die in vroegere tijd wel hebt beoefend (hoofdstuk 6: 10; 10: 33v.), maar de laatste tijd dreigt daarvan af te vallen (hoofdstuk 10: 24v.). a)
Rom. 12: 10 Efeze. 4: 3; 1 Petrus 1: 22; 2: 17; 4: 8
Vergeet de herbergzaamheid jegens reizende broeders (Rom. 12: 13; 1 Petrus 4: 9 Ro 12. 13 1Pe) niet, want hierdoor, door gastvrij opnemen van reizigers, hebben sommigen zonder het te weten engelen geherbergd (Gen. 18: 3; 19: 2v.) en iets dergelijks wordt ook uw deel volgens het woord van Christus in MATTHEUS. 25: 35, 40 als gij tegemoet komt aan de behoeften van de heiligen.
Denkt aan de gevangenen, alsof u met hen gevangen was (vgl. Rom. 16: 7; 1 Kor. 12: 26); en aan degenen die mishandeld worden, alsof gij ook zelf aan uw lichaam mishandeld werd en dus eveneens voortdurend aan de moeiten van dit leven werd blootgesteld (Luk. 10: 33vv.).
De reeks van bijzondere vermaningen begint met de broederlijke liefde, zoals de christenen die voor elkaar moeten voelen en beoefenen. Er wordt gezegd dat zij moet blijven, omdat zij het gevaar liep te verdwijnen. Dadelijk naast haar staat de gastvrijheid; zij was toch een betoning van die liefde aan hen die als geloofsgenoten uit andere streken recht hadden op broederlijke opname, die zij des te meer nodig hadden daar zij door hun belijdenis in den vreemde dubbel vreemd waren. Verzwakte bij de lezers het vertrouwen van hun christelijk geloof, dan was er ook het gevaar dat zij zich dergelijke geloofsgenoten minder aantrokken. De drang die aan de vermaning wordt toegevoegd, wijst op Abraham en Lot, die doordat zij gastvrij waren, zonder het te weten engelen tot gasten hebben gehad (Abraham komt wel de drie tegemoet met de aanspraak “Heere, ” hetgeen van de diepe geloofsblik getuigt, zonder dat hij de verschijning van die verheven gasten kon ontraadselen; hij beschouwt hen echter toch als reizigers, die ook menselijke versterking nodig hebben). Zo kunnen ook zij gasten ontvangen, die meer en groter zijn dan zij schijnen (“dikwijls heeft een gast een onzichtbare leider, dan zijn de kosten rijkelijk vergoed” (Hahn)) en een zegen voor hun huis ontvangen, die zij niet verwachten (Abraham werd voor zijn gastvrijheid beloond door het zegenen van zijn onvruchtbaar huwelijk, Lot door redding van de ondergang). Evenals nu christenen die van ver komen, in het bijzonder broederlijke liefde nodig hebben, zo ook zij, die zich om hun geloof in gevangenschap of in een andere moeilijke situatie bevinden. Over de eersten moeten zij zich ontfermen als medegevangenen, over de anderen als mensen die ook nog in dit lichaam zijn (het “mishandeld” in de nazin is een toevoeging van onze statenvertalers). Het eerste zijn zij niet vanwege de boeien, waarin de gevangenen door de mensen, maar wel vanwege die, waarin zij door de Heere gelegd zijn en zoals zij zich nu ontfermen over de gevangenen als over medechristenen, zo moeten zij zich hen die in lijden zijn aantrekken als medemensen.
Laat het huwelijk eerlijk zijn, in ere gehouden worden Pr 19: 11 onder allen, zodat niemand, gehuwd of niet, die heilige instelling van God gering zal achten of schenden en laat het bed onbevlekt blijven, zodat niemand het bed van een ander zal bezoedelen (Gen. 49: 4), noch het zijne zal laten bezoedelen; maar hoereerders en overspelers, die in deze tegenwoordige boze tijd door het menselijk gericht niet meer kunnen geoordeeld worden (vgl. hoofdstuk 12: 6), zullen door God geoordeeld worden (1 Kor. 6: 9v. Gal. 5: 19 en 21).
a) Laat uw wandel, uw gezindheid en handelwijze niet geldgierig zijn, vrij van geldzucht (1 Tim. 3: 3; 6: 10 b) en weest tevreden met het tegenwoordige, met wat u voor elke dag heeft (MATTHEUS. 6: 11 Fil. 4: 11). Want Hij, God de Heere, heeft gezegd in de Heilige Schrift: c) “Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten” (Joh. 1: 5 Jes. 41: 17 Deut. 31: 6 en 8).
Exod. 23: 8 Deut. 16: 19 Spr. 15: 16 b) 1 Tim. 6: 6, 8 c) Joz. 1: 5; 1 Kron. 28: 20
Indien wij deze woorden slechts door het geloof kunnen aangrijpen, hebben wij een alles overwinnend wapen in de hand. Welke twijfel zal niet door dit tweesnijdend zwaard neergeslagen worden? Van welke aard de vrees ook is, zal zij niet dodelijk gewond, door deze pijl uit de boog van Gods verbond vallen? Zullen niet het verdriet van het leven en de angsten van de dood, het bederf van binnen en de strikken van buiten, de beproevingen van boven en de verzoekingen van beneden ons allen slechts lichte verdrukkingen schijnen, wanneer wij onszelf achter het bolwerk van het: “Hij heeft gezegd, ” kunnen verschuilen? Ja, hetzij wij vragen om blijdschap in onze rust of om kracht in onze strijd, altijd moet het: “Hij heeft gezegd, ” onze dagelijkse toevlucht zijn. En dit zal ons de hoge waarde van het onderzoek van de Schriften leren. Er is misschien een belofte in het Woord, die juist voor uw toestand geschikt is, maar gij kent haar niet en mist daarom de troost ervan. Gij zijt als gevangenen in een kerker; er is misschien een sleutel aan de ring, die de deur kan ontsluiten en gij zoudt vrij zijn; maar als gij er niet naar zoekt, zult gij toch een gevangene blijven, hoewel de vrijheid zo dichtbij is. Er kan een krachtig geneesmiddel in de grote medicijnzaal van de Schrift staan en toch zult gij ziek blijven, tenzij gij de Schriften wilt onderzoeken en doorzoeken om te ontdekken wat Hij heeft gezegd. Behoort gij niet, behalve het lezen van de Bijbel, uw geheugen overvloedig te vullen met de beloften van God? Gij kunt de gezegden van grote mannen onthouden; gij verzamelt de verzen van beroemde dichters, zoudt gij niet een diepe kennis moeten hebben van de woorden van God, opdat gij in staat zijt ze onmiddellijk aan te voeren om een moeilijkheid op te lossen of twijfel omver te werpen? Omdat “Hij heeft gezegd” de bron is van alle wijsheid en de fontein van alle vertroosting, laat het dan overvloedig in u wonen als een fontein die water geeft tot in het eeuwige leven, dan zult gij gezond, krachtig en gelukkig in het goddelijk leven opgroeien. Geen belofte mag beperkt worden. Hetgeen God tot één heilige gezegd heeft, zei Hij tot allen. Opent Hij een bron voor de één, het is opdat allen zouden drinken. Wanneer Hij de deur van zijn graanschuren openzet om voedsel uit te delen, kan een enkele stervende daartoe aanleiding hebben gegeven, maar alle hongerigen mogen komen om ook gevoed te worden. Het doet er niet toe, gelovige, of Hij tot Abraham of tot Mozes het woord richt. Hij heeft het ook tot u gesproken als tot één van het uitverkoren volk. Er is geen geluk te hoog, geen genade te uitgebreid voor u. Hef nu uw ogen op naar het noorden en naar het zuiden, naar het oosten en naar het westen, want alles is van u. Klim op de hoogte van Pisga en zie de uiterste grens van de goddelijke belofte, want het hele land is uw deel. Geen beek van levend water is er, of gij moogt er uit drinken. Is het land vloeiend van melk en honing, eet de honing en drink de melk, want zij zijn beide voor u. Wees vrijmoedig om te geloven, want Hij heeft gezegd: “Ik zal U niet begeven en Ik zal u niet verlaten. ” God geeft in deze belofte alles aan Zijn volk. “Ik zal u niet begeven! ” Geen eigenschap van God kan zo ophouden voo ons gebruikt te worden. Is hij machtig? Hij zal zichzelf krachtig betonen ten behoeve van hen die op Hem vertrouwen. Is Hij de liefde? Dan zal Hij Zich in genade over ons ontfermen. Welke eigenschappen het karakter van God ook uitmaken, allen zullen zij in de volste betekenis voor ons worden waargemaakt. Om alles in enkele woorden uit te drukken: er is niets wat gij nodig hebt, er is niets waarnaar gij moogt vragen, er is niets wat gij voor tijd en eeuwigheid nodig hebt, er is niets in leven, niets in sterven, er is niets in deze wereld, niets in de toekomende, er is niets tegenwoordig, niets op de opstandingsmorgen, niets in de hemel, dat niet in deze tekst opgesloten is: “Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. “
Zodat wij, als ons iets overkomt zoals in hoofdst. 10: 34 werd gemeld, vrijmoedig met de psalmist (Ps. 56: 5, 12 en 118: 6) durven zeggen: “De Heere is mij een helper en ik zal niet vrezen voor wat een mens mij zal doen.”
Van de christelijke broederliefde gaat de schrijver over tot twee relaties in het aardse leven, huwelijk en broodwinning, zoals ook elders in de Paulinische brieven de waarschuwingen tegen ontucht en hebzucht bij elkaar staan (Efeze. 5: 5 Kol. 3: 5). Het huwelijk wordt door God, die het instelde, ge?erd en deze eer moet worden staande gehouden. De door God gestelde verhouding van natuurlijke gemeenschap moet op generlei wijze, noch in leer noch metterdaad ter wille van de ongehuwde staat in minachting worden gebracht (naar 1 Tim. 4: 3 geschiedde dat in de dienst van een valse gnosis, te Jeruzalem en in Palestina was de christelijke gemeente door de Esse?rs van de tempel uit te sluiten (Slotw. op 1 Makk. Nr. 4 c.) nog verder gegaan dan zij reeds was en moest men een sekte die het huweljk minachtte, verhoeden). Waar christenen gehuwd zijn, daar moet het huwelijksbed onbevlekt zijn d. i. noch door echtbreuk, noch door wellust van de echtgenoten worden bezoedeld. Zij die het huwelijk niet in ere houden, terwijl zij buiten de grenzen van het huwelijk aan de begeerlijkheden van de wellust willen voldoen (de hoereerders) en zij die het huwelijksbed bezoedelen (de echtbrekers) zal God oordelen, de Heilige en tevens Alwetende, de Rechtvaardige en tevens Almachtige. De grondtekst legt de nadruk op het woord “God” aan het einde van de zin.
Wat hun beroep aangaat moeten zij zich vrij houden van geldzucht. Dat kan echter alleen hij die zich tevreden stelt met hetgeen hij heeft, terwijl hij die daarmee niet tevreden is, maar zich boven zijn stand wil verheffen, erop uit moet zijn om geld te krijgen. Hoe verkeerd, zo gaat de schrijver verder, zou dat zijn voor ons, die weten dat Hij, de Heere God, in tegenstelling tot mensen, op wie men niet kan vertrouwen, ons heeft toegezegd ons niet te zullen verlaten. Dit woord van de belofte moet ons echter moed geven om de psalmist zijn woord met vertrouwen na te spreken en die moed is nodig voor de lezers, want zij moeten ernaar streven dat hun niet weer zal overkomen wat hun reeds eenmaal om hun belijdenis is overkomen.
Gedenkt uw voorgangers, uw leraren in vroegere tijden, die het leraarsambt onder u bedienden1Ti 5: 18 en als zodanig het Woord van God tot u gesproken hebben en volgt hun geloof na, dat zij tot aan het einde hebben vastgehouden, al zou u zich ook ten bloede toe moeten verzetten en strijden tegen de zonde (hoofdst. 12: 4). Weest standvastig en houdt met ernst, opdat hun beeld in uw hart zal worden afgedrukt, uw blik gericht op het einde van hun wandel, dat heerlijk is geweest, ook al hebben zij om hun belijdenis van Christus de marteldood geleden.
Welke gedachtengang de schrijver ertoe leidt om hier te wijzen op het voorbeeld van de oude opzieners van de gemeente is niet moeilijk te raden. In hoofdst. 10: 34 wordt van de lezers gezegd dat zij het verlies van hun goederen met blijmoedigheid hebben gedragen, maar volgens hoofdst. 12: 4 heeft de vervolging van de zijde van de Joodse overheden voor hen nog niet tot de dood geleid. Evenals nu het goddelijk troostwoord in vs. 5 “Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten” hen sterk moet maken om zulk lijden, als zij weer daardoor moesten worden getroffen, getroost te dragen, zo moet het woord van de gelovige belijdenis in vs. 6 “de Heere is mij een helper en ik zal niet vrezen voor wat een mens mij zal doen” hen toerusten voor zulke tijden, wanneer ook iets van dit soort van lijden over hen zal komen. Dat woord moest hun werkelijk op het hart geschreven staan door het zien op het einde van het geloof van hun leraars en opzieners, onder wie wij zeker vooral aan de beide Jakobussen, Jakobus I (Hand. 12: 1v.) en Jakobus II (Aanh. II b. 3), vooral aan de laatste en behalve hem aan nog enige andere geloofshelden moeten denken, die volgens hoofdstuk 10: 34 als offer van de vervolgingswoede van de hogepriester Hannas vielen.
Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid! (Openb. 1: 17v.).
Deze zin, die als leus voor het christelijk leven is gesteld, en die door ontbreken van het werkwoord een karakter krijgt van een interjectio, slaat in de eerste plaats op het voorgaande vers. “Jezus Christus gisteren en heden dezelfde, ” is het verbindende middenlid tussen de opzieners die ontslapen zijn en de nog achtergebleven gemeenteleden. Dezelfde Christus, die hun kracht gegeven heeft om hun loopbaan van het geloof tot een roemrijk einde te brengen, zal ook later kracht geven in het streven om hen na te volgen, zodat het “gisteren” specifiek slaat op de tijd dat de ontslapen opzieners nog leefden en werkten en het “heden” op de tegenwoordige tijd, waarin de lezers van de brief leven, waarop dan nog toegevoegd is “dezelfde tot in eeuwigheid”, om te getuigen dat wat voor het vorige gisteren en heden waar is, ook voor elk volgend gisteren en heden zal gelden. En daar te allen tijde Christus voor alle christenen dezelfde is, is het van belang dat, zoals vs. 9 verder gaat, het hart in de erkentenis van dit ene verankerd is en zich noch rechts noch links van deze eeuwige Leidsman laat afleiden.
In welk opzicht de onveranderlijkheid van Jezus Christus hier bedoeld is, kan niet twijfelachtig zijn. In twee opzichten doelde vs. 7 op Hem. Hij was de centrale inhoud van het Woord van God, dat de nu volmaakten verkondigden, opdat het in geloof zou worden aangenomen. Hij was de aanvanger en voleindiger van dat geloof, dat zij tot het einde bewaarden. In beide opzichten is Hij nog heden dezelfde. Zowel in het opzicht dat het Woord Hem nog altijd voorstelt als Degene die moet worden geloofd, als in de betoning dat Zijn goddelijk leven gewijd is aan het zorgen voor de Zijnen. Hij is dezelfde als object van het geloof en als subject van de genade, waaruit dit geloof ontstaat en rijpt en uiteindelijk zichtbare vruchten draagt. Evenals Mozes in Ps. 90: 2vv. van de HEERE zegt dat Hij, de Heere God, er was voor de wereld was en dat Zijn goddelijk wezen uit het onbegrensde verleden in de onbegrensde toekomst reikt, dat Zijn almacht het ontstaan en vergaan hier beneden regelt en dat voor Zijn eeuwigheid een tijd van duizend jaren vol verandering een vluchtig ogenblik is, zo zegt onze schrijver van Jezus Christus dat Hij midden onder het gaan en komen van de geslachten van de gemeente op aarde steeds dezelfde blijft en noch in de relatie van de Zijnen tot Hem, noch in Zijn verhouding tot de Zijnen een verandering teweegbrengt. Wat een ernstige waarschuwing ligt erin om het ontvangen goddelijk woord van Christus, het ene, zuivere, dat niet met velerlei vreemde leerstellingen vermengd is en de genade van Christus, die alleen het hart vertroost, niet te verwisselen met onvruchtbare spijswetten en reinigingsmiddelen.
Met deze stelling wordt in de eerste plaats de zin aangegeven van de voorafgaande vermaning: “volgt het geloof van uw voorgangers na” en de mogelijkheid aangegeven om die te volgen. Het voorwerp van het geloof verandert niet, evenmin in het leven van het menselijk geslacht, zoals dit in de gemeente tot volkomen rijpheid groeit, als in het leven van het individu, al is het ook dat de vormen en openbaringen van dit geloof oneindig verschillend zijn. Dit voorwerp is Jezus Christus, zo genoemd om daarmee aan te duiden dat Hij alleen als zodanig, namelijk in Zijn historische verschijning als Jezus de Christus, niet in Zijn afgetrokken wezenheid, het voorwerp van het geloof is. Wel ligt in Zijn onveranderlijkheid als voorwerp van het geloof ook opgesloten dat hij in Zijn eigen wezen onveranderlijk is; was Hij dit niet, hoe zou Hij dan het onveranderlijke voorwerp van het geloof kunnen zijn? Maar toch is dit eerder een alleszins wettige gevolgtrekking uit de inhoud van deze uitspraak dan die inhoud zelf. Jezus Christus is dezelfde, gisteren, toen die voorgangers die in Hem geloofden en op Hem vertrouwden nog in leven waren; ja, niet alleen vanaf het ogenblik van Zijn historische verschijning, maar, daar hij als zodanig, als Jezus Christus, reeds vanaf de grondlegging van de wereld was vooruit gekend en in profetisch woord vooruit verkondigd en de ouden Hem in het geloof hadden vooruit gezocht en verwacht, zo strekt zich dit gisteren ook tot die voortijd uit, waarvan in hoofdst. 11 gesproken werd, zodat er, ja, wel in vorm en graad van ontwikkeling groot verschil bestaat tussen het geloof van de oud- en dat van de nieuwtestamentische heiligen, ja, ook bij beiden onderling, maar niet in het voorwerp, dat meer of minder onthuld, bij allen hetzelfde was. Jezus Christus dezelfde gisteren, is het ook heden. Dezelfde kracht openbaart zich heden in de gemeente. Nu Hij in de onzichtbare wereld is overgegaan, werkt Hij niet minder in het midden van de gemeente en openbaart in haar Zijn leven. In Hem hoeft de gemeente niet uitsluitend op het gisteren te zien; zij doet het alleen om uit de in het verleden geopenbaarde kracht, het geloof te putten in haar tegenwoordige werking. Zo wordt voor ons de Bijbel niet een wetboek, maar een Boek van het leven, de Spiegel waarin wij zien wie God is, hoe Hij werkt, wat Hij doet; ook in het heden door Jezus Christus. Dat is het profetisch karakter van de Heilige Schrift. En wat Jezus Christus gisteren was en heden is, dat is Hij ook tot in eeuwigheid. Bij Hem is evenmin verandering noch schaduw van omkeer als bij God; het onveranderlijke leven van God drukt zich in Zijn historisch leven, zoals het alle eeuwen omvat, uit. De onveranderlijkheid van die God, die de HEERE heet, is in de geschiedenis openbaar geworden, niet door een sluitreden van het verstand, niet door enig stelsel van de geleerden vernuftig uitgedacht en gehandhaafd, maar in de mens Jezus Christus. Jezus Christus is eeuwig net als God. Wat een troost voor hen die door het geloof met Hem verbonden zijn; wat een prikkel om te volharden in dat geloof, wat een aanmoediging tot de arbeid van het geloof, wat een drangreden om niet op te geven bij al de tegenstand van de vijanden! Maar als Hij dus het onveranderlijke voorwerp van het geloof is, moet Hij ook het onveranderlijke onderwerp, het enige middelpunt van de prediking zijn en blijven! Evangelieprediking moet niets anders zijn en blijven dan prediking van Jezus Christus, zoals Hij is, zoals Hij Zich als Jezus de Christus historisch heeft geopenbaard. Hierop doelt de volgende vermaning, in de vorm van een waarschuwing gegeven, vanwege het gevaar dat hier dreigde.
Wat een verheven uitspraak! Zij stemt overeen met hetgeen de schrijver vooral in het eerste hoofdstuk van zijn brief over de Heer had verklaard en staat in een nauw verband met zijn voorafgaande vermaning: “Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord van God verkondigd hebben en volgt hun geloof na, de blik gericht op de uitkomst van hun wandel. ” Die vermaning had voor de Hebreeuwse christenen een zeer bedroevende zijde, omdat zij hun deed denken aan het gemis van die leraren, met wie zij door de zuiverste banden innig waren verbonden geweest en van wie het onderwijs, de opwekkingen en het voorbeeld hun nog zo nuttig hadden kunnen zijn. Daarom voegt de schrijver er een woord van vertroosting bij. Hun voorgangers mochten zijn weggenomen, Jezus Christus, het Hoofd van de gemeente, bleef dezelfde, tot in eeuwigheid dezelfde, dezelfde in leven en werking, in liefde en macht en wijsheid en trouw. Wie hun ook waren ontvallen, Hij bleef met hen en zou voor hen zorgen. Zoals Hij met hun ontslapen voorgangers was geweest, van wie zij het heerlijke einde van hun wandel aanschouwd hadden, zoals Hij hun kracht had geschonken om door het geloof in de hoop op het betere leven blijmoedig de dood te ondergaan, zo zou Hij ook hen, indien zij hun geloof navolgden, Zijn nabijheid doen ervaren, hen ondersteunen, helpen en een even zalig einde geven.
a) Laat u niet meeslepen door allerlei vreemde leringen, zodat gij van het Woord van God, dat uw leraars u in het evangelie van Jezus Christus verkondigen (vs. 7 en 17), zoudt terugkeren tot Joodse inzettingen en geboden van mensen. Wacht u daarvoor: wanthet is goed Ps 92: 1 dat het hart gesterktwordt in het bewustzijn van het goddelijk welbehagen en in het bezit van de eeuwige zaligheid. Dat geschiedt door genade, als men zich daarin laat bevestigen (Kol. 2: 7), b) niet door spijzen, als men ten opzichte daarvan die inzettingen (Mark. 7: 5vv.) streng in acht neemt (Rom. 14: 17); zij die daarin gewandeld hebben, hebben er toch ook geen baat bij gevonden, zoals de Levitische uiterlijke dienst in het algemeen machteloos bleek te zijn om tot volmaaktheid naar het geweten te leiden (hoofdst. 7: 18v. ; 9: 9v.).
Jer. 29: 8 Matth. 24: 4 Rom. 16: 17 Efeze. 4: 14; 5: 16 2 Thess. 2: 2; 2 Tim. 4: 3; 1 Joh. 4: 1 Col 2. 16 b) Joh. 6: 27
Wat Jezus is, dat moet Hij net als gisteren zo ook heden voor de lezers zijn, niet nu een ander dan Hij was toen zij in Hem gingen geloven. Ook is de leer, waaraan zij zich moeten houden, dezelfde waardoor zij tot Hem bekeerd zijn. Daarom zegt de schrijver verder dat zij zich niet door een bont mengsel van leringen, in tegenstelling tot die ene, die Hem tot inhoud heeft, niet door vreemde leringen die niets met deze gemeen hebben en van elders komen, van hun standplaats laten afdwingen en op een verkeerde weg voeren.
Bij deze waarschuwing heeft hij Joodse inzettingen op het oog, die zich vastknopen aan de wetten van het Oude Testament omtrent reine en onreine spijzen (Lev. 11), maar die nog ver overtroffen en hij zegt nu dat niet de wetenschap alleen spijzen te hebben genoten die voor bijzonder rein en heilig werden gehouden (en andere te hebben vermeden, Hand. 10: 14), maar alleen de genade van God in Jezus Christus aan de harten de ware rust, zekerheid en vastheid konden geven.
Het bonte en vreemde bekoort ons vaak. Daarom gebruikt de schrijver nu ook van hetgeen tot versterking van het hart dient, zo’n aantrekkelijke uitdrukking: “het is goed” of “het is een kostelijke zaak. ” Ieder kan bij zichzelf nagaan of hij meer baat heeft bij iets wat minder is maar zekerder en het hart versterkt, of bij veel, maar dat onzeker is en het hart met ijdelheid vervult.
Wij, de gelovigen van het Nieuwe Testament, hebben in het kruis van Christus een altaar, waarop het ware, eeuwig geldende offer is gebracht (hoofdst. 7: 27; 9: 26vv. ; 10: 10 en waarvan zij die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten. Aan de zegeningen daarvan kunnen zij geen deel krijgen (Joh. 6: 51vv.), die bij het heiligdom van het Oude Testament hun dienst waarnamen (hoofdst. 9: 9; 10: 2), zij die nog tot het Jodendom behoren, zelfs niet diegenen onder hen die het dichtst bij het heiligdom zijn, namelijk de priesters (hoofdst. 8: 5).
Tot hiertoe is in de hele brief aangewezen dat de Levitische cultus en de door deze verkregen Levitische reinheid kon worden gemist, dat het geen ongeluk was deze te misen; en zo wordt nog in vs. 9 aangewezen dat de aandacht van de christen erop moest zijn gevestigd dat hij in genade vast mocht worden, niet wat inzettingen van spijzen aangaat, die toch nergens nuttig voor waren. Nu plaatst de schrijver zich hoger; hij gaat als het ware van het defensieve tot het offensieve over. Hij zegt: niet wij zijn er slecht aan toe, maar de Joden; niet wij, maar zij zijn de ge?xcommuniceerden. Wij eten van de ware offerspijze, waar het op aankomt en van dit Messiaans, dit ware offermaal zijn zij, de Joden, uitgesloten. De eenvoudige en duidelijke gedachte van vs. 10 is: wij hebben een altaar, waarvan zij niet mogen eten, die nog in de tabernakel, het oudtestamentische heiligdom hun godsdienst verrichten. Het is duidelijk dat de schrijver aan het heilig avondmaal denkt, het maal van de levensgemeenschap en vereniging met de voor ons gestorven en nu verhoogde Heiland.
Wat is de spijze van ons altaar, die door niemand die in de tabernakel dient, mag worden gegeten? De spijze van ons altaar zal al datgene zijn dat, om zo te zeggen, van het offer van Christus ons ten goede komt: de vergeving van de zonden, de zekerheid van de genadestaat, het recht om in te gaan in de zaligheid van God.
De katholieke idee van het misoffer, of men dit nu als herhaling of als voortzetting van het offer van Christus beschouwt, rust op miskenning van het onderscheid dat tussen het offer en het offermaal bestaat; een offermaal is zeker het heilig avondmaal, maar door het offermaal wordt het daaraan voorafgegane offer noch herhaald noch gesymboliseerd; het is de feitelijke toe?igening van de vrucht van het aangebrachte offer.
Integendeel geeft de oudtestamentische cultus zelf reeds te kennen dat het nieuwtestamentische offer zou geschieden met ontbinding van het oudtestamentische heiligdom, van de tabernakel. a) Want van de dieren, waarvan het bloed op de Grote Verzoendag als zondoffer door de hogepriester gebracht werd in het heiligdom, het allerheilige (hoofdst. 9: 12, 24v. ; 10: 19
lichaam, namelijk dat van de stieren en de bok voor het zondoffer, die geslacht waren op het brandofferaltaar om het bloed te verkrijgen (Lev. 16: 11, 15v.), verbrand buiten de legerplaats volgens de bepaling in Lev. 16: 27.
Ex. 29: 14 Lev. 4: 21; 6: 30
Daarom heeft ook Jezus, om het nieuwtestamentische offer (hoofdst. 9: 26) niet slechts gedeeltelijk maar geheel van het oudtestamentische heiligdom los te maken, opdat Hij door Zijn eigen bloed in het hemelse heilige (hoofdst. 9: 12) te brengen, het volk door Zijn hogepriesterlijke dienst (hoofdst. 2: 11, 17; 10: 10, 14) zou heiligen, buiten de poort geleden van de stad Jeruzalem, die wordt beschouwd als Isra?ls legerplaats in deze tijd (Matth. 27: 31vv. Joh. 19: 17 zelf tevoren in de gelijkenis van de boze wijngaardeniers had voorzegd (Mark. 12: 8).
Het was de eigenschap van het zondoffer, dat tot uitdelging van de zondeschuld moest dienen, dat het vlees zelf van het offerdier, nadat het bloed op het altaar gebracht was, buiten het leger verbrand werd. Zelfs waar dit niet geschiedde, namelijk bij de zondoffers van de individuele mens, die niet tot de priesters behoorde, kwam toch dit vlees niet op het altaar, maar het kwam de priester toe. Daar de Isra?liet als zodanig niet voor het aangezicht van de Heere verscheen, maar wel voor het aangezicht van de priester, werd zijn zonde ook geacht tegen de gezalfde van de Heere te zijn en alleen indirect tegen de Heer en daarom werd de schuld betaald aan de priester. Die schuld kwam als het ware niet voor de Heer. Anders was het gelegen met de zonde van de priesters en die van het hele volk als een geheel. Dan bleef de vloek van de zonde rusten op het offerdier; het werd geslacht en als dood aas buiten het leger verbrand. Welnu, zo heeft ook Jezus buiten de poort geleden. Jeruzalem was de heilige stad, die in het Joodse land vertegenwoordigde wat de heilige legerplaats was in de woestijn. Het onreine moest buiten Jeruzalems poorten worden weggedaan en de misdadiger buiten Jeruzalems poorten zijn vonnis ondergaan. Zo is het geweest met Jezus. Als de onreine, de onheilige, de vloek van het volk, werd Hij uit de heilige legerplaats van Isra?l gestoten en aan het vloekhout genageld. Als een zondoffer werd Hij geslacht, niet op het altaar, maar aan het kruis.
Zo laten wij dan, als wij leden van het nieuwtestamentische verbond willen zijn en blijven, tot Hem uitgaan buiten Jeruzalem, buiten de legerplaats van Isra?l, naar Golgotha, waar het altaar van de christenen staat en Zijn smaad dragen, gewillig lijden als men ook ons, evenals vroeger, buiten de wijngaard werpt.
Het is een verlaten van de oude wereld en haar levensbeschouwing en wettelijke godsdienst, ten einde buiten en boven die wereld Hem te zoeken die door die wereld gekruisigd is. Dit heeft nu wel voor de Hebreeuwse christenen een toepassing, die op diezelfde, namelijk letterlijke wijze niet meer kan plaats vinden in de christelijke kerk. Daar toch ging het om het verlaten van een bestaande kerkelijke instelling, ten einde zich bij het nieuwe verbond aan te sluiten en dit verlaten ging veelal gepaard met een opofferen van maatschappelijke positie, van vaderland en familie, van goed en bloed. In de christelijke kerk worden geen kleinere offers gevraagd, maar zij zijn minder in het oog vallend. In het midden van een werelds geworden en wereldse eer genietende kerk, van een maatschappij die de vormen van het christendom eerbiedigt, moet het hart toch worden gespeend van de schijn die het wezen van de wereld uitmaakt en moet een smaadheid van de wereld gedragen worden, die, omdat zij zich niet in openlijke vervolgingen openbaart, daarom in haar fijnere vormen niet minder kwetsend en voor de natuurlijke mens ondraaglijk is. De legerplaats, waaruit wij moeten weggaan, is de wereld, zoals zij bestaat in maatschappelijke instellingen zonder hoger beginsel, zedelijke voorschriften uit zelfzucht voortgekomen, godsdienst die bestaat in ijdele praktijken. Wie Jezus Christus volgen, wandelen in een aan de menigte tegenovergestelde richting, zij hebben andere beginselen, andere bedoelingen, andere drijfveren dan de dienaren van de wereld en worden daarom veelvuldig gesmaad door de wereld. Doch deze smaad is de smaad van Christus, die zij vrijwillig moeten dragen, door zich niet alleen het kruis te laten opleggen, maar het ook zelf op te nemen en te dragen achter Hem aan. Wat hen tot het kiezen van een zo moeilijke levensweg in staat stelt, is de overtuiging dat dit de rechte weg is, die tot het doel leidt, dat wij hier beneden geen blijvende stad hebben, dat onze blijvende stad een toekomstige is.
a) Want wij hebben hier, als gasten en vreemdelingen op aarde, geen blijvende stad, dat wij ons geluk en onze zaligheid in het aardse Jeruzalem zoudenvinden, maar wij zoeken het toekomstige, het hemelse Jeruzalem (hoofdst. 12: 22), met de ouden die door het geloof een getuigenis hebben ontvangen (hoofdst. 11: 2, 10, 13vv.).
Filipp. 3: 20
In vs. 11v. wordt aangetoond hoe juist de door de Joden verstoten Jezus, ondanks die verwerping, ja juist omdat Hij verstoten werd, het ware offer was en in vs. 13v. dat als gevolg daarvan juist de door de Joden verstoten menigte van hen die in Hem geloofden, ondanks, ja, omdat zij verstoten werd, het ware Isra?l was.
De schrijver denkt bij hetgeen hij in vs. 11v. zegt zonder twijfel vooral aan de zoenoffers van de grote verzoendag, die op de hele schuld van de gemeente en niet alleen op die van de hogepriester, maar tevens van zijn familie en van de hele priesterschap betrekking hadden. Overeenkomstig de bepaling van de wet dat de lichamen van de zoenoffers van die grote dag buiten de legerplaats van Isra?l in de woestijn, waarmee nu de omgeving van Jeruzalem overeenkomt, moesten verbrand worden (een regeling die, zoals in het “daarom” aan het begin van het 12e vers wordt aangewezen, als voorspellende wil van God niet zonder vervulling kon blijven), heeft Jezus, het tegenbeeld van dat zoenoffer voor de hele gemeente, buiten de poort en dus buiten de muren van de stad geleden. Het feit op Golgotha verenigt de tegenbeelden van alle drie de handelingen, het slachten in het voorhof, het offeren op het altaar en het verbranden buiten het kamp in zich, terwijl het plengen van het bloed, dat de hogepriester verrichtte die in het heilige der heilige binnenging, overeenkomt met het ingaan in de hemel van de tot God verhoogde (hoofdst. 9: 21).
Zoals het idee dat het verbondsvolk van het Oude Testament als zodanig geen gemeenschap had met de gekruisigde Christus, in de rite van het zoenoffer zijn voorafbeeldende uitdrukking gevonden had (vs. 11), zo moest dat ook bij het aanbieden van het ware zoenoffer haar duidelijke, in het ooglopende uitdrukking vinden (vs. 12). Wie dan van het nieuwtestamentische zoenoffer wil eten, moet besluiten zich niet alleen van de oudtestamentische bepalingen van de wet omtrent het eten en niet eten los te maken, maar ook in het algemeen de hele oudtestamentische regeling en de gemeenschap van het oudtestamentische verbondsvolk te verlaten. Wie het nu weet te waarderen wat een groot voorrecht het is en wat een heil hem is geschonken in het feit dat hij met de gekruisigde gemeenschap heeft en de goederen geniet die God ons in de gekruisigde biedt, die zal ook niet weigeren van de smaad die Christus treft, het hem bescheiden deel gewillig te dragen (vs. 13) en als christenen hier op aarde geen blijvende stad hebben, dan hebben zij die ook niet in het aardse Jeruzalem; hun vaderland is integendeel het nieuwtestamentische hemelse godsrijk van de volmaking en deze stad zoeken zij (vs. 14). Zo roept de schrijver zijn lezers op om hun hele verhouding tot de gemeenschap van de in ongeloof volhardende Joden af te breken, zich van de christen-vijandige synagoge geheel los te maken en voor altijd alle deelname aan de tempeldienst te verlaten.
Doch wat is dit woord anders dan de korte beschrijving van de eigenaardige levenstoestand, waarin de mens en ook de christen zich levenslang hier op aarde bevindt? Ons leven hier is komen en vertrekken en elke verandering in onze uiterlijke toestand, hetzij ten goede of ten kwade, getuigt dat hier beneden alleen de veranderlijkheid onveranderlijk mag heten. Ook de liefste plek is slechts een pleisterplaats op de vreemdelingsreis en zelfs in ons aardse thuis komen wij innerlijk zo weinig echt tot rust dat het ons telkens is alsof wij de oude godsstem weer horen: “Maak u op en ga heen, want dit land zal voor u de rust niet zijn” (Micha 2: 10). Niet zonder reden zou die overtuiging ons drukken en kwellen, als wij niet wisten door het geloof dat boven het land van de onrust zich een stad van rust verheft, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Haar te zoeken, ziedaar de grote levensbestemming waartoe de mens is geroepen, waarop de christen boven alles bedacht moet zijn en die hij nooit anders uit het oog verliest dan tot zijn eeuwige schade. Hij zoekt de toekomstige stad, niet alsof het onzeker was of die niet ergens te vinden was; nog minder alsof zij zo afgelegen en verwijderd was dat zij pas op verre afstand te vinden is; maar hij tracht haar te naderen, zoals zij hem reeds lang verwacht; hij probeert haar binnen te gaan langs de weg van strijden en lijden, waarop zijn Heer hem voorgegaan is; hij tracht haar burgerschap, dat hij voor niets heeft gekregen, te openbaren in een hemelsgezinde, voor God geheiligde wandel. Zoals een voortreffelijk schrijver uit de tweede eeuw de christenen van zijn dagen beschrijft: “Zij bewonen hun eigen vaderland, maar als buitenlanders. Zij dragen alles mede als burgers en verdragen alles als vreemdelingen. Elk vreemd land is voor hen vaderland en elk vaderland is hun vreemd. Zij zijn in het vlees, maar wandelen niet naar het vlees; zij leven op aarde, maar zijn burgers van de hemel. Zij worden gedood, maar met de dood begint voor hen het ware leven pas. Zij zijn arm, maar maken velen rijk; zij lijden gebrek, maar hebben weelde in alles; onteerd worden zij in de ontering verheerlijkt. In één woord, hetgeen de ziel is in het lichaam, dat zijn de christenen in de wereld. De ziel woont wel in, maar is niet afkomstig van het lichaam; ook zij wonen in, maar zijn niet van de wereld. De onsterfelijke ziel woont in een sterfelijke tent; ook de christenen wonen in het verderfelijke, terwijl zij het onverderfelijke in de hemel verwachten. ” Christenen uit de negentiende eeuw, moet gij voor zulke christenen uit de tweede eeuw de ogen ook neer slaan?
Laten wij dan, in plaats van verder ons in te laten met de offergaven van de Joodse godsdienst, door Hem die onze Hogepriester is (hoofdst. 10: 24) altijd aan God een lofoffer brengen (Lev. 7: 12), dat is de vrucht van de lippen (zoals in de Griekse vertaling van Hos. 14: 3 wordt gezegd in plaats van “stieren van de lippen, die Zijn naam belijden (Ps. 116: 17; 50: 14, 23).
En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid aan onze hulpbehoevende broeders niet; want aan zulke offers, waarin het lofoffer van de lippen zijn bevestiging vindt, heeft God een welbehagen (Hos. 6: 6 Matth. 9: 13; 11: 7).
Sedert de Knecht van God buiten de stad op Golgotha geleden en in de vlam van het vuur gewandeld heeft, zoals Jesaja 50: 11 daarvan spreekt, heeft God Zijn wil en Zijn welbehagen van de offerdienst teruggetrokken. Er zijn weliswaar nog Gode welgevallige offers, maar dat zijn alleen die, die wij op grond van het ene alles verzoenende offer dat wij aan Hem, de Vader van Jezus Christus, danken, in loven en belijden, in weldoen en liefde brengen.
De Joodse offers zijn niet meer nodig. Hun tijd is voorbij. Zij waren voordat Christus kwam een profetie van Hem. Nu Hij gekomen is, zouden zij een verloochening van Christus zijn, een verklaring dat Hij niet degene is die komen zou, maar dat wij een ander zouden moeten verwachten. Hoewel wij nu echter als christenen op geen enkele wijze met de Joden of als de Joden mogen offeren, moeten wij toch offers brengen aan God. Wij moeten er echter op letten dat wij door Hem, door Christus aan God offeren, zonder Hem kan niets voor God welbehagelijk zijn. Maar wat voor offers moeten wij dan brengen? Ten eerste moeten wij God offers brengen door Zijn naam te belijden, graag te bidden, te leven en te danken. Ten tweede moeten wij God offers brengen door goed te doen aan onze naasten, liefde te betonen en weldaden uit te delen. Zulke offeranden maar dan ook alleen zulke, behagen God, andere echter niet.
Van deze ware dienst aan de levende God is de oudtestamentische godsdienst zo verschillend, dat men de laatste eigenlijk niet een werkelijk dienen van God, maar slechts een dienen van de tabernakel (vs. 10) kan noemen.
a) Weest uw voorgangers, die nu de gemeente besturen (vs. 7; 1 Thess. 5: 12v. Heb 13. 7 1Th), gehoorzaam en weest hun onderdanig, spreekt hen niet tegen als hun vermanen en leren met de meningen van uw eigen wilin strijd komt; want zij waken over uw zielen, in hetgeen zij u zeggen en gebieden, als zij die de Heere, wanneer Hij zal verschijnen (1 Petr. 5: 4), rekenschap zullen geven. Daarom moeten zij u leren en vermanen en bestraffen, opdat niemand door hun schuld verloren zou gaan (Ezech. 3: 17vv. ; 33: 2vv.). Weest hun dan onderdanig en volgt hun woord op, opdat zij dat wat God hun beveelt in hun ambt als wachter, doen mogen met vreugde en niet al zuchtend. En zwaar zou dat ambt hun zeker vallen, als u tegen hen opstond; pas daarvoor op, want dat is voor u niet nuttig; integendeel, het zou u zeer schaden, daar het ertoe zou kunnen leiden dat gij van Christus gescheiden de eeuwige zaligheid zoudt moeten missen (hoofdst. 10: 26vv. ; 12: 25vv.
Filipp. 2: 29; 1 Tim. 5: 17
Men ziet uit deze vermaning dat de opzieners van de gemeente vaststonden; misschien hadden zij zich bij de schrijver van de brief (die waarschijnlijk gedurende de tijd van de gevangenschap van Paulus te Cesarea (Hand. 24: 23, 26v.) in nauwer contact (Luk. 1: 3) met hen had gestaan) beklaagd over de afval die in de gemeente begon te komen. De enige mogelijke verklaring daarvoor is dat de gezonden in het geloof onder de Hebreeuwse christenen zich steeds meer tot Paulus en tot diens medearbeiders aangetrokken voelden, terwijl het gevaarlijke van de denk- en leefwijze van de meesten, die verdeeld waren tussen Joden- en christendom, aan het licht kwam. Als nu de schrijver de lezers gehoorzaamheid en volgzaamheid en goedwilligheid jegens de opzieners (door hun bemiddeling bracht hij ook de brief tot de gemeente) op het hart drukt, hoeft men daarom nog niet aan te nemen dat hun standpunt op alle punten het Paulinische was; maar wel moet het hun ten opzichte van het christendom zuivere, besliste, volle ernst zijn geweest (en bij hen, daarop mocht de schrijver rekenen, viel het zaad van zijn onderricht en van zijn toespraak in een vruchtbare grond). Als hij nu zijn vermaning aan de leden van de gemeente versterkt met het “want zij waken over uw zielen, als zij die rekenschap zullen geven”, dan drukt hij ook de opzieners van de gemeente, hoewel indirect en op de tederste wijze, de grote verantwoordelijkheid, die op hen ligt, op het hart.
Wat zal men zeggen van het lijden en zuchten van rechtschapen herders? Zij zuchten, zoals iemand gezegd heeft, het meest van alle schepselen. Reeds toen moest de apostel op iets dergelijks wijzen en hij spreekt sterk genoeg, al is het dat hij zich nog op zachte en vriendelijke wijze uitdrukt: opdat zij het doen mogen met vreugde en niet al zuchtend. O, hoe groot is de vreugde van de dienaar van Christus aan de zielen, als hij ze met zoveel zegen zijn Heer kan brengen, zijn schapen in de gehoorzaamheid van het geloof aan de grote Herder kan overgeven, die ze zal weiden en zich verkwikken kan voor de Heere door de vrucht van Zijn woord en dienst! Maar ook wat een zuchten over de weerspannigen! Hoe meer dit zuchten van de wachter, wiens woord door de mensen wordt afgewezen, zich tot de Heere wendt als voorbede en smeking om meer genade, des te krachtiger verandert het eens in louter aanklacht over de ongehoorzamen. Daar zal de Herder Zich tonen in het gericht en dit zal met verdubbelde kracht op de zielen neerkomen, die Hij niet voor zich kon winnen; dan zal ook gelden: Gij hebt uw ziel bevrijd (Ezech. 33: 3), maar zij die aan de stem van de waarschuwing, van de smeking en voorbede weerstand boden, zullen een oordeel ontvangen, dat de apostel hier slechts in de verte aanduidt met het zachte, nog weemoedig zuchtende woord: “want dat is voor u niet nuttig. ” Ja werkelijk, reeds die geringe minachting van het heilig ambt brengt schuld en verwaarlozing over de zielen, verzwaart en verhindert de rechte toegang tot het doel: hoe zal het tenslotte met hen gesteld zijn, over wie al het zuchten van hun voorgangers zich tot een eindgericht heeft opgehoopt?
Wat een gevaar is dat! Wat zal men zeggen van die rampzalige mensen die zichzelf in zo’n afgrond van straffen neerstorten? Van allen die gij leidt, mannen, vrouwen en kinderen, zult gij rekenschap geven. In zo’n vuur steekt gij uw hoofd. Ik verwonder mij hoe het mogelijk is dat een geestelijke zalig wordt bij zo’n vreselijke bedreiging en de heersende slapheid, wanneer men toch sommigen naar voren ziet komen en zich ziet opdringen tot de last van de leiding. De vrees voor deze bedreiging (van rekenschap te moeten geven voor de zielen) beroert voortdurend mijn ziel. Want was het voor hem die één van deze geringsten ergert, beter dat een molensteen aan zijn hals gehangen en hij in de zee verdronken werd en zondigen allen die het geweten van hun broeders kwetsen, tegen Christus zelf, hoe zal het dan hun vergaan die niet slechts één of twee maar hele menigten in het verderf storten en welke straffen zullen zij ondergaan?
Bedilzucht, geestelijke doofheid en eigen wijsheid moet men niet willen bedekken met de vrijheid alles zelf te mogen onderzoeken, noch mag men zich onder dat voorwendsel aan de verschuldigde gehoorzaamheid onttrekken. Zoveel als iemand er belang in stelt dat hij geen schade lijdt aan zijn ziel, zoveel ware achting is er in het algemeen voor het predikambt in hem en omgekeerd.
Bidt voor ons die hier in het verre heidenland het evangelie prediken (1 Thess. 5: 25; 2 Thess. 3: 1). Want ook al wordt onze arbeid door sommigen gelasterd, alsof wij verkeerde wegen bewandelen, wij vertrouwen erop dat wij een goed geweten hebben, wat ons streven en begeren betreft, daar wij in alles, in heel ons leven, dat echter niet naar het toonbeeld van Joodse inzettingen is ingericht, eerlijk willen wandelen en wij ons in ieder opzicht beijveren om toch geen aanstoot of erfenis te geven.
En ik vraag u des te meer, des te ernstiger, dat gij dit doet, dat gij voor ons bidt, opdat ik des te eerder aan u teruggegeven mag worden (Filem. 1: 22), nadat ik deze laatste jaren niet bij u geweest ben (Hand. 27: 1vv.).
Uit de woorden “wij vertrouwen erop dat wij een goed geweten hebben (d. i. dat ons gedrag met Gods Woord en wil overeenstemt en onze relatie met Hem door geen verkeerdheid afgebroken is) ziet men dat leer of leven van de schrijver, of beide tegelijk onder de Hebreeen gewantrouwd werd en verdacht gemaakt was. Het is de oude, altijd nog ongebroken tegenstand en de oude boze laster, waarmee de Paulinische prediking en haar verkondigers in de joods-christelijke gemeenten hadden te strijden. De apostel voorkomt de verlamming of verhindering van hun voorbede, die daaruit zou kunnen ontstaan, terwijl hij de zijnen oproept tot die voorbede; en hij vooral heeft die voorbede nodig, waarvan de verhoring niet alleen hem ten goede komt, maar ook de biddenden zelf.
Uit het “teruggegeven worden” ziet men dat de schrijver voor de lezers geen vreemde is, maar vroeger bij hen vertoefd heeft. Hij heeft het verlangen en het voornemen om weer tot hen te komen, maar zo, dat zijn komst door omstandigheden vertraagd of bespoedigd kan worden.
De apostel laat in vs. 19 voelen hoezeer zijn komst voor de lezers nodig is, al voelen zij dat ook nu nog niet duidelijk. Nu kan de vervulling van de belofte in hoofdst. 6: 3 hier minder in aanmerking komen. Daarentegen heeft de schrijver, nadat hij in vs. 13v. reeds zeer duidelijk op de noodzaak om spoedig Jeruzalem ook in lichamelijke zin te verlaten, gewezen heeft, in vs. 20v. dit wegtrekken uit de aan het verderf gewijde stad zeer bepaald voor ogen, zoals zijn verwijzen naar Jes. 63: 11 en misschien ook naar Zach. 9: 11 duidelijk is op te merken en hij is zich er zonder twijfel van bewust dat hij ertoe geroepen is dat wegtrekken te regelen en te leiden, als tijd en uur daartoe zijn gekomen. Daarvoor was dan ook Lukas, die wij als de schrijver beschouwen, door zijn heldere blik en zijn profetische gave vooral geschikt. Daarentegen meent P. Lange dat de apostel Simon van Kana (Matth. 10: 4) aan de gemeente die dienst zou hebben bewezen en op grond van die veronderstelling merkt hij dan op: “het was een wonder van de goddelijke genade dat Simon, de vroegere Zeloot, bestemd was om de christelijke kerk voor de verderfelijke razernij van het zelotisme te Jeruzalem naar Pella te doen vluchten. ” Wel vernuftig gevonden, maar onhistorisch!
De God nu van de vrede 1) (1 Thess. 5: 3 Rom. 15: 33; 16: 20, die a) de grote Herder van de schapen 2) door het bloed van het eeuwige testament, dat Hij aan het kruis vergoten en waardoor Hij de schapen Zich tot Zijn eigendom verworven heeft (Hand. 20: 28 Joh. 10: 12v.), uit de doden heeft teruggebracht, de grote Herder van de schapen, het verheven tegenbeeld van Mozes (Jes. 63: 11), namelijk onze Heere Jezus Christus;
Jes. 40: 11 Ezech. 34: 23; 1 Petr. 5: 4
De God van de vrede, d. i. die de vrede heeft in Zichzelf, in wien geen strijd is, noch tweespalt, noch ontbinding, zonde noch dood, die het tegenbeeld zijn van de vrede, maar ook die de vrede baart en geeft aan hen die geen vrede hebben, aan de wereld die in zonde en dood verzonken ligt, de God die vrede heeft en geeft. Als zodanig is Hij niet geworden, maar geopenbaard in de Zoon, die, na de reiniging van de zonden teweeggebracht te hebben, gezeten is aan Zijn rechterhand in de hoogste hemelen.
Ook deze titel in het Oude Verbond zo vaak, sinds David van de herdersstaf tot de troon van Isra?l geroepen was, voor Isra?l?s leiders gebruikt, de ontrouwe vorsten als een bestraffende waarschuwing voorgehouden, de trouwe vorsten als een voorbeeld en het volk als een belofte voorgesteld, ook deze titel mocht in onze brief, die al de hoofddenkbeelden van het Oude Verbond opneemt en als in Christus vervuld aanwijst, niet ontbreken. Isra?l was de kudde van de Heere door de Heere, als de Herder van Isra?l (Ps. 80) geleid, geleid in de woestijn (Ps. 78: 52) en gevoerd, althans hen die naar Zijn stem hoorden, in grazige weiden (Ps. 23). Maar die leiding van de Heere kon het volk niet dragen. Wel ging de engel van de Heere, in wie Zijn naam is, hen voor (Exod. 23: 20), doch slechts weinigen zagen Hem en hoorden Zijn stem. Mozes zou het volk leiden, waarvan God de Heere gezegd had: zie, Mijn engel zal voor uw aangezicht uitgaan (Exod. 32: 34); maar zelfs Mozes, die trouw is geweest in heel zijn huis en na wie niemand is opgestaan waarvan de Heere gezegd heeft dat Hij met hem sprak van aangezicht tot aangezicht, zelfs Mozes was een dienaar en niet de Heer des huizes; hij was niet de ware Herder van Isra?l en ook zijn stem hebben de schapen niet gehoord. Van Mozes kon de profeet (Jes. 63: 11, 12), toen hij sprak van de weerspannigheid van het volk, zeggen dat het volk in ballingschap later met weemoed terugdacht aan het ontoereikende en afgebrokene van de verlossing, door hem aangebracht en klagend uitriep: “waar is nu die God die hen uit de zee omhooggebracht heeft, met de herder van Zijn kudde? Waar is Hij die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde? Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; die de wateren voor hun aangezicht scheidde, opdat Hij Zich een eeuwige naam maakte. ” Deze woorden staan onze schrijver voor de geest, als hij van God zegt dat Hij de ware Herder, niet Mozes, maar Jezus heeft doen opstaan, niet uit de zee, maar uit de dood. Een tijdelijke verlossing, een verlossing binnen de grenzen van de tegenwoordige wereld was niet toereikend. Niet alleen de aarde, maar hemel en aarde moeten bewogen worden om het onbeweeglijk koninkrijk te doen komen (11: 26-28). Jezus is teruggebracht uit de doden: Hij heeft een verbond gesticht, niet door het woord van wet en belofte, maar door het bloed van de vervulling, naar Zacharia?s voorspelling: (Zach. 9: 8-11) “verheug u zeer, gij dochter van Zion! Juich gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig en Hij is een Heiland, arm en rijdend op een ezel en op een veulen, een jong van een ezelin. En Ik zal de wagens uit Efra?m uitroeien en de paarden uit Jeruzalem, ook zal de strijdboog uitgeroeid worden en Hij zal voor de heidenen vrede spreken en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee en van de rivier tot aan het einde van de aarde. Dat gaat ook u aan, o Zion! Door het bloed van uw verbond heb Ik uw gebondenen uit de kuil, waar geen water in is, getrokken. ” Daarom is de Middelaar van het Nieuwe Verbond de ware Koning, de grote Herder van de schapen, omdat Hij tevens Hogepriester is, die het niet alleen als Profeet verkondigt, maar het door Zijn eigen bloed sticht. Nu is Hij de blijvende, de eeuwige Koning, die Zijn volk leidt als een kudde in grazige weiden en langs stille wateren en op wie dat volk moet zien, wie het moet beschouwen als de Apostel en Voleinder van het geloof en in gehoorzaamheid van het geloof moet volgen. Door Zijn opstanding uit de doden is Hij als Messias gekroond, als de ware Koning van Isra?l; maar de onderdanen van dat rijk, de schapen van deze kudde, zijn niet alleen van deze stal (Joh. 10: 16), ook anderen moet Hij toevoegen, opdat zij Hem volgen en uit- en ingaan en weide vinden; en zij zullen Zijn stem horen en het zal één kudde met één Herder worden. Daartoe nu moest Hij niet alleen uit de doden opstaan, maar opvaren naar de hemel om vanuit de hemel tot allen te spreken (12: 25).
a) Hij volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil zult doen (1 Petr. 5: 10 1Pe Kol. 1: 9vv.). Hij zij met u, werkend in u hetgeen voor Hem welbehaaglijk is (Fil. 2: 13 Efeze. 5: 10) door Jezus Christus, die, zoals Hijzelf de Opgestane uit de doden is, zo ook zeker eens u uit de plaats van het verderf kan uitleiden Ex 2: 10. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid (Gal. 1: 5; 2 Tim. 4: 18; 2 Petrus 3: 18). Amen.
2 Kor. 3: 5 Filip. 2: 13
Eerst werd gezegd “bidt voor ons” en nu bidt hij ook voor hen en dan hebben de namen die hij aan God en Christus geeft betrekking op hetgeen hij voor hen op het hart heeft. Zo in de eerste plaats de naam “God van de vrede.”
Daar in vs. 18 te kennen werd gegeven dat zij die het schrijven ontvingen met vooroordelen tegen de persoon van de schrijver vervuld waren, ligt in de naam van God als van Hem die vrede werkt, de hoop uitgesproken dat Hij al deze vooroordelen uit de weg zal ruimen en een volkomen overeenstemming zal teweegbrengen tussen de lezers en de schrijver.
Met de naam van Christus “grote Herder van de schapen” herinnert de schrijver aan Jes. 63: 11 Aan hetgeen de Heere aan Mozes heeft gedaan, toen Hij hem wonderbaar door de zee heenleidde, ontleent hij de uitdrukking voor hetgeen God aan Jezus heeft gedaan, toen Hij Hem uit de dood teruggebracht en was nu Mozes de herder van het volk van God van het Oude Verbond, onze Heere Jezus is de grote Herder van het nieuwtestamentische. Hem kon de dood niet vasthouden, die moest Hem vrijlaten, opdat Hij het volk van God in de rust van God zou inleiden.
De volmaking van de heiligen in alle goed werk is de grote zaak die door hem gewenst wordt en dat zij uiteindelijk geschikt mogen zijn voor de bediening en het geluk van de hemel. De weg waarop God Zijn volk volmaakt, is door in hen altijd te werken wat Hem welbehaaglijk is en dat door Jezus Christus, aan wie heerlijkheid zij in eeuwigheid. Er is geen goede zaak in ons ontwikkeld of het is het werk van God. Hij werkt in ons, voordat wij geschikt zijn tot enig goed werk. Niets goeds wordt in ons gedaan door God dan door Jezus Christus, om Zijnentwil en door Zijn Geest. Daarom is eeuwige roem aan Hem verschuldigd, die de oorzaak is van al de goede beginselen in ons gelegd en al de goede werken door ons gedaan. Laat iedereen trachten hierop amen te zeggen.
D. De schrijver besluit nu zijn schrijven met het verzoek dat zij dit vriendelijk opnemen, geeft een kort bericht over Timotheus, in wiens gezelschap hij denkt te komen, laat groeten en brengt groeten over. Op Paulinische wijze voegt hij er een zegenwens tot afscheid aan toe, die wel zeer kort is samengevat, maar het hoogste in zich bevat dat juist nu voor de lezers in het bijzonder nodig is, als de treurige staat waarin zij zich bevinden nog een goed einde zal hebben.
Maar, om tenslotte nog een enkel woord te zeggen, ik vraag u, broeders, verdraagt het woord van deze vermaning, dat ik in deze brief tot u gericht heb (Hand. 13: 15), zodat gij daarin niet een aanmatiging van mijn kant ziet; maar neemt het vriendelijk en gewillig aan; want ik heb u in vergelijking met dat wat ik had kunnen zeggen, slechts in het kort geschreven en mij dus zeer gematigd om niet tot aanmatiging te komen (1 Petr. 5: 12).
Dit is de eerste keer in de brief, dat de schrijver over zichzelf in het enkelvoud spreekt. Zeer opmerkelijk noemt hij zijn schrijven “een woord van vermaning. ” De hele inhoud komt er ook op neer om de lezers tot volharding in het geloof te vermanen en te wapenen tegen afval en vrees voor kruis. Misschien is dat ook niet zonder invloed op het feit dat pas aan het einde de vorm van de verhandeling en van de rede in die van een brief overgaat. Het verzoek “verdraagt” moet worden verklaard uit het feit dat de schrijver niet in directe ambtelijke betrekking tot de lezers staat en daarom niet de autoriteit van zijn ambt tegenover hen doet gelden (Rom. 15: 14vv.), alsmede daaruit dat hij hun ernstige berisping niet bespaart en het gevaar van afval zeker op een ontzetting wekkende wijze heeft voorgehouden; maar wat hij hun had te zeggen, heeft hij zo kort mogelijk samengevat.
Weet dat de broeder Timotheus uit zijn gevangenschap in de rechtszaak van Paulus (Deel 6. Aanm. II e. a.) losgelaten is. Als hij spoedig tot mij, naar mijn tegenwoordige verblijfplaats komt, zal ik met hem u bezoeken; anders zal ik alleen van hier moeten afreizen, want ik denk, zoals ik eerder (vs. 19) zei, zeer spoedig weer tot u te komen.
Groet al uw voorgangers (vs. 17) en al de heiligen (hoofdst. 6: 10). U groeten de broeders uit Itali?, die niet bij mij zijn en mij berichten uit Rome hebben gebracht (Aanh. II c. 3).
De genade zij met u allen (Tit. 3: 15 Ps. 106: 4)! Amen.
Met een apostolische zegen en groet, die aan Paulus eigen is, eindigt de brief, die wel niet van Paulus? hand is, meer het stempel van Lukas dan dat van Paulus draagt, maar toch Paulus? geest ademt. De genade is het die ons rechtvaardig en vrij en blij en vast (vs. 9), die ons heilig, zalig, heerlijk maakt, die van onze zaligheid het begin, midden en einde is, waarin ons geestelijk leven wortelt en waaruit het opgroeit; de genade, d. i. de onverdiende, volstrekt vrije beloning van de goddelijke liefde, door onze Heere Jezus Christus voor ons verworven en in al de volheid van haar hele rijkdom tot ons neerdalend.
De (zendbrief) aan de Hebreeen is uit Italie geschreven (en) door Timotheus Het is met dit slot net als met de meeste andere onder de brieven van Paulus. Zie slotwoord op de brief aan de Romeinen.
SLOTWOORD OP DE BRIEF AAN DE HEBREEEN
Wie ook de schrijver van de brief aan de Hebreeen moge zijn- zo merkt Thiersch op-hij heeft de Hebreeuwse christenen in het uur van de beproeving, toen zij in geloof en kennis een grote stap voorwaarts moesten doen, met waarlijk apostolische wijsheid en kracht getroost en vermaand. Van alle brieven van de canonieke verzameling gaat deze het diepst de diepte in; hij biedt werkelijk krachtige spijs aan de volwassenen in Christus en zonder levende toeeigening van deze waarheden is er geen groei van de kerk tot volmaaktheid. De waarde van de brief blijft dezelfde, al is die ook niet, zoals veelal wordt gemeend, van Paulus. Het is als met een schilderij van volmaakte schoonheid, dat voor een stuk van Rafael werd gehouden. Wordt bewezen dat het niet van Rafael is, maar van een ander, dan is daarmee niet een klassiek kunststuk verloren, maar er is een meester van de eerste rang meer gevonden. Wij hebben reeds eerder (“Ac 18: 23” en “Ac 18: 28 gezegd dat wij noch met Tertullianus Barnabas, noch met Luther Apollos voor de schrijver konden houden en onze tegenbewijzen tegen beide, ook door nieuwe uitleggers verdedigde meningen, daar uiteengezet. Wij plaatsen ons daarentegen meer aan de zijde van de nieuwste Schriftverklaarders, die hun blikken op Lukas vestigen. Zeker zou men hem de eer van de schrijver te zijn nog wel meer geven dan tot hiertoe het geval is, als men zich kon losmaken van het vooroordeel dat deze van geboorte een heiden was en niet een Hebreer uit de Hebreeen, zoals men die voor de brief aan de Hebreeen nodig heeft Col 4: 14. Hij werd juist dat voor de laatste Jeruzalemse gemeente wat Barnabas voor deze, volgens de hem door de apostelen gegeven erenaam, voor de eerste gemeente aldaar geweest was, namelijk een zoon van vertroosting, van vermanende toespraak (hoofdst. 13: 23 en “Joh 14: 18.
Zo?n “zoon van de vertroosting,” als de schrijver van de brief aan de Hebreeen voor de laatste Jeruzalemse gemeente was, zal na kortere of langere tijd ook een behoefte zijn voor hen, op wie de stem van de hemel in Openb. 18: 4 doelt: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat gij van haar plagen niet ontvangt.” Het zou niet moeilijk zijn aan te wijzen hoe gelovige en ernstiggezinde leden van de katholieke kerk, terwijl zij voor die kerk ondanks haar dwaalleer en schuld als voor de alleen zaligmakende kerk ijveren en in onveranderlijke gehechtheid aan haar voor het goddelijk recht van de protestantse kerk en haar verheven neiging in het rijk van God zelfs geen oog hebben, bijna lijken op die Hebreeen, die in de ontwikkeling van het apostolisch christendom waren achtergebleven en bijna weer Joods waren geworden en van wie het beeld in onze brief geschetst wordt. Ook voor hen zal echter een uur slaan, waarop zij op de weg van deze richting niet verder gaan, maar zich tot die christenen zullen moeten keren die de dragers zijn van de reinheid en waarheid, als zij niet in het eindoordeel willen verwikkeld worden, dat in de klaagzang van de profeet over de ondergang van Tyrus in Ezech. 27 over hun kerk wordt geprofeteerd.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel