Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En SaulusG4569, blazendeG1709 nog dreigingG547 en moordG5408 tegen de discipelenG3101 des HeerenG2962, ging totG1519 de hogepriesterG749,
En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester,
KJV
And2
Saul,3
yet4
breathing out5
threatenings6
and7
slaughter8
against9
the disciples11
of the Lord,13
went14
unto the high priest,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En begeerdeG154 brievenG1992 van hemG846 naarG1519 DamaskusG1154, aanG4314 de synagogenG4864, opdat, zoG1437 hij enigenG5100, die van dien wegG3598 warenG1510, vondG2147, hij dezelve, beidenG5037 mannenG435 enG2532 vrouwenG1135, zou gebondenG1210 brengenG71 naarG1519 JeruzalemG2419.
En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
KJV
And desired1
of2
him3
letters4
to5
Damascus6
to7
the synagogues,9
that10
if11
he found13
any12
of this way,15
whether18
they were
men17
or19
women,20
he might bring them22
bound21
unto23
Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En als hij reisdeG4198, is het geschiedG1096, dat hijG846 nabijG1448 DamaskusG1154 kwam, en hemG846 omscheenG4015 snellijkG1810 een lichtG5457 vanG575 den hemelG3772;
En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;
KJV
And2
as he6
journeyed,4
he came5
near7
Damascus:9
and10
suddenly11
there shined round about12
him13
a light14
from15
heaven:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 ter aardeG1093 gevallenG4098 zijnde, hoordeG191 hij een stemG5456, die totG1909 hemG846 zeideG3004: SaulG4549, SaulG4549! watG5101 vervolgtG1377 gij MijG1473?
En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?
KJV
And1
he fell2
to3
the earth,5
and heard6
a voice7
saying8
unto him,9
Saul,10
Saul,11
why12
persecutest thou14
me?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG1161 hij zeideG2036: Wie zijt Gij, HeereG2962? EnG1161 de HeereG2962 zeideG2036: IkG1473 benG1510 JezusG2424, DienG3739 gijG4771 vervolgtG1377. Het is uG4771 hardG4642, de verzenenG2979 tegen de prikkelsG2759 te slaanG2979.
En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And2
he said,
Who3
art thou,
Lord?5
And7
the Lord8
said,
I10
am4
Jesus12
whom13
thou14
persecutest:15
it is hard16
for thee
to kick20
against18
the pricks.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En hij, bevendeG5141 enG2532 verbaasdG2284 zijnde, zeideG2036: HeereG2962, watG5101 wiltG2309 Gij, dat ikG1473 doenG4160 zal? EnG2532 de HeereG2962 zeideG3004 totG4314 hemG846: StaG450 op, enG2532 ga inG1519 de stadG4172, enG2532 u zal aldaar gezegdG2980 worden, watG5101 gijG4771 doenG4160 moetG1163.
En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.
KJV
And2
he trembling1
and3
astonished4
said,
Lord,6
what7
wilt thou have9
me
to do?10
And11
the Lord13
said unto14
him,15
Arise,16
and17
go18
into19
the city,21
and22
it shall be told23
thee
what25
thou
must27
do.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG1161 de mannenG435, die met hemG846 over weg reisdenG4922, stondenG2476 verbaasdG1769, horendeG191 wel de stemG5456, maarG1161 niemandG3367 ziendeG2334.
En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.
KJV
And2
the men3
which1
journeyed5
with him6
stood7
speechless,8
hearing9
a voice,12
but14
seeing15
no man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En SaulusG4569 stondG1453 opG1519 vanG575 de aardeG1093; en als hij zijn ogenG3788 opendeedG455, zagG991 hijG846 niemandG3762. En zij, hem bij de hand leidendeG5496, brachtenG1521 hem te DamaskusG1154.
En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.
KJV
And2
Saul4
arose1
from5
the earth;7
and9
when his12
eyes11
were opened,8
he saw14
no man:13
but16
they led15
him17
by the hand,
and brought18
him into19
Damascus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En hij wasG1510 drieG5140 dagenG2250, dat hij niet zagG991, enG2532 atG5315 niet, en dronkG4095 niet.
En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.
KJV
And1
he was
three4
days3
without5
sight,6
and7
neither8
did eat9
nor10
drink.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En er wasG1510 een zekerG5100 discipelG3101 te DamaskusG1154, metG1722 nameG3686 AnaniasG367; en de HeereG2962 zeideG2036 totG4314 hemG846 inG1722 een gezichtG3705: AnaniasG367! En hij zeideG2036: ZieG2400, hier ben ikG1473, HeereG2962!
En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere!
KJV
And2
there was
a certain3
disciple4
at5
Damascus,6
named7
Ananias;8
and9
to11
him12
said
the Lord14
in15
a vision,16
Ananias.17
And19
he said,
Behold,
I22
am here, Lord.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En de HeereG2962 zeide totG4314 hemG846: StaG450 op, en ga in de straatG4505, genaamdG2564 de RechteG2117, en vraagG2212 inG1722 het huisG3614 van JudasG2455 naar een, met nameG3686 SaulusG4569, van TarsenG5018; wantG1063 zieG2400, hij bidtG4336.
En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.
KJV
And2
the Lord3
said unto4
him,5
Arise,6
and go7
into8
the street10
which1
is called12
Straight,13
and14
enquire15
in16
the house17
of Judas18
for one called20
Saul,19
of Tarsus:21
for,23
behold,
he prayeth,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En hij heeft in een gezichtG3705 gezienG3708, dat een manG435, met nameG3686 AnaniasG367, inkwamG1525, enG2532 hem de handG5495 oplegdeG2007, opdat hij wederom ziendeG308 werd.
En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd.
KJV
And1
hath seen
in3
a vision4
a man5
named6
Ananias7
coming in,8
and9
putting10
his hand12
on
him,11
that13
he might receive his sight.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG1161 AnaniasG367 antwoorddeG611: HeereG2962! ik heb uitG575 velenG4183 gehoordG191 van dezenG5127 manG435, hoeveelG3745 kwaadG2556 hij Uw heiligenG40 inG1722 JeruzalemG2419 gedaanG4160 heeft;
En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;
KJV
Then2
Ananias4
answered,1
Lord,5
I have heard6
by7
many8
of9
this
man,11
how much13
evil14
he hath done15
to thy
saints17
at19
Jerusalem:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 heeftG2192 hier machtG1849 van de overpriestersG749, om te bindenG1210 allenG3956, die Uw NaamG3686 aanroepenG1941.
En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen.
KJV
And1
here2
he hath3
authority4
from5
the chief priests7
to bind8
all9
that call11
on thy
name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
MaarG1161 de HeereG2962 zeideG2036 totG4314 hemG846: Ga heen; wantG3754 dezeG3778 isG1510 MijG1473 een uitverkorenG1589 vatG4632, om Mijn NaamG3686 te dragenG941 voor de heidenenG1484, en de koningenG935, en de kinderenG5207 IsraelsG2474.
Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels.
KJV
But2
the Lord6
said
unto3
him,4
Go thy way:7
for8
he13
is
a chosen10
vessel9
unto me,
to bear15
my
name17
before19
the Gentiles,20
and21
kings,22
and24
the children23
of Israel:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 IkG1473 zal hem tonenG5263, hoeveelG3745 hij lijdenG3958 moetG1163 om Mijn NaamG3686.
Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.
KJV
For2
I1
will shew3
him4
how great things5
he7
must6
suffer12
for8
my
name's sake.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En AnaniasG367 ging heen en kwamG2064 in het huisG3614; en de handenG5495 op hemG846 leggendeG2007, zeideG2036 hij: SaulG4549, broederG80! de HeereG2962 heeft mijG1473 gezondenG649, namelijk JezusG2424, Die uG4771 verschenenG3700 is op den wegG3598, dienG3739 gij kwaamt, opdat gij weder ziendeG308 en metG1722 den HeiligenG40 GeestG4151 vervuldG4130 zoudt worden.
En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.
KJV
And2
Ananias3
went his way,1
and4
entered5
into6
the house;8
and9
putting10
his hands14
on11
him12
said,
Brother17
Saul,16
the Lord,19
even Jesus,22
that appeared
unto thee
in26
the way28
as29
thou camest,30
hath sent20
me,
that31
thou mightest receive thy sight,32
and33
be filled with34
the Holy36
Ghost.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG2532 terstond vielenG634 af van zijn ogenG3788 gelijk als schellenG3013, en hijG846 werd terstondG3916 wederom ziendeG308; enG2532 stondG450 op, en werd gedooptG907.
En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.
Ook in dit vers
terstondG2112
KJV
And1
immediately2
there fell3
from4
his7
eyes6
as8
it had been scales:9
and he received sight10
forthwith,12
and11
arose,14
and13
was baptized.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En als hij spijzeG5160 genomenG2983 had, werd hij versterktG1765. En SaulusG4569 was sommigeG5100 dagenG2250 bijG1722 de discipelenG3101, die te DamaskusG1154 waren.
En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.
KJV
And1
when he had received2
meat,3
he was strengthened.4
Then6
was5
Saul8
certain15
days14
with9
the disciples13
which were at11
Damascus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG2532 hij predikteG2784 terstondG2112 ChristusG5547 inG1722 de synagogenG4864, dat Hij de ZoonG5207 van GodG2316 isG1510.
En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.
KJV
And1
straightway2
he preached6
Christ8
in3
the synagogues,5
that9
he10
is
the Son13
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En zij ontzettenG1839 zich allenG3956, die het hoordenG191, en zeidenG3004: IsG1510 deze nietG3756 degene, die te JeruzalemG2419 verstoordeG4199, wie dezenG5124 NaamG3686 aanriepenG1941, en dieG3778 daarom hier gekomenG2064 is, opdatG2443 hijG846 dezelve gebondenG1210 zou brengenG71 tot de overpriestersG749?
En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot de overpriesters?
KJV
But2
all3
that heard5
him were amazed,1
and6
said;7
Is
not8
this9
he that destroyed12
them which4
called on16
this
name18
in13
Jerusalem,14
and20
came24
hither21
for22
that
intent,
that25
he might bring28
them27
bound26
unto29
the chief priests?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
DochG1161 SaulusG4569 werd meer en meer bekrachtigdG1743, en overtuigdeG4797 de JodenG2453, die te DamaskusG1154 woondenG2730, bewijzendeG4822, dat dezeG3778 de ChristusG5547 isG1510.
Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.
KJV
But2
Saul1
increased4
the more3
in strength,
and5
confounded6
the Jews8
which7
dwelt10
at11
Damascus,12
proving13
that14
this15
is
very Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG1161 alsG5613 veleG2425 dagenG2250 verlopenG4137 waren, zo hieldenG4823 de JodenG2453 te zamen raad, om hemG846 te dodenG337.
En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden.
KJV
And2
after1
that many5
days4
were fulfilled,3
the Jews8
took counsel6
to kill9
him:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
MaarG1161 hun lageG1917 werd SaulusG4569 bekendG1097; en zij bewaardenG3906 de poortenG4439, beide des daagsG2250 en des nachtsG3571, opdat zij hem dodenG337 mochten.
Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten.
KJV
But2
their7
laying await6
was known1
of Saul.4
And9
they watched8
the gates11
day12
and14
night15
to16
kill18
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Doch de discipelenG3101 namenG2983 hemG846 des nachtsG3571, en lieten hem nederG2524 door den muurG5038, hem aflatendeG5465 inG1722 een mandG4711.
Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand.
KJV
Then2
the disciples5
took1
him3
by night,6
and let him down7
by8
the wall10
in12
a basket.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
SaulusG4569 nuG1161, te JeruzalemG2419 gekomen zijnde, poogdeG3987 zich bij de discipelenG3101 te voegenG2853; maar zij vreesdenG5399 hemG846 allenG3956, nietG3361 gelovendeG4100, datG3754 hij een discipelG3101 wasG1510.
Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.
KJV
And2
when Saul4
was come1
to5
Jerusalem,6
he assayed7
to join himself8
to the disciples:10
but11
they were13
all12
afraid
of him,14
and believed16
not15
that17
he was
a disciple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
MaarG1161 BarnabasG921, hem totG4314 zich nemendeG1949, leiddeG71 hem tot de apostelenG652, en verhaaldeG1334 hunG846, hoeG4459 hij opG1722 den wegG3598 den HeereG2962 gezienG3708 had, en datG3754 Hij tot hem gesprokenG2980 had; en hoeG4459 hij te DamaskusG1154 vrijmoediglijk gesprokenG3955 had inG1722 den NaamG3686 van JezusG2424.
Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrijmoediglijk gesproken had in den Naam van Jezus.
KJV
But2
Barnabas1
took3
him,4
and brought5
him to6
the apostles,8
and9
declared10
unto them11
how12
he had seen
the Lord18
in13
the way,15
and19
that20
he had spoken21
to him,22
and23
how24
he had preached boldly27
at25
Damascus26
in28
the name30
of Jesus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
EnG2532 hij wasG1510 met hen ingaandeG1531 enG2532 uitgaandeG1607 te JeruzalemG2419;
En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;
KJV
And1
he was
with3
them4
coming in5
and6
going out7
at8
Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
EnG2532 vrijmoediglijk sprekendeG3955 inG1722 den NaamG3686 van den HeereG2962 JezusG2424, sprakG2980 hij ook, enG2532 handeldeG4802 tegen de GriekseG1675 Joden; maarG1161 deze trachttenG2021 hemG846 te dodenG337.
En vrijmoediglijk sprekende in den Naam van den Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And1
he spake10
boldly2
in3
the name5
of the Lord7
Jesus,8
and11
disputed13
against14
the Grecians:16
but18
they went about19
to slay21
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
DochG1161 de broedersG80, dit verstaandeG1921 geleiddenG2609 hemG846 totG1519 CesareaG2542, en zondenG1821 hemG846 af naarG1519 TarsenG5019.
Doch de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen.
KJV
Which when2
the brethren4
knew,1
they brought5
him6
down
to7
Caesarea,8
and9
sent10
him11
forth
to12
Tarsus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
De GemeentenG1577 danG3767, doorG2596 geheelG3650 JudeaG2449, enG2532 GalileaG1056, enG2532 SamariaG4540, haddenG2192 vredeG1515, en werden gestichtG3618; enG2532 wandelendeG4198 in de vrezeG5401 des HeerenG2962, enG2532 de vertroostingG3874 des HeiligenG40 GeestesG4151, werden vermenigvuldigdG4129.
De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd.
KJV
Then2
had13
the churches4
rest14
throughout5
all6
Judaea8
and9
Galilee10
and11
Samaria,12
and were edified;15
and16
walking in17
the fear19
of the Lord,21
and22
in the comfort24
of the Holy26
Ghost,27
were multiplied.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En het geschieddeG1096, als PetrusG4074 alomG3956 doortrokG1330, dat hij ookG2532 afkwamG2718 totG4314 de heiligenG40, die te LyddaG3069 woondenG2730.
En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden.
KJV
And2
it came1
to pass, as4
Peter3
passed throughout5
all6
quarters, he came down7
also8
to9
the saints11
which10
dwelt13
at Lydda.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
EnG1161 aldaar vondG2147 hij een zekerG5100 mensG444, metG1537 nameG3686 EneasG132, die achtG3638 jarenG2094 te bedG2895 gelegenG2621 had, welke geraaktG3886 wasG1510.
En aldaar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.
KJV
And2
there3
he found1
a certain5
man4
named7
Aeneas,6
which had kept11
his bed13
eight10
years,9
and14
was
sick of the palsy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
EnG2532 PetrusG4074 zeideG2036 tot hemG846: EneasG132! JezusG2424 ChristusG5547 maaktG2390 uG4771 gezondG2390; staG450 op enG2532 spreidG4766 uzelven het bed. EnG2532 hij stondG450 terstondG2112 op.
En Petrus zeide tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.
KJV
And1
Peter5
said
unto him,3
Aeneas,6
Jesus9
Christ11
maketh7
thee
whole:
arise,12
and13
make14
thy15
bed.
And16
he arose18
immediately.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
EnG2532 zij zagenG1492 hem allenG3956, die te LyddaG3069 enG2532 SaronaG4565 woondenG2730, dewelke zich bekeerdenG1994 totG1909 den HeereG2962.
En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere.
KJV
And1
all4
that dwelt6
at Lydda7
and8
Saron14
saw
him,3
and15
turned16
to17
the Lord.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
En te JoppeG2445 wasG1510 een zekereG5100 discipelinG3102, metG1722 nameG3686 TabithaG5000, hetwelkG3739 overgezetG1329 zijnde, is gezegdG3004 DorkasG1393. DezeG3778 wasG1510 volG4134 van goedeG18 werkenG2041 en aalmoezenG1654, die zij deedG4160.
En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, hetwelk overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed.
KJV
Now3
there was
at1
Joppa2
a certain4
disciple6
named7
Tabitha,8
which9
by interpretation10
is called11
Dorcas:12
this woman13
was
full15
of good16
works17
and18
almsdeeds19
which20
she did.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En het geschiedde inG1722 dieG1565 dagenG2250, dat zij krankG770 werd en stierfG599; en als zij haar gewassenG3068 hadden, legdenG5087 zij haar inG1722 de opperzaalG5253.
En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal.
KJV
And2
it came to pass1
in3
those6
days,5
that she was sick,7
and died:9
whom when11
they8
had washed,10
they laid13
her in14
an upper chamber.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
EnG1161 alzo LyddaG3069 nabijG1451 JoppeG2445 wasG1510, de discipelenG3101, horendeG191, datG3754 PetrusG4074 aldaar wasG1510, zondenG649 tweeG1417 mannenG435 totG4314 hemG846, biddendeG3870, dat hij nietG3361 zou vertoevenG3635 tot henG846 over te komenG1330.
En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen.
KJV
And2
forasmuch as
Lydda4
was nigh1
to Joppa,6
and the disciples8
had heard9
that10
Peter11
was
there,13
they sent15
unto18
him14
two16
men,17
desiring20
him that he would22
not21
delay
to come23
to24
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
En PetrusG4074 stondG450 op, en ging metG3326 hen; welkenG3739 zij, als hij daar gekomen was, inG1519 de opperzaalG5253 leiddenG321. En alG3956 de weduwenG5503 stondenG3936 bij hemG846, wenendeG2799, en tonendeG1925 de rokkenG5509 en klederenG2440, die DorkasG1393 gemaaktG4160 had, als zij bij haarG846 was.
En Petrus stond op, en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was.
KJV
Then2
Peter3
arose1
and went with4
them.5
When he6
was come,7
they brought him8
into9
the upper chamber:11
and12
all15
the widows17
stood by13
him14
weeping,18
and19
shewing20
the coats21
and22
garments23
which24
Dorcas30
made,25
while she was
with26
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
MaarG1161 PetrusG4074, hebbende hen allenG3956 uitgedrevenG1854, knielde nederG5087 en badG4336: en zich kerendeG1994 totG4314 het lichaamG4983, zeideG2036 hij: TabithaG5000, staG450 op! En zij deed haar ogenG3788 openG455, en PetrusG4074 gezienG3708 hebbende, zat zij over eindeG339.
Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad: en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij over einde.
KJV
But2
Peter6
put1
them all4
forth,3
and kneeled down,7
and prayed;10
and11
turning12
him to13
the body15
said,
Tabitha,17
arise.18
And20
she opened21
her24
eyes:23
and25
when she saw
Peter,28
she sat up.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En hij gafG1325 haar de handG5495, en richtteG450 haar op, en de heiligenG40 en de weduwenG5503 geroepenG5455 hebbende, steldeG3936 hij haar levendG2198 voor hen.
En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen.
KJV
And2
he gave1
her3
his hand,4
and lifted5
her6
up,
and8
when he had called7
the saints10
and11
widows,13
presented14
her15
alive.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
En dit werdG1096 bekendG1110 doorG2596 geheelG3650 JoppeG2445, en velenG4183 geloofdenG4100 in den HeereG2962.
En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heere.
KJV
And2
it was3
known1
throughout4
all5
Joppa;7
and8
many9
believed10
in11
the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
EnG1161 het geschieddeG1096, dat hijG846 veleG2425 dagenG2250 te JoppeG2445 bleefG3306, bijG1722 een zekerenG5100 SimonG4613, een lederbereiderG1038.
En het geschiedde, dat hij vele dagen te Joppe bleef, bij een zekeren Simon, een lederbereider.
KJV
And2
it came to pass,1
that he6
tarried5
many4
days3
in7
Joppa8
with9
one10
Simon11
a tanner.
blazende nog
Namelijk na den dood van Stefanus; ene gelijkenis genomen van de leeuwen of beren, een prooi najagende; of gelijk de bittere vijanden zich tegen anderen plegen aan te stellen.
Hertaald:
blazende nog
Namelijk na de dood van Stefanus. Het is een vergelijking, ontleend aan leeuwen of beren die op een prooi jagen, of aan de manier waarop verbitterde vijanden zich tegenover anderen plegen te gedragen.
de discipelen
Dat is, degenen, die Christus aanhingen, en daarna te Antiochië eerst Christenen genaamd werden; Hand. 11:26 .
Hertaald:
de discipelen
Dat is: zij die Christus aanhingen en die daarna in Antiochië voor het eerst christenen genoemd werden; Hand. 11:26.
hogepriester,
Namelijk en den oppersten Raad der Joden, waarvan hij het hoofd was; Hand. 22:5 , bij welken Raad de kennis en het opperste oordeel toen stond van de zaken der Joodse religie, ook in de synagogen buiten het Joodse land. Zie 2 Kron. 19:10 ; Hand. 18:15 .
Hertaald:
hogepriester,
Namelijk en tot de opperste Raad van de Joden, waarvan hij het hoofd was (Hand. 22:5); bij die Raad berustte toen het onderzoek en het hoogste oordeel over de zaken van de Joodse godsdienst, ook in de synagogen buiten het Joodse land. Zie 2 Kron. 19:10; Hand. 18:15.
Damaskus,
Dit was de hoofdstad van Syrië, gelegen aan de ene zijde van den berg Libanon, omtrent vijf of zes dagen reizens van Jeruzalem; een heidense stad, maar waar velen van de verstrooide Joden woonden en synagogen hadden. Zie vs.22; Hand. 26:12 ; 2 Kor. 11:32 .
Hertaald:
Damaskus,
Dit was de hoofdstad van Syrië, gelegen aan de ene zijde van de berg Libanon, ongeveer vijf of zes dagreizen van Jeruzalem. Het was een heidense stad, maar er woonden veel van de verstrooide Joden, die er synagogen hadden. Zie vers 22; Hand. 26:12; 2 Kor. 11:32.
dien weg waren,
Dat is, die leer. Hebreën. Zie Hand. 24:14 .
Hertaald:
dien weg waren,
Dat is: tot die leer — een Hebreeuwse uitdrukking. Zie Hand. 24:14.
omscheen snellijk
Grieks ombliksemde, of omstraalde.
Hertaald:
omscheen snellijk
Grieks: omflitste, of omstraalde.
gevallen zijnde,
Namelijk uit schrik, verbaasdheid en vrees.
Hertaald:
gevallen zijnde,
Namelijk van schrik, verbijstering en vrees.
zeide
Saul, Namelijk in de Hebreeuwse taal; Hand. 26:14 .
Hertaald:
zeide
Namelijk in de Hebreeuwse taal; Hand. 26:14.
Mij?
Namelijk in mijne leden, dat is mijne gemeente, die mijn lichaam is; 1 Kor. 12:12 ; Ef. 5:23 .
Hertaald:
Mij?
Namelijk in Mijn leden, dat is: Mijn gemeente, die Mijn lichaam is; 1 Kor. 12:12; Ef. 5:23.
de verzenen
Namelijk gelijk de ossen en andere lastbeesten achteruit slaan, wanneer zij met prikkels worden voortgestuwd, en alzo niet de prikkels maar zichzelven kwetsen.
Hertaald:
de verzenen
Namelijk zoals ossen en andere lastdieren achteruitslaan wanneer zij met prikkels voortgedreven worden, en daarmee niet de prikkels maar zichzelf kwetsen.
wat gij doen moet
Namelijk om uw gezicht wederom te krijgen en voor een discipel gehouden te worden, gelijk vs.17 verklaard wordt. Want anderszins, wat zijn leer en apostelschap aangaat, die heeft hij noch van mensen, noch door mensen; Gal. 1:1 , Gal. 1:12 .
Hertaald:
wat gij doen moet
Namelijk om uw gezicht terug te krijgen en voor een discipel gehouden te worden, zoals in vers 17 verklaard wordt. Want wat zijn leer en zijn apostelschap betreft, die heeft hij niet van mensen en niet door mensen ontvangen; Gal. 1:1, Gal. 1:12.
de mannen,
Dezen schijnen geweest te zijn die Paulus van de overpriesters medegegeven waren om de gevangen Christenen in bewaring naar Jeruzalem te brengen, gelijk gezegd is vs.2.
Hertaald:
de mannen,
Dit lijken de mannen te zijn die Paulus door de overpriesters meegegeven waren om de gevangen christenen onder bewaking naar Jeruzalem te brengen, zoals in vers 2 gezegd is.
verbaasd,
Of, verstomd; namelijk nadat zij weder opgestaan waren; want zij zijn ook met Paulus ter aarde nedergeslagen geweest; Hand. 26:14 .
Hertaald:
verbaasd,
Of: verstomd; namelijk nadat zij weer opgestaan waren, want ook zij waren met Paulus ter aarde geworpen; Hand. 26:14.
horende wel
Sommigen nemen dit voor de stem van Paulus, waar hij Christus mede antwoordde, omdat Hand. 22:9 gezegd wordt dat degenen, die in het gezelschap van Paulus waren, de stem desgenen, die met hem sprak, niet hoorden. Anderen verenigen dit alzo, dat hier ook wel van de stem van Christus gesproken wordt, doch alleen van een gehoor des geluids, zonder verstand van de woorden; maar Hand. 22:9 van een bescheidelijk gehoor en verstand der woorden; dergelijk voorbeeld is Joh. 12:29 , in de stem, die uit den hemel tot Christus sprak, daar sommige deze gehoord hebben met verstand der woorden, sommigen het geluid alleen, zonder verstand der woorden.
Hertaald:
horende wel
Sommigen vatten dit op als de stem van Paulus, waarmee hij Christus antwoordde, omdat in Hand. 22:9 gezegd wordt dat zij die bij Paulus waren de stem van Hem Die met hem sprak niet hoorden. Anderen brengen het zo met elkaar in overeenstemming, dat het ook hier wel over de stem van Christus gaat, maar dan alleen over het horen van het geluid zonder de woorden te verstaan, terwijl het in Hand. 22:9 gaat over het duidelijk horen en verstaan van de woorden. Een soortgelijk voorbeeld is Joh. 12:29, bij de stem die uit de hemel tot Christus sprak: sommigen hoorden die met verstand van de woorden, anderen alleen het geluid zonder de woorden te verstaan.
zag hij niemand
Namelijk omdat er schellen over zijne ogen gekomen waren, vs.18.
Hertaald:
zag hij niemand
Namelijk omdat er schellen over zijn ogen gekomen waren, vers 18.
at niet, en
Namelijk òf door de grote verslagenheid, die hem allen lust van eten en drinken benomen had; òf om den gehelen tijd met bidden en boetvaardigheid door te brengen, gelijk vs.11 uitgedrukt wordt. Want in die landen konden de mensen het lange vasten beter verdragen dan in deze onze landen. Zie Matt. 15:32 ; Marc. 8:2 .
Hertaald:
at niet, en
Namelijk óf door de grote verslagenheid, die hem alle lust tot eten en drinken benomen had, óf om de hele tijd met bidden en boetedoening door te brengen, zoals in vers 11 gezegd wordt. Want in die landen konden de mensen langdurig vasten beter verdragen dan hier in onze streken. Zie Matth. 15:32; Mark. 8:2.
Ananias;
Deze was een voornaam discipel, gelijk hij nader beschreven wordt Hand. 22:12 . Sommige oude leraars menen dat hij een geweest is van de zeventig discipelen van Christus, tevoren verkoren.
Hertaald:
Ananias;
Deze was een vooraanstaand discipel, zoals hij nader beschreven wordt in Hand. 22:12. Sommige oude leraars menen dat hij een van de zeventig discipelen geweest is die Christus eerder had uitgekozen.
in een gezicht
Namelijk in een goddelijk gezicht door ene vertrekking van zinnen, waarin hem de Heere verschenen is, gelijk in vs.12, Paulus, die toen nog blind was, ook geschied is.
Hertaald:
in een gezicht
Namelijk in een goddelijk gezicht, met vervoering van de zinnen, waarin de Heere hem verschenen is, zoals in vers 12 ook met Paulus gebeurde, die toen nog blind was.
Tarsen; want
Dit was ene stad in Cilicië, welke grote weldaden van de Romeinse keizers ontvangen had, en onder anderen ook het burgerrecht van Rome, waarop zich Paulus hierna somwijlen beroept. Zie Hand. 16:37 , en Hand. 22:25 . Zie de aantekeningen Hand. 22:28 .
Hertaald:
Tarsen; want
Dit was een stad in Cilicië, die grote gunsten van de Romeinse keizers ontvangen had, waaronder ook het burgerrecht van Rome, waarop Paulus zich hierna een enkele keer beroept. Zie Hand. 16:37 en Hand. 22:25. Zie de aantekeningen bij Hand. 22:28.
hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die
Namelijk te Damaskus zelf.
Hertaald:
hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die
Namelijk in Damascus zelf.
Uw Naam aanroepen
Dat is, U aanbidden, en vervolgens in U geloven; Rom. 10:14 .
Hertaald:
Uw Naam aanroepen
Dat is: U aanbidden en dus in U geloven; Rom. 10:14.
vat, om Mijn
Dat is instrument, of dienaar en gezant; 2 Kor. 5:20 . Grieks een vat der verkiezing; Gal. 1:15-16 .
Hertaald:
vat, om Mijn
Dat is: een werktuig, of een dienaar en gezant; 2 Kor. 5:20. Grieks: een vat van de verkiezing; Gal. 1:15-16.
te dragen voor
Dat is, voor te dragen, of verkondigen.
Hertaald:
te dragen voor
Dat is: voor te dragen, of te verkondigen.
tonen, hoeveel
Dat is, niet alleen hem daarvan tevoren onderrichten, maar ook door mijnen Geest daartoe moed en sterkte geven, gelijk Hij zijnen anderen discipelen belooft; Joh. 16:33 .
Hertaald:
tonen, hoeveel
Dat is: hem daarvan niet alleen tevoren op de hoogte stellen, maar hem daartoe ook door Mijn Geest moed en kracht geven, zoals Hij Zijn andere discipelen belooft; Joh. 16:33.
de handen op
Namelijk tot een teken dat de Heere hem in zijn goddelijk beroep door den Heiligen Geest buitengewoon zou versterken en hem van zijn blindheid genezen; Marc. 16:18 . Zie Hand. 6:6 .
Hertaald:
de handen op
Namelijk als teken dat de Heere hem in zijn goddelijke roeping door de Heilige Geest op buitengewone wijze zou versterken en hem van zijn blindheid zou genezen; Mark. 16:18. Zie Hand. 6:6.
verschenen is
Of, van u gezien is. Want dat Christus ook in deze openbaring van Paulus gezien is, blijk vs.27, en Hand. 22:14 ; of nu dit geschied is door een gezicht des geestes alleen, gelijk Hand. 22:17 , of met de ogen des lichaams, eer hij van dit licht verblind werd, wordt niet gezegd. Doch al ware het dat hij hem gezien had met de ogen des lichaams, zo volgt daar niet uit dat het lichaam van Christus op de aarde zou nedergedaald zijn; want dat strijdt tegen Hand. 3:21 , en God kon het gezicht van Paulus alzo wel versterken, dat hij Christus in den geopenden hemel kon zien, gelijk hij gedaan heeft het gezicht van Stefanus, Hand. 7:56 .
Hertaald:
verschenen is
Of: door u gezien is. Dat Christus ook bij deze openbaring door Paulus gezien is, blijkt uit vers 27 en Hand. 22:14. Of dat nu gebeurd is door een gezicht van de geest alleen, zoals in Hand. 22:17, of met de ogen van het lichaam voordat hij door dit licht verblind werd, wordt niet gezegd. Maar ook al zou hij Hem met de ogen van het lichaam gezien hebben, dan volgt daaruit nog niet dat het lichaam van Christus op de aarde zou zijn neergedaald, want dat strijdt tegen Hand. 3:21; en God kon het gezichtsvermogen van Paulus evengoed zo versterken dat hij Christus in de geopende hemel kon zien, zoals Hij dat met Stefanus gedaan heeft, Hand. 7:56.
spijze genomen
Grieks voedsel.
Hertaald:
spijze genomen
Grieks: voedsel.
de Zoon
En dienvolgens de ware Messias. Zie vs.22; Hand. 8:37 .
Hertaald:
de Zoon
En dus de ware Messias. Zie vers 22; Hand. 8:37.
overtuigde de
Grieks maakte de Joden confuus, of beschaamd, of verwarde de Joden.
Hertaald:
overtuigde de
Grieks: maakte de Joden verward, of beschaamd.
bewijzende, dat deze de Christus is
Het Griekse woord betekent een bewijs, dat geschiedt door samenvoeging of vergelijking, namelijk van de voorzeggingen der profeten met de vervulling derzelve in den persoon van Christus.
Hertaald:
bewijzende, dat deze de Christus is
Het Griekse woord duidt een bewijs aan dat geleverd wordt door samenvoeging of vergelijking, namelijk van de voorzeggingen van de profeten met de vervulling daarvan in de persoon van Christus.
vele dagen
Namelijk drie gehele jaren, welken gehelen tijd hij in Arabië en te Damaskus geleerd heeft, eer hij naar Jeruzalem trok. Zie Gal. 1:17 .
Hertaald:
vele dagen
Namelijk drie volle jaren; die hele tijd heeft hij in Arabië en in Damascus geleerd voordat hij naar Jeruzalem trok. Zie Gal. 1:17.
verlopen waren,
Grieks vervuld.
Hertaald:
verlopen waren,
Grieks: vervuld.
zij bewaarden
Namelijk de Joden, gesterkt met de macht van den stadhouder van den koning Areta; 2 Kor. 11:32 .
Hertaald:
zij bewaarden
Namelijk de Joden, gesteund door de macht van de stadhouder van koning Aretas; 2 Kor. 11:32.
niet gelovende,
Namelijk dewijl de bekering van Paulus nog in de gemeente niet genoeg bekend was, omdat hij den meesten tijd daarna in Arabië, ver van Jeruzalem, was geweest.
Hertaald:
niet gelovende,
Namelijk omdat de bekering van Paulus in de gemeente nog niet voldoende bekend was, doordat hij daarna het grootste deel van de tijd in Arabië was geweest, ver van Jeruzalem.
de apostelen,
Namelijk Petrus en Jakobus, gelijk uitgedrukt staat Gal. 1:18-19 , want het schijnt dat de ander apostelen voor een tijd van Jeruzalem alstoen vertrokken waren om elders het Evangelie te prediken, die daarna wederom te Jeruzalem in meerder getal bijeen zijn geweest; Hand. 15:6 ; Gal. 2:9 .
Hertaald:
de apostelen,
Namelijk Petrus en Jakobus, zoals uitdrukkelijk staat in Gal. 1:18-19; het lijkt erop dat de andere apostelen toen een tijdlang uit Jeruzalem vertrokken waren om elders het Evangelie te prediken, en dat zij daarna weer in groter getal in Jeruzalem bijeen geweest zijn; Hand. 15:6; Gal. 2:9.
ingaande en
Dat is gemeenzaam en dagelijks met hen verkeerde.
Hertaald:
ingaande en
Dat is: hij verkeerde vertrouwelijk en dagelijks met hen.
de Griekse Joden ;
Dat is die de Griekse taal en overzetting des Bijbels gebruikten. Zie Hand. 6:1 , Hand. 6:9 .
Hertaald:
de Griekse Joden ;
Dat is: zij die de Griekse taal en de Griekse vertaling van de Bijbel gebruikten. Zie Hand. 6:1, Hand. 6:9.
de broeders,
Zo worden de gelovigen genaamd, omdat zij als broeders in liefde met elkander leefden, hebbende eenen Vader in den hemel en een eerstgeboren broeder Jezus Christus, en verwachtende eene erve door eenen Geest.
Hertaald:
de broeders,
Zo worden de gelovigen genoemd, omdat zij als broeders in liefde met elkaar leefden, omdat zij één Vader in de hemel hebben en één eerstgeboren Broeder, Jezus Christus, en omdat zij door één Geest één erfenis verwachten.
alom doortrok,
Grieks in alle; namelijk plaatsen, dat is landen, in vs.31 genoemd, om de gemeenten te bezoeken, en te sterken die uit de besnijdenis waren; Gal. 2:7 , Gal. 2:9 .
Hertaald:
alom doortrok,
Grieks: door alle; namelijk plaatsen, dat is: de landen die in vers 31 genoemd zijn, om de gemeenten te bezoeken en hen te sterken die uit de besnijdenis waren; Gal. 2:7, Gal. 2:9.
de heiligen,
Dat is, de gelovige Christenen.
Hertaald:
de heiligen,
Dat is: de gelovige christenen.
Lydda woonden
Zie vs.35.
Hertaald:
Lydda woonden
Zie vers 35.
te bed
Grieks krabbaton; dat is op een beddeken.
Hertaald:
te bed
Grieks: krabbaton; dat is: op een bedje.
geraakt was
Of, lam, beroerd.
Hertaald:
geraakt was
Of: lam, verlamd.
spreid uzelven
Dat is, schik het bed op, en maak het gereed, tot een teken van volkomen genezing.
Hertaald:
spreid uzelven
Dat is: maak uw bed op en breng het in orde, als teken van volkomen genezing.
te Lydda
Lydda was ene stad in Palestina gelegen, in de landstreek Sarona, of Saron, gelijk zij wordt genaamd Jes. 35:2 , en Jes. 65:10 , en 1 Kron. 27:29 ; een vet en welbewoond land, strekkende langs de Middellandse zee, van Cesarea tot Joppe toe.
Hertaald:
te Lydda
Lydda was een stad in Palestina, gelegen in de landstreek Sarona of Saron, zoals zij genoemd wordt in Jes. 35:2, Jes. 65:10 en 1 Kron. 27:29: een vruchtbaar en dichtbevolkt gebied dat zich langs de Middellandse Zee uitstrekte van Cesarea tot Joppe.
Joppe was
Dit was en is nog een vermaarde haven in Palestina aan de Middellandse zee, eertijds Jafo genaamd, waar Jona scheep ging als hij vluchtte van den Heere, Jona 1:3 , waar degenen, die uit Europa naar Jeruzalem reizen, gemeenlijk aankomen, liggende omtrent ene dagreize vandaar aan klippen, van welke men Jeruzalem kan zien.
Hertaald:
Joppe was
Dit was en is nog steeds een beroemde haven in Palestina aan de Middellandse Zee, vroeger Jafo genoemd, waar Jona scheep ging toen hij van de HEERE wegvluchtte (Jona 1:3). Wie uit Europa naar Jeruzalem reizen komen daar gewoonlijk aan; het ligt ongeveer een dagreis van Jeruzalem, bij klippen vanwaar men Jeruzalem kan zien.
hetwelk overgezet
Namelijk Tabitha, gelijk zij in het Grieks overgezet wordt.
Hertaald:
hetwelk overgezet
Namelijk Tabitha, zoals die naam in het Grieks vertaald wordt.
Dorkas
Dat is, ene hinde, ree of geit.
Hertaald:
Dorkas
Dat is: een hinde, ree of gazelle.
gewassen hadden,
Namelijk naar de wijze der ouden, die daarmede schijnen te kennen willen geven hunne hoop van de opstanding uit de doden.
Hertaald:
gewassen hadden,
Namelijk naar de gewoonte van de ouden, die daarmee blijkbaar hun hoop op de opstanding uit de doden te kennen wilden geven.
twee mannen
Namelijk òf om de arme weduwen over dezen dood te beter te vertroosten, òf ook op hoop dat hij haar weder zou verwekken.
Hertaald:
twee mannen
Namelijk óf om de arme weduwen over dit sterfgeval des te beter te troosten, óf ook in de hoop dat hij haar weer zou opwekken.
dat hij niet
Grieks vertragen; dat is, dat hij het zich niet zou laten verdrieten.
Hertaald:
dat hij niet
Grieks: vertragen; dat is: dat hij er niet tegenop zou zien.
hen allen
Namelijk om te ernstiger te kunnen bidden, gelijk Elisa, 2 Kon. 4:33 ; welk gebed, daartoe diende, opdat hij bewees dat dit werk niet door zijne, maar door Gods macht moest geschieden; Hand. 3:12-13 .
Hertaald:
hen allen
Namelijk om des te ernstiger te kunnen bidden, zoals Elisa deed (2 Kon. 4:33). Dat gebed diende ertoe dat hij liet zien dat dit werk niet door zijn eigen macht maar door die van God moest gebeuren; Hand. 3:12-13.
de heiligen
Dat is, de discipelen, of gelovigen, die daaromtrent waren; die alzo genaamd worden omdat zij, door Christus' bloed en Geest geheiligd zijnde, doorgaans een geheiligd leven leiden. Zie vs.32.
Hertaald:
de heiligen
Dat is: de discipelen of gelovigen die daar in de buurt waren; zij worden zo genoemd omdat zij, geheiligd door Christus' bloed en Geest, doorgaans een geheiligd leven leiden. Zie vers 32. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Oorspronkelijk Joses geheten; een Leviet van geboorte uit Cyprus, die door de apostelen Barnabas genoemd werd. Hij verkocht een akker en legde de opbrengst aan de voeten der apostelen (Hand. 4:36-37); hij zou later een centrale rol spelen als metgezel van Paulus in diens zendingsreizen. Een jongeman uit Tarsen, aan wiens voeten de getuigen bij de steniging van Stefanus hun klederen legden; hij haalde welbehagen in diens dood en verwoestte daarna de gemeente, mannen en vrouwen gevangen nemend. Op weg naar Damaskus om ook daar christenen te vervolgen, verscheen hem de verhoogde Jezus in een fel licht; drie dagen blind, werd hij door Ananias genezen en gedoopt, en werd van vervolger een krachtig verkondiger dat Jezus de Christus is (Hand. 7:58; 8:1-3; 9:1-30); later bekend als de apostel Paulus. Een discipel te Damaskus, door de Heere in een gezicht gezonden om de blinde Saulus de handen op te leggen; ondanks zijn aanvankelijke aarzeling, wetend van Saulus' vervolgingen, gehoorzaamde hij, waarna Saulus weer ziende werd, met de Heilige Geest vervuld werd en zich liet dopen (Hand. 9:10-19). Niet dezelfde persoon als Ananias, de man van Saffira. Een man te Lydda, acht jaar verlamd; Petrus genas hem in de Naam van Jezus Christus, waarop hij terstond opstond (Hand. 9:32-35). Een discipelin te Joppe, vol van goede werken en aalmoezen; na haar dood werd Petrus ontboden, die haar door gebed weer levend opwekte (Hand. 9:36-42). Een leerlooier te Joppe, in wiens huis Petrus enige tijd verbleef (Hand. 9:43; 10:6, 32). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: De hoofdstad van de Romeinse provincie Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, aan de rivier de Cydnus. Geschiedenis: De geboortestad van Saulus/Paulus, "een Jood van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilicië" (Hand. 21:39), die hier ook zijn Romeinse burgerrecht aan ontleende (Hand. 22:25-28). Na zijn bekering en een aanslag op zijn leven te Jeruzalem, trok Paulus zich enige jaren naar Tarsus terug, totdat Barnabas hem vandaar naar Antiochië haalde om samen daar te dienen (Hand. 9:30; 11:25-26). Bijbelse betekenis: Tarsus, een bloeiend centrum van Griekse filosofie en cultuur, vormde de achtergrond van waaruit de HEERE Paulus toerustte om het Evangelie later even doeltreffend tegenover Griekse wijsgeren op de Areopagus (reeds op de rol) als tegenover Joodse synagogen te verkondigen. Archeologie: Opgravingen bij het huidige Tarsus legden resten van de Romeinse stad bloot, waaronder een geplaveide straat ("Cleopatra's Poort"-gebied) uit de tijd van het Romeinse keizerrijk. Recente inzichten: Het huidige Tarsus, in de Turkse provincie Mersin. Hand. 9:11, 30; 11:25-26; 21:39; 22:3, 25-28 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Wanneer Saulus brieven vraagt om gelovigen te Damascus te binden, worden zij niet met een groepsnaam aangeduid maar met een omschrijving: allen "die van dien weg waren" (Hand. 9:2). Hij gebruikt die uitdrukking later zelf van zijn eigen verleden, en zegt dat hij deze weg vervolgd heeft tot de dood (Hand. 22:4). In Efeze klinkt zij twee keer: sommigen spraken kwaad "van den weg des Heeren voor de menigte" (Hand. 19:9), en er ontstond geen kleine oproer "vanwege den weg des Heeren" (Hand. 19:23). Voor de rechterstoel van Felix neemt Paulus de aanduiding op als de zijne, tegenover het woord dat zijn aanklagers gebruiken: "dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo diene" (Hand. 24:14). Zelfs Felix neemt haar dan over (Hand. 24:22). Bijbelse betekenis: In deze naam ligt iets wat een groepsnaam niet zegt. Een weg is niet een gezelschap maar een gang: hij heeft een richting, en men gaat erop. Wie zo genoemd wordt, is dus niet allereerst lid van iets, maar onderweg. Twee dingen horen erbij. Het eerste is dat de aanduiding van buitenaf gebruikt wordt zonder spot; zelfs een Romeins landvoogd neemt haar over. Het tweede is dat de tegenpartij een ander woord kiest: zij noemt het een sekte, en Paulus laat dat woord uitdrukkelijk voor hun rekening. Hij houdt vast dat hij op deze weg de God van de vaderen dient, en dus niet iets nieuws begonnen is. Typologie: De naam is niet uit de lucht gegrepen, want de Heere Jezus had Zichzelf zo genoemd: "Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij" (Joh. 14:6). De Hebreeënbrief zegt waarheen die weg loopt en waardoor hij geopend is: het is een verse en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees (Hebr. 10:20). En Jesaja had al gezien dat er een gebaande weg zou zijn: "welke de heilige weg zal genaamd worden" (Jes. 35:8). Hand. 9:2; Hand. 19:9; Hand. 19:23; Hand. 22:4; Hand. 24:14; Hand. 24:22; Joh. 14:6; Hebr. 10:20; Jes. 35:8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Saulus heeft brieven op zak van de hogepriester om in Damascus mensen van de Weg te binden en naar Jeruzalem te brengen. Hij is onderweg, met gezelschap, midden op de dag. Er valt licht uit de hemel, hij ligt op de grond, en de stem noemt zijn naam tweemaal. **Wat er gebeurt.** “hem omscheen snellijk een licht van den hemel; en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem.” Geen gesprek vooraf, geen waarschuwing. Eerst het licht, dan de grond. **De aanspraak.** “Saul, Saul!” — de naam tweemaal. Zo werd Abraham geroepen op de berg, en Mozes bij de doornstruik, en Samuël in de nacht. Het is de vorm waarin God iemand persoonlijk aanspreekt. De kanttekening merkt op dat het in het Hebreeuws klonk, zoals Paulus later zelf vertelt. **De vraag.** Er staat niet dat hij Zijn volgelingen vervolgt. De stem zegt: Mij. De kanttekening legt uit hoe dat te verstaan is: in Zijn leden, dat is Zijn gemeente, die Zijn lichaam is. Wie aan de kerk komt, komt aan Hem. **Het antwoord op zijn tegenvraag.** Hij vraagt Wie het is, en krijgt het kortst mogelijke antwoord: “Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.” Daar staat de naam waarvan hij dacht dat die met zijn drager begraven was. **Waarom dit in deze lijn hoort.** Door het hele Oude Testament heen verschijnt God aan iemand, en steeds gaat die mens neer: Jozua bij Jericho, Manoach en zijn vrouw, Ezechiël bij de rivier, Daniël aan de Tigris. En steeds volgt op het neervallen een opdracht. Hier gebeurt hetzelfde, maar met één verschil dat alles bepaalt: Degene Die verschijnt, noemt Zijn eigen naam, en die naam is van een Man Die zij drie jaar eerder gekruisigd hadden. **De reisgenoten.** Zij horen wel de stem maar zien niemand, en blijven staan. Precies zoals bij Daniël: de mannen die bij hem waren zagen het gezicht niet, maar vluchtten van schrik. Een verschijning is geen schouwspel voor omstanders. **Het gevolg.** Drie dagen blind, zonder eten of drinken. De man die anderen gebonden naar Jeruzalem zou brengen, wordt zelf bij de hand de stad in geleid. In het Nieuwe Testament: Exodus 3:4; Genesis 22:11; Daniël 10:7; Handelingen 26:14; Mattheüs 25:40; 1 Korinthiers 15:8 Hoever dit reikt: Dat de vervolging van de gemeente hier vervolging van Christus Zelf heet, verklaart de kanttekening uit de eenheid van Hoofd en leden. Wat de reisgenoten precies hoorden en zagen wordt in Handelingen 9, 22 en 26 verschillend beschreven; deze post volgt wat hier staat en gaat op dat verschil niet in.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Want zie, hij bidt. Handelingen 9:11 Gebeden worden onmiddellijk opgemerkt in de hemel. Wat een troost is dat voor jou, jij die verdrietig bent, maar blijft bidden. Vaak… Heere, wat wilt U dat ik doen zal? Handelingen 9:6 Spurgeon was heel blij dat hij nu genoeg geld had om het Weeshuis voor jongens te openen (later werd… Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan. (Handelingen 9:5) Lees verder Lukas 13:31—35. Let op de tederheid in de terechtwijzing. Hij zegt… En Hij riep Zijn twaalf discipelen bij Zich… de eerste, Simon die Petrus genoemd werd. (Mattheüs 10:1—2) Lees verder 1 Timotheüs 3:1—13. Ik zal proberen de overeenkomst te… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" …want zie, hij bidt. Handelingen 9 vers 11 In de hemel worden gebeden direct opgemerkt. Op het moment waarop Saulus begon… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Handelingen 9
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij? — 9:3-9
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Gods reactie op het gebed
Hoop voor de weeskinderen
Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan
En Hij riep Zijn twaalf discipelen
Blijf bidden, God hoort u en Hij begrijpt u


Handelingen 9
Handelingen 9:1
KruisverwijzingenHandelingen 8:3→Psalmen 27:12→Handelingen 9:11→Handelingen 26:9→1 Korinthe 15:9→Filippenzen 3:6→Handelingen 7:58→1 Timotheüs 1:13→— En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester,
Merk op dat kleine woordje “nog”. “Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heeren” — maar er zou een punt komen waarvoorbij hij niet verder kon gaan. Ik bid God dat er zo’n “nog” gezet mag worden in de geschiedenis van ieder hier die God en Zijn Christus tegenstaat. “Saulus, nog dreiging en moord blazende” — alsof dat zijn eigen adem was, alsof hij alleen leefde om de Naam van Christus te lasteren, en Zijn volgelingen te vervolgen — “ging tot den hogepriester” —
Handelingen 9:2
KruisverwijzingenHandelingen 19:9→Handelingen 19:23→Handelingen 9:14→Handelingen 24:22→Handelingen 22:4→Handelingen 24:14→Psalmen 82:2→Esther 3:8→— En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
Hij wilde zijn jachtterrein uitbreiden. Hij had niet genoeg aan de duizenden gelovigen in Jeruzalem om zijn boosaardigheid te bevredigen, en moest daarom naar Damaskus gaan om ook daar de christenen op te jagen. Paulus was altijd zeer grondig in alles wat hij deed; toen hij een vervolger was, was hij dus een zeer verbitterde. Het maakte hem niet uit of de heiligen mannen of vrouwen waren. In gewone oorlogsvoering is het gebruikelijk de vrouwen te sparen. Een dapper man is tevreden om te strijden tegen mannen als hijzelf; maar de ijver van een dweper kent geen grenzen. Zo vroeg Saulus om brieven, opdat hij, “zo hij enigen, die van dien weg waren, vond”, of het mannen of vrouwen waren, “dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.”
Handelingen 9:3
Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:8→Handelingen 26:12→Handelingen 22:6→Openbaring 21:23→Openbaring 22:5→1 Timotheüs 6:16→Psalmen 104:2→Handelingen 9:17→— En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;
Daar lag zijn prooi voor hem, en de wolf was gereed erop te springen.
De leeuw staat op het punt op zijn prooi te springen. De schaapskooi ligt in de vallei, en de wolf overziet haar vanaf de heuvel. “Wee de gemeente van God te Damaskus!”, zouden u en ik gezegd hebben, als wij daar geweest waren.
Een bovennatuurlijke glans, alsof de poort van de hemel opengeworpen was, en de heerlijkheid neerstroomde over deze opstandige man.
Handelingen 9:3-5
Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:8→Zacharia 2:8→Handelingen 26:12→Handelingen 22:6→Handelingen 26:14→Jesaja 63:9→Openbaring 21:23→Openbaring 22:5→— En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel; En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
Zo gaat het, wanneer God besluit een mens te redden. Elke trap die hij tegen het evangelie geeft, maakt Hij als die van een os die tegen de prikkel schopt en zichzelf verwondt.
Handelingen 9:4
KruisverwijzingenZacharia 2:8→Handelingen 26:14→Jesaja 63:9→1 Korinthe 12:12→Handelingen 22:7→Lukas 10:41→Johannes 18:6→Handelingen 5:10→— En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?
De meeste mensen worden op een min of meer vergelijkbare wijze bekeerd. Er is “een licht van den hemel”, dat door het evangelie op hen schijnt; zij vallen ter aarde in boetvaardige zelfvernedering, en horen dan de stem van de Zoon van God tot hun hart spreken. Ik bedoel niet dat de uiterlijke verschijnselen dezelfde zijn als bij Saulus van Tarsen, maar het werk is hetzelfde in zijn gevolgen, en in sommige van zijn stappen. Saulus “hoorde een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?” Het was een goddelijke stem, majestueus, doordringend, liefdevol, overtuigend. Saulus’ geest was diep logisch aangelegd, dus Christus’ vraag was een beroep op zijn verstand: “Geef de reden voor uw huidige handeling. Waarom vervolgt gij Mij?”
Handelingen 9:5
Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:22→Handelingen 26:9→Handelingen 5:39→Job 40:9→Jesaja 45:9→1 Timotheüs 1:13→1 Samuël 3:4→Job 9:4→— En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
Ik twijfel er niet aan dat zijn geweten al geprikkeld was. Hij had uitgeschopt, zoals een os schopt tegen de prikkel die hem prikt om vooruit te gaan. Saulus was een man van sterke wil en vastberaden doel. Hij had al enig van het verdriet gevoeld dat volgt op een verkeerde levenswandel, maar toch besloot hij daarin te volharden. Zo zei de Heere tot hem: “Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.” Verzet u tegen de aandrang van uw geweten en de strevingen van Gods Geest, dan bent u als iemand die met blote voeten tegen ijzeren pinnen schopt. U verwondt uzelf, zonder datgene te schaden waartegen u schopt.
Handelingen 9:6
KruisverwijzingenRomeinen 7:9→Jesaja 66:2→Romeinen 10:20→Handelingen 10:6→Romeinen 9:15→Filippenzen 2:12→1 Samuël 28:5→Romeinen 10:3→— En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.
“Wat is het dat U van mij vraagt?”
Dit was een zeer natuurlijke vraag van iemand die altijd geprobeerd had door werken te leven. Hij was tot op dat moment een werkheilige geweest, en riep daarom van nature: “Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?”
“U moet een discipel worden, en aan de voeten zitten van een ander mens, van geringer soort, en van hem leren.” Christus zal ons nooit door visioenen leren wat wij door de gewone middelen van onderwijs kunnen leren, en Hij zal ook geen wonderen doen waar gewone middelen zouden volstaan.
Handelingen 9:6-9
KruisverwijzingenHandelingen 22:9→Daniël 10:7→Handelingen 22:11→Johannes 12:29→Handelingen 9:18→Esther 4:16→Romeinen 7:9→Jesaja 66:2→— En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet. En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende. En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus. En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.
Wat een strijd moet er toen in zijn ziel gewoed hebben; misschien kon hij het zelf later nauwelijks beschrijven. Broeders, sommigen van u kunnen het zeker raden, want u hebt misschien hetzelfde gevoeld. Sommige zielen worden voor God geboren met verschrikkelijke weeën; deze man was er een van. En, ach, wat zijn dat vaak sterke gelovigen, die grote moeite hebben om tot vrede te komen! “En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.”
Handelingen 9:7
KruisverwijzingenHandelingen 22:9→Daniël 10:7→Johannes 12:29→Mattheüs 24:40→Handelingen 26:13→— En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.
Zij waren met verbazing getroffen —
Een luide stem overweldigde hun oren, maar zij konden de boodschap ervan niet verstaan.
Handelingen 9:8-9
KruisverwijzingenHandelingen 22:11→Handelingen 9:18→Esther 4:16→Exodus 4:11→Genesis 19:11→Handelingen 13:11→2 Koningen 6:17→2 Kronieken 33:18→— En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus. En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.
Wat een maalstroom van angst moet er in zijn geest geweest zijn, al die tijd! Het schouwspel van Stefanus’ marteldood zou voor zijn innerlijk oog voorbijgaan, en dat van de heilige mannen en vrouwen tegen wie hij dreiging en moord geblazen had, ook al waren zijn uiterlijke ogen gesloten.
Handelingen 9:10
KruisverwijzingenGenesis 22:1→Handelingen 10:3→Handelingen 22:12→Jesaja 6:8→Exodus 3:4→1 Samuël 3:8→1 Samuël 3:4→Genesis 31:11→— En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere!
Een van hen aan wie Paulus zijn wrede aandacht had willen geven.
Een prachtige manier om te allen tijde de Heere te kunnen antwoorden. Mochten wij, geliefde vrienden, nooit ergens zijn waar wij ons zouden schamen te zeggen: “Zie, hier ben ik, Heere.” Sommige christenen begeven zich in zeer vreemd gezelschap, en zouden niet willen dat hun Meester het wist. Zij zouden zich schamen te zeggen: “Zie, hier ben ik, Heere.”
Handelingen 9:10-11
KruisverwijzingenHandelingen 21:39→Handelingen 22:3→Handelingen 9:30→Genesis 22:1→Handelingen 10:3→Handelingen 22:12→Jesaja 6:8→Handelingen 11:25→— En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere! En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.
God weet waar elke zondaar is: de straat waarin hij ligt, het huisnummer, en de naam van de eigenaar van het huis. Zo kan Hij hem vinden wanneer Hij wil, of een van Zijn dienstknechten naar hem toe sturen.
Handelingen 9:11
KruisverwijzingenHandelingen 21:39→Handelingen 22:3→Handelingen 9:30→Handelingen 11:25→Handelingen 11:13→Handelingen 8:26→Lukas 18:7→Jeremia 31:18→— En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.
De Heere kent de verblijfplaats van Zijn volk. Hij kent ook uw verblijfplaats, vanavond, jongeman. Ik vertrouw slechts dat Hij u, al bent u een tegenstander van het evangelie, hier met opzet gebracht heeft. Moge u, door Zijn vernieuwende genade, een van Zijn beste voorstanders worden.
Daar was het geheime teken en kenmerk van een veranderd karakter: “zie, hij bidt.” Wat een wonder! Hij bidt — hij die moord blies. Hij bidt — hij die kwam om te verwoesten. “Zie, hij bidt.”
Handelingen 9:12-16
KruisverwijzingenHandelingen 9:21→Efeze 3:7→Galaten 1:15→Handelingen 13:2→Handelingen 21:11→Handelingen 8:3→Handelingen 7:59→Romeinen 11:13→— En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd. En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen. Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels. Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.
Het leek een genadige vergelding, nietwaar? Ik zeg niet een strafmaatregel. Ik weet het niet beter uit te drukken dan “een genadige vergelding”: dat hij die heiligen deed lijden, nu zelf het hoge voorrecht kreeg, zelf voorop te gaan in het lijden. Vaak, twijfel ik er niet aan, dacht hij aan die heiligen die hij in de dagen van zijn vleselijke staat gekweld en verontrust had, terwijl hij met zulk een onovertroffen standvastigheid droeg en verduurde. Hoe moet hij hen toen op waarde geschat hebben, en met welke verwondering moet hij gezegd hebben: “Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, dat ik onder de heidenen door het Evangelie zou verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus.”
Handelingen 9:12
KruisverwijzingenMarkus 5:23→Handelingen 9:17→Handelingen 9:10→— En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd.
U ziet hoe ware openbaringen in elkaar passen. Aan Ananias wordt iets geopenbaard, en aan Saulus wordt het ook geopenbaard, en daardoor blijkt het waar te zijn. Enkele jaren geleden vertelde een broeder mij dat hem geopenbaard was, dat ik hem in de Tabernakel voor mij zou laten preken. Ik zei dat ik daar natuurlijk mee zou instemmen, zodra het aan mij ook geopenbaard zou worden. Maar ik geloof niet in eenzijdige openbaringen. U zult veel van zulke dwaze openbaringen tegenkomen, en u kunt ze doorgaans op zo’n gezonde manier beoordelen.
Handelingen 9:13-16
KruisverwijzingenHandelingen 9:21→Efeze 3:7→Galaten 1:15→Handelingen 13:2→Handelingen 21:11→Handelingen 8:3→Handelingen 7:59→Romeinen 11:13→— En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen. Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels. Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.
Hij had Gods volk laten lijden, om hun trouw aan Christus. Zo scheen het slechts rechtvaardig dat hijzelf zou lijden, om dezelfde reden.
Handelingen 9:17
KruisverwijzingenHandelingen 2:4→Handelingen 8:17→Handelingen 6:6→Handelingen 22:12→2 Timotheüs 1:6→Handelingen 19:6→Genesis 45:4→Handelingen 26:15→— En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.
Ach, wat een nieuw woord: “broeder Saul”! Enkele dagen tevoren zou niemand het gewaagd hebben zo vertrouwelijk te spreken tot deze machtige discipel van Gamaliël, gewapend met gezag van de overpriesters. Hoe lieflijk moet het nu geklonken hebben in zijn oor: “broeder Saul”! Ach, niets maakt ons zo tot broeders als het evangelie.
Handelingen 9:17-18
KruisverwijzingenHandelingen 2:4→Handelingen 8:17→Handelingen 6:6→Handelingen 22:12→Handelingen 22:16→Handelingen 2:38→2 Timotheüs 1:6→Handelingen 19:6→— En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.
Wat anders zou een gelovige moeten doen, dan gedoopt worden? Het is de eerstvolgende stap die hij behoort te zetten, nadat hij de Zaligmaker gevonden heeft.
Omdat hij in Jezus geloofde, was het juist dat hij zijn geloof beleed op de wijze die Christus voorgeschreven had.
Handelingen 9:19
KruisverwijzingenHandelingen 26:20→1 Samuël 10:10→Handelingen 27:33→1 Samuël 30:12→Handelingen 11:26→Prediker 9:7→Galaten 1:17→— En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.
Het lijkt onbelangrijk, dit hier te vermelden, nietwaar? Toch is dat niet zo. Terwijl de genade de zwakheden van de geest geneest, heeft het lichaam nog altijd voedsel nodig. Soms is het goed voor uw jonge bekeerling, wanneer hij lange tijd in geestelijke nood geweest is, dat u hem ook lichamelijk verkwikt, evengoed als u zijn hart bemoedigt.
Bewonder de tederheid van de Heilige Geest, dat Hij optekent dat Saulus spijze nam, en versterkt werd. Hij was drie dagen en nachten zonder eten of drinken geweest, zodat het voor hem even juist was voedsel te nemen, als zijn geloof te belijden door gedoopt te worden.
Zo lag de leeuw neder bij het lam, en de wolf bij het bokje.
Handelingen 9:19-20
KruisverwijzingenHandelingen 26:20→1 Samuël 10:10→Handelingen 27:33→1 Samuël 30:12→Handelingen 11:26→Prediker 9:7→Galaten 1:17→Handelingen 9:22→— En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren. En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.
Hadden zij ooit tevoren zulk een prediker gehoord? Hoe knarsetandden de ongelovigen tegen hem; en hoe slopen de schuchtere heiligen naar binnen om deze man te horen spreken. Deze man wiens geest zo wonderlijk gewend was, dat hij er nooit meer van herstelde, had iets gezien waarvan hij zelf nauwelijks alles kon navertellen. Ach, het moet heerlijk geweest zijn, hem te horen prediken dat Christus de Zoon van God is.
Handelingen 9:20
KruisverwijzingenHandelingen 9:22→Handelingen 13:14→Mattheüs 4:3→Romeinen 1:4→Openbaring 2:18→Galaten 1:23→Mattheüs 27:54→Mattheüs 27:43→— En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.
Hoe moet hij zijn Joodse broeders die dag verbaasd hebben! Zij wisten waarom hij naar Damaskus gekomen was, maar zie, hij predikte juist dat geloof dat hij daar had willen verwoesten!
Handelingen 9:21-22
KruisverwijzingenHandelingen 18:5→Handelingen 9:13→Handelingen 8:3→1 Korinthe 1:27→Jesaja 40:29→Lukas 21:15→Handelingen 28:23→Handelingen 18:27→— En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot de overpriesters? Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.
Dit is de grote zaak, die aan de Jood bewezen moet worden. Ach, wanneer zal het toch geschieden, dat het arme, verstoten Israël zal weten dat Dit de ware Christus is? God geve haar spoedige herstel!
Handelingen 9:21-25
KruisverwijzingenHandelingen 18:5→Handelingen 9:13→Handelingen 8:3→Handelingen 25:3→2 Korinthe 11:32→2 Korinthe 11:33→1 Korinthe 1:27→Jesaja 40:29→— En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot de overpriesters? Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is. En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden. Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten. Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand.
Ik heb nooit gehoord van een kostbaarder mandvol dan dat. Soms mogen de grootste mensen hun behoud danken aan de armste middelen. En ik denk dat het de plicht van een christen is, moeite te vermijden waar hij kan. Zo gebood onze Heere Zijn discipelen: vervolgd zij in de ene stad, vlucht dan naar een andere. Paulus voerde dat gebod van zijn Meester uit. Het was geen lafheid, het was de kern van de moed zelf, dat hij elders heen ging om het evangelie te verkondigen dat hij in Damaskus ontvangen had.
Handelingen 9:26
KruisverwijzingenHandelingen 26:20→Handelingen 9:19→Mattheüs 10:17→Handelingen 22:17→Handelingen 4:23→Galaten 2:4→Galaten 1:17→Mattheüs 24:10→— Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.
Zij lieten niet zomaar iedereen toe tot de gemeente. Zij bewaakten haar, zoals Christus’ gemeente bewaakt behoort te worden, opdat er geen onwaardige mensen in zouden komen. Wordt u misschien een tijdje tegengehouden, dan kunt u tegen uzelf zeggen: “Welnu, zij hielden ook Paulus tegen.” Wij zijn arme, feilbare wezens, maar wij proberen recht te oordelen over hen die zich bij ons willen voegen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
c. Vers 1-22KruisverwijzingenHandelingen 22:9→Handelingen 8:3→Handelingen 19:9→Handelingen 19:23→1 Korinthe 15:8→Zacharia 2:8→Daniël 10:7→Handelingen 22:11→
— En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester, En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel; En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet. En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende. En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus. En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet. En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere!
Bekering van Saulus en zijn driejarig oponthoud in Arabië en te Damascus.
EPISTEL OP DE DAG VAN PAULUS’ BEKERING (vs. 1-22)
Het feest door paus Innocentius III omstreeks 1200 n. Chr. ingesteld, schijnt daarom op 25 januari gesteld te zijn (“Mt 19: 27” inleiding), omdat volgens meteorologische opmerkingen deze dag een beslissend keerpunt voor de weersgesteldheid van het gehele jaar zou zijn en men daarmee de bekering van die apostel, die voor de geschiedenis van de kerk van zo grote betekenis is geworden, in verband wilde brengen, zoals zij dan ook voor zijn eigen leven en werken een keerpunt is.
En a) Saulus, van wie in hoofdst. 8: 3 werd meegedeeld, hoe bij na Stefanus’ dood, omtrent het einde van het jaar 33 n. Chr. de gemeente te Jeruzalem verwoestte en die het nu ook in de daarop volgende tijdhaar onmogelijk maakte zich weer te verzamelen en te organiseren, ging voort in zijn werk. Blazende nog in het begin van het jaar 36, waar de geschiedenis in hoofdst. 8: 4-40 ons heeft gebracht, dreiging en moord tegen de discipelen van de Heere, wildehij ze tot afval van Jezus Christus dwingen door dreiging en waar hem dit niet gelukte hen door moord van de wereld wegdoen (hoofdst. 22: 4; 26: 9vv. 1 Tim. 1: 13 Toen hij echter te Jeruzalem nauwelijks iemand meer vond tegen wie hij woeden kon, hoorde hij dat de sekte van de Nazarener reeds op andere plaatsen zich gevestigd en uitgebreid had en ook op plaatsen waar aan de hoge raad te Jeruzalem de synagogale oppermacht over de Joden was toegekend. Vastbesloten ook daar de christenen te gaan zoeken, ging hij tot de hogepriester Annas, die als priester van het Sanhedrin zich nog altijd aan het roer bevond Mt 2: 4.
1 Kor. 15: 9
En hij vroeg hem brieven voor Damascus in Syrië 2Sa 8: 6, waar vele duizende Joden woonden omdat vanwege de uitbreiding van de sekte hem een ingrijpen van zijn zijde noodzakelijk voorkwam. Hij begeerde de hogepriesterlijke brieven voor de synagogen, om zich bij de oversten van deze als gevolmachtigde te legitimeren, opdat hij, als hij enigen die van die weg, van die vermeende sekte (hoofdst. 24: 14) waren, vond, hij deze, zowel mannen als vrouwen, want ookde zwakkere vaten dacht hij niet te sparen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem, opdat daar door de hoge raad zelf het oordeel over hen zou worden geveld.
Het begin van ons verhaal wijst ons zeer duidelijk, zowel door de naam “Saulus, ” als vooral door het woord “nog” op iets vroegers; wij moeten ons Paulus niet alleen denken in dezelfde toestand van vijandschap tegen en van vervolging van de gemeente, maar ons deze toestand voorstellen als veel erger geworden. Het welgevallen in de moord van Stefanus (hoofdst. 8: 1) is een te gewone stemming geworden, waarin hij tegen alle discipelen van de Heere een dodelijke haat in het hart voedt en van deze dodelijke vijandschap is hij zo vervuld dat hij die in zijn gehele wezen en in al zijn gebaren moet tonen. Vandaar de sterke uitdrukking: “blazende dreiging en moord. ” Met deze toeneming van zijn vijandschap komt dan ook overeen zijn handelen; het is hem niet meer genoeg de christenen hier en daar in de huizen van Jeruzalem op te zoeken; hij voelt zich gedrongen zijn vervolgingen zelfs uit te strekken buiten de grenzen van het Joodse land. Hij wendt zijn blik naar Damascus, de oude volkrijke stad aan de weg, die Achter- en Voor-Azië verbindt en waar zeer vele Joden zich hadden gevestigd. Hij wendt zich tot de hogepriester om brieven van volmacht, opdat hij door middel van de synagogen aldaar de christenen te Damascus, die als christenen uit de Joden nog allen in verbintenis met de synagoge waren gebleven, mannen en vrouwen gevonden en gevangen naar Jeruzalem zou kunnen voeren. Daar het vanzelf sprak dat de hogepriester aan dit verlangen van Paulus voldaan heeft, zien wij dat ook bij de hoogste overheid de ijver tot vervolging van de christenen volstrekt niet door het bloed van de eerste martelaar en de eerste algemene vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem bevredigd is. In Paulus van Tarsen leeft echter hij, die de ziel van deze ijver is. Hij is het verpersoonlijkte beginsel van de tegenstelling, waarin zich het Jodendom nu tegen de christelijke gemeente heeft geplaatst. Zoals hij voor ons in hoofdst. 7: 59 en 8: 1 de geschiedenis is ingeleid, zo heeft hij zich ontwikkeld en in deze ontwikkeling wordt hij ons hier aanschouwelijk voorgesteld.
Christus heerst midden onder Zijn vijanden: deze is de waarheid, die aan het licht wordt gesteld door het feit dat Paulus met zijn vijandschap en moordlust die van hels vuur gloeit, de gemeente zo lang kan beangstigen, verstrooien, verwoesten. Dat hij de Verlosser zelfs met smaad en laster aantastte, verhaalt de geschiedschrijver niet, maar hijzelf belijdt het in 1 Tim. 1: 13 Hier komt hij alleen voor als vervolger van Jezus’ discipelen, van Jezus’ gemeente.
Het is een wonderbare bescherming van God dat de twaalf apostelen niet door deze verwoester gevangen en ter dood gebracht zijn, terwijl toch de overige gemeente door Paulus verwoest werd. Hij zal daarvoor later God dikwijls hebben gedankt, zoals één van de overvloedigste bronnen van onze dank zich uitstort in de overdenking dat God ook door de wegen van onze onwetendheid met de allertrouwste vaderliefde gewaakt heeft.
Hij, de strenge Farizeeër, ontziet zichzelf niet zich en gaat naar de Sadducese hogepriester om van deze brieven met macht en last te vragen en te nemen, om het eens opgevatte plan van geweld en moord ten uitvoer te brengen. En de Heere daarboven laat het toe: het is gewoonlijk Zijn weg niet de werkingen van de zonde in haar kiem te smoren, maar ze te laten openbaar worden en voor het oordeel, of, zoals hier, voor het ogenblik van een volheerlijke omkering te laten rijpen. Dan spreekt Hij zelf Zijn almachtig: “tot hiertoe en niet verder!”
Onze Heere God is zo’n werkmeester, die slechts in moeilijke meesterstukken Zijn plezier vindt. Ook werkt Hij vooral graag het geheel alleen; daarom heeft Hij van oude tijden af zeer hard hout en harde steen bijzonder verkozen, om daaraan Zijn vrijmachtige kunst te tonen.
Voegen wij wat wij van de afkomst en jeugd van Saulus weten bij elkaar, dan vinden wij dat hij een Hebreeër was uit de stam van Benjamin (Rom. 11: 1), de zoon van ouders die naar het schijnt in goede omstandigheden leefden en het Romeinse burgerrecht bezatten (hoofdst. 16: 37; 22: 25 en 28); bij hun aanzien, waarin zij in hun woonplaats Tarsus, de hoofdstad van Cilicië, die toen als zetel van Griekse wijsheid met Athene en Alexandrië wedijverde, stonden, bleven zij strenge Joden (hoofdst. 21: 39; 23: 6). Vroegtijdig werd hij door zijn vader, die het Farizeïsme met strengheid aanhing, die misschien de geestdrift van de jongeling voor Griekse wetenschap (hoofdst. 17: 28; 1 Kor. 15: 33 Tit. 1: 12) met vrees opmerkte, tot Farizese rabbi bestemd en naar Jeruzalem, de hoofdzetel van Joodse geleerdheid gezonden. Daar genoot hij het onderricht van de beroemde Gamaliël; daarnaast leerde hij echter volgens de gewoonte van die tijd ook een handwerk en wel dat van tentenmaker (hoofdst. 5: 34vv. ; 22: 3; 18: 3 vond hij daar ook een verblijfplaats bij familiebetrekkingen, tenminste staat later een neef hem daar getrouw terzijde (hoofdst. 23: 16). Valt de dood van Stefanus, zoals wij met het oog op onze berekening van de 70 jaarweken van Daniël en in overeenstemming met anderen, die door een ander standpunt tot hetzelfde resultaat zijn gekomen, hebben aangenomen, op het einde van het jaar 33 n. Chr. en kwam Saulus reeds daar voor als een zelfstandig volksleider, als een zelfbewust voorvechter van het Farizeïsme, die tenminste reeds meer dan 20 levensjaren telt (in Filemon 1: 9 d. i. in het jaar 63 n. C. noemt de apostel zich reeds “een oude Paulus”, hij had dus toen reeds zeker het 50e levensjaar achter zich en ging richting de 60), dan valt zijn leertijd te Jeruzalem nog in de tijd dat Jezus Zijn werk op aarde verrichtte en zich ook in en bij Jeruzalem verschillende malen bevond (Joh. 2: 13-3: 21 11: 17-54; 12: 9-19: 42 geheel ondenkbaar dat hij daar niet reeds van Hem zou hebben gehoord, ja Hem persoonlijk zou hebben gezien, zoals dan ook de woorden in 2 Kor. 5: 16 : “indien wij Christus naar het vlees gekend hebben, ” duidelijk te lezen geven “wij hebben Hem werkelijk gekend” (daarop wijst in de grondtekst het woordje kai dat bij ei gevoegd is, wat te kennen geeft dat dit een werkelijk feit is, vgl. 2 Kor. 4: 3 en 16; 7: 8; 1 Kor. 4: 7 Nu hebben wij bij Luk. 14: 11 Lu 14: 11 de waarschijnlijkheid aangetoond dat hij door de Farizeeën in hun bestrijding van de Heere is meegenomen en door hen bij een bepaalde gelegenheid als bode tot hun partijgenoten in Perea en als spion en berichtgever voor hun eigen belangen is gebruikt. Zo kon hij ook in hoofdst. 7: 57 zich gedragen als één, die als gedelegeerde van de hoge raad het volksoordeel aan Stefanus voltrokken als het ware moest bekrachtigen. Alleen wanneer hij Jezus van aangezicht kende, is het te verklaren waarom Paulus later bij de verschijning van de hemel het woord van Hem, die hem verscheen (vs. 5): “Ik ben Jezus” dadelijk erkent. Hij heeft hem dadelijk herkend en de vraag: “Heere! wie zijt Gij? ” heeft niet ten doel de naam van een vreemdeling te vernemen, maar een welbekende, wiens bekendheid echter een pijnlijke indruk maakt, van zich af te weren. En verder, alleen wanneer het aardse verleden van de Heere met dat van Paulus bepaald verbonden was, wanneer de Vader in de hemel reeds hier beneden de jongeling ergens tot Hem had geleid en die in nadere aanraking met Hem had gebracht, kon Hij deze man nu ook roepen tot één, die op gelijke lijn met de apostelen stond (Mark. 3: 13vv. Hand. 1: 21v. Gal. 1: 15v.). De verschijning van de Verheerlijkte van de hemel moest, zou die nog vallen in de categorie van de verschijningen van de Opgestane, waarin Paulus ze plaatst (1 Kor. 15: 5v.) en waarop het woord van Petrus in hoofdst. 10: 40v. ziet, een persoonlijke bekendheid met hem, aan wie zij ten deel viel, ten grondslag hebben, anders droeg zij het karakter van een anticipatie van de verschijning van Christus van de hemel aan het einde van de tijden; zo’n anticipatie kan er echter volgens het andere woord van Petrus in hoofdst. 3: 20v. niet zijn. Wilde men als voorwaarde tot het apostolische ambt alleen het zien van Christus door Paulus, zoals het in vs. 3vv. beschreven wordt, ook zonder een voorafgegaan “kennen naar het vlees” voor het woord in 1 Kor. 9: 1 vasthouden, dan kon de Heere ook nu nog te allen tijde Zich de één of andere apostel door een buitengewone verschijning, door een openbaring in een gezicht roepen en wij hadden geen waarborg dat het voorgeven van het herstel van het apostelambt zonder waarde is, zoals dat bij enkele sekten wordt gevonden (op Irvingiaanse wijze beweert bijv. Thiersch, dat Paulus niet de dertiende was van het eerste apostolaat, maar de eerste van een tweede apostolaat dat bestemd was voor de wereld en de kerk, die daaruit zich ontwikkelde, maar toen nog niet volledig zich vertoonde).
Valt nu de dood van Stefanus en het begin van de vervolging van de christenen ten tijde van Paulus op het einde van het jaar 33 n. Chr., zo is het de vraag in welke tijd wij nu zijn, nu Saulus met enige trawanten, die de hoge raad hem als geleide gegeven heeft, zich bevindt op de weg naar Damascus, dat van Jeruzalem 7-8 dagreizen verwijderd is. Om deze vraag te beantwoorden moeten wij voor alles Gal. 2: 1 juist opvatten: “Daarna ben ik na veertien jaar weer naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus meegenomen hebbende. ” Is men er van overtuigd dat aan de ene kant dit dezelfde reis is, die ons in Hand. 15 uitvoeriger wordt bericht en dat aan de andere zijde de apostel het veertiende jaar rekent van zijn bekering af, die opvatting van de woorden onder alle andere verklaringen de beste is en ook de meest aangenomene, dan hoeven wij slechts het jaar van het apostolisch concilie in hoofdst. 15 te kennen, om dan door aftrekking van veertien jaar ook het jaar van de bekering van Saulus te vinden. Nu kan men het jaar van het apostolisch concilie alleen vinden op de weg van combinatie en dan vinden wij zeer verschillende meningen. Intussen is het toch zo goed als zeker dat het jaar 50 n. C. het juiste is; dientengevolge zou het jaar 36 het jaar van de bekering van Paulus zijn, zoals ook Neander aanneemt. Tussen hetgeen aan het einde van het vorige hoofdstuk werd verhaald en de inhoud van deze geschiedenis ligt dus een vol jaar, waaronder niets naders zou zijn meegedeeld, maar er was ook enige tijd nodig, zou het christendom zich over de grenzen van het Joodse land tot Syrië en in het bijzonder naar Damascus uitbreiden en daar tot zo’n macht komen dat Saulus zich gedrongen zag daartegen met bijzondere nadruk zich te verzetten. Damascus was een stad die reeds in Abrahams tijd bestond (Gen. 14: 15; 15: 2) en die in het zuidelijke (benedenste) gedeelte van Syrië, dat in ruimere zin bij de oude geografen Coele Syrië heet (eigenlijk geeft deze naam alleen de Bekâah te kennen, het dal tussen Libanon en Anti-libanon), voor zo ver de rivieren, die van de Anti-libanon en de Hermon oostwaarts stromen het bevochtigen. Deze zijn de Barada, bij de ouden gewoonlijk Chrysorrhoas (Goudrivier), in 2 Kon. 5: 12 Amana geheten, die met zeven armen de stad doorstroomt; vervolgens enige uren zuidelijk daarvan de Awadsch (Pharphar), die van de grote Hermon komt. Dit heerlijke water, verbonden met de hoge ligging (meer dan 2000 voet, zo hoog als Jeruzalem), maken het klimaat gematigd, zelfs koel en de grond zo vruchtbaar aan koren, wijn en fruit van allerlei aard, dat Damascus door de oosterlingen voor één van de vier paradijzen wordt gehouden. Nog tegenwoordig is de stad één van de prachtigste en regelmatigste steden van het Oosten en hebben naar haar ook verschillende kunstprodukten (bijvoorbeeld Damast, Damascener zwaard) hun naam, daar zij door haar gehele ligging als verbindingspoot tussen de landen van de Eufraat en de Middellandse zee als een aangewezen plaats was voor nijverheid en handel. De huizen zijn van buiten onaanzienlijk, maar meestal inwendig des te prachtiger; de straten zijn nauw en zeer lang; één, die van het noord-oosten naar het zuid-westen loopt: “darb el mostakim” houdt men voor die, die in vs. 11 als de rechte straat vermeld is. Het stedelijk gebied is niet groot, de gehele aangebouwde vlakte, door de Arabieren Ghuta genoemd, strekt zich naar het zuiden twee, naar het noorden en oosten drie uren en naar het westen nog geen uur uit; toch heeft de stad ongeveer 200. 000 inwoners. Sedert de periode van de Seleuciden (1 Makk. 11: 62; 12: 32 hadden zich daar zeer vele Joden gevestigd en bezaten deze daar verscheidene synagogen; onder hen kreeg het evangelie vanaf Stefanus’ dood en vervolgens hoe langer hoe meer ingang (vgl. hoofdst. 8: 4; 11: 19). Sedert 64 v. Chr. stond Damascus onder Romeinse heerschappij en behoorde het tot de provincie Syrië. Nu is het opmerkelijk dat Paulus in 2 Kor. 11: 32vv. zegt dat de Joden de aanslag tegen zijn leven, die in vs. 23vv. hoofdstuk bericht wordt, met hulp van de landvoogd van de koning Aretas van Arabië hebben gedaan. In ieder geval moet onder deze Aretas, die zijn residentie te Petra in het gebergte van Edom had (1 Makk. 5: 27 Aanm.) en de bijnaam Aeneas droeg, dezelfde worden verstaan, wiens dochter de wettige vrouw van Herodes Antipas van Galilea was, maar door hem om Herodes verstoten werd Mt 2: 20. In het jaar 36 n. Chr. kwam het tussen hem en de trouweloze schoonzoon ten gevolge van ontstane moeilijkheden over de grenzen tot een oorlog, maar hoewel hij de laatste versloeg, vond deze in de keizer Tiberius een machtige beschermer. Zonder twijfel zou de Syrische stadhouder Vitellius volgens de wil van de keizer aan de heerschappij en het leven van Aretas een einde gemaakt hebben, had hij niet omstreeks Pasen van 37 n. Chr., toen hij reeds op het punt stond om tegen de Arabische koning op te trekken, de dood van Tiberius vernomen en de hele zaak laten varen. Onder de keizers Caligula (37-41 n. Chr.) en Claudius (41-51 n. Chr.) werden de verhoudingen ten gevolge van de plaats die Herodes Agrippa tot beide partijen innam, voor Aretas en Antipas juist omgekeerd. De laatste geraakte geheel in ongenade en werd in het jaar 39 naar Gallië gebannen, terwijl zijn landen aan Agrippa werden gegeven. Aretas heeft daarentegen naar alle waarschijnlijkheid het gebied van Damascus ten geschenke gekregen. Dergelijke schenkingen, die dikwijls weer spoedig werden teruggenomen, waren in de toenmalige tijd iets zeer gewoons. Tot bevestiging van deze mening dient dat wij wel Romeinse munten van Damascus hebben uit de tijd van Nero en diens opvolgers, maar niet uit de tijd van Caligula en Claudius. Zoals in het jaar van Saulus’ bekering de straf kwam over Herodes Antipas, zo ook over Pontius Pilatus en de hogepriester Kajafas. Pilatus had het oproerig handelen van de Joden tegen Stefanus (hoofdst. 7: 56vv.) wel gezien, maar daarvan opzettelijk geen kennis genomen. Daarentegen klaagde de Samaritaanse senaat hem aan bij de vroeger genoemde Vitellius, omdat hij Samaritanen gedood had bij gelegenheid van een godsdienstige optocht naar de berg Gerizim. Nog vóór Pasen van het jaar 36 werd hij afgezet en naar Rome ter verantwoording gezonden. Nu was wel kort vóór zijn aankomst aldaar keizer Tiberius gestorven, toch bleef hij daarom onder Caligula van de verbanning naar Vienne in Gallië niet verschoond; daar moet hij zich uit wanhoop om het leven hebben gebracht. Bijna in dezelfde tijd als de afzetting van Pilatus, valt die van Kajafas, in wiens plaats Vitellius Jonathan, een zoon van Annas tot hogepriester maakte (Slotwoord bij 1 Makk. No. 11 o.). Was dus het jaar 36 n. Chr. een jaar van de wraak van de Heere over Zijn vijanden, dit wordt nog versterkt in de bekering van Saulus, die wij, vooral als wij aan 1 Kor. 15: 5-8 denken, wel in de Paastijd mogen stellen. In hoofdst. 4: 27 werd toch ook het volk Israël gerekend tot de heidenen en volken die tegen de Heere en Zijn Gezalfde opstonden; als zo’n opstandeling had het zich getoond in het oproerig gedrag tegen Stefanus. De straf, die de Heere aan Israël in Matth. 21: 43 daarvoor aankondigde, was dat het rijk van God van hen zou worden genomen en de heidenen zou worden gegeven. In de bekering van Saulus en zijn verkiezing tot apostel van die heidenen ligt het begin van de uitvoering van deze wraak. Dat bij het vroegere twaalftal apostelen nu de dertiende is gevoegd, is op zichzelf reeds een teken dat het oordeel over Israël begonnen is. Christus wil bij de roeping van de heidenen tot Zijn rijk, waarvoor, zoals in de bekering van de Samaritanen en in de doop van de Ethiopische kamerling, als ook in de aanhaling van Gaza en Asdod in hoofdst. 8 reeds was te kennen gegeven, de tijd gekomen is, aan Israël, dat eigenlijk de zaligheid aan de heidenen had moeten brengen, nadat het eerst zelf dit had aangenomen, die roeping ontnemen. Israël, dit is duidelijk bewezen, neemt als volk de zaligheid toch niet aan; het is integendeel tot een volk geworden, dat tegen de Heere en Zijn Gezalfde opstaat (hoofdst. 4: 27). Het zou met de heidenen slecht staan, wanneer ook verder, als vroeger, als regel moest gelden dat zij alleen door bemiddeling van het Jodendom tot het rijk van God mochten komen. Daar het Jodendom reeds begonnen is een synagoge van de Satan (Openb. 2: 9; 3: 9) te worden, moet het integendeel terzijde worden geschoven en zonder verbintenis met het oude verbondsvolk moet een nieuw volk uit de heidenen zelf worden voortgebracht. Zonder het apostolaat kan de Heere dat niet doen, aan het nieuwe gebouw van een christelijke kerk uit de heidenen zou anders het fundament van apostelen en profeten ontbreken (Ef. 2: 20). Maar had de Heere dan niet van het apostolaat van de twaalven een gedeelte kunnen nemen en deze of gene apostel kunnen verkiezen tot apostel van de heidenen? Wij moeten daarop met een beslist “nee! ” antwoorden; want de twaalven waren door Hem reeds bestemd voor de twaalf geslachten van Israël (Matth. 19: 28). Alleen wanneer hem Zijn gaven en roeping hadden berouwd, zou Hij de twaalven gezamenlijk of enigen of één van hen tot directe dienst voor de heidenen hebben kunnen gebruiken; dit was echter niet het geval (Rom. 11: 29). Hoe ongeschonden integendeel voor heel Israël en al zijn stammen (Rom. 11: 26 Openb. 7: 4vv.) diens roeping tot het einde van de tijd bewaard zou blijven, ook wanneer het voor lange tijd van de olijfboom moet worden afgehouwen, dat is daaruit gebleken dat zelfs de eerste voortekenen van een verkiezing van de heidenen, in hetgeen in hoofdst. 8: 5vv., 26vv. ; 11: 20vv. bericht, niet door de hand van één van de twaalven is teweeggebracht, maar op een andere, buitengewone wijze. Het zijn dan ook niet beperkte ideeën en particularistische vooroordelen, zoals men meestal aanneemt, waarom het de twaalven zo moeilijk wordt, onafhankelijk van het geheiligde organisme van Israël de heidenen het rijk van God te brengen (hoofdst. 10: 9vv.) en waarom zij nog lange tijd willen dat tenminste enige band daaraan wordt vastgehouden (hoofdst. 15: 19vv.), maar het is het bewustzijn dat met loslating van het Jodendom ook tevens van hun zijde de loslating van Israël tot een volbracht feit werd. Het is dan werkelijke leiding van de Heilige Geest en verlichting van boven, wanneer van de twaalven tot aan het jaar 62 n. Chr, waarin Jakobus de jongere gedood wordt en het lot van de Joden beslist wordt (Matth. 23: 35), niet een onmiddellijk en zelfstandig gedeelte aan de eigenlijke zending onder de heidenen deelneemt. En ook na die tijd treden met name Petrus en Johannes slechts in het arbeidsveld van Paulus, doch zetten niet diens loop voort door een nieuw gebied voor de arbeid in te nemen, zodat één van beiden naar Spanje zou zijn gegaan, hetgeen Paulus niet had kunnen bereiken (Rom. 15: 24 en 28). Het feit van de verkiezing van een dertiende apostel tot de twaalven zal tegenover het woord van Jezus in hoofdst. 1: 8 nooit op bevredigende wijze kunnen verklaard worden door hen, die aannemen dat de kerk uit de heidenen vergaderd, Israëls roeping als het ware zou hebben verslonden en voor zich alleen geheel en volledig het nieuwtestamentische Israël zou zijn, waarin de ongelovige Joden nog eens in aanzienlijke getale zouden worden ingelijfd, maar zonder dat deze ooit weer op de voorgrond van het rijk van God op aarde zouden komen te staan en diens volmaking helpen teweegbrengen. Zij zullen ook nooit kunnen verklaren wat het zitten van de twaalven op twaalf tronen en het oordelen van de twaalf geslachten van Israël in Matth. 19: 28, als ook de eerste opstanding in Openb. 20: 5 moet betekenen, maar zich moeten tevreden stellen met een uitlegging die evenzeer op het wegwerpen van die plaatsen uit de Bijbel lijkt, als het ene ei op het andere. Maar moest de Heere, wanneer Hij naar de toestand van de zaak genoodzaakt was bij de roeping van de heidenen tot Zijn rijk af te zien van Israëls bemiddeling, ook afzien van een onmiddellijke zelfstandige werkzaamheid van de twaalven en door de roeping van een dertiende apostel, die bepaald voor de heidenen bestemd was, iets nieuws teweegbrengen, dan was hiertoe geen ander zo bijzonder geschikt als juist Saulus. Deze predikte door zijn vroeger drijven als Farizeeër vanzelf reeds de reden en de oorzaak, waarom Israël moest worden verworpen en waarom een onmiddellijk van het Jodendom onafhankelijke roeping van de heidenen moest plaatsvinden. Bovendien omdat juist hij het was die in hoofdst. 7: 56-8: 1 en 3 beslissing over Israëls lot had teweeggebracht, zo kon alleen dit bewustzijn van zijn vreselijke schuld jegens zijn volk aan zijn werkzaamheid onder de heidenen een zodanige richting geven dat hij aan de ene zijde met bijzondere gewilligheid het kruis op zich nam, dat om de nijd van de Joden een apostel van de heidenen nog in het bijzonder had te dragen en aan de andere zijde Israëls toekomst en bekering in latere tijd nooit uit het oog verloor Wat het laatste aangaat, is dan ook hij inderdaad die apostel geworden, die het duidelijkst en zekerst Israëls toekomstige bekering en wederopname in het verbond verkondigt. Zelfs een Johannes spreekt in zijn evangelie met grote afkeer van de “Joden” en heeft nog in de Openbaring zulke raadselachtige beelden en uitspraken, dat er een zeer scherp oor voor nodig is om daaruit Israëls toekomst te lezen. Tevens heeft hij ook aan de kerk, door hem uit de heidenen gesticht en uitgebreid tot aan de hoofdstad van de wereld, het bewustzijn diep willen inprenten, dat zij in het geheel geen reden had om zich over haar gaven en roeping tegenover Israël te verheffen en op haar plaats, die zij in het rijk van God verkrijgt, te pochen als op een onherroepelijke en onverliesbare. Het einde zal nog zeer wonderbaar zijn (Rom. 11: 11vv.). Maar juist in Rome heeft men in vervolg van tijd zijn leer het minst aangenomen en veel liever heeft men de eerste onder de twaalven aangenomen om zich boven de maat van eigen gaven en roeping te verheffen. Ook in de evangelische kerk wordt van de apostels voorspelling nog weinig verstaan en wordt zijn waarschuwing al te zeer in de wind geslagen. Eindelijk is Saulus met zijn spoedige en grondige bekering juist in een tijd, waarin hij, zoals Baumgarten zich in het boven aangehaalde woord uitlaat, tot het gepersonificeerd principe is geworden van de tegenstelling waarin het Jodendom tegenover de christelijke gemeente was gekomen, een onderpand en voorbeeld van de latere bekering van de Joden. Hij is een schitterend beeld van zijn volk geworden. Aan het eeuwendurend ongeloof en tegenstreven van dat volk zal ook eens een einde worden gemaakt, zegt da Costa, dat volk, dat zich eens zal overgeven aan Hem, die het heeft verworpen, als ook zij Hem zullen zien (Zach. 12: 10) en van Hem de apostolische roeping zullen ontvangen om alle volken, zodra zij als volk zich zullen bekeerd hebben, te bekeren tot hun Koning, die zij met aanbidding hebben erkend. Zelfs Luther verklaart zo’n bekering voor onmogelijk en wanneer ons Bijbelwerk volgens Openb. 11 vóór het einde van deze eeuw profeteert, dan komt dat bijna ieder als een vermetelheid, zo niet als een dwaasheid voor. Men houdt de vervulling van zodanige voorzegging naar de toestand, waarin nu het volk van de Joden is, voor een zaak van volstrekte onmogelijkheid. Maar toen Paulus dreigend en moord blazend naar Damascus trok om ook daar Zijn verwoestend werk te verrichten, wie zou het dan voor mogelijk hebben gehouden dat het laatste half uur van de weg vóór de stad, van die woedende vervolger de gezegendste arbeider voor Christus’ rijk zou maken? Wanneer men het Hooglied van Salomo beter verstond, dan het helaas! tot hiertoe het geval is, zou men ook beter zich kunnen vinden in de wegen die de Heere nog met het verstokte Israël voor heeft. Zo lere men dit tenminste uit Saulus voor mogelijk te houden en vergelijke men wat wij in vs. 3 lezen, met datgene wat in Openb. 11: 11vv. te lezen staat.
En toen hij reisde, is het geschied dat hij nabij Damascus kwam, zodat hij reeds de torens van de stad zag, waar hij vele vijandige dingen zou doen tegen de naam van Jezus en misschien God dankte dat hij Hem deze dienst mocht doen. (Joh. 16: 2) a) En hem omscheen plotseling op het midden van de dag b) een licht van de hemel, helderder dan de glans van de zon en ook degenen die met hem reisden, omscheen dit licht; maar terwijl dezen door de majestueuze verschijning onmiddellijk op de grond werden geworpen en voor een ogenblik als doden waren (Joh. 18: 6 Matth. 28: 4), zag Paulus ook Hem, die in de glans verscheen, de verheerlijkte Christus. (hoofdst. 22: 6, 9; 26: 13; 1 Kor. 9: 1; 15: 8, Dan. 10: 7)
2 Kor. 12: 2 b) Hand. 26: 13
Hij herkende in deze aanstonds Jezus van Nazareth, die hij persoonlijk wel kende. Hierdoor werd hij nog meer dan door het licht getroffen en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij, terwijl hij daar zo neerlag en de ogen vast gesloten hield, een stem die tot hem in de Hebreeuwse taal zei: Saul! Saul! (Gen. 22: 11; 1 Sam. 3: 10 Luk. 22: 31 Matth. 23: 27) waarom vervolgt gij Mij? Wat voor kwaad heb Ik gedaan, dat gij zo tegen Mij woedt? (Micha 6: 3).
Even vóór de aankomst te Damascus, even vóór dat de zon haar middaghoogte bereikt heeft, is Saulus tot het uiterste van zijn krachtsinspanning tegen de Heere en Zijn gemeente gekomen. Het licht omschijnt hem, dat hem eerst voor een korte tijd verblinding, straks het eeuwigblijvend licht aanbrengt.
Reeds is hij het doel nabij, reeds triomfeert hij in gedachten, daar – triomfeert de Heere over hem. Als de nood het hoogst is, dan is ook de hulp het meest nabij. Dit is zowel waar wat de christenen te Damascus als wat Paulus zelf aangaat.
Bijna had Paulus zijn reis volbracht, hij bevond zich reeds nabij het doel, nabij Damascus, toen een plotselinge verschijning hem terughield en neerwierp; een licht uit de hemel omgaf hem plotseling, zo ongedacht, zo geweldig en verblindend als een bliksemstraal. In de grondtekst is voor “omscheen” een woord gebruikt dat aan de bliksem doet denken; daarom is er toch niet van een werkelijke bliksem sprake, maar de verschijning van het licht wordt daar alleen mee vergeleken. Volgens hetgeen volgt (vs. 17 en 27) heeft Saulus Jezus zelf in de hemelse lichtglans gezien; de onmiddellijke indruk daarvan was: “Jezus leeft! ” In de waan dat Jezus van Nazareth, nadat Hij als misdadiger en godslasteraar gekruisigd was, in de dood was gebleven, vervolgde Saulus Zijn discipelen. Maar nu verschijnt de Opgestane en aan Gods rechterhand Verheerlijkte persoonlijk aan hem; de lichtglans, die Hem vergezelt, is die van God. Hij heeft dus verder ook de indruk, waar en bij wie Jezus nu leeft en welke heerlijkheid Hij bezit, zodat hij niet weigert te erkennen dat Hij de Heere is en Hem vervolgens ook aldus aanspreekt. Getroffen door de kracht van de verschijning, aangegrepen door een plotselinge schrik stort hij aanstonds ter aarde en ziet verder niets meer, maar hoort een stem die hem toeroept en waarop hij weer antwoord geeft. De vraag: “waarom vervolgt gij Mij” grijpt hem in het geweten en moet in hem het gevoel opwekken van het grote onrecht dat hij deed.
Misschien moet het sterke op de voorgrond plaatsen van zijn naam Saul van Tarsen, die een Benjaminiet was, evenals Saul, de zoon van Kis, zijn wezensgelijkheid met de verworden Koning van Israël doen voelen. Evenals de eerse Saul met zijn mannen uittrok, door een boze geest gedreven, om de gezalfde Koning van Israël te vangen en te doden, zo heeft zich ook deze met zijn gevolg opgemaakt, vol van dodeljke ijver, om Christus, de Gezalfde en Zijn leden te vervolgen en aan de dood over te geven.
Jezus is ver boven alle hemelen, maar Hij heeft de voeten op aarde; het hoofd is in de hemel, het lichaam op de aarde. Daar nu Saul op Zijn voeten sloeg en trad, riep het hoofd: “Saul Saul! waarom vervolgt gij Mij?
Saul vervolgde Jezus en Jezus vervolgde hem. Saul vervolgde Jezus in toorn en probeerde Zijn naam, Zijn woord en Zijn gemeente uit te roeien; maar Jezus vervolgde hem met genade en riep hem toe: wat heb ik u gedaan? waarmee heb ik u beledigd, dat gij Mij in Mijn leden met zoveel haat vervolgt en bedroefd? Zie, hoe gemakkelijk zou het voor Mij zijn u plotseling te verderven en met een donderslag in de hel te werpen; maar Ik wil u niet vergelden naardat gij verdiend hebt, Ik heb ook u van eeuwigheid liefgehad. Ik, die gij tot hiertoe hebt gehaat, heb Mijn bloed ook voor u vergoten, hoewel gij naar Mijn heilig bloed dorst! Hiervan zegt de apostel (Fil. 2: 1v.): Ik ben door Christus gegrepen, toen ik er het minst aan dacht, als een razend mens naar de hel liep, heeft mij mijn allerliefste Verlosser gegrepen en als een brandhout uit het vuur gerukt.
Reeds wist hij met wie hij te doen had en ook begreep hij wat dit verwijt moest betekenen, maar nog zocht hij zich te rechtvaardigen. En hij zei: Wie zijt Gij, Heere, dat ik U zou hebben vervolgd (Matth. 25: 44vv.)? ” En de Heere zei: Ik ben Jezus van Nazareth, die gij vervolgt in degenen, die in Mij geloven (Jes. 63: 9). a) Het is u hard de hielen tegen de prikkels te slaan (“Isa 35: 6” en “Jud 3: 31. Gij verwondt slechts uzelf daardoor (hoofdst. 22: 7v. ; 26: 14; 5: 39).
Hand. 5: 39
Het is de laatste tijd gewoon geworden zich Paulus op de weg naar Damascus voor te stellen in velerlei twijfelingen, overdenkingen en strijd. Hij zou vooral door de heldendood van Stefanus een diepe indruk hebben ontvangen van de macht van de christelijke Geest, zodat hij langzaam aan zou begonnen zijn over zijn standpunt te twijfelen. Terwijl hij zich nu in moeilijke slingeringen bevond over het juiste van zijn streven, zou een verschijnsel aan de hemel hem tot de volle overtuiging gebracht hebben dat Jezus de Christus was. Tegen die mening spreekt in de eerste plaats wat reeds bij hoofdst. 8: 1 is opgemerkt, dat Saulus de terdoodbrenging van Stefanus met welgevallen heeft beschouwd en van die tijd aan zien wij die besliste energie, waarmee hij zich aan het hoofd van de vervolging heeft gesteld. Toch lag daarin een werkelijke voorbereiding tot bekering, dat Saulus een ronde, eerlijke natuur bezat, die in elke richting alleen haar diepste overtuiging met gehele overgave kon volgen; dit was het materiële waarheidselement zelfs in zijn dwalen. De overpriesters, farizeeën en sadduceeën vervolgden de christenen grotendeels uit de onreinste beweeggronden; bij hem was een oprechte overtuiging, in zo verre namelijk de mens op zijn dwaalweg een overtuiging kan hebben; maar nu verklaart het woord: het is u hard de hielen tegen de prikkels te slaan, ” dat hij reeds een angel van de macht van de Heere had gevoeld, al was hij dat zich niet bewust. De angel van zijn geweten en zijn gevoel, de geschiktheid voor het Christusrijk in hem (Joh. 8: 47; 18: 37; 1 Joh. 4: 6 hem vanaf het begin tegen de verblinding reageren. En zo mogen wij wel aannemen dat een zo diep gemoed als dat van Saulus onbewust diepe indrukken van het heerlijk leven van de geest bij de christenen, vooral door de dood van Stefanus en het gedrag van zo velen die hij had gebonden, moest hebben ontvangen, zodat zijn fanatisme in elk geval sterk ondermijnd was. Maar hij werd nog vastgehouden door zijn overtuiging omtrent de eeuwige duur van de wet en van de waarheid van het wettische standpunt, terwijl hij aan de andere zijde meende aan de waarheid van de opstanding van Christus en aan het waarachtige van het woord van zijn getuigen te moeten twijfelen. Nu probeerde hij zijn bewustzijn te wapenen tegen de waarschuwende stemmen van de geest, die bij hem opkwamen, door met de sterkste hevigheid te ijveren.
Een oprecht hart dat tot grote afdwalingen kan worden vervoerd, zo’n hart vinden wij bij Saulus; ik zeg bij Saulus de vervolger, verdrukker, lasteraar; bij Saulus, die de kleren bewaarde van de moordenaars van Stefanus en de hand leende tot zijn dood. Gij herinnert u Nathanaël van velerlei vooroordelen tegen Jezus vervuld, maar wiens vooroordelen verdwijnen bij zijn eerste ontmoeting met Hem, omdat zij niet anders zijn dan de onbewuste zwakheid van “een waar Israëliet, in wie geen bedrog is. ” Nu dan, Saulus is een Nathanaël, maar een reus, bij wie God de vooroordelen tot een ontzettende grootte laat toenemen, om een des te krachtiger ontwikkeling te schenken aan de waarheid die ze overwinnen moet. Nathanaël zou zich tienmaal hebben gewonnen gegeven bij een schouwspel als dat van de dood van Stefanus; Saulus geeft zich niet gewonnen; hij ontsteekt des te heviger in toorn tegen hem, wie Stefanus met zo veel geloof aanroept en in wie hij met zoveel vrede ontslaapt. En toch, wie weet of die aanblik in het hart van Saulus niet een eerste twijfeling deed geboren worden, een eerste heilzame bekommering? Wie weet of die twijfeling, die kommer, eerst door hem als een lastige verzoeking van zich gestoten, misschien overgegaan in bitterheid en drift, niet de weg heeft gebaand tot het toneel bij Damascus? Saulus een moordenaar van Stefanus, Saulus, een leerling en arbeider in het voetspoor van Stefanus: o diepte! o erbarming! Hoe het zij al wat Paulus van zichzelf zegt, doet ons in hem vóór zijn bekering zien als een hardnekkig, maar met overtuiging handelend Jood, vurig maar oprecht Farizeeër, dienende God van zijn voorouders af in een rein geweten. Wat meer is, onderscheidt gij niet tot op zijn reis naar Damascus door die noodlottige misdadige afdwaling van Saulus heen, die blinde begeerte om God te dienen, waarvan Jezus zo’n waarachtig getuigenis heeft afgelegd? Op hetzelfde ogenblik dat de gehoorzaamheid over de lust en Paulus over Saulus zegeviert worden die woorden een Nathanaël waardig, vernomen; wat wilt Gij, dat ik doen zal en uit wiens mond: nog uit die van Saulus, of reeds uit die van Paulus? Uit de mond van beiden. Meent niet dat er van Saulus tot Paulus een woeste sprong heeft plaatsgehad, zonder zachte overgang; er is iets van Paulus in Saulus en van Saulus in Paulus. Er is een verborgen en geheim aanknopingspunt, bedekt voor de ogen van ieder mens en verborgen voor de vogels van de hemel, waar de genade zich vasthecht aan de natuur, het werk van God aan het werk van de mensen, het nieuwe aan het oude leven, Paulus de apostel aan Saulus van Tarsus. Dat punt is het gevoel dat doet spreken: wat wilt Gij dat ik doen zal? maar dat hem spreken doet in het licht van het ogenblik gisteren tot de God van Mozes, heden tot de God van Jezus Christus, voor de eerste maal als in een schemerlicht door hem ontdekt.
De gelijkenis is ontleend aan een weerspannig jukdier, dat voor de ploeg gespannen en met scherpe prikkels aangedreven wordt, maar achteruit tegen de prikkels aanslaat. Hier vandaan wordt de spreekwijze overgebracht tot mensen, die tegen bedreigingen en vermaningen moedwillig indruisen en zich daartegen verharden (Deut. 32: 15; 1 Sam. 2: 29 Zo was het ook met Saulus gelegen; hij had zich reeds een geruime tijd tegen de prikkels, die de Heere voor zijn overtuiging en verbetering had aangelegd, in de prediking van het evangelie en vele kenbare wonderen, moedwillig verhard. De Heiland waarschuwt hem daarom dat deze tegenstand tot zijn eigen verderf zou uitlopen en dat hij, wilde hij nu nog langer voortgaan, de meest geduchte straffen te wachten had.
Toen Saulus dat hoorde, was hij ontdekt aan zichzelf; dat woord ontdekte hem de gehele genade van Christus. Dat was geen prikkel die hij kon wegslaan; geen prikkel, waartegen hij de hielen durfde op te heffen. Een pijl van de Heere was het; een pijl van Zijn boog, naar de sterke, de geharnaste man geschoten, op de verwondbare plaats, tussen de gespen en tussen het pantser. Het is u hard de hielen tegen de prikkels te slaan. Zelfs in uw strijd, in uw ijver tegen Mij, zijt gij niet wat gij schijnt, zijt gij niet wat gij waarlijk meent te zijn. Uw hart bloedt en voor genezing scheurt gij het meer open. Mij jammert uw gapende wond. Laat af van Mij naar de kroon te steken, want gij steekt uzelf naar de hartader. Niet om mijn kroon, maar om uws levens wil; wat vervolgt gij Mij, het is u hard de hielen tegen de prikkels te slaan! Die ontferming ontwapent de held zonder genade.
Had Saulus de christenen niet uit onwetendheid (1 Tim. 1: 13), maar uit boosheid en moedwil vervolgd, zoals een Nero, was hij een lichtzinnig wereldburger geweest zoals Kajafas en Herodes, zoals een Judas, dan had ook een verschijning uit de geestenwereld hem niet kunnen veranderen (Luk. 16: 31). Nu bood hem echter zijn geloof aan de oudtestamentische openbaring, de ernst en de energie van zijn wil en zijn hoewel niet recht streven naar Gods eer en naar gerechtigheid een aanknopingspunt voor de genade aan; en nadat hij eens door Christus op bovennatuurlijke wijze was verlicht, moest hem ook de rede van Stefanus in hoofdst. 7 en diens opvatting van het Oude Testament, evenals zijn aanwijzingen omtrent het profetische karakter van het Mozaïsme, dat op iets hogers wees, een aanknopingspunt geven voor de ontwikkeling van zijn eigen leer.
Met de woorden: het is u hard de hielen tegen de prikkels te slaan, wordt bedoeld: 1) dat het vroegere krampachtige strijden van Saulus tegen het evangelie een slaan tegen prikkels geweest is, d. i. een tegenstand, waardoor hij zichzelf leed veroorzaakte (Ps. 32: 3); en 2) dat het hem van nu aan hard zou vallen, die tegenstand nog langer voort te zetten, namelijk na dit nieuwe bewijs voor de waarheid van het evangelie, dat voor hem in de openbaring van de Opgestane lag.
De woorden geven niet alleen de machteloosheid te kennen van alle menselijk verzet tegen de goddelijke prikkels, maar tevens spreken zij de gehele rijkdom van goddelijke barmhartigheid en genade uit. De Heere maakt het Saulus zwaar voort te gaan in zijn vervolgen van Jezus en zijn vermoorden van zichzelf; want voorwaar, het is zwaar de gloeiende kolen van Gods liefde in vijandschap uit te doven met het besluit: “ik wil mij niet bekeren!”
En hij, gebroken van hart en bevende en verbaasd zijnde, zei: “Heere! a) wat wilt Gij dat ik doen zal?” En de Heere zei tot hem: Sta op en ga naar de stad, die voor u ligt en daar zal u gezegd worden wat gij doen moet (hoofdst. 22: 10; 10: 6).
Luk. 3: 10 Hand. 2: 37; 16: 30
Ziet, de rechterhand van de Heere behaalt de overwinning, het trotse hart is vermurwd, verslagen, is gebroken in zijn diepste diepte. Het blazen is een sidderen en vrezen, de brullende leeuw is een vreesachtig lam geworden. Saulus wordt nu Paulus d. i. klein en moet belijden (Jer. 20: 7): Heere! Gij hebt mij overtuigd en ik ben overtuigd, Gij zijt mij te sterk geworden en hebt overwonnen. Zijn vraag: “Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal? ” is de tweede stap op de weg van de zaligheid. “Heere! wie zijt Gij? ” dat is de eerste levensvraag op deze weg, de vraag voor het geloof en de erkentenis. “Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal? ” dat is de tweede levensvraag, de vraag voor de wil en de wandel. En Saulus ontvangt een antwoord, maar één dat verootmoedigt; hij wordt nu aan menselijke lering en onderwijzing overgegeven, nadat de Heere zelf het eerst de baan gebroken heeft. In dezelfde stad, waarin hij als een rechter en verwoester wilde intrekken, moet hij nu intreden als een leerling, als een bidder, als een hulpbehoevende. Dat zijn Gods wegen; Christus’ weg gaat naar beneden! Maar de nederigen geeft de Heere genade.
Geen voetstap meer op deze weg. Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? De woedende stier is getemd. Hij neemt een meester aan? Hij buigt de brede hals onder Zijn zacht juk. Hij trekt zijn ploeg, hij trekt zijn dorsslede gewillig, werkzaam, getrouw. Daar staat geschreven: een dorsende os zult gij niet muilbanden. Maar al zou men hem muilbanden, hij zal niet minder de arbeid voortzetten tot het einde toe op de akker, op de dorsvloer van zijn Heer. Och, of voor allen die daar tegen de Heer en tegen zichzelf strijden, dat ogenblik kwam, waarin het hun duidelijk werd dat Hij meer barmhartigheid heeft dan zij over zichzelf, dat hun strijd een strijd was tegen de rust, tegen het geluk van hun ziel en tegen Zijn eer, ja, maar ook tegen Zijn liefde, een liefde die zich niet overwinnen liet door hun haat, diezelfde liefde, waardoor Hij voor de Zijnen gestorven is toen zij nog zondaars waren, diezelfde, waardoor Hij hen, vijanden zijnde, met God verzoend heeft door Zijn dood.
Wat een vraag en bewijs van dadelijke gehoorzaamheid! Het is een uitroep, een kreet, die bewijst dat het kind geboren is en dat het leeft. Hij weet nog niets van het christendom en toch kent Hij de Heere in Christus. Hij voelt dat hij met God zelf te doen heeft en hij valt op zijn knieën en aanbidt en vraagt naar Zijn wil. Nu is te willen wat de Heer wil het teken van de wedergeboorte. De eigen wil van Saulus was gebroken en nu was er plaats voor de wil van God. Onze eigen wil is de spil waar geheel onze persoonlijkheid en al onze krachten zich om bewegen. Eenmaal door de zonde bij God vandaan getrokken, zoeken wij niet meer ons middelpunt in God, maar in onszelf. En hierin bestaat, zoals wij meermalen hebben opgemerkt, die valse goddelijkheid, die de Satan aan onze eerste ouders door de zonde beloofde en ook gaf. “Gij zult uw eigen meester zijn en hebt dan niet naar God te vragen, uw eigen wil zal uw wet zijn. ” Zo luidde de belofte van de satan en is die ook niet door hem vervuld? Leeft de natuurlijke mens niet naar zijn eigen wil? Is hij niet zichzelf genoeg? Zegt hij niet in stilte wat Faraö luidop zei: Wie is de Heer, wiens stem ik gehoorzamen zou? Ik ken Hem niet. Het zijn eigen meester zijn in al zijn doen en laten is een aan God gelijk zijn, maar een vals. Het is enkel schijn, want God blijft de God van de boze, eigenwillige mens en heeft deze zich aan Gods liefde onttrokken, hij kan zich niet onttrekken aan Zijn macht, aan Zijn heiligheid, aan Zijn straf. Daarom is de goddeloze alleen zo lang zijn eigen meester, totdat hij zich bekeert en gered wordt, of sterft en verloren gaat. De ware goddelijkheid is Gods wil te doen; wie Gods wil doet, regeert met Hem de wereld, heeft iemand gezegd en het is mooi gezegd en waar ook. Door Gods wil te doen, zijn wij Zijn medearbeiders in al Zijn heerlijke werken, de medeuitvoerders van al Zijn heerlijke, oneindige, eeuwige ontwerpen. Zie het aan Saulus; zo lang hij zijn eigen wil deed, de inspraak van zijn eigen hart volgde, was hij een verwoester van Gods hemels werk, van de gemeente en van nu af zou hij zichzelf een medearbeider van God noemen en ook Zijn.
Saul zou niet hebben geweten wat hij doen moest; maar hij moet niet wederkeren naar Jeruzalem, hij moet integendeel de stad in en daar verdere aanwijzing afwachten, waarvan hij nog niet weet, door wie zij hem zal toekomen.
De Heere wil hem niet zelf de nadere aanwijzing geven, hij moet die ontvangen van de discipelen die tot hiertoe door zijn hand vervolgd waren en nu niet van de apostelen te Jeruzalem, die voor pilaren werden gehouden, maar van de eenvoudige mensen te Damascus, voor wie de ondergang vaststond. Dat was een vuurproef voor de aanzienlijke Farizeeër, de geleerde leerling van Gamaliël.
Paulus ontving zijn apostolische roeping en de toerusting tot Zijn ambt later van de Heere zelf zonder menselijk onderricht (Gal. 1: 11 vv.); maar een christen moest hij worden langs de gewone weg door de dienst van anderen.
a) En de mannen die met hem over weg reisden en bij het schitteren van het licht eveneens (vs. 3) ter aarde waren gevallen, stonden weer op, toen het zo-even meegedeelde plaats had. Zij waren verbaasd, sprakeloos van schrik en overmeesterd door een beangstigend gevoel, omdat zij wel de stem hoorden, hoewel zij de woorden van de Spreker niet konden onderscheiden, noch de inhoud van het woord verstaan (Joh. 12: 28vv.), maar niemand zagen; zij merkten wel het licht op, maar geen bepaald persoon, die de stem liet vernemen (hoofdst. 22: 9).
Dan. 10: 7
Deze mannen waren met Paulus uitgetrokken om te helpen vervolgen; nu moeten zij voor hem als getuigen dienen dat hetgeen hij gezien en gehoord had geen fantasie geweest was, want zij stonden daar stom en verstijfd. Zij hadden zich eerder dan Paulus van de grond opgericht, zij hadden de stem van de hemel gehoord, zonder te verstaan wat Hij tot Paulus sprak, zonder Hem op te merken die Zich in zo’n licht aan Paulus vertoonde. Het werd zijn metgezellen niet gegeven te zien en te horen wat Paulus hoorde en zag; zij waren er ook niet toe verkoren om getuigen van de Opgestane te worden. Maar wat zij hoorden en zagen dat hoorden zij toch niet alleen om de wil van Paulus en van anderen, aan wie zij het zouden zeggen: ook hun zielen greep heden de machtige hand van God genadig aan en hebben zij zich niet bekeerd, zijn zij stom gebleven in het schuldbelijden en in het loven van de Heere Jezus, zo zal deze weg naar Damascus ontzaglijk tegen hen getuigen in de dag van het gericht.
De metgezellen van Paulus in zijn zonden moesten ooggetuigen worden van zijn bekering; de bekering van de man, wiens gloeiende vijandschap tegen Christus rondom als een brandfakkel had geschitterd, moest niet plaats hebben in een eenzaam kamertje, maar in het openbaar voor vele getuigen. (LEONH. en SPIEGELH.).
En Saulus, gehoorzaam aan dat woord (vs. 6), stond op van de aarde en toen hij zijn ogen opendeed, die hij tot hiertoe had gesloten gehouden, zag hij niemand en niets, want deze open ogen hadden ten gevolge van de ontvangen verschijning (hoofdst. 22: 11) hun kracht tot zien verloren; hij tastte alzo rond en zocht geleiders (Hand. 13: 11). En zij die met hem waren, leidden hem bij de hand en brachten hem te Damascus, waar hem een verblijf werd gegeven, in de straat, in vs. 11 genoemd, in het huis van een zekere Judas (“Mt 10: 4” No. 12).
De verblinding was er geen die fysisch was teweeggebracht, maar, evenals haar opheffing, een wonderbare. Het doel daarvan was aan de ene zijde dat Paulus een blijvende indruk zou behouden en weten dat het geen droom, geen visioen was geweest dat hem was overkomen, aan de andere zijde dat hij, van de buitenwereld afgezonderd, rustig zou nadenken.
De lichamelijke verblinding moest voor hem een gezegend middel Zijn om de Heiland, die Zich aan hem had geopenbaard, in zijn ziel op het nauwkeurigst te beschouwen en Hem in de geest te leren kennen. Jezus verheerlijkte Zich in zijn hart, daarom mocht hij niets van de mensen en de ijdelheden rondom hem zien.
De duisternis die hem uitwendig omgaf, was slechts een beeld daarvan dat het licht, dat tot hiertoe voor hem had geschenen, het natuurlijk licht van zijn geest, van zijn geleerdheid in de Schrift, van zijn gerechtigheid in hem was uitgeblust en hij nu op een ander moest wachten. Weliswaar had hij het nieuwe hogere licht, de zon van de ware wijsheid en gerechtigheid reeds van ver gezien, maar hij moest inzien hoe dit licht met de duisternis, die anders licht wordt genoemd, geen gemeenschap kan hebben, hoe zijn natuurlijk licht niet in staat was om het hemelse naar beneden te brengen, hoe hij door zijn wijsheid Gods wijsheid niet kon leren kennen, door zijn gerechtigheid Gods gerechtigheid niet kon verkrijgen, hoe het eenvoudig weten van wat de Heere wilde, nog niet voldoende was om het tevens te volbrengen. Het scheen een gemakkelijke opdracht te zijn: “sta op en ga naar de stad;” maar zelfs dat kon hij niet.
En hij was aldaar drie dagen, dat hij niet zag en hij at niet en dronk niet Mt 4: 2.
De trotse beschermer van de oudtestamentische theocratie, die de wereld als een Elia zuiverend wilde doorstormen, moest zich nu een als arme blinde bedelaar diep geknakt door zijn mannen laten leiden.
Zijn vroeger licht, waarin hij waande alle anderen te kunnen leiden (Rom. 2: 18vv.), was uitgeblust. Als een kind moest hij zich laten leiden en nu te Damascus in blindheid gedurende drie dagen en in even zo langdurig vasten ootmoedig wachten op hoger licht van genade en van geloof; Vgl. 2 Kor. 4: 6.
Hij moet zich als een kind laten leiden door de poort, waardoor hij als een held dacht in te gaan. Hij wordt als een gevangene van de Heere gebracht in de stad, waaruit hij de gelovigen gebonden had willen voeren.
Zijn vasten is niet door hemzelf gekomen, maar door de verschrikking van de ziel is hij er toe gedrongen; hij vergat te eten en te drinken; hij kon niets anders doen dan bidden. Vgl. vs. 11.
Hoe dikwijls zondert men zich niet tot een genezing, tot een bezoek van zijn bloedverwanten dagen en weken af met terzijde stelling van zijn ambt en zijn huishouden; maar wie heeft wel eens drie dagen besteed tot grondig onderzoek en tot verandering van zijn gezindheid?
De machtige vervolger wordt als een machteloze blinde door enkelen van het reisgezelschap binnen de stad gebracht, waar hij kwam om te woeden en te vervolgen, maar nu gaat hij bidden en aanbidden, gedurende een drietal dagen van lichamelijke blindheid en lichamelijk vasten.
Hoe ver was nu voor hem het wezen van de zonde en de ontoegankelijkheid van het wettische standpunt voor God open gegaan, daar hij in zijn ervaring tot de overtuiging was gekomen dat men op dit standpunt bij het beste bedoelen een lasterend vijand van God en van Zijn Christus kon worden en dat de uitwendige wet en vooral de verklaring van de wet in haar verschillende geboden niet voor een zo diepe val kon bewaren. En hoe hoog mocht hem dadelijk de kracht van de verkiezing van de genade, de genade zelf en de rechtvaardiging voorkomen, daar hij op deze weg van het verderf, midden in zijn woedende loop zo plotseling, zo wonderbaar en onverdiend gered was! Ook de heerlijkheid van de Opgestane en ten hemel gevaren Christus vertoonde zich aan hem in een heerlijk licht, daar hij zag dat de Heere, die sedert lange tijd ten hemel was gevaren, ook nu nog met persoonlijke tegenwoordigheid op aarde kon optreden.
Nu had zeker de Heere zonder het uitwendig middel van de genade Zijn geest in het hart van de verslagene kunnen zenden en van de hemel de hand van de vrede op hem kunnen leggen; maar de toekomstige apostel van de heidenen moest eerst aan zichzelf ervaren wat de Kerk is, namelijk de bezitster en uitdeelster van de genade van het leven.
Deze geschiedenis is bij uitstek een voorbeeld van christelijke boete en oprechte bekering. Dat is het eerste, dat men de zonde inziet, zoals dus Christus Paulus van de hemel af verschrikt, opdat hij niet in de zonde zou voortgaan maar ervan zou afzien. Waar nu zo’n kennis van de zonde is, daar moet ook volgen dat men met sidderen en beven met Paulus spreekt: “Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal” d. i. men moet in het evangelie geloven en in Christus de vergeving van de zonde, die ons in de doop is toegezegd, hopen en daarna de naam van Christus belijden en de genade, die ons is gegeven, voor iedereen prijzen en anderen ook tot die kennis brengen, dat heet en is een christelijk leven.
En er was een zeker discipel, een gewoon gemeentelid (hoofdst. 11: 26) te Damascus, die vroeger Jood was en om zijn streng wettische vroomheid nog heden bij de Joden in groot aanzien was (hoofdst. 22: 12), met name Ananias. Deze naam was bij de Joden veel in gebruik (hoofdst. 5: 1vv. ; 23: 2). En de Heere Christus (vs. 13v. en 17) zei tot hem, nadat drie dagen (vs. 9) waren verlopen, in een gezicht dat Hij hem de volgende morgen gaf, terwijl tegelijkertijd Saulus eengezicht overeenkomstig zijn behoefte ontving (vs. 12): Ananias. En hij zei: zie hier ben ik, Heere! gereed om U te dienen (Gen. 22: 1, 7; 37: 13).
En de Heere zei tot hem: Sta op en ga in de straat, genaamd de Rechte, omdat deze in onderscheiding van de andere, die hoekig of krom zijn (vgl. vs. 2), recht doorloopt en vraag in het huis van Judas, die daarwoont, naar iemand met de naam Saulus, a) van Tarsen in Cilicië afkomstig. Gij zult hem brengen wat hij nodig heeft en wat Ik hem wil geven, want zie, hij bidt, opdat hij uit de ellende waarin hij verkeert, wordt geholpen.
Hand. 21: 39; 22: 3
Gebeden worden terstond in de hemel opgemerkt. Op het ogenblik dat Saulus begon te bidden, hoorde de Heer hem. Hier is troost voor de beangstigde, maar biddende ziel. Dikwijls buigt een arme gebrokene van hart de knieën, maar hij kan zijn klachten alleen in de taal van zuchten en tranen uiten; toch heeft die zucht al de harpen van de hemel met muziek doen trillen en die traan is door God opgevangen en in de fles van de hemel bewaard. Gij bewaart mijn tranen in uw fles, dit veronderstelt dat zij opgevangen worden naarmate zij vloeien. De bidder, die in zijn angst geen woorden kan vinden, wordt door de Allerhoogste verstaan. Het oog, waarmee hij naar boven ziet, is wellicht beneveld; maar de vallende traan is een gebed. De tranen zijn de diamanten van de hemel; de zuchten maken deel uit van de muziek in de hof van de HEERE en zij worden geteld onder de verhevenste tonen die het oor van de hoogste Majesteit bereiken. Denk niet dat uw gebed onverhoord zal blijven, al is het zwak en aarzelend. Jakobs ladder is hoog, maar ons gebed rust op de Engel van het verbond en zal haar alzo kunnen bestijgen. Onze God hoort niet alleen het gebed, maar Hij hoort het graag. Hij vergeet niet het geroep van de ellendigen. Voorwaar, Hij ziet niet naar hoge blikken en verheven woorden; het is Hem niet te doen om de statie en de glans van de koningen. Hij luistert niet naar de klank van de krijgsmuziek; Hij schenkt geen aandacht aan de triomf en de hoogmoed van de mensen, maar waar een hart is, bezwaard met droefheid of een lip die van angst beeft of een diepe zucht of een traan van berouw, daar is het hart van de HEERE geopend; Hij tekent die op in Zijn gedenkboek; Hij legde onze gebeden als rozenbladeren in Zijn gedenkboek en wanneer het boek uiteindelijk geopend wordt, zal er een liefelijke geur uit oprijzen.
Bij ‘t bidden vraagt het stil geloven Geen hemels teken van de Heer, Maar onze voorspraak zendt van boven Het antwoord aan de bidder neer.
Met woorden, alleen de Heere waardig, zegt Hij tot Ananias wat er met Saulus gebeurd is. De Heere zegt niet, zoals ieder ander zou gezegd hebben: “Saulus is bekeerd en wel door mijn tussenkomst; ” nee, niets van dat alles. U voelt ook het onvoegzame hiervan bij de Heere. De Heere toont alleen uit de goede vrucht wat er uit de wilde boom geworden is. Het is hiermee alsof men van een dodelijk zieke, nadat de crisis is doorstaan, zegt: “hij slaapt! ” Hiermee is alles gezegd. Hij bidt! Die bidt, verootmoedigt zich. Bidden is spreken met God; en waarover spreekt een ziel met God dan over haar zonde en over Zijn ontferming, dan over haar nood en Zijn redding, dan over haar behoefte en Zijn voorziening er in? Maar had Saulus dan tevoren niet gebeden? Nee, hij had tot hiertoe nog niet gebeden, want hij kende de naam van Jezus nog niet en wie Jezus niet kent en geen aanroeper is van Zijn naam, bidt niet, hij spreekt alleen. God wil aangebeden zijn in geest en waarheid en niemand doet dit, als hij niet de Vader aanbidt in de Zoon door de Heilige Geest. De Vader wil niet geëerd zijn buiten de Zoon en de Zoon niet buiten de Vader en beide niet dan in de Heilige Geest.
En hij heeft, opdat hij ook zal weten door wiens bemiddeling hem zowel de geestelijke als de lichamelijke hulp van Mij ten deel zal worden, ook heden in een gezicht gezien dat een man genaamd Ananias, binnenkwam en hem de hand oplegde, opdat hij weer ziende werd, omdat hij nu reeds drie dagen met blindheid is geslagen.
Toen Paulus gebracht werd in de Rechte straat (vs. 8) zou hij toen niet bij zichzelf hebben gedacht: “ach ja, ik ging op kromme, op dwaalwegen, maar nu wilt Gij, Heere! “mij leiden op de rechte weg” (Ps. 23: 3)? Ook de naam van de huisheer “Judas” moest voor hem betekenis hebben. Zijn vals Jodendom moest in Judas’ huis worden begraven en als een ware Jood, namelijk als een christen moest hij opstaan. En tegelijk is de naam van hem die tot hem wordt gezonden vol betekenis en spreekt die hem van hulp in zijn nood; want Ananias betekent: “de Heere gedenkt of begenadigt.”
Saulus scheen gedurende de drie dagen van zijn uitwendige blindheid geheel verlaten en zonder vrienden, maar hij is het niet; de trouwe Herder verzuimt het teruggevonden schaap geen ogenblik, maar heeft reeds het werktuig tot zijn oprichting gereed. En wel een weinig schitterend werktuig; wij weten van deze Ananias verder niet veel. Hij was, zo schijnt het, een eenvoudig discipel, één van de stillen in den lande. Men zou hebben kunnen menen dat, als tot de pas bekeerde Samaritanen (hoofdst. 8: 14 vv) de twee voornaamste discipelen werden afgezonden, tot een bekeerde Paulus, tot deze machtige geest, toch minstens ook een Petrus of Johannes had moeten worden gezonden om zijn belijdenis te ontvangen en hem de zegen te geven; maar nee, de Heere gebruikt daartoe een gewoon lid van de gemeente, want het is Hem hetzelfde door veel of door weinig te helpen. (1 Sam. 14: 6).
Tot het gezegende ambt van leraar zijn geen verheven gaven en grote waardigheden nodig, maar alleen getrouwe knechten. Ook in de keuze van Ananias lag een wijze leiding van de Heere. De geleerde Farizeeër moest tot zijn verootmoediging een ongeleerde christen als leraar krijgen; was een Petrus of een ander groot apostel tot hem gezonden, dan had Paulus daardoor aan de ene zijde trots en aan de andere zijde van menselijk aanzien afhankelijk kunnen worden.
Hij moet zijn licht ontvangen van een klein zwavelstokje, van één, die bij Paulus nog geen vinger was, als een kaarsje bij de Zon.
Wij moeten ons de toestand van Paulus gedurende de drie dagen niet zo denken als Bengel die beschrijft: “daar gezicht en smaak verdoofd waren, heeft hij zich inwendig in de eenzaamheid met bidden bezig gehouden. ” Het gebed heeft hem zeker niet gedurende zijn worsteling vergezeld, maar het gebed heft de afgematte strijder op; niet het bidden was de inhoud van de drie dagen, maar het gebed maakte een einde aan de jammer die de drie dagen vervulde. Natuurlijk heeft Saul heden niet voor de eerste maal in zijn leven gebeden, hij zal als een onberispelijk Farizeeër geen gebedsuur hebben verzuimd, maar zijn bidden dat hij tot hiertoe deed, verdient die naam niet; hij stond op de hoogte van de eigengerechtigheid, die hij zichzelf had gemaakt en had God vernederd tot de diepte dat Hij Zijn woord en Zijn wet misbruikte tot bevestiging van zijn verkeerde wil. Nu ontdekt hij voor de eerste maal de kloof tussen God en hem. Hij voelt dat hij zelf in de diepte van de afgrond ligt, maar hij ziet de HEERE in de onmetelijke hoogte van zijn heiligheid. Wanneer hij nu bidt, kan het slechts in het geloof geschieden. De naam “Jezus, ” die van de hemel klinkt, heeft hem als een bliksemstraal ter aarde geworpen en zijn gehele wezen vernietigd. Maar is deze naam niet een waarborg van de zaligheid en wel van die zaligheid, die voor Paulus de enige redding is? Hij en zijn tochtgenoten zagen in de beide namen Mozes en Jezus twee onverzoenlijke tegenstellingen. Omdat Stefanus Jezus aanriep, meenden zij, had hij Mozes gelasterd, daarom heeft ook Paulus de christenen gedwongen Jezus te lasteren (hoofdst. 26: 11) om Mozes te eren. Maar hoe staat de zaak thans? Mozes, de drager van de wet, is voor Saulus de onverbiddelijke rechter met het doodvonnis geworden, wat blijft hem anders over dan de verachte, gelasterde naam Jezus? Zou die naam, zo vol kracht, die reeds zo velen prijzen, de kracht niet hebben ook hem, de door Mozes’ wet aan de dood overgegeven mens, uit Zijn nood te helpen en tot zaligheid te brengen? Had Stefanus, wiens einde hem in deze dagen natuurlijk onophoudelijk voor de geest stond, niet in zijn doodsnood deze naam aangeroepen en was hij bij dat aanroepen niet aangedaan met een vreugde, zoals hij nooit had gezien? Zo verkrijgt de verschrikking van Jezus’ naam voor Saulus langzaam aan een gedaante die hen vertrouwen inboezemt; en hij waagt het deze naam aan te roepen.
In de mededeling: “zie, hij bidt, ” vat de Heere de gehele verandering samen die met Saulus intussen heeft plaatsgehad; men kan ook werkelijk de gehele weg van de bekering niet korter en tevens vollediger beschrijven. In het gebed grijpt men de goede wil van God aan, waardoor men eerst is gegrepen en hecht men zich aan de machtige trekkingen van God; in het gebed geeft ook de mens zijn wil over en daarbij heeft niet alleen een afbidden en vragen van de genade en vergeving plaats, maar al de ernst is ontbrand die men voor God en Zijn waarheid voelt en waaronder men stap voor stap alle verdere zekerheid verkrijgt.
Zie, hij bidt – een schoon woord omtrent een bekeerde zondaar 1) om de gesteldheid van zijn eigen hart aan te wijzen: a) hij bidt, dus is hij geen lasteraar meer van Jezus, maar hij ligt smekend voor de Heere, die hij vroeger vervolgde; b) hij bidt, dus is hij geen vervolger meer van de christenen, maar hij heeft het zwaard weggeworpen en de weerloze handen in vrede gevouwen 2), om harten voor Hem te winnen, die Hem liefhebben: a) de Heere zelf ziet van de hoogte en uit Zijn heiligdom met liefde neer op het gebroken hart, dat in gebed voor Hem ligt, b) de gemeente van de Heere moet zich tot Hem keren met hartelijke ontferming en niet meer als een verlorene mijden en niet meer als een gevaarlijke vrezen, van wie eens is gezegd: “zie, hij bidt!”
En Ananias wist, naar wat hem was meegedeeld, te veel van Saulus om het woord “hij bidt” te geloven en daaruit de drievoudige vermaning te trekken: vrees niet voor hem, want hij is weerloos; veracht hem niet, want er is een goed werk in hem begonnen; verlaat hem niet, want hij verlangt naar troost en hulp. Hij antwoordde: Heere! ik heb van velen gehoord van deze man, a) hoeveel kwaad hij Uw heiligen, de christenen (vs. 32 Rom. 1: 7) in Jeruzalem gedaan heeft (hoofdst. 8: 3).
Hand. 9: 1; 1 Kor. 15: 7 Gal. 1: 18; 1 Tim. 1: 13
Nu is hij ook tot ons naar Damascus gekomen en heeft hier macht van de overpriesters om te binden allen, die Uw naam aanroepen en hen aan de hoge raad ter veroordeling uit te leveren.
Maar de Heere zei tot hem: Ga heen, zoals Ik u bevolen heb (vs. 11) en laat al uw bedenkingen varen, a) want Ik ben hem op de weg hierheen zichtbaar verschenen (vs. 17) en heb zijn ziel gered uit het verderf (Job 33: 30), zodat gij hem niet eens hoeft te bekeren, maar alleen hebt in te lijvenin de gemeente van hen, die Mijn naam aanroepen. Deze is, wat zijn toekomstige loopbaan aangaat, Mij een uitverkoren vat, om als zodanig (Rom. 9: 23; 2 Kor. 4: 7) hem gelegde naam door openbaring daarvan in zijn eigen wezen en in zijn wandel, maar ook door verkondiging van deze en de prediking van het evangelie, te dragen voor de heidenen en de koningen, waarmee hij in aanraking zal komen (hoofdst. 13: 7; 24: 24; 25: 23; 23: 11 en 27: 24 en de kinderen van Israël, die hij nooit uit het oog zal verliezen en voor wie hij een bijzonder voorteken is (hoofdst. 22: 19v. 1 Tim. 1: 13-16).
Rom. 1: 1 Gal. 1: 15; 2: 8 2 Tim. 1: 11
Ja deze is Mij een uitverkoren vat, a) want Ik heb nog bijzondere wegen met hem voor (hoofdst. 26: 16) in verheven openbaringen en Ik zal hem, opdat bij zich daarop niet zal beroemen (2 Kor. 12: 1vv.), tonen hoeveel hij lijden moet om Mijn naam.
Hand. 26: 11; 2 Kor. 11: 23
Zo is het met de gelovigen gesteld: zij hebben nodig het tweemaal van de Heere horen om het te begrijpen, om het aan te nemen.
De bedenking van Ananias komt deels uit menselijke zwakheid voort, die ook bij de heiligen nog wordt gevonden (“Ge 15: 3″en “Ps 62: 8, deels uit prijzenswaardige voorzichtigheid, want men moet wat zich als buitengewone openbaring voordoet, niet onvoorwaardelijk vertrouwen.
De Heere blijft eenvoudig bij het bevel en stelt de bezorgde ermee gerust dat Saulus niet alleen aan de gemeente geen schade meer zal doen, maar zelfs door Hemzelf is verkoren om Zijn eer te bevorderen, de belijdenis van Zijn zaligmakende naam uit te breiden. De uitdrukking “dragen” schijnt gekozen in overeenstemming met het beeld van een “vat” waarin een schat van grote waarde wordt gedragen. De kring van de mensheid, waarin Saulus de naam van Jezus zal dragen, is drieërlei: 1) heidense volken, 2) regerende mannen of vorstelijke personen, 3) de kinderen van Israël. De heidenen zijn vooropgeplaatst, Israël is het laatst genoemd, om te zeggen dat de roeping van Saulus in de eerste plaats ziet op de heidenwereld, dat hij bij deze zijn werkkring zal vinden. Israël zal echter van zijn werkkring niet zijn uitgesloten, maar pas later in aanmerking komen.
De roeping tot de kinderen van Israël is reeds hier een als het ware bijkomstige, zoals ook de Griekse volzin doet uitkomen.
Terwijl de twaalven in de eerste plaats voor Israël zijn geroepen, is Saulus in de eerste plaats voor de heidenen geroepen; dit verschil van zijn apostolisch ambt is niet willekeurig, maar door de geschiedenis van de roeping zelf aangegeven. Toen de Heere de twaalven riep, wandelde Hij in nederigheid en beperktheid van het vlees, behorende tot het volk waarvan Hij afstamde en tot het land van zijn geboorte (Matth. 15: 24); toen Hij Saulus riep, openbaarde Hij Zich ook wel lichamelijk; maar in het lichamelijke van de Geest en van de hemel, in de staat van Zijn verheerlijking keert Hij Zich tot alle mensen (hoofdst. 22: 15). Wanneer nu de apostel van de heidenen eveneens uit het volk van Israël door Hem wordt verkoren, dan geschiedt dit naar de geschiedenis van de profeet Jona, waarin bewezen is hoe moeilijk, ja hoe onmogelijk het voor een Israëliet is, met de boodschap van de zaligheid het heilige land te verlaten en zich tot de heidenwereld te wenden. Jona kon niet eerder die weg opgaan en zijn boodschap volbrengen, voor hij drie dagen en drie nachten in de diepte was geweest en daar tot de gedachte was gekomen dat hij voor de ogen van God verworpen was, maar daar, toen zijn ziel bang was, dacht hij aan de HEERE en bad hij uit de diepte en Zijn gebed steeg op tot de tempel van Gods heiligheid (Jona 2: 1-8). Uit dit gezichtspunt valt een nieuwe lichtstraal op het geheim van die drie dagen in het leven van Saulus.
De laatste woorden: “Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet terwille van Mijn naam” geven te kennen dat Ananias aan Saulus alleen de genade tot de nieuwe christelijke staat moet verkondigen; tot zijn ambt wil de Heere zelf hem bekwaam maken en hem de weg wijzen, die hij moet bewandelen en dat zal geschieden naar de grondstelling: hoe meer genade, des te meer lijden.
En Ananias was nu niet meer bang, maar begaf zich integendeel met vreugde en in haast op weg. Hij ging naar de hem aangewezen straat en kwam in het huis van Judas (vs. 11). Daar vond hij bij het binnentreden Saulus op de knieën liggende nog in gebed (vs. 11); hij trad op hem toe en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, die u verschenen is daar buiten op de weg, waarlangs u gekomen bent naar deze stad. Hij heeft mij tot u gezonden, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zou worden. De Heere gaf hem op dat ogenblik alles in wat hij nu sprak, want bij de openbaring in het gezicht (vs. 10vv.) was nog veel onbepaald gelaten (Matth. 10: 19v.).
En terstond, toen hij zo tot Saulus sprak en hem de handen oplegde, vielen af van zijn, van Saulus’ ogen, als schellen, niet in werkelijkheid, maar voor zijn gevoel en hij werd terstond weer ziende en aanstonds viel zijn oog opde man die voor hem stond en die hij herkende als de man die hij tevoren in een gezicht had gezien (vs. 12 hoofdst. 22: 13) en stond, zoals Ananias hem gebood, op en werd naar diens nadere verklaring (hoofdst. 22: 14-16) gedoopt in de rivier Amana.
En toen hij het sacrament en daarbij de Heilige Geest had ontvangen en weer in zijn herberg gekomen was en gegeten had, werd hij versterkt en verkwikt na zo driedagen zich geheel van spijs en drank te hebben onthouden (vs. 9). En Saulus, na zijn doop door Ananias in de gemeente ingeleid, verbleef enkele dagen bij de discipelen, die te Damascus waren, om door het contact met hen geestelijk versterkt te worden, zoals hij door spijze lichamelijk gesterkt was.
Het komen van Ananias, die Saulus eerst in een gezicht had gezien, had in de eerste plaats ten doel hem van zijn blindheid te bevrijden. Was deze blindheid oorspronkelijk het onwillekeurig gevolg van de hemelse glans die hij gezien had (hoofdst. 22: 11) en verder uitwerking van de inwendige, dodelijke gevolgen van die openbaring geweest, nu is hem de bevrijding van die plaag het onderpand van de verlossing van de rechtende macht, die door die openbaring over hem is gekomen. Dit is daarom ook het eerste wat Ananias hem geeft, als hij hem de handen oplegt. Wanneer echter Ananias uitdrukkelijk zegt dat de Heere Jezus hem zendt, dan moet Saul opmerken dat dezelfde, die hem geslagen heeft, hem nu ook geneest, dezelfde, die hem gedood heeft, hem nu ook levend maakt, zoals hij het van de HEERE weet (Deut. 32: 39). En terwijl Ananias hem de handen oplegt en hem daarna het gezicht teruggeeft, ervaart Saulus dat de wonderkrachten van de Heere aan Zijn gemeente zijn gegeven, omdat Hij in de gemeente is en werkt, zoals hij vernomen heeft uit het woord: “Ik ben Jezus, die gij vervolgt. ” Maar evenals de blindheid slechts een teken en een werking van de dood was, zo is ook het weerzien nog niet het eigenlijke heil en het leven, maar alleen een voorbode daarvan. En zo had Ananias niet alleen aan Saulus het weerzien beloofd, maar ook het vervuld worden met de Heilige Geest. Evenals het weerzien werd verleend door de oplegging van de handen, zo ook de vervulling met de Heilige Geest door de doop, waartoe Ananias Saulus dringt met het woord, dat in hoofdst. 22 is meegedeeld. Met recht houdt hij alle onderwijzing en voorbereiding tot de doop overbodig: hier is een begrijpen van de doop in de naam van Jezus teweeggebracht, zoals dat nog niet heeft bestaan en ook niet kan weerkeren.
Het nemen van de spijs, waardoor de gedoopte gesterkt werd, herinnert aan het dochtertje van Jaïrus, waaraan de Heere beval spijze te geven, nadat Hij het had opgewekt. (Luk. 8: 55).
En hij predikte terstond Christus in de synagogen, toen hij van de overste vergunning tot spreken had ontvangen, aan de Joden te Damascus, en legde er vooral grote nadruk op dat Hij de Zoon van God is, zoals hij daarvan uit persoonlijke ervaring getuigenis kon afleggen. De christelijke gemeente toch hield zich nog aan de godsdienstige samenkomsten in de Joodse synagogen en indeze was het aan ieder die zich daartoe geroepen voelde, geoorloofd godsdienstige voordrachten te houden (“Lu 4: 15).
En zij, de Joden, stonden allen verbaasd toen zij hoorden wat hij daar met beroep op de hem ten deel gevallen openbaring, evenals in hoofdst. 22: 6vv. ; 26: 13vv., verkondigde, zodat zij van het gevoel van een onloochenbaar goddelijk ingrijpen vervuld werden (hoofdst. 2: 12) en zij zeiden onder elkaar: Is deze, die dat getuigt, niet degene die te Jeruzalem uitroeide wie deze naam aanriepen (vs. 14) en die daarom, met datzelfde doel hier gekomen is, te Damascus, opdat hij hen gebonden zou brengen tot de overpriesters teJeruzalem? Vanwaar zou hij dan zo geheel omgekeerd zijn, indien dat niet een hogere hand had gewerkt, zoals hij zegt?
Doch Saulus, die zich hierna drie jaar in de stilte in Arabië terugtrok, werd meer en meer in het geloof (Rom. 4: 20) en de Heere (Ef. 6: 10) bekrachtigd en overtuigde toen hij zo gesterkt naar de stadterugkeerde, de Joden die te Damascus woonden, met onweerstaanbare overredingskracht bewijzende, zoals zij dat in Syrische synagogen gewoonlijk deden, dat deze Jezus van Nazareth, wiens naam zij nauwelijks durfden te noemen, de Christus, de Messias van Israël is.
Nadat Saulus door de doop Jezus is ingelijfd, is hij het ook in de gemeenschap van de leden van de kerk, eerst nog om versterking te ontvangen van het nieuwe leven en vergoeding voor de verloren vriendschap van de wereld, maar vervolgens ook om te geven en zelf te werken tot versterking van de gemeente en tot verbreiding van het evangelie.
In plaats van in de synagoge van de Joden te Damascus van de brieven van volmacht van de overpriesters gebruik te maken, treedt hij dadelijk in deze op en verkondigt hij hun Jezus, de Christus, dat deze de Zoon van God is; het was hem niet genoeg hun te verkondigen dat Hij de Messias was, omdat hij wel wist dat hun voorstelling van de Messias in geestelijk opzicht zo treurig was en aan de andere zijde zo werelds opgetooid.
De Joden, zo was zijn doel, moesten zien in wie zij hadden gestoken, dat zij de Heere van de heerlijkheid hadden gekruisigd (Joh. 19: 37; 1 Kor. 2: 8 Zo veranderde hij de verdediging van zijn overgang tot het christendom voor hen in een aanvallen van hun eigen standplaats, om hen daaruit te verdrijven.
Dit prediken zowel als de bevestiging in vs. 22 moet niet gehouden worden voor een begin van Paulus’ eigenlijke apostolische werkzaamheid, maar eenvoudig als getuigenis van de Verlosser, afgelegd uit inwendige drang van een hart dat niet kan nalaten uit te spreken, waarin het gelooft (Ps. 116: 10); want er is geen spoor te ontdekken, dat hij daartoe een eigenlijk bevel en een zending van God heeft ontvangen; integendeel luidt de uitdrukking van Lukas in vs. 20 evenals die, die door Filippus in hoofdst. 8: 5 gebruikt is. Het is het vrijwillig werken van een evangelist dat wij zien, niet de zending van een apostel. Opmerkelijk is hierbij nog het onderscheid tussen vs. 20 en 22 Daar verkondigt Paulus Christus, dat Hij de Zoon van God is, hier voert hij een bewijs voor de Joden, dat Christus de Messias is. Met dit verschil komt de verschillende wijze van voordracht overeen. Dat Jezus de Messias was, daarvan overtuigde Paulus de Joden doordat hij de weg inslaat om uit voorspelling en vervulling, uit de overeenstemming van Messiaanse profetieën met de geschiedkundige feiten van Jezus’ leven het te bewijzen. Daarentegen predikte Paulus dat Christus Gods Zoon was, van goddelijke afkomst, aan de goddelijke heerlijkheid deelachtig en goddelijke eer waardig, door een onmiddellijk, eenvoudig getuigenis uit eigen ervaring af te leggen. De prediking had bij de Joden een zich ontzetten ten gevolg (Mark. 1: 27 Luk. 5: 27); het overtuigen daarentegen bracht de tegenstanders in verwarring en verlegenheid, in zoverre zij de bewijsvoering niet konden weerstaan en toch de slotsom niet wilden toegeven.
Moest zo’n belijdenis uit de mond van Paulus, zoals hij die in de synagoge van de Joden aflegde, geen ontzaglijk opzien teweegbrengen, bij zijn vroegere vrienden de grootste ergernis opwekken, henzelf tot smaad en vernedering brengen? Sloeg hij zichzelf daarmee niet als het ware op de mond, verklaarde hij niet zijn gehele vroegere loopbaan voor een dwaalweg, als hij nu predikte: “die Jezus, die gij Joden gekruisigd hebt, die ook ik, Saulus, gesmaad, gelasterd, vervolg heb, die is de Christus, uw Messias, de Heiland van de gehele wereld, ja deze is de Zoon van de hooggeprezen God? Had hij niet eerst zijn overtuiging voor zich kunnen houden, tenminste een tijdlang zich in de stilte kunnen terugtrekken, tot over zijn vroegere wegen gras gegroeid was en had hij zo langzaam aan zonder opzien, niet zijn nieuwe levensweg kunnen gaan bewandelen? Ja, als Saulus niet Saulus was geweest, als hij geweest was als één van ons, als hij met vlees en bloed was ten rade gegaan, als zijn overgave aan de Heere geen volkomen, gehele, besliste, onvoorwaardelijk geweest was, dan misschien zou hij naar dergelijke overwegingen hebben geluisterd. En zeker zo gaat het: ook waar ons hart overtuigd is, openen wij de mond niet altijd zo gemakkelijk tot een openbaar getuigenis. Ook als wij de Heere gevonden hebben, zouden wij, als het mogelijk was, nog niet zo dadelijk willen breken met de wereld. Ook waar de bekentenis aanwezig is omtrent deze zondige paden en dwaalwegen, zouden wij ons de belijdenis wel willen besparen of het tenminste met God in het stille kamertje willen afmaken en niet voor de ogen van de wereld. En toch, zolang ons hart nog te trots is om zich voor God en mensen te verootmoedigen, zolang is onze bede slechts een halve. Zolang wij nog te vreesachtig zijn om wat wij in het hart hebben erkend, ook te belijden met de mond, zolang is dit geloof nog niet het ware en zolang onze rust nog boven de dienst van de Heere, onze eer ons nog boven de eer van God gaat, zo lang staan wij nog niet in ware, oprechte gehoorzaamheid.
De plotselinge verandering van Paulus veroorzaakte onder de Joden te Damascus een ontzetting. Saulus vond zich, zoals hij ons in Gal. 1: 17 meedeelt, bewogen om eerst Damascus te verlaten en zich naar Arabië te begeven. Lukas verhaalt deze daartussen liggende gebeurtenis niet, maar schijnt die toch voor ogen te hebben, daar hij eerst opmerkt dat Saulus “enige dagen” bij christenen te Damascus is gebleven (vs. 19) en dan weer later (vs. 23) dat de Joden na “vele dagen” tezamen raad hielden om hem te doden. Het verblijf van hem in Arabië, dat tussen die beide valt, duidt hij dan aan met de woorden (vs. 22): “Saulus werd meer en meer bekrachtigd. ” Alzo spreekt het bericht van zijn werkzaamheid: “hij overtuigde de Joden, bewijzende dat deze de Christus is, ” van de tijd na zijn terugkeren uit Arabië naar Damascus en het eerdere, “hij predikte Christus in de synagoge, dat Hij de Zoon van God is, ” van de tijd van enige dagen, voordat hij zich naar Arabië terugtrok. De andere apostelen van de Heere hadden een driejarige oefenschool van het geloof gehad in het uitwendige verkeer met de Heere, ook Saulus schijnt een voorbereidend triennium nodig gehad te hebben en zonder twijfel was dit rijk aan gebedsleven, aan ervaringen, gezichten en verkeer met de Heere; vooral in tastbare openbaringen van de opgestane (Gal. 1: 11v. ; 1 Kor. 11: 23; 15: 1vv. behoefte voelde de grote ervaring die hij had opgedaan, in zich te verwerken, omtrent zijn roeping en zijn te volgen weg in het reine te komen, dan was geen oponthoud voor zo’n nadenken in de diepste stilte meer geschikt dan de woestijn van Arabië, die hij zeer spoedig kon bereiken als hij zich van Damascus oostwaarts wendde. Men kan aannemen dat hij juist in deze tegengestelde richting werd gedreven, bij de gedachte aan een terugkeren naar Jeruzalem, die in hem oprees. Hoeveel kon voor dit terugkeren spreken! Ten eerste de gedachte om de overpriesters hun snood mandaat voor de voeten te werpen, hun plechtig te verklaren dat hij voortaan niet meer in de dienst van hun ongeloof stond en voor hen een getuigenis van Christus af te leggen, maar meer nog de behoefte, om de gemeente te Jeruzalem met zich te verzoenen, haar gerust te stellen en de vriendschap van de apostelen te winnen. Maar spoedig bleek het hem dat een langere afwezigheid voor hem nodig was; het was bijna zeker te voorzien dat hij zeer spoedig een offer moest worden van de verbittering van de Farizese partij, als hij ogenblikkelijk terugkeerde en openlijk uitsprak dat hij zich van hen had losgescheurd, zonder dat de opoffering van zijn leven de gewenste vruchten kon dragen. Men zou toch zo gemakkelijk die plotselinge omkeer in verdenking kunnen brengen en de indruk daarvan uitspreken. Hij moest weten dat hij tot een andere, langere loopbaan was verkoren, waarop hem aan het einde de martelingen niet zouden ontbreken. Zonder twijfel was het oponthoud van Saulus in Arabië vooral een tijd van eenzaam en stil leven, gewijd aan gebed en overdenking, totdat hij met meer ontwikkeld en bevestigd geloof te voorschijn kon treden, evenals Christus, de Heere, voor Hij Zijn roeping ging vervullen, eerst door de Geest in de woestijn werd geleid. Voor de kerk kwam uit zijn aanhoudend terugtreden van de schouwplaats van de geschiedenis een onmiddellijk groot voordeel; daar hij namelijk de leiding van de vervolging op zich had genomen, werd deze gedurende de tijd van zijn verdwijnen tenminste verlamd, zo niet geheel nagelaten (vgl. vs. 31), zoals wij dan ook uit de latere geschiedenis zien hoezeer zijn overgang tot het christendom een lange tijd de Joodse partij in haar ijver heeft ontmoedigd.
d. Vers 23-30KruisverwijzingenHandelingen 4:36→Handelingen 26:20→Handelingen 4:29→Handelingen 6:1→Handelingen 25:3→2 Korinthe 11:32→2 Korinthe 11:33→Handelingen 4:13→
— En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden. Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten. Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand. Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was. Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrijmoediglijk gesproken had in den Naam van Jezus. En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem; En vrijmoediglijk sprekende in den Naam van den Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden. Doch de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen.
Vlucht van Saulus uit Damascus en bezoek aan Jeruzalem; zijn heenzending naar Tarsen.
En toen vele dagen verlopen waren, zovele als er zijn voorbijgegaan over hetgeen in vs. 19-22 uit de tijd na de bekering van Saulus is meegedeeld, namelijk na drie jaar (Gal. 1: 18), hielden de Joden tezamen raad om hem met behulp van de landvoogd van koning Aretas, die zij op hun zijde wisten te halen, gevangen te nemen en te doden.
Maar hun plan werd Saulus door de Joden, die hem gunstig gestemd waren en die nu zijn leven wilden redden, bekend gemaakt, a) en zij, de Joden die door zijn werkzaamheid (vs. 22) verbitterd waren, bewaakten de poorten in samenwerking met de militaire wacht van de landvoogd, zowel overdag als ‘s nachts, opdat hij niet zou ontsnappen, maar zij hem bij de eerste gelegenheid mochten gevangen nemen en zij hem dan doden mochten, als de landvoogd hem, zoals hij hun beloofd had, aan hen zou hebben prijs gegeven.
2 Kor. 11: 32
Maar enige mannen uit de discipelen, uit de christelijke gemeente, namen hem ‘s nachts a) en lieten hem neer door de muur, waartoe zij zich van een in de stadsmuur uitgehouwen venster van een daartegen gebouwd huis bedienden (Joz. 2: 15), hem neerlatende in een mand, zodat hij gelukkig het gevaar ontkwam en zo het betrouwbare van de hem geschonken toezegging (hoofdst. 26: 17) mocht ervaren.
1 Sam. 19: 12
In het begin verwekte Saulus’ getuigen van Jezus slechts ontzetting en verwonderd vragen of het mogelijk was dat dezelfde man, die als de hevigste vijand van de christenen bekend was en die zijn ijver tegen hen tot hiertoe had gedreven, nu zo geheel was omgekeerd en nu uit deze toon kon spreken en voor Christus kon winnen (vs. 21). Later ging echter de verwondering over in verbittering en vijandschap, vooral daar men door zijn bewijsvoeringen uit het Oude Testament in het nauw gedreven (vs. 22), zich beschaamd voelde. Kon men hem niet met gronden wederleggen, zo ontbrandde des te onverzoenlijker haat tegen hem en men maakte plannen om hem uit de weg te ruimen, om hem voor altijd de mond te stoppen.
Naar menselijke gedachten was de bekeerde Farizeeër Saulus een zeer geschikt voertuig geweest om de naam van Jezus aan zijn broeders naar het vlees te brengen en hun ergernis tegen de Gekruisigde te overwinnen; maar God ging een andere weg met hem en aanstonds moest het te Damascus blijken dat hij juist in deze broeders naar het vlees zijn ergste tegenstanders had.
De landvoogd van de koning Aretas stelt zijn gerechtsdienaars ter beschikking van de vijanden van Christus; maar de Koning van hemel en aarde heeft Zijn engelen bevel gegeven omtrent Zijn uitverkorene, dat hem geen haar zal worden gekrenkt. (LEONH en SPIEGELH.).
Saulus, aan wie de Heere reeds grote wonderen heeft gedaan, verwerpt toch het eenvoudige middel van een mand niet, dat hem de broeders tot zijn redding aanbieden; men moet niet iets buitengewoons van God verwachten, als men gewone middelen kan hebben.
Zo wordt hem als vanzelf de aanleiding gegeven om zich naar Jeruzalem te begeven. Aldaar wacht hem wel niet onmiddellijk dezelfde vervolging, maar grievende teleurstelling.
a) Saulus nu voor de eerste maal na zijn bekering (Gal. 1: 18vv.) te Jeruzalem gekomen zijnde, waar zich opnieuw onder leiding van Petrus en Jakobus I een gemeente had vergaderd, poogde zich bij de discipelente voegen. Hij wenste zich aan de leden van deze gemeente aan te sluiten, daar hij nu christen geworden was en door hun bemiddeling in het bijzonder met Petrus bekend te worden, naar wie hij vooral verlangde; maar zij vreesden hem allen, hoewel zijn omkering hun niet geheel onbekend was. Zij dachten dat achter zijn poging om zich aan degemeente aan te sluiten een list liggen zou en geloofden niet dat hij, de vroeger zo gewelddadige vervolger en verwoester, nu in waarheid en van harte een discipel was. Daarom versperden zij ook de weg tot de beide apostelen uit angstige voorzorg, in plaats van dat zij hem de weg baanden.
Hand. 22: 17
Een zwaar en pijnlijk begin voor Paulus dat hij, nauwelijks de vijand ontkomen, door de jongeren niet werd aangenomen. Maar denkend aan zijn vroeger leven verwondert hij zich er niet over dat men hem verafschuwt en hij verdraagt het geduldig dat de broeders zich met billijke schroom van hem verwijderd houden. Daaruit blijkt de waarachtigheid van zijn bekering, dat hij, die eertijds zo heftig woedde, nu rustig verachting en vervolging verdraagt. Maar vanuit deze vernedering is hij tot de hoogste hoogte verheven, zodat hij tot aan het einde van de wereld de grote leraar van de kerk blijven zal.
Maar Barnabas, die vroegere Leviet uit Cyprus, van wie wij in hoofdst. 4: 36v. hoorden en die tijdens de verspreiding van de gemeente zich waarschijnlijknaar zijn vaderland had begeven, daar veel onder de Joden had gearbeid (hoofdst. 11: 19) en sedert de herstichting van een gemeente te Jeruzalem zich aan deze opnieuw had aangesloten, trok zich Saulus aan, hem tot zich nemende. Deze begon hem het eerst vertrouwen te schenken, onderzocht nader omtrent hem en zijn levensloop en werd nu geheel voor hem gewonnen, zodat hij geruime tijd zeer nauwmet hem verbonden bleef (hoofdst. 11: 25v., 30; 12: 25; 13: 1-15, 40 Deze leidde hem tot de apostelen, die eerst nog met groot wantrouwen tegenover hem stonden en verhaalde hun op grond van hetgeen hij van Saulus had vernomen, hoe hij op de weg de Heere gezien had en dat Hij tot hem gesproken had en hoe hij, Saulus, te Damascus vrijmoedig, met alle vertrouwen en openlijk gesproken had in de naam van Jezus (vs. 3-22). Daarop erkenden zij hem dadelijk als discipel en openden hun hart voor hem.
In Damascus was voor Saulus de uitgang versperd geweest, in Jeruzalem vond hij de geestelijke ingang in de gemeente een poos gestremd.
Wij hoeven ons er niet over te verwonderen dat het niet slechts de verkeerdheid van de wereld is een ernstige zinsverandering en waarachtige bekering niet te geloven, alle zonden en vroegere misstappen ook een veranderde en wedergeborene onbarmhartig te verwijten, maar het is ook een bij zoveel huichelarij en leugen zeer juiste maatregel van voorzichtigheid voor de christenen, niet iedereen die veel van bekering en genade spreekt, dadelijk met open armen als een broeder op te nemen. Men moet eerst de geesten beproeven en de vruchten van de bekering afwachten, ja het is een heilzame beproeving van de ootmoed van de bekeerde zondaar, dat hij in zo’n wantrouwen van de goeden de bittere naweeën van zijn oude zonden nog moet smaken en niet als het ware in triomf de poort van de genade ingaat. Maar wanneer een gebroken ziel zich geduldig buigt onder zulke verootmoedigende ervaringen en getrouw betoont door een nieuwe wandel dat het haar ernst is met haar gemoedsverandering, dan zal zij ook als Saulus haar Barnabas vinden.
Het kruis van de verbanning van de zijde van de broeders is nooit geheel van Saulus afgenomen; later moest hij voortdurend zijn apostolische leer tegen de valse leraars, die in de gemeente indrongen, verdedigen (1 Kor. 9). Dat eigenaardige kruis was een bestendig gedenkteken daarvan, dat hij de gemeente van God had vervolgd; maar de Heere wist het voor hem nog op een bijzondere wijze voordelig te maken, want de moeite die hij had om zich zelfs met de andere apostelen nauw te verbinden, gaf hem tevens een onafhankelijkheid van hen en was aldus een bevestiging van zijn apostolisch ambt, dat hij onmiddellijk van de Heere had ontvangen. Barnabas verkrijgt reeds nu een helderder licht over het belang van Saulus’ bekering dan in die tijd nog zelfs de apostelen hadden. En dat was eveneens een bijzondere wijsheid van de Heere in de leiding van zijn kerk, dat Hij aan de apostelen, van wie toch de stichting van de kerk was uitgegaan, ondanks haar verlichting door de Heilige Geest, nog velerlei eenzijdigheden en verkeerde begrippen liet openbaar worden, die pas langzamerhand, dikwijls door onderricht van anderen, konden worden weggenomen. Zo werd verhoed dat zij een te groot overwicht over de gemeente verkregen; zij moesten voortdurend leren dat hun de anderen tot hun eigen ontwikkeling en verdere opbouw even nodig waren, als zij voor hen. Zij, de verheven apostelen, leerden dan ook graag van de geringsten van hun broeders en beroemden zich voor hen niet op hun onfeilbaarheid. Hoe meer iemand vol is van de Heilige Geest, hoe opmerkzamer hij ook is voor ieder bewijsje van de Heilige Geest bij anderen, dat hij niet heeft.
En hij, Saulus, was met hen, met de beide apostelen, vooral met Petrus gedurende de volgende vijftien dagen (Gal. 1: 18), ingaande en uitgaande te Jeruzalem; hij hielp de apostelen tevens bij hun werkzaamheid.
En vrijmoedig sprekende in de naam van de Heere Jezus, hetgeen hem nu ook spoedig meer vertrouwen bij de leden van de gemeente verwierf (Gal. 1: 22vv.), nam hij vooral het werk van Stefanus weer op Zo sprak hij ook en redetwistte met de Griekse Joden, de Hellenisten (hoofdst. 6: 1). Hij toch voelde zich vooral gedwongen om te werken tot bekering van de Joden, hetgeen hij ook bij gelegenheid van het gezicht dat hij in de tempel had, openlijk voor de Heere uitsprak met de begeerte om juist op dit arbeidsveld werkzaam te mogen blijven (hoofdst. 22: 17vv.). Maar deze Hellenisten met de overige Joden, die hem evenals vroeger Stefanus een hardnekkig tegenstrevende gezindheid toonden, trachtten hem te doden. Zo zag Saulus dadelijk vervuld wat de Heere bij de zo-even medegedeelde openbaring had betuigd: “zij zullen uw getuigenis van Mij niet willen aannemen.”
Doch toen de broeders dit te weten kwamen, dat men evenals zes jaar geleden tegen Stefanus, nu tegen Saulus een moordplan had opgevat, voelden zich verplicht de uitvoering daarvan te verhinderen, hetgeen ook geheel overeenstemde met de wil van de Heere en met de aanwijzing die Hij zelf aan Saulus had gegeven (hoofdst. 22: 18). Zij leidden hem dan van Jeruzalem tot Cesarea Palestinae (Slotwoord op 1 Makk. No. 11c.) om hem veilig buiten bereik van hun vervolgingen te brengen en zij zonden hem weg met een schip naar één van de steden op de kust van Fenicië, wellicht Berytus, vanwaar hij vervolgens de landweg door Syrië insloeg (Gal. 1: 21) en zo naar Tarsen in Cilicië, zijn geboortestad ging. Hier bleef hij omstreeks drie jaar, totdat Barnabas hem weer naar Antiochië haalde (hoofdst. 11: 25v.).
Van deze werkzaamheid te Jeruzalem dateert het: “van Jeruzalem af en rondom tot Illyricum toe” in Rom. 15: 19
Ook te Jeruzalem treedt Saulus nog geenszins als apostel op, maar het is hem er om te doen, als discipel van Jezus erkend te worden, als een echt lid van de kerk van Christus door de broeders te Jeruzalem te worden aangenomen. Ook zijn getuigenis van Jezus dat hij te Jeruzalem aflegde, heeft nu het karakter van de uiting van een eenvoudig, maar getrouw gelovig christen, niet van één die een opdracht heeft of een bijzonder beambte is.
Bij de openbaring in de tempel (hoofdst. 22: 17v.) deelt de Heere aan Saulus reeds de aanwijzing mee: “Ik zal u ver onder de heidenen zenden. ” Hij deelt hem dus zijn roeping mee tot apostel van de heidenen. Wanneer hij nu evenwel, ook nu hij van Jeruzalem weggaat, nog niet in dit apostolisch arbeidsveld intreedt, maar zich naar zijn vaderstad Tarsen begeeft, dan ligt daaraan ten grondslag dat dit nieuwe apostolaat eerst inwendig tot stand moet komen, totdat de Heere zelf het tijdpunt aanwijst waarop het aan het licht moet treden, voorzien van het zegel van de goddelijke oorspronkelijkheid.
De ouders van Saulus hadden hem eens van Tarsen naar Jeruzalem gezonden om hem te laten opvoeden als een toonbeeld van farizeese geleerdheid en gerechtigheid; maar als een geheel omgekeerd man keerde hij naar zijn geboortestad terug om daar door de Heere te worden gevormd tot een apostel van de heidenen.
Hij zal ook wel hier onder de mensen van zijn maagschap en onder zijn tijdgenoten (Gal. 1: 14) die enige naam verkondigd hebben, waarin de zaligheid is. Doch hoogstwaarschijnlijk heeft de jongst geroepene van Jezus’ apostelen ook hier moeten ondervinden dat de discipel niet beter is dan de Meester, dan Hij die gezegd heeft dat geen profeet aangenaam is in zijn eigen vaderland. Te Tarsen zal Saulus bij zijn overige pijnlijke, maar nodige ondervindingen ook deze verkregen hebben, hoe het evangelie een dubbele ergernis pleegt te zijn uit de mond
van degenen die men of als kind, of onder geheel andere omstandigheden, of in geheel andere gevoelens gekend heeft. En toch mag men erop vertrouwen dat ook daar de prediking niet geheel zonder vrucht zal gebleven zijn, al is het dan ook dat de toebrenging van velen in Tarsen, of het stichten van een christengemeente in die hoofdstad van Cilicië door of onmiddellijk op de prediking van de uitnemende Tarser niet waarschijnlijk is.
e. Vers 31-43KruisverwijzingenHandelingen 8:1→1 Kronieken 5:16→Handelingen 11:21→Handelingen 1:13→Mattheüs 9:25→Handelingen 7:60→Handelingen 9:13→Handelingen 3:6→
— De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd. En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden. En aldaar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was. En Petrus zeide tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op. En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere. En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, hetwelk overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed. En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal. En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen. En Petrus stond op, en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was. Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad: en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij over einde.
Toestand van de kerk in het Joodse land sedert Saulus’ bekering. Petrus’ inspectiereis en wonderen te Lydda en Joppe.
31. Zo was dan in het jaar 36 n. Chr. de grote vijand van de christenen, Saulus, door zijn bekering tot Christus een vriend geworden. Dit had de Joodse partij te Jeruzalem zeer ontmoedigd, zodat zij zich verder van alle vervolgingonthield. De gemeenten dan door geheel Judea en Galilea en Samaria hadden vrede, terwijl daarentegen omgekeerd het volk van de Joden vanaf dit jaar in allerlei onrust en beroering kwam. De christenen leefden rustig en werden in de volgende 5-6 jaren (hoofdst. 20: 32 Efeze. 4: 12; 1 Petr. 2: 5 1: 20) gesticht en wandelende, overeenkomstig hun roeping om het licht van de wereld te zijn (Matth. 5: 14vv.), in de vreze van de Heere en de vertroosting van de Heilige Geest, werden zij vermenigvuldigd. Het christendom breidde zich uit door de prediking van degenen die met de Heilige Geest vervuld waren (hoofdst. 4: 36).
Volgens hoofdst. 8: 1 hadden de christenen van Jeruzalem, daar zij door Paulus verdreven waren, zich allen verstrooid in de landen van Judea en Samaria. Volgens hoofdst. 8: 5vv. was Filippus in Samaria nog in het bijzonder werkzaam en volgens hoofdst. 8: 40 evangeliseerde hij op de kusten van Judea, tot hij zich vervolgens in Cesarea vestigde. Nu is tot hiertoe nog niet gesproken van gelovigen in Galilea; maar dat dezen er niet weinig waren, blijkt reeds uit 1 Kor. 15: 6 In al die streken waren de christenen reeds gedurende de tijd van de vervolging, die te Jeruzalem woedde van 33-36 n. Chr. (hoofdst. 8: 3) geheel of toch gedeeltelijk veilig. Daarna kwam echter een periode, waarin na de bekering van Paulus ook in Jeruzalem zelf zich weer discipelen rondom de apostelen konden vergaderen, zoals wij in vs. 26-38 hebben gezien. Niet alleen omdat de overgang van deze leider van de gehele beweging tot het christendom hen vanzelf reeds verlamde, maar er vallen ook in het jaar van zijn bekering, zoals reeds bij vs. 2 is opgemerkt, nog andere zeer gewichtige gebeurtenissen voor, die ertoe dienden om de christenen verademing te geven. Pilatus en Kajafas werden afgezet en Herodes van Galilea werd in een strijd met Aretas gewikkeld. Dat alles leidde de opmerkzaamheid en het interesse van de Joodse partij in de sekte van de Nazarener af en naar andere punten heen. En toen nu in het jaar 39 n. Chr. ook Herodes Antipas van zijn heerschappij werd ontheven, kwam bijna gelijktijdig over het moederland Judea een zware druk ten gevolge van de dwaasheden en van de overmoedige verachting van alle recht van de zijde van keizer Caligula. Eén van de vele dwaasheden van deze keizer was dat hij op goddelijke verering van zijn onderdanen aanspraak maakte. Terwijl nu zo’n verlangen bij de heidense volken in het algemeen geen tegenstand ondervond, moest het noodzakelijk bij de Joden tot zware conflicten leiden. Deze namen het dan werkelijk zeer kwalijk op, toen te Jamnia de Filistijnse zeestad, de weinige buitenlanders die daar woonden, voor de keizer een altaar oprichtten en zij verwoestten het dadelijk weer. Caligula, die zich aan de weerspannige Joden wilde wreken, beval nu dat zijn beeltenis in de tempel te Jeruzalem zou worden geplaatst en droeg de Syrische stadhouder Petronius op voor de uitvoering van zijn bevel zorg te dragen. Bij Matth. 2: 20 Mt 2: 20 hebben wij reeds de afloop van die zaak meegedeeld. Natuurlijk hadden de christenen aan de verschrikkingen en angsten van die tijd, die van de herfst van het jaar 39 tot het begin van het jaar 41 duurde, niet onmiddellijk deel. De nood, die zo zwaar op het land drukte, waarin zij te doen hadden met een tweede Antiochus Epifanes, maar die veel machtiger en gewelddadiger was dan die Syrische koning van 200 jaar geleden, was wel geschikt om de Joden te doen voelen wat hun woord, 9 jaar geleden uitgesproken (Joh. 19: 15) “wij hebben geen koning dan de keizer” eigenlijk te betekenen had, toen het aan hen werd bezocht. Dit zal er zeer toe hebben bijgedragen dat de gemeente, die in vrede werd gesticht, zich ook aanmerkelijk uitbreidde door toespraak van de Heilige Geest, hetgeen men zo kan opvatten dat de Heilige Geest door opwekking de gemoederen bereidde om aan de prediking van het geloof gehoor te geven. In die tijd (met inbegrip van de tijd in vs. 32vv. beschreven) of met hoofdst. 12: 24 heeft de Kerk onder de Joden wel het hoogste toppunt in zielenaantal bereikt. Mogen wij een gissing wagen, dan beliep dat getal wel twaalfduizend, maar het was altijd maar een brokstuk van het geheel. Om een volksgetal te zijn zouden uit elke stam twaalfduizend nodig zijn geweest, dus tezamen een honderdvierenveertig duizend; zo’n menigte had voor het gehele volk kunnen gelden, zoals dat bij de latere bekering van het volk inderdaad zal worden verwezenlijkt. (Openb. 7: 4vv. ; 14: 1vv.).
Waar de Geest van de Heere met de verkondiging van het evangelie gepaard gaat, het woord van de prediking bezielt en vruchtbaar maakt, daar woont licht, leven en kracht, daar voert de genade heerschappij door de reine goddelijke waarheid, daar blijkt het dat er een waar geestelijk christendom op aarde is. Elke afwijking van de waarheid die in Christus Jezus is, iedere miskenning en versmading van de Heilige Geest en zijn zaligmakende werking, wordt bron en oorzaak van verdeeldheid en van een kwijnende staat. Zo dikwijls de gemeente van de Heere niet beantwoordt aan de schone tekening die Lukas levert, wordt zij geroepen tot een ernstig onderzoek vanwaar dit zij en tot een biddende toeleg tot het herkrijgen van die vrede en dat heil, waarin de gemeente op deze aarde zou kunnen delen en waardoor zij een kweekschool voor hoger heil en eindeloos genot zeker zou mogen worden. Dat geve de grote en ontfermende God.
En het geschiedde, waarschijnlijk in het jaar 41 n. Chr., dus in de periode dat Herodes Agrippa I door de gunst van keizer Caligula weer geheel Palestina onder één scepter verenigde Mt 2: 20, toen Petrus van Jeruzalem een reis maakte om de christenen in het werkelijk deel van de streek Judea tot de vlakte van Saron te bezoeken (vs. 35; hoofdst. 8: 4v.) en rondtrok, op zijn reis allen die tot de gemeente behoorden, bezocht, dat hij ook kwam bij de heiligen (vs. 13) die te Lydda (vroeger Lod (1 Kron. 8: 12 1 Makk. 11: 34 woonden.
En aldaar vond hij een zeker mens, met name Enéas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.
En Petrus zeide tot hem: Enéas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.
En zij zagen hem, hoe hij opeens zijn volle gezondheid terug had gekregen en zijn leden nu vrolijk en vrij kon bewegen, allen die te Lydda en Sarona woonden, in devruchtbare vlakte die van deze streken langs de kust van de zee zich naar Cesarea uitstrekt Joh 9: 2. Daar verrichtte Petrus later nog een ander wonder en was een geruime tijd onder die mensen werkzaam, die door deze wonderen voor het geloof in Christus werden gewonnen en zich bekeerden tot de Heere. Evenals zich de heidenen, toen zij christenen werden, daarmee van hun dode afgoden bekeerden tot de levende God (hoofdst. 15: 19; 20: 21, zo ook de Joden, die de ware God reeds kenden, tot Jezus als tot de Heer en Christus (hoofdst. 2: 36).
Na zijn wegleiding naar Asdod zagen wij de vroegere armenverzorger Filippus in hoofdst. 8: 40 waarschijnlijk van Jammia de gehele kust van Sarona tot Cesarea met de boodschap van het evangelie doortrekken. Gevolgen van zijn werkzaamheid worden niet vermeld, toch zijn die niet geheel uitgebleven, want te Lydda zijn heiligen, die Petrus op zijn reis eveneens kwam bezoeken en in vs. 36vv. horen wij behalve van de discipelin Tabitha, die vol goede werken en aalmoezen is, ook van discipelen die de apostel bij haar lijk roepen om woorden van troost over haar heengaan uit zijn mond te vernemen. Maar dat is nog niet al de vrucht die naar de raad van de Heere het door Filippus uitgestrooide zaad zou aanbrengen. Doch zoals het bij de Samaritanen in hoofdst. 8: 5vv. ging, volgens de in Joh. 4: 35vv. uitgesproken regel: “het is de een die zaait, een ander die maait” zo zou het ook hier gaan. Indien de uitleggers er aan hadden gedacht dat het woord van Christus: “anderen hebben gearbeid en gij zijt tot hun arbeid ingegaan” Petrus op zijn weg naar Lydda begeleidde, zij zouden er voor bewaard zijn gebleven de uitdrukking in vs. 35 dat allen het wonder zagen en zich tot de Heere bekeerden, voor overdreven en voor een legende te verklaren. Dat Lukas niet allen zonder uitzondering als bekeerd wil voorstellen heeft geen bewijs nodig. Het is hier weer als in Sichar, dat het volk bij zijn bekering eendrachtig (hoofdst. 8: 6) wandelt en in zijn voorbeeld toont dat wat van Jeruzalem en het Joodse volk in het algemeen was gevraagd, namelijk een christelijk worden van het gehele Israël (Rom. 11: 26), geenszins teveel was gevraagd Ac 9: 43. Op dit standpunt zullen wij ook aan de verlamde Eneas nog een andere betekenis moeten toekennen dan dat hij toevallig verlamd was, toevallig sedert 8 jaar ziek was, toevallig tot het Jodendom behoorde en toevallig hier met Petrus in aanraking kwam om door hem te worden aangesproken en genezen. Daarbij weten de uitleggers meestal niets meer op te merken dan dat hij, naar zijn Griekse naam te oordelen, waarschijnlijk een Hellenist zal zijn geweest. Deze gevolgtrekking is even voorbarig als wanneer men de apostelen Andreas en Filippus (Joh. 12: 21vv. of de overste van de Joden Nikodemus Joh. 3: 1vv.) voor Hellenisten wil verklaren, omdat zij Griekse namen droegen. Eneas is zonder twijfel een Hebreeër geweest, evenals de evangelist Markus dat was ondanks zijn Latijnse naam. Hij was dan tevens een beeld van zijn volk en wel voornamelijk van zijn volk te Lydda en te Sarona, evenals die veertigjarige lamme, voor de poort van de tempel te Jeruzalem een beeld was van zijn volk Ac 3: 2. Het is nu namelijk ongeveer acht jaar geleden dat Filippus aan alle steden het evangelie predikte; maar afgezien van de betrekkelijk weinigen, die discipelen van Christus werden, zijn de anderen Joden gebleven en zijn zo die gehele tijd in geestelijke zin verlamd geweest, terwijl zij toch gezond en vol levenskracht hadden kunnen worden als zij slechts aan de naam van Jezus Christus zich hadden willen overgeven. Nu leidt de Heere in zijn genade Petrus op zijn inspectiereis en brengt hem ook naar Lydda en Sarona. Hij wil daarmee de belofte in Jes. 65: 8vv. vervullen die uitdrukkelijk Sarona noemt en op de periode die nu begonnen is betrekking heeft, hoewel zij ook met haar eigenlijke bedoeling op de eindgeschiedenis van Israël ziet. Saron is reeds in zoverre tot een woestijn geworden, als bijv. ook van Lydda, dat Josefus als een dorp beschrijft, dat in grootte voor een stad niet onderdeed, waarvan Crassus, de quaestor C. Casaius Longenus, één van de latere moordenaars van Caesar (slotwoord op 1 Makk. Nr. 9, c.) gedurende zijn bestuur over Syrië in de jaren 53-51 v. Chr. de inwoners als slaven verkocht had, omdat zij aan de opstand tegen de Romeinse oppermacht onder de beide laatste Makkabese vorsten hadden deelgenomen. Dat was de tijd waarin de profetie uit Micha 4: 14 begon vervuld te worden, een tijd waarop de oudtestamentische profetie veel meer ziet dan door de schriftverklaarders in de regel wordt erkend. Saron nu, de verwoeste, zal volgens het vroeger aangehaalde woord van Jesaja een schaapskooi worden. Dit geschiedt hier doordat de landstreek voor het christendom wordt gewonnen, hetgeen Petrus door zijn wonder spoedig tot stand brengt, nadat Filippus daartoe acht jaar geleden de basis heeft gelegd. Dit was juist in het bovengenoemde jaar 41 n. Chr. van groot gewicht. In dit jaar, zoals daarop reeds hierboven is gewezen, verkreeg Herodes Agrippa I van de keizer Claudius geheel Palestina ten geschenke. Daar deze vorst in hoofdst. 12 in de geschiedenis van de ontwikkeling van de apostolische kerk zo diep ingrijpt, zal het van belang zijn hem hier reeds nader te leren kennen. Hij was geboren in het jaar 10 v. Chr. als zoon van Aristobulus en van Berenice en als kleinzoon van Herodes de Grote en van Marianne aan de ene en van Salóme en Kostobarus aan de andere zijde (slotw. op 1 Makk. Nr. 11e). Kort voor de dood van de grootvader was hij als nauwelijks zesjarige knaap naar Rome gezonden, waar hij zich bij de jongere Drusus, de Zoon van keizer Tiberius aansloot, maar zich ook gewende aan een overdaad en een verkwisting, die geen maat of perk kende en hem de ene maal na de andere diep in schulden bracht. Daar hij door de dood van Drusus zijn steun bij het hof had verloren, zag hij zich enige jaren daarna genoodzaakt Rome te verlaten en kwam, nadat zijn stiefoom Herodes Antipas Herodias, zijn zuster, tot vrouw had genomen, naar Palestina terug, waar hij in zijn verlegenheid om geld er reeds aan dacht zich van het leven te beroven. Toen trok zich zijn zwager hem eniger mate aan en gaf hem het nodige levensonderhoud, door hem tot opziener van de markt in de nieuwgebouwde stad Tiberias te benoemen. Toch kwam hij spoedig met hem in strijd. Nu wendde hij zich tot de Syrische stadhouder Pomponius Flaccus in Antiochië; toch duurde ook hier de vriendschap niet lang en zo besloot hij zijn geluk te Rome te beproeven, hetgeen hem op de weg van opnieuw schulden maken bracht en wel op kosten van zijn gemalin Kupros, een nicht van zijn vader. In de lente van het jaar 36 n. Chr. stelde hij zich aan de keizer Tiberias op het eiland Cupreae (Caspari aan de golf van Napels) voor en verkeerde nu aan het keizerlijke hof vooral met Cajus Caligula, de latere keizer. De treurige toestand van zijn geldmiddelen deed hem wensen dat deze, zijn vriend, spoedig in de plaats van de oude Tiberias tot de troon mocht komen. Hij was onvoorzichtig genoeg dat uit te spreken. De keizer vernam het, liet hem boeien en in de gevangenis werpen, waar hij nu tot de dood van Tiberias (16 Maart van het jaar 37) zes maanden lang bleef. Toen Caligula op de troon kwam begon voor hem de tijd van geluk. Deze bevrijdde hem niet alleen uit de gevangenis en gaf hem voor de ijzeren ketenen, die hij gedragen had, een gouden van gelijke zwaarte, maar schonk hem ook de vroegere tetrarchie van Filippus en die van Lysanias. Nadat hij nog anderhalf jaar te Rome was gebleven, keerde hij in de herfst van het jaar 38 naar Palestina terug om de zaken van zijn rijk in orde te brengen. Hier wekte zijn optreden als koning de nijd op van zijn zuster Herodias, die er bij haar man Herodes Antipas op aandrong eveneens op de koningstitel aan te dringen; maar de zaak liep kwalijk af. Agrippa wist zijn zwager bij Caligula in verdenking te brengen. Deze zette Antipas van zijn vroegere heerschappij af en verbande hem naar Lyon in Frankrijk. Later schonk hij diens gebied eveneens aan Agrippa. Deze laatste vinden wij in de herfst van het jaar 40 weer te Rome, of liever te Puteoli (hoofdst. 28: 13). Hij bleef in de omgeving van de keizer, was ook nog te Rome aanwezig toen zijn voorstander op 24 Jan. van het jaar 41 vermoord werd en droeg er niet weinig toe bij dat nu Claudius op de troon kwam (Slotw. op 1 Makk. Nr. 9f). Daarvoor schonk deze hem vervolgens bij zijn vorige bezittingen ook Judea en Samaria en het overig deel van de tetrarchie van Lysanias. Zo scheen de politieke oplossing van de theocratie, zoals die volgens Luk. 3: 1 in die tijd plaats vond, toen met het optreden van Johannes de Doper de nieuwtestamentische vervulling van de oudtestamentische belofte haar aanvang nam, weer te boven gekomen. Het gehele heilige land was opnieuw onder één scepter verenigd, de gunst van twee keizers had de avonturier Agrippa I een rijk doen verkrijgen dat in omvang gelijk was aan hetgeen David en Salomo eens bezaten. En nu was Agrippa ook slim genoeg om zich door uitwendige daden van schijnvroomheid de gunst te verwerven van de Joden en de heersende partij van de Farizeeërs, terwijl de grondstellingen van zijn leven zo waren, dat de Sadduceeërs met hem konden tevreden zijn. Die gouden keten, die Caligula hem bij zijn bevrijding uit de gevangenis had geschonken, hing hij binnen de tempel boven de schatkist op. Deze moest “tot aandenken dienen aan zijn vroeger ongeluk en als getuigenis van de verandering ten goede, ” opdat zij “een bewijs zou zijn zowel daarvan, dat het grote kon vallen, als daarvan dat God het gevallene weer zou oprichtten. ” Tevens bracht hij dankoffers met de nauwgezetste opvolging van de wettige vormen; hij bestreed voor een groot aantal Nazireeërs de kosten (vgl. hoofdst. 21: 26vv.). Gaarne en voortdurend woonde hij te Jeruzalem en hield nauwkeurig de instellingen van de vaderen, zodat Josefus van hem getuigt: “zijn leven was onberispelijk en geen dag ging voorbij dat hij geen offer bracht. Zeer ijverig trad hij op als voorspraak voor zijn volk en het godsdienstig geloof van hen bij de Romeinse overheden en bewerkte bij deze alle mogelijke vrijstellingen. Toen hij daarop op het loofhuttenfeest van het jaar 41 volgens oude gewoonte
Deuteronomium las en bij het vers (17: 15): “gij zult geen vreemde man, die uw broeder niet is, over u mogen zetten” in tranen uitbarstte, omdat hij naar zijn oorspronkelijke afkomst een Idumeeër was, toen riep het volk hem toe: “Wees niet bezorgd, Agrippa. Gij zijt onze broeder, gij zijt onze broeder! ” Is het niet alsof tegenover het volk van de Joden te Jeruzalem, dat in zelfbedrog leeft en door de farizeese gezindheid bezield is, dat Agrippa het begin van een nieuwe tijd van geluk meende te zien aanbreken, de apostel Petrus met een bijzondere bedoeling te Lydda Eneas op de ware Heiland wilde wijzen, toen hij zei: “Eneas! Jezus Christus maakt u gezond? ” Zou het wel teveel gewaagd zijn als wij ons vermoeden uitspraken dat juist dat voorval op het loofhuttenfeest de aanleiding is geweest waarbij de apostel zich geroepen voelde tot zijn bezoekreis naar het Westen? De zaak stond hem tegen. Hij moest daardoor tot de overtuiging komen dat voor het volk te Jeruzalem de tijd van de genade reeds zo goed als ten einde was en er op bekering niet meer kon worden gerekend, zodat hij zich gedwongen voelde zich elders een arbeidsveld te zoeken. En nu zou hij hier maaien, nadat vroeger een ander had gezaaid, zoals boven is opgemerkt. Te Jeruzalem werd aldus Gad en Meni, de God van het geluk en van het noodlot vereerd, wiens gunst in de heerschappij van Agrippa hun scheen toe te lachen. Zij schatten die hoger dan de genade van de Koning van de hemel, die deze hun vroeger in de oprichting van Zijn rijk in hun stad aanbood (hoofdst. 2: 1-6: 8). Zo snelden zij hoe langer hoe meer heen naar het gericht dat in Jes. 65: 11v. was aangekondigd. Te Lydda en Sarona werden de mensen die daar (in vs. 13v.) geloofden, met hun werkelijk gelukkig lot tegenover die vereerders van de geluksgod gesteld.
En te Joppe, een havenstad, ongeveer een uur van Lydda gelegen 1Ki 5: 9, was nog voordat Petrus zijn bezoekreis (vs. 32vv.) maakte, een zekere discipelin, genaamd Tabitha volgens de Aramese taal, Zebéa volgens de Hebreeuwse (2 Kon. 12: 1), hetgeen vertaald in de Griekse taal is: Dorkas, d. i. ree of gazelle De 14: 5. Deze was in haar christelijke wandel vol van goede werken en aalmoezen (vgl. Aanm. bij het boek Tobias 4: 11), die zij deed aan de armen en de weduwen (vs. 39).
En het geschiedde in die dagen, toen Petrus te Lydda verbleef, dat zij ziek werd en aan die ziekte stierf; en toen zij haar gewassen hadden om haar voor de begrafenis gereed te maken 2Sa 3: 31 legden zij haar in de opperzaal De 22: 8.
En daar Lydda dichtbij Joppe lag, zonden de discipelen, die hoorden dat Petrus daar was, hetgeen hun nu pas ter ore kwam, of als zij het reeds wisten, toch nu pas hun belangstelling opwekte, twee mannen tot hem om hem te vragen of hij, indien hij niet mocht van plan zijn zijn reis naar Joppe voort te zetten, toch onder die omstandigheden niet zou dralen, zich haasten zou tot hen over te komen.
En Petrus stond op en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden; en al de weduwen stonden bij hem, wenende en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had als zij bij haar was.
Maar nadat hij hen allen had uitgedreven (Luk. 8: 54) knielde Petrus neer en bad. En nadat hij zich van het gebed weer had opgericht, zich kerende tot het lichaam, zei hij: “Tabitha, sta op! ” En zij deed haar ogen open en Petrus gezien hebbende, zat zij overeind; zover was zij weer hersteld in het leven teruggekeerd, dat zij zich weer op haar bed kon oprichten.
En hij gaf haar de hand en richtte haar op, als teken dat zij nu geheel in leven en gezondheid en kracht werd hersteld (Luk. 7: 16) en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, opdat zij nu weer in de kamer zouden binnenkomen, stelde hij haar levend voor hen (2 Kon. 4: 36).
En dit werd bekend door geheel Joppe. Men verhaalde aan ieder wat er in de christelijke gemeente was voorgevallen en velen van de Joodse bewoners, die zich tothiertoe nog van de gemeente hadden verwijderd gehouden, geloofden in de Heere (Joh. 8: 30; 10: 42) zich bij Zijn volk aan.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel