Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En terwijlG4314 zijG846 tot het volkG2992 sprakenG2980, kwamen daarover tot henG846 de priestersG2409, en de hoofdmanG4755 des tempelsG2411, en de SadduceenG4523;
En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman des tempels, en de Sadduceen;
KJV
And2
as they3
spake1
unto4
the people,6
the priests,10
and11
the captain13
of the temple,15
and16
the Sadducees,18
came upon7
them,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Zeer ontevredenG1278 zijnde, omdat zijG846 het volkG2992 leerdenG1321, enG2532 verkondigdenG2605 inG1722 JezusG2424 de opstandingG386 uitG1537 de dodenG3498.
Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden.
KJV
Being grieved1
that2
they5
taught4
the people,7
and8
preached9
through10
Jesus12
the resurrection14
from16
the dead.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En zij sloegenG1911 de handenG5495 aan henG846, enG2532 zettenG5087 ze inG1519 bewaringG5084 totG1519 den anderen dagG839; wantG1063 het wasG1510 nu avondG2073.
En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond.
KJV
And1
they laid2
hands5
on them,3
and6
put7
them in8
hold9
unto10
the next day:12
for14
it was
now16
eventide.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En velenG4183 van degenen, die het woordG3056 gehoordG191 hadden, geloofdenG4100; en het getalG706 der mannenG435 werdG1096 omtrent vijfG4002 duizendG5505.
En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend.
KJV
Howbeit2
many1
of them which heard4
the word6
believed;7
and8
the number11
of the men13
was9
about14
five16
thousand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En het geschieddeG1096 des anderen daagsG839, dat hunG846 overstenG758 en ouderlingenG4245 en SchriftgeleerdenG1122 te JeruzalemG2419 vergaderdenG4863;
En het geschiedde des anderen daags, dat hun oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden;
KJV
And2
it came to pass1
on3
the morrow,5
that their7
rulers,9
and10
elders,11
and12
scribes,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG2532 AnnasG452, de hogepriesterG749, enG2532 KajafasG2533, enG2532 JohannesG2491, enG2532 AlexanderG223, enG2532 zoveleG3745 er vanG1537 het hogepriesterlijkG748 geslachtG1085 warenG1510.
En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovele er van het hogepriesterlijk geslacht waren.
KJV
And4
Annas5
the high priest,7
and8
Caiaphas,9
and10
John,11
and12
Alexander,13
and14
as many as15
were
of17
the kindred18
of the high priest,19
were gathered together
at1
Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 als zij hen in het middenG3319 gesteldG2476 hadden, vraagdenG4441 zij: DoorG1722 wat krachtG1411, ofG2228 doorG1722 wat naamG3686 hebt gijliedenG4771 ditG3778 gedaanG4160?
En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan?
KJV
And1
when they had set2
them3
in4
the midst,6
they asked,7
By8
what9
power,10
or11
by12
what13
name,14
have15
ye
done
this?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Toen zeideG2036 PetrusG4074, vervuldG4130 zijnde met den HeiligenG40 GeestG4151, totG4314 henG846: Gij overstenG758 des volksG2992, enG2532 gij ouderlingenG4245 van IsraelG2474!
Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israel!
KJV
Then1
Peter,2
filled3
with the Holy5
Ghost,4
said
unto7
them,8
Ye rulers9
of the people,11
and12
elders13
of Israel,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Alzo wij hedenG4594 rechterlijk onderzochtG350 worden overG1909 de weldaadG2108 aan een krankG772 mensG444 geschied, waardoorG1722 hij gezondG4982 geworden is;
Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mens geschied, waardoor hij gezond geworden is;
KJV
If1
we
this day3
be examined4
of5
the good deed done6
to the impotent8
man,7
by9
what means10
he12
is made whole;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Zo zijG1510 uG4771 allen kennelijkG1110, enG2532 het ganseG3956 volkG2992 IsraelG2474, dat doorG1722 den NaamG3686 van JezusG2424 ChristusG5547, den NazarenerG3480, DienG3739 gijG4771 gekruistG4717 hebt, WelkenG3739 GodG2316 vanG1537 de dodenG3498 heeft opgewektG1453, doorG1722 Hem, zeg ik, staatG3936 dezeG3778 hier voor uG4771 gezondG5199.
Zo zij u allen kennelijk, en het ganse volk Israel, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, Dien gij gekruist hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond.
KJV
Be it
known1
unto you
all,3
and5
to all6
the people8
of Israel,9
that10
by11
the name13
of Jesus14
Christ15
of Nazareth,17
whom18
ye
crucified,20
whom21
God23
raised24
from25
the dead,26
even by27
him
doth30
this man28
stand here
before31
you
whole.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Deze isG1510 de SteenG3037, Die vanG5259 uG4771, de bouwliedenG3618, verachtG1848 is, Welke totG1519 een hoofdG2776 des hoeksG1137 gewordenG1096 is.
Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is.
KJV
This1
is
the stone4
which3
was set at nought6
of7
you
builders,10
which5
is become12
the head14
of13
the corner.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 de zaligheidG4991 isG1510 inG1722 geenG3756 Anderen; wantG1063 er is ook onder den hemelG3772 geen andere NaamG3686, Die onder de mensenG444 gegevenG1325 is, door WelkenG3739 wij moetenG1163 zaligG4982 worden.
En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.
KJV
Neither1
is there
salvation8
in4
any6
other:5
for10
there is
none9
other13
name11
under14
heaven16
given18
among19
men,20
whereby21
we
must23
be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zij nuG1161, ziendeG2334 de vrijmoedigheidG3954 van PetrusG4074 en JohannesG2491, en vernemendeG2638, datG3754 zij ongeleerdeG62 en slechteG2399 mensenG444 warenG1510, verwonderdenG2296 zich, en kendenG1921 henG846, datG3754 zij met JezusG2424 geweest warenG1510.
Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.
KJV
Now2
when they saw1
the boldness6
of Peter5
and7
John,8
and9
perceived10
that11
they were
unlearned13
and15
ignorant16
men,12
they marvelled;17
and19
they took knowledge18
of them,20
that21
they had been
with22
Jesus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG1161 ziendeG991 den mensG444 bij henG846 staanG2476, die genezenG2323 was, haddenG2192 zij nietsG3762 daartegen te zeggenG471.
En ziende den mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.
KJV
And2
beholding4
the man3
which was healed9
standing7
with5
them,6
they could11
say
nothing10
against it.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG1161 hun gebodenG2753 hebbende uit te gaanG565 buitenG1854 den raadG4892, overlegdenG4820 zij met elkanderG240,
En hun geboden hebbende uit te gaan buiten den raad, overlegden zij met elkander,
Ook in dit vers
totG4314
KJV
But2
when they had commanded1
them3
to go aside7
out of4
the council,6
they conferred8
among9
themselves,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
ZeggendeG3004: WatG5101 zullen wij dezenG5125 mensenG444 doenG4160? Want dat er een bekendG1110 tekenG4592 doorG1223 henG846 geschiedG1096 is, is openbaarG5318 aan allenG3956, dieG3778 te JeruzalemG2419 wonenG2730, enG2532 wij kunnen het nietG3756 loochenenG720.
Zeggende: Wat zullen wij dezen mensen doen? Want dat er een bekend teken door hen geschied is, is openbaar aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen.
KJV
Saying,1
What2
shall we do3
to these
men?5
for9
that7
indeed8
a notable10
miracle11
hath been done12
by13
them14
is manifest19
to all them15
that dwell17
in Jerusalem;18
and20
we cannot21
deny
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaarG235 opdatG2443 het niet meer en meer onder het volkG2992 verspreidG1268 worde, laat ons hen scherpelijkG547 dreigenG546, dat zijG846 niet meer tot enigG3367 mensG444 inG1519 dezenG5129 NaamG3686 sprekenG2980.
Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in dezen Naam spreken.
KJV
But1
that
it spread6
no
further4
among7
the people,9
let us straitly10
threaten11
them,12
that they speak14
henceforth13
to no19
man20
in15
this
name.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG2532 als zij hen geroepenG2564 hadden, zeidenG3853 zij hunG846 aanG1909, dat zij ganselijkG2527 nietG3361 zouden sprekenG5350, noch lerenG1321, in den NaamG3686 van JezusG2424.
En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus.
KJV
And1
they called2
them,3
and commanded4
them5
not8
to speak9
at all7
nor10
teach11
in12
the name14
of Jesus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
MaarG1161 PetrusG4074 en JohannesG2491, antwoordendeG611, zeidenG2036 totG4314 henG846: OordeeltG2919 gijG4771, of het rechtG1342 isG1510 voor GodG2316, ulieden meer te horenG191 dan GodG2316.
Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God.
KJV
But2
Peter3
and4
John5
answered6
and said
unto7
them,8
Whether10
it be
right11
in the sight13
of God15
to hearken17
unto you
more than18
unto God,21
judge ye.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
WantG1063 wij kunnen nietG3756 latenG3361 te sprekenG2980, hetgeenG3739 wij gezienG3708 enG2532 gehoordG191 hebben.
Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.
KJV
For3
we
cannot1
but9
speak10
the things which5
we have seen
and7
heard.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Maar zij dreigdenG4324 hen nog meer, en lietenG630 ze gaan, nietsG3367 vindendeG2147, hoeG4459 zij hen straffenG2849 zouden, omG1223 des volksG2992 wilG3754; want zij verheerlijktenG1392 allenG3956 GodG2316 overG1909 hetgeen er geschiedG1096 was.
Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was.
KJV
So2
when they had further threatened them,3
they let4
them5
go,
finding7
nothing6
how9
they might punish10
them,11
because12
of the people:14
for15
all16
men glorified17
God19
for20
that which was done.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
WantG1063 de mensG444 wasG1510 meer dan veertigG5062 jarenG2094 oud, aanG1909 welkenG3739 ditG3778 tekenG4592 der genezingG2392 geschiedG1096 was.
Want de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was.
KJV
For2
the man7
was
above
forty5
years old,1
on8
whom9
this
miracle12
of healing15
was shewed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En zij, losgelatenG630 zijnde, kwamenG2064 totG4314 de hunnenG2398, en verkondigdenG518 al wat de overpriestersG749 en de ouderlingenG4245 totG4314 henG846 gezegdG2036 hadden.
En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.
KJV
And2
being let go,1
they went3
to4
their own company,6
and7
reported8
all9
that the chief priests13
and14
elders16
had said
unto10
them.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En als dezen dat hoordenG191, hievenG142 zij eendrachtelijkG3661 hun stemG5456 op totG4314 GodG2316, en zeidenG2036: HeereG1203! GijG4771 zijt de GodG2316, Die gemaaktG4160 hebt den hemelG3772, en de aardeG1093, en de zeeG2281, en alleG3956 dingen, die inG1722 dezelveG846 zijn.
En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn.
KJV
And2
when they heard that,3
they lifted up5
their voice6
to7
God9
with one accord,4
and10
said,
Lord,12
thou13
art God,15
which1
hast made17
heaven,19
and20
earth,22
and23
the sea,25
and26
all27
that in29
them is:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Die doorG1223 den mondG4750 van DavidG1138 Uw knechtG3816, gezegdG2036 hebt: WaaromG5101 woedenG5433 de heidenenG1484, enG2532 hebben de volkenG2992 ijdeleG2756 dingen bedachtG3191?
Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
KJV
Who1
by2
the mouth3
of thy
servant6
David4
hast said,
Why
did11
the heathen12
rage,
and13
the people14
imagine15
vain things?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
De koningenG935 der aardeG1093 zijn te zamen opgestaanG3936, enG2532 de overstenG758 zijn bijeenvergaderdG4863 tegen den HeereG2962, enG2532 tegen Zijn GezalfdeG5547.
De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde.
KJV
The kings3
of the earth5
stood up,1
and6
the rulers8
were gathered9
together10
against13
the Lord,15
and16
against17
his12
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WantG1063 in der waarheidG225 zijn vergaderdG4863 tegenG1909 Uw heiligG40 KindG3816 JezusG2424, WelkenG3739 GijG4771 gezalfdG5548 hebt, beidenG5037 HerodesG2264 enG2532 PontiusG4194 PilatusG4091, met de heidenenG1484 enG2532 de volkenG2992 IsraelsG2474;
Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels;
KJV
For2
of3
a truth4
against5
thy
holy7
child8
Jesus,10
whom11
thou hast anointed,12
both14
Herod,13
and15
Pontius16
Pilate,17
with18
the Gentiles,19
and20
the people21
of Israel,22
were gathered together,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Om te doenG4160 al wat Uw handG5495 enG2532 Uw raadG1012 te voren bepaald had, dat geschiedenG1096 zou.
Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.
Ook in dit vers
tevoren bepaaldG4309
KJV
For to do1
whatsoever2
thy
hand4
and6
thy
counsel8
determined before10
to be done.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En nu dan, HeereG2962, zieG1896 opG1909 hunG846 dreigingenG547, enG2532 geefG1325 Uw dienstknechtenG1401 metG3326 alleG3956 vrijmoedigheidG3954 Uw woordG3056 te sprekenG2980;
En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;
KJV
And1
now,
Lord,4
behold5
their9
threatenings:8
and10
grant unto11
thy
servants,13
that with15
all17
boldness16
they may speak18
thy
word,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Daarin, dat GijG4771 Uw handG5495 uitstrektG1614 totG1519 genezingG2392, enG2532 dat tekenenG4592 enG2532 wonderenG5059 geschiedenG1096 door den NaamG3686 van Uw heiligG40 KindG3816 JezusG2424.
Daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jezus.
KJV
By1
stretching forth6
thine
hand4
to8
heal;9
and10
that signs11
and12
wonders13
may be done14
by15
the name17
of thy
holy19
child20
Jesus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
EnG2532 als zij gebedenG1189 hadden, werd de plaatsG5117, inG1722 welkeG3739 zij vergaderdG4863 warenG1510, bewogenG4531. EnG2532 zij werden allen vervuldG4130 met den HeiligenG40 GeestG4151, enG2532 sprakenG2980 het WoordG3056 GodsG2316 met vrijmoedigheidG3954.
En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid.
KJV
And1
when they3
had prayed,2
the place6
was shaken4
where7
they were
assembled together;10
and11
they were12
all13
filled
with the Holy15
Ghost,14
and16
they spake17
the word19
of God21
with22
boldness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En de menigteG4128 van degenen, die geloofdenG4100, wasG1510 een hartG2588 en een zielG5590; en niemandG3761 zeideG3004, dat ietsG5100 van hetgeen hijG846 had, zijn eigenG2398 wareG1511, maar alle dingen waren hunG846 gemeenG2839.
En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
KJV
And2
the multitude3
of them that believed5
were
of one heart8
and9
of one
soul:11
neither13
said24
any12
of them that ought20
of the things which he23
possessed
was
his own;25
but27
they29
had
all things30
common.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
En de apostelenG652 gavenG591 met groteG3173 krachtG1411 getuigenisG3142 van de opstandingG386 van den HeereG2962 JezusG2424; en er wasG1510 groteG3173 genadeG5485 overG1909 henG846 allenG3956.
En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.
KJV
And1
with great2
power3
gave4
the apostles8
witness6
of the resurrection10
of the Lord12
Jesus:13
and15
great16
grace14
was
upon18
them20
all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Want er was ook niemandG3761 onderG1722 hen, die gebrekG1729 had; wantG1063 zovelenG3745 als er bezittersG2935 waren van landenG5564 ofG2228 huizenG3614, die verkochtenG4453 zij, en brachtenG5342 den prijsG5092 der verkochteG4097 goederen, en legden dien aan de voetenG4228 der apostelenG652.
Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden dien aan de voeten der apostelen.
KJV
Neither1
was5
there any4
among6
them7
that lacked:3
for2
as many as8
were14
possessors10
of lands11
or12
houses13
sold them,15
and brought16
the prices18
of the things that were sold,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
En aan een iegelijk werd uitgedeeldG1239, naar dat elkG1538 van nodeG5100 hadG2192.
En aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had.
Ook in dit vers
[goederen] legdenG5087
KJV
And1
laid them down2
at3
the apostles'7
feet:5
and9
distribution was made8
unto every man10
according11
as12
he had15
need.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
EnG1161 JosesG2500, vanG5259 de apostelenG652 toegenaamdG1941 BarnabasG921 (hetwelkG3739 isG1510, overgezetG3177 zijnde, een zoonG5207 der vertroostingG3874), een LevietG3019, van geboorteG1085 uit CyprusG2953,
En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas (hetwelk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,
KJV
And2
Joses,1
who3
by6
the apostles8
was surnamed4
Barnabas,5
(which9
is,
being interpreted,11
The son12
of consolation,)13
a Levite,14
and of the country17
of Cyprus,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Alzo hijG846 een akkerG68 had, verkochtG4453 dien, en brachtG5342 het geldG5536, enG2532 legdeG5087 het aan de voetenG4228 der apostelenG652.
Alzo hij een akker had, verkocht dien, en bracht het geld, en legde het aan de voeten der apostelen.
KJV
Having1
land,3
sold4
it, and brought5
the money,7
and8
laid9
it at10
the apostles'14
feet.
de hoofdman
Dat is, de overste der Romeinse soldaten, die de wacht hielden voor den tempel, om te verhoeden dat onder de grote menigte des volks, dagelijks tot den tempel komende, ongemak zou ontstaan. Zie Matt. 27:65 ; Luc. 22:4 , Luc. 22:52 ; Hand. 5:24-26 .
Hertaald:
de hoofdman
Dat is: de overste van de Romeinse soldaten die de wacht hielden bij de tempel, om te voorkomen dat er onder de grote menigte volk die dagelijks naar de tempel kwam ongeregeldheden zouden ontstaan. Zie Matth. 27:65; Luk. 22:4, Luk. 22:52; Hand. 5:24-26.
de Sadduceën;
Van dezen zie Matt. 3:7 , en Matt. 22:23 ; Hand. 23:8 .
Hertaald:
de Sadduceën;
Zie over hen Matth. 3:7 en Matth. 22:23; Hand. 23:8.
in Jezus
Of, door Jezus; namelijk dat dezelve door Jezus zou geschieden; of dat Jezus van de doden opgestaan was, gelijk vs.33, en Hand. 2:24 , en Hand. 3:15 ; of, in den naam van Jezus.
Hertaald:
in Jezus
Of: door Jezus; namelijk dat die door Jezus zou plaatsvinden, of dat Jezus uit de doden opgestaan was, zoals vers 33 en Hand. 2:24 en Hand. 3:15; of: in de naam van Jezus.
in bewaring
Namelijk van enige krijgsknechten of andere dienaars, zonder hen nog, zo het schijnt, in de gevangenis te werpen.
Hertaald:
in bewaring
Namelijk van enkele krijgsknechten of andere dienaars, zonder hen, naar het schijnt, al in de gevangenis te werpen.
het woord
Dat is, de predikatie van Petrus van Christus; Hand. 3:12 .
Hertaald:
het woord
Dat is: de prediking van Petrus over Christus; Hand. 3:12.
geloofden;
Namelijk dat Jezus de Nazarener de ware Messias en hun Zaligmaker was.
Hertaald:
geloofden;
Namelijk dat Jezus de Nazarener de ware Messias en hun Zaligmaker was.
vijf duizend
Namelijk of daarin gerekend de drie duizend, Hand. 2:41 , of boven dezelve nog vijf duizend.
Hertaald:
vijf duizend
Namelijk óf met inbegrip van de drieduizend uit Hand. 2:41, óf nog vijfduizend daarbovenop.
oversten
Deze schijnen geweest te zijn de voornaamste hoofden van den groten Raad, Sanhedrin genaamd, bestaande niet alleen uit priesters, maar ook uit andere voornaamsten des volks, voornamelijk uit schriftgeleerden of wetgeleerden. Zie vs.15.
Hertaald:
oversten
Dit lijken de voornaamste hoofden geweest te zijn van de grote Raad, het Sanhedrin, dat niet alleen uit priesters bestond maar ook uit andere vooraanstaanden van het volk, vooral uit schriftgeleerden of wetgeleerden. Zie vers 15.
te Jeruzalem
Namelijk zijnde, of uit andere plaatsen te Jeruzalem ontboden zijnde.
Hertaald:
te Jeruzalem
Namelijk die zich in Jeruzalem bevonden, of die uit andere plaatsen naar Jeruzalem ontboden waren.
Annas, de
Van dezen Annas, alsook van Kajafas, zie Luc. 3:2 ; Joh. 11:49 , en Joh. 18:13 .
Hertaald:
Annas, de
Zie over deze Annas en ook over Kajafas Luk. 3:2; Joh. 11:49 en Joh. 18:13.
Johannes,
Deze was een van de vijf zonen van Annas, anderszins ook Janathas genaamd. Zie JosEf. de bell.,lib2,cap.25.
Hertaald:
Johannes,
Deze was een van de vijf zonen van Annas, ook wel Janathas genoemd. Zie Josefus, De Joodse Oorlog, boek 2, hoofdstuk 25.
Alexander,
Sommige menen dat deze zou zijn die Alexander, van wien Josefus gewag maakt, Antiq. lib. 20, cap.3, omdat hij ook van Joodse afkomst was; doch alzo dezelve stadhouder van Judea was, zo is het niet waarschijnlijk dat hij hogepriester is geweest.
Hertaald:
Alexander,
Sommigen menen dat dit die Alexander zou zijn van wie Josefus melding maakt (Oudheden, boek 20, hoofdstuk 3), omdat hij ook van Joodse afkomst was; maar omdat die stadhouder van Judea was, is het niet waarschijnlijk dat hij hogepriester geweest is.
het hogepriesterlijk
Hetwelk verstaan kan worden òf van zulken, die afkomstig waren van hogepriesters, òf van overpriesters, dat is, van de hoofden der priesters, die in dagorden verdeeld waren; 1 Kron. 24:1 ; Luc. 1:5 .
Hertaald:
het hogepriesterlijk
Dat kan verstaan worden óf van mensen die van hogepriesters afstamden, óf van overpriesters, dat is: van de hoofden van de priesters, die in dagorden verdeeld waren; 1 Kron. 24:1; Luk. 1:5.
hen in het
Namelijk Petrus en Johannes.
Hertaald:
hen in het
Namelijk Petrus en Johannes.
naam hebt
Dat is, door wiens gezag of bevel.
Hertaald:
naam hebt
Dat is: door wiens gezag of bevel.
vervuld zijnde
Namelijk met een bijzondere drijving en beweging des Heiligen Geestes.
Hertaald:
vervuld zijnde
Namelijk met een bijzondere aandrang en beweging van de Heilige Geest.
gij ouderlingen
Van deze ouderlingen zie de aantekeningen vs.5.
Hertaald:
gij ouderlingen
Zie over deze ouderlingen de aantekeningen bij vers 5.
Alzo wij heden
Grieks indien, of zo.
Hertaald:
Alzo wij heden
Grieks: indien, of: als.
rechterlijk
Of, terechtgesteld, gerecht, geoordeeld worden.
Hertaald:
rechterlijk
Of: terechtgesteld, gerecht, geoordeeld worden.
gezond geworden is;
Grieks behouden is geworden.
Hertaald:
gezond geworden is;
Grieks: behouden is geworden.
door den Naam
Dat is door de kracht en autoriteit van Jezus, en door het geloof van Zijnen naam; Hand. 3:16 .
Hertaald:
door den Naam
Dat is: door de kracht en het gezag van Jezus, en door het geloof in Zijn naam; Hand. 3:16.
door Hem,
Namelijk Jezus Christus, of, door dezen, te weten naam van Jezus Christus; Hand. 3:6 .
Hertaald:
door Hem,
Namelijk Jezus Christus; of: door deze, namelijk de naam van Jezus Christus; Hand. 3:6.
Deze is de
Namelijk Jezus de Nazarener.
Hertaald:
Deze is de
Namelijk Jezus de Nazarener.
de bouwlieden,
Dat is, van u, die gesteld zijt om de gemeente met de zaligmakende leer van den waren Messias te stichten.
Hertaald:
de bouwlieden,
Dat is: door u, die aangesteld bent om de gemeente met de zaligmakende leer van de ware Messias te stichten.
veracht is,
Grieks vernietigd; dat is als niet geacht is, of verworpen.
Hertaald:
veracht is,
Grieks: vernietigd; dat is: als niets geacht, of verworpen.
een hoofd des
Dat is de voornaamste hoeksteen, waar het gehele gebouw op gegrond is. Zie Jes. 28:16 ; Rom. 9:33 ; 1 Petr. 2:6 .
Hertaald:
een hoofd des
Dat is: de voornaamste hoeksteen, waarop het hele gebouw gegrond is. Zie Jes. 28:16; Rom. 9:33; 1 Petr. 2:6.
in geen Anderen;
Dat is, door geen ander.
Hertaald:
in geen Anderen;
Dat is: door geen ander.
onder den hemel
Dat is, nergens in de gehele wereld.
Hertaald:
onder den hemel
Dat is: nergens in de hele wereld.
Naam, Die
Dat is, niemand anders, geen ander persoon.
Hertaald:
Naam, Die
Dat is: niemand anders, geen andere persoon.
onder de mensen
Grieks in de mensen; dat is, onder de mensen.
Hertaald:
onder de mensen
Grieks: in de mensen; dat is: onder de mensen.
gegeven is,
Namelijk van God; Joh. 3:16 .
Hertaald:
gegeven is,
Namelijk door God; Joh. 3:16.
door Welken
Grieks in welken.
Hertaald:
door Welken
Grieks: in Wie.
ongeleerde en
Grieks ongeletterde; die in de scholen niet gestudeerd hadden.
Hertaald:
ongeleerde en
Grieks: ongeletterd; namelijk mensen die niet in de scholen gestudeerd hadden.
slechte mensen
Grieks idiotai; zo worden genaamd gemene lieden, die alleen hun eigen moedertaal spreken, die geen geleerdheid of gezag in den staat of de kerk hebben; 1 Kor. 14:16 , 1 Kor. 14:23-24 ; 2 Kor. 11:6 .
Hertaald:
slechte mensen
Grieks: idiotai. Zo worden gewone mensen genoemd die alleen hun eigen moedertaal spreken en die geen geleerdheid of gezag hebben in de staat of in de kerk; 1 Kor. 14:16, 1 Kor. 14:23-24; 2 Kor. 11:6.
staan, die
Namelijk op zijne voeten, overeind, hetwelk hij tevoren niet had kunnen doen.
Hertaald:
staan, die
Namelijk op zijn voeten, rechtop, wat hij tevoren niet had kunnen doen.
uit te gaan
Grieks weg te gaan; hetwelk niet moet verstaan worden dat zij geheel ontslagen werden om te mogen heengaan, maar dat zij uit den Raad geleid werden.
Hertaald:
uit te gaan
Grieks: weg te gaan. Dat moet niet zo verstaan worden dat zij geheel ontslagen werden en mochten heengaan, maar dat zij uit de Raad geleid werden.
een bekend teken
Namelijk de wonderbare genezing van dezen kreupele.
Hertaald:
een bekend teken
Namelijk de wonderbaarlijke genezing van deze kreupele.
scherpelijk dreigen,
Grieks met dreiging dreigen. Hebreën.
Hertaald:
scherpelijk dreigen,
Grieks: met dreiging dreigen. Dat is een Hebreeuwse uitdrukking.
in dezen Naam
Of, van dezen naam; dat is van dezen Jezus.
Hertaald:
in dezen Naam
Of: over deze naam; dat is: over deze Jezus.
zeiden zij hun
Dat is, geboden hun.
Hertaald:
zeiden zij hun
Dat is: geboden hun.
ganselijk niet
Namelijk noch van Hem prediken, noch Hem aanroepen, noch in Zijnen naam wonderen doen.
Hertaald:
ganselijk niet
Namelijk niet over Hem prediken, Hem niet aanroepen en geen wonderen in Zijn naam doen.
voor God,
Dat is, voor het aangezicht Gods; in Gods tegenwoordigheid, die alles weet en oordeelt.
Hertaald:
voor God,
Dat is: voor het aangezicht van God, in Gods tegenwoordigheid, Die alles weet en oordeelt.
kunnen niet
Namelijk alzo wij van God daartoe geroepen zijn om te getuigen hetgeen wij van Jezus Christus gehoord en gezien hebben.
Hertaald:
kunnen niet
Namelijk omdat wij door God daartoe geroepen zijn: om te getuigen wat wij van Jezus Christus gehoord en gezien hebben.
hoe zij hen
Dat is, onder wat voorwendsel of schijn van recht.
Hertaald:
hoe zij hen
Dat is: onder welk voorwendsel of welke schijn van recht.
om des volks
Dat is, uit vrees dat het volk tegen hen zou oproerig worden.
Hertaald:
om des volks
Dat is: uit vrees dat het volk tegen hen in opstand zou komen.
meer dan
En dienvolgens een geloofwaardig en bekend man; en die ook zwaarder om te genezen was, zovele jaren kreupel geweest zijnde.
Hertaald:
meer dan
En dus een geloofwaardig en bekend man, die ook moeilijker te genezen was omdat hij al zoveel jaren kreupel geweest was.
tot de hunnen,
Namelijk tot de andere apostelen, vs.29-31.
Hertaald:
tot de hunnen,
Namelijk tot de andere apostelen, vers 29-31.
Heere, Gij
Grieks Despota. Welke naam God den Vader voornamelijk wordt toegeschreven, gelijk het woord Kyrios den Zoon Jezus Christus. Zie Luc. 2:29 ; 2 Petr. 2:1 ; Jud. 1:4 .
Hertaald:
Heere, Gij
Grieks: Despota. Die naam wordt vooral aan God de Vader toegeschreven, zoals het woord Kyrios aan de Zoon Jezus Christus. Zie Luk. 2:29; 2 Petr. 2:1; Judas 1:4.
Uw knecht,
Of, van uw kind. Zie vs.27.
Hertaald:
Uw knecht,
Of: van Uw Kind. Zie vers 27.
woeden de
Grieks briesen; gelijk de moedige paarden als zij ten strijde gaan.
Hertaald:
woeden de
Grieks: briesen, zoals moedige paarden doen wanneer zij ten strijde trekken.
in der waarheid
Dat is, openbaarlijk en kennelijk.
Hertaald:
in der waarheid
Dat is: openlijk en duidelijk.
Kind Jezus,
Of, knecht, dienaar. Zie Hand. 3:13 , Hand. 3:26 . Zie ook Matt. 8:6 , vergeleken met Luc. 7:2 , en hier vs.25.
Hertaald:
Kind Jezus,
Of: Knecht, Dienaar. Zie Hand. 3:13, Hand. 3:26. Zie ook Matth. 8:6, vergeleken met Luk. 7:2, en hier vers 25.
gezalfd hebt,
Namelijk met den Heiligen Geest tot den oppersten priester, profeet en koning der gemeente.
Hertaald:
gezalfd hebt,
Namelijk met de Heilige Geest, tot de opperste Priester, Profeet en Koning van de gemeente.
de volken Israëls;
Hoewel de Israëlieten maar een volk waren, zo worden zij nochtans ook volken genaamd, in het getal van velen, omdat zij in twaalf stammen verdeeld waren; Gen. 28:3 , en Gen. 48:4 .
Hertaald:
de volken Israëls;
Hoewel de Israëlieten maar één volk waren, worden zij toch ook volken genoemd, in het meervoud, omdat zij in twaalf stammen verdeeld waren; Gen. 28:3 en Gen. 48:4.
Om te doen
Dit moet verstaan worden niet ten aanzien van hun voornemen, alsof zij den raad Gods zouden voorgenomen hebben uit te voeren, maar ten aanzien van de uitkomst der zaak, die zo uitgevallen is, gelijk God in Zijnen raad besloten had.
Hertaald:
Om te doen
Dat moet niet verstaan worden met het oog op hun voornemen, alsof zij zich zouden hebben voorgenomen Gods raad uit te voeren, maar met het oog op de afloop van de zaak, die zo uitgevallen is als God in Zijn raad besloten had.
hand en Uw
Dat is, Gij zelf, naar uwe macht en wijze besturing.
Hertaald:
hand en Uw
Dat is: U Zelf, naar Uw macht en wijze bestuur.
te voren bepaald
Of, tevoren geschikt, geordineerd, besloten. Zie Hand. 2:23 .
Hertaald:
te voren bepaald
Of: tevoren beschikt, verordend, besloten. Zie Hand. 2:23.
zie op hun
Namelijk van den hemel, vanwaar Gij alle dingen regeert.
Hertaald:
zie op hun
Namelijk vanuit de hemel, vanwaar U alle dingen regeert.
dienstknechten
Namelijk de apostelen; Ef. 6:19 .
Hertaald:
dienstknechten
Namelijk de apostelen; Ef. 6:19.
Uw hand uitstrekt
Dat is, uwe kracht.
Hertaald:
Uw hand uitstrekt
Dat is: Uw kracht.
genezing, en
Namelijk wonderbare.
Hertaald:
genezing, en
Namelijk wonderbaarlijke genezing.
Kind Jezus
Zie vs.27.
Hertaald:
Kind Jezus
Zie vers 27.
zij gebeden hadden,
Namelijk de apostelen, door welken dit gebed gedaan was.
Hertaald:
zij gebeden hadden,
Namelijk de apostelen, door wie dit gebed gedaan was.
bewogen
Het Griekse woord betekent eigenlijk op en neder bewogen worden, gelijk de baren van de zee. Met dit wonderteken toonde God dat hun gebed verhoord was.
Hertaald:
bewogen
Het Griekse woord betekent eigenlijk: op en neer bewogen worden, zoals de golven van de zee. Met dit wonderteken toonde God dat hun gebed verhoord was.
vervuld met den
Zie vs.8, om het Evangelie vrijmoedig midden in de vervolging te prediken.
Hertaald:
vervuld met den
Zie vers 8, namelijk om het Evangelie midden in de vervolging vrijmoedig te prediken.
een hart en
Dat is, zeer grote enigheid, zo in de leer en in het gevoelen, als in de gemoederen en toegenegenheid tot elkander in liefde en vrede.
Hertaald:
een hart en
Dat is: een zeer grote eenheid, zowel in de leer en de overtuiging als in de gemoederen en in de genegenheid tot elkaar in liefde en vrede.
zijn eigen ware,
Zie hiervan Hand. 2:44 , en Hand. 5:4 .
Hertaald:
zijn eigen ware,
Zie hierover Hand. 2:44 en Hand. 5:4.
kracht getuigenis
Namelijk om de harten der mensen te bewegen; Rom. 1:16 .
Hertaald:
kracht getuigenis
Namelijk om de harten van de mensen te bewegen; Rom. 1:16.
genade over
Dat is, gunst en aangenaamheid bij het volk, hetwelk van hen als van heilige en godzalige lieden veel hield.
Hertaald:
genade over
Dat is: gunst en welgevallen bij het volk, dat hen zeer hoogachtte als heilige en godzalige mensen.
aan de voeten
Namelijk om van hen uitgedeeld te worden aan de armen, naar eens ieders nood, vs.35.
Hertaald:
aan de voeten
Namelijk om door hen aan de armen uitgedeeld te worden, naar ieders nood, vers 35.
Joses, van
Anders, Jozef.
Hertaald:
Joses, van
Anders: Jozef.
der vertroosting),
Of, der vermaning; vanwege de bijzondere gaven, die hij had, om de mensen uit Gods Woord te troosten en te vermanen. Zie Hand. 11:22-24 .
Hertaald:
der vertroosting),
Of: van de vermaning; vanwege de bijzondere gaven die hij had om de mensen uit Gods Woord te troosten en te vermanen. Zie Hand. 11:22-24.
een Leviet,
Of, een Leviet van geboorte, geslacht, of uitkomst uit Cyprus.
Hertaald:
een Leviet,
Of: een Leviet van geboorte, van geslacht, of afkomstig uit Cyprus.
Cyprus,
De Joden waren in alle gewesten der wereld verstrooid, 1 Petr. 1:1 , en ook in dit eiland, waarvan zie Hand. 11:19 , en Hand. 13:4 , en Hand. 15:39 , en Hand. 21:3 , en Hand. 27:4 .
Hertaald:
Cyprus,
De Joden waren over alle streken van de wereld verstrooid (1 Petr. 1:1), en ook op dit eiland; zie daarover Hand. 11:19, Hand. 13:4, Hand. 15:39, Hand. 21:3 en Hand. 27:4.
het geld, en
Namelijk dat hij gemaakt had en den verkochten akker.
Hertaald:
het geld, en
Namelijk het geld dat hij van de verkochte akker gemaakt had. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Oorspronkelijk Joses geheten; een Leviet van geboorte uit Cyprus, die door de apostelen Barnabas genoemd werd. Hij verkocht een akker en legde de opbrengst aan de voeten der apostelen (Hand. 4:36-37); hij zou later een centrale rol spelen als metgezel van Paulus in diens zendingsreizen. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Na Pinksteren volhardt de gemeente "in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden" (Hand. 2:42), en verkopen gelovigen bezittingen om uit te delen naar ieders behoefte (Hand. 2:44-45). Dezelfde beschrijving keert terug in Hand. 4:32-35: "de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen." Dat dit vrijwillig was en geen afschaffing van particulier eigendom betekende, blijkt uit wat Petrus tot Ananias zei na diens leugen: "Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht?" (Hand. 5:4). De zonde lag dus niet in het achterhouden van geld, maar in het liegen tegen de Heilige Geest. Bijbelse betekenis: Dit tekent de kenmerken van een ware, door de Geest vervulde gemeente: gezonde leer, onderlinge gemeenschap, de sacramenten/ordinantiën (de breking des broods) en het gebed, uitlopend in een vrijwillige, uit liefde voortkomende vrijgevigheid. Het is geen bindend patroon van gedwongen goederengemeenschap voor de kerk van alle tijden en plaatsen, maar een eenmalige Geestwerking van dat bijzondere moment en die bijzondere plaats. Typologie: Paulus' collecte voor de armen te Jeruzalem (2 Kor. 8-9) toont dezelfde geest voortgezet als vrijwillige christelijke vrijgevigheid, niet als een herhaalde afschaffing van eigendom. Hand. 2:42-47; Hand. 4:32-35; Hand. 5:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Petrus en Johannes staan voor dezelfde raad die enkele weken eerder Christus veroordeeld heeft. Aanleiding is een kreupele man die bij de Schone poort genezen is. De vraag luidt: door wat kracht of door wat naam hebt gij dit gedaan? Petrus antwoordt met een steen uit de Psalmen, en trekt daaruit een gevolgtrekking die geen ruimte laat. Hij begint bij de genezen man — die er nog bij staat — en zegt dat het gebeurd is door den Naam van Jezus Christus, den Nazaréner, Dien gij gekruist hebt, Welken God uit de doden heeft opgewekt. Dan haalt hij Psalm 118 aan, en hij past die rechtstreeks op zijn hoorders toe: Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is. Zij waren de bouwlieden. Zij hadden de steen afgekeurd. En God heeft hem juist tot hoeksteen gemaakt. Dat beeld liep al door de Schrift. Jesaja sprak van een beproefde hoeksteen die God in Sion legt, en tegelijk van een steen des aanstoots. Daniël zag een steen zonder handen afgehouwen. Christus zelf haalde Psalm 118 aan bij het slot van de gelijkenis van de wijngaardeniers, vlak voordat zij Hem gevangennamen. En dan komt vers 12, dat alle uitwegen sluit: de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden. Let op het woord gegeven. Deze Naam is niet door mensen gekozen als de beste van vele; Hij is gegeven, van boven, en er is er geen tweede. Dat is precies wat de engel tegen Jozef zei: gij zult Zijn naam heten JEZUS, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Het gevolg is opmerkelijk. De raad kan niets tegen de genezen man inbrengen en verbiedt hen alleen te spreken. Petrus antwoordt dat zij niet kunnen zwijgen over hetgeen zij gezien en gehoord hebben. In het Nieuwe Testament: 1 Petrus 2:4-8; Efeze 2:20; Mattheüs 1:21; 1 Timotheüs 2:5
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Ook als christen kun je je verdrietig of somber voelen, net als Spurgeon en Cowper. Bemoedig elkaar en bid samen, dat helpt. Zij verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren. Handelingen 4:13 Een christen zou een duidelijke weerspiegeling van Jezus Christus moeten zijn. Als we echt… Ze waren verbaasd. En ze realiseerden zich dat ze bij Jezus waren geweest. Handelingen 4:13 Eng. Vert. NKJV Als christen ben je geroepen om een levend beeld van… De Naam van de HEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet. (Spreuken 18:10) Lees verder Psalm 20:1—9. Het heeft geen… En ziende de mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daar tegen te zeggen. Hand. 4:14 De oversten en ouderlingen stelden zich tegen Petrus en Johannes. Het… Maar hij, vol van de Heilige Geest, hield zijn ogen naar de hemel gericht en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan de rechterhand van God.… Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest… [vc_row][vc_column][vc_column_text css=""] Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" …herkenden zij hen als mensen die met Jezus samen geweest waren. Handelingen 4 vers 13 Een Christen moet een… Zij nu ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zich en leenden hen, dat zij met Jezus geweest… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Handelingen 4
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
In geen Anderen — 4:1-12
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Somber zijn
Een spiegelbeeld van Jezus
Spiegelbeeld van Jezus
Onze schuilplaats
Hand. 4:14 - De mond gesnoerd
Het martelaarschap
De andere Trooster
Die met Jezus samen geweest waren
Heiligmaking


Handelingen 4
Handelingen 4:1-4
KruisverwijzingenLukas 22:4→Handelingen 17:18→Handelingen 2:41→Handelingen 6:12→Handelingen 5:18→Handelingen 5:24→Handelingen 5:26→1 Thessalonicenzen 4:13→— En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman des tempels, en de Sadduceen; Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden. En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond. En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend.
Al konden zij niet op dat moment vertellen hoevelen er bekeerd waren, en al konden zij hen niet dadelijk dopen, omdat zij weggevoerd werden, toch waren er waarschijnlijk net zoveel mensen behouden als op Pinksteren.
Er kwam een even groots resultaat uit voort. U kunt het resultaat van een preek niet beoordelen op de dag zelf waarop hij gehouden wordt. Het kan lijken alsof die preek geen enkel effect gehad heeft, en dat kan ook zo zijn. Maar deze keer was dat niet zo.
Telkens wanneer u bedroefd naar huis gaat, omdat er geen nabespreking was, of omdat u onderbroken werd, en u niet kunt zeggen welk goed er gedaan is: bedenk dan dit. Al weet u niet wat er tot stand gebracht is, het staat opgetekend in de hemel, en God zal het te zijner tijd openbaren. Misschien ontdekt u zelfs hier al dat u zich vergist had, en dat de dienst die verloren leek, een van de meest gezegende was die u ooit gehouden hebt. God geve dat het zo mag zijn, om Christus’ wil!
Handelingen 4:8-12
KruisverwijzingenOpenbaring 20:15→Johannes 14:6→Mattheüs 1:21→Johannes 3:36→Lukas 24:47→1 Johannes 5:11→1 Korinthe 3:11→Handelingen 10:42→— Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israel! Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mens geschied, waardoor hij gezond geworden is; Zo zij u allen kennelijk, en het ganse volk Israel, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, Dien gij gekruist hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond. Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is. En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.
Niets kan de directheid, de volledigheid en de vrijmoedigheid van deze verklaring overtreffen. Hij verkondigt niet alleen dat de Naam van Christus de wonderwerkende Naam is, maar beschuldigt hen ook van Zijn moord, en bevestigt opnieuw de opstanding. Meer nog: hij snijdt de wortel af van heel hun ceremoniële gerechtigheid. Hij verklaart dat zij door deze gehate en veroordeelde Naam behouden moeten worden, of anders voor eeuwig verloren gaan. Laat de dienstknecht van God, in alle omstandigheden, zich moedig gedragen. Laat hij bedenken dat dit is hoe hij altijd behoort te spreken. Wanneer de eer van zijn Meester en het heil van zielen op het spel staan, is het niet aan hem de waarheid in te houden, maar haar uit te spreken.
Handelingen 4:13
Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:27→Johannes 7:15→Mattheüs 11:25→Handelingen 2:7→Johannes 18:16→Lukas 22:52→Mattheüs 26:71→Lukas 22:8→— Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.
Waar anders hadden zij zulk een heilige moed kunnen leren? Zij spraken, naar hun eigen mate, precies zoals de grote Meester zelf, van Wie geschreven staat: “Hij sprak als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.” Zij spraken niet met de schuchtere, aarzelende houding van een prediker die de waarschijnlijkheden tussen goed en kwaad, tussen valsheid en waarheid, lijkt af te wegen. Zij spraken met het bewijs van een hartelijke overtuiging van de waarheid van wat zij verkondigden. Zo sprak Christus, en, van Hem geleerd hebbend, spraken Zijn discipelen zo ook.
Handelingen 4:14
KruisverwijzingenHandelingen 4:21→Handelingen 3:8→Handelingen 19:36→Handelingen 4:16→Handelingen 4:10→— En ziende den mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.
Bekeerlingen sluiten de mond van tegenstanders. Het goede dat door het evangelie gedaan wordt, zal altijd een verpletterend argument zijn voor de goddelozen.
Handelingen 4:16-20
KruisverwijzingenHandelingen 22:15→Handelingen 5:29→Jeremia 20:9→Ezechiël 3:11→Handelingen 5:32→Handelingen 5:28→Handelingen 5:40→1 Timotheüs 2:3→— Zeggende: Wat zullen wij dezen mensen doen? Want dat er een bekend teken door hen geschied is, is openbaar aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen. Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in dezen Naam spreken. En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus. Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God. Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.
Zoals een vat vol nieuwe wijn een uitweg moet vinden, of barsten, zo is het ook met de man die vervuld is met de kennis van Jezus. Hij moet spreken. Het is voor hem geen kwestie van keuze, want, zoals Paulus zegt: “wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig.” Zoals de oude profeet het zegt: “het woord des Heeren was in mijn hart als een brandend vuur”, en is het het ware woord van God, dan zal het spoedig zijn weg naar buiten branden.
Handelingen 4:21-22
KruisverwijzingenHandelingen 5:26→Handelingen 9:33→Mattheüs 21:46→Lukas 20:6→Lukas 20:19→Lukas 22:2→Mattheüs 9:8→Mattheüs 9:20→— Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was. Want de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was.
Daarom was het zoveel opmerkelijker: veertig jaar kreupel, en toch genezen! Maar hoe groot is de genade, getoond in het behoud van een oude zondaar — veertig jaar dood in zonden en misdaden, vijftig, zestig, zeventig, of zelfs tachtig jaar een trouwe dienstknecht van de zwarte tiran. En toch gebracht om de nieuwe en betere Meester te volgen! Wat een triomf van genade is dat, wanneer het verdorde stuk hout uit het vuur gerukt wordt, terwijl het daar juist zo geschikt voor was!
Handelingen 4:23
KruisverwijzingenHandelingen 12:11→Psalmen 119:63→Handelingen 2:44→Psalmen 16:3→Handelingen 1:13→2 Korinthe 6:14→Maleachi 3:16→Spreuken 13:20→— En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.
U kunt een mens altijd aan zijn gezelschap herkennen. Waren deze mensen goddeloos geweest, dan hadden zij gedaan wat goddelozen doen wanneer zij uit de gevangenis komen: zij waren teruggegaan naar hun oude drinkmakkers. Maar zij zijn gelovigen, en zij gaan naar hun eigen gezelschap.
Handelingen 4:24-28
KruisverwijzingenNehemia 9:6→Handelingen 1:16→Handelingen 4:30→Mattheüs 27:2→Handelingen 2:23→Jesaja 46:10→Psalmen 69:29→2 Korinthe 1:8→— En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn. Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht? De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde. Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels; Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.
Hoe wonderlijk komt deze leer van de voorbeschikking hier binnen! Zij zingen over de goddeloosheid van mensen, en de triomf die God daarover behaalt. Dat is de kern en de inhoud van hun lied: terwijl goddeloze mensen dachten Gods raadsbesluiten voor eeuwig weg te kunnen doen door de vernietiging van Zijn Zoon, deden zij zelf juist datgene wat God “te voren bepaald had, dat geschieden zou.” De wildste wanklank vormt harmonie in het oor van God.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En terwijl zij na de prediking van Petrus, die in het voorgaande is meegedeeld, nog verder tot het volk spraken, toen Petrus en Johannes evenals in hoofdstuk 2: 40 aan de eigenlijke hoofdrede nog bijzondere vermaningen toevoegden, kwamen daarover tot hen degenen, die de tempelwacht uitmaakten 1CH 24: 5, namelijk de priesters en de hoofdman van de tempel, die over deze schaar het bevel voerde (Luk. 22: 4) en de Sadduceeën, die juist op de plaats van de tempel aanwezig waren geweest en Petrus’ rede in hoofdstuk 3 ten minste tot vs. 15 mede hadden aangehoord.
Deze kwamen, zeer ontevreden zijnde omdat zij, de apostelen, het volk leerden op een wijze die met de godsdienstige meningen van de Sadduceeën in lijnrechtetegenspraak stond en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden, die toch door hen werd geloochend (hoofdstuk 23: 8 MATTHEUS. 22: 23), waarom zij ook de tempelwacht en haar hoofdman gedwongen hadden tussen te treden.
Het schijnt, dat de farizese partij onder de Joden die in het bijzonder de veroordeling van Christus had bewerkt, zich verder niet bemoeid heeft met het vervolgen van zijn aanhangers. Zij achtte de onwetende Galileërs geen verdere opmerkzaamheid waard, vooral daar zij de oude ceremoniële wet streng waarnamen en zich eerst niet met polemiek tegen de farizese stellingen inlieten en men toch ook vele andere sekten, die met het belang van de farizese partij niet in strijd kwamen, rustig hun gang liet gaan.
Hun aanvankelijk zacht optreden tegen de verkondigers van de opstanding van de Gekruisigde spreekt duidelijk uit hoezeer hun geweten getroffen is dat hun van hun vervreemding van God en van hun strijd tegen de vertegenwoordigers van ware godzaligheid overtuigd.
En zij, van wie in vs. 1 gesproken is, sloegen de handen aan hen, aan Petrus en Johannes (vs. 13 en 19), waarschijnlijk ook aan de genezen kreupele, die zich bij hen hield (vs. 10, 14) en zetten ze in bewaring, in een gevangenis die zich in de tempel bevond (Jer. 20: 2; 29: 26), tot de volgende dag wanneer de hoge raad zou zitting houden, om over hen te oordelen, hetgeen nu niet meer kon plaatshebben, want het was nu avond, de zogenaamde tweede avond, die om 6 uur begon (MATTHEUS. 14: 23).
Wat wij aan het einde van ons boek in zijn geheel voor ons zien, neemt nu zijn eerste begin. Het volk van Israël in zijn geheel, zoals het wordt vertegenwoordigd door zijn oversten en oudsten, verwerpt de zegen en wil de vloek hebben. Het was opmerkelijk genoeg en Farizeeën als een Gamaliël (hoofdstuk 5: 34vv) hadden daardoor tot bezinning kunnen komen dat de eerste vijandschap tegen de gemeente van Jezus Christus van de Sadduceeën uitging. Maar door de prediking van de zaligheid van de zondaars alleen in de Naam van een Gekruisigde voelde de farizese trotsheid zich dieper gewond, dan door alle dwaalleringen van de Sadduceeën en zo geschiedde het dat uiteindelijk het hele huis van Israël zijn hart verstokte tegen de stem van de Heere: “zoekt Mij en leeft”, wandelende naar de wijze van de vaderen (Amos 5: 10): “zij haten in de poort degene die bestraft en hebben een gruwel van hem, die oprecht spreekt. “
En om terug te zien op het innerlijke gevolg van Petrus’ prediking in hoofdstuk 3: 12vv., zij hier nog opgemerkt: velen van degenen die het woord gehoord hadden, geloofden. En het getal van de mannen, terwijl reeds volgens hoofdstuk 2: 41 de gemeente tot 3000 zielen was toegenomen, werd in de eerste tijd die op deze dag volgde, omtrent vijfduizend, waarbij dan nog een aanzienlijk aantal vrouwen moet worden gerekend, indien men de gezamenlijke sterkte geheel zou willen aangeven.
Niet de genezing als daad, maar het woord waartoe zij aanleiding geeft, vooral het woord van Jezus als de Opgestane, heeft de tegenstand en de vervolging opgewekt. De wereld kan wel enkel moraal en ook abstracte evangelische waarheid verdragen, maar als Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane persoonlijk word verkondigd, wordt de tegenspraak van het natuurlijk hart opgewekt. Aan de andere kant heeft ook het gelovige hart aan Christus persoonlijk alles. Terwijl zij Jezus verkondigden, predikten de apostelen de opstanding uit de doden, terwijl Jezus verkondigd werd, wordt ook gerechtigheid en de genade van God, alle wijsheid, gerechtigheid, heiliging en verlossing verkondigd – in Hem en aan Hem heeft het gelovige hart, de denkende geest, het heilbegerig geweten alles, wat de mens nodig heeft.
d. Vers 5-31KruisverwijzingenOpenbaring 20:15→Johannes 14:6→Mattheüs 1:21→Johannes 3:36→Lukas 24:47→1 Johannes 5:11→1 Korinthe 3:11→Handelingen 10:42→
— En het geschiedde des anderen daags, dat hun oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden; En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovele er van het hogepriesterlijk geslacht waren. En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan? Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israel! Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mens geschied, waardoor hij gezond geworden is; Zo zij u allen kennelijk, en het ganse volk Israel, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, Dien gij gekruist hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond. Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is. En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden. Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren. En ziende den mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.
Het eerste uitwendige gevaar van de gemeente, afgewend door de machteloosheid van de vijanden.
En het geschiedde, op de morgen van de volgende dag, toen een gerechtszitting kon plaatshebben, dat hun, van de Joden, oversten en ouderlingen en schriftgeleerden, de leden van de hoge raad Uit 2: 4, waaronder eerst de oudsten als vertegenwoordigers van het volk en de Schriftgeleerden als die in het bezit waren van de kennis van de Wet in het bijzonder moeten genoemd worden, te Jeruzalem vergaderden, waarheen zij kwamen van hun huizen, die een gedeelte van hen althans buiten de stad had.
En bovendien kwamen de leden van de priesterschap, waarvan de voornaamsten hier persoonlijk mogen worden genoemd: Annas de hogepriester in zaken van bestuur en Kajafas de hogepriester in zaken van godsdienst Lu 3: 2 en Johannes en Alexander, en zo velen er van het hogepriesterlijk geslacht waren.
En toen zij hen, de beide apostelen en de man die deze van zijn lamheid hadden genezen, in het midden van hen gesteld hadden, zodat zij door allen konden gehoord en gezien worden, vroegen zij (vgl. Joh. 2: 18 MATTHEUS. 21: 23): a) Door welke kracht, die u ten dienste staat of, als gij de kracht niet in uzelf hebt, door welke naam hebt gij dit wonder aan die lamme gedaan? Welke naam hebt gij bij het verrichten van zijn genezing uitgesproken, als naam van hem, wiens kracht u dienen zou, misschien wel van Beëlzebub, de overste van de duivelen (MATTHEUS. 12: 24; 10: 25)?
Ex. 2: 14 Hand. 7: 27
Bepaalde geschiedkundige persoonlijkheden, met de namen Johannes en Alexander, kunnen, hoewel men het heeft beproefd, niet worden aangewezen. De uitdrukking: “zo velen er van het hogepriesterlijk geslacht waren, ” moet echter nader worden verklaard dan in de regel door de uitleggers geschiedt. Onmiskenbaar geeft Josephus in zijn boek over de Joodse oorlog (IV. 3: 6) met de woorden: “zij (de Zeloten) beroofden de geslachten van hun invloed, waaruit als eerste de hogepriester gewoonlijk wordt genoemd” te kennen dat het hogepriesterschap in die tijd voor een voorrecht van enige weinige geslachten werd gehouden. Inderdaad blijkt uit de lijst van de 28 hogepriesters die dezelfde geschiedschrijver voor de tijd van Herodes de Grote tot aan de verwoesting van Jeruzalem noemt, (Slotwoord op 1 Makk. Nr. c.), dat het hogepriesterschap tot weinige families en (vooral dit van Phabi, Boëthus, Annas en Kamithus) beperkt bleef. Bij deze beperking gaf reeds alleen het behoren tot een van deze families een bijzonder aanzien, een soort van adel, hetgeen wordt uitgesproken in het “van het hogepriesterlijk geslacht. ” Men moet dus daaronder niet in het algemeen verstaan, de hoofden van de 24 priesterorden, daar deze gewoonlijk onder de titel “overpriesters” bij het noemen van de medeleden van de hoge raad, Uit 2: 4 bedoeld zijn, noch in het bijzonder de aanverwanten van het huis van Annas, maar de hogepriesterlijke aristocratie, waartoe ook de in hoofdstuk 19: 14 vermelde Sceva met zijn zeven zonen behoorde; want een hogepriester in de eigenlijke zin, die deze naam draagt, kan nergens worden aangewezen. Het is opmerkelijk hoe omstandig Lukas de samenkomst van de hoge raad hier beschrijft, daar hij ze niet alleen ons voorstelt als een voltallige vergadering in de wettige vorm, waartoe men afwezige leden van het land naar de stad ontbood, maar ook het plaatsen van de beschuldigden in het midden en de woorden van de tot hen gerichte vraag met nadruk noemt. Daaruit moet de lezer weten welke bijzondere betekenis aan deze gehele vergadering moet worden toegeschreven, een betekenis die slechts weinig wordt gewaardeerd en meestal niet verder wordt overdacht, omdat men vanaf het begin de geschiedenis in hoofdstuk 3 verhaald, te oppervlakkig heeft beschouwd. Wij hebben omtrent het wonder van Petrus en zijn rede in het voorhof van Salomo, die zich daaraan verbond, aangewezen hoe de prediking van de zaligheid van Christus, de Gekruisigde, de Opgestane, de ten hemel gevarene nu reeds 2 à 3 jaar te Jeruzalem was gehoord; dat een gemeente was opgetreden, van wie de godzalige wandel ook zonder woorden geloof vroeg van het volk, dat het eerst tot de gemeenschap van de zaligheid was geroepen en het nu te doen was om een beslissing in het leven te roepen bij dat volk, dat het niet meer in enkele individuen, maar in zijn geheel als natie boete wilde doen voor zijn volkszonde. Het moest beslissen of het zich wilde bekeren tot Hem die volgens de belofte hun als Heiland was gegeven, of dat het in de verharding van zijn hart wilde voortgaan en zijn Christus verder verloochenen en diens discipelen vervolgen en van zich stoten. Die beslissing komt nu. Het eigenlijke hoofdpunt van ons hoofdstuk is niet het gelovig worden van de genoemden in vs. 4, noch de gevangenneming van de apostelen door de Sadduceeën bewerkt, die ontevreden waren over de verkondiging van Jezus’ opstanding (vs. 1-3), het eerste is slechts als nevenzaak vermeld en het tweede komt alleen als doorgangspunt voor, maar de heilige geschiedschrijver ziet als voor zijn ogen de hoge raad in zijn afzonderlijke bestanddelen, ja gedeeltelijk zelfs in zijn bijzondere personen, tot een zeer gewichtige zitting in de heilige stad samengekomen en in alle vormen zijn zitting inleiden; wat hijzelf ziet schildert hij ons ook voor onze ogen. Anders dan door zo’n plechtige samenkomst van zijn oversten of hoofden kon het Joodse volk in zijn geheel niet op eens worden samengebracht. Reeds in Joh. 7: 26 werd aangeduid wat een grote uitwerking op het gehele volk van de Joden juist de beslissing van de oversten had en nu spreekt ook Petrus het later in zijn gebed uit, van welke invloed de verhouding was die de hoge raad nu besloot tot de christelijke kerk in te nemen, terwijl het gehele volk in nuce of op samengevatte wijze in zich besloot (vs. 27). Dit veelbetekenende punt heeft dan de Heere willen teweegbrengen, toen Hij de vorige dag Petrus en Johannes op hun weg naar de tempel door zijn Geest tot genezing van de lamme dreef, na de godsdienst hun schreden tot het voorhof van Salomo leidde en de genezene hen liet nagaan. Ja, als Hij het zo beschikte dat juist ditmaal de Sadduceeën zich over het woord van de opstanding van de doden zo ergerden, dat zij een officiële gevangenneming van de apostelen en de genezene, die hen vergezelde, bewerkten en door hun invloed, die zij toen op de hoge raad uitoefenden, daar de in vs. 6 genoemde aristocraten tot hun partij behoorden, het tot zo’n buitengewone volle vergadering van het geestelijk bestuur brachten. Zijn gemeente moest niet meer als tevoren in de ogen van het Jodendom slechts als een sekte of een bijzondere vereniging zijn, waarbij een ieder naar goedvinden zich kon aansluiten of niet, terwijl de oude theocratie haar loop voortzette en haar heerschappij bleef handhaven. De nieuwe theocratie, in de christelijke gemeente opgericht, moest nu de aanval doen, haar banier onmiddellijk in den tempel zelf planten en tot deze banier ook de wachters van de oude theocratie roepen, doordat in de zaal hun eigen zittingen en voor de oren van allen, Christus de Gekruisigde en van God tot enige Heiland verordende werd gepredikt (vs. 8-12). De stichting van de christelijke kerk moest, zo hebben wij bij hoofdstuk 2: 1 verklaard, buiten de tempel op de berg Sion plaatshebben, maar binnen die, in de gewone raadkamer op Moria, waar 2-3 jaar geleden het doodsvonnis over Jezus was uitgesproken Uit 27: 1, moest het volk in zijn oversten beslissen of het door boete en bekering zijn zondige weg wilde verlaten en de christelijke kerk wilde binnengaan, of deze van zich wilde stoten. Het standpunt toch, tot hiertoe gevolgd, waarbij men zich aan de ene zijde verdraagzaam jegens haar gedroeg, maar aan de andere zijde, wat het eigen persoonlijk heil aangaat, onverschillig, mocht niet langer worden geduld. Wij zullen in vs. 13vv. zien, dat de oversten deze beslissing proberen van de hand te wijzen en wensen ervan bevrijd te blijven. Ook Annas en Kajafas hebben nog te veel te dragen aan de last, die de misdaad van het vermoorden van Christus hun op de hals heeft geladen, dan dat zij het zouden willen beproeven met een tweede aanval, met het doden van zijn kerk. Het zou hun aangenamer zijn dat deze kerk aan uittering stierf, daarom stellen zij zich tevreden met het verbod van alle prediking. De apostelen stellen zich echter daarmee niet tevreden dat zij weer op vrije voeten worden gesteld, zij geven een antwoord op de hun toegevoegde bedreiging, volgens welke de oversten zichzelf moeten bekennen, dat van die dag hun een alternatief is gesteld dat zij niet meer kunnen ontwijken en dat hun spoedig opnieuw en strenger zal voor ogen treden (hoofdstuk 5: 17vv.) en hen zal dwingen steeds beslister plaats in te nemen, totdat de beslissing is gevallen (hoofdstuk 6: 11-7: 50).
Het wonder zelf ontkennen zij niet, trouwens wat men met ogen ziet, is niet te ontkennen, het is alleen op andere wijze weer te vernietigen – zo meent althans het ongeloof – door het gebeurde wonder van zijn goddelijkheid te beroven en er een satanswonder van te maken, zoals de oversten van Israël deden, ten opzichte van de Heere, zeggende: “Hij werpt de duivelen uit door de overste van de duivelen. ” Dezelfde poging wordt ook hier gedaan. De Joodse raad vraagt hier aan Petrus en Johannes naar de oorsprong van hun wonderkracht en wiens dienaren zij zijn.
En toen zij hen, de beide apostelen en de man die deze van zijn lamheid hadden genezen, in het midden van hen gesteld hadden, zodat zij door allen konden gehoord en gezien worden, vroegen zij (vgl. Joh. 2: 18 MATTHEUS. 21: 23): a) Door welke kracht, die u ten dienste staat of, als gij de kracht niet in uzelf hebt, door welke naam hebt gij dit wonder aan die lamme gedaan? Welke naam hebt gij bij het verrichten van zijn genezing uitgesproken, als naam van hem, wiens kracht u dienen zou, misschien wel van Beëlzebub, de overste van de duivelen (MATTHEUS. 12: 24; 10: 25)?
Ex. 2: 14 Hand. 7: 27
Bepaalde geschiedkundige persoonlijkheden, met de namen Johannes en Alexander, kunnen, hoewel men het heeft beproefd, niet worden aangewezen. De uitdrukking: “zo velen er van het hogepriesterlijk geslacht waren, ” moet echter nader worden verklaard dan in de regel door de uitleggers geschiedt. Onmiskenbaar geeft Josephus in zijn boek over de Joodse oorlog (IV. 3: 6) met de woorden: “zij (de Zeloten) beroofden de geslachten van hun invloed, waaruit als eerste de hogepriester gewoonlijk wordt genoemd” te kennen dat het hogepriesterschap in die tijd voor een voorrecht van enige weinige geslachten werd gehouden. Inderdaad blijkt uit de lijst van de 28 hogepriesters die dezelfde geschiedschrijver voor de tijd van Herodes de Grote tot aan de verwoesting van Jeruzalem noemt, (Slotwoord op 1 Makk. Nr. c.), dat het hogepriesterschap tot weinige families en (vooral dit van Phabi, Boëthus, Annas en Kamithus) beperkt bleef. Bij deze beperking gaf reeds alleen het behoren tot een van deze families een bijzonder aanzien, een soort van adel, hetgeen wordt uitgesproken in het “van het hogepriesterlijk geslacht. ” Men moet dus daaronder niet in het algemeen verstaan, de hoofden van de 24 priesterorden, daar deze gewoonlijk onder de titel “overpriesters” bij het noemen van de medeleden van de hoge raad, Uit 2: 4 bedoeld zijn, noch in het bijzonder de aanverwanten van het huis van Annas, maar de hogepriesterlijke aristocratie, waartoe ook de in hoofdstuk 19: 14 vermelde Sceva met zijn zeven zonen behoorde; want een hogepriester in de eigenlijke zin, die deze naam draagt, kan nergens worden aangewezen. Het is opmerkelijk hoe omstandig Lukas de samenkomst van de hoge raad hier beschrijft, daar hij ze niet alleen ons voorstelt als een voltallige vergadering in de wettige vorm, waartoe men afwezige leden van het land naar de stad ontbood, maar ook het plaatsen van de beschuldigden in het midden en de woorden van de tot hen gerichte vraag met nadruk noemt. Daaruit moet de lezer weten welke bijzondere betekenis aan deze gehele vergadering moet worden toegeschreven, een betekenis die slechts weinig wordt gewaardeerd en meestal niet verder wordt overdacht, omdat men vanaf het begin de geschiedenis in hoofdstuk 3 verhaald, te oppervlakkig heeft beschouwd. Wij hebben omtrent het wonder van Petrus en zijn rede in het voorhof van Salomo, die zich daaraan verbond, aangewezen hoe de prediking van de zaligheid van Christus, de Gekruisigde, de Opgestane, de ten hemel gevarene nu reeds 2 à 3 jaar te Jeruzalem was gehoord; dat een gemeente was opgetreden, van wie de godzalige wandel ook zonder woorden geloof vroeg van het volk, dat het eerst tot de gemeenschap van de zaligheid was geroepen en het nu te doen was om een beslissing in het leven te roepen bij dat volk, dat het niet meer in enkele individuen, maar in zijn geheel als natie boete wilde doen voor zijn volkszonde. Het moest beslissen of het zich wilde bekeren tot Hem die volgens de belofte hun als Heiland was gegeven, of dat het in de verharding van zijn hart wilde voortgaan en zijn Christus verder verloochenen en diens discipelen vervolgen en van zich stoten. Die beslissing komt nu. Het eigenlijke hoofdpunt van ons hoofdstuk is niet het gelovig worden van de genoemden in vs. 4, noch de gevangenneming van de apostelen door de Sadduceeën bewerkt, die ontevreden waren over de verkondiging van Jezus’ opstanding (vs. 1-3), het eerste is slechts als nevenzaak vermeld en het tweede komt alleen als doorgangspunt voor, maar de heilige geschiedschrijver ziet als voor zijn ogen de hoge raad in zijn afzonderlijke bestanddelen, ja gedeeltelijk zelfs in zijn bijzondere personen, tot een zeer gewichtige zitting in de heilige stad samengekomen en in alle vormen zijn zitting inleiden; wat hijzelf ziet schildert hij ons ook voor onze ogen. Anders dan door zo’n plechtige samenkomst van zijn oversten of hoofden kon het Joodse volk in zijn geheel niet op eens worden samengebracht. Reeds in Joh. 7: 26 werd aangeduid wat een grote uitwerking op het gehele volk van de Joden juist de beslissing van de oversten had en nu spreekt ook Petrus het later in zijn gebed uit, van welke invloed de verhouding was die de hoge raad nu besloot tot de christelijke kerk in te nemen, terwijl het gehele volk in nuce of op samengevatte wijze in zich besloot (vs. 27). Dit veelbetekenende punt heeft dan de Heere willen teweegbrengen, toen Hij de vorige dag Petrus en Johannes op hun weg naar de tempel door zijn Geest tot genezing van de lamme dreef, na de godsdienst hun schreden tot het voorhof van Salomo leidde en de genezene hen liet nagaan. Ja, als Hij het zo beschikte dat juist ditmaal de Sadduceeën zich over het woord van de opstanding van de doden zo ergerden, dat zij een officiële gevangenneming van de apostelen en de genezene, die hen vergezelde, bewerkten en door hun invloed, die zij toen op de hoge raad uitoefenden, daar de in vs. 6 genoemde aristocraten tot hun partij behoorden, het tot zo’n buitengewone volle vergadering van het geestelijk bestuur brachten. Zijn gemeente moest niet meer als tevoren in de ogen van het Jodendom slechts als een sekte of een bijzondere vereniging zijn, waarbij een ieder naar goedvinden zich kon aansluiten of niet, terwijl de oude theocratie haar loop voortzette en haar heerschappij bleef handhaven. De nieuwe theocratie, in de christelijke gemeente opgericht, moest nu de aanval doen, haar banier onmiddellijk in den tempel zelf planten en tot deze banier ook de wachters van de oude theocratie roepen, doordat in de zaal hun eigen zittingen en voor de oren van allen, Christus de Gekruisigde en van God tot enige Heiland verordende werd gepredikt (vs. 8-12). De stichting van de christelijke kerk moest, zo hebben wij bij hoofdstuk 2: 1 verklaard, buiten de tempel op de berg Sion plaatshebben, maar binnen die, in de gewone raadkamer op Moria, waar 2-3 jaar geleden het doodsvonnis over Jezus was uitgesproken Uit 27: 1, moest het volk in zijn oversten beslissen of het door boete en bekering zijn zondige weg wilde verlaten en de christelijke kerk wilde binnengaan, of deze van zich wilde stoten. Het standpunt toch, tot hiertoe gevolgd, waarbij men zich aan de ene zijde verdraagzaam jegens haar gedroeg, maar aan de andere zijde, wat het eigen persoonlijk heil aangaat, onverschillig, mocht niet langer worden geduld. Wij zullen in vs. 13vv. zien, dat de oversten deze beslissing proberen van de hand te wijzen en wensen ervan bevrijd te blijven. Ook Annas en Kajafas hebben nog te veel te dragen aan de last, die de misdaad van het vermoorden van Christus hun op de hals heeft geladen, dan dat zij het zouden willen beproeven met een tweede aanval, met het doden van zijn kerk. Het zou hun aangenamer zijn dat deze kerk aan uittering stierf, daarom stellen zij zich tevreden met het verbod van alle prediking. De apostelen stellen zich echter daarmee niet tevreden dat zij weer op vrije voeten worden gesteld, zij geven een antwoord op de hun toegevoegde bedreiging, volgens welke de oversten zichzelf moeten bekennen, dat van die dag hun een alternatief is gesteld dat zij niet meer kunnen ontwijken en dat hun spoedig opnieuw en strenger zal voor ogen treden (hoofdstuk 5: 17vv.) en hen zal dwingen steeds beslister plaats in te nemen, totdat de beslissing is gevallen (hoofdstuk 6: 11-7: 50).
Het wonder zelf ontkennen zij niet, trouwens wat men met ogen ziet, is niet te ontkennen, het is alleen op andere wijze weer te vernietigen – zo meent althans het ongeloof – door het gebeurde wonder van zijn goddelijkheid te beroven en er een satanswonder van te maken, zoals de oversten van Israël deden, ten opzichte van de Heere, zeggende: “Hij werpt de duivelen uit door de overste van de duivelen. ” Dezelfde poging wordt ook hier gedaan. De Joodse raad vraagt hier aan Petrus en Johannes naar de oorsprong van hun wonderkracht en wiens dienaren zij zijn.
Toen zei Petrus, in bijzondere blijdschap en verlichting, vervuld met de Heilige Geest (vgl. hoofdstuk 13: 9 en Luk. 12: 11v.), tot hen: Gij oversten van het volk en gij ouderlingen van Israël!
Petrus, die hier een nieuwe mate van de Heilige Geest ontving en alzo letterlijk de vervulling van de belofte van de Heere in Mark. 13: 11 ondervond, erkende in zijn aanspraak het recht van de hoge raad om hen te vragen of het werkelijk de naam van God was, waarvan de kracht aan de zieke door hun hand was gebleken, omdat toch alle tovenaars en bezweerders onder het volk van God een gruwel moesten zijn (Deut. 18: 9vv.). Door deze erkenning en deze eerbied liet hij zich echter niet afhouden van de onverschrokken verkondiging van de hele waarheid.
De Geest moest als een Geest van kracht, van liefde en van bestraffing, Zijn meesterstuk aan een getuige van de waarheid verrichten, nu deze de oversten tot belijdenis moet dringen, aan wie hij de verschuldigde gehoorzaamheid niet kan ontzeggen en van wie de onbillijke besluiten hij toch ook niet kan aannemen, maar die hij aan het oordeel van God ter herziening wil en moet voorleggen.
Petrus erkent de personen van de rechters als de wettige hoofden en vertegenwoordigers van het volk van Israël op die wijze, dat wat hun wordt gezegd, het gehele volk geldt. Zij Zijn als het ware het oor van het volk, zoals zij ook de mond ervan zijn. Zij zijn de bouwlieden die geroepen en verplicht zijn Gods huis te bouwen. Maar even oprecht en eerbiedig als Petrus de ambtelijke waardigheid van de synedristen erkent, even verheugd en open spreekt hij uit dat zij gedwaald, zeer gedwaald, ja zwaar gezondigd hebben; zij hebben de steen geminacht, ja als onbruikbaar weggeworpen, die toch bestemd was om hoeksteen te zijn en werkelijk hoeksteen geworden is. Zij hebben gekruisigd die God daarna heeft opgewekt en die uitsluitend als middel en Middelaar van de zaligheid is gegeven.
Zo bent u allen kennelijk en in u het ganse volk Israël, daar gij de naam wilt weten, waarin deze macht besloten ligt (vs. 7), dat door de naam van Jezus Christus de Nazarener, die gij gekruist hebt, maar die God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, door deze naam, let wel op, en door geen andere staat deze mens hier voor u gezond.
Deze is de Steen Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een Hoofd des hoeks geworden is.
En de zaligheid, de verlossing, is in geen andere dan in deze, in wie de Heere voor deze laatste dagen op de berg Zion en te Jeruzalem redding belooft aan allen die zijn naam aanroepen (Joël 3: 5), want er is ook onder de hemel (Hand. 2: 5) geen andere naam die onder de mensen gegeven is, waardoor wij, de Joden in de eerste plaats, maar ook de heidenen (Rom. 1: 15) door gelovig aannemen van de met deze naam geopenbaarde zegen, moeten zalig worden (MATTHEUS. 1: 21 Fil. 2: 9vv.). Het is een onveranderlijke bepaling van God, waarvan aan de opvolging niemand zich ongestraft kan onttrekken.
Petrus, de aangeklaagde, predikt de weg van de zaligheid aan de dienaren van het heiligdom, die van God zijn vervreemd. “Een naam wordt gegeven waardoor wij zalig worden” heet: een persoon wordt ons van God gegeven, door het geloof aan wiens geopenbaard wezen de verlossing van zonde en van de toorn van God ons geschonken wordt.
Het is een bijzonder bewijs voor de ingeving van de Heilige Geest dat Petrus bij deze verantwoording over een enkel feit de omvattende en grond leggende waarheid van de zaligheid in Christus zo helder en duidelijk, zo rond en vol, zo klassiek en maataangevend voor alle tijden kon uitspreken.
O als iets de oversten kon bewegen en een diepe indruk op hun harten kon maken, dan was het deze waarheid, door de apostel in heilige geestdrift met grote blijdschap van het geloofd gepredikt. Bij dit woord hadden zij hun schuld moeten voelen! Is in Christus Jezus zegen, alleen in Hem zaligheid voor de mensen, wat een schuld hadden zij dan door verwerping van Hem op zich geladen. Is er alleen in Jezus Christus heil, alleen in Hem zaligheid voor de mensen, wat zouden zij dan meer hebben moeten doen dan zich in berouw en geloof aan Hem onderwerpen en zich aan zijn belijdenis aansluiten. Juist daartoe wilde de getrouwe getuige van Jezus hen opwekken, dat was zijn bedoeling. Daarom beleed hij het evangelie voor hen met zo’n ernst, met zo’n vrijmoedigheid.
Belijden wij, waar het nuttig is, met alle blijdschap en zonder mensenvrees dat wij discipelen zijn van onze hooggepreze Heere en Heiland, dan zullen wij menig verbitterde vijand tot zwijgen, menige dwalende tot nadenken, menige onbevooroordeelde tot erkenning van de waarheid brengen en alzo in menig hart een zaadkorrel werpen, die te zijner tijd zal ontkiemen en vrucht geven tot eeuwig leven. Wel zijn er mensen, in wie een onbeweeglijke onverschilligheid huist omtrent alles wat hun lichamelijk welzijn niet hindert of bevordert en tegenover deze schijnt verloochenen en belijden van dezelfde uitwerking te zijn; maar bedriegen wij onszelf daaromtrent niet! Zijn er misschien voor hen sterker en smartelijker bewegingen nodig om hen uit hun geestelijke slaap op te wekken, zo weten wij immers niet of de Heere zich niet van ons zwakke woord zal willen bedienen om de vast getreden grond om te ploegen of in de reeds omgeploegden het vruchtdragend zaad te strooien. Het allerminst hoeven wij ons in deze dagen te laten afschrikken door de openlijke en blijde belijdenis, door de gedachte dat zij in het geruis van de bewegingen van de volken ongehoord zou wegsterven. Nee! juist nu de volken met inspanning van al hun krachten hun welvaart proberen te verzekeren, laat ons nu des te moediger en blijder belijden dat in niemand anders dan alleen in Christus Jezus zaligheid is, opdat niet ook wij een deel van de schuld dragen, als de bruiloftsvreugd tot hartenleed en de dansreien tot weeklachten worden.
De belijdenis van een gevangene voor zijn rechters: van eerbied jegens zijn Heer en van belangstelling in zondaren de vrucht. Maar ook een verklaring aangaande de Christus, die vragen uitlokt en aanwijzingen bevat tot veel betekende antwoorden. Zoeken wij vragende en antwoordende Hem te kennen, van wie Paulus sprak: “Om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus mijn Heer. ” De zaligheid: wat bedoelt daarmee de apostel? Het hier gebruikte woord komt dikwijls voor om te kennen te geven enige uitwendige bevrijding of genezing van lichaamskwalen. Meermalen ook om aan te duiden de behoudenis, de redding, het geluk van de ziel. Dat wij hier aan het laatste te denken hebben, is alleszins aannemelijk en wordt algemeen toegestemd. Zo-even had Petrus het uitgesproken, dat de kreupele zijn genezing te danken had aan de Christus, maar met die verklaring kan hij niet eindigen. Met eenvoudige, maar ernstige opklimming betuigt bij dat er bij die Christus nog veel meer dan dit: het hoogste heil, redding van de ziel bij Hem te vinden is, dat Hij is de Zaligmaker van zondaren. De zaligheid is in geen ander. Onder de hemel geen andere naam gegeven. En opnieuw, hoe meent Petrus dat? Denkt hij hier aan zijn tijdgenoten alleen, zowel die de Heere hadden gehoord als zij die door de prediking van de apostelen van Hem hadden vernomen en zouden vernemen? Of heeft hij het oog op zondaren van alle eeuwen, op gelovigen zowel van de oude als van de nieuwe dag? Er zijn er immers zeer velen, die beweren dat de zaligheid onder de dag van het Oude Testament buiten Christus om verkregen werd, maar dat een hogere bedeling van heil het gevolg is van de komst van Christus, dat men vroeger leerde te naderen tot de HEERE, thans door Christus tot de Hemelse Vader. Die onderscheiding heeft Petrus niet geleerd, die in zijn eerste brief schrijft van de Christus: “Opdat Hij ons tot God zou brengen; ” die afscheiding van de Zaligmaker van de dagen van vroeger is niet van hem, die elders getuigde van de Heer: “Die u tevoren gepredikt is. ” Nee dat is de verklaring niet van die zo onbepaalde voorstelling: “De zaligheid is geen ander. ” “Onder de hemel geen andere naam. ” En Johannes de Doper zou er zich zeker over verwonderen, hij, die het verband van de vroegere dag en zijn schuldvergeving met de Christus en Zijn heil in die aanwijzende woorden uitsprak. Ziet d. w. z. : dat is nu het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt. En Paulus zou tegen haar getuigen, als hij schreef: “Zo vele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en amen, ” of “wij die eerst in Christus gehoopt hebben, ” of “de rechtvaardigheid van God is daarin geopenbaard. hebbende getuigenis van de wet en de profeten; ” of waar hij van het zoenmiddel schrijft in betrekking tot de dagen van de verdraagzaamheid en van die een offerande, voor alle eeuwen van omvattende geldigheid: “de Christus had moeten lijden van de grondlegging van de wereld af, ” enz. En Johannes, de apostel, zou niet bevredigd zijn, hij die ons leert dat Jesaja reeds zijn heerlijkheid zag; dat Abraham zijn dag heeft begeerd te zien en verblijd is geweest; dat al de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen samen zongen: “Gij hebt ons Gode gekocht door Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie. ” Nee, toen Petrus die woorden sprak, dacht hij voorzeker aan de Christus als degene, van Wie God daarom door de mond van zijn profeten tevoren verkondigd had, omdat aan die Christus alle eeuwen toebehoorden, op Wie de beloften vanouds doelden, op Wie het geloof vanouds zag. Maar hoe is Hij de Zaligmaker van alle eeuwen? De leer, door de Meester gepredikt, is door de gelovigen van vroeger niet gehoord. Het voorbeeld dat Hij ons heeft nagelaten, stond voor hun oog niet getekend. Het bewijs van goddelijke liefde jegens zondaren in het feit van de menswording is niet gezien en indien de toezegging van die gave zonder de nog aanwezige werkelijkheid geloofd is, dan zou tot dit einde het feit niet nodig zijn en de verklaring van God dat Hij zondaren vergeving wilde schenken tot vertroosting van het onrustige hart genoeg zijn. In deze dingen bestaat wel mede de meerdere heerlijkheid van de dag van het Nieuwe Testament, waarin het Woord is vlees geworden, gewoond heeft onder de zijnen, in zijn heerlijkheid is aanschouwd en door het Evangelie verder bekend gemaakt; maar wat heeft voor zich de dag van de oude bedeling hiervan gehad? Wat dan? Bij slechts erkenning van Jezus’ leer en voorbeeld en persoonlijke waarheid en louter menselijke natuur, moet men met een énige Zaligmaker voor alle eeuwen verlegen zijn. De belijdenis van onze kerk, zo dikwijls miskend, lost hier de zwarigheid op. Zij plaatst, op grond van de Schrift, in het midden van de eeuwen de Zoon van God in het vlees met zijn eenmalige offerande ter verzoening werkzaam in de dingen die bij God te doen waren ten behoeve van zondaren. Die offerande is in Eden beloofd en veelvuldig afgeschaduwd. In de kracht van die belofte is reeds de schuld vergeven, op de Beloofde heeft de gelovige vanouds gehoopt. In de kracht van datzelfde beloofde heil van de verzoening heeft reeds de Zoon vanouds bemoeiing gemaakt met zondaren op aarde, door dromen en gezichten, door verschijningen, door zijn Geest. Is pas bij zijn verheerlijking de meest volle bedeling van zijn genade en geestesgaven geopenbaard, opdat het blijken zou de heerlijkheid te zijn van de Zoon, toch heeft Hij onder minder heerlijke bedeling door diezelfde genade en door diezelfde Geest Zijn volk geleid. “Eén voor allen, ” dat is de grote Evangeliewaarheid, die in het midden van tijden en volkeren als een levensboom is geplant, opdat daardoor zondaren leven zouden; “één met zijn vele en velerlei bedelingen en gaven in allen, ” dat is de verscheidenheid van één en hetzelfde Evangelie, dat, in Eden verkondigd, duren zal zolang deze huishouding staat. “In geen ander de zaligheid. ” “Geen andere naam gegeven. ” Dat herinnert ons weer dat buiten die naam de ellende van een verdoemelijke wereld heerst. Elke genezing buiten de énige naam moet verschrikkelijke zelfmisleiding blijken. Dat doet ons denken aan Hem, die van boven kwam. Om Hem te meten is de menselijke maat te kort. Ons voegt een andere werkzaamheid omtrent Hem: Aanbidden en geloven. Dat wijst ons heen naar een Heer van de heerlijkheid, die na de reinigmaking van zijn gemeente die gemeente gedurig vervult. Verblijde zich die gemeente steeds meer over zijn onnaspeurlijke rijkdom.
Zij nu, de oversten en oudsten met de schriftgeleerden, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, bevreemdden zich over hen, daar Petrus met zoveel gerustheid, helderheid en duidelijkheid van voordracht getuigenis aflegde, ja zelfs in plaats van als een verhoorde daar stond als een boeteprediker naar de wijze van de oude profeten, terwijl Johannes door zijn gehele persoonlijkheid het woord ondersteunde en als goddelijke waarheid bekrachtigde en vernemende uit de vorm van de rede en de woorden dat zijongeleerde en slechte mensen waren, mensen die de Rabbijnse vorming misten en uit het gewone volk waren, verwonderden zij zich te meer, hoe deze lieden zo’n wijsheid en kracht van woorden bezaten. (MATTHEUS. 13: 54v. Joh. 7: 15). En bovendien kenden zij hen van vroeger, daar zij dikwijls met de Heere gesproken hadden, terwijl zijn discipelen Hem omgaven, dat zij met Jezus geweest waren. Hun getuigenis omtrent de Gekruisigde en Opgestane (vs. 10), van wie ook zij wel wisten (MATTHEUS. 28: 11vv.), rustte dus op feiten, zij waren ooggetuigen geweest.
Een christen moet een sprekende gelijkenis van Jezus Christus zijn. U hebt levensbeschrijvingen van Christus gelezen, schoon en welsprekend geschreven, maar de beste levensbeschrijving is die, die van Christus in de woorden en daden van Zijn volk is te boek gesteld. Indien wij waren hetgeen wij belijden te zijn en wat wij moesten wezen, zouden wij beeltenissen van Christus zijn; ja zulke treffende beeltenissen, dat de wereld ons niet een uur lang zou hebben te aanschouwen, om dan te zeggen: er is wel enige gelijkenis in; maar zo duidelijk, dat zij, als zij ons slechts één keer zag, zou uitroepen: hij is met Jezus geweest; hij is door Hem geleerd, hij lijkt op Hem, hij heeft het eigen beeld van de heilige Mens van Nazareth overgenomen en werkt het in Zijn leven en dagelijkse handelingen uit. Een christen hoort moedig te zijn, zoals de Heere Jezus. Wees nooit verlegen in het erkennen van uw godsdienst, uw belijdenis zal u nimmer onteren; neem u in acht dat u die niet onteert. Volg Hem na in uw liefde, denk vriendelijk, spreek vriendelijk en handel vriendelijk, zodat de mensen van u kunnen zeggen: hij is met Jezus geweest. Volg de Heere Jezus in zijn heiligheid. IJverde Hij voor zijn Vader, doe gij net zo; ga overal heen goeddoende. Laat geen tijd verloren gaan; hij is te kostbaar. Hij verloochende zichzelf, of zag Hij ooit naar Zijn eigen voordeel? Volg Hem ook daarin. Was Hij vroom, zijt ook gij vurig in uw gebeden. Eerbiedigde Hij de wil van Zijn Vader, onderwerp gij uzelf ook alzo aan Hem. Was Hij geduldig, leer gij insgelijks verdragen. En het beste van alles, als het beste portret van de Heere Jezus: tracht uw vijanden te vergeven, zoals Hij deed en laat deze heerlijke woorden van uw Meester: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen; ” steeds in uw oren weerklinken. Vergeef, zoals u hoopt vergiffenis te ontvangen. Hoop uw vurige kolen op het hoofd van uw vijand door uw vriendelijkheid jegens hem. Bedenk: goed voor kwaad te vergelden is goddelijk. Wees daarom goddelijk en handel in al uw wegen en werkzaamheden alzo, dat een ieder van u moge getuigen: “hij is met Jezus geweest.”
En ziende tegelijkertijd de mens bij hen staan die genezen was op hun woord, hadden zij niets daartegen te zeggen (Luk. 21: 15). Het kon niet worden ontkend dat deze dezelfde man was, die vroeger voor de deur van de tempel had gezeten als een lamme van de geboorte aan en dat dus hier zonder twijfel en werkelijk een wonder was geschied.
Evenals de kardinaal Cajetanus zich te Augsburg over Luther verwonderde, zo verwonderden zich hier de hogepriesters Annas en Kajafas en de andere oversten over Petrus en Johannes. Rabbijnse geleerden waren de beide predikers van Jezus niet, dat hadden de “meesten in Israël” spoedig opgemerkt; vanwaar nu hadden deze ongeleerde mensen en leken zo’n macht van het woord? Evenals de stem van de profeet, door wie God sprak (Jes. 45: 22): “Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden van de aarde! want Ik ben God en niemand meer! ” zo klonk de apostolische stem in de ontstemde oren van de oversten en zij ondervonden iets van de straf en de beschaamdheid, dat de Heere niet uit het hogepriesterlijk geslacht, maar uit een Galilees vissersgeslacht zijn getuigen had genomen, evenals vroeger de profeet Amos (7: 14) van de ossen.
Het waren twee punten die de grote raad in grote radeloosheid brachten, ten eerste het blij vertrouwen, waarmee de ongeleerde visser sprak en dat een indruk van onwillekeurige verwondering teweegbracht, waarbij de onaangename verzekerdheid kwam dat het inderdaad discipelen van die Jezus waren; vervolgens de tegenwoordigheid van de genezene, dit bewijs voor het feit dat niet kon worden ter zijde gesteld. Zo kon men noch het wonder zelf wegredeneren, noch dat het in de naam en de kracht van Jezus was geschied.
Als zij in hun verlegen verwondering de genezen mens aanzien, stelt zich het wonder met zoveel kracht voor hun ogen dat zij het niet over zich kunnen verkrijgen de apostelen als valse profeten te veroordelen. Zullen zij zich dan gelovig tot Hem wenden? Dat willen zij nog veel minder. De indruk die het getuigenis van Petrus en het feit van het wonder op hen maakt, is wel een onweerstaanbare, de richting van hun wil is echter zo weinig daardoor veranderd dat zij slechts naar een middel zoeken om de verdere verkondiging van Jezus’ naam op alle wijzen te verhinderen. Derhalve dient die uitdrukking er slechts toe om de boosheid te doen toenemen in het verharden van de verkeerde wil.
En hun en de genezene geboden hebbende uit te gaan buiten de raad, de raadkamer, om over het overige te besluiten, overlegden zij na het heengaan van die drie met elkaar.
Om de hoofdinhoud van hun gedachtewisseling met enkele woorden weer te geven, overlegden zij, zeggende: a) Wat zullen wij deze mensen doen? Het is bezwaarlijk hen te kastijden, of enige straf te doen ondergaan, zoals eigenlijk hun wegvoering als gevangenen ten gevolge moest hebben. Want dat er een bekend, een onweerlegbaar teken door hen geschied was, is openbaar aan allen die te Jeruzalem wonen en wij kunnen het niet loochenen, daar het reeds te algemeen bekend is geworden (Joh. 9: 18vv.), hetgeen wij toch zouden moeten doen, als wij hen wilden kastijden.
Joh. 11: 47
Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid zou worden, opdat het christendom zich niet nog verder over het hele land zou verbreiden en hier in de stad vanzelf uitsterven, laat ons hen streng dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in deze naam spreken. Wij zullen hen aanzeggen dat zij van die Jezus van Nazareth, in wiens naam het wonder geschied is (vs. 10), niet meer spreken; want deze naam is het bedenkelijke daarbij, daar die aan de ene zijde zoveel opzien wekt en verder aan het wonder een zo grote betekenis geeft.”
Hoe getuigt dit hele gedrag tegen hen en vóór de apostelen! Waarom weerleggen zij hun prediking niet? Waarom overtuigen zij hen niet van leugen en bedrog? Waarom verwijten zij hun nu niet dat zij het lijk van Jezus gestolen hadden, terwijl de wachters sliepen? Omdat zij het niet konden en omdat hun geweten hun zei dat het laatste een verfoeilijk verzinsel was, waarvoor zij de wachters door geld hadden omgekocht, opdat zij het onder volk zouden verspreiden. Zo zegepraalde de prediking van het Evangelie ook voor de hoogste rechtbank van de Joden. Zo strekte de eerste poging van de raad om haar te onderdrukken tot haar bevordering en zo werden de vijanden van Jezus zelf door hun tegenstand getuigen voor de waarheid en goddelijkheid van het christendom dat wij belijden.
En toen zij het met elkaar eens waren geworden hoe zij het beste in deze zaak zouden handelen en hen, de beide apostelen geroepen hadden, dat zij weer in de raad zouden komen (vs. 15), zeiden zij hun aan met strenge gebaren dat zij in het geheel niet zouden spreken noch leren in de naam van Jezus, niet eens in bijzondere gesprekken, veel minder mochten zij in het openbaar leren, noch ergens iets van Jezus tot iemand zeggen.
Nadat men de apostelen alsmede de genezene voorlopig uit de vergaderzaal had laten gaan, was de beraadslaging daarom zo moeilijk, omdat hun wil zich niet wilde buigen voor het eerlijk en verstandig inzicht, voor het objectieve feitelijke van het wonder dat niet alleen bekend was in de hele stad, maar ook voor henzelf onloochenbaar was. Zij wilden niet in Jezus geloven, zij wilden de verbreiding van de waarheid van Christus, het aangroeien van de gemeente van Christus met alle mogelijke macht verhinderen; zij wilden de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden (Rom. 1: 18). Zij voelen dat zij de apostelen van Gods- en van rechtswege niets mogen doen, dat zij geen vat aan hen hebben en toch staat hun stelregel vast: wij mogen de zaak niet laten voortgaan. Hiermee was door de hoogste autoriteit van het volk van Israël een beslissing genomen, rijk in gevolgen. Het was de eerste maal sedert het lijden en de kruisdood van Jezus dat de hoogste overheid was gedrongen om te handelen in de zaak van de discipelen, maar van de tijd dat die baan was betreden, is het steeds verder en verder gegaan.
Hoe langer men zijn zaligheid verzuimt, des te moeilijk wordt de erkentenis.
In plaats van dat zij vroegen (Hand. 2: 37): “Mannen broeders! wat moeten wij doen om zalig te worden?” vragen zij: “Wat zullen wij deze mensen doen om hun de mond te stoppen? ” Zo groot is de verblinding van de goddelozen.
Terwijl de vijanden de waarheid van Jezus Christus niet kunnen loochenen noch uitdelgen, gaat hun onzalige arbeid altijd voort slagbomen, ja wallen en muren op te werpen, opdat zij zich niet zou uitbreiden of verder voortgaan.
Gij ziet, het is hun bepaald te doen om die naam van Jezus, die God onder de hemel gegeven heeft, van onder de hemel te verdelgen. Doch let wel op dat niet door hen, maar door Lukas de naam Jezus wordt genoemd en hij die in de mond van de raadslieden legt. Zij zelf hadden zo-even met elkaar overlegd, dat zij de apostelen scherp dreigen zouden niet meer tot enig mens in deze naam te spreken. Deze lieden noemen, als vijanden van de Heere, de naam van Jezus nooit. In heel het Evangelie is er geen voorbeeld van. Zelfs doen de Joden dit nog niet tot op deze dag. Zij willen er de hoogste mate van verachting van de persoon mee uitdrukken. Daarbij betekent de naam Jezus “Zaligmaker, ” en de gehate man zouden zij Zaligmaker noemen? Nee, nooit zal men door een Jood de naam van Jezus horen uitspreken. En toch op het geloven in en het belijden van die naam komt het aan tot zaligheid. Dat zij de naam van God belijden en aanroepen baat hun niets, want het is de heerlijkheid van de Vader, dat de Zoon verheerlijkt wordt en dat juist de Jezusnaam uitgeroepen wordt door al zijn herauten voor de oren van al de volken van de aarde.
Maar Petrus en Johannes, hoewel zij allen eerbied wilden bewijzen, die zij aan dit geestelijk bestuur van hun volk verschuldigd waren, moesten toch met volle beslistheid weigeren aan een dergelijk gebod gevolg te geven. Antwoordende, zeiden zij tot hen: a) “Oordeelt gij zelf, die de leraars in Israël zijt (Joh. 3: 10), of het recht is voor God, u meer te gehoorzamen dan God. Dat toch zouden wij doen, indien wijdeden wat gij ons zo-even hebt geboden, want God heeft ons in Christus Jezus, onze Heere, een heel ander bevel gegeven, namelijk om te doen juist wat gij ons wilt verbieden. (hoofdstuk 1: 8 Joh. 15: 27).
Hand. 5: 29
Leidt het dus zelf af, nog voordat het metterdaad wordt bewezen, welke weg wij ten opzichte van uw verbod zullen inslaan, opdat gij niet later zegt dat gij u in het vertrouwen op ons teleurgesteld ziet, of dat wij een gegeven toezegging zouden verbroken hebben. Want wij kunnen volgens de ons gegeven roeping niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben en wij zullen het ook niet nalaten om van Hem te getuigen, zolang het ons mogelijk is.
De overheid wilde de apostelen het zwijgen opleggen, terwijl Jezus zelf hen tot zijn getuigen had geroepen (hoofdstuk 1: 8). Er was dus een zogenaamde botsing van plichten aanwezig, d. i. het scheen bij de eerste aanblik dat de ene plicht tegen de andere streed. De overheid laat een verbod uitgaan en aan de overheid te gehoorzamen is gewetensplicht. De goddelijke roeping gebiedt het tegenovergestelde en deze te vervullen is eveneens plicht van het geweten – hoe moet hier gehandeld worden zonder het geweten geweld aan te doen? De apostelen twijfelen niet; zij geven een duidelijke verklaring en handelen dien overeenkomstig en wel op zedelijk onberispelijke en geheel voorbeeldige wijze. Zij weigeren gehoorzaamheid aan de wettige en door hen geëerbiedigde overheid enkel uit onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God. Zij voelen zich verplicht een eis, door de overheid gedaan, geheel terzijde te stellen, omdat het nalaten van de belijdenis en het getuigenis van Jezus Christus volstrekt onzedelijk, ja zedelijk onmogelijk was. Zij laten het echter bij het weigeren van gehoorzaamheid en onthouden zich ten strengste van alle positief verzet, d. i. van opstand. Geen woord, geen werk wijst op dit laatste, integendeel moeten wij van de gegeven verklaringen verwachten dat de apostelen zich aan de straffen, als die werden uitgeoefend en aan de maatregelen, waartoe de overheid in geval van ongehoorzaamheid zou kunnen overgaan, zich zonder tegenstand zullen onderwerpen. Eén punt moet echter uitdrukkelijk worden genoemd: de apostelen hebben zich tegenover het Sanhedrin op hun geweten beroepen, dat hun niet toeliet te zwijgen, maar ook op de wil van God, die hun het spreken gebood; en het laatste wijst op het uitdrukkelijk bevel van Christus, op een duidelijk en zeker woord van God. Het is eenzijdig hier alleen te spreken van het “eigen geweten” van de “grond leggende macht van de Geest die op zichzelf berust” en te beweren dat de apostelen “in de plaats van de objectieve autoriteit de subjectieve autoriteit van hun eigen door de Geest gewerkte overtuiging gesteld hebben. ” Het geweten kan dwalen en de geest zou een dweepachtige, fanatieke kunnen zijn, maar het duidelijke en vaste woord en gebod van God leidt op de rechte weg en deze volgen de apostelen.
De grondregel, door de apostelen uitgesproken, veronderstelt een dubbele zekerheid; aan de ene zijde dat iets werkelijk door God is geboden en aan de andere zijde dat een eis van de overheid het gebod van God werkelijk opheft, in welk geval de overheid feitelijk en eigenmachtig uit haar stand uittreedt en uit haar roeping om het orgaan van de goddelijke ordening te zijn, terwijl zij zelf een plaats tegenover God inneemt. Alleen bij deze tweevoudige zekerheid kon die grondstelling het christendom zonder de smaad van revolutie tot overwinning over de wereld leiden tegen de wil van de Joodse en heidense beheersers.
Het wederantwoord is niet minder beschamend en door zijn eenvoudigheid en opzettelijkheid zelf des te tergender voor de vergadering van de ongelovigen (vs. 19). Oordeelt gij of het recht is voor God, u meer te gehoorzamen dan God? Een waarheid die sedert achttienhonderd jaar telkens opnieuw door ongelovige machthebbers zowel in de kerk als in de wereld vergeten wordt; verheven wederom door zijn eenvoudigheid is hetgeen onmiddellijk in het antwoord van de twee in bewaring genomen apostelen volgt. (vs. 20). Wij kunnen niet nalaten te spreken over wat wij gehoord en gezien hebben. Nog op vergevorderde leeftijd grondden beide apostelen de verkondiging van het Evangelie van het in de wereld gekomen woord geheel op hetzelfde fundament (1 Joh. 1: 1-3). “Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord van het leven, – hetgeen wij gezien en gehoord hebben dat verkondigen wij u. ” De grote kracht van de christelijke waarheid ligt daarin dat het geen stelsel van bespiegelingen, geen filosofie of zedelijke godsdienstleer in haar grondslag is, maar een feit, berustende op onwankelbare getuigenissen en gebleken en altijd op nieuw blijkende, door onweerlegbare getuigen. Tegen een dergelijke kracht kan op den duur alleen geweld te baat genomen worden; doch een geweld dat wederom niet baat tegen een waarheid die, naarmate zij tegengesproken en verdrukt wordt, des te meer zich uitbreidt en triomfeert.
Maar zij letten op die weigering niet en schonken geen aandacht aan hun woorden. Zij schoven alleen hun weigering terzijde en verboden hun des te scherper het verder prediken. Zij dreigden hen nog meer met straf, als zij weer in dat werk werden bevonden en lieten ze gaan. Zij stelden ze weer op vrije voeten, niets vindende hoe zij hen straffen zouden, om de wil van het volk. Zij konden geen straf vinden om die toe te passen, zonder tevens een gevaarlijke beweging onder het volk teweeg te brengen, hetgeen toch tot elke prijs moest worden vermeden: want zij, de mensen van het volk, verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was (Luk. 7: 16 Mark. 7: 36 Joh. 12: 17).
Want de mens (hoofdstuk 3: 2) was meer dan veertig jaar oud, aan wie dit teken van de genezing, die plotselinge, volkomen genezing van aangeboren lamheid, geschied was. Des te duidelijker was dus de kracht van de naam van Jezus Christus van Nazareth, waarmee door het uitspreken alleen de genezing bereikt was; die kracht hier bleek de macht te zijn van God, die alle dingen nieuw maakt (Jes. 43: 18vv. ; 35: 1vv. Openbaring 21: 5).
Wat de hoge raad terughield, de apostelen iets meer toe te voegen dan alleen een machteloze bedreiging, was slechts ten dele de vrees voor de zogenoemde volksgeest. Meer nog was het de gedwongen, hoewel ook onbewuste vrees voor de Geest van God, die hier het volk tot een luid prijzen opwekte van het wonder dat aan de meer dan veertigjarige, van de geboorte aan en dus ongeneeslijke lamme had plaatsgehad.
Van de ingenomenheid van de schare met het door de apostelen verrichte wonder wordt tenslotte nog (vs. 22) met een belangrijk woord reden gegeven. De mens was meer dan veertig jaar oud, aan wie dit teken van de genezing geschied was. Ook in deze bijkomstige bijzonderheid wordt wederom het woord van Jezus aan de discipelen bevestigd, dat zij (eenmaal Zijn Geest ontvangen hebbende) grotere dingen doen zouden, dan Hij zelf op aarde gedaan had. De zieke van Bethesda (Joh. 5: 1) had aldaar slechts achtendertig jaren gelegen, toen hij door Jezus genezen werd; de blindgeborene (Joh. 9: 1) was waarschijnlijk veel jonger (vs. 18). Opmerkelijk is het intussen dat er in de verhalen van de Handelingen van de apostelen nergens gemeld wordt van de opening van de ogen van blinden, een wonder zo veelvuldig door de Heer zelf volbracht en dat misschien daarom wel als een bij uitnemendheid persoonlijk koningsrecht van de Messias beschouwd zou mogen worden, omdat de opening van de lichamelijke ogen van de blinden tevens een zo karakteristiek symbool is van de opening van het geloofsoog. Het is de Heere, zingt de Psalmist (Ps. 146: 8), die de ogen van de blinden opent.
Tevens worden wij door de inhoud van de beide verzen daarop opmerkzaam gemaakt dat door deze beslissing van het Sanhedrin voor deze tijd Israël’s bestemming voor het rijk van God nog geenszins verijdeld is; want terwijl Israël’s overheid door het wonder tot haat en tot vervolging werd ontstoken, prees het hele volk God over hetgeen geschied was; alzo is het nog steeds een mogelijkheid dat de stemming van het volk, die gunstig bleef, de overwinning zou behalen over de vijandschap van de oversten. Het vervolg moet uitwijzen of deze wending zal plaatshebben of dat het vijandelijk initiatief van de overheid tegen de kerk zich eveneens onder het volk zal verbreiden, zoals dat in de geschiedenis van de Heere heeft plaatsgehad.
De standvastigheid van de vijanden en de standvastigheid van de vrienden van de Heere: 1) van de vijanden: a) Zij kunnen Zijn woord niet weerleggen en bestrijden het toch; b) zij kunnen Zijn macht niet verhinderen en weerstreven haar toch; c) zij kunnen Zijn zegen niet loochenen en ontvluchten die toch; 2) van de vrienden: a) de wereld betwijfelt hun geloof, maar zij bevestigen het op het woord van de Heere; b) de wereld verwerpt hun geloof, maar zij belijden Hem vrijuit in gehoorzaamheid aan de Heere; c) de wereld vervolgt hun geloof, maar zij lijden graag voor Hem uit liefde tot de Heere.
Hoe Jezus, de verhoogde, heerst in het midden van zijn vijanden: 1) Zijn woord kunnen zij niet uitdoven; 2) Zijn werk kunnen zij niet loochenen; 3) Zijn dienstknechten kunnen zij niet verschrikken; 4) Zijn rijk kunnen zij niet terughouden.
Waarschijnlijk zochten zij die vrienden op in de opperzaal van het huis van Johannes aan de Zionsberg (hoofdstuk 1: 13, 15; 2: 1) en vonden zij hen daar. En toen deze dat hoorden dat hun het getuigenverboden was van hetgeen zij gezien en gehoord hadden, hieven zij eendrachtig hun stem op tot God. Waarschijnlijk ging Jakobus de oudere voor, de tweede onder de drie voornaamste apostelen van de Heere, van wie wij dus hier ook iets zouden komen te horen na zijn zalving met de Geest tegenover het vroegere woord in Luk. 9: 54 Zij riepen tot God, daar zij eenparig in gebed (vs. 19) besloten dezen meer dan de mensen te gehoorzamen (hoofdstuk 5: 29); zij smeekten Hem om kracht en hulp tot hun apostolisch werk, waarbij nu Petrus en Johannes zich weer aansloten, en zeiden: “Heere! Gij zijt de God die gemaakt hebt de hemel en de aarde en de zee en alle dingen, die in deze zijn (hoofdstuk 14: 15 Neh. 9: 6 Openbaring 14: 7).
Het was zeker een blij, bewogen weerzien! Met een bevreesd hart zal het hoopje van de gelovigen hebben gewacht op de afloop van deze zaak. Met schitterende aangezichten zullen de beide getrouwe getuigen van de waarheid in de broederkring zijn ingetreden als jeugdige krijgslieden, die terugkomen uit hun eerste, zegerijk doorgestreden slag. De ogen van allen zullen op hen zijn gevestigd, de oren naar hen geluisterd hebben, toen zij vertelden: zo is het ons gegaan, dat heeft men ons gezegd en dat hebben wij geantwoord. En nu, wat geschiedt er op dat verhaal? Stort men lofreden uit op de apostelen, die zich zo moedig hebben gedragen, of gaat men zich te buiten met scheldwoorden tegen de hoge raad en diens slechtheid? Zweert men samen tot een oproer tegen een zo tirannieke overheid en beraadslaagt men hoe men een aanhang zal krijgen onder het volk? Of maakt men afspraak om te vluchten uit een voor de christenen zo gevaarlijke stad? Niets van dit alles! Wanneer de vijanden woeden, is het niet de zaak van de christenen weer tegen hen te woeden, maar om blij in het geloof God te loven (hoofdstuk 16: 25). De beste burcht en het beste wapen van de kerk in alle noden en vervolgingen is vanouds het gebed geweest.
Dezelfde Heilige Geest die vroeger in de mond van Petrus en Johannes één en dezelfde belijdenis had gelegd, richtte nu met gelijke wending de blik van alle vergaderden naar de levende almachtige God, die zij aangrijpen. Kent u het geheim van zo’n eendrachtig gezamenlijk gebed? Zijn twee of meerderen één geworden in het geloof omtrent hetgeen, waarom zij willen bidden, dan geeft de Heilige Geest dat allen instemmen, zacht of luid, in de woorden van het gebed, waarmee één aller mening uitspreekt.
In dat dankgebed (dank is de vaste grond, de opwekkende en moedgevende of moedvermeerderende aanleiding van het gebed) wordt allereerst de God van hun verlossing door de apostelen aangeroepen (vs. 24) als die God, die gemaakt heeft de hemel en de aarde en de zee en alle dingen, die in deze zijn. Van al de daden en wegen van God, in het werk van de verlossing, of van de tweede schepping is dat van de schepping de grondslag. Het eerste artikel van het christelijke geloof is, in de historische orde, dat van het geloof in God als de Schepper van hemel en aarde. Van het eerste woord van Genesis tot op de laatste tonelen van de Openbaring doortrekt de Bijbel één lijn van verheerlijking van Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de fonteinen van de wateren gemaakt heeft Hij, die inbeginne alle dingen door Zijn persoonlijk Woord geschapen heeft, maakt, door datzelfde Woord in de volheid van de tijd vlees geworden, alle dingen nieuw (Openbaring 21: 5).
Wij worden bij het rijk van God vanaf onze jeugd gewoon aan de verdeling: rijk van de natuur, van de genade, van de heerlijkheid; maar het ene is in het andere, het ene steunt het andere en zo stijgt ook het geloof en het gebed van het ene tot het andere op.
Die door de mond van David, Uw knecht in Ps. 2: 1-2 gezegd heeft; Waarom woeden de heidenen en hebben de volken ijdele dingen bedacht, om tegen U zich te verzetten.
De koningen van de aarde zijn tezamen opgestaan om met elkaar te beraadslagen en de oversten zijn bijeen vergaderd tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde, Zijn Christus.
Niet slechts in de prediking tot Israël, maar ook in het gebed tot God zelf behoudt de Schrift een plaats die, als zij het ware, levend en eeuwig blijvend woord van God zelf niet was, onverklaarbaar zou zijn. Ook in het woord, biddende tot God gericht, beroepen zich de mannen van God op de Schrift. Zo deed ook de Heer zelf. Niet slechts tot de menigte, tot de hoofden, tot Zijn vrienden, tegenover de vijanden, is het woord van God, de Heilige Schrift voortdurend in allerhande vorm van aanhaling, herinnering en toespeling op Zijn lippen, maar ook in het gebed zelf tot Zijn Vader. (Joh. 17: 12).
Het is de gemeente, bij hetgeen de beide apostelen berichten, aanstonds duidelijk waarover hier de zaak loopt. Zij ziet in hetgeen de overpriesters en oudsten hebben gezegd, niet een toevallige vijandschap, of een machteloze nietige bedreiging, maar het beginsel van de vijandschap van wereldse macht tegen het rijk van God. De namen Annas en Kajafas stellen hun dadelijk de vijandschap tegen Jezus voor, waartoe de Joodse en heidense overheden zich met elkaar verbonden. Intussen is wel de Geest uitgestort over alle vlees in Israël en de hoop kon in de gemeente ontstaan dat daarmee ook alle vijandschap was gebroken, maar de bedreiging van het Sanhedrin heeft nu bewezen dat deze hoop ijdel is. Wanneer nu in de overheden van Israël nog diezelfde gezindheid tegen het rijk van Christus voortbestaat, hoe zou in de heidense overheden dan een andere gezindheid zijn ontstaan? Zo ziet de gemeente in de bedreiging van het Sanhedrin de oorlogsverklaring van de hele wereldlijke macht tegen de kerk van Christus. Aanstonds herinnert haar de verhouding die de overheid te Jeruzalem dreigt in te nemen, aan het triomflied van David over de vorsten en volken die tegen de Gezalfde van de HEERE opstaan, hetgeen de nietigheid en ijdelheid aanwijst van elke onderneming, hoe sterk ook, tegen de wil van God en het rijk van Christus.
Want in de waarheid, zo moeten wij zeggen omtrent hetgeen van de lijdenstijd van onze Heere tot deze tegenwoordige tijd te Jeruzalem geschied is, zijn vergaderd in deze stad (Jes. 26: 10 Openbaring 11: 8) (deze woorden moeten volgens de beste handschriften worden bijgevoegd) tegen Uw heilig Kind, Uw Heilige van al het onreine afgezonderde en U alleen gewijde Knecht (hoofdstuk 3: 13, 26) Jezus, die Gij gezalfd hebt, tot een Heere en Christus gemaakt hebt en op deze heilige berg Zion hebt gesteld (hoofdstuk 2: 36 Ps. 2: 2, 6), beide de heidenen en de volken, de koningen van de aarde en de vorsten; Herodes als vertegenwoordiger van de koningen op aarde (Luk. 23: 11), en Pontius Pilatus als vertegenwoordiger van de oversten, met de heidenen, vertegenwoordigd door de Romeinen en de volken, de twaalf stammen van Israël. a)
MATTHEUS. 26: 3 Mark. 14: 1 Joh. 11: 47
Zij hebben zich verenigd, hoewel zonder hun wil of hun weten, maar naar de over hen beschikte raad (hoofdstuk 2: 23; 3: 18), om te doen, al wat Uw hand tevoren beschikt had en Uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou.
Met fijne tact stellen de biddenden in de plaats van de bedreigde discipelen “Jezus, ” en in de plaats van de dreigende oversten “Herodes en Pilatus” met het gevolg van heidenen en Joden. Dit is hun blijdschap in dit uur, dat zij weten, het woord van God door de mond van David moet aan hen waar worden, zoals het aan Jezus waar geworden is, die hun Hoofd is. Herodes en Pontius Pilatus, die vrienden werden tegenover Jezus, met de heidenen en de volken van Israël zagen het niet, dat Jezus de gezalfde Koning van God is; zo zien ook nu de oversten van het volk de verhoogde hand van Jezus Christus niet, die zich krachtig betoont in de christelijke gemeente en zij horen de stem van God niet, die zo-even door de genezing van de lamme het volk heeft toegeroepen: “Kust de Zoon, opdat Hij niet toornig zou worden! ” Maar de gemeente is zeker van haar Heer en daarom ook van haar overwinning.
Wat tegen Jezus zelf is geschied, wordt met de vervolging van de apostelen samengevat als lijden van Christus (vgl. 2 Kor. 1: 5 Kol. 1: 24).
Zeker was dat een vreselijk verbond, toen Joden en heidenen samenzwoeren tegen het heilige Kind van God; toen Herodes en Pilatus op die dag vrienden werden om Jezus aan het kruis te hechten, toen in de hoge raad van priesters en Farizeeën hetzelfde vonnis werd geveld als op de rechterstoel van de Romeinsen landvoogd: “Hij moet de dood sterven. ” En toch ook deze geweldigen vermochten niets anders te doen dan wat Gods hand en raad tevoren bepaald had dat geschieden zou; wetend of onwetend, gewillig of onwillig moeten zij toch allen, de groten zowel als de kleinen, de bozen zowel als de goeden, de Heer aller heren, de Koning aller koningen dienen. Zo is het bij Jozefs broeders met hun boze raad; zo bij Kajafas en Pilatus met hun onrechtvaardig doodsvonnis; zo bij de hoge raad met zijn rechtsbehandeling tegen de apostelen; zo bij alle tegenstanders van waarheid en gerechtigheid tot op deze dag. Voorwaar, als een dienaar van God dat oprecht gelooft en erkent, dan moet midden onder alle bestrijdingen van rechter- en linkerzijde een hemelse moed, een zalige vrede over hem komen, zodat hij met die geloofsheld zegt: “wees maar toornig en woed, o wereld! Ik sta hier veilig en prijs mijn God.”
Zij bidden niet om de straf van hun vijanden, niet eens om de afwending van de vervolgingen, maar om moed en standvastigheid bij deze, om vrijmoedigheid, om ondanks deze het woord van God te spreken. Hoe schoon is hierin hun gedrag en hoe navolgingswaardig hun voorbeeld! Zeker valt het lijden altijd smartelijk en zouden wij wel wensen altijd daarvan verschoond te blijven; maar dit is toch inderdaad een dwaze wens; want indien het lijden ons niet nuttig was, God zou het ons niet toeschikken, want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte, niet omdat Hij lust heeft in ons leed; Hij is onze Vader, die met vaderlijke wijsheid en met vaderlijke liefde ons lot bestuurt en alleen datgene over ons komen doet, wat waarlijk nuttig en nodig voor ons is. Maar houden wij hiervan ons overtuigd, hoe zouden wij dan wenselijk kunnen achten van het leed verschoond te blijven, dat Zijn liefde ons toeschikt. Nee, dat mogen wij niet wensen, dat mogen wij niet bidden; maar dit mogen wij bidden en wensen, dat het lijden aan ons hart geheiligd zal worden, dat het bij ons het oogmerk zal bereiken, waartoe Gods liefde het ons toeschikt; dat het onze oefening zal zijn in geloof en in godzaligheid, dat het ons wijzer en beter zal maken, meer geschikt voor de zalige hemel, zijn werkzaamheden en genietingen.
En nu dan Heere God! zie, daar in hetgeen de oversten van Israël in deze tijd beginnen te doen, de vervulling van de psalmwoorden vernieuwd en voortgezet wordt, op hun dreigingen. Laat Uw voorzorg worden versterkt, opdat niet volvoerd worde wat men bedoelt (vs. 17) en geef, opdat integendeel het koninkrijk van God zich steeds verder uitbreide onder het volk, ons, Uw dienstknechten Tit. 1: 1 Jak. 1: 1) met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken.
Ga voort om te zegenen daarin, dat Gij het door ons gepredikte woord volgens de beloften van Christus (Mark. 16: 17v.) ook bekrachtigt (hoofdst. 14: 3) door dat Gij Uw hand met kracht uitstrekt tot genezing van zieken en dat tekenen en wonderen geschieden door de Naam van Uw heilig Kind Jezus.
Wat de discipelen van Christus willen, is niet een ogenblikkelijke vernietiging van de vijanden, die hun toch nog veel te vroeg zal komen, maar een des te sterker getuigenis van de waarheid en een des te grotere bekrachtiging daarvan door tekenen en wonderen waardoor misschien ook de vijanden er toe komen om tot hun zaligheid het woord in Ps. 2: 12 ter harte te nemen.
Er is in dit gebed, het eerste christelijke gebed in de gemeente dat wij kennen, een echte, reine zin van Christus. Wij vinden niets van gevoel van wraak, niets van vleselijke ijver, niets van verdelging van de vijanden; maar bij alle ijver voor de zaak van God toch alleen het smeken dat God ziet op het dreigen van de vijanden en dat Hij genade bewijst tot blijde getuigenis in woord en daad. Zoals Christus niet is gekomen om de wereld te oordelen, maar zalig te maken, zo zijn ook de gelovigen en apostelen niet bezield met de richtende vuurijver van Elias, maar met warme liefde voor de zielen, die door woord en daad moeten worden gered en tot de zaligheid in Christus gebracht. Hoe mag een christen omtrent zijn vijanden bidden? 1) Zonder angst en vrees, want hij bidt tot de Koning van alle koningen – is God voor ons, wie zal tegen ons zijn? Zonder haat en boosheid, want hij bidt tegen het kwaad, maar niet tegen de kwaden; 2) Zonder trotsheid en ergernis, want hij bidt niet voor zijn persoon, maar voor de zaak van de Heere.
De terugkeer van de gevangengenomen apostelen tot de broeders en zusters veroorzaakte bij deze een grote blijdschap. Zij hadden ongetwijfeld reeds Petrus en Johannes voor verloren geacht, wetende wat deze rechters met de Heere zelf hadden gedaan en alzo verkeerden zij in de grootste angst en zielspanning, ongetwijfeld biddende en smekende tot de Heere, die ook uit de muil van de leeuwen kan verlossen. En daar komen nu de beide geliefde gevangenen aan, vrij en ongedeerd, en verhalen wat er tussen hen en de Joodse raad gebeurd is. En nu ontsluit zich het hart van allen in God verheerlijkende dankzegging. O alleen een verlossing uit grote nood leert ons God prijzen op hooggestemde wijze. Doch is die dank uitgestort, dan komt met dubbele kracht het denkbeeld van het gevaar, waarin men geweest is en waarin men ieder ogenblik op nieuw geraken kan, weer. De gemeente van de Heere was nu tot de bewustheid gekomen dat zij een vijand had, een machtige vijand en dat die vijand haar gevonden had.
En toen zij gebeden hadden (MATTHEUS. 18: 19v.) werd de plaats waarin zij vergaderd waren (vgl. hoofdstuk 16: 26 Joh. 12: 28) bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, die bij vernieuwing hen in het hart grepen spraken aanstonds het woord van God met vrijmoedigheid, wel niet weer zoals in hoofdstuk 2: 4 met andere talen, maar wel in psalmen en lofgezangen en geestelijke liederen (Kol. 3: 16). Zo werd aanstonds het verbod van de hogepriesters en oudsten overtreden in dat opzicht, dat zij ook onder elkaar niet van de Heere Jezus mochten spreken (vs. 18).
Men moet denken aan een aardbeving of opschudding, veroorzaakt door een geweldige wind, net zoals er op het Pinksterfeest vernomen werd. Zulke verschijnselen vallen meermalen voor in de natuur, maar dan verspreiden zij zich op een aanmerkelijke afstand. In ons geval hebben wij derhalve te denken aan een wonderdadige beweging, daar de geschiedschrijver uitdrukkelijk zegt dat bepaaldelijk die plaats waar de apostelen vergaderd waren, bewogen werd. De zaak zal deze geweest zijn: op hetzelfde ogenblik dat de apostelen hun gebed met een eendrachtig amen besloten hadden, voelden zij een zeer aanmerkelijke beweging, het vertrek schudde en al wat er in was stond te trillen. Maar waartoe diende dit wonderwerk? Deze bovennatuurlijke beweging was een teken van Gods bijzondere tegenwoordigheid en een verzekering dat het gebed van de apostelen verhoord was. Dit was zonder twijfel geschikt om hun verslagen harten op te beuren en hen te bemoedigen tegen al die geweldige tegenstand, die zij in de uitbreiding van Christus’ koninkrijk ontmoeten zouden. Daarenboven was deze bovennatuurlijke beweging een kennelijk bewijs van het goddelijk alvermogen, waardoor zij over alle vijandelijke pogingen zouden zegepralen.
Ofschoon de biddende gemeente de Heilige Geest ontvangen had en daarmee de geest van de vrijmoedigheid, zo werd haar als antwoord op het gebed een nieuw teken van boven gegeven met een vernieuwd innerlijk vervuld worden met de Heilige Geest en met vrijmoedigheid. Hiermee werd door de Heilige Geest aan de gemeente veel geleerd; ten eerste dat geen gelovige heden leven mag op het ontvangene van gisteren, maar dat hij alle dagen vernieuwing van genade behoeft. Ten tweede, dat ook nieuwe noden nieuwe uitreddingen van God nodig hebben en ten derde, dat het gebed door de Heere gegeven is om in die behoeften te voorzien, om dat benodigde te verkrijgen.
Evenals in vs. 8 is ook hier het vervuld zijn met de Heilige Geest te denken als een tijdstip van verhoogde opwekking van de Geest, die de apostelen bij het pinksterfeest voor altijd hadden ontvangen. De algemene opwekking van alle vergaderden, die hier plaatshad, was nu, evenals de eerste uitstorting van de Geest in hoofdstuk 2, vergezeld van een uitwendig teken, de beweging van de plaats. Aan een gewone aardbeving kan hier evenmin worden gedacht als in hoofdstuk 2: 2 aan een gewonen stormwind, want beiden hadden de stad moeten treffen, niet alleen de plaats van de vergadering.
Het bewegen van de vergaderplaats dat op het gebed volgde, is het teken dat de wil en het woord van God machtig is over de grondvesten van de aarde. De macht van de wereld die zich tegen God verheft, houdt zich aan het bestaan van de zichtbare zaken, die in haar macht zijn gegeven – de gemeente met haar getuigen aan de geopenbaarde wil van God. Zodra nu de gemeente de zichtbare dingen loslatende, in geloof en gebed de wil en het woord van haar God aangrijpt, volgt de beweging van de aarde, als van de grond voor al het zijn van de zichtbare dingen. Het is dus het teken van de goddelijke goedkeuring, het bewijs dat de gemeente recht heeft gehandeld en de goddelijke belofte dat de gemeente de zege zal behalen over de macht van de wereld.
Wat de gelovigen voor de toekomst en voor het optreden van de apostelen voor ongelovigen en vijanden hadden gebeden: “Geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken, ” dat werd door God, die boven bidden en denken doet, ogenblikkelijk en reeds vóór de wederkerige omgang met elkaar vervuld, als bewijs en onderpand van hetgeen Hij verder zou doen. Het gebed was een gebed in Jezus’ naam (Joh. 14: 13v. ; 15: 7; 16: 28v), in Zijn gemeenschap, in Zijn zin en Geest en aan zo’n gebed is onvoorwaardelijk verhoring beloofd. Het gebed werkt wonderen:
inwendig – harten worden zalig bewogen, geesten worden krachtig gesterkt, 2) uitwendig -huizen worden bewogen, gemeenten verwekt, vijanden verschrikt, bergen verzet, de wereld bewogen. Vgl. Hagg. 2: 7v.
e. Vers 32Kruisverwijzingen1 Korinthe 1:10→Efeze 4:2→Filippenzen 2:1→Johannes 17:21→2 Korinthe 13:11→Filippenzen 1:27→1 Petrus 3:8→Handelingen 2:44→
— En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
-Hoofdstuk 5:16
Het eerste inwendige gevaar van de gemeente door uitbanning van valse leden tenietgedaan.
Na het bericht over hetgeen in kleinere kring plaats had (vs. 23vv.), willen wij weer overgaan tot de hele gemeente en na mededeling te hebben gedaan omtrent haar uitwendige bloei (vs. 4), willen wij ook op haar inwendig leven en de verdere ontwikkeling van haar inrichting het oog vestigen. En de menigte van degenen die geloofden, was a) één hart en één ziel; allen die gelovig waren geworden, waren in volkomen eendracht van gezindheid en streven (Fil. 2: 2); en niemand zeide, hoewel er toch reeds zo velen waren, dat iets van hetgeen hij aan vast of roerend goed had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen: het was dus nog alles zoals het bij de eerste gemeente was (hoofdstuk 2: 44).
1 Petrus 3: 8
En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus. Zo werd het verbod van de overpriesters en oudsten (vs. 18) ook naar de andere zijde tenietgedaan (vgl. vs. 31), daar zij aanhielden in de bediening van het woord (hoofdstuk 6: 4) en vlijtig onderwijs (hoofdstuk 2: 42) gaven aan de gedoopten (MATTHEUS. 28: 20). En er was grote genade van God over hen allen die tot de gemeente behoorden (1 Kor. 15: 10 2 Kor. 9: 14).
Genade te hebben is van God gezegend te zijn ook door de gunst van mensen. Het volk was van de gemeente niet vijandig, integendeel, velen uit het volk traden gedurig tot de gemeente toe. En allen die toetraden, waren gelukkig. De Heilige Geest vervulde hen allen met Zijn blijdschap en als men deze in het hart heeft, dan is men zalig reeds hier. Nochtans, het is een tijdelijke zaligheid, die door veel droefheid en lijden kan worden opgevolgd. Het is slechts een voorsmaak van hetgeen eeuwig volgen zal. De bruid van Christus was nog in haar bruidsdagen en deze worden ook niet zonder tranen gevierd.
Want er was ook wat de lichamelijke welvaart van ieder aangaat, hoewel niet weinige leden van de gemeente oorspronkelijk tot de armen en geringen onder het volk moesten worden gerekend, niemand onder hen die gebrek had; want zo velen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, voor zover de behoeften van de armen het eisten en brachten de prijs van de verkochte goederen naar de plaats waar ieder zich ophield en leiden die aan de voeten van de apostelen en wel van die onder hen, die het ambt van onderwijzing op die vergaderplaats waarnam.
a) En aan een ieder werd uit die gemeentekas, die uit dergelijke bijdragen werd gevormd, door de dienst van de apostelen die nog de armenverzorging waarnamen (hoofdstuk 6: 2vv.), in voedsel en kleding uitgedeeld, naardat elk nodig had.
Jes. 58: 7
En Joses, later omdat hij een vroom man was, vol van geloof en van de Heilige Geest en zich bijzonder krachtig betoonde in profetische reden en vermaningen (hoofdstuk 13: 1 1 Kor. 14: 3, door de apostelen Barnabas genoemd (Hebr. : bar-neboeah, wat vertaald in onze taal betekent: een zoon van de vertroosting, één van hen die geschikt zijn om krachtig tot het hart van anderen te spreken met vermaningen, vertroostingen en opwekkingen) een Leviet en wel van geboorte uit Cyprus, een eiland in de Middellandse zee (1 Makk. 15: 23).
Aangezien hij te Jeruzalem, waarheen hij was getrokken, een akker had, verkocht hij die en bracht de hele som van het geld dat hij had ontvangen en legde het zoals gewoonlijk (vs. 35) aan de voeten van de apostelen.
Van de gemeente, zoals zij ons naar haar levensvorm in hoofdstuk 2: 42vv. wordt voor ogen gesteld, is door de groei, in hoofdstuk 2: 47 en 4: 4 vermeld, reeds een bijzonder volk geworden; en hoewel dit volk, wat het getal aangaat, nog altijd als een in het niet wegzinkende minderheid voorkomt tegenover het volk dat de naam van Israël draagt, dat de tempel bezit en zich uitwendig doet gelden, is het toch in Gods ogen het ware, eigenlijke Israël. Daarop wil Lukas ons in dit gedeelte opmerkzaam maken. Hij bewijst door de fijne trekken waarmee hij zijn beeld ontwerpt, evenals door de Hebreeuws gebleven uitdrukkingen en zinnen, waarvan hij zich meermalen bediende (“A c), dat hij wat eigen afkomst aangaat tot de kinderen van Abraham moet worden gerekend en niet, zoals men gewoonlijk beweert, tot de Grieken of heidenen. Zo’n voorstelling was juist op deze plaats van bijzonder gewicht. In hun gebed (vs. 25vv.) hadden de apostelen openlijk voor God uitgesproken dat het Joodse volk, dat de naam van Israël voerde en uitwendig de rechten van Israël vasthield, in zijn overste leidslieden en vertegenwoordigers tot heidenen was geworden, die volgens Ps. 2 opstaan en tot de volken van wie de koningen en vorsten zich vergaderen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde. God geeft van Zijn zijde bevestiging van dit inzicht, doordat Hij Zijn genade overbrengt tot het kleine Israël, dat uit het grote Israël was ontsproten en in tegenstelling tot de volken van Israël, zoals aan het slot van vs. 27 in de grondtekst staat, zich een volk Israël in de christelijke gemeente zo karakteristiek laat gevormd worden dat hierbij meer dan een bepaling van de oudtestamentische wet tot een nieuwtestamentische verwezenlijking in Geest en in waarheid komt. Daartoe behoort: 1) het: “één hart en één ziel, ” waarmee het gebod van de ene plaats van verering in Israël (Deut. 12: 1vv.) en van het tweevoudige heiligdom (Ex. 26: 31vv.) vervalt; want hart en ziel, het allerheilige en het heilige van de inwendige mens is nu tot een tempel van God, waarin Hij Zijn woning heeft, gewijd en alle afscheiding waarbij ieder zijn eigen gedachte op zelf gekozen wegen na wandelt en ieder naar eigen lust God probeert te dienen, opgeheven; 2) het “de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus, ” waarmee het ambt van de priesters, die de tabernakel bedienen (Num. 18: 5), maar ook het karakter van het door de twaalven vertegenwoordigde volk van de twaalf stammen, als van een priesterlijk koninkrijk (Ex. 19: 6) zijn verwezenlijking heeft gevonden; 3) het “zo velen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij en brachten de prijs van de verkochte goederen en legden die aan de voeten van de apostelen, ” waardoor het priesterlijk volk zijn tienden en offers en vrijwillige gaven aan de tempel aflevert (vgl. Deut. 14: 22vv.); 4) het “niemand zei, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen, ” waardoor het land van Israël met al wat er op en er in is, aan Hem ten dienst en eigendom is teruggegeven, die zegt (Lev. 25: 23): “het land is het Mijne” en de idee van het sabbatsjaar in zoverre wordt volvoerd, dat ieder van de opbrengst van de grond kan eten, naardat hij nodig had (Lev. 25: 6v. vgl. Deut. 23: 24v.); 5) het “er was ook niemand onder hen, die gebrek had, ” waardoor een volk van God was geworden, waarbij het in Deut. 15: 4 gezegde niet meer als een bloot ideaal is. Van dit gezichtspunt, dat hier namelijk gesproken wordt van een omkering van dat Israël dat door de werking van de Geest en de macht van de broederlijke liefde geheel naar het voorbeeld van de Mozaïsche wettelijke bepalingen is ingericht, moet ook worden beoordeeld wat ons van Joses, de Leviet, geboren op Cyprus wordt verhaald. De naam die de apostelen hem geven: “Zoon van de vertroosting” kenschetst hem als een Leviet, niet alleen naar lichamelijke, maar ook naar geestelijke geboorte. Evenals de Heere eens aan Aäron en zijn zonen of aan de eigenlijke priesterstand de Levieten uit de kinderen van Israël ten geschenke gaf, opdat zij zouden dienen in het ambt van de kinderen van Israël in de tabernakel (Num. 8: 19), zo geeft Hij nu aan de apostelen een geestelijke helper, die het onderpand en de voorganger van nog vele anderen is, die later zullen volgen en door wie de hele gemeente deel neemt aan hun ambt van het woord. De apostelen nemen hem aan en bewegen hem als het ware voor de Heere (Num. 8: 20vv.), door hem die naam vol betekenis toe te kennen. Maar nu ontzondigt zich ook als het ware Joses Barabbas en wast hij zijn kleren, doordat hij zijn akker verkoopt en het geld aan de voeten van de apostelen legt; volgens Num. 18: 20 Deut. 10: 9 moeten namelijk de Levieten in het land van de kinderen van Israël niets bezitten, ook geen deel onder hen hebben, maar de Heere is hun deel en hun erfgoed onder de kinderen van Israël. Zo ontdoet hij zich geheel en volkomen van zijn akker en brengt hij zijn uiterlijke stand in overeenstemming met zijn geestelijk beroep, nadat de apostelen zelf reeds sedert lang alles hebben verlaten (MATTHEUS. 19: 27). Zijn daad is dus niet een enkel voorbeeld van hetgeen ook vele anderen deden, hoewel zeker anderen eveneens handelden als hij; zij heeft een geheel bepaalde op zichzelf staande betekenis. Terwijl anderen, doordat niemand van zijn goederen zei dat zij de zijne waren, maar dat alles gemeen was, zich bereid toonden die gezindheid ook door uitwendige daden te bevestigen en daar waar de gemeenschap van goederen een afstaan van de goederen noodzakelijk maakte om zo te kunnen weldoen, hun goed verkochten, was het verkopen van de akker door Barabbas eigenlijk een overgave of het afstaan van een bezitting die hem niet paste. Zo vinden wij in ieder opzicht dat dit gedeelte in vergelijking met het overeenkomstige in hoofdstuk 2: 42-47, een besliste voortgang is in de ontwikkeling van het nieuwtestamentische volk van God. Daar hadden wij als het ware nog slechts eerst het huis van Israël voor ons, zoals dat vroeger in Jakob en in zijn twaalf zonen met vrouwen en kinderen voorkwam, zodat wij de eerste christengemeente als een nauw verbonden, steeds bij elkaar zijnde vereniging moesten beschouwen; hier hebben wij daarentegen reeds het geestelijk nieuw geschapen Israël voor ons, volgens het voorbeeld van het Mozaïsche Israël, zodat wij ze ook spoedig als de wettige bezitters van alle genadegoederen van het verbond plaats zullen zien nemen in de tempel (hoofdstuk 5: 12) Daaruit blijkt dat hoofdstuk 3-5 niet zo onmiddellijk zich aan hoofdstuk 2 aansluiten, als men gewoonlijk onderstelt, maar door een tijdruimte van 2-3 jaren daarvan zijn gescheiden. Deze voortgang, deze ongestoorde en normale levensontwikkeling van de gemeente is een wonder voor onze ogen; zij komt later niet weer in de christelijke kerk voor; maar na een goed begin komt weer spoedig de zonde boven, die ons altijd aankleeft en traag maakt (Hebr. 12: 1) en zij die met de Geest zijn begonnen, willen het maar al te spoedig in het vlees voleindigen (Gal. 3: 3). Maar juist daarom kan nog worden gezegd: “er was grote genade onder hen allen. ” Die genade van God, die over het kindeke Jezus was, zodat Hij opgroeide en toenam in de geest, in genade en in wijsheid (Luk. 2: 40), was ook over de gemeente van Christus, die reeds uit de kinderlijke leeftijd in de jongelingsleeftijd was overgegaan, zodat met het uitwendig toenemen in zielengetal het inwendig toenemen en sterk worden gelijke tred hield. Pas toen het zover met haar was, werd aan de verleider gehoor gegeven, zodat hij in de omkleding van de slang kon indringen in de paradijshof van de kerk, zoals in het volgende hoofdstuk de geschiedenis van Ananias en Saffira toont. Toch weet de Heere nog het ingedrongen slangenzaad weer af te zonderen. Wat Hij ten opzichte van het oudtestamentische Israël zo dikwijls in de wet van Mozes dreigt, dat die onder Gods volk een Belialsstuk in het hart draagt (Deut. 15: 9) uit Gods volk en het heilige land moest worden uitgeroeid, dat verwezenlijkt Hij ook en de gemeente betoont zich ten eerste nog als een zodanige die noch vlek noch rimpel noch iets dergelijks heeft (Efeziers 5: 27). Waarom dat? Van Zijn zijde wil Hij zo lang mogelijk de weg openlaten dat reeds nu de tijd van de verkoeling van het aangezicht van de Heere komt, waarop ook Petrus in hoofdstuk 3: 20 wijst als de te verwachten toekomst. En zonder twijfel zou ook de gouden Messiaanse tijd, wiens toestanden en ontwikkelingen wij zeker in bijzonderheden niet kunnen voorstellen, maar alleen in het algemeen uit hetgeen in Openbaring 20: 1vv. over het duizendjarige rijk wordt gezegd, kunnen wagen, zijn ingetreden, als het omgekeerde had plaatsgevonden van nu. Dat zou geweest zijn wanneer niet alleen enkelen uit Israël de Christus gelovig waren geworden, terwijl de grote menigte bleef wat zij was, maar als het volk als zodanig zijn Heiland had aangenomen, terwijl alleen enkelen in ongeloof volhardden.
Over de gemeenschap van goederen zouden wij, zoals wij bij “Ac 2: 47” zeiden, hier nader spreken. Wij hebben reeds opgemerkt dat zij in de christelijke gemeente niet was zoals bij de Esseeërs, een die het eigendom ophief, maar een die het slechts gemeen maakte, d. i. tot algemeen gebruik stelde, ook niet met enige dwang voor de leden was verbonden, maar uit de drang van eigen vrijwillige liefde voortkwam. Het was een inrichting die uit het hebben van een gemeenschappelijke kas, zoals die in het gezelschap van Jezus en Zijn discipelen bestond, zich ontwikkelde en daarin haar voorbeeld had. Ook hier hief de gemeenschappelijke kas niet alle bijzonder bezit daarnaast op, zoals bijv. in Joh. 19: 27 omtrent Johannes en de moeder van de Heere wordt gezegd: “en vanaf dat moment nam de discipel haar in zijn huis. ” En als in vs. 32 gezegd wordt: “niemand zei dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, ” dan veronderstelt dit uitdrukkelijk een bijzonder bezit als voort bestaande. Ieder hield wat hij had, niet in eigenbaat voor zichzelf, waarvan niemand anders iets had te genieten, zij hadden integendeel alles gemeen. Evenals in een familie, als bij het geheel of bij het bijzonder lid zich een behoefte laat gevoelen die bevredigd moet worden, het huis met al wat het in zich heeft ter bevrediging gereed staat, zo stond bij de christelijke gemeente het bezit van huis en akkers, of wat ieder anders had, voor alle voorkomende behoeften van het geheel zowel als van ieder in het bijzonder ter beschikking. Er waren er eerder te veel van hen die gewillig waren het hun over te geven en geldmiddelen te verschaffen dan dat het aan de zodanige zou hebben ontbroken. De gemeente bestond voor een groot deel uit armen die niets hadden om van te leven en die de in hoofdstuk 2: 42vv. genoemde gemeenschap en het gedurig bijwonen van de godsdienst in de tempel zouden hebben moeten nalaten, als zij hun dagelijks brood met arbeiden hadden moeten verdienen. Daarbij kwamen weduwen, wezen, zieken, grijsaards, die niet konden werken en niet bedelend mochten rondgaan. Alzo werd de armenverpleging een hoofdpunt in de inrichting van de gemeente. Daarvoor was een blijvend armenfonds nodig, waarvoor de leden van de gemeente die bezittingen hadden zich verantwoordelijk voelden en opdat er niet karig maar rijkelijk zou worden verzorgd, een gedeelte van hun goed afstonden. Tot bestuurders van het fonds en tot verdeling van de gaven naar de wezenlijke behoeften waren nu nog de apostelen bestemd, aan wier voeten men dan de samengebrachte gelden neerlegde. Deze waren namelijk gewoon in de vergaderingen van de gemeente als de leraars van het woord van Christus een hogere standplaats dan de toehoorders in te nemen (“Ac 22: 3” en “Uit 5: 22. Men zag hen nu als degenen die in het gebed voorgingen en het woord voerden (hoofdstuk 6: 4) voor het altaar van de offeranden van de gemeente aan en bracht daarom tot hen zijn offergaven (Fil. 4: 18 Hebr. 13: 15). Naar alles wat uit de aanwijzingen van de Handelingen van de apostelen blijkt, is de zaak van de overgave van de goederen zo dat alle grondbezitters in de gemeente verkochten, maar niemand alles verkocht. Als een enkele die zich geheel van zijn akker ontdeed, staat Joses met de bijnaam Barnabas; bij hem had dit, zoals boven uit elkaar is gezet, zijn bijzondere reden en zijn bijzonder doel, dat in aanmerking moet worden genomen en later bij Ananias en Saffira nog eens in aanmerking komt. Van de vroegere persoonlijke omstandigheden van de man weten wij, behalve het in vs. 36 opgemerkte, alleen nog dit, dat Johannes Markus zijn neef was (Kol. 4: 10 hoofdstuk 12: 25; 13: 5, 13; 15: 36vv. en hij dus waarschijnlijk door de omgang met deze en met diens moeder Maria (hoofdstuk 12: 12) tot kennis van de waarheid is gekomen. Omtrent de bijnaam Barnabas, zoon van de vertroosting, kunnen wij de opmerking bij Joh. 14: 18 vergelijken. Nader vernemen wij vervolgens van hem in hoofdstuk 11: 22vv. en in hoofdstuk 13-15.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel