Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En IzakH3327riepH7121JakobH3290, en zegendeH1288 hem; en geboodH6680 hem, en zeideH559totH413 hem: NeemH3947geenH3808vrouwH802 van de dochterenH1323 van KanaanH3667.En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan.
KJVAnd Isaac2called1Jacob,4and blessed5him, and charged7him, and said8unto him, Thou shalt not take11a wife12of the daughters13of Canaan.
1וַיִּקְרָ֥אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2יִצְחָ֛קH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)3אֶֽלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יַעֲקֹ֖בH3290Jakob, JakobsJacob5וַיְבָ֣רֶךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank6אֹת֑וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7וַיְצַוֵּ֨הוּ֙H6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order8וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9ל֔וֹ10לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11תִקַּ֥חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win12אִשָּׁ֖הH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English13מִבְּנ֥וֹתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village14כְּנָֽעַןH3667Kanaan, koophandel, KanaanietenCanaan, merchant, traffick
2Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuel, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2MaakH6965 u op, gaH3212 naar Paddan-AramH6307, ten huizeH1004 van BethuelH1328, den vaderH1 uwer moederH517, en neemH3947 u van daarH8033 een vrouwH802, van de dochterenH1323 van LabanH3837, uwer moedersH517broederH251.Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuel, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.
KJVArise,1go2to Padanaram,3to the house5of Bethuel6thy mother's8father;7and take9thee a wife12from thence of the daughters13of Laban14thy mother's16brother.
1ק֥וּםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2לֵךְ֙H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak3פַּדֶּ֣נָֽהH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram4אֲרָ֔םH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram5בֵּ֥יתָהH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6בְתוּאֵ֖לH1328BethuelBethuel. Compare H1329 (בְּתוּל)7אֲבִ֣יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'8אִמֶּ֑ךָH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting9וְקַחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win10לְךָ֤11מִשָּׁם֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither12אִשָּׁ֔הH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English13מִבְּנ֥וֹתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village14לָבָ֖ןH3837Laban, LabansLaban15אֲחִ֥יH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'16אִמֶּֽךָH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting
3En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En GodH410almachtigH7706zegeneH1288 u, en make u vruchtbaarH6509, en vermenigvuldigeH7235 u, dat gij tot een hoopH6951volkenH5971 wordt.En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.
KJVAnd God1Almighty2bless3thee, and make thee fruitful,5and multiply6thee, that thou mayest be a multitude8of people;
1וְאֵ֤לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'2שַׁדַּי֙H7706Almachtige, Almachtigen, almachtigAlmighty3יְבָרֵ֣ךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank4אֹֽתְךָ֔H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5וְיַפְרְךָ֖H6509vruchtbaar, vruchtbare, gewassenbear, bring forth (fruit), (be, cause to be, make) fruitful, grow, increase6וְיַרְבֶּ֑ךָH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very7וְהָיִ֖יתָH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8לִקְהַ֥לH6951gemeente, vergadering, hoopassembly, company, congregation, multitude9עַמִּֽיםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
4En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En Hij geveH5414 u den zegenH1293 van AbrahamH85; aan u, en uw zaadH2233metH854 u, opdat gij erfelijkH3423 bezit het landH776 uwer vreemdelingschappenH4033, hetwelkH834GodH430 aan AbrahamH85gegevenH5414 heeft.En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
KJVAnd give1thee the blessing4of Abraham,5to thee, and to thy seed7with thee; that thou mayest inherit9the land11wherein thou art a stranger,12which God15gave14unto Abraham.
1וְיִֽתֶּןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2לְךָ֙3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4בִּרְכַּ֣תH1293zegen, zegeningen, zegeningblessing, liberal, pool, present5אַבְרָהָ֔םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham6לְךָ֖7וּלְזַרְעֲךָ֣H2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time8אִתָּ֑ךְH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix9לְרִשְׁתְּךָ֙H3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11אֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world12מְגֻרֶ֔יךָH4033vreemdelingschappen, woning, woningendwelling, pilgrimage, where sojourn, be a stranger. Compare H4032 (מָגוֹר)13אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14נָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield15אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty16לְאַבְרָהָֽםH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham
5Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuel, den Syrier, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Alzo zondH7971IzakH3327JakobH3290 weg, dat hij toogH3212 naar Paddan-AramH6307, totH413LabanH3837, den zoonH1121 van BethuelH1328, den SyrierH761, den broederH251 van RebekkaH7259, JakobsH3290 en EzauH6215's moederH517.Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuel, den Syrier, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.
6Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Als nu EzauH6215zagH7200, datH3588IzakH3327JakobH3290gezegendH1288, en hem naar Paddan-AramH6307weggezondenH7971 had om zich van daarH8033 een vrouwH802 te nemenH3947; en als hij hem zegendeH1288, dat hij hem gebodenH6680 had, zeggendeH559: NeemH3947geenH3808vrouwH802 van de dochterenH1323 van KanaanH3667;Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan;
KJVWhen Esau2saw1that Isaac5had blessed4Jacob,7and sent him away8to Padanaram,10to take12him a wife15from thence; and that as he blessed16him he gave him a charge,18saying,20Thou shalt not take22a wife23of the daughters24of Canaan;
1וַיַּ֣רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2עֵשָׂ֗וH6215EzauEsau3כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4בֵרַ֣ךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank5יִצְחָק֮H3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)6אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7יַעֲקֹב֒H3290Jakob, JakobsJacob8וְשִׁלַּ֤חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)9אֹתוֹ֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10פַּדֶּ֣נָֽהH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram11אֲרָ֔םH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram12לָקַֽחַתH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win13ל֥וֹ14מִשָּׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither15אִשָּׁ֑הH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English16בְּבָרֲכ֣וֹH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank17אֹת֔וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18וַיְצַ֤וH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order19עָלָיו֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet21לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without22תִקַּ֥חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win23אִשָּׁ֖הH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English24מִבְּנ֥וֹתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village25כְּנָֽעַןH3667Kanaan, koophandel, KanaanietenCanaan, merchant, traffick
7En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En dat JakobH3290 zijn vaderH1 en zijn moederH517gehoorzaamH8085 geweest was, en naarH413Paddan-AramH6307getrokkenH3212 was;En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;
KJVAnd that Jacob2obeyed1his father4and his mother,6and was gone7to Padanaram;
1וַיִּשְׁמַ֣עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2יַעֲקֹ֔בH3290Jakob, JakobsJacob3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אָבִ֖יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6אִמּ֑וֹH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting7וַיֵּ֖לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak8פַּדֶּ֥נָֽהH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram9אֲרָֽםH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram
8En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En dat EzauH6215zagH7200, dat de dochterenH1323 van KanaanH3667kwaadH7451 waren in de ogenH5869 van IzakH3327, zijn vaderH1;En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
KJVAnd Esau2seeing1that the daughters5of Canaan6pleased7not4Isaac8his father;
9Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Zo gingH3212EzauH6215totH413IsmaelH3458, en namH3947 zich tot een vrouwH802bovenH5921 zijn vrouwenH802, MahalathH4258, de dochterH1323 van IsmaelH3458, den zoonH85 van AbrahamH1121, de zusterH269 van NebajothH5032.Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth.
KJVThen went1Esau2unto Ishmael,4and took5unto the wives15which he had Mahalath7the daughter8of Ishmael9Abraham's11son,10the sister12of Nebajoth,13to be his wife.
1וַיֵּ֥לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2עֵשָׂ֖וH6215EzauEsau3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יִשְׁמָעֵ֑אלH3458IsmaelIshmael5וַיִּקַּ֡חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win6אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7מָחֲלַ֣תH4258MahalathMahalath8בַּתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village9יִשְׁמָעֵ֨אלH3458IsmaelIshmael10בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11אַבְרָהָ֜םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham12אֲח֧וֹתH269zuster, zusters, zusteren(an-) other, sister, together13נְבָי֛וֹתH5032Nebajoth, NabajothNebaioth, Nebajoth14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15נָשָׁ֖יוH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English16ל֥וֹ17לְאִשָּֽׁהH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
10Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10JakobH3290 dan toogH3318 uit van Ber-sebaH884, en gingH3212 naar HaranH2771.Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.
1וַיֵּצֵ֥אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2יַעֲקֹ֖בH3290Jakob, JakobsJacob3מִבְּאֵ֣רH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah4שָׁ֑בַעH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah5וַיֵּ֖לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak6חָרָֽנָהH2771HaranHaran
11En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En hij geraakteH6293 op een plaatsH4725, waarH8033 hij vernachtteH3885; wantH3588 de zonH8121 was ondergegaanH935; en hij namH3947 van de stenenH68 dier plaatsH4725, en maakte zijn hoofdpeluwH4763, en legde zich te slapenH7901 te dierzelver plaatsH4725.En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.
KJVAnd he lighted1upon a certain place,2and tarried there all night,3because the sun7was set;6and he took8of the stones9of that place,10and put11them for his pillows,12and lay down13in that place14to sleep.
1וַיִּפְגַּ֨עH6293reikt, val, ontmoetcome (betwixt), cause to entreat, fall (upon), make intercession, intercessor, intreat, lay, light (upon), meet (together), pray, reach, run2בַּמָּק֜וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)3וַיָּ֤לֶןH3885vernachten, vernacht, vernachttenabide (all night), continue, dwell, endure, grudge, be left, lie all night, (cause to) lodge (all night, in, -ing, this night), (make to) murmur, remain, tarry (all night, that night)4שָׁם֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither5כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6בָ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7הַשֶּׁ֔מֶשׁH8121zon, Zon, glasvensters[phrase] east side(-ward), sun (rising), [phrase] west(-ward), window. See also H1053 (בֵּית שֶׁמֶשׁ)8וַיִּקַּח֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win9מֵאַבְנֵ֣יH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)10הַמָּק֔וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)11וַיָּ֖שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work12מְרַֽאֲשֹׁתָ֑יוH4763hoofdeinde, hoofdpeluwbolster, head, pillow. Compare H4772 (מַרְגְלָה)13וַיִּשְׁכַּ֖בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay14בַּמָּק֥וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)15הַהֽוּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who
12En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En hij droomdeH2492; en zietH2009, een ladderH5551 was gesteldH5324 op de aardeH776, welker oppersteH7218 aan de hemelH8064raakteH5060; en zietH2009, de engelenH4397GodsH430klommenH5927 daarbij op en nederH3381.En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.
KJVAnd he dreamed,1and behold a ladder3set up4on the earth,5and the top of it6reached7to heaven:8and behold the angels10of God11ascending12and descending
1וַֽיַּחֲלֹ֗םH2492gedroomd, droomde, dromen(cause to) dream(-er), be in good liking, recover2וְהִנֵּ֤הH2009ziet, ziebehold, lo, see3סֻלָּם֙H5551ladderladder4מֻצָּ֣בH5324gesteld, stonden, stondappointed, deputy, erect, establish, [idiom] Huzzah (by mistake for a proper name), lay, officer, pillar, present, rear up, set (over, up), settle, sharpen, establish, (make to) stand(-ing, still, up, upright), best state5אַ֔רְצָהH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6וְרֹאשׁ֖וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top7מַגִּ֣יעַH5060aangeroerd, aanroert, aanroerenbeat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch8הַשָּׁמָ֑יְמָהH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)9וְהִנֵּה֙H2009ziet, ziebehold, lo, see10מַלְאֲכֵ֣יH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger11אֱלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty12עֹלִ֥יםH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work13וְיֹרְדִ֖יםH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down14בּֽוֹ
13En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En zietH2009, de HEEREH3068stondH5324opH5921 dezelve en zeideH559: IkH589 ben de HEEREH3068, de GodH430 van uw vaderH1AbrahamH85, en de GodH430 van IzakH3327; dit landH776, waarop gij ligt te slapenH7901, zal Ik aanH5921 u gevenH5414, en aan uw zaadH2233.En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
KJVAnd, behold, the LORD2stood3above it, and said,5I am the LORD7God8of Abraham9thy father,10and the God11of Isaac:12the land13whereon thou liest,16to thee will I give it,19and to thy seed;
1וְהִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3נִצָּ֣בH5324gesteld, stonden, stondappointed, deputy, erect, establish, [idiom] Huzzah (by mistake for a proper name), lay, officer, pillar, present, rear up, set (over, up), settle, sharpen, establish, (make to) stand(-ing, still, up, upright), best state4עָלָיו֮H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5וַיֹּאמַר֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who7יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8אֱלֹהֵי֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty9אַבְרָהָ֣םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham10אָבִ֔יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'11וֵאלֹהֵ֖יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty12יִצְחָ֑קH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)13הָאָ֗רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world14אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15אַתָּה֙H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you16שֹׁכֵ֣בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay17עָלֶ֔יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18לְךָ֥19אֶתְּנֶ֖נָּהH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield20וּלְזַרְעֶֽךָH2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time
14En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En uw zaadH2233 zal wezenH1961 als het stofH6083 der aardeH776, en gij zult uitbrekenH6555 in menigte, westwaartsH3220 en oostwaartsH6924, en noordwaartsH6828 en zuidwaartsH5045; en in u, en in uw zaadH2233 zullen alleH3605geslachtenH4940 des aardbodemsH127gezegendH1288 worden.En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
KJVAnd thy seed2shall be as the dust3of the earth,4and thou shalt spread abroad5to the west,6and to the east,7and to the north,8and to the south:9and in thee and in thy seed15shall all the families13of the earth14be blessed.
15En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En zieH2009, Ik ben metH5973 u, en Ik zal u behoedenH8104overalH3695, waarheen gij trekkenH3212 zult, en Ik zal u wederbrengenH7725 in ditH2063landH127; wantH3588 Ik zal u nietH3808verlatenH5800, totdatH5704 Ik zal gedaanH6213 hebben, hetgeenH834 Ik tot u gesprokenH1696 heb.En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.
KJVAnd, behold, I am with thee, and will keep4thee in all places whither6thou goest,7and will bring thee again8into this land;10for I will not leave14thee, until16I have done18that which I have spoken
1וְהִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see2אָנֹכִ֜יH595ik, mijI, me, [idiom] which3עִמָּ֗ךְH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)4וּשְׁמַרְתִּ֨יךָ֙H8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)5בְּכֹ֣לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7תֵּלֵ֔ךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak8וַהֲשִׁ֣בֹתִ֔יךָH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw9אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10הָאֲדָמָ֖הH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land11הַזֹּ֑אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus12כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without14אֶֽעֱזָבְךָ֔H5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely15עַ֚דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet16אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet18עָשִׂ֔יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use19אֵ֥תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection21דִּבַּ֖רְתִּיH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work22לָֽךְ
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
16Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Toen nu JakobH3290 van zijn slaapH8142ontwaakteH3364, zeideH559 hij: GewisselijkH403 is de HEEREH3068 aan dezeH2088plaatsH4725, en ikH595 heb het nietH3808gewetenH3045!Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!
KJVAnd Jacob2awaked1out of his sleep,3and he said,4Surely5the LORD7is6in this place;8and I knew
1וַיִּיקַ֣ץH3364ontwaakte, waakte, ontwaken(be) awake(-d)2יַעֲקֹב֮H3290Jakob, JakobsJacob3מִשְּׁנָתוֹ֒H8142slaap, slapenssleep4וַיֹּ֕אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אָכֵן֙H403waarlijk, Voorwaar, Waarlijkbut, certainly, nevertheless, surely, truly, verily6יֵ֣שׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest7יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8בַּמָּק֖וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)9הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)10וְאָנֹכִ֖יH595ik, mijI, me, [idiom] which11לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12יָדָֽעְתִּיH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot
17En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En hij vreesdeH3372, en zeideH559: HoeH4100vreselijkH3372 is deze plaatsH4725! DitH2088 is nietH369 dan een huisH1004GodsH430, en ditH2088 is de poortH8179 des hemelsH8064!En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!
KJVAnd he was afraid,1and said,2How dreadful4is this place!5this is none other but the house11of God,12and this is the gate14of heaven.
1וַיִּירָא֙H3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)2וַיֹּאמַ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why4נּוֹרָ֖אH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)5הַמָּק֣וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)6הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)7אֵ֣יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)8זֶ֗הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)9כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet11בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)12אֱלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty13וְזֶ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)14שַׁ֥עַרH8179poort, poorten, stadspoortcity, door, gate, port ([idiom] -er)15הַשָּׁמָֽיִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)
18Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Toen stondH7925JakobH3290 des morgensH1242vroegH7925 op, en hij namH3947 dien steenH68, dien hij tot zijn hoofdpeluwH4763gelegdH7760 had, en zetteH7760 hem tot een opgericht tekenH4676, en gootH3332 daar olieH8081 boven op.Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.
KJVAnd Jacob2rose up early1in the morning,3and took4the stone6that he had put8for his pillows,9and set it up10for a pillar,12and poured13oil14upon the top of it.
1וַיַּשְׁכֵּ֨םH7925vroeg, stond, stonden(arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning2יַעֲקֹ֜בH3290Jakob, JakobsJacob3בַּבֹּ֗קֶרH1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow4וַיִּקַּ֤חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הָאֶ֨בֶן֙H68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8שָׂ֣םH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work9מְרַֽאֲשֹׁתָ֔יוH4763hoofdeinde, hoofdpeluwbolster, head, pillow. Compare H4772 (מַרְגְלָה)10וַיָּ֥שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work11אֹתָ֖הּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12מַצֵּבָ֑הH4676opgerichte beelden, opgericht teken, opgericht beeldgarrison, (standing) image, pillar13וַיִּצֹ֥קH3332goot, gieten, gegotencast, cleave fast, be (as) firm, grow, be hard, lay out, molten, overflow, pour (out), run out, set down, stedfast14שֶׁ֖מֶןH8081olie, olieachtige, Olieanointing, [idiom] fat (things), [idiom] fruitful, oil(-ed), ointment, olive, [phrase] pine15עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16רֹאשָֽׁהּH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top
19En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En hijH1931noemdeH7121 den naamH8034 dier plaatsH4725Beth-ElH1008; daar tochH199 de naamH8034 dier stadH5892 te vorenH7223 was LuzH3870.En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
KJVAnd he called1the name3of that place4Bethel:6but8the name10of that city11was called Luz9at the first.
1וַיִּקְרָ֛אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3שֵֽׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report4הַמָּק֥וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)5הַה֖וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who6בֵּֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el7אֵ֑לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el8וְאוּלָ֛םH199gewisselijk, waarlijk, zekerlijkas for, but, howbeit, in very deed, surely, truly, wherefore9ל֥וּזH3870LuzLuz10שֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report11הָעִ֖ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town12לָרִאשֹׁנָֽהH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past
20En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En JakobH3290beloofdeH5087 een gelofteH5088, zeggendeH559: Wanneer GodH430 met mij geweest zal zijn, en mij behoedH8104 zal hebben op dezenH2088wegH1870, dien ikH595reizeH1980, en mij gegevenH5414 zal hebben broodH3899 om te etenH398, en klederenH899 om aan te trekkenH3847;En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;
KJVAnd Jacob2vowed1a vow,3saying,4If God7will be with me, and will keep me9in this way10that I go,14and will give15me bread17to eat,18and raiment19to put on,
1וַיִּדַּ֥רH5087beloofd, beloofde, belooft(make a) vow2יַעֲקֹ֖בH3290Jakob, JakobsJacob3נֶ֣דֶרH5088gelofte, geloftenvow(-ed)4לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet6יִהְיֶ֨הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7אֱלֹהִ֜יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty8עִמָּדִ֗יH5978met, bijagainst, by, from, [phrase] me, [phrase] mine, of, [phrase] that I take, unto, upon, with(-in.)9וּשְׁמָרַ֨נִי֙H8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)10בַּדֶּ֤רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)11הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)12אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13אָנֹכִ֣יH595ik, mijI, me, [idiom] which14הוֹלֵ֔ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl15וְנָֽתַןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield16לִ֥י17לֶ֛חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals18לֶאֱכֹ֖לH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite19וּבֶ֥גֶדH899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe20לִלְבֹּֽשׁH3847bekleed, aantrekken, trok(in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear
21En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En ik ten huizeH1004 mijns vadersH1 in vredeH7965 zal wedergekeerdH7725zijnH1961; zo zal de HEEREH3068 mij totH413 een GodH430 zijn!En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!
KJVSo that I come again1to my father's5house4in peace;2then shall the LORD7be my God:
1וְשַׁבְתִּ֥יH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2בְשָׁל֖וֹםH7965vrede, welstand, vredes[idiom] do, familiar, [idiom] fare, favour, [phrase] friend, [idiom] great, (good) health, ([idiom] perfect, such as be at) peace(-able, -ably), prosper(-ity, -ous), rest, safe(-ty), salute, welfare, ([idiom] all is, be) well, [idiom] wholly3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)5אָבִ֑יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'6וְהָיָ֧הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8לִ֖י9לֵאלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
22En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En dezeH2063steenH68, dienH834 ik tot een opgericht tekenH4676gezetH7760 heb, zal een huisH1004GodsH430wezenH1961, en van allesH3605, watH834 Gij mij gevenH5414 zult, zal ik U voorzekerH6237 de tiendenH6237 geven!En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!
KJVAnd this stone,1which I have set4for a pillar,5shall be God's8house:7and of all that thou shalt give11me I will surely13give the tenth
1וְהָאֶ֣בֶןH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)2הַזֹּ֗אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus3אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4שַׂ֨מְתִּי֙H7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work5מַצֵּבָ֔הH4676opgerichte beelden, opgericht teken, opgericht beeldgarrison, (standing) image, pillar6יִהְיֶ֖הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8אֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty9וְכֹל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11תִּתֶּןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield12לִ֔י13עַשֵּׂ֖רH6237vertienen, tienden, getrouwelijk[idiom] surely, give (take) the tenth, (have, take) tithe(-ing, -s), [idiom] truly14אֲעַשְּׂרֶ֥נּוּH6237vertienen, tienden, getrouwelijk[idiom] surely, give (take) the tenth, (have, take) tithe(-ing, -s), [idiom] truly15לָֽךְ
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 28:1— En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan.Genesis 24:3→Genesis 27:46→Genesis 26:34→Genesis 6:2→Genesis 49:28→Genesis 27:4→2 Korinthe 6:14→Genesis 48:15→
Genesis 28:2— Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuel, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.Genesis 25:20→Hosea 12:12→Genesis 28:5→Genesis 31:18→Genesis 24:50→Genesis 24:29→Genesis 22:20→Genesis 24:15→
Genesis 28:3— En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.Genesis 35:11→Genesis 48:3→Genesis 24:60→Genesis 9:1→Genesis 43:14→Psalmen 127:1→Exodus 6:3→Genesis 41:52→
Genesis 28:4— En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.Genesis 12:7→Psalmen 39:12→Psalmen 105:6→Genesis 13:14→Galaten 3:14→Genesis 12:1→Genesis 15:5→Genesis 15:18→
Genesis 28:6— Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan;Genesis 28:1→Genesis 27:33→
Genesis 28:7— En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;Efeze 6:1→Spreuken 30:17→Spreuken 1:8→Genesis 27:43→Kolossenzen 3:20→Exodus 20:12→Efeze 6:3→Leviticus 19:3→
Genesis 28:8— En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;Genesis 24:3→Genesis 26:34→1 Samuël 8:6→Genesis 28:1→
Genesis 28:9— Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth.Genesis 36:3→Genesis 25:13→Genesis 36:18→Genesis 26:34→Genesis 36:13→
Genesis 28:10— Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.Genesis 11:31→Handelingen 7:2→Handelingen 25:13→Genesis 32:10→Hosea 12:12→
Genesis 28:11— En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.Genesis 28:18→Genesis 31:46→2 Korinthe 1:5→Mattheüs 8:20→
Genesis 28:12— En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.Johannes 1:51→Numeri 12:6→Job 33:15→Genesis 20:3→Daniël 2:1→Genesis 20:6→Mattheüs 1:20→Hebreeën 1:1→
Genesis 28:13— En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.Genesis 13:15→Genesis 35:12→Genesis 48:3→Genesis 26:24→Genesis 35:1→Genesis 12:7→Genesis 32:9→Hebreeën 11:16→
Genesis 28:14— En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.Genesis 12:3→Genesis 13:14→Handelingen 3:25→Genesis 22:18→Genesis 18:18→Genesis 13:16→Genesis 26:4→Galaten 3:8→
Genesis 28:15— En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.Jozua 1:5→Jesaja 41:10→Deuteronomium 31:6→Genesis 26:24→Jeremia 1:19→Psalmen 121:5→Genesis 31:3→Hebreeën 13:5→
Genesis 28:16— Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!Jozua 5:15→Exodus 3:5→Jesaja 8:13→Exodus 15:11→Job 9:11→Psalmen 68:35→1 Samuël 3:4→Job 33:14→
Genesis 28:17— En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!Prediker 5:1→2 Kronieken 5:14→Exodus 3:6→Genesis 35:1→Lukas 2:9→1 Timotheüs 3:15→Richteren 13:22→Lukas 8:35→
Genesis 28:18— Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.Genesis 35:14→Genesis 31:13→Genesis 31:45→Numeri 7:1→1 Samuël 7:12→2 Samuël 18:18→Leviticus 8:10→Jozua 24:26→
Genesis 28:19— En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.Genesis 48:3→1 Koningen 12:29→Genesis 12:8→Hosea 12:4→Richteren 1:22→Hosea 4:15→Genesis 35:1→
Genesis 28:20— En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;2 Samuël 15:8→1 Timotheüs 6:8→Genesis 31:13→Psalmen 66:13→Handelingen 18:18→1 Samuël 1:28→Psalmen 61:8→Numeri 21:2→
Genesis 28:21— En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!Richteren 11:31→Deuteronomium 26:17→2 Samuël 15:8→2 Samuël 19:30→2 Samuël 19:24→Exodus 15:2→2 Koningen 5:17→
Genesis 28:22— En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!Genesis 14:20→Leviticus 27:30→Genesis 35:7→Genesis 12:8→Genesis 33:20→Deuteronomium 14:22→Genesis 28:17→Genesis 21:33→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 28 vers 1— En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan.
zegende
Dat is, den zegen, dien hij onwetend tevoren gegeven had, heeft hij nu wetens en willens, meer verlicht zijnde, bevestigd; wensende Jakob tevens geluk op zijn reis, gelijk Joz. 22:7.
Hertaald:zegende
Dat is: de zegen die hij eerder onbewust gegeven had, heeft hij nu bewust en gewild, beter ingelicht zijnde, bevestigd; en hij wenste Jakob tevens voorspoed op zijn reis, zoals in Joz. 22:7.
Genesis 28 vers 2— Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuel, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.
Paddan-Aram,
Zie boven, Gen. 25:20.
Hertaald:Paddan-Aram,
Zie Gen. 25:20.
Bethuël,
Zie boven, Gen. 25:22-23.
Hertaald:Bethuël,
Zie Gen. 25:22-23.
Genesis 28 vers 3— En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.
God
Zie boven, Gen. 17:1, en de aantekening.
Hertaald:God
Zie Gen. 17:1, en de aantekening.
Genesis 28 vers 4— En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
den zegen
Dat is, die Abraham beloofd is, boven, Gen. 12:3, Gen. 12:7, en Gen. 15:1, Gen. 15:4-5, Gen. 15:7 en Gen. 17:5-6, Gen. 17:8.
Hertaald:den zegen
Dat is: die aan Abraham beloofd is, Gen. 12:3, Gen. 12:7, en Gen. 15:1, Gen. 15:4-5, Gen. 15:7 en Gen. 17:5-6, Gen. 17:8.
uwer
Zie boven, Gen. 17:8.
Hertaald:uwer
Zie Gen. 17:8.
Genesis 28 vers 5— Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuel, den Syrier, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.
den Syriër,
Hebr. Arameër, of Aramieter.
Hertaald:den Syriër,
Hebreeuws: Arameeër, of Aramiet.
Genesis 28 vers 8— En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;
kwaad waren
Dat is, onaangenaam of mishagelijk waren; zie boven, Gen. 21:11.
Hertaald:kwaad waren
Dat is: onaangenaam of onwelgevallig waren; zie Gen. 21:11.
Genesis 28 vers 9— Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth.
tot Ismaël,
Dat is, tot Ismaels geslacht of nakomelingen; daar Ismael in deze tijd reeds overleden was, zoals sommigen afleiden uit Gen. 25:17.
Hertaald:tot Ismaël,
Dat is: tot Ismaëls geslacht of nakomelingen; want Ismaël was op dit moment al overleden, zoals sommigen afleiden uit Gen. 25:17.
boven zijn
Dat is, boven die vrouwen, welke hij tevoren had, die twee waren; boven, Gen. 26:34. Deze Mahalath was de derde. Het schijnt dat Ezau dit gedaan heeft, menende zijn vader te behagen, met een vrouw te nemen uit zijn geslacht.
Hertaald:boven zijn
Dat is: naast de vrouwen die hij al had, die er twee waren; Gen. 26:34. Deze Mahalath was de derde. Het lijkt erop dat Ezau dit gedaan heeft in de mening zijn vader te behagen door een vrouw uit diens geslacht te nemen.
Nebájoth.
Ismaels eerstgeboren zoon. Zie boven, Gen. 25:13.
Hertaald:Nebájoth.
Ismaëls eerstgeboren zoon. Zie Gen. 25:13.
Genesis 28 vers 10— Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.
Ber-séba,
Zie boven, Gen. 21:31.
Hertaald:Ber-séba,
Zie Gen. 21:31.
Genesis 28 vers 11— En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.
op een
Zie onder, vs.18.
Hertaald:op een
Zie vers 18.
van de
Dat is, een van de stenen, gelijk af te nemen is uit vs.18.
Hertaald:van de
Dat is: een van de stenen, zoals af te leiden is uit vers 18.
Genesis 28 vers 12— En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.
hij droomde;
Te weten, een droom, dien God buiten order hem toezond, om hem enige verborgen en heilige zaken te openbaren. Zie ook van zodanige goddelijke openbaring, boven, Gen. 20:3.
Hertaald:hij droomde;
Namelijk: een droom, die God hem op buitengewone wijze zond om hem enige verborgen en heilige zaken te openbaren. Zie ook over zo'n goddelijke openbaring Gen. 20:3.
opperste
Hebr. hoofd.
Hertaald:opperste
Hebreeuws: hoofd.
engelen
Versta hier, de goede, heilige engelen.
Hertaald:engelen
Versta hieronder: de goede, heilige engelen.
Genesis 28 vers 13— En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
Ik ben
Zie boven, vs.3,4.
Hertaald:Ik ben
Zie vers 3 en 4.
uw vader
Dat is, bestevaders of grootvaders.
Hertaald:uw vader
Dat is: voorvaders of grootvaders.
Genesis 28 vers 14— En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.
als het
Zie boven, Gen. 13:16.
Hertaald:als het
Zie Gen. 13:16.
gij zult
Dat is, krachtiglijk in korten tijd zeer vermenigvuldigd en uitgebreid worden. Alzo ook onder, Gen. 30:30; Jes. 54:3.
Hertaald:gij zult
Dat is: krachtig, in korte tijd zeer vermenigvuldigd en uitgebreid worden. Zo ook in Gen. 30:30; Jes. 54:3.
westwaarts
Hebr. zeewaarts, of naar de zee; zie boven, Gen. 12:8.
Hertaald:westwaarts
Hebreeuws: zeewaarts, of naar de zee; zie Gen. 12:8.
en in
Zie boven, Gen. 12:3, en Gen. 22:18.
Hertaald:en in
Zie Gen. 12:3, en Gen. 22:18.
Genesis 28 vers 15— En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.
Ik ben
Zie boven, Gen. 21:22, en Gen. 26:24.
Hertaald:Ik ben
Zie Gen. 21:22, en Gen. 26:24.
totdat Ik
Dat is, nimmermeer; zoals deze manier van spreken dikwijls gebruikt wordt; 2 Sam. 6:23; Matt. 1:25, en Matt. 18:34.
Hertaald:totdat Ik
Dat is: nimmermeer; zoals deze uitdrukking vaak gebruikt wordt; 2 Sam. 6:23; Matt. 1:25, en Matt. 18:34.
Genesis 28 vers 16— Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!
Gewisselijk
Te weten, op een bijzondere wijze, ten aanzien van de voorgaande openbaring; anderszins is God overal.
Hertaald:Gewisselijk
Namelijk: op een bijzondere wijze, met betrekking tot de voorgaande openbaring; overigens is God overal.
ik heb
Dat is, ik dacht tevoren niet dat mij hier zulk een goddelijke openbaring zou wedervaren.
Hertaald:ik heb
Dat is: ik dacht van tevoren niet dat mij hier zo'n goddelijke openbaring zou overkomen.
Genesis 28 vers 17— En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!
vreeslijk
Ten aanzien van de heerlijkheid der majesteit Gods, die hier op een bijzondere wijze aan Jakob vertoond was.
Hertaald:vreeslijk
Met het oog op de heerlijkheid van Gods majesteit, die hier op een bijzondere wijze aan Jakob getoond was.
een huis
Dat is, een plaats, waar God op een bijzondere manier woont, om de mensen door zijn openbaring aan te spreken, en om door hen aangesproken te worden, door hun gebeden en godsdiensten, die van hier, als door een poort, in den hemel opklimmen.
Hertaald:een huis
Dat is: een plaats waar God op een bijzondere manier woont, om de mensen door Zijn openbaring aan te spreken, en om door hen aangesproken te worden door hun gebeden en godsdienstoefeningen, die van hier, als door een poort, ten hemel opklimmen.
Genesis 28 vers 18— Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.
goot daar
Tot een teken dat hij dezen steen heiligde, om in het tegenwoordige zijn dankbaarheid jegens God te bewijzen, en in het toekomende een gedachtenis na te laten, dat God hem hier verschenen was.
Hertaald:goot daar
Als teken dat hij deze steen heiligde, om in het heden zijn dankbaarheid jegens God te tonen, en voor de toekomst een gedachtenis na te laten dat God hem hier verschenen was.
olie
Deze olie had hij tot zijn eigen nooddruft op de reis medegenomen, om die te gebruiken tot spijs en zalving, naar de gewoonte in die landen. De olie werd ook gebruikt in de offeranden, en wanneer men God iets heiligde. Zie Exo. 29.
Hertaald:olie
Deze olie had hij voor eigen gebruik op de reis meegenomen, om die te gebruiken als voedsel en voor zalving, naar de gewoonte in die landen. De olie werd ook gebruikt bij de offers, en wanneer men iets aan God heiligde. Zie Ex. 29.
boven op
Hebr. op zijn hoofd.
Hertaald:boven op
Hebreeuws: op zijn hoofd.
Genesis 28 vers 19— En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
Beth-El;
Dat is, een huis Gods. Zie boven, Gen. 12:8, en Gen. 13:3.
Hertaald:Beth-El;
Dat is: een huis van God. Zie Gen. 12:8, en Gen. 13:3.
Luz
Zie onder, Gen. 35:6, en Gen. 48:3.
Hertaald:Luz
Zie Gen. 35:6, en Gen. 48:3.
Genesis 28 vers 20— En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;
beloofde
Te weten, begerende van God enige weldaden, waarvoor hij zich verbond tot dankbaarheid.
Hertaald:beloofde
Namelijk: God om enkele weldaden vragend, waarvoor hij zich tot dankbaarheid verbond.
brood om
Zie boven, Gen. 3:19.
Hertaald:brood om
Zie Gen. 3:19.
Genesis 28 vers 21— En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!
in vrede
Verg. boven, Gen. 26:29.
Hertaald:in vrede
Vergelijk Gen. 26:29.
tot een
Dat is, ik zal hem geduriglijk voor den waren God en Zaligmaker erkennen en belijden; en tot dat einde den godsdienst instellen, gelijk volgt.
Hertaald:tot een
Dat is: ik zal Hem voortdurend als de ware God en Zaligmaker erkennen en belijden; en daartoe de eredienst instellen, zoals volgt.
Genesis 28 vers 22— En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!
zal een
Dat is, een plaats, welke ik heiligen zal tot den godsdienst voor mij en de mijnen. Verg. boven, vs.17, en zie de vervulling onder, Gen. 35:1, Gen. 35:3, Gen. 35:7.
Hertaald:zal een
Dat is: een plaats die ik zal heiligen voor de eredienst, voor mij en de mijnen. Vergelijk vers 17, en zie de vervulling in Gen. 35:1, Gen. 35:3, Gen. 35:7.
voorzeker
Hebr. ik zal tiendende tienen, dat is, zekerlijk de tienden geven; te weten, tot onderhouding van den godsdienst en tot oefening van alle weldadigheid aan de nooddruftigen. Verg. onder, Gen. 35:3, Gen. 35:7.
Hertaald:voorzeker
Hebreeuws: ik zal tienend tienen geven, dat is: zeker de tienden geven; namelijk voor het onderhoud van de eredienst en voor het beoefenen van weldadigheid aan de behoeftigen. Vergelijk Gen. 35:3, Gen. 35:7.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Abram — verheven vader
De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5).
Haran — bergbewoner
Een zoon van Terah en broer van Abram en Nahor, vader van Lot (Gen. 11:27-28). Hij stierf al vóór zijn vader Terah, in zijn geboortestad Ur der Chaldeeën, en liet zijn zoon Lot achter.
Ismaël — God hoort
De zoon van Abram en Hagar, geboren toen Abram zesentachtig jaar oud was (Gen. 16:15-16). Zijn naam verwijst naar de woorden van de Engel tot Hagar: 'de HEERE heeft uw verdrukking aangehoord.' Hij groeide op als een 'woudezel van een mens', werd op dertienjarige leeftijd besneden (Gen. 17:25), en werd, na de geboorte van Izak, met zijn moeder weggezonden. Hij vestigde zich in de woestijn Paran en werd de stamvader van twaalf vorsten, de Ismaëlieten.
Izak — lachen, gelach
De zoon van Abraham en Sara, geboren toen Abraham honderd jaar oud was, precies zoals de HEERE beloofd had (Gen. 21:1-5). Zijn naam herinnert aan het ongelovige lachen van zowel Abraham (Gen. 17:17) als Sara (Gen. 18:12) toen hun deze geboorte was aangekondigd, en later aan Sara's vreugdevolle lach (Gen. 21:6). Als het kind der belofte is Izak in het Nieuwe Testament een voorafbeelding van de gelovigen, 'kinderen der belofte' (Gal. 4:28), en zijn beoogde offering op de berg Moria (Gen. 22) een beeld van de opoffering van Gods eigen Zoon.
Bethuel — man Gods, of: verwoester Gods
Een zoon van Nahor, Abrahams broer, en Milka, genoemd in de lijst van Nahors nageslacht (Gen. 22:20-23). Hij werd de vader van Laban en Rebekka, en daarmee de schoonvader van Izak.
Rebekka — een strik, of: gebonden schoonheid
De dochter van Bethuel, hier voor het eerst genoemd in de geslachtslijst van Nahor (Gen. 22:23), en later, in Gen. 24, door Abrahams knecht bij de put gevonden en tot vrouw van Izak gemaakt. Zij zou de moeder worden van Ezau en Jakob, en toonde een sterke wil die haar zachtaardige man vaak overvleugelde, onder meer bij het verkrijgen van de zegen voor Jakob (Gen. 27).
Laban — wit
De zoon van Bethuel en broer van Rebekka (Gen. 24:29). Hij woonde te Haran in Mesopotamië. Later, wanneer zijn neef Jakob bij hem zijn toevlucht zoekt, blijkt Laban een sluw en berekenend man: hij laat Jakob eerst met Lea trouwen in plaats van de beloofde Rachel, en verandert herhaaldelijk Jakobs loon (Gen. 29-31).
Ezau — harig, ruig
De eerstgeboren tweelingzoon van Izak en Rebekka, rossig en over zijn hele lichaam behaard geboren, waaraan hij zijn naam ontleent (Gen. 25:25). Hij werd een ervaren jager en een man van het veld, en verkocht in een ogenblik van honger zijn eerstgeboorterecht aan zijn broer Jakob voor een schotel linzenmoes. Hij werd de stamvader van de Edomieten.
Jakob — hielenlichter, bedrieger
De tweede tweelingzoon van Izak en Rebekka, geboren terwijl hij de hiel van zijn broer Ezau vasthield, waaraan zijn naam is ontleend (Gen. 25:26). Hij verwierf sluw het eerstgeboorterecht en later, met hulp van zijn moeder, ook de zegen van zijn vader. Later zou God zijn naam veranderen in Israël (Gen. 32:28), en uit zijn twaalf zonen zouden de twaalf stammen van Israël voortkomen.
Kanaän — onderworpene, vernederde
De jongste zoon van Cham en kleinzoon van Noach (Gen. 9:18, 22). Om de zonde van zijn vader Cham tegenover Noach werd niet Cham, maar Kanaän door Noach vervloekt: 'een knecht der knechten zij hij zijn broederen.' Naar hem is het land Kanaän genoemd, dat later door de Israëlieten in bezit genomen zou worden.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Haran — Assyrisch-Babylonisch Charran, "weg" — mogelijk omdat hier de handelsroute van Damaskus samenkwam met die van Ninevé naar Karkemis
Ligging: Vertegenwoordigd door het huidige Charran (Harran), ten zuidoosten van Edessa, aan de rivier de Belias (Balikh), een zijrivier van de Eufraat. De ruïnes liggen aan weerszijden van de rivier.
Geschiedenis: De stad waar Terach zich vestigde na zijn vertrek uit Ur (Gen. 11:31v), en vanwaar Abram zijn pelgrimstocht naar Kanaän begon (Gen. 12:1v). Waarschijnlijk "de stad van Nahor" waar Abrahams knecht kwam om een vrouw voor Izak te zoeken (Gen. 24:10v). Hierheen vluchtte ook Jakob voor de toorn van Ezau (Gen. 27:43); hier ontmoette hij zijn bruid en hoedde hij de kudden van Laban. Van oudsher een zetel van de verering van de maangod Sin; er stond een tempel, gebouwd door Salmaneser II en later hersteld door Assurbanipal, die hier gekroond werd met "de kroon van Sin". Bij Haran versloegen de Parthen Crassus (53 v.Chr.); hier werd Caracalla vermoord (217 n.Chr.).
Bijbelse betekenis: Het laatste station voordat Abrams geloofsreis naar het beloofde land werkelijk begon — de plek van vertrek, niet van bestemming.
Archeologie: Bij het huidige Harran (Zuidoost-Turkije) zijn de resten van een zeer oud, uit grote basaltblokken opgetrokken kasteel opgegraven, met vierkante, ruim twee meter dikke zuilen die een gewelfd dak van zo'n negen meter hoog dragen; ook resten van een oude kathedraal zijn zichtbaar. Een bron in de buurt wordt van oudsher geïdentificeerd als de plaats waar Eliëzer Rebekka ontmoette.
Beth-El — "huis van God" — de naam die Jakob aan de plaats gaf na zijn droom van de ladder (Gen. 28:19); de oorspronkelijke naam van de stad was Luz
Ligging: Gelegen ten westen van Ai (Gen. 12:8), op de noordgrens van Benjamin (de zuidgrens van Efraïm), aan de top van de weg die vanuit de Jordaanvallei via Ai omhoogloopt. Vertegenwoordigd door het huidige Beitin, circa twintig kilometer ten noorden van Jeruzalem, aan de weg naar Nablus. Er zijn vier bronnen die goed water leveren; in de oudheid werd dit aangevuld met een in de rots uitgehouwen waterbekken.
Geschiedenis: Abram sloeg hier zijn tent op tussen Beth-el en Ai en bouwde er een altaar (Gen. 12:8; 13:3v). Beth-El was een koninklijke stad van de Kanaänieten (Joz. 12:16), werd door Jozua veroverd (Joz. 8) en aan Benjamin toegewezen (Joz. 18:22). Later maakte koning Jerobeam het tot koninklijk heiligdom en religieus centrum van het tienstammenrijk (1 Kon. 12:29v), waar hij een van de gouden kalveren plaatste. Tegen de afgodische uitspattingen die zich daar ontwikkelden, spraken de profeten Amos en Hosea felle oordeelswoorden uit; Hosea noemt de plaats spottend Beth-Aven ("huis van onheil") in plaats van Beth-El.
Bijbelse betekenis: De plaats van Jakobs droom van de ladder tot in de hemel en van Gods verbondsbelofte aan hem (Gen. 28); later, door Jerobeams afgodische kalverdienst, een symbool van geestelijk verval.
Archeologie: Bij het huidige Beitin zijn opgravingen gedaan die muren en gebouwen van het oude Beth-El hebben blootgelegd, al is een deel van de vindplaats sindsdien weer overbouwd door het moderne dorp.
Beër-Seba — meest waarschijnlijk "put van de eed" (van het Hebreeuwse sjaba, "zweren"); minder waarschijnlijk "put van zeven", naar de zeven ooilammeren die Abraham als getuigenis bij de eed aan Abimelech gaf (Gen. 21:28-31)
Ligging: Gelegen aan de zuidgrens van Juda, op de rand van het bebouwde land, circa 45 kilometer ten zuidwesten van Hebron. Het huidige Bir es-Seba, waar meerdere oude putten zijn teruggevonden; de oudtestamentische stad zelf lag waarschijnlijk enkele kilometers oostelijker, bij het huidige Tell es-Seba.
Geschiedenis: Hier sloten Abraham en Abimelech, koning van Gerar, een verbond nadat er onenigheid was ontstaan over een door Abimelechs knechten met geweld in bezit genomen waterput; Abraham gaf zeven ooilammeren ten teken van het verbond en plantte er een tamarisk, en riep er de Naam van de HEERE, de eeuwige God, aan (Gen. 21:22-33). Later verscheen de HEERE hier ook aan Izak (Gen. 26:23-25) en aan Jakob, op weg naar Egypte (Gen. 46:1-5); ook aan Hagar verscheen hier een Godsopenbaring toen zij met Ismaël bijna van dorst omkwam (Gen. 21:14-19).
Bijbelse betekenis: Een heiligdom waar herhaaldelijk, over drie generaties aartsvaders heen, de HEERE Zich aan Zijn volk openbaarde en Zijn verbond bevestigde; later spreekwoordelijk als zuidelijk grenspunt van het beloofde land in de uitdrukking "van Dan tot Beër-Seba".
Archeologie: Bij het huidige Tell es-Seba zijn opgravingen gedaan naar de resten van de oudtestamentische stad; verschillende oude waterputten in de omgeving worden van oudsher met Abrahams put in verband gebracht.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Ladder van Jakob
Op de vlucht voor Ezau overnachtte Jakob te Bethel, en zag in een droom een ladder die op de aarde stond en waarvan de top tot in de hemel reikte, met engelen Gods die daarop opklommen en neerdaalden. Bovenaan stond de HEERE Zelf, Die hem daar Zijn verbondsbeloften bevestigde (Gen. 28:10-15). Jakob ontwaakte en zei: "Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels" (Gen. 28:16-17).
Bijbelse betekenis: De ladder verbeeldt een open, levende verbinding tussen hemel en aarde, tussen God en de mens. Zij werd juist aan Jakob gegeven op een moment van vlucht en onzekerheid, ten bewijze dat Gods verbondstrouw niet afhankelijk is van de omstandigheden van de mens.
Typologie: Christus wijst rechtstreeks naar deze geschiedenis wanneer Hij tegen Nathanaël zegt: "Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen" (Joh. 1:51) — Hijzelf is de werkelijkheid waarvan Jakobs ladder het beeld was: de enige, ware verbinding tussen God en de mens.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
God bij Zijn volkniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toefunctie
De ladder van Bethel — 28:10-22
Jakob is op de vlucht voor zijn broer, met de zegen die hij door bedrog verkreeg. Hij verdient niets, en juist daar verschijnt God hem.
Jakob ziet een ladder die hemel en aarde verbindt; Jezus past dat beeld op Zichzelf toe.
Jakob is op de vlucht. Hij heeft de zegen verkregen door zijn blinde vader te bedriegen, zijn broer wil hem doden, en hij ligt ergens onderweg met een steen als hoofdkussen. Er is niets aan hem dat een openbaring verdient.
En juist daar droomt hij van een ladder die op de aarde staat en waarvan het opperste aan de hemel raakt, met de engelen Gods die daarbij opklimmen en nederdalen. De kanttekening zegt nadrukkelijk dat dit een droom was die God hem op buitengewone wijze zond om verborgen en heilige zaken te openbaren.
Merk op in welke richting het gaat: eerst opklimmen, dan nederdalen. De verbinding begint dus niet beneden maar boven; het verkeer tussen hemel en aarde is er al voordat Jakob ervan weet.
Als hij ontwaakt zegt hij: dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels. De kanttekening legt uit wat hij daarmee bedoelt: een plaats waar God op bijzondere wijze woont, om de mensen door Zijn openbaring aan te spreken en door hun gebeden aangesproken te worden — gebeden die van hier, als door een poort, ten hemel opklimmen.
Eeuwen later staat Christus onder een vijgenboom te praten met een man in wie geen bedrog is — het tegendeel van Jakob — en zegt tegen hem: gij zult den hemel geopend zien, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen. Hij haalt Jakobs droom aan en zet Zichzelf op de plaats van de ladder.
Daarmee is de poort des hemels geen plaats meer en geen gebouw. Bethel betekent huis Gods, maar het huis is een Persoon geworden. Wie vraagt hoe men bij God komt, krijgt sindsdien geen adres maar een Naam: Ik ben de Weg.
Genesis 28:12 — Een ladder van de aarde tot de hemel, met engelen die opklimmen.
Genesis 28:17 — Dit is een huis Gods en de poort des hemels.
Johannes 1:51 — Christus past het beeld op Zichzelf toe: op den Zoon des mensen.
Johannes 14:6 — Ik ben de Weg; niemand komt tot den Vader dan door Mij.
1 Timotheüs 2:5 — Eén Middelaar tussen God en mensen.
In het Nieuwe Testament: Johannes 1:51; Johannes 14:6; 1 Timotheüs 2:5
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Genesis 28:15.KruisverwijzingenJozua 1:5→Jesaja 41:10→Deuteronomium 31:6→Genesis 26:24→Jeremia 1:19→Psalmen 121:5→Genesis 31:3→Hebreeën 13:5→ — En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. “Ik ben met u.” Deze genade drong tot Jakob door op een moment waarop hij haar het hardst nodig had. Hij had zojuist het huis van zijn vader verlaten en voelde zich eenzaam. Hij stond aan het begin van een periode van zware beproeving, en juist toen kreeg hij een dieper inzicht in het voorrecht dat God voor hem had weggelegd.
Ik heb geprobeerd de diepte van deze woorden te peilen om ze te kunnen uitleggen, maar zij zijn te rijk aan betekenis. Wie kan hun hoogte en diepte, hun lengte en breedte meten? Dat God Jakob brood te eten en kleding om aan te trekken zou geven, was een grote zegen, maar dat is niets vergeleken met: “Ik ben met u.” Dat God Zijn engel zou zenden om Jakob te beschermen, zou al veel zijn geweest, maar ook dat verbleekt bij deze belofte: “Ik ben met u.”
Wanneer God met iemand is, schenkt Hij een gemeenschap die alle woorden te boven gaat. Deze belofte waarborgt Zijn oneindige liefde. God woont niet bij hen die Hij haat. De goddelozen verwijdert Hij van de aarde als slakken. Tegen hen zegt Hij: “Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend.” Maar tot ieder van Zijn volk zegt Hij: “Ik ken u bij uw naam; u bent van Mij. En meer nog: Ik ben met u.”
Zoals een mens er vreugde in vindt om bij een vriend te zijn, zo vindt Christus Zijn vreugde in de mensenkinderen die Hij heeft uitverkoren en met Zijn bloed heeft verlost. “Ik ben met u” betekent ook daadwerkelijke hulp. Wat wij ook ondernemen, God is met ons in dat werk. Wat wij ook moeten verdragen, God is met ons in ons lijden. Waarheen wij ook gaan, God is met ons op al onze wegen.
Genesis 28:16.KruisverwijzingenJozua 5:15→Exodus 3:5→Jesaja 8:13→Exodus 15:11→Job 9:11→Psalmen 68:35→1 Samuël 3:4→Job 33:14→ — Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten! “Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten.” De heidense volken onder wie Jakob leefde, geloofden dat hun goden slechts over een bepaald gebied macht hadden. De god van Gaza was niet de god van Askelon; de god van Beër-Seba zou niet de god van Bethel zijn (zie 1 Koningen 20:28). Het is mogelijk dat Jakob door zijn omgang met de heidenen niet meer zo helder voor ogen had dat de God van zijn vader geheel anders was dan hun afgoden. Toen hij het huis van zijn vader verliet, heeft hij misschien gevreesd dat hij ook de God van zijn vader achterliet, dat zijn gebeden nauwelijks meer gehoord zouden worden, dat hij als vreemdeling zou leven buiten het land van de HEERE en afgesneden zou zijn van de gemeenschap van de gezegenden.
Maar de ontfermende God was hem gevolgd, ook toen Jakob niet wist dat God daar was. Hoe welkom moet die droom voor hem zijn geweest, waarin hij de verzekering ontving dat de vleugels van de HEERE zijn stenen rustplaats evenzeer overschaduwden als zij zijn zachtere legerstede in de tent van Isaak hadden beschermd. Deze waarheid overviel hem als iets geheel nieuws, maar zij moet hem diepe troost hebben geschonken. “Zeker,” zei hij, terwijl zijn ogen werden geopend voor een nieuw licht, alsof de nacht van zijn benauwdheid voorbij was en de dag van het vertrouwen was aangebroken.
1. 1) En Izaak riep Jakob, en zegende 2) hem, om nu de zegen te bevestigen, die hij hem vroeger tegen zijn wil gegeven had; en daar hij hem nu uitdrukkelijk als de stamhouder van de lijn van de belofte erkende, gebood hij hem, en zei tot hem: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.
1) Het ware beter geweest, indien men dit hoofdstuk had laten beginnen met vs.42 van het vorige.
2) Izaak zegent Jakob opnieuw, niet omdat de vorige van geen kracht was, maar tot bevestiging ervan. Daaraan had Jakob grote behoefte. Als de mond Gods handelt Izaak hier. Gelijk de Heere vroeger aan Abraham telkens zijn zegeningen bevestigd had op onmiddellijke wijze, alzo doet Hij hier door de mond van Izaak.
2. Maak u op, 1) ga naar Paddan Aram, ten huize van Bethuël, 2) de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochters van Laban, de broeder van uw moeder.
1) Hoe wordt het hier nu duidelijk, dat Gods raad wordt uitgevoerd en dat menselijke zonden en dwaasheden ook daartoe moeten dienen! Want het bleek duidelijk, dat het Gods wil was, dat Jakob van Ezau zou worden afgescheiden, een tijdlang afgezonderd, opdat hij zou leren een vreemdeling en bijwoner te zijn, maar ook opdat hij als vrije gift van God het land zou ontvangen. En nu moeten menselijke middelen meewerken, opdat dit doel zal bereikt worden. De zorgen voor een vrouw uit het geslacht van Sem en de vrees voor Ezau’s wraak, moeten meewerken, opdat Gods wil, die altijd heilig is en goed, worde vervuld.
2) Daar Bethuël nog leeft, wordt hij genoemd, omdat, zolang de oudste van het gezin nog in leven was, deze het oppergezag bekleedde. Daarom dat niet zelden zelfs vaders nog jongelingen genoemd worden.
3. En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij in uw nakomelingschap tot een hoop volken wordt.
Nu volgt de zegening, welke in woorden enigszins van de eerste verschilt, maar waarvan het doel hetzelfde is. Vooreerst wenst hij, dat Jakob door God gezegend wordt, dat is, vermeerdere, zich uitbreide in zijn geslacht; dat hij worde tot een menigte van volken, d.i. dat hij vele volken verwekke, die in één lichaam, onder hetzelfde hoofd, verenigd zijn. Alsof hij gezegd heeft: Verschillende volken mogen uit u ontstaan, die één volk uitmaken. En dit is gedeeltelijk wel vervuld, toen Mozes het volk in dertien klassen verdeelde.
4. En Hij geve u ook in al het overige de zegen van Abraham a) aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
a) Genesis 12:2,3; 13:15; 15:18; 24:7; 26:3, Deuteronomium. 34:4 Hand.7:5
Hoe blijkt uit deze woorden het vast onwrikbaar geloof in de beloften van God, God heeft dit land beloofd aan zijn knecht Abraham. God zal zijn belofte vervullen. De grijze Izaak wordt hier profeet van de allerhoogste.
5. Alzo zond Izaak Jakob weg, 1) dat hij wel zonder geleide, maar toch met de zegen van de vader toog naar Paddan-Aram, tot Laban, de zoon van Bethuël, de Syriër, of Arameër (hoofdstuk. 25:20) de broeder van Rebekka, 2) Jakob’s en Ezau’s moeder.
1) Jakob wordt uit Izaak’s huis weggezonden, om hem, naar Gods bestel, af te zonderen van Ezau. Ismaël daarentegen werd uit Abraham’s huis weggezonden. Hoe blijkt hier de wijsheid van God! De stille Izaak kan niet verdragen, wat de meer sterke Jakob wel kan. God handelt altijd met zijn volk naar toestand en behoeften.
2) Deze was, toen Jakob na twintig jaar terugkeerde, reeds gestorven. (Genesis 35:27 vv.)
Zij zag dus haar zoon nimmermeer. Dit was de goddelijke straf voor haar zonde. God de Heere rekent hier op aarde met zijn kinderen af.
Ouders kunnen hun kinderen niets beters op hun reis meegeven, dan de Christelijke zegenwens.
IV. Gen. 28 vers 6-9
Ezau neemt nog een derde vrouw uit het geslacht van Ismaël, om zijn vader genoegen te doen, die ontevreden is over de twee Kanaänitische vrouwen.
6. Als nu Ezau zag, dat Izaak Jakob gezegend had, hem de zegen, die hij door bedrog verkregen had, niet had ontnomen, maar integendeel bevestigd (vs.3,4), en dat hij hem naar Paddan-Aram weggezonden had; om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende dat hij hem geboden had zeggende: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.
7. En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Mesopotamië, naar Paddan-Aram getrokken was; 1)
1) Zeker heeft Ezau dit uit de mond van Izaak zelf vernomen, die hem daarbij ook zijn ongenoegen over die Kanaänitische vrouwen zal te kennen gegeven hebben. (vs.8).
8. En dat Ezau zag, daar de ouders zich steeds op een meer verwijderd standpunt van zijn vrouwen plaatsten, dat de dochters van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izaak, zijn vader, om zijn moeder bekommerde hij zich niet (hoofdstuk. 27:41); zijn vader had hij gaarne gunstiger voor zich gestemd gezien.
9. Zo ging Ezau, zo geheel het beeld van een onbekeerde, natuurlijke mens die zijn misslagen op zijn wijze en in eigen kracht weer wil goedmaken, maar daarbij opnieuw een verkeerde weg inslaat, tot het geslacht van Ismaël (Ismaël zelf was reeds 14 jaar geleden gestorven, hoofdstuk. 25:17 ) en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen (Judith en Basma in hoofdstuk. 26:34 of, gelijk zij in hoofdstuk. 36:2 genoemd worden, Aholibama en Ada), Mahalath (zij heeft gezongen), in hoofdstuk. 36:3 Basmath genoemd, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth (hoofdstuk. 25:13) (verhevene plaatsen). 1) Ezau meende wellicht, dat hij nu veel meer dan zijn broeder voor zich had; nu had hij een vrouw uit de familie van zijn vader, terwijl Jakob een van zijn moeders betrekkingen wilde nemen. Hij bedacht echter niet, dat hij zich hierdoor des te verder van de belofte verwijderde, daar Ismaël reeds uitgesloten was. (hoofdstuk. 21:10).
1) Menig mens wil, wanneer hij in angst of doodsgevaar verkeert, op een gelijke wijze zijn ziel door uitwendige werken, die hij van vrome Christenen afgezien heeft, bijv. door bidden, lezen, kerkgang, avondmaal, erflatingen enz. redden en helpen; maar, zolang het hart niet veranderd is, zolang men geen genade in het bloed van Jezus door het geloof verkregen heeft, blijft men onder de vloek liggen, en gaat men onder deze het eeuwig verderf tegemoet.
Zo treffen natuurlijke mensen, als zij God en mensen beledigd hebben, nooit de rechte middelen, om hen met zich te verzoenen.
Ezau meende hiermee de gunst van de vader te zullen herwinnen, maar berekent niet, dat hij daardoor nog meer dan hij gedaan heeft, tegen de goddelijke wetten zondigt. De polygamie was een schending van het huwelijk en zonde tegen Gods wet.
V. Gen. 28 vers 10-22
Op zijn reis naar Haran, nog midden in Kanaän zich bevindende, overnacht Jakob in het open veld, en heeft hier het veelbetekenend droomgezicht van de ladder. God Zelf geeft hem de zegen van Abraham en belooft hem nog, hem te zullen behoeden op al zijn wegen, en ter rechter tijd in het land terug te brengen, dat hij nu gaat verlaten. Jakob gevoelt bij zijn ontwaken, ontzetting over de ondervonden nabijheid Gods; heiligt de steen, waarop zijn hoofd heeft gelegen; geeft aan de plaats, waar de openbaring hem ten deel geworden is, een veelbetekenende naam en verbindt zich tot de dienst des Heren.
10. Jakob dan, nadat zijn vader hem gezegend had, toog uit 1) van Berséba, waar Izaak toen woonde (hoofdstuk. 26:33 vv.), en ging naar Haran. 2)
1) In het verband van deze geschiedenis is dit voornamelijk op te merken, hoe in de persoon van één mens, God Zijn Kerk heeft beveiligd. Want Izaak, wegens zijn ouderdom, lag daar als een dode tronk. En ofschoon in zijn binnenste nog een levende wortel school, zo bleef echter ten opzichte van hem, wegens zijn verzwakte en vergrijsde leeftijd, geen hoop op meer nakomelingschap over. Ezau was wel gelijk aan een bloeiende en krachtige tak en had de meeste vertoning en sierlijkheid, maar die kracht was slechts tijdelijk, voor deze aarde. Jakob werd als een afgesneden tak naar een ver verwijderd land gevoerd, niet opdat hij daar als een ingeënte en geplante kracht, grootheid zou zoeken, maar besproeid met goddelijke besproeiing niet anders dan in vermogen zou uitspruiten. Op verwonderlijke wijze beschermt hem de Heere en zendt hem kracht toe, totdat Hij hem weer naar het huis van zijn vader terugbrenge. Ondertussen zullen de lezers kunnen opmerken, dat, terwijl hij zelf als de gezegende van God in ballingschap wordt gezonden, de verworpen Ezau stof wordt gegeven om te roemen, daar aan hem de onbeheerde bezitting wordt overgelaten, opdat hij, zonder mededinger, ongedeerd zou kunnen regeren. Opdat wij er ons niet over verbazen, indien soms de goddelozen, als het ware, hun wensen vervuld krijgen, op hun overwinningen, stoffen, terwijl zij ons verdrukken.
2) De plaats, waar Abraham een tijd lang gewoond had, en waar nu Laban woonde.
1. Zo had Jakob het vaderhuis met de openbaringen en de verering van de enige ware God achter zich, de eenzaamheid om zich, de gedachte, die hem beschuldigde, in zich, en een donkere toekomst voor zich. En hij geraakte, na ongeveer drie of vier dagreizen (hfd.22:4), op een plaats, in de nabijheid van de stad Luz (vs.19), enige mijlen noordelijk van Jeruzalem, waar hij vernachtte, gelijk de reizigers in het Oosten dit zelden op het open veld doen, want de zon was ondergegaan, en alzo kon hij de stad niet meer bereiken, en hij nam een van de stenen van die plaats, en maakte zijn hoofdkussen, 1) en legde zich te slapen2) op dezelfde plaats.
1) Met weinige woorden meldt de Schrift de lange reis van Jakob van Berséba naar Haran. Die korte mededeling is wederom bewijs voor de waarheid van hetgeen ons hier gemeld wordt. Overigens, welk een verschil voor de zoon van de rijke herdersvorst tussen het verblijf in de vaderlijke tent en nu in het vrije veld! Een steen zijn hoofdkussen en de blote hemel boven hem, zonder enige beschutting!.
2) Uit de grondtekst blijkt, vooral door de keuze van de woorden, dat de aartsvader zich ook nu volkomen veilig voelde in het eenzame veld. In het vertrouwen op de Heere, zijn God, legt hij zich rustig neer om te slapen. De droom, die hij droomt, getuigt ervan.
Niet elke slaap is een teken van rust en vrede. Jona, vluchtend voor Gods aangezicht, sliep temidden van de storm (Jona 1:5); de discipelen des Heren waren in slaap gevallen van droefheid. (Luk. 22:45).
12. En hij droomde 1) door bijzondere besturing van God, nadat hij onder veel vrees en ontroering ingeslapen was; en ziet; dit was de droom, die hij had; hij zag, als teken van het goddelijk verbond, dat een brug stelt tussen het arme, hulpeloze mensenkind hier beneden en de zalige hemel daarboven, dat een ladder 2) was gesteld op de aarde, waarvan de top aan de hemel raakte; en ziet, de a) engelen Gods, als tekenen van trouw, onafgebroken zorg van de Verbondsgod voor zijn uitverkoren knecht, klommen daarbij op en neer, 3) zijn zuchten en benauwdheden naar boven dragende, en van boven hulp en sterkte hem brengende.
a) Joh.1:52
1) Hier leert Mozes, hoe de Heere Zijn knecht ter gelegener tijd, ja, op (zoals men zegt) het juiste, beslissende tijdstip te hulp komt. Want wie zou niet gezegd hebben, dat de heilige Jakob door God verlaten was, blootgesteld aan de aanvallen van wilde dieren en overgegeven aan alle ongenegen van de hemel en de aarde, nergens hulp en troost kunnende vinden? Maar toen hij in de uiterste nood was gebracht, greep de Heere hem plotseling bij de hand en hief op wonderbaarlijke wijze zijn bezwaren op, door een duidelijke Godsspraak. Zoals dus vroeger zijn onverwinnelijke volharding uitblonk, zo gaf de Heere nu ook een merkwaardig voorbeeld van Zijn Vaderlijke zorg jegens Zijn gelovigen. Doch drie zaken zijn hier op te merken. Vooreerst, dat de Heere zelf Jakob in de droom verscheen. Vervolgens, het soort van gezicht, wat door Mozes wordt beschreven, en ten derde, de woorden van de Godsspraak.
Wij worden hier voor het eerst bekend gemaakt met “de droom” als vorm van Godsopenbaring (Numeri. 12:6), welk niet op een en dezelfde lijn staat met het nachtgezicht van Abraham. De droom staat niet buiten het gebied van het zielenleven, maar staat er zielkundig mee in verband. Het droomgezicht, hetwelk aan Jakob, later aan Jozef, Farao en anderen geschonken werd, is echter op bijzondere wijze gewrocht door God, om daarmee of de persoon van de gelovige, zoals hier, te sterken, of de persoon, aan wie het geschonken werd, de toekomst te ontsluieren. Of zulk een droomgezicht ook zodanig met het zielenleven van de persoon in verband staat, dat een Farao, als zorgend koning, juist daarom die dromen droomt, valt te betwijfelen. Wij keren de orde liever om.
2) Wat betekende die “ladder, gesteld op de aarde, waarvan de top aan de hemel reikte?” Ontegenzeglijk was zij een beeld van Gods onafgebroken gemeenschap met de gelovige hier op aarde, maar daarom ook symbool van de Middelaar van God en van de mensen, die hemel en aarde verbindt, door Wie de volheid van Gods genade tot Zijn gelovigen afvloeit en de gelovige met zijn God wordt verenigd. Een dubbele bedoeling dus: zowel om de aartsvader te sterken en te bemoedigen in de strijd van het leven, die hem wachtte, als ook om aan hem het eeuwig verbond van de genade te bezegelen. Door Christus is het verworven, dat de Engelen van God ten dienste worden uitgezonden diegenen, die de zaligheid beërven zullen. Tot Nathanaël zegt de Heere het zelf, hoe Hij zelf de ladder is, de weg van de gemeenschap tussen hemel en aarde. (Johannes 1:51).
3) Op en neer.” Het is, opdat Jakob zou weten, dat zij als dienstknechten van God zijn behoeften en noden uit de volheid van God zouden vervullen, dat zij hem altijd zouden omringen met hun bescherming.
De Engelen dalen niet voor het eerst neer; zij zijn reeds op aarde; zij waren bij Jakob reeds gedurende zijn gehele leven geweest; zij hadden zijn zonden gezien en brachten, ondanks deze hem de zegeningen van de vrije genade van God.
De regenboog sprak in een vluchtige kleurenglans uit, dat de heerlijkheid en de goedheid van God uit de hemel over de aarde zich uitstrekt; de hemel-ladder spreekt meer bepaald van de vereniging en het levendig verkeer tussen hemel en aarde. De hemel-ladder van boven naar beneden betekent de openbaringen, woorden en beloften van God; de hemel-ladder van beneden naar boven het geloof, de zuchten, de schuldbelijdenis en de gebeden. De op en neer bewegende Engelen zijn de boden en de tekenen van een persoonlijk verkeer tussen Jehova en de Zijnen.
“Wie is gelijk de Heere, onze God? die zeer hoog woont, die zeer laag ziet, in de hemel en op de aarde.” (Psalm. 113:5,6). Treffende gedachte, veelbetekenende voorstelling. Gods alom tegenwoordigheid, Gods voorzienigheid, Zijn grootheid en Zijn goedheid in één adem genoemd. Zo kent hij, die door de heilige mannen Gods onderwezen is, de God van de hemel en de aarde, aan wie niemand gelijk is. Gezeteld boven de sterren, die Hij allen bij name oproept, zodat geen van haar gemist wordt, en tegelijk Zijn milde hand openende om al wat op aarde leeft, te verzadigen. Met majesteit en heerlijkheid bekleed, het ontoegankelijk licht bewonende, en de wind verzachtende voor het geschoren lam. Niets zo machtig, dat het Zijn macht weerstaat, niets zo gering, dat het aan Zijn aandacht ontsnappen zou. Niets zo luisterrijk in alle hemelen, dat bij Zijn luister niet in het duister wegzinkt; niets zo onaanzienlijk, dat Hij het niet zou willen aanzien, ja kweken, ja koesteren.
13. En ziet de HEERE stond 1) op dezelfde ladder, en zei, Zijn verbond met Abraham en Izaak en de aan deze gegeven beloften nu plechtig aan hem bevestigende: Ik a) ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izaak; 2) dit land, waarop gij ligt te slapen, b) zal Ik aan u geven en aan uw zaad. 3)
a) Genesis 35:1,3; 48:3 b) Deuteronomium. 12:20; 19:8
Het droomgezicht is van zo grote betekenis, dat de verhaler het met een driemaal herhaald: “en ziet” inleidt.
1) In het Hebreeuws Nidzaav. “Stond recht op” in de zin van: stond ten dienste als vrijwilliger. Jakob zag hier de Heere staan, gelijk Stefanus, eeuwen daarna, de Zoon des mensen zag staan tot zijn hulp gereed. De Hebreeuwse uitdrukking wil dan ook niets minder zeggen, dan dat Jakob de Heere zag staan in een gestalte, die hem duidelijk toonde, dat Hij zijn helper en beschermer zou zijn.
2) Niet zonder reden, noemt de Heere zich hier de God van Abraham en Izaak. In dat: “Ik ben de Heere” lag voor Jakob iets majestueus, maar door de bijvoeging moet Jakob weten, dat die Majestueuze God de God is, welke zijn vaderen Abraham en Izaak omringd heeft met Zijn gunst en goedertierenheid.
3) Wij merken op, dat het zaad van Jakob hier aan de overige kinderen van Abraham wordt tegenovergesteld, die naar het vlees uit hem hun geslacht afleiden, maar afgesneden waren van het heilig geslacht.
14. En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts en noordwaarts en zuidwaarts; 1) en a) in u en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. 2)
a) Genesis 12:3; 18:18; 22:18; 26:4.
1) Aan Jakob wordt hier dezelfde belofte gedaan als aan Abraham, en al zijn de omstandigheden niet volkomen dezelfde; toch in wezen wel. Want ook Jakob is een eenzame, is zelfs een balling en voor het oog van de wereld is terugkeer tot het vaderhuis niet zonder gevaar. En toch doet God hem deze belofte, opdat ook hij zou leren te leven door het geloof in de beloften. Zo staat Jakob ook daar voor de Kerk als een opgericht teken, dat de gelovige door het geloof deel heeft aan alle de weldaden Gods en door het geloof alleen.
2) Hiermee wordt Jakob de verpersoonlijking van de belofte van het heil.
15. Vervolgens Jakob voor zijn tegenwoordige toestand en de tijd van de beproeving moed en kracht instortende, opdat hij de man van de hoop worden zou (zie “Ge 24.63), ging de Heere voort: En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal waarheen gij trekken zult, en Ik zal u terugbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat ik zal gedaan hebben hetgeen Ik tot u gesproken heb. 2)
1) Zo werkt God op hem, die eens Israël zal zijn, met Zijn voorbereidende genade. Jakob, alleen met zijn staf, het ouderlijk huis ontvlucht voor een moordlustige broeder; Jakob, met de sprake van het geweten over zijn liegen en bedriegen, waarom hij nu de ellende ondervindt, zou hier door strenge bestraffing van God verpletterd zijn geworden, o! zich geheel hebben afgekeerd. “De Heere zoekt hem met Zijn liefdekoorden te trekken en voor altijd aan zich te verbinden, opdat hij later in zijn straffen de kastijdende roede van de Vader erkennen mocht. Het drietal is nu vol, en in het verbond van God ingewijd”.
Deze belofte heeft een tweeledig doel. Vooreerst om Jakob staande te houden temidden van de beproevingen die hem wachtten, en in de tweede plaats om Jakob vast te doen houden aan het verbond, dat Hij met hem ook nu heeft opgericht. Zo werd hij versterkt door woord en teken beide.
16. Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zei hij, vervuld van de indrukken van de ontvangen openbaring: Gewis is de HEERE met zijn neerbuigende genade aan deze door enkel ongelovigen bewoonde plaats, en ik heb het niet geweten,1) ik meende, toen ik mij tot de slaap neerlegde, dat ik van allen verlaten was, en zie, de Heere is met mij.
1) Dat God alomtegenwoordig was wist Jakob; maar hij had daaraan niet gedacht; dat Jehova, als Verbondsgod, zich, niet alleen bij de gewijde altaren van zijn Vader, maar ook hier openbaren zou, is hem nieuw. Zijn verwondering is daarover, dat God (Elohiem) zich hier aan hem openbaart als Jehova.
Duidelijk spreekt Jakob het hier uit, dat zijn droom geen gewone droom geweest is, maar ook, dat hij ongedachte en onverwachte genade heeft ontvangen. Ik heb het niet geweten, zo spreekt nog dikwijls de gelovige, als de Heere op het onverwachtst uitkomsten gaf, waar de toekomst zo duister scheen.
17. En hij vreesde, 1) hij gevoelde een eerbiedig vrezen op de plaats, waar hij voor het eerst met een verschijning des Heren verwaardigd was geworden, en zei: Hoe vreselijk, 2) hoe heilig, is deze plaats. Dit is niets, dan een huis van God, en dit is de poort van de hemel; 3) hier heeft God bij mij gewoond, tot mij gesproken en mij gezegend; hier heeft zich de hemel boven mij geopend, mij een blik in het goddelijke laten doen en de krachten van de toekomstige eeuw laten smaken.
1) “En hij vreesde.” Deze vrees is niet op één lijn te stellen met die van de goddelozen voor God, maar drukt uit: een heilig ontzag voor de Heere, die Hem verschenen was, welke straks er toe leidt, om de steen te zalven. Het is een vrezen, welke leidt tot ootmoedige en nederige Godsverering. Ook is het niet onwaarschijnlijk, dat hier de naam van “God” is weggelaten, zodat wij zouden kunnen lezen, “Hij vreesde God”. Ook in Jeremia 44:10 geschiedt dit.
2) De aloude Christelijke kerk noemde het Heilig Avondmaal een vreselijk geheim. Al was het hier meegedeelde gezicht een vriendelijke, vertroostende aard, zo gaat niettemin met zodanige openbaringen Gode een heilige huivering voor Zijn grootheid gepaard, die de zondaar met diepe eerbied voor Hem vervult en hem de gaven en beloften van Zijn genade des te dierbaarder maakt.
In het Hebreeuws Nora: prachtig, verheven. De vertaling “vreselijk”, is minder juist, tenzij in de zin van “te vrezen”, omdat de heilige God daar Zijn tegenwoordigheid openbaarde. In de zin van “verheven” komt dit woord ook voor in Psalm. 99:3 en Job 37:22.
3) Hier heeft God een kansel opgericht, en gepredikt, dat de kerk altijd bestaan zal. Jakob is toehoorder met de Engelen. Gij moogt echter niet tot St. Jakob lopen, maar zie met geloof op de plaats, waar het Woord en de S acramenten zijn, daar is de poort tot God en tot de hemel.
18. Toen stond Jakob, onder het uitspreken de zo-even genoemde woorden, ‘s morgens vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdkussen gelegd had, en a)zette hem tot een opgericht teken, 1) om de plaats nauwkeurig aan te wijzen, waar de verschijning hem te beurt gevallen was; en goot daar olie 2) boven op, om hem voorlopig tot een heiligdom te wijden, terwijl hij, teruggekeerd, daar een altaar bouwen zou.
a) Genesis 31:13; 35:14
1) Het was in oude tijden gebruikelijk stenen op te richten tot herinnering aan buitengewone gebeurtenissen. (Exodus. 24:4; Jozua. 4:4-9; 19-24, 1 Samuel. 7:12 enz. Zie Psalm. 118:22 en 23, Jesaja. 8:13-15.
2) De olie, die in de hete luchtstreken het lichaam lenig, gezond en schoon doet worden, die ook aan de spijzen voedende, versterkende kracht meedeelt, boter of ander vet bezigde men tot haar bereiding niet, (hoofdstuk. 18:8) de noodzakelijke grondstof, waardoor de mens het licht in de duisternis kan ontsteken, is van oudsher het zinnebeeld van de levenwekkende en vernieuwende gaven van de Heilige Geest; zij is daarom ook het middel, waardoor alles God gewijd en met Zijn Geest en met Zijn leven vervuld wordt; waarom dan ook later zowel mensen als gereedschappen daarmee werden gewijd.
In het oosten ging men niet op reis, dan voorzien van olie, om daarmee de leden lenig te houden. Door de drang van het gemoed en van de liefde giet Jakob nu de olie, die hij overigens nodig had om de vermoeide leden te kunnen sterken, uit op de steen en offerde daarmee wat het zijne was aan de Heere. Wel een bewijs, dat in zijn hart de waarachtige, zelfverloochenende liefde tot zijn Verbondsgod was ontvlamd.
19. En hij noemde de naam van die plaats, naar hetgeen hij (vs.17) van haar gezegd had, Beth-el (huis Gods); daar toch de naam van die stad, in wier nabijheid Jakob de nacht had doorgebracht, met haar omtrek, tevoren was Luz 1) (amandelboom).
1) Zij behield deze naam ook bij de Kanaänieten, totdat de kinderen van Israël het land innamen, en de nieuwe naam in de plaats stelden. Jozua 16:2; 18:13)
20. En Jakob beloofde een gelofte 1) zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, waaraan ik niet twijfel, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reis, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleren om aan te trekken. 2) (1 Tim.6:8).
1) In het Hebreeuws Jiedar neder: Hij beloofde een gelofte. In de Mozaïsche wetgeving wordt dezelfde uitdrukking of hetzelfde woord gebruikt voor “vrijwillig offer.” (Leviticus. 7:16; 22:18,21). Wat Jakob hier dus doet is later bij de wet door Mozes geregeld op goddelijk bevel.
2) Jakob heeft niet veel behoeften, maar spreekt hier uit, wat altijd de eis van God is, om tevreden te zijn met voedsel en deksel.
21. En ik in het huis van mijn vader in vrede zal weergekeerd zijn, gelijk Hij mij dit alles heeft toegezegd, zo zal de HEERE in mij tot een God zijn, 1) die ik mijn gehele leven wil dienen.
1) Wanneer mij God tot Jehova is, zo zal Jehova mij God zijn. Wanneer de Heer van de Engelen en van de wereld zich aan mij als Verbondsgod betoont, zo zal ik mijn Verbondsgod als de Heer van de gehele wereld verheerlijken.
22. En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, 1) een altaar, een plaats om te offeren en de naam des Heren aan te roepen (hoofdstuk. 12:7,8; 13:18) en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden 2) geven, deels tot brandoffers en dankoffers (Deuteronomium. 14:28 vv.), deels tot oprichting van het altaar, en tot andere aan God welgevallige werken. (hoofdstuk. 35:7).
1) Het getal tien, waarmee de reeks van de grondgetallen sluit drukt het denkbeeld van de volledigheid, van het geheel uit. Terwijl bij bijna alle volkeren in de oudheid de tienden van alle goed werden uitgekeerd, en wel zeer dikwijls als opbrengst ten behoeve van de Godsverering, wilde men daarmee te kennen geven, dat alle eigendom God behoorde, en zocht men, door deze uitkering dit erkennende, het bezit en het genot van het overige te heiligen (hoofdstuk. 14:20) Omdat Jakob wel geen priesters, noch instellingen van godsdienstige strekking had, waaraan hij het tiende deel van zijn eigendom kon geven, zo moet hier zeker worden gedacht aan een soortgelijk gebruik, als er elke drie jaar, bij gelegenheid van de maaltijden van de tienden, onder de Israëlieten plaats had (Deuteronomium. 14:28,29); men nodigde de Leviet, de vreemdeling, de weduwen en wezen uit, om offermaaltijden te houden.
2) Sommigen gaan in hun schroomvalligheid te ver, die liever alle geloften veroordelen, om de deur voor het bijgeloof niet open te zetten. En is ook de vermetelheid te berispen van hen, die geloften doen, onverschillig wat zij bevatten, zo hebben wij ons niettemin te wachten, dat wij niet aan de andere zijde hun gelijkvormig worden, die elke gelofte, welke ook, verwerpen. Zal een gelofte zijn, wat zij behoort te wezen, dan moet haar bedoeling God welgevallig zijn; ten tweede mag men niets beloven, dan wat God, op zichzelf beschouwd, goed noemt, en eindelijk, wat Hij zelf ons aanwijst. Zo wilde Jakob hier niets anders doen, dan een getuigenis afleggen, een bewijs leveren van zijn dankbaarheid; ten andere beloofde hij niets anders dan God te dienen, gelijk het betaamt, en eindelijk belooft hij geenszins in vermetelheid meer, dan hij bezit, maar slechts de tienden van zijn goed tot een heilige offergave.
Dit is een metonymische spreekwijze. Niet toch de steen zelf zou een huis van God zijn, maar op die plaats zou hij later de Heere dienen en verheerlijken.
Hoe menig Bethel was er op mijn weg! Mijn God! hoe kon Gij zo dikwijls mij leren en waarschuwen; mij redden uit de nood, mij door mijn eigen zonden berokkend; mij bewaren in gevaar, waarin ik mij moedwillig stortte; en dat, terwijl ik voortging en steeds ook na Uw zegeningen opnieuw voortging met U te vergeten, te beledigen, te bedroeven! Ik leefde zonder U, en voortdurend klopte U aan mijn hart, dat zich weer gedurig voor u sloot. Jarenlang wilde ik niet. Jarenlang wilde Gij wel. O God! heb dank, dat no zo menig Bethel, ook een Pniël werd gevonden!.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Zoals een mens er vreugde in vindt om bij een vriend te zijn, zo vindt Christus Zijn vreugde in de mensenkinderen die Hij heeft uitverkoren en met Zijn bloed heeft verlost.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Genesis 28
Genesis 28:15.KruisverwijzingenJozua 1:5→Jesaja 41:10→Deuteronomium 31:6→Genesis 26:24→Jeremia 1:19→Psalmen 121:5→Genesis 31:3→Hebreeën 13:5→
— En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.
“Ik ben met u.” Deze genade drong tot Jakob door op een moment waarop hij haar het hardst nodig had. Hij had zojuist het huis van zijn vader verlaten en voelde zich eenzaam. Hij stond aan het begin van een periode van zware beproeving, en juist toen kreeg hij een dieper inzicht in het voorrecht dat God voor hem had weggelegd.
Ik heb geprobeerd de diepte van deze woorden te peilen om ze te kunnen uitleggen, maar zij zijn te rijk aan betekenis. Wie kan hun hoogte en diepte, hun lengte en breedte meten? Dat God Jakob brood te eten en kleding om aan te trekken zou geven, was een grote zegen, maar dat is niets vergeleken met: “Ik ben met u.” Dat God Zijn engel zou zenden om Jakob te beschermen, zou al veel zijn geweest, maar ook dat verbleekt bij deze belofte: “Ik ben met u.”
Wanneer God met iemand is, schenkt Hij een gemeenschap die alle woorden te boven gaat. Deze belofte waarborgt Zijn oneindige liefde. God woont niet bij hen die Hij haat. De goddelozen verwijdert Hij van de aarde als slakken. Tegen hen zegt Hij: “Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend.” Maar tot ieder van Zijn volk zegt Hij: “Ik ken u bij uw naam; u bent van Mij. En meer nog: Ik ben met u.”
Zoals een mens er vreugde in vindt om bij een vriend te zijn, zo vindt Christus Zijn vreugde in de mensenkinderen die Hij heeft uitverkoren en met Zijn bloed heeft verlost. “Ik ben met u” betekent ook daadwerkelijke hulp. Wat wij ook ondernemen, God is met ons in dat werk. Wat wij ook moeten verdragen, God is met ons in ons lijden. Waarheen wij ook gaan, God is met ons op al onze wegen.
Genesis 28:16.KruisverwijzingenJozua 5:15→Exodus 3:5→Jesaja 8:13→Exodus 15:11→Job 9:11→Psalmen 68:35→1 Samuël 3:4→Job 33:14→
— Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!
“Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten.” De heidense volken onder wie Jakob leefde, geloofden dat hun goden slechts over een bepaald gebied macht hadden. De god van Gaza was niet de god van Askelon; de god van Beër-Seba zou niet de god van Bethel zijn (zie 1 Koningen 20:28). Het is mogelijk dat Jakob door zijn omgang met de heidenen niet meer zo helder voor ogen had dat de God van zijn vader geheel anders was dan hun afgoden. Toen hij het huis van zijn vader verliet, heeft hij misschien gevreesd dat hij ook de God van zijn vader achterliet, dat zijn gebeden nauwelijks meer gehoord zouden worden, dat hij als vreemdeling zou leven buiten het land van de HEERE en afgesneden zou zijn van de gemeenschap van de gezegenden.
Maar de ontfermende God was hem gevolgd, ook toen Jakob niet wist dat God daar was. Hoe welkom moet die droom voor hem zijn geweest, waarin hij de verzekering ontving dat de vleugels van de HEERE zijn stenen rustplaats evenzeer overschaduwden als zij zijn zachtere legerstede in de tent van Isaak hadden beschermd. Deze waarheid overviel hem als iets geheel nieuws, maar zij moet hem diepe troost hebben geschonken. “Zeker,” zei hij, terwijl zijn ogen werden geopend voor een nieuw licht, alsof de nacht van zijn benauwdheid voorbij was en de dag van het vertrouwen was aangebroken.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
BETHEL.
1. 1) En Izaak riep Jakob, en zegende 2) hem, om nu de zegen te bevestigen, die hij hem vroeger tegen zijn wil gegeven had; en daar hij hem nu uitdrukkelijk als de stamhouder van de lijn van de belofte erkende, gebood hij hem, en zei tot hem: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.
1) Het ware beter geweest, indien men dit hoofdstuk had laten beginnen met vs.42 van het vorige.
2) Izaak zegent Jakob opnieuw, niet omdat de vorige van geen kracht was, maar tot bevestiging ervan. Daaraan had Jakob grote behoefte. Als de mond Gods handelt Izaak hier. Gelijk de Heere vroeger aan Abraham telkens zijn zegeningen bevestigd had op onmiddellijke wijze, alzo doet Hij hier door de mond van Izaak.
2. Maak u op, 1) ga naar Paddan Aram, ten huize van Bethuël, 2) de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochters van Laban, de broeder van uw moeder.
1) Hoe wordt het hier nu duidelijk, dat Gods raad wordt uitgevoerd en dat menselijke zonden en dwaasheden ook daartoe moeten dienen! Want het bleek duidelijk, dat het Gods wil was, dat Jakob van Ezau zou worden afgescheiden, een tijdlang afgezonderd, opdat hij zou leren een vreemdeling en bijwoner te zijn, maar ook opdat hij als vrije gift van God het land zou ontvangen. En nu moeten menselijke middelen meewerken, opdat dit doel zal bereikt worden. De zorgen voor een vrouw uit het geslacht van Sem en de vrees voor Ezau’s wraak, moeten meewerken, opdat Gods wil, die altijd heilig is en goed, worde vervuld.
2) Daar Bethuël nog leeft, wordt hij genoemd, omdat, zolang de oudste van het gezin nog in leven was, deze het oppergezag bekleedde. Daarom dat niet zelden zelfs vaders nog jongelingen genoemd worden.
3. En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij in uw nakomelingschap tot een hoop volken wordt.
Nu volgt de zegening, welke in woorden enigszins van de eerste verschilt, maar waarvan het doel hetzelfde is. Vooreerst wenst hij, dat Jakob door God gezegend wordt, dat is, vermeerdere, zich uitbreide in zijn geslacht; dat hij worde tot een menigte van volken, d.i. dat hij vele volken verwekke, die in één lichaam, onder hetzelfde hoofd, verenigd zijn. Alsof hij gezegd heeft: Verschillende volken mogen uit u ontstaan, die één volk uitmaken. En dit is gedeeltelijk wel vervuld, toen Mozes het volk in dertien klassen verdeelde.
4. En Hij geve u ook in al het overige de zegen van Abraham a) aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
a) Genesis 12:2,3; 13:15; 15:18; 24:7; 26:3, Deuteronomium. 34:4 Hand.7:5
Hoe blijkt uit deze woorden het vast onwrikbaar geloof in de beloften van God, God heeft dit land beloofd aan zijn knecht Abraham. God zal zijn belofte vervullen. De grijze Izaak wordt hier profeet van de allerhoogste.
5. Alzo zond Izaak Jakob weg, 1) dat hij wel zonder geleide, maar toch met de zegen van de vader toog naar Paddan-Aram, tot Laban, de zoon van Bethuël, de Syriër, of Arameër (hoofdstuk. 25:20) de broeder van Rebekka, 2) Jakob’s en Ezau’s moeder.
1) Jakob wordt uit Izaak’s huis weggezonden, om hem, naar Gods bestel, af te zonderen van Ezau. Ismaël daarentegen werd uit Abraham’s huis weggezonden. Hoe blijkt hier de wijsheid van God! De stille Izaak kan niet verdragen, wat de meer sterke Jakob wel kan. God handelt altijd met zijn volk naar toestand en behoeften.
2) Deze was, toen Jakob na twintig jaar terugkeerde, reeds gestorven. (Genesis 35:27 vv.)
Zij zag dus haar zoon nimmermeer. Dit was de goddelijke straf voor haar zonde. God de Heere rekent hier op aarde met zijn kinderen af.
Ouders kunnen hun kinderen niets beters op hun reis meegeven, dan de Christelijke zegenwens.
IV. Gen. 28 vers 6-9
Ezau neemt nog een derde vrouw uit het geslacht van Ismaël, om zijn vader genoegen te doen, die ontevreden is over de twee Kanaänitische vrouwen.
6. Als nu Ezau zag, dat Izaak Jakob gezegend had, hem de zegen, die hij door bedrog verkregen had, niet had ontnomen, maar integendeel bevestigd (vs.3,4), en dat hij hem naar Paddan-Aram weggezonden had; om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende dat hij hem geboden had zeggende: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.
7. En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Mesopotamië, naar Paddan-Aram getrokken was; 1)
1) Zeker heeft Ezau dit uit de mond van Izaak zelf vernomen, die hem daarbij ook zijn ongenoegen over die Kanaänitische vrouwen zal te kennen gegeven hebben. (vs.8).
8. En dat Ezau zag, daar de ouders zich steeds op een meer verwijderd standpunt van zijn vrouwen plaatsten, dat de dochters van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izaak, zijn vader, om zijn moeder bekommerde hij zich niet (hoofdstuk. 27:41); zijn vader had hij gaarne gunstiger voor zich gestemd gezien.
9. Zo ging Ezau, zo geheel het beeld van een onbekeerde, natuurlijke mens die zijn misslagen op zijn wijze en in eigen kracht weer wil goedmaken, maar daarbij opnieuw een verkeerde weg inslaat, tot het geslacht van Ismaël (Ismaël zelf was reeds 14 jaar geleden gestorven, hoofdstuk. 25:17 ) en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen (Judith en Basma in hoofdstuk. 26:34 of, gelijk zij in hoofdstuk. 36:2 genoemd worden, Aholibama en Ada), Mahalath (zij heeft gezongen), in hoofdstuk. 36:3 Basmath genoemd, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth (hoofdstuk. 25:13) (verhevene plaatsen). 1) Ezau meende wellicht, dat hij nu veel meer dan zijn broeder voor zich had; nu had hij een vrouw uit de familie van zijn vader, terwijl Jakob een van zijn moeders betrekkingen wilde nemen. Hij bedacht echter niet, dat hij zich hierdoor des te verder van de belofte verwijderde, daar Ismaël reeds uitgesloten was. (hoofdstuk. 21:10).
1) Menig mens wil, wanneer hij in angst of doodsgevaar verkeert, op een gelijke wijze zijn ziel door uitwendige werken, die hij van vrome Christenen afgezien heeft, bijv. door bidden, lezen, kerkgang, avondmaal, erflatingen enz. redden en helpen; maar, zolang het hart niet veranderd is, zolang men geen genade in het bloed van Jezus door het geloof verkregen heeft, blijft men onder de vloek liggen, en gaat men onder deze het eeuwig verderf tegemoet.
Zo treffen natuurlijke mensen, als zij God en mensen beledigd hebben, nooit de rechte middelen, om hen met zich te verzoenen.
Ezau meende hiermee de gunst van de vader te zullen herwinnen, maar berekent niet, dat hij daardoor nog meer dan hij gedaan heeft, tegen de goddelijke wetten zondigt. De polygamie was een schending van het huwelijk en zonde tegen Gods wet.
V. Gen. 28 vers 10-22
Op zijn reis naar Haran, nog midden in Kanaän zich bevindende, overnacht Jakob in het open veld, en heeft hier het veelbetekenend droomgezicht van de ladder. God Zelf geeft hem de zegen van Abraham en belooft hem nog, hem te zullen behoeden op al zijn wegen, en ter rechter tijd in het land terug te brengen, dat hij nu gaat verlaten. Jakob gevoelt bij zijn ontwaken, ontzetting over de ondervonden nabijheid Gods; heiligt de steen, waarop zijn hoofd heeft gelegen; geeft aan de plaats, waar de openbaring hem ten deel geworden is, een veelbetekenende naam en verbindt zich tot de dienst des Heren.
10. Jakob dan, nadat zijn vader hem gezegend had, toog uit 1) van Berséba, waar Izaak toen woonde (hoofdstuk. 26:33 vv.), en ging naar Haran. 2)
1) In het verband van deze geschiedenis is dit voornamelijk op te merken, hoe in de persoon van één mens, God Zijn Kerk heeft beveiligd. Want Izaak, wegens zijn ouderdom, lag daar als een dode tronk. En ofschoon in zijn binnenste nog een levende wortel school, zo bleef echter ten opzichte van hem, wegens zijn verzwakte en vergrijsde leeftijd, geen hoop op meer nakomelingschap over. Ezau was wel gelijk aan een bloeiende en krachtige tak en had de meeste vertoning en sierlijkheid, maar die kracht was slechts tijdelijk, voor deze aarde. Jakob werd als een afgesneden tak naar een ver verwijderd land gevoerd, niet opdat hij daar als een ingeënte en geplante kracht, grootheid zou zoeken, maar besproeid met goddelijke besproeiing niet anders dan in vermogen zou uitspruiten. Op verwonderlijke wijze beschermt hem de Heere en zendt hem kracht toe, totdat Hij hem weer naar het huis van zijn vader terugbrenge. Ondertussen zullen de lezers kunnen opmerken, dat, terwijl hij zelf als de gezegende van God in ballingschap wordt gezonden, de verworpen Ezau stof wordt gegeven om te roemen, daar aan hem de onbeheerde bezitting wordt overgelaten, opdat hij, zonder mededinger, ongedeerd zou kunnen regeren. Opdat wij er ons niet over verbazen, indien soms de goddelozen, als het ware, hun wensen vervuld krijgen, op hun overwinningen, stoffen, terwijl zij ons verdrukken.
2) De plaats, waar Abraham een tijd lang gewoond had, en waar nu Laban woonde.
1. Zo had Jakob het vaderhuis met de openbaringen en de verering van de enige ware God achter zich, de eenzaamheid om zich, de gedachte, die hem beschuldigde, in zich, en een donkere toekomst voor zich. En hij geraakte, na ongeveer drie of vier dagreizen (hfd.22:4), op een plaats, in de nabijheid van de stad Luz (vs.19), enige mijlen noordelijk van Jeruzalem, waar hij vernachtte, gelijk de reizigers in het Oosten dit zelden op het open veld doen, want de zon was ondergegaan, en alzo kon hij de stad niet meer bereiken, en hij nam een van de stenen van die plaats, en maakte zijn hoofdkussen, 1) en legde zich te slapen2) op dezelfde plaats.
1) Met weinige woorden meldt de Schrift de lange reis van Jakob van Berséba naar Haran. Die korte mededeling is wederom bewijs voor de waarheid van hetgeen ons hier gemeld wordt. Overigens, welk een verschil voor de zoon van de rijke herdersvorst tussen het verblijf in de vaderlijke tent en nu in het vrije veld! Een steen zijn hoofdkussen en de blote hemel boven hem, zonder enige beschutting!.
2) Uit de grondtekst blijkt, vooral door de keuze van de woorden, dat de aartsvader zich ook nu volkomen veilig voelde in het eenzame veld. In het vertrouwen op de Heere, zijn God, legt hij zich rustig neer om te slapen. De droom, die hij droomt, getuigt ervan.
Niet elke slaap is een teken van rust en vrede. Jona, vluchtend voor Gods aangezicht, sliep temidden van de storm (Jona 1:5); de discipelen des Heren waren in slaap gevallen van droefheid. (Luk. 22:45).
12. En hij droomde 1) door bijzondere besturing van God, nadat hij onder veel vrees en ontroering ingeslapen was; en ziet; dit was de droom, die hij had; hij zag, als teken van het goddelijk verbond, dat een brug stelt tussen het arme, hulpeloze mensenkind hier beneden en de zalige hemel daarboven, dat een ladder 2) was gesteld op de aarde, waarvan de top aan de hemel raakte; en ziet, de a) engelen Gods, als tekenen van trouw, onafgebroken zorg van de Verbondsgod voor zijn uitverkoren knecht, klommen daarbij op en neer, 3) zijn zuchten en benauwdheden naar boven dragende, en van boven hulp en sterkte hem brengende.
a) Joh.1:52
1) Hier leert Mozes, hoe de Heere Zijn knecht ter gelegener tijd, ja, op (zoals men zegt) het juiste, beslissende tijdstip te hulp komt. Want wie zou niet gezegd hebben, dat de heilige Jakob door God verlaten was, blootgesteld aan de aanvallen van wilde dieren en overgegeven aan alle ongenegen van de hemel en de aarde, nergens hulp en troost kunnende vinden? Maar toen hij in de uiterste nood was gebracht, greep de Heere hem plotseling bij de hand en hief op wonderbaarlijke wijze zijn bezwaren op, door een duidelijke Godsspraak. Zoals dus vroeger zijn onverwinnelijke volharding uitblonk, zo gaf de Heere nu ook een merkwaardig voorbeeld van Zijn Vaderlijke zorg jegens Zijn gelovigen. Doch drie zaken zijn hier op te merken. Vooreerst, dat de Heere zelf Jakob in de droom verscheen. Vervolgens, het soort van gezicht, wat door Mozes wordt beschreven, en ten derde, de woorden van de Godsspraak.
Wij worden hier voor het eerst bekend gemaakt met “de droom” als vorm van Godsopenbaring (Numeri. 12:6), welk niet op een en dezelfde lijn staat met het nachtgezicht van Abraham. De droom staat niet buiten het gebied van het zielenleven, maar staat er zielkundig mee in verband. Het droomgezicht, hetwelk aan Jakob, later aan Jozef, Farao en anderen geschonken werd, is echter op bijzondere wijze gewrocht door God, om daarmee of de persoon van de gelovige, zoals hier, te sterken, of de persoon, aan wie het geschonken werd, de toekomst te ontsluieren. Of zulk een droomgezicht ook zodanig met het zielenleven van de persoon in verband staat, dat een Farao, als zorgend koning, juist daarom die dromen droomt, valt te betwijfelen. Wij keren de orde liever om.
2) Wat betekende die “ladder, gesteld op de aarde, waarvan de top aan de hemel reikte?” Ontegenzeglijk was zij een beeld van Gods onafgebroken gemeenschap met de gelovige hier op aarde, maar daarom ook symbool van de Middelaar van God en van de mensen, die hemel en aarde verbindt, door Wie de volheid van Gods genade tot Zijn gelovigen afvloeit en de gelovige met zijn God wordt verenigd. Een dubbele bedoeling dus: zowel om de aartsvader te sterken en te bemoedigen in de strijd van het leven, die hem wachtte, als ook om aan hem het eeuwig verbond van de genade te bezegelen. Door Christus is het verworven, dat de Engelen van God ten dienste worden uitgezonden diegenen, die de zaligheid beërven zullen. Tot Nathanaël zegt de Heere het zelf, hoe Hij zelf de ladder is, de weg van de gemeenschap tussen hemel en aarde. (Johannes 1:51).
3) Op en neer.” Het is, opdat Jakob zou weten, dat zij als dienstknechten van God zijn behoeften en noden uit de volheid van God zouden vervullen, dat zij hem altijd zouden omringen met hun bescherming.
De Engelen dalen niet voor het eerst neer; zij zijn reeds op aarde; zij waren bij Jakob reeds gedurende zijn gehele leven geweest; zij hadden zijn zonden gezien en brachten, ondanks deze hem de zegeningen van de vrije genade van God.
De regenboog sprak in een vluchtige kleurenglans uit, dat de heerlijkheid en de goedheid van God uit de hemel over de aarde zich uitstrekt; de hemel-ladder spreekt meer bepaald van de vereniging en het levendig verkeer tussen hemel en aarde. De hemel-ladder van boven naar beneden betekent de openbaringen, woorden en beloften van God; de hemel-ladder van beneden naar boven het geloof, de zuchten, de schuldbelijdenis en de gebeden. De op en neer bewegende Engelen zijn de boden en de tekenen van een persoonlijk verkeer tussen Jehova en de Zijnen.
“Wie is gelijk de Heere, onze God? die zeer hoog woont, die zeer laag ziet, in de hemel en op de aarde.” (Psalm. 113:5,6). Treffende gedachte, veelbetekenende voorstelling. Gods alom tegenwoordigheid, Gods voorzienigheid, Zijn grootheid en Zijn goedheid in één adem genoemd. Zo kent hij, die door de heilige mannen Gods onderwezen is, de God van de hemel en de aarde, aan wie niemand gelijk is. Gezeteld boven de sterren, die Hij allen bij name oproept, zodat geen van haar gemist wordt, en tegelijk Zijn milde hand openende om al wat op aarde leeft, te verzadigen. Met majesteit en heerlijkheid bekleed, het ontoegankelijk licht bewonende, en de wind verzachtende voor het geschoren lam. Niets zo machtig, dat het Zijn macht weerstaat, niets zo gering, dat het aan Zijn aandacht ontsnappen zou. Niets zo luisterrijk in alle hemelen, dat bij Zijn luister niet in het duister wegzinkt; niets zo onaanzienlijk, dat Hij het niet zou willen aanzien, ja kweken, ja koesteren.
13. En ziet de HEERE stond 1) op dezelfde ladder, en zei, Zijn verbond met Abraham en Izaak en de aan deze gegeven beloften nu plechtig aan hem bevestigende: Ik a) ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izaak; 2) dit land, waarop gij ligt te slapen, b) zal Ik aan u geven en aan uw zaad. 3)
a) Genesis 35:1,3; 48:3 b) Deuteronomium. 12:20; 19:8
Het droomgezicht is van zo grote betekenis, dat de verhaler het met een driemaal herhaald: “en ziet” inleidt.
1) In het Hebreeuws Nidzaav. “Stond recht op” in de zin van: stond ten dienste als vrijwilliger. Jakob zag hier de Heere staan, gelijk Stefanus, eeuwen daarna, de Zoon des mensen zag staan tot zijn hulp gereed. De Hebreeuwse uitdrukking wil dan ook niets minder zeggen, dan dat Jakob de Heere zag staan in een gestalte, die hem duidelijk toonde, dat Hij zijn helper en beschermer zou zijn.
2) Niet zonder reden, noemt de Heere zich hier de God van Abraham en Izaak. In dat: “Ik ben de Heere” lag voor Jakob iets majestueus, maar door de bijvoeging moet Jakob weten, dat die Majestueuze God de God is, welke zijn vaderen Abraham en Izaak omringd heeft met Zijn gunst en goedertierenheid.
3) Wij merken op, dat het zaad van Jakob hier aan de overige kinderen van Abraham wordt tegenovergesteld, die naar het vlees uit hem hun geslacht afleiden, maar afgesneden waren van het heilig geslacht.
14. En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts en noordwaarts en zuidwaarts; 1) en a) in u en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. 2)
a) Genesis 12:3; 18:18; 22:18; 26:4.
1) Aan Jakob wordt hier dezelfde belofte gedaan als aan Abraham, en al zijn de omstandigheden niet volkomen dezelfde; toch in wezen wel. Want ook Jakob is een eenzame, is zelfs een balling en voor het oog van de wereld is terugkeer tot het vaderhuis niet zonder gevaar. En toch doet God hem deze belofte, opdat ook hij zou leren te leven door het geloof in de beloften. Zo staat Jakob ook daar voor de Kerk als een opgericht teken, dat de gelovige door het geloof deel heeft aan alle de weldaden Gods en door het geloof alleen.
2) Hiermee wordt Jakob de verpersoonlijking van de belofte van het heil.
15. Vervolgens Jakob voor zijn tegenwoordige toestand en de tijd van de beproeving moed en kracht instortende, opdat hij de man van de hoop worden zou (zie “Ge 24.63), ging de Heere voort: En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal waarheen gij trekken zult, en Ik zal u terugbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat ik zal gedaan hebben hetgeen Ik tot u gesproken heb. 2)
1) Zo werkt God op hem, die eens Israël zal zijn, met Zijn voorbereidende genade. Jakob, alleen met zijn staf, het ouderlijk huis ontvlucht voor een moordlustige broeder; Jakob, met de sprake van het geweten over zijn liegen en bedriegen, waarom hij nu de ellende ondervindt, zou hier door strenge bestraffing van God verpletterd zijn geworden, o! zich geheel hebben afgekeerd. “De Heere zoekt hem met Zijn liefdekoorden te trekken en voor altijd aan zich te verbinden, opdat hij later in zijn straffen de kastijdende roede van de Vader erkennen mocht. Het drietal is nu vol, en in het verbond van God ingewijd”.
Deze belofte heeft een tweeledig doel. Vooreerst om Jakob staande te houden temidden van de beproevingen die hem wachtten, en in de tweede plaats om Jakob vast te doen houden aan het verbond, dat Hij met hem ook nu heeft opgericht. Zo werd hij versterkt door woord en teken beide.
16. Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zei hij, vervuld van de indrukken van de ontvangen openbaring: Gewis is de HEERE met zijn neerbuigende genade aan deze door enkel ongelovigen bewoonde plaats, en ik heb het niet geweten,1) ik meende, toen ik mij tot de slaap neerlegde, dat ik van allen verlaten was, en zie, de Heere is met mij.
1) Dat God alomtegenwoordig was wist Jakob; maar hij had daaraan niet gedacht; dat Jehova, als Verbondsgod, zich, niet alleen bij de gewijde altaren van zijn Vader, maar ook hier openbaren zou, is hem nieuw. Zijn verwondering is daarover, dat God (Elohiem) zich hier aan hem openbaart als Jehova.
Duidelijk spreekt Jakob het hier uit, dat zijn droom geen gewone droom geweest is, maar ook, dat hij ongedachte en onverwachte genade heeft ontvangen. Ik heb het niet geweten, zo spreekt nog dikwijls de gelovige, als de Heere op het onverwachtst uitkomsten gaf, waar de toekomst zo duister scheen.
17. En hij vreesde, 1) hij gevoelde een eerbiedig vrezen op de plaats, waar hij voor het eerst met een verschijning des Heren verwaardigd was geworden, en zei: Hoe vreselijk, 2) hoe heilig, is deze plaats. Dit is niets, dan een huis van God, en dit is de poort van de hemel; 3) hier heeft God bij mij gewoond, tot mij gesproken en mij gezegend; hier heeft zich de hemel boven mij geopend, mij een blik in het goddelijke laten doen en de krachten van de toekomstige eeuw laten smaken.
1) “En hij vreesde.” Deze vrees is niet op één lijn te stellen met die van de goddelozen voor God, maar drukt uit: een heilig ontzag voor de Heere, die Hem verschenen was, welke straks er toe leidt, om de steen te zalven. Het is een vrezen, welke leidt tot ootmoedige en nederige Godsverering. Ook is het niet onwaarschijnlijk, dat hier de naam van “God” is weggelaten, zodat wij zouden kunnen lezen, “Hij vreesde God”. Ook in Jeremia 44:10 geschiedt dit.
2) De aloude Christelijke kerk noemde het Heilig Avondmaal een vreselijk geheim. Al was het hier meegedeelde gezicht een vriendelijke, vertroostende aard, zo gaat niettemin met zodanige openbaringen Gode een heilige huivering voor Zijn grootheid gepaard, die de zondaar met diepe eerbied voor Hem vervult en hem de gaven en beloften van Zijn genade des te dierbaarder maakt.
In het Hebreeuws Nora: prachtig, verheven. De vertaling “vreselijk”, is minder juist, tenzij in de zin van “te vrezen”, omdat de heilige God daar Zijn tegenwoordigheid openbaarde. In de zin van “verheven” komt dit woord ook voor in Psalm. 99:3 en Job 37:22.
3) Hier heeft God een kansel opgericht, en gepredikt, dat de kerk altijd bestaan zal. Jakob is toehoorder met de Engelen. Gij moogt echter niet tot St. Jakob lopen, maar zie met geloof op de plaats, waar het Woord en de S acramenten zijn, daar is de poort tot God en tot de hemel.
18. Toen stond Jakob, onder het uitspreken de zo-even genoemde woorden, ‘s morgens vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdkussen gelegd had, en a)zette hem tot een opgericht teken, 1) om de plaats nauwkeurig aan te wijzen, waar de verschijning hem te beurt gevallen was; en goot daar olie 2) boven op, om hem voorlopig tot een heiligdom te wijden, terwijl hij, teruggekeerd, daar een altaar bouwen zou.
a) Genesis 31:13; 35:14
1) Het was in oude tijden gebruikelijk stenen op te richten tot herinnering aan buitengewone gebeurtenissen. (Exodus. 24:4; Jozua. 4:4-9; 19-24, 1 Samuel. 7:12 enz. Zie Psalm. 118:22 en 23, Jesaja. 8:13-15.
2) De olie, die in de hete luchtstreken het lichaam lenig, gezond en schoon doet worden, die ook aan de spijzen voedende, versterkende kracht meedeelt, boter of ander vet bezigde men tot haar bereiding niet, (hoofdstuk. 18:8) de noodzakelijke grondstof, waardoor de mens het licht in de duisternis kan ontsteken, is van oudsher het zinnebeeld van de levenwekkende en vernieuwende gaven van de Heilige Geest; zij is daarom ook het middel, waardoor alles God gewijd en met Zijn Geest en met Zijn leven vervuld wordt; waarom dan ook later zowel mensen als gereedschappen daarmee werden gewijd.
In het oosten ging men niet op reis, dan voorzien van olie, om daarmee de leden lenig te houden. Door de drang van het gemoed en van de liefde giet Jakob nu de olie, die hij overigens nodig had om de vermoeide leden te kunnen sterken, uit op de steen en offerde daarmee wat het zijne was aan de Heere. Wel een bewijs, dat in zijn hart de waarachtige, zelfverloochenende liefde tot zijn Verbondsgod was ontvlamd.
19. En hij noemde de naam van die plaats, naar hetgeen hij (vs.17) van haar gezegd had, Beth-el (huis Gods); daar toch de naam van die stad, in wier nabijheid Jakob de nacht had doorgebracht, met haar omtrek, tevoren was Luz 1) (amandelboom).
1) Zij behield deze naam ook bij de Kanaänieten, totdat de kinderen van Israël het land innamen, en de nieuwe naam in de plaats stelden. Jozua 16:2; 18:13)
20. En Jakob beloofde een gelofte 1) zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, waaraan ik niet twijfel, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reis, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleren om aan te trekken. 2) (1 Tim.6:8).
1) In het Hebreeuws Jiedar neder: Hij beloofde een gelofte. In de Mozaïsche wetgeving wordt dezelfde uitdrukking of hetzelfde woord gebruikt voor “vrijwillig offer.” (Leviticus. 7:16; 22:18,21). Wat Jakob hier dus doet is later bij de wet door Mozes geregeld op goddelijk bevel.
2) Jakob heeft niet veel behoeften, maar spreekt hier uit, wat altijd de eis van God is, om tevreden te zijn met voedsel en deksel.
21. En ik in het huis van mijn vader in vrede zal weergekeerd zijn, gelijk Hij mij dit alles heeft toegezegd, zo zal de HEERE in mij tot een God zijn, 1) die ik mijn gehele leven wil dienen.
1) Wanneer mij God tot Jehova is, zo zal Jehova mij God zijn. Wanneer de Heer van de Engelen en van de wereld zich aan mij als Verbondsgod betoont, zo zal ik mijn Verbondsgod als de Heer van de gehele wereld verheerlijken.
22. En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, 1) een altaar, een plaats om te offeren en de naam des Heren aan te roepen (hoofdstuk. 12:7,8; 13:18) en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden 2) geven, deels tot brandoffers en dankoffers (Deuteronomium. 14:28 vv.), deels tot oprichting van het altaar, en tot andere aan God welgevallige werken. (hoofdstuk. 35:7).
1) Het getal tien, waarmee de reeks van de grondgetallen sluit drukt het denkbeeld van de volledigheid, van het geheel uit. Terwijl bij bijna alle volkeren in de oudheid de tienden van alle goed werden uitgekeerd, en wel zeer dikwijls als opbrengst ten behoeve van de Godsverering, wilde men daarmee te kennen geven, dat alle eigendom God behoorde, en zocht men, door deze uitkering dit erkennende, het bezit en het genot van het overige te heiligen (hoofdstuk. 14:20) Omdat Jakob wel geen priesters, noch instellingen van godsdienstige strekking had, waaraan hij het tiende deel van zijn eigendom kon geven, zo moet hier zeker worden gedacht aan een soortgelijk gebruik, als er elke drie jaar, bij gelegenheid van de maaltijden van de tienden, onder de Israëlieten plaats had (Deuteronomium. 14:28,29); men nodigde de Leviet, de vreemdeling, de weduwen en wezen uit, om offermaaltijden te houden.
2) Sommigen gaan in hun schroomvalligheid te ver, die liever alle geloften veroordelen, om de deur voor het bijgeloof niet open te zetten. En is ook de vermetelheid te berispen van hen, die geloften doen, onverschillig wat zij bevatten, zo hebben wij ons niettemin te wachten, dat wij niet aan de andere zijde hun gelijkvormig worden, die elke gelofte, welke ook, verwerpen. Zal een gelofte zijn, wat zij behoort te wezen, dan moet haar bedoeling God welgevallig zijn; ten tweede mag men niets beloven, dan wat God, op zichzelf beschouwd, goed noemt, en eindelijk, wat Hij zelf ons aanwijst. Zo wilde Jakob hier niets anders doen, dan een getuigenis afleggen, een bewijs leveren van zijn dankbaarheid; ten andere beloofde hij niets anders dan God te dienen, gelijk het betaamt, en eindelijk belooft hij geenszins in vermetelheid meer, dan hij bezit, maar slechts de tienden van zijn goed tot een heilige offergave.
Dit is een metonymische spreekwijze. Niet toch de steen zelf zou een huis van God zijn, maar op die plaats zou hij later de Heere dienen en verheerlijken.
Hoe menig Bethel was er op mijn weg! Mijn God! hoe kon Gij zo dikwijls mij leren en waarschuwen; mij redden uit de nood, mij door mijn eigen zonden berokkend; mij bewaren in gevaar, waarin ik mij moedwillig stortte; en dat, terwijl ik voortging en steeds ook na Uw zegeningen opnieuw voortging met U te vergeten, te beledigen, te bedroeven! Ik leefde zonder U, en voortdurend klopte U aan mijn hart, dat zich weer gedurig voor u sloot. Jarenlang wilde ik niet. Jarenlang wilde Gij wel. O God! heb dank, dat no zo menig Bethel, ook een Pniël werd gevonden!.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel