Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En AbrahamH85 voer voortH3254, en namH3947 een vrouwH802, wier naamH8034 was KeturaH6989.
En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura.
KJV
Then again1
Abraham2
took3
a wife,4
and her name5
was Keturah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En zij baardeH3205 hem ZimranH2175 en JoksanH3370, en MedanH4091 en MidianH4080, en JisbakH3435 en SuahH7744.
En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
KJV
And she bare1
him Zimran,4
and Jokshan,6
and Medan,8
and Midian,10
and Ishbak,12
and Shuah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En JoksanH3370 gewonH3205 SebaH7614 en DedanH1719; en de zonenH1121 van DedanH1719 warenH1961 de AssurietenH805, en LetusietenH3912, en LeummietenH3817.
En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten.
KJV
And Jokshan1
begat2
Sheba,4
and Dedan.6
And the sons7
of Dedan8
were Asshurim,10
and Letushim,11
and Leummim.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En de zonenH1121 van MidianH4080 waren EfaH5891 en EferH6081, en HenochH2585 en AbidaH28, en EldaaH420. DezeH428 allenH3605 waren zonenH1121 van KeturaH6989.
En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.
KJV
And the sons1
of Midian;2
Ephah,3
and Epher,4
and Hanoch,5
and Abida,6
and Eldaah.7
All these were the children10
of Keturah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Doch AbrahamH85 gafH5414 aan IzakH3327 alH3605 watH834 hij had.
Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had.
KJV
And Abraham2
gave1
all that he had unto Isaac.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Maar aan de zonenH1121 der bijwijvenH6370, dieH834 AbrahamH85 had, gafH5414 AbrahamH85 geschenkenH4979; en zondH7971 hen weg van zijn zoonH1121 IzakH3327, terwijlH5750 hij nog leefdeH2416, oostwaartsH6924 naarH413 het landH776 van het OostenH6924.
Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.
KJV
But unto the sons1
of the concubines,2
which Abraham4
had, Abraham6
gave5
gifts,7
and sent them away8
from Isaac10
his son,11
while he yet lived,13
eastward,14
unto the east17
country.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
DitH428 nu zijn de dagenH3117 der jarenH8141 des levensH2416 van AbrahamH85, welkeH834 hij geleefdH2425 heeft, honderdH3967 vijfH2568 en zeventigH7657 jarenH8141.
Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren.
KJV
And these are the days2
of the years3
of Abraham's5
life4
which he lived,7
an hundred8
threescore and fifteen10
years.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En AbrahamH85 gaf den geestH1478 en stierfH4191, in goedeH2896 ouderdomH7872, oudH2205 en des levens zat, en hij werd totH413 zijn volkenH5971 verzameldH622.
En Abraham gaf den geest en stierf, in goede ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
KJV
Then Abraham3
gave up the ghost,1
and died2
in a good5
old age,4
an old man,6
and full7
of years; and was gathered8
to his people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En IzakH3327 en IsmaelH3458, zijn zonenH1121, begroevenH6912 hem, in de spelonkH4631 van MachpelaH4375, in den akkerH7704 van EfronH6085, den zoonH1121 van ZoharH6714, den HethietH2850, welkeH834 tegenoverH6440 MamreH4471 is;
En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;
KJV
And his sons5
Isaac3
and Ishmael4
buried1
him in the cave7
of Machpelah,8
in the field10
of Ephron11
the son12
of Zohar13
the Hittite,14
which is before17
Mamre;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
In den akkerH7704, dienH834 AbrahamH85 vanH854 de zonenH1121 HethsH2845 gekochtH7069 had, daarH8033 is AbrahamH85 begravenH6912, en SaraH8283, zijn huisvrouwH802.
In den akker, dien Abraham van de zonen Heths gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw.
KJV
The field1
which Abraham4
purchased3
of the sons6
of Heth:7
there was Abraham10
buried,9
and Sarah11
his wife.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En het geschiedde naH310 AbrahamsH85 doodH4194, dat GodH430 IzakH3327, zijn zoonH1121, zegendeH1288; en IzakH3327 woondeH3427 bijH5973 de putH883 Lachai-RoiH2416.
En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-Roi.
KJV
And it came to pass after2
the death3
of Abraham,4
that God6
blessed5
his son9
Isaac;8
and Isaac11
dwelt10
by12
the well Lahairoi.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
DitH428 nu zijn de geboortenH8435 van IsmaelH3458, den zoonH1121 van AbrahamH85, dienH834 HagarH1904, de EgyptischeH4713, dienstmaagdH8198 van SaraH8283, AbrahamH85 gebaardH3205 heeft.
Dit nu zijn de geboorten van Ismael, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.
KJV
Now these are the generations2
of Ishmael,3
Abraham's5
son,4
whom Hagar8
the Egyptian,9
Sarah's11
handmaid,10
bare7
unto Abraham:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En ditH428 zijn de namenH8034 der zonenH1121 van IsmaelH3458, met hun namenH8034 naar hun geboortenH8435. De eerstgeboreneH1060 van IsmaelH3458, NabajothH5032; daarna KedarH6938, en AdbeelH110, en MibsamH4017,
En dit zijn de namen der zonen van Ismael, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismael, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
KJV
And these are the names2
of the sons3
of Ishmael,4
by their names,5
according to their generations:6
the firstborn7
of Ishmael,8
Nebajoth;9
and Kedar,10
and Adbeel,11
and Mibsam,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En MismaH4927, en DumaH1746, en MassaH4854,
En Misma, en Duma, en Massa,
KJV
And Mishma,1
and Dumah,2
and Massa,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
HadarH2316 en ThemaH8485, JeturH3195, NafisH5305 en KedmaH6929.
Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.
KJV
Hadar,
and Tema,2
Jetur,3
Naphish,4
and Kedemah:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Deze zijn de zonenH1121 van IsmaelH3458, en ditH428 zijn hun namenH8034, in hun dorpenH2691 en paleizenH2918, twaalfH8147 vorstenH5387 naar hun volkenH523.
Deze zijn de zonen van Ismael, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken.
KJV
These are the sons3
of Ishmael,4
and these are their names,6
by their towns,7
and by their castles;8
twelve9
princes11
according to their nations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En ditH428 zijn de jarenH8141 des levensH2416 van IsmaelH3458, honderdH3967 zevenH7651 en dertigH7970 jarenH8141; en hij gaf den geestH1478, en stierfH4191, en hij werd verzameldH622 totH413 zijn volkenH5971.
En dit zijn de jaren des levens van Ismael, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.
KJV
And these are the years2
of the life3
of Ishmael,4
an hundred5
and thirty7
and seven9
years:6
and he gave up the ghost11
and died;12
and was gathered13
unto his people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En zij woondenH7931 van HavilaH2341 totH5704 SurH7793 toe, hetwelkH834 tegenoverH5921 EgypteH4714 is, daar gij gaat naar AssurH804; hij heeft zich nedergeslagenH5307 voor het aangezichtH6440 van alH3605 zijn broederenH251.
En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.
KJV
And they dwelt1
from Havilah2
unto Shur,4
that is before7
Egypt,8
as thou goest9
toward Assyria:10
and he died15
in the presence12
of all his brethren.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
DitH428 nu zijn de geboortenH8435 van IzakH3327, den zoonH1121 van AbrahamH85: AbrahamH85 gewonH3205 IzakH3327.
Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.
KJV
And these are the generations2
of Isaac,3
Abraham's5
son:4
Abraham6
begat7
Isaac:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En IzakH3327 wasH1961 veertigH705 jarenH8141 oudH1121, als hij RebekkaH7259, de dochterH1323 van Betuel, den SyrierH761, uit Paddan-AramH6307, de zusterH269 van LabanH3837, den SyrierH761, zich ter vrouwH802 namH3947.
En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Betuel, den Syrier, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Syrier, zich ter vrouw nam.
Ook in dit vers
BethuelH1328
KJV
And Isaac2
was forty4
years5
old3
when he took6
Rebekah8
to wife,18
the daughter9
of Bethuel10
the Syrian11
of Padanaram,12
the sister14
to Laban15
the Syrian.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En IzakH3327 badH6279 den HEEREH3068 zeer in de tegenwoordigheidH5227 van zijn huisvrouwH802; wantH3588 zij was onvruchtbaarH6135; en de HEEREH3068 liet zich van hem verbiddenH6279, zodat RebekkaH7259, zijn huisvrouwH802, zwangerH2029 werd.
En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.
KJV
And Isaac2
intreated1
the LORD3
for4
his wife,5
because she was barren:7
and the LORD11
was intreated9
of him, and Rebekah13
his wife14
conceived.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En de kinderenH1121 stieten zich samen in haar lichaamH7130. Toen zeideH559 zij: Is het zo? waaromH4100 ben ikH595 dusH2088? en zij gingH3212 om den HEEREH3068 te vragenH1875.
En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen.
Ook in dit vers
stieten samenH7533
KJV
And the children2
struggled together1
within her;3
and she said,4
If it be so, why am I thus?8
And she went10
to enquire11
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En de HEEREH3068 zeideH559 tot haar: TweeH8147 volkenH1471 zijn in uw buikH990, en tweeH8147 natienH3816 zullen zich uit uw ingewandH4578 van een scheidenH6504; en het ene volkH3816 zal sterkerH553 zijn dan het andere volkH3816; en de meerdereH7227 zal den mindereH6810 dienenH5647.
En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.
KJV
And the LORD2
said1
unto her, Two4
nations5
are in thy womb,6
and two manner7
of people8
shall be separated10
from thy bowels;9
and the one people11
shall be stronger13
than the other people;12
and the elder14
shall serve15
the younger.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Als nu haar dagenH3117 vervuldH4390 waren om te barenH3205, zietH2009, zo waren tweelingenH8380 in haar buikH990.
Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
KJV
And when her days2
to be delivered3
were fulfilled,1
behold, there were twins5
in her womb.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En de eersteH7223 kwam uit, rosH132; hij was geheelH3605 als een harenH8181 kleedH155; daarom noemdenH7121 zij zijn naamH8034 EzauH6215.
En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.
KJV
And the first2
came out1
red,3
all over like an hairy6
garment;5
and they called7
his name8
Esau.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En daarnaH310 kwam zijn broederH251 uit, wiens handH3027 EzauH6215's verzenenH6119 hieldH270; daaromH3651 noemdeH7121 men zijn naamH8034 JakobH3290. En IzakH3327 was zestigH8346 jarenH8141 oudH1121, als hij hen gewonH3205.
En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.
KJV
And after1
that came3
his brother4
out,
and his hand5
took hold6
on Esau's8
heel;7
and his name10
was called9
Jacob:11
and Isaac12
was threescore14
years15
old13
when she bare
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Als nu deze jongerenH5288 grootH1431 werdenH1961, werd EzauH6215 een manH376, verstandigH3045 op de jachtH6718, een veldmanH376; maar JakobH3290 werd een oprechtH8535 manH376, wonendeH3427 in tentenH168.
Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.
KJV
And the boys2
grew:1
and Esau4
was a cunning6
hunter,7
a man5
of the field;9
and Jacob10
was a plain12
man,8
dwelling13
in tents.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En IzakH3327 had EzauH6215 liefH157; wantH3588 het wildbraadH6718 was naar zijn mondH6310; maar RebekkaH7259 had JakobH3290 liefH157.
En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief.
KJV
And Isaac2
loved1
Esau,4
because he did eat7
of his venison:6
but Rebekah8
loved9
Jacob.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En JakobH3290 had een kookselH5138 gekooktH2102; en EzauH6215 kwamH935 uitH4480 hetH1931 veldH7704, en was moedeH5889.
En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede.
KJV
And Jacob2
sod1
pottage:3
and Esau5
came4
from the field,7
and he was faint:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En EzauH6215 zeideH559 totH413 JakobH3290: Laat mij tochH4994 slorpenH3938 vanH4480 dat rodeH122, dat rodeH122 daar, wantH3588 ikH595 ben moedeH5889; daaromH3651 heeft men zijn naamH8034 genoemdH7121 EdomH123.
En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.
KJV
And Esau2
said1
to Jacob,4
Feed5
me, I pray thee, with7
that same8
red9
pottage; for I am faint:12
therefore was his name17
called16
Edom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Toen zeideH559 JakobH3290: VerkoopH4376 mij op dezen dagH3117 uw eerstgeboorteH1062.
Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.
KJV
And Jacob2
said,1
Sell3
me this day4
thy birthright.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En EzauH6215 zeideH559: ZieH2009, ikH595 ga stervenH4191; en waartoeH4100 mij dan de eerstgeboorteH1062?
En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?
KJV
And Esau2
said,1
Behold, I am at the point5
to die:6
and what profit shall this birthright
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Toen zeideH559 JakobH3290: ZweerH7650 mij op dezen dagH3117! en hij zwoerH7650 hem; en hij verkochtH4376 aan JakobH3290 zijn eerstgeboorteH1062.
Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.
KJV
And Jacob2
said,1
Swear3
to me this day;5
and he sware6
unto him: and he sold8
his birthright10
unto Jacob.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En JakobH3290 gafH5414 aan EzauH6215 broodH3899, en het linzenkookselH5138; en hij atH398 en dronkH8354, en hij stondH6965 op en gingH3212 heen; alzo verachtteH959 EzauH6215 de eerstgeboorteH1062.
En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
KJV
Then Jacob1
gave2
Esau3
bread4
and pottage5
of lentiles;6
and he did eat7
and drink,8
and rose up,9
and went his way:10
thus Esau12
despised11
his birthright.
voer
De zin is, dat hij na den dood van zijn huisvrouw en het trouwen van zijn zoon niet weduwnaar gebleven is; maar is voortgevaren om weder te trouwen.
Hertaald:
voer
De betekenis is dat hij na de dood van zijn vrouw en het trouwen van zijn zoon geen weduwnaar gebleven is, maar verdergegaan is met opnieuw te trouwen.
zij baarde
Hoewel Abraham nu omtrent 140 jaren oud mocht zijn, en zijn lichaam al verstorven was, toen hij honderd jaren oud was, boven Gen. 17:17; Rom. 4:19; nochtans heeft hij kinderen van deze Ketura gekregen, niet omdat hij weder wonderbaarlijk gesterkt was, evenals toen hij Izak gewon, maar omdat hij de mirakeleuse sterkte behouden had.
Hertaald:
zij baarde
Hoewel Abraham nu ongeveer 140 jaar oud was, en zijn lichaam al 'verstorven' was toen hij honderd jaar oud was, Gen. 17:17; Rom. 4:19, heeft hij toch kinderen bij deze Ketura gekregen — niet omdat hij opnieuw wonderbaarlijk gesterkt was, zoals toen hij Izak verwekte, maar omdat hij de wonderbaarlijke kracht van toen behouden had.
Zimran
Dezen en de volgenden zijn meest inwoners geweest van Arabië en andere van Kanaän oostwaarts gelegen plaatsen.
Hertaald:
Zimran
Deze en de volgenden zijn meestal inwoners geweest van Arabië en andere gebieden ten oosten van Kanaän.
Midian,
De vader en oorsprong der Midianieten; zie van dezen onder Gen. 36:35; Richt. 6:2; Jes. 10:26; zij waren naburen van de Moabieten, Num. 22:4, en zijn haastig van het geloof van Abraham tot afgoderij vervallen; Num. 25:16-18; hun land wordt ook Midian genoemd, Ex. 2:16; 1 Kon. 11:18.
Hertaald:
Midian,
De vader en oorsprong van de Midianieten; zie over hen Gen. 36:35; Richt. 6:2; Jes. 10:26. Zij waren buren van de Moabieten, Num. 22:4, en zijn al snel van het geloof van Abraham tot afgoderij vervallen; Num. 25:16-18. Hun land wordt ook Midian genoemd, Ex. 2:16; 1 Kon. 11:18.
Suah
Hebr. Schuah. Van dezen schijnt Bildad, Jobs vriend, afkomstig te zijn geweest, Job 2:11.
Hertaald:
Suah
Hebreeuws: Schuah. Hiervan schijnt Bildad, de vriend van Job, afkomstig te zijn geweest, Job 2:11.
Joksan
Hebr. Jokschan.
Hertaald:
Joksan
Hebreeuws: Jokschan.
Epha
Van Epha zie Jes. 60:6.
Hertaald:
Epha
Over Efa, zie Jes. 60:6.
Epher,
Men meent dat van dezen Afrika den naam heeft.
Hertaald:
Epher,
Men meent dat Afrika naar hem genoemd is.
zonen
Onder de zonen zijn hier mede begrepen de zonen van de zonen.
Hertaald:
zonen
Onder de zonen worden hier ook de zonen van de zonen begrepen.
gaf
Zie boven, Gen. 15:4 en Gen. 24:26.
Hertaald:
gaf
Zie Gen. 15:4 en Gen. 24:26.
bijwijven,
Van het woord bijvrouwen, zie boven, Gen. 22:24. Versta door deze bijwijven Hagar en Ketura, hoewel zij ook vrouwen genoemd worden.
Hertaald:
bijwijven,
Over het woord bijvrouwen, zie Gen. 22:24. Versta onder deze bijvrouwen Hagar en Ketura, hoewel zij ook vrouwen genoemd worden.
het land
Versta, de landen oostwaarts van Kanaän gelegen, als Arabië en Groot-Azië, enz.
Hertaald:
het land
Versta hieronder: de landen ten oosten van Kanaän, zoals Arabië en Groot-Azië, enz.
honderd vijf en zeventig jaren
Hebr. honderd jaar, en zeventig jaar, en vijf jaren. Alzo heeft Abraham, nadat hij van Ur vertrokken was, 105 jaren in vreemdelingenschap geleefd, en kindskinderen van vijftien jaren nagelaten: te weten, Jakob en Ezau, zoals af te nemen is uit vs.26. Intussen is Abraham nimmer bezweken in het geloof aan de beloften Gods, noch in geduld onder velerlei kruis, noch in de hoop der toekomende heerlijkheid, hoewel hij ook exempelen der menselijke zwakheid heeft nagelaten. Hij stierf [naar sommiger rekening] in het jaar na de schepping der wereld 2124, en na den dood zijner huisvrouw Sara 38.
Hertaald:
honderd vijf en zeventig jaren
Hebreeuws: honderd jaar, en zeventig jaar, en vijf jaar. Zo heeft Abraham, nadat hij uit Ur vertrokken was, 105 jaar in vreemdelingschap geleefd, en kleinkinderen van vijftien jaar nagelaten, namelijk Jakob en Ezau, zoals af te leiden is uit vers 26. Ondertussen is Abraham nooit bezweken in zijn geloof in de beloften van God, noch in geduld onder velerlei kruis, noch in de hoop op de toekomstige heerlijkheid, hoewel hij ook voorbeelden van menselijke zwakheid heeft nagelaten. Hij stierf (naar de berekening van sommigen) in het jaar 2124 na de schepping van de wereld, en 38 jaar na de dood van zijn vrouw Sara.
ouderdom,
Hebr. grijsheid, of grauwheid gelijk God hem beloofd had; bov., Gen. 15:15.
Hertaald:
ouderdom,
Hebreeuws: grijsheid, of grauwheid, zoals God hem beloofd had; Gen. 15:15.
zat,
Dat is, moede zijnde van den arbeid dezes levens, en verlangende naar de rust des toekomenden.
Hertaald:
zat,
Dat is: moe van de arbeid van dit leven, en verlangend naar de rust van het toekomende.
werd tot
Verg. boven Gen. 15:15.; idem, zie deze manier van spreken onder, vs.17, en Gen. 49:29; Num. 20:24, en Num. 27:13; Richt. 2:10.
Hertaald:
werd tot
Vergelijk Gen. 15:15; zie deze uitdrukking ook in vers 17, en Gen. 49:29; Num. 20:24, en Num. 27:13; Richt. 2:10.
in den akker
Zie boven, Gen. 23:9, Gen. 23:17, Gen. 23:19-20.
Hertaald:
in den akker
Zie Gen. 23:9, Gen. 23:17, Gen. 23:19-20.
daar is
Ook zijn naderhand daar begraven Izak en Jakob, met hun vrouwen; onder, Gen. 49:29, Gen. 49:31.
Hertaald:
daar is
Later zijn daar ook Izak en Jakob begraven, met hun vrouwen; zie Gen. 49:29, Gen. 49:31.
zegende;
Naar de beloften, die Hij Abraham tevoren gedaan had; boven, Gen. 17:7, Gen. 17:19.
Hertaald:
zegende;
Overeenkomstig de beloften die Hij Abraham eerder gedaan had; Gen. 17:7, Gen. 17:19.
Lachai-Róï.
Zie boven, Gen. 16:14, en Gen. 24:62.
Hertaald:
Lachai-Róï.
Zie Gen. 16:14, en Gen. 24:62.
geboorten
Dat is, nakomelingen uit hem geboren. Dit wordt hier verhaald om te bevestigen de waarheid der beloften Gods, gedaan boven, Gen. 16:10 en Gen. 17:20.
Hertaald:
geboorten
Dat is: nakomelingen uit hem geboren. Dit wordt hier verteld om de waarheid van de beloften van God te bevestigen, gedaan in Gen. 16:10 en Gen. 17:20.
hun namen
Dat is, zoals zij genaamd worden naar de orde hunner geboorten; men meent dat deze twaalf zonen van Ismael gewoond hebben in het land Nabathea, gelegen tussen de Eufraat en de Rode zee.
Hertaald:
hun namen
Dat is: zoals zij genoemd worden naar de volgorde van hun geboorte; men meent dat deze twaalf zonen van Ismaël gewoond hebben in het land Nabathea, gelegen tussen de Eufraat en de Rode Zee.
Nebájoth;
Zie Jes. 60:7.
Hertaald:
Nebájoth;
Zie Jes. 60:7.
Kedar,
Zie Ps. 120:5; Hoogl. 1:5; Jes. 21:16; Jer. 49:28; Ezech. 27:21.
Hertaald:
Kedar,
Zie Ps. 120:5; Hoogl. 1:5; Jes. 21:16; Jer. 49:28; Ezech. 27:21.
Mibsam,
Van een anderen Mibsam, die de zoon van Simeon was, lezen wij 1 Kron. 4:25.
Hertaald:
Mibsam,
Over een andere Mibsam, de zoon van Simeon, lezen wij 1 Kron. 4:25.
Duma,
Zie Jes. 21:11; het is ook de naam van een stad in den naam van Juda, Joz. 15:52.
Hertaald:
Duma,
Zie Jes. 21:11; het is ook de naam van een stad in de stam van Juda, Joz. 15:52.
Massa,
Aldus heet ook de plaats aan den berg Horeb, waar het volk Israels met Mozes twistte.
Hertaald:
Massa,
Zo heet ook de plaats bij de berg Horeb, waar het volk Israël met Mozes twistte.
Thema,
Zie Job 6:19; Jer. 25:23.
Hertaald:
Thema,
Zie Job 6:19; Jer. 25:23.
twaalf
Dit is de vervulling der belofte, gegeven boven Gen. 17:20.
Hertaald:
twaalf
Dit is de vervulling van de belofte, gegeven in Gen. 17:20.
en hij
Zie boven Gen. 15:15, en boven, vs.8.
Hertaald:
en hij
Zie Gen. 15:15, en vers 8.
Havila
Zie boven, Gen. 2:11, en de aantekening daarop.
Hertaald:
Havila
Zie Gen. 2:11, en de aantekening daar.
Sur
Zie boven, Gen. 16:7, en Gen. 20:1.
Hertaald:
Sur
Zie Gen. 16:7, en Gen. 20:1.
hij heeft
Te weten, met ter woon. Zie Num. 34:2; Richt. 7:12. Hebr. hij is gevallen, te weten, met zijn lot en erf, Joz. 23:4; Ps. 78:55.
Hertaald:
hij heeft
Namelijk: om er te wonen. Zie Num. 34:2; Richt. 7:12. Hebreeuws: hij is gevallen, namelijk met zijn lot en erfdeel, Joz. 23:4; Ps. 78:55.
voor het
Zie boven, Gen. 16:12.
Hertaald:
voor het
Zie Gen. 16:12.
de geboorten
Dat is, afkomst en nakomelingen.
Hertaald:
de geboorten
Dat is: afkomst en nakomelingen.
veertig jaren
Hebr. zoon van veertig jaar.
Hertaald:
veertig jaren
Hebreeuws: zoon van veertig jaar.
uit
Of, het landschap Mesopotamië boven genoemd Syrië der twee rivieren, Gen. 24:10, of een stad, of omtrek aldaar gelegen.
Hertaald:
uit
Of: het landschap Mesopotamië, hierboven Syrië der twee rivieren genoemd, Gen. 24:10, of een stad, of streek daar gelegen.
bad den
Anders, hield aan met bidden. In deze oefening des gebeds schijnt Izak zeer lang geweest te zijn, dewijl hij zijn twee zonen eerst gekregen heeft zestig jaren oud zijnde, onder, vs.26, toen hij twintig jaren met Rebekka was getrouwd geweest, vs.20. Het schijnt een plechtig of bestemd gebed geweest te zijn, hetwelk zij beiden eendrachtiglijk samen gedaan hebben, om God den HEERE kinderen af te bidden. Anderen verstaan dus, dat Izak alleen gebeden heeft voor Rebekka, als hebbende haar voor zich in zijn gedachten.
Hertaald:
bad den
Anders: hield aan met bidden. In deze oefening van het gebed lijkt Izak zeer lang volhard te hebben, aangezien hij zijn twee zonen pas kreeg toen hij zestig jaar oud was, vers 26, terwijl hij op twintigjarige leeftijd met Rebekka getrouwd was, vers 20. Het lijkt een plechtig of vastgesteld gebed geweest te zijn, dat zij beiden eendrachtig samen gedaan hebben om de HEERE om kinderen te bidden. Anderen menen dat Izak alleen voor Rebekka gebeden heeft, haar daarbij voor ogen hebbend.
van hem
Hebr. voor, of aan hem, dat is, de HEERE liet zich tot zijn best verbidden.
Hertaald:
van hem
Hebreeuws: voor, of aan hem, dat is: de HEERE liet zich gunstig door hem verbidden.
de kinderen
Hebr. zonen.
Hertaald:
de kinderen
Hebreeuws: zonen.
stieten
Te weten, op een ongewoon, zeldzame, smartelijke wijze, betekenende de scheiding en vijandschap dezer twee kinderen en hun nakomelingen.
Hertaald:
stieten
Namelijk: op een ongewone, zeldzame, pijnlijke wijze, die de scheiding en vijandschap van deze twee kinderen en hun nakomelingen voorafbeeldde.
lichaam
Hebr. in het binnenste van haar.
Hertaald:
lichaam
Hebreeuws: in haar binnenste.
waarom
Hebr. waarom ik dus? of waartoe ik dit? Het zijn afgebroken woorden, voortkomende uit ongeduld en ontzetting over dit zeldzame werk. De zin schijnt te zijn: is het zo te doen! waarom mocht ik naar kinderen wensen? of waarom geeft die mij God? of waarom ben ik dragende geweest? of waartoe ben ik nog in het leven?
Hertaald:
waarom
Hebreeuws: waarom ik zo? Of: waartoe dit? Het zijn afgebroken woorden, voortkomend uit ongeduld en ontsteltenis over dit zeldzame gebeuren. De betekenis lijkt te zijn: is het zo gesteld! Waarom zou ik naar kinderen verlangd hebben? Of: waarom geeft God mij dit? Of: waarom ben ik zwanger geweest? Of: waartoe ben ik nog in leven?
ging om
Te weten, in een eenzame plaats, om den HEERE in dezen nood vuriglijk te bidden; of om zijn mening te verstaan door enigen profeet, zoals Abraham zelf, of enigen anderen nog levenden godzaligen patriarch.
Hertaald:
ging om
Namelijk: naar een eenzame plaats, om de HEERE in deze nood vurig te bidden; of om zijn wil te vernemen via een profeet, zoals Abraham zelf, of een andere nog levende godvrezende patriarch.
de HEERE
Te weten, door enige tegenwoordige aanspraak, of door een gezicht, of in den droom, of door inwendige ingeving, geschied aan haarzelve, of aan enig profeet, die het haar van Gods wege heeft aangediend.
Hertaald:
de HEERE
Namelijk: door een rechtstreekse toespraak, of door een visioen, of in een droom, of door inwendige ingeving, hetzij aan haarzelf, hetzij aan een profeet, die het haar namens God bekendgemaakt heeft.
Twee
Dat is, vaders van twee volken, te weten: Edomieten en Israëlieten.
Hertaald:
Twee
Dat is: vaders van twee volken, namelijk: Edomieten en Israëlieten.
vaneen
Hetwelk vervuld is, niet alleen lichamelijk, ten aanzien van Jakob en Ezau, alsook de Israeliëten en Edomieten, maar ook geestelijk, ten aanzien van de ware kerk en het volk Gods en de vijanden derzelve.
Hertaald:
vaneen
Dit is vervuld, niet alleen naar het lichamelijke, met betrekking tot Jakob en Ezau, en de Israëlieten en Edomieten, maar ook naar het geestelijke, met betrekking tot de ware kerk en het volk van God en haar vijanden.
het ene
De zin is, dat de ene broeder den anderen en het ene volk het andere in macht zouden te boven gaan.
Hertaald:
het ene
De betekenis is dat de ene broeder de andere, en het ene volk het andere, in macht zou overtreffen.
de meerdere
Deze woorden verklaren de voorgaande. Versta door den meerderen Ezau, welke, ten aanzien van de eerstgeboorte, van de sterkte des lichaams en van het uiterlijk vermogen, de grootste geweest is; gelijk ook zijn nakomelingen lang het gebergte Seïr bezeten en daarin geregeerd hebben, toen de kinderen Israels vreemdelingen in Kanaän, slaven in Egypte, en arme reizigers in de woestijn waren. Niettemin zou deze meerdere den minderen onderworpen zijn en dienen; hetwelk vervuld is, eerst in Jakob, toen hij, het recht der eerstgeboorte verkregen hebbende, een heer zijns broeders geworden is; daarna in zijn nakomelingen, toen zij het land Kanaän geërf en de Edomieten aan zich cijnsbaar gemaakt hebben; zie 2 Sam. 8:14. Dit wordt ook vervuld in de ware kerk, welke, hoewel zij naar de uiterlijke heerlijkheid en macht veel geringer is dan de valse, is nochtans Christus door zijn woord en Geest in het midden van haar, over al zijne en hare vjianden heersende.
Hertaald:
de meerdere
Deze woorden lichten het voorgaande toe. Versta onder de meerdere Ezau, die, wat eerstgeboorterecht, lichaamskracht en uiterlijk vermogen betreft, de grootste is geweest; zoals ook zijn nakomelingen lange tijd het gebergte Seïr bezaten en daarin regeerden, terwijl de kinderen Israëls vreemdelingen in Kanaän, slaven in Egypte, en arme reizigers in de woestijn waren. Toch zou deze meerdere aan de mindere onderworpen zijn en hem dienen; dit is vervuld, eerst in Jakob, toen hij, het eerstgeboorterecht verkregen hebbend, heer over zijn broeder werd; daarna in zijn nakomelingen, toen zij het land Kanaän in bezit namen en de Edomieten aan zich schatplichtig maakten; zie 2 Sam. 8:14. Dit wordt ook vervuld in de ware kerk, die, hoewel naar uiterlijke heerlijkheid en macht veel geringer dan de valse kerk, toch door Christus, door zijn Woord en Geest in haar midden, heerst over al haar en zijn vijanden.
kleed;
Het Hebr. woord betekent een overkleed, bijv. een mantel, rok.
Hertaald:
kleed;
Het Hebreeuwse woord betekent een overkleed, bijvoorbeeld een mantel, een rok.
Ezau
Dat is, gemaakt, volmaakt, omdat hij haar had als een volwassen man.
Hertaald:
Ezau
Dat is: gemaakt, volmaakt, omdat hij haar had als een volwassen man.
Jakob
Hebr. Jacob. Deze naam betekent zoveel, alsof men zeide: hielhouder; zie onder, Gen. 27:36.
Hertaald:
Jakob
Hebreeuws: Jaäkob. Deze naam betekent zoveel als: hielhouder; zie Gen. 27:36.
was zestig
Hebr. een zoon van zestig jaar. Gelijk Abraham honderd jaren oud zijnde, 25 jaren gewacht had naar de vervulling der belofte Gods, boven Gen. 12:4; alzo heeft Izak, nu oud zijnde zestig jaren, tevoren twintig jaren moeten wachten op de vervulling dezer belofte. Zo weet God de zijnen te beproeven en te oefenen.
Hertaald:
was zestig
Hebreeuws: een zoon van zestig jaar. Zoals Abraham, honderd jaar oud, 25 jaar gewacht had op de vervulling van Gods belofte, Gen. 12:4, zo heeft Izak, nu zestig jaar oud, daarvoor twintig jaar moeten wachten op de vervulling van deze belofte. Zo weet God de zijnen te beproeven en te oefenen.
als hij
Of, als zij hen baarde, want de tekst kan beide betekenen.
Hertaald:
als hij
Of: toen zij hen baarde, want de tekst kan beide betekenen.
verstandig
Hebr. verstaande de jacht, dat is, jager.
Hertaald:
verstandig
Hebreeuws: verstand hebbend van de jacht, dat is: jager.
een veldman;
Dat is, die liever op het veld dan tehuis was; zie boven, Gen. 9:20.
Hertaald:
een veldman;
Dat is: iemand die liever op het veld was dan thuis; zie Gen. 9:20.
oprecht
Zie boven, Gen. 6:9.
Hertaald:
oprecht
Zie Gen. 6:9.
wonende
Dat is, hij leidde een stil leven, zijnde niet woest noch uithuizig, zoals zijn broeder; maar de huislijke zaken en het veewerk verzorgende. Tot beiden dienende de tenten en hutten; zie boven, Gen. 4:20, en Hebr. 11:9.
Hertaald:
wonende
Dat is: hij leidde een stil leven, niet woest of uithuizig zoals zijn broer, maar zorgend voor de huiselijke zaken en het veewerk. Voor beiden dienden de tenten en hutten; zie Gen. 4:20, en Hebr. 11:9.
het wildbraad
Anders, wildvang, of jachtvang.
Hertaald:
het wildbraad
Anders: wildvang, of jachtbuit.
was naar
Dat is, was hem een aangename spijs, en mondde hem goed. Een menselijke zwakheid in dezen vromen patriarch, dat hij daarom dezen meer beminde, omtrent wien hij Gods mening tevoren klaar genoeg verstaan had.
Hertaald:
was naar
Dat is: was hem een aangename spijs, en smaakte hem goed. Een menselijke zwakheid van deze vrome patriarch, dat hij hem daarom meer liefhad, terwijl hij Gods bedoeling met betrekking tot hem eigenlijk al duidelijk genoeg begrepen had.
een kooksel
Het Hebreeuwse woord betekent allerlei kooksel, als moes, potaadje, enz., maar onder, vs.34, wordt het genoemd een linzenkooksel.
Hertaald:
een kooksel
Het Hebreeuwse woord betekent allerlei kooksel, zoals moes, brij, enz., maar in vers 34 wordt het een linzenkooksel genoemd.
dat rode
Het woord wordt verdubbeld, om te tonen zijn onmatige begeerte tot dit kooksel, dat hem zeer schoon en smakelijk toescheen; of omdat het zeer ros was; alzo goed, goed voor; zeer goed, Richt. 11:25; kwaad, kwaad, voor: zeer kwaad, Spr. 20:14.
Hertaald:
dat rode
Het woord wordt herhaald om zijn onmatige begeerte naar dit kooksel te tonen, dat hem zeer mooi en smakelijk voorkwam; of omdat het zeer rossig was; zo ook 'goed, goed' voor: zeer goed, Richt. 11:25; 'kwaad, kwaad' voor: zeer kwaad, Spr. 20:14.
Edom
Dat is, rood, eensdeels omdat hij rood was van huid gelijk boven, vs.25, anderdeels, vanwege dit rode kooksel, waarop hij zo verzot was.
Hertaald:
Edom
Dat is: rood, deels omdat hij rood was van huid, zoals in vers 25, deels vanwege dit rode kooksel, waarop hij zo verzot was.
eerstgeboorte
Dat is, het recht der eerstgeboorte, bestaande <i>I.</i> in de eer en heerschappij over zijn broeders; boven, Gen. 4:7, en Gen. 49:3; 2 Kron. 21:3, en Ps. 89:28; <i>II.</i> in de dubbel portie van de goederen. Deut. 21:17; <i>III.</i> in het recht tot het priesterschap na het overlijden van den huisvader, inzonderheid na het doden der eerstgeborenen in Egypte, totdat het priesterschap op en stam van Levi gekomen is; Num. 8:16-19.
Hertaald:
eerstgeboorte
Dat is: het recht van de eerstgeboorte, bestaande, I. uit de eer en heerschappij over zijn broers; Gen. 4:7, en Gen. 49:3; 2 Kron. 21:3, en Ps. 89:28; II. uit het dubbele deel van de goederen, Deut. 21:17; III. uit het recht op het priesterschap na het overlijden van de huisvader, vooral na het doden van de eerstgeborenen in Egypte, totdat het priesterschap op de stam van Levi is overgegaan; Num. 8:16-19.
ik ga
Dat is, ik ben toch dagelijks op de jacht in perijkel van den een of den anderen tijd om het leven te geraken; of, ik moet toch eenmaal sterven; wat zal mij dan baten het recht der eerstgeboorte? Sommigen verstaan dat hij spreekt van zijn afgematheid en honger.
Hertaald:
ik ga
Dat is: ik verkeer toch dagelijks op de jacht in gevaar om vroeg of laat om het leven te komen; ofwel: ik moet toch eenmaal sterven — wat baat mij dan het recht van de eerstgeboorte? Sommigen menen dat hij spreekt over zijn uitputting en honger.
waartoe
Alzo verwerpt Ezau met een onheilig hart dit groot en treffelijk recht der eerstgeboorte. Zie Hebr. 12:16, en onder, vs.34.
Hertaald:
waartoe
Zo verwerpt Ezau met een goddeloos hart dit grote en voortreffelijke recht van de eerstgeboorte. Zie Hebr. 12:16, en vers 34.
op dezen
Hebr. Als heden.
Hertaald:
op dezen
Hebreeuws: als heden. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De zoon van Jered en vader van Metuselah, de zevende van Adam af. Van hem wordt tot tweemaal toe gezegd dat hij 'met God wandelde' (Gen. 5:21-24) — een bijzondere aanduiding van een leven in nauwe gemeenschap met de HEERE. Na 365 jaar 'was hij niet meer, want God nam hem weg': hij is, net als later Elia, zonder te sterven van de aarde weggenomen (Hebr. 11:5). De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5). De vrouw en tegelijk halfzuster van Abram (Gen. 11:29; 20:12). Onder deze naam wordt zij voor het eerst genoemd; later, bij de instelling van het verbond der besnijdenis, zou haar naam veranderd worden in Sarah, 'vorstin' (Gen. 17:15), toen haar werd beloofd dat zij, ondanks haar hoge leeftijd, de moeder van de beloofde zoon zou worden. De Egyptische slavin van Sarai, die haar aan Abram tot bijvrouw gaf omdat zijzelf onvruchtbaar was (Gen. 16:1-3). Toen zij zwanger was, werd zij hoogmoedig tegen haar meesteres en vluchtte na Sarais hardheid de woestijn in, waar de Engel des HEEREN haar bij een waterbron aantrof en haar beval terug te keren, met de belofte dat haar zoon een zeer talrijk nageslacht zou krijgen. Later, na de geboorte van Izak, werd zij met haar zoon Ismaël definitief weggezonden (Gen. 21). De zoon van Abram en Hagar, geboren toen Abram zesentachtig jaar oud was (Gen. 16:15-16). Zijn naam verwijst naar de woorden van de Engel tot Hagar: 'de HEERE heeft uw verdrukking aangehoord.' Hij groeide op als een 'woudezel van een mens', werd op dertienjarige leeftijd besneden (Gen. 17:25), en werd, na de geboorte van Izak, met zijn moeder weggezonden. Hij vestigde zich in de woestijn Paran en werd de stamvader van twaalf vorsten, de Ismaëlieten. De zoon van Abraham en Sara, geboren toen Abraham honderd jaar oud was, precies zoals de HEERE beloofd had (Gen. 21:1-5). Zijn naam herinnert aan het ongelovige lachen van zowel Abraham (Gen. 17:17) als Sara (Gen. 18:12) toen hun deze geboorte was aangekondigd, en later aan Sara's vreugdevolle lach (Gen. 21:6). Als het kind der belofte is Izak in het Nieuwe Testament een voorafbeelding van de gelovigen, 'kinderen der belofte' (Gal. 4:28), en zijn beoogde offering op de berg Moria (Gen. 22) een beeld van de opoffering van Gods eigen Zoon. De dochter van Bethuel, hier voor het eerst genoemd in de geslachtslijst van Nahor (Gen. 22:23), en later, in Gen. 24, door Abrahams knecht bij de put gevonden en tot vrouw van Izak gemaakt. Zij zou de moeder worden van Ezau en Jakob, en toonde een sterke wil die haar zachtaardige man vaak overvleugelde, onder meer bij het verkrijgen van de zegen voor Jakob (Gen. 27). Een Hethiet uit Hebron, van wie Abraham na de dood van Sara de spelonk van Machpela met het omliggende veld kocht als familiebegraafplaats (Gen. 23). Hier werden later ook Abraham zelf, Izak, Rebekka, Jakob en Lea begraven. De zoon van Bethuel en broer van Rebekka (Gen. 24:29). Hij woonde te Haran in Mesopotamië. Later, wanneer zijn neef Jakob bij hem zijn toevlucht zoekt, blijkt Laban een sluw en berekenend man: hij laat Jakob eerst met Lea trouwen in plaats van de beloofde Rachel, en verandert herhaaldelijk Jakobs loon (Gen. 29-31). De vrouw die Abraham na de dood van Sara tot zich nam (Gen. 25:1). Zij baarde hem zes zonen, onder wie Midian, wier nageslacht later bekendstond als 'de kinderen van het oosten'. Aan hen gaf Abraham geschenken en zond hen weg van Izak, om hem als enige erfgenaam van de belofte te laten. De eerstgeboren tweelingzoon van Izak en Rebekka, rossig en over zijn hele lichaam behaard geboren, waaraan hij zijn naam ontleent (Gen. 25:25). Hij werd een ervaren jager en een man van het veld, en verkocht in een ogenblik van honger zijn eerstgeboorterecht aan zijn broer Jakob voor een schotel linzenmoes. Hij werd de stamvader van de Edomieten. De tweede tweelingzoon van Izak en Rebekka, geboren terwijl hij de hiel van zijn broer Ezau vasthield, waaraan zijn naam is ontleend (Gen. 25:26). Hij verwierf sluw het eerstgeboorterecht en later, met hulp van zijn moeder, ook de zegen van zijn vader. Later zou God zijn naam veranderen in Israël (Gen. 32:28), en uit zijn twaalf zonen zouden de twaalf stammen van Israël voortkomen. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Het land dat door de Pison omvloeid werd, rijk aan goed goud, bdellium (balsemhars) en de "schoham-steen" (in onze vertalingen: onyx — vermoedelijk malachiet of turkoois). Geschiedenis: De naam Havila keert later terug als grensaanduiding van het gebied van de Ismaëlieten (Gen. 25:18) en de Amalekieten (1 Sam. 15:7); ook twee latere volken — een uit het geslacht van Cham/Cus, een uit dat van Sem/Joktan — dragen deze naam (Gen. 10:7, 29), te onderscheiden van het geografische Havila hier. Bijbelse betekenis: Beeld van overvloed en rijkdom aan de rand van de bewoonde wereld. Gen. 2:11-12; Gen. 10:7,29; Gen. 25:18; 1 Sam. 15:7 Ligging: Circa 32 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, gelegen in een open dal, ruim 900 meter boven zeeniveau — een van de oudste en belangrijkste steden van Zuid-Palestina. Volgens Num. 13:22 gesticht vóór Zoan (Tanis) in Egypte. Geschiedenis: Hier woonde Abram bij de eiken van Mamre (Gen. 13:18); vandaar trok hij Lot te hulp na diens gevangenneming (Gen. 14); hier werd zijn naam veranderd in Abraham (Gen. 17); hier kwamen de drie mannen met de belofte van een zoon (Gen. 18); hier stierf Sara, en kocht Abraham de spelonk van Machpela als haar graf (Gen. 23) — de begraafplaats van vrijwel alle aartsvaders en hun vrouwen, behalve Rachel. Later werd Hebron een Levitische stad en vrijstad (Joz. 21); hier regeerde David zevenenhalf jaar voordat hij Jeruzalem tot zijn hoofdstad maakte (2 Sam. 5); hier ontstond ook de opstand van Absalom (2 Sam. 15). Bijbelse betekenis: De plaats die door de hele aartsvadergeschiedenis heen steeds opnieuw terugkeert als woonplaats en begraafplaats van Abraham, Izak en Jakob — daarmee in zekere zin het geestelijke thuis van de patriarchen in het beloofde land. Archeologie: De oudtestamentische stad wordt gezocht op de heuvel er-Roemeidi, ten westen van het huidige Hebron, waar cyclopische muren en andere sporen van oude bewoning zijn aangetroffen; een grondige opgraving van deze heuvel had in 1915 nog niet plaatsgevonden. Gen. 13:18; 14:13; 17:1-5; 18:1; 23; 35:27; 37:14; Num. 13:22; Joz. 14:12-15; 21:11; 2 Sam. 5:1-5; 15:7-10 Ligging: De "eiken" (of terebinten) van Mamre, waar Abram zijn tent opsloeg, worden beschreven als gelegen "in Hebron" (Gen. 13:18); Mamre wordt zelfs met Hebron zelf gelijkgesteld (Gen. 23:19). De overlevering over de precieze locatie van de boom verschilt door de eeuwen heen, telkens bepaald door de aanwezigheid van een geschikte oude boom; de vroegste overlevering wees Ramet el-Chalil aan, een latere (vanaf de 12e eeuw) een plek een stukje ten noordwesten van het huidige Hebron. Geschiedenis: Hier bouwde Abram een altaar voor de HEERE (Gen. 13:18); hier ontving hij de drie mannen/engelen met de belofte van Izaks geboorte (Gen. 18); ten oosten van Mamre lag de spelonk van Machpela, waar Sara, Abraham, Izak, Rebekka, Lea en Jakob begraven werden (Gen. 23:17,19; 25:9; 49:30; 50:13). Bijbelse betekenis: De plek van Gods verschijning aan Abraham met de belofte van de zoon der belofte — een van de meest intieme ontmoetingen tussen God en een aartsvader in de hele Schrift. Archeologie: Bij Ramet el-Chalil, de vroegste overgeleverde locatie, bevinden zich de resten van een door Herodes en later door keizer Constantijn aangelegde ommuurde heilige plaats; een eeuwenoude, inmiddels afstervende steeneik bij het huidige Hebron wordt sinds de 12e eeuw als "Abrahams eik" vereerd. Gen. 13:18; 14:13,24; 18:1; 23:17,19; 25:9; 35:27; 49:30; 50:13 Ligging: Een woestijn ten oosten van de Golf van Suez, tegenover Egypte, op de weg naar Assyrië (Gen. 25:18). Geschiedenis: Hierheen vluchtte Hagar, de Egyptische slavin van Sarai, toen zij voor haar meesteres wegvluchtte; onderweg, bij een bron "op de weg naar Sur", ontmoette de Engel des HEEREN haar (Gen. 16:7). Abraham woonde later "tussen Kades en Sur" (Gen. 20:1). Na de doortocht door de Schelfzee trokken de Israëlieten de woestijn Sur in, die zich drie dagreizen ver naar het zuiden uitstrekte (Ex. 15:22). Bijbelse betekenis: De plaats waar Hagar, gevlucht en radeloos, als eerste mens in de Bijbel de HEERE een naam geeft: "Gij, God, ziet mij" — een aanwijzing dat Gods zorg zich ook uitstrekt tot wie buiten het verbondsvolk lijkt te vallen. Gen. 16:7; 20:1; 25:18; Ex. 15:22; 1 Sam. 15:7; 27:8 Ligging: Een bron in de woestijn, "op de weg naar Sur", gelegen tussen Kades en Bered, in het Zuiderland (Negeb). Geschiedenis: Hier verscheen de Engel des HEEREN aan de gevluchte Hagar met de belofte dat haar nageslacht zeer talrijk zou worden en dat haar zoon Ismaël genoemd zou worden (Gen. 16:7-14). Later woonde Izak een tijd in de omgeving van deze bron (Gen. 24:62; 25:11). Bijbelse betekenis: De plaats waar voor het eerst in de Schrift een mens de HEERE een naam geeft, als antwoord op de ervaring gezien en gekend te zijn door God in de diepste verlatenheid. Gen. 16:7-14; 24:62; 25:11 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Als eerstgeborene had Ezau van rechtswege een dubbel erfdeel en een voorrangspositie boven zijn broer Jakob. Uitgeput van de jacht verkocht hij dit recht voor een enkele maaltijd linzenmoes aan Jakob, en verachtte daarmee, zegt de Schrift uitdrukkelijk, zijn eerstgeboorterecht (Gen. 25:29-34). Bijbelse betekenis: Het eerstgeboorterecht was in Israël een voorrecht met blijvende waarde — het ging niet alleen om een groter erfdeel, maar bij de aartsvaders ook om het dragen van de verbondsbelofte. Dat Ezau dit voor een ogenblikkelijke bevrediging wegdeed, toont een minachting voor wat blijvend is ten gunste van wat vergankelijk is. Typologie: De Hebreeënbrief noemt Ezau daarom een onheilige, die om één maaltijd het recht van zijn eerstgeboorte weggaf (Hebr. 12:16). Hij waarschuwt de gelovigen zich voor eenzelfde onbezonnenheid te wachten: het prijsgeven van een blijvend geestelijk goed voor een vergankelijk, aards genot. Gen. 25:29-34; Hebr. 12:16-17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking Izak is veertig jaar getrouwd voordat er kinderen komen, en ook dan alleen omdat hij erom bidt. Rebekka draagt een tweeling die haar het leven zuur maakt: de kinderen stoten zich samen in haar lichaam. Zij gaat ermee naar God toe. Voordat de tweeling geboren is, zegt God langs welke van de twee de lijn verder loopt — en Paulus gebruikt juist dat om uit te leggen wat verkiezing is. Het antwoord dat Rebekka krijgt is geen troost maar een profetie: “Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.” Wat er in haar gebeurt, is geen ongemak maar een voorafschaduwing. Hier is een opmerking op haar plaats die men niet vaak hoort. In het Hebreeuws is die laatste regel niet volstrekt eenduidig; men kan haar ook lezen als de mindere zal de meerdere dienen. Eén klein woordje had het verschil kunnen wegnemen, en God heeft dat woordje niet gebruikt. Sommige uitleggers denken daarom dat Izak, die de HEERE vreesde, de uitspraak anders verstond dan Rebekka. Het is immers moeilijk te geloven dat hij de zegen van de eerstgeborene met opzet aan Ezau gaf, dwars tegen Gods bekendgemaakte wil in. Dat is de moeite van het onthouden waard, en niet alleen voor dit hoofdstuk. Profetie onthult veel over de toekomst, maar niet alles. Wij moeten benadrukken wat er staat en niet met stelligheid speculeren over wat God niet heeft willen onthullen. Wat God door de profetie bepaalt, komt zeker uit; wat mensen ervan menen te begrijpen, deelt in die zekerheid niet. En Gods voornemen liep hier ook niet stuk op het misverstand van een oude vader. Het vervolg laat zien hoe de twee jongens zijn. Ezau is een man van het veld, verstandig op de jacht; Jakob is een oprecht man, wonende in tenten. En dan komt het tafereel om de eerstgeboorte. Ezau komt moe binnen, ruikt het kooksel, en vraagt erom met een zin waarin men zijn honger hoort: laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar. Jakob ziet zijn kans en vraagt de eerstgeboorte. Ezau's antwoord is dat van een man die niet verder kijkt dan die middag: zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? Het slot van het hoofdstuk oordeelt niet over Jakobs berekening maar over Ezau's minachting: hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte. Vijf werkwoorden achter elkaar, en dan één woord dat alles zegt. De Hebreeënbrief noemt hem daarom een onheilige, die voor één spijze zijn eerstgeboorte weggaf. En Paulus gebruikt deze geschiedenis om iets uit te leggen dat er dwars doorheen loopt. Toen de kinderen nog niet geboren waren en niets goeds of kwaads gedaan hadden, werd er al gezegd: de meerdere zal den mindere dienen. Zijn punt is dat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast zou blijven: niet in de werken heeft het zijn grond, maar in Hem Die roept. De lijn naar Christus wordt hier dus niet door een verdienste bepaald en ook niet door de gewone volgorde van geboorte, maar door een roeping die eraan voorafgaat. In het Nieuwe Testament: Romeinen 9:10-13; Hebreeën 12:16-17; Maleachi 1:2-3; Genesis 27:27-29 Hoever dit reikt: Paulus haalt vers 23 zelf aan en past het toe op de verkiezing; over die uitleg bestaat dus geen twijfel. Bij de vertaling van die regel is voorzichtigheid op haar plaats: het Hebreeuws laat ook toe haar om te keren, en dat is een opmerking van uitleggers die de moeite van het vermelden waard is, geen aantasting van wat Paulus ermee doet. Dat Izak de uitspraak verkeerd verstaan zou hebben, is eveneens een vermoeden en staat er niet.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Genesis 25
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De meerdere zal den mindere dienen — 25:21-34
Wat betekenen de niveaus?


Genesis 25
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
ABRAHAMS TWEEDE HUWELIJK. ISMAELS EN ISAAK’S ZONEN.
I. Gen. 25 vers 1-11
Abraham neemt Ketûra tot vrouw, verwekt zes zonen bij haar, die hij, als zij groot geworden zijn, met geschenken laat heengaan. Hij bereikt een ouderdom van 175 jaar, en wordt door Izaak en Ismaël in de spelonk van Machpéla begraven.
1. En Abraham voer voort, en nam, nadat hij voor Izaak gezorgd had (hoofdstuk. 24) om zijn dagen niet eenzaam te Hebron te moeten doorbrengen, een vrouw, 1) wier naam was Ketûra (reukwerk).
1) Abraham heeft eerst na Sara’s dood Ketûra genomen; dus toen hij 137 jaar oud was; terwijl zij, hoewel de enige vrouw zijnde, nochtans slechts de rechten van een bijvrouw had. (vs.6). Of dit huwelijk is gesloten vóór of na Isaak’s huwelijk, is niet zeker. Wellicht wel vóór die tijd, en dat Izaak daarom een eigen huishouden is begonnen. (hoofdstuk. 24:62).
2. a) En zij baarde hem, die met nieuwe levenskracht begaafd was geworden (hoofdstuk 17:17,18), Zimran (beroemde), en Joksan (vogelaar) en Medan (twist) en Midian (strijd) en Jisbak (verlatene), en Suah (treurig).
a) 1 Kronieken 1:32
3. En Joksan gewon Scheba (mens), en Dedan (lage grond); en de zonen van Dedan waren de Assurieten (helden), en Letusieten (gesterkten), en Leümmieten (volken).
4. En de zonen van Midian waren Efa (duister), en Efer (offerkalf), en Henoch (ingewijd), en Abida (vader van de wijsheid); en Eldaä (die God geroepen heeft). Deze allen waren zonen en kleinkinderen van Ketûra, allen vaders van Arabische volksstammen, die voor Israël en zijn geschiedenis van gewicht waren (Job.2:11, Jesaja. 60:6 ), ons echter merendeels onbekend zijn. De meest bekende zijn de Midianieten (vs.2), ten oosten van de Elamietische Golf. Zij waren een handeldrijvend volk (hoofdstuk. 37:28) Later voerden zij meermalen oorlog met de Israëlieten. (Richteren. 8).
5. Doch a) Abraham gaf aan Izaak al, wat hij had.
a) Genesis 24:36
6. Maar aan de zonen van de bijvrouwen, Hagar en Ketûra, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg 1) van zijn zoon Izaak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten. 2)
1) Abraham leefde na Isaak’s huwelijk nog 35 jaar. Daar de nieuwe echt van Abraham met Ketûra en zijn vrucht niet boven het natuurlijke is, zo is hij onderscheiden van de verbintenis met Hagar, in welke Abraham het zaad Gods zocht, en van die met Sara, uit welke hem het zaad gegeven werd. Daarom zijn er voor Ketûra’s zonen geen beloften.
2) Nog heden heten de Arabieren Saracenen, dat is Oosterlingen.
7. Dit nu zijn de dagen van de levensjaren van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijfenzeventig jaar. 1) Van 2008 tot 2183 na de wereldschepping.
1) Daar Abraham in het 100ste jaar van zijn leven Izaak, en Izaak in zijn 60ste Jakob gewon, moet Jakob bij het sterven van Abraham reeds 15 jaar oud geweest zijn.
8. En Abraham gaf de geest en stierf, a) in goede ouderdom, oud, en het leven moe 1) en hij werd tot zijn volken verzameld, 2) in vrede:
a) Genesis 15:15
1) “En het leven moe”, dat wil zeggen, dat hij volstrekt niet verlangde nog meer van het aardse leven te genieten. Hij was bereid om te sterven. Hij wenste ontbonden te worden.
2) Dat is een schone en liefelijke beschrijving van de onsterfelijkheid. Wij leven thans onder het ruwe volk van deze wereld, dat weinig naar God vraagt, ja, in het rijk van de duivel. Wanneer wij uit dat armzalig leven trekken, zullen wij zacht heengaan en tot ons volk verzameld worden, waar geen droefheid, geen nood, maar vrede en rust in de Heere zal zijn.
De woorden luiden, als ware Abraham van het ene volk tot het andere getrokken, van de ene stad naar de andere. Een voortreffelijke en merkwaardige getuigenis van de opstanding en van het eeuwige leven.
Wij verwachten dikwijls van bijzonder begenadigden een veel betekenend sterven met krachtige getuigenissen van het geloof. De uitkomst is dikwijls geheel anders. Abrahams sterven was zacht en stil. Wij vernemen niet eens van een aartsvaderlijke zegen. Dit roept iedere godvrezende toe, in de dagen van gezondheid te doen, wat misschien het sterfbed niet zal toelaten.
9. En Izaak en Ismaël, zijn zonen (zie “Ge 21.14) begroeven hem in de spelonk van Machpéla, 1) in de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, welke tegenover Mamre is.
1) Terwijl Abraham zich ter ruste legt, neemt hij in eigen persoon bezit van het beloofde land.
Ismaëls karakter vertoont zich hier in een gunstig licht, hij is niet verbitterd over zijn uitstoting, maar vervult zijn kinderlijke plicht.
10. In de akker, die Abraham van de zonen van Heth gekocht had (hoofdstuk. 23), daar is Abraham begraven, en Sara, zijn vrouw. a) 1)
a) Genesis 49:29-32; 50:12 vv.
1) In de grafspelonk van Machpéla rust Abraham naast Sara. Die spelonk zal en mag alleen het gebeente bevatten van de vader van de gelovigen en zijn vrouw uit wie het heilig zaad is.
11. En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izaak, zijn zoon, zegende; 1) en Izaak woonde bij de put Lachai-Róï; 2) gelijk vroeger, zo woonde hij hier ook verder, daar stille afzondering zijn begeerte was, en hij daarom niet naar Hebron wilde gaan, omdat hij daar midden onder de Kanaänieten zou gewoond hebben.
1) De belofte wordt terstond na Abrahams dood aan de zoon van de belofte bevestigd.
2) Lachai-Róï, “bron van de levenden en zienden” zie hoofdstuk. 24:62. “Dat toont, dat Izaak naar de bron van het heil verlangd heeft, die ons in geen nood verlaten, maar steeds terechtwijzen, verkwikken en sterken zal.
Lag er in de keuze van deze plek als tijdelijk woonoord wellicht ook de bedoeling, om aldus de aanraking met zijn broeder Ismaël en diens zonen gemakkelijk te maken? Het gebeurt meer, dat men juist aan het graf het pijnlijke, dat er ligt in de verwijdering van broeders, dieper gaat gevoelen en, teruggekeerd van het graf, dit zoekt te veranderen. Twee zaken mogen wij veilig veronderstellen: èn dat Isaak’s vredelievend en stil karakter wel naar zo iets uitging, èn dat de bron Lachai-Róï, zo vermaard door Hagar’s wonderbare ontmoeting, daartoe een geschikte gelegenheid kon aanbieden. Want Hagar’s afstammelingen zouden juist deze bron in ere houden en gewis menigmaal daarheen opkomen.
II. Gen. 25 vers 12-18
Tot besluit van Abrahams geschiedenis, wordt nog de vervulling van de belofte omtrent Ismaël (hoofdstuk. 17:20) aangewezen in de 12 van deze zoon afstammende vorsten.
12. Dit nu zijn de geboorten van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.
13. En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten, met de namen van de volken, die van Ismaël afstammen en naar hun stamhoofden genoemd zijn. De eerstgeborene van Ismaël, Nebajoth (verhevene plaatsen), stamvader van de Nebahaeërs, in steenachtig Arabië, daarna Kedar (zwarte huid), stamvader van de Kedarenen, beroemd als boogschutters, en Adbeël (werk Gods) en Mibsam (liefelijke reuk), beiden onbekend.
14. En Misma (het horen), en Duma (het zwijgen), en Massa (het dragen). 1)
1) Deze drie namen pleegden de Joden bij elkaar als een spreekwoord te bezigen, naar hun betekenis: “Hoor, zwijg en verdraag”.
15. Hadar (tent), en Thema (onbebouwde plaats), Jetur 1) (onderzoek), Nafis (herstelling), en Kedma (naar het oosten).
1) Naar Jetur is waarschijnlijk de ten noordoosten van Palestina gelegen bergachtige landstreek Iturea genoemd.
16. Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen, vaste woonplaatsen, en paleizen, Emirs-tenten, twaalf vorsten naar hun volken. 1)
1) Twaalf vorsten met even zoveel van hen afstammende volken, die in omsloten plaatsen of dorpen, ook wel in tenten, die in een kring waren opgeslagen, woonden.
17. En dit zijn de levensjaren van Ismaël, honderd zevenendertig jaar: en hij gaf de geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.
18. En zij woonden van Havila, aan de grens van steenachtig en gelukkig Arabië (hoofdstuk 10:29) tot Sur toe, hetwelk tegenover, ten oosten van Egypte is, daar gij gaat naar Assur; van hier verbreidden zij zich noordoostelijk tot het gebied der Assyrische heerschappij, dat is tot aan de landen van de Eufraat; hij, Ismaël en zijn nakomelingen, heeft zich neergeslagen, hij zette zich neer, en, de voorspelling (hoofdstuk. 16:12) vervullende, hield hij zich met geweld van wapens staande, voor het aangezicht van al zijn broeders.
De twaalf zonen van Ismaël, die naar de voorspelling tot vorsten van gehele volksstammen geworden zijn, komen overeen met de twaalf stammen van Israël; de zegen van Ismaël, die ook Abrahams zaad is en goddelijke beloften ontvangen heeft, is een afschijnsel van Israël’s zegen. Vrgl. hoofdstuk. 21:13,18
III. Gen. 25 vers 19-26
De onvruchtbare Rebekka wordt in het 20ste jaar van haar huwelijk op Isaak’s voorbede zwanger; zij verkrijgt, bij een omstandigheid in haar zwangerschap, bekendmaking van het lot van de beide volken, die uit haar zullen voortkomen, en wordt van tweelingen verlost, van welke de een harig, de ander als hielhouder ter wereld komt, waarom men de eerste Ezau, de andere Jakob noemt.
19. Dit nu zijn de geboorten van Izaak, de zoon van Abraham, die van nu aan de hoofdpersoon in de Heilige geschiedenis is; Abraham gewon Izaak uit Sara, zijn wettige vrouw, toen hij 100 jaar oud was. (hoofdstuk. 21:5).
20. En Izaak, in wie God zijn verbond met Abraham verder tot vervulling wilde brengen (hoofdstuk. 17:19 en 21:12 ), was veertig jaar oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-Aram a) (hoge vlakte), (Mesopotamië), de zuster van Laban, de Syriër, zich tot vrouw nam. (Hoofdstuk. 24).
a) Genesis 48:7
21. En Izaak, nadat hij negentien jaar lang zonder kinderen gebleven was, bad de HEERE zeer, in de tegenwoordigheid van zijn vrouw, 1) ieder ander middel, om een nakomelingschap te verkrijgen, in kuise en tedere liefde versmadende, en alzo hierin boven zijn vader verheven (hoofdstuk. 16:1-4), hoezeer hij ook anders geneigd was diens voorbeeld na te volgen (hoofdstuk. 26:7); want zij was onvruchtbaar, 2) gelijk bij zo lange kinderloosheid gebleken was; alleen door goddelijke werking, evenals bij Sara, kon de kinderzegen haar deel worden. En de HEERE, die met wijsheid Rebekka toegesloten had, opdat beiden eerst in geloof en geduld geoefend zouden worden en dan hun kinderen als genadegiften van Hem zouden aannemen, liet zich van hem verbidden, 3) a) zodat Rebekka, zijn vrouw, van twee kinderen zwanger werd.
a) Rom.9:10
1) In het Hebreeuws Linceach Ishtho. Dit betekent niet “in gezelschap van zijn vrouw”, maar “ten behoeve van zijn vrouw”. Het woord “bidden” betekent hier “vurig bidden”. Calvijn en vele anderen vertalen dan ook: met het oog op zijn vrouw. Onze Statenvertalers tekenen aan: “haar hebbende voor de gedachten.” Izaak treedt hier op als voorbidder voor Rebekka.
2) Aan de geboorte van vele belangrijke personen gaat een langdurig tijdperk van onvruchtbaarheid vooraf. Dat is b.v. het geval bij de geboorte van Izaak, Simson, Samuel, Johannes. Daardoor moest niet slechts de jonggeborene de ouders bij uitnemendheid dierbaar zijn en al hun oplettendheid op zich vestigen; maar bovenal moesten zij hun kind als een bovennatuurlijk geschenk Gods leren beschouwen, en tevens moest het als een voorteken (type) worden van de Heiland, die van een maagd zou geboren worden.
Volgens vs.26 moest Izaak 20 jaar op nakomelingschap wachten. Een nieuwe beproeving voor hem, niet voor Abraham. Ook de zonen van Rebekka moeten afgebeden zonen zijn, kinderen van het geloof, voornamelijk Jakob. Het voorbeeld van Sara schijnt nog eens weer te keren; gelijke voorbeelden: Rachel, Hanna, Elizabeth. De onvruchtbaarheid was, ook afgezien van de Abrahamitische belofte, een zware beproeving in de Oosterse oudheid; des te meer hier. Onvruchtbaarheid was bij de aartsvaders een moeilijke zaak. Er ontstond soms twist (Genesis 30:12); zij stortten tranen (1 Samuel 1:7); zij achtten het voor een smaad (Luk.1:25); ja, zij hielden het voor een vloek.
Hier kon echter Abraham vertroosten met zijn ondervinding; hij overleefde de geboorte van de kinderen nog 15 jaar.
3) De voorbede van Izaak kon een grond vinden in Gods belofte en Abrahams ondervinding. Jehova verhoorde hem en wel met rijke gebedsverhoring. In plaats van één kind ontving hij er twee.
Dat is het werk van een vader: te bidden in tegenwoordigheid van de zijnen; hij behoort priester in zijn huis te zijn.
22. En de kinderen, nog voor dat zij voldragen waren, stieten zich samen in haar lichaam, hetgeen wel meermalen voorkomt, maar hier zonder twijfel vol van betekenis was. Toen zei zij, daardoor verontrust, daar zij het als een voorteken van smartelijke ondervindingen aanmerkte: Is het zo, dat ik ondervinden zal gelijk ik vrees? Waarom ben ik dus? Wat zal mij overkomen en waarom ben ik dan ten gevolge van gebedsverhoring bevrucht geworden? En zij ging, om de HEERE te vragen, om te onderzoeken wat die tekenen beduidden, naar een geheiligde plaats, waarschijnlijk naar de nabijgelegen put Lachai-Róï (vs.11), bij welke aan Hagar ook eens geopenbaard was, wat zij ondervinden zou van het kind, dat zij nog onder haar hart droeg. (hoofdstuk. 16:7-14).
1) Op welk een wijze heeft Rebekka de Heere God om raad gevraagd? In het Hebreeuws staat Lidrosh Et-Jahweh). Het werkwoord Dorisch betekent “raadplegen”, “nauwlettend onderzoeken” (1 Koningen 14:5) Te verwerpen is het gevoelen, dat zij een profeet des Heren geraadpleegd heeft. Deze waren er toen niet, of het moet Abraham zijn geweest. Het meest voor de hand ligt, dat zij zich van haar huis heeft verwijderd, de eenzaamheid heeft opgezocht, daar zich in het gebed heeft begeven en gevraagd, dat de Heere God haar zou verklaren, wat het betekende hetwelk haar angstig maakte.
23. En de HEERE zei tot haar, door inwendige openbaring van de Geest: 1) Twee volken zijn, in hun stamvaders, in uw buik, 2) en twee natiën, onderscheiden in leefwijze en gezindheid, zullen zich uit uw ingewanden scheiden; de uit u voortkomende kinderen zullen zich verder in u van elkaar scheiden, en de volken, die uit hen zullen voortkomen, zullen daarna altijd meer beslist tegenover elkaar staan; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en, om het u nog meer bepaald te zeggen, de meerdere, de eerstgeborene, zal, in zijn nakomelingschap, de mindere, de later geborene dienen en onderworpen zijn.
1) In de grondtekst hebben de woorden een poëtische vorm. Profetie en poëzie zijn aan elkaar verwant; want de profetie leest de toekomst in het tegenwoordige, en geeft aan hetgeen zij aanschouwd heeft een dichterlijk kleed. De beide volken nu, van welke hier geprofeteerd wordt, zijn de van Ezau en Jakob afstammende Edomieten en Israëlieten. Evenals de stamvaders reeds in het lichaam van de moeder tegen elkaar stieten en daarna hoe langer hoe verder van elkaar zich verwijderden, en de jongste in geestelijk opzicht de voorrang boven de oudste verkreeg, zo bestond er later verschil in het volkskarakter en een onafgebroken strijd tussen Edom en Israël, totdat Edom ten ondergebracht was en zich geheel in Israël oploste (2 Samuel 8:14; 2 Koningen. 8:20; 14:7; 2 Makkabeeën 10:15 vv.
2) De Heere verklaart haar hier de oorzaak en betekenis van dat geheimnisvol verschijnsel, maar onthult haar tevens de toekomst.
Ezau zou het in lichaamskracht verre winnen van Jakob, maar toch zou de jongste de oudste verre overtreffen wat het geestelijke betreft. God had het zwakke (Jakob) uitverkoren, opdat hij het sterke (Ezau) beschamen zou. Ook hier, gelijk als bij Noach en Abraham, toont de Heere het, dat Hij niet aanziet wat voor ogen is. In zijn uitverkiezende liefde, stelt Hij Jakob voor Ezau, opdat geen vlees voor Hem zou roemen. (Rom.9:12).
24. Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik, gelijk de moeder reeds tevoren wist (vs.23), maar de bij de geboorte tegenwoordige vrouwen eerst nu opmerkten. (hoofdstuk. 38:27).
Mozes leert hier, dat de inwendige strijd tot de geboorte toe voortgeduurd heeft, daar Jakob, door de hiel van zijn broeder aan te grijpen, beproefd heeft, het eerst uit te komen. Door dit symbool getuigde de Heere, dat, zodra het gevolg van zijn uitverkiezing aanwezig was, de weg reeds, voordat nog het einde bereikt was, vol was van strijd en moeite.
25. En de eerste kwam uit, rossig (1 Samuel 16:12; 17:42), van roodkleurige huidkleur; hij was geheel als een haren kleed, 1) op een, bij pasgeboren kinderen, ongewone wijze geheel met haar bedekt; daarom noemden zij, de aanwezige vrouwen, in overeenstemming met de moeder, zijn naam Ezau, de harige; en werkelijk zien wij later in hem zinnelijke lusten en een wild karakter.
1) Zulk een bijzondere harigheid noemt men “hypertrichosis”, zij komt enkele malen bij pasgeborenen voor. “Wanneer het gemis van een bedeksel, hetwelk het dier heeft, de mens op een bovenzinnige wereld wijst, zo spreekt dat haarbedeksel van een bijzondere zinnelijke neiging.”
26. En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s hiel vasthield, als wilde hij de broeder terughouden en zelf de eerstgeborene worden; daarom noemde men zijn naam Jakob; dat, is verzen of hielhouder, en werkelijk is later in zijn karakter sluwheid op te merken, die de tegenstander in de strijd gaarne aan het been houdt om hem onverwachts ten val te brengen (hoofdstuk. 27:36; Hosea 12:4). En Izaak was zestig jaar oud, toen hij hen gewon, dat is in het jaar 2168 na de wereldschepping, 1832 voor Christus’ geboorte, 15 jaar voor Abrahams dood.
IV. Gen. 25 vers 27-34
Met het opgroeien van de knapen gaan zij reeds van elkaar; ieder kiest zich een beroep, overeenkomstig zijn aard. Ezau wordt een ronddwalend jager; Jakob is als herder binnen de tenten bezig. Maar ook in ander opzicht komt de voorspelling reeds tot vervulling; want Jakob weet een gunstig ogenblik zich ten nut te maken, om van zijn broeder het eerstgeboorterecht te kopen.
27. Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau, naar zijn natuur, die meer tot het wild omzwerven dan tot het stille herdersleven geschikt was, een man, verstandig op de jacht, gelijk vroeger Nimrod (hoofdstuk. 10:9) een veldman, 1) die niet veel te huis bleef, maarliever buiten in velden, op bergen en door bossen het wild opzocht; maar Jakob werd een oprecht 2) man, wonende in tenten, zorg dragende voor huishoudelijke zaken en bij het vee van zijn vader een stil leven leidende.
1) In het Hebreeuws Ish Sadéh. Een man van het veld, in de zin van: “het veld, het vrije veld beminnende”.
2) In het Hebreeuws “Een man van zachte manieren.” De Septuaginta vertaalt: “van bedrog afkerig.” De tegenstelling is duidelijk. Ezau was een meer woest, ruw, onverschillig man. Jakob daarentegen een man van een zacht karakter, die meer van het huiselijke leven hield.
28. En Izaak had Ezau lief; 1) hij gevoelde, daar hij zelf voor uitwendige aangelegenheden minder geschikt was, zich zeer aangetrokken tot de moedige en ondernemende Ezau; bovendien werd die liefde nog opgewekt; want het wildbraad, dat Ezau voor hem jaagde, was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief. Zij trok zich deze aan, die door de vader achter geplaatst werd en meer als stil man zich in de nabijheid van zijn moeder bevond. De goddelijke belofte zal aan die voorliefde het haar hebben toegebracht, en zeker heeft zij door mededeling daarvan zijn hart met de gedachte vervuld, dat hij in het eerstgeboorterecht treden zou.
1) Voorliefde voor het ene of het andere kind kan natuurlijke oorzaken hebben en geheiligd worden; slechts zeldzaam blijft zij binnen de juiste grenzen.
De liefde van Izaak voor Ezau is psychologisch zeer te verklaren naar de bekende stelregel: dat de uitersten elkaar raken. Izaak had een zeer stil, meegaand karakter. Ezau een meer heftig, opbruisend. Bovendien kon Ezau zeer goed door zijn bedrijf voldoen aan het verlangen en aan de smaak van zijn vader. Bij al het zinnelijke en opbruisende had Ezau ook weer iets guls. Hij zag op geen kleinigheid. Straks verkoopt hij in grove onverschilligheid zelfs zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzenmoes.
Rebekka’s karakter, zij heeft het van haar moeder geërfd, is niet vrij van heerszucht. Gelijk haar moeder, zo ook wil zij liefst de eerste zijn. En nu heeft Jakob de belofte, dat hij de meerdere zal zijn, dat Ezau, de meerdere, hem de mindere zal dienen. Dat is het vooral, wat haar in Jakob zo aantrekt. Daarom zal zij straks ook zelfs zondige maatregelen nemen, om Jakob in die staat te houden.
29. En Jakob, naar zijn gewoonte, om zich met huishoudelijke zaken te bemoeien, had een kooksel gekookt, van linzen (vs.34), een nog heden in Syrië en Egypte zeer geliefd voedsel; en Ezau kwam uit het veld en was moe van het lange omzwerven.
30. En Ezau zei tot Jakob, toen hij het kooksel gezien had: Laat mij toch drinken van dat rode, dat rode daar, 1) want ik ben te moe, om mij zelf iets gereed te maken; daarom, naar dit voor zijn toekomstig leven zo gewichtig ogenblik, toen hij zulk een begerigheid naar het rode aan de dag legde, heeft men zijn naam genoemd Edom 2) (Rode, hoofdstuk. 36:1,19), terwijl die bijnaam reeds voorbereid was, doordat hij roodachtig ter wereld gekomen was. (vs.25).
1) Daar klinkt iets voornaams en hoogs in die achteloze woorden, die Jakob wel moesten zeer doen. “Laat mij toch drinken van dat rode, dat rode daar.” De keuze van de woorden, de aanwijzing van de spijzen, de herhaling van hetzelfde woord, alles duidt aan, dat Ezau wil doen uitkomen, dat hij die spijze zelfs niet kent. Onder andere omstandigheden zou zij hem te gering zijn; maar voor deze enkele maal wil hij er genoegen mee nemen.
De herhaling is bewijs, dat hij zeer begerig was naar die spijze. De naam van de spijze noemt hij niet eens.
2) Nog altijd heeft bij de Arabieren de gewoonte plaats, niet alleen dat bijnamen worden gegeven, maar ook dat die bijnamen gebruikt worden in de plaats van de eigenlijke.
31. Toen zei Jakob, verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte. 1)
1) Ten tweede male houdt hier Jakob zijn broeder bij de hiel. Zeer velen hebben in dat woord van Jakob een bewijs willen zien van een sluw karakter, alsof hij van de moede toestand van Ezau heeft willen gebruik maken, om het eerstgeboorterecht te verkrijgen. Dit is echter niet zo. Hoogstwaarschijnlijk is dit woord enigszins op half schertsende wijze en op half geraakte wijze gesproken. Ezau had toch niet de macht om zijn eerstgeboorterecht te verkopen. Die macht had alleen de vader. Later heeft Jakob zelf Juda gezet in de plaats van de eerstgeborene, Ruben. Al kon Jakob vermoeden, dat Ezau hem dat recht verkopen zou, en al kocht Jakob het, de eindbeslissing lag toch altijd bij Izaak, hun vader. Met die vraag, of met dat woord, heeft Jakob Ezau willen wijzen op zijn gemakkelijk leven dat hij leidde. Hij, de eerstgeborene, zwierf dag aan dag in het veld rond, terwijl Jakob het meer zwaardere leven leidde van in tenten te wonen. Als een eerstgeborene zo mag leven, als gij doet, dan wil ik ook wel eerstgeborene zijn; dit ligt in dit woord. In later tijden ontving de eerstgeborene een dubbel erfdeel. (Deuteronomium. 21:17). Dat Jakob bij deze vraag reeds dacht om de zegeningen van de belofte, aan Abraham gegeven, kan men niet met zekerheid zeggen.
32. En Ezau, een mens, als degenen, die zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij 1 Corinthiërs 15:32; Jesaja. 22:13 ), tot iedere prijs zijn begeerte willende bevredigen, zei: Zie, ik ga sterven, vroeg of laat, en ga mijn vader wellicht nog vooruit; en waartoe mij dan de eerstgeboorte, 1) ik kom dan toch niet in het bezit van die rechten.
1) Hoe hoog de eerstgeboorte bij de oude vaderen geacht werd, zo wilde toch Christus, (om aan te tonen, dat Hij de ware eerstgeborene was, die ons het recht van de eerstgeboorte bij God verwerven zou) van geen van de eerstgeborenen afstammen; niet van Kaïn, maar van Seth; niet van Jafeth, maar van Sem; niet van Nachor of Haran, maar van Abraham; niet van Ismaël, maar van Izaak; niet van Ezau, maar van Jakob; niet van een Isaïs oudste zonen, maar van David en van een van diens middelste zonen, Salomo.
Met deze woorden openbaart Ezau zijn onheilige begeerte, die geheel en al uitging naar hetgeen van deze aarde was en met de lusten van het vlees overeenkwam. Ezau wordt daarom dan ook “een onheilige” genoemd, omdat hij de zegen van het eerstgeboorterecht alleen tot deze aarde bepaalde. Dat met die zegen ook hogere voorrechten in verband stonden, zag hij niet in. Het had alleen belang voor hem, voor zover het met de aardse lusten en behoeften in verband stond. En daar hij wellicht op dat ogenblik door gedachten aan de naderende dood benauwd werd, gaf hij de zegen van dat recht prijs. Ezau is hier een waarschuwend voorbeeld voor allen, om de natuur niet als leidsman of gids te volgen.
33. Toen zei Jakob: Zweer 1) mij op deze dag en hier, dat gij uw eerstgeboorterecht op mij overdraagt en het nooit meer u toe-eigenen zult! En hij zwoer hem; en hij verkocht Jakob zijn eerstgeboorte. a)
a) Hebr.12:16
1) Jakob handelt hier niet wreed met zijn broeder, daar hij hem niets ontrukt, maar slechts bevestiging door een eed verlangt, dat hij hem dit recht heeft afgestaan. Ondertussen moet men op de gevoelloosheid van Ezau letten, die niet aarzelt, onder aanroeping van de naam Gods, het eerstgeboorterecht te verkopen.
Maar Jakob, die verbaasd is over zo grote geringschatting van een bepaald voorrecht, bedroefd over zo grote miskenning van eigen verantwoordelijkheid, gaat de zaak nu eerst recht ernstig opnemen. Zo gaat het meer, dat men schertsend begint, om met de hoogsten ernst te eindigen. Toen zei Jakob: “Zweer mij op deze dag!” Welnu, moet het ernst zijn, dan zij het ernst; aldus dacht wellicht Ezau met de voorname lichtzinnigheid van een groot heer, die soms zijn moed zal bewijzen door te tonen, hoe weinig hij gewichtige zaken telt; en hij zwoer hem en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte. De zaak was ernst geworden en men had wederkerig van een zaak van God en een recht van de vader eigenwillig koopmanschap gemaakt.
34. En Jakob, zijn maal, waarnaar Ezau begerig was, overgevende om hetgeen hem liever was dan een ogenblik van genot, gaf aan Ezau brood en het linzenkooksel, en hij, bij wie daarentegen zijn buik zijn God was, at en dronk zonder gewetensbezwaar, en hij stond op, nadat hij zich verzadigd had, en ging heen, alsof er niets bijzonders voorgevallen was; alzo verachtte Ezau in aardsgezindheid, die niets beters kent dan ogenblikkelijk levensgenot, de eerstgeboorte. 1)
Ofschoon bij de eerste aanblik de beschrijving koud en onverschillig schijnt, toch is zij van grote betekenis. Vooreerst toch meldt zij ons de vroomheid van de heilige Jakob, daar hij zijn zinnen richtende op het hemelse leven, van het gebruik van aardse spijs afstand kon doen. Het was toch niet uit winstbejag. Door de spijs te bereiden, waarmee hij de honger had willen stillen, had hij de maag geprikkeld. Waarom hij, om het vasten uit te houden, zichzelf noodwendig geweld moest aandoen. Om het vlees op die wijze te beheersen, zou voor hem niet mogelijk zijn geweest, indien niet een geestelijk verlangen naar hoger leven in zijn boezem geschuild had.
1) Gelijk Ismaël geen deel heeft aan de zegen, omdat hij uit vleselijke lust verwekt is, zo verliest Ezau de zegen, omdat hij vleselijk gezind is. Hij is een beeld van allen, die de goederen van het eeuwige leven prijsgeven voor zingenot; Jakob daarentegen moet voor hetgeen hij tegen zijn broeder deed, daar hij in de raad Gods wilde ingrijpen, voor zijn zondige listen later in de school van het lijden zwaar boeten. “De Heilige Geest wil, dat wij deze twee broeders steeds voor ogen zullen hebben en een dagelijks spreekwoord van hen maken, want te allen tijde zijn wij of Ezauïeten of Jakobieten”.
Hoe nauwkeurig wordt hier de roekeloze en onheilige daad van Ezau beschreven. Hij at en dronk. Hij stond op en ging heen. Ontegenzeglijk, om daardoor te doen uitkomen, dat Ezau dit alles met zijn volle bewustzijn heeft gedaan.
Gelijk het in het karakter van Ezau niet aan voordelen een deugden ontbreekt, die hem voor de wereld beminnenswaardig maken (hij was een rechte, ronde wereldburger, vrolijk, hups, maar zonder zin voor het hogere, zonder verlangen naar het genot van de genade), zo ontbreekt het bij Jakob niet aan zwakheden en lakenswaardige eigenschappen: onopenhartigheid, list, bedrieglijkheid; en nochtans had God hem, in weerwil van al deze gebreken, tot een vat van genade uitverkoren, draagt hem met lankmoedigheid en voedt hem door allerlei proefwegen voor Zijn rijk op. Jakob deed wel daarin goed, dat hij de beste gave begeerde, maar verkeerd, dat hij partij trok van de nood van zijn broeder.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel