Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1De handH3027 des HEERENH3068wasH1961opH5921 mij, en de HEEREH3068voerdeH3318 mij uit in den geestH7307, en zette mij neder in het middenH8432 ener valleiH1237; dezelveH1931 nu was volH4392beenderenH6106.De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.
Ook in dit vers
zette nederH5117
KJVThe hand3of the LORD4was upon me, and carried me out5in the spirit6of the LORD,7and set me down8in the midst9of the valley10which was full12of bones,
1הָיְתָ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2עָלַי֮H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3יַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves4יְהוָה֒H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5וַיּוֹצִאֵ֤נִיH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6בְר֨וּחַ֙H7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)7יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8וַיְנִיחֵ֖נִיH5117rust, rusten, rust gegevencease, be confederate, lay, let down, (be) quiet, remain, (cause to, be at, give, have, make to) rest, set down. Compare H3241 (יָנִים)9בְּת֣וֹךְH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)10הַבִּקְעָ֑הH1237vallei, dal, dalenplain, valley11וְהִ֖יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12מְלֵאָ֥הH4392vol, volle, Vol[idiom] she that was with child, fill(-ed, -ed with), full(-ly), multitude, as is worth13עֲצָמֽוֹתH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very
2En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaanH5674 geheel rondomH5439; en zietH2009, er waren zeerH3966veleH7227opH5921 den grondH6440 der valleiH1237; en zietH2009, zij waren zeerH3966dorH3002.En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.
KJVAnd caused me to pass1by them round about:3and, behold, there were very7many6in the open9valley;10and, lo, they were very13dry.
1וְהֶעֱבִירַ֥נִיH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath2עֲלֵיהֶ֖םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3סָבִ֣יבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side4סָבִ֑יבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side5וְהִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see6רַבּ֤וֹתH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)7מְאֹד֙H3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9פְּנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you10הַבִּקְעָ֔הH1237vallei, dal, dalenplain, valley11וְהִנֵּ֖הH2009ziet, ziebehold, lo, see12יְבֵשׁ֥וֹתH3002dorre, dor, drogendried (away), dry13מְאֹֽדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
3En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En Hij zeideH559totH413 mij: MensenkindH1121! zullen dezeH428beenderenH6106levendH2421 worden? En ik zeideH559: HeereH136HEEREH3069, GijH859weetH3045 het!En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!
KJVAnd he said1unto me, Son3of man,4can these bones6live?5And I answered,8O Lord9GOD,10thou knowest.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלַ֔יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4אָדָ֕םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person5הֲתִחְיֶ֖ינָהH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole6הָעֲצָמ֣וֹתH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very7הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)8וָאֹמַ֕רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9אֲדֹנָ֥יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord10יְהוִ֖הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod11אַתָּ֥הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you12יָדָֽעְתָּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot
4Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen zeideH559 Hij totH413 mij: ProfeteerH5012overH5921dezeH428beenderenH6106, en zegH559totH413 dezelve: Gij dorreH3002beenderenH6106! hoortH8085 des HEERENH3068woordH1697.Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.
KJVAgain he said1unto me, Prophesy3upon these bones,5and say7unto them, O ye dry10bones,9hear11the word12of the LORD.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלַ֔יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הִנָּבֵ֖אH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet4עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5הָעֲצָמ֣וֹתH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very6הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)7וְאָמַרְתָּ֣H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8אֲלֵיהֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9הָעֲצָמוֹת֙H6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very10הַיְבֵשׁ֔וֹתH3002dorre, dor, drogendried (away), dry11שִׁמְע֖וּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness12דְּבַרH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work13יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
5Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5AlzoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069 tot dezeH428beenderenH6106: ZietH2009, IkH589 zal den geestH7307 in u brengenH935, en gij zult levendH2421 worden.Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.
KJVThus saith2the Lord3GOD4unto these bones;5Behold, I will cause breath11to enter9into you, and ye shall live:
1כֹּ֤הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2אָמַר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord4יְהוִ֔הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod5לָעֲצָמ֖וֹתH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very6הָאֵ֑לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)7הִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see8אֲנִ֜יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who9מֵבִ֥יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10בָכֶ֛ם11ר֖וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)12וִחְיִיתֶֽםH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole
6En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En Ik zal zenuwenH1517opH5921 u leggenH5414, en vleesH1320opH5921 u doen opkomenH5927, en een huidH5785overH5921 u trekkenH7159, en den geestH7307 in u geven, en gij zult levendH2421 worden; en gij zult wetenH3045, datH3588IkH589 de HEEREH3068 ben.En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
KJVAnd I will lay1sinews3upon you, and will bring up4flesh6upon you, and cover7you with skin,9and put10breath12in you, and ye shall live;13and ye shall know14that I am the LORD.
1וְנָתַתִּי֩H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2עֲלֵיכֶ֨םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3גִּדִ֜יםH1517zenuwen, zenuwsinew4וְֽהַעֲלֵתִ֧יH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work5עֲלֵיכֶ֣םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6בָּשָׂ֗רH1320vlees, vleses, vleselijkebody, (fat, lean) flesh(-ed), kin, (man-) kind, [phrase] nakedness, self, skin7וְקָרַמְתִּ֤יH7159trekken, trokcover8עֲלֵיכֶם֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9ע֔וֹרH5785vel, huid, vellenhide, leather, skin10וְנָתַתִּ֥יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield11בָכֶ֛ם12ר֖וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)13וִחְיִיתֶ֑םH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole14וִידַעְתֶּ֖םH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot15כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16אֲנִ֥יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who17יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
7Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Toen profeteerdeH5012 ik, gelijk mij bevolenH6680 was, en er werd een geluidH6963, als ik profeteerdeH5012, en zietH2009 een beroeringH7494! en de beenderenH6106naderdenH7126, elk beenH6106totH413 zijn beenH6106.Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
KJVSo I prophesied1as I was commanded:3and as I prophesied,6there was a noise,5and behold a shaking,8and the bones10came together,9bone11to his bone.
1וְנִבֵּ֖אתִיH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet2כַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3צֻוֵּ֑יתִיH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order4וַֽיְהִיH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use5ק֤וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell6כְּהִנָּֽבְאִי֙H5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet7וְהִנֵּהH2009ziet, ziebehold, lo, see8רַ֔עַשׁH7494aardbeving, beven, ruisingcommotion, confused noise, earthquake, fierceness, quaking, rattling, rushing, shaking9וַתִּקְרְב֣וּH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take10עֲצָמ֔וֹתH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very11עֶ֖צֶםH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very12אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)13עַצְמֽוֹH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very
8En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En ik zagH7200, en zietH2009, en er werden zenuwenH1517 op dezelve, en er kwam vleesH1320 op; en Hij trokH7159 een huidH5785 boven over dezelve, maar er was geenH369geestH7307 in hen.En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
KJVAnd when I beheld,1lo, the sinews4and the flesh5came up6upon them, and the skin9covered7them above:10but there was no breath
1וְרָאִ֜יתִיH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2וְהִנֵּֽהH2009ziet, ziebehold, lo, see3עֲלֵיהֶ֤םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4גִּדִים֙H1517zenuwen, zenuwsinew5וּבָשָׂ֣רH1320vlees, vleses, vleselijkebody, (fat, lean) flesh(-ed), kin, (man-) kind, [phrase] nakedness, self, skin6עָלָ֔הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work7וַיִּקְרַ֧םH7159trekken, trokcover8עֲלֵיהֶ֛םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9ע֖וֹרH5785vel, huid, vellenhide, leather, skin10מִלְמָ֑עְלָהH4605opwaarts, hoogste, omhoogabove, exceeding(-ly), forward, on ([idiom] very) high, over, up(-on, -ward), very11וְר֖וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)12אֵ֥יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)13בָּהֶֽם
9En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En Hij zeideH559totH413 mij: ProfeteerH5012totH413 den geestH7307; profeteerH5012, mensenkindH1121! en zegH559totH413 den geestH7307: ZoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: Gij geestH7307! komH935 aan van de vierH702windenH7307, en blaasH5301 in dezeH428gedodenH2026, opdat zij levendH2421 worden.En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.
KJVThen said1he unto me, Prophesy3unto the wind,5prophesy,6son7of man,8and say9to the wind,11Thus saith13the Lord14GOD;15Come18from the four16winds,17O breath,19and breathe20upon these slain,21that they may live.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלַ֔יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הִנָּבֵ֖אH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5הָר֑וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)6הִנָּבֵ֣אH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet7בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8אָ֠דָםH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person9וְאָמַרְתָּ֨H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11הָר֜וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)12כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder13אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord15יְהוִ֗הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod16מֵאַרְבַּ֤עH702vier, vierhonderd, veertienfour17רוּחוֹת֙H7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)18בֹּ֣אִיH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way19הָר֔וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)20וּפְחִ֛יH5301blaas, blazen, ziedendenblow, breath, give up, cause to lose (life), seething, snuff21בַּהֲרוּגִ֥יםH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely22הָאֵ֖לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)23וְיִֽחְיֽוּH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole
10En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En ik profeteerdeH5012, gelijk als Hij mij bevolenH6680 had. Toen kwamH935 de geestH7307 in hen, en zij werden levendH2421 en stondenH5975opH5921 hun voetenH7272, een gansH3966 zeer grootH1419heirH2428.En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.
KJVSo I prophesied1as he commanded3me, and the breath6came4into them, and they lived,7and stood up8upon their feet,10an exceeding13great12army.
1וְהִנַּבֵּ֖אתִיH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet2כַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3צִוָּ֑נִיH6680geboden, gebood, gebiedeappoint, (for-) bid, (give a) charge, (give a, give in, send with) command(-er, -ment), send a messenger, put, (set) in order4וַתָּבוֹא֩H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way5בָהֶ֨ם6הָר֜וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)7וַיִּֽחְי֗וּH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole8וַיַּֽעַמְדוּ֙H5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10רַגְלֵיהֶ֔םH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time11חַ֖יִלH2428heir, kloeke, vermogenable, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily)12גָּד֥וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very13מְאֹדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well14מְאֹֽדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
11Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Toen zeideH559 Hij totH413 mij: MensenkindH1121! dezeH428beenderenH6106 zijn het ganseH3605huisH1004IsraelsH3478; zietH2009, zijH1992zeggenH559: Onze beenderenH6106 zijn verdordH3001, en onze verwachtingH8615 is verlorenH6, wij zijn afgesnedenH1504.Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
KJVThen he said1unto me, Son3of man,4these bones5are the whole house8of Israel:9behold, they say,12Our bones14are dried,13and our hope16is lost:15we are cut off
1וַיֹּאמֶר֮H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלַי֒H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4אָדָ֕םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person5הָעֲצָמ֣וֹתH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very6הָאֵ֔לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)7כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)9יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10הֵ֑מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye11הִנֵּ֣הH2009ziet, ziebehold, lo, see12אֹמְרִ֗יםH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13יָבְשׁ֧וּH3001beschaamd, verdord, verdrogenbe ashamed, clean, be confounded, (make) dry (up), (do) shame(-fully), [idiom] utterly, wither (away)14עַצְמוֹתֵ֛ינוּH6106beenderen, gebeente, beenbody, bone, [idiom] life, (self-) same, strength, [idiom] very15וְאָבְדָ֥הH6vergaan, verloren, omkomenbreak, destroy(-uction), [phrase] not escape, fail, lose, (cause to, make) perish, spend, [idiom] and surely, take, be undone, [idiom] utterly, be void of, have no way to flee16תִקְוָתֵ֖נוּH8615verwachting, hoop, Verwachtingexpectation(-ted), hope, live, thing that I long for17נִגְזַ֥רְנוּH1504afgesneden, Doorsnijdt, afscheurencut down (off), decree, divide, snatch18לָֽנוּ
12Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12DaaromH3651, profeteerH5012 en zegH559totH413 hen: Zo zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: ZietH2009, IkH589 zal uw gravenH6913openenH6605, en zal ulieden uit uw gravenH6913 doen opkomenH5927, o Mijn volkH5971! en Ik zal u brengenH935 in het landH127IsraelsH3478.Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
KJVTherefore prophesy2and say3unto them, Thus saith6the Lord7GOD;8Behold, O my people,17I will open11your graves,13and cause you to come up14out of your graves,16and bring18you into the land21of Israel.
1לָכֵן֩H3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2הִנָּבֵ֨אH5012profeteren, profeteer, profeteerdeprophesy(-ing), make self a prophet3וְאָמַרְתָּ֜H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4אֲלֵיהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder6אָמַר֮H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord8יְהוִה֒H3069HEERE, HEEREN, HeereGod9הִנֵּה֩H2009ziet, ziebehold, lo, see10אֲנִ֨יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who11פֹתֵ֜חַH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13קִבְרֽוֹתֵיכֶ֗םH6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre14וְהַעֲלֵיתִ֥יH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work15אֶתְכֶ֛םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16מִקִּבְרוֹתֵיכֶ֖םH6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre17עַמִּ֑יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people18וְהֵבֵאתִ֥יH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way19אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)21אַדְמַ֥תH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land22יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
13En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En gij zult wetenH3045, datH3588IkH589 de HEEREH3068 ben, als Ik uw gravenH6913 zal hebben geopendH6605, en als Ik u uit uw gravenH6913 zal hebben doen opkomenH5927, o Mijn volkH5971!En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
KJVAnd ye shall know1that I am the LORD,4when I have opened5your graves,7O my people,11and brought you up8out of your graves,
1וִֽידַעְתֶּ֖םH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot2כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5בְּפִתְחִ֣יH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7קִבְרֽוֹתֵיכֶ֗םH6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre8וּבְהַעֲלוֹתִ֥יH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work9אֶתְכֶ֛םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10מִקִּבְרוֹתֵיכֶ֖םH6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre11עַמִּֽיH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
14En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En Ik zal Mijn GeestH7307 in u gevenH5414, en gij zult levenH2421, en Ik zal u in uw landH127zettenH3240; en gij zult wetenH3045, datH3588IkH589, de HEEREH3068, dit gesprokenH1696 en gedaanH6213 heb, spreektH5002 de HEEREH3068.En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
KJVAnd shall put1my spirit2in you, and ye shall live,4and I shall place5you in your own land:8then shall ye know9that I the LORD12have spoken13it, and performed14it, saith15the LORD.
1וְנָתַתִּ֨יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2רוּחִ֤יH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)3בָכֶם֙4וִחְיִיתֶ֔םH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole5וְהִנַּחְתִּ֥יH3240laten, leide, lietbestow, cast down, lay (down, up), leave (off), let alone (remain), pacify, place, put, set (down), suffer, withdraw, withhold. (The Hiphil forms with the dagesh are here referred to, in accordance with the older grammarians; but if any distinction of the kind is to be made, these should rather be referred to H5117 (נוּחַ), and the others here.)6אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8אַדְמַתְכֶ֑םH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land9וִידַעְתֶּ֞םH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot10כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11אֲנִ֧יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who12יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13דִּבַּ֥רְתִּיH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work14וְעָשִׂ֖יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use15נְאֻםH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith16יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Wijders geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJVThe word2of the LORD3came again unto me, saying,
16Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Gij nu, mensenkindH1121! neemH3947 u een houtH6086, en schrijfH3789 daarop: Voor JudaH3063, en voor de kinderenH1121IsraelsH3478, zijn metgezellenH2270; en neemH3947 een anderH259houtH6086, en schrijfH3789 daarop: Voor JozefH3130, het houtH6086 van EfraimH669, en van het ganseH3605huisH1004IsraelsH3478, zijn metgezellenH2270.Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen.
KJVMoreover, thou son2of man,3take4thee one7stick,6and write8upon it, For Judah,10and for the children11of Israel12his companions:13then take14another16stick,15and write17upon it, For Joseph,19the stick20of Ephraim,21and for all the house23of Israel24his companions:
1וְאַתָּ֣הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you2בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person4קַחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win5לְךָ֙6עֵ֣ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood7אֶחָ֔דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,8וּכְתֹ֤בH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)9עָלָיו֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10לִֽיהוּדָ֔הH3063JudaJudah11וְלִבְנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael13חֲבֵרָ֑יוH2270metgezellen, gezel, medegenotencompanion, fellow, knit together14וּלְקַח֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win15עֵ֣ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood16אֶחָ֔דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,17וּכְת֣וֹבH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)18עָלָ֗יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with19לְיוֹסֵף֙H3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)20עֵ֣ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood21אֶפְרַ֔יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites22וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)23בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)24יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael25חֲבֵרָֽיוH2270metgezellen, gezel, medegenotencompanion, fellow, knit together
17Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Doe gij ze dan naderenH7126, het een tot het anderH259totH413 een enigH259houtH6086; en zijH1961 zullen tot een worden in uw handH3027.Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.
KJVAnd join1them one3to another5into one8stick;7and they shall become one10in thine hand.
1וְקָרַ֨בH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take2אֹתָ֜םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3אֶחָ֧דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5אֶחָ֛דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,6לְךָ֖7לְעֵ֣ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood8אֶחָ֑דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,9וְהָי֥וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10לַאֲחָדִ֖יםH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,11בְּיָדֶֽךָH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
18En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18En wanneer de kinderenH1121 uws volksH5971totH413 u zullen sprekenH559, zeggendeH559: Zult gij ons nietH3808 te kennenH5046 geven, wat u dezeH428 dingen zijn?En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?
KJVAnd when the children4of thy people5shall speak2unto thee, saying,6Wilt thou not shew
1וְכַֽאֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection2יֹאמְר֣וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֵלֶ֔יךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5עַמְּךָ֖H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people6לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7הֲלֽוֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8תַגִּ֥ידH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter9לָ֖נוּ10מָהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why11אֵ֥לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)12לָּֽךְ
19Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19Zo spreekH1696 tot hen: AlzoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: ZietH2009, Ik zal het houtH6086 van JozefH3130, datH834 in EfraimsH669handH3027 geweest is, en van de stammenH7626IsraelsH3478, zijn metgezellenH2270, nemenH3947, en Ik zal dezelve met hem voegenH5414 tot het houtH6086 van JudaH3063, en zal ze makenH6213 tot een enigH259houtH6086; en zijH1961 zullen een worden in Mijn handH3027.Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.
KJVSay1unto them, Thus saith4the Lord5GOD;6Behold, I will take9the stick11of Joseph,12which is in the hand14of Ephraim,15and the tribes16of Israel17his fellows,18and will put19them with him, even with the stick23of Judah,24and make25them one27stick,26and they shall be one29in mine hand.
1דַּבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֲלֵהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder4אָמַר֮H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord6יְהוִה֒H3069HEERE, HEEREN, HeereGod7הִנֵּה֩H2009ziet, ziebehold, lo, see8אֲנִ֨יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who9לֹקֵ֜חַH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11עֵ֤ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood12יוֹסֵף֙H3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)13אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14בְּיַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves15אֶפְרַ֔יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites16וְשִׁבְטֵ֥יH7626stammen, stam, roede[idiom] correction, dart, rod, sceptre, staff, tribe17יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael18חֲבֵרָ֑יוH2270metgezellen, gezel, medegenotencompanion, fellow, knit together19וְנָתַתִּי֩H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield20אוֹתָ֨םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)21עָלָ֜יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with22אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix23עֵ֣ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood24יְהוּדָ֗הH3063JudaJudah25וַֽעֲשִׂיתִם֙H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use26לְעֵ֣ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood27אֶחָ֔דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,28וְהָי֥וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use29אֶחָ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,30בְּיָדִֽיH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
20De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20De houtenH6086 nu, opH5921dewelkeH834 gij zult geschrevenH3789 hebben, zullen in uw handH3027zijnH1961 voor hunlieder ogenH5869.De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen.
KJVAnd the sticks2whereon thou writest4shall be in thine hand6before their eyes.
1וְהָי֨וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2הָעֵצִ֜יםH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood3אֲֽשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4תִּכְתֹּ֧בH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)5עֲלֵיהֶ֛םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6בְּיָדְךָ֖H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves7לְעֵינֵיהֶֽםH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)
21Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21SpreekH1696 dan totH413 hen: ZoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: ZietH2009, IkH589 zal de kinderenH1121IsraelsH3478halenH3947 uit het middenH996 der heidenenH1471, waarhenen zij getogenH1980 zijn, en zal ze vergaderenH6908 van rondomH5439, en brengenH935 hen in hun landH127;Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;
KJVAnd say1unto them, Thus saith4the Lord5GOD;6Behold, I will take9the children11of Israel12from among13the heathen,14whither they be gone,16and will gather18them on every side,20and bring21them into their own land:
1וְדַבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֲלֵיהֶ֗םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder4אָמַר֮H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord6יְהוִה֒H3069HEERE, HEEREN, HeereGod7הִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see8אֲנִ֤יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who9לֹקֵ֨חַ֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael13מִבֵּ֥יןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within14הַגּוֹיִ֖םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people15אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16הָֽלְכוּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl17שָׁ֑םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither18וְקִבַּצְתִּ֤יH6908vergaderen, vergaderd, vergaderdeassemble (selves), gather (bring) (together, selves together, up), heap, resort, [idiom] surely, take up19אֹתָם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20מִסָּבִ֔יבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side21וְהֵבֵאתִ֥יH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way22אוֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)23אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)24אַדְמָתָֽםH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land
22En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En Ik zal ze makenH6213 tot een enigH259volkH1471 in het landH776, op de bergenH2022IsraelsH3478; en zij zullen allen te zamen een enigenH259KoningH4428 tot koningH4428 hebben; en zijH1961 zullen niet meerH5750 tot tweeH8147volkenH1471 zijn, nochH3808 voortaan meerH5750 in tweeH8147koninkrijkenH4467verdeeldH2673 zijn.En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
KJVAnd I will make1them one4nation3in the land5upon the mountains6of Israel;7and one9king8shall be king12to them all: and they shall be15no more two16nations,17neither shall they be divided19into two21kingdoms
1וְעָשִׂ֣יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2אֹ֠תָםH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3לְג֨וֹיH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people4אֶחָ֤דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,5בָּאָ֨רֶץ֙H776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6בְּהָרֵ֣יH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion7יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8וּמֶ֧לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal9אֶחָ֛דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,10יִֽהְיֶ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use11לְכֻלָּ֖םH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12לְמֶ֑לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13וְלֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without14יִֽהְיוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use15עוֹד֙H5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)16לִשְׁנֵ֣יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two17גוֹיִ֔םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people18וְלֹ֨אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without19יֵחָ֥צוּH2673verdeeld, deelde, half en half delendivide, [idiom] live out half, reach to the midst, participle20ע֛וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)21לִשְׁתֵּ֥יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two22מַמְלָכ֖וֹתH4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal23עֽוֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)
23En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23En zij zullen zich nietH3808meerH5750verontreinigenH2930 met hun drekgodenH1544, en met hun verfoeiselenH8251, en met alH3605 hun overtredingenH6588; en Ik zal ze verlossenH3467 uit alH3605 hun woonplaatsenH4186, in dewelkeH834 zij gezondigdH2398 hebben, en zal ze reinigenH2891; zo zullen zijH1961 Mij tot een volkH5971 zijn, en IkH589 zal hun tot een GodH430 zijn.En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
KJVNeither shall they defile2themselves any more with their idols,4nor with their detestable things,5nor with any of their transgressions:7but I will save8them out of all their dwellingplaces,11wherein they have sinned,13and will cleanse15them: so shall they be my people,19and I will be their God.
1וְלֹ֧אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2יִֽטַמְּא֣וּH2930onrein, verontreinigd, verontreinigendefile (self), pollute (self), be (make, make self, pronounce) unclean, [idiom] utterly3ע֗וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)4בְּגִלּֽוּלֵיהֶם֙H1544drekgodenidol5וּבְשִׁקּ֣וּצֵיהֶ֔םH8251verfoeiselen, verfoeisel, gruwelabominable filth (idol, -ation), detestable (thing)6וּבְכֹ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7פִּשְׁעֵיהֶ֑םH6588overtredingen, overtreding, afvalrebellion, sin, transgression, trespass8וְהוֹשַׁעְתִּ֣יH3467verlossen, verlost, behouden[idiom] at all, avenging, defend, deliver(-er), help, preserve, rescue, be safe, bring (having) salvation, save(-iour), get victory9אֹתָ֗םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10מִכֹּ֤לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11מוֹשְׁבֹֽתֵיהֶם֙H4186woningen, woning, zitplaatsassembly, dwell in, dwelling(-place), wherein (that) dwelt (in), inhabited place, seat, sitting, situation, sojourning12אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13חָטְא֣וּH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass14בָהֶ֔ם15וְטִהַרְתִּ֤יH2891reinigen, rein, gereinigdbe (make, make self, pronounce) clean, cleanse (self), purge, purify(-ier, self)16אוֹתָם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17וְהָיוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use18לִ֣י19לְעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people20וַאֲנִ֕יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who21אֶהְיֶ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use22לָהֶ֖ם23לֵאלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En Mijn KnechtH5650DavidH1732 zal KoningH4428overH5921 hen zijn; en zij zullen allen te zamen een HerderH7462 hebben; en zijH1961 zullen in Mijn rechtenH4941wandelenH3212, en Mijn inzettingenH2708bewarenH8104 en die doenH6213.En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
Ook in dit vers
tezamenH259
KJVAnd David2my servant1shall be king3over them; and they all shall have one6shepherd:5they shall also walk10in my judgments,9and observe12my statutes,11and do
1וְעַבְדִּ֤יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant2דָוִד֙H1732David, DavidsDavid3מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal4עֲלֵיהֶ֔םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5וְרוֹעֶ֥הH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste6אֶחָ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,7יִהְיֶ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8לְכֻלָּ֑םH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9וּבְמִשְׁפָּטַ֣יH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong10יֵלֵ֔כוּH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak11וְחֻקֹּתַ֥יH2708inzettingen, inzetting, ordinantienappointed, custom, manner, ordinance, site, statute12יִשְׁמְר֖וּH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)13וְעָשׂ֥וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14אוֹתָֽםH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)
25En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En zij zullen wonenH3427 in het landH776, datH834 Ik Mijn knechtH5650JakobH3290gegevenH5414 heb, waarin uw vadersH1gewoondH3427 hebben; ja, daarin zullen zij wonenH3427, zij en hunH1992kinderenH1121, en hun kindskinderenH1121totH5704 in eeuwigheidH5769, en Mijn KnechtH5650DavidH1732 zal hunlieder VorstH5387 zijn tot in eeuwigheidH5769.En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.
KJVAnd they shall dwell1in the land3that I have given5unto Jacob7my servant,6wherein your fathers11have dwelt;9and they shall dwell12therein, even they, and their children,15and their children's16children17for ever:19and my servant21David20shall be their prince22for18ever.
1וְיָשְׁב֣וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry2עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3הָאָ֗רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world4אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5נָתַ֨תִּי֙H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield6לְעַבְדִּ֣יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant7לְיַֽעֲקֹ֔בH3290Jakob, JakobsJacob8אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9יָֽשְׁבוּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry10בָ֖הּ11אֲבֽוֹתֵיכֶ֑םH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'12וְיָשְׁב֣וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry13עָלֶ֡יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14הֵ֠מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye15וּבְנֵיהֶ֞םH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth16וּבְנֵ֤יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth17בְנֵיהֶם֙H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth18עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet19עוֹלָ֔םH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)20וְדָוִ֣דH1732David, DavidsDavid21עַבְדִּ֔יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant22נָשִׂ֥יאH5387overste, oversten, vorstcaptain, chief, cloud, governor, prince, ruler, vapour23לָהֶ֖ם24לְעוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
26En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26En Ik zal een verbondH1285 des vredesH7965 met hen maken, het zal een eeuwigH5769verbondH1285 met hen zijnH1961; en Ik zal ze inzettenH5414 en zal ze vermenigvuldigenH7235, en Ik zal Mijn heiligdomH4720 in het middenH8432 van hen zettenH5414 tot in eeuwigheidH5769.En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
KJVMoreover I will make1a covenant3of peace4with them; it shall be an everlasting6covenant5with them: and I will place9them, and multiply10them, and will set12my sanctuary14in the midst15of them for evermore.
1וְכָרַתִּ֤יH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want2לָהֶם֙3בְּרִ֣יתH1285verbond, verbonds, Verbondconfederacy, (con-) feder(-ate), covenant, league4שָׁל֔וֹםH7965vrede, welstand, vredes[idiom] do, familiar, [idiom] fare, favour, [phrase] friend, [idiom] great, (good) health, ([idiom] perfect, such as be at) peace(-able, -ably), prosper(-ity, -ous), rest, safe(-ty), salute, welfare, ([idiom] all is, be) well, [idiom] wholly5בְּרִ֥יתH1285verbond, verbonds, Verbondconfederacy, (con-) feder(-ate), covenant, league6עוֹלָ֖םH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)7יִהְיֶ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8אוֹתָ֑םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9וּנְתַתִּים֙H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield10וְהִרְבֵּיתִ֣יH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very11אוֹתָ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12וְנָתַתִּ֧יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14מִקְדָּשִׁ֛יH4720heiligdom, heiligdoms, heiligdommenchapel, hallowed part, holy place, sanctuary15בְּתוֹכָ֖םH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)16לְעוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
27En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27En Mijn tabernakelH4908 zal bijH5921 hen zijn, en Ik zal hun tot een GodH430 zijn, en zij zullen Mij tot een volkH5971 zijn.En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
KJVMy tabernacle2also shall be with them: yea, I will be their God,6and they shall be my people.
1וְהָיָ֤הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2מִשְׁכָּנִי֙H4908tabernakel, tabernakels, woningendwelleth, dwelling (place), habitation, tabernacle, tent3עֲלֵיהֶ֔םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4וְהָיִ֥יתִיH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use5לָהֶ֖ם6לֵֽאלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7וְהֵ֖מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye8יִֽהְיוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9לִ֥י10לְעָֽםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
28En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28En de heidenenH1471 zullen wetenH3045, datH3588IkH589 de HEEREH3068 ben, Die IsraelH3478heiligeH6942, als Mijn heiligdomH4720 in het middenH8432 van hen zal zijnH1961 tot in eeuwigheidH5769.En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.
KJVAnd the heathen2shall know1that I the LORD5do sanctify6Israel,8when my sanctuary10shall be in the midst11of them for evermore.
1וְיָֽדְעוּ֙H3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot2הַגּוֹיִ֔םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people3כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who5יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6מְקַדֵּ֖שׁH6942geheiligd, heiligen, heiligtappoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9בִּהְי֧וֹתH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10מִקְדָּשִׁ֛יH4720heiligdom, heiligdoms, heiligdommenchapel, hallowed part, holy place, sanctuary11בְּתוֹכָ֖םH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)12לְעוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Ezechiël 37:1— De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.Ezechiël 1:3→Ezechiël 3:22→Jeremia 8:2→Ezechiël 33:22→Lukas 4:1→Handelingen 8:39→Ezechiël 11:24→Jeremia 7:32→
Ezechiël 37:2— En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.Psalmen 141:7→Ezechiël 37:11→Deuteronomium 11:30→
Ezechiël 37:3— En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!Johannes 5:21→Johannes 11:25→Deuteronomium 32:39→Hebreeën 11:19→2 Korinthe 1:9→Romeinen 4:17→Handelingen 26:8→1 Samuël 2:6→
Ezechiël 37:4— Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.Johannes 5:28→Ezechiël 36:1→Johannes 5:25→Jeremia 22:29→Mattheüs 21:21→Johannes 2:5→Ezechiël 37:11→Micha 6:2→
Ezechiël 37:5— Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.Genesis 2:7→Psalmen 104:29→Efeze 2:5→Ezechiël 37:14→Ezechiël 37:9→Johannes 20:22→Romeinen 8:2→
Ezechiël 37:6— En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.Joël 2:27→Joël 3:17→Ezechiël 6:7→Ezechiël 38:23→Ezechiël 39:6→Ezechiël 34:27→Ezechiël 35:9→Jesaja 49:23→
Ezechiël 37:7— Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.1 Koningen 19:11→Handelingen 4:19→Handelingen 5:20→Handelingen 16:26→Jeremia 26:8→Jeremia 13:5→Handelingen 2:2→Handelingen 2:37→
Ezechiël 37:9— En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.Johannes 3:8→Psalmen 104:30→Hooglied 4:16→Ezechiël 37:5→Ezechiël 37:14→
Ezechiël 37:10— En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.Openbaring 11:11→Psalmen 104:30→Openbaring 20:4→
Ezechiël 37:11— Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.Ezechiël 39:25→Ezechiël 36:10→Jesaja 49:14→Efeze 2:1→Psalmen 77:7→Klaagliederen 3:54→Psalmen 141:7→Jeremia 31:1→
Ezechiël 37:12— Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.Jesaja 26:19→Hosea 13:14→Jesaja 66:14→Ezechiël 37:21→Ezechiël 37:25→Amos 9:14→1 Thessalonicenzen 4:16→Ezechiël 36:24→
Ezechiël 37:13— En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!Ezechiël 37:6→Ezechiël 16:62→Psalmen 126:2→
Ezechiël 37:14— En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.Ezechiël 36:27→Ezechiël 17:24→Joël 2:28→Ezechiël 39:29→Ezechiël 37:9→Ezechiël 36:36→Jesaja 32:15→Ezechiël 11:19→
Ezechiël 37:16— Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen.2 Kronieken 15:9→2 Kronieken 10:19→2 Kronieken 10:17→Numeri 17:2→2 Kronieken 11:11→1 Koningen 12:16→2 Kronieken 30:11→
Ezechiël 37:17— Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.Jesaja 11:13→Hosea 1:11→Jeremia 50:4→Ezechiël 37:22→Sefanja 3:9→
Ezechiël 37:18— En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?Ezechiël 24:19→Ezechiël 12:9→Ezechiël 20:49→Ezechiël 17:12→
Ezechiël 37:19— Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.Zacharia 10:6→Ezechiël 37:16→Efeze 2:13→Kolossenzen 3:11→1 Kronieken 9:1→
Ezechiël 37:20— De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen.Ezechiël 12:3→Hosea 12:10→Numeri 17:6→
Ezechiël 37:21— Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;Ezechiël 36:24→Obadja 1:17→Jeremia 23:8→Amos 9:14→Jeremia 29:14→Jeremia 16:15→Jesaja 43:5→Jeremia 32:37→
Ezechiël 37:22— En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.Ezechiël 37:24→Jeremia 50:4→Jeremia 3:18→Hosea 1:11→Ezechiël 34:23→Efeze 2:19→Jeremia 33:14→Openbaring 11:15→
Ezechiël 37:23— En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.Ezechiël 36:28→Psalmen 68:20→Jeremia 31:33→Leviticus 20:7→Zacharia 13:1→Micha 7:14→Hosea 1:10→Ezechiël 43:7→
Ezechiël 37:24— En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.Hosea 3:5→Jesaja 40:11→Ezechiël 37:22→Jeremia 30:9→Ezechiël 36:27→Ezechiël 37:25→Ezechiël 34:23→Jeremia 23:5→
Ezechiël 37:25— En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.Amos 9:15→Ezechiël 28:25→Ezechiël 37:24→Jesaja 66:22→Ezechiël 37:26→Joël 3:20→Sefanja 3:14→Jesaja 60:21→
Ezechiël 37:26— En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.Jesaja 55:3→Ezechiël 34:25→Jeremia 30:19→Ezechiël 43:7→Ezechiël 36:10→Ezechiël 36:37→Ezechiël 11:16→Psalmen 89:3→
Ezechiël 37:27— En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.Ezechiël 37:23→Johannes 1:14→Openbaring 21:3→Ezechiël 11:20→Hosea 2:23→Ezechiël 14:11→Leviticus 26:11→Ezechiël 36:28→
Ezechiël 37:28— En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.Ezechiël 20:12→Exodus 31:13→Ezechiël 36:23→Ezechiël 39:23→Ezechiël 36:36→Leviticus 20:8→Romeinen 11:15→Psalmen 126:2→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Ezechiël 37 vers 1— De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.
hand des HEEREN was op mij,
Zie boven Ezech. 1:3 .
Hertaald:hand des HEEREN was op mij,
Zie hierboven Ezech. 1:3.
geest,
Dat is, in een gezicht met optrekking van mijnen geest. Anders: zij [de hand des Heeren] voerde mij uit door den Geest des Heeren.
Hertaald:geest,
Dat is: in een gezicht, waarbij mijn geest werd opgetrokken. Anders: zij, de hand van de HEERE, voerde mij uit door de Geest van de HEERE.
beenderen
Versta, dorre dode beenderen van verstorven mensen, gelijk volgt. Door dit gezicht en het volgende teken van twee stukjes hout, heeft God willen verzekeren de vervulling der genadebeloften, die in het voorgaande wijlopig gedaan zijn, zo van de lichamelijke verlossing uit Babel als van de geestelijke door den Messias en de vergadering der algemene kerk uit Joden en heidenen, hetwelk alles het begrip en vermogen van den mens teboven ging, om zijn volk te leren dat het Hem [als den almachtigen God] zo licht is zulks alles te volbrengen als doden op te wekken en levend te maken, [waarvan God hier een levendig beeld tot het geloof zijner kerk, voorstelt] en twee stukjes hout samen te voegen.
Hertaald:beenderen
Versta: dorre, dode beenderen van gestorven mensen, zoals volgt. Door dit gezicht, en door het volgende teken van de twee stukken hout, heeft God de vervulling willen verzekeren van de genadebeloften die in het voorgaande uitvoerig gedaan zijn: zowel van de lichamelijke verlossing uit Babel als van de geestelijke verlossing door de Messias en de vergadering van de algemene kerk uit Joden en heidenen. Dat alles ging het begrip en het vermogen van de mens te boven, en daarom leert God Zijn volk hier dat het voor Hem, de almachtige God, even gemakkelijk is dat alles te volbrengen als doden op te wekken en levend te maken — waarvan Hij hier een levendig beeld voor het geloof van Zijn kerk voorstelt — en twee stukken hout samen te voegen.
Ezechiël 37 vers 2— En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.
Hij deed mij
Namelijk de Heere; anders mocht de profeet een natuurlijken schrik daarvan gehad hebben, en gevreesd hebben voor ceremonieële onreinheid.
Hertaald:Hij deed mij
Namelijk de Heere; anders zou de profeet daarvan een natuurlijke schrik hebben kunnen krijgen en gevreesd hebben voor ceremoniële onreinheid.
Ezechiël 37 vers 3— En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!
Hij zeide tot mij
De Heere.
Hertaald:Hij zeide tot mij
Namelijk de Heere.
zullen deze beenderen levend worden?
Alsof God zeide: Zouden zij wel kunnen levend worden? weet gij daartoe enig natuurlijk, begrijpelijk middel, raad, of vermogen? dunkt het u wel menselijk, mogelijk te zijn? Vergelijk deze vraag met Job 6:5-6 . Anderszins was de zaak van de toekomstige algemene verrijzenis der doden onder Gods volk bekend en buiten twijfel; zie Matt. 22:29 , enz.; Hebr. 11:13-14 , Hebr. 11:35 .
Hertaald:zullen deze beenderen levend worden?
Alsof God zei: zouden zij wel levend kunnen worden? Weet u daarvoor enig natuurlijk, begrijpelijk middel, enige raad of enig vermogen? Lijkt het u menselijk gesproken mogelijk? Vergelijk deze vraag met Job 6:5-6. Overigens was de zaak van de toekomstige algemene opstanding van de doden onder Gods volk bekend en stond zij buiten twijfel; zie Matth. 22:29 enzovoort; Hebr. 11:13-14, Hebr. 11:35.
Gij weet het
Alsof de profeet zeide: Ik weet uwe macht wel, maar wat Gij hier nu met deze beenderen voorhebt, en aan dezelve zult willen doen, dat is U bekend en mij van U nog niet geopenbaard; anderszins had de profeet in het algemeen het geloof der vrome voorvaderen; zie Gen. 23:4 , en Gen. 50:25 ; Ex. 13:19 ; Jes. 26:19 , enz.; zonder hetwelk de gelovigen de ellendigste aller mensen geweest zouden zijn, 1 Kor. 15:19 ; zie wijders Joh. 11:24 .
Hertaald:Gij weet het
Alsof de profeet zei: ik ken Uw macht wel, maar wat U hier nu met deze beenderen voorhebt en wat U eraan zult willen doen, dat is U bekend en mij door U nog niet geopenbaard. Overigens had de profeet in het algemeen het geloof van de vrome voorvaderen; zie Gen. 23:4 en Gen. 50:25; Ex. 13:19; Jes. 26:19, enzovoort. Zonder dat geloof zouden de gelovigen de ellendigste van alle mensen geweest zijn, 1 Kor. 15:19; zie verder Joh. 11:24.
Ezechiël 37 vers 4— Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.
zeg tot hen:
Vergelijk deze aanspraak met boven Ezech. 36:1 , en Ezech. 14:17 , met de aantekening; idem Rom. 4:17 .
Hertaald:zeg tot hen:
Vergelijk deze aanspraak met hierboven Ezech. 36:1 en Ezech. 14:17 met de aantekening; eveneens Rom. 4:17.
Ezechiël 37 vers 5— Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.
geest in u brengen,
Dat is, de ziel, in een iegelijk lichaam; alzo vs.8, 10. Zie Num. 16:22 .
Hertaald:geest in u brengen,
Dat is: de ziel, in elk lichaam; zo ook vers 8 en 10. Zie Num. 16:22.
Ezechiël 37 vers 6— En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
leggen,
Hebreeuws, geven.
Hertaald:leggen,
Hebreeuws: geven.
Ezechiël 37 vers 7— Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
geluid,
Dit waren tekenen en boden van Gods tegenwoordige majesteit en krachtige werking, gelijk in het volgende de wind.
Hertaald:geluid,
Dit waren tekenen en voorboden van Gods tegenwoordige majesteit en krachtige werking, zoals in het vervolg de wind.
beroering
Of, schudding, beving, beweging. Anders: [aard] beving, waarvan het Hebreeuwse woord veel gebruikt wordt; doch ook van andere beroerten, gelijk onder Ezech. 38:19-20 ; Nah. 3:2 .
Hertaald:beroering
Of: schudding, beving, beweging. Anders: aardbeving, waarvoor het Hebreeuwse woord veel gebruikt wordt; maar het wordt ook van andere beroeringen gebruikt, zoals hieronder Ezech. 38:19-20; Nah. 3:2.
zijn been
Zodat de beenderen, die in het leven bij elkander in elk lichaam geweest waren, in dit gezicht weder samenkwamen; een levendige afbeelding van hetgeen God zal werken in de opstanding der doden.
Hertaald:zijn been
Zodat de beenderen die tijdens het leven in elk lichaam bij elkaar geweest waren, in dit gezicht weer samenkwamen — een levendige afbeelding van wat God zal werken in de opstanding van de doden.
Ezechiël 37 vers 8— En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
geest in hen
Gelijk boven vs.5.
Hertaald:geest in hen
Zoals hierboven vers 5.
Ezechiël 37 vers 9— En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.
Profeteer tot den geest;
Dat is, verkondig in mijnen naam dat Ik door mijn goddelijke kracht de zielen zal wederbrengen in deze dode lichamen, enz. Sommigen verstaan door het woord geest den wind, en alzo in het volgende van vs.9. Niet dat de wind den doden het leven of de ziel kan inblazen of geven; maar dat het God belieft den wind te gebruiken tot een voorbode zijner krachtige werking, om de gelijkheid, die er enigszins is tussen de werking Gods en de kracht van den wind, en het geblaas van den wind, [waarvan in het volgende] en het geblaas of adem, dat de ziel voortbrengt in den levende. VergelijK Hand. 2:2 , en Joh. 20:22 , enz.
Hertaald:Profeteer tot den geest;
Dat is: verkondig in Mijn naam dat Ik door Mijn goddelijke kracht de zielen zal terugbrengen in deze dode lichamen, enzovoort. Sommigen verstaan onder het woord geest de wind, en zo ook in het vervolg van vers 9. Niet dat de wind aan de doden het leven of de ziel kan inblazen of geven, maar het behaagt God de wind te gebruiken als voorbode van Zijn krachtige werking, vanwege de zekere overeenkomst die er is tussen de werking van God en de kracht van de wind, en tussen het blazen van de wind (waarover het in het vervolg gaat) en de adem die de ziel in de levende voortbrengt. Vergelijk Hand. 2:2 en Joh. 20:22, enzovoort.
winden,
Dat is, van de vier hoeken of delen der wereld. Zie boven Ezech. 5:10 .
Hertaald:winden,
Dat is: van de vier hoeken of delen van de wereld. Zie hierboven Ezech. 5:10.
in deze gedoden,
Of, op, of blaas deze gedoden aan.
Hertaald:in deze gedoden,
Of: blaas op deze gedoden, of: blaas deze gedoden aan.
Ezechiël 37 vers 10— En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.
geest in hen,
Dat is, ziel, gelijk boven vs.5.
Hertaald:geest in hen,
Dat is: de ziel, zoals hierboven vers 5.
gans zeer groot heir
Hebreeuws, zeer zeer.
Hertaald:gans zeer groot heir
Hebreeuws: zeer zeer.
Ezechiël 37 vers 11— Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
die zijn het ganse huis Israëls;
Dat is, zij zijn een teken of afbeelding van het huis van Israël, of zij beduiden dat en hun tegenwoordigen staat in Babel.
Hertaald:die zijn het ganse huis Israëls;
Dat is: zij zijn een teken of afbeelding van het huis van Israël, of zij duiden dat aan en zijn tegenwoordige toestand in Babel.
Onze beenderen zijn verdord,
Daar is zo weinig hoop van onze verlossing uit Babel en de wederkomst in ons land, als er is dat dode, begraven en verrotte mensen en hun verdorde beenderen weder zouden levend worden. Deze redenen van ongeloof en mistroostigheid waren de aanleiding, en geven het oogmerk te kennen van het voorgaande gezicht.
Hertaald:Onze beenderen zijn verdord,
Er is even weinig hoop op onze verlossing uit Babel en op onze terugkeer in ons land als er hoop is dat dode, begraven en verrotte mensen en hun verdorde beenderen weer levend zouden worden. Deze uitingen van ongeloof en moedeloosheid waren de aanleiding voor het voorgaande gezicht en geven het doel ervan aan.
afgesneden
Gelijk takken, die afgesneden zijn en van den wortel geen sap kunnen trekken, moetende dienvolgens vergaan.
Hertaald:afgesneden
Zoals takken die afgesneden zijn en uit de wortel geen sap meer kunnen trekken en dus wel moeten vergaan.
Ezechiël 37 vers 12— Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
Ziet,
God herhaalt hier sommierlijk de lichamelijke en geestelijke beloften, die in de voorgaande h.h. wijdlopig zijn gedaan, gebruikende daartoe figuurlijke manieren van spreken, die uit het voorgaande gezicht en hun eigen woorden genomen zijn.
Hertaald:Ziet,
God herhaalt hier in het kort de lichamelijke en geestelijke beloften die in de voorgaande hoofdstukken uitvoerig gedaan zijn, en gebruikt daarvoor beeldende uitdrukkingen die ontleend zijn aan het voorgaande gezicht en aan hun eigen woorden.
Ezechiël 37 vers 14— En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
dat Ik, de HEERE,
Anders: dat Ik de HEERE [ben], Ik heb het gesproken en zal het doen.
Hertaald:dat Ik, de HEERE,
Anders: dat Ik de HEERE ben; Ik heb het gesproken en zal het doen.
Ezechiël 37 vers 16— Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen.
wat u deze dingen zijn?
Dat is, wat zij beduiden of betekenen, en wat Gij daarmede meent, wat daardoor te verstaan zij; zie boven Ezech. 24:19 .
Hertaald:wat u deze dingen zijn?
Dat is: wat zij aanduiden of betekenen, wat U daarmee bedoelt en wat men daaronder moet verstaan; zie hierboven Ezech. 24:19.
Ezechiël 37 vers 19— Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.
hout van Jozef,
Dat is, Jozefs nakomelingen, of de Efraïmieten met hun bijgevoegde stammen, die door dit hout samen betekend werden.
Hertaald:hout van Jozef,
Dat is: de nakomelingen van Jozef, of de Efraïmieten met de stammen die zich bij hen gevoegd hadden en die door dit hout samen aangeduid werden.
hand geweest is,
Dat is, de tien stammen, waarvan Efraïm het hoofd tevoren geweest was, toebehoorde.
Hertaald:hand geweest is,
Dat is: aan de tien stammen, waarvan Efraïm tevoren het hoofd geweest was.
een worden in Mijn hand
Gelijk de verdeeldheid en vijandschap tussen Juda en Efraïm [waarvan Samaria de hoofdstad was] als ene afbeelding was van de twee vijandelijke gedeelten der mensen, namelijk Joden en heidenen, alzo was de vereniging van dezelve een afbeelding of voorbeeld van de vereniging der algemene kerk, of van alle uitverkorenen in de ganse wereld, uit Joden en heidenen, door enen Geest en een geloof, onder een Hoofd, Koning en Zaligmaker, welke is onze Heere Jezus Christus, de beloofde Messias. Of nu wel enige van de tien stammen zich met Juda gevoegd hebben, en alzo samen uit Babel zijn opgetogen [ 1 Kron. 9:3 ] , zo heeft nochtans de rechte geestelijke vereniging haar aanvang genomen ten tijde des Heeren Christus en van zijne apostelen, [zie Joh. 4:9 , Joh. 4:21 , Joh. 4:23 , Joh. 4:35 , Joh. 4:39 , Joh. 4:41 ; Hand. 2:9-11 , en Hand. 8:5 , Hand. 8:14 , en Hand. 9:31 ] , en is voorts vervolgd onder de Joden, en voornamelijk onder de heidenen, en zal duren tot aan het einde der wereld, totdat gans geestelijk Israël is beroepen, in Gods hand, [dat is, in den Heere Christus, die in dezen des Vaders knecht is, in wiens hand Hij alles heeft overgegeven en tot
Hertaald:een worden in Mijn hand
Zoals de verdeeldheid en vijandschap tussen Juda en Efraïm, van wie Samaria de hoofdstad was, een afbeelding was van de twee vijandige delen van de mensheid, namelijk Joden en heidenen, zo was de vereniging daarvan een afbeelding of voorbeeld van de vereniging van de algemene kerk, dat is: van alle uitverkorenen in de hele wereld, uit Joden en heidenen, door één Geest en één geloof, onder één Hoofd, Koning en Zaligmaker, namelijk onze Heere Jezus Christus, de beloofde Messias. Hoewel er enkelen van de tien stammen zich bij Juda gevoegd hebben en zo samen uit Babel opgetrokken zijn (1 Kron. 9:3), heeft de eigenlijke geestelijke vereniging toch haar begin genomen in de tijd van de Heere Christus en van Zijn apostelen (zie Joh. 4:9, Joh. 4:21, Joh. 4:23, Joh. 4:35, Joh. 4:39, Joh. 4:41; Hand. 2:9-11, Hand. 8:5, Hand. 8:14 en Hand. 9:31). Zij is voortgezet onder de Joden en vooral onder de heidenen, en zal duren tot aan het einde van de wereld, totdat heel het geestelijke Israël geroepen is in Gods hand — dat is: in de Heere Christus, Die hierin de Knecht van de Vader is, in Wiens hand Hij alles heeft overgegeven en tot
een worden in Mijn hand
wien Hij alle uitverkorenen trekt] in een lichaam of eene kerk verenigd en behouden. Zie Matt. 28:19 ; Hand. 1:8 ; Rom. 11:25-26 ; Ef. 2:13 , enz.
Hertaald:een worden in Mijn hand
Wie Hij alle uitverkorenen trekt — en in één lichaam of één kerk verenigd en behouden is. Zie Matth. 28:19; Hand. 1:8; Rom. 11:25-26; Ef. 2:13, enzovoort. De bron verdeelt deze ene zin over twee noten met hetzelfde kopwoord.
Ezechiël 37 vers 20— De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen.
voor hunlieder ogen
Gelijk den profeet dikwijls belast werd, hetgeen hun van God was geopenbaard het volk alzo levendig en als metterdaad af te beelden en voor ogen te stellen. Vergelijk boven Ezech. 12:3-4 , enz., met de aantekening; Jer. 27:2 , enz.
Hertaald:voor hunlieder ogen
Zoals de profeet vaker opgedragen werd wat God hem geopenbaard had zo levendig en als het ware metterdaad voor het volk af te beelden en voor ogen te stellen. Vergelijk hierboven Ezech. 12:3-4 enzovoort, met de aantekening; Jer. 27:2, enzovoort.
Ezechiël 37 vers 21— Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;
halen
Gelijk boven Ezech. 36:24 .
Hertaald:halen
Zoals hierboven Ezech. 36:24.
uit het midden der heidenen,
Of, van tussen.
Hertaald:uit het midden der heidenen,
Of: van tussen.
land;
Het geestelijk Kanaän, Jeruzalem, den berg Zion, dat is, in Gods kerk, eerst de strijdende, daarna de triomferende, [zie Gal. 4:25-26 ; Hebr. 12:22 ] afgebeeld door het aardse, waar God de Joden eerst weder inbracht uit Babel.
Hertaald:land;
Namelijk het geestelijke Kanaän, Jeruzalem, de berg Sion, dat is: Gods kerk, eerst de strijdende en daarna de triomferende (zie Gal. 4:25-26; Hebr. 12:22), afgebeeld door het aardse land waar God de Joden eerst weer in terugbracht uit Babel.
Ezechiël 37 vers 22— En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
Koning tot koning hebben;
Den Messias, onzen Heere Jezus Christus.
Hertaald:Koning tot koning hebben;
Namelijk de Messias, onze Heere Jezus Christus.
verdeeld zijn
Hebreeuws alsof men zeide: Gehalveerd zijn.
Hertaald:verdeeld zijn
In het Hebreeuws staat het alsof men zei: gehalveerd zijn.
Ezechiël 37 vers 23— En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
drekgoden,
Zie Lev. 26:30 .
Hertaald:drekgoden,
Zie Lev. 26:30.
verfoeiselen,
Zie boven Ezech. 20:7 .
Hertaald:verfoeiselen,
Zie hierboven Ezech. 20:7.
al hun overtredingen;
Of, enige.
Hertaald:al hun overtredingen;
Of: enkele.
gezondigd hebben,
Namelijk in Babel, Egypte, enz. Zie Jer. 44:8 ; boven Ezech. 14:3 , en Ezech. 20:30 , Ezech. 20:39 , enz.
Hertaald:gezondigd hebben,
Namelijk in Babel, Egypte, enzovoort. Zie Jer. 44:8; hierboven Ezech. 14:3 en Ezech. 20:30, Ezech. 20:39, enzovoort.
Ezechiël 37 vers 24— En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
Knecht David
Zie boven Ezech. 34:23 .
Hertaald:Knecht David
Zie hierboven Ezech. 34:23.
Herder hebben;
Zie Joh. 10:16 .
Hertaald:Herder hebben;
Zie Joh. 10:16.
Ezechiël 37 vers 26— En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
verbond des vredes
Zie boven Ezech. 34:25 .
Hertaald:verbond des vredes
Zie hierboven Ezech. 34:25.
inzetten
Inbrengen, plaatsen, endoen blijven en beklijven in mijne kerk. Hebreeuws, geven.
Hertaald:inzetten
Namelijk inbrengen, plaatsen, en doen blijven en wortel schieten in Mijn kerk. Hebreeuws: geven.
heiligdom
Deze manier van spreken is genomen van den staat van het Oude Testament, [gelijk elders dikwijls] betekenende de genaderijke inwoning Gods onder en in zijne kerk, met zijn woord, Geest, gunst en zegen; zie Lev. 26:12 ; 1 Kor. 3:16 ; 2 Kor. 6:16 ; Ef. 2:21-22 ; Openb. 21:3 .
Hertaald:heiligdom
Deze manier van spreken is ontleend aan de toestand van het Oude Testament, zoals elders vaak, en betekent Gods genaderijke inwoning onder en in Zijn kerk met Zijn Woord, Geest, gunst en zegen; zie Lev. 26:12; 1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; Ef. 2:21-22; Openb. 21:3.
Ezechiël 37 vers 28— En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Het dal der dorre beenderen — een gezicht waarin twee keer geprofeteerd moet worden voordat er leven is (Ezech. 37:1-10)
"De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen" (Ezech. 37:1); die uitdrukking staat aan het begin van dit boek (reeds behandeld bij Ezech. 1:3). Van de beenderen wordt tweemaal iets gezegd: er waren er zeer vele, "en ziet, zij waren zeer dor" (Ezech. 37:2). Dan komt de vraag: "Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!" (Ezech. 37:3). De profeet moet spreken: "Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord" (Ezech. 37:4). Het gaat in twee gangen. Eerst komen de beenderen bijeen en komt er vlees en huid op, "maar er was geen geest in hen" (Ezech. 37:8). Daarna moet hij opnieuw profeteren: "Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden" (Ezech. 37:9). Pas dan staan zij op hun voeten, "een gans zeer groot heir" (Ezech. 37:10).
Bijbelse betekenis: Merk op wat de profeet antwoordt. Hij zegt niet ja en hij zegt niet nee, maar: "Heere HEERE, Gij weet het!" (Ezech. 37:3). Dat is geen ontwijken; hij legt de vraag daar neer waar zij hoort, bij Degene Die haar stelde. Let vervolgens op de twee gangen van het gezicht. Na de eerste is er een volledig lichaam, met zenuwen, vlees en huid, en het ligt er dood bij. Wat er dan nog ontbreekt is niet een kleinigheid; zonder de geest is het geheel alleen maar netter geordend. Let ten slotte op het middel. Er moet gesproken worden, en wel tweemaal; de profeet krijgt geen ander gereedschap dan het woord. Wat dat woord uitwerkt, ligt niet in de spreker, want hij vroeg zelf nog of het mogelijk was.
Typologie: Bij de schepping van de mens gebeurt hetzelfde in twee stappen: eerst geformeerd uit het stof, en daarna "in zijn neusgaten geblazen de adem des levens" (Gen. 2:7). En de psalm zet beide kanten naast elkaar: "neemt Gij hun adem weg, zij sterven" en "Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen" (Ps. 104:29-30).
Ezech. 37:1-10; Ezech. 1:3; Gen. 2:7; Ps. 104:29-30
De geopende graven — de uitleg die de tekst zelf bij het gezicht geeft (Ezech. 37:11-14)
Het gezicht wordt niet aan de lezer overgelaten: "Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels" (Ezech. 37:11). In datzelfde vers staat wat het volk zelf zei: "Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden." Daarop volgt de belofte in hetzelfde beeld: "Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels" (Ezech. 37:12). En het slot geeft wat er in hen komen zal: "En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten" (Ezech. 37:14).
Bijbelse betekenis: Merk op dat de tekst zijn eigen uitleg meegeeft, en houd die vast. Het gezicht gaat over een volk zonder verwachting en niet over de opstanding der doden als leerstuk; wat de Schrift daarover zegt, staat elders (reeds behandeld bij 1 Kor. 15:42-44). Let vervolgens op wie het beeld het eerst gebruikte. Niet God maar zijzelf: "Onze beenderen zijn verdord" (Ezech. 37:11). Hun eigen klacht wordt opgenomen en beantwoord in de woorden waarin zij haar uitspraken. Let ten slotte op de drie dingen die zij zeggen. Verdord, de verwachting verloren, afgesneden — dat is meer dan tegenslag; het is het einde van elk uitzicht. Juist daar wordt de Geest beloofd, en dat is dezelfde belofte als een hoofdstuk eerder (reeds behandeld bij Ezech. 36:27).
Typologie: De Heere Jezus spreekt van graven die werkelijk opengaan: "de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen" (Joh. 5:28). Wat hier een beeld is voor een volk, is daar de zaak zelf.
De twee houten — een tekenhandeling waarin een scheuring van eeuwen ongedaan gemaakt wordt (Ezech. 37:15-23)
De profeet moet twee stukken hout nemen en er namen op schrijven, het ene voor Juda en het andere "Voor Jozef, het hout van Efraim" (Ezech. 37:16). Dan moet hij ze samenvoegen: "Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand" (Ezech. 37:17). De uitleg volgt op de vraag van de omstanders: "Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda" (Ezech. 37:19), en in datzelfde vers staat dat zij één zullen worden in Gods hand. Wat dat betekent staat er zonder beeld bij: "zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn" (Ezech. 37:22). En daaraan gaat iets vooraf: "en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn" (Ezech. 37:23).
Bijbelse betekenis: Merk op hoe oud deze scheuring was. Zij begon bij de breuk onder Rehabeam (reeds behandeld bij 1 Kon. 12:16) en had eeuwen geduurd; toen dit gesproken werd, bestond het noordelijke rijk allang niet meer als staat. Wat hersteld wordt, was door mensen niet meer te herstellen. Let vervolgens op de twee handen in Ezech. 37:17 en Ezech. 37:19. In de hand van de profeet worden de houten één als teken; in de hand van God worden zij één in werkelijkheid. Let ten slotte op de volgorde in Ezech. 37:23. Eerst de reiniging, dan het ene volk. De eenheid komt hier niet uit een akkoord voort, maar volgt op hetzelfde werk van God aan beide helften.
Typologie: De Heere Jezus spreekt over schapen van een andere stal en zegt: "het zal worden een kudde, en een Herder" (Joh. 10:16). En Johannes schrijft dat Hij sterven zou "opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen" (Joh. 11:52).
Het heiligdom in het midden — de belofte waarmee het boek naar zijn slotgedeelte toewerkt (Ezech. 37:24-28)
"En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben" (Ezech. 37:24); over die belofte is bij Ezech. 34:23 gesproken. Ook het verbond keert terug, nu met een woord erbij: "En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn" (Ezech. 37:26); over dat verbond is bij Ezech. 34:25 gesproken. Nieuw is wat in datzelfde vers volgt: "en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid". En het vers erna zegt het nog eenvoudiger: "En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn" (Ezech. 37:27).
Bijbelse betekenis: Merk op waar deze belofte tegenover staat. In het begin van dit boek gaat de heerlijkheid des HEEREN stap voor stap bij de tempel vandaan (reeds behandeld bij Ezech. 10:18-19). Hier wordt gezegd dat God Zijn heiligdom in hun midden zetten zal, en dat het daar blijven zal. Wat vertrokken is, keert terug. Let vervolgens op het woord tabernakel. Dat is niet het woord voor het gebouw van Salomo maar het oude woord uit de woestijn, uit de tijd dat God met Zijn volk meetrok. Let ten slotte op waar dit gedeelte staat. Het besluit het middendeel van het boek en wijst vooruit naar de laatste hoofdstukken, waarin een heiligdom beschreven wordt. Over de tijd en de vorm van de vervulling doet het register geen uitspraak.
Typologie: Johannes gebruikt hetzelfde woord van Christus: "het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond" (Joh. 1:14). Paulus past het toe op de gemeente en haalt daarbij de belofte aan: "Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen" (2 Kor. 6:16). En het laatste boek eindigt ermee: "Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen" (Op. 21:3).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De verlossing en de losserniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenuitwerking
Kunnen deze beenderen levend worden? — 37:1-28
Ezechiël wordt in een dal gezet dat vol ligt met beenderen, en er staat nadrukkelijk bij: zij waren zeer dor. Niet pas gestorven — allang dood, uitgedroogd, hopeloos.
Op de vraag of dode beenderen leven kunnen, geeft Ezechiël het enige eerlijke antwoord: Heere HEERE, Gij weet het.
God laat hem er eerst rondom langs gaan. Het dal is vol, en de beenderen zijn zeer dor. Dan komt de vraag: mensenkind, zullen deze beenderen levend worden?
Ezechiël zegt niet ja en niet nee. Hij zegt: Heere HEERE, Gij weet het. Dat is precies de plaats waar de mens staat tegenover de dood.
En dan krijgt hij de vreemdste opdracht van heel het boek: profeteer tegen deze beenderen. Preken tegen dorre botten. Hij doet het, en er komt een geluid en een beroering, en de beenderen komen bijeen, been tot zijn been. Er komt vlees op, en huid. Maar er is geen geest in hen — het zijn nog steeds lijken, nu alleen compleet.
Pas als hij ook tot den geest profeteert, gaat de adem in hen en zij leven en staan op hun voeten, een gans zeer groot heir.
God legt de gelijkenis zelf uit: deze beenderen zijn het ganse huis Israëls, die zeggen dat hun hoop verloren is. Het gaat dus over een volk waarvan de zaak afgelopen leek.
Maar de woorden reiken verder dan de ballingschap, want er staat bij: Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen. Dat is de taal van de opstanding, en Christus gebruikt haar bijna woordelijk wanneer Hij zegt dat de stem van den Zoon van God gehoord zal worden door allen die in de graven zijn, en dat zij zullen uitgaan.
Het slot van het hoofdstuk brengt beide lijnen samen: Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn, zij zullen allen tezamen één Herder hebben, en Mijn tabernakel zal bij hen zijn. Dat laatste is de belofte van Exodus 25, en zij klinkt onveranderd terug in het laatste hoofdstuk van de Bijbel.
Ezechiël 37:3 — Zullen deze beenderen levend worden? Heere HEERE, Gij weet het.
Ezechiël 37:7-8 — Been komt tot been, met vlees en huid — maar er is nog geen geest.
Ezechiël 37:10 — Pas als de geest komt, staan zij op: een gans zeer groot heir.
Ezechiël 37:12 — Ik zal uw graven openen en u uit uw graven doen opkomen.
Johannes 5:28-29 — Allen die in de graven zijn zullen Zijn stem horen en uitgaan.
Ezechiël 37:27 — Mijn tabernakel zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn.
Openbaring 21:3 — Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen.
In het Nieuwe Testament: Johannes 5:25-29; Efeze 2:1-5; Openbaring 21:3; Romeinen 8:11
Hoever dit reikt: God legt het gezicht zelf uit als het herstel van Israël. Dat het ook de opstanding raakt, staat er in vers 12-13 met zoveel woorden; dat het beeld daarnaast op de geestelijke levendmaking ziet, is de lezing die Paulus in Efeze 2 uitwerkt zonder Ezechiël te noemen.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Ezechiël 37:1.KruisverwijzingenEzechiël 1:3→Ezechiël 3:22→Jeremia 8:2→Ezechiël 33:22→Lukas 4:1→Handelingen 8:39→Ezechiël 11:24→Jeremia 7:32→ — De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen. De knechten van God leren niets voordat zij een ervaring hebben zoals Ezechiël. Zij moeten door de Geest van de HEERE geleid worden, en hun ogen en hun mond moeten door Hem geopend worden. Dan kunnen zij het gezicht zien én het aan anderen vertellen.
De vallei was als een reusachtig graf, een knekelhuis, een slagveld waar de verslagenen niet begraven waren. Geen knecht van God zou naar zo’n plaats gaan zonder gezonden te zijn. En toch was het nodig dat Ezechiël daar was, opdat hij de boodschap van God zou begrijpen en spreken.
Ezechiël 37:2.KruisverwijzingenPsalmen 141:7→Ezechiël 37:11→Deuteronomium 11:30→ — En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor. Hij moest dit grimmige en gruwelijke knekelhuis grondig opnemen. De beenderen hadden er zo lang gelegen dat de wind het merg had uitgedroogd en zij tot stof geworden waren.
Ezechiël 37:3.KruisverwijzingenJohannes 5:21→Johannes 11:25→Deuteronomium 32:39→Hebreeën 11:19→2 Korinthe 1:9→Romeinen 4:17→Handelingen 26:8→1 Samuël 2:6→ — En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het! God stelde deze vraag niet om Zelf iets te weten te komen, maar om de profeet. De HEERE wilde dat hij de moeilijkheden zou beseffen van het werk waartoe hij geroepen was, opdat hij des te volkomener op God zou steunen en niet op zichzelf.
Ezechiël 37:4.KruisverwijzingenJohannes 5:28→Ezechiël 36:1→Johannes 5:25→Jeremia 22:29→Mattheüs 21:21→Johannes 2:5→Ezechiël 37:11→Micha 6:2→ — Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord. Wij hebben gehoord van een rooms man die van zijn priester als boetedoening een dorre stok moest begieten. Ezechiëls taak om tot dorre beenderen te preken leek even nutteloos. En toch, gebiedt God ons hetzelfde, dan hebben wij geen andere rechtvaardiging nodig om het te doen. Wat in de ogen van de rede dwaas is, is in het oordeel van het geloof wijsheid.
Ezechiël 37:5-6.KruisverwijzingenGenesis 2:7→Joël 2:27→Psalmen 104:29→Joël 3:17→Efeze 2:5→Ezechiël 37:14→Ezechiël 37:9→Johannes 20:22→ — Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden. En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben. Hij moest deze beenderen de onvoorwaardelijke voornemens en beloften van God verkondigen: “Ik zal” en “gij zult”. Zo werkt God Zijn eeuwige voornemens met de mensenkinderen uit. Hij gebiedt Zijn knechten Zijn boodschap uit te roepen, en dan vervult Hij Zelf Zijn eigen voornemens en beloften.
Ezechiël 37:7.Kruisverwijzingen1 Koningen 19:11→Handelingen 4:19→Handelingen 5:20→Handelingen 16:26→Jeremia 26:8→Jeremia 13:5→Handelingen 2:2→Handelingen 2:37→ — Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been. Een geritsel — en zie, hier was goddelijke kracht die de beenderen op hun juiste plaats in de verschillende lichamen bracht en de uiteengevallen leden zich weer liet samenvoegen.
Ezechiël 37:8. — En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen. Tot zover was er dus nog geen erg grote verbetering. Er waren nu alleen dode lichamen in plaats van dorre beenderen. Er viel meer te zien, maar niets aangenamers, en werkelijk niet meer leven dan tevoren.
Ezechiël 37:9.KruisverwijzingenJohannes 3:8→Psalmen 104:30→Hooglied 4:16→Ezechiël 37:5→Ezechiël 37:14→ — En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. “Profeteer tot den geest.” Dat lijkt een zeer ongerijmde zaak om te doen. Maar waar God gebiedt, bestaan er geen ongerijmdheden.
Ezechiël 37:10.KruisverwijzingenOpenbaring 11:11→Psalmen 104:30→Openbaring 20:4→ — En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir. Ezechiël was zeer gehoorzaam. Hij wilde alleen de wil van zijn Heere weten, en dan maakte hij geen enkele bedenking maar deed hij meteen precies wat hem gezegd was: “En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had.” Het is een eerste vereiste in een knecht van God dat hij precies doet wat hem opgedragen wordt. Niet nadenken hoe híj het graag zou doen, en ook niet het plan volgen dat zijn eigen wijsheid ingeeft, maar eenvoudig doen wat hem gezegd is, zoals Ezechiël deed.
Ezechiël 37:11.KruisverwijzingenEzechiël 39:25→Ezechiël 36:10→Jesaja 49:14→Efeze 2:1→Psalmen 77:7→Klaagliederen 3:54→Psalmen 141:7→Jeremia 31:1→ — Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. “Er is voor ons geen hoop; wij zijn dood en erger dan dood. Ons geval is hopeloos; er is voor ons geen mogelijkheid van herstel.”
Ezechiëls gezicht van de vallei met de dorre beenderen geeft een treffend, leerzaam en indrukwekkend beeld. Maar het is geen loutere beeldspraak; het is een gelijkenis die berust op een opmerkelijke voorstelling van de opstanding van de doden. De kinderen Israëls wisten in die tijd weinig genoeg van de opstanding, maar de HEERE, de Heilige Geest, wist er alles van. En Hij gebruikte haar als een sprekend beeld van de verlossing van Israël uit die nationale dood die over hen gekomen was. Met evenveel recht mogen wij er een levendig beeld in zien van het genadewerk in het hart. Zo worden allen tot het geestelijke leven gebracht, door de kracht van de goddelijke genade.
Ezechiël 37:12.KruisverwijzingenJesaja 26:19→Hosea 13:14→Jesaja 66:14→Ezechiël 37:21→Ezechiël 37:25→Amos 9:14→1 Thessalonicenzen 4:16→Ezechiël 36:24→ — Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels. Er zou toch nog een huis van Israël zijn. Het volk leek dood en begraven, maar God zou het levend maken en herstellen. Deze belofte mag ook toegepast worden op een gemeente die in een zeer lage geestelijke staat verkeert, wanneer het lijkt of zij nooit meer goed doen kan: “Ziet, Ik zal uw graven openen.” En ook tot u spreekt God in deze belofte, lieve vrienden. Tot u die zeer zwaarmoedig bent en vol vertwijfeling, en die het gevoel hebt zo goed als dood en begraven te zijn. Geloof daarom Zijn Woord alsof het persoonlijk tot u gericht was: “Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.”
Van nature zijn mensen dood in de zonde, totdat zij de stem van God horen en de levendmakende adem van de Geest voelen, en levend gemaakt worden naar dat woord: “die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.” De zaligmaking van zondaars door de genade en de kracht van God is een even groot wonder als de algemene opstanding. Geestelijk leven in een natuurlijk mens leggen is een wonder der wonderen. Het moest evenveel verbazing wekken als de opwekking van Lazarus, of van het dochtertje van Jaïrus, of van de jongeman aan de poort van Naïn.
Wat een besef krijgt een mens dat er een God is, wanneer God hem zaligmaakt! Wanneer hij van harte begint te dansen van vreugde omdat hem alles vergeven is, dan weet hij dat de HEERE God is. Hij draagt een bewijs van de waarheid in zijn eigen hart om, en met tranen in de ogen vertelt hij het aan anderen. Och, zegt hij, daarover bestaat geen vergissing. Er is een barmhartig God, want ik heb barmhartigheid verkregen. Er is een toevlucht voor zondaars, want ik ben ertoe gevlucht. Er is vergeving, want ik heb haar ontvangen. Er is rust, want ik geniet haar. Er is een hemel, want ik begin de klokken ervan in mijn hart te horen luiden.
Ezechiël 37:13.KruisverwijzingenEzechiël 37:6→Ezechiël 16:62→Psalmen 126:2→ — En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk! Grote verlossingen en almachtige levendmakingen openbaren ons God en doen ons weten hoe heerlijk groot de HEERE is.
Ezechiël 37:14.KruisverwijzingenEzechiël 36:27→Ezechiël 17:24→Joël 2:28→Ezechiël 39:29→Ezechiël 37:9→Ezechiël 36:36→Jesaja 32:15→Ezechiël 11:19→ — En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE. Wanneer de Joden weer in Kanaän terugkomen — en dat zullen zij — zullen zij niet alleen weten dat de HEERE God is, maar ook dat Jezus Christus de ware Messias is. Mocht de HEERE die gezegende voleinding op Zijn eigen tijd verhaasten!
Ezechiël 37:15-16.Kruisverwijzingen2 Kronieken 15:9→2 Kronieken 10:19→2 Kronieken 10:17→Numeri 17:2→2 Kronieken 11:11→1 Koningen 12:16→2 Kronieken 30:11→ — Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen. Let erop hoe de HEERE de profeet voortdurend “mensenkind” noemt. Wanneer God Zijn knechten veel gebruikt en hen grotelijks eert, zorgt Hij er altijd voor hen ootmoedig te houden door hen eraan te herinneren wat zij in zichzelf zijn. Zo is het ook hier: Ezechiël, u hebt tot de dorre beenderen geprofeteerd en zij zijn door uw profetie levend geworden. Maar het was niet door uw eigen kracht dat u dit deed. U bent niets dan een mensenkind; God moet alle eer van dit wonderlijke werk hebben.
Zij waren in afzonderlijke gezelschappen verdeeld. Eerst dwaalden zij van God af, en daarna dwaalden zij van elkaar af.
Ezechiël 37:17.KruisverwijzingenJesaja 11:13→Hosea 1:11→Jeremia 50:4→Ezechiël 37:22→Sefanja 3:9→ — Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand. Terwijl hij ze in zijn hand hield, moesten zij tot één samengroeien. En wanneer alle kerken in de hand van Christus komen, zal er volmaakte eenheid tussen hen zijn. Wat dicht bij hetzelfde is, is ook dicht bij elkaar. Maar zolang de Heere niet komt en Zijn verdeelde Juda en Efraïm in Zijn eigen hand neemt, zal er tussen hen geen ware eenheid zijn. Dan echter wel.
Ezechiël 37:18-19.KruisverwijzingenEzechiël 24:19→Ezechiël 12:9→Ezechiël 20:49→Ezechiël 17:12→Zacharia 10:6→Ezechiël 37:16→Efeze 2:13→Kolossenzen 3:11→ — En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn? Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand. Geen gemeente zal de zegen van de eenheid lang blijven genieten, tenzij zij dicht bij Christus blijft. Gemeenschap met Christus betekent gemeenschap van christenen onderling; alleen op die weg krijgen wij ware eenheid en ware gemeenschap.
Ezechiël 37:20-22.KruisverwijzingenEzechiël 36:24→Obadja 1:17→Ezechiël 37:24→Jeremia 23:8→Amos 9:14→Jeremia 29:14→Jeremia 16:15→Jesaja 43:5→ — De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen. Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land; En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. Wanneer Christus komt, zal er in Israël deze ware eenheid zijn. Waar Christus al gekomen is, is deze ware eenheid in Zijn gemeente. En naarmate Christus tot ieder van ons komt, zal Hij het kwaad wegnemen dat ons van Hemzelf scheidt en dat ons van de anderen scheidt. Zo zullen wij één zijn in Zijn hand.
Ezechiël 37:23.KruisverwijzingenEzechiël 36:28→Psalmen 68:20→Jeremia 31:33→Leviticus 20:7→Zacharia 13:1→Micha 7:14→Hosea 1:10→Ezechiël 43:7→ — En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. Dit geldt eerst Israël naar de letter, en dan geestelijk alle uitverkorenen. Wat een gewichtige en veelomvattende belofte is het! Wij zullen verlost worden van onze afgoden, van de meest weerzinwekkende zonden en van onze huiselijke zonden: “Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben.” Waar gaan wij heen, mijn broeders, zonder zonde te vinden? Zonde in ons bed en zonde aan tafel, zonde in de winkel en zonde op straat, zonden in gezelschap en zonden wanneer wij alleen in het veld zijn, overal zonden. En toch kan de Heere Jezus Christus ons op elke plaats ontmoeten en ons reinigen. “zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.” Wat een wonderlijke verklaring is dit: wij zijn het volk van de HEERE en Hij is onze God! Wij zijn Zijn deel, en Hij is ons deel. Och, dat ieder van ons aan deze dubbele zegen deel mocht hebben!
Ezechiël 37:24.KruisverwijzingenHosea 3:5→Jesaja 40:11→Ezechiël 37:22→Jeremia 30:9→Ezechiël 36:27→Ezechiël 37:25→Ezechiël 34:23→Jeremia 23:5→ — En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. Och, dat de ene Koning regeren mag over het ene volk, dat de ene wet houdt en in heiligheid en ootmoed voor de ene Heere wandelt!
Ezechiël 37:25.KruisverwijzingenAmos 9:15→Ezechiël 28:25→Ezechiël 37:24→Jesaja 66:22→Ezechiël 37:26→Joël 3:20→Sefanja 3:14→Jesaja 60:21→ — En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. God behandelt Zijn heiligen nu toch zeker niet slechter dan Hij Israël in de dagen van ouds behandelde. Wij mogen dus tot Hem gaan in het gebed voor onze kinderen en voor onze kindskinderen.
Ezechiël 37:26.KruisverwijzingenJesaja 55:3→Ezechiël 34:25→Jeremia 30:19→Ezechiël 43:7→Ezechiël 36:10→Ezechiël 36:37→Ezechiël 11:16→Psalmen 89:3→ — En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. Och, dat gezegende woord “eeuwig”! Een zaligheid die niet eeuwig is, is het hebben niet waard. Een belofte die niet vervuld wordt en een genade die falen kan, zijn Gods belofte en Gods genade niet.
Ezechiël 37:27.KruisverwijzingenEzechiël 37:23→Johannes 1:14→Openbaring 21:3→Ezechiël 11:20→Hosea 2:23→Ezechiël 14:11→Leviticus 26:11→Ezechiël 36:28→ — En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. In vers 23 was de belofte van de HEERE: zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. En hier keert de genade de volgorde om: “Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” God heeft blijkbaar zo’n welgevallen in deze verklaring dat Hij haar herhaalt, en alleen de zinnen omdraait.
VERLOSSING BEVESTIGD. EN VERENIGING DER ISRAELIETEN DOOR VOORBEDE
KruisverwijzingenEzechiël 1:3→Ezechiël 3:22→Jeremia 8:2→Ezechiël 33:22→Lukas 4:1→Handelingen 8:39→Ezechiël 11:24→Jeremia 7:32→— De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.
De hand des HEEREN was op mij. Ik werd in een toestand van verrukking gebracht evenals in Hoofdst. 1:3; 3:22 en 8:1, en de HEERE voerde mij uit in den Geest (Openb. 1:10), en zette mij neer in het midden ener vallei(Hoofdst. 3:22 v.): dezelve nu was vol beenderen. Ezechiël zag derhalve dit gezicht in den Geest, dat is in den Heiligen Geest. Welk ene aanschouwing moet zulk ene aanschouwing zijn. Mochten ook wij de dingen Gods in den Heiligen Geest zien. Hoe dßt te doen? Door niet ons zelven, ons eigen verstand, ons eigen inzicht, onze eigene mening, maar Gods Woord te geloven. Wat was daar te zien? De schoonheid der natuur? Horen wij wellicht hier ene dichterlijke beschrijving van de heerlijkheid ener met bomen, kruiden, en bloemen beplante vallei? Neen, God toont Zijnen knechten gene natuurlijke, maar bovennatuurlijke dingen. Voor de aanschouwing der natuur gaf hij hun de ogen des lichaams, maar voor het zien der geestelijke dingen geeft Hij hun den Heiligen Geest. Wij hoorden het, de Profeet zelf zegt het: de hand des Heeren was op mij. Doch wat zag hij dan? Het tegendeel van al wat schoonheid en pracht, van al wat lieflijkheid en leven en frisheid is. Doch de Profeet werd in de vallei geplaatst en daar komt het op aan, dat de Heere ons ergens plaatst, al is het ook in het midden van doodsbeenderen. Die er ons in plaatst, kan ons ook gebieden te profeteren, dat de doodsbeenderen leven. Zo stond den de Profeet in het midden der doden. Welk ene standplaats, een levend mens in het midden van al die doodsbeenderen! Ook Christus wandelde als de enig waarachtig levende in het midden der doden. Wie niet in Hem was, was dood. Hij kon met waarheid zeggen: “laat de doden hun doden begraven. ” En Hij was niet enkel het leven, maar ook de opstanding. Daarom was het voor Hem hetzelfde of Hij een enkel lid van het lichaam, of den gehelen mens levend maakte. Blinde ogen zijn dode ogen, ene dorre hand is ene dode hand. Jaïrus dochtertje op het bed, de jongeling te Naïn op de baar, Lazarus in het graf, ze zijn voor Hem gelijk. Hij spreekt en zij leven; zo zijn ook voor Hem de bekering van den mens en van vele mensen, de verlossing van den enkelen Israëliet of van geheel Israël, de vernieuwing van Palestina of van geheel de aarde tot een Paradijs dezelfde zaken, zij zijn alle de voortzetting van ene lijn, die in Hem, Christus, haar uitgangspunt heeft.
KruisverwijzingenPsalmen 141:7→Ezechiël 37:11→Deuteronomium 11:30→— En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.
En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom, om mij te overtuigen hoe het gesteld was; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei, en ziet, zij waren zeer dor, reeds zeer lang was alle leven uit hen verdwenen. Ezechiël zag terstond en met één opslag van het oog een vallei vol doodsbeenderen, niet onder de aarde, maar boven op de aarde, dus een geopend kerkhof. Akelig gezicht, droevige vertoning, zeer geschikt om diepe zwaarmoedigheid in de ziel des Profeets uit te storten! En toch was deze vluchtige aanschouwing, of liever dit overzicht niet genoeg. De Heere leidde hem rondom langs de gehele vallei. Ezechiël moest de zaak van nabij bezien; hij moest den gehelen omvang der vallei, de gehele grote menigte der doodsbeenderen leren kennen; ook moest hij overtuigd worden, dat er in de vallei niets anders lag dan doodsbeenderen. En nu deelt hij ons mede, wat hij bij deze omwandeling van het dal heeft opgemerkt. Er waren, (zegt hij) zeer vele beenderen, en zij waren verdord. Zij hadden er niet sedert kort, maar sedert lang gelegen. Dit deed wel niet tot de zaak af, doodsbeenderen hebben niets meer gemeen met het leven, doch het maakt toch een verschil, of een been kortelings uit een levend lichaam is gekomen, dan of het reeds lang gelegen heeft. In het eerste geval heeft het been altijd nog iets fris; er ligt nog een zekere glans over; het heeft nog ene blanke kleur, en het merg is er nog in, maar als het been lang ligt, dan wordt het zwart en lelijk, het merg wordt vuil, wordt stof, en het been, dat op zich zelf reeds dor is, wordt alsdan zeer dor. En waarom liet nu God den Profeet zulke uiterst dorre beenderen zien? Omdat God gewoon is, alvorens te redden, de dingen te laten komen tot hun uiterste punt van reddeloosheid. Het is Gods heerlijkheid, om het leven voort te brengen uit den dood, en het is wel opmerkelijk, dat het ongeloof God juist deze Zijne hoogste eer poogt te ontnemen; het bewijst de verfoeilijkheid van het ongeloof. De gelovigen ondervinden het meermalen, dat ene zaak eerst tot hare uiterste ellende moet komen, alvorens God toont Zich die aan te trekken. Trouwens als wij God als God erkennen, dan is iets minder te doen dan het onmogelijke Zijns niet waardig. Eerst moet de zaak aan onze zijde ene afgesnedene zaak zijn, zodat wij gedwongen zijn te zeggen: “ja, daar is nu niets meer aan te doen; er is gene hope, gene verwachting meer; ” eerst dan komt God en zegt: “Ja wel, er is nog iets aan te doen, er is nog hoop, er is nog verwachting! Ik zal het leven geven uit den dood. ” .
KruisverwijzingenJohannes 5:21→Johannes 11:25→Deuteronomium 32:39→Hebreeën 11:19→2 Korinthe 1:9→Romeinen 4:17→Handelingen 26:8→1 Samuël 2:6→— En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!
En Hij zei tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En Ik zei: Heere HEERE, Gij weet het! Naar menselijk kennen is het onmogelijk, maar bij U zijn alle dingen mogelijk. Als wij de wereld overzien in al haar ongoddellijk leven en streven, zo doof voor de machtigste roepstemmen, zo blind voor het hemelse licht, zo koud bij wat Engelen van verrukking doen gloeien, dan breidt het tafereel van dit woord zich onwillekeurig uit voor ons oog, en het is ons, als horen wij ons met Ezechiël toeroepen: “mensenkind zullen deze beenderen levend worden?” Ik denk aan u lichtzinnige, die enkel leeft voor de aarde en hare begeerlijkheid; die aan de eeuwigheid niet denkt, dan om de zorg voor de eeuwigheid uit te stellen van de lente tot den zomer, van den zomer tot den herfst uwer dagen; die het lied der gerusten op Zion tot uw morgen- en avondlied maakt: “ik zal wandelen naar de aanschouwing mijner ogen, en toch zal ik vrede hebben. ” “Zullen deze beenderen levend worden?” Ik denk aan u, ongevoelige, die ook bij oppervlakkige aandoening inwendig zo afkerig blijft van den geestelijken omgang met God, die door den voorspoed niet door God zijt vertederd; door den onspoed niet voor God zijt gewonnen, die alles wat het Evangelie roerends en lieflijks heeft, hebt aangehoord, toegestemd, vastgehouden, zonder dat het bij u tot waarachtige verandering kwam van beginsel en keuze. Zullen deze beenderen levend worden? Ik denk aan u, trage van hart, die wel van tijd tot tijd uit den zondeslaap opschrikt, maar in plaats van het geneesmiddel telkens opnieuw den slaapdrank in handen neemt, en na ogenblikken van ontroering altijd weer eindigt met de uren te verbeuzelen, op wier vleugelen voor u het heil der eeuwigheid rust. Zullen deze beenderen levend worden! Ik denk maar genoeg. De melding van enkele soorten zou tot den waan kunnen leiden van talrijke uitzonderingen. En daarom zij het met den heiligsten nadruk gezegd: het beeld geldt iederen mens, die het nog niet kan verklaren, dat God hem levend gemaakt en met Christus in den hemel gezet heeft. Kent gij ze niet, mijn medezondaar, die dorheid van binnen, die de Profeet met éénen trek zo sprekend doet uitkomen: de dorheid van een geest, die omdat hij den levenden God niet gevonden heeft, zich afstomt met zoeken naar leven en licht; de dorheid van een hart, dat overal lafenis vroeg, en overal teleurstelling vond; de dorheid van een leven, dat vrucht voor den hemel moest dragen, en van nature gene enkele rijpe vrucht heeft te tonen? Kent gij het niet, dat diep bederf, dat u al het goede ten dode doet worden, en onbeteugeld heerst in het onvernieuwde gemoed, met even weinig eerbied voor ene énige uwer gaven en krachten, als het gewormte voor den dode betoont? Kent gij het niet, kinderen der wereld, dat duister en toch zo drukkend gevoel, dat gij nog nimmer recht hebt geleefd? Wat leven is, gij weet het, het is nog iets anders dan ademen, dan dromen, dan dartelen, dan werken, dan lijden; in dat vijftal woorden was tot nog toe het kort begrip uwer gehele geschiedenis. Leven, het is vol, het is krachtig, het is zalig, het is eeuwig te zijn, dwaze die het zocht in zich zelven, kortzichtige, die het vraagt van de aarde! Even weinig als een dode zich in eigene kracht kan verheffen van zijne sombere sponde; even weinig als de ene prooi des grafs de andere aan het graf kan ontrukken, evenmin kan de zoon van Adam in zich zelven of den broeder het verloren geestelijk leven herstellen. Ja, ook wij boden des levens, “Heere, Gij weet het”, zo moeten wij met Ezechiël antwoorden op de vraag, of er aan zoveel dood en verderf nog eenmaal een einde zal komen. En waar wij met dat antwoord de blikken ten hemel hieven, wij slaan ze nogmaals in ‘t ronde, en zien die allen, die het ware leven in Gods gemeenschap niet kennen, als zovele slaapwandelaars voor onze ogen voorbijtrekken; als slaapwandelaars, die evenmin helder zijn van geest, als bekommerd van harte; die rustig voorttreden, zelfs aan den rand van den gevaarlijksten afgrond, die met verwonderlijke voorzichtigheid ieder struikelblok ontwijken, dat hun rust zou kunnen verstoren, en pas ontwaken uit den sluimer, wanneer hun naam wordt genoemd. Mijn medezondaar, uw naam zweeft op de lippen des Heeren: Zijn krachtige roepstem weerklinke! . De Heere doet den Profeet de vraag om hem van het onmogelijke er van, op menselijk standpunt geredeneerd, te doen getuigen. Een vallei van doodsbeenderen te veranderen in een dal der levenden is geen mensen werk, is niet iets wat uit den mens voortkomt. De Profeet weet echter ook, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hem niets te wonderlijk is, dat Hij het is, die het leven te midden van den dood en het licht uit de duisternis doet te voorschijn komen. En daarom geeft Ezechiël niet een antwoord alleen, maar zulk een, waarin het geloof in de mogelijkheid er van ligt opgesloten.
KruisverwijzingenJohannes 5:28→Ezechiël 36:1→Johannes 5:25→Jeremia 22:29→Mattheüs 21:21→Johannes 2:5→Ezechiël 37:11→Micha 6:2→— Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.
Toen zei Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord. Het Christendom is ene verwonderlijke zaak, het is een werk, het is een profeteren, een spreken van de Woorden Gods. God zei niet tot den Profeet: “Blijf gij stil zitten. Ik zal het buiten u doen”, neen, de Profeet moest profeteren. Aan den anderen kant is het weer geen werk, het is enkele spreken. Daarom is het ene verkeerdheid in den Christen, zelf iets te willen doen, of iets op eigene hand tot stand te willen brengen. Den Heere moeten wij gedurig vragen: “Wat wilt Gij, dat ik doen zal?” anders bouwen wij aan Babels toren. Gesteld eens dat wij zeiden: “wat zullen wij doen om deze doodsbeenderen te doen leven? zullen wij ze door ene galvanische bewerking laten huppelen en springen?” Zouden wij niet dwaas handelen? Laat ons toch in zulke hoog ernstige zaken gene ijdele kunsten vertonen. God alleen kan het leven geven, wij kunnen het niet, en wat zou het ons baten, een gewaand leven te stellen in de plaats van het waarachtig leven? Wij kunnen enkel nazeggen, wat God ons voorzegt. Wie weet het niet, de natuurlijke wijsheid wil zich zelf helpen, door te ontkennen, dat de mens van nature geestelijk dood is door de zonde, en te beweren, dat ieder mens nog een vonk van leven in zich heeft, welke, door haar van de as te ontdoen en er brandstof bij te leggen, weer tot een brandend vuur kan ontvlammen. Doch het is louter zelfbegoocheling. De Schrift spreekt zo niet; zij misleidt den mens niet; zij spreekt in alles de volle waarheid. Zij zegt: dat zo waarachtig, zo volkomen Christus dood was, alvorens Hij opstond, ook de zondaar dood is voor God, alvorens hij door de kracht des Heiligen Geestes bekeerd wordt. “Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord!” Welk een wonder bevel, welk ene dwaasheid voor den natuurlijken mens! Kunnen dan de doodsbeenderen horen? Ja, als God tot hen spreekt, kunnen zij horen. Eigenlijk spreekt God altijd tot hetgeen niet horen kan, maar onder, door en in het spreken doet Hij horen. God zei tot het licht, dat het zij, en het licht kon niet horen, en toch het was er; tot de gevoelloze aarde: “Breng voort, ” en de aarde hoorde, en bracht voort. God roept de dingen, die niet zijn, alsof ze waren. Ook gebood Christus Lazarus uit zijn graf te komen, en hij kwam er uit; en ook ons leven hangt er van af, dat Christus tot ons spreekt, gelijk Hij tot Lazarus sprak. Want met den zondaar is het niet anders als met Lazarus. Ook de zondaar kan niet horen, en toch moet hem het Evangelie verkondigd worden, want onder het prediken hoort hij; wij weten niet hoe, maar hij hoort en bekeert zich. Daarom moeten wij, wel verre van de mensen diets te maken, dat zij gene dorre beenderen zijn, hen juist met dien naam noemen, en wel met dien van zeer dorre beenderen, opdat zij weten dat zij het zijn, en zich niet inbeelden, dat zij zonder de prediking zich zelf wel kunnen bekeren, als zij maar willen. Neen, de prediking des Evangelies is ene prediking aan de doden. Christus zegt tot de discipelen: “Predikt het Evangelie allen creaturen. ” Creaturen, schepselen, waarlijk geen vleiend woord voor mensen, doch een waar woord. Christus zendt het Evangelie tot de mensen, zo als zij in hunnen natuurstaat zijn, tot gene kinderen Gods, maar tot schepselen Gods, die een natuurlijk leven hebben, maar geen Goddelijk leven, die levend zijn voor zich zelven en voor de aarde, maar dood voor het geestelijk goede en voor hun eeuwige belangen, en daarin gelijk staan met de dierlijke en onbezielde schepping. Daarom staan wij met het woord van God altijd is het midden der doden; ja, als wij waarlijk Christenen zijn, dan wandelen we ook zelven onophoudelijk onder de doden. Doch daarom behoeven wij nu niet moedeloos te worden, en zonder geloof, hoop en liefde te arbeiden, neen! wij hebben slechts bij onzen arbeid te vuriger te bidden tot Hem, die alles spoedig kan veranderen, tot Hem, die de doden levend maken kan en werkelijk levend maakt. Indien toch de Profeet niet onvoorwaardelijk gedaan had, wat God hem beval, maar geredeneerd en gezegd had: “hoe kunnen doodsbeenderen horen?” en dus het bevel Gods niet opgevolgd had, wat zou er het gevolg van zijn geweest? Dat Gods oogmerk niet vervuld ware geworden? Neen, Gods raad zou daarom toch tot stand gekomen zijn, maar niet door dit middel en niet langs dezen weg.
KruisverwijzingenGenesis 2:7→Psalmen 104:29→Efeze 2:5→Ezechiël 37:14→Ezechiël 37:9→Johannes 20:22→Romeinen 8:2→— Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.
Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen, in welke Hij het wat de zaak aangaat met persoonlijke wezens te doen heeft: Ziet, Ik zal den Geest in u brengen, en gij zult levend worden.
KruisverwijzingenJoël 2:27→Joël 3:17→Ezechiël 6:7→Ezechiël 38:23→Ezechiël 39:6→Ezechiël 34:27→Ezechiël 35:9→Jesaja 49:23→— En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
En Ik zal, zoals dat later in het gezicht met de beenderen, die daar liggen, ook werkelijk zal geschieden (vs. 7 vv.), zenuwen (Job 10:11) op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en ene huid over u trekken, en den geest, adem in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult, daar gij eigenlijk personen zijt, die in deze beenderen hun type hebben, weten, dat Ik de HEERE ben. De zekerheid van het heil is verzekerd. Het profetische oog vertoeft nog slechts bij de levendige beschouwing van zijne ontplooiing en ziet met verrukking, hoe het ontstaat, hoe het toeneemt, hoe het onoverwinnelijk groot wordt. Wij zijn bij ene van de meest grootse en diepstzinnige symbolische voorstellingen van onzen Profeet gekomen, die van vroegeren tijd af hare onwederstaanbare macht over de gemoederen heeft uitgeoefend. Zij toont in een beeld volkomen levendig, wat het woord bij brokstukken van den tijd der nieuwe genade slechts onvolkomen verkondigd had. De uitleggers zijn het daarin eens, dat volgens Ezechiëls ondubbelzinnige verklaring dit gezicht niet moet worden verstaan van de opstanding der lichamen, maar van de bezieling van het geestelijk dode, maar nog in levenden lijve rondwandelend volk van Israël. Het woord des Heeren bevestigt dit in vs. 11 ten stelligste. Deze beenderen zijn het gehele huis van Israël. Ziet, nu zeggen wij: “onze beenderen zijn verdord en onze hoop is verloren, en het is uit met ons. ” Even zeker als Israël met deze klacht “onze beenderen zijn verdord” slechts beeldsprakig wilde zeggen: “wij zijn geheel krachteloos (vgl Ps. 22:15) onze hoop is verloren; wij zijn als volk niet meer te herstellen”, zo zeker ook is het doel der zinnebeeldige voorstelling geen ander dan de belofte van de herstelling van het levend dode Israël. Met recht heeft men er aan herinnerd, hoe wederherstelling van elken aard in de oudheid en ook bij de Hebreën een weer levend worden genoemd wordt, en hoe er geen gepaster beeld was voor den toenmaligen toestand des volks, dan de lichamelijke dood, en voor de herstelling dan de opwekking uit de doden. Voor den Profeet staat een volk, dat zich in zijne hopeloosheid voor verloren houdt; hier nu wil hij met zijn krachtig woord ingrijpen, opdat de diepste verslagenheid tot versterking, tot leven worde. Hoe minder het volk het wilde geloven, des te meer beslist spreekt Ezechiël het uit, Gods Almacht en Geest kan het dode weer levend maken. God is werkelijk dodende en weer levend makende, zo als van Hem geschreven staat (Deut. 32:38. 1 Sam. 2:6 en deze scheppende levenskracht Gods, die zelfs doodsbeenderen weer opwekt, is de grond der verlossing, de oorzaak van Israëls heil. Zo zeker als dat waar is, zo zeker ook het andere. Wanneer dus de gemeente vraagt (Ps. 85:7): “Zult Gij ons niet weer levend maken?” dan luidt het antwoord, dat, gelijk God dat kan, Hij het ook wil (Hos. 13:14). Die vertroosting moest te krachtiger tot de harten spreken, wanneer hij aan de woorden der wanhopenden zelf, hen bij hun woord aangrijpende, het antwoord tegen allen twijfel ontleende, zo moet de vraag van God aan den Profeet in vs. 3 bij de taal, die Israël volgens vs. 11 voert, de wanhoop des volks uit het hart ontlokken, om er ruimte in te maken voor de voorzegging des heils. Langs talloze wegen wil God ons op den weg der bekering geleiden, van talloze zijden grijpt en spreekt Hij slapenden aan, opdat zij de sluimerzieke blikken voor het licht des levens ontsluiten. Nu fluisterend, dan donderend, nu biddend, dan dreigend; nu vaderlijk, dan rechterlijk richt Hij Zich tot hart en geweten. Ja waar gij terugziet op al den weg van uw leven, alles wat God u heeft beschikt en bescheiden, wordt weergalm van Ezechiëls profetie aan uw hart: “laten deze beenderen levend worden. ” Hier ene vrome moeder u ontnomen, en daar een dierbaar pand u geschonken; nu ene lieflijke bloem voor uwe voeten ontloken, en dan een scherpe doorn in vlees en bloed u gedrukt; ginds een diepe val, die u aan u zelf moest ontdekken, en elders een pijnlijk gemis, dat uw gebeente van smart deed verouden; heden ene krachtige prediking, die in de ziele u aangrijpt en morgen ene gezegende ontmoeting, die u weken lang stof geeft van peinzen, ’t is alles, alles ene Godsstem: “Zondaar, buiten hij is dood en verderf! Schepsel Gods, slechts in God is leven en vrede!” En die stem klonk gene uren of dagen slechts, maar reeds sedert maanden en jaren; zij wordt zelfs het roepen niet moede, waar ons het horen verdroot, zij wordt meer klimmend en klemmend, naarmate de levensdag opkort en de doodsengel rasser zal spreken. voorwaar, voorwaar, onze God is een God, die het dode levend maakt!
Kruisverwijzingen1 Koningen 19:11→Handelingen 4:19→Handelingen 5:20→Handelingen 16:26→Jeremia 26:8→Jeremia 13:5→Handelingen 2:2→Handelingen 2:37→— Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
Toen profeteerde ik, gelijk mg bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet, ene beroering, en de beenderen naderden, elk been tot zijn been. Het voorzeggen wordt hier beperkt tot de oproeping “gij dorre beenderen! hoort des Heeren woord. Alles wat de Profeet in ekstase moet spreken, draagt het karakter van profetie, profeteren is spreken in den Geest. Hij moest prediken en hij deed dit en de dode beenderen leefden door een macht, die met Gods woord gepaard ging, hetwelk hij predikte. Hij moest prediken, en hij deed dit, en de dode beenderen werden levend gemaakt, ter beantwoording der gebeden. Zie de kracht des woords en des gebeds, en de noodzakelijkheid van beiden, tot het opwekken van dode zielen. God gebiedt Zijnen dienstknechten, profeteert over de droge beenderen, zegt tot hen: leeft, ja zegt tot hen leeft, en zij doen, gelijk hun bevolen is, roepen verder en verder tot hen, maar zij roepen te vergeefs, zij blijven dood en zij blijven droog. Hij moet daarom gedurig aanhouden bij God in de gebeden, om de werking van den Geest met het Woord. Gods genade kan den zondaar behouden zonder onze prediking, maar onze prediking kan hem niet behouden zonder Gods genade, en die genade moet door gebeden gezocht worden. Het ruisen en bewegen had plaats door de beenderen, die terstond aan het woord Gods (in des Profeten mond) gehoorzaamden. Naar het Hebr. luidt het woordelijk: Er ontstond ene stemme (dit kan ene roepstem, een geluid, een donderslag, een geruis zijn) toen ik profeteerde, en zie, ene beweging. Dit kan zeker, gelijk enige uitleggers willen, ene stemme des donders, ene aardbeving betekenen. Maar veel voegzamer voor den gehelen gang van het gezicht is het aan te nemen, dat de gebeenten terstond de stem des Profeten opvolgen, en nu verder de ganse gebeurtenis aanschouwelijk wordt afgeschetst. Eerst hoort Ezechiël het ruisen, het stommelen en klapperen der opgewekte beenderen. Daarna ziet hij hun beweging en de opvolgende zamenvoeging van het bijeen horende. Dit laat zich ook toepassen op de eerste bewegingen der verstrooide Israëlieten in hun afzonderlijke woonsteden in Chaldea, op hun zamenkomsten tot geheime beraadslaging, waar de leden des volks zich in stilte verenigden. De Alwetende en Almachtige Heere kan ook de stammen en geslachten Israëls, welke nu door elkaar verward zijn, weer bij elkaar rangschikken. Niet is meer algemeen, maar niets ook minder zielkundig, dan de oppervlakkige voorstelling, alsof het nieuwe leven de vrucht van één enkel ogenblik ware, waarin de zondaar woedende als een Saulus, op eenmaal juist gelijk deze aangegrepen en omgekeerd wordt. Met even veel recht kon men volhouden, dat de zon daarbuiten in één punt des tijds aan den hemel staat, zonder dat, door schemering of morgenrood voorafgegaan is. Neen, Gel. hetzelfde wat wij in iedere lente aanschouwen, herhaalt zich bij den innerlijken overgang van den dood tot het leven. Niet op eens is het ijs van Januari herschapen in de bloemen van Mei; buien zijn voorafgegaan en hevige stormen; langzamerhand drong het groen uit het eentonige wit, van lieverlede brak de schemering door van den blos, die blinken zou op duizend bladeren en bloemen; eerst de knop dan de bloemen, en pas ten gezetten tijde de vrucht. De geschiedenis van het Godsrijk vertoont ons gedurig tijdperken door andere voorafgegaan en bereid, die wij met de beeldspraak van den tekst op de lippen “tijdperken zouden kunnen noemen van het ruisen der beenderen. ” Het licht van Christus verrees, maar vooraf was voor Joden- en Heidendom een tijd van verwachting, van verlangen, van troosteloos treuren en zuchtend zoeken naar waarheid en leven begonnen. De dageraad der hervorming brak aan, maar de hervorming heeft hare Profeten gehad, gelijk zij hare Apostelen vond, en langs talloze wegen was Europa voorbereid voor de omkering der zestiende eeuw. En wederom in onzen tijd, als wij den staat van het Godsrijk geheel in het algemeen overzien, wij zouden bijna tot de voorstelling komen: ‘t is niet meer de dood, ‘t is nog niet het leven, het is dat geruis, die beweging, die toenadering van het ene lid tot het ander, die den overgang van dood tot leven voorspelt. Kent gij zulke tijdperken in uw innerlijk leven? Gel. of druk ik mij wellicht voor iemand onduidelijk uit? Ik bedoel zulke toestanden van den verborgen mens onzes harten, die men voorbereidings- overgangs-, wordingstoestanden noemen kan: waarbij men niet meer leeft in de zonde zonder nog geheel te leven in de gemeenschap met Christus, waarbij het begint te lichten in onzen hof, zonder dat nog op onzen lijksteen de Engel der opstanding daalde. Ik zie ze voor mij, als Ezechiël- verkwikkende aanblik! in wien zich ene krachtige voorbereiding tot hoger leven vertoont; mensen, in wier harten stemmen ontwaken, die zij sinds lange niet hoorden; zondaren, van wier lippen vragen vernomen worden hun tot nog toe onverschillig en vreemd; zal ik u allen noemen, beschrijven, aan u en zich zelven ontdekken?
— En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
En Ik zag, en ziet, er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok ene huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
KruisverwijzingenJohannes 3:8→Psalmen 104:30→Hooglied 4:16→Ezechiël 37:5→Ezechiël 37:14→— En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.
En Hij zei tot mij: Profeteer tot den Geest, profeteer, mensenkind! en zeg tot den Geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij Geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. Wat hoog bevoorrechte, en toch wat diep afhankelijk heilherauten der nieuwe bedeling we zijn! We kunnen dat nieuwe leven u schetsen, u aanprijzen, als boven alles begeerlijk u voorstellen. Wij kunnen getuigen van en wijzen op en leiden tot Hem, die het geeft. Maar het u in te storten, gelijk wij het zo vurig u toebidden, maar uw hart te hervormen gelijk wij uw verstand overtuigen, maar den reuk des doods in uwe leden te doen vluchten voor den frissen adem des levens: dat staat bij ons niet te geven, dat is genadegift van Hem, wien de Vader gegeven heeft het leven te hebben in Zich zelven, maar-daarbij ook de macht over alle vlees, opdat Hij aan al wat de Vader Hem gaf een eeuwig leven zou schenken. Op de knieën voor Hem, die geen dorst wekt zonder water te geven, maar ook om dat water gebeden wil zijn, als om onschatbaren zegen! Op de knieën, gij allen, die bij een blik op u zelven weemoedig herhaalt, wat Israëls huis van zich zelven moest getuigen: “Onze beenderen zijn verdord onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. ” Het aangezicht des Heeren gezocht, de middelen der genade gebruikt, en in iedere geestelijke gate, die Hij schonk, een aandrang gevenden om meerdere gaven te vragen! Wat onmogelijk is bij de mensen is mogelijk bij God, en al durft gij u nauwelijks voorstellen, dat ook voor u nog eens een nieuw leven zou aanvangen. Hij kàn doen boven bidden en denken. En dat Hij het wil, wie zou het betwijfelen, die het immers vroeg aan Zich zelven of Hij Zijne kinderen stenen voor brood en schorpioenen voor vissen zou geven? Neen het is niet om u den moed te ontroven, maar om den moed te verhogen dat wij u het woord van Hem, die op den troon zit, doen horen: “Ziet Ik maak alle dingen nieuw. ” O zalig wie op die hemelstem ootmoedig antwoorden kan: “het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden. ” God is geen God des doods maar des levens. Wanneer Hij het woord heeft uitgesproken van leef, dan zal Hij niet alleen de werking des Woords, naar ook die des Geestes doen ervaren. Als God, de Heere, op ene ziele de hand heeft gelegd, dan zal Hij ook Zijn werk voortzetten. Hij zal en kan en wij ook het stugste hart verbreken, ook de dorste woestijn veranderen in een dal van Saron.
KruisverwijzingenOpenbaring 11:11→Psalmen 104:30→Openbaring 20:4→— En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.
En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend 1) (Gen. 2:7), en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir 2).
De voorstelling van het levend worden der dode beenderen in twee acten, is te verklaren uit de aansluiting aan de geschiedenis van de schepping van den mens. Daar dient het om de schepping van den mens, hier om de scheppende wederlevendmaking van Israël duidelijk als een werk van den almachtigen God voor te stellen. Wanneer de met zenuwen, vlees en huid beklede doodsbeenderen niet gestorvenen, maar gedoden, verslagenen worden genoemd, zo blijkt daaruit, dat ons visioen niet de algemene opstanding der doden, maar de opwekking van het gedode volk van Israël moet afbeelden. De verklaring van ons gezicht als een leerrijk artikel van de lichamelijke opstanding der doden, wordt evenzeer door den zamenhang van de gehele profetische rede bepaald geoordeeld, als de verklaring dat dit alleen op de burgerlijke herstelling des volks na de ballingschap zien zou, blijkt verkeerd te zijn, aan den adem, die de beenderen levend maakt.
Zo één feit van de geschiedenis van ‘t Godsrijk der toekomst, dan moet de hier voorzegde wederlevendmaking en herstelling van Israël ook voorwerp der gezichten van de Openbaring van Johannes zijn; maar waar is in dit Boek de plaats waar zij voorkomt? Voor zover ons bekend is, heeft nog geen uitlegger die bepaald kunnen aanwijzen, hoewel het toch zozeer voor de hand ligt, hier op Openb. 11:11 te wijzen. Ook daar zijn twee acten beschreven, hoewel op enigszins andere wijze. Wel is van den Geest des levens van God sprake, die in de gedoden voer, zodat deze nu op hun voeten treden. Volgens Openb. 7:4 vv. en 14:1 vv. 1 wordt de zeer grote menigte der in ‘t leven teruggeroepenen berekend op 144. 000 verzegelden. Daarin komt elk der twaalf stammen gelijkmatig met 12. 000 personen voor. Ten opzichte der namen van de stammen is tussen Openb. 7:5-8; Juda, Ruben Gad, Aser, Nafthali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef, Benjamin; en Ezechiël 48:1-28 : Dan, Aser, Nafthali, Manasse, Efraïm, Ruben, Juda, Benjamin, Simeon, Issaschar, Zebulon, Gad, een onderscheid, dat wij voor heden alleen noemen, en later verklaard zal worden. Als dood des volks merkt Baumgarten bij onze afdeling op, zal volgens de wet de als hoogste en laatste straf uitgesprokene scheiding van Israël van zijn land of de ballingschap moeten worden gehouden, deze ziet het Oud-Testamentisch bewustzijn aan als den dood, daar ieder in ‘t bijzonder tot zijn lichaam in betrekking staat, als het volk tot zijn land, en het van hem gescheiden land aan de vreeslijkste verwoesting is overgegeven evenals het ontzielde menselijk lichaam. En nu is, zoals van Hoffmann juist zegt, op onze plaats niet zozeer de nieuwheid des levens voorgesteld, waarin, als integendeel de volkomenheid van den toestand des doods, uit welken Israël weer moet worden hersteld.
KruisverwijzingenEzechiël 39:25→Ezechiël 36:10→Jesaja 49:14→Efeze 2:1→Psalmen 77:7→Klaagliederen 3:54→Psalmen 141:7→Jeremia 31:1→— Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
Toen zei Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen, die gij te voren zo verdord zaagt, en van welke gij uit u zelven niet meendet, dat zij weer zonden kunnen levend worden (vs. 2 v.), zijn het ganse huis Israëls! de beide delen Juda en Efraïm (vs. 15 vv.); ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord (Klaagl. 4:8), en onze verwachting om niet weer tot een volk op te staan, is verloren, wij zijn afgesneden.
KruisverwijzingenJesaja 26:19→Hosea 13:14→Jesaja 66:14→Ezechiël 37:21→Ezechiël 37:25→Amos 9:14→1 Thessalonicenzen 4:16→Ezechiël 36:24→— Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
Over die beenderen hebt gij moeten profeteren, en zij zijn weer tot elkaar gekomen, met zenuwen, vlees en huid overtrokken, en door den adem, die hun ingeblazen is, weer levend geworden (vs. 4 vv.). Daarom, profeteer nu ook over de beide delen van het huis Israëls, en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uwe graven openen, en zal ulieden uit uwe graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israëls.
KruisverwijzingenEzechiël 37:6→Ezechiël 16:62→Psalmen 126:2→— En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uwe graven zal hebben geopend (liever: open), en als Ik u uit uwe graven zal hebben doen opkomen (liever: doe opkomen), o Mijn volk!
KruisverwijzingenEzechiël 36:27→Ezechiël 17:24→Joël 2:28→Ezechiël 39:29→Ezechiël 37:9→Ezechiël 36:36→Jesaja 32:15→Ezechiël 11:19→— En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
En Ik zal Mijnen Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten, dat gij daar tot rust komt; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE. Dat veld vol doodsbeenderen, zo wordt den Profeet gezegd, is Israël in zijn tegenwoordigen toestand: als gevolgen zijner zonde heeft het den dood tot straf van God ondergaan. Zijne wanhoop is zelfs een teken van dezen dood, het verstorven volk gevoelt zich van God verlaten, de kloof, welke het van Hem scheidt, schijnt ene te zijn, welke nooit meer is te vullen, de verschrikkingen des doods omgeven het natuurlijk oog ziet slechts vernietiging, geen heil en leven. Uit die massa schept zich evenwel Gods almacht een volk, de poorten des doods worden verbroken, het land van heil en zegen wordt aan Israël weer uit genade geschonken; ene nieuwe geestelijke schepping begint, aan het verstorven, geestelijk arme volk wordt de volheid van Goddelijken zegen meegedeeld, nu is alles in rust in ‘t land van zegen, genietende de genadegiften van zijnen God in zaligen vrede. De graven der Israëlieten waren toen de steden der Chaldeën. In het gezicht van Ezechiël werd daarop echter niet gewezen, omdat daardoor de aanschouwelijkheid van het beeld zou hebben verloren. Men heeft zich een slagveld te denken, waar de beenderen der verslagenen onbegraven neerliggen. Als volk van God was Israël gedood, zonder hoop op weer levend worden of opstaan tot een nieuw leven. Deze opstanding toont nu de Heere den Profeet in het beeld van de levendmaking der beenderen, die verdord en overal heen verstrooid liggen. Zij wordt vervuld door de herstelling van Israël als volk van Jehova, waartoe de terugvoering in het heilige land werkelijk behoort; deze vervulling werd wel voorbereid door het terugkeren van een deel des volks uit de Babylonische ballingschap onder Zerubbabel en Ezra, hetwelk de Heere had bewerkt, door de wederopbouwing der verwoeste steden van Juda en door de herstelling der staatsinrichting, maar dat alles was niets meer dan een onderpand voor de toekomstige volkomene herstelling van Israël. Want hoewel de Heere den teruggekeerden zelfs nog Profeten verwekte en den bouw van Zijn huis bevorderde, zo daalde in den nieuw gebouwden tempel toch niet Zijne heerlijkheid neer, en het volk kwam niet weer, ten minste niet voortdurend, tot zelfstandigheid, maar bleef aan het Heidense wereldrijk onderworpen. En al zijn ook na Ezra nog zeer vele ballingen in hun vaderland teruggekeerd, door welke vooral Galilea weer bevolkt en gebouwd werd, zo bleef toch het grootste deel des volks in de verstrooiing onder de Heidenen. De ware herstelling van Israël als volk des Heeren begon eerst met de stichting van het Nieuwe Godsrijk, het Koninkrijk der hemelen, door de verschijning van Christus op aarde. Daar toch het Joodse volk als zodanig of in zijn geheel Jezus Christus niet als den door de Profeten verkondigden en door God gezonden Messias erkende, maar zijnen Heiland verwierp, zo kwam over Jeruzalem en het Joodse volk op nieuw het oordeel der verstoting onder de Heidenen, terwijl het door Christus gestichte Godsrijk, door het ingaan der gelovig gewordene Heidenen, zich over de aarde uitbreidde. Dit gericht duurt over het in ongeloof verstokte volk der Joden nog voort, en zal voortduren tot den tijd, wanneer na het ingaan van de volheid der Heidenen in het rijk van God ook Israël als volk tot Christus zal worden bekeerd, den gekruisigde als zijnen Heiland zal erkennen, en voor Hem Zijne knieën zal buigen. Dan zal gans Israël (Rom 11:26) uit zijne graven, de graven van zijnen burgerlijken en geestelijken dood, worden opgewekt en in zijn land teruggevoerd. Even als in het gezicht eerst de mindere zijde wordt voorgesteld (vs. 7 v.), vervolgens de hogere (vs. 9 v.) of juister gezegd, het gescheiden zijn dezer beide zijden onder den vorm van onderscheid in tijd wordt voorgesteld, zo wordt ook in de verklaring het politiek herstel (vs 12 v.) en het geestelijke (vs. 14) duidelijk van elkaar onderscheiden. Het “Ik zal Mijnen Geest in u geven, en gij zult leven” heeft wel zijn voorspel reeds vóór de terugvoering in het vaderland, welke zaak volgens de gehele voorstelling der Schrift ene zekere levendmaking door den Geest te weeg brengt, maar de volkomene vervulling wordt eerst gevonden in de krachtige nederdaling van de gave des Heiligen Geestes, over het gehele volk door Christus, en in de toeëigening van dezen Geest door het volk. Het is altijd maar tot op zekere hoogte mogelijk in de verklaring deze plaats met de uitleggers mede te gaan. Wij hebben ons moeten veroorloven van hun uitspraken het een of ander weg te laten, en daaraan door ene kleine wending gedeeltelijk een anderen zin te geven dan waarop hun mening eigenlijk uitloopt. Dat komt daarvan, dat over de zaligwording en herstelling van Israël, over de terugvoering des volks in het heilige land en over zijne roeping en zijnen toestand aldaar meestal nog meningen heersen, welke de woorden der Schrift tegenspreken, zo als wij mochten beweren, en welke rusten op ene miskenning der wegen Gods met Zijn uitverkoren volk. Zulke schrijvers zijn er wel is waar heden nog maar weinige, die met verachting en verwerping van de Joden spreken als van een “gepeupel, gelijk aan de Zigeuners, dat onder andere volken zit als bloedzuigende dieren, en die van niets anders dan van dieren kunnen leven. Wat Paulus in Rom. 11 schrijft is toch van te veel betekenis, dan dat niet het grootste gedeelte van hen ene bekering in de toekomst zou moeten aannemen. Maar nu denkt men zich zowel de middelen en wegen, hoe het tot die bekering komt, als ook den tijd en de wijze der gebeurtenis met de gevolgen, welke het meebrengt, zo als het een ieder lust, zonder grondig de Schrift te onderzoeken en zich door deze te laten leiden. Uitgaande van de veronderstelling, dat Israëls bekering tot Christus ene vrucht zal zijn van eigen zendingswerk tot dit volk, of van allengs rijpende overtuiging, of ook van teruggave des heiligen lands aan de wettige bezitters, verdaagt men het gevolg daarvan tot ene ver af zijnde onbepaalde toekomst, en stelt zich die voor als een overgang tot de nu bestaande, uit de Heidenen zamengebrachte Christelijke kerk, welke overgang dan zal volgen, als de Heidenen in hun geheel Christelijk zullen geworden zijn, en voor wie het heilige land van ondergeschikte betekenis is. Eigenlijk zou het misschien wel het raadzaamste zijn, de kerk zelf voor dat vaderland aan te zien, waarin de Joden ten laatste uit hun verstrooiing zullen terugkeren. Israëls land, zegt een van de bovengenoemde uitleggers, zal zo ver reiken als het Israël Gods de aarde bewoont; en een ander zegt: “de aarde van het ene einde tot het andere en de hemelse heerlijkheid is Israëls erfenis; aan het oude land Kanaän nog enig gewicht te leggen ware een treurig anachronismus. ” Wij willen niet alle dergelijke meningen naar hare verschillende schakeringen elk in ‘t bijzonder voordragen en wederleggen, maar aanstonds onze mening, zo als wij ons die op den weg van Schriftonderzoek gevormd hebben, kort en bondig voorstellen. Toen Israël zijn Messias verwierp en aan het kruis hechtte, toen was dat nog geenszins de volkomene en laatste beslissing des gansen volks, zodat nu reeds de verwerping en verstrooiing zou hebben moeten volgen. Zeker hadden daarin alle drie de hoofdstanden deel, zo als in Openb. 12:4 wordt gezegd: “Zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels en wierp die op de aarde; ” maar toch geschiedde het nog meer door bedrog des satans, die de zinnen der oversten verwarde en het dolle volk mede voortsleepte (Hand. 3:17. 1 Kor. 2:8 nog had Christus voorbede ruimte (Luk. 23:34 en Zijne toezegging ene plaats, om tot hen Profeten en wijzen en schriftgeleerden te willen zenden (Matth. 23:34). Eerst met het vervullen van de maat der vaderen door het vermoorden van Jakobus den jongeren tussen den tempel en het altaar, voorafgebeeld door het doden van Zacharias, den zoon van Barachia (Matth. 23:35), ontstond een toestand, dat tussen Israël en God niet meer Degene stond, die Zijn volk zou zalig maken van hun zonden, zodat Zijn bloed nog meer voor hen sprak, maar integendeel de aanklager (Openb. 12:10). Israël is van dien tijd overgegeven niet alleen aan het uitwendig gericht, waaronder het nog heden zucht, maar vooral ook aan een inwendig oordeel, zodat het deksel hangt voor zijn hart (2 Kor. 3:14 v.), en het, met uitzondering van enige weinige leden, die verder niets zijn dan ene bestendig nieuwe heenwijzing naar het einddoel der wegen Gods, zich in ‘t geheel niet bekeren kan. Er ligt een ban op: daarom is ook de zending onder Israël van een zo betrekkelijk gering gevolg; het blijft bij het oordeel, dat bij de verwoesting van Jeruzalem en den tempel, over het volk is gekomen, dat zo zwaar misdaan heeft, en in Openb. 6:12 v. op ene zeer opmerkelijke wijze is gesymboliseerd; de Schriftuitleggers hebben echter den zin van dit symbool zo weinig juist erkend. Met langzaam christianiseren, met menselijk werken en overtuigen is bij dat volk, zo hard als een steen, als ijzer, als de duivel, gelijk Luther het heeft genoemd, niets uit te richten, het is op generlei wijze te bewegen; eerst moet de ban worden opgeheven en de verklager uit het midden worden gedaan. Als dat geschied is, en Christus eerst weer tussen Israël en God zal staan, dan zal Gods genade Zich zo heerlijk betonen, als die zich in den verloren zoon krachtig betoonde, toen hij op eens tot nadenken kwam en wederkeerde, en Christus zal aan het gehele Israël gelijktijdig doen, wat Hij te voren aan Paulus op zijnen weg naar Damascus gedaan heeft. Dan zal er een geruis en ene beweging komen onder de verdorde beenderen. Er zal een adem in hen dringen, zodat zij levend worden, en de beenderen zullen te zamen komen, ieder been bij zijn been; wij behoeven er dus ons hoofd niet mede te vermoeien, hoe een te zamenbrengen van alle 12 stammen mogelijk zal zijn. Is deze geestelijke wederopwekking van Israël, even als de toekomstige opstanding der doden, het werk van enen bepaalden, door God in Zijn raadsbesluit Zich voorbehouden tijd, zo komt het er slechts op aan, of Hij in Zijn woord ons iets daarover heeft willen openbaren: en wat zou dan de plaats (Openb. 12:7 vv.) van den strijd van Michaël met den draak, anders willen zeggen, dan dat op bepaalden tijd en ure Michaël, de aartsengel (Dan. 10:13 en 21; 12:1) voor het volk zal tusschentreden en zijnen aanklager zal werpen uit den hemel, om voor den waarachtigen Hogepriester plaats te maken? en wat zou het dan te betekenen hebben, dat Christus reeds in de dagen Zijner vernedering op een vast bepaalden tijd van Jeruzalems vertreding door de Heidenen heeft gewezen (Luk. 21:24), en vervolgens ook uit Zijne hemelse heerlijkheid door Zijnen knecht Johannes dezen tijd nauwkeurig heeft bepaald (Openb. 11:2), zo wij hier op aarde niet mochten weten, wanneer Israëls uur zou geslagen zijn? Het is zeker voor ons, Christenen uit de Heidenen, ene diepe verootmoediging, dat onze tijd nu vervuld is, en onze kerk voortaan niet meer het centraalpunt zal zijn voor het rijk Gods op aarde, maar dat dit zwaartepunt weer naar Jeruzalem zal overneigen. Maar wij zijn toch door Paulus in Rom 11:17 vv. nadrukkelijk genoeg gewaarschuwd, ons niet tegen de takken te beroemen, maar te vrezen, dat wij ook ene zouden worden afgehouwen, en-dit moeten wij toch toegeven-wij merken zo weinig de goedheid en den ernst Gods op; wij zijn er zo welgemoed bij, zelf de hand aan den olijfboom der kerk te slaan, en de takken af te houwen, welke hij heeft voortgebracht; waarom zou God dan niet het recht hebben, de oude takken weer in te enten? Er ligt echter omgekeerd ook een grote troost in, dat de Heere dit voornemen heeft en in korten tijd doen zal. Wat zou er dan van worden, wanneer Hij, die de Heer is in Zijn huis, ganselijk geen welgevallen heeft in de lauwheid, waarmee wij de kerk denken te hervormen, zodat Hij het ganse maaksel uit Zijnen mond spuwt (Openb. 3:15 v.), en nu dengenen, die zich door de twee profeten gekweld gevoelen, vrijheid laat, deze getuigen te doden, en hun lijken op de straten der grote stad te werpen, zodat zij onbegraven moeten liggen, wanneer Hij, die in den hemel woont, er niet voor zorgde, dat na drie dagen en een halven, de geest des levens door God weer in de getuigen kon varen (Openb. 11:7 vv.)? Het opstijgen in den hemel in de wolk, dat de vijanden zien, zal wel niets anders te betekenen hebben dan Israëls verheerlijking, wanneer het gezicht van onzen Profeet aan het volk wordt vervuld en het in zijn aards vaderland wordt teruggebracht. Daar heeft het een groot doel te vervullen, eendeels zijn eigen nog jeugdig geloof te bevestigen, en na de dagen zijner rechtvaardiging in de jaren zijner heiligmaking in te gaan; anderdeels ook het oude Woord (Gen. 12:3): “in u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden”, op nieuw te vervullen. Aan de wereld toch is een leven uit den dode, als vrucht van Israëls wederaanneming beloofd (Rom. 11:15); de onderdrukte kerk zal hier niet anders weer kunnen worden verheven, dan wanneer een nieuwe levensgeest van boven weer tot de volken komt, na de zware gerichten, die over hen komen. De kerk heeft ook hier, zo lang de tijd der heidenen duurde, over ‘t geheel weinig gedaan, opdat de volheid der Heidenen mocht ingaan in het rijk van God, de Heere moet het getal afsluiten voordat het eigenlijk vol is, om Israël niet langer te laten wachten op den tijd der verkwikking van Zijn aangezicht, dan Hij bepaald heeft Het is bovendien eigenlijk niet de kerk, die zendingswerk verricht, het is altijd maar een klein hoopje in de kerk, en alzo is er dan nog ene geheel andere, wel ijverigere en geschiktere zendingsgemeente nodig. Zelfs in de Bijbelverklaringen der gelovige theologie dient er veel toe, om den inhoud van de waarheid der Schrift te bedekken, dan meer om die duidelijk en bepaald is doen kennen. Wat eindelijk de zogenaamde wetenschappelijke kritiek en het hoog geprezene onderzoek eist, doet dikwijls wensen, dat wij er toch eens van bevrijd mochten geraken. Het is een huishoudkundige regel der natuur, om door één middel vele en velerlei oogmerken te bereiken. Zo is de mond gegeven om er het meest geestelijke en het meest lichamelijke werk mede te doen, om er mede te spreken en te eten. Zo weet God de hoogste en laagste dingen door één en hetzelfde werktuig voort te brengen. Hetzelfde geldt ook de Heilige Schrift, zij is gegeven tot een veilige gids en voor de meest dagelijkse dingen des levens, en voor de hoogste belangen der ziel en der eeuwigheid. En toch nog op ene andere wijze is de Schrift zo eenvoudig als veelomvattend. Even als dezelfde hand door hare onderscheidene vingers op een piano of orgel onderscheidene toetsen of klavieren tegelijk aanslaat, en in lieflijken éénklank hun tonen doet horen, zo verenigt de Heilige Geest, bij voorbeeld in dit hoofdstuk, drieërlei waarheid in éénen greep ons voorstellende: de tijdelijke verlossing van Israël uit de verstrooiing, de geestelijke opwekking van den doden zondaar, of de opstanding der ziel en de opstanding onzer lichamen. Wij kunnen het gezicht der doodsbeenderenvallei op al deze toestanden toepassen; in elk geval moeten wij ze bij de uitlegging voor ogen houden. Nu weten wij dat de opstanding van Christus het beginsel is van alle leven, van alle wedergeboorte, en ook van de opstanding des vleses. Dezelfde kracht, waarin Christus zelf opstond, wordt voortgezet in de wedergeboorte, zodat ieder mens, die bekeerd is, deelt in de opstanding van Christus. Omdat nu de mens bij de wedergeboorte de opstandingskracht van Christus in zich ondervindt, is het duidelijk, waarom de Apostel Paulus zich zelven en anderen beschouwt als nog in de zonde en verloren, wanneer Christus niet ware opgestaan. Hij zegt er eenvoudig mede: “Is Christus zelf niet uit de doden opgestaan, zo kan Hij ook geen ander uit den doden doen opstaan. ” Daarom kan ieder bekeerde zeggen: “Ik weet, ik zelf ben getuige dat Jezus uit de doden is opgestaan, want Hij heeft mijne ziel uit den dood opgewekt, en zo ben ik zeker dat Hij het ten laatsten dage mijn lichaam doen zal. ” En gelijk nu ziel en lichaam herleven, alzo zal ook Israëls volk herleven uit den dood door de opstanding van Christus. God, die Zijne eenmaal bezochte plaatsen telkens op nieuw bezoekt, om ze door nieuwe openbaring te heiligen en te verheerlijken, zal ook Israël, dat Hij zo menigmaal bezocht, in de laatste dagen andermaal bezoeken, om, na al Zijne oordelen daarover uitgestort te hebben, het al Zijne ontfermingen te doen ondervinden. Niet minder ligt hierin een bijzonder onderricht voor ieder mens, ten aanzien van de waarachtige bekering, alleszins behartigenswaardig. Hier zien wij, in de eerste plaats, als in ene schilderij, ons voor ogen gesteld, dat wij van nature dood zijn in de zonden en in de misdaden (Ef. 2:1), en dat wij even zo min ons zelven tot een waar geestelijk, Gode welbehagelijk leven herscheppen kunnen, als een dode iets tot zijne herleving kan bijdragen. De mens moge een redelijk en zedelijk wezen blijven, hoe ook anders misvormd en bedorven, en als zodanig verantwoordelijk voor zich zelven en voor al zijn doen, machteloos is hij voor een geestelijk bestaan, en een Ezechiël zelf ziet zich onkundig en onbekwaam om enen doden zondaar tot het leven terug te brengen. De mens heeft wel een oog, maar het is blind voor alle geestelijke onderscheiding, en gesloten voor de rechte beschouwing van God en van zijnen waren toestand; een oor, maar het wordt noch door de lieflijke stem des Evangelies, noch door het donker geluid der wet getroffen; ene tong bezit hij, doch zij vermeldt den lof des Heeren niet, maar spreekt dikwijls zonde en onreinheid uit; het geweten zelfs sluimert vaak of dwaalt, overeenkomstig de blindheid van het verstand; geen wil noch kracht ten goede woont in hem; ten alle tijde is het heersend beginsel, waaruit hij werkzaam is, geneigdheid ten kwade en vijandschap tegen God. Vervreemd zijn wij van het leven Gods, door de onwetendheid, die in ons is, en de verharding onzer harten. Maar hier ontdekken wij dan ook, dat de Heere Zich van middelen bedient, en tevens, welke het zijn, waarvan hij Zich bedienen wil. Het zijn Zijne dienstknechten, welke Hij uitzendt, en gebiedt te profeteren over deze dorre doodsbeenderen. Zij moeten dus niet slechts spreken het woord der waarheid, niet slechts prediken en met luide stemmen uitroepen, maar profeteren, dat is, onder aandrift en leiding des Heeren, als in Zijnen naam spreken en prediken, en op Goddelijk bevel, al is het in de ogen der wereld ene ongerijmdheid, uitroepen: “Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten. ” Het zijn de dienstknechten des Heeren, welke tot de dorre doodsbeenderen moeten roepen: “Hoort des Heeren woord! al wat in dat woord geschreven staat, den vloek der wet, den schrik der eeuwigheid, zowel als de lieflijke lokstem des Evangelies. ” het zijn des Heeren knechten, welke zonder bedenkingen des vleselijken vernufts, zonder menselijke wijsheid, die dwaasheid is, daaraan gehoorzamen moeten, en voor wier rekening de getrouwe behartiging dezer aangelegenheid ligt. En hier ontdekken wij dan ook eindelijk, dat dit werkt niet ongezegend blijft, hoewel zijne eigenlijke en eindelijke bereiking alleen door des Heeren Geest geschiedt. Die God toch, welke Zijne dienaren zendt en beveelt, heeft ook de belofte van levendmaking gedaan, en hare volvoering in Zijne eigene macht gesteld. Maar spreekt de dienaar des Evangelies op Zijn bevel en in Zijne kracht, dan komt er onder de dorre doodsbeenderen van Godswege beweging en geluid; men ziet en bemerkt in de gemeente ene werking als het rammelen der doodsbeenderen, het is niet meer die zorgeloze gerustheid, dat nadenkeloos voortleven, dat achteloos verwoesten van zich zelven en zijne gelukzaligheid, maar nadenken; angst en kommer ontstaat er, onrust en zorg is er in het geweten, en de geluksbegeerte wordt opgewekt. Gaat de Heere voort, dan worden die doodsbeenderen met zenuwen en pezen overtogen en met ene huid overdekt. Trapsgewijze ontwikkelt zich in de misvormde menselijke natuur iets van het oorspronkelijke beeld; allengs worden alle krachten en werkingen wederom hersteld, om aan des Heeren doel te beantwoorden; het zijn niet meer geheel dode mensen, hoewel er de Geest des levens nog gene woonstede in genomen heeft. Maar eindelijk stort de Heere den Geest des levens in volle mate uit, herschept tot kinderen des lichts, doet Christus ene gestalte in ons krijgen, en ons in volle kracht gevoelen, dat wij uit den dood in het leven zijn overgegaan. Alzo is dan de bekering eens zondaars niet door kracht noch door geweld, maar door des Heeren Geest. Wat de mens niet vermag, dat werkt de genade Gods; dat is ons geopenbaard, opdat wij er de noodzakelijkheid van zouden inzien, opdat wij weten zouden, wat de Heere doen wil, en waarom wij dus te bidden hebben, en opdat wij voor ons zelven niet zouden rusten, zonder die levendmakende werking te kennen, waardoor het leven, dat uit God is, in onze zielen gewrocht zij. Onmiddellijk na deze belofte volgt ene nadere bepaling, namelijk dat deze belofte de verenigde twaalf stammen en der éénen koning (den tweeden David, den Messias) geldt. Daartoe moest de Profeet twee stukken hout voor de ogen des volks zodanig ineenvoegen, als een timmerman doet, die twee balken zodanig aaneen last, dat zij een vast geheel uitmaken: als zulk een gelast hout dan geschilderd wordt, kan niemand zien dat het gelast is. De Profeten moesten tot het volk meermalen komen met iets zichtbaars, als met de stukken zelf in hun handen. Waar de tien stammen na hun verplaatsing in Assyrië gedurende het verloop der eeuwen gebleven zijn, daarvan vindt men duizend gissingen maar niets zekers. Slechts enkele godvruchtige families, die misschien altijd in Judea, van wege den waren godsdienst gewoond hadden, vinden wij in het Nieuwe Testament onder de uit Babel teruggekeerde Joden. In elk geval zijn de twaalf stammen na de Babylonische gevangenschap evenmin verenigd onder één hoofd, als Israël als volk onder zijn wettigen Davidischen koning is geworden. Wij hebben derhalve de vervulling dezer belofte nog te goed. God zou een verbond des vredes, een eeuwig verbond met hen maken, door het geloof zonder de werken, doch waaruit de werken voortvloeien. Hij zou hen reinigen van hun drekgoden, en schoon zij sedert de Babylonische gevangenschap gene afgoderij bedreven, zo lang zij den Heere Jezus Christus verwerpen, bedrijven zij afgoderij met het geld en het goed dezer wereld, en dienen zij de ijdelheden des levens, welke bij God niet anders zijn den drekgoden. Voorts zou Gods tabernakel bij hen zijn. Daarmee wordt gezegd: dat de tempeldienst niet hersteld zou worden, maar God en het Lam hun tempel wezen zou (Openb. 21 en 22). Zo wordt dan door dit zeven en dertigste hoofdstuk van Ezechiëls profetieën het lot der wereld beslist. Wat God eens heeft liefgehad, dat kan Hij een tijd lang aan zich zelven overlaten, maar niet voor altijd verlaten. Het is daarom met Israël als met ene komeet, welke men in vele jaren, ja soms gedurende eeuwen niet zien kan, doch ziet! op eens, daar komt zij weer. Ja, de bekering van Israël is onmogelijk, en onze opstanding uit de doden is het ook, doch juist dit wil God ons door dit gezicht van Ezechiël leren, evenals een kind, juist door ene zaak te willen doen, die het niet tot stand kan brengen, tot de ondervinding komt, dat hij het niet doen kan. De Schrift leert van Israël en van ons zelven, eerst de dood en daarna het leven, het leven uit den dood. Israël, Jeruzalem, het heilig land, ligt in den dood, maar om weer op te staan. Bij God is daartoe de wil en de macht, en Hij belacht de dwazen, die Hem dien wil en die macht ontzeggen. Hij zal ze eenmaal tot sidderende (mocht het zijn tot aanbiddende) getuigen stellen van Zijne wonderen. Israël heeft niets minder nodig dan zulk ene opstanding, want alle andere voorrechten baten hem niets zonder zijn Messias, deze is zijn leven, en zonder Hem kan hij niets anders zijn dan in den dood. Tegenover het onmogelijke der zaak staat het woord der Schrift: “Alle dingen zijn mogelijk bij God. ” Wee onzer, zo wij niet geloven tegen alles aan wat ook onze zielsbehoudenis tot ene onmogelijkheid maakt. Er is bij den Heere ene opeenstapeling van onmogelijkheden, opdat het geloof geoefend worde om evenwel de vervulling van Gods belofte te verwachten. God is getrouw, ook jegens Israël. Doch indien wij het herstel van Israël slechts geestelijk moeten verstaan, dan is geheel dit volk slechts ene figuur, een zinnebeeld, ene schilderij, en zijn de Joden niet meer dan figuurlijke personen, die ons evenals in ene parabel, moeten leren wat waarheid is. Neen, Israël is een wezenlijk volk, en al wat aan dat volk gedreigd en beloofd is, heeft ene wezenlijke vervulling. Doch het volmaakte is niet in het begin, maar in het einde. Eerst het leven, dan de dood, daarna het herleven. En zien wij nu niet op den enkelen Jood, die ons op den weg voorbijgaat, maar op geheel dat volk in zijne nationaliteit, historie en actualiteit of tegenwoordige houding en toestand, ja dan moet ik zeggen: de dorre beenderen, die zo lang stil lagen, beginnen zich te bewegen. Vergeten wij niet, dat hoe nader men tot Christus staat, hoe langer men in den dood moet blijven, ja, maar ook hoe heerlijker de opstanding is. De Heere had Jaïrus dochtertje nooit gezien, en Hij wekte haar op, terwijl zij nog op het bed lag. Hij had den jongeling te Naïn ook nooit gezien, en Hij wekte hem op, terwijl hij nog op de baar lag. Maar Lazarus, dien Jezus liefhad, wekte Hij eerst op uit het graf, na er vier dagen in gelegen te hebben, toen zijne eigene zuster niet meer van hem weten wilde. En nu, wij herhalen wat wij reeds zeiden: De opstanding van den Heere der heerlijkheid zelf is de grondslag en het beginsel van alle de nog te verwachten opstandingen in heerlijkheid. Ja, opstanding uit de doden is het grote einde van alles. Eerst staat Christus op, dan staan de zondige zielen op; ten laatste staan allen op. Het eerste punt (de opstanding van Christus) is het middelpunt, het brandpunt, en rondom dit punt lopen kringen zonder ophouden; ook lopen rondom deze opstanding van Christus de drie genoemde opstandingen tot aan het einde, als wanneer alles is opgestaan. En zie nu op Israël. Het heeft ongeveer zijn getal, zijne hoeveelheid als volk, gedurende de verstrooiing behouden. Het bestaat uit vijf, zes millioen mensen, of iets meer, want de tellingen zijn verschillend; doch het getal is niet groot. Het kenmerk van een familie- of broedervolk is gebleven. Het breidt zich niet meer uit, het conserveert zich enkel. Overal in de wereld zijn de Joden burgers, en toch is het een volk, onvermengd en onvermengbaar met de volken. Ook staat bij Israël alles in dezelfde evenredigheid. Zijne zonde staat in evenredigheid met zijn oordeel, en met zijn oordeel zijn herstel. Daarom draagt Israël, met de belofte van God, het zaad ener nieuwe wereld, in zich. Israël heeft geleefd, is gestorven en zal weer opstaan. Nu, men kan dan ook geen vier duizend jaren oud worden, zonder een tijd lang neer te liggen en te rusten. Ons leven is ook geen gedurig voortleven en voortwerken, maar ene gedurige vernieuwing en opstanding; men gaat des nachts slapen en staat des morgens weer op. Doch in de historie is er voor een volk niet, gelijk voor den enkelen mens, ene lieflijke rust, een natuurlijke slaap; maar een nederliggen in den dood in marteling en lijden naar het lichaam en een nederliggen in den dood naar de ziel. Israël getuigt dan ook wel in zijne gebeden, dat het dood is en dat het herleven zal, doch het gelooft niet in Hem, die zijn Leven is, Christus! Ja, zo onafscheidelijk is bij dit volk het denkbeeld der opstanding uit de doden en het denkbeeld Gods, dat de Joden alle dagen God aanspreken met dezen titel: “God onzer vaderen, die de doden levend maakt” Is niet de cirkel des bestaans reeds in de natuur: leven, sterven, herleven? De zon gaat op, gaat onder en gaat weer op. In de Schrift is het niet anders; daar lezen wij van verkiezing, verwerping en wederaanneming. En zo staan wij dan met Israël voor die ontzettende wereld, welke nederligt in den dood, maar die op het punt staat van te herleven. Ook het land van Israël is tevens als een lijk in het graf, dat bewaard wordt tot den dag der opstanding. Doch hoe duidelijk worden de profetieën, nu de tijden der vervulling naderen! God werkt altijd door gebeurtenissen. En ziet nu, hoe de graven opengaan! Ene nieuwe wereld wordt ontdekt, een leven uit den dood! Ninevé is begraven geworden als een mens, en gelijk een mens opstaat uit den doden, zo staat ook Ninevé op. God gebood haar op te staan, om te getuigen, dat de profetieën waar zijn, als zei Hij met zo vele woorden: “Sta op Ninevé! en zeg dit ongelovig geslacht, dat Ik weer uit het graf kan doen opkomen wat er duizende jaren in begraven lag, en getuigt gij, opgegraven stenen, den wederhorigen, die het levend getuigenis van Mijn woord niet willen aannemen, dat Ik door den mond der Profeten gesproken heb!” Treffend, niet waar, dat de gedenktekenen der profetische oudheid thans de museums der machtigste en grootste volken moeten vullen. Welnu, Ninevé zelf is de profetie, dat al het oude zal herleven, maar niet in den ouden vorm. De oude zaken komen wel weer voor den dag, doch niet in haar vorm, maar in haar wezen. De opstanding is het nieuwe leven uit den ouden zaadkorrel; doch de opstanding zelf is zo waarachtig, dat God het niet alleen bewijst in de opstanding van steden, maar zelf met die steden de grote opstanding begint. Ja, dit zal zo voortgaan, totdat het paradijs weer zal gezien worden en het Jeruzalem Gods weer op aarde hersteld zal zijn (Openb. 21 en 22). Heerlijk beeld van wat God in Christus talloze malen gedaan heeft en nog onder ons werkt. Zo vaak een zondaar uit zijnen doodslaap één met den Levensvorst werd, herhaalde zich onder talloze vormen in den grond hetzelfde verschijnsel. Wij zijn dan in zeker opzicht dezelfde, maar toch ook geheel anders geworden en groter dan de afstand tussen het graf en de wieg is het onderscheid, dat tussen den ouden mens buiten Christus en den nieuwen mens in Hem bestaat. Vroeger het oog afgewend van God, van zich zelven, van de toekomst, thans de ogen geopend om God en mens, leven en dood, aarde en hemel in het aangezicht en in het hart te staren. Vroeger hard en koud voor den broeder, thans in liefde tot allen ontgloeid, die met ons door éénen Geest zijn geleid en tot ene hope geroepen. Vroeger den voet op den breder weg van zelfzucht en lust, thans den tred op het smalle spoor van zelfverloochening en hemelsgezindheid gericht. Ziet zo aanschouwt de nieuwe mens wat de oude voorbij zag, zo kan de nieuwe mens wat de oude te zwaar vond, zo geniet hij wat hij eenmaal versmaadde, en haat wat hij vroeger beminde. Achter hem ligt het tijdperk van machteloosheid, van moedeloosheid en van liefdeloosheid, vóór hem een leven van kracht en moed, van liefde en reinheid. Hij heeft andere vrienden en andere vijanden dan immer te voren; de onbekende God van voorheen is thans de vriend zijner ziele, de geliefkoosde zonde van weleer is thans de schrik van zijn hart. Ene nieuwe levensvreugd leert hem kennen: Het doen van Gode heiligen wil. Een nieuw levensdoel zweeft hem voor: de verheerlijking Gods in woorden en werken; een nieuw levenseind lacht hem tegen: het einde der rechtvaardigen, die den dood als bevrijder begroeten. Verstand en gevoel, wil en verbeelding, geweten en wandel, het wordt alles, alles door den Geest des levens verlicht, vernieuwd, geheiligd, bekrachtigd. En nu, maar ook nu alleen wordt het leven hem schoon, het lijden het sterven hem zalig. Geest der vernieuwing gene lentelucht zo bezielend als Gij! .
— Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Wijders geschiedde in onmiddellijk verband met dat in vs. 11 vv. en de betekenis van hetgeen het ganse huis Israëls daar wilde zeggen, des HEEREN woord tot mij, zeggende: Aan “het ganse huis Israëls” had vs. 11 de opstanding en door deze de volmaking beloofd; reeds in deze woorden: “het ganse huis Israëls” lag ene belofte, want één geheel was Israël in den laatsten tijd niet geweest, en was het nog niet. Dat kort en afgebroken moment in de vorige voorzegging had nog nadere ontwikkeling nodig, welke in het volgende woord Gods wordt gegeven.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 15:9→2 Kronieken 10:19→2 Kronieken 10:17→Numeri 17:2→2 Kronieken 11:11→1 Koningen 12:16→2 Kronieken 30:11→— Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen.
Gij nu, mensenkind! neem u in de eerste plaats een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijne metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het ganse huis Israëls, zovele stammen als er nog tot de tien behoren, zijne metgezellen 1).
Hier wordt beloofd, dat Efraïm en Juda gelukkig zullen verenigd worden in broederlijke liefde en wederzijdse gedienstigheid, zodat er ene verdere neiging tussen hen zijn zal, en, niettegenstaande hun oude verschillen, die tussen hen geweest waren, zij zouden overeenkomen om elkaar lief te hebben en elkaar goede diensten te doen. De zin was dan ook dat zij zouden worden één volk. Zij zouden geen afzonderlijke belagers hebben, en bijgevolg hun genegenheden niet verdelen. Daar zal geen wederzijdse jalouzie zijn noch afkerigheid, geen gedachten zelfs van hun vorige onenigheden. Zij waren twee houten geweest, die elkaar dwarsboomden en belemmerden, ja die elkaar sloegen en stietten, maar nu zullen zij één worden, elkaar ondersteunende en sterkende.
KruisverwijzingenJesaja 11:13→Hosea 1:11→Jeremia 50:4→Ezechiël 37:22→Sefanja 3:9→— Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.
Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander, tot een enig hout; en zij zullen tot één worden in uwe hand, terwijl gij ze vast verbonden met elkaar in uwe hand houdt. Het schrijven van de namen der stammen, die de beide rijke vormen, herinnert aan ene dergelijke handeling van Mozes in Num. 17; de handeling zelf is echter hier ene andere. Men mag noch aan staven, noch aan tafels denken, maar eenvoudig aan stukken hout, waarop men enige woorden kon schrijven, en die men in ene hand kon zamenvatten. Dat Ezechiël op het ene hout behalve Juda nog “de kinderen Israëls, zijne metgezellen” moest schrijven, heeft daarin zijne reden, dat tot het rijk van Juda behalve den stam van Juda nog het grootste gedeelte van Benjamin en Simeon, de stam van Levi en de in verschillende tijden uit het rijk der tien stammen naar Juda verhuisde vrome Israëlieten (2 Kron. 11:13 vv. 15:9; 30:11 en 18; 31:1) behoorden, die metgezellen van Juda waren en werden. Op het andere hout wordt de naam van Jozef vooraan geplaatst, omdat op dezen de eervolle plaats van Efraïm en zijne gelijkstelling met Juda berustte. Dat deze in Egypte begonnen is, zien wij uit den zegen van Jakob (Gen. 49:22 vv.). Het hout wordt echter toch aan Efraïm toegeschreven, omdat deze in werkelijkheid aan het hoofd der 10 stammen stond. De zegen, welke nu op het rijk van Efraïm zal rusten, komt veel beter overeen met den naam van Jozef, wiens naam zelf aan zegen herinnert, dan met Efraïm, wiens naam aan de zonde van het volk herinnert.
KruisverwijzingenEzechiël 24:19→Ezechiël 12:9→Ezechiël 20:49→Ezechiël 17:12→— En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?
En wanneer de kinderen uws volks, voor wier ogen gij de zo even u gebodene handeling moet volbrengen, tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn (vgl. Hoofdst. 24:19)?
KruisverwijzingenZacharia 10:6→Ezechiël 37:16→Efeze 2:13→Kolossenzen 3:11→1 Kronieken 9:1→— Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.
Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, in zoverre aan dezen stam de leiding in het huis van Jozef was gegeven, maar met zijn overwicht ook de scheiding der beide rijken was te weeg gebracht, en van de stammen Israëls, zijns metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen één worden in Mijne hand.
KruisverwijzingenEzechiël 12:3→Hosea 12:10→Numeri 17:6→— De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen.
De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen, terwijl gij in woorden deze belofte hun verkondigt, in uwe hand zijn voor hunlieder ogen, opdat zij in de beide verenigde houten een zichtbaar onderpand hebben voor de toekomstige verwezenlijking der profetie.
KruisverwijzingenEzechiël 36:24→Obadja 1:17→Jeremia 23:8→Amos 9:14→Jeremia 29:14→Jeremia 16:15→Jesaja 43:5→Jeremia 32:37→— Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;
Spreek dan tot hen, en neem den gehelen inhoud Mijnen profetie, waarover dit hoofdstuk handelt, nog eens te zamen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der Heidenen, waarhenen zij getogen zijn (Hoofdst. 36:24), en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land; De Profeten verkondigen, dat de Joden ook na hun bekering nog een afgezonderd, van anderen onderscheiden volk en rijk zouden uitmaken; zij zouden dan voor de overige volken een voorwerp der grootste verwondering zijn, en ene aanleiding, om de almacht en trouw van den waren God te erkennen. Verenigden zich daarentegen de Joden in hun verstrooiing, zonder in hun oude land teruggevoerd te worden, met de Christelijk kerk, zo zouden zij spoedig met de heidenchristenen vermengd zijn en onder hen verdwijnen; zo bleef de profetie onvervuld. Daar nu echter volgens den duidelijken inhoud der laatste de Joden weer een volkslichaam zullen uitmaken, en omdat dit toch ergens ene plaats vinden moet, waarom zou het dan niet het heilige land zijn, waaraan de Profeten evenzo dikwijls en uitdrukkelijk deze bestemming toeschreven?
KruisverwijzingenEzechiël 37:24→Jeremia 50:4→Jeremia 3:18→Hosea 1:11→Ezechiël 34:23→Efeze 2:19→Jeremia 33:14→Openbaring 11:15→— En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
En Ik zal ze maken tot aan enig volk (Hos. 1:10 v. (Jer. 3:18 v.) in het land, op de bergen Israëls, waaraan de belofte in Hoofdst. 36 gegeven is; en zij zullen allen te zamen a) enen enigen Koning tot koning hebben (Hoofdst. 34:23); en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan ooit meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
Joh. 10:16.
KruisverwijzingenEzechiël 36:28→Psalmen 68:20→Jeremia 31:33→Leviticus 20:7→Zacharia 13:1→Micha 7:14→Hosea 1:10→Ezechiël 43:7→— En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
En zij zullen zich niet meer verontreinigen 1) met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; al hun oude zonden zullen zij als het ware in het buitenland achterlaten, om een geheel nieuw leven in heiligheid en gerechtigheid te beginnen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn 2) (Hoofdst. 36:28 v. (Jer. 24:7).
Merk hier aan: wanneer een zonde oprechtelijk verlaten wordt, dan worden ook alle zonden verlaten; want hij, die de zonden als zonde haat, zal alle zonden haten. En zij, die genezen zijn van hun geestelijke afgoderij, hun onmatige genegenheid voor de wereld en voor het vlees, die niet langer een god van hun geld of hun buik maken, hebben een gelukkigen slag gegeven in den wortel van alle hun overtredingen.
Ook in vs. 27 wordt dit woord gevonden. Het verdeelt de gehele belofte in twee delen en elk lid bevat ene dubbele toezegging, Het eerste (vs. 21-23 belooft a) de vergadering der Israëlieten uit de verstrooiing, hun terugvoering in hun land en hun vereniging tot een volk onder Davids bestuur; b) hun reiniging van alle zonden en heiliging tot een waar volk des Heeren; het tweede (vs. 24-27) belooft a) het ongestoord eeuwig wonen in het land onder hunnen vorst David; b) de zaligmaking daarvan door het sluiten van een eeuwig verbond des vredes. De tweede belofte vormt vervolgens de volmaking der eerste, daar zij aan Israëls volk zijne herstelling en heiligmaking voor altijd verzekert; de gehele belofte is echter slechts ene herhaling der in Hoofdst. 34:11-31 en 37:22-28 gegevene toezeggingen.
KruisverwijzingenHosea 3:5→Jesaja 40:11→Ezechiël 37:22→Jeremia 30:9→Ezechiël 36:27→Ezechiël 37:25→Ezechiël 34:23→Jeremia 23:5→— En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
En a) Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen éénen Herder hebben; en zij zullen in Mijne rechten wandelen, en Mijne inzettingen bewaren en die doen (Hoofdst. 34:23 v. 36:28).
Jes. 40:11. Jer. 30:9. De Profeet wijst aan, hoe nu die genadegoederen terugkeren, wier verlies zich het volk door zijne scheiding zelf veroorzaakt heeft. Gods genade is groter dan der mensen zonde, dus in nog veel hogeren graad, dan die in de vroegere dagen geweest is, zal de zegen, welken het volk zo snood van zich heeft gewezen, terugkeren. De Heere had twee pilaren des heils onder het Oude Verbond opgericht; zij zijn het Davidische koningschap en het heiligdom. Beide, nauw te zamen hangende, had het volk vermetel aangetast en verworpen, hetgeen in de splitsing van het rijk duidelijk zichtbaar werd. In nieuwe, verheerlijkte gedaante zullen dan de beide oude kanalen, door welke het volk zijn heil en leven ontvangt, daar staan als frisse, nooit uitdrogende levensbronnen van Goddelijke genade en trouw. Eenheid van het koningschap moet bovenal aan het volk worden gegeven. Deze eenheid behoort toch wezenlijk tot de waarheid van het koningschap, in zoverre het daar moest staan als waarlijk Jehova vertegenwoordigende, en alzo op Goddelijke verkiezing berustte. De verbreking van deze eenheid was tevens ene losmaking van Jehova, en had ene menigte van zonden en gruwelen onveranderlijk ten gevolge. Jehova verkiest geen nieuw geslacht; het behoort tot de idee der Goddelijke trouw en onveranderlijkheid, dat de beloften, welke eens op Davids geslacht rustten, volkomen tot vervulling kwamen. Juist tegenover de verwerping van David door de steden van Efraïm zal een hem passend waar Knecht van God de eeuwige Herder des volks zijn, en zo zullen aan dezen ook de oude, reeds aan Jakob gegevene toezeggingen Gods heerlijk worden vervuld.
KruisverwijzingenAmos 9:15→Ezechiël 28:25→Ezechiël 37:24→Jesaja 66:22→Ezechiël 37:26→Joël 3:20→Sefanja 3:14→Jesaja 60:21→— En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.
En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben; ja daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kinds kinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder vorst zijn tot in eeuwigheid.
KruisverwijzingenJesaja 55:3→Ezechiël 34:25→Jeremia 30:19→Ezechiël 43:7→Ezechiël 36:10→Ezechiël 36:37→Ezechiël 11:16→Psalmen 89:3→— En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
En Ik zal aan a) verbond des vredes met hen maken, het zal aan eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze in goeden welstand (Hoofdst. 34:25 vv.) inzetten, en zal ze vermenigvuldigen(Hoofdst. 36:10 v. 37), en ik zal Mijn b) heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid (Hoofdst. 40:1 vv.).
(Ps. 89:4. b) 2 Kor. 6:16. Door de scheuring van Israël was verder de eenheid des heiligdoms verstoord, en meer dan door al het andere had het volk zijn afval van God bevestigd. De nieuwe samenbrenging des volks geschiedt op nieuw om een gemeenschappelijk middelpunt, ene nieuwe openbaring in het midden van Israël. Het zou hier verkeerd zijn te vragen, of de Profeet een uitwendig of een zuiver geestelijk heiligdom bedoelde. Hij spreekt zich noch voor het ene noch voor het andere bepaald uit. De begrippen uiterlijk en innerlijk staan in het Oude Testament geenszins in die sterke, abstracte tegenstelling tegenover elkaar, dat men ook hier bepaald voor een zou kunnen beslissen, integendeel vloeien beide op ‘t nauwst in elkaar, en doordringen elkaar wederkerig. Ene geheel andere vraag is het daarentegen, hoe de Profeet zich de verhouding van dit heiligdom tot het Oud-Israëlietische denkt. Het antwoord is: als nieuw, pas gesticht, veel verhevener, waarin het wezen volkomen met de openbaring, met den vorm overeenkomt. Dit blijkt duidelijk uit vs. 26, daar a) het heiligdom op ene nieuwe verbondsbetrekking van Jehova met Israël moet rusten, het de heerlijkste vrucht daarvan is, en hoe inniger de betrekking is, waarin God in dit verbond tot het volk treedt, des te rijker moet ook de volheid van genadegiften zijn, welke alsdan van de plaats Zijner openbaring uitstroomt; b) de schare dergenen, die zich om dit heiligdom vergaderen, is groot; zij is ene door God zelven vergrote schare, die in dat nieuwe verbond staat en zich vast daarvan houdt: c) eindelijk onderscheidt zich het nieuwe heiligdom werkelijk van het oude door zijn duur, want terwijl het oude vergankelijk was, is het nieuwe onvergankelijk. Dat God Zijn Tabernakel en naderhand Zijn tempel onder Juda had, was een teken en onderpand van Zijne tegenwoordigheid onder hen, en bescherming over hen, zodat deze uitdrukking kan betekenen Gods bijzonderen gunst en bescherming. En dewijl de Tabernakel en Tempel voorbeelden geweest zijn van de Christelijke Kerk, en van elk gelovige in het bijzonder, zo wordt daardoor ook aangeduid, dat God Zijn kerk volgens het Nieuwe Verbond, dat is de Evangelie Kerk onder het Joodse volk zou oprichten bij de komst van den Messias, en met Zijn Geest en genade in dezelve, en in elk lid zou wonen, wanneer het Woord zou vlees geworden zijn en onder ons tabernakelen. (ENGELSE GODGELEERDEN).
KruisverwijzingenEzechiël 20:12→Exodus 31:13→Ezechiël 36:23→Ezechiël 39:23→Ezechiël 36:36→Leviticus 20:8→Romeinen 11:15→Psalmen 126:2→— En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.
En de Heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, die Israël heilige 1) (Hoofdst. 36:36), als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid 2).
De gevolgen der wonderbare openbaring Gods in Israël worden in vs. 27 naar het inwendige, in vs. 28 naar het uitwendige beschreven. Het volk mag zich nu in ene zeer bijzondere bescherming Gods verheugen, het nieuwe heiligdom is de sterkste borg van de even zo grote waarde als eeuwigen duur der gemeenschap met God. De heidenwereld verneemt echter met verwondering, wat grote dingen de Heere kan verrichten, wanneer Hij Zich in de volheid Zijner heiligheid onder het volk openbaart, en zich daaraan als de heiligende God in de volkomenste mate vertoont. Het is duidelijk dat de Heere hier spreekt van de geestelijke zegeningen, welke het Israël Gods zal genieten. Want wel wordt er gesproken van een heiligdom in het midden van hen, maar dat doelt niet op een heiligdom met handen gemaakt, niet op een plaatselijk heiligdom of tempel, maar op de geestelijke zegeningen, welke, tengevolge van de komst van den Messias, zullen gesmaakt worden. Als straks de Messias zal gekomen zijn, als het Woord zal zijn vlees geworden, dan zal ook Israël delen in de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond. En al wie den Christus Gods zullen worden ingeplant, wie lidmaat zullen worden van het geestelijk heiligdom, dat is van de Kerk, die zalig wordt, die delen zullen in de mystieke vereniging met het lichaam van Christus. zullen ervaren dat God hun God, en dat zij Zijn volk zullen zijn. Van een herbouwen van een aardsen tempel aan het einde der eeuwen is hier geen sprake.
Hier wordt Israëls bijeenvergadering duidelijk en klaar voorspeld. Evenwel zullen niet alle Israëlieten zich in hun land vergaderen, maar slechts een heilig overblijfsel der thans onder alle natiën en hemelstreken levende Joden. Vele Joden zijn ongelovig, en zullen eenmaal aan het anti-christendom deelnemen, zo als de Heere zegt Joh. 5:43 : “Mij neemt gij niet aan, zo een ander komt in Mijnen naam (de Antichrist), dien zult gij aannemen. “Uitdrukkelijk zegt de Profeet ook, dat insgelijks de tien stammen zich verzamelen zullen, die nu meer dan twee en een half duizend jaren in de hoog gelegen streken nabij Eufraat en Tigris verstrooid gevonden worden, van welke evenwel velen in den bloeitijd der Morgenlandse kerk op de prediking der van Jezus tot hen gezondene Apostelen en Evangelisten zich tot hunnen Gezalfde en Heiland bekeerd hebben. Nakomelingen van al de twaalf stammen zullen dus verzameld worden, en tot één koninkrijk verenigd, het beloofde land bewonen. Deze verdediging wordt door de verbinding der beide houten, waarop de namen der stam-opperhoofden Juda en Jozef staan aangeduid. De enige Koning, die hen beheersen zal, is in den hoogten zin, Christus, in voorspelling onder het beeld van David voorgesteld, die met zijne heiligen ook zichtbaar aan de spits der natiën zal staan (Dan. 7:27; 2:44; Openb. 20:6), ofschoon de volken ook nog menselijke koningen hebben. De uitwendige aanleiding tot der Joden terugkeer in het erfland hunner vaderen geeft de Profeet hier niet op, daar hij niets aangaande den toestand der volken, onder welke Israël verstrooid is, voorspelt. De oproeping van Christus aan Zijn volk, om zich te Jeruzalem te vergaderen is bij Jesaja (48:20; 52:11) en bij Jeremia (50:8; 51:7 en 45) voorzegd; en deze oproeping doet Jezus zelf met de woorden der oude profeten in de Openbaring (18:4) aan Zijn volk horen: “Gaat uit van Babel o Mijn volk, opdat gij aan hare zonde gene gemeenschap hebt, en van hare plagen niet ontvangt, Daardoor wordt de tijd van de bijeenverzameling der Joden uit Babel, of de afvallige Christenheid van Europa in den tijd geplaatst, waarin de Antichrist met behulp der tien als koningen, of van de tien voorstanders der Europese volksheerschappijen, door ene staatsgreep de macht in handen gekregen heeft, en daardoor aan het hoofd der koningen van den opgang der zon staande, heer van Europa en der aarde wordt. Eer hij alzo zijne werkzaamheid als Anti-christ, heiligen-moordenaar, brandstichter en verwoester van Europa begint, zullen de Joden, om zich voor hem in vrijheid te stellen, naar hun land vertrekken. De Joden zullen voor zovelen zij uit de waarheid zijn, den Antichrist niet aanbidden en zich gedwongen zien, wanneer zij niet omkomen willen, naar het land der belofte te vluchten. Op zijn eersten tocht naar het Morgenland (Dan. 11:40-43) zal de Antichrist Azië veroveren en ook in Kanaän komen en het door den val der Moslim-wereld voor de inbezitneming voor de Joden, zonder het te weten en te willen, toegankelijk maken (Dan. 11:41). Wanneer alzo Jeruzalem vrij is en de veroveraar als Antichrist naar Europa komt, dan zullen de Joden in allerijl optrekken, zovelen de Geest van Jehova daartoe opwekt. Wanneer zij dan tot hun erfgrond zullen zijn teruggekeerd, terwijl Apollyon en Abaddon het Avondland in ene woestijn verandert, zal hij zulks ten laatste vernemen, en met zijne koningen van den opgang der zon en de tien koningen van den ondergang der zon, die allen tot zijn gevolg behoren, vergezeld van de schare der valse profeten, den groten veldtocht ondernemen, welken de Ziener in zijne voorspelling van Gog ons zo indrukmakend voor de aandacht plaatst.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Ezechiël 37
Ezechiël 37:1.KruisverwijzingenEzechiël 1:3→Ezechiël 3:22→Jeremia 8:2→Ezechiël 33:22→Lukas 4:1→Handelingen 8:39→Ezechiël 11:24→Jeremia 7:32→
— De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.
De knechten van God leren niets voordat zij een ervaring hebben zoals Ezechiël. Zij moeten door de Geest van de HEERE geleid worden, en hun ogen en hun mond moeten door Hem geopend worden. Dan kunnen zij het gezicht zien én het aan anderen vertellen.
De vallei was als een reusachtig graf, een knekelhuis, een slagveld waar de verslagenen niet begraven waren. Geen knecht van God zou naar zo’n plaats gaan zonder gezonden te zijn. En toch was het nodig dat Ezechiël daar was, opdat hij de boodschap van God zou begrijpen en spreken.
Ezechiël 37:2.KruisverwijzingenPsalmen 141:7→Ezechiël 37:11→Deuteronomium 11:30→
— En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.
Hij moest dit grimmige en gruwelijke knekelhuis grondig opnemen. De beenderen hadden er zo lang gelegen dat de wind het merg had uitgedroogd en zij tot stof geworden waren.
Ezechiël 37:3.KruisverwijzingenJohannes 5:21→Johannes 11:25→Deuteronomium 32:39→Hebreeën 11:19→2 Korinthe 1:9→Romeinen 4:17→Handelingen 26:8→1 Samuël 2:6→
— En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!
God stelde deze vraag niet om Zelf iets te weten te komen, maar om de profeet. De HEERE wilde dat hij de moeilijkheden zou beseffen van het werk waartoe hij geroepen was, opdat hij des te volkomener op God zou steunen en niet op zichzelf.
Ezechiël 37:4.KruisverwijzingenJohannes 5:28→Ezechiël 36:1→Johannes 5:25→Jeremia 22:29→Mattheüs 21:21→Johannes 2:5→Ezechiël 37:11→Micha 6:2→
— Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.
Wij hebben gehoord van een rooms man die van zijn priester als boetedoening een dorre stok moest begieten. Ezechiëls taak om tot dorre beenderen te preken leek even nutteloos. En toch, gebiedt God ons hetzelfde, dan hebben wij geen andere rechtvaardiging nodig om het te doen. Wat in de ogen van de rede dwaas is, is in het oordeel van het geloof wijsheid.
Ezechiël 37:5-6.KruisverwijzingenGenesis 2:7→Joël 2:27→Psalmen 104:29→Joël 3:17→Efeze 2:5→Ezechiël 37:14→Ezechiël 37:9→Johannes 20:22→
— Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden. En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
Hij moest deze beenderen de onvoorwaardelijke voornemens en beloften van God verkondigen: “Ik zal” en “gij zult”. Zo werkt God Zijn eeuwige voornemens met de mensenkinderen uit. Hij gebiedt Zijn knechten Zijn boodschap uit te roepen, en dan vervult Hij Zelf Zijn eigen voornemens en beloften.
Ezechiël 37:7.Kruisverwijzingen1 Koningen 19:11→Handelingen 4:19→Handelingen 5:20→Handelingen 16:26→Jeremia 26:8→Jeremia 13:5→Handelingen 2:2→Handelingen 2:37→
— Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.
Een geritsel — en zie, hier was goddelijke kracht die de beenderen op hun juiste plaats in de verschillende lichamen bracht en de uiteengevallen leden zich weer liet samenvoegen.
Ezechiël 37:8.
— En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
Tot zover was er dus nog geen erg grote verbetering. Er waren nu alleen dode lichamen in plaats van dorre beenderen. Er viel meer te zien, maar niets aangenamers, en werkelijk niet meer leven dan tevoren.
Ezechiël 37:9.KruisverwijzingenJohannes 3:8→Psalmen 104:30→Hooglied 4:16→Ezechiël 37:5→Ezechiël 37:14→
— En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.
“Profeteer tot den geest.” Dat lijkt een zeer ongerijmde zaak om te doen. Maar waar God gebiedt, bestaan er geen ongerijmdheden.
Ezechiël 37:10.KruisverwijzingenOpenbaring 11:11→Psalmen 104:30→Openbaring 20:4→
— En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.
Ezechiël was zeer gehoorzaam. Hij wilde alleen de wil van zijn Heere weten, en dan maakte hij geen enkele bedenking maar deed hij meteen precies wat hem gezegd was: “En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had.” Het is een eerste vereiste in een knecht van God dat hij precies doet wat hem opgedragen wordt. Niet nadenken hoe híj het graag zou doen, en ook niet het plan volgen dat zijn eigen wijsheid ingeeft, maar eenvoudig doen wat hem gezegd is, zoals Ezechiël deed.
Ezechiël 37:11.KruisverwijzingenEzechiël 39:25→Ezechiël 36:10→Jesaja 49:14→Efeze 2:1→Psalmen 77:7→Klaagliederen 3:54→Psalmen 141:7→Jeremia 31:1→
— Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
“Er is voor ons geen hoop; wij zijn dood en erger dan dood. Ons geval is hopeloos; er is voor ons geen mogelijkheid van herstel.”
Ezechiëls gezicht van de vallei met de dorre beenderen geeft een treffend, leerzaam en indrukwekkend beeld. Maar het is geen loutere beeldspraak; het is een gelijkenis die berust op een opmerkelijke voorstelling van de opstanding van de doden. De kinderen Israëls wisten in die tijd weinig genoeg van de opstanding, maar de HEERE, de Heilige Geest, wist er alles van. En Hij gebruikte haar als een sprekend beeld van de verlossing van Israël uit die nationale dood die over hen gekomen was. Met evenveel recht mogen wij er een levendig beeld in zien van het genadewerk in het hart. Zo worden allen tot het geestelijke leven gebracht, door de kracht van de goddelijke genade.
Ezechiël 37:12.KruisverwijzingenJesaja 26:19→Hosea 13:14→Jesaja 66:14→Ezechiël 37:21→Ezechiël 37:25→Amos 9:14→1 Thessalonicenzen 4:16→Ezechiël 36:24→
— Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
Er zou toch nog een huis van Israël zijn. Het volk leek dood en begraven, maar God zou het levend maken en herstellen. Deze belofte mag ook toegepast worden op een gemeente die in een zeer lage geestelijke staat verkeert, wanneer het lijkt of zij nooit meer goed doen kan: “Ziet, Ik zal uw graven openen.” En ook tot u spreekt God in deze belofte, lieve vrienden. Tot u die zeer zwaarmoedig bent en vol vertwijfeling, en die het gevoel hebt zo goed als dood en begraven te zijn. Geloof daarom Zijn Woord alsof het persoonlijk tot u gericht was: “Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.”
Van nature zijn mensen dood in de zonde, totdat zij de stem van God horen en de levendmakende adem van de Geest voelen, en levend gemaakt worden naar dat woord: “die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.” De zaligmaking van zondaars door de genade en de kracht van God is een even groot wonder als de algemene opstanding. Geestelijk leven in een natuurlijk mens leggen is een wonder der wonderen. Het moest evenveel verbazing wekken als de opwekking van Lazarus, of van het dochtertje van Jaïrus, of van de jongeman aan de poort van Naïn.
Wat een besef krijgt een mens dat er een God is, wanneer God hem zaligmaakt! Wanneer hij van harte begint te dansen van vreugde omdat hem alles vergeven is, dan weet hij dat de HEERE God is. Hij draagt een bewijs van de waarheid in zijn eigen hart om, en met tranen in de ogen vertelt hij het aan anderen. Och, zegt hij, daarover bestaat geen vergissing. Er is een barmhartig God, want ik heb barmhartigheid verkregen. Er is een toevlucht voor zondaars, want ik ben ertoe gevlucht. Er is vergeving, want ik heb haar ontvangen. Er is rust, want ik geniet haar. Er is een hemel, want ik begin de klokken ervan in mijn hart te horen luiden.
Ezechiël 37:13.KruisverwijzingenEzechiël 37:6→Ezechiël 16:62→Psalmen 126:2→
— En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
Grote verlossingen en almachtige levendmakingen openbaren ons God en doen ons weten hoe heerlijk groot de HEERE is.
Ezechiël 37:14.KruisverwijzingenEzechiël 36:27→Ezechiël 17:24→Joël 2:28→Ezechiël 39:29→Ezechiël 37:9→Ezechiël 36:36→Jesaja 32:15→Ezechiël 11:19→
— En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
Wanneer de Joden weer in Kanaän terugkomen — en dat zullen zij — zullen zij niet alleen weten dat de HEERE God is, maar ook dat Jezus Christus de ware Messias is. Mocht de HEERE die gezegende voleinding op Zijn eigen tijd verhaasten!
Ezechiël 37:15-16.Kruisverwijzingen2 Kronieken 15:9→2 Kronieken 10:19→2 Kronieken 10:17→Numeri 17:2→2 Kronieken 11:11→1 Koningen 12:16→2 Kronieken 30:11→
— Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen.
Let erop hoe de HEERE de profeet voortdurend “mensenkind” noemt. Wanneer God Zijn knechten veel gebruikt en hen grotelijks eert, zorgt Hij er altijd voor hen ootmoedig te houden door hen eraan te herinneren wat zij in zichzelf zijn. Zo is het ook hier: Ezechiël, u hebt tot de dorre beenderen geprofeteerd en zij zijn door uw profetie levend geworden. Maar het was niet door uw eigen kracht dat u dit deed. U bent niets dan een mensenkind; God moet alle eer van dit wonderlijke werk hebben.
Zij waren in afzonderlijke gezelschappen verdeeld. Eerst dwaalden zij van God af, en daarna dwaalden zij van elkaar af.
Ezechiël 37:17.KruisverwijzingenJesaja 11:13→Hosea 1:11→Jeremia 50:4→Ezechiël 37:22→Sefanja 3:9→
— Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.
Terwijl hij ze in zijn hand hield, moesten zij tot één samengroeien. En wanneer alle kerken in de hand van Christus komen, zal er volmaakte eenheid tussen hen zijn. Wat dicht bij hetzelfde is, is ook dicht bij elkaar. Maar zolang de Heere niet komt en Zijn verdeelde Juda en Efraïm in Zijn eigen hand neemt, zal er tussen hen geen ware eenheid zijn. Dan echter wel.
Ezechiël 37:18-19.KruisverwijzingenEzechiël 24:19→Ezechiël 12:9→Ezechiël 20:49→Ezechiël 17:12→Zacharia 10:6→Ezechiël 37:16→Efeze 2:13→Kolossenzen 3:11→
— En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn? Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.
Geen gemeente zal de zegen van de eenheid lang blijven genieten, tenzij zij dicht bij Christus blijft. Gemeenschap met Christus betekent gemeenschap van christenen onderling; alleen op die weg krijgen wij ware eenheid en ware gemeenschap.
Ezechiël 37:20-22.KruisverwijzingenEzechiël 36:24→Obadja 1:17→Ezechiël 37:24→Jeremia 23:8→Amos 9:14→Jeremia 29:14→Jeremia 16:15→Jesaja 43:5→
— De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen. Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land; En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
Wanneer Christus komt, zal er in Israël deze ware eenheid zijn. Waar Christus al gekomen is, is deze ware eenheid in Zijn gemeente. En naarmate Christus tot ieder van ons komt, zal Hij het kwaad wegnemen dat ons van Hemzelf scheidt en dat ons van de anderen scheidt. Zo zullen wij één zijn in Zijn hand.
Ezechiël 37:23.KruisverwijzingenEzechiël 36:28→Psalmen 68:20→Jeremia 31:33→Leviticus 20:7→Zacharia 13:1→Micha 7:14→Hosea 1:10→Ezechiël 43:7→
— En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
Dit geldt eerst Israël naar de letter, en dan geestelijk alle uitverkorenen. Wat een gewichtige en veelomvattende belofte is het! Wij zullen verlost worden van onze afgoden, van de meest weerzinwekkende zonden en van onze huiselijke zonden: “Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben.” Waar gaan wij heen, mijn broeders, zonder zonde te vinden? Zonde in ons bed en zonde aan tafel, zonde in de winkel en zonde op straat, zonden in gezelschap en zonden wanneer wij alleen in het veld zijn, overal zonden. En toch kan de Heere Jezus Christus ons op elke plaats ontmoeten en ons reinigen. “zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.” Wat een wonderlijke verklaring is dit: wij zijn het volk van de HEERE en Hij is onze God! Wij zijn Zijn deel, en Hij is ons deel. Och, dat ieder van ons aan deze dubbele zegen deel mocht hebben!
Ezechiël 37:24.KruisverwijzingenHosea 3:5→Jesaja 40:11→Ezechiël 37:22→Jeremia 30:9→Ezechiël 36:27→Ezechiël 37:25→Ezechiël 34:23→Jeremia 23:5→
— En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
Och, dat de ene Koning regeren mag over het ene volk, dat de ene wet houdt en in heiligheid en ootmoed voor de ene Heere wandelt!
Ezechiël 37:25.KruisverwijzingenAmos 9:15→Ezechiël 28:25→Ezechiël 37:24→Jesaja 66:22→Ezechiël 37:26→Joël 3:20→Sefanja 3:14→Jesaja 60:21→
— En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.
God behandelt Zijn heiligen nu toch zeker niet slechter dan Hij Israël in de dagen van ouds behandelde. Wij mogen dus tot Hem gaan in het gebed voor onze kinderen en voor onze kindskinderen.
Ezechiël 37:26.KruisverwijzingenJesaja 55:3→Ezechiël 34:25→Jeremia 30:19→Ezechiël 43:7→Ezechiël 36:10→Ezechiël 36:37→Ezechiël 11:16→Psalmen 89:3→
— En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
Och, dat gezegende woord “eeuwig”! Een zaligheid die niet eeuwig is, is het hebben niet waard. Een belofte die niet vervuld wordt en een genade die falen kan, zijn Gods belofte en Gods genade niet.
Ezechiël 37:27.KruisverwijzingenEzechiël 37:23→Johannes 1:14→Openbaring 21:3→Ezechiël 11:20→Hosea 2:23→Ezechiël 14:11→Leviticus 26:11→Ezechiël 36:28→
— En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
In vers 23 was de belofte van de HEERE: zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. En hier keert de genade de volgorde om: “Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.” God heeft blijkbaar zo’n welgevallen in deze verklaring dat Hij haar herhaalt, en alleen de zinnen omdraait.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VERLOSSING BEVESTIGD. EN VERENIGING DER ISRAELIETEN DOOR VOORBEDE
De hand des HEEREN was op mij. Ik werd in een toestand van verrukking gebracht evenals in Hoofdst. 1:3; 3:22 en 8:1, en de HEERE voerde mij uit in den Geest (Openb. 1:10), en zette mij neer in het midden ener vallei(Hoofdst. 3:22 v.): dezelve nu was vol beenderen. Ezechiël zag derhalve dit gezicht in den Geest, dat is in den Heiligen Geest. Welk ene aanschouwing moet zulk ene aanschouwing zijn. Mochten ook wij de dingen Gods in den Heiligen Geest zien. Hoe dßt te doen? Door niet ons zelven, ons eigen verstand, ons eigen inzicht, onze eigene mening, maar Gods Woord te geloven. Wat was daar te zien? De schoonheid der natuur? Horen wij wellicht hier ene dichterlijke beschrijving van de heerlijkheid ener met bomen, kruiden, en bloemen beplante vallei? Neen, God toont Zijnen knechten gene natuurlijke, maar bovennatuurlijke dingen. Voor de aanschouwing der natuur gaf hij hun de ogen des lichaams, maar voor het zien der geestelijke dingen geeft Hij hun den Heiligen Geest. Wij hoorden het, de Profeet zelf zegt het: de hand des Heeren was op mij. Doch wat zag hij dan? Het tegendeel van al wat schoonheid en pracht, van al wat lieflijkheid en leven en frisheid is. Doch de Profeet werd in de vallei geplaatst en daar komt het op aan, dat de Heere ons ergens plaatst, al is het ook in het midden van doodsbeenderen. Die er ons in plaatst, kan ons ook gebieden te profeteren, dat de doodsbeenderen leven. Zo stond den de Profeet in het midden der doden. Welk ene standplaats, een levend mens in het midden van al die doodsbeenderen! Ook Christus wandelde als de enig waarachtig levende in het midden der doden. Wie niet in Hem was, was dood. Hij kon met waarheid zeggen: “laat de doden hun doden begraven. ” En Hij was niet enkel het leven, maar ook de opstanding. Daarom was het voor Hem hetzelfde of Hij een enkel lid van het lichaam, of den gehelen mens levend maakte. Blinde ogen zijn dode ogen, ene dorre hand is ene dode hand. Jaïrus dochtertje op het bed, de jongeling te Naïn op de baar, Lazarus in het graf, ze zijn voor Hem gelijk. Hij spreekt en zij leven; zo zijn ook voor Hem de bekering van den mens en van vele mensen, de verlossing van den enkelen Israëliet of van geheel Israël, de vernieuwing van Palestina of van geheel de aarde tot een Paradijs dezelfde zaken, zij zijn alle de voortzetting van ene lijn, die in Hem, Christus, haar uitgangspunt heeft.
En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom, om mij te overtuigen hoe het gesteld was; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei, en ziet, zij waren zeer dor, reeds zeer lang was alle leven uit hen verdwenen. Ezechiël zag terstond en met één opslag van het oog een vallei vol doodsbeenderen, niet onder de aarde, maar boven op de aarde, dus een geopend kerkhof. Akelig gezicht, droevige vertoning, zeer geschikt om diepe zwaarmoedigheid in de ziel des Profeets uit te storten! En toch was deze vluchtige aanschouwing, of liever dit overzicht niet genoeg. De Heere leidde hem rondom langs de gehele vallei. Ezechiël moest de zaak van nabij bezien; hij moest den gehelen omvang der vallei, de gehele grote menigte der doodsbeenderen leren kennen; ook moest hij overtuigd worden, dat er in de vallei niets anders lag dan doodsbeenderen. En nu deelt hij ons mede, wat hij bij deze omwandeling van het dal heeft opgemerkt. Er waren, (zegt hij) zeer vele beenderen, en zij waren verdord. Zij hadden er niet sedert kort, maar sedert lang gelegen. Dit deed wel niet tot de zaak af, doodsbeenderen hebben niets meer gemeen met het leven, doch het maakt toch een verschil, of een been kortelings uit een levend lichaam is gekomen, dan of het reeds lang gelegen heeft. In het eerste geval heeft het been altijd nog iets fris; er ligt nog een zekere glans over; het heeft nog ene blanke kleur, en het merg is er nog in, maar als het been lang ligt, dan wordt het zwart en lelijk, het merg wordt vuil, wordt stof, en het been, dat op zich zelf reeds dor is, wordt alsdan zeer dor. En waarom liet nu God den Profeet zulke uiterst dorre beenderen zien? Omdat God gewoon is, alvorens te redden, de dingen te laten komen tot hun uiterste punt van reddeloosheid. Het is Gods heerlijkheid, om het leven voort te brengen uit den dood, en het is wel opmerkelijk, dat het ongeloof God juist deze Zijne hoogste eer poogt te ontnemen; het bewijst de verfoeilijkheid van het ongeloof. De gelovigen ondervinden het meermalen, dat ene zaak eerst tot hare uiterste ellende moet komen, alvorens God toont Zich die aan te trekken. Trouwens als wij God als God erkennen, dan is iets minder te doen dan het onmogelijke Zijns niet waardig. Eerst moet de zaak aan onze zijde ene afgesnedene zaak zijn, zodat wij gedwongen zijn te zeggen: “ja, daar is nu niets meer aan te doen; er is gene hope, gene verwachting meer; ” eerst dan komt God en zegt: “Ja wel, er is nog iets aan te doen, er is nog hoop, er is nog verwachting! Ik zal het leven geven uit den dood. ” .
En Hij zei tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En Ik zei: Heere HEERE, Gij weet het! Naar menselijk kennen is het onmogelijk, maar bij U zijn alle dingen mogelijk. Als wij de wereld overzien in al haar ongoddellijk leven en streven, zo doof voor de machtigste roepstemmen, zo blind voor het hemelse licht, zo koud bij wat Engelen van verrukking doen gloeien, dan breidt het tafereel van dit woord zich onwillekeurig uit voor ons oog, en het is ons, als horen wij ons met Ezechiël toeroepen: “mensenkind zullen deze beenderen levend worden?” Ik denk aan u lichtzinnige, die enkel leeft voor de aarde en hare begeerlijkheid; die aan de eeuwigheid niet denkt, dan om de zorg voor de eeuwigheid uit te stellen van de lente tot den zomer, van den zomer tot den herfst uwer dagen; die het lied der gerusten op Zion tot uw morgen- en avondlied maakt: “ik zal wandelen naar de aanschouwing mijner ogen, en toch zal ik vrede hebben. ” “Zullen deze beenderen levend worden?” Ik denk aan u, ongevoelige, die ook bij oppervlakkige aandoening inwendig zo afkerig blijft van den geestelijken omgang met God, die door den voorspoed niet door God zijt vertederd; door den onspoed niet voor God zijt gewonnen, die alles wat het Evangelie roerends en lieflijks heeft, hebt aangehoord, toegestemd, vastgehouden, zonder dat het bij u tot waarachtige verandering kwam van beginsel en keuze. Zullen deze beenderen levend worden? Ik denk aan u, trage van hart, die wel van tijd tot tijd uit den zondeslaap opschrikt, maar in plaats van het geneesmiddel telkens opnieuw den slaapdrank in handen neemt, en na ogenblikken van ontroering altijd weer eindigt met de uren te verbeuzelen, op wier vleugelen voor u het heil der eeuwigheid rust. Zullen deze beenderen levend worden! Ik denk maar genoeg. De melding van enkele soorten zou tot den waan kunnen leiden van talrijke uitzonderingen. En daarom zij het met den heiligsten nadruk gezegd: het beeld geldt iederen mens, die het nog niet kan verklaren, dat God hem levend gemaakt en met Christus in den hemel gezet heeft. Kent gij ze niet, mijn medezondaar, die dorheid van binnen, die de Profeet met éénen trek zo sprekend doet uitkomen: de dorheid van een geest, die omdat hij den levenden God niet gevonden heeft, zich afstomt met zoeken naar leven en licht; de dorheid van een hart, dat overal lafenis vroeg, en overal teleurstelling vond; de dorheid van een leven, dat vrucht voor den hemel moest dragen, en van nature gene enkele rijpe vrucht heeft te tonen? Kent gij het niet, dat diep bederf, dat u al het goede ten dode doet worden, en onbeteugeld heerst in het onvernieuwde gemoed, met even weinig eerbied voor ene énige uwer gaven en krachten, als het gewormte voor den dode betoont? Kent gij het niet, kinderen der wereld, dat duister en toch zo drukkend gevoel, dat gij nog nimmer recht hebt geleefd? Wat leven is, gij weet het, het is nog iets anders dan ademen, dan dromen, dan dartelen, dan werken, dan lijden; in dat vijftal woorden was tot nog toe het kort begrip uwer gehele geschiedenis. Leven, het is vol, het is krachtig, het is zalig, het is eeuwig te zijn, dwaze die het zocht in zich zelven, kortzichtige, die het vraagt van de aarde! Even weinig als een dode zich in eigene kracht kan verheffen van zijne sombere sponde; even weinig als de ene prooi des grafs de andere aan het graf kan ontrukken, evenmin kan de zoon van Adam in zich zelven of den broeder het verloren geestelijk leven herstellen. Ja, ook wij boden des levens, “Heere, Gij weet het”, zo moeten wij met Ezechiël antwoorden op de vraag, of er aan zoveel dood en verderf nog eenmaal een einde zal komen. En waar wij met dat antwoord de blikken ten hemel hieven, wij slaan ze nogmaals in ‘t ronde, en zien die allen, die het ware leven in Gods gemeenschap niet kennen, als zovele slaapwandelaars voor onze ogen voorbijtrekken; als slaapwandelaars, die evenmin helder zijn van geest, als bekommerd van harte; die rustig voorttreden, zelfs aan den rand van den gevaarlijksten afgrond, die met verwonderlijke voorzichtigheid ieder struikelblok ontwijken, dat hun rust zou kunnen verstoren, en pas ontwaken uit den sluimer, wanneer hun naam wordt genoemd. Mijn medezondaar, uw naam zweeft op de lippen des Heeren: Zijn krachtige roepstem weerklinke! . De Heere doet den Profeet de vraag om hem van het onmogelijke er van, op menselijk standpunt geredeneerd, te doen getuigen. Een vallei van doodsbeenderen te veranderen in een dal der levenden is geen mensen werk, is niet iets wat uit den mens voortkomt. De Profeet weet echter ook, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hem niets te wonderlijk is, dat Hij het is, die het leven te midden van den dood en het licht uit de duisternis doet te voorschijn komen. En daarom geeft Ezechiël niet een antwoord alleen, maar zulk een, waarin het geloof in de mogelijkheid er van ligt opgesloten.
Toen zei Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord. Het Christendom is ene verwonderlijke zaak, het is een werk, het is een profeteren, een spreken van de Woorden Gods. God zei niet tot den Profeet: “Blijf gij stil zitten. Ik zal het buiten u doen”, neen, de Profeet moest profeteren. Aan den anderen kant is het weer geen werk, het is enkele spreken. Daarom is het ene verkeerdheid in den Christen, zelf iets te willen doen, of iets op eigene hand tot stand te willen brengen. Den Heere moeten wij gedurig vragen: “Wat wilt Gij, dat ik doen zal?” anders bouwen wij aan Babels toren. Gesteld eens dat wij zeiden: “wat zullen wij doen om deze doodsbeenderen te doen leven? zullen wij ze door ene galvanische bewerking laten huppelen en springen?” Zouden wij niet dwaas handelen? Laat ons toch in zulke hoog ernstige zaken gene ijdele kunsten vertonen. God alleen kan het leven geven, wij kunnen het niet, en wat zou het ons baten, een gewaand leven te stellen in de plaats van het waarachtig leven? Wij kunnen enkel nazeggen, wat God ons voorzegt. Wie weet het niet, de natuurlijke wijsheid wil zich zelf helpen, door te ontkennen, dat de mens van nature geestelijk dood is door de zonde, en te beweren, dat ieder mens nog een vonk van leven in zich heeft, welke, door haar van de as te ontdoen en er brandstof bij te leggen, weer tot een brandend vuur kan ontvlammen. Doch het is louter zelfbegoocheling. De Schrift spreekt zo niet; zij misleidt den mens niet; zij spreekt in alles de volle waarheid. Zij zegt: dat zo waarachtig, zo volkomen Christus dood was, alvorens Hij opstond, ook de zondaar dood is voor God, alvorens hij door de kracht des Heiligen Geestes bekeerd wordt. “Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord!” Welk een wonder bevel, welk ene dwaasheid voor den natuurlijken mens! Kunnen dan de doodsbeenderen horen? Ja, als God tot hen spreekt, kunnen zij horen. Eigenlijk spreekt God altijd tot hetgeen niet horen kan, maar onder, door en in het spreken doet Hij horen. God zei tot het licht, dat het zij, en het licht kon niet horen, en toch het was er; tot de gevoelloze aarde: “Breng voort, ” en de aarde hoorde, en bracht voort. God roept de dingen, die niet zijn, alsof ze waren. Ook gebood Christus Lazarus uit zijn graf te komen, en hij kwam er uit; en ook ons leven hangt er van af, dat Christus tot ons spreekt, gelijk Hij tot Lazarus sprak. Want met den zondaar is het niet anders als met Lazarus. Ook de zondaar kan niet horen, en toch moet hem het Evangelie verkondigd worden, want onder het prediken hoort hij; wij weten niet hoe, maar hij hoort en bekeert zich. Daarom moeten wij, wel verre van de mensen diets te maken, dat zij gene dorre beenderen zijn, hen juist met dien naam noemen, en wel met dien van zeer dorre beenderen, opdat zij weten dat zij het zijn, en zich niet inbeelden, dat zij zonder de prediking zich zelf wel kunnen bekeren, als zij maar willen. Neen, de prediking des Evangelies is ene prediking aan de doden. Christus zegt tot de discipelen: “Predikt het Evangelie allen creaturen. ” Creaturen, schepselen, waarlijk geen vleiend woord voor mensen, doch een waar woord. Christus zendt het Evangelie tot de mensen, zo als zij in hunnen natuurstaat zijn, tot gene kinderen Gods, maar tot schepselen Gods, die een natuurlijk leven hebben, maar geen Goddelijk leven, die levend zijn voor zich zelven en voor de aarde, maar dood voor het geestelijk goede en voor hun eeuwige belangen, en daarin gelijk staan met de dierlijke en onbezielde schepping. Daarom staan wij met het woord van God altijd is het midden der doden; ja, als wij waarlijk Christenen zijn, dan wandelen we ook zelven onophoudelijk onder de doden. Doch daarom behoeven wij nu niet moedeloos te worden, en zonder geloof, hoop en liefde te arbeiden, neen! wij hebben slechts bij onzen arbeid te vuriger te bidden tot Hem, die alles spoedig kan veranderen, tot Hem, die de doden levend maken kan en werkelijk levend maakt. Indien toch de Profeet niet onvoorwaardelijk gedaan had, wat God hem beval, maar geredeneerd en gezegd had: “hoe kunnen doodsbeenderen horen?” en dus het bevel Gods niet opgevolgd had, wat zou er het gevolg van zijn geweest? Dat Gods oogmerk niet vervuld ware geworden? Neen, Gods raad zou daarom toch tot stand gekomen zijn, maar niet door dit middel en niet langs dezen weg.
Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen, in welke Hij het wat de zaak aangaat met persoonlijke wezens te doen heeft: Ziet, Ik zal den Geest in u brengen, en gij zult levend worden.
En Ik zal, zoals dat later in het gezicht met de beenderen, die daar liggen, ook werkelijk zal geschieden (vs. 7 vv.), zenuwen (Job 10:11) op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en ene huid over u trekken, en den geest, adem in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult, daar gij eigenlijk personen zijt, die in deze beenderen hun type hebben, weten, dat Ik de HEERE ben. De zekerheid van het heil is verzekerd. Het profetische oog vertoeft nog slechts bij de levendige beschouwing van zijne ontplooiing en ziet met verrukking, hoe het ontstaat, hoe het toeneemt, hoe het onoverwinnelijk groot wordt. Wij zijn bij ene van de meest grootse en diepstzinnige symbolische voorstellingen van onzen Profeet gekomen, die van vroegeren tijd af hare onwederstaanbare macht over de gemoederen heeft uitgeoefend. Zij toont in een beeld volkomen levendig, wat het woord bij brokstukken van den tijd der nieuwe genade slechts onvolkomen verkondigd had. De uitleggers zijn het daarin eens, dat volgens Ezechiëls ondubbelzinnige verklaring dit gezicht niet moet worden verstaan van de opstanding der lichamen, maar van de bezieling van het geestelijk dode, maar nog in levenden lijve rondwandelend volk van Israël. Het woord des Heeren bevestigt dit in vs. 11 ten stelligste. Deze beenderen zijn het gehele huis van Israël. Ziet, nu zeggen wij: “onze beenderen zijn verdord en onze hoop is verloren, en het is uit met ons. ” Even zeker als Israël met deze klacht “onze beenderen zijn verdord” slechts beeldsprakig wilde zeggen: “wij zijn geheel krachteloos (vgl Ps. 22:15) onze hoop is verloren; wij zijn als volk niet meer te herstellen”, zo zeker ook is het doel der zinnebeeldige voorstelling geen ander dan de belofte van de herstelling van het levend dode Israël. Met recht heeft men er aan herinnerd, hoe wederherstelling van elken aard in de oudheid en ook bij de Hebreën een weer levend worden genoemd wordt, en hoe er geen gepaster beeld was voor den toenmaligen toestand des volks, dan de lichamelijke dood, en voor de herstelling dan de opwekking uit de doden. Voor den Profeet staat een volk, dat zich in zijne hopeloosheid voor verloren houdt; hier nu wil hij met zijn krachtig woord ingrijpen, opdat de diepste verslagenheid tot versterking, tot leven worde. Hoe minder het volk het wilde geloven, des te meer beslist spreekt Ezechiël het uit, Gods Almacht en Geest kan het dode weer levend maken. God is werkelijk dodende en weer levend makende, zo als van Hem geschreven staat (Deut. 32:38. 1 Sam. 2:6 en deze scheppende levenskracht Gods, die zelfs doodsbeenderen weer opwekt, is de grond der verlossing, de oorzaak van Israëls heil. Zo zeker als dat waar is, zo zeker ook het andere. Wanneer dus de gemeente vraagt (Ps. 85:7): “Zult Gij ons niet weer levend maken?” dan luidt het antwoord, dat, gelijk God dat kan, Hij het ook wil (Hos. 13:14). Die vertroosting moest te krachtiger tot de harten spreken, wanneer hij aan de woorden der wanhopenden zelf, hen bij hun woord aangrijpende, het antwoord tegen allen twijfel ontleende, zo moet de vraag van God aan den Profeet in vs. 3 bij de taal, die Israël volgens vs. 11 voert, de wanhoop des volks uit het hart ontlokken, om er ruimte in te maken voor de voorzegging des heils. Langs talloze wegen wil God ons op den weg der bekering geleiden, van talloze zijden grijpt en spreekt Hij slapenden aan, opdat zij de sluimerzieke blikken voor het licht des levens ontsluiten. Nu fluisterend, dan donderend, nu biddend, dan dreigend; nu vaderlijk, dan rechterlijk richt Hij Zich tot hart en geweten. Ja waar gij terugziet op al den weg van uw leven, alles wat God u heeft beschikt en bescheiden, wordt weergalm van Ezechiëls profetie aan uw hart: “laten deze beenderen levend worden. ” Hier ene vrome moeder u ontnomen, en daar een dierbaar pand u geschonken; nu ene lieflijke bloem voor uwe voeten ontloken, en dan een scherpe doorn in vlees en bloed u gedrukt; ginds een diepe val, die u aan u zelf moest ontdekken, en elders een pijnlijk gemis, dat uw gebeente van smart deed verouden; heden ene krachtige prediking, die in de ziele u aangrijpt en morgen ene gezegende ontmoeting, die u weken lang stof geeft van peinzen, ’t is alles, alles ene Godsstem: “Zondaar, buiten hij is dood en verderf! Schepsel Gods, slechts in God is leven en vrede!” En die stem klonk gene uren of dagen slechts, maar reeds sedert maanden en jaren; zij wordt zelfs het roepen niet moede, waar ons het horen verdroot, zij wordt meer klimmend en klemmend, naarmate de levensdag opkort en de doodsengel rasser zal spreken. voorwaar, voorwaar, onze God is een God, die het dode levend maakt!
Toen profeteerde ik, gelijk mg bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet, ene beroering, en de beenderen naderden, elk been tot zijn been. Het voorzeggen wordt hier beperkt tot de oproeping “gij dorre beenderen! hoort des Heeren woord. Alles wat de Profeet in ekstase moet spreken, draagt het karakter van profetie, profeteren is spreken in den Geest. Hij moest prediken en hij deed dit en de dode beenderen leefden door een macht, die met Gods woord gepaard ging, hetwelk hij predikte. Hij moest prediken, en hij deed dit, en de dode beenderen werden levend gemaakt, ter beantwoording der gebeden. Zie de kracht des woords en des gebeds, en de noodzakelijkheid van beiden, tot het opwekken van dode zielen. God gebiedt Zijnen dienstknechten, profeteert over de droge beenderen, zegt tot hen: leeft, ja zegt tot hen leeft, en zij doen, gelijk hun bevolen is, roepen verder en verder tot hen, maar zij roepen te vergeefs, zij blijven dood en zij blijven droog. Hij moet daarom gedurig aanhouden bij God in de gebeden, om de werking van den Geest met het Woord. Gods genade kan den zondaar behouden zonder onze prediking, maar onze prediking kan hem niet behouden zonder Gods genade, en die genade moet door gebeden gezocht worden. Het ruisen en bewegen had plaats door de beenderen, die terstond aan het woord Gods (in des Profeten mond) gehoorzaamden. Naar het Hebr. luidt het woordelijk: Er ontstond ene stemme (dit kan ene roepstem, een geluid, een donderslag, een geruis zijn) toen ik profeteerde, en zie, ene beweging. Dit kan zeker, gelijk enige uitleggers willen, ene stemme des donders, ene aardbeving betekenen. Maar veel voegzamer voor den gehelen gang van het gezicht is het aan te nemen, dat de gebeenten terstond de stem des Profeten opvolgen, en nu verder de ganse gebeurtenis aanschouwelijk wordt afgeschetst. Eerst hoort Ezechiël het ruisen, het stommelen en klapperen der opgewekte beenderen. Daarna ziet hij hun beweging en de opvolgende zamenvoeging van het bijeen horende. Dit laat zich ook toepassen op de eerste bewegingen der verstrooide Israëlieten in hun afzonderlijke woonsteden in Chaldea, op hun zamenkomsten tot geheime beraadslaging, waar de leden des volks zich in stilte verenigden. De Alwetende en Almachtige Heere kan ook de stammen en geslachten Israëls, welke nu door elkaar verward zijn, weer bij elkaar rangschikken. Niet is meer algemeen, maar niets ook minder zielkundig, dan de oppervlakkige voorstelling, alsof het nieuwe leven de vrucht van één enkel ogenblik ware, waarin de zondaar woedende als een Saulus, op eenmaal juist gelijk deze aangegrepen en omgekeerd wordt. Met even veel recht kon men volhouden, dat de zon daarbuiten in één punt des tijds aan den hemel staat, zonder dat, door schemering of morgenrood voorafgegaan is. Neen, Gel. hetzelfde wat wij in iedere lente aanschouwen, herhaalt zich bij den innerlijken overgang van den dood tot het leven. Niet op eens is het ijs van Januari herschapen in de bloemen van Mei; buien zijn voorafgegaan en hevige stormen; langzamerhand drong het groen uit het eentonige wit, van lieverlede brak de schemering door van den blos, die blinken zou op duizend bladeren en bloemen; eerst de knop dan de bloemen, en pas ten gezetten tijde de vrucht. De geschiedenis van het Godsrijk vertoont ons gedurig tijdperken door andere voorafgegaan en bereid, die wij met de beeldspraak van den tekst op de lippen “tijdperken zouden kunnen noemen van het ruisen der beenderen. ” Het licht van Christus verrees, maar vooraf was voor Joden- en Heidendom een tijd van verwachting, van verlangen, van troosteloos treuren en zuchtend zoeken naar waarheid en leven begonnen. De dageraad der hervorming brak aan, maar de hervorming heeft hare Profeten gehad, gelijk zij hare Apostelen vond, en langs talloze wegen was Europa voorbereid voor de omkering der zestiende eeuw. En wederom in onzen tijd, als wij den staat van het Godsrijk geheel in het algemeen overzien, wij zouden bijna tot de voorstelling komen: ‘t is niet meer de dood, ‘t is nog niet het leven, het is dat geruis, die beweging, die toenadering van het ene lid tot het ander, die den overgang van dood tot leven voorspelt. Kent gij zulke tijdperken in uw innerlijk leven? Gel. of druk ik mij wellicht voor iemand onduidelijk uit? Ik bedoel zulke toestanden van den verborgen mens onzes harten, die men voorbereidings- overgangs-, wordingstoestanden noemen kan: waarbij men niet meer leeft in de zonde zonder nog geheel te leven in de gemeenschap met Christus, waarbij het begint te lichten in onzen hof, zonder dat nog op onzen lijksteen de Engel der opstanding daalde. Ik zie ze voor mij, als Ezechiël- verkwikkende aanblik! in wien zich ene krachtige voorbereiding tot hoger leven vertoont; mensen, in wier harten stemmen ontwaken, die zij sinds lange niet hoorden; zondaren, van wier lippen vragen vernomen worden hun tot nog toe onverschillig en vreemd; zal ik u allen noemen, beschrijven, aan u en zich zelven ontdekken?
En Ik zag, en ziet, er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok ene huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.
En Hij zei tot mij: Profeteer tot den Geest, profeteer, mensenkind! en zeg tot den Geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij Geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. Wat hoog bevoorrechte, en toch wat diep afhankelijk heilherauten der nieuwe bedeling we zijn! We kunnen dat nieuwe leven u schetsen, u aanprijzen, als boven alles begeerlijk u voorstellen. Wij kunnen getuigen van en wijzen op en leiden tot Hem, die het geeft. Maar het u in te storten, gelijk wij het zo vurig u toebidden, maar uw hart te hervormen gelijk wij uw verstand overtuigen, maar den reuk des doods in uwe leden te doen vluchten voor den frissen adem des levens: dat staat bij ons niet te geven, dat is genadegift van Hem, wien de Vader gegeven heeft het leven te hebben in Zich zelven, maar-daarbij ook de macht over alle vlees, opdat Hij aan al wat de Vader Hem gaf een eeuwig leven zou schenken. Op de knieën voor Hem, die geen dorst wekt zonder water te geven, maar ook om dat water gebeden wil zijn, als om onschatbaren zegen! Op de knieën, gij allen, die bij een blik op u zelven weemoedig herhaalt, wat Israëls huis van zich zelven moest getuigen: “Onze beenderen zijn verdord onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. ” Het aangezicht des Heeren gezocht, de middelen der genade gebruikt, en in iedere geestelijke gate, die Hij schonk, een aandrang gevenden om meerdere gaven te vragen! Wat onmogelijk is bij de mensen is mogelijk bij God, en al durft gij u nauwelijks voorstellen, dat ook voor u nog eens een nieuw leven zou aanvangen. Hij kàn doen boven bidden en denken. En dat Hij het wil, wie zou het betwijfelen, die het immers vroeg aan Zich zelven of Hij Zijne kinderen stenen voor brood en schorpioenen voor vissen zou geven? Neen het is niet om u den moed te ontroven, maar om den moed te verhogen dat wij u het woord van Hem, die op den troon zit, doen horen: “Ziet Ik maak alle dingen nieuw. ” O zalig wie op die hemelstem ootmoedig antwoorden kan: “het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden. ” God is geen God des doods maar des levens. Wanneer Hij het woord heeft uitgesproken van leef, dan zal Hij niet alleen de werking des Woords, naar ook die des Geestes doen ervaren. Als God, de Heere, op ene ziele de hand heeft gelegd, dan zal Hij ook Zijn werk voortzetten. Hij zal en kan en wij ook het stugste hart verbreken, ook de dorste woestijn veranderen in een dal van Saron.
En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend 1) (Gen. 2:7), en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir 2).
De voorstelling van het levend worden der dode beenderen in twee acten, is te verklaren uit de aansluiting aan de geschiedenis van de schepping van den mens. Daar dient het om de schepping van den mens, hier om de scheppende wederlevendmaking van Israël duidelijk als een werk van den almachtigen God voor te stellen. Wanneer de met zenuwen, vlees en huid beklede doodsbeenderen niet gestorvenen, maar gedoden, verslagenen worden genoemd, zo blijkt daaruit, dat ons visioen niet de algemene opstanding der doden, maar de opwekking van het gedode volk van Israël moet afbeelden. De verklaring van ons gezicht als een leerrijk artikel van de lichamelijke opstanding der doden, wordt evenzeer door den zamenhang van de gehele profetische rede bepaald geoordeeld, als de verklaring dat dit alleen op de burgerlijke herstelling des volks na de ballingschap zien zou, blijkt verkeerd te zijn, aan den adem, die de beenderen levend maakt.
Zo één feit van de geschiedenis van ‘t Godsrijk der toekomst, dan moet de hier voorzegde wederlevendmaking en herstelling van Israël ook voorwerp der gezichten van de Openbaring van Johannes zijn; maar waar is in dit Boek de plaats waar zij voorkomt? Voor zover ons bekend is, heeft nog geen uitlegger die bepaald kunnen aanwijzen, hoewel het toch zozeer voor de hand ligt, hier op Openb. 11:11 te wijzen. Ook daar zijn twee acten beschreven, hoewel op enigszins andere wijze. Wel is van den Geest des levens van God sprake, die in de gedoden voer, zodat deze nu op hun voeten treden. Volgens Openb. 7:4 vv. en 14:1 vv. 1 wordt de zeer grote menigte der in ‘t leven teruggeroepenen berekend op 144. 000 verzegelden. Daarin komt elk der twaalf stammen gelijkmatig met 12. 000 personen voor. Ten opzichte der namen van de stammen is tussen Openb. 7:5-8; Juda, Ruben Gad, Aser, Nafthali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef, Benjamin; en Ezechiël 48:1-28 : Dan, Aser, Nafthali, Manasse, Efraïm, Ruben, Juda, Benjamin, Simeon, Issaschar, Zebulon, Gad, een onderscheid, dat wij voor heden alleen noemen, en later verklaard zal worden. Als dood des volks merkt Baumgarten bij onze afdeling op, zal volgens de wet de als hoogste en laatste straf uitgesprokene scheiding van Israël van zijn land of de ballingschap moeten worden gehouden, deze ziet het Oud-Testamentisch bewustzijn aan als den dood, daar ieder in ‘t bijzonder tot zijn lichaam in betrekking staat, als het volk tot zijn land, en het van hem gescheiden land aan de vreeslijkste verwoesting is overgegeven evenals het ontzielde menselijk lichaam. En nu is, zoals van Hoffmann juist zegt, op onze plaats niet zozeer de nieuwheid des levens voorgesteld, waarin, als integendeel de volkomenheid van den toestand des doods, uit welken Israël weer moet worden hersteld.
Toen zei Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen, die gij te voren zo verdord zaagt, en van welke gij uit u zelven niet meendet, dat zij weer zonden kunnen levend worden (vs. 2 v.), zijn het ganse huis Israëls! de beide delen Juda en Efraïm (vs. 15 vv.); ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord (Klaagl. 4:8), en onze verwachting om niet weer tot een volk op te staan, is verloren, wij zijn afgesneden.
Over die beenderen hebt gij moeten profeteren, en zij zijn weer tot elkaar gekomen, met zenuwen, vlees en huid overtrokken, en door den adem, die hun ingeblazen is, weer levend geworden (vs. 4 vv.). Daarom, profeteer nu ook over de beide delen van het huis Israëls, en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uwe graven openen, en zal ulieden uit uwe graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israëls.
En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uwe graven zal hebben geopend (liever: open), en als Ik u uit uwe graven zal hebben doen opkomen (liever: doe opkomen), o Mijn volk!
En Ik zal Mijnen Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten, dat gij daar tot rust komt; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE. Dat veld vol doodsbeenderen, zo wordt den Profeet gezegd, is Israël in zijn tegenwoordigen toestand: als gevolgen zijner zonde heeft het den dood tot straf van God ondergaan. Zijne wanhoop is zelfs een teken van dezen dood, het verstorven volk gevoelt zich van God verlaten, de kloof, welke het van Hem scheidt, schijnt ene te zijn, welke nooit meer is te vullen, de verschrikkingen des doods omgeven het natuurlijk oog ziet slechts vernietiging, geen heil en leven. Uit die massa schept zich evenwel Gods almacht een volk, de poorten des doods worden verbroken, het land van heil en zegen wordt aan Israël weer uit genade geschonken; ene nieuwe geestelijke schepping begint, aan het verstorven, geestelijk arme volk wordt de volheid van Goddelijken zegen meegedeeld, nu is alles in rust in ‘t land van zegen, genietende de genadegiften van zijnen God in zaligen vrede. De graven der Israëlieten waren toen de steden der Chaldeën. In het gezicht van Ezechiël werd daarop echter niet gewezen, omdat daardoor de aanschouwelijkheid van het beeld zou hebben verloren. Men heeft zich een slagveld te denken, waar de beenderen der verslagenen onbegraven neerliggen. Als volk van God was Israël gedood, zonder hoop op weer levend worden of opstaan tot een nieuw leven. Deze opstanding toont nu de Heere den Profeet in het beeld van de levendmaking der beenderen, die verdord en overal heen verstrooid liggen. Zij wordt vervuld door de herstelling van Israël als volk van Jehova, waartoe de terugvoering in het heilige land werkelijk behoort; deze vervulling werd wel voorbereid door het terugkeren van een deel des volks uit de Babylonische ballingschap onder Zerubbabel en Ezra, hetwelk de Heere had bewerkt, door de wederopbouwing der verwoeste steden van Juda en door de herstelling der staatsinrichting, maar dat alles was niets meer dan een onderpand voor de toekomstige volkomene herstelling van Israël. Want hoewel de Heere den teruggekeerden zelfs nog Profeten verwekte en den bouw van Zijn huis bevorderde, zo daalde in den nieuw gebouwden tempel toch niet Zijne heerlijkheid neer, en het volk kwam niet weer, ten minste niet voortdurend, tot zelfstandigheid, maar bleef aan het Heidense wereldrijk onderworpen. En al zijn ook na Ezra nog zeer vele ballingen in hun vaderland teruggekeerd, door welke vooral Galilea weer bevolkt en gebouwd werd, zo bleef toch het grootste deel des volks in de verstrooiing onder de Heidenen. De ware herstelling van Israël als volk des Heeren begon eerst met de stichting van het Nieuwe Godsrijk, het Koninkrijk der hemelen, door de verschijning van Christus op aarde. Daar toch het Joodse volk als zodanig of in zijn geheel Jezus Christus niet als den door de Profeten verkondigden en door God gezonden Messias erkende, maar zijnen Heiland verwierp, zo kwam over Jeruzalem en het Joodse volk op nieuw het oordeel der verstoting onder de Heidenen, terwijl het door Christus gestichte Godsrijk, door het ingaan der gelovig gewordene Heidenen, zich over de aarde uitbreidde. Dit gericht duurt over het in ongeloof verstokte volk der Joden nog voort, en zal voortduren tot den tijd, wanneer na het ingaan van de volheid der Heidenen in het rijk van God ook Israël als volk tot Christus zal worden bekeerd, den gekruisigde als zijnen Heiland zal erkennen, en voor Hem Zijne knieën zal buigen. Dan zal gans Israël (Rom 11:26) uit zijne graven, de graven van zijnen burgerlijken en geestelijken dood, worden opgewekt en in zijn land teruggevoerd. Even als in het gezicht eerst de mindere zijde wordt voorgesteld (vs. 7 v.), vervolgens de hogere (vs. 9 v.) of juister gezegd, het gescheiden zijn dezer beide zijden onder den vorm van onderscheid in tijd wordt voorgesteld, zo wordt ook in de verklaring het politiek herstel (vs 12 v.) en het geestelijke (vs. 14) duidelijk van elkaar onderscheiden. Het “Ik zal Mijnen Geest in u geven, en gij zult leven” heeft wel zijn voorspel reeds vóór de terugvoering in het vaderland, welke zaak volgens de gehele voorstelling der Schrift ene zekere levendmaking door den Geest te weeg brengt, maar de volkomene vervulling wordt eerst gevonden in de krachtige nederdaling van de gave des Heiligen Geestes, over het gehele volk door Christus, en in de toeëigening van dezen Geest door het volk. Het is altijd maar tot op zekere hoogte mogelijk in de verklaring deze plaats met de uitleggers mede te gaan. Wij hebben ons moeten veroorloven van hun uitspraken het een of ander weg te laten, en daaraan door ene kleine wending gedeeltelijk een anderen zin te geven dan waarop hun mening eigenlijk uitloopt. Dat komt daarvan, dat over de zaligwording en herstelling van Israël, over de terugvoering des volks in het heilige land en over zijne roeping en zijnen toestand aldaar meestal nog meningen heersen, welke de woorden der Schrift tegenspreken, zo als wij mochten beweren, en welke rusten op ene miskenning der wegen Gods met Zijn uitverkoren volk. Zulke schrijvers zijn er wel is waar heden nog maar weinige, die met verachting en verwerping van de Joden spreken als van een “gepeupel, gelijk aan de Zigeuners, dat onder andere volken zit als bloedzuigende dieren, en die van niets anders dan van dieren kunnen leven. Wat Paulus in Rom. 11 schrijft is toch van te veel betekenis, dan dat niet het grootste gedeelte van hen ene bekering in de toekomst zou moeten aannemen. Maar nu denkt men zich zowel de middelen en wegen, hoe het tot die bekering komt, als ook den tijd en de wijze der gebeurtenis met de gevolgen, welke het meebrengt, zo als het een ieder lust, zonder grondig de Schrift te onderzoeken en zich door deze te laten leiden. Uitgaande van de veronderstelling, dat Israëls bekering tot Christus ene vrucht zal zijn van eigen zendingswerk tot dit volk, of van allengs rijpende overtuiging, of ook van teruggave des heiligen lands aan de wettige bezitters, verdaagt men het gevolg daarvan tot ene ver af zijnde onbepaalde toekomst, en stelt zich die voor als een overgang tot de nu bestaande, uit de Heidenen zamengebrachte Christelijke kerk, welke overgang dan zal volgen, als de Heidenen in hun geheel Christelijk zullen geworden zijn, en voor wie het heilige land van ondergeschikte betekenis is. Eigenlijk zou het misschien wel het raadzaamste zijn, de kerk zelf voor dat vaderland aan te zien, waarin de Joden ten laatste uit hun verstrooiing zullen terugkeren. Israëls land, zegt een van de bovengenoemde uitleggers, zal zo ver reiken als het Israël Gods de aarde bewoont; en een ander zegt: “de aarde van het ene einde tot het andere en de hemelse heerlijkheid is Israëls erfenis; aan het oude land Kanaän nog enig gewicht te leggen ware een treurig anachronismus. ” Wij willen niet alle dergelijke meningen naar hare verschillende schakeringen elk in ‘t bijzonder voordragen en wederleggen, maar aanstonds onze mening, zo als wij ons die op den weg van Schriftonderzoek gevormd hebben, kort en bondig voorstellen. Toen Israël zijn Messias verwierp en aan het kruis hechtte, toen was dat nog geenszins de volkomene en laatste beslissing des gansen volks, zodat nu reeds de verwerping en verstrooiing zou hebben moeten volgen. Zeker hadden daarin alle drie de hoofdstanden deel, zo als in Openb. 12:4 wordt gezegd: “Zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels en wierp die op de aarde; ” maar toch geschiedde het nog meer door bedrog des satans, die de zinnen der oversten verwarde en het dolle volk mede voortsleepte (Hand. 3:17. 1 Kor. 2:8 nog had Christus voorbede ruimte (Luk. 23:34 en Zijne toezegging ene plaats, om tot hen Profeten en wijzen en schriftgeleerden te willen zenden (Matth. 23:34). Eerst met het vervullen van de maat der vaderen door het vermoorden van Jakobus den jongeren tussen den tempel en het altaar, voorafgebeeld door het doden van Zacharias, den zoon van Barachia (Matth. 23:35), ontstond een toestand, dat tussen Israël en God niet meer Degene stond, die Zijn volk zou zalig maken van hun zonden, zodat Zijn bloed nog meer voor hen sprak, maar integendeel de aanklager (Openb. 12:10). Israël is van dien tijd overgegeven niet alleen aan het uitwendig gericht, waaronder het nog heden zucht, maar vooral ook aan een inwendig oordeel, zodat het deksel hangt voor zijn hart (2 Kor. 3:14 v.), en het, met uitzondering van enige weinige leden, die verder niets zijn dan ene bestendig nieuwe heenwijzing naar het einddoel der wegen Gods, zich in ‘t geheel niet bekeren kan. Er ligt een ban op: daarom is ook de zending onder Israël van een zo betrekkelijk gering gevolg; het blijft bij het oordeel, dat bij de verwoesting van Jeruzalem en den tempel, over het volk is gekomen, dat zo zwaar misdaan heeft, en in Openb. 6:12 v. op ene zeer opmerkelijke wijze is gesymboliseerd; de Schriftuitleggers hebben echter den zin van dit symbool zo weinig juist erkend. Met langzaam christianiseren, met menselijk werken en overtuigen is bij dat volk, zo hard als een steen, als ijzer, als de duivel, gelijk Luther het heeft genoemd, niets uit te richten, het is op generlei wijze te bewegen; eerst moet de ban worden opgeheven en de verklager uit het midden worden gedaan. Als dat geschied is, en Christus eerst weer tussen Israël en God zal staan, dan zal Gods genade Zich zo heerlijk betonen, als die zich in den verloren zoon krachtig betoonde, toen hij op eens tot nadenken kwam en wederkeerde, en Christus zal aan het gehele Israël gelijktijdig doen, wat Hij te voren aan Paulus op zijnen weg naar Damascus gedaan heeft. Dan zal er een geruis en ene beweging komen onder de verdorde beenderen. Er zal een adem in hen dringen, zodat zij levend worden, en de beenderen zullen te zamen komen, ieder been bij zijn been; wij behoeven er dus ons hoofd niet mede te vermoeien, hoe een te zamenbrengen van alle 12 stammen mogelijk zal zijn. Is deze geestelijke wederopwekking van Israël, even als de toekomstige opstanding der doden, het werk van enen bepaalden, door God in Zijn raadsbesluit Zich voorbehouden tijd, zo komt het er slechts op aan, of Hij in Zijn woord ons iets daarover heeft willen openbaren: en wat zou dan de plaats (Openb. 12:7 vv.) van den strijd van Michaël met den draak, anders willen zeggen, dan dat op bepaalden tijd en ure Michaël, de aartsengel (Dan. 10:13 en 21; 12:1) voor het volk zal tusschentreden en zijnen aanklager zal werpen uit den hemel, om voor den waarachtigen Hogepriester plaats te maken? en wat zou het dan te betekenen hebben, dat Christus reeds in de dagen Zijner vernedering op een vast bepaalden tijd van Jeruzalems vertreding door de Heidenen heeft gewezen (Luk. 21:24), en vervolgens ook uit Zijne hemelse heerlijkheid door Zijnen knecht Johannes dezen tijd nauwkeurig heeft bepaald (Openb. 11:2), zo wij hier op aarde niet mochten weten, wanneer Israëls uur zou geslagen zijn? Het is zeker voor ons, Christenen uit de Heidenen, ene diepe verootmoediging, dat onze tijd nu vervuld is, en onze kerk voortaan niet meer het centraalpunt zal zijn voor het rijk Gods op aarde, maar dat dit zwaartepunt weer naar Jeruzalem zal overneigen. Maar wij zijn toch door Paulus in Rom 11:17 vv. nadrukkelijk genoeg gewaarschuwd, ons niet tegen de takken te beroemen, maar te vrezen, dat wij ook ene zouden worden afgehouwen, en-dit moeten wij toch toegeven-wij merken zo weinig de goedheid en den ernst Gods op; wij zijn er zo welgemoed bij, zelf de hand aan den olijfboom der kerk te slaan, en de takken af te houwen, welke hij heeft voortgebracht; waarom zou God dan niet het recht hebben, de oude takken weer in te enten? Er ligt echter omgekeerd ook een grote troost in, dat de Heere dit voornemen heeft en in korten tijd doen zal. Wat zou er dan van worden, wanneer Hij, die de Heer is in Zijn huis, ganselijk geen welgevallen heeft in de lauwheid, waarmee wij de kerk denken te hervormen, zodat Hij het ganse maaksel uit Zijnen mond spuwt (Openb. 3:15 v.), en nu dengenen, die zich door de twee profeten gekweld gevoelen, vrijheid laat, deze getuigen te doden, en hun lijken op de straten der grote stad te werpen, zodat zij onbegraven moeten liggen, wanneer Hij, die in den hemel woont, er niet voor zorgde, dat na drie dagen en een halven, de geest des levens door God weer in de getuigen kon varen (Openb. 11:7 vv.)? Het opstijgen in den hemel in de wolk, dat de vijanden zien, zal wel niets anders te betekenen hebben dan Israëls verheerlijking, wanneer het gezicht van onzen Profeet aan het volk wordt vervuld en het in zijn aards vaderland wordt teruggebracht. Daar heeft het een groot doel te vervullen, eendeels zijn eigen nog jeugdig geloof te bevestigen, en na de dagen zijner rechtvaardiging in de jaren zijner heiligmaking in te gaan; anderdeels ook het oude Woord (Gen. 12:3): “in u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden”, op nieuw te vervullen. Aan de wereld toch is een leven uit den dode, als vrucht van Israëls wederaanneming beloofd (Rom. 11:15); de onderdrukte kerk zal hier niet anders weer kunnen worden verheven, dan wanneer een nieuwe levensgeest van boven weer tot de volken komt, na de zware gerichten, die over hen komen. De kerk heeft ook hier, zo lang de tijd der heidenen duurde, over ‘t geheel weinig gedaan, opdat de volheid der Heidenen mocht ingaan in het rijk van God, de Heere moet het getal afsluiten voordat het eigenlijk vol is, om Israël niet langer te laten wachten op den tijd der verkwikking van Zijn aangezicht, dan Hij bepaald heeft Het is bovendien eigenlijk niet de kerk, die zendingswerk verricht, het is altijd maar een klein hoopje in de kerk, en alzo is er dan nog ene geheel andere, wel ijverigere en geschiktere zendingsgemeente nodig. Zelfs in de Bijbelverklaringen der gelovige theologie dient er veel toe, om den inhoud van de waarheid der Schrift te bedekken, dan meer om die duidelijk en bepaald is doen kennen. Wat eindelijk de zogenaamde wetenschappelijke kritiek en het hoog geprezene onderzoek eist, doet dikwijls wensen, dat wij er toch eens van bevrijd mochten geraken. Het is een huishoudkundige regel der natuur, om door één middel vele en velerlei oogmerken te bereiken. Zo is de mond gegeven om er het meest geestelijke en het meest lichamelijke werk mede te doen, om er mede te spreken en te eten. Zo weet God de hoogste en laagste dingen door één en hetzelfde werktuig voort te brengen. Hetzelfde geldt ook de Heilige Schrift, zij is gegeven tot een veilige gids en voor de meest dagelijkse dingen des levens, en voor de hoogste belangen der ziel en der eeuwigheid. En toch nog op ene andere wijze is de Schrift zo eenvoudig als veelomvattend. Even als dezelfde hand door hare onderscheidene vingers op een piano of orgel onderscheidene toetsen of klavieren tegelijk aanslaat, en in lieflijken éénklank hun tonen doet horen, zo verenigt de Heilige Geest, bij voorbeeld in dit hoofdstuk, drieërlei waarheid in éénen greep ons voorstellende: de tijdelijke verlossing van Israël uit de verstrooiing, de geestelijke opwekking van den doden zondaar, of de opstanding der ziel en de opstanding onzer lichamen. Wij kunnen het gezicht der doodsbeenderenvallei op al deze toestanden toepassen; in elk geval moeten wij ze bij de uitlegging voor ogen houden. Nu weten wij dat de opstanding van Christus het beginsel is van alle leven, van alle wedergeboorte, en ook van de opstanding des vleses. Dezelfde kracht, waarin Christus zelf opstond, wordt voortgezet in de wedergeboorte, zodat ieder mens, die bekeerd is, deelt in de opstanding van Christus. Omdat nu de mens bij de wedergeboorte de opstandingskracht van Christus in zich ondervindt, is het duidelijk, waarom de Apostel Paulus zich zelven en anderen beschouwt als nog in de zonde en verloren, wanneer Christus niet ware opgestaan. Hij zegt er eenvoudig mede: “Is Christus zelf niet uit de doden opgestaan, zo kan Hij ook geen ander uit den doden doen opstaan. ” Daarom kan ieder bekeerde zeggen: “Ik weet, ik zelf ben getuige dat Jezus uit de doden is opgestaan, want Hij heeft mijne ziel uit den dood opgewekt, en zo ben ik zeker dat Hij het ten laatsten dage mijn lichaam doen zal. ” En gelijk nu ziel en lichaam herleven, alzo zal ook Israëls volk herleven uit den dood door de opstanding van Christus. God, die Zijne eenmaal bezochte plaatsen telkens op nieuw bezoekt, om ze door nieuwe openbaring te heiligen en te verheerlijken, zal ook Israël, dat Hij zo menigmaal bezocht, in de laatste dagen andermaal bezoeken, om, na al Zijne oordelen daarover uitgestort te hebben, het al Zijne ontfermingen te doen ondervinden. Niet minder ligt hierin een bijzonder onderricht voor ieder mens, ten aanzien van de waarachtige bekering, alleszins behartigenswaardig. Hier zien wij, in de eerste plaats, als in ene schilderij, ons voor ogen gesteld, dat wij van nature dood zijn in de zonden en in de misdaden (Ef. 2:1), en dat wij even zo min ons zelven tot een waar geestelijk, Gode welbehagelijk leven herscheppen kunnen, als een dode iets tot zijne herleving kan bijdragen. De mens moge een redelijk en zedelijk wezen blijven, hoe ook anders misvormd en bedorven, en als zodanig verantwoordelijk voor zich zelven en voor al zijn doen, machteloos is hij voor een geestelijk bestaan, en een Ezechiël zelf ziet zich onkundig en onbekwaam om enen doden zondaar tot het leven terug te brengen. De mens heeft wel een oog, maar het is blind voor alle geestelijke onderscheiding, en gesloten voor de rechte beschouwing van God en van zijnen waren toestand; een oor, maar het wordt noch door de lieflijke stem des Evangelies, noch door het donker geluid der wet getroffen; ene tong bezit hij, doch zij vermeldt den lof des Heeren niet, maar spreekt dikwijls zonde en onreinheid uit; het geweten zelfs sluimert vaak of dwaalt, overeenkomstig de blindheid van het verstand; geen wil noch kracht ten goede woont in hem; ten alle tijde is het heersend beginsel, waaruit hij werkzaam is, geneigdheid ten kwade en vijandschap tegen God. Vervreemd zijn wij van het leven Gods, door de onwetendheid, die in ons is, en de verharding onzer harten. Maar hier ontdekken wij dan ook, dat de Heere Zich van middelen bedient, en tevens, welke het zijn, waarvan hij Zich bedienen wil. Het zijn Zijne dienstknechten, welke Hij uitzendt, en gebiedt te profeteren over deze dorre doodsbeenderen. Zij moeten dus niet slechts spreken het woord der waarheid, niet slechts prediken en met luide stemmen uitroepen, maar profeteren, dat is, onder aandrift en leiding des Heeren, als in Zijnen naam spreken en prediken, en op Goddelijk bevel, al is het in de ogen der wereld ene ongerijmdheid, uitroepen: “Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten. ” Het zijn de dienstknechten des Heeren, welke tot de dorre doodsbeenderen moeten roepen: “Hoort des Heeren woord! al wat in dat woord geschreven staat, den vloek der wet, den schrik der eeuwigheid, zowel als de lieflijke lokstem des Evangelies. ” het zijn des Heeren knechten, welke zonder bedenkingen des vleselijken vernufts, zonder menselijke wijsheid, die dwaasheid is, daaraan gehoorzamen moeten, en voor wier rekening de getrouwe behartiging dezer aangelegenheid ligt. En hier ontdekken wij dan ook eindelijk, dat dit werkt niet ongezegend blijft, hoewel zijne eigenlijke en eindelijke bereiking alleen door des Heeren Geest geschiedt. Die God toch, welke Zijne dienaren zendt en beveelt, heeft ook de belofte van levendmaking gedaan, en hare volvoering in Zijne eigene macht gesteld. Maar spreekt de dienaar des Evangelies op Zijn bevel en in Zijne kracht, dan komt er onder de dorre doodsbeenderen van Godswege beweging en geluid; men ziet en bemerkt in de gemeente ene werking als het rammelen der doodsbeenderen, het is niet meer die zorgeloze gerustheid, dat nadenkeloos voortleven, dat achteloos verwoesten van zich zelven en zijne gelukzaligheid, maar nadenken; angst en kommer ontstaat er, onrust en zorg is er in het geweten, en de geluksbegeerte wordt opgewekt. Gaat de Heere voort, dan worden die doodsbeenderen met zenuwen en pezen overtogen en met ene huid overdekt. Trapsgewijze ontwikkelt zich in de misvormde menselijke natuur iets van het oorspronkelijke beeld; allengs worden alle krachten en werkingen wederom hersteld, om aan des Heeren doel te beantwoorden; het zijn niet meer geheel dode mensen, hoewel er de Geest des levens nog gene woonstede in genomen heeft. Maar eindelijk stort de Heere den Geest des levens in volle mate uit, herschept tot kinderen des lichts, doet Christus ene gestalte in ons krijgen, en ons in volle kracht gevoelen, dat wij uit den dood in het leven zijn overgegaan. Alzo is dan de bekering eens zondaars niet door kracht noch door geweld, maar door des Heeren Geest. Wat de mens niet vermag, dat werkt de genade Gods; dat is ons geopenbaard, opdat wij er de noodzakelijkheid van zouden inzien, opdat wij weten zouden, wat de Heere doen wil, en waarom wij dus te bidden hebben, en opdat wij voor ons zelven niet zouden rusten, zonder die levendmakende werking te kennen, waardoor het leven, dat uit God is, in onze zielen gewrocht zij. Onmiddellijk na deze belofte volgt ene nadere bepaling, namelijk dat deze belofte de verenigde twaalf stammen en der éénen koning (den tweeden David, den Messias) geldt. Daartoe moest de Profeet twee stukken hout voor de ogen des volks zodanig ineenvoegen, als een timmerman doet, die twee balken zodanig aaneen last, dat zij een vast geheel uitmaken: als zulk een gelast hout dan geschilderd wordt, kan niemand zien dat het gelast is. De Profeten moesten tot het volk meermalen komen met iets zichtbaars, als met de stukken zelf in hun handen. Waar de tien stammen na hun verplaatsing in Assyrië gedurende het verloop der eeuwen gebleven zijn, daarvan vindt men duizend gissingen maar niets zekers. Slechts enkele godvruchtige families, die misschien altijd in Judea, van wege den waren godsdienst gewoond hadden, vinden wij in het Nieuwe Testament onder de uit Babel teruggekeerde Joden. In elk geval zijn de twaalf stammen na de Babylonische gevangenschap evenmin verenigd onder één hoofd, als Israël als volk onder zijn wettigen Davidischen koning is geworden. Wij hebben derhalve de vervulling dezer belofte nog te goed. God zou een verbond des vredes, een eeuwig verbond met hen maken, door het geloof zonder de werken, doch waaruit de werken voortvloeien. Hij zou hen reinigen van hun drekgoden, en schoon zij sedert de Babylonische gevangenschap gene afgoderij bedreven, zo lang zij den Heere Jezus Christus verwerpen, bedrijven zij afgoderij met het geld en het goed dezer wereld, en dienen zij de ijdelheden des levens, welke bij God niet anders zijn den drekgoden. Voorts zou Gods tabernakel bij hen zijn. Daarmee wordt gezegd: dat de tempeldienst niet hersteld zou worden, maar God en het Lam hun tempel wezen zou (Openb. 21 en 22). Zo wordt dan door dit zeven en dertigste hoofdstuk van Ezechiëls profetieën het lot der wereld beslist. Wat God eens heeft liefgehad, dat kan Hij een tijd lang aan zich zelven overlaten, maar niet voor altijd verlaten. Het is daarom met Israël als met ene komeet, welke men in vele jaren, ja soms gedurende eeuwen niet zien kan, doch ziet! op eens, daar komt zij weer. Ja, de bekering van Israël is onmogelijk, en onze opstanding uit de doden is het ook, doch juist dit wil God ons door dit gezicht van Ezechiël leren, evenals een kind, juist door ene zaak te willen doen, die het niet tot stand kan brengen, tot de ondervinding komt, dat hij het niet doen kan. De Schrift leert van Israël en van ons zelven, eerst de dood en daarna het leven, het leven uit den dood. Israël, Jeruzalem, het heilig land, ligt in den dood, maar om weer op te staan. Bij God is daartoe de wil en de macht, en Hij belacht de dwazen, die Hem dien wil en die macht ontzeggen. Hij zal ze eenmaal tot sidderende (mocht het zijn tot aanbiddende) getuigen stellen van Zijne wonderen. Israël heeft niets minder nodig dan zulk ene opstanding, want alle andere voorrechten baten hem niets zonder zijn Messias, deze is zijn leven, en zonder Hem kan hij niets anders zijn dan in den dood. Tegenover het onmogelijke der zaak staat het woord der Schrift: “Alle dingen zijn mogelijk bij God. ” Wee onzer, zo wij niet geloven tegen alles aan wat ook onze zielsbehoudenis tot ene onmogelijkheid maakt. Er is bij den Heere ene opeenstapeling van onmogelijkheden, opdat het geloof geoefend worde om evenwel de vervulling van Gods belofte te verwachten. God is getrouw, ook jegens Israël. Doch indien wij het herstel van Israël slechts geestelijk moeten verstaan, dan is geheel dit volk slechts ene figuur, een zinnebeeld, ene schilderij, en zijn de Joden niet meer dan figuurlijke personen, die ons evenals in ene parabel, moeten leren wat waarheid is. Neen, Israël is een wezenlijk volk, en al wat aan dat volk gedreigd en beloofd is, heeft ene wezenlijke vervulling. Doch het volmaakte is niet in het begin, maar in het einde. Eerst het leven, dan de dood, daarna het herleven. En zien wij nu niet op den enkelen Jood, die ons op den weg voorbijgaat, maar op geheel dat volk in zijne nationaliteit, historie en actualiteit of tegenwoordige houding en toestand, ja dan moet ik zeggen: de dorre beenderen, die zo lang stil lagen, beginnen zich te bewegen. Vergeten wij niet, dat hoe nader men tot Christus staat, hoe langer men in den dood moet blijven, ja, maar ook hoe heerlijker de opstanding is. De Heere had Jaïrus dochtertje nooit gezien, en Hij wekte haar op, terwijl zij nog op het bed lag. Hij had den jongeling te Naïn ook nooit gezien, en Hij wekte hem op, terwijl hij nog op de baar lag. Maar Lazarus, dien Jezus liefhad, wekte Hij eerst op uit het graf, na er vier dagen in gelegen te hebben, toen zijne eigene zuster niet meer van hem weten wilde. En nu, wij herhalen wat wij reeds zeiden: De opstanding van den Heere der heerlijkheid zelf is de grondslag en het beginsel van alle de nog te verwachten opstandingen in heerlijkheid. Ja, opstanding uit de doden is het grote einde van alles. Eerst staat Christus op, dan staan de zondige zielen op; ten laatste staan allen op. Het eerste punt (de opstanding van Christus) is het middelpunt, het brandpunt, en rondom dit punt lopen kringen zonder ophouden; ook lopen rondom deze opstanding van Christus de drie genoemde opstandingen tot aan het einde, als wanneer alles is opgestaan. En zie nu op Israël. Het heeft ongeveer zijn getal, zijne hoeveelheid als volk, gedurende de verstrooiing behouden. Het bestaat uit vijf, zes millioen mensen, of iets meer, want de tellingen zijn verschillend; doch het getal is niet groot. Het kenmerk van een familie- of broedervolk is gebleven. Het breidt zich niet meer uit, het conserveert zich enkel. Overal in de wereld zijn de Joden burgers, en toch is het een volk, onvermengd en onvermengbaar met de volken. Ook staat bij Israël alles in dezelfde evenredigheid. Zijne zonde staat in evenredigheid met zijn oordeel, en met zijn oordeel zijn herstel. Daarom draagt Israël, met de belofte van God, het zaad ener nieuwe wereld, in zich. Israël heeft geleefd, is gestorven en zal weer opstaan. Nu, men kan dan ook geen vier duizend jaren oud worden, zonder een tijd lang neer te liggen en te rusten. Ons leven is ook geen gedurig voortleven en voortwerken, maar ene gedurige vernieuwing en opstanding; men gaat des nachts slapen en staat des morgens weer op. Doch in de historie is er voor een volk niet, gelijk voor den enkelen mens, ene lieflijke rust, een natuurlijke slaap; maar een nederliggen in den dood in marteling en lijden naar het lichaam en een nederliggen in den dood naar de ziel. Israël getuigt dan ook wel in zijne gebeden, dat het dood is en dat het herleven zal, doch het gelooft niet in Hem, die zijn Leven is, Christus! Ja, zo onafscheidelijk is bij dit volk het denkbeeld der opstanding uit de doden en het denkbeeld Gods, dat de Joden alle dagen God aanspreken met dezen titel: “God onzer vaderen, die de doden levend maakt” Is niet de cirkel des bestaans reeds in de natuur: leven, sterven, herleven? De zon gaat op, gaat onder en gaat weer op. In de Schrift is het niet anders; daar lezen wij van verkiezing, verwerping en wederaanneming. En zo staan wij dan met Israël voor die ontzettende wereld, welke nederligt in den dood, maar die op het punt staat van te herleven. Ook het land van Israël is tevens als een lijk in het graf, dat bewaard wordt tot den dag der opstanding. Doch hoe duidelijk worden de profetieën, nu de tijden der vervulling naderen! God werkt altijd door gebeurtenissen. En ziet nu, hoe de graven opengaan! Ene nieuwe wereld wordt ontdekt, een leven uit den dood! Ninevé is begraven geworden als een mens, en gelijk een mens opstaat uit den doden, zo staat ook Ninevé op. God gebood haar op te staan, om te getuigen, dat de profetieën waar zijn, als zei Hij met zo vele woorden: “Sta op Ninevé! en zeg dit ongelovig geslacht, dat Ik weer uit het graf kan doen opkomen wat er duizende jaren in begraven lag, en getuigt gij, opgegraven stenen, den wederhorigen, die het levend getuigenis van Mijn woord niet willen aannemen, dat Ik door den mond der Profeten gesproken heb!” Treffend, niet waar, dat de gedenktekenen der profetische oudheid thans de museums der machtigste en grootste volken moeten vullen. Welnu, Ninevé zelf is de profetie, dat al het oude zal herleven, maar niet in den ouden vorm. De oude zaken komen wel weer voor den dag, doch niet in haar vorm, maar in haar wezen. De opstanding is het nieuwe leven uit den ouden zaadkorrel; doch de opstanding zelf is zo waarachtig, dat God het niet alleen bewijst in de opstanding van steden, maar zelf met die steden de grote opstanding begint. Ja, dit zal zo voortgaan, totdat het paradijs weer zal gezien worden en het Jeruzalem Gods weer op aarde hersteld zal zijn (Openb. 21 en 22). Heerlijk beeld van wat God in Christus talloze malen gedaan heeft en nog onder ons werkt. Zo vaak een zondaar uit zijnen doodslaap één met den Levensvorst werd, herhaalde zich onder talloze vormen in den grond hetzelfde verschijnsel. Wij zijn dan in zeker opzicht dezelfde, maar toch ook geheel anders geworden en groter dan de afstand tussen het graf en de wieg is het onderscheid, dat tussen den ouden mens buiten Christus en den nieuwen mens in Hem bestaat. Vroeger het oog afgewend van God, van zich zelven, van de toekomst, thans de ogen geopend om God en mens, leven en dood, aarde en hemel in het aangezicht en in het hart te staren. Vroeger hard en koud voor den broeder, thans in liefde tot allen ontgloeid, die met ons door éénen Geest zijn geleid en tot ene hope geroepen. Vroeger den voet op den breder weg van zelfzucht en lust, thans den tred op het smalle spoor van zelfverloochening en hemelsgezindheid gericht. Ziet zo aanschouwt de nieuwe mens wat de oude voorbij zag, zo kan de nieuwe mens wat de oude te zwaar vond, zo geniet hij wat hij eenmaal versmaadde, en haat wat hij vroeger beminde. Achter hem ligt het tijdperk van machteloosheid, van moedeloosheid en van liefdeloosheid, vóór hem een leven van kracht en moed, van liefde en reinheid. Hij heeft andere vrienden en andere vijanden dan immer te voren; de onbekende God van voorheen is thans de vriend zijner ziele, de geliefkoosde zonde van weleer is thans de schrik van zijn hart. Ene nieuwe levensvreugd leert hem kennen: Het doen van Gode heiligen wil. Een nieuw levensdoel zweeft hem voor: de verheerlijking Gods in woorden en werken; een nieuw levenseind lacht hem tegen: het einde der rechtvaardigen, die den dood als bevrijder begroeten. Verstand en gevoel, wil en verbeelding, geweten en wandel, het wordt alles, alles door den Geest des levens verlicht, vernieuwd, geheiligd, bekrachtigd. En nu, maar ook nu alleen wordt het leven hem schoon, het lijden het sterven hem zalig. Geest der vernieuwing gene lentelucht zo bezielend als Gij! .
Wijders geschiedde in onmiddellijk verband met dat in vs. 11 vv. en de betekenis van hetgeen het ganse huis Israëls daar wilde zeggen, des HEEREN woord tot mij, zeggende: Aan “het ganse huis Israëls” had vs. 11 de opstanding en door deze de volmaking beloofd; reeds in deze woorden: “het ganse huis Israëls” lag ene belofte, want één geheel was Israël in den laatsten tijd niet geweest, en was het nog niet. Dat kort en afgebroken moment in de vorige voorzegging had nog nadere ontwikkeling nodig, welke in het volgende woord Gods wordt gegeven.
Gij nu, mensenkind! neem u in de eerste plaats een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijne metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het ganse huis Israëls, zovele stammen als er nog tot de tien behoren, zijne metgezellen 1).
Hier wordt beloofd, dat Efraïm en Juda gelukkig zullen verenigd worden in broederlijke liefde en wederzijdse gedienstigheid, zodat er ene verdere neiging tussen hen zijn zal, en, niettegenstaande hun oude verschillen, die tussen hen geweest waren, zij zouden overeenkomen om elkaar lief te hebben en elkaar goede diensten te doen. De zin was dan ook dat zij zouden worden één volk. Zij zouden geen afzonderlijke belagers hebben, en bijgevolg hun genegenheden niet verdelen. Daar zal geen wederzijdse jalouzie zijn noch afkerigheid, geen gedachten zelfs van hun vorige onenigheden. Zij waren twee houten geweest, die elkaar dwarsboomden en belemmerden, ja die elkaar sloegen en stietten, maar nu zullen zij één worden, elkaar ondersteunende en sterkende.
Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander, tot een enig hout; en zij zullen tot één worden in uwe hand, terwijl gij ze vast verbonden met elkaar in uwe hand houdt. Het schrijven van de namen der stammen, die de beide rijke vormen, herinnert aan ene dergelijke handeling van Mozes in Num. 17; de handeling zelf is echter hier ene andere. Men mag noch aan staven, noch aan tafels denken, maar eenvoudig aan stukken hout, waarop men enige woorden kon schrijven, en die men in ene hand kon zamenvatten. Dat Ezechiël op het ene hout behalve Juda nog “de kinderen Israëls, zijne metgezellen” moest schrijven, heeft daarin zijne reden, dat tot het rijk van Juda behalve den stam van Juda nog het grootste gedeelte van Benjamin en Simeon, de stam van Levi en de in verschillende tijden uit het rijk der tien stammen naar Juda verhuisde vrome Israëlieten (2 Kron. 11:13 vv. 15:9; 30:11 en 18; 31:1) behoorden, die metgezellen van Juda waren en werden. Op het andere hout wordt de naam van Jozef vooraan geplaatst, omdat op dezen de eervolle plaats van Efraïm en zijne gelijkstelling met Juda berustte. Dat deze in Egypte begonnen is, zien wij uit den zegen van Jakob (Gen. 49:22 vv.). Het hout wordt echter toch aan Efraïm toegeschreven, omdat deze in werkelijkheid aan het hoofd der 10 stammen stond. De zegen, welke nu op het rijk van Efraïm zal rusten, komt veel beter overeen met den naam van Jozef, wiens naam zelf aan zegen herinnert, dan met Efraïm, wiens naam aan de zonde van het volk herinnert.
En wanneer de kinderen uws volks, voor wier ogen gij de zo even u gebodene handeling moet volbrengen, tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn (vgl. Hoofdst. 24:19)?
Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, in zoverre aan dezen stam de leiding in het huis van Jozef was gegeven, maar met zijn overwicht ook de scheiding der beide rijken was te weeg gebracht, en van de stammen Israëls, zijns metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen één worden in Mijne hand.
De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen, terwijl gij in woorden deze belofte hun verkondigt, in uwe hand zijn voor hunlieder ogen, opdat zij in de beide verenigde houten een zichtbaar onderpand hebben voor de toekomstige verwezenlijking der profetie.
Spreek dan tot hen, en neem den gehelen inhoud Mijnen profetie, waarover dit hoofdstuk handelt, nog eens te zamen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der Heidenen, waarhenen zij getogen zijn (Hoofdst. 36:24), en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land; De Profeten verkondigen, dat de Joden ook na hun bekering nog een afgezonderd, van anderen onderscheiden volk en rijk zouden uitmaken; zij zouden dan voor de overige volken een voorwerp der grootste verwondering zijn, en ene aanleiding, om de almacht en trouw van den waren God te erkennen. Verenigden zich daarentegen de Joden in hun verstrooiing, zonder in hun oude land teruggevoerd te worden, met de Christelijk kerk, zo zouden zij spoedig met de heidenchristenen vermengd zijn en onder hen verdwijnen; zo bleef de profetie onvervuld. Daar nu echter volgens den duidelijken inhoud der laatste de Joden weer een volkslichaam zullen uitmaken, en omdat dit toch ergens ene plaats vinden moet, waarom zou het dan niet het heilige land zijn, waaraan de Profeten evenzo dikwijls en uitdrukkelijk deze bestemming toeschreven?
En Ik zal ze maken tot aan enig volk (Hos. 1:10 v. (Jer. 3:18 v.) in het land, op de bergen Israëls, waaraan de belofte in Hoofdst. 36 gegeven is; en zij zullen allen te zamen a) enen enigen Koning tot koning hebben (Hoofdst. 34:23); en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan ooit meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
Joh. 10:16.
En zij zullen zich niet meer verontreinigen 1) met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; al hun oude zonden zullen zij als het ware in het buitenland achterlaten, om een geheel nieuw leven in heiligheid en gerechtigheid te beginnen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn 2) (Hoofdst. 36:28 v. (Jer. 24:7).
Merk hier aan: wanneer een zonde oprechtelijk verlaten wordt, dan worden ook alle zonden verlaten; want hij, die de zonden als zonde haat, zal alle zonden haten. En zij, die genezen zijn van hun geestelijke afgoderij, hun onmatige genegenheid voor de wereld en voor het vlees, die niet langer een god van hun geld of hun buik maken, hebben een gelukkigen slag gegeven in den wortel van alle hun overtredingen.
Ook in vs. 27 wordt dit woord gevonden. Het verdeelt de gehele belofte in twee delen en elk lid bevat ene dubbele toezegging, Het eerste (vs. 21-23 belooft a) de vergadering der Israëlieten uit de verstrooiing, hun terugvoering in hun land en hun vereniging tot een volk onder Davids bestuur; b) hun reiniging van alle zonden en heiliging tot een waar volk des Heeren; het tweede (vs. 24-27) belooft a) het ongestoord eeuwig wonen in het land onder hunnen vorst David; b) de zaligmaking daarvan door het sluiten van een eeuwig verbond des vredes. De tweede belofte vormt vervolgens de volmaking der eerste, daar zij aan Israëls volk zijne herstelling en heiligmaking voor altijd verzekert; de gehele belofte is echter slechts ene herhaling der in Hoofdst. 34:11-31 en 37:22-28 gegevene toezeggingen.
En a) Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen éénen Herder hebben; en zij zullen in Mijne rechten wandelen, en Mijne inzettingen bewaren en die doen (Hoofdst. 34:23 v. 36:28).
Jes. 40:11. Jer. 30:9. De Profeet wijst aan, hoe nu die genadegoederen terugkeren, wier verlies zich het volk door zijne scheiding zelf veroorzaakt heeft. Gods genade is groter dan der mensen zonde, dus in nog veel hogeren graad, dan die in de vroegere dagen geweest is, zal de zegen, welken het volk zo snood van zich heeft gewezen, terugkeren. De Heere had twee pilaren des heils onder het Oude Verbond opgericht; zij zijn het Davidische koningschap en het heiligdom. Beide, nauw te zamen hangende, had het volk vermetel aangetast en verworpen, hetgeen in de splitsing van het rijk duidelijk zichtbaar werd. In nieuwe, verheerlijkte gedaante zullen dan de beide oude kanalen, door welke het volk zijn heil en leven ontvangt, daar staan als frisse, nooit uitdrogende levensbronnen van Goddelijke genade en trouw. Eenheid van het koningschap moet bovenal aan het volk worden gegeven. Deze eenheid behoort toch wezenlijk tot de waarheid van het koningschap, in zoverre het daar moest staan als waarlijk Jehova vertegenwoordigende, en alzo op Goddelijke verkiezing berustte. De verbreking van deze eenheid was tevens ene losmaking van Jehova, en had ene menigte van zonden en gruwelen onveranderlijk ten gevolge. Jehova verkiest geen nieuw geslacht; het behoort tot de idee der Goddelijke trouw en onveranderlijkheid, dat de beloften, welke eens op Davids geslacht rustten, volkomen tot vervulling kwamen. Juist tegenover de verwerping van David door de steden van Efraïm zal een hem passend waar Knecht van God de eeuwige Herder des volks zijn, en zo zullen aan dezen ook de oude, reeds aan Jakob gegevene toezeggingen Gods heerlijk worden vervuld.
En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben; ja daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kinds kinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder vorst zijn tot in eeuwigheid.
En Ik zal aan a) verbond des vredes met hen maken, het zal aan eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze in goeden welstand (Hoofdst. 34:25 vv.) inzetten, en zal ze vermenigvuldigen(Hoofdst. 36:10 v. 37), en ik zal Mijn b) heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid (Hoofdst. 40:1 vv.).
(Ps. 89:4. b) 2 Kor. 6:16. Door de scheuring van Israël was verder de eenheid des heiligdoms verstoord, en meer dan door al het andere had het volk zijn afval van God bevestigd. De nieuwe samenbrenging des volks geschiedt op nieuw om een gemeenschappelijk middelpunt, ene nieuwe openbaring in het midden van Israël. Het zou hier verkeerd zijn te vragen, of de Profeet een uitwendig of een zuiver geestelijk heiligdom bedoelde. Hij spreekt zich noch voor het ene noch voor het andere bepaald uit. De begrippen uiterlijk en innerlijk staan in het Oude Testament geenszins in die sterke, abstracte tegenstelling tegenover elkaar, dat men ook hier bepaald voor een zou kunnen beslissen, integendeel vloeien beide op ‘t nauwst in elkaar, en doordringen elkaar wederkerig. Ene geheel andere vraag is het daarentegen, hoe de Profeet zich de verhouding van dit heiligdom tot het Oud-Israëlietische denkt. Het antwoord is: als nieuw, pas gesticht, veel verhevener, waarin het wezen volkomen met de openbaring, met den vorm overeenkomt. Dit blijkt duidelijk uit vs. 26, daar a) het heiligdom op ene nieuwe verbondsbetrekking van Jehova met Israël moet rusten, het de heerlijkste vrucht daarvan is, en hoe inniger de betrekking is, waarin God in dit verbond tot het volk treedt, des te rijker moet ook de volheid van genadegiften zijn, welke alsdan van de plaats Zijner openbaring uitstroomt; b) de schare dergenen, die zich om dit heiligdom vergaderen, is groot; zij is ene door God zelven vergrote schare, die in dat nieuwe verbond staat en zich vast daarvan houdt: c) eindelijk onderscheidt zich het nieuwe heiligdom werkelijk van het oude door zijn duur, want terwijl het oude vergankelijk was, is het nieuwe onvergankelijk. Dat God Zijn Tabernakel en naderhand Zijn tempel onder Juda had, was een teken en onderpand van Zijne tegenwoordigheid onder hen, en bescherming over hen, zodat deze uitdrukking kan betekenen Gods bijzonderen gunst en bescherming. En dewijl de Tabernakel en Tempel voorbeelden geweest zijn van de Christelijke Kerk, en van elk gelovige in het bijzonder, zo wordt daardoor ook aangeduid, dat God Zijn kerk volgens het Nieuwe Verbond, dat is de Evangelie Kerk onder het Joodse volk zou oprichten bij de komst van den Messias, en met Zijn Geest en genade in dezelve, en in elk lid zou wonen, wanneer het Woord zou vlees geworden zijn en onder ons tabernakelen. (ENGELSE GODGELEERDEN).
En de Heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, die Israël heilige 1) (Hoofdst. 36:36), als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid 2).
De gevolgen der wonderbare openbaring Gods in Israël worden in vs. 27 naar het inwendige, in vs. 28 naar het uitwendige beschreven. Het volk mag zich nu in ene zeer bijzondere bescherming Gods verheugen, het nieuwe heiligdom is de sterkste borg van de even zo grote waarde als eeuwigen duur der gemeenschap met God. De heidenwereld verneemt echter met verwondering, wat grote dingen de Heere kan verrichten, wanneer Hij Zich in de volheid Zijner heiligheid onder het volk openbaart, en zich daaraan als de heiligende God in de volkomenste mate vertoont. Het is duidelijk dat de Heere hier spreekt van de geestelijke zegeningen, welke het Israël Gods zal genieten. Want wel wordt er gesproken van een heiligdom in het midden van hen, maar dat doelt niet op een heiligdom met handen gemaakt, niet op een plaatselijk heiligdom of tempel, maar op de geestelijke zegeningen, welke, tengevolge van de komst van den Messias, zullen gesmaakt worden. Als straks de Messias zal gekomen zijn, als het Woord zal zijn vlees geworden, dan zal ook Israël delen in de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond. En al wie den Christus Gods zullen worden ingeplant, wie lidmaat zullen worden van het geestelijk heiligdom, dat is van de Kerk, die zalig wordt, die delen zullen in de mystieke vereniging met het lichaam van Christus. zullen ervaren dat God hun God, en dat zij Zijn volk zullen zijn. Van een herbouwen van een aardsen tempel aan het einde der eeuwen is hier geen sprake.
Hier wordt Israëls bijeenvergadering duidelijk en klaar voorspeld. Evenwel zullen niet alle Israëlieten zich in hun land vergaderen, maar slechts een heilig overblijfsel der thans onder alle natiën en hemelstreken levende Joden. Vele Joden zijn ongelovig, en zullen eenmaal aan het anti-christendom deelnemen, zo als de Heere zegt Joh. 5:43 : “Mij neemt gij niet aan, zo een ander komt in Mijnen naam (de Antichrist), dien zult gij aannemen. “Uitdrukkelijk zegt de Profeet ook, dat insgelijks de tien stammen zich verzamelen zullen, die nu meer dan twee en een half duizend jaren in de hoog gelegen streken nabij Eufraat en Tigris verstrooid gevonden worden, van welke evenwel velen in den bloeitijd der Morgenlandse kerk op de prediking der van Jezus tot hen gezondene Apostelen en Evangelisten zich tot hunnen Gezalfde en Heiland bekeerd hebben. Nakomelingen van al de twaalf stammen zullen dus verzameld worden, en tot één koninkrijk verenigd, het beloofde land bewonen. Deze verdediging wordt door de verbinding der beide houten, waarop de namen der stam-opperhoofden Juda en Jozef staan aangeduid. De enige Koning, die hen beheersen zal, is in den hoogten zin, Christus, in voorspelling onder het beeld van David voorgesteld, die met zijne heiligen ook zichtbaar aan de spits der natiën zal staan (Dan. 7:27; 2:44; Openb. 20:6), ofschoon de volken ook nog menselijke koningen hebben. De uitwendige aanleiding tot der Joden terugkeer in het erfland hunner vaderen geeft de Profeet hier niet op, daar hij niets aangaande den toestand der volken, onder welke Israël verstrooid is, voorspelt. De oproeping van Christus aan Zijn volk, om zich te Jeruzalem te vergaderen is bij Jesaja (48:20; 52:11) en bij Jeremia (50:8; 51:7 en 45) voorzegd; en deze oproeping doet Jezus zelf met de woorden der oude profeten in de Openbaring (18:4) aan Zijn volk horen: “Gaat uit van Babel o Mijn volk, opdat gij aan hare zonde gene gemeenschap hebt, en van hare plagen niet ontvangt, Daardoor wordt de tijd van de bijeenverzameling der Joden uit Babel, of de afvallige Christenheid van Europa in den tijd geplaatst, waarin de Antichrist met behulp der tien als koningen, of van de tien voorstanders der Europese volksheerschappijen, door ene staatsgreep de macht in handen gekregen heeft, en daardoor aan het hoofd der koningen van den opgang der zon staande, heer van Europa en der aarde wordt. Eer hij alzo zijne werkzaamheid als Anti-christ, heiligen-moordenaar, brandstichter en verwoester van Europa begint, zullen de Joden, om zich voor hem in vrijheid te stellen, naar hun land vertrekken. De Joden zullen voor zovelen zij uit de waarheid zijn, den Antichrist niet aanbidden en zich gedwongen zien, wanneer zij niet omkomen willen, naar het land der belofte te vluchten. Op zijn eersten tocht naar het Morgenland (Dan. 11:40-43) zal de Antichrist Azië veroveren en ook in Kanaän komen en het door den val der Moslim-wereld voor de inbezitneming voor de Joden, zonder het te weten en te willen, toegankelijk maken (Dan. 11:41). Wanneer alzo Jeruzalem vrij is en de veroveraar als Antichrist naar Europa komt, dan zullen de Joden in allerijl optrekken, zovelen de Geest van Jehova daartoe opwekt. Wanneer zij dan tot hun erfgrond zullen zijn teruggekeerd, terwijl Apollyon en Abaddon het Avondland in ene woestijn verandert, zal hij zulks ten laatste vernemen, en met zijne koningen van den opgang der zon en de tien koningen van den ondergang der zon, die allen tot zijn gevolg behoren, vergezeld van de schare der valse profeten, den groten veldtocht ondernemen, welken de Ziener in zijne voorspelling van Gog ons zo indrukmakend voor de aandacht plaatst.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel