23 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Herleving onder de Joden

Herleving onder de Joden

En ik profeteerde, zoals Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heer. Ezechiel 37:10

Sinds de tijd van de kerkvader Hiëronymus wordt dit visioen gelezen als een beschrijving van de opstanding. En inderdaad kan het op deze wijze worden toegepast. Wat een beeld van deze grote dag roept dit visioen voor ons geestesoog op! We zien bij het lezen als het ware het grote leger van dode mensen tot leven komen. Er wordt een zeer toepasselijke vraag bij een graf gesteld: ‘Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden?’ Kijkend in een donker graf, of bij het zien van een grafdelver die oude botten opgraaft, kan ongeloof de vraag oproepen: ‘Kunnen deze beenderen leven?’ Het geloof kan geen beter antwoord geven, dan dit: ‘O, Heere God, U weet het.’

Hoewel deze interpretatie van het visioen een juiste toepassing kan zijn, zal het voor ieder weldenkend mens duidelijk zijn dat het niet de eigenlijke strekking van de passage is. Ezechiël maakt geen toespeling op de opstanding. Dat onderwerp valt ook buiten het thema dat de profeet hier behandelt. Hij denkt hier net zo min aan de opstanding als aan het bouwen van de Sint Pieter in Rome of de emigratie van de Pelgrimvaders! Het onderwerp van de opstanding is vreemd aan de strekking van dit hoofdstuk en kan niet in de gedachten van de profeet zijn opgekomen. Hij sprak over het volk Israël. Hij profeteerde over hen. En ook uit het spreken van God Zelf wordt duidelijk dat de profetie over hen, en over hen alléén, gaat. Want Hij zegt: ‘Deze beenderen zijn het ganse huis Israëls.’ Het visioen gaat niet over alle mensen, of over sommigen die zullen opstaan uit de doden. Nee, het visioen gaat heel direct het volk van Israël aan.

Deze profetie is ook vaak, terecht, gebruikt om de herleving van de vervallen kerk te beschrijven. Het visioen kan worden gelezen als een beschrijving van de kerk die lauw geworden is en geestelijk gevoelloos. Bezorgd kan dan worden gevraagd: ‘Kunnen deze beenderen leven?’ Kan die ingezonken predikant weer opvlammen met nieuwe kracht? Kunnen deze koude ambtsdragers weer heilig vuur uitstralen? Kunnen deze onverschillige leden tot een heilig leven van zelfopoffering komen? Kan deze vermoeide kerk werkelijk oprecht worden?

Zulke bedenkingen kwamen bij velen boven in de tijd van de Reformatie. Het leek onmogelijk dat er geestelijk leven zou terugkeren in de kerk, waarin het pauselijk gezag de dienst uitmaakte. Godsvrucht scheen dood en begraven. Klooster en kerk, bijgeloof en dwaalleer, hadden als enorme graven al het goede opgeslokt. Maar de Heere verscheen aan Zijn volk. Hij bracht de waarheid die begraven was, weer uit het graf. Opnieuw werd Zijn Naam bekend in de gehele wereld. De Naam van Jezus Christus werd verkondigd en de rechte leer werd gepreekt!

Zo was het ook in ons eigen land. De hoofdstroom van de kerk en die daarvan waren afgescheiden, waren vervallen in geestelijke doodsheid. De vraag was aan de orde: ‘Kunnen deze beenderen leven?’

Maar de Heere gaf Whitefield en Wesley. Zij profeteerden tegen dode botten en ze werden levend. Ze werden vol van de Geest van God, ‘een gans zeer groot heir’. Laten de inwoners van Kingsdown en de menigten van Kennington Common de helende kracht van de Naam van Jezus verkondigen! Vervallen kerken kunnen tot herstel komen door de prediking van het Woord, daarbij vergezeld van de hemelse adem uit de vier winden. ‘O Heere, zend ons zulke opwekkingen, want vele van Uw kerken hebben die nodig. Ze zijn bijna zo dood als de lichamen die er rondom in de kerkhoven rusten.’

Hoewel we erkennen dat dit een juiste toepassing is van de tekst, zijn we er toch van overtuigd dat het niet de oorspronkelijke boodschap is. Het zou geheel vreemd zijn aan het denken van de profeet om te spreken over het herstel van vervallen ijver en het aanwakkeren van tanende liefde. Hij dacht niet aan de reformatie van Luther of van Whitefield of aan het herstel van de ene of de andere kerk. Nee, hij sprak over zijn eigen volk, zijn eigen mensen, zijn eigen stam. Hij zal zeker zijn eigen gedachten hebben gehad en geleid door de Heilige Geest geeft hij een verklaring van het visioen. Dat is niet: ‘Zo zegt de Heere, Mijn dode kerk zal levend worden’, maar: ‘Ik zal Mijn volk uit het graf doen opstaan en terugbrengen naar Israël.’

Deze tekst is ook van veel waarde geweest om gelovigen te troosten in donkere dagen. Wanneer ze de troost missen en hun hoop is vergaan, zoals bloemen die zijn verwelkt, worden ze door deze tekst eraan herinnerd dat God hen weer zal opzoeken in genade en goedheid. Dat de dode beenderen kunnen leven en zullen leven. Dat Gods Geest opnieuw wordt uitgegoten over Zijn volk. Zelfs in een tijd waarin ze alle hoop zouden opgeven en neerliggen in ellende, is Hij bij machte hen te verlevendigen. Bevende lafaards zullen op die manier veranderd worden in soldaten van God. Ze zullen stevig staan als een zeer groot leger! Geen graf of leed kan de onsterfelijke vreugde van een gelovige doen vergaan. Op de derde dag zal zij herrijzen, want evenmin als de Heere Die haar gaf, zal zij verderving zien! Bot bij bot zal de troost gaan herleven en in uw ziel zal een immense vreugde leven.

Dit tekstgedeelte kan zeker, zonder het geweld aan te doen, op deze wijze worden toegepast. En zo levert het dus veel blijdschap op voor Gods volk. Toch zeg ik opnieuw dat dit niet de strekking is van de boodschap van de profeet. Hij dacht aan zijn eigen volk, aan zijn broeders naar het vlees.

Nogmaals, er is geen twijfel dat wij in dit gedeelte een kernachtig beeld vinden van het herstel van dode zielen tot geestelijk leven. Van nature zijn alle mensen als deze dorre beenderen in het dal. Het geestelijk leven is verdwenen, het sap en merg ervan zijn uitgedroogd. De menselijke natuur is niet alleen dood, maar net als de zongebleekte beenderen heeft zij elk spoor van goddelijk leven verloren. Wil en kracht zijn verdwenen. Ongestoord regeert de geestelijke dood.

Toch zullen de dode beenderen leven! Onder de prediking van het Woord kunnen de grootste zondaren worden ingewonnen, de meest verharden gewillig worden gemaakt en de onheiligsten wor- den geheiligd. Als de heilige ‘adem’ van de vier winden blaast en de Geest van God afdaalt om het Woord te bevestigen, zullen als op de Pinksterdag, als een groot leger, menigten van zondaren de Heere hun God prijzen.

Maar, let op, dit is niet de eerste en meest geëigende toepassing van de tekst. Het is niet anders dan een zeer opmerkelijke parallel met wat in dit gedeelte beschreven wordt. Het is niet de zaak zelf, maar wel vergelijkbaar. Want de wijze waarop de Heere een volk levend maakt, is zeer vergelijkbaar met hoe Hij een enkel mens doet leven. De wijze waarop Israël wordt gered, is dezelfde als die waarop een enkele zondaar zal worden gered. Maar dat laatste is toch niet waarover de profeet spreekt. Hij richt zijn blik op de menigte van Israëlieten, op hun heerlijk herstel en heilige opstanding.

De eerste en voornaamste bedoeling van Ezechiël was om over hen te spreken. Hoewel het niet verkeerd is om een Bijbelgedeelte in de meest ruime zin toe te passen, acht ik het verraad aan Gods Woord om de eigenlijke bedoeling van een tekst te negeren en onmiddellijk over te gaan tot een afgeleide toepassing van het gedeelte. De prediker van Gods waarheid moet niet voorbijgaan aan de bedoeling van de Heilige Geest. Met zorg moet hij ervoor waken dat die bedoeling niet naar de achtergrond verdwijnt. De voornaamste boodschap van een tekst, de boodschap van de Geest, moet vooropstaan en al het andere moet eruit voortkomen. Die moet de voornaamste plaats hebben in de samenkomst, luister ernaar als absoluut niet van minder belang dan elke andere toepassing die nog uit de tekst zal volgen. In het licht van de context is de betekenis van onze tekst in de eerste plaats, dat er een politiek herstel zal zijn voor de Joden, voor hun land en hun nationaliteit. Het tweede is dat er in het verlengde hiervan een geestelijk herstel zal zijn, de bekering van de stammen van Israël.

Allereerst is er dus sprake van een politiek herstel voor de Joden. Israël is heden ten dage verdwenen van de wereldkaart. Haar zonen zijn verstrooid, haar dochters wenen aan alle rivieren van de aarde. Haar heilig lied is verstomd. Er regeert geen koning in Jeruzalem. Er zijn geen leiders onder de stammen. En toch zal zij worden hersteld. Opgewekt als van de doden. Als haar eigen zonen alle hoop hebben opgegeven, zal God aan haar verschijnen. Ze zal opnieuw worden samengevoegd. Haar verstrooide botten worden bij elkaar gebracht. Er zal weer een nationale regering zijn met de politieke structuur die daarbij hoort. Een koning zal regeren.

Israël is nu uitgesloten uit haar eigen land. Haar zonen sterven ver van haar heilige kusten, ver verwijderd van het Heilige Land. Maar zo zal het niet blijven, ze zullen opnieuw over haar juichen. Het land zal Beulah genoemd worden, want zoals een jonge man een maagd trouwt, zo zullen haar zonen met haar trouwen.

‘Ik zal u een plaats geven in uw eigen land’, is Gods belofte voor hen. Ze zullen weer wandelen door haar gebergte, zitten onder de druiventrossen en zich verblijden onder haar vijgenbomen.
Ze zullen ook onderling weer verenigd worden. Er zullen niet twee, niet tien, niet twaalf verschillende volkeren zijn. Er zal één Israël zijn dat één God prijst onder één Koning: de Zoon van David, de gekomen Messias. Iedereen zal over haar welvaart horen. Egypte, Tyrus, Griekenland en Rome zullen hun eigen glorie vergeten als ze de heerlijkheid zien die er is in de troon van David!

De dag zal komen dat alle hoge heuvels afgunstig zullen zijn, omdat de Heere déze heuvel heeft verkozen. Het heiligdom in Sion zal bezocht worden door een constante stoet van pelgrims. De vallei- en zullen gejuich laten horen en de bergtoppen zullen druipen van wijn en olie. Als er in woorden een betekenis is, dan is dit de boodschap van dit hoofdstuk!

Ik hoop nooit de kunst te leren om Gods woorden van hun betekenis te ontdoen. Het is duidelijk dat het de letterlijke betekenis van dit gedeelte is dat zowel de twee als de tien stammen naar Israël zullen terug- keren en dat een koning over hen zal heersen. Deze betekenis moet niet weg-vergeestelijkt worden. ‘Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen, waarheen zij getrokken zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en hen bren- gen in hun land; En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israëls; en zij zullen allen te zamen een enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn’ (Ez. 37:21,22).

Ik houd mij niet bezig met theorieën over het duizendjarig rijk en ik speculeer niet over het exacte tijdstip. Ik weet daar niets van en ben niet geroepen om daar mijn tijd aan te besteden. Ik ben geroepen om het Evangelie te prediken en niet om te profeteren. Prijs degenen maar die daar wel de wijsheid voor hebben, maar ik heb de tijd niet om dat inzicht te verwerven. En ik heb geen verlangen om het winnen van zielen in te ruilen voor activiteiten van minder waarde. Ik geloof dat het veel beter is om de waarde van zulke beloften en vooruitzichten krachtig op ons in te laten werken dan om ze van hun glans te beroven door data en schema’s op te stellen. Maar laat dit vooropstaan: als er betekenis is in woorden, dan zal Israël weer worden opgericht.1

Niet tevergeefs zal over Israëls land heerlijkheid schijnen.
En Hij, uw eens verworpen Koning, Messias, zal de uwe zijn.

Zijn verkoren bruid, met Hem bestemd
om over de gehele aarde te regeren,
Zal eerst worden samengevoegd, voordat u zult erkennen de weergaloze waarde van uw Zaligmaker.

Dan zult u, onder de vredige regering van Jezus en Zijn bruid,
Zijn genade en eer verkondigen
over de gehele aarde.
De volken zullen tot u uw heerlijk licht
o Zion, toestromen.
En alle eilanden zullen opmerkzaam wachten om het vreugdegezang te horen.

Het tweede wat we van dit hoofdstuk kunnen leren, is dat er een geestelijke herleving, een bekering, in Israël zal zijn. Zowel de tekst als de context maken dit duidelijk. De belofte is dat ze hun afgoden zullen verlaten en zie, ze hebben dat reeds gedaan: ‘En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden.’ Welke fouten een Jood ook heeft, afgoderij hoort daar niet bij. ‘De Heere onze God is een enig Heere,’ is voor de Jood een duidelijker waarheid dan voor wie ook op aarde, uitgezonderd de christen. De Joodse natie aanbad de beelden niet, maar is nu toch onder invloed gekomen van vreemde tradities en filosofie. Echter, in plaats van deze misleidingen moet er geestelijk leven zijn en liefde tot haar God. ‘Zij zullen Mij een volk zijn en Ik zal hun God zijn.’ De onzienlijke en almachtige Jehova zal door Zijn oude volk aanbeden worden in Geest en in waarheid. Zij zullen komen in de weg die Hij Zelf bepaald heeft en de Middelaar aannemen Die hun vaderen afwezen. Zo komen ze in een verbondsrelatie met hun God: ‘En Ik zal een verbond des vredes met hen maken’ (Ez. 37:26). Jezus is onze Vrede. Daarom zal God dat verbond sluiten, waarvan Christus het Hoofd, de inhoud en de verzegeling is. Ze zullen wandelen in Gods instellingen en bevelen. Zo zullen ze hun vereniging met Christus, Die hun vrede schenkt, in praktijk brengen.

Al deze beloften laten zien dat het volk van Israël zich zal bekeren tot God. En hun bekering is bestendig, want de tabernakel van God zal bij hen zijn. De Allerhoogste zal op bijzondere wijze Zijn Heilig- dom voor altijd onder hen stellen. En al zullen andere volken zich van God afkeren, Israël zal dat niet kunnen, want het is dan werkelijk tot God bekeerd. De harten van de vaderen met de harten van de kinderen zullen bekeerd worden tot de Heere hun God (naar Luk. 1:17). En zij zullen voor eeuwig Gods volk zijn.

Deze twee zaken van politiek en geestelijk herstel vragen dus onze aandacht. Het gaat er niet om te bespreken welke van beide eerst zal plaatsvinden. Beide zullen gebeuren. Laat de Heere Zijn zegeningen schenken naar Zijn orde en wij zullen verblijd zijn als ze komen. Het is voor ons tot troost en vreugde dat deze dingen zeker zullen geschieden en dat Koning Messias Zijn volk op heerlijke wijze zal regeren, zowel in geestelijke zin als op de wereldlijke troon.

We komen nu bij het praktische gedeelte van de preek: de uitwerking van dit herstel. Als het hierover gaat, vragen we ons misschien af: Hoe kunnen deze dingen gebeuren? Hoe kunnen Joden tot Christus worden bekeerd? Hoe zullen zij weer tot een natie worden? Zeker, de zaak is even uitzichtloos als die van de beenderen in het dal! Hoe zullen ze zich afkeren van de wereld? Of hun begeerte naar rijkdom opgeven? Hoe zullen ze loskomen van hun religieuze tradities waarin ze zo vastgeroest zitten? Hoe zal de hardheid van hun hart, waardoor ze de Messias van Nazareth, hun Heere en Koning haten, verdwijnen? Hoe zullen deze dingen zijn?

De profeet zegt niet dat dit onmogelijk is. Zo groot is zijn ongeloof niet. Maar tegelijkertijd is het maar moeilijk te geloven dat deze dingen werkelijk zullen gebeuren. Verstandig genoeg brengt hij deze vraag terug bij God. ‘Heere HEERE, Gij weet het.’ Sommigen van u hebben vanavond veel verwachting van deze belofte. U verwacht de bekering van de Joden wellicht al binnen een maand of twee. Ik hoop dat uw verwachting in vervulling zal gaan. Anderen van ons zijn minder optimistisch en zien de toekomst somberder in. Laten we vanavond samen voor Gods aangezicht komen en zeggen: ‘Heere HEERE, Gij weet het.’ En omdat U het weet, zullen we het geheimenis bij U laten. Maar zeg ons wat wij moeten doen. We vragen niet om stof tot speculeren, maar om werk dat gedaan moet worden. We vragen om in de praktijk te laten zien dat wij van de Joden houden. Wij willen hen tot Christus brengen. De Heere antwoordt Zijn knechten: ‘Profeteer tot deze beenderen.’ Het is dus onze plicht als christenen om tegen de beenderen te profeteren. Dan zullen we zien dat de Heere Zijn beloften vervult als we Zijn woord gehoorzaam zijn.

Ik wil u er op wijzen dat er in onze tekst sprake is van twee soorten profetie. Allereerst profeteert de profeet tegen de beenderen, dat is: preken. Vervolgens tegen de vier winden, dat is: bidden. Het preken levert zijn aandeel, maar het is het gebed dat de doorslag geeft. Want na het gebed tot de vier winden – en niet ervóór – komen de beenderen tot leven. De prediking geeft de aanzet en laat de beenderen bij elkaar komen. Maar het gebed doet het werk, dan brengt Gods Geest hen tot leven! Preken en bidden zijn daarom ook twee toepassingen voor de preek van vanavond en we zullen daar nu op ingaan.

De kerk heeft de plicht en het voorrecht om te preken voor de Joden en voor alle mensen. Daarin mogen we dit visioen als leidraad nemen. Allereerst wat betreft de inhoud. Wat zullen we preken? De tekst spreekt over profetie. En inderdaad zal ieder die de boodschap brengt aan Joden, de profetieën van God duidelijk moeten openbaren. Het komt mij voor dat een van de manieren om Joden te bereiken, is hun de heerlijke toekomst voor Israël voorhouden. Zowel het Oude als het Nieuwe Testament spreekt hierover en voorspelt een heerlijke toekomst voor Israël. Het komt me voor dat één manier om de Joden in het hart te raken zou zijn om hen vaak hieraan te herinneren.

Ieder mens draagt zijn vaderland een warm hart toe. Als je iemand vertelt dat in jouw godsdienstige boek beloften staan, waarin gezegd wordt dat het volk van die ander een grote rol zal spelen in de geschiedenis en de eerste plaats onder de volken zal innemen, zal hij aan jouw kant staan en geneigd zijn met meer instemming te luisteren. Ik raad niet aan, zoals sommigen wel doen, om altijd en overal uit de profetieën te preken, maar het mag wel een grotere plek hebben in het onderwijs aan Joden dan aan anderen.

In ieder geval blijft het belangrijkste van de verkondiging om te spreken over Christus. Onze beste preken, broeders, zijn die preken die vol zijn van Christus. Jezus, de zoon van David en de Zoon van God. Jezus, de lijdende Heiland, door Wiens striemen wij genezen worden. Jezus, Die ons werkelijk kan redden. Hij is de meest

Gepaste voor de heidenen; en omdat God alle harten gelijksoortig maakte, is Hij ook de Edelste voor Joden. Paulus hield van zijn volk en hij wist hoe hij hen het beste kon bereiken om hun vooroordelen weg te nemen. Maar wat hij zegt is: ‘Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd’ (1 Kor. 2:2). Hef dan de Messias hoog op, voor Jood en heiden.

Spreek over de Zoon van Maria, de eeuwige Zoon van God, de Man uit Nazareth, het vlees geworden Woord. God Die Mens werd en onder ons heeft gewoond. Spreek over Zijn geheiligd leven, waardoor Zijn volk gerechtigheid ontvangt. Vertel over Zijn smartelijke dood, waarmee Hij al hun zonden heeft weggenomen. Verkondig Zijn heerlijke opstanding, waardoor Zijn kinderen gerechtvaardigd worden. Over Zijn hemelvaart, Zijn overwinning over wereld en zonde. Kondig Zijn tweede komst aan, waarin Hij Zijn volk de heerlijkheid zal geven die Hij verworven heeft. En Christus Jezus zal, als Hij zo gepredikt wordt, zeker het middel zijn om de beenderen tot leven te brengen!

Laat in al uw preken doorklinken dat het gaat om de soevereine, vrije genade van God. Ik bedacht bij het lezen van dit hoofdstuk, dat van alle preken, deze preek tot dode beenderen, wel de meest calvinistische is. Dit tekstgedeelte is het meest vervuld van vrije genade. Let er maar eens op dat er niet staat: ‘als’, of: ‘maar’, en dat er geen sprake is van een voorwaarde. Ook wordt er met geen woord gerept over de vrije wil. Het is alles in deze trant: ‘Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal de geest in u brengen, en gij zult levend worden. En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en de geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben’ (Ez. 37:5,6). Het is ‘Ik zal’ en ‘gij zult’, vanuit de verbondsbeloften van God. Gods woorden worden gesproken vanuit de gedachte dat de mensen die niet kunnen weerstaan.

Hij zegt niet: ‘Dorre beenderen, leef als u dat wil, het zal gebeuren als u dat wenst.’ Hij zegt niet: ‘U zult opstaan tot een groot leger als u er behoefte aan hebt dat Ik dat zal doen.’ Nee, ‘Ik wil’ en ‘gij zult’.

Als het gaat om de eigen wil is die hier in het geheel niet aan de orde. Want hoe zullen doden iets willen?

Daarom, vrienden, moet het Evangelie verkondigd worden aan Joden en heidenen vanuit de bron van Gods vrije, soevereine, almachtige genade. Mensen hebben een wil en God vergeet dat nooit, maar neemt die op zachte wijze gevangen. Hij vraagt niet of we instemmen met Zijn genade die ons levend maakt. Maar Hij verkrijgt die instemming wel door de zoete overtuiging van Zijn almachtige liefde. Hij komt, gekleed in het gewaad van Zijn almach- tige genade en de meest verharde rebel levert zich uit aan de genade van God. In het bijzonder door de liefde van God in Christus keert hij zich terstond af van zijn oude wil.

Ik geloof niet dat een Jood, of wie dan ook, ooit zal worden bekeerd door niet te spreken over Gods genade. Het gaat om heel de waarheid van God. En in het bijzonder om het Evangelie en de genade van God. Die zijn nodig voor zowel Joden als heidenen. Daarom, preek, preek, preek! Maar stel Christus en de verkondiging van vrije genade in het middelpunt. Hier vinden we een voorbeeld voor de kerk van wat er gepreekt moet worden.

We vinden ook een voorbeeld van hoe er gepreekt moet worden. Hoe zullen wij het Evangelie prediken? Deed Ezechiël wat sommige hypercalvinistische broeders doen: de zondaar waarschuwen, maar nooit uitnodigen? Sprak Ezechiël tot de beenderen zonder hun een duidelijk bevel te geven? Sprak hij van een mogelijkheid tot zalig worden zonder hen te smeken in te komen? Zeker niet! Na gewezen te hebben op het verbond zegt hij: ‘Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: […] gij zult levend worden’ (Ez. 37:5).

En dat is ook de boodschap van de evangelist, nadat hij over Gods genade gesproken heeft: ‘Zo zegt de Heere, geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden.’ Wie u ook bent, Jood of heiden, wat uw taal ook is, afstammeling van Cham, Seth of Jafeth, geloof in Christus, vertrouw Hem en u bent behouden. Verlamde hand: ‘Strek u uit!’ Lamme: ‘Loop!’ Blinde: ‘Zie!’ Dode beenderen: ‘Leef!’ In ons preken moeten we een bevel geven en onderwijs. Heb berouw en bekeer u, ieder van u, en ontvang het eeuwige leven. ‘Zoek en u zult vinden, klop en u zal worden opengedaan. Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden.’

We krijgen hier ook onderwijs over onze hoorders. Wij maken de keuze niet voor een gemeente, maar we moeten gaan waar God ons zendt. Als we naar een dor dal met beenderen moeten, ligt daar onze bestemming. Ik vertrouw erop dat mijn broeders van de Society for the Propagation of the Gospel Among the Jews zich niet zullen beperken tot de goede, vooraanstaande en verlichte Joden. Ook zij moeten bereikt worden, maar ik hoop dat ze met name ook gaan naar de onwetenden, de armen, degenen die diep gevallen zijn. De beste oogst van de kerk wordt doorgaans binnengehaald onder de armen. Want tegenover elke tarwekorrel die is gegroeid op de heuvel van welvaart staan er duizenden die zijn ontkiemd in het dal van armoede. ‘De armen wordt het Evangelie verkondigd.’ Dat is het heerlijke resultaat van het Evangelie. De armen ontvangen het Evangelie, dat is de vrucht!

Spreek daarom tot dorre beenderen. Zeg niet dat iemand onbereikbaar is. Dat hangt niet af van die persoon of van de mate van verlorenheid, maar van God! Deze beenderen waren zeer dor, maar zij kwamen tot leven. Er valt weinig te kiezen tussen mensen als ze allen dood zijn! Een klein beetje verschil in doodsheid maakt geen verschil als allen dood zijn in zonden. Dat sommigen dronken zijn en anderen nuchter, sommigen overspelig en anderen kuis, maakt wel een groot verschil qua moraal in de maatschappij, maar niet in de geestelijke staat van een mens. Daar geldt van beiden dat ze zonder geloof verloren zijn en door het geloof in Jezus Christus gered. Laat daarom een grotere mate van haat of hardheid bij mensen ons niet in de weg staan om tegen hen te zeggen zoals ze zijn: ‘Dorre beenderen, word levend!’

Hier stuiten we op een andere les over het gezag van de prediker. Let er eens op dat de profeet zegt: ‘Hoort het Woord des Heeren.’ Wij gaan niet naar Jood of heiden met onze eigen boodschap of met onze eigen woorden. Ik heb niet het recht om iemand te bevelen dit of dat te geloven tenzij ik kom als ambassadeur van God. Op Gods gezag, door Zijn leiding en in Zijn kracht spreek ik niet naar mijn eigen inzicht, maar als de mond van God. Laten wij ons, als er we erop uit zijn om zielen te redden, gedragen weten door de hand van God. Laten we hen krachtig aanspreken, vanuit een diep zielsverlangen, Hem hoog verheffen vanuit het verlangen naar hun behoud. Laten we spreken alsof we nooit meer zullen preken, als stervende tot stervenden. Laten we tegelijk vragen om Gods kracht om in ons en door ons te werken, onze naaste ten goede.

Bedenk, christen, hoe bescheiden u misschien ook bent, dat het Woord van God een autoriteit heeft waarvoor niemand een geldig excuus heeft om het af te wijzen als het tot hem komt. Spreek tegen anderen over de waarheid van God, die u dierbaar is, niet als iets wat ze af kunnen wijzen of accepteren naar eigen inzicht. Maar spreek het Woord tot hem zoals het is: het Woord van God. En wees niet tevreden voordat u gewaarschuwd hebt voor het gevaar dat hem bedreigt. Dat namelijk zijn bloed op zijn eigen hoofd is als hij de uitnodiging afwijst en zich afkeert van Gods Woord.

Zo hebben we, dacht ik, alle aanwijzingen die nodig zijn om te preken. De Society waarover we spraken en alle andere verenigingen die het doel hebben zondaren te behouden, moeten enkel dit doen: preken, preken, preken. Besteed niet teveel tijd aan drukwerk, scholen en kerkelijke gebouwen, maar preek het Woord van God. Want dat is de stormram die de poorten van de hel doet schudden en zijn ijzeren tralies vernietigt. God heeft gekozen voor de ‘dwaasheid van de prediking’ om te behouden wie erdoor tot geloof komen. Preken is als de ramshoorn die schalt voor de val van Jericho. Het is als de zilveren trompet die het jubeljaar aankondigt. Het is de vuri- ge wagen van God die zielen naar de hemel doet opvaren. Het is het tweesnijdend zwaard dat de wachters van de hel neerslaat. Zijn geroepen knechten zijn tegelijk arbeider en soldaat en het Woord is voor hen als een speer en troffel. Preek dan van de ochtend tot de avond, op elk tijdstip en bij elke gelegenheid, de ‘onnaspeurlijke rijkdom van Christus’ en Israël zal leven.

We moeten hier nog aan toevoegen hoe de profeet spreekt over het effect van zijn preken. Er was een stem en een geluid. Was dit Gods stem die zich paarde aan de profetenstem? Of was dit het geluid van de beenderen die bij elkaar kwamen? Duidt het soms op tegenstand bij de beenderen tegen wie gesproken wordt? Werkelijke tegenstand is altijd een goed teken. Als u iemand zover kunt krijgen dat hij tegenstand biedt, mag u hoop voor hem hebben. Als hij voldoende religieus onderlegd is om naar u te luisteren en uw woord af te wijzen, mag u dankbaar zijn. Betekent deze beroering tegenstand of juist interesse? Is het samenvoegen van de beenderen soms een beeld van mensen die samenkomen en spreken en luisteren en hemelse zaken overwegen? Als er spieren en vlees op de beenderen komen, betekent dit dan dat er bekeerlingen zijn die anderen kunnen leiden en voorgaan? Leiders die de rest van het lichaam beetje bij beetje bouwen? Dat zou best zo kunnen zijn en als Christus gepredikt wordt, mogen we beroering en opschudding verwachten onder Joden en heidenen. Steeds grotere aantallen komen samen door de heilzame werking van hen die het goede verspreiden. Alles is beter dan stagnatie. Voor een vervolger heb ik zeker even veel hoop als voor iemand die het geloof in stilte afwijst.

Nu zullen we het nog hebben over datgene waarin u allen uw aandeel kunt hebben. Misschien kunt u niet allemaal preken, al zou ik wensen van wel. Ik gun u daarvoor alles wat nodig is. Maar u kunt allen delen in de tweede vorm van profetie. Nadat hij geprofeteerd had tegen de beenderen, moest hij tegen de winden profeteren. Hij moest spreken tot de gezegende Geest, Die leven schenkt, de God van alle genade: ‘Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.’ Het preken alleen vermag weinig. Het kan beroering geven, het kan mensen samenbrengen. Er is een aantrekkingskracht in het Evangelie die mensen doet komen om het te horen. Er is een kracht in het Evangelie die hen versteld doet staan, want het is scherper dan een tweesnijdend zwaard. Maar het Evangelie, zonder de werking van de Heilige Geest, schenkt geen leven! De wind moet eerst waaien en dan zullen de beenderen leven. Laten wij veel bezig zijn met dit profeteren.

Broeders in Christus, die met Israël begaan bent, ga tot de Heere in oprecht en volhardend gebed. Wees meer dan ooit overtuigd van de onmisbaarheid van het gebed. Bedenk dat u zonder Christus niets kunt doen! Tevergeefs zijn uw verenigingen, methodes, medewerkers, donateurs en uw evangelisten, zonder de werking van de Hei- lige Geest. Blaas de trompet en verkondig overluid dat u veel hebt gezaaid. Maar u zult weinig oogsten als u niet vertrouwt op de Geest van God.

We lopen altijd het gevaar om te kijken naar de kracht of zwakte van onze hulpmiddelen. De een is opgetogen vanwege de sterkte, de ander terneergeslagen vanwege de zwakte. Ik weet dat sommigen dit een denkbeeldig gevaar vinden. Bedenk dat het voldoende voor u is als de Heere met u is! Al bent u maar met enkelen, het zijn er nog teveel als God niet met u is. De Heere gaat menselijke zwakte niet uit de weg. Hij heeft er zelfs een voorkeur voor als Hij werkt, want dan komt Zijn goddelijke kracht openbaar. Wat zei Hij tegen Gideon? ‘Het volk is te veel.’ Hij zei niet dat het er te weinig waren. Dat vindt u nergens in de Bijbel. Het ging erom dat er teveel waren. Menselijke zwakte is het instrument dat God kiest, zodat Hij Zelf Zijn kracht kan tonen! ‘Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden’, zegt de apostel, ‘opdat de kracht van Christus in mij wone’ (2 Kor. 12:9). De werking van Gods Geest is dus onmisbaar. Ga tot God met deze bede: ‘Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.’

Zie geliefden, deze tweede vorm van profeteren bij Ezechiël is even krachtig en vol van geloof als de eerste vorm. Hij twijfelt niet, maar spreekt alsof het in zijn macht is de wind te gebieden. ‘Kom’, zegt hij en de wind komt. We moeten meer geloof hebben. Als wij bezig zijn met geestelijke werkzaamheden, zal de mate van succes in verhouding zijn tot ons geloof. Een kleingeloof levert een kleine oogst. En groot geloof een rijke oogst! Kleine visjes komen in een gering aantal in het net van kleingeloof. Maar een sterk geloof kan nauwelijks de grote vissen binnenboord houden. Ik vraag niet naar uw gemeen- te, ik vraag nergens naar dan naar een groter vertrouwen. Want met een groter geloof ontvangt u meer kracht van God en zeker vrucht op uw arbeid. De Geest werkt altijd door hen die vol zijn van geloof. Vrienden, de Geest van God ís uitgestort. Hij blijft bij Zijn kerk als de Trooster Die er altijd is. We moeten niet aan Hem denken als een gave waar we niet bij kunnen, want Hij wacht erop om ons te geven wat we nodig hebben. Hij woont te midden van Zijn volk. We hoe- ven enkel maar tot Hem te roepen en Hij zal Zijn grote kracht tonen waardoor Jood en heiden gered worden. Laat in uw gebeden dan doorklinken hoezeer u Hem nodig hebt, in het volste vertrouwen dat de Heilige Geest zeker zal komen in antwoord op uw smeekbeden.

Laat uw gebed oprecht zijn. ‘Gij geest! kom aan van de vier winden’, klinkt niet in mijn oren als de schreeuw van iemand die wanhopig is. Veel meer als van iemand die, vervuld met een ernstig verlangen, mag zien dat de beenderen tot leven komen en met vlees overtrokken worden. Nu roept hij met te meer passie om de directe voltooi- ing van dit wonder. ‘Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.’ Er klinkt blijvende ernst en kracht in door, precies datgene wat een gebed waarde geeft. O, laten wij met kracht bidden tot God. Anders kunnen wij geen grote dingen verwachten. Slechts onze gebeden beperken ons. Hij perkt ons niet in; wij leggen onszelf beperkingen op. We zouden grotere dingen zien als we maar zouden geloven. Alle dingen zijn mogelijk voor degene die gelooft. Maar net als vroeger kan de Heere Jezus ook nu weinig tekenen doen vanwege ons ongeloof.

Wij verhinderen Gods genade. Wij weerstaan als het ware de kracht die van de Almachtige uitgaat. O, geloof dat naties op één dag geboren worden en menigten van mensen in één keer tot God bekeerd zullen worden. Zie wat onze vaders nooit zagen en waar onze verbeelding nog nooit van heeft gedroomd! We zullen van overwinning naar overwinning gaan, van triomf naar triomf, en zo verder tot we onze heerlijke Verlosser ontmoeten. We zullen elke vijand achtervolgen en leger na leger uiteendrijven. We zullen overwinnend verder trekken tot we Hem groeten zullen, Die komt op het witte paard van de overwinning, terwijl Hij door alle hemelse legers gevolgd wordt. Broeders, heb goede moed in al uw geloofs- en liefdewerk, want het zal niet ijdel zijn in de Heere.

Ik richt me nog tot hen die geen enkele interesse hebben voor wat ik vanavond heb gezegd, omdat ze nog geen onderdanen zijn van de Messias. Bedenk dat geloof een teken is van uw verbondenheid aan Hem. Geloof in Christus en u bent gered! Geloof in Jezus en u bent verlost van de goddelijke wraak en van de kracht van uw wereldse verlangens. De Heere wil u op deze dag een wederopstanding schenken, u die dood bent in zonde, en Zijn Naam zal geprezen worden.

Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend