Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En des HEERENH3068woordH1697geschieddeH1961totH413 mij, zeggendeH559:En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
KJVAgain the word2of the LORD3came unto me, saying,
2Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2MensenkindH1121! spreekH1696totH413 de kinderenH1121 uws volksH5971, en zegH559totH413 hen: Wanneer Ik het zwaardH2719overH5921 enig landH776brengH935, en het volkH5971 des landsH776eenH259manH376 uit hun eindenH7097nemenH3947, en dien voor zich tot een wachterH6822stellenH5414;Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;
KJVSon1of man,2speak3to the children5of thy people,6and say7unto them, When I bring11the sword13upon a land,9if the people15of the land16take14a18man17of their coasts,19and set20him for their watchman:
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person3דַּבֵּ֤רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6עַמְּךָ֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7וְאָמַרְתָּ֣H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8אֲלֵיהֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9אֶ֕רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world10כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11אָבִ֥יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way12עָלֶ֖יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13חָ֑רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool14וְלָקְח֨וּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win15עַםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people16הָאָ֜רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world17אִ֤ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)18אֶחָד֙H259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,19מִקְצֵיהֶ֔םH7097einde, uiterste, deel[idiom] after, border, brim, brink, edge, end, (in-) finite, frontier, outmost coast, quarter, shore, (out-) side, [idiom] some, ut(-ter-) most (part)20וְנָתְנ֥וּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield21אֹת֛וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22לָהֶ֖ם23לְצֹפֶֽהH6822wachter, wachters, ziebehold, espy, look up (well), wait for, (keep the) watch(-man)
3En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En hij het zwaardH2719zietH7200komenH935overH5921 het landH776, en blaastH8628 met de bazuinH7782, en waarschuwtH2094 het volkH5971;En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;
KJVIf when he seeth1the sword3come4upon the land,6he blow7the trumpet,8and warn9the people;
1וְרָאָ֥הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3הַחֶ֖רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool4בָּאָ֣הH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way5עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world7וְתָקַ֥עH8628blazen, blies, bliezenblow (a trumpet), cast, clap, fasten, pitch (tent), smite, sound, strike, [idiom] suretiship, thrust8בַּשּׁוֹפָ֖רH7782bazuin, bazuinen, ramsbazuinencornet, trumpet9וְהִזְהִ֥ירH2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הָעָֽםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
4En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En een, die het geluidH6963 der bazuinH7782hoortH8085, wel hoortH8085, maar zich nietH3808 laat waarschuwenH2094; en het zwaardH2719komtH935, en neemt hem weg, diens bloedH1818 is op zijn hoofdH7218.En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.
Ook in dit vers
neemt wegH3947
KJVThen whosoever1heareth2the sound4of the trumpet,5and taketh not warning;7if the sword9come,8and take him away,10his blood11shall be upon his own head.
1וְשָׁמַ֨עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2הַשֹּׁמֵ֜עַH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4ק֤וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell5הַשּׁוֹפָר֙H7782bazuin, bazuinen, ramsbazuinencornet, trumpet6וְלֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7נִזְהָ֔רH2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)8וַתָּ֥בוֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way9חֶ֖רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool10וַתִּקָּחֵ֑הוּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win11דָּמ֥וֹH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent12בְרֹאשׁ֖וֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top13יִֽהְיֶֽהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use
5Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Hij hoordeH8085 het geluidH6963 der bazuinH7782, maar liet zich nietH3808waarschuwenH2094, zijn bloedH1818 is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwenH2094, behoudtH4422 zijn zielH5315.Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.
KJVHe heard4the sound2of the trumpet,3and took not warning;6his blood7shall be upon him. But he that taketh warning11shall deliver13his soul.
1אֵת֩H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)2ק֨וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell3הַשּׁוֹפָ֤רH7782bazuin, bazuinen, ramsbazuinencornet, trumpet4שָׁמַע֙H8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness5וְלֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6נִזְהָ֔רH2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)7דָּמ֖וֹH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent8בּ֣וֹ9יִֽהְיֶ֑הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10וְה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who11נִזְהָ֖רH2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)12נַפְשׁ֥וֹH5315ziel, zielen, levenany, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it13מִלֵּֽטH4422ontkomen, ontkwam, bevrijdendeliver (self), escape, lay, leap out, let alone, let go, preserve, save, [idiom] speedily, [idiom] surely
6Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Wanneer daarentegen de wachterH6822 het zwaardH2719zietH7200komenH935, en blaastH8628nietH3808 met de bazuinH7782, zodat het volkH5971nietH3808 is gewaarschuwdH2094; en het zwaardH2719komtH935, en neemtH3947 een zielH5315 uit hen wegH3947; dieH1931 is wel in zijn ongerechtigheidH5771weggenomenH3947, maarH3588 zijn bloedH1818 zal Ik van des handH3027 des wachtersH6822eisenH1875.Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.
KJVBut if the watchman1see3the sword5come,6and blow8not the trumpet,9and the people10be not warned;12if the sword14come,13and take15any person17from among them, he is taken away20in his iniquity;19but his blood21will I require24at the watchman's23hand.
1וְ֠הַצֹּפֶהH6822wachter, wachters, ziebehold, espy, look up (well), wait for, (keep the) watch(-man)2כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3יִרְאֶ֨הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5הַחֶ֜רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool6בָּאָ֗הH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8תָקַ֤עH8628blazen, blies, bliezenblow (a trumpet), cast, clap, fasten, pitch (tent), smite, sound, strike, [idiom] suretiship, thrust9בַּשּׁוֹפָר֙H7782bazuin, bazuinen, ramsbazuinencornet, trumpet10וְהָעָ֣םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12נִזְהָ֔רH2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)13וַתָּב֣וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way14חֶ֔רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool15וַתִּקַּ֥חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win16מֵהֶ֖ם17נָ֑פֶשׁH5315ziel, zielen, levenany, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it18ה֚וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who19בַּעֲוֺנ֣וֹH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin20נִלְקָ֔חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win21וְדָמ֖וֹH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent22מִיַּֽדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves23הַצֹּפֶ֥הH6822wachter, wachters, ziebehold, espy, look up (well), wait for, (keep the) watch(-man)24אֶדְרֹֽשׁH1875zoeken, vragen, gezochtask, [idiom] at all, care for, [idiom] diligently, inquire, make inquisition, (necro-) mancer, question, require, search, seek (for, out), [idiom] surely
7Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Gij nu, o mensenkindH1121! Ik heb u tot een wachterH6822gesteldH5414 over het huisH1004IsraelsH3478; zo zult gij het woordH1697 uit Mijn mondH6310horenH8085, en hen van Mijnentwege waarschuwenH2094.Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
KJVSo thou, O son2of man,3I have set5thee a watchman4unto the house6of Israel;7therefore thou shalt hear8the word10at my mouth,9and warn
1וְאַתָּ֣הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you2בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אָדָ֔םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person4צֹפֶ֥הH6822wachter, wachters, ziebehold, espy, look up (well), wait for, (keep the) watch(-man)5נְתַתִּ֖יךָH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield6לְבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)7יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8וְשָׁמַעְתָּ֤H8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness9מִפִּי֙H6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word10דָּבָ֔רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work11וְהִזְהַרְתָּ֥H2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)12אֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13מִמֶּֽנִּיH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with
8Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Als Ik tot den goddelozeH7563zegH559: O goddelozeH7563, gij zult den doodH4191stervenH4191! en gij spreektH1696nietH3808, om den goddelozeH7563 van zijn wegH1870 af te manenH2094; dieH1931goddelozeH7563 zal in zijn ongerechtigheidH5771stervenH4191, maar zijn bloedH1818 zal Ik van uw handH3027eisenH1245.Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
KJVWhen I say1unto the wicked,2O wicked3man, thou shalt surely4die;5if thou dost not speak7to warn8the wicked9from his way,10that wicked12man shall die14in his iniquity;13but his blood15will I require17at thine hand.
1בְּאָמְרִ֣יH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לָרָשָׁ֗עH7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong3רָשָׁע֙H7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong4מ֣וֹתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise5תָּמ֔וּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise6וְלֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7דִבַּ֔רְתָּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work8לְהַזְהִ֥ירH2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)9רָשָׁ֖עH7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong10מִדַּרְכּ֑וֹH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)11ה֤וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12רָשָׁע֙H7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong13בַּעֲוֺנ֣וֹH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin14יָמ֔וּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise15וְדָמ֖וֹH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent16מִיָּדְךָ֥H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves17אֲבַקֵּֽשׁH1245zoeken, zoekt, zochtask, beg, beseech, desire, enquire, get, make inquisition, procure, (make) request, require, seek (for)
9Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Maar als gijH859 den goddelozeH7563 van zijn wegH1870afmaantH2094, dat hij zich van dien bekereH7725, en hij zich vanH4480 zijn wegH1870nietH3808bekeertH7725, zo zal hijH1931 in zijn ongerechtigheidH5771stervenH4191; maar gijH859 hebt uw zielH5315bevrijdH5337.Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.
KJVNevertheless, if thou warn3the wicked4of his way5to turn6from it; if he do not turn9from his way,10he shall die13in his iniquity;12but thou hast delivered16thy soul.
1וְ֠אַתָּהH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you2כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3הִזְהַ֨רְתָּH2094waarschuwen, gewaarschuwd, waarschuwtadmonish, shine, teach, (give) warn(-ing)4רָשָׁ֤עH7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong5מִדַּרְכּוֹ֙H1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)6לָשׁ֣וּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw7מִמֶּ֔נָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with8וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9שָׁ֖בH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw10מִדַּרְכּ֑וֹH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)11ה֚וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12בַּעֲוֺנ֣וֹH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin13יָמ֔וּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise14וְאַתָּ֖הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you15נַפְשְׁךָ֥H5315ziel, zielen, levenany, appetite, beast, body, breath, creature, [idiom] dead(-ly), desire, [idiom] (dis-) contented, [idiom] fish, ghost, [phrase] greedy, he, heart(-y), (hath, [idiom] jeopardy of) life ([idiom] in jeopardy), lust, man, me, mind, mortally, one, own, person, pleasure, (her-, him-, my-, thy-) self, them (your) -selves, [phrase] slay, soul, [phrase] tablet, they, thing, ([idiom] she) will, [idiom] would have it16הִצַּֽלְתָּH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)
10Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Daarom, gijH859mensenkindH1121! zegH559totH413 het huisH1004IsraelsH3478: Gijlieden spreektH559aldusH3651, zeggendeH559: DewijlH3588 onze overtredingenH6588 en onze zondenH2403opH5921 ons zijn, en wij in dezelve versmachtenH4743, hoe zouden wij dan levenH2421?Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
KJVTherefore, O thou son2of man,3speak4unto the house6of Israel;7Thus ye speak,9saying,10If our transgressions12and our sins13be upon us, and we pine away17in them, how should we then live?
1וְאַתָּ֣הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you2בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person4אֱמֹר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)7יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8כֵּ֤ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you9אֲמַרְתֶּם֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12פְשָׁעֵ֥ינוּH6588overtredingen, overtreding, afvalrebellion, sin, transgression, trespass13וְחַטֹּאתֵ֖ינוּH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)14עָלֵ֑ינוּH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15וּבָ֛ם16אֲנַ֥חְנוּH587wijourselves, us, we17נְמַקִּ֖יםH4743uitteren, versmachten, vervuildconsume away, be corrupt, dissolve, pine away18וְאֵ֥יךְH349hoehow, what19נִֽחְיֶֽהH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole
11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11ZegH559totH413 hen: ZoH518 waarachtig als IkH589leefH2416, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069, zoH518 Ik lustH2654 heb in den doodH4194 des goddelozenH7563! maar daarin heb Ik lust, dat de goddelozeH7563 zich bekereH7725 van zijn wegH1870 en leveH2421. BekeertH7725 u, bekeertH7725 u van uw bozeH7451wegenH1870, want waaromH4100 zoudt gij stervenH4191, o huisH1004IsraelsH3478?Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?
KJVSay1unto them, As I live,3saith5the Lord6GOD,7I have no pleasure9in the death10of the wicked;11but that the wicked15turn14from his way16and live:17turn18ye, turn19ye from your evil21ways;20for why will ye die,23O house24of Israel?
1אֱמֹ֨רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲלֵיהֶ֜םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3חַיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop4אָ֣נִיH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who5נְאֻ֣םH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith6אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord7יְהוִ֗הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod8אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet9אֶחְפֹּץ֙H2654lust, welbehagen, behaagt[idiom] any at all, (have, take) delight, desire, favour, like, move, be (well) pleased, have pleasure, will, would10בְּמ֣וֹתH4194dood, doods, stierf(be) dead(-ly), death, die(-d)11הָרָשָׁ֔עH7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong12כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet14בְּשׁ֥וּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw15רָשָׁ֛עH7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong16מִדַּרְכּ֖וֹH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)17וְחָיָ֑הH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole18שׁ֣וּבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw19שׁ֜וּבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw20מִדַּרְכֵיכֶ֧םH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)21הָרָעִ֛יםH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)22וְלָ֥מָּהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why23תָמ֖וּתוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise24בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)25יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
12Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12GijH859 dan, o mensenkindH1121! zegH559totH413 de kinderenH1121 uws volksH5971: De gerechtigheidH6666 des rechtvaardigenH6662 zal hem niet reddenH5337 ten dageH3117 zijner overtredingH6588; en aangaande de goddeloosheid des goddelozenH7563, hij zal om dezelve niet vallenH3782, ten dageH3117 als hij zich van zijn goddeloosheid bekeertH7725; en de rechtvaardigeH6662 zal niet kunnen levenH2421 door dezelve zijn gerechtigheid, ten dageH3117 als hij zondigtH2398.Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.
Ook in dit vers
goddeloosheidH7562
goddeloosheidH7564
KJVTherefore, thou son2of man,3say4unto the children6of thy people,7The righteousness8of the righteous9shall not deliver11him in the day12of his transgression:13as for the wickedness14of the wicked,15he shall not fall17thereby in the day19that he turneth20from his wickedness;21neither shall the righteous22be able24to live25for his righteousness in the day27that he sinneth.
1וְאַתָּ֣הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you2בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person4אֱמֹ֤רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7עַמְּךָ֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people8צִדְקַ֣תH6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)9הַצַּדִּ֗יקH6662rechtvaardige, rechtvaardigen, rechtvaardigjust, lawful, righteous (man)10לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11תַצִּילֶ֨נּוּ֙H5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)12בְּי֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger13פִּשְׁע֔וֹH6588overtredingen, overtreding, afvalrebellion, sin, transgression, trespass14וְרִשְׁעַ֤תH7564goddeloosheid, onrechtvaardigheidfault, wickedly(-ness)15הָֽרָשָׁע֙H7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong16לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without17יִכָּ֣שֶׁלH3782struikelen, vallen, aanstotenbereave (from the margin), cast down, be decayed, (cause to) fail, (cause, make to) fall (down, -ing), feeble, be (the) ruin(-ed, of), (be) overthrown, (cause to) stumble, [idiom] utterly, be weak18בָּ֔הּ19בְּי֖וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger20שׁוּב֣וֹH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw21מֵֽרִשְׁע֑וֹH7562goddeloosheid, goddeloze, goddelooslijkiniquity, wicked(-ness)22וְצַדִּ֗יקH6662rechtvaardige, rechtvaardigen, rechtvaardigjust, lawful, righteous (man)23לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without24יוּכַ֛לH3201konden, kan, konbe able, any at all (ways), attain, can (away with, (-not)), could, endure, might, overcome, have power, prevail, still, suffer25לִֽחְי֥וֹתH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole26בָּ֖הּ27בְּי֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger28חֲטֹאתֽוֹH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass
13Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Als Ik tot den rechtvaardigeH6662zegH559, dat hij zekerlijkH2421levenH2421 zal, en hijH1931opH5921 zijn gerechtigheidH6666vertrouwtH982, en onrechtH5766doetH6213, zo zullen alH3605 zijn gerechtighedenH6666nietH3808gedachtH2142 worden, maar in zijn onrechtH5766, dat hij doetH6213, daarin zal hij stervenH4191.Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
KJVWhen I shall say1to the righteous,2that he shall surely3live;4if he trust6to his own righteousness,8and commit9iniquity,10all his righteousnesses12shall not be remembered;14but for his iniquity15that he hath committed,17he shall die
1בְּאָמְרִ֤יH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לַצַּדִּיק֙H6662rechtvaardige, rechtvaardigen, rechtvaardigjust, lawful, righteous (man)3חָיֹ֣הH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole4יִֽחְיֶ֔הH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole5וְהֽוּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who6בָטַ֥חH982vertrouwt, vertrouwen, vertrouwbe bold (confident, secure, sure), careless (one, woman), put confidence, (make to) hope, (put, make to) trust7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8צִדְקָת֖וֹH6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)9וְעָ֣שָׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use10עָ֑וֶלH5766onrecht, verkeerdheid, ongerechtigheidiniquity, perverseness, unjust(-ly), unrighteousness(-ly); wicked(-ness)11כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12צִדְקֹתָיו֙H6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)13לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without14תִזָּכַ֔רְנָהH2142gedenken, gedacht, Gedenk[idiom] burn (incense), [idiom] earnestly, be male, (make) mention (of), be mindful, recount, record(-er), remember, make to be remembered, bring (call, come, keep, put) to (in) remembrance, [idiom] still, think on, [idiom] well15וּבְעַוְל֥וֹH5766onrecht, verkeerdheid, ongerechtigheidiniquity, perverseness, unjust(-ly), unrighteousness(-ly); wicked(-ness)16אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17עָשָׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use18בּ֥וֹ19יָמֽוּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
14Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Als Ik ook tot den goddelozeH7563zegH559: Gij zult den doodH4191stervenH4191! en hij zich van zijn zondeH2403bekeertH7725, en rechtH4941 en gerechtigheidH6666doetH6213;Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;
KJVAgain, when I say1unto the wicked,2Thou shalt surely3die;4if he turn5from his sin,6and do7that which is lawful8and right;
1וּבְאָמְרִ֥יH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לָֽרָשָׁ֖עH7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong3מ֣וֹתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise4תָּמ֑וּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise5וְשָׁב֙H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw6מֵֽחַטָּאת֔וֹH2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)7וְעָשָׂ֥הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8מִשְׁפָּ֖טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong9וּצְדָקָֽהH6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)
15Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15GeeftH7725 de goddelozeH7563 het pandH2258 weder, betaaltH7999 hij het geroofdeH1500, wandeltH1980 hij in de inzettingenH2708 des levensH2416, zodat hij geenH3808onrechtH5766doetH6213; hij zal zekerlijkH2421levenH2421, hij zal niet stervenH4191.Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven.
KJVIf the wicked3restore2the pledge,1give again5that he had robbed,4walk8in the statutes6of life,7without committing10iniquity;11he shall surely12live,13he shall not die.
1חֲבֹ֨לH2258pandpledge2יָשִׁ֤יבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw3רָשָׁע֙H7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong4גְּזֵלָ֣הH1500roof, geroofde, oofsthat (he had robbed) (which he took violently away), spoil, violence5יְשַׁלֵּ֔םH7999vergelden, wedergeven, betalenmake amends, (make an) end, finish, full, give again, make good, (re-) pay (again), (make) (to) (be at) peace(-able), that is perfect, perform, (make) prosper(-ous), recompense, render, requite, make restitution, restore, reward, [idiom] surely6בְּחֻקּ֤וֹתH2708inzettingen, inzetting, ordinantienappointed, custom, manner, ordinance, site, statute7הַֽחַיִּים֙H2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop8הָלַ֔ךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl9לְבִלְתִּ֖יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without10עֲשׂ֣וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use11עָ֑וֶלH5766onrecht, verkeerdheid, ongerechtigheidiniquity, perverseness, unjust(-ly), unrighteousness(-ly); wicked(-ness)12חָי֥וֹH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole13יִֽחְיֶ֖הH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole14לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without15יָמֽוּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
16Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16AlH3605 zijn zondenH2403, dieH834 hij gezondigdH2398 heeft, zullen hem nietH3808gedachtH2142 worden; hij heeft rechtH4941 en gerechtigheidH6666gedaanH6213, hij zal zekerlijkH2421levenH2421.Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.
KJVNone of his sins2that he hath committed4shall be mentioned6unto him: he hath done10that which is lawful8and right;9he shall surely11live.
1כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)2חַטֹּאתָיו֙H2403zonde, zondoffer, zondenpunishment (of sin), purifying(-fication for sin), sin(-ner, offering)3אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4חָטָ֔אH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass5לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6תִזָּכַ֖רְנָהH2142gedenken, gedacht, Gedenk[idiom] burn (incense), [idiom] earnestly, be male, (make) mention (of), be mindful, recount, record(-er), remember, make to be remembered, bring (call, come, keep, put) to (in) remembrance, [idiom] still, think on, [idiom] well7ל֑וֹ8מִשְׁפָּ֧טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong9וּצְדָקָ֛הH6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)10עָשָׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use11חָי֥וֹH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole12יִֽחְיֶֽהH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole
17Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Nog zeggenH559 de kinderenH1121 uws volksH5971: De wegH1870 des HeerenH136 is nietH3808rechtH8505; daar toch hunH1992 eigen wegH1870nietH3808rechtH8505 is.Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.
KJVYet the children2of thy people3say,1The way6of the Lord7is not equal:5but as for them, their way9is not equal.
1וְאָמְרוּ֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3עַמְּךָ֔H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5יִתָּכֵ֖ןH8505recht, weegt, onrechtbear up, direct, be (un-)equal, mete, ponder, tell, weigh6דֶּ֣רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)7אֲדֹנָ֑יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord8וְהֵ֖מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye9דַּרְכָּ֥םH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)10לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11יִתָּכֵֽןH8505recht, weegt, onrechtbear up, direct, be (un-)equal, mete, ponder, tell, weigh
18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Als de rechtvaardigeH6662afkeertH7725 van zijn gerechtigheidH6666, en doetH6213onrechtH5766, zo zal hij daarin stervenH4191.Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
KJVWhen the righteous2turneth1from his righteousness,3and committeth4iniquity,5he shall even die
1בְּשׁוּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2צַדִּ֥יקH6662rechtvaardige, rechtvaardigen, rechtvaardigjust, lawful, righteous (man)3מִצִּדְקָת֖וֹH6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)4וְעָ֣שָׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5עָ֑וֶלH5766onrecht, verkeerdheid, ongerechtigheidiniquity, perverseness, unjust(-ly), unrighteousness(-ly); wicked(-ness)6וּמֵ֖תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise7בָּהֶֽם
19En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En als de goddelozeH7563 zich bekeertH7725 van zijn goddeloosheidH7564, en doetH6213rechtH4941 en gerechtigheidH6666, zo zal hijH1931 daarin levenH2421.En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
KJVBut if the wicked2turn1from his wickedness,3and do4that which is lawful5and right,6he shall live
1וּבְשׁ֤וּבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2רָשָׁע֙H7563goddelozen, goddeloze, goddeloos[phrase] condemned, guilty, ungodly, wicked (man), that did wrong3מֵֽרִשְׁעָת֔וֹH7564goddeloosheid, onrechtvaardigheidfault, wickedly(-ness)4וְעָשָׂ֥הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5מִשְׁפָּ֖טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong6וּצְדָקָ֑הH6666gerechtigheid, gerechtigheden, Gerechtigheidjustice, moderately, right(-eous) (act, -ly, -ness)7עֲלֵיהֶ֖םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8ה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who9יִֽחְיֶֽהH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole
20Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Nog zegtH559 gij: De wegH1870 des HeerenH136 is nietH3808rechtH8505; Ik zal ulieden richtenH8199, een iederH376 naar zijn wegenH1870, o huisH1004IsraelsH3478!Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!
KJVYet ye say,1The way4of the Lord5is not equal.3O ye house10of Israel,11I will judge8you every one6after his ways.
1וַאֲמַרְתֶּ֕םH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3יִתָּכֵ֖ןH8505recht, weegt, onrechtbear up, direct, be (un-)equal, mete, ponder, tell, weigh4דֶּ֣רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)5אֲדֹנָ֑יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord6אִ֧ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7כִּדְרָכָ֛יוH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)8אֶשְׁפּ֥וֹטH8199richten, richtte, rechters[phrase] avenge, [idiom] that condemn, contend, defend, execute (judgment), (be a) judge(-ment), [idiom] needs, plead, reason, rule9אֶתְכֶ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
21En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En het geschieddeH1961 in het twaalfdeH8147jaarH8141 onzer gevankelijke wegvoeringH1546, in de tiendeH6224maandH2320, op den vijfdenH2568 der maand, dat er een totH413 mij kwamH935, die van JeruzalemH3389ontkomenH6412 was, zeggendeH559: De stadH5892 is geslagenH5221.En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
KJVAnd it came to pass in the twelfth2year4of our captivity,8in the tenth5month, in the fifth6day of the month,7that one that had escaped11out of Jerusalem12came9unto me, saying,13The city15is smitten.
1וַיְהִ֞יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2בִּשְׁתֵּ֧יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two3עֶשְׂרֵ֣הH6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)4שָׁנָ֗הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)5בָּעֲשִׂרִ֛יH6224tiende, tiendententh (part)6בַּחֲמִשָּׁ֥הH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)7לַחֹ֖דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon8לְגָלוּתֵ֑נוּH1546gevankelijk, wegvoering, gevankelijke wegvoering(they that are carried away) captives(-ity)9בָּאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10אֵלַ֨יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11הַפָּלִ֧יטH6412ontkomen, ontkome, ontkomene(that have) escape(-d, -th), fugitive12מִירוּשָׁלִַ֛םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem13לֵאמֹ֖רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14הֻכְּתָ֥הH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound15הָעִֽירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town
22Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Nu was de handH3027 des HEERENH3068 op mij geweestH1961 des avondsH6153, eerH6440 die ontkomeneH6412kwamH935, en had mijn mondH6310opengedaanH6605, totdatH5704 hij des morgensH1242 tot mij kwamH935. Alzo werd mijn mondH6310opengedaanH6605, en ik was nietH3808meerH5750stomH481.Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.
KJVNow the hand1of the LORD2was upon me in the evening,5afore6he that was escaped8came;7and had opened9my mouth,11until he came13to me in the morning;15and my mouth17was opened,16and I was no more dumb.
1וְיַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves2יְהוָה֩H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3הָיְתָ֨הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use4אֵלַ֜יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5בָּעֶ֗רֶבH6153avond, avonds, avonden[phrase] day, even(-ing, tide), night6לִפְנֵי֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you7בּ֣וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way8הַפָּלִ֔יטH6412ontkomen, ontkome, ontkomene(that have) escape(-d, -th), fugitive9וַיִּפְתַּ֣חH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11פִּ֔יH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word12עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet13בּ֥וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way14אֵלַ֖יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15בַּבֹּ֑קֶרH1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow16וַיִּפָּ֣תַחH6605open, opende, geopendappear, break forth, draw (out), let go free, (en-) grave(-n), loose (self), (be, be set) open(-ing), put off, ungird, unstop, have vent17פִּ֔יH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word18וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without19נֶאֱלַ֖מְתִּיH481stom, verstomd, bindendebind, be dumb, put to silence20עֽוֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Toen geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJVThen the word2of the LORD3came unto me, saying,
24Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24MensenkindH1121! de inwonersH3427 van dieH428woesteH2723 plaatsen in het land IsraelsH3478sprekenH559, zeggendeH559: AbrahamH85wasH1961 een enigH259manH120, en bezatH3423 dit land erfelijkH3423; maar onzer zijn velenH7227; het land is ons gegevenH5414 tot een erfelijke bezittingH4181.Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.
Ook in dit vers
landH127
landH776
landH776
KJVSon1of man,2they that inhabit3those wastes4of the land7of Israel8speak,9saying,10Abraham13was one,11and he inherited14the land:16but we are many;18the land21is given20us for inheritance.
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person3יֹ֠שְׁבֵיH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry4הֶחֳרָב֨וֹתH2723woestheid, woeste plaatsen, verwoeste plaatsendecayed place, desolate (place, -tion), destruction, (laid) waste (place)5הָאֵ֜לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7אַדְמַ֤תH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land8יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9אֹמְרִ֣יםH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11אֶחָד֙H259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,12הָיָ֣הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use13אַבְרָהָ֔םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham14וַיִּירַ֖שׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world17וַאֲנַ֣חְנוּH587wijourselves, us, we18רַבִּ֔יםH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)19לָ֛נוּ20נִתְּנָ֥הH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield21הָאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world22לְמוֹרָשָֽׁהH4181erve, bezitting, erfbezittingheritage, inheritance, possession
25Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25DaaromH3651zegH559totH413 hen: Zo zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: Gij eetH398 vlees met het bloedH1818, en heftH5375 uw ogenH5869opH5921totH413 uw drekgodenH1544, en vergietH8210bloedH1818; en zoudt gij het landH776erfelijkH3423 bezitten?Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
KJVWherefore say2unto them, Thus saith5the Lord6GOD;7Ye eat10with the blood,9and lift up12your eyes11toward your idols,14and shed16blood:15and shall ye possess18the land?
1לָכֵן֩H3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2אֱמֹ֨רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֲלֵיהֶ֜םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder5אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord7יְהֹוִ֗הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9הַדָּ֧םH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent10תֹּאכֵ֛לוּH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite11וְעֵינֵכֶ֛םH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)12תִּשְׂא֥וּH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield13אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)14גִּלּוּלֵיכֶ֖םH1544drekgodenidol15וְדָ֣םH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent16תִּשְׁפֹּ֑כוּH8210vergoten, uitgieten, stortcast (up), gush out, pour (out), shed(-der, out), slip17וְהָאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world18תִּירָֽשׁוּH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly
26Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Gij staatH5975opH5921 ulieder zwaardH2719; gij doetH6213gruwelH8441, en verontreinigtH2930, een iederH376 de huisvrouwH802 zijns naastenH7453; en zoudt gij het landH776erfelijkH3423 bezitten?Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
KJVYe stand1upon your sword,3ye work4abomination,5and ye defile10every one6his neighbour's9wife:8and shall ye possess12the land?
1עֲמַדְתֶּ֤םH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry2עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3חַרְבְּכֶם֙H2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool4עֲשִׂיתֶ֣ןH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5תּוֹעֵבָ֔הH8441gruwelen, gruwel, gruwelijkeabominable (custom, thing), abomination6וְאִ֛ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8אֵ֥שֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English9רֵעֵ֖הוּH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other10טִמֵּאתֶ֑םH2930onrein, verontreinigd, verontreinigendefile (self), pollute (self), be (make, make self, pronounce) unclean, [idiom] utterly11וְהָאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world12תִּירָֽשׁוּH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly
27Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27Alzo zult gij totH413 hen zeggenH559: De HeereH136HEEREH3069zegtH559alzoH3541: Zo waarachtig als IkH589leefH2416, indienH518nietH3808, die in dieH834woesteH2723 plaatsen zijn, door het zwaardH2719 zullen vallenH5307, en zo Ik niet dien, die in het openH6440veldH7704 is, het wild gedierteH2416overgeveH5414, dat het hem vreteH398, en dieH834 in de vestingenH4679 en in de spelonkenH4631 zijn, door de pestilentieH1698 zullen stervenH4191!Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!
KJVSay2thou thus unto them, Thus saith5the Lord6GOD;7As I live,8surely they that are in the wastes13shall fall15by the sword,14and him that is in the open18field19will I give21to the beasts20to be devoured,22and they that be in the fortsand in the caves25shall die27of the pestilence.
1כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2תֹאמַ֨רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֲלֵהֶ֜םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4כֹּהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder5אָמַ֨רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord7יְהוִה֮H3069HEERE, HEEREN, HeereGod8חַיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop9אָנִי֒H589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who10אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet11לֹ֞אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13בֶּֽחֳרָבוֹת֙H2723woestheid, woeste plaatsen, verwoeste plaatsendecayed place, desolate (place, -tion), destruction, (laid) waste (place)14בַּחֶ֣רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool15יִפֹּ֔לוּH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down16וַֽאֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18פְּנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you19הַשָּׂדֶ֔הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild20לַחַיָּ֥הH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop21נְתַתִּ֖יוH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield22לְאָכְל֑וֹH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite23וַאֲשֶׁ֛רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection24בַּמְּצָד֥וֹתH4686Burg, vesting, burgcastle, defense, fort(-ress), (strong) hold, be hunted, net, snare, strong place25וּבַמְּעָר֖וֹתH4631spelonk, spelonkencave, den, hole26בַּדֶּ֥בֶרH1698pestilentie, pest, pestilentienmurrain, pestilence, plague27יָמֽוּתוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
28Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Want Ik zal het landH776 tot een verwoestingH4923 en een schrikH8077stellenH5414, en de hovaardijH1347 zijner sterkteH5797 zal ophoudenH7673; en de bergenH2022IsraelsH3478 zullen woestH8074 zijn, dat er niemandH369overgaH5674.Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga.
KJVFor I will lay1the land3most5desolate,4and the pomp7of her strength8shall cease;6and the mountains10of Israel11shall be desolate,9that none shall pass through.
1וְנָתַתִּ֤יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3הָאָ֨רֶץ֙H776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world4שְׁמָמָ֣הH8077verwoesting, woest, woeste(laid, [idiom] most) desolate(-ion), waste5וּמְשַׁמָּ֔הH4923verwoesting, ontzetting, verwoestingenastonishment, desolate6וְנִשְׁבַּ֖תH7673ophouden, rusten, houdt(cause to, let, make to) cease, celebrate, cause (make) to fail, keep (sabbath), suffer to be lacking, leave, put away (down), (make to) rest, rid, still, take away7גְּא֣וֹןH1347hovaardij, hoogmoed, heerlijkheidarrogancy, excellency(-lent), majesty, pomp, pride, proud, swelling8עֻזָּ֑הּH5797sterkte, Sterkte, sterkeboldness, loud, might, power, strength, strong9וְשָֽׁמְמ֛וּH8074verwoest, verwoeste, ontzettenmake amazed, be astonied, (be an) astonish(-ment), (be, bring into, unto, lay, lie, make) desolate(-ion, places), be destitute, destroy (self), (lay, lie, make) waste, wonder10הָרֵ֥יH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion11יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12מֵאֵ֥יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)13עוֹבֵֽרH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath
29Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Dan zullen zij wetenH3045, dat IkH589 de HEEREH3068 ben, alsH3588 Ik het landH776 tot een verwoestingH4923 en een schrikH8077 zal gesteldH5414 hebben, om alH3605 hun gruwelenH8441, dieH834 zij gedaanH6213 hebben.Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.
KJVThen shall they know1that I am the LORD,4when I have laid5the land7most9desolate8because of all their abominations12which they have committed.
1וְיָדְע֖וּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot2כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who4יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5בְּתִתִּ֤יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הָאָ֨רֶץ֙H776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8שְׁמָמָ֣הH8077verwoesting, woest, woeste(laid, [idiom] most) desolate(-ion), waste9וּמְשַׁמָּ֔הH4923verwoesting, ontzetting, verwoestingenastonishment, desolate10עַ֥לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12תּוֹעֲבֹתָ֖םH8441gruwelen, gruwel, gruwelijkeabominable (custom, thing), abomination13אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14עָשֽׂוּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
30En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30En gijH859, o mensenkindH1121! de kinderenH1121 uws volksH5971sprekenH1696 steeds van u bij de wandenH7023 en in de deurenH6607 der huizenH1004; en de een spreektH1696metH854 den anderH259, een iegelijkH376metH854 zijn broederH251, zeggendeH559: KomtH935tochH4994 en hoortH8085, watH4100 het woordH1697 zij, dat vanH854 den HEEREH3068voortkomtH3318.En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
KJVAlso, thou son2of man,3the children4of thy people5still are talking6against8thee by the walls9and in the doors10of the houses,11and speak12one13to another,15every one16to his brother,18saying,19Come,20I pray you, and hear22what is the word24that cometh forth25from the LORD.
1וְאַתָּ֣הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you2בֶןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3אָדָ֔םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person4בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5עַמְּךָ֗H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people6הַנִּדְבָּרִ֤יםH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work7בְּךָ֙8אֵ֣צֶלH681bij, naast, nevensat, (hard) by, (from) (beside), near (unto), toward, with. See also H1018 (בֵּית הָאֵצֶל)9הַקִּיר֔וֹתH7023wand, wanden, metselaars[phrase] mason, side, town, [idiom] very, wall10וּבְפִתְחֵ֖יH6607deur, deuren, ingangdoor, entering (in), entrance (-ry), gate, opening, place11הַבָּתִּ֑יםH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)12וְדִבֶּרH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work13חַ֣דH2297one14אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix15אַחַ֗דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,16אִ֤ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)17אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix18אָחִיו֙H251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'19לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet20בֹּֽאוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way21נָ֣אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh22וְשִׁמְע֔וּH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness23מָ֣הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why24הַדָּבָ֔רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work25הַיּוֹצֵ֖אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter26מֵאֵ֥תH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix27יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
31En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31En zij komenH935totH413 u, gelijk het volkH5971 pleegt te komen, en zittenH3427 voor uw aangezichtH6440 als Mijn volkH5971, en horenH8085 uw woordenH1697, maar zij doen ze nietH3808; wantH3588 zij maken liefkozingenH5690 met hun mondH6310, maar hunH1992hartH3820wandeltH1980 hun gierigheidH1215naH310.En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.
Ook in dit vers
pleegt komenH3996
KJVAnd they come1unto thee as the people4cometh,3and they sit5before6thee as my people,7and they hear8thy words,10but they will not do13them: for with their mouth16they shew18much love,15but their heart21goeth22after19their covetousness.
1וְיָב֣וֹאוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2אֵ֠לֶיךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3כִּמְבוֹאH3996ingang, ondergang, ingangenby which came, as cometh, in coming, as men enter into, entering, entrance into, entry, where goeth, going down, [phrase] westward. Compare H4126 (מוֹבָא)4עָ֞םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5וְיֵשְׁב֤וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6לְפָנֶ֨יךָ֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you7עַמִּ֔יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people8וְשָֽׁמְעוּ֙H8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10דְּבָרֶ֔יךָH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work11וְאוֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without13יַֽעֲשׂ֑וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15עֲגָבִ֤יםH5690liefkozingen, minnenmuch love, very lovely16בְּפִיהֶם֙H6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word17הֵ֣מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye18עֹשִׂ֔יםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use19אַחֲרֵ֥יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with20בִצְעָ֖םH1215gierigheid, gewin, nuttigheidcovetousness, (dishonest) gain, lucre, profit21לִבָּ֥םH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom22הֹלֵֽךְH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl
32En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En zietH2005, gij zijt hun als een liedH7892 der minnenH5690, als een, die schoonH3303 van stemH6963 is, of die wel speeltH5059; daarom horenH8085 zij uw woordenH1697, maar zij doenH6213 ze nietH369.En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
KJVAnd, lo, thou art unto them as a very lovely4song3of one that hath a pleasant5voice,6and can play well7on an instrument:8for they hear9thy words,11but they do
1וְהִנְּךָ֤H2005ziet, ziebehold, if, lo, though2לָהֶם֙3כְּשִׁ֣ירH7892lied, gezang, liederenmusical(-ick), [idiom] sing(-er, -ing), song4עֲגָבִ֔יםH5690liefkozingen, minnenmuch love, very lovely5יְפֵ֥הH3303schoon, schone, schoonste[phrase] beautiful, beauty, comely, fair(-est, one), [phrase] goodly, pleasant, well6ק֖וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell7וּמֵטִ֣בH2895goeddunkt, goed, beterbe (do) better, cheer, be (do, seem) good, (make) goodly, [idiom] please, (be, do, go, play) well8נַגֵּ֑ןH5059spelen, speelde snarenspel, speelmanplayer on instruments, sing to the stringed instruments, melody, ministrel, play(-er, -ing)9וְשָֽׁמְעוּ֙H8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11דְּבָרֶ֔יךָH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12וְעֹשִׂ֥יםH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use13אֵינָ֖םH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)14אוֹתָֽםH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)
33Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33Maar als dat komtH935 (zieH2009, het zal komen!) dan zullen zij wetenH3045, datH3588 er een profeetH5030 in het middenH8432 van hen geweest is.Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.
KJVAnd when this cometh to pass,1(lo, it will come,)3then shall they know4that a prophet6hath been among
1וּבְבֹאָ֑הּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2הִנֵּ֣הH2009ziet, ziebehold, lo, see3בָאָ֔הH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4וְיָ֣דְע֔וּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot5כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6נָבִ֖יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet7הָיָ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8בְתוֹכָֽםH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Ezechiël 33:2— Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;Ezechiël 3:11→Ezechiël 33:17→Ezechiël 33:30→Jeremia 12:12→Ezechiël 14:17→Zacharia 13:7→Ezechiël 21:9→Ezechiël 6:3→
Ezechiël 33:3— En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;Hosea 8:1→Nehemia 4:20→Nehemia 4:18→Joël 2:1→Jesaja 58:1→Jeremia 51:27→Jeremia 6:1→Ezechiël 33:8→
Ezechiël 33:4— En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.Ezechiël 18:13→2 Kronieken 25:16→Handelingen 18:6→Jeremia 6:17→Ezechiël 33:5→Ezechiël 33:9→Zacharia 1:2→Jakobus 1:22→
Ezechiël 33:5— Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.Exodus 9:19→Hebreeën 11:7→Handelingen 2:37→Psalmen 95:7→Johannes 8:39→Jesaja 51:2→2 Koningen 6:10→Hebreeën 2:1→
Ezechiël 33:6— Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.Ezechiël 3:18→2 Samuël 4:11→Ezechiël 33:8→Ezechiël 18:24→Ezechiël 18:20→Spreuken 14:32→Genesis 9:5→Jesaja 56:10→
Ezechiël 33:7— Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.Jeremia 26:2→Handelingen 5:20→Ezechiël 2:7→Ezechiël 3:17→Jeremia 1:17→Jesaja 62:6→Jeremia 23:28→Efeze 4:11→
Ezechiël 33:8— Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.Ezechiël 33:14→Ezechiël 18:4→Jesaja 3:11→Ezechiël 18:18→Ezechiël 33:6→Ezechiël 18:20→Jeremia 8:11→Genesis 3:4→
Ezechiël 33:9— Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.Ezechiël 3:19→Ezechiël 3:21→Handelingen 13:46→Handelingen 13:40→Efeze 5:3→Hebreeën 12:25→Spreuken 29:1→Handelingen 20:26→
Ezechiël 33:10— Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?Leviticus 26:39→Ezechiël 24:23→Jesaja 49:14→Ezechiël 37:11→Ezechiël 4:17→Jesaja 51:20→Jeremia 2:25→Psalmen 130:7→
Ezechiël 33:11— Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?Ezechiël 18:23→1 Timotheüs 2:4→2 Petrus 3:9→Jesaja 55:6→Ezechiël 18:30→Numeri 14:21→Hosea 11:8→Jesaja 49:18→
Ezechiël 33:12— Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.2 Kronieken 7:14→Ezechiël 18:21→Romeinen 3:25→Ezechiël 33:18→1 Johannes 2:1→Ezechiël 3:20→Ezechiël 33:2→Ezechiël 18:24→
Ezechiël 33:13— Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.Ezechiël 18:24→Hebreeën 10:38→Ezechiël 18:4→2 Petrus 2:20→Ezechiël 3:20→Lukas 18:9→Filippenzen 3:9→1 Johannes 2:19→
Ezechiël 33:14— Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;Ezechiël 18:27→Jesaja 55:7→Hosea 14:1→Ezechiël 33:8→Jeremia 18:7→Micha 6:8→Spreuken 28:13→Lukas 13:3→
Ezechiël 33:15— Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven.Ezechiël 20:11→Lukas 19:8→Exodus 22:1→Ezechiël 18:7→Leviticus 6:2→Leviticus 18:5→Amos 2:8→Ezechiël 18:16→
Ezechiël 33:16— Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.Ezechiël 18:22→Jesaja 43:25→Jesaja 1:18→Romeinen 5:16→1 Johannes 2:1→Romeinen 5:21→Micha 7:18→Jesaja 44:22→
Ezechiël 33:17— Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.Ezechiël 18:25→Ezechiël 18:29→Mattheüs 25:24→Ezechiël 33:20→Lukas 19:21→Job 35:2→Job 40:8→
Ezechiël 33:18— Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.Ezechiël 33:12→2 Petrus 2:20→Ezechiël 18:26→Ezechiël 3:20→Hebreeën 10:38→
Ezechiël 33:19— En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.Ezechiël 18:27→Ezechiël 33:14→
Ezechiël 33:20— Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!Ezechiël 18:25→Openbaring 22:12→Openbaring 20:12→Spreuken 19:3→Johannes 5:29→Ezechiël 18:29→Prediker 12:14→Ezechiël 33:17→
Ezechiël 33:21— En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.2 Koningen 25:10→Ezechiël 1:2→2 Koningen 25:4→Ezechiël 40:1→Ezechiël 24:26→Jeremia 39:1→Ezechiël 32:1→2 Koningen 24:4→
Ezechiël 33:22— Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.Ezechiël 1:3→Ezechiël 3:26→Ezechiël 37:1→Ezechiël 24:26→Lukas 1:64→Ezechiël 40:1→Ezechiël 3:22→
Ezechiël 33:24— Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.Jesaja 51:2→Ezechiël 33:27→Handelingen 7:5→Lukas 3:8→Jeremia 40:7→Ezechiël 36:4→Jeremia 39:10→Mattheüs 3:9→
Ezechiël 33:25— Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?Deuteronomium 12:16→Genesis 9:4→Jeremia 7:9→Ezechiël 18:6→Ezechiël 22:6→Ezechiël 22:27→Leviticus 3:17→Psalmen 24:4→
Ezechiël 33:26— Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?Micha 2:1→Genesis 27:40→Sefanja 3:3→Leviticus 18:25→Jozua 23:15→Ezechiël 18:15→Psalmen 94:20→Leviticus 20:22→
Ezechiël 33:27— Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!Jeremia 42:22→1 Samuël 13:6→Ezechiël 39:4→1 Samuël 23:14→Ezechiël 6:11→Jeremia 44:12→Ezechiël 5:12→Richteren 6:2→
Ezechiël 33:28— Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga.Ezechiël 7:24→Ezechiël 24:21→Micha 7:13→Jeremia 44:2→Ezechiël 6:14→Jeremia 44:6→Jeremia 44:22→Ezechiël 15:8→
Ezechiël 33:29— Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.Ezechiël 6:7→Jeremia 5:25→2 Kronieken 36:14→Jeremia 5:1→2 Koningen 17:9→Exodus 14:18→Ezechiël 23:49→Ezechiël 22:2→
Ezechiël 33:30— En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.Jesaja 58:2→Jesaja 29:13→Jeremia 42:1→Jeremia 11:18→Jeremia 42:20→Jeremia 23:35→Jeremia 18:18→Mattheüs 15:8→
Ezechiël 33:31— En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.Psalmen 78:36→Mattheüs 13:22→Jesaja 29:13→Jakobus 1:22→Lukas 11:28→Jesaja 28:13→Jakobus 2:14→Ezechiël 8:1→
Ezechiël 33:32— En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.Markus 6:20→Markus 4:16→Johannes 5:35→
Ezechiël 33:33— Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.Ezechiël 2:5→Jeremia 28:9→Lukas 10:11→1 Samuël 3:19→Ezechiël 33:29→2 Koningen 5:8→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Ezechiël 33 vers 2— Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;
Wanneer Ik
Hebreeuws, een land, wanneer Ik het zwaar over, tegen, of in hetzelve zal brengen.
Hertaald:Wanneer Ik
Hebreeuws: een land, wanneer Ik het zwaard daarover, daartegen of daarin zal brengen.
zwaard over enig land breng,
Dat is, oorlog, vijandelijken inval, met den aankleve van dien, door mijn rechtvaardig oordeel toeschik.
Hertaald:zwaard over enig land breng,
Dat is: wanneer Ik door Mijn rechtvaardig oordeel oorlog en vijandelijke inval met alles wat daarbij hoort toeschik.
einden nemen,
Dat is, slechtelijk zoveel als uit, of onder hen, of uit hunne frontieren, uiterste grenzen, waar de wachter gemeenlijk gesteld worden om op alle aankomsten te letten. Zie verscheiden gebruik dezer manier van spreken Gen. 47:2 ; Richt. 18:2 ; 1 Kon. 12:31 ; idem Gen. 19:4 ; Jes. 56:11 , in de aantekening.
Hertaald:einden nemen,
Dat is: eenvoudig zoveel als: uit of onder hen, of uit hun grensgebieden, waar de wachters gewoonlijk gesteld worden om op alles wat aankomt te letten. Zie het uiteenlopende gebruik van deze manier van spreken in Gen. 47:2; Richt. 18:2; 1 Kon. 12:31; eveneens Gen. 19:4 en Jes. 56:11 met de aantekening.
Ezechiël 33 vers 3— En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;
komen over het land,
Hebreeuws, komende.
Hertaald:komen over het land,
Hebreeuws: komende.
Ezechiël 33 vers 4— En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.
op zijn hoofd
Dat is, hij is de oorzaak en draagt de schuld van zijn eigen verderf. Vergelijk Lev. 20:9 , met de aantekening, en zo in het volgende.
Hertaald:op zijn hoofd
Dat is: hij is de oorzaak van zijn eigen verderf en draagt daarvan de schuld. Vergelijk Lev. 20:9 met de aantekening, en zo ook in het vervolg.
Ezechiël 33 vers 5— Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.
ziel
Dat is, leven, of persoon, zichzelven. Zie Gen. 12:5 , en Gen. 19:17 , met de aantekening.
Hertaald:ziel
Dat is: leven, of persoon, zichzelf. Zie Gen. 12:5 en Gen. 19:17 met de aantekening.
Ezechiël 33 vers 6— Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.
ziel uit hen weg;
Dat is, een persoon, of iemand, gelijk boven.
Hertaald:ziel uit hen weg;
Dat is: een persoon, of iemand, zoals hierboven.
die is wel
Ik heb hem wel door mijn verborgen regering deze straf rechtvaardig toegeschikt, maar dat zal den trouwelozen wachter niet ontschuldigen.
Hertaald:die is wel
Ik heb hem deze straf wel door Mijn verborgen bestuur rechtvaardig toegeschikt, maar dat zal de trouweloze wachter niet verontschuldigen.
bloed zal Ik
Gelijk boven Ezech. 3:18 .
Hertaald:bloed zal Ik
Zoals hierboven Ezech. 3:18.
Ezechiël 33 vers 7— Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
Ik heb u tot een wachter gesteld
Vergelijk deze plaats met boven Ezech. 3:17 , enz. en zie de aantekening aldaar.
Hertaald:Ik heb u tot een wachter gesteld
Vergelijk deze plaats met hierboven Ezech. 3:17 enzovoort, en zie de aantekening daar.
Ezechiël 33 vers 8— Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
eisen
Of, zoeken.
Hertaald:eisen
Of: zoeken.
Ezechiël 33 vers 10— Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
op ons zijn,
Dat is, wij dragen de straffen van dien; vergelijk boven Ezech. 32:27 ; zie Lev. 5:1 .
Hertaald:op ons zijn,
Dat is: wij dragen de straf daarvan; vergelijk hierboven Ezech. 32:27; zie Lev. 5:1.
versmachten,
Volgens Gods dreigementen; vergelijk boven Ezech. 24:23 ; zie aldaar.
leven?
Gelijk Gij ons belooft, maar [willen zij zeggen] wij bevinden het tegendeel inderdaad; alzo murmureerden zij over Gods plagen, zonder te letten op hunne bekering, waarop de beloften van het leven gingen.
Hertaald:leven?
Namelijk zoals U ons belooft; maar, willen zij zeggen, wij ondervinden metterdaad het tegendeel. Zo mopperden zij over Gods plagen zonder te letten op hun bekering, waaraan de beloften van het leven verbonden waren.
Ezechiël 33 vers 11— Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?
zo Ik lust heb
Een afgebroken rede in het eedzweren gebruikelijk; zie Num. 14:23 .
Hertaald:zo Ik lust heb
Een afgebroken zin, zoals gebruikelijk is bij het zweren van een eed; zie Num. 14:23.
dood des goddelozen
Gelijk gij meent en klaagt dat Ik belust ben om u te doden, ofschoon gij u van uwe boosheid bekeerdet, alsof het evenveel bij mij is of gij u bekeert of niet, hoe gij het ook maakt, wel of kwalijk, gij moet er evenzeer aan, gelijk goddelozen murmureerders en huichelaars plegen te spreken; vergelijk boven Ezech. 18:23 , met de aantekening.
Hertaald:dood des goddelozen
Namelijk zoals u meent en klaagt dat Ik erop belust ben u te doden, ook al zou u zich van uw boosheid bekeren, alsof het Mij om het even is of u zich bekeert of niet — hoe u het ook maakt, goed of slecht, u moet er evengoed aan. Zo plegen goddeloze mopperaars en huichelaars te spreken; vergelijk hierboven Ezech. 18:23 met de aantekening.
Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen,
Dat is de zaak [wil God zeggen] daar schort het u, dat gij al in uwe goddeloosheid blijft, en evenwel tegen mijne plagen murmureert, in plaats dat gij u moest bekeren.
Hertaald:Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen,
Dat is de zaak waar het om gaat, wil God zeggen: daar schort het u aan, dat u maar in uw goddeloosheid blijft en toch over Mijn plagen moppert, in plaats van u te bekeren.
waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?
Alsof God zeide: Hoe blijft gij zo dwaas, dat gij uw eigen verderf u op den hals haalt door uwe onbekeerlijkheid? Zo gij zo wilt voortgaan, kan u toch niets anders overkomen dan dat gij in uwe verkeerdheid moet sterven en bederven. Bedenkt dit toch eens terdege, tot uw eigen best.
Hertaald:waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?
Alsof God zei: hoe kunt u zo dwaas blijven dat u uw eigen verderf op de hals haalt door uw onbekeerlijkheid? Als u zo wilt doorgaan, kan u toch niets anders overkomen dan dat u in uw verkeerdheid moet sterven en te gronde gaan. Bedenk dat toch eens terdege, tot uw eigen bestwil.
Ezechiël 33 vers 12— Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.
rechtvaardigen
Zie boven Ezech. 3:20 , en Ezech. 18:24 , met de aantekening.
Hertaald:rechtvaardigen
Zie hierboven Ezech. 3:20 en Ezech. 18:24 met de aantekening.
hem niet redden
Den voorzegden genoemden en gehouden rechtvaardige.
Hertaald:hem niet redden
Namelijk de zojuist genoemde rechtvaardige, die daarvoor gehouden werd.
overtreding;
Of, zijns afvals.
Hertaald:overtreding;
Of: van zijn afval.
vallen,
Dat is, omkomen door mijne straffen, waarvan hier eigenlijk gesproken wordt; zie Gen. 14:10 .
Hertaald:vallen,
Dat is: omkomen door Mijn straffen, waarover het hier eigenlijk gaat; zie Gen. 14:10.
Gerechtigheid]
Vermeld vs.12.
Hertaald:Gerechtigheid]
Namelijk zoals in vers 12 vermeld is.
Ezechiël 33 vers 13— Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
zekerlijk leven zal,
Hebreeuws, levende leven; onder voorwaarde van oprechtheid en volharding tot het einde.
Hertaald:zekerlijk leven zal,
Hebreeuws: levende leven; onder voorwaarde van oprechtheid en volharding tot het einde.
Ezechiël 33 vers 14— Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;
den dood sterven
Hebreeuws, stervende sterven; zo gij u niet bekeert.
Hertaald:den dood sterven
Hebreeuws: stervende sterven; namelijk als u zich niet bekeert.
Ezechiël 33 vers 15— Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven.
pand weder,
Gelijk boven Ezech. 18:7 .
Hertaald:pand weder,
Zoals hierboven Ezech. 18:7.
betaalt hij het geroofde,
Zie Ex. 22:1 , Ex. 22:4 ; Lev. 6:2 , Lev. 6:4 ; Num. 5:6-7 .
Hertaald:betaalt hij het geroofde,
Zie Ex. 22:1, Ex. 22:4; Lev. 6:2, Lev. 6:4; Num. 5:6-7.
zekerlijk leven,
Hebreeuws, levende leven. Alzo in vs.16.
Hertaald:zekerlijk leven,
Hebreeuws: levende leven. Zo ook in vers 16.
Ezechiël 33 vers 16— Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.
hem niet gedacht worden;
Zie Ps. 79:8 .
Hertaald:hem niet gedacht worden;
Zie Ps. 79:8.
Ezechiël 33 vers 17— Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.
Nog zeggen de kinderen uws volks
Vergelijk boven Ezech. 18:25 , met de aantekening.
Hertaald:Nog zeggen de kinderen uws volks
Vergelijk hierboven Ezech. 18:25 met de aantekening.
Ezechiël 33 vers 20— Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!
Ik zal ulieden richten,
Dit is een kort en bondig goddelijk besluit van dit gehele dispuut tussen God en zijn onboetvaardig murmurerende volk.
Hertaald:Ik zal ulieden richten,
Dit is een kort en bondig goddelijk besluit van dit hele twistgesprek tussen God en Zijn onboetvaardig mopperende volk.
Ezechiël 33 vers 21— En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
onzer gevankelijke wegvoering,
Met Jojachin of Jechonia. Vergelijk boven Ezech. 1:2 , en Ezech. 24:1 , en onder Ezech. 40:1 ; Jer. 29:10 , met de aantekening.
Hertaald:onzer gevankelijke wegvoering,
Namelijk met Jojachin of Jechonja. Vergelijk hierboven Ezech. 1:2 en Ezech. 24:1, en hieronder Ezech. 40:1; Jer. 29:10 met de aantekening.
tiende maand,
In het kerkelijk jaar genoemd Tebeth, passende op onzen December en Januari; nadat Jeruzalem op den negenden van de vierde maand van het vorige jaar door den koning van Babel, in het negentiende jaar zijner regering, was gewonnen, en zijn overste Nebuzaradan op den zevenden van de vijfde maand daar binnen was getogen; 2 Kon. 25:3 , 2 Kon. 25:8 ; Jer. 39:2 .
Hertaald:tiende maand,
In het kerkelijke jaar Tebeth genoemd, wat overeenkomt met onze december en januari. Dat was nadat Jeruzalem op de negende van de vierde maand van het vorige jaar door de koning van Babel, in het negentiende jaar van zijn regering, veroverd was en zijn bevelhebber Nebuzaradan er op de zevende van de vijfde maand binnengetrokken was; 2 Kon. 25:3, 2 Kon. 25:8; Jer. 39:2.
tot mij kwam,
Volgens Gods voorzegging, boven Ezech. 24:26 .
stad is geslagen
Jeruzalem is ingenomen en verwoest, en velen der inwoners zijn omgebracht; alzo 1 Sam. 30:1 ; 2 Sam. 15:14 ; 2 Kon. 3:19 ; 1 Kron. 20:1 , en onder Ezech. 40:1 ; vergelijk Jer. 43:11 , en Jer. 46:13 , en Jer. 47:1 , enz.
Hertaald:stad is geslagen
Dat is: Jeruzalem is ingenomen en verwoest en veel inwoners zijn omgebracht; zo ook 1 Sam. 30:1; 2 Sam. 15:14; 2 Kon. 3:19; 1 Kron. 20:1, en hieronder Ezech. 40:1; vergelijk Jer. 43:11, Jer. 46:13 en Jer. 47:1, enzovoort.
Ezechiël 33 vers 22— Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.
hand des HEEREN op mij geweest des avonds,
Zie boven Ezech. 1:3 .
Hertaald:hand des HEEREN op mij geweest des avonds,
Zie hierboven Ezech. 1:3.
hij des morgens
De voorzegde boodschapper.
Hertaald:hij des morgens
Namelijk de voorzegde boodschapper.
stom
Gelijk hem ook van den Heere was voorzegd, boven Ezech. 24:27 ; vergelijk Ezech. 3:26 , met de aantekening.
Hertaald:stom
Zoals hem ook door de Heere voorzegd was, hierboven Ezech. 24:27; vergelijk Ezech. 3:26 met de aantekening.
Ezechiël 33 vers 24— Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.
inwoners van die woeste plaatsen
Die overgebleven zijn in het verwoeste Kanaän, nadat Jeruzalem verheerd, het meeste volk weggevoerd en het land verwoest was door de Babyloniërs.
Hertaald:inwoners van die woeste plaatsen
Namelijk zij die overgebleven waren in het verwoeste Kanaän, nadat Jeruzalem overweldigd was, het grootste deel van het volk weggevoerd en het land door de Babyloniërs verwoest.
enig man,
Alsof zij zeiden: God heeft Abraham dit land niet beloofd om zijnentwil, want hij had zo groot land niet van node, en heeft het ook nooit geheel bewoond, maar om zijne kinderen en nakomelingen, die wij nu zijn. [Vergelijk Jes. 51:2 ; Joh. 8:33 , enz.] En of wij nu wel minder zijn in getal dan tevoren, evenwel zijn wij de rechte erfgenamen en zullen er wil inblijven. Zo vertwijfeld hardnekkig waren deze mensen, niettegenstaande zij Gods straffende hand voor ogen zagen.
Hertaald:enig man,
Alsof zij zeiden: God heeft Abraham dit land niet omwille van hemzelf beloofd, want hij had zo'n groot land niet nodig en heeft het ook nooit helemaal bewoond, maar omwille van zijn kinderen en nakomelingen, die wij nu zijn (vergelijk Jes. 51:2; Joh. 8:33, enzovoort). En al zijn wij nu minder in aantal dan tevoren, wij zijn toch de rechtmatige erfgenamen en wij zullen erin blijven. Zo wanhopig hardnekkig waren deze mensen, hoewel zij Gods straffende hand voor ogen zagen.
Ezechiël 33 vers 25— Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
Gij eet vlees
Of, zoudt gij, enz. of omdat gij bloed eet, en zo in de volgende woorden.
Hertaald:Gij eet vlees
Of: zou u, enzovoort; of: omdat u bloed eet, en zo ook in de volgende woorden.
bloed,
Tegen de wet; Gen. 9:4 ; Lev. 7:26 , en Lev. 17:10 , en Lev. 19:26 ; Deut. 12:16 .
Hertaald:bloed,
Namelijk tegen de wet; Gen. 9:4; Lev. 7:26, Lev. 17:10 en Lev. 19:26; Deut. 12:16.
heft uw ogen op tot uw drekgoden,
Zie boven Ezech. 18:6 .
Hertaald:heft uw ogen op tot uw drekgoden,
Zie hierboven Ezech. 18:6.
en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
Geenszins, wil God zeggen: Ik heb u het land beloofd met voorwaarde van gehoorzaamheid, maar uwe ongehoorzaamheid is openbaar, gelijk het voorgaande en volgende uitwijst.
Hertaald:en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
Volstrekt niet, wil God zeggen: Ik heb u het land beloofd op voorwaarde van gehoorzaamheid, maar uw ongehoorzaamheid ligt open en bloot, zoals het voorgaande en het volgende uitwijzen.
Ezechiël 33 vers 26— Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
staat op ulieder zwaard;
Of, hebt gestaan; dat is, vertrouwd op uwe strijdbaarheid, menende u daardoor in het land staande te houden; of gij zijt steeds gereed met uwe zwaarden, als degenen, die hunne naasten geweld willen aandoen; vergelijk de manier van spreken met boven Ezech. 31:14 .
Hertaald:staat op ulieder zwaard;
Of: u hebt gestaan; dat is: u hebt vertrouwd op uw strijdbaarheid, menend u daardoor in het land staande te houden. Of: u staat steeds gereed met uw zwaarden, als mensen die hun naasten geweld willen aandoen; vergelijk de uitdrukking hierboven Ezech. 31:14.
verontreinigt,
Door onkuischheid en overspel.
Hertaald:verontreinigt,
Namelijk door onkuisheid en overspel.
Ezechiël 33 vers 27— Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!
Zo waarachtig als Ik leef,
Manier van eedzweren, gelijk boven vs.11.
Hertaald:Zo waarachtig als Ik leef,
Een manier van eedzweren, zoals hierboven vers 11.
open veld is,
Hebreeuws, aangezicht des velds.
Hertaald:open veld is,
Hebreeuws: het aangezicht van het veld.
spelonken zijn,
Waar zij zich menen te bergen en te verzekeren; zie Richt. 6:2 , met de aantekening.
Hertaald:spelonken zijn,
Waar zij menen zich te kunnen bergen en veilig te stellen; zie Richt. 6:2 met de aantekening.
Ezechiël 33 vers 28— Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga.
verwoesting en een schrik stellen,
Of, tot de uiterste, of tot enkel verwoesting, of ontzetting. Of tot verwoestingen, of ja verwoesting; alzo het Hebreeuwse woord de betekenis heeft van verwoesten, en zich ontzetten, schrikken; alzo onder Ezech. 35:3 , Ezech. 35:7 .
Hertaald:verwoesting en een schrik stellen,
Of: tot de uiterste verwoesting, of tot enkel verwoesting of ontzetting. Of: tot verwoestingen, ja verwoesting; het Hebreeuwse woord heeft namelijk zowel de betekenis van verwoesten als van zich ontzetten en schrikken; zo ook hieronder Ezech. 35:3 en Ezech. 35:7.
bergen Israëls
Israëls bergachtig land.
Hertaald:bergen Israëls
Namelijk het bergachtige land van Israël.
Ezechiël 33 vers 30— En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
wanden en in de deuren der huizen;
Gelijk naburen, aan de wanden der huizen en in de deuren, met elkander een praatje plegen te houden.
Hertaald:wanden en in de deuren der huizen;
Zoals buren aan de wanden van de huizen en in de deuropening met elkaar een praatje plegen te maken.
Ezechiël 33 vers 31— En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.
pleegt te komen,
Met menigte in de heilige vergaderingen om Gods woord te horen. Hebreeuws, gelijk de inkomst des volks.
Hertaald:pleegt te komen,
Namelijk in grote menigte naar de heilige samenkomsten om Gods Woord te horen. Hebreeuws: zoals de inkomst van het volk.
zitten voor uw aangezicht
Vergelijk boven Ezech. 8:1 .
Hertaald:zitten voor uw aangezicht
Vergelijk hierboven Ezech. 8:1.
maken liefkozingen met hun mond,
Dat is, zij vleien u, roemende uwe profetieën met huichelachtige gemaakte gebaren, vanwege derzelver sierlijkheid, alsof zij zeiden: Ei, o, hoe schoon, hoe fraai spreekt hij, enz. Anders: zij maken dezelve [woorden] lieflijk met hunnen mond; dat is, zij bekennen met den mond dat uwe woorden lieflijk zijn, maar enz., de zin op een uitkomende.
Hertaald:maken liefkozingen met hun mond,
Dat is: zij vleien u en roemen uw profetieën met huichelachtige, aangenomen gebaren vanwege de sierlijkheid ervan, alsof zij zeiden: o, wat spreekt hij toch mooi en fraai, enzovoort. Anders: zij maken die woorden lieflijk met hun mond; dat is: zij erkennen met de mond dat uw woorden lieflijk zijn, maar enzovoort — de betekenis komt op hetzelfde neer.
Ezechiël 33 vers 32— En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
lied der minnen,
Of, boelenlied, dat lieflijk luidt, of vol lieflijkheid is.
Hertaald:lied der minnen,
Of: een minnelied, dat lieflijk klinkt of vol lieflijkheid is.
speelt;
Op instrumenten van muziek, gelijk Ps. 33:3 .
Hertaald:speelt;
Namelijk op muziekinstrumenten, zoals Ps. 33:3.
Ezechiël 33 vers 33— Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.
komt (zie, het zal komen)
Dat gij hun van mijnentwege hebt geprofeteerd.
Hertaald:komt (zie, het zal komen)
Namelijk wat u hun van Mijnentwege geprofeteerd hebt.
profeet
Een waarachtig profeet van God gezonden.
Hertaald:profeet
Namelijk een waarachtig profeet, door God gezonden.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De wachter — het ambt waarin de profeet verantwoordelijk is voor het waarschuwen, niet voor de uitkomst (Ezech. 3:17-21)
"Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen" (Ezech. 3:17). Dan worden vier gevallen doorlopen. Waarschuwt hij de goddeloze niet, dan sterft die in zijn ongerechtigheid, "maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen" (Ezech. 3:18). Waarschuwt hij wel en bekeert de man zich niet, dan sterft die in zijn ongerechtigheid, "maar gij hebt uw ziel bevrijd" (Ezech. 3:19). Dezelfde twee mogelijkheden worden daarna doorlopen voor de rechtvaardige die afwijkt (Ezech. 3:20-21). Ditzelfde woord komt in Ezech. 33:1-9 nog een keer, uitgebreider, met het beeld van de wachter op de muur en de bazuin.
Bijbelse betekenis: Merk op waar de verantwoordelijkheid ophoudt. De wachter is aansprakelijk voor het waarschuwen en niet voor het luisteren; wanneer hij gesproken heeft, heeft hij zijn ziel bevrijd, ook als er niets verandert. Dat is een grens die menig prediker en menig ouder nodig heeft. Let vervolgens op waar zij begint. Zwijgen is hier geen neutrale keus: het bloed wordt van zijn hand geëist. Wie iets weet en het niet zegt, deelt in de zaak. Let ten slotte op de vier gevallen samen. Zij zijn opgebouwd als een schema, en dat is met opzet: het gaat om een ambt met vaste regels en niet om een gevoel. Wat een wachter moet doen, hangt niet af van zijn inschatting van de kans op succes. De wachters die in Jesaja genoemd worden, staan in dezelfde lijn (reeds behandeld bij Jes. 62:6).
Typologie: Paulus beroept zich op precies deze regel bij zijn afscheid te Milete: "dat ik rein ben van het bloed van u allen" (Hand. 20:26), en hij zegt erbij dat hij niet achtergehouden heeft hun "al den raad Gods" te verkondigen (Hand. 20:27). En de Hebreeënbrief zegt dat de opzieners waken voor de zielen als die rekenschap geven zullen (Hebr. 13:17).
De stomheid van de profeet — waarom Ezechiël jarenlang niet vrijuit sprak, en wanneer dat ophield (Ezech. 24:25-27)
Aan het begin van het boek is tegen de profeet gezegd: "Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij stom worden zult" (Ezech. 3:26). Er stond meteen bij dat God zijn mond zou opendoen wanneer Hij tot hem sprak (Ezech. 3:27). Hier wordt het einde ervan aangekondigd. Er zal een vluchteling uit Jeruzalem komen (Ezech. 24:26), en dan geldt: "Ten zelven dage zal uw mond bij dien, die ontkomen is, opengedaan worden, en gij zult spreken, en niet meer stom zijn" (Ezech. 24:27). Verderop in het boek gebeurt het ook werkelijk: "Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom" (Ezech. 33:22).
Bijbelse betekenis: Merk op wat die stomheid wel en niet was. Het profeteren zelf is hem niet ontnomen, want hij spreekt in al deze hoofdstukken. Het gaat om het woord tussen de boodschappen door: hij zou hun niet zijn tot een bestraffend man (Ezech. 3:26). Hij was al eerder zelf tot een teken gesteld (reeds behandeld bij Ezech. 12:6), en ook hierin is zijn persoon in dienst genomen. Let vervolgens op het ogenblik waarop het ophoudt. Niet bij een omkeer van het volk, maar bij het bericht dat de stad gevallen is. Zolang men hoopte dat het meeviel, was er weinig te zeggen; toen het gebeurd was, ging de mond open. Let ten slotte op wat er dan volgt. Na dat bericht gaat het boek over op de herders (Ezech. 34:11), op de belofte van een nieuw hart (Ezech. 36:26) en op het dal vol beenderen (Ezech. 37:1-14). Het zwijgen eindigt waar de vertroosting begint.
Typologie: Ook Jesaja werd met zijn kinderen tot een teken gesteld: "ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel" (Jes. 8:18). En Zacharias kon niet spreken totdat het beloofde kind geboren was; toen werd zijn mond geopend en sprak hij, God lovende (Luk. 1:20,64).
De verantwoordelijkheid van de hoorder — de wachtersgelijkenis, nu verteld vanaf de kant van wie luistert (Ezech. 33:1-9)
Het ambt van de wachter is aan het begin van dit boek behandeld (reeds behandeld bij Ezech. 3:17-21). Hier wordt het opnieuw uitgelegd, maar eerst als gelijkenis: wanneer God het zwaard over een land brengt, neemt het volk zelf een man en stelt hem tot wachter (Ezech. 33:2). Hij ziet het zwaard komen en blaast de bazuin (Ezech. 33:3). Dan komt de hoorder aan de beurt: "Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel" (Ezech. 33:5). Pas daarna volgt het andere geval: blaast de wachter niet, "zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen" (Ezech. 33:6). En dan wordt het op de profeet zelf toegepast (Ezech. 33:7).
Bijbelse betekenis: Merk op wat hier nieuw is tegenover Ezech. 3. Daar ging het over de aanstelling en de aansprakelijkheid van de wachter; hier begint het bij het volk, dat de wachter zelf aanstelt omdat het gewaarschuwd wil worden. Let vervolgens op het onderscheid in Ezech. 33:4. Er staat dat de man het geluid wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen. Horen en gewaarschuwd zijn is dus niet hetzelfde; het eerste gebeurt met het oor en het tweede met de voeten. Let ten slotte op de twee kanten samen. De grens uit Ezech. 3 blijft staan: de wachter is aansprakelijk voor het waarschuwen en niet voor het luisteren. Maar het gevaar van de hoorder wordt hier even ernstig genomen als dat van de wachter, en beide staan in één hoofdstuk.
Typologie: De Hebreeënbrief stelt de vraag aan de hoorders zelf: "Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?" (Hebr. 2:3). Ook daar gaat het niet om onwetendheid maar om wat men met het gehoorde doet.
Ezech. 33:1-9; Ezech. 3:17-21; Hebr. 2:3
De omkeer van de rechtvaardige en de goddeloze — twee wegen die alle twee nog kunnen veranderen, en de klacht die daarop volgt (Ezech. 33:10-20)
Het volk zegt: "Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?" (Ezech. 33:10). Het antwoord komt in de vorm van een eed: "zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve" (Ezech. 33:11). Daarna worden de twee wegen doorgenomen. Over de rechtvaardige: "en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden" (Ezech. 33:13). Over de goddeloze die zich bekeert: "hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven" (Ezech. 33:15). En tweemaal klinkt hetzelfde verwijt: "De weg des Heeren is niet recht" (Ezech. 33:17,20).
Bijbelse betekenis: Merk op wat voor soort vraag Ezech. 33:10 is. Het is geen spot maar moedeloosheid: de ballingen tellen hun schuld op en zien geen uitweg meer. Op die vraag volgt geen berekening maar een eed en een nodiging, en dat de HEERE geen lust heeft in de dood is in dit boek al behandeld (reeds behandeld bij Ezech. 18:23). Let vervolgens op waar de rechtvaardige valt. Niet bij een misstap zonder meer, maar daar waar hij op zijn eigen gerechtigheid gaat vertrouwen. Wat een mens voor zijn houvast houdt, wordt hier zijn val. Let ten slotte op het verwijt dat God niet recht handelt. Het komt tweemaal, en beide keren staat het antwoord er in dezelfde adem bij: hun eigen weg is niet recht. Wie zichzelf tot de rechtvaardigen rekent, voelt het als onrecht dat de deur voor de goddeloze opengaat.
Typologie: De Heere Jezus vertelt van twee mannen in de tempel, en het is de tollenaar die gerechtvaardigd naar huis gaat (Luk. 18:14). En Paulus zegt waarin hij gevonden wil worden: "niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is" (Fil. 3:9).
Het beroep op Abraham — een rekensom van de achterblijvers, en het antwoord dat erop volgt (Ezech. 33:23-29)
Na de val van de stad spreken de mensen die in het verwoeste land achtergebleven zijn: "Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting" (Ezech. 33:24). Het antwoord komt in de vorm van een vraag: "Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?" (Ezech. 33:25). Diezelfde vraag wordt in het volgende vers herhaald na een tweede rij verwijten (Ezech. 33:26).
Bijbelse betekenis: Merk op hoe de redenering in elkaar zit. Zij is een rekensom: één man kreeg het land, wij zijn met velen, dus des te meer. Wat weggelaten wordt is de vraag hoe Abraham het kreeg en hoe hij leefde. Let vervolgens op de vorm van het antwoord. God bestrijdt het rekenen niet; Hij zet er hun dagelijkse praktijk naast en vraagt tweemaal of zíj het land bezitten zullen. De erfenis wordt niet ontkend, maar de claim erop wordt naast het leven gelegd. Let ten slotte op de soort dwaling die hier aan het licht komt. Een beroep op de belofte terwijl de geboden gebroken worden, is precies wat de profeten telkens moeten afbreken; het is dezelfde zaak als het roepen om de tempel des HEEREN (reeds behandeld bij Jer. 7:4).
Typologie: Johannes de Doper snijdt dezelfde weg af: "meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader" (Matt. 3:9). En de Heere Jezus zegt het nog scherper: "Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen" (Joh. 8:39).
Ezech. 33:23-29; Jer. 7:4; Matt. 3:9; Joh. 8:39
Een lied der minnen — hoorders die graag komen luisteren en niets doen (Ezech. 33:30-33)
De mensen spreken over de profeet bij de wanden en in de deuren van de huizen, en zij zeggen tegen elkaar: "Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt" (Ezech. 33:30). Zij komen ook werkelijk: "en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet" (Ezech. 33:31). In datzelfde vers staat dat hun hart hun "gierigheid" nawandelt; dat woord ziet in de Statenvertaling op hebzucht. Dan volgt de vergelijking waar dit gedeelte om bekendstaat: "gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet" (Ezech. 33:32). En het slot: "dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is" (Ezech. 33:33).
Bijbelse betekenis: Merk op wanneer dit gezegd wordt. De stad is gevallen en de profeet heeft gelijk gekregen; nu komt iedereen luisteren. Het gebrek zit hier niet in de opkomst en niet in de aandacht. Let vervolgens op de vergelijking zelf. De prediking wordt gehoord zoals men naar een mooi lied luistert: de stem wordt geprezen en het spel bewonderd, en daarmee is het af. Wat gezegd wordt, raakt de zondag wel en de week niet. Let ten slotte op het laatste vers. Zij zullen weten dat er een profeet onder hen geweest is — maar dan pas als het gekomen is. Een boodschap die alleen genoten wordt, wordt later alsnog geloofd, en dan te laat.
Typologie: Jakobus vat het samen: "zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende" (Jak. 1:22). En van Herodes staat er dat hij Johannes in waarde hield en hem graag hoorde (Mark. 6:20), terwijl datzelfde hoofdstuk vertelt hoe het afliep.
Ezechiël 33:1-4.KruisverwijzingenEzechiël 3:11→Ezechiël 18:13→Ezechiël 33:17→Ezechiël 33:30→Hosea 8:1→Nehemia 4:20→2 Kronieken 25:16→Handelingen 18:6→ — En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen; En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd. In dat geval gaat de wachter volkomen vrijuit. Hij heeft zijn plicht gedaan; hij heeft alarm geblazen, en een passend alarm op de bazuin. Hij heeft het onmiddellijk geblazen, zonder talmen of uitstellen. Hij is niet bang geweest de mensen te verontrusten; hij heeft zijn plicht gedaan zonder zich om het gepraat te bekommeren, en hij gaat vrijuit. Gelukkig is hij ook als hij weet dat velen aan het dreigende gevaar ontkomen zijn door op de waarschuwende stoot van de bazuin te letten.
En toch blijkt er zelfs dan een enkeling te zijn die de bazuin hoort en de waarschuwing niet aanneemt. Dat is het droeve deel van onze dienst; het maakt dat zelfs de meest gezegende bediening een zwarte rand houdt. Het kan niet louter blijdschap zijn voor wie de meeste zielen voor God wint. Soms kan hij meevoelen met zijn broeders, de profeten, in hun droeve vraag: “Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?” Luister hiernaar, u die het evangelie hoort en zich toch niet bekeert: let u niet op de waarschuwing, dan zal uw bloed op uw eigen hoofd zijn.
Ezechiël 33:5-6.KruisverwijzingenEzechiël 3:18→2 Samuël 4:11→Ezechiël 33:8→Exodus 9:19→Hebreeën 11:7→Ezechiël 18:24→Ezechiël 18:20→Handelingen 2:37→ — Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel. Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen. Dit is een zeer ernstige waarheid. Zij gaat niet alleen mij aan en de vele dienaren van Christus die hier zijn, maar u allen die de HEERE kent. Ook u bent immers als wachters gesteld over uw gezin, over uw buren, over de klas die u onderwijst of die u onderwijzen moest in de zondagsschool. God geve dat ieder van ons van de zonden van anderen bevrijd mag zijn! Want wij kunnen deelgenoten van hun ongerechtigheid worden, als wij ons getuigenis tegen hen niet uitspreken en hun de gevolgen van hun kwaaddoen niet voorhouden.
In alles wat de wereld aangaat zijn mensen wakker genoeg om hun eigen belang te begrijpen. Er is nauwelijks een koopman die de krant leest zonder haar op de een of andere manier met het oog op zijn eigen zaken te lezen. Ontdekt hij dat hij door het stijgen of dalen van de markten winnen of verliezen zal, dan is dát deel van het nieuws voor hem het belangrijkste. In de staatkunde, ja in alles wat het tijdelijke betreft, gaat het eigenbelang gewoonlijk voorop.
Maar in de godsdienst is het anders. Daar houden mensen van afgetrokken leerstukken en van het spreken over algemene waarheden, liever dan van de doordringende vragen die hun eigen belang erin onderzoeken. Velen bewonderen de prediker die het bij algemeenheden houdt. Maar zodra hij doordringende vragen op het hart bindt, zijn zij beledigd. Verkondigen wij algemene feiten, zoals de algemene zondigheid van de mensheid of de noodzaak van een Zaligmaker, dan stemmen zij met onze leer in. En misschien gaan zij zeer voldaan naar huis, juist omdat de preek hen niet geraakt heeft.
Maar hoe vaak knarst ons gehoor niet met de tanden en gaat het in woede weg! Zij bemerken van een getrouw dienaar dat hij over hén sprak, zoals de Farizeën dat bij Jezus deden. En hoe dwaas is dat! Als wij ons in alle andere zaken afvragen wat iets voor óns betekent, hoeveel te meer moesten wij dat in de godsdienst doen. Want ieder mens zal voor zichzelf rekenschap moeten geven op de dag van het oordeel. Wij sterven alleen. Wij zullen op de dag van de opstanding één voor één opstaan, en ieder voor zich moet voor Gods rechterstoel verschijnen. Tegen ieder zal persoonlijk gezegd worden: “Komt, gij gezegenden Mijns Vaders!” — of hij zal ontzet worden door het donderende vonnis: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten.”
Bestond er zoiets als een zaligheid van hele volken, zodat wij in het groot en bij de bos behouden konden worden? Dan zou het misschien niet zo dwaas zijn onze eigen belangen te verwaarlozen. Dan zou het gaan als met de schoven koren, waarbij het beetje onkruid tussen de stoppels om het graf van de tarwe meebinnengehaald wordt. Maar elk schaap moet onder de hand door van Hem Die ze telt. En ieder mens moet in eigen persoon voor God staan om over zijn eigen daden geoordeeld te worden. Laat daarom ieder van ons toezien dat wij niet bedrogen uitkomen en onszelf ten slotte jammerlijk weggeworpen vinden. Alles wat redelijk is dringt daartoe, en ook het geweten en het eigenbelang.
Ezechiël 33:7.KruisverwijzingenJeremia 26:2→Handelingen 5:20→Ezechiël 2:7→Ezechiël 3:17→Jeremia 1:17→Jesaja 62:6→Jeremia 23:28→Efeze 4:11→ — Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Het zijn niet enkel de mensen die een man uit hun gebied namen en hem tot hun wachter stelden. Er staat: “Ik heb u tot een wachter gesteld.” Och, de plechtige bevestiging van een waar dienaar van Christus! Zij komt niet door handoplegging van mensen, en ook niet door een voorgewende afstamming van de apostelen; zij is een roeping van God.
“zo zult gij het woord uit Mijn mond horen.” Dát is de manier om te preken: de preek uit de mond van God ontvangen, en haar dan spreken als de mond van God. Lieve onderwijzers, wacht op God voor wat u onderwijzen moet. Neem het warm van liefde uit de mond van God zelf, en spreek het dan voor God uit uw eigen mond. Uit zulk onderwijs zal zeker goed voortkomen.
Ezechiël 33:8.KruisverwijzingenEzechiël 33:14→Ezechiël 18:4→Jesaja 3:11→Ezechiël 18:18→Ezechiël 33:6→Ezechiël 18:20→Jeremia 8:11→Genesis 3:4→ — Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. God eiste het bloed van Abel van de hand van Kaïn en verklaarde hem vervloekt, omdat hij aan dat bloed schuldig was. Zo zal Hij ook het bloed van omkomende mensen eisen van de hand van hen die over hen gesteld zijn. En een vloek zal over hen komen als zij nalatig bevonden worden.
Ezechiël 33:10.KruisverwijzingenLeviticus 26:39→Ezechiël 24:23→Jesaja 49:14→Ezechiël 37:11→Ezechiël 4:17→Jesaja 51:20→Jeremia 2:25→Psalmen 130:7→ — Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven? Dat is zoveel als te zeggen: wij kunnen niet van onze zonden afkomen; er is geen hoop dat wij zullen leven. Wanneer mensen in de ijzeren kooi terechtkomen die Wanhoop heet, lijkt er werkelijk geen hoop meer te zijn dat zij zich van hun zonde afkeren. In zichzelf is er geen hoop; hun enige hoop ligt in de HEERE.
Ezechiël 33:11.KruisverwijzingenEzechiël 18:23→1 Timotheüs 2:4→2 Petrus 3:9→Jesaja 55:6→Ezechiël 18:30→Numeri 14:21→Hosea 11:8→Jesaja 49:18→ — Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels? Let erop hoe vaak God Ezechiël “mensenkind” noemt. Hij kreeg vele wonderlijke gezichten, maar hij moest ootmoedig gehouden worden door er voortdurend aan herinnerd te worden dat hij niet meer was dan een mensenkind. Hij moest ook meelevend blijven met het volk; zij waren mensen, en hij was er één van hen. Het lijkt hard dat de zoon van welke moeder ook sterven en omkomen zou. En de gedachte dat hij voor eeuwig omkomt is werkelijk verschrikkelijk voor wie zijn verbondenheid met het geslacht erkent.
Het is een teken van de grote barmhartigheid van God dat Hij zo ernstig bij mensen pleit om zich van hun zonden te bekeren. Anders wordt Hij gedwongen hen te straffen, zoals Hij doen móét als zij in hun ongerechtigheden voortgaan. Een wrede bestuurder is blij met een gelegenheid om zijn strengheid te tonen en is er daarom niet bijzonder op uit misdrijven te voorkomen. Maar wat een vriendelijk en teerhartig vorst moet hij zijn die zijn troon verlaat en onder de opstandelingen afdaalt! Met tranen in de ogen roept hij hun toe: doe toch dit kwade ding niet dat Ik haat! Terg Mij niet! Dwing Mij niet het zwaard uit de schede te trekken! Dwing Mij niet te zeggen dat Ik geen barmhartigheid met u zal hebben, maar keer u af, keer u af van die boze wegen, die u zeker kwaad zullen doen!
Hoe doordringend en hartdoorzoekend deze vermaning ook is, en al is zij door God Zelf gegeven, wie haar verwerpt voegt daarmee tot zijn zonde toe. God roept de zondaar om zich te bekeren, maar hij zal het nooit doen als er niet meer is dan de roep alleen. Door de openbare bediening, door ziekte, door de Bijbel, door het geweten — ja, en door de algemene werkingen van de Heilige Geest — roept God tot mensen. Maar zij lijken vastbesloten te sterven, en daarom gaan zij over heg en sloot het verderf tegemoet, dwars tegen alle waarschuwingen en bestraffingen van de Allerhoogste in.
Zeg ík: “Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven?”, dan kan iemand er geen acht op slaan. Maar zegt de Heilige Geest het, dan zal hij er zeker gehoorzaam aan zijn. Want de Geest heeft de sleutel van het hart. En Hij weet hoe Hij de mens gewillig maakt op de dag van Zijn kracht, zonder diens vrijheid geweld aan te doen. Zo gaan zij, wanneer Hij zegt “bekeert u”, zich werkelijk bekeren. En wanneer Hij zegt “waarom zoudt gij sterven?”, gaan zij bij zichzelf overleggen, en zij zien in dat het een kwaad ding is dat zij zouden omkomen. En daarom keren zij zich tot God.
Ezechiël 33:12.Kruisverwijzingen2 Kronieken 7:14→Ezechiël 18:21→Romeinen 3:25→Ezechiël 33:18→1 Johannes 2:1→Ezechiël 3:20→Ezechiël 33:2→Ezechiël 18:24→ — Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt. Het gaat niet alleen om wat wij gewéést zijn, maar om wat wij zíjn en wat wij zullen zíjn; dat alles zal in rekening gebracht worden. Zijn wij rechtvaardig geweest in ons eigen oog, wat dan als wij ons daarvan afkeren? En zijn wij zondig geweest, maar keren wij ons daarvan af door Gods genade, dan zal het verleden uitgewist worden.
Ezechiël 33:13.KruisverwijzingenEzechiël 18:24→Hebreeën 10:38→Ezechiël 18:4→2 Petrus 2:20→Ezechiël 3:20→Lukas 18:9→Filippenzen 3:9→1 Johannes 2:19→ — Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven. Er is voor geen mens zaligheid zonder de volharding tot het einde. En als die volharding ons niet in het genadeverbond verzekerd was, dan zou er zelfs voor de helderste gelovige of de schitterendste belijder geen zaligheid zijn. Want wat zijn onze lichten in zichzelf? Zullen zij niet spoedig dof branden, als de verborgen olie van Gods genade ze niet helder houdt?
Welk punt u ook bereikt hebt, ga daar niet uw vertrouwen op stellen. Al zou u een leven lang van zeventig jaar rechtvaardig geleken hebben, dan nog moet u omkomen als de genade van God u niet tot het einde toe bewaart. De barmhartigheid is dat wij vele kostbare beloften hebben over de eeuwige veiligheid van allen die in Christus zijn, en dat God er niet één van onvervuld zal laten.
Ezechiël 33:14-17.KruisverwijzingenEzechiël 18:27→Ezechiël 20:11→Lukas 19:8→Ezechiël 18:22→Jesaja 55:7→Hosea 14:1→Ezechiël 33:8→Jeremia 18:7→ — Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet; Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven. Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven. Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is. Zondaars zijn zeer vlug in het oordelen over God. Och, dat zij zichzelf eens oordeelden! Niet de HEERE is onrechtvaardig; het zijn de weegschaal en de gewichten van de mensen die onrecht zijn. Och, dat zij het maar wisten!
Ezechiël 33:30-31.KruisverwijzingenPsalmen 78:36→Mattheüs 13:22→Jakobus 1:22→Lukas 11:28→Jesaja 58:2→Jesaja 29:13→Jesaja 28:13→Jakobus 2:14→ — En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt. En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na. Dit is nog een van de grote smarten van de profetische roeping. Hoe nauwkeurig wij de boodschap van de HEERE ook overbrengen en hoe ernstig wij haar ook op het geweten van onze hoorders trachten te binden, telkens weer moet gezegd worden: “zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na”.
Ezechiël 33:32.KruisverwijzingenMarkus 6:20→Markus 4:16→Johannes 5:35→ — En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet. Voor zulke mensen lijkt de prediking niets meer dan een lied of een toneelstuk tot hun vermaak. Maar zo is het niet. Wie in de dingen van God een spel kunnen vinden, zullen het in de hel een dof spel vinden. Daar zullen zij voor eeuwig verdreven zijn van het aangezicht van God en van de heerlijkheid van Zijn macht.
Ezechiël 33:33.KruisverwijzingenEzechiël 2:5→Jeremia 28:9→Lukas 10:11→1 Samuël 3:19→Ezechiël 33:29→2 Koningen 5:8→ — Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is. Maar dan zal het voor hen te laat zijn om het te weten. Zij zullen dan hun gelegenheid gemist hebben om nut te trekken uit de boodschap die de profeet hun overbracht. God geve dat het met niemand van ons zo zijn zal, om Zijn overvloedige barmhartigheid! Amen.
XIV. Vs. 1-20.KruisverwijzingenEzechiël 3:19→Ezechiël 3:11→Ezechiël 18:13→Ezechiël 3:18→Jeremia 26:2→Ezechiël 33:17→Ezechiël 33:30→Hosea 8:1→ — En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen; En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd. Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel. Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen. Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd. Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven? Nadat de Profeet de bedreigingen, hem tegen buitenlandse volken opgedragen, geëindigd had, moest hij zich nu nog tegen zijn eigen volk wenden en ook daarvoor de hun toekomende les lezen. Ook Israël is toch een der volken, die aan het Goddelijk gericht der vernietiging zijn ten deel gevallen. Ja het is in zo verre het schuldigste van alle, daar het in de door God gegevene Profeten trouwe wachters gehad heeft, die het overvloedig gewaarschuwd hebben. Het heeft zich echter van zijnen aard niet willen bekeren, en daarom niet laten waarschuwen (vs. 1-9). Nu is het met hem wel in zo verre geheel anders dan met de overige volken gesteld, daar hem ene wederoprichting van den val en ene veel heerlijker toekomst wacht, dan het verledene ooit geweest is; maar, gelijk den mens in ‘t algemeen de straf steeds zwaarder wordt dan de zonde, zo weet ook Israël zich in den tijd van straf niet te schikken; spoedig denkt het, dat het te veel heeft te lijden en het nimmer meer tot leven kan komen (vs. 10 vv.), spoedig mort en twist het, alsof God het te veel had opgelegd (vs. 12-20). Evenals daarom te voren den Profeet het woord Zijner roeping tot wachter over het huis Israëls van de zijde Gods werd verhaald, om Israël de grootte zijner schuld voor te houden, zo moet hij nu de weerlegging van alle valse gedachten des harten, die ene waarachtige bekering tegenstaan, herhalen, met welke hij vroeger zijne hardste bedreigingen tegen Israël heeft besloten, om het volk den rechten weg tot zegen voor de toekomst te wijzen.
— En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
En des HEEREN woord geschiedde tot mij, in onmiddellijken zamenhang met de in Hoofdst. 25-32 ontvangene woorden Gods, zeggende: De oudere uitleggers hebben allen de voor ons liggende afdeling bij het voorgaande gedeelte der voorzeggingen van den Profeet gerekend. En dat met recht, want het hangt daarmee zeer nauw te zamen, en sluit de vroegere werkzaamheid van Ezechiël, gelijk hij dan ook uitdrukkelijk twee malen reeds vroegere gezegden weer opneemt. Houden wij dit verband in het oog en verenigen wij onze afdeling in ‘t bijzonder met de vorige voorzeggingen tegen buitenlandse volken, zo verkrijgen wij er 2 + 7, en het ligt zeker in de bedoeling van den Profeet, een naar het heilig getal afgemeten geheel voor te stellen. En toch grijpt de tijd volgens dit woord van God in het nieuwe deel van Ezechiëls profetische werkzaamheid, dat met vs. 21 begint, in, daar dit gedeelte nog met het einde van het jaar 587 v. C. zijn aanvang neemt, terwijl wij in Hoofdst. 32 reeds in de laatste maand vóór Pasen van het jaar 586 stonden. Ook inwendig bereidt onze afdeling het volgende deel voor, in zoverre Ezechiëls zending tot Israël thans enigermate wordt vernieuwd, waarom de latere uitleggers dit volgende deel meestal met het begin van Hoofdst. 33 beginnen. Daartoe hebben zij echter toch geen volkomen recht, daar aan de ene zijde een tweede roeping van den Profeet niet schijnt aannemelijk te zijn, daar de vroegere geenszins is vernietigd, maar nog hare bevestiging behoeft (vgl. Hoofdst 24:26 vv.), en daar aan de andere zijde Ezechiël hierna op andere wijze zijn ambt moet waarnemen dan te voren, namelijk als vreugdebode van Israëls wederherstelling en de voltooiing der wegen Gods met Zijn volk, voor welke nieuwe wijze van werkzaamheid de hier voor ons liggende, de vroegere instructie niet meer past, hem daarentegen ene nieuwe in vs. 23-33 wordt gegeven. Wat hij daarentegen hier tot het volk zeggen moet, heeft op den gansen tijd betrekking, dat Israël aan het Goddelijk gericht is overgegeven, en dat is niet alleen de tijd der Babylonische ballingschap, maar meer nog die der verstrooiing onder de volken sedert de tweede verwoesting van Jeruzalem en den tempel. Het is niet zozeer een woord, dat mondeling moet worden verkondigd, als wel te schrift moet worden gesteld, hetgeen wat de zaak betreft, voor de opening des monds in vs. 22 ligt. Mochten de Joden van dezen tijd zich laten gezeggen, de dag hunner aanneming zou niet verre zijn.
KruisverwijzingenEzechiël 3:11→Ezechiël 33:17→Ezechiël 33:30→Jeremia 12:12→Ezechiël 14:17→Zacharia 13:7→Ezechiël 21:9→Ezechiël 6:3→— Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;
Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, welk land Ik bedoel is gemakkelijk te begrijpen, en het volk des lands enen man uit hun einden, enen, die tot de burgerij behoort, nemen, en dien voor zich tot enen wachter 1) stellen;
De plicht van enen Profeet, om het volk te waarschuwen wegens hun zonden, wordt hier voorgesteld onder het zinnebeeld van een wachter; dan volgt ene ernstige opwekking tot bekering, op verzekering, dat God dezelve zal aannemen. Zulke wachters, als waarbij de Profeet vergeleken wordt, werden geplaatst op de torentjes van hun stadsmuren of op hoge bergen aan de grenzen des lands om kennis te geven van het naderen des vijands. (ENGELSE GODGELEERDEN).
KruisverwijzingenHosea 8:1→Nehemia 4:20→Nehemia 4:18→Joël 2:1→Jesaja 58:1→Jeremia 51:27→Jeremia 6:1→Ezechiël 33:8→— En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;
En hij het zwaard in het naderend krijgsleger ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;
KruisverwijzingenEzechiël 18:13→2 Kronieken 25:16→Handelingen 18:6→Jeremia 6:17→Ezechiël 33:5→Ezechiël 33:9→Zacharia 1:2→Jakobus 1:22→— En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.
En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd, zodat hij zelf de schuld van zijnen ondergang draagt.
KruisverwijzingenExodus 9:19→Hebreeën 11:7→Handelingen 2:37→Psalmen 95:7→Johannes 8:39→Jesaja 51:2→2 Koningen 6:10→Hebreeën 2:1→— Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.
Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijne ziel, zijn leven.
KruisverwijzingenEzechiël 3:18→2 Samuël 4:11→Ezechiël 33:8→Ezechiël 18:24→Ezechiël 18:20→Spreuken 14:32→Genesis 9:5→Jesaja 56:10→— Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.
Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt ene ziel uit hen weg; die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eisen. De verzen 2-6 stellen in de eerste plaats de algemene stelling voor, dat, wanneer een volk zich voor het geval van oorlog een wachter aanstelt, daardoor wachters en volk verantwoordelijk worden; dit wordt naar alle zijden uitgewerkt. Dan stelt vs. 7 vast, dat deze algemene stelling op Ezechiël en zijne betrekking tot Israël zijne toepassing vindt, want God heeft (voor een bepaalden tijd) hem tot wachter over Israël gesteld, en hem het woord der waarschuwing in den mond gegeven, om het Israël te zeggen. De wederopname van den plicht, den Profeet opgelegd, en de daarmee verbondene verantwoordelijkheid in vs. 7 vv. wordt in vs. 2 vv. door een uit het leven gegrepen voorval ingeleid, en op deze wijze duidelijk gemaakt, dat ieder hoorder van deze woorden moest inzien: Ezechiël was verplicht geweest, het volk opmerkzaam te maken op het gericht, dat het wachtte en te waarschuwen voor het dreigend gevaar. De zin der gelijkenis is de volgende: Evenals de aangestelde wachter van een land verplicht is, aan het volk het naderen van den vijand aan te kondigen, en wanneer hij dat niet doet, des doods schuldig is, zo heeft ook Ezechiël als de aangestelde wachter van Israël het volk niet alleen moeten waarschuwen voor het naderend strafgericht, om zijn plicht te vervullen, maar hij heeft het ook werkelijk gewaarschuwd, en zo is, wie zich niet heeft willen laten waarschuwen, om zijner zonden wil het zwaard ten prooi geworden. De gelijkenis gaat, daar dit geval inderdaad voor ons ligt, in vs. 2-4 daarvan uit, dat de wachter zijn plicht heeft gedaan. Daarop volgt in vs. 6, wat ook mogelijk is te denken, dat de wachter verzuimde wat zijne roeping was; dat dit geval alleen het mogelijke maar niet het werkelijke is, wijst de in vs. 7 volgende verklaring der gelijkenis in toepassing op Ezechiël aan, waarbij tevens zijne aanstelling tot wachter van het huis Israëls aan de mensenhanden wordt ontnomen en uitdrukkelijk tot Jehova wordt teruggebracht.
KruisverwijzingenJeremia 26:2→Handelingen 5:20→Ezechiël 2:7→Ezechiël 3:17→Jeremia 1:17→Jesaja 62:6→Jeremia 23:28→Efeze 4:11→— Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt ene ziel uit hen weg; die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eisen. De verzen 2-6 stellen in de eerste plaats de algemene stelling voor, dat, wanneer een volk zich voor het geval van oorlog een wachter aanstelt, daardoor wachters en volk verantwoordelijk worden; dit wordt naar alle zijden uitgewerkt. Dan stelt vs. 7 vast, dat deze algemene stelling op Ezechiël en zijne betrekking tot Israël zijne toepassing vindt, want God heeft (voor een bepaalden tijd) hem tot wachter over Israël gesteld, en hem het woord der waarschuwing in den mond gegeven, om het Israël te zeggen. De wederopname van den plicht, den Profeet opgelegd, en de daarmee verbondene verantwoordelijkheid in vs. 7 vv. wordt in vs. 2 vv. door een uit het leven gegrepen voorval ingeleid, en op deze wijze duidelijk gemaakt, dat ieder hoorder van deze woorden moest inzien: Ezechiël was verplicht geweest, het volk opmerkzaam te maken op het gericht, dat het wachtte en te waarschuwen voor het dreigend gevaar. De zin der gelijkenis is de volgende: Evenals de aangestelde wachter van een land verplicht is, aan het volk het naderen van den vijand aan te kondigen, en wanneer hij dat niet doet, des doods schuldig is, zo heeft ook Ezechiël als de aangestelde wachter van Israël het volk niet alleen moeten waarschuwen voor het naderend strafgericht, om zijn plicht te vervullen, maar hij heeft het ook werkelijk gewaarschuwd, en zo is, wie zich niet heeft willen laten waarschuwen, om zijner zonden wil het zwaard ten prooi geworden. De gelijkenis gaat, daar dit geval inderdaad voor ons ligt, in vs. 2-4 daarvan uit, dat de wachter zijn plicht heeft gedaan. Daarop volgt in vs. 6, wat ook mogelijk is te denken, dat de wachter verzuimde wat zijne roeping was; dat dit geval alleen het mogelijke maar niet het werkelijke is, wijst de in vs. 7 volgende verklaring der gelijkenis in toepassing op Ezechiël aan, waarbij tevens zijne aanstelling tot wachter van het huis Israëls aan de mensenhanden wordt ontnomen en uitdrukkelijk tot Jehova wordt teruggebracht.
KruisverwijzingenEzechiël 33:14→Ezechiël 18:4→Jesaja 3:11→Ezechiël 18:18→Ezechiël 33:6→Ezechiël 18:20→Jeremia 8:11→Genesis 3:4→— Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
Gij nu, o mensenkind! om van het zo even gezegde de toepassing te maken op u in uwe betrekking tot het volk, Ik heb u bij uwe roeping tot Profeet voor 7 2/3 jaar (Hoofdst. 3:17-19)tot enen wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord, dat voor het zwaard des gerichts waarschuwt, uit Mijnen mond horen, wat dan hetzelfde is, als wanneer de wachter in bovenstaande gelijkenis het zwaard ziet komen (vs. 3), en gij zult hen van Mijnentwege waarschuwen 1).
God zegt in het algemeen, die ziel, die zondigt, die zal sterven. Het werk van Gods kinderen is, dit op bijzondere personen toe te passen en te zeggen: o goddelozen, gij zult zeker sterven, wie gij ook zijn moogt, indien gij nog voortgaat in uwe overtredingen, zullen zij onvermijdelijk uw verderf zijn.
Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijnen weg af te manen; die goddeloze zal in zijne ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eisen 1).
Het zal den goddeloze niet baten, indien hij zich er mede verontschuldigt, dat hij den weg niet geweten heeft, dewijl de Heere God zich aan hem niet onbetuigd heeft gelaten; maar indien de wachter hem niet het woord Gods heeft verkondigd naar den wille Gods, en hem in zijn goddeloosheid heeft gestijfd, zal de Heere evenzeer dezen ter verantwoording roepen, dewijl hij zijne roeping niet heeft betracht, waartoe de Heere hem geroepen had.
KruisverwijzingenEzechiël 3:19→Ezechiël 3:21→Handelingen 13:46→Handelingen 13:40→Efeze 5:3→Hebreeën 12:25→Spreuken 29:1→Handelingen 20:26→— Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.
Maar als gij den goddeloze van zijnen weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijnen weg niet bekeert, zo zal hij in zijne ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uwe ziel bevrijd 1).
Opdat de Profeet wete, dat de in ‘t voorgaande algemeen uitgesprokene stelling inzonderheid op hem zag, zegt de Heere: En nu, gij mensenkind, niet door het volk des lands, maar door Mij zijt gij tot een wachter gesteld over het huis Israëls. Terwijl Ezechiël nog eens zijn ambt moet overzien, en wel naar dien regel, naar welken hem de profetische roeping was opgedragen, ontvangt hij van den Heere de getuigenis, zijn ambt getrouw te hebben waargenomen; maar het volk is het ondankbare en verstokte, het is te strafbaarder, naarmate het meer te vergeefs gewaarschuwd en tot bekering geroepen werd. Daar de Profeet vroeger zijn plicht gedaan heeft, valt de verantwoordelijkheid van hetgeen gekomen is, op het volk. Ieder zie toe, hoe hij hore, onder de tijdgenoten des Profeten en in de nawereld, aan welke hij zijn Boek overgeeft. Het versmaden der trouwe vermaningen van de dienaren Gods heeft in vroegeren tijd de gerichten Gods aangebracht, tegen welke niemand mag morren, daar zij hunnen wortel en hun rechtvaardiging hebben in de zondige ongehoorzaamheid aan Gods woord (Zach. 7:11 v.) Het versmaden van de vermaningen der Profeten zal ook in het vervolg de gerichten Gods doen naderen. Denk er toch aan, Christelijke hoorder! van Gods wege en omdat God het wil, moet u uw leraar waarschuwen. Wat zou het voor een wachter zijn, die een uitbrekenden brand daarom verzweeg, omdat hij de mensen in hunnen slaap niet wilde storen? En wat zou het voor een leraar zijn, die bij de zonden der goddelozen stil zweeg, opdat zij in hunnen slaap der gerustheid niet zouden worden verontrust. Vraag dengenen, die in de hel zullen zijn, zij zullen u allen ten antwoord geven: wij hebben ons niet willen laten waarschuwen. Ook al is het geweten van den prediker vrij van de schuld van den goddeloze, die voortgaat in zijne zonden, welk ene smart is het evenwel voor den prediker, de onboetvaardigen in hun zonden te moeten zien sterven! . Ik zou niet gaarne zonder ulieden behouden zijn.
KruisverwijzingenLeviticus 26:39→Ezechiël 24:23→Jesaja 49:14→Ezechiël 37:11→Ezechiël 4:17→Jesaja 51:20→Jeremia 2:25→Psalmen 130:7→— Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
Daarom, gij mensenkind! om ook in ander opzicht en voor ene latere toekomst uw wachtersambt in het door u achter te laten geschrift waar te nemen, zeg tot het huis Israëls: Gijlieden spreekt nu, nadat u Gods straf heeft getroffen, terwijl gij in de plaats van gebroken trots nu de troosteloze verslagenheid stelt (Jer. 17:9) aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij, gelijk gij zelf in Hoofdst. 24:23 aangekondigd en reeds Mozes in Lev. 26:39 in Gods Naam heeft uitgedrukt, in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven 1), hoe weer tot leven en zegen kunnen komen?
Op twee dingen steunden zij in hun verwijdering van God en in beiden deden zij ongerechtigheid tot hun zonden en ellenden tot hun straf. Zij twistten met Zijne belofte en gunsten als hebbende gene vriendelijkheid noch oprechtheid in zich. Zij twistten met Zijne bedreigingen en oordelen, als hebbende geen recht noch billijkheid in zich, voorgevende dat God partijdig was in Zijne handelwijze en bij Hem aanzien des persoons was, en dat Hij strenger was tegen de zonden en de zondaars, dan er oorzaak voor was.
KruisverwijzingenEzechiël 18:23→1 Timotheüs 2:4→2 Petrus 3:9→Jesaja 55:6→Ezechiël 18:30→Numeri 14:21→Hosea 11:8→Jesaja 49:18→— Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?
Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Hoofdst. 18:23, 31, 32). Het woord der wet was door den Profeet zelven nog kort vóór zijn verstommen toegepast, zo menen zij; hij had hun toch onophoudelijk verderf aangekondigd. Maar de Profeet is zich bewust, te midden van zijne den dood dreigende werkzaamheid, ook woorden des levens tot Israël gesproken te hebben; daarom herinnert hij aan zijn woord, dat de Heere niet den dood wil, maar de bekering van den zondaar, zijne zaligheid en leven. Die Joden gevoelden hun zonden, maar haatten ze niet; zij schenen over zich zelven te klagen en zij klaagden over God (vs. 17 en 20). Zij hadden geen oprechten wil om zich te bekeren, en verwierpen of zagen twijfelend de door God genadig aangebodene middelen voorbij; zij zeiden met treurigheid: “wij zouden wel willen, maar wij kunnen niet; ” en God antwoordt hun: “Ik wil wel, en meer dan gij, uwe zaligheid. ” . Wat zij zeggen, is half trots, half vreesachtig gesproken: wij hebben reeds te veel gezondigd; wij zijn toch verloren; al willen wij ons ook bekeren, het baat niet meer. Wanhopen, in plaats van zich tot God bekeren, is slechts ene andere soort van trotsheid van het menselijk hart, en wanhoop slechts een andere soort van onboetvaardigheid. Wij moeten aan Gods ontferming niet wanhopen, maar ons daaraan oprichten van onzen val. Zeg niet: ik heb het te erg gemaakt; ik heb de goederen Zijner genade te lang en te schandelijk doorgebracht; Hij heeft mij dikwijls te vergeefs genodigd! Neen! wanneer gij het maar waarlijk meent, en uwen val met ernst beweent, zo zal niets Hem de handen binden en gij zult nog genade vinden; Hij helpt, wanneer niets anders helpen kan: mijn Heiland neemt de zondaars aan (vs. 9). Opdat geen mens aan zijne genade twijfele en allen zonder verontschuldiging zouden zijn, zweert God en wel bij Zichzelven en Zijn leven. Zweert alzo de Drieëenige God, zo verbindt Zich de Vader met ede, dat Hij Zich wil ontfermen, de Zoon, dat Hij met Zijn bloed de zonden wil afwassen en de gerechtigheid schenken, de Heilige Geest, dat Hij bekeren, heiligen en met wijsheid leiden en regeren wil. Maar welk een ontzettende dwaasheid, dat de zondaar liever den eeuwigen dood in de kaken, dan de eeuwige liefde in haren schoot wil lopen.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 7:14→Ezechiël 18:21→Romeinen 3:25→Ezechiël 33:18→1 Johannes 2:1→Ezechiël 3:20→Ezechiël 33:2→Ezechiël 18:24→— Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.
Gij dan, o mensenkind! Zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding, en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijne goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijne gerechtigheid, ten dage als hij zondigt (vgl. Hoofdst. 18:24-30).
KruisverwijzingenEzechiël 18:24→Hebreeën 10:38→Ezechiël 18:4→2 Petrus 2:20→Ezechiël 3:20→Lukas 18:9→Filippenzen 3:9→1 Johannes 2:19→— Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
Als Ik tot den rechtvaardigen zeg, dat hij zeker leven zal, en hij op zijne gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijne gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
KruisverwijzingenEzechiël 18:27→Jesaja 55:7→Hosea 14:1→Ezechiël 33:8→Jeremia 18:7→Micha 6:8→Spreuken 28:13→Lukas 13:3→— Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;
Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijne zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;
KruisverwijzingenEzechiël 20:11→Lukas 19:8→Exodus 22:1→Ezechiël 18:7→Leviticus 6:2→Leviticus 18:5→Amos 2:8→Ezechiël 18:16→— Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven.
Geeft de goddeloze het pand weer, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zeker leven, hij zal niet sterven (Hoofdst. 18:5 vv.).
KruisverwijzingenEzechiël 18:22→Jesaja 43:25→Jesaja 1:18→Romeinen 5:16→1 Johannes 2:1→Romeinen 5:21→Micha 7:18→Jesaja 44:22→— Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.
Al zijne zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zeker leven1) (Hoofdst. 18:21 v.).
Wat de goddeloosheid des goddelozen betreft, hoewel dezelve zeer hatelijk was, zo zal hij nochthans niet door dezelve vallen ten dage dat hij zich afkeert van zijne goddeloosheid. Nu dezelve zijn smart geworden is, zal ze zijn verderf niet zijn. Nu er een vastgestelde scheiding is tussen hem en de zonde, zo zal er niet langer een scheiding zijn tussen hem en zijn God. Ja zij zullen hem niet eens verweten worden. Alle zijne zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden, hetzij als een beletsel van zijne vergiffenis, of als een verzwakking van zijne vertroosting, of als ene bezwalking en vermindering van de heerlijkheid, die voor hem bereid is.
KruisverwijzingenEzechiël 18:25→Ezechiël 18:29→Mattheüs 25:24→Ezechiël 33:20→Lukas 19:21→Job 35:2→Job 40:8→— Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.
Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht: daar toch hun eigen weg niet recht is.
KruisverwijzingenEzechiël 33:12→2 Petrus 2:20→Ezechiël 18:26→Ezechiël 3:20→Hebreeën 10:38→— Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
Als de rechtvaardige afkeert van zijne gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
KruisverwijzingenEzechiël 18:27→Ezechiël 33:14→— En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
En als de goddeloze zich bekeert van zijne goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
KruisverwijzingenEzechiël 18:25→Openbaring 22:12→Openbaring 20:12→Spreuken 19:3→Johannes 5:29→Ezechiël 18:29→Prediker 12:14→Ezechiël 33:17→— Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!
Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijne wegen, o huis Israëls! Om het misbruik van het bovenstaande troostwoord tot vals vertrouwen op eigene gerechtigheid te voorkomen, herhaalt Ezechiël de hoofdgedachten dier verkondiging; Hoofdst. 18:20-32, en wel in de eerste plaats (vs. 12-16), de gedachte, dat den rechtvaardige zijne gerechtigheid geen nut doet, wanneer hij zich aan de ongerechtigheid overgeeft, en de goddeloze om zijne zonde niet zal sterven, wanneer hij zich van zijne boosheid bekeert en naar de gerechtigheid jaagt; alzo is het (vs. 17-20), ene terechtwijzing voor hen, die den weg des Heeren berispen. Het grootste gevaar, dat uit het lijden kan voortkomen is dit, dat men daardoor omtrent zijn God begint te twijfelen; ene van de gewichtigste werkzaamheden der dienaren Gods is dus, dat zij in het lijden tot verstandig nadenken brengen. God is recht in al Zijne wegen, zo wijst de Profeet aan, een iegelijk klage over zijne zonde (Klaagl. 3:39). Wie de zaligheid mist, doe niet, waartoe het onder de ellende zuchtende Israël zozeer geneigd is, hij klage God niet aan, die den rechtvaardige en dien, die zich van zijne zonden bekeert, steeds zegen toedeelt. Alleen de vroeger rechtvaardige, die zich van zijne gerechtigheid heeft afgekeerd, en de goddeloze, die zich niet wil bekeren, moeten onder het onheil bukken. De gedachten, hier uit Hoofdst. 18 herhaald zijn van uitnemend gewicht; want een hart, dat door de ellende aan zijnen God begint te twijfelen, zal den weg der boete niet betreden, welke tot het wederkeren der zaligheid voorwaarde is; en de mens is al te zeer geneigd zijne schuld te verkleinen, en te menen dat God te hard met hem had gehandeld. Het kunnen gevoegelijk dezelfde personen zijn, die in vs. 10 v. menen, dat zij het te erg hebben gemaakt, en hier, dat God hun te veel heeft aangedaan. In zulke tijden van lijden komt de ene golf in plaats van de andere. Meer dan zes jaren waren er verlopen, sedert de Profeet het met dezelfde tegenspraak had te doen gehad (Hoofdst. 8:1; 18:25 vv.), en het volk was nog gene schrede vooruit gekomen. Ezechiël en de heilige, almachtige God zelf, leert hier alle ouders, opvoeders en zieleherders, door zijn voorbeeld geduld en lankmoedigheid. En wij zouden niet nog veel meer geduldig zijn, Wanneer wij aan onze eigene zonden en aan het geduld gedenken, dat God met ons heeft; maar wij mogen bij dat alles niet moede worden over de ons toevertrouwde zielen te waken en ze te waarschuwen. Ook hier spreekt de Heere God het weer zo treffend uit, dat God Zich Zelven zal verheerlijken in de behoudenis der rechtvaardigen, zowel als in het verderf van de goddelozen. Hij maakt zalig, wie door het geloof tot Hem de toevlucht nemen met al hun ellenden en alle hun zonden, maar Hij verwerpt en verderft, die zich niet door Hem laten waarschuwen en het bloed des kruizes verachten. 21. D. De voorzeggingen tegen buitenlandse volken, die wij in het met ene C. getekende deel van ons Profetische boek voorgesteld vinden, als een aanhangsel van het vorige deel B, onderscheiden zich reeds daardoor, dat zij niet bestemd waren tot openbare verkondiging, maar alleen tot schriftelijke optekening. Nu volgen de voorzeggingen van den tweeden tijd van Ezechiëls prediking. Deze zijn voorzeggingen na de verwoesting van Jeruzalem en nemen steeds hun uitgangspunt van het pas over het volk genomen gericht, hun einde hebben zij in de voleindiging der wegen Gods met zijn volk. Israël is nu vernietigd, rechtvaardig gestraft voor zijne zonde, toch zal het in zijne ellende tot erkentenis komen, en dan zal des Heeren genade, die hare trouw niet kan verloochenen, zich ontfermen en Israël ene toekomst bereiden, welke veel heerlijker is dan al het vroegere. “Het wonderbare, waarachtig grootse en Goddelijke der heerlijke voorzeggingen van dit deel onzen Boeks ligt in het contrast, waarin hare verkondiging tot het tegenwoordige staat. In het aangezicht des doods ademen de woorden van den Profeet slechts opstanding en leven. De diepste vernedering van het verbondsvolk, zijne schijnbare vernietiging is de weg tot ware grootheid, ja tot eeuwige heerlijkheid.
I. Vs. 21-33.KruisverwijzingenEzechiël 1:3→Jesaja 51:2→Ezechiël 33:27→Handelingen 7:5→Ezechiël 3:26→Lukas 3:8→Jeremia 40:7→Ezechiël 36:4→ — En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting. Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten? Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten? Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven! Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga. Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben. En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt. Spoedig nadat verwezenlijkt is, wat Ezechiël na zijne laatste dreiging aan Israël door den Heere is voorzegd, vóórdat hij voor zijn volk moet verstommen, en alleen profetieën tegen de buitenlandse volken ontving, en het nu met deze verwezenlijking de mond weer werd opengedaan, om niet meer te verstommen (vs. 21 en 22), wordt hem een eerste woord Gods ten deel, dat eensdeels voor het volk anderdeels voor hem zelven bestemd is. Bij het volk zal hij nu overeenkomstig zijne roeping tegen den waan moeten strijden, alsof het met Israël ondanks het nu begonnen gericht over Jeruzalem toch zo erg niet stond, en integendeel zijn lot gemakkelijk en spoedig weer ten goede zon worden gekeerd. De natuurlijke mens toch heeft in ‘t geheel geen lust om boete te doen, zodat ook daar, waar God luide en krachtig genoeg daartoe dringt, hij toch de kracht van Zijne roeping tot boete door allerlei voorspiegelingen voor het eigen hart zoekt te verzwakken. Zo zal Ezechiëls doel nu zijn, het volk te verwijten, hoe wel verdiend en daarom ook hoe ernstig gemeend het begonnen strafgericht was (vs. 23-29). Voor hem zelven is het echter ook nodig een gevaar van zelfmisleiding te vermijden; want wanneer hij nu, zoals het in ‘t vervolg zijne roeping is, aan het volk het toekomstige heil en de latere herstelling van Israël zal verkondigen, zo zullen de mensen zich in gehele menigten bij hem bevinden, en zijne woorden aanhoren als een lieflijk lied, als de schone dichting van enen zanger, maar omtrent hetgeen, waarop het van hun zijde werkelijk aankomt, waar zij ook wezenlijk zegen van zullen hebben, is het hun evenwel nog altijd bij dit gaarne horen geen ernst, maar het is alleen het gekittel der oren, dat zij zoeken. Boete doen en den Heere erkennen zal Israël eerst, wanneer het toekomstige heil tot werkelijkheid wordt, en zo zal Ezechiël, gelijk hij zich vroeger niet door gebrek aan een gezegend gevolg van zijne prediking moet laten afhouden, om zijn ambt waar te nemen, zo moest hij zich ook nu niet door den schijn van vrucht laten misleiden, als ware het doel reeds in der daad bereikt, hij moest integendeel op dat ene zijn oog vestigen: zij moeten ervaren, dat een Profeet onder hen geweest is (vs. 30-33).
Kruisverwijzingen2 Koningen 25:10→Ezechiël 1:2→2 Koningen 25:4→Ezechiël 40:1→Ezechiël 24:26→Jeremia 39:1→Ezechiël 32:1→2 Koningen 24:4→— En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, die begonnen was met Jojachins wegvoering (Hoofdst. 1:2) dus in het jaar 587 v. C. toen de stad reeds geruimen tijd in puin lag (2 (Kon. 2:8 vv.), in de tiende maand, Tebeth, op den vijfden der maand, bij ons het einde van December, dat er volgens hetgeen mij door den Heere in Hoofdst. 24:25 vv. was aangekondigd, een aan den van Babel vrij ver gelegene Chaboras tot mij kwam, a) die van Jeruzalem ontkomen was. Hij kwam niet onmiddellijk van daar maar middellijk uit Babylon, zeggende wat ik uit Goddelijke openbaring reeds lang geleden wist, eerst nu uit menselijken mond zou vernemen: b) De stad is geslagen.
(Ezech. 24:26. b) 2 Kon. 25.
KruisverwijzingenEzechiël 1:3→Ezechiël 3:26→Ezechiël 37:1→Ezechiël 24:26→Lukas 1:64→Ezechiël 40:1→Ezechiël 3:22→— Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.
Nu was de hand des HEEREN tot ene buitengewone werking Gods op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijnen mond opengedaan, zodat ik reeds den gehelen nacht door weer had kunnen spreken, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd door den Heere tengevolge dier wonderbare werking ook voor het vervolg mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom, gelijk mij dat in Hoofdst. 3:26 en 24:27 was opgelegd. De chronologische nauwkeurige opgaaf, wanneer de bode met het bericht van Jeruzalems val was aangekomen, dient om het tijdpunt aan te wijzen, waarop het keerpunt tot onverhinderd spreken en profeteren voor den Profeet was gekomen. In het begin zijner profetische werkzaamheid verkreeg de Profeet van God de aanwijzing, dat hij, om haar te volbrengen, vooreerst niet onder het volk moest gaan, maar zich in zijn huis moest terugtrekken, en daar wachten totdat de Israëlieten tot hem zouden komen; en dat hij ten tweede zich stom moest houden, niet uit eigen begeerte, maar alleen dan wanneer God hem een bepaald woord gaf, om in den naam Gods tot het volk te spreken. Het was nu toch geen tijd meer, dat God Profeten tot Israël zond om ze te zoeken, en door herhaalde vermaning tot bekering op te wekken. Er blijft alleen nog over, dat hun het oordeel wordt aangekondigd, en dan moet de Profeet in zijn teruggetrokken zijn en zijn stom gedrag tevens het uiterlijke van een ongeluksbode aan zich hebben. Zo ging het tot Hoofdst. 24:25 vv. met welk tijdstip ene verandering begon, dat hij tot en over Israël in het geheel niet meer, maar alleen nog over buitenlandse volken sprak, omdat hem in het geheel gene woorden meer van de eerste soort, en nog alleen woorden van de laatste voort werden gegeven. Nu bracht echter de bovengenoemde reden, waarom God hem zulk een stom zijn had opgelegd, het van zelf mede, dat zulk een gedrag na het begin der katastrofe en het bekend worden daarvan, niet meer nodig noch gepast was voor den kring der hoorders. Integendeel was het van nu aan nodig het aangevangen gericht te leiden tot ene ware boete, en de boetvaardigen door belofte van toekomstige ontferming en latere wederherstelling te vertroosten. Nu moest de Profeet voortaan omgekeerd de Israëlieten nalopen, onafgebroken door zijn woord hun hart zoeken, en zich aan hen ook niet meer als een donkere bode des onheils, maar als een voorzegger van toekomstig heil, in het openbaar vertonen. Nog in den nacht vóór de aankomst des ontkomenen, kwam, opdat Ezechiël met hem zou kunnen spreken, de hand des Heeren over hem, en deed hem den mond open, om niet meer te verstommen; gaf hem dus de vrijheid en mogelijkheid om te spreken, wanneer hij wilde, voor ‘t vervolg terug. Nu toch moest hij de harten des volks tot boete dringen en de boetvaardigen door beloften vertroosten. Dat deed hij dan ook later in voortdurende opklimming door de woorden Gods, welke hij van tijd tot tijd ontving en predikte. Reeds in den nacht vóór de aankomst des ontkomenen, volgde de opening van den mond des Profeten, die sedert Hoofdst. 24:27 gesloten was, alsof het zegel er was afgenomen. De voorspellende werkzaamheid begint eerst nadat de ontkomene was ontmoet, wiens aankomst de bode was voor het ontvangen van nieuwe openbaringen. Eerst nadat de gehele dood, de vernietiging van alle aardse verwachtingen, hem voor ogen was getreden, kon de aankondiging van de vrolijke opstanding volgen. Het is opmerkelijk, dat Eerst (op den 5den dag der 10de maand) in het twaalfde jaar het bericht van de verwoesting der stad (die op den 10den dag der 5e maand in het 11de jaar had plaats gehad), tot de ballingen in Tel Abib kwam; maar bijna 1 1/2 jaar kunnen bij de van Babel zo ver gelegene verblijfplaats des Profeten zeer goed zijn verlopen, voordat het bericht daar aankwam. Van den eersten tot den laatsten dag der belegering van Jeruzalem kon natuurlijk geen bericht van de belegerden tot de gevangenen aan den Chaboras komen. De gevangenen in Chaldea mochten niet gaan, waarheen zij verkozen; hun woonplaatsen werden hun aangewezen. Langzamerhand verkregen zij meer vrijheid. De hand des Heeren kan ook op ene andere wijze worden gevoeld, de ziel versterkende en de geest verheffende tot de eeuwige dingen. O! dat ik in dit opzicht moge ervaren, dat de Heere met mij bezig is! Het bewustzijn der Goddelijke tegenwoordigheid en de inwoning, draagt de ziel ten hemel als op arendsvleugelen. In zulke tilden zijn wij ten boorde toe gevuld met geestelijken blijdschap, en vergeten wij de zorgen en verdrietelijkheden der aarde. De Onzienlijke is nabij, en het zienlijke verliest zone kracht over ons; het dienstbare lichaam wacht aan den voet van den berg, en de meestergeest aanbidt op den top, in de tegenwoordigheid des Heeren. O! dat een geheiligd tijdstip van goddelijke gemeenschap mij worde geschonken! De Heere weet hoezeer ik dat van node heb. Mijne genadegaven falen, mijn bederf woelt, mijn geloof is zwak, mijne toewijding ir gebrekkig; deze allen zijn redenen, waarom Zijne hand ter genezing op mij gelegd is. Zijne hand kan de hitte verkoelen van mijn brandend hoofd, en den angst stillen van mijn kloppend hart. Die heerlijke rechterhand, die de wereld formeerde, kan mijn gemoed herscheppen, de onvermoeide hand, die de grootse pijlers der aarde draagt, kan mijn geest schragen; de liefdevolle hand, die al Zijne heiligen omsluit, kan ook mij omvatten; en de machtige hand, die den vijand verbreekt, kan ook mijne zonde overwinnen. Welaan, mijn ziel! wend u tot God met den machtigen pleitgrond, dat Jezus handen doorboord zijn voor uwe zaligheid, en gij zult ongetwijfeld ervaren, dat dezelfde hand op u wordt gelegd, die eenmaal Daniël aanraakte, en hem op zijne knieën stelde om hem de gerichten zijns Gods te doen zien.
— Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Toen geschiedde op een der volgende dagen na de aankomst van den ontkomene des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KruisverwijzingenJesaja 51:2→Ezechiël 33:27→Handelingen 7:5→Lukas 3:8→Jeremia 40:7→Ezechiël 36:4→Jeremia 39:10→Mattheüs 3:9→— Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.
Mensenkind! (Hoofdst. 2:1) de nog achtergeblevene (Jer. 39:10) inwoners van die woeste plaatsen in het land Israëls, tot welke Juda volgens het bericht des ontkomenen geworden is, spreken bij zichzelven en onder elkaar, en hun rede dringt door tot hun broederen in de ballingschap en vindt daar instemming, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat hoewel hij slechts een enige was, dit land erflijk, naardien Ik hem het bezit land beloofd (Gen. 13:14 v.); maar onzer zijn velen, ook nog nadat het grootste gedeelte van ons is omgekomen: het land isook ons gegeven tot ene erflijke bezitting, wij hebben er veel meer aanspraak op, en zullen gemakkelijk en spoedig weer in het bezit daarvan komen. Zegen aan te kondigen is van nu aan Ezechiëls roeping; maar niet zulk een zegen als het de verdorven menigte des volks verwacht en begeert: daarbij zou de betekenis, het Goddelijk doel van het strafgericht, geheel verloren gaan, en het tot een ware loutering des volks nooit komen. Integendeel, het gericht en de zegen staan in onafscheidelijk verband met elkaar. Om deze gedachte zo sterk mogelijk op den voorgrond te stellen, voert de Profeet de Israëlieten, die op de puinhopen van Jeruzalem zitten, sprekende in. Zelfs bij hen, voor wier ogen het ontzettende geschied is en voortdurend staat, zijn nog de verkeerdste verwachtingen van zegen diep geworteld. De inhoud daarvan is geheel en al de Farizese hoogmoed, die in zijne eigengerechtigheid voor het heil gene vatbaarheid toont. Zelfs de rede, de uitdrukking dier gezindheid, komt geheel overeen met het verhovaardigen op Abraham, zoals dat bij de latere Joden gevonden wordt. (Joh. 8:33 en 39). Het gehele land was een land van ruïnen; er was dus reden genoeg, om eindelijk de verwachtingen van een verdwaasd hart te laten varen; zij houden echter nog altijd die verwachtingen vast (dat bewijst de opstand, waarbij de Chaldeeuwse stadhouder Gedalia vermoord werd, Jer. 41), en beroepen zich op Abraham. Deze was kinderloos, en toch heeft hij en zijne nakomelingen het land geërfd. Waarom zouden zij, die in vergelijking met hem altijd nog talrijk zijn, het bezit van het land niet weer verkrijgen? . In hun ontvluchten van de bekering (1 Sam. 14:24 en 35), willen zij aan het werkelijk verlies van het heilige land niet geloven; zij kunnen echter ook tegen het verlies, dat in werkelijkheid heeft plaats gehad, geen troostgrond vinden, die steek houdt; daarom maken zij zich de illusie, alsof God, nadat Hij aan den éénen Abraham het land gegeven had; dat onmogelijk aan hen, die zo velen, een geheel volk, waren, ontnemen kon. Wat den gelovige is beloofd, kennen zich ook overigens de ongelovigen wel gaarne toe. Heilige puinhopen zijn reliquiën, waarop men zich niet kan verlaten. Zoals Ezechiël in het eerste deel van zijn Boek de bedreigingen omtrent den ondergang van Jeruzalem en Juda voor zijne landslieden aan den Chaboras heeft uitgesproken, en tot hen gericht heeft, omdat zij innerlijk in dezelfde verhouding tot den Heere stonden, als hun broeders, die zich in Jeruzalem en Juda bevonden, zo houdt hij hun ook hier dien waan ter waarschuwing voor, om hun de nietigheid van zulk ene ijdele verwachting te doen gevoelen, en boete en bekering als den enigen weg ten leven te prediken.
KruisverwijzingenDeuteronomium 12:16→Genesis 9:4→Jeremia 7:9→Ezechiël 18:6→Ezechiël 22:6→Ezechiël 22:27→Leviticus 3:17→Psalmen 24:4→— Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
Daarom zeg tot hen, om hun het dwaze en ijdele hunner verwachting te doen gevoelen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij hebt u niet gehouden aan het verbod in Lev. 17:10 vv. maar openlijk uwe begeerte getoond tot hetgeen u verboden is, gij eet vlees met het a) bloed, en heft, in sterkere verachting Mijner heilige geboden (Ex. 20:2 vv.) uwe ogen op tot uwe drekgoden, en vergiet bloed (Hoofdst. 18:16, 10; 22:3 v.); en zoudt gij, die zo alle grondwetten van Mijn verbond hebt gebroken, het land erflijk bezitten?
Gen. 9:4. Lev. 3:17.
KruisverwijzingenMicha 2:1→Genesis 27:40→Sefanja 3:3→Leviticus 18:25→Jozua 23:15→Ezechiël 18:15→Psalmen 94:20→Leviticus 20:22→— Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?
Gij staat op ulieder zwaard, gij stelt uw vertrouwen op geweld en moord (2 Kon. 25:25); gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw (Hoofdst. 18:12, 6 #Eze ,) zijns naasten; en zoudt gij het land erflijk bezitten?
KruisverwijzingenJeremia 42:22→1 Samuël 13:6→Ezechiël 39:4→1 Samuël 23:14→Ezechiël 6:11→Jeremia 44:12→Ezechiël 5:12→Richteren 6:2→— Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!
Op die wijze zult gij hun voorhouden, hoe zij door hun gruwelijke zonden het bezit des heiligen lands openlijk hebben verbeurd, daarna zult gij hun verklaren hoe dat nu ook werkelijk en geheel en al hun is ontnomen. Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, die in de ruïnen van de reeds verwoeste steden des lands zijn overgebleven, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgave, dat het hem vrete (2 Kon. 17:25), en die in de vestingen en in de spelonken zijn en daar voor zwaard en de wilde dieren veilig zijn, door de pestilentie zullen sterven, want deze vier boze straffen (Hoofdst. 14:21) heb Ik toch in mijne macht, om hen daardoor uit te roeien uit het land!
KruisverwijzingenEzechiël 7:24→Ezechiël 24:21→Micha 7:13→Jeremia 44:2→Ezechiël 6:14→Jeremia 44:6→Jeremia 44:22→Ezechiël 15:8→— Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga.
Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, die niet te vergeefs dreigt, en die ook kan volbrengen, wat Hij gedreigd heeft, als Ik het land tot ene verwoesting en enen schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben (Hoofdst. 6:14). Juist het erven en bezitten des lands, waarop deze onechte zonen van Abraham aanspraak maken, waarin begrepen zijn alle geestelijke en lichamelijke genadebewijzen van Jehova, onderstelt noodzakelijk een daarvoor ontvangbaar orgaan, en dit ontbreekt hun geheel. Daarom moeten tegenover de schaamteloosheid hunner verkeerdheden, de oude bedreigingen van verderf worden herhaald, en hun betuigd, dat er voor hen gene zo veilige toevluchtsoorden zullen zijn, waar zij den toorn en de gerichten Gods kunnen ontvlieden. De Goddelijke wraak behoeft de misdaad niet dadelijk te volgen, zij heeft ook niet nodig lang en met moeite den goddeloze op te zoeken, maar waar hij heenvlucht en zich verborgen acht, hetzij in de hoogte of in de diepte, daar is de wrake Gods reeds en heeft verwacht dat hij daar zou komen. De bedreiging van gehele verwoesting is niet tot het drijven der Chaldeën en Jeruzalems verwoesting te beperken, maar doelt op geheel den volgenden tijd. De gedreigde verwoesting en de gehele ontvolking van het land mag men niet alleen op den tijd der Chaldeeuwse ballingschap beperken, maar omvat ook de verwachting, die met en na Jeruzalems verwoesting, door de Romeinen heeft plaats gehad. Ik had gewild, dat zij Mij zouden erkend hebben den Heere te zijn, door Mijne zegeningen, welke het land gelukkig maakten, door Mijne heilige bevelen, welke strekten tot vroomheid en gerechtigheid, door Mijne genade en goedertierenheid jegens hen; maar zij hebben Mijne gunst versmaad, Mijne wet verbroken, Mijne goedheid misbruikt, en nu zullen zij door de straf over hun zonden, gelijk Ik gedreigd heb, en door hun land tot woestheid te maken, genoodzaakt worden Mij te erkennen als den Heere en zich aan Mij te onderwerpen.
KruisverwijzingenEzechiël 6:7→Jeremia 5:25→2 Kronieken 36:14→Jeremia 5:1→2 Koningen 17:9→Exodus 14:18→Ezechiël 23:49→Ezechiël 22:2→— Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.
En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden, wanneer zij in hun kamers te zamen zijn en op de divans aan de wanden zitten, en in de deuren der huizen, wanneer zij bij het verlaten van elkaar er nog een onderhoud hebben; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijnen broeder, zeggende: Komt toch tot den Profeet, en hoort wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
KruisverwijzingenJesaja 58:2→Jesaja 29:13→Jeremia 42:1→Jeremia 11:18→Jeremia 42:20→Jeremia 23:35→Jeremia 18:18→Mattheüs 15:8→— En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
En zij a) komen tot u om ene profetische voordracht uit uwen mond te horen, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, dat naar genade verlangt en leergierig zich aan den dienaar Mijns Woords houdt, en zij horen uwe woorden zelfs met opmerkzame oren, maar zij doen ze niet: want zij maken liefkozingen met hunnen mond; door gebaren en woorden stellen zij ene bijzondere liefde tot Mijn woord voor, maar hun hart wandelt hun gierigheid na 1), en alzo houden zij zich aan den Mammon als hunnen eigenlijken god.
Ezech. 14:1 vv. 20:1 vv.
Openbare personen zijn de gemene stof, of het onderwerp van gesprekken. Elk een neemt de vrijheid, om hen naar welgevallen te berispen en getrouwe dienaars van God weten niet, hoeveel kwaad er dagelijks van hen gesproken wordt. Het is goed, dat zij het niet weten, want als zij het wisten, zou het hen tot mismoedigheid zijn in hun werk, dat niet gemakkelijk zou zijn vol te houden. Maar God neemt kennis, van al wat tegen Zijne knechten gezegd wordt, niet alleen wat tegen hen besloten of gezworen wordt, niet alleen wat tegen hen geschreven wordt, of wat slechtigheid gesproken en beraadslaagd, maar van wat tegen hen gezegd wordt in de gemene gesprekken onder buren.
KruisverwijzingenMarkus 6:20→Markus 4:16→Johannes 5:35→— En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
En ziet, gij zijt hun als een lied, een zanger der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uwe woorden, maar zij doen ze niet. Men komt tot u, even als men komt om enen beroemden zanger te horen, zonder enige gedachte om iets ter harte te nemen.
KruisverwijzingenEzechiël 2:5→Jeremia 28:9→Lukas 10:11→1 Samuël 3:19→Ezechiël 33:29→2 Koningen 5:8→— Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.
Maar als dat komt, wat gij voorzegt, (en zie, het zal komen! Israëls herstelling en verheerlijking zal even zeker komen, als Jeruzalems ondergang en Juda’s vernietiging gekomen is), dan zullen zij weten dat er een Profeet in het midden van hen geweest is, en geen redenaar of lieflijk zanger of speler tot vermaking en onderhouding (Hoofdst. 2:5). God had den Profeet bij zijne roeping (Hoofdst. 2:3 vv.), door voorhouden van het doel en de verantwoordelijkheid zijner roeping, op de moeilijkheden van het volbrengen van het hem opgedragen ambt als wachter, opmerkzaam gemaakt, en hem vermaand, zich door het tegenstreven des volks niet op een dwaalspoor te laten brengen. Hier, bij het begin der tweede afdeling zijner werkzaamheid, richt Hij weer een woord persoonlijk tot hem, opdat hij in de verdere uitoefening van zijne roeping zich niet late leiden door hetgeen de mens wil. Toen zijne profetieën over Jeruzalem vervuld waren, moesten de ballingen, wier oudsten reeds vroeger tot hem waren gekomen, om Gods woord bij hem te vernemen (Hoofdst. 14:1; 20:1). nog opmerkzamer op zijne woorden worden, zodat zij heimelijk en openlijk van hem spraken en elkaar opwekten om te komen en op zijne woorden te letten. Dit zegt God hem vooraf, maar tevens, dat deze geneigdheid zijner landslieden, om hem te horen, nog geen teken was van oprechte bekering tot Gods woord, opdat hij zich in zijne verwachtingen omtrent het volk niet bedroog. Het spreken in vs. 30 is niet een vijandig, maar een welwillend spreken; men verheugt zich te midden der nationale verarming, in de voortreffelijke redenaarsgaven van den nieuwen klassieken man. Het is bedenkelijk, als men de schoonheid der rede, der stem enz. bij enen redenaar prijst. Uitwendig Gods woord te horen, daartoe geven de mensen zich nog wel, maar niet om het door Gods genade te beleven. Zij prijzen alleen de welsprekendheid, om de zaak bekommeren zij zich niet. Zij willen het woord van den Profeet slechts aanhoren als een schoon muziekstuk, om gekittel der oren en een aangenaam gevoel daarvan te hebben, en hem tot enen troubadour of minnezanger en enen bekwamen harpspeler vernederen, naar wien men gaarne tot zijn vermaak luistert. Maar “God speelt niet in Zijn Woord, opdat wij zouden dansen. ” God beware de kerk voor ledige banken, maar nog meer voor stompe toehoorders, die alleen de zondagsklederen tonen, en in de kerk willen geweest zijn. “Zij horen slechts maar doen niet, ” dat is een oud thema, dat gedurig nieuw is geworden; men verdringt elkaar tot de redenaars des Heeren in dichte hopen, prijst de schone voordracht, men hoort-doch zie het komt! Dan zullen zij te laat erkennen, dat Ezechiël niet uit hardheid heeft gesproken, maar zich een waar Profeet in hun midden betoont heeft. Volgens sommige uitleggers is de zin van het slotwoord: “zij zullen tot hun smart ondervinden, dat een Profeet onder hen gevreest is, wanneer de aangekondigde genade begint, maar zij er van buiten gesloten worden, omdat zij tot gene boete zijn gekomen, ” volgens anderen: “eerst wanneer de voorzegde zegen in werkelijkheid voor hun ogen staat, zullen zij berouw hebben en Mij erkennen. ” Dit stemt overeen met Hoofdst. 37 en Openb. 11:11. Hiermede verzekert God dat Hij het werk van Zijn Profeet zal bevestigen. Hetgeen Hij gezegd heeft zal zeker geschieden en geen jota of tittel zal op de aarde vallen. Zij zullen nog eenmaal wensen, naar het woord des Profeten gehoord te hebben, maar dan zal het te laat zijn.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Ezechiël 33
Ezechiël 33:1-4.KruisverwijzingenEzechiël 3:11→Ezechiël 18:13→Ezechiël 33:17→Ezechiël 33:30→Hosea 8:1→Nehemia 4:20→2 Kronieken 25:16→Handelingen 18:6→
— En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen; En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.
In dat geval gaat de wachter volkomen vrijuit. Hij heeft zijn plicht gedaan; hij heeft alarm geblazen, en een passend alarm op de bazuin. Hij heeft het onmiddellijk geblazen, zonder talmen of uitstellen. Hij is niet bang geweest de mensen te verontrusten; hij heeft zijn plicht gedaan zonder zich om het gepraat te bekommeren, en hij gaat vrijuit. Gelukkig is hij ook als hij weet dat velen aan het dreigende gevaar ontkomen zijn door op de waarschuwende stoot van de bazuin te letten.
En toch blijkt er zelfs dan een enkeling te zijn die de bazuin hoort en de waarschuwing niet aanneemt. Dat is het droeve deel van onze dienst; het maakt dat zelfs de meest gezegende bediening een zwarte rand houdt. Het kan niet louter blijdschap zijn voor wie de meeste zielen voor God wint. Soms kan hij meevoelen met zijn broeders, de profeten, in hun droeve vraag: “Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?” Luister hiernaar, u die het evangelie hoort en zich toch niet bekeert: let u niet op de waarschuwing, dan zal uw bloed op uw eigen hoofd zijn.
Ezechiël 33:5-6.KruisverwijzingenEzechiël 3:18→2 Samuël 4:11→Ezechiël 33:8→Exodus 9:19→Hebreeën 11:7→Ezechiël 18:24→Ezechiël 18:20→Handelingen 2:37→
— Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel. Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.
Dit is een zeer ernstige waarheid. Zij gaat niet alleen mij aan en de vele dienaren van Christus die hier zijn, maar u allen die de HEERE kent. Ook u bent immers als wachters gesteld over uw gezin, over uw buren, over de klas die u onderwijst of die u onderwijzen moest in de zondagsschool. God geve dat ieder van ons van de zonden van anderen bevrijd mag zijn! Want wij kunnen deelgenoten van hun ongerechtigheid worden, als wij ons getuigenis tegen hen niet uitspreken en hun de gevolgen van hun kwaaddoen niet voorhouden.
In alles wat de wereld aangaat zijn mensen wakker genoeg om hun eigen belang te begrijpen. Er is nauwelijks een koopman die de krant leest zonder haar op de een of andere manier met het oog op zijn eigen zaken te lezen. Ontdekt hij dat hij door het stijgen of dalen van de markten winnen of verliezen zal, dan is dát deel van het nieuws voor hem het belangrijkste. In de staatkunde, ja in alles wat het tijdelijke betreft, gaat het eigenbelang gewoonlijk voorop.
Maar in de godsdienst is het anders. Daar houden mensen van afgetrokken leerstukken en van het spreken over algemene waarheden, liever dan van de doordringende vragen die hun eigen belang erin onderzoeken. Velen bewonderen de prediker die het bij algemeenheden houdt. Maar zodra hij doordringende vragen op het hart bindt, zijn zij beledigd. Verkondigen wij algemene feiten, zoals de algemene zondigheid van de mensheid of de noodzaak van een Zaligmaker, dan stemmen zij met onze leer in. En misschien gaan zij zeer voldaan naar huis, juist omdat de preek hen niet geraakt heeft.
Maar hoe vaak knarst ons gehoor niet met de tanden en gaat het in woede weg! Zij bemerken van een getrouw dienaar dat hij over hén sprak, zoals de Farizeën dat bij Jezus deden. En hoe dwaas is dat! Als wij ons in alle andere zaken afvragen wat iets voor óns betekent, hoeveel te meer moesten wij dat in de godsdienst doen. Want ieder mens zal voor zichzelf rekenschap moeten geven op de dag van het oordeel. Wij sterven alleen. Wij zullen op de dag van de opstanding één voor één opstaan, en ieder voor zich moet voor Gods rechterstoel verschijnen. Tegen ieder zal persoonlijk gezegd worden: “Komt, gij gezegenden Mijns Vaders!” — of hij zal ontzet worden door het donderende vonnis: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten.”
Bestond er zoiets als een zaligheid van hele volken, zodat wij in het groot en bij de bos behouden konden worden? Dan zou het misschien niet zo dwaas zijn onze eigen belangen te verwaarlozen. Dan zou het gaan als met de schoven koren, waarbij het beetje onkruid tussen de stoppels om het graf van de tarwe meebinnengehaald wordt. Maar elk schaap moet onder de hand door van Hem Die ze telt. En ieder mens moet in eigen persoon voor God staan om over zijn eigen daden geoordeeld te worden. Laat daarom ieder van ons toezien dat wij niet bedrogen uitkomen en onszelf ten slotte jammerlijk weggeworpen vinden. Alles wat redelijk is dringt daartoe, en ook het geweten en het eigenbelang.
Ezechiël 33:7.KruisverwijzingenJeremia 26:2→Handelingen 5:20→Ezechiël 2:7→Ezechiël 3:17→Jeremia 1:17→Jesaja 62:6→Jeremia 23:28→Efeze 4:11→
— Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
Het zijn niet enkel de mensen die een man uit hun gebied namen en hem tot hun wachter stelden. Er staat: “Ik heb u tot een wachter gesteld.” Och, de plechtige bevestiging van een waar dienaar van Christus! Zij komt niet door handoplegging van mensen, en ook niet door een voorgewende afstamming van de apostelen; zij is een roeping van God.
“zo zult gij het woord uit Mijn mond horen.” Dát is de manier om te preken: de preek uit de mond van God ontvangen, en haar dan spreken als de mond van God. Lieve onderwijzers, wacht op God voor wat u onderwijzen moet. Neem het warm van liefde uit de mond van God zelf, en spreek het dan voor God uit uw eigen mond. Uit zulk onderwijs zal zeker goed voortkomen.
Ezechiël 33:8.KruisverwijzingenEzechiël 33:14→Ezechiël 18:4→Jesaja 3:11→Ezechiël 18:18→Ezechiël 33:6→Ezechiël 18:20→Jeremia 8:11→Genesis 3:4→
— Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
God eiste het bloed van Abel van de hand van Kaïn en verklaarde hem vervloekt, omdat hij aan dat bloed schuldig was. Zo zal Hij ook het bloed van omkomende mensen eisen van de hand van hen die over hen gesteld zijn. En een vloek zal over hen komen als zij nalatig bevonden worden.
Ezechiël 33:10.KruisverwijzingenLeviticus 26:39→Ezechiël 24:23→Jesaja 49:14→Ezechiël 37:11→Ezechiël 4:17→Jesaja 51:20→Jeremia 2:25→Psalmen 130:7→
— Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
Dat is zoveel als te zeggen: wij kunnen niet van onze zonden afkomen; er is geen hoop dat wij zullen leven. Wanneer mensen in de ijzeren kooi terechtkomen die Wanhoop heet, lijkt er werkelijk geen hoop meer te zijn dat zij zich van hun zonde afkeren. In zichzelf is er geen hoop; hun enige hoop ligt in de HEERE.
Ezechiël 33:11.KruisverwijzingenEzechiël 18:23→1 Timotheüs 2:4→2 Petrus 3:9→Jesaja 55:6→Ezechiël 18:30→Numeri 14:21→Hosea 11:8→Jesaja 49:18→
— Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?
Let erop hoe vaak God Ezechiël “mensenkind” noemt. Hij kreeg vele wonderlijke gezichten, maar hij moest ootmoedig gehouden worden door er voortdurend aan herinnerd te worden dat hij niet meer was dan een mensenkind. Hij moest ook meelevend blijven met het volk; zij waren mensen, en hij was er één van hen. Het lijkt hard dat de zoon van welke moeder ook sterven en omkomen zou. En de gedachte dat hij voor eeuwig omkomt is werkelijk verschrikkelijk voor wie zijn verbondenheid met het geslacht erkent.
Het is een teken van de grote barmhartigheid van God dat Hij zo ernstig bij mensen pleit om zich van hun zonden te bekeren. Anders wordt Hij gedwongen hen te straffen, zoals Hij doen móét als zij in hun ongerechtigheden voortgaan. Een wrede bestuurder is blij met een gelegenheid om zijn strengheid te tonen en is er daarom niet bijzonder op uit misdrijven te voorkomen. Maar wat een vriendelijk en teerhartig vorst moet hij zijn die zijn troon verlaat en onder de opstandelingen afdaalt! Met tranen in de ogen roept hij hun toe: doe toch dit kwade ding niet dat Ik haat! Terg Mij niet! Dwing Mij niet het zwaard uit de schede te trekken! Dwing Mij niet te zeggen dat Ik geen barmhartigheid met u zal hebben, maar keer u af, keer u af van die boze wegen, die u zeker kwaad zullen doen!
Hoe doordringend en hartdoorzoekend deze vermaning ook is, en al is zij door God Zelf gegeven, wie haar verwerpt voegt daarmee tot zijn zonde toe. God roept de zondaar om zich te bekeren, maar hij zal het nooit doen als er niet meer is dan de roep alleen. Door de openbare bediening, door ziekte, door de Bijbel, door het geweten — ja, en door de algemene werkingen van de Heilige Geest — roept God tot mensen. Maar zij lijken vastbesloten te sterven, en daarom gaan zij over heg en sloot het verderf tegemoet, dwars tegen alle waarschuwingen en bestraffingen van de Allerhoogste in.
Zeg ík: “Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven?”, dan kan iemand er geen acht op slaan. Maar zegt de Heilige Geest het, dan zal hij er zeker gehoorzaam aan zijn. Want de Geest heeft de sleutel van het hart. En Hij weet hoe Hij de mens gewillig maakt op de dag van Zijn kracht, zonder diens vrijheid geweld aan te doen. Zo gaan zij, wanneer Hij zegt “bekeert u”, zich werkelijk bekeren. En wanneer Hij zegt “waarom zoudt gij sterven?”, gaan zij bij zichzelf overleggen, en zij zien in dat het een kwaad ding is dat zij zouden omkomen. En daarom keren zij zich tot God.
Ezechiël 33:12.Kruisverwijzingen2 Kronieken 7:14→Ezechiël 18:21→Romeinen 3:25→Ezechiël 33:18→1 Johannes 2:1→Ezechiël 3:20→Ezechiël 33:2→Ezechiël 18:24→
— Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.
Het gaat niet alleen om wat wij gewéést zijn, maar om wat wij zíjn en wat wij zullen zíjn; dat alles zal in rekening gebracht worden. Zijn wij rechtvaardig geweest in ons eigen oog, wat dan als wij ons daarvan afkeren? En zijn wij zondig geweest, maar keren wij ons daarvan af door Gods genade, dan zal het verleden uitgewist worden.
Ezechiël 33:13.KruisverwijzingenEzechiël 18:24→Hebreeën 10:38→Ezechiël 18:4→2 Petrus 2:20→Ezechiël 3:20→Lukas 18:9→Filippenzen 3:9→1 Johannes 2:19→
— Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
Er is voor geen mens zaligheid zonder de volharding tot het einde. En als die volharding ons niet in het genadeverbond verzekerd was, dan zou er zelfs voor de helderste gelovige of de schitterendste belijder geen zaligheid zijn. Want wat zijn onze lichten in zichzelf? Zullen zij niet spoedig dof branden, als de verborgen olie van Gods genade ze niet helder houdt?
Welk punt u ook bereikt hebt, ga daar niet uw vertrouwen op stellen. Al zou u een leven lang van zeventig jaar rechtvaardig geleken hebben, dan nog moet u omkomen als de genade van God u niet tot het einde toe bewaart. De barmhartigheid is dat wij vele kostbare beloften hebben over de eeuwige veiligheid van allen die in Christus zijn, en dat God er niet één van onvervuld zal laten.
Ezechiël 33:14-17.KruisverwijzingenEzechiël 18:27→Ezechiël 20:11→Lukas 19:8→Ezechiël 18:22→Jesaja 55:7→Hosea 14:1→Ezechiël 33:8→Jeremia 18:7→
— Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet; Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven. Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven. Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.
Zondaars zijn zeer vlug in het oordelen over God. Och, dat zij zichzelf eens oordeelden! Niet de HEERE is onrechtvaardig; het zijn de weegschaal en de gewichten van de mensen die onrecht zijn. Och, dat zij het maar wisten!
Ezechiël 33:30-31.KruisverwijzingenPsalmen 78:36→Mattheüs 13:22→Jakobus 1:22→Lukas 11:28→Jesaja 58:2→Jesaja 29:13→Jesaja 28:13→Jakobus 2:14→
— En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt. En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.
Dit is nog een van de grote smarten van de profetische roeping. Hoe nauwkeurig wij de boodschap van de HEERE ook overbrengen en hoe ernstig wij haar ook op het geweten van onze hoorders trachten te binden, telkens weer moet gezegd worden: “zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na”.
Ezechiël 33:32.KruisverwijzingenMarkus 6:20→Markus 4:16→Johannes 5:35→
— En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
Voor zulke mensen lijkt de prediking niets meer dan een lied of een toneelstuk tot hun vermaak. Maar zo is het niet. Wie in de dingen van God een spel kunnen vinden, zullen het in de hel een dof spel vinden. Daar zullen zij voor eeuwig verdreven zijn van het aangezicht van God en van de heerlijkheid van Zijn macht.
Ezechiël 33:33.KruisverwijzingenEzechiël 2:5→Jeremia 28:9→Lukas 10:11→1 Samuël 3:19→Ezechiël 33:29→2 Koningen 5:8→
— Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.
Maar dan zal het voor hen te laat zijn om het te weten. Zij zullen dan hun gelegenheid gemist hebben om nut te trekken uit de boodschap die de profeet hun overbracht. God geve dat het met niemand van ons zo zijn zal, om Zijn overvloedige barmhartigheid! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
XIV. Vs. 1-20.KruisverwijzingenEzechiël 3:19→Ezechiël 3:11→Ezechiël 18:13→Ezechiël 3:18→Jeremia 26:2→Ezechiël 33:17→Ezechiël 33:30→Hosea 8:1→
— En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen; En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd. Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel. Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen. Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd. Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?
Nadat de Profeet de bedreigingen, hem tegen buitenlandse volken opgedragen, geëindigd had, moest hij zich nu nog tegen zijn eigen volk wenden en ook daarvoor de hun toekomende les lezen. Ook Israël is toch een der volken, die aan het Goddelijk gericht der vernietiging zijn ten deel gevallen. Ja het is in zo verre het schuldigste van alle, daar het in de door God gegevene Profeten trouwe wachters gehad heeft, die het overvloedig gewaarschuwd hebben. Het heeft zich echter van zijnen aard niet willen bekeren, en daarom niet laten waarschuwen (vs. 1-9). Nu is het met hem wel in zo verre geheel anders dan met de overige volken gesteld, daar hem ene wederoprichting van den val en ene veel heerlijker toekomst wacht, dan het verledene ooit geweest is; maar, gelijk den mens in ‘t algemeen de straf steeds zwaarder wordt dan de zonde, zo weet ook Israël zich in den tijd van straf niet te schikken; spoedig denkt het, dat het te veel heeft te lijden en het nimmer meer tot leven kan komen (vs. 10 vv.), spoedig mort en twist het, alsof God het te veel had opgelegd (vs. 12-20). Evenals daarom te voren den Profeet het woord Zijner roeping tot wachter over het huis Israëls van de zijde Gods werd verhaald, om Israël de grootte zijner schuld voor te houden, zo moet hij nu de weerlegging van alle valse gedachten des harten, die ene waarachtige bekering tegenstaan, herhalen, met welke hij vroeger zijne hardste bedreigingen tegen Israël heeft besloten, om het volk den rechten weg tot zegen voor de toekomst te wijzen.
En des HEEREN woord geschiedde tot mij, in onmiddellijken zamenhang met de in Hoofdst. 25-32 ontvangene woorden Gods, zeggende: De oudere uitleggers hebben allen de voor ons liggende afdeling bij het voorgaande gedeelte der voorzeggingen van den Profeet gerekend. En dat met recht, want het hangt daarmee zeer nauw te zamen, en sluit de vroegere werkzaamheid van Ezechiël, gelijk hij dan ook uitdrukkelijk twee malen reeds vroegere gezegden weer opneemt. Houden wij dit verband in het oog en verenigen wij onze afdeling in ‘t bijzonder met de vorige voorzeggingen tegen buitenlandse volken, zo verkrijgen wij er 2 + 7, en het ligt zeker in de bedoeling van den Profeet, een naar het heilig getal afgemeten geheel voor te stellen. En toch grijpt de tijd volgens dit woord van God in het nieuwe deel van Ezechiëls profetische werkzaamheid, dat met vs. 21 begint, in, daar dit gedeelte nog met het einde van het jaar 587 v. C. zijn aanvang neemt, terwijl wij in Hoofdst. 32 reeds in de laatste maand vóór Pasen van het jaar 586 stonden. Ook inwendig bereidt onze afdeling het volgende deel voor, in zoverre Ezechiëls zending tot Israël thans enigermate wordt vernieuwd, waarom de latere uitleggers dit volgende deel meestal met het begin van Hoofdst. 33 beginnen. Daartoe hebben zij echter toch geen volkomen recht, daar aan de ene zijde een tweede roeping van den Profeet niet schijnt aannemelijk te zijn, daar de vroegere geenszins is vernietigd, maar nog hare bevestiging behoeft (vgl. Hoofdst 24:26 vv.), en daar aan de andere zijde Ezechiël hierna op andere wijze zijn ambt moet waarnemen dan te voren, namelijk als vreugdebode van Israëls wederherstelling en de voltooiing der wegen Gods met Zijn volk, voor welke nieuwe wijze van werkzaamheid de hier voor ons liggende, de vroegere instructie niet meer past, hem daarentegen ene nieuwe in vs. 23-33 wordt gegeven. Wat hij daarentegen hier tot het volk zeggen moet, heeft op den gansen tijd betrekking, dat Israël aan het Goddelijk gericht is overgegeven, en dat is niet alleen de tijd der Babylonische ballingschap, maar meer nog die der verstrooiing onder de volken sedert de tweede verwoesting van Jeruzalem en den tempel. Het is niet zozeer een woord, dat mondeling moet worden verkondigd, als wel te schrift moet worden gesteld, hetgeen wat de zaak betreft, voor de opening des monds in vs. 22 ligt. Mochten de Joden van dezen tijd zich laten gezeggen, de dag hunner aanneming zou niet verre zijn.
Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, welk land Ik bedoel is gemakkelijk te begrijpen, en het volk des lands enen man uit hun einden, enen, die tot de burgerij behoort, nemen, en dien voor zich tot enen wachter 1) stellen;
De plicht van enen Profeet, om het volk te waarschuwen wegens hun zonden, wordt hier voorgesteld onder het zinnebeeld van een wachter; dan volgt ene ernstige opwekking tot bekering, op verzekering, dat God dezelve zal aannemen. Zulke wachters, als waarbij de Profeet vergeleken wordt, werden geplaatst op de torentjes van hun stadsmuren of op hoge bergen aan de grenzen des lands om kennis te geven van het naderen des vijands. (ENGELSE GODGELEERDEN).
En hij het zwaard in het naderend krijgsleger ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;
En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd, zodat hij zelf de schuld van zijnen ondergang draagt.
Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijne ziel, zijn leven.
Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt ene ziel uit hen weg; die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eisen. De verzen 2-6 stellen in de eerste plaats de algemene stelling voor, dat, wanneer een volk zich voor het geval van oorlog een wachter aanstelt, daardoor wachters en volk verantwoordelijk worden; dit wordt naar alle zijden uitgewerkt. Dan stelt vs. 7 vast, dat deze algemene stelling op Ezechiël en zijne betrekking tot Israël zijne toepassing vindt, want God heeft (voor een bepaalden tijd) hem tot wachter over Israël gesteld, en hem het woord der waarschuwing in den mond gegeven, om het Israël te zeggen. De wederopname van den plicht, den Profeet opgelegd, en de daarmee verbondene verantwoordelijkheid in vs. 7 vv. wordt in vs. 2 vv. door een uit het leven gegrepen voorval ingeleid, en op deze wijze duidelijk gemaakt, dat ieder hoorder van deze woorden moest inzien: Ezechiël was verplicht geweest, het volk opmerkzaam te maken op het gericht, dat het wachtte en te waarschuwen voor het dreigend gevaar. De zin der gelijkenis is de volgende: Evenals de aangestelde wachter van een land verplicht is, aan het volk het naderen van den vijand aan te kondigen, en wanneer hij dat niet doet, des doods schuldig is, zo heeft ook Ezechiël als de aangestelde wachter van Israël het volk niet alleen moeten waarschuwen voor het naderend strafgericht, om zijn plicht te vervullen, maar hij heeft het ook werkelijk gewaarschuwd, en zo is, wie zich niet heeft willen laten waarschuwen, om zijner zonden wil het zwaard ten prooi geworden. De gelijkenis gaat, daar dit geval inderdaad voor ons ligt, in vs. 2-4 daarvan uit, dat de wachter zijn plicht heeft gedaan. Daarop volgt in vs. 6, wat ook mogelijk is te denken, dat de wachter verzuimde wat zijne roeping was; dat dit geval alleen het mogelijke maar niet het werkelijke is, wijst de in vs. 7 volgende verklaring der gelijkenis in toepassing op Ezechiël aan, waarbij tevens zijne aanstelling tot wachter van het huis Israëls aan de mensenhanden wordt ontnomen en uitdrukkelijk tot Jehova wordt teruggebracht.
Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt ene ziel uit hen weg; die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eisen. De verzen 2-6 stellen in de eerste plaats de algemene stelling voor, dat, wanneer een volk zich voor het geval van oorlog een wachter aanstelt, daardoor wachters en volk verantwoordelijk worden; dit wordt naar alle zijden uitgewerkt. Dan stelt vs. 7 vast, dat deze algemene stelling op Ezechiël en zijne betrekking tot Israël zijne toepassing vindt, want God heeft (voor een bepaalden tijd) hem tot wachter over Israël gesteld, en hem het woord der waarschuwing in den mond gegeven, om het Israël te zeggen. De wederopname van den plicht, den Profeet opgelegd, en de daarmee verbondene verantwoordelijkheid in vs. 7 vv. wordt in vs. 2 vv. door een uit het leven gegrepen voorval ingeleid, en op deze wijze duidelijk gemaakt, dat ieder hoorder van deze woorden moest inzien: Ezechiël was verplicht geweest, het volk opmerkzaam te maken op het gericht, dat het wachtte en te waarschuwen voor het dreigend gevaar. De zin der gelijkenis is de volgende: Evenals de aangestelde wachter van een land verplicht is, aan het volk het naderen van den vijand aan te kondigen, en wanneer hij dat niet doet, des doods schuldig is, zo heeft ook Ezechiël als de aangestelde wachter van Israël het volk niet alleen moeten waarschuwen voor het naderend strafgericht, om zijn plicht te vervullen, maar hij heeft het ook werkelijk gewaarschuwd, en zo is, wie zich niet heeft willen laten waarschuwen, om zijner zonden wil het zwaard ten prooi geworden. De gelijkenis gaat, daar dit geval inderdaad voor ons ligt, in vs. 2-4 daarvan uit, dat de wachter zijn plicht heeft gedaan. Daarop volgt in vs. 6, wat ook mogelijk is te denken, dat de wachter verzuimde wat zijne roeping was; dat dit geval alleen het mogelijke maar niet het werkelijke is, wijst de in vs. 7 volgende verklaring der gelijkenis in toepassing op Ezechiël aan, waarbij tevens zijne aanstelling tot wachter van het huis Israëls aan de mensenhanden wordt ontnomen en uitdrukkelijk tot Jehova wordt teruggebracht.
Gij nu, o mensenkind! om van het zo even gezegde de toepassing te maken op u in uwe betrekking tot het volk, Ik heb u bij uwe roeping tot Profeet voor 7 2/3 jaar (Hoofdst. 3:17-19)tot enen wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord, dat voor het zwaard des gerichts waarschuwt, uit Mijnen mond horen, wat dan hetzelfde is, als wanneer de wachter in bovenstaande gelijkenis het zwaard ziet komen (vs. 3), en gij zult hen van Mijnentwege waarschuwen 1).
God zegt in het algemeen, die ziel, die zondigt, die zal sterven. Het werk van Gods kinderen is, dit op bijzondere personen toe te passen en te zeggen: o goddelozen, gij zult zeker sterven, wie gij ook zijn moogt, indien gij nog voortgaat in uwe overtredingen, zullen zij onvermijdelijk uw verderf zijn.
Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijnen weg af te manen; die goddeloze zal in zijne ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eisen 1).
Het zal den goddeloze niet baten, indien hij zich er mede verontschuldigt, dat hij den weg niet geweten heeft, dewijl de Heere God zich aan hem niet onbetuigd heeft gelaten; maar indien de wachter hem niet het woord Gods heeft verkondigd naar den wille Gods, en hem in zijn goddeloosheid heeft gestijfd, zal de Heere evenzeer dezen ter verantwoording roepen, dewijl hij zijne roeping niet heeft betracht, waartoe de Heere hem geroepen had.
Maar als gij den goddeloze van zijnen weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijnen weg niet bekeert, zo zal hij in zijne ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uwe ziel bevrijd 1).
Opdat de Profeet wete, dat de in ‘t voorgaande algemeen uitgesprokene stelling inzonderheid op hem zag, zegt de Heere: En nu, gij mensenkind, niet door het volk des lands, maar door Mij zijt gij tot een wachter gesteld over het huis Israëls. Terwijl Ezechiël nog eens zijn ambt moet overzien, en wel naar dien regel, naar welken hem de profetische roeping was opgedragen, ontvangt hij van den Heere de getuigenis, zijn ambt getrouw te hebben waargenomen; maar het volk is het ondankbare en verstokte, het is te strafbaarder, naarmate het meer te vergeefs gewaarschuwd en tot bekering geroepen werd. Daar de Profeet vroeger zijn plicht gedaan heeft, valt de verantwoordelijkheid van hetgeen gekomen is, op het volk. Ieder zie toe, hoe hij hore, onder de tijdgenoten des Profeten en in de nawereld, aan welke hij zijn Boek overgeeft. Het versmaden der trouwe vermaningen van de dienaren Gods heeft in vroegeren tijd de gerichten Gods aangebracht, tegen welke niemand mag morren, daar zij hunnen wortel en hun rechtvaardiging hebben in de zondige ongehoorzaamheid aan Gods woord (Zach. 7:11 v.) Het versmaden van de vermaningen der Profeten zal ook in het vervolg de gerichten Gods doen naderen. Denk er toch aan, Christelijke hoorder! van Gods wege en omdat God het wil, moet u uw leraar waarschuwen. Wat zou het voor een wachter zijn, die een uitbrekenden brand daarom verzweeg, omdat hij de mensen in hunnen slaap niet wilde storen? En wat zou het voor een leraar zijn, die bij de zonden der goddelozen stil zweeg, opdat zij in hunnen slaap der gerustheid niet zouden worden verontrust. Vraag dengenen, die in de hel zullen zijn, zij zullen u allen ten antwoord geven: wij hebben ons niet willen laten waarschuwen. Ook al is het geweten van den prediker vrij van de schuld van den goddeloze, die voortgaat in zijne zonden, welk ene smart is het evenwel voor den prediker, de onboetvaardigen in hun zonden te moeten zien sterven! . Ik zou niet gaarne zonder ulieden behouden zijn.
Daarom, gij mensenkind! om ook in ander opzicht en voor ene latere toekomst uw wachtersambt in het door u achter te laten geschrift waar te nemen, zeg tot het huis Israëls: Gijlieden spreekt nu, nadat u Gods straf heeft getroffen, terwijl gij in de plaats van gebroken trots nu de troosteloze verslagenheid stelt (Jer. 17:9) aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij, gelijk gij zelf in Hoofdst. 24:23 aangekondigd en reeds Mozes in Lev. 26:39 in Gods Naam heeft uitgedrukt, in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven 1), hoe weer tot leven en zegen kunnen komen?
Op twee dingen steunden zij in hun verwijdering van God en in beiden deden zij ongerechtigheid tot hun zonden en ellenden tot hun straf. Zij twistten met Zijne belofte en gunsten als hebbende gene vriendelijkheid noch oprechtheid in zich. Zij twistten met Zijne bedreigingen en oordelen, als hebbende geen recht noch billijkheid in zich, voorgevende dat God partijdig was in Zijne handelwijze en bij Hem aanzien des persoons was, en dat Hij strenger was tegen de zonden en de zondaars, dan er oorzaak voor was.
Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Hoofdst. 18:23, 31, 32). Het woord der wet was door den Profeet zelven nog kort vóór zijn verstommen toegepast, zo menen zij; hij had hun toch onophoudelijk verderf aangekondigd. Maar de Profeet is zich bewust, te midden van zijne den dood dreigende werkzaamheid, ook woorden des levens tot Israël gesproken te hebben; daarom herinnert hij aan zijn woord, dat de Heere niet den dood wil, maar de bekering van den zondaar, zijne zaligheid en leven. Die Joden gevoelden hun zonden, maar haatten ze niet; zij schenen over zich zelven te klagen en zij klaagden over God (vs. 17 en 20). Zij hadden geen oprechten wil om zich te bekeren, en verwierpen of zagen twijfelend de door God genadig aangebodene middelen voorbij; zij zeiden met treurigheid: “wij zouden wel willen, maar wij kunnen niet; ” en God antwoordt hun: “Ik wil wel, en meer dan gij, uwe zaligheid. ” . Wat zij zeggen, is half trots, half vreesachtig gesproken: wij hebben reeds te veel gezondigd; wij zijn toch verloren; al willen wij ons ook bekeren, het baat niet meer. Wanhopen, in plaats van zich tot God bekeren, is slechts ene andere soort van trotsheid van het menselijk hart, en wanhoop slechts een andere soort van onboetvaardigheid. Wij moeten aan Gods ontferming niet wanhopen, maar ons daaraan oprichten van onzen val. Zeg niet: ik heb het te erg gemaakt; ik heb de goederen Zijner genade te lang en te schandelijk doorgebracht; Hij heeft mij dikwijls te vergeefs genodigd! Neen! wanneer gij het maar waarlijk meent, en uwen val met ernst beweent, zo zal niets Hem de handen binden en gij zult nog genade vinden; Hij helpt, wanneer niets anders helpen kan: mijn Heiland neemt de zondaars aan (vs. 9). Opdat geen mens aan zijne genade twijfele en allen zonder verontschuldiging zouden zijn, zweert God en wel bij Zichzelven en Zijn leven. Zweert alzo de Drieëenige God, zo verbindt Zich de Vader met ede, dat Hij Zich wil ontfermen, de Zoon, dat Hij met Zijn bloed de zonden wil afwassen en de gerechtigheid schenken, de Heilige Geest, dat Hij bekeren, heiligen en met wijsheid leiden en regeren wil. Maar welk een ontzettende dwaasheid, dat de zondaar liever den eeuwigen dood in de kaken, dan de eeuwige liefde in haren schoot wil lopen.
Gij dan, o mensenkind! Zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding, en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijne goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijne gerechtigheid, ten dage als hij zondigt (vgl. Hoofdst. 18:24-30).
Als Ik tot den rechtvaardigen zeg, dat hij zeker leven zal, en hij op zijne gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijne gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijne zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;
Geeft de goddeloze het pand weer, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zeker leven, hij zal niet sterven (Hoofdst. 18:5 vv.).
Al zijne zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zeker leven1) (Hoofdst. 18:21 v.).
Wat de goddeloosheid des goddelozen betreft, hoewel dezelve zeer hatelijk was, zo zal hij nochthans niet door dezelve vallen ten dage dat hij zich afkeert van zijne goddeloosheid. Nu dezelve zijn smart geworden is, zal ze zijn verderf niet zijn. Nu er een vastgestelde scheiding is tussen hem en de zonde, zo zal er niet langer een scheiding zijn tussen hem en zijn God. Ja zij zullen hem niet eens verweten worden. Alle zijne zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden, hetzij als een beletsel van zijne vergiffenis, of als een verzwakking van zijne vertroosting, of als ene bezwalking en vermindering van de heerlijkheid, die voor hem bereid is.
Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht: daar toch hun eigen weg niet recht is.
Als de rechtvaardige afkeert van zijne gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
En als de goddeloze zich bekeert van zijne goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijne wegen, o huis Israëls! Om het misbruik van het bovenstaande troostwoord tot vals vertrouwen op eigene gerechtigheid te voorkomen, herhaalt Ezechiël de hoofdgedachten dier verkondiging; Hoofdst. 18:20-32, en wel in de eerste plaats (vs. 12-16), de gedachte, dat den rechtvaardige zijne gerechtigheid geen nut doet, wanneer hij zich aan de ongerechtigheid overgeeft, en de goddeloze om zijne zonde niet zal sterven, wanneer hij zich van zijne boosheid bekeert en naar de gerechtigheid jaagt; alzo is het (vs. 17-20), ene terechtwijzing voor hen, die den weg des Heeren berispen. Het grootste gevaar, dat uit het lijden kan voortkomen is dit, dat men daardoor omtrent zijn God begint te twijfelen; ene van de gewichtigste werkzaamheden der dienaren Gods is dus, dat zij in het lijden tot verstandig nadenken brengen. God is recht in al Zijne wegen, zo wijst de Profeet aan, een iegelijk klage over zijne zonde (Klaagl. 3:39). Wie de zaligheid mist, doe niet, waartoe het onder de ellende zuchtende Israël zozeer geneigd is, hij klage God niet aan, die den rechtvaardige en dien, die zich van zijne zonden bekeert, steeds zegen toedeelt. Alleen de vroeger rechtvaardige, die zich van zijne gerechtigheid heeft afgekeerd, en de goddeloze, die zich niet wil bekeren, moeten onder het onheil bukken. De gedachten, hier uit Hoofdst. 18 herhaald zijn van uitnemend gewicht; want een hart, dat door de ellende aan zijnen God begint te twijfelen, zal den weg der boete niet betreden, welke tot het wederkeren der zaligheid voorwaarde is; en de mens is al te zeer geneigd zijne schuld te verkleinen, en te menen dat God te hard met hem had gehandeld. Het kunnen gevoegelijk dezelfde personen zijn, die in vs. 10 v. menen, dat zij het te erg hebben gemaakt, en hier, dat God hun te veel heeft aangedaan. In zulke tijden van lijden komt de ene golf in plaats van de andere. Meer dan zes jaren waren er verlopen, sedert de Profeet het met dezelfde tegenspraak had te doen gehad (Hoofdst. 8:1; 18:25 vv.), en het volk was nog gene schrede vooruit gekomen. Ezechiël en de heilige, almachtige God zelf, leert hier alle ouders, opvoeders en zieleherders, door zijn voorbeeld geduld en lankmoedigheid. En wij zouden niet nog veel meer geduldig zijn, Wanneer wij aan onze eigene zonden en aan het geduld gedenken, dat God met ons heeft; maar wij mogen bij dat alles niet moede worden over de ons toevertrouwde zielen te waken en ze te waarschuwen. Ook hier spreekt de Heere God het weer zo treffend uit, dat God Zich Zelven zal verheerlijken in de behoudenis der rechtvaardigen, zowel als in het verderf van de goddelozen. Hij maakt zalig, wie door het geloof tot Hem de toevlucht nemen met al hun ellenden en alle hun zonden, maar Hij verwerpt en verderft, die zich niet door Hem laten waarschuwen en het bloed des kruizes verachten. 21. D. De voorzeggingen tegen buitenlandse volken, die wij in het met ene C. getekende deel van ons Profetische boek voorgesteld vinden, als een aanhangsel van het vorige deel B, onderscheiden zich reeds daardoor, dat zij niet bestemd waren tot openbare verkondiging, maar alleen tot schriftelijke optekening. Nu volgen de voorzeggingen van den tweeden tijd van Ezechiëls prediking. Deze zijn voorzeggingen na de verwoesting van Jeruzalem en nemen steeds hun uitgangspunt van het pas over het volk genomen gericht, hun einde hebben zij in de voleindiging der wegen Gods met zijn volk. Israël is nu vernietigd, rechtvaardig gestraft voor zijne zonde, toch zal het in zijne ellende tot erkentenis komen, en dan zal des Heeren genade, die hare trouw niet kan verloochenen, zich ontfermen en Israël ene toekomst bereiden, welke veel heerlijker is dan al het vroegere. “Het wonderbare, waarachtig grootse en Goddelijke der heerlijke voorzeggingen van dit deel onzen Boeks ligt in het contrast, waarin hare verkondiging tot het tegenwoordige staat. In het aangezicht des doods ademen de woorden van den Profeet slechts opstanding en leven. De diepste vernedering van het verbondsvolk, zijne schijnbare vernietiging is de weg tot ware grootheid, ja tot eeuwige heerlijkheid.
I. Vs. 21-33.KruisverwijzingenEzechiël 1:3→Jesaja 51:2→Ezechiël 33:27→Handelingen 7:5→Ezechiël 3:26→Lukas 3:8→Jeremia 40:7→Ezechiël 36:4→
— En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting. Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten? Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten? Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven! Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga. Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben. En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
Spoedig nadat verwezenlijkt is, wat Ezechiël na zijne laatste dreiging aan Israël door den Heere is voorzegd, vóórdat hij voor zijn volk moet verstommen, en alleen profetieën tegen de buitenlandse volken ontving, en het nu met deze verwezenlijking de mond weer werd opengedaan, om niet meer te verstommen (vs. 21 en 22), wordt hem een eerste woord Gods ten deel, dat eensdeels voor het volk anderdeels voor hem zelven bestemd is. Bij het volk zal hij nu overeenkomstig zijne roeping tegen den waan moeten strijden, alsof het met Israël ondanks het nu begonnen gericht over Jeruzalem toch zo erg niet stond, en integendeel zijn lot gemakkelijk en spoedig weer ten goede zon worden gekeerd. De natuurlijke mens toch heeft in ‘t geheel geen lust om boete te doen, zodat ook daar, waar God luide en krachtig genoeg daartoe dringt, hij toch de kracht van Zijne roeping tot boete door allerlei voorspiegelingen voor het eigen hart zoekt te verzwakken. Zo zal Ezechiëls doel nu zijn, het volk te verwijten, hoe wel verdiend en daarom ook hoe ernstig gemeend het begonnen strafgericht was (vs. 23-29). Voor hem zelven is het echter ook nodig een gevaar van zelfmisleiding te vermijden; want wanneer hij nu, zoals het in ‘t vervolg zijne roeping is, aan het volk het toekomstige heil en de latere herstelling van Israël zal verkondigen, zo zullen de mensen zich in gehele menigten bij hem bevinden, en zijne woorden aanhoren als een lieflijk lied, als de schone dichting van enen zanger, maar omtrent hetgeen, waarop het van hun zijde werkelijk aankomt, waar zij ook wezenlijk zegen van zullen hebben, is het hun evenwel nog altijd bij dit gaarne horen geen ernst, maar het is alleen het gekittel der oren, dat zij zoeken. Boete doen en den Heere erkennen zal Israël eerst, wanneer het toekomstige heil tot werkelijkheid wordt, en zo zal Ezechiël, gelijk hij zich vroeger niet door gebrek aan een gezegend gevolg van zijne prediking moet laten afhouden, om zijn ambt waar te nemen, zo moest hij zich ook nu niet door den schijn van vrucht laten misleiden, als ware het doel reeds in der daad bereikt, hij moest integendeel op dat ene zijn oog vestigen: zij moeten ervaren, dat een Profeet onder hen geweest is (vs. 30-33).
En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, die begonnen was met Jojachins wegvoering (Hoofdst. 1:2) dus in het jaar 587 v. C. toen de stad reeds geruimen tijd in puin lag (2 (Kon. 2:8 vv.), in de tiende maand, Tebeth, op den vijfden der maand, bij ons het einde van December, dat er volgens hetgeen mij door den Heere in Hoofdst. 24:25 vv. was aangekondigd, een aan den van Babel vrij ver gelegene Chaboras tot mij kwam, a) die van Jeruzalem ontkomen was. Hij kwam niet onmiddellijk van daar maar middellijk uit Babylon, zeggende wat ik uit Goddelijke openbaring reeds lang geleden wist, eerst nu uit menselijken mond zou vernemen: b) De stad is geslagen.
(Ezech. 24:26. b) 2 Kon. 25.
Nu was de hand des HEEREN tot ene buitengewone werking Gods op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijnen mond opengedaan, zodat ik reeds den gehelen nacht door weer had kunnen spreken, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd door den Heere tengevolge dier wonderbare werking ook voor het vervolg mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom, gelijk mij dat in Hoofdst. 3:26 en 24:27 was opgelegd. De chronologische nauwkeurige opgaaf, wanneer de bode met het bericht van Jeruzalems val was aangekomen, dient om het tijdpunt aan te wijzen, waarop het keerpunt tot onverhinderd spreken en profeteren voor den Profeet was gekomen. In het begin zijner profetische werkzaamheid verkreeg de Profeet van God de aanwijzing, dat hij, om haar te volbrengen, vooreerst niet onder het volk moest gaan, maar zich in zijn huis moest terugtrekken, en daar wachten totdat de Israëlieten tot hem zouden komen; en dat hij ten tweede zich stom moest houden, niet uit eigen begeerte, maar alleen dan wanneer God hem een bepaald woord gaf, om in den naam Gods tot het volk te spreken. Het was nu toch geen tijd meer, dat God Profeten tot Israël zond om ze te zoeken, en door herhaalde vermaning tot bekering op te wekken. Er blijft alleen nog over, dat hun het oordeel wordt aangekondigd, en dan moet de Profeet in zijn teruggetrokken zijn en zijn stom gedrag tevens het uiterlijke van een ongeluksbode aan zich hebben. Zo ging het tot Hoofdst. 24:25 vv. met welk tijdstip ene verandering begon, dat hij tot en over Israël in het geheel niet meer, maar alleen nog over buitenlandse volken sprak, omdat hem in het geheel gene woorden meer van de eerste soort, en nog alleen woorden van de laatste voort werden gegeven. Nu bracht echter de bovengenoemde reden, waarom God hem zulk een stom zijn had opgelegd, het van zelf mede, dat zulk een gedrag na het begin der katastrofe en het bekend worden daarvan, niet meer nodig noch gepast was voor den kring der hoorders. Integendeel was het van nu aan nodig het aangevangen gericht te leiden tot ene ware boete, en de boetvaardigen door belofte van toekomstige ontferming en latere wederherstelling te vertroosten. Nu moest de Profeet voortaan omgekeerd de Israëlieten nalopen, onafgebroken door zijn woord hun hart zoeken, en zich aan hen ook niet meer als een donkere bode des onheils, maar als een voorzegger van toekomstig heil, in het openbaar vertonen. Nog in den nacht vóór de aankomst des ontkomenen, kwam, opdat Ezechiël met hem zou kunnen spreken, de hand des Heeren over hem, en deed hem den mond open, om niet meer te verstommen; gaf hem dus de vrijheid en mogelijkheid om te spreken, wanneer hij wilde, voor ‘t vervolg terug. Nu toch moest hij de harten des volks tot boete dringen en de boetvaardigen door beloften vertroosten. Dat deed hij dan ook later in voortdurende opklimming door de woorden Gods, welke hij van tijd tot tijd ontving en predikte. Reeds in den nacht vóór de aankomst des ontkomenen, volgde de opening van den mond des Profeten, die sedert Hoofdst. 24:27 gesloten was, alsof het zegel er was afgenomen. De voorspellende werkzaamheid begint eerst nadat de ontkomene was ontmoet, wiens aankomst de bode was voor het ontvangen van nieuwe openbaringen. Eerst nadat de gehele dood, de vernietiging van alle aardse verwachtingen, hem voor ogen was getreden, kon de aankondiging van de vrolijke opstanding volgen. Het is opmerkelijk, dat Eerst (op den 5den dag der 10de maand) in het twaalfde jaar het bericht van de verwoesting der stad (die op den 10den dag der 5e maand in het 11de jaar had plaats gehad), tot de ballingen in Tel Abib kwam; maar bijna 1 1/2 jaar kunnen bij de van Babel zo ver gelegene verblijfplaats des Profeten zeer goed zijn verlopen, voordat het bericht daar aankwam. Van den eersten tot den laatsten dag der belegering van Jeruzalem kon natuurlijk geen bericht van de belegerden tot de gevangenen aan den Chaboras komen. De gevangenen in Chaldea mochten niet gaan, waarheen zij verkozen; hun woonplaatsen werden hun aangewezen. Langzamerhand verkregen zij meer vrijheid. De hand des Heeren kan ook op ene andere wijze worden gevoeld, de ziel versterkende en de geest verheffende tot de eeuwige dingen. O! dat ik in dit opzicht moge ervaren, dat de Heere met mij bezig is! Het bewustzijn der Goddelijke tegenwoordigheid en de inwoning, draagt de ziel ten hemel als op arendsvleugelen. In zulke tilden zijn wij ten boorde toe gevuld met geestelijken blijdschap, en vergeten wij de zorgen en verdrietelijkheden der aarde. De Onzienlijke is nabij, en het zienlijke verliest zone kracht over ons; het dienstbare lichaam wacht aan den voet van den berg, en de meestergeest aanbidt op den top, in de tegenwoordigheid des Heeren. O! dat een geheiligd tijdstip van goddelijke gemeenschap mij worde geschonken! De Heere weet hoezeer ik dat van node heb. Mijne genadegaven falen, mijn bederf woelt, mijn geloof is zwak, mijne toewijding ir gebrekkig; deze allen zijn redenen, waarom Zijne hand ter genezing op mij gelegd is. Zijne hand kan de hitte verkoelen van mijn brandend hoofd, en den angst stillen van mijn kloppend hart. Die heerlijke rechterhand, die de wereld formeerde, kan mijn gemoed herscheppen, de onvermoeide hand, die de grootse pijlers der aarde draagt, kan mijn geest schragen; de liefdevolle hand, die al Zijne heiligen omsluit, kan ook mij omvatten; en de machtige hand, die den vijand verbreekt, kan ook mijne zonde overwinnen. Welaan, mijn ziel! wend u tot God met den machtigen pleitgrond, dat Jezus handen doorboord zijn voor uwe zaligheid, en gij zult ongetwijfeld ervaren, dat dezelfde hand op u wordt gelegd, die eenmaal Daniël aanraakte, en hem op zijne knieën stelde om hem de gerichten zijns Gods te doen zien.
Toen geschiedde op een der volgende dagen na de aankomst van den ontkomene des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind! (Hoofdst. 2:1) de nog achtergeblevene (Jer. 39:10) inwoners van die woeste plaatsen in het land Israëls, tot welke Juda volgens het bericht des ontkomenen geworden is, spreken bij zichzelven en onder elkaar, en hun rede dringt door tot hun broederen in de ballingschap en vindt daar instemming, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat hoewel hij slechts een enige was, dit land erflijk, naardien Ik hem het bezit land beloofd (Gen. 13:14 v.); maar onzer zijn velen, ook nog nadat het grootste gedeelte van ons is omgekomen: het land isook ons gegeven tot ene erflijke bezitting, wij hebben er veel meer aanspraak op, en zullen gemakkelijk en spoedig weer in het bezit daarvan komen. Zegen aan te kondigen is van nu aan Ezechiëls roeping; maar niet zulk een zegen als het de verdorven menigte des volks verwacht en begeert: daarbij zou de betekenis, het Goddelijk doel van het strafgericht, geheel verloren gaan, en het tot een ware loutering des volks nooit komen. Integendeel, het gericht en de zegen staan in onafscheidelijk verband met elkaar. Om deze gedachte zo sterk mogelijk op den voorgrond te stellen, voert de Profeet de Israëlieten, die op de puinhopen van Jeruzalem zitten, sprekende in. Zelfs bij hen, voor wier ogen het ontzettende geschied is en voortdurend staat, zijn nog de verkeerdste verwachtingen van zegen diep geworteld. De inhoud daarvan is geheel en al de Farizese hoogmoed, die in zijne eigengerechtigheid voor het heil gene vatbaarheid toont. Zelfs de rede, de uitdrukking dier gezindheid, komt geheel overeen met het verhovaardigen op Abraham, zoals dat bij de latere Joden gevonden wordt. (Joh. 8:33 en 39). Het gehele land was een land van ruïnen; er was dus reden genoeg, om eindelijk de verwachtingen van een verdwaasd hart te laten varen; zij houden echter nog altijd die verwachtingen vast (dat bewijst de opstand, waarbij de Chaldeeuwse stadhouder Gedalia vermoord werd, Jer. 41), en beroepen zich op Abraham. Deze was kinderloos, en toch heeft hij en zijne nakomelingen het land geërfd. Waarom zouden zij, die in vergelijking met hem altijd nog talrijk zijn, het bezit van het land niet weer verkrijgen? . In hun ontvluchten van de bekering (1 Sam. 14:24 en 35), willen zij aan het werkelijk verlies van het heilige land niet geloven; zij kunnen echter ook tegen het verlies, dat in werkelijkheid heeft plaats gehad, geen troostgrond vinden, die steek houdt; daarom maken zij zich de illusie, alsof God, nadat Hij aan den éénen Abraham het land gegeven had; dat onmogelijk aan hen, die zo velen, een geheel volk, waren, ontnemen kon. Wat den gelovige is beloofd, kennen zich ook overigens de ongelovigen wel gaarne toe. Heilige puinhopen zijn reliquiën, waarop men zich niet kan verlaten. Zoals Ezechiël in het eerste deel van zijn Boek de bedreigingen omtrent den ondergang van Jeruzalem en Juda voor zijne landslieden aan den Chaboras heeft uitgesproken, en tot hen gericht heeft, omdat zij innerlijk in dezelfde verhouding tot den Heere stonden, als hun broeders, die zich in Jeruzalem en Juda bevonden, zo houdt hij hun ook hier dien waan ter waarschuwing voor, om hun de nietigheid van zulk ene ijdele verwachting te doen gevoelen, en boete en bekering als den enigen weg ten leven te prediken.
Daarom zeg tot hen, om hun het dwaze en ijdele hunner verwachting te doen gevoelen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij hebt u niet gehouden aan het verbod in Lev. 17:10 vv. maar openlijk uwe begeerte getoond tot hetgeen u verboden is, gij eet vlees met het a) bloed, en heft, in sterkere verachting Mijner heilige geboden (Ex. 20:2 vv.) uwe ogen op tot uwe drekgoden, en vergiet bloed (Hoofdst. 18:16, 10; 22:3 v.); en zoudt gij, die zo alle grondwetten van Mijn verbond hebt gebroken, het land erflijk bezitten?
Gen. 9:4. Lev. 3:17.
Gij staat op ulieder zwaard, gij stelt uw vertrouwen op geweld en moord (2 Kon. 25:25); gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw (Hoofdst. 18:12, 6 #Eze ,) zijns naasten; en zoudt gij het land erflijk bezitten?
Op die wijze zult gij hun voorhouden, hoe zij door hun gruwelijke zonden het bezit des heiligen lands openlijk hebben verbeurd, daarna zult gij hun verklaren hoe dat nu ook werkelijk en geheel en al hun is ontnomen. Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, die in de ruïnen van de reeds verwoeste steden des lands zijn overgebleven, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgave, dat het hem vrete (2 Kon. 17:25), en die in de vestingen en in de spelonken zijn en daar voor zwaard en de wilde dieren veilig zijn, door de pestilentie zullen sterven, want deze vier boze straffen (Hoofdst. 14:21) heb Ik toch in mijne macht, om hen daardoor uit te roeien uit het land!
Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, die niet te vergeefs dreigt, en die ook kan volbrengen, wat Hij gedreigd heeft, als Ik het land tot ene verwoesting en enen schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben (Hoofdst. 6:14). Juist het erven en bezitten des lands, waarop deze onechte zonen van Abraham aanspraak maken, waarin begrepen zijn alle geestelijke en lichamelijke genadebewijzen van Jehova, onderstelt noodzakelijk een daarvoor ontvangbaar orgaan, en dit ontbreekt hun geheel. Daarom moeten tegenover de schaamteloosheid hunner verkeerdheden, de oude bedreigingen van verderf worden herhaald, en hun betuigd, dat er voor hen gene zo veilige toevluchtsoorden zullen zijn, waar zij den toorn en de gerichten Gods kunnen ontvlieden. De Goddelijke wraak behoeft de misdaad niet dadelijk te volgen, zij heeft ook niet nodig lang en met moeite den goddeloze op te zoeken, maar waar hij heenvlucht en zich verborgen acht, hetzij in de hoogte of in de diepte, daar is de wrake Gods reeds en heeft verwacht dat hij daar zou komen. De bedreiging van gehele verwoesting is niet tot het drijven der Chaldeën en Jeruzalems verwoesting te beperken, maar doelt op geheel den volgenden tijd. De gedreigde verwoesting en de gehele ontvolking van het land mag men niet alleen op den tijd der Chaldeeuwse ballingschap beperken, maar omvat ook de verwachting, die met en na Jeruzalems verwoesting, door de Romeinen heeft plaats gehad. Ik had gewild, dat zij Mij zouden erkend hebben den Heere te zijn, door Mijne zegeningen, welke het land gelukkig maakten, door Mijne heilige bevelen, welke strekten tot vroomheid en gerechtigheid, door Mijne genade en goedertierenheid jegens hen; maar zij hebben Mijne gunst versmaad, Mijne wet verbroken, Mijne goedheid misbruikt, en nu zullen zij door de straf over hun zonden, gelijk Ik gedreigd heb, en door hun land tot woestheid te maken, genoodzaakt worden Mij te erkennen als den Heere en zich aan Mij te onderwerpen.
En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden, wanneer zij in hun kamers te zamen zijn en op de divans aan de wanden zitten, en in de deuren der huizen, wanneer zij bij het verlaten van elkaar er nog een onderhoud hebben; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijnen broeder, zeggende: Komt toch tot den Profeet, en hoort wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.
En zij a) komen tot u om ene profetische voordracht uit uwen mond te horen, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, dat naar genade verlangt en leergierig zich aan den dienaar Mijns Woords houdt, en zij horen uwe woorden zelfs met opmerkzame oren, maar zij doen ze niet: want zij maken liefkozingen met hunnen mond; door gebaren en woorden stellen zij ene bijzondere liefde tot Mijn woord voor, maar hun hart wandelt hun gierigheid na 1), en alzo houden zij zich aan den Mammon als hunnen eigenlijken god.
Ezech. 14:1 vv. 20:1 vv.
Openbare personen zijn de gemene stof, of het onderwerp van gesprekken. Elk een neemt de vrijheid, om hen naar welgevallen te berispen en getrouwe dienaars van God weten niet, hoeveel kwaad er dagelijks van hen gesproken wordt. Het is goed, dat zij het niet weten, want als zij het wisten, zou het hen tot mismoedigheid zijn in hun werk, dat niet gemakkelijk zou zijn vol te houden. Maar God neemt kennis, van al wat tegen Zijne knechten gezegd wordt, niet alleen wat tegen hen besloten of gezworen wordt, niet alleen wat tegen hen geschreven wordt, of wat slechtigheid gesproken en beraadslaagd, maar van wat tegen hen gezegd wordt in de gemene gesprekken onder buren.
En ziet, gij zijt hun als een lied, een zanger der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uwe woorden, maar zij doen ze niet. Men komt tot u, even als men komt om enen beroemden zanger te horen, zonder enige gedachte om iets ter harte te nemen.
Maar als dat komt, wat gij voorzegt, (en zie, het zal komen! Israëls herstelling en verheerlijking zal even zeker komen, als Jeruzalems ondergang en Juda’s vernietiging gekomen is), dan zullen zij weten dat er een Profeet in het midden van hen geweest is, en geen redenaar of lieflijk zanger of speler tot vermaking en onderhouding (Hoofdst. 2:5). God had den Profeet bij zijne roeping (Hoofdst. 2:3 vv.), door voorhouden van het doel en de verantwoordelijkheid zijner roeping, op de moeilijkheden van het volbrengen van het hem opgedragen ambt als wachter, opmerkzaam gemaakt, en hem vermaand, zich door het tegenstreven des volks niet op een dwaalspoor te laten brengen. Hier, bij het begin der tweede afdeling zijner werkzaamheid, richt Hij weer een woord persoonlijk tot hem, opdat hij in de verdere uitoefening van zijne roeping zich niet late leiden door hetgeen de mens wil. Toen zijne profetieën over Jeruzalem vervuld waren, moesten de ballingen, wier oudsten reeds vroeger tot hem waren gekomen, om Gods woord bij hem te vernemen (Hoofdst. 14:1; 20:1). nog opmerkzamer op zijne woorden worden, zodat zij heimelijk en openlijk van hem spraken en elkaar opwekten om te komen en op zijne woorden te letten. Dit zegt God hem vooraf, maar tevens, dat deze geneigdheid zijner landslieden, om hem te horen, nog geen teken was van oprechte bekering tot Gods woord, opdat hij zich in zijne verwachtingen omtrent het volk niet bedroog. Het spreken in vs. 30 is niet een vijandig, maar een welwillend spreken; men verheugt zich te midden der nationale verarming, in de voortreffelijke redenaarsgaven van den nieuwen klassieken man. Het is bedenkelijk, als men de schoonheid der rede, der stem enz. bij enen redenaar prijst. Uitwendig Gods woord te horen, daartoe geven de mensen zich nog wel, maar niet om het door Gods genade te beleven. Zij prijzen alleen de welsprekendheid, om de zaak bekommeren zij zich niet. Zij willen het woord van den Profeet slechts aanhoren als een schoon muziekstuk, om gekittel der oren en een aangenaam gevoel daarvan te hebben, en hem tot enen troubadour of minnezanger en enen bekwamen harpspeler vernederen, naar wien men gaarne tot zijn vermaak luistert. Maar “God speelt niet in Zijn Woord, opdat wij zouden dansen. ” God beware de kerk voor ledige banken, maar nog meer voor stompe toehoorders, die alleen de zondagsklederen tonen, en in de kerk willen geweest zijn. “Zij horen slechts maar doen niet, ” dat is een oud thema, dat gedurig nieuw is geworden; men verdringt elkaar tot de redenaars des Heeren in dichte hopen, prijst de schone voordracht, men hoort-doch zie het komt! Dan zullen zij te laat erkennen, dat Ezechiël niet uit hardheid heeft gesproken, maar zich een waar Profeet in hun midden betoont heeft. Volgens sommige uitleggers is de zin van het slotwoord: “zij zullen tot hun smart ondervinden, dat een Profeet onder hen gevreest is, wanneer de aangekondigde genade begint, maar zij er van buiten gesloten worden, omdat zij tot gene boete zijn gekomen, ” volgens anderen: “eerst wanneer de voorzegde zegen in werkelijkheid voor hun ogen staat, zullen zij berouw hebben en Mij erkennen. ” Dit stemt overeen met Hoofdst. 37 en Openb. 11:11. Hiermede verzekert God dat Hij het werk van Zijn Profeet zal bevestigen. Hetgeen Hij gezegd heeft zal zeker geschieden en geen jota of tittel zal op de aarde vallen. Zij zullen nog eenmaal wensen, naar het woord des Profeten gehoord te hebben, maar dan zal het te laat zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel