Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Om dezeG3778 oorzaakG5484 ben ikG1473 PaulusG3972 de gevangeneG1198 van ChristusG5547 JezusG2424, voor uG4771, die heidenenG1484 zijt.
Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijt.
KJV
For this
cause2
I3
Paul,4
the prisoner6
of Jesus9
Christ8
for10
you
Gentiles,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Indien gij maar gehoordG191 hebt van de bedelingG3622 der genadeG5485 GodsG2316, die mijG1473 gegevenG1325 is aanG1519 uG4771;
Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u;
KJV
If1
ye have heard2
of the dispensation4
of the grace6
of God8
which3
is given10
me
to12
you-ward:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DatG3754 Hij mij door openbaringG602 heeft bekendG1107 gemaakt deze verborgenheidG3466, (gelijk ik metG1722 weinigeG3641 woorden te voren geschreven heb;
Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb;
KJV
How that1
by2
revelation3
he made known4
unto me
the mystery;7
(as8
I wrote afore9
in10
few words,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WaaraanG4314 gij, dit lezendeG314, kuntG1410 bemerkenG3539 mijn wetenschapG4907, inG1722 deze verborgenheidG3466 van ChristusG5547),
Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus),
KJV
Whereby,1
when ye read,4
ye may3
understand5
my
knowledge7
in9
the mystery11
of Christ)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WelkeG3739 inG1722 andere eeuwenG1074 den kinderenG5207 der mensenG444 nietG3756 is bekendG1107 gemaakt, gelijkG5613 zijG846 nu is geopenbaardG601 aan Zijn heiligeG40 apostelenG652 enG2532 profetenG4396, doorG1722 den GeestG4151;
Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest;
KJV
Which1
in2
other3
ages4
was6
not5
made known
unto the sons8
of men,10
as11
it is13
now12
revealed
unto his17
holy15
apostles16
and18
prophets19
by20
the Spirit;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Namelijk dat de heidenenG1484 zijnG1510 medeerfgenamenG4789, enG2532 van hetzelfde lichaamG4954, enG2532 mededeelgenotenG4830 Zijner belofteG1860 inG1722 ChristusG5547, door het EvangelieG2098;
Namelijk dat de heidenen zijn medeerfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;
KJV
That the Gentiles3
should be
fellowheirs,4
and5
of the same body,6
and7
partakers8
of his11
promise10
in12
Christ14
by15
the gospel:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Waarvan ik een dienaarG1249 gewordenG1096 ben, naarG2596 de gaveG1431 der genadeG5485 GodsG2316, dieG3739 mijG1473 gegevenG1325 is, naarG2596 de werkingG1753 Zijner krachtG1411.
Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht.
KJV
Whereof1
I was made2
a minister,3
according4
to the gift6
of the grace8
of God10
given12
unto me
by14
the effectual working16
of his19
power.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
MijG1473, den allerminsteG1647 van alG3956 de heiligenG40, is dezeG3778 genadeG5485 gegevenG1325, om onderG1722 de heidenenG1484 door het EvangelieG2097 te verkondigen den onnaspeurlijkenG421 rijkdomG4149 van ChristusG5547,
Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus,
KJV
Unto me,
who am less than the least3
of all4
saints,6
is7
this10
grace9
given,
that I should preach14
among11
the Gentiles13
the unsearchable16
riches17
of Christ;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 allenG3956 te verlichtenG5461, dat zij mogen verstaan, welkeG5101 de gemeenschapG2842 der verborgenheidG3466 zij, die vanG575 alle eeuwenG165 verborgenG613 is geweest inG1722 GodG2316, Welke alleG3956 dingen geschapenG2936 heeft door JezusG2424 ChristusG5547;
En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;
KJV
And1
to make2
all3
men see
what4
is the fellowship6
of the mystery,8
which5
from11
the beginning of the world13
hath been hid10
in14
God,16
who7
created20
all things19
by21
Jesus22
Christ:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
OpdatG2443 nu, door de GemeenteG1577, bekendG1107 gemaakt worde aan de overhedenG746 enG2532 de machtenG1849 inG1722 den hemelG2032 de veelvuldigeG4182 wijsheidG4678 GodsG2316;
Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;
KJV
To the intent that1
now3
unto the principalities5
and6
powers8
in9
heavenly11
places might be known2
by12
the church14
the manifold16
wisdom17
of God,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
NaarG2596 het eeuwigG165 voornemenG4286, datG3739 Hij gemaaktG4160 heeft inG1722 ChristusG5547 JezusG2424, onzen HeereG2962;
Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere;
KJV
According to1
the eternal4
purpose2
which5
he purposed6
in7
Christ8
Jesus9
our
Lord:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
In Denwelken wij hebbenG2192 de vrijmoedigheidG3954, enG2532 den toegangG4318 metG1722 vertrouwenG4006, door het geloofG4102 aan HemG846.
In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.
KJV
In1
whom2
we have3
boldness5
and6
access8
with9
confidence10
by11
the faith13
of him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Daarom bidG154 ikG1473, dat gijG4771 nietG3361 vertraagtG1573 inG1722 mijn verdrukkingenG2347 voor uG4771, hetwelkeG3748 isG1510 uw heerlijkheidG1391.
Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid.
KJV
Wherefore1
I desire2
that ye faint4
not3
at5
my
tribulations7
for9
you,
which11
is
your
glory.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Om dezeG3778 oorzaakG5484 buigG2578 ikG1473 mijn knieenG1119 totG4314 den VaderG3962 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547,
Om deze oorzaak buig ik mijn knieen tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus,
KJV
For this
cause2
I bow3
my
knees5
unto7
the Father9
of our
Lord11
Jesus13
Christ,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
UitG1537 WelkenG3739 alG3956 het geslachtG3965 inG1722 de hemelenG3772 enG2532 op de aardeG1093 genoemdG3687 wordt,
Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt,
KJV
Of1
whom2
the whole3
family4
in5
heaven6
and7
earth8
is named,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
OpdatG2443 HijG846 uG4771 geveG1325, naar den rijkdomG4149 Zijner heerlijkheidG1391, met krachtG1411 versterktG2901 te worden door Zijn GeestG4151 inG1519 den inwendigenG2080 mensG444;
Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens;
KJV
That1
he would grant2
you,
according to4
the riches6
of his9
glory,8
to be strengthened11
with might10
by12
his15
Spirit14
in16
the inner18
man;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Opdat ChristusG5547 door het geloofG4102 inG1722 uw hartenG2588 woneG2730, en gijG4771 inG1722 de liefdeG26 geworteldG4492 enG2532 gegrondG2311 zijt;
Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt;
KJV
That Christ3
may dwell1
in7
your
hearts9
by4
faith;6
that
ye, being rooted14
and15
grounded16
in12
love,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
OpdatG2443 gij ten volle kondetG1840 begrijpenG2638 met alG3956 de heiligenG40, welkeG5101 de breedteG4114, enG2532 lengteG3372, enG2532 diepteG899, enG2532 hoogteG5311 zij,
Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij,
KJV
May be able2
to comprehend3
with4
all5
saints7
what8
is the breadth,10
and11
length,12
and13
depth,14
and15
height;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En bekennenG1097 de liefdeG26 van ChristusG5547, die de kennisG1108 te boven gaat, opdatG2443 gij vervuldG4137 wordt totG1519 alG3956 de volheidG4138 GodsG2316.
En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.
KJV
And2
to know1
the love7
of Christ,9
which passeth4
knowledge,6
that10
ye might be filled11
with12
all13
the fulness15
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Hem nuG1161, Die machtigG1410 is meer dan overvloediglijkG1537 te doenG4160, boven alG3956 watG3739 wij biddenG154 ofG2228 denkenG3539, naarG2596 de krachtG1411, die inG1722 ons werktG1754,
Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt,
KJV
Now2
unto him that is able3
to do6
exceeding4
abundantly8
above7
all5
that10
we ask11
or12
think,13
according to14
the power16
that worketh18
in19
us,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Hem, zeg ik, zij de heerlijkheidG1391 in de GemeenteG1577, doorG1722 ChristusG5547 JezusG2424, in alleG3956 geslachtenG1074, totG1519 alle eeuwigheidG165. AmenG281.
Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.
KJV
Unto him1
be glory3
in4
the church6
by7
Christ8
Jesus9
throughout10
all11
ages,13
world15
without end.17
Amen.
Christus Jezus,
Dat is, om de zaak van Christus, of, om Christus' wil, gelijk Hij Zichzelven dezen titel ook geeft; 2 Tim. 1:8, en Filem. 1:1.
Hertaald:
Christus Jezus,
Dat is: om de zaak van Christus, of: om Christus' wil, zoals hij zichzelf deze titel ook elders geeft; 2 Tim. 1:8 en Filem. 1:1.
voor u, die
Dat is, omdat ik u heidenen, van Christus tot nu toe heb gepredikt, en nog zelfs in deze mijne banden predik, niettegenstaande de Joden daarover tegen mij alzo zijn verbitterd, en mij in de handen der ongelovigen hebben overgegeven, Hand. 21. Of ook, om u door mijn exempel en lijdzaamheid in de waarheid dezer leer te versterken, gelijk hierna vs.13.
Hertaald:
voor u, die
Dat is: omdat ik u, heidenen, tot nu toe over Christus gepredikt heb en dat zelfs nog in deze boeien van mij doe, ondanks dat de Joden daarover zo verbitterd tegen mij zijn en mij in de handen van de ongelovigen hebben overgegeven, Hand. 21. Of ook: om u door mijn voorbeeld en volharding te versterken in de waarheid van deze leer, zoals hierna in vers 13.
de bedeling
Zie van de kracht des woords hier voor de aantekeningen Ef. 1:10.
Hertaald:
de bedeling
Zie over de betekenis van dit woord hiervoor de aantekeningen bij Ef. 1:10.
der genade Gods,
Dat is, mijne roeping uit genade tot een apostel. Waarvan zie Hand. 9:15, en Hand. 22:21, enz.
Hertaald:
der genade Gods,
Dat is: mijn roeping tot apostel, uit genade. Zie daarover Hand. 9:15 en Hand. 22:21, enzovoort.
aan u;
Of, onder u; namelijk heidenen; Hand. 26:17-18.
Hertaald:
aan u;
Of: onder u; namelijk heidenen; Hand. 26:17-18.
deze verborgenheid,
Namelijk van het Evangelie van Christus, en voornamelijk van de beroeping der heidenen, gelijk hierna wordt verhaald. Waarom dit nu ene verborgenheid genoemd wordt, zie de aantekeningen Ef. 1:9.
Hertaald:
deze verborgenheid,
Namelijk het geheim van het Evangelie van Christus, en vooral van de roeping van de heidenen, zoals hierna verteld wordt. Waarom dit een verborgenheid genoemd wordt, zie de aantekeningen bij Ef. 1:9.
te voren geschreven
Namelijk in Eph 1, en Eph 2, waarin het geheel van de leer des Evangelies van hem kortelijk is voorgesteld.
Hertaald:
te voren geschreven
Namelijk in Ef. 1 en Ef. 2, waarin hij de leer van het Evangelie in het geheel kort heeft voorgesteld.
mijn wetenschap,
Dat is, hoe volkomen mij de Heere zulks heeft geopenbaard.
Hertaald:
mijn wetenschap,
Dat is: hoe volkomen de Heere mij dit geopenbaard heeft.
Welke in andere
Namelijk verborgenheid, waarvan gesproken is in vs.3.
Hertaald:
Welke in andere
Namelijk de verborgenheid waarover in vers 3 gesproken is.
eeuwen den
Of, geslachten, tijden, namelijk vóór de komst van Jezus Christus in het vlees en Zijne verheerlijking.
Hertaald:
eeuwen den
Of: geslachten, tijden; namelijk vóór de komst van Jezus Christus in het vlees en Zijn verheerlijking.
gelijk zij nu
Dit woord toont dat er wel enige openbaringen in het Oude Testament geschied zijn aan de profeten, van de roeping der heidenen tot de gemeenschap van den Messias, gelijk Paulus ook in den brief tot de Romeinen, hfdst. 9, 10, 11, uit de wet en de profeten zulks bewijst; maar dat zulks nimmer zo klaar en zo onderscheidenlijk is geopenbaard als nu, en inzonderheid dit stuk, dat de heidenen tot de gemeenschap van Christus zouden worden geroepen zonder dat zij aan de besnijdenis en andere ceremoniën der wet zouden gehouden zijn; overmits meest al de voorgaande voorzeggingen der profeten figuurlijk zijn uitgesproken, en alzo schenen te luiden dat de heidenen tot de gemeenschap van dezelfde ceremoniën zouden gebracht worden. Welke voorzeggingen door de apostelen nu nader en duidelijker zijn verklaard, en betuigd dat zulks niet van de uiterlijke ceremoniën, maar van de geestelijke gemeenschap aan den godsdienst der Joden moet verstaan worden; gelijk Petrus door een gezicht door Christus nader is onderricht, Hand. 10:14-15; en gelijk de apostelen ook gezamenlijk dit hebben verklaard in hunne synode; Hand. 15.
Hertaald:
gelijk zij nu
Dit woord laat zien dat er in het Oude Testament wel enkele openbaringen aan de profeten gedaan zijn over de roeping van de heidenen tot de gemeenschap van de Messias, zoals Paulus dat ook in de brief aan de Romeinen, hoofdstuk 9, 10 en 11, uit de wet en de profeten bewijst. Maar het is nooit zo helder en zo duidelijk onderscheiden geopenbaard als nu. Dat geldt in het bijzonder voor dit punt: dat de heidenen tot de gemeenschap van Christus geroepen zouden worden, zonder dat zij aan de besnijdenis en de andere ceremoniën van de wet gebonden zouden zijn. Want bijna alle voorgaande voorzeggingen van de profeten zijn in beelden uitgesproken en leken zo te luiden dat de heidenen tot de gemeenschap van diezelfde ceremoniën gebracht zouden worden. Die voorzeggingen zijn nu door de apostelen nader en duidelijker verklaard, en zij hebben betuigd dat dit niet van de uiterlijke ceremoniën, maar van de geestelijke gemeenschap aan de godsdienst van de Joden verstaan moet worden. Zo is Petrus door een visioen door Christus nader onderricht, Hand. 10:14-15, en zo hebben de apostelen dit ook gezamenlijk verklaard op hun synode; Hand. 15.
en profeten,
Namelijk des Nieuwen Testaments, die den Geest der verklaring van Gods Woord buitengewoon hebben ontvangen, waarvan zie 1 Kor. 12:28; Ef. 4:11.
Hertaald:
en profeten,
Namelijk de profeten van het Nieuwe Testament, die de Geest van de uitlegging van Gods Woord op buitengewone wijze ontvangen hebben; zie daarover 1 Kor. 12:28; Ef. 4:11.
medeërfgenamen,
Dit woord mede ziet hier op de Joden, die in Christus hebben geloofd, met welke de gelovige heidenen, zonder andere uiterlijke gemeenschap met de Joden in hunne ceremoniën te moeten houden, erfgenamen zijn der zaligheid, en van hetzelfde lichaam der gemeente van Christus en deelgenoten derzelfde beloften van de vergeving der zonden, van den Geest der wedergeboorte en aanneming tot kinderen, enz., daar zij anders van tevoren vreemd waren, gelijk hiervoor Ef. 2:12 is betuigd.
Hertaald:
medeërfgenamen,
Het woordje mede ziet hier op de Joden die in Christus geloofd hebben. Met hen zijn de gelovige heidenen erfgenamen van de zaligheid, zonder dat zij nog een andere, uiterlijke gemeenschap met de Joden in hun ceremoniën hoeven te onderhouden. Zij zijn van hetzelfde lichaam van de gemeente van Christus en deelgenoten van dezelfde beloften: van de vergeving van de zonden, van de Geest van de wedergeboorte en van de aanneming tot kinderen, enzovoort, waarvan zij eerder vreemd waren, zoals hiervoor in Ef. 2:12 betuigd is.
naar de werking
Dat is, na zijn krachtige werking, niet alleen waarmede ik ben geroepen, maar ook in mijn dienst versterkt en gezegend.
Hertaald:
naar de werking
Dat is: naar Zijn krachtige werking, waardoor ik niet alleen geroepen ben, maar ook in mijn dienst versterkt en gezegend word.
den allerminste
Dit zegt de apostel ten aanzien van zijn staat voor zijne bekering, toen hij een vervolger was van Christus' gemeente. Zie 1 Kor. 15:9-10, en 1 Tim. 1:13.
Hertaald:
den allerminste
Dit zegt de apostel met het oog op zijn toestand vóór zijn bekering, toen hij een vervolger van de gemeente van Christus was. Zie 1 Kor. 15:9-10 en 1 Tim. 1:13.
den onnaspeurlijken
Dat is, den ondoorgrondelijken overvloed der genade van Christus; een gelijkenis, genomen van het wild, welks voetstappen men dikwijls niet kan bespeuren, om dat te volgen en te vinden, gelijk Rom. 11:33.
Hertaald:
den onnaspeurlijken
Dat is: de ondoorgrondelijke overvloed van de genade van Christus. Dit is een vergelijking, genomen van het wild, waarvan men de voetsporen dikwijls niet kan opmerken om het te volgen en te vinden, zoals in Rom. 11:33.
te verlichten,
Dat is, door de predikatie des Evangelies hunne ogen te openen, gelijk Christus tot Paulus spreekt, Hand. 26:18.
Hertaald:
te verlichten,
Dat is: door de prediking van het Evangelie hun ogen te openen, zoals Christus tot Paulus zegt in Hand. 26:18.
in God, Welke alle
Dat is, in Gods raad en voornemen, gelijk hierna vs.11 wordt verklaard.
Hertaald:
in God, Welke alle
Dat is: in de raad en het voornemen van God, zoals hierna in vers 11 verklaard wordt.
dingen geschapen
Dat is, alle volken, zowel heidenen als Joden, en wat hun aangaat. Waaruit de apostel wil besluiten, dat het dan gevoeglijk was, dat niet alleen de Joden, maar ook de heidenen door Christus zouden verzoend en verenigd worden. Zie Kol. 1:16-18. Andere nemen het van de tweede schepping, doch daarvan heeft de apostel tevoren gesproken.
Hertaald:
dingen geschapen
Dat is: alle volken, zowel heidenen als Joden, en alles wat hen betreft. Daaruit wil de apostel besluiten dat het dan passend was dat niet alleen de Joden, maar ook de heidenen door Christus verzoend en verenigd zouden worden. Zie Kol. 1:16-18. Anderen vatten het op van de tweede schepping, maar daarover heeft de apostel al eerder gesproken.
door de Gemeente,
Dat is, door den verscheiden stand der gemeente onder het Oude en Nieuwe Testament.
Hertaald:
door de Gemeente,
Dat is: door de verschillende staat van de gemeente onder het Oude en het Nieuwe Testament.
de overheden
Dat is, der engelen, gelijk hiervoor Ef. 1:21, en Kol. 1:16; alzo genoemd, omdat God hun dienst dikwijls gebruikt in de regering van landen en koninkrijken, Dan. 4:13, en Dan. 10:13. Want ook de engelen zelf zijn begerig deze veelvuldige wijsheid Gods in de verscheidenheid van de regering der gemeente en der weldaden, die Hij den gelovigen door Christus doet, te aanschouwen; 1 Petr. 1:12.
Hertaald:
de overheden
Dat is: van de engelen, zoals hiervoor in Ef. 1:21 en in Kol. 1:16. Zij worden zo genoemd omdat God hun dienst dikwijls gebruikt in het besturen van landen en koninkrijken, Dan. 4:13 en Dan. 10:13. Want ook de engelen zelf zijn begerig deze veelvuldige wijsheid van God te aanschouwen in de verscheidenheid van het bestuur van de gemeente en van de weldaden die Hij de gelovigen door Christus doet; 1 Petr. 1:12.
in den hemel
Grieks, hemelse, of in de overhemelse, namelijk plaatsen.
Hertaald:
in den hemel
Grieks: in de hemelse, of in de bovenhemelse, namelijk plaatsen.
Naar het eeuwig
Grieks, naar het voornemen der eeuwen; dat is, naar Zijn eeuwigen raad en besluit. Zie Ef. 1:4, enz.
Hertaald:
Naar het eeuwig
Grieks: naar het voornemen der eeuwen; dat is: naar Zijn eeuwige raad en besluit. Zie Ef. 1:4, enzovoort.
In Denwelken
Namelijk Christus Jezus.
Hertaald:
In Denwelken
Namelijk Christus Jezus.
de vrijmoedigheid,
Namelijk om God onzen Vader als kinderen aan te spreken, gelijk het Griekse woord parrhesia medebrengt; en om te roemen op de hoop der heerlijkheid Gods, Rom. 5:2, en Rom. 8:15, enz.
Hertaald:
de vrijmoedigheid,
Namelijk de vrijmoedigheid om God, onze Vader, als kinderen aan te spreken, zoals het Griekse woord parrhesia inhoudt, en om te roemen op de hoop van de heerlijkheid van God, Rom. 5:2 en Rom. 8:15, enzovoort.
den toegang
Of, toeleiding; namelijk door denzelfden Geest, die ons als met de hand tot God leidt; Rom. 8:26.
Hertaald:
den toegang
Of: toeleiding; namelijk door dezelfde Geest, Die ons als bij de hand tot God leidt; Rom. 8:26.
met vertrouwen,
Namelijk des geloofs op God.
Hertaald:
met vertrouwen,
Namelijk het vertrouwen van het geloof op God.
aan Hem
Namelijk Christus. Want door het geloof in Christus als onzen Middelaar, geloven of vertrouwen wij op God, en hebben een vrijmoedigen toegang tot God; 1 Petr. 1:21. Grieks, deszelven.
Hertaald:
aan Hem
Namelijk Christus. Want door het geloof in Christus als onze Middelaar geloven of vertrouwen wij op God en hebben wij een vrijmoedige toegang tot God; 1 Petr. 1:21. Grieks: van Hem.
vertraagt in
Het Griekse woord betekent eigenlijk verergeren, of door enig kwaad verslappen; zie Gal. 6:9; en is ene gelijkenis van degenen, die door een ijver den loop beginnen, en enige zwarigheden voor zich ziende, wijken of vertragen, uit vrees van daarin te vallen.
Hertaald:
vertraagt in
Het Griekse woord betekent eigenlijk moedeloos worden, of door iets onaangenaams verslappen; zie Gal. 6:9. Het is een vergelijking met hen die vol ijver aan de wedloop beginnen, maar die, wanneer zij moeilijkheden voor zich zien, wijken of vertragen uit vrees daarin te vallen.
voor u,
Dat is, om uwentwil; of, om u een voorbeeld van standvastigheid in het geloof te zijn. Zie de aantekeningen vs.1.
Hertaald:
voor u,
Dat is: om uwentwil; of: om u een voorbeeld van standvastigheid in het geloof te zijn. Zie de aantekeningen bij vers 1.
hetwelke is
Dat is, hierin bestaat uwe heerlijkheid, namelijk dat gij niet vertraagt, horende deze mijne verdrukkingen.
Hertaald:
hetwelke is
Dat is: hierin bestaat uw heerlijkheid, namelijk dat u niet moedeloos wordt wanneer u van deze verdrukkingen van mij hoort.
den Vader
Dezen titel geeft de apostel hier aan God den Vader, omdat wij geen toegang hebben tot Hem dan door Christus. Zie Joh. 14:6.
Hertaald:
den Vader
De apostel geeft deze titel hier aan God de Vader, omdat wij geen toegang tot Hem hebben dan door Christus. Zie Joh. 14:6.
Uit Welken
Dit kan van God den Vader, of ook van Christus verstaan worden.
Hertaald:
Uit Welken
Dit kan zowel van God de Vader als van Christus verstaan worden.
al het geslacht
Of, maagschap, gelijk Luc. 2:4; dat is, die van éénen Vader afkomstig zijn, en onder één Hoofd staan; gelijk de gemeente van Christus, en door Christus, onder God als hunnen Vader gesteld is, en van Hem alle geestelijk leven en welvaren ontvangt, en een geestelijke maagschap is.
Hertaald:
al het geslacht
Of: familie, zoals in Luk. 2:4; dat is: zij die van één Vader afkomstig zijn en onder één Hoofd staan. Zo is de gemeente van Christus en door Christus onder God als haar Vader gesteld; zij ontvangt van Hem al haar geestelijke leven en welzijn en is een geestelijke familie.
in de hemelen
Dat is, der gelovigen, niet alleen die hier op aarde nog leven, maar ook welker zielen in den hemel de aanneming tot kinderen alrede door Christus en met Christus genieten. Zie 2 Kor. 5:8; Fil. 1:23; hoewel sommigen dit ook tot de engelen uitstrekken. Zie Ef. 1:10.
Hertaald:
in de hemelen
Dat is: van de gelovigen, niet alleen zij die hier op aarde nog leven, maar ook zij van wie de zielen in de hemel de aanneming tot kinderen al door Christus en met Christus genieten. Zie 2 Kor. 5:8; Filipp. 1:23. Hoewel sommigen dit ook tot de engelen uitstrekken. Zie Ef. 1:10.
genoemd wordt,
Dat is, niet alleen met woorden, maar ook inderdaad is, gelijk dit woord elders ook zo genomen wordt. Zie Luc. 1:32; Rom. 9:26, enz.
Hertaald:
genoemd wordt,
Dat is: niet alleen met woorden, maar ook werkelijk is, zoals dit woord elders ook zo opgevat wordt. Zie Luk. 1:32; Rom. 9:26, enzovoort.
inwendigen mens;
Sommigen nemen dit woord voor het wedergeboren deel des mensen, gelijk Rom. 7:22, waarin de apostel wenst dat zij meer en meer versterkt mogen worden; anderen voor het inwendige deel des mensen, namelijk de ziel der gelovigen met al hare bewegingen, waarin hij wenst dat zij met sterkte en kloekheid worden begaafd, om al de verdrukkingen, die hun van buiten aangedaan worden, te kunnen wederstaan. Zie 2 Kor. 4:16.
Hertaald:
inwendigen mens;
Sommigen vatten dit woord op als het wedergeboren deel van de mens, zoals in Rom. 7:22; de apostel wenst dan dat zij daarin meer en meer versterkt worden. Anderen vatten het op als het innerlijke deel van de mens, namelijk de ziel van de gelovigen met al haar bewegingen; hij wenst dan dat zij met sterkte en moed begiftigd worden om alle verdrukkingen die hun van buiten worden aangedaan te kunnen weerstaan. Zie 2 Kor. 4:16.
in uw harten
Dat is, geduriglijk met Zijne werkingen blijve, gelijk Joh. 6:56, en Joh. 14:23.
Hertaald:
in uw harten
Dat is: voortdurend met Zijn werkingen blijve, zoals in Joh. 6:56 en Joh. 14:23.
de liefde
Namelijk tegen God en uwen naaste, welke een onderscheidelijke vrucht en metgezel des geloofs is; 1 Kor. 13:1; Gal. 5:6. Anderen nemen het voor de liefde waarmede ons God liefheeft.
Hertaald:
de liefde
Namelijk de liefde tot God en tot uw naaste, die een kenmerkende vrucht en begeleider van het geloof is; 1 Kor. 13:1; Gal. 5:6. Anderen vatten het op als de liefde waarmee God ons liefheeft.
geworteld
Dat is, bevestigd zijt, gesterkt zijt.
Hertaald:
geworteld
Dat is: bevestigd bent, gesterkt bent.
de breedte,
Dat is, de uitnemende waardigheid en ondoorgrondelijkheid van het werk onzer verlossing door Christus; ene gelijkenis, genomen van den landmeters, die, om enig werk of gebouw volkomenlijk te kennen, deze zaken plegen af te meten en bijeen te overleggen.
Hertaald:
de breedte,
Dat is: de uitnemende waardigheid en ondoorgrondelijkheid van het werk van onze verlossing door Christus. Dit is een vergelijking, genomen van landmeters, die zulke afmetingen plegen te doen en bij elkaar te overleggen om een werk of gebouw volkomen te kennen.
de kennis
Namelijk van alle natuurlijke mensen, die wij alleen door den Geest van Christus, naar de mate der gave van Christus, hier kunnen bekennen, zoveel ons nodig is ter zaligheid, maar hiernamaals eerst ten volle begrijpen zullen. Zie 1 Kor. 2:9, enz. en 1 Kor. 13:9, enz.
Hertaald:
de kennis
Namelijk de kennis van alle natuurlijke mensen. Wij kunnen die liefde hier alleen door de Geest van Christus kennen, naar de mate van de gave van Christus, zoveel als nodig is tot zaligheid; maar wij zullen die pas hierna ten volle begrijpen. Zie 1 Kor. 2:9, enzovoort, en 1 Kor. 13:9, enzovoort.
de volheid Gods
Dat is, der kennis en der werking Gods, niet waarmede God vervuld is, maar die Hij ons hier wil mededelen. Zie Ef. 4:12-13.
Hertaald:
de volheid Gods
Dat is: van de kennis en de werking van God — niet die waarmee God Zelf vervuld is, maar die Hij ons hier wil meedelen. Zie Ef. 4:12-13.
die in ons werkt,
Hiermede toont de apostel dat hij in deze dankzegging niet ziet op de macht Gods, die in hem verborgen is, maar waarvan hij zelf een bewijs in onze bekering getoond heeft, en nog dagelijks in ons toont in het volvoeren van deze genade.
Hertaald:
die in ons werkt,
Hiermee laat de apostel zien dat hij in deze dankzegging niet ziet op de macht van God zoals die in Hem verborgen is. Hij ziet op de macht waarvan God Zelf een bewijs gegeven heeft in onze bekering, en die Hij nog dagelijks in ons toont bij het volvoeren van deze genade.
in de Gemeente,
Namelijk waarin deze kracht en heerlijkheid Gods door Jezus Christus alleen bekend wordt, en behoorlijk geprezen moet worden, en in alle eeuwen geprezen zal worden, hoezeer de wereld daartegen ook roemt en woelt.
Hertaald:
in de Gemeente,
Namelijk in de gemeente, waarin deze kracht en heerlijkheid van God alleen door Jezus Christus bekend wordt en behoorlijk geprezen moet worden, en in alle eeuwen geprezen zal worden, hoe de wereld daartegen ook roemt en woelt.
in alle geslachten,
Of, tot alle tijden.
Hertaald:
in alle geslachten,
Of: tot alle tijden.
tot alle eeuwigheid
Grieks, tot de eeuw der eeuwen.
Hertaald:
tot alle eeuwigheid
Grieks: tot de eeuw der eeuwen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Lofprijzing is als een rivier die vreugdevol door haar bedding stroomt, aan weerszijden begrensd door haar oevers, zodat zij rechtstreeks naar haar doel kan stromen. Aanbidding is echter diezelfde rivier die buiten haar oevers treedt, de ziel overstroomt en haar gehele wezen vervult. Het water stroomt dan niet langer voort, maar komt tot diepe rust. Als een stille, wijde watermassa weerspiegelt het de heerlijkheid die erop schijnt, zoals de zomerzon zich weerspiegelt in een gladde, glazen zee. Susannah dacht na over wat Spurgeon in de hemel zou doen en stelde zich voor hoe hij over Jezus vertelde aan de engelen. Het verhaal laat zien hoe… DE VOLKSPREDIKER HOOFDSTUK 2 (VERVOLG) Vader John en moeder Eliza waren uiteraard bijzonder verheugd over de bekering van hun zoon. Toch nam Charles later datzelfde jaar een besluit… De onnaspeurlijke rijkdom van Christus. Efeze 3: Mijn Meester bezit rijkdommen die geen mens kan tellen, meten, bevatten of beschrijven – zij zijn oneindig diep. Je mag kijken,… Opdat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent. Efeze 3:1 Het is van het hoogste belang dat wij… De liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat. Efeze 3:19 De liefde van Christus is zo zoet, zo rijk, zo groot en zo trouw… In Hem hebben wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen, door het geloof in Hem. Efeze 3:12 Het geeft me veel rust om te weten dat, ook… Deze brief is door Spurgeon geschreven ter gelegenheid van de publicatie van preek 221 in de New Park Street Pulpit serie - "Comfort Proclaimed." Ik ben nog steeds… Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods. Efeze 3:10 De ‘overheden en de machten… Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods. Efeze 3:10 De hele wereld praat de… Opdat Hij u geve naar de rijkdom van zijn heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens; opdat Christus door het geloof in… Uit welke al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt. Ef. 3:15 Velerlei zijn de gewichten die ons trekken naar de aarde en de banden,… Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus. Efeze 3:8 Christus… Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods; Efeze 3:10 Laat de engel in de… Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen,… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" En u de liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat… Efeze 3 vers 19c De liefde van… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Opdat Christus door het geloof in uw harten wone Efeze 3:17 Het is bijzonder wenselijk, dat wij, als gelovigen, de persoon van… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" De onnaspeurlijken rijkdom van Christus. Efeze 3:8 Mijn Heiland bezit rijkdommen, ver boven de berekening van de rekenkunde, het begrip van… En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot al de volheid Gods. Efeze 3:19 Dit is een gedeelte van… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven om onder de heidenen, door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Efeze 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
In de Hemel
Doop
Rijk in Christus
Geloof brengt liefde
Onbegrijpelijke liefde
Durf te bidden!
Een pastorale brief
Onderzoek door de engelen
Een andere en grootsere tentoonstelling
Ef. 3:16-18 - Metende het onmetelijke
Ef. 3:15 - Het koninklijk geslacht
Onnaspeurlijke rijkdom
Ze zijn hier allemaal!
Het goddelijke middel
De liefde van Christus die de kennis te boven gaat
Opdat Christus door het geloof in uw harten wone
De onnaspeurlijken rijkdom van Christus
De top van de ladder
Verkondig de blijde boodschap


Efeze 3
Efeze 3:8
Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:9→1 Timotheüs 1:13→1 Timotheüs 2:7→2 Timotheüs 1:11→Romeinen 11:33→Filippenzen 4:19→Kolossenzen 1:27→Romeinen 12:10→— Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus,
Velen die nu schitteren op de hoogste plaatsen van eigendunk, zullen op een dag maar al te blij zijn aan de voeten van de armste van de heiligen te zitten. Dat is zo, tenzij ik mij zeer vergis. Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. Wat mij betreft, ik zou liever Paulus horen zeggen dat hij “den allerminste van al de heiligen” was, dan de heiligste broeder buiten de hemel horen zeggen dat hij zonder zonde geleefd heeft. Paulus was zo heilig als de heiligste nu op aarde, maar onder de nederigen was hij de nederigste. Moge de Heere ons ieder zo maken.
Efeze 3:14-19
KruisverwijzingenKolossenzen 1:11→Filippenzen 4:13→Jesaja 40:29→2 Timotheüs 4:17→Filippenzen 4:19→Jesaja 41:10→Zacharia 10:12→Kolossenzen 2:7→— Om deze oorzaak buig ik mijn knieen tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens; Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.
Lof is een rivier die vrolijk voortstroomt in haar eigen bedding, aan beide zijden ingedamd om naar haar ene doel toe te vloeien. Maar aanbidding is diezelfde rivier die al haar oevers doet overstromen, de ziel overspoelt, en heel de natuur bedekt met haar grote wateren. Die wateren bewegen dan minder, maar staan als het ware stil in diepe rust. Zij spiegelen de heerlijkheid die op hen neerschijnt zoals een zomerzon op een zee van glas.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-21.Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:9→1 Petrus 1:12→Kolossenzen 1:24→Efeze 4:1→Efeze 3:9→Romeinen 16:25→2 Korinthe 11:6→Efeze 1:19→
— Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijt. Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus), Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest; Namelijk dat de heidenen zijn medeerfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie; Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht. Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus, En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;
De apostel van de kerk, die uit de heidenen is vergaderd en zijn dienst voor haar ook in zijn banden, die hij nu omwille van haar draagt. De apostel had vroeger de Christelijke lezers uit de heidenen toegeroepen, dat zij medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God waren geworden, met dezelfde rechten als de anderen, door hun inlijving in de apostolische gemeente. Nu herinnert hij zich welke bijzondere taak in het tot stand brengen van het Goddelijk raadsbesluit van de roeping van de heidenen juist hem ten deel geworden was en dit dringt hem zijn ambt ook hier, in de gevangenis te Rome, zo waar te nemen, dat de lezers tot hun wederopbouwing op het fundament van de kerk, tot een woonstede van God in de Geest niet verzuimd worden. Reeds het feit van zijn gevangenschap op zichzelf is een dienst, die hij hen bewijst, want voor hen, voor de heidenen ligt hij in banden. Dat kan hun tot zegen zijn, wanneer zij over zijn smart, die u voor hen lijdt, niet ontstemd worden, maar het zich integendeel tot roem rekenen (vs. 1 en 13). Ook kan hij nog iets bijzonders voor hen doen: hij kan tot hun versterking naar de inwendige mens, tot bevordering van hun kennis van het Christendom en tot hun bevestiging in Christus, tot God, de Vader in de hemel, bidden, ondanks zijn banden en zijn gevangenschap. Dat wil hij dan ook doen en met een verheerlijken van God dit eerste deel van zijn brief besluiten (vs. 14-21). Vóór hij daartoe overgaat, dringt hij steeds meer op hun hart aan met hetgeen hem ten deel is geworden van het inzien in het geheim van Christus en stelt hij dit in een uitvoerige uiteenzetting voor (vs. 2-12).
Om deze oorzaak, die ik in Hoofdstuk 2: 22 heb uitgesproken, opdat ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede van God in de Geest, ben ik Paulus (2 Kor. 10: 1. Gal. 5: 2. Kol. 1: 23. 1 Thessalonicenzen. 2: 18, die weet, dat ik in het bijzonder de plicht heb voor uw medeopbouwing te zorgen, a) de gevangene van Christus Jezus (2 Tim. 1: 8) voor u, die heidenen bent, in deze tijd dat ik schrijf (Hand. 20: 11; 28 v., 22: 21 v., 28: 17 vv. Kol. 1: 24. Gal. 5: 11).
Hand. 21: 33. Efeze. 4: 1. Filippenzen 1: 7, 13, 14, 16. Kol. 4: 3. 2 Tim. 1: 8.
Hier wordt een zin begonnen, die, afgebroken, na geruime tijd, pas in vs. 14 wordt opgenomen en dan kort ten einde wordt gebracht.
Met buitengewone plechtigheid begint de apostel zijn voorbede door zijn naam en zijn ambt als vooraan te stellen. Overal zien wij in zijn brieven, dat hij onvermoeid was in zijn voorbidding (Rom. 1: 9, 10. Fil. 1: 4. Kol. 1: 3. enz.) en dat hij eveneens de gemeenten opwekte tot voorbidding voor hem en voor zijn werk (Hoofdstuk 6: 18 v. Kol. 4: 18. 1 Thessalonicenzen. 5: 25 Col 4. 18 1Th). Het stond bij hem vast, dat de Christenen zo nauw en innig met elkaar waren verbonden, dat de verzuchting van de enen voor de anderen niet vergeefs tot God kon opklimmen; dat daarom de voorbidding van een gelovige niet slechts een zuivere wens was, maar werkelijk de kracht van de genade op de broeder deed afdalen. Daarom moest het ook voor deze heidengemeente een grote bemoediging zijn dat hij, Paulus, de door God verkoren heiden-apostel, deze krachtige, veelomvattende voorbidding voor hen tot God opzond. Hij noemt zich de gevangene van Christus Jezus, zoals hij elders de gevangenschap de banden van het Evangelie noemt (Filemon 1: 13), omdat Christus en Zijn Evangelie de oorzaak van zijn gevangenschap zijn, omdat Hij hem deze banden heeft aangelegd. Dit is niet slechts zijn grote troost, maar ook zijn roem (Gal. 6: 14 vgl. Rom. 5: 3).
Het kruis van Christus kruisigt de zonde zonder nochtans te doden met de prikkel van de wet, die verdoemt. En dit lijden leed hij voor de heidenen; als voorvechter in de strijd tegen het rijk van de duisternis troffen hem de zwaarste slagen. Zoals dit alles hem te inniger met de heidengemeente verbond, zo deed het ook het gewicht van zijn voorbidding voor haar stijgen.
De man, die de Heere Zich had verkoren tot het werktuig ter vergadering van de heidenen tot de enige, heilige katholieke, apostolische kerk, noemt zich met de woorden “ik Paulus”, door het noemen van zijn naam als een dienaar van het werk, waartoe hij is gewijd en erkent persoonlijk verschuldigd te zijn te arbeiden tot hetgeen de rijkdom van alle heidenen is (Rom. 1: 14). Juist daarom, omdat hij Paulus is, weet hij, dat hij grote verplichtingen jegens alle heidenen heeft. Om deze oorzaak, zo schrijft hij, omdat ook u geroepen bent tot Gods huisgenoten en ook gebouwd wordt tot een woonstede van God – buig ik mijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus (vs. 14). Zo had hij eigenlijk dadelijk kunnen voortgaan, maar eerst moeten de lezers ter harte nemen wie hij is, die voor hen voor de God aller genade op de knieën ligt en hij zegt “ik Paulus, de gevangene van Christus Jezus” (waardoor hij hen wil doen opmerken, door welke offers van zijn kant hun intreden in de kerk gekocht is). Gebonden in de Geest had Paulus van de oudsten van de gemeente te Efeze afscheid genomen en zich gewillig aan de banden en smarten overgegeven, die hem wachtten (Hand. 20: 22 vv.). Zie, de banden, die toen de Heilige Geest de verblijden prediker van het Evangelie inwendig aandeed, zijn nu tot ketenen geworden, die hij aan de arm draagt, geboeid aan een Romeinse soldaat. Voor de ogen van mensen was hij een gevangene van de Romeinse keizer; maar met grote vreugde noemt hij zich de gevangene van Christus Jezus (Filem. 1: 1 en 9), omdat hij zijn gevangenschap leed in de dienst van de Heere Christus, die hij had gevonden in Jezus en die hij verkondigde als de aan de wereld beloofde Heiland. De eer van deze smaad deelde Paulus met andere gevangenen van Christus; maar in dit opzicht was hij een bijzondere gevangene van Christus Jezus, dat hij kon schrijven: “voor u, die heidenen bent. ” Toen hij te Jeruzalem het zendingswoord van de Heere “ga heen, Ik zal u ver onder de heidenen zenden” uitsprak, toen brak de vijandschap van de blinde Joden tegen de Gekruisigde in boze woede uit (Hand. 22: 21 v.) en de heidense overste moest hem in de gevangenis voor de Joodse moordlust verbergen. Ik Paulus voor u, die heidenen bent, dat behoort bij elkaar; de zaligheid van alle heidenen is met de naam Paulus voor altijd verenigd, want hij, de heiden-apostel, is het uitverkoren vat, waarin God Zijn genade in Christus Jezus, die alle heidenen omvatte, neergelegd heeft.
Ik zeg “voor u, die heidenen bent”, als u maar (of “nademaal u” of “voor zoverre u gehoord heeft, zoals ik wel mag veronderstellen (Hoofdstuk 4: 21), van de bedeling a) van de genade van God, b) die mij bij mijn roeping tot apostel gegeven is aan u, die te voren ook heidenen was (1 Kor. 12: 2), terwijl toch uitdrukkelijk mijn roeping op de heidenwereld betrekking had (Hand. 22: 21).
Rom. 1: 5. b) Hand. 13: 2. Efeze. 3: 8.
Dat Hij mij in onderscheiding van anderen, die haar door de prediking van het Evangelie hebben leren kennen, a) door openbaring (Gal. 1: 11 vv.) heeft bekend gemaakt b) deze verborgenheid, zoals ik daarover in dat opzicht, als ik later (vs. 6) zal noemen (vgl. Gal. 1: 16), met weinige woorden te voren, in de beide vorige hoofdstukken van deze brief, in het bijzonder in Hoofdstuk 2: 11-18, geschreven heb (Kol. 1: 25 vv.).
Hand. 22: 17, 21; 26: 16, 17.
Waaraan u, als degenen, die de gave bezit van beproeving van de geesten (1 Kor. 12: 10. 1 Thessalonicenzen. 5: 21. Joh. 4: 1), dit lezend, kunt bemerken mijn wetenschap in deze verborgenheid van Christus, in dat geheim, dat in Christus vervat is (Kol. 2: 2; 4: 3 Col 2. 2).
Deze uitdrukking van de apostel, waarmee de afwijking van de rede, in vs. 1 begonnen, tot vs. 13 voortloopt, toont de onzekerheid van hem aan over de bekendheid van zijn lezers met zijn persoonlijkheid. Daaruit is ook in vs. 1 het noemen van zijn naam te verklaren en de schilderij van zijn tegenwoordige toestand en juist deze onzekerheid wordt ook in het volgende de aanleiding voor de apostel, om zich over zijn verhouding tot het Evangelie en over de opvatting daarvan, weer met betrekking tot het hoofdpunt van de roeping van de heidenen tot het Godsrijk uit te laten, vóór in vs. 14 de hoofddraad weer wordt opgenomen. Paulus noemt niet, als hetgeen waarover hij zich onzeker toont ten opzichte van de kennis van zijn lezers, zijn apostolisch ambt in het algemeen, maar de wijze, waarop Gods genade werkte, omdat aan hem het geheim van de verlossing door onmiddellijke openbaring en in het bijzonder met het oog op de heidenen bekend gemaakt was.
Dit is weer een bewijs Eph 1: 6, dat deze brief niet alleen aan de gemeente te Efeze, maar aan een ruime kring van gemeenten uit de heidenen gericht moet zijn geweest; omdat de Efeziërs niet nodig hadden daarvan voor de eerste maal te horen.
Als de apostel sprak tot degenen, waaronder hij het werk, waartoe hij geroepen was, had verricht, hoefde hij daarover niet verder uit te weiden; want waar hij zijn ambt had vervuld, wist men van en door hemzelf, die zijn roeping was. In zo’n geval kon het hem niet in de gedachte komen de lezers, zoals hij in vs. 4 doet, te wijzen op hetgeen hij geschreven heeft, als waaruit zij zijn wetenschap kunnen afleiden. Hij heeft integendeel, zoals hij te kennen geeft, deze afdeling van zijn brief, waarop hij de lezers wijst, alleen daarom geschreven, omdat zij hemzelf de Christelijke waarheid niet hadden horen verkondigen. Zij moeten van zijn Christelijke wetenschap zo’n indruk ontvangen, die voor hen, voor zover dit bij zo’n kortheid mogelijk was, de indruk van zijn mondelinge prediking vergoedde, opdat zij niet slechts met uitwendige gehoorzaamheid, maar met hartelijke gewilligheid naar de vermaningen zouden luisteren, die hij hen door zijn inzicht in het wezen van de Christelijke, in het bijzonder van de voor heidenen aanwezige Christelijke zaligheid deed toekomen.
Uit hetgeen Paulus in vs. 4 schrijft, blijkt dat de plicht van elke Christen in het bijzonder is, zich evenmin aan de gemeenschappelijke godsdienst te onttrekken, waar men kon horen, als de afzondering in het kamertje na te laten, ten einde te lezen. Hierop rust dan ook de verplichting van de kerk om de Heilige Schrift te verbreiden door bijbelgenootschappen en het verkeerde van de paus te Rome om die te verbieden of te verhinderen.
Welke verborgenheid in andere, in vroegere eeuwen, de kinderen van de mensen (Mark. 3: 28) niet op die wijze, of in zo’n omvang is bekend gemaakt, zoals zij nu in de tijd van het Christendom (1 Petrus 1: 12) is geopenbaard aan Zijn heilige (Luk. 1: 70. Hand. 3: 21. 2 Petrus 1: 21 apostelen en profeten (Hoofdstuk 2: 20) door de Geest (Hand. 10: 9 vv.), die hen in alle waarheid leidt (Joh. 16: 13).
Namelijk dat de heidenen zijn medeërfgenamen van het koninkrijk van God en van hetzelfde lichaam als Zijn volk Israël en ook deelgenoten van Zijn beloften, aan Israël gegeven en in Christus vervuld, en dit alles door het Evangelie, doordat ook zij die goede boodschap hebben gehoord (Hoofdstuk 1: 13) en die in de geloof aangenomen.
En dat is het Evangelie, waarvan ik een dienaar geworden ben naar de gave van de genade van God, die mij in het apostelschap, in het bijzonder in dat aan de heidenen (Rom. 1: 5; 11: 13; 15: 16 gegeven is a) naar de werking van Zijn kracht, die mij eerst wonderbaar uit het verderf moest halen en op buitengewone manier met het licht van het leven moest verlichten (1 Tim. 1: 12 vv.).
Efeze. 1: 19. Kol. 2: 12.
De apostel is vol van de gedachte, dat, wat van het begin van de wereld verborgen gebleven was ook voor de heiligste mannen van God, voor de patriarchen en profeten, juist nu aan de apostelen en profeten, waartoe ook hij behoorde, geopenbaard werd. Hij spreekt nu bepaald de inhoud uit van de verborgenheid van Christus, waarvan hij te voren had gesproken en noemt die predikaten van de Christenen uit de heidenen, ten opzichte van hun verhouding tot de gemeente van het leven. Zij worden genoemd 1) mede-erfgenamen, want zij hebben ook deel gekregen aan de hemelse erfenis, aan de zaligheid oorspronkelijk alleen de Joden toegedacht; 2) ook ingelijfd, want zij behoren nu als leden tot het organisme van de gemeente van het heil; 3) mededeelgenoten van de belofte, namelijk van de Oud Testamentische belofte van de zaligheid, die in de persoon van Christus is vervuld. Door de bijvoeging “in Christus”, die op alle drie de predikaten betrekking heeft, is aangewezen, dat eerst de persoonlijke levensgemeenschap met Christus de grond is van de volle deelname aan de Christelijke genadegoederen. De woorden “door het Evangelie” wijzen aan, dat de gemeenschap met Christus, die door het geloof is gewerkt, de vrucht is van de prediking van het Evangelie. Nadat nu Paulus in het algemeen heeft verzekerd, dat de verborgenheid van Christus, die bestaat in de opname van de heidenen in de gemeenschap van het heil, juist nu geopenbaard is, noemt hij zichzelf in het bijzonder als degene, wie God de verkondiging van het Evangelie onder de heidenen heeft opgedragen. Dit zijn apostolisch ambt is echter, zoals het op zichzelf reeds een gave van Gods genade is, bij hem nog in het bijzonder een uitvloeisel van de grote kracht van God, in zoverre God een heerlijk wonder van Zijn almacht verrichtte, toen Hij Saulus herschiep van een werktuig van de vervolging tot een middel ter opbouwing van Zijn gemeente.
Het geheim van Christus is wel reeds in andere eeuwen dan in de apostolische ter kennis van de mensen gekomen, maar niet zoals het haar is geopenbaard, niet in die inhoud, zoals die in vs. 6 is genoemd. De uitdrukking “kinderen van de mensen” is hier op de juiste plaats, waar gesproken wordt van de op elkaar volgende geslachten van de mensheid. De mensen, zegt hij, zijn het ene geslacht voor, het andere na voorbijgegaan, zonder dat hun de verborgenheid van Christus, zoals die nu aan Zijn heilige apostelen en profeten geopenbaard is, bekend gemaakt werd. Tegenover het “in andere eeuwen” staat “nu”, tegenover het “niet is bekend gemaakt” het “is geopenbaard” en tegenover “de kinderen van de mensen. ” “aan Zijn heilige apostelen en profeten. ” En aan deze is de verborgenheid niet bekend geworden op de weg van eigen nadenken, maar door de Geest. Dat nu datgene, waarvan Paulus spreekt (dat namelijk de volken, dat is de heidenwereld, medeërfgenamen zijn, terwijl Israël tot hiertoe zichzelf als enige erfgenaam beschouwd had, namelijk medeërfgenaam van de toekomende wereld (Hebr. 2: 5), “dat zij heden ook het lichaam van de gemeente uitmaken, terwijl zij vroeger tegenover Israël hadden gestaan en dat zij aan de belofte, die in de vroegere tijd gegeven was, gelijkelijk deel hadden, waarvan Israël tot hiertoe niet anders had gedacht, of het was hen alleen verordend), inderdaad eerst aan de apostelen van het Nieuwe Testament geopenbaard is en niet reeds door de profeten van het Oude Testament was erkend, zal men zonder bedenking toegeven, als men zich voorstelt, dat alle beloften van het Oude Testament, ook waar die zich tot de volken uitstrekten, toch altijd alleen van Israël werden uitgesproken en van hetgeen Israël uit de overigen omvatte. Het beeld van een enkele gemeente van God, gelijkelijk opgegroeid uit hetgeen Israël en niet Israël was en welke aan dit onderscheid was ontgroeid, wordt daar nergens getekend. Wij zien dan ook de apostel, als hij elders (vgl. Rom. 10: 11 v. in de Christelijke eenheid van Joden en heidenen de vervulling aanwees van de Oud Testamentische profetie, dat altijd doen op zo’n manier, dat hij het Oud Testamentische woord in deze Nieuw Testamentische tijd overbrengt en het hierdoor de zin geeft, die het voor hen en volgens goddelijk raadsbesluit had.
Mij, de allerminsten niet alleen van de apostelen (1 Kor. 15: 9) maar ook van al de heiligen, de gewone leden van de kerk van Jezus (Hoofdstuk 1: 1. Hand. 9: 41), is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, de ganse goddelijke volheid van genade, die in Christus besloten ligt, boven alle menselijke gedachte verheven is en tot allen zonder onderscheid zich uitstrekt.
1 Tim. 1: 15. b) Hand. 9: 15; 13: 2; 22: 21. 1 Tim. 2: 7. 2 Tim. 1: 11.
De apostel Paulus beschouwde het als een voorrecht om het Evangelie te mogen prediken. Zijn roeping was voor hem geen slavenwerk, maar hij wijdde zich daaraan met zielsgenot. En toch, terwijl Paulus zeer erkentelijk was voor zijn roeping, vervulde zijn welslagen daarin hem toch met diepe ootmoed. Hoe zwaarder een schip wordt geladen, hoe dieper het in de wateren zinkt. Lediggangers mogen een ijdele dunk van hun bekwaamheid koesteren, omdat die zo weinig op de proef is gesteld, maar de bezielde werker leert snel zijn eigen zwakheid inzien. Streef naar nederigheid, zoek die bij zwaren arbeid. Wenst u uwe nietigheid in te zien, onderneem enig groot werk voor Jezus. Als u wilt beseffen hoe geheel machteloos u bent, afgescheiden van de levende God, onderneem dan vooral het grote werk om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen en u zult weten wat u nooit te voren heeft begrepen, wat een zwak, onwaardig schepsel u bent. Hoewel de apostel zijn zwakheid aldus kende en beleed, was hij nooit in het onzekere over het onderwerp zelf van zijn prediking. Van zijn eerste leerrede tot de laatste toe predikte Paulus Christus en niets dan Christus. Hij verhief het kruis en verheerlijkte de Zoon van God, die daarop Zijn bloed heeft vergoten. Volg zijn voorbeeld in al uw pogingen na, om de blijde boodschap van het heil te verkondigen en laat Christus en die gekruist uw altijd wederkerend thema wezen. De Christen behoort te zijn als die liefelijke lentebloemen, die, wanneer de zon schijnt, haar gulden kelken openen, als wilden zij zeggen: vervul ons met uw stralen; maar die, zodra de zon achter een wolk schuilt, haar kelken sluiten en haar kopjes laten hangen. Zo ook moest de Christen de zoete invloed van Jezus ondervinden. Jezus moest zijn zon wezen en hij de bloem, die zich keert tot de Zon van de gerechtigheid. Ja waarlijk, van Christus alléén te getuigen, is zowel zaad de zaaier, als brood de eter. Dit is de gloeiende kool voor de lippen van de spreker en de ware sleutel tot het hart van de toehoorder.
En aan mij is het gegeven om met het licht van zo’n prediking (MATTHEUS. 5: 14. Hand. 26: 17 v. 2 Kor. 4: 6 allen, elkeen, die het met een ontvankelijk hart aanneemt, te verlichten, dat zij mogen verstaan, die de gemeenschap, de omvang a) van de verborgenheid zij, die de heidenen evenzeer als de Joden omvat. Ik bedoel die verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen is geweest in die God (Kol. 1: 26. Rom. 16: 25 v.), die alle dingen b) geschapen heeft door Jezus Christus en daar al meteen het geheel van de schepping Hem heeft overgegeven (Joh. 1: 3. Kol. 1: 16 v.).
Efeze. 1: 9. Kol. 1: 29. 2 Tim. 1: 10. 1 Petrus 1: 20. b) Gen. 1: 3. Ps. 33: 6. Hebr. 1: 2.
De gemeenschap van de verborgenheid. Het wijst zich vanzelf, dat wij door de verborgenheid aan de reeds vaker gemelde verborgenheid te denken hebben, aan die voorheen onbekende leer dat de Heidenen gemeenschappelijk met de Joden deel hebben aan dezelfde heilgoederen. Maar wat zegt: de gemeenschap van deze verborgenheid? De uitdrukking is ongemeen duister. Dan wij lezen op het gezag van vele handschriften en vertalingen: de huishouding van de verborgenheid. Op die grond is de mening van de apostel deze: ik reken het mij tot een grote eer en een uitnemend voorrecht, dat ik geroepen ben om alle mensen van allerlei volken, zonder enig onderscheid, door mijn prediking te verlichten en hen te onderwijzen, hoedanig de huishouding van de vaker gemelde verborgenheid zij; dat namelijk de heidenen, tezamen met de Joden, deelgenoten zijn van dezelfde heilgoederen een verborgenheid welke God van eeuwigheid bij Zichzelf verborgen heeft gehouden.
a) Opdat nu alles plaats heeft wat van eeuwigheid was besloten, door de gemeente onder alle Christenen op aarde bekend gemaakt wordt aan de overheden en de machten in (liever “onder” Hoofdstuk 6: 12) de hemel de veelvuldige wijsheid van God, die te voren niet in al haar diepte en in al haar rijkdom is geopenbaard (Rom. 11: 33).
1 Petrus 1: 12.
Over hetgeen in vs. 7 gezegd is, verklaart Paulus zich nader in vs. 8 en wel geheel van het standpunt van ootmoed, waarmee hij in diep gevoel van zijn onwaardigheid van zichzelf op de grootheid en heerlijkheid van zijn roeping zag. De uitdrukking van ootmoed “mij, de allerminste van al de heiligen” is nog veel sterker dan die in 1 Kor. 15: 9.
In een zin enigszins verschillende van die van andere plaatsen (als 1 Kor. 15: 9. 1 Tim. 1: 12-15) noemt Paulus zich hier de geringste onder alle heiligen, d. i. onder alle gelovige Christenen in het algemeen. Hij doet dit niet met het oog op hetgeen hij vroeger geweest was of gedaan had tegen de gemeente van God, maar in het gevoel van de onuitsprekelijke heerlijkheid van zijn roeping schijnt hem zijn onwaardigheid zo groot, dat hij zich daarom beneden alle Christenen rekent. Het woord “de allergeringste” betekent “geringer dan de geringste. ” Hoe hoger God hem verheft, des te dieper moet de mens zich verootmoedigen; wat hij voor kwaad in zich ontwaart, is altijd meer en erger dan wat hij aan anderen ziet. Daarom kan hij met waarheid zich beneden allen stellen.
Het bewustzijn van zonde heeft om sterk te zijn niet een bijzondere zonde nodig, maar wel dat er een zeer duidelijke en diepe zelfkennis in het licht van het Evangelie van Christus bestaat. Bij de krachtigste getuigen van de Christelijke waarheid is de bekering niet meer dan bij anderen een daad van de genade van God, maar zij voelen die levendiger en krachtiger. Wat nu de apostel bij deze voorstelling van zichzelf dringt, is de gedachte: heeft de Heere mij geholpen, dan zou ik niet weten, wie Hij niet zou kunnen en willen helpen. Met zo’n gedachte neemt hij datgene, wat hij in vs. 6 als inhoud van de verborgenheid en als doel van de apostelen in het algemeen heeft voorgesteld op als hetgeen juist hem is opgedragen en wel moet zijn verkondiging en openbaarmaking van dat geheim onder de mensenkinderen het bekend worden van de menigvuldige wijsheid van God bij de vijandige machten ten gevolge hebben.
Dat onder de overheden en machten in de hemel, waaraan door de gemeente de veelvuldige wijsheid van God bekend moet worden, die geestenwereld moet worden verstaan, die in de mensenwereld niet God dienende, maar eigenwillig macht uitoefenen (dus in plaats van “in de hemel” liever “onder de hemel”, of zoals Hoofdstuk 6: 12 “in de lucht wordt boven allen twijfel verheven door het gebruik van de woorden, zoals die elders voorkomen (vgl. Rom. 8: 38 het woord “engel” tegenover “overheden en machten. Men heeft gezegd, van boze geesten zou gezegd zijn dat hun de macht en niet dat hun de wijsheid van God bekend werd – maar waarom toch? De geesten, die naar eigen wil in de levensbewegingen van de mensen werken, kunnen zeker de wijsheid leren kennen van die God, naar wiens wil zij niet willen luisteren, als zij namelijk zien, dat het hun niet lukt om de verwezenlijking van Zijn gedachte te verijdelen, omdat Hij een rijkdom van middelen en wegen heeft, ten einde tot Zijn doel te komen, een rijkdom, die alle gedachten te boven gaat. Volharden zij dan toch in hun kwaad, dan ondervinden zij ten slotte Gods macht, als met de wederkomst van Christus de vernietiging en het krachteloos maken van alle machten en krachten van de goddeloosheid plaats heeft. Het eerste geschiedt reeds nu door middel van de gemeente in de dagen van haar herstel, dat een werk van veelvuldige wijsheid is, in zoverre even zozeer het ontstaan van de volken, dat Israël’s afzondering ten gevolge had, als de ongehoorzaamheid van Israël, die tot de roeping van de volken aanleiding gaf, na wier bekering ook Israël de zaligheid zal deelachtig worden, tot herstel van de éne gemeente uit heidenen en Joden dienstbaar is.
De voor God vijandige geesten, die in de duisternis van deze wereld heersen, ervaren met schrik, dat al hun woede en boosheid, waarmee zij van de dagen van de verstrooiing van de volken aan de machten van de wereld tegen het uitverkoren volk van God in het veld hebben gewoed, al hun verleidingen, waarmee zij Israël zelf hebben trachten te verderven, tot de kruisiging van Israël’s Koning en tot aan Jeruzalems verblinding tegen het genadig bezoeken door de prediking van de vrede in naam van de Opgestane (vgl. Openbaring 12: 3 vv.), ook alles, wat overigens nog (Openbaring 12: 13 vv. ; 20: 7 vv.) de duivelse machten en overheden in het werk stellen, om Gods raad ter zaligheid te verijdelen en het werk van Zijn genade te verhinderen, te schande wordt. Zij ondervinden dat zij worden overmeesterd door de wijsheid van God, wier veelvuldige rijkdom door de kerk erkend wordt in haar lied (Paul Gerhardt):
Een weg heeft Ge allerwegen. Geen middel, dat U faalt! Uw doen is louter zegen, Uw gang met licht bestraald. Uw werk kan niemand hindren, het Blijft rustloos voorwaarts spoên. Als u wat voor Uw kinderen, Het heilzaamst is, wilt doen. Schoon alle duivels kwamen Om God te weerstaan, Geen helse macht te zamen Doet God teruggegaan. Wat Hij heeft voorgenomen, Hoe lang ook de uitkomst draalt, Dat moet toch eindelijk komen Aan het doel, door Hem bepaald.
En dat alles moet geschieden naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft, (volgens een andere opvatting, “verwezenlijkt, tot stand gebracht heeft)” in Christus Jezus, Onze Heere.
a) In wie als degene, waarin wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden (Hoofdstuk 1: 7), wij hebben de vrijmoedigheid en de toegang tot God (Hoofdstuk 2: 18) met vertrouwen (Hebr. 4: 16; 10: 19 vv. 1 Joh. 3: 21 v. ; 4: 17) door het geloof in Hem, in de Heere Jezus Christus (Rom. 3: 22; 5: 1 v.).
Joh. 10: 9; 14: 6.
Hoe gans anders staan dus zij tot God, die Christus tot hun Heere hebben, als die geesten, die door de gemeente bekend wordt gemaakt, dat Gods wijsheid tegenover hun eigendunkelijke machtsbetoning middelen en wegen heeft, om een in Christus opgevat voornemen tot verwezenlijking te brengen. Terwijl zij moeten leren kennen, dat zij niets kunnen tegen Gods wijsheid, is het van degenen, die Christus tot hun Heere hebben, waar, dat zij tegenover God zich bevinden in een verhouding, die hen zalig maakt.
EPISTEL OP DE ZESTIENDE ZONDAG NA TRINITATIS
Dit epistel, die Paulus’ gebed en voorbede voor de gemeente en tevens een aanwijzing bevat, wat wij voor onszelf en anderen moeten bidden (bestendigheid des geloof, groei in de kennis en kracht en sterkte tot een godzalig leven) is de eerste van de vijf lezingen uit de brief aan de Efeziërs op de zondagen 17, 19-21 na Trinitatis, die voor de Trinitatistijd is voorgeschreven. De zes voorlezingen uit de brief aan de Galaten zijn zo verdeeld, dat men drie van deze voor de 13, 14 en 15den Zondag na Trinitatis, de drie andere voor de Zondag na het Kerstfeest, de Nieuwjaarsdag en de Zondag Laetare bepaald heeft. Uit de brief aan de Efeziërs is slechts een voor de Zondag Oculi bepaald, de overige behoren daarentegen tot de Trinitatistijd. Wat het inwendig verband met het Evangelie aangaat, ligt de gedachte voor de hand, dat het laatste (Luk. 7: 11 vv.) de smartelijkste voorvallen van het leven op aarde vertegenwoordigt, die ons vooral dringen om in het gebed, waarop het epistel wijst, troost en sterkte te zoeken.
In de twee laatste verzen van het Evangelie lezen wij de grote eer van God, die de opwekking van de jongeling te Naïn ten gevolge had; ook de twee laatste verzen van het epistel verkondigen de eer van God en wel op de hoogste toon. Prijst nu het Evangelie God vanwege de bezoeking van het volk Israël, het epistel prijst God vanwege de opbouw van de gehele kerk op aarde.
De voorbede van de apostel voor de gelovigen te Efeze: 1) de aanvang; 2) de voorbede; 3) het slot. Wanneer zal God overvloedig doen boven hetgeen wij bidden en denken? Als wij bidden 1) in de diepste ootmoed; 2) om hemelse goederen; 3) in blij vertrouwen.
Het ware gebed van de Christen: 1) de Helper, waartoe hij zich wendt; 2) de gave, die hij begeert; 3) de lofzegging, waarmee hij eindigt.
De ware bron van kracht voor ons geestelijk leven; wij beschouwen 1) de oorsprong ervan; 2) het putten daaruit; 3) de versterking daardoor.
Wat moeten wij voor onszelf en anderen in het bijzonder van God bidden: 1) bestendigheid in het geloven; 2) toenemende kennis in het woord van de zaligheid; 3) kracht en sterkte tot een godzalig leven; 4) blij vertrouwen op de Heere in iedere moeilijkheid.
De groei van de inwendige mens: 1) hoe geplant; 2) hoe verzorgd; 3) hoe tot rijpheid gebracht wordt.
Wordt niet ongeduldig in smart: 1) wat u daartoe moet dringen; 2) hoe u daarin beginnen moet.
a) Daarom, omdat ik volgens het in vs. 8 vv. gezegde een zo grote en gezegende taak in mijn roeping door Gods genade ontvangen heb en ik nu slechts door de vervulling van die taak een gevangene ben (vs. 1. Hand. 9: 16) bid ik u (2 Kor. 5: 20), dat u niet vertraagt in mijn verdrukkingen b) voor u. U moet er u niet aan ergeren, of denken dat het een zeer bedenkelijke zaak is, waardoor men in allerlei moeilijkheden komt, zoals die mij hebben getroffen. Beschouw het liever aldus, dat het door mij geledene een lijden is, dat is uw heerlijkheid. U mag erop roemen tegenover degenen, die u willen misleiden.
Filipp. 1: 14. 1 Thess. 3: 3. b) Kol. 1: 24.
Hoe heerlijker het ambt is, door God opgedragen, des te minder past het dengenen, voor wie het wordt bediend, zich te ergeren aan het lijden en de vervolging van de bedienaar, of daarbij kleinmoedig te worden.
Paulus wil zeggen: u ziet, dat ik nu een gevangene ben en de duivel en de wereld mij in handen hebben. Dat zou misschien kunnen afschrikken en deze boze gedachte geven: was de leer goed en was hij zo’n apostel van Christus, dan zou God hem zo iets niet laten overkomen (zoals dan ook enige valse apostelen onder u sommigen hebben afgekeerd, 2 Tim. 1: 15). Daarom bid ik en vermaan ik u, alhoewel ik een gevangene ben, dat u zich daarom niet laat ergeren of ontmoedigen. Laat ons in beproevingen zijn, smart lijden, in eer of in verachting zijn; laat het gaan hoe het wil, blijft u maar bij hetgeen ik u gepredikt heb en waarvan u weet, dat dit het zekere woord van God en het Evangelie is.
Twee zaken spreekt de apostel uit van zijn lijden, waardoor hij de harten van de lezers wil versterken: 1) ik lijd de gevangenschap en wat ermee samenhangt voor u en 2) mijn lijden is u een eer. Zeer juist! De Efeziërs waren grotendeels Christenen uit de heidenen; zonder eerst proselieten van de Joden geworden te zijn, waren zij door de vrije toegang van de genade Christus ingelijfd. Was dat nu onrecht, hadden de Christenen uit de Joden recht met hun bewering, dat niemand recht op Christus had, dan die of door geboorte of door de besnijdenis met Israël verbonden was, dan was alle zegen, die zij tot hiertoe hadden gehad en hun gehele Christendom een misleiding, dan konden zij wanhopig achterwaarts gaan, of zij moesten met verachting en veroordeling van alle gemaakte ervaringen nog eens op andere wijze Christenen worden. Dat zou in werkelijkheid een verschrikkelijke zaak zijn geweest en velen zouden na zo’n ontnuchtering in het geheel niet meer tot Christus zijn gekomen. Dat nu de Christenen uit de Joden geen gelijk hadden, was de bewering van Paulus, die hij niet alleen met woorden, maar ook door zijn lijden bevestigde. Zo werd zijn lijden een lijden ter geruststelling van de Christenen uit de heidenen. Hoe zouden zij, de leerlingen, staande zijn gebleven, als hij, de leermeester, had gewankeld. Met hem stonden, met hem vielen zij, van zijn getrouwheid hing hun rust af, zoals zijn wankelen hen allen in verwarring zou hebben gebracht. Zijn verdrukkingen hadden echter niet alleen voor hen plaats, maar zij waren hun ook tot eer, tot verheerlijking. Het spreekt vanzelf, dat van geen eer sprake is, die allen erkend zouden hebben, of die algemeen zou zijn geweest. Leed toch Paulus door mensen in tegenstelling tot de Joden en de Christenen uit de Joden, hoe konden dan allen zijn lijden opvatten als de eer van de Efeziërs en van alle heidenen? Voor degenen, die ogen hadden om te zien, was het zeker alleen tot verheerlijking van de heidenen, wat Paulus leed. De heerlijkheid van de heidenen is de vrije genade van Christus, de deelname aan het rijk van God, zonder een andere nationaliteit aan te nemen, hun vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen door het geloof in Christus (vs. 12). Zolang nu de prediking van de vrije genade werd gehoord, zolang de heraut Paulus door tegenstand en lijden ongedeerd haar verkondigde, zo lang hadden de heidenen hun gewenste eer en heerlijkheid, zo lang konden zij jubelen en triomferen. Was echter de ijver van Paulus verkoeld, had het lijden hem geknakt, dan was hun heerlijkheid verloren geweest, evenals de heerlijkheid van Israël (1 Sam. 4: 21 v.) toen de vrouw van Pinehas stervend haar zoon Ikabod noemde, d. i. “wee, de heerlijkheid is verdwenen.”
Om deze oorzaak, zo wil ik nu de rede in vs. 1 afgebroken, hier voortzetten, buig ik mijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus (Hoofdstuk 1: 3).
Waaruit elk geslacht (elk vaderschap d. i. elke familie met een vader aan het hoofd) in de hemelen en op aarde, dus al wat kinderen heet, genoemd wordt.
Met “ik buig mijn knieën”, noemt de apostel de zaak naar het uitwendige teken. Hij wil niet zeggen, dat hij zich nu werkelijk op de knieën neerwierp, maar alleen uitdrukken hoe innig zijn smeken was.
Was hij bij de Efeziërs geweest, dan zou hij bij de innige drang van zijn hart zeker zijn neergeknield evenals in Hand. 20: 36.
Het is een armzalige trots van Kant, het knielen te smaden als een slaafs orientialisme. Hij kan ook nooit de drang van een biddend hart hebben gevoeld. Geheel anders oordeelt Lichtenberg, als hij zegt: als wij met het lichaam op de knieën vallen, dan verheft zich de geest tot God.”
Hoe hoger het gebed van de apostel nu wil opstijgen tot Hem, die boven alle bidden en denken kan doen, des te dieper buigt hij zich.
Dat Paulus voortgaat “tot de Vader van onze Heere Jezus Christus”, daarmee bevestigt hij, dat zich niemand voor God moet vermeten, iets te spreken of te bidden, tenzij hij Hem bij Zijn naam kan aangrijpen, zoals hij hier doet, namelijk als een Vader van Jezus Christus, onze Heere; want Christus is onze enige Middelaar en niemand mag tot de Vader komen dan in de naam van de Middelaar, zodat hij Hem belijdt als zijn Heere, die ons door God daartoe is gesteld, dat Hij voor ons bidt, bovendien ons ook regeert naar lichaam en ziel.
Met de woorden van het 15de vers denkt Paulus aan ieder vaderschap, aan alle families, aan alle geslachten op aarde en reeds ziet hij in de naam “vaderschap” als bij voorafbeelding te kennen gegeven, het ene hoogste vaderschap van God in Christus Jezus, de ene familie, uit alle families en geslachten voortgekomen, namelijk de heilige kerk, die uit Joden en heidenen ontstaat. Hij denkt aan de families, die reeds thuis zijn in de hemel, zo ook aan die op aarde en ziet ze alle bij voorafbeelding of in zalige vervulling ingelijfd in het gebouw van de kerk van God. Bij die naam nu, die alle geslachten in de Vadernaam voorspellend is ingedrukt, roept hij de Heere aan, dat Hij ook de Efeziërs genadig zij, om te verstaan de liefde van God in Christus, die zich op goddelijke manier over alle volken uitstrekt, die hemel en aarde vervult, de liefde, die uitgedrukt is in het bouwen van de kerk.
Die God, tot wie hij zijn voorbede voor zijn heidense lezers opzendt, noemt de apostel aan de ene kant als de Vader van onze Heere Jezus Christus en aan de andere kant zegt hij van Hem, dat Hij aan alle geslachten, die naam zij ook naar hun verschillende afkomst mogen dragen, in de hemel en op aarde, aanzijn heeft gegeven, en daarmee de naam. Wat nu God als Vader van Jezus Christus is, dat zal Hij voor allen op dezelfde manier zijn, van hoe verschillende afkomst zij ook mogen zijn. Als Schepper heeft Hij dit onderscheid gesteld, als Verlosser heft Hij het op.
En wel bid ik voor u, opdat Hij u geeft naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid (Hoofdstuk 1: 7, 17) met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens (Hoofdstuk 6: 10. 1 Kor. 16: 13. Kol. 1: 11).
Opdat Christus door het geloof, waarmee u Hem reeds heeft aangenomen (Kol. 2: 6), in uw harten (Joh. 14: 23. Gal. 2: 20) woont en u in de liefde tot Hem, de Heere Jezus Christus, geworteld en gegrond bent. Hij toch (Kol. 2: 7) is de grond en de bodem, waaruit u uw levenskrachten trekten het fundament waarop uw verbetering of opbouwing (Hoofdstuk 4: 16) wordt verwezenlijkt.
Paulus haalt hier niet de eigenlijke woorden, of de inhoud van zijn gebed aan, maar hij geeft slechts met een woord te kennen, met welk doel hij zijn knieën buigt. Uit het doel, waarmee hij bidt, blijkt zeker de inhoud van het gebed. De apostel bidt om grote zaken, maar hij kent ook, zoals hetgeen bij het “geve” gevoegd is “naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid” aanwijst, de grootheid van de Vader, de grote rijkdom, de onmetelijke bezitting en de schat, die Hem toebehoort. Zoals het dan overeenkomt met deze rijkdom van God, zo moet God de Vader de Efeziërs geven, namelijk onuitsprekelijk, al de volheid. God wil geven en kan geven, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, wat wij van Hem begeren, als Hij weet dat het ons op dat tijdstip nuttig is. Volgens Paulus’ mening is nu de Efeziërs een zaak boven alle nodig. Hij had hen dadelijk in het begin (vs. 13) gebeden, niet te vertragen om zijn verdrukkingen. Het ontbrak hun dus aan de juiste moed in lijden en moeiten, aan kracht en zo is de eerste bede van de man, die ze op zijn hart draagt, dat de kracht, die hun ontbreekt, hen door God wordt gegeven.
Het “met kracht versterkt te worden” sluit niet slechts moedeloosheid en zwakheid uit, maar wenst werkzaamheid naar buiten toe, invloed op de wereld, naast het standhouden ook het overweldigen en overwinnen, vgl. het: “houdt u mannelijk, wees sterk” in 1 Kor. 16: 13.
De heerlijkheid van God is Zijn wezen, zoals dit naar de aarde is toegekeerd. Als de rijkdom daaraan de maat is voor Zijn geven en zich daarin betoont, hoe rijk zal dan Zijn geven zijn! Hij zal hen geven, wat hun inwendig leven ten zegen is; en dan komen de beide eerste zinnen met elkaar overeen, aan de ene kant het “in de inwendige mens” en “in uwe harten” aan de andere kant “door Zijn Geest” en “door het geloof. ” Een versterkt worden in kracht naar de inwendigen mens, dat wordt teweeggebracht door de Heilige Geest, moet God hun geven. Hun inwendig leven, dat toch een door de Geest van God reeds vernieuwd leven is, moet daartoe versterken, dat het zich tegen hetgeen buiten is kan staande houden en krachtig vertonen. Dit is, wat de zaak aangaat, het eerste dat de apostel bidt; het tweede is dat God hen mocht geven een wonen van Christus in hun hart, waartoe het geloof het middel is, omdat het geloof in Christus, dat Hij zelf werkt, het hart, dat gelovig tot Hem gekeerd is, geschikt maakt een plaats te zijn van de werkelijke tegenwoordigheid van de levende Heiland.
Terwijl Christus door het geloof in onze harten woont, ontwaakt de wederliefde tot Hem, die ons het eerst heeft liefgehad en deze schiet wortel, wordt gegrondvest daarin, wordt daarmee meer en meer één.
Woont Christus in onze harten, dan spreekt het vanzelf, dat wij Zijn liefde meer smaken en zien en deze ervaring en erkentenis van de liefde van onze God in Christus Jezus onze Heere, voedt en vermeerdert de liefde tot Hem in ons. Hoe langer en dieper wij Zijn liefde ervaren, des te diepere wortels slaat het gevoel van liefde jegens Hem in onze zielen. Hoe vaster wij omsloten worden door de armen van onze Heiland, hoe langer wij aan het hart van Zijn heilige liefde rusten, des te warmer wordt het ons om het hart.
Zo ver gaat dan naar de belofte van de Heere en naar de gebeden en ondervinding van de gelovigen de hartsvereniging met Hem. Hij is, Hij blijft, Hij woont, Hij leeft door Zijn Geest in hen. Zij bezitten Hem inwendig. Zij genieten een eigenlijke en wezenlijke inwoning van de Heere. En waarlijk als dit zo niet was, hoe zouden zij tempels van God, woonsteden van God in de Geest kunnen genoemd worden, hoe zij, die van nature kinderen van de toorn zijn, ooit kunnen gezegd worden de Goddelijke natuur deelachtig te wezen? Maar een eigenlijke en wezenlijke inwoning van Christus! Maar “de Goddelijke natuur deelachtig”. Welke grote woorden, die grote dingen! Zeker, de genade van God in Christus is niet klein. Wacht u, dat u haar verkleinen zou, door op de woorden van de grote apostel en hogepriester van onze belijdenis zelf af te dingen, door die woorden te wantrouwen, als waren zij met vergroting, met overdrijving, oneigenlijk, bij manier van spreken gezegd. Wat ook onze manier van spreken zijn moge, Christus en Zijn apostelen hadden geen andere dan die van de waarheid, van de onopgesierde, van de ondubbelzinnige waarheid. Waarheid is het, dat de Verlosser en niet slechts Zijn leer, niet slechts Zijn voorbeeld, niet slechts een ideale voorstelling van hetgeen Zijn discipel door Hem worden moet en nooit zonder Hem worden zal, maar Hij zelf in het aan Hem overgegeven hart woont, zodat Zijn vriend Hem niet slechts vóór zich ziet maar in zich heeft, niet slechts rust op Zijn volbracht werk, maar Zijn werk in zich volbracht weet en volbrengen voelt. En waarom zou iemand de zin van deze woorden en met deze rijke liefde van God in Christus voor de arme zondaar willen verkleinen. Zou dat misschien kunnen opkomen in diezelfde harten, die zich de liefde van God zo graag gans onbeperkt voorstellen, zodat zij aan deze gedachte die van Zijn heiligheid zouden kunnen opofferen? Of willen zij slechts een liefde van God over hen, niet in hen? Wel een uitgebreide, maar geenszins een doordringende? Vrezen zij dat een liefde van God in deze onbeperkte zin hun zondig hart wellicht enigermate beperken zal, dat zij niet Gods heiligheid, maar eigen onheiligheid eraan ten offer zouden brengen? Ik oordeel niet, maar waar vlees en bloed zich zo krachtig verzetten tegen de beloften van de Heere en het gebed van Paulus, waar het denkbeeld van een wezenlijke inwoning, een waarachtig leven van de Verlosser in het hart van de Zijnen zo verre en hoogmoedig wordt weggeworpen, of teruggebracht tot voorstellingen van de meest alledaagse, van de flauwste betekenis, daar is het mij, als hoorde ik vlees en bloed hun zaak bepleiten en tot God en zijn Christus uitroepen: wijk van ons, want in uw geboden hebben wij geen lust. Daar schijnt het, dat ofschoon men wel een plaatsje zou willen hebben achter de genadige Jezus, om veilig te zijn voor het oordeel, dat ons na de dood volgt, men nochtans in het hart geen plaats over heeft voor de heilige Jezus, die Zijn oordeel in ons over al het onheilige gaan laat. Op het zachtst genomen schijnt men bevreesd voor een al te innige vereniging met Hem en tracht men zich en anderen op te dringen, dat zij althans niet nodig is en Hij de ziel wel zalig zal maken, al wordt de zaligheid van Zijn inwoning noch gevoeld, noch begeerd. Niet zo, Christus in ons is de enige waarborg van Christus voor ons. Niemand kan voor Zichzelf instaan. Maar voor Zichzelf staat Hij in. En losse hoop op het offer van Christus kan aan ons hart ontvallen. Maar Christus zelf, als Hij in het harte woont, ontvalt dat hart niet. Dat hart is van Hem zeker, het zal niet bezwijken. In het leven niet, in de dood niet, in het oordeel niet. Het heeft het voorwerp van zijn hoop, Christus, die zijn hoop is, in zich. Ik buig mijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus, opdat Christus door het geloof in uw harten woont. De innige hartverheffing met Christus, waarbij Hij in onze harten woont, heeft van onze kant plaats door het geloof, alleen door het geloof, Christus geeft Zichzelf aan ons over door Zijn genade, wij nemen Christus aan door het geloof. Het geloof is niet een berusten in de waarheid van hetgeen ons omtrent Christus en Zijn werk voor zondaren wordt verzekerd, niet een oppervlakkige aandoenlijkheid, die ons daarin de liefde van God en de zelfopoffering van Christus voor zondaren doet erkennen, het geloof is de stemming, waarin men aan de Zaligmaker plaats geeft in het hart; waarin men Hem voor zichzelf aanneemt tot verlossing en zich aan Hem overgeeft tot heiligmaking; de stemming, waarin men Hem, die aan de deur van onze harten staat en klopt, opendoet, opdat Hij met al Zijn goederen, gaven en krachten inkomt en bezit neemt van ons hart. Het is geen daad, waardoor men iets verdient, maar een toestand, waarin men alles ontvangt. Niets gemakkelijker zegt iemand, niets gemakkelijker daarom dan te geloven. Nee, maar zeg: niets eenvoudiger. Als het gemakkelijk was, het geloven zou van ieder zijn. Het is niet van ieder, zegt de Schrift. Onderzoekt u zelf, of u in het geloof bent. Voor zondige en verdorven mensen als wij zijn, is niets zo moeilijk, niets zo onmogelijk als eenvoudigheid. Het geloof is eenvoudig, het is geen willen of streven, het is een aannemen van ontferming. Maar voor een mens is niets moeilijker dan niet te willen en niet te streven, zijn hoogmoed schaamt zich voor niets zo zeer als voor een weldaad.
Kennelijk is de beeldspraak ontleend van de tempel van het Oude Verbond waarin de Heere woonde in al de glans van zijn heerlijkheid; zo moest ook de verheerlijkte Heer in het gemoed van Zijn gelovigen, als in een heiligdom een vaste woonstede vinden, het geheel vervullen, doordringen en heiligen. Daaruit zou het dan ongetwijfeld ook volgen, dat zij in de liefde, tot Hem namelijk, geworteld, gegrond zouden zijn; uitdrukkingen aan bomen en gebouwen ontleend, waardoor de onwrikbare vastheid van hun liefde tot de enige Heiland op eigenaardige manier wordt aangeduid. Een hart zo vol van geloof en liefde tot Hem, die ons leven is; wij voelen het, iets hogers kan zelfs geen Paulus voor de gemeente, geen Christen voor zichzelf en zijn broeders vragen. Dat is het einddoel van al wat God in Christus tot dus ver aan ons gedaan heeft. Of waarom anders heeft Hij ons, die geloven, in Hem uitverkoren en gekend van voor de grondlegging van de wereld? Waarom in de volheid van de tijd ons gebracht tot Zijn wonderbaar licht? Waarom ons leren bidden en op het gebed de Geest van het geloof ons geschonken? Waarom door die Geest ons zo dikwijls versterkt met kracht naar de inwendige mens? Dat alles en zo veel meer moest alleen dienen om een aanbiddelijk doel te bereiken, dit namelijk: dat wij geestelijk één zouden worden met de Zoon van Zijn liefde, zodat die Zoon niet slechts tot ons komt, maar bij ons blijft, en in ons komen en werken en heersen zou door de kracht van de Heilige Geest. Zolang het daartoe niet kwam, was de genade van God voor ons geheel of ten dele vergeefs, pas als hier binnen het geloof aanvankelijk leeft en de liefde tot de Heer onuitroeibaar werd, mogen wij ootmoedig danken, dat die genade niet ijdel geweest is. En weer wat het einddoel is van al Gods wegen is tevens de enige, maar ook zekere aanvang van alles wat de Christen doen moet of worden. Pas nu leren wij in onze mate begrijpen (vs. 18) met al de heiligen, die de lengte en breedte en diepte van het Godsgebouw is; want op geestelijk gebied gaat het liefhebben aan het begrijpen vooraf, en slechts door het geloof kunnen wij iets verstaan van de dingen van de nieuwe wereld, die God in Christus geschapen heeft. Pas nu leren wij (vs. 19) bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, want door het geloof hebben wij haar persoonlijk ervaren en sinds wij allen enigzins weten wat liefhebben is, kunnen wij nu en dan althans iets beseffen van die gadeloze liefde van de Heiland, waarop het woord van de gewijde dichter zo ten volle toepasselijk is: vele wateren zouden deze liefde niet uitblussen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken. Pas nu eindelijk worden wij vervuld tot al de volheid van God, want geloof en liefde worden de bron van een nieuwe waarachtig Goddelijk leven, dat onuitputtelijk en onvergankelijk is. Hoe boven alles begeerlijk is dan de grote zaak waarom de tekst ons leert vragen. Maar hoe zalig tevens ons voorrecht, dat wij ook bij dit gebed te doen hebben met een God, die (vs. 20) doen kan niet slechts, naar – reeds dat was veel, – maar zelfs boven hetgeen wij bidden en denken en wiens kracht in ons werkt, als wij aanvankelijk het eigendom van de Heere zijn geworden. Nee, hoe hoog het voorgestelde ideaal ook moge zijn, wij mogen niet wanhopen het te bereiken, want van Hem, die onze hoop is, zal ook de hulp wezen. Omringt ons niet een wolk van getuigen, ook om ons toe te roepen hoe ver men aan zijn hand op de weg het kan brengen. Denk aan de beroemde kerkvader, de martelaar Ignatius. Op de vraag van keizer Trajanus naar zijn naam, had hij geen ander antwoord dan dat hij Christusdrager, Christophorus heette, in wie het woord werd vervuld: Ik zal in hen wonen en onder hen wandelen. Hem kostte die verklaring het leven; naar zijn eigen woord werd hij als een tarwegraan van God door de wilde dieren vermalen, opdat hij blijken zou een voedzaam brood voor Christus te wezen. Maar door zijn geloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is en roept door zijn voorbeeld ons toe: de ware Christen draagt Christus de Heere in het hart. Zo zij dan de verzuchting van Voet de onze:
Heeft g’in gena en goedheid lust? Gebiedt u mij te komen? Uw scepter wordt van mij gekust, Uw trouwring aangenomen; ‘k Ben d’ uwe tot in eeuwigheid! Verlicht, verzoen, regeer, geleid Mij naar Uw welbehagen! Aan U, mijn Jezus, zij het gemoed In dood en leven, zuur en zoet Ter redding opgedragen.
Ik wens u dit zozeer toe, opdat u bij zo’n staat van uw Christendom ten volle kon begrijpen, of in staat mag zijn om te voelen Ru 4: 6 met al de heiligen, al de overige Christenen (Hoofdstuk 2: 19), die de breedte en lengte en diepte en hoogte zij van dat gebouw, waarmee u en zij, tezamen verbonden, behoort (Hoofdstuk 2: 20v.).
En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, de liefde welke onze Heere Jezus voor ons voelde (“de liefde Christi kan ook zijn de liefde, die wij tot Christus hebben en zeker heeft Luther gelijk, als hij hierbij aantekent, het is een veel grotere zaak Christus lief te hebben, dan veel schoons te kunnen prediken (1 Kor. 8: 1). Och dat God het u gave, opdat u vervuld wordt tot al de volheid van God, om ten slotte, als geopenbaard zal worden wat wij zijn zullen, Hem gelijk te zijn (1 Joh. 3: 2 Joh. 17: 22 v.).
Het woord “opdat” in vs. 16 leidt de opnoeming in van wat het gebed van de apostel inhield, met het “opdat” in vs. 18 wordt nu het doel ervan uitgesproken.
Met “begrijpen” is niet zuiver een verstandelijk begrijpen, maar een ervaren of leren kennen (Hand. 10: 34). Er komt mee overeen het “bekennen” in vs. 19, waarvan het toch weer onderscheiden is, omdat dat het inwendig ervaren, dit het geestelijk bekennen aanwijst.
Dat inwendig ervaren of begrijpen moet de lezers ten deel worden in gemeenschap met al de heiligen, zoals dan aan een kant ook Christelijke kennis en ervaring niet slechts enkelen, maar allen ten deel wordt, in wie Christus woont en aan de andere kant alle opbouwing in geloof en in de liefde het product van gemeenschappelijke, wederzijdse arbeid is. De Christenen moeten kunnen begrijpen wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is: het voorwerp van deze aanwijzingen van ruimte heeft de apostel niet genoemd.
Het lag de lezers voor de hand om te begrijpen, dat zij met al de heiligen, dus daar, waar zij met hen verenigd en vergaderd zijn, om zich moeten zien in de breedte, hoe ver naar beide kanten de ruimte, die hen omvat zich uitbreidt en in de lengte, hoe verre zij zich voor hen heen uitstrekt en in de diepte, hoe verre zij naar beneden, in de hoogte hoe ver naar boven zij reikt. De voorstelling van een gebouw geeft tot deze uitbreidingen aanleiding en wel van een gebouw, dat de lezers met alle Christenen omvat; welk ander gebouw nu kon dit zijn, dan dat, waarvan aan het einde van het vorig hoofdstuk is gezegd, dat de lezers met alle heiligen daartoe behoren? Het is verre uitgestrekt onder de volken naar Oosten en Westen; het breidt zich in de lengte uit door alle tijden tot aan het einde van de dingen; het reikt in de diepte tot de gelovigen, die in de dood slapen en in de hoogte van de hemel, waar Christus woont.
Luther heeft gezegd, dat Christus lief te hebben veel beter is dan alle kennis en Matthias Claudius wenste liever een groenen halm van liefde te hebben dan een geheel voer hooi van weten, omdat alle kennis zonder liefde een ledige schaal is. De apostel denkt hier echter aan de liefde van Christus tot de arme mensheid, waaruit zijn kerk is gebouwd. Deze is het, die alle kennis te boven gaat en die toch aan allen, die geloven, kenbaar wordt in een mate, als Paulus zijn lezers toewenste.
Deze liefde van Christus breidt zich uit over alle volken, door alle en op elkaar volgende tijden. In de gehele diepte van ellende en zondeverderf daalt zij neer; tot de heerlijkheid voor Gods troon en hart wil zij allen verheffen. In zo’n verband staat deze zin met de voorgaande van het begrijpen, die de breedte en lengte en diepte en hoogte zij. Daar wordt echter gehandeld over de grootte, die steeds een begrensde is en die daarom een Christen wel kan leren kennen; hier daarentegen wordt gesproken van iets, dat onbegrensd is en daarom het weten te boven gaat. Het hoogste doel van zijn voorbede geeft dan de apostel te kennen met het woord: “opdat u vervuld mag worden tot al de volheid van God”. Dit is geen stoutere rede dan die in 2 Petr. 1: 4, “opdat u de goddelijke natuur deelachtig zou worden. ” Dit vervuld worden “tot al de volheid van God” is natuurlijk een doel, dat verder reikt dan de aardse ontwikkeling van Christus’ gemeente. Maar de Christen moet door de hoop reeds op aarde het hoogste doel steeds voor ogen staan, alhoewel het een doel is dat werkelijk alle kennen en begrijpen te boven gaat. Vervuld worden tot al de volheid van God, schrijft Luther, is op Hebreeuwse manier zoveel gezegd, als dat wij vervuld worden op alle manier, waarmee Hij volmaakt en wij vol van God worden, overstroomd met alle genade en gave van Zijn Geest, die ons moedig maakt, met Zijn licht verlichte en Zijn leven in ons leeft, met Zijn zaligheid ons zalig maakt, met Zijn liefde in ons de liefde wekt; kortom dat alles, wat Hij is en kan, in ons volledig is en krachtig werkt, dat wij goddelijk worden, niet alleen enige stukken van God hebben, maar al de volheid. Niemand moet echter denken dat zo iets in dit leven enig mens volkomen overkomt. Wij mogen het wel wensen en bidden, zoals Paulus hier heeft gedaan, men zal echter niemand vinden, die zo’n volheid geheel bezit; wij staan alleen op dat standpunt, dat wij het begeren en ernaar zuchten; want zolang wij in het vlees leven, zijn wij nog vervuld van allerlei Adams-volheid.
a) Hem nu, die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die op een wijze, zoals in Hoofdstuk 1: 19; 2: 1 vv. is uiteengezet, in ons werkt.
Rom. 16: 25.
Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid, de Hem toekomende roem (Openb. 4: 11. Rom. 11: 36. Gal. 1: 5. Fil. 4: 20) in de gemeente door Christus Jezus, als die daartoe is geroepen en ook in staat is Hem de juiste, de volle eer te geven, in alle geslachten tot alle eeuwigheid. Amen.
Het eigenlijke gebed, de bede is ten einde; maar het vertrouwen op de Almachtige, die nog veel meer kan doen, dringt nog een volle plechtige verheerlijking van God uit het biddend hart een verheerlijking, met welker volheid Rom. 16: 25-27 kan worden vergeleken.
Bidden en loven moet tezamen gaan, het eerste brengt de bijzondere goddelijke genade naar beneden, het andere voert haar weer in de hoogte.
Gods almacht, zegt de apostel, is oneindig ver verheven boven de krachten van ons gebed en van ons verstand. Wij kunnen nooit zelfs in de verte niet zoveel bidden, als God voor ons wil doen en nooit, zelfs niet in de verte datgene denken, wat God voor ons kan doen.
Paulus heeft zichzelf niet gehouden voor de man, die de zegetocht van de Heere tot volmaking van Zijn kerk in elk van haar leden in het bijzonder en die allen tezamen, kon denken en in woorden van het gebed samenvatten; maar hij heeft zich met alle vertrouwen hiermee vertroost, dat God meer was dan ons hart en hoog verheven boven bidden en denken van alle mensen, ook van de gelovigen, de weg van Zijn heerlijke genade ging.
De Christelijke lezers, alsook de apostel zelf, kenden bij ervaring de goddelijke macht, die hen uit de dood van de zonde gered en het leven van Jezus Christus deelachtig had doen worden, die de apostel van een vervolger van de gemeente tot een uitverkoren werktuig voor het rijk van God had gemaakt. Naar de mate van de kracht, die voor zo’n werkingen nodig is, mogen de lezers afmeten, hoe onbeperkt de macht van God is.
Alles wat reeds is gedaan of geworden kan Gods macht nog overtreffen; nooit heeft zij te eniger tijd het hoogste gedaan wat zij kon.
In Synagogen, moskeeën, pagoden is geen ware lof van God, ook niet in onze kerken, als men niet in Christus gelooft.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel