Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

Een andere en edelere tentoonstelling

32 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 4 mei 1862 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods. Efeze 3:10

De hele wereld praat de laatste drie dagen over niets anders dan het prachtige schouwspel dat de opening van de Wereldtentoonstelling heeft opgeluisterd. Mensenmassa’s hebben zich verzameld in het paleis van de kunsten uit alle landen. Vertegenwoordigers van alle volken op aarde hebben vele kilometers afgelegd om de wonderen ervan te bekijken. Vooraanstaande personen uit alle rijken zijn bij het grootse schouwspel verschenen. Voor de ogen van alle mensen heeft zich zo’n schitterend tafereel afgespeeld dat het in alle opzichten zijn weerga nooit gehad heeft en waarschijnlijk in vele jaren niet geëvenaard zal worden.

Waarom al deze bijeenkomsten? Waarom verzamelt u zich, alle volken? Waarom komt u hierheen, starende mensenkinderen? Uw antwoord zal ongetwijfeld zijn dat u hierheen gekomen bent om de veelvuldige wijsheid van de MENS te zien. Als ze door de gangpaden van de grote tentoonstelling lopen, wat zien ze dan anders dan de bekwaamheid van de mens? Eerst op deze afdeling, dan weer op een andere. Het ene moment in het grootse, het volgende in het kleine. Het ene ogenblik in een werk van sierlijke versiering, het volgende in een werk van vakmanschap en nut. ‘Veelvuldige wijsheid’: het werk en de voortbrengselen van vele geesten, de verschillende tinten en kleuren van het denken, belichaamd in de uiteenlopende machines, standbeelden enzovoort die het menselijk vernuft heeft kunnen voortbrengen.

We geven toe dat God daar terecht erkend is, zowel in het plechtige gebed van de aartsbisschop als in het lied van de hofdichter. Toch was het grote doel uiteindelijk de veelvuldige wijsheid van de mens te aanschouwen. Als men de vaardigheid en de kunst van de mens had weggenomen, wat zou er dan zijn overgebleven?

Broeders, moge deze bijeenkomst de grootste resultaten tot gevolg hebben! We moeten niet verwachten dat zij, of wat dan ook behalve het Evangelie, ooit het wereldwijde rijk van de vrede tot stand zal brengen. We moeten nooit van de kunst en de wetenschap verwachten dat ze de overwinning behalen die voorbehouden is aan de wederkomst van de Heere Jezus Christus. Moge deze tentoonstelling echter gevoelens van welwillendheid verspreiden, moge ze de verstrooide kinderen van Adam aan elkaar verbinden, moge ze de geslachten van de mensen die bij Babel overal heen verstrooid werden, samensmelten tot een gelukkige en gezegende eenheid. En moge ze de weg bereiden en de poorten openen, zodat het Evangelie kan voortgaan tot de uiterste einden van de aarde!

Ik ben echter beslist niet van plan om uw aandacht te vragen voor de wonderen die de enorme tempel van 1862 vullen. Ik nodig u veel liever uit om mij te volgen naar een edelere tentoonstelling dan deze, waar zich menigten verzamelen, niet van sterfelijke mensen maar van onsterfelijke geesten. De tempel is niet die van kunst en wetenschap, maar die van genade en goedheid, gebouwd met levende stenen, gevoegd met de schone kleuren van het verzoenende bloed, ‘gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen’. Het is die tempel, ‘de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid’.

In dit grote paleis stromen tienduizendmaal tienduizenden van het heerleger van God samen, ‘cherubs en serafs’, of met welke andere namen die stralende hemelwezens elkaar ook mogen noemen: ‘overheden en machten’. Alle verschillende rangen in de hiërarchie van de onsterfelijke geesten, als die er is, worden voorgesteld als aandachtig starend naar het wonderlijke bouwwerk dat God heeft opgericht. Langs de gangpaden van die Gemeente, langs de eeuwen van haar bedelingen, staan de vele trofeeën van Gods genade en liefde: de juwelenkistjes met deugden en genadegaven die de gelovige sieren, de gedenktekens van overwinningen op de zonde en de hardheid van het hart, en van zeges behaald over verzoeking en beproeving. Terwijl de geesten door deze gangen vol goddelijk handwerk lopen, blijven ze staan, kijken ze, bewonderen ze en verwonderen ze zich. Dan snellen ze terug naar de hemel en zingen luider dan voorheen hun hallelujah’s voor de God Wiens veelvuldige wijsheid zij in de Gemeente van God hier beneden hebben aanschouwd.

Geliefde vrienden, onze tekst is een vreemde tekst. Bedenk eens dat de engelen, die in vergelijking met ons de eerstgeboren schepselen zijn, al vele eeuwen bij God zijn. Toch weet ik niet dat er ooit gezegd wordt dat zij door iets anders ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ geleerd hebben. Ze waren bij Hem toen Hij de aarde en de hemel maakte, misschien gedurende die lange tijdperken waarin de aarde gevormd werd. ‘In den beginne’, toen ‘God den hemel en de aarde’ schiep, kwamen de engelen waarschijnlijk deze wereld bezoeken en zagen zij die vreemde, raadselachtige gedaanten levend en in hun luister, die wij nu als fossielen uit de aarde opgraven. Zeker kenden de engelen haar verborgen schatten in die tijd toen de aarde woest en ledig was en duisternis op de afgrond lag. En toen Hij sprak: ‘Daar zij licht!’ en daar werd licht, toen die eerste lichtstraal als een levende vinger de aarde scheen aan te raken en haar tot schoonheid te wekken, toen gleden de vingers van de serafs over hun hemelse harpen en ‘toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten’.

Hoewel ze bij de grote Werkmeester waren tijdens de zes dagen van de schepping en hoewel zij het vee naar zijn aard zagen en het gevogelte naar zijn aard, de vissen van de zee en alle planten en kruiden, lees ik toch nergens dat hun in dit alles ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ bekendgemaakt werd. Nee, meer nog: toen de mens, het laatste werk van de Meester, door Eden wandelde en met zijn schone gezellin aan zijn zijde opstond om zijn Schepper te prijzen, lees ik zelfs niet dat in de mens als schepsel ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ bekendgemaakt werd. En dat terwijl hij ‘op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt’ was en er in zijn geest en lichaam een wijsheid tentoongespreid werd die nooit eerder haar weerga had gehad.

Ja, en meer nog: toen andere werelden gemaakt werden, toen de sterren als gloeiende vlammen door het licht van de Godheid ontstoken werden, en al zouden er andere volken en andere geslachten en andere stammen zijn in die talloze verre landen, dan nog vind ik niet dat bij de schepping van al die menigten werelden die de wijde velden van het hemelruim sieren, toen aan de hemelse geesten ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ werd bekendgemaakt.

Nee, meer nog: in alle bedelingen van Gods voorzienigheid buiten de Gemeente, in alle geheimzinnige omwentelingen van die wonderlijke raderen die vol ogen zijn, buiten de Gemeente, is aan deze wezens de wijsheid van God niet ten volle bekendgemaakt.

Ach broeders, bedenk nog één ding: zij aanschouwen met onverduisterde ogen de heerlijkheid van Hem Die op de troon zit, voor zover een geschapen oog die kan zien. Zij genieten de zalige aanschouwing. Ze schitteren in de luister van de Godheid en bedekken hun gezicht wanneer ze aan Zijn voetbank uitroepen: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen!’ En toch, hoewel ze als het ware in de zon staan en hoewel ze de voornaamste van alle schepselen zijn, het dichtst bij de eeuwige troon, lees ik niet dat ze door dit alles in de hoogste zin ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ geleerd hebben.

Wat een indruk geeft dit ons dan van het belang van de Gemeente! Broeders, laten we nooit meer ook maar het geringste lid ervan verachten, want er is in de Gemeente meer te zien dan in de schepping in haar volle breedte. Er is meer van de wijsheid van God in het redden van zielen dan in het bouwen van de gewelven van de hemel. Ja, er is meer van God te zien dan zelfs de hemel met al zijn pracht op een andere manier kan openbaren. O, laten we onze ogen openen, opdat ons die goddelijke verborgenheden niet ontgaan waarin de engelen begerig zijn in te zien!

Ik heb hiermee de betekenis van de tekst al uitgelegd. We hoeven uw aandacht daarom alleen nog te bepalen bij die punten van belang waarbij het verstand van de engelen zeker zou blijven stilstaan. Terwijl we deze kort achter elkaar noemen, bidden we dat ons hart ertoe geleid mag worden veel te overdenken van de veelvuldige, de veelkleurige wijsheid van God, zoals die getoond wordt in de Gemeente die Christus met Zijn bloed gekocht heeft.

1. In de eerste plaats, beste broeders, denken we dat voor de overheden en de machten het grote punt van aandacht in de Gemeente het plan is om de Gemeente zalig te maken. Daarover zijn zij zo vol bewondering en verwondering. Anderen hebben eens zeer terecht opgemerkt dat als er een vergadering van alle geesten in de hemel en op de aarde gehouden was en als die algemene vergadering de opdracht had gekregen een plan te bedenken en vast te stellen waardoor God rechtvaardig kon zijn en toch de Rechtvaardiger van de goddeloze, zij allen in die taak tekort zouden zijn geschoten.

Die verheven geesten zien ongetwijfeld met vreugde dat in Gods weg om Zijn Gemeente te behouden al Zijn eigenschappen met onverminderde glans stralen. God is rechtvaardig. Dat weten ze in de hemel, want ze zagen Lucifer als een bliksem vallen toen God hem vanwege de zonde uit zijn woonplaats wierp. God is rechtvaardig, op Golgotha, waar Zijn Zoon hangt te bloeden, ‘Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen’, net zo goed als toen Hij de zoon van de dageraad neerwierp. De engelen zien in de zaligheid het grote wonder dat gerechtigheid en vrede elkaar omhelzen. God is zo streng rechtvaardig alsof er geen greintje barmhartigheid in Hem was, en slaat met alle sterkte van Zijn macht Zijn Zoon voor de zonde van Zijn volk. En toch is God zo barmhartig alsof Hij niet rechtvaardig was, en omhelst Hij Zijn volk alsof het nooit gezondigd had, en heeft Hij het lief met een liefde die niet groter had kunnen zijn als het nooit had overtreden. Zij begrijpen hoe God de zonde zo haatte dat Hij Zijn wraak op Zijn Eniggeborene legde, en dat toch geldt: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.’

Zoals in de kronen van oosterse vorsten de kostbaarste edelstenen in trossen bij elkaar schitterden, zo stralen als in één wonderlijke krans al de oneindige eigenschappen van God tegelijk in al hun samengevoegde heerlijkheid rondom Uw kruis, o Jezus, wonder van de aarde en wonder van de hemel! Deze moeilijkheid, door de verzoening van Christus zo heerlijk opgelost en zo volkomen weggenomen, doet de engelen ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ aanschouwen.

Maar verder: als de engelen zien dat door dit grote plan alle verwoesting die de zonde over de mensheid gebracht heeft, wordt weggenomen, verwonderen zij zich opnieuw over de wijsheid van God. En als zij in het bijzonder letten op de manier waarop die is weggenomen, op de vreemde en geheimzinnige middelen die God gebruikte om de steen van de opening van het mensengraf weg te rollen, dan buigen ze zich met nog meer ontzag neer.

Zijn we in Adam het paradijs kwijtgeraakt? Zie, de Heere Jezus Christus heeft ons iets beters gegeven dan het paradijs! Zijn we de waardigheid van het mens-zijn kwijtgeraakt? Zie, vandaag krijgen we die in Christus terug, want ‘alle dingen hebt Gij onder Zijn voeten onderworpen’. Zijn we onze vlekkeloze reinheid kwijtgeraakt? Opnieuw hebben we die in Christus verkregen, want we zijn gerechtvaardigd door Zijn gerechtigheid en gewassen in Zijn bloed. Zijn we de gemeenschap met God kwijtgeraakt? We hebben die vandaag verkregen, want ‘wij hebben de toeleiding door het geloof tot deze genade, in welke wij staan’. Zijn we de hemel zelf kwijtgeraakt? Ach, de hemel is weer van ons, want in Hem hebben we een erfenis verkregen en zijn we ‘bekwaam gemaakt (…) om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht’.

En al dit kwaad wordt ertoe gebracht zichzelf te vernietigen, doordat God het zo bestuurt dat het zijn eigen ondergang wordt. De draak wordt met zijn eigen angel gestoken. Goliath wordt met zijn eigen zwaard gedood. De dood wordt verslagen door de dood van de Man Die gekruisigd werd. De zonde wordt weggedaan door het grote Zondoffer, ‘Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout’. Het graf wordt geplaagd door zijn eigen slachtoffer, omdat Christus er als gevangene in lag. Satan werpt hier de satan uit. Door een Mens staan we op, zoals we door een mens gevallen zijn: ‘Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.’ De worm over wie satan triomfeerde, is de worm in wie God verheerlijkt wordt. Het was de mens die satan tot een middel wilde maken om God te onteren, en het is de mens in wie God triomfeert over alle listen en wreedheden van de hel.

Hierover verwonderen de engelen zich, want in dit heilsplan, dat elk kwaad tegemoet treedt en dat nog wel op zijn eigen terrein, zien zij ‘de veelvuldige wijsheid Gods’. Merk ook op dat God door het grote plan van zaligheid door de verzoening meer verheerlijkt wordt dan wanneer er geen zondeval geweest was en er dus ook geen ruimte voor verlossing zou zijn. De engelen bewonderen ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ in de hele geschiedenis van het menselijk geslacht, omdat ze zien dat God daarin, van het begin tot het einde, meer verheerlijkt wordt dan wanneer die geschiedenis in gouden letters geschreven was, zonder één zonde of één lijden aan de kant van het menselijk geslacht. O Heere, toen U Uw volk een ogenblik als verloren schapen liet dwalen, had het misschien stil kunnen worden in de hemel, omdat Uw vijand getriomfeerd had en de kostbaren die U liefhad, in de hand van de vijand waren overgegeven. Toen de edelstenen van Christus voor een korte tijd zoek waren in het modderige slijk en de puinhopen van de zondeval, had de banier van Jehova misschien opgerold kunnen worden, want wellicht leek het de engelen alsof God in Zijn hoogste lof verslagen was. Maar wanneer Christus terugkomt ‘van Edom (…) met besprenkelde klederen, van Bozra’, met op Zijn koninklijk hoofd de kroon waarin iedere edelsteen die eens in de hand van de vijand was, stevig is gezet, wanneer de Herder terugkomt van de bergen met het verloren schaap dat afgedwaald was op Zijn schouders, dan is er meer vreugde in de hemel over de verlorenen die weer gevonden zijn dan er over hen allen had kunnen zijn als ze nooit waren afgedwaald. De diepe bastonen van de zondeval zullen het lied van het herstel doen aanzwellen. Het holle gekreun, zoals het klonk toen het alleen gehoord werd, zal slechts een deel vormen van het machtige aanzwellen van het eeuwige lied, wanneer dat zal opklinken tot de troon van de Heere God der heerscharen.

Broeders, als u eens een tijdje zou nadenken over het hele werk van God, de zondeval inbegrepen als iets wat voorzien en tevoren gekend was, tot aan de dag waarop al het uitverkoren zaad rondom de troon zal samenkomen, dan denk ik dat u getroffen zult worden door de heerlijkheid ervan als geheel. Het lag binnen het bereik van Gods macht om schepselen te maken die Hem zouden liefhebben, wezens die met zeer nauwe banden aan Hem verbonden zouden zijn. Maar ik zeg het met eerbied: ik zie niet hoe de Almacht zelf, los van de zondeval en de verlossing door het offer van Christus, toen Hij Zich voor ons in de dood gaf, zulke schepselen had kunnen maken als de verlosten in de hemel zullen zijn.

Broeders, als we nooit gevallen waren en nooit verlost, hadden we nooit kunnen zingen van verlossende genade en stervende liefde. Wij hadden het niet gekund en de engelen ook niet. We hadden de hoogte en diepte en lengte en breedte van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, niet kunnen kennen. Gespijzigd met hemels voedsel hadden we Zijn mildheid kunnen bewonderen, maar niet zoals we dat nu doen, nu we het vlees van Christus eten. Gelaafd met de wijn, geperst uit de eigen trossen van de hemel, hadden we de Gever van het feest kunnen prijzen, maar niet zoals we dat nu kunnen, nu we het bloed van Jezus drinken als onze zoete wijn, rein en heilig. We hadden Hem kunnen loven, en dat zouden we ook gedaan hebben, maar niet zoals we het nu kunnen, nu we onze lange klederen gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam.

Er bestaat nu een nauwere verwantschap dan er op enige andere manier had kunnen zijn, als God de mensheid niet in verbond met Zichzelf had opgenomen en als het Woord niet vlees geworden was en onder ons gewoond had. Ik zeg: er zijn misschien andere plannen mogelijk geweest, maar geen sterfelijk verstand kan zich een ander plan voorstellen. Dit lijkt het wonderlijkste, het meest Godwaardige, het meest goddelijke plan: dat een schepsel volkomen vrij gemaakt wordt, dat dat schepsel zondigt, dat het de rechtvaardigheid van God leert kennen doordat de straf op een Plaatsvervanger gelegd wordt, maar dat het de liefde van God leert kennen doordat die Plaatsvervanger God Zelf is! Dit schepsel was ertoe verordineerd om met de banden van het kindschap aan de Eeuwige verbonden te zijn, met banden van liefde die zo sterk zijn dat de pijnen van de pijnbank en de vlammen van het vuur het niet van de liefde van God zullen kunnen scheiden.

En in de hemel zal dit schepsel beseffen dat het niets aan zichzelf te danken heeft, niets aan zijn eigen natuurlijke inspanningen, maar alles aan Hem Die het liefhad en Die het met Zijn bloed gekocht heeft. Daarom zal dit dankbare wezen God loven op een wijze die vele trappen hoger ligt dan wat enig ander schepsel kan bereiken.

Beste vrienden, ik denk dat als we dit onderwerp alleen al een paar uur in stilte bestuderen, we zullen zien dat er in niets wat God gedaan heeft, zoveel van Zijn wijsheid aan het licht komt als in het plan van Zijn verlossende liefde. Gaat rondom haar, engelen des Heeren! Zet uw hart op haar vesting en telt haar torens; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen. Aanschouw de onneembare kracht van de verbondsverplichtingen! Zie de grootte en de breedte van de verkiezende liefde! Aanschouw de betrouwbaarheid en waarachtigheid van Gods beloften! Zie de volheid van genade en de kracht van het bloed dat vergeving schenkt! Zie de trouw en de onwankelbaarheid van Gods liefde, als die eenmaal op mensen gericht is! En als u het geheel bewonderd hebt, geesten, ga dan terug en stem nog lieflijker dan tevoren met ons in ons lied in: ‘Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de eer, en de lof, en de majesteit, en de kracht, en de heerschappij, tot in alle eeuwigheid.’

2. In de tweede plaats wordt de wijsheid van God zonder twijfel aan de engelen en overheden bekendgemaakt in de verschillende bedelingen waardoor de Gemeente gegaan is. In het begin was de Gemeente inderdaad een kleine kudde, enkelen uitgekozen uit de massa: Abram, de Syriër, die bijna omkwam, en een paar godvrezenden in zijn huisgezin.

Toen werd de stroom wat breder en ontstonden er twaalf stammen. Weldra werd de bedeling helderder. Mozes werd verwekt, en Aäron, die God verkoren had. Toen verlangden de engelen in te zien in de afbeeldende rituelen en ceremoniën van die oude bedeling. Ze werden afgebeeld op het verzoendeksel, met uitgespreide vleugels en het gezicht naar beneden gebogen, alsof ze maar al te graag het geheim wilden aanschouwen dat het gouden deksel verborg.

Ongetwijfeld bewonderden ze de wijsheid van God zoals die in vage beelden en schaduwen werd voorgesteld, toen ze de offers zagen, of het nu het brandoffer, het dankoffer of het zondoffer was, en toen ze de prachtige ceremoniën van de tabernakel of de nog luisterrijkere rituelen van de tempel zagen.

Hoeveel te meer moeten ze haar bewonderd hebben toen de Zon der gerechtigheid opging met genezing onder Zijn vleugelen, toen ze de offers vervangen zagen door het ene grote offer en de hogepriester terzijde gesteld door de Man Die, nadat Hij één offer voor de zonden geofferd had, voor altijd is gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen. Hoe hebben ze zich sindsdien verwonderd, toen de ene waarheid na de andere in de bevinding van de gelovigen ontvouwd werd en het ene leerstuk na het andere door de verlichting van de Heilige Geest aan de Gemeente van Christus werd geopenbaard!

O broeders, wanneer de engelen het verleden met het heden vergelijken en het heden weer met het verleden, de verkiezing van de Joodse olijfboom met voorbijgaan aan de andere bomen, en daarna het inenten van de heidenen uit de wilde olijfboom en het afbreken van de natuurlijke takken, hoezeer moeten ze dan de opmerkelijke verscheidenheid van Gods bedelingen bewonderd hebben, terwijl ze zeker weten dat Zijn genade dezelfde blijft!

Wie een hoge berg beklimt of afdaalt, wordt getroffen door de plotselinge wisseling van uitzicht. Zojuist keek u naar rechts en zag u een drukke stad in de vlakte. Maar u gaat een bocht om en door een opening in het bos ziet u een breed meer. Een paar ogenblikken later kronkelt de weg opnieuw en ziet u een smal dal met een andere bergketen erachter. Telkens als u een bocht omgaat, ligt er een nieuw uitzicht voor u. Zo moet het ook de engelen zijn vergaan. Toen ze voor het eerst de berg begonnen te beklimmen waarop de Gemeente staat, de berg Sion, ‘Jeruzalem, dat boven is, (…) hetwelk is ons aller moeder’, zagen zij de wijsheid van God geopenbaard zoals Abraham die zag. Na een bocht in de weg zagen ze haar zoals Mozes haar aanschouwde. Na nog een bocht hadden ze een uitzicht zoals David dat waarschijnlijk had.

En toen ze opstegen naar helderder licht en de nevels die om de berghelling hingen, allemaal verdreven waren en waren neergevallen in één genadige regenbui van goddelijke genade, zagen ze haar zoals de apostelen haar zagen toen ze op de Olijfberg stonden! En sindsdien, door elke beproeving van de Gemeente heen, terwijl de achttien eeuwen voorbijgingen sinds de Meester ten hemel voer, hebben ze voortdurend nieuwe vergezichten gekregen en nieuwe openbaringen gezien van de veelkleurige en steeds wisselende wijsheid van de onveranderlijke God, zoals die zich openbaart in Zijn handelen met de Gemeente. Zo wordt zowel in de bedelingen als in het plan aan de overheden en de machten ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ bekendgemaakt.

3. In de derde plaats, en om over elk punt kort te zijn, mogen we zonder enige twijfel concluderen dat ze de wijsheid van God in Zijn Gemeente vooral zien in het Verbondshoofd en de Vertegenwoordiger van de Gemeente.

O, toen ze voor het eerst hoorden dat de Heere van het leven en de heerlijkheid vlees zou worden en onder ons zou wonen, hoe moeten ze dan het plan bewonderd hebben dat de hemel naar de aarde zou afdalen, opdat de aarde naar de hemel zou kunnen opstijgen! Het Kind in de kribbe was het onderwerp van al hun liederen. Toen ze dat Kind een Man zagen worden en Hem hoorden prediken, hoe moeten ze zich dan verwonderd hebben over de wijsheid om God Zelf te zenden als Gods eigen Profeet! Toen zij die Man een leven van volmaakte heiligheid zagen leiden, hoe moeten ze dan met hun vleugels geklapt hebben bij de gedachte dat de mens de volmaaktheid nu kon zien in God Zelf, gehuld in een menselijke gedaante! Maar toen het om de verzoening ging en zij hoorden dat Gods volk in Christus gekruisigd moest worden, hoe getroffen moeten ze dan geweest zijn toen voor het eerst de gedachte tot hen doordrong dat de hele schare van uitverkorenen in één Man grote druppels bloed moest zweten, dat zij in één Man gegeseld, geslagen, verbrijzeld en bespuwd zouden worden, dat de schare van de uitverkorenen het kruis van hun veroordeling op de schouders van één Man moest dragen, dat die ene Man er voor hen allen was, om heel hun last van schuld te dragen en, aan het hout genageld, Zijn leven te laten uitbloeden voor het hele lichaam!

O, zeg ik, toen ze die nederige Man zagen, met al de zonden van de hele uitverkoren schare op Zijn schouders, en wisten dat deze eenzame Man God was en in staat om alles te dragen, moeten ze zich inderdaad over de wijsheid van God verwonderd hebben.

En toen die zegevierende Man uitriep: ‘Het is volbracht!’, nadat Hij de beker van de verdoemenis tot op de bodem leeggedronken had, zodat er geen enkele zwarte druppel meer overbleef die een ander van de uitverkorenen nog moest drinken, en toen die ene Man in het graf neerdaalde en de hele schare van gelovigen met Hem begraven werd, o, hoe hebben ze zich toen verwonderd! Toen ze de tweede Adam weer Zijn grafdoeken zagen verscheuren en de banden van de dood verbreken, als een tweede Simson die de groene zelen van de Filistijnen verbrak alsof het maar draden waren, hoe verbaasd waren ze toen ze bedachten dat de uitverkorenen in die verheerlijkte Persoon waren opgestaan!

En toen die Man in de hemel opgenomen werd en een wolk Hem aan het oog van de stervelingen onttrok, hoe verheugden ze zich toen ze Hem zagen opvaren! Maar veel meer nog bij de gedachte dat ook wij in Hem opgewekt waren en in Hem naar de hoogte waren opgevaren. In Hem, zeg ik, voerde de hele Gemeente haar gevangenis gevangen!

Toen die Persoon, Die ons vertegenwoordigt, onder onbeschrijflijk gejuich opsteeg naar de troon van de Vader en plaatsnam aan de rechterhand van de geduchte Majesteit in de hoogte, hoe groot moet dan de bewondering van de geesten geweest zijn bij de gedachte dat Hij ons mede opgewekt had en ons mede had doen zitten in de hemel in Christus Jezus! Misschien is er geen leerstuk dat christenen meer verbaast dan dit. Ik weet dat als we een onderwerp zoeken dat onze geest verruimt, de vereniging van de uitverkorenen met Christus zeker het meest omvattende onderwerp is.

O heilige vereniging, vast en sterk,
Hoe groot de genade, hoe lieflijk het lied,
Dat wormen van de aarde ooit één zouden zijn
Met de mens geworden Godheid!

Eén toen Hij stierf, één toen Hij opstond,
Eén toen Hij over Zijn vijanden triomfeerde,
Eén toen Hij in de hemel Zijn zetel innam
En engelen de nederlaag van de hel bezongen.

Deze heilige band verbiedt alle vrees,
Want alles wat Hij heeft en is, is van ons.
Met Hem, ons Hoofd, staan of vallen we,
Ons leven, onze Borg en ons alles.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

‘De veelvuldige wijsheid Gods’, die Christus zo tot het Verbondshoofd en de Vertegenwoordiger van de uitverkorenen maakte, moet in al haar verschillende vormen en schakeringen aan de engelen geopenbaard zijn. Hoewel dit een thema is dat misschien een volledige preek zou vragen, laten we het meteen rusten om ons tot een ander punt te wenden.

4. In de vierde plaats wordt de veelvuldige wijsheid Gods aan de overheden en de machten bekendgemaakt in de bekering van ieder kind van God. Er staan op de huidige Wereldtentoonstelling enkele zeer opmerkelijke werktuigen, wonderbaarlijke staaltjes van menselijk vernuft. Maar er is één ding dat ze daar niet hebben en dat wel te vinden is in de Gemeente van de levende God: een hartensmelter, een werktuig om steen in vlees te veranderen. Er zijn uitvindingen om graniet te smelten en om vlees vloeibaar te maken, maar ik ken maar één uitvinding, en die is op geen enkele aardse tentoonstelling te vinden, om het diamant van het menselijk hart te smelten.

Welnu, als de Heere de godslasteraar of de ongelovige, de trotse, zelfgerechtige farizeeër of een of andere hooghartige, intimiderende, zorgeloze zondaar neemt, zijn hart in een fontein werpt die gevuld is met Jezus’ bloed en het begint te smelten van berouw, dan zien de engelen de onvergelijkelijke wijsheid van God.

Maar ik weet ook zeker dat er op de tentoonstelling niet nog een ander werktuig staat dat een hartenheler heet: een uitvinding om gebroken harten te verbinden, ze weer heel te maken en al hun wonden te genezen. De Heere behaagt het echter om met hetzelfde middel waarmee Hij harten breekt, die harten ook te genezen. Het bloed dat de keisteen doet smelten, geeft ons het vlezen hart terug. Nadat Hij eerst het hart gesmolten heeft, toont Hij vervolgens Zijn onvergelijkelijke bekwaamheid door wanhoop, moedeloosheid en angst weg te nemen en het arme geweten volkomen vrede en rust te schenken, nee, juichende vreugde en grenzeloze vrijheid.

Als de engelen de trotse man op zijn knieën zien vallen en horen hoe hij in zijn stille binnenkamer zijn hart uitstort met zuchten en kreunen, zeggen ze: ‘Het is goed, grote God, het is goed.’ En als zij hem uit die kamer naar beneden zien komen, licht van tred en blij van hart omdat al zijn zonde vergeven is en al zijn gekreun in gezang veranderd is, dan zeggen de engelen: ‘Het is goed, grote God, het is goed. U verwondt, maar U heelt. U doodt en U maakt levend.’

De bekering is het grootste wonder dat we kennen. Als er vandaag de dag geen wonderen bestaan, geloof me, dan heb ik geen ogen en geen oren. Maar u zegt: ‘Welke wonderen?’ Ik antwoord: geen wonderen aan geslagen rotsen die rivieren van water geven, of aan zeeën die door de staf van een profeet gekliefd worden, maar wonderen in harten en gewetens die gehoorzamen aan heilige, hemelse kracht. Ik heb in mijn korte leven meer en vreemdere wonderen gezien dan Mozes ooit gedaan heeft, en wonderen die even groot zijn als die welke Christus Jezus Zelf ooit aan vlees en bloed gedaan heeft. Want het zijn Zijn wonderen die vandaag door het Evangelie gewerkt worden.

Als het nu gepast was, zou ik op sommigen op deze galerijen en hier beneden kunnen wijzen en hun vragen te vertellen welke wonderen God voor hen gedaan heeft en hoe ze hier vandaag in één gelukkige kring bijeen zijn om God te loven. Het zijn mensen die eens zo verdorven waren als men maar zijn kan. Maar ze zijn gewassen, ze zijn geheiligd. De tranen springen hun nu in de ogen als ze denken aan de beker van de dronkaard en aan de vloeken van de spotter waarmee ze eens zo vertrouwd waren. Ach, en ook aan de holen en krotten van vuiligheid en ontucht die ze eens kenden. En nu zijn ze hier en hebben ze hun Heere lief en loven ze Hem. O, er zijn er vandaag in dit huis die, als ze konden spreken, zouden zeggen dat ze de grootste zondaren buiten de hel zijn en de machtigste wonderen buiten de hemel! Als ons Evangelie bedekt is, dan is het alleen bedekt voor hen die er moedwillig hun ogen voor sluiten.

Als men ziet dat hoeren, dieven, dronkaards en vloekers tot heiligen van de levende God gemaakt worden, vertel ons dan niet dat het Evangelie zijn kracht verloren heeft. O mensen, denk maar niet dat we u zullen geloven, zolang we die kracht zien, zolang we haar in onze eigen ziel voelen, zolang we elke dag van bekeringen horen en er nauwelijks een week voorbijgaat zonder dat er wel twintig brandhouten uit het eeuwige vuur gerukt worden!

En, zeg ik, als de Gemeente van God op aarde deze bekeringen al bewondert, wat moeten dan de engelen doen, die beter bekend zijn met de schuld van de zonde, meer weten van de lieflijkheid van de heiligheid en het verborgen hart van de mens beter begrijpen dan wij? Hoe blij en juichend moeten zij in elke afzonderlijke bekering, die telkens weer andere kanten laat zien dan alle andere, ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ bewonderen! Zoals het vernuftige speelgoed dat caleidoscoop heet bij iedere draai een nieuwe vorm van schoonheid laat zien, zo zijn de bekeerlingen die door de prediking van het Woord tot Christus gebracht worden, allemaal verschillend van elkaar. Er is in elk geval iets wat het onderscheidt. Door hen wordt onze tekst tot op de letter bewezen: de veelvuldige wijsheid, de zeer veelkleurige wijsheid van God wordt ten toon gespreid.

Ik heb het woord ‘veelvuldig’ soms zo opgevat dat de genade vergeleken wordt met een kostbare schat die in vele lagen is ingepakt. Eerst moet deze laag uitgepakt worden, dan de volgende en dan weer de volgende. En terwijl u laag na laag uitpakt, vindt u telkens iets kostbaars. Het zal echter lang duren voordat u en ik de laatste laag hebben uitgepakt en de wijsheid van God in haar zuivere, schitterende luister vinden, zoals die daarbinnen opgeborgen ligt en zoals de engelen haar aanschouwen in de Gemeente van de levende God.

Maar de tijd ontbreekt mij, en daarom moet ik punten laten liggen waarbij ik graag had willen stilstaan. De overheden en de machten vinden tot op deze dag ruime gelegenheid om de wijsheid van God te bestuderen in de beproevingen en de bevinding van de gelovigen: in de wijsheid die hen aan beproevingen onderwerpt, in de genade die hen daarin staande houdt, in de macht die hen eruit leidt, in de wijsheid die de beproeving doet meewerken ten goede, en in de genade die de beproeving afstemt op de rug of de rug sterkt voor de last.

Ze zien wijsheid in de voorspoed van christenen, wanneer hun voeten als die van de hinden op hun hoogten staan. Ze zien dezelfde wijsheid in de neerslachtigheid van gelovigen, wanneer die zelfs in de diepste diepten nog zeggen: ‘Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?’ Zoals elke dag ons ons dagelijks brood brengt, zo brengt elke dag de hemel zijn dagelijkse stof tot verwondering.

En de engelen ontvangen nieuwe voorraden kennis uit de altijd nieuwe bevinding van het volk van God. Zij buigen zich vandaag over de transen van de hemel om naar u te kijken, beproefde gelovigen. Ze kijken in uw oven, zoals eens de koning van Babel, en ze zien de vierde Man bij u, gelijk aan de Zoon van God. Ze volgen uw spoor, kinderen van Israël in de woestijn. Ze zien de plaatsen waar u zich legert en het land waarheen u op weg bent. En terwijl ze letten op de vuur- en wolkkolom die u leidt en op de Engel van Gods huis Die vooropgaat en de achterhoede vormt, ontdekken ze bij iedere stap op de weg de wonderlijke wijsheid van God.

5. En ten slotte, boven alle twijfel verheven: wanneer de laatste van Gods volk ingebracht is en de stralende engelen door de hemelse velden gaan wandelen en met alle verloste geesten spreken, dan zullen ze ‘de veelvuldige wijsheid Gods’ zien. Laat de engel eens zelf aan het woord. ‘Hier’, zegt hij, ‘zie ik mensen uit alle volken, geslachten en talen, van Brittannië tot Japan, van het bevroren noorden tot de verzengende luchtstreek onder de evenaar. Hier zie ik zielen van alle leeftijden: kinderen die van de moederschoot en de moederborst weggerukt zijn, en geesten die eens de verlammende ouderdom kenden, toen de sprinkhaan hun een last was. Hier zie ik mensen uit alle tijden, van Adam en Abel tot aan hen die levend overgebleven waren bij de komst van de Zoon van God uit de hemel. Hier zie ik hen uit de dagen van Abraham, uit de tijd van David, uit de periode van de apostelen en uit de tijd van Luther en Wycliffe, tot aan de laatste tijden van de Gemeente.

Hier zie ik hen uit alle standen. Daar is iemand die koning was, en naast hem, als zijn gelijke, een ander die als galeislaaf aan de roeiriem trok. Daar zie ik een vorstelijke koopman die zijn rijkdom niet dierbaar achtte, en naast hem een arme man die rijk was in het geloof en een erfgenaam van het Koninkrijk. Daar zie ik de dichter die op aarde kon zingen van het verloren en herwonnen paradijs, en naast hem iemand die geen twee woorden aan elkaar kon rijgen, maar die het verloren paradijs en het herwonnen paradijs kende in het Eden van zijn eigen natuur, de hof van zijn eigen hart.

Hier zie ik Maria Magdalena en Saulus van Tarsen, berouwvolle zondaren van allerlei slag en heiligen van alle soorten: zij die hun geduld toonden op een slepend ziekbed, zij die met heilige vrijmoedigheid zegevierden te midden van de rode vlammen, zij die ‘gewandeld hebben in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde’, ‘welker de wereld niet waardig was’.

Daar is de monnik die de wereld deed schudden, en hij die zout in de stroom van de leer wierp en die weer gezond en zuiver maakte. Daar is de man die voor zijn miljoenen preekte en tienduizenden zielen tot Christus bracht, en de eenvoudige vrouw uit het arbeidershuisje die niet meer wist dan dat haar Bijbel waar was en dat zijzelf het leven van Christus deelachtig was. Hier zijn ze allemaal.’

En terwijl de geesten rondwandelen en eerst naar het een kijken en dan naar het ander, eerst naar het ene zegeteken van genade en dan naar een ander gedenkteken van barmhartigheid, zullen ze allen uitroepen: ‘Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt.’ De hemel is vol van Uw goedheid, die U aan de mensenkinderen bewezen hebt.

En nu, beste vrienden, is de preek voorbij, als ik u alleen nog deze vragen stel. De eerste is een vraag voor de kinderen van God, de andere voor hen die Hem niet kennen. Eerst aan de kinderen van God. Denkt u dat u en ik er voldoende bij stilgestaan hebben dat we altijd door de engelen worden gadegeslagen en dat zij de wijsheid van God door ons willen leren? De reden waarom onze zusters met bedekt hoofd in het huis van God verschijnen, is ‘om der engelen wil’. De apostel zegt dat een vrouw een bedekking op haar hoofd moet hebben om der engelen wil, omdat de engelen in de samenkomst aanwezig zijn en elke onbetamelijke daad opmerken. Daarom moet alles in de tegenwoordigheid van de hemelse geesten eerbaar en met orde gebeuren.

Denk daar dan aan als we vanmiddag met elkaar praten. Laten we niet zo praten dat een bezoeker uit de hemel bedroefd over ons zou zijn. En als we in onze algemene vergaderingen bijeen zijn, laten we dan geen onwaardige onderwerpen bespreken, maar laten de zaken die we bespreken echt stichtelijk zijn, met zout gekruid. Zouden we vooral in ons gezin niet meer over Christus kunnen zeggen dan we doen? Brengen we niet vaak dagen, misschien wel weken, door zonder iets te noemen waarvan we zouden wensen dat de engelen het hoorden?

U wordt gadegeslagen, broeders, u wordt gadegeslagen door hen die u liefhebben. De engelen hebben ons lief en dragen ons op de handen, opdat wij onze voet niet aan een steen stoten. Ze legeren zich rondom onze woningen. Laten we deze koninklijke gasten onthalen. Omdat ze ons brood niet kunnen eten en niet aan onze tafel kunnen aanzitten om van onze maaltijd te genieten, laten we dan spreken over onderwerpen die hen verblijden, en dat op een manier die hun welgevallig is. En laat hun aanwezigheid voor ons een beweegreden zijn om ons zo te gedragen dat door ons aan de engelen en overheden de wijsheid van God bekendgemaakt wordt.

En ten slotte: wat denken sommigen van u dat de engelen van uw handel en wandel zouden zeggen? Ik veronderstel dat u zich niet veel van hen aantrekt, en toch zou u dat moeten doen. Want wie anders dan de engelen zullen aan het einde de maaiers zijn, en wie anders dan zij zullen onze geest begeleiden over de laatste donkere stroom? Wie anders dan zij zullen onze geest, zoals die van Lazarus, in de schoot van de Vader dragen? Laten we hen zeker niet verachten. Hoe is uw gedrag geweest?

Ach, mijn hoorders, het is niet nodig dat de prediker spreekt. Laat het geweten zijn volle werk doen. Er zijn hier mensen over wie de engelen, als hun ogen tranen hadden kunnen kennen, dag en nacht zouden hebben geweend. U bent bijna overgehaald om christen te worden. U hebt de worsteling van het geweten gekend en u hebt gezegd: ‘Ik wou dat ik helemaal was zoals de heiligen!’ Maar u bent nog steeds onbekeerd.

Wacht, geest, beschermgeest, u die over deze zoon van een godvrezende moeder gewaakt hebt, vlieg niet teleurgesteld terug naar de hemel! Hij geeft toe, hij geeft toe! Nu werkt de Geest van God in hem. ‘Het zal gebeuren’, zegt hij, ‘het zal gebeuren. Ik heb berouw en ik geloof in Jezus.’

Maar ach, geest, u zult toch nog teleurgesteld worden, want hij staat op het punt te zeggen: ‘Straks; ga voor een tijdje heen; als ik een gelegener tijd heb, zal ik u laten roepen.’ Engel, u zult toch nog teleurgesteld worden. Maar als de ziel zegt: ‘Nu, juist nu, in dit bedehuis, werp ik mij op de volbrachte verzoening van Christus; ik vertrouw op Hem dat Hij mij zalig maakt’, vlieg dan omhoog, heerlijke engel! Vertel de cherubs rondom de troon van God dat de verloren zoon is teruggekeerd en dat er een erfgenaam van de hemel geboren is! Laat de hemel feestvieren en laten wij met blijdschap naar huis gaan, want hij die dood was, is weer levend geworden en hij die verloren was, is gevonden!

Moge de Geest van God dit doen, om Jezus’ wil!

Amen.

Preek nr. 448 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 4 mei 1862, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 8. Oorspronkelijke titel: “Another and a Nobler Exhibition”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.