Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Ik nu, ik stondH5977 in het eersteH259 jaarH8141 van DariusH1867 den MederH4075, om hem te versterkenH2388 en te stijvenH4581.
Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius den Meder, om hem te versterken en te stijven.
KJV
Also I in the first3
year2
of Darius4
the Mede,5
even I, stood
to confirm7
and to strengthen
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En nuH6258, ik zal u de waarheidH571 te kennenH5046 geven; zietH2009, er zullen nogH5750 drieH7969 koningenH4428 in PerzieH6539 staanH5975, en de vierdeH7243 zal verrijktH6238 worden met groteH1419 rijkdomH6239, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdomH6239 zal versterktH2393 hebben, zal hij ze allenH3605 verwekkenH5782 tegen het koninkrijkH4438 van GriekenlandH3120.
En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzie staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.
KJV
And now will I shew3
thee the truth.2
Behold, there shall stand up9
yet three7
kings8
in Persia;10
and the fourth11
shall be far13
richer12
than they all:14
and by his strength16
through his riches17
he shall stir up18
all against the realm21
of Grecia.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Daarna zal er een geweldigH1368 koningH4428 opstaanH5975, die met groteH7227 heerschappijH4474 heersenH4910 zal, en hij zal doenH6213 naar zijn welgevallenH7522.
Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.
KJV
And a mighty3
king2
shall stand up,1
that shall rule4
with great6
dominion,5
and do7
according to his will.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En als hij zal staanH5975, zal zijn rijkH4438 gebrokenH7665, en in de vierH702 windenH7307 des hemelsH8064 verdeeldH2673 worden, maar nietH3808 aan zijn nakomelingenH319, ook nietH3808 naar zijn heerschappijH4915, waarmede hij heersteH4910; wantH3588 zijn rijkH4438 zal uitgeruktH5428 worden, en dat voor anderen dan dezeH428.
En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen dan deze.
KJV
And when he shall stand up,1
his kingdom3
shall be broken,2
and shall be divided4
toward the four5
winds6
of heaven;7
and not to his posterity,9
nor according to his dominion11
which he ruled:13
for his kingdom16
shall be plucked up,15
even for others
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En de koningH4428 van het ZuidenH5045, die een vanH4480 zijn vorstenH8269 is, zal sterkH2388 worden; doch een ander zal sterkerH2388 worden dan hij, en hij zal heersenH4910; zijn heerschappij zal een groteH7227 heerschappij zijn.
En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.
Ook in dit vers
heerschappijH4474
heerschappijH4475
KJV
And the king2
of the south3
shall be strong,1
and one of his princes;5
and he shall be strong6
above him, and have dominion;8
his dominion11
shall be a great10
dominion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Op het eindeH7093 nu van sommige jarenH8141, zullen zij zich met elkander bevriendenH2266, en de dochterH1323 des koningsH4428 van het ZuidenH5045 zal komenH935 totH413 den koningH4428 van het NoordenH6828, om billijkeH4339 voorwaarden te makenH6213; doch zij zal de machtH3581 des armsH2220 niet behoudenH6113, daarom zal hij, nochH3808 zijn armH2220, niet bestaanH5975; maar zij zal overgegevenH5414 worden, en dieH1931 haar gebrachtH935 hebben, en die haar gegenereerdH3205 heeft, en die haar gesterktH2388 heeft in die tijdenH6256.
Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkander bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot den koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.
KJV
And in the end1
of years2
they shall join themselves together;3
for the king's5
daughter4
of the south6
shall come7
to the king9
of the north10
to make11
an agreement:12
but she shall not retain14
the power15
of the arm;16
neither shall he stand,18
nor his arm:19
but she shall be given up,20
and they that brought22
her, and he that begat23
her, and he that strengthened24
her in these times.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Doch uit de spruitH5342 van haar wortelenH8328 zal er een opstaanH5975 in zijn staatH3653, die zal met heirkrachtH2428 komenH935, en hij zal komenH935 tegenH413 die sterke plaatsenH4581 des koningsH4428 van het NoordenH6828, en hij zal tegen dezelve doenH6213, en hij zal ze bemachtigenH2388.
Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen.
KJV
But out of a branch2
of her roots3
shall one stand up1
in his estate,4
which shall come5
with an army,7
and shall enter8
into the fortress9
of the king10
of the north,11
and shall deal12
against them, and shall prevail:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
OokH1571 zal hij hun godenH430, metH5973 hun vorstenH5257, metH5973 hun gewensteH2532 vatenH3627 van zilverH3701 en goudH2091, in de gevangenisH7628 naar EgypteH4714 brengenH935; en hijH1931 zal enige jarenH8141 staandeH5975 blijven boven den koningH4428 van het NoordenH6828.
Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven den koning van het Noorden.
KJV
And shall also carry11
captives10
into Egypt12
their gods,2
with their princes,4
and with their precious7
vessels6
of silver8
and of gold;9
and he shall continue15
more years14
than the king16
of the north.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Alzo zal de koningH4428 van het ZuidenH5045 in het koninkrijkH4438 komenH935, en hij zal wederomH7725 in zijn landH127 trekkenH7725.
Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken.
KJV
So the king3
of the south4
shall come1
into his kingdom,2
and shall return5
into his own land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Doch zijn zonenH1121 zullen zich in strijd mengenH1624, en zij zullen een menigteH1995 van groteH7227 heirenH2428 verzamelenH622; en een van hen zal snellijkH935 komenH935, en als een vloed overstromenH7857 en doortrekkenH5674; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengenH1624, tot aanH5704 zijn sterke plaatsH4581 toe.
Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.
Ook in dit vers
komenH7725
KJV
But his sons1
shall be stirred up,2
and shall assemble3
a multitude4
of great6
forces:5
and one shall certainly7
come,8
and overflow,9
and pass through:10
then shall he return,11
and be stirred up,12
even to his fortress.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En de koningH4428 van het ZuidenH5045 zal verbitterdH4843 worden, en hij zal uittrekkenH3318, en strijdenH3898 tegenH5973 hem, tegenH5973 den koningH4428 van het NoordenH6828, die ook een groteH7227 menigteH1995 oprichtenH5975 zal, doch die menigteH1995 zal in zijn handH3027 gegevenH5414 worden.
En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijn hand gegeven worden.
KJV
And the king2
of the south3
shall be moved with choler,1
and shall come forth4
and fight5
with him, even with the king8
of the north:9
and he shall set forth10
a great12
multitude;11
but the multitude14
shall be given13
into his hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Als die menigteH1995 zal weggenomenH5375 zijn, zal zijn hartH3824 zich verheffenH7311, en hij zal er enige tien duizendenH7239 nedervellenH5307; evenwel zal hij nietH3808 gesterktH5810 worden.
Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.
KJV
And when he hath taken away1
the multitude,2
his heart4
shall be lifted up;3
and he shall cast down5
many ten thousands:6
but he shall not be strengthened
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Want de koningH4428 van het NoordenH6828 zal wederkerenH7725, en hij zal een groterH7227 menigteH1995 danH4480 de eersteH7223 was, oprichtenH5975; en aan het eindeH7093 van de tijdenH6256 der jarenH8141, zal hij snellijkH935 komenH935 met een grote heirkrachtH2428, en met grootH1419 goedH7399.
Want de koning van het Noorden zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren, zal hij snellijk komen met een grote heirkracht, en met groot goed.
KJV
For the king2
of the north3
shall return,1
and shall set forth4
a multitude5
greater6
than the former,8
and shall certainly12
come13
after9
certain10
years11
with a great15
army14
and with much17
riches.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ook zullen er in dieH1992 tijdenH6256 velenH7227 opstaanH5975 tegenH5921 den koningH4428 van het ZuidenH5045; en de scheurmakersH1121 uws volksH5971 zullen verhevenH5375 worden, om het gezichtH2377 te bevestigenH5975, doch zij zullen vallenH3782.
Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden, om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen.
KJV
And in those times1
there shall many3
stand up4
against the king6
of the south:7
also the robbers8
of thy people10
shall exalt11
themselves to establish12
the vision;13
but they shall fall.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En de koningH4428 van het NoordenH6828 zal komenH935, en een walH5550 opwerpenH8210, en vasteH4013 stedenH5892 innemenH3920; en de armenH2220 van het ZuidenH5045 zullen niet bestaanH5975, nochH3808 zijn uitgelezenH4005 volkH5971, ja, er zal geen krachtH3581 zijn om te bestaanH5975.
En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.
KJV
So the king2
of the north3
shall come,1
and cast up4
a mount,5
and take6
the most fenced8
cities:7
and the arms9
of the south10
shall not withstand,12
neither his chosen14
people,13
neither shall there be any strength16
to withstand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Maar hij, die tegen hem komtH935, zal doenH6213 naarH413 zijn welgevallenH7522, en niemandH369 zal voor zijn aangezichtH6440 bestaanH5975; hij zal ook staanH5975 in het landH776 des sieraadsH6643, en de verdervingH3617 zal in zijn handH3027 wezen.
Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.
KJV
But he that cometh2
against him shall do1
according to his own will,4
and none shall stand6
before7
him: and he shall stand8
in the glorious10
land,9
which by his hand12
shall be consumed.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En hij zal zijn aangezichtH6440 stellenH7760, om metH5973 de krachtH8633 zijns gansenH3605 rijksH4438 te komenH935, en hij zal billijkeH3477 voorwaarden medebrengenH6213, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochterH1323 der vrouwenH802 gevenH5414, om haar te verdervenH7843, maar zij zal nietH3808 vast staanH5975, en zij zal voor hem nietH3808 zijn.
En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn.
KJV
He shall also set1
his face2
to enter3
with the strength4
of his whole kingdom,6
and upright ones7
with him; thus shall he do:9
and he shall give12
him the daughter10
of women,11
corrupting14
her: but she shall not stand
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Daarna zal hij zijn aangezichtH6440 tot de eilandenH339 kerenH7760, en hij zal er veleH7227 innemenH3920; doch een oversteH7101 zal zijn smaadH2781 tegen hem doen ophoudenH7673, behalve dat hij zijn smaadH2781 op hem zal doen wederkerenH7725.
Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.
KJV
After this shall he turn1
his face2
unto the isles,3
and shall take4
many:5
but a prince7
for his own behalf shall cause the reproach8
offered by him to cease;6
without10
his own reproach11
he shall cause it to turn
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En hij zal zijn aangezichtH6440 kerenH7725 naar de sterktenH4581 zijns landsH776, en hij zal aanstotenH3782, en vallenH5307, en nietH3808 gevondenH4672 worden.
En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden.
KJV
Then he shall turn1
his face2
toward the fort3
of his own land:4
but he shall stumble5
and fall,6
and not be found.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En in zijn staatH3653 zal er een opstaanH5975, doende een geldeiserH5065 doortrekkenH5674, in koninklijkeH4438 heerlijkheidH1925; maar hij zal in enigeH259 dagenH3117 gebrokenH7665 worden, nochtans nietH3808 door toornighedenH639, nochH3808 door oorlogH4421.
En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, nochtans niet door toornigheden, noch door oorlog.
KJV
Then shall stand up1
in his estate3
a raiser4
of taxes5
in the glory6
of the kingdom:7
but within few9
days8
he shall be destroyed,10
neither in anger,12
nor in battle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Daarna zal er een verachteH959 in zijn staatH3653 staanH5975, denwelken men de koninklijkeH4438 waardigheidH1935 nietH3808 zal gevenH5414; doch hij zal in stilheidH7962 komenH935, en het koninkrijkH4438 door vleierijenH2519 bemachtigenH2388.
Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.
KJV
And in his estate3
shall stand up1
a vile person,4
to whom they shall not give6
the honour8
of the kingdom:9
but he shall come10
in peaceably,11
and obtain12
the kingdom13
by flatteries.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En de armenH2220 der overstromingH7858 zullen overstroomdH7857 worden van voor zijn aangezichtH6440, en zij zullen verbrokenH7665 worden, en ookH1571 de vorstH5057 des verbondsH1285.
En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen verbroken worden, en ook de vorst des verbonds.
KJV
And with the arms1
of a flood2
shall they be overflown3
from before4
him, and shall be broken;5
yea, also the prince7
of the covenant.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En na de verenigingH2266 met hem zal hij bedrogH4820 plegenH6213, en hij zal optrekkenH5927, en hij zal met weinigH4592 volksH1471 gesterktH6105 worden.
En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden.
KJV
And after the league2
made with him he shall work4
deceitfully:5
for he shall come up,6
and shall become strong7
with a small8
people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Met stilheidH7962 zal hij ook in de vette plaatsenH4924 des landschapsH4082 komenH935, en hij zal doenH6213, datH834 zijn vadersH1, of de vadersH1 zijner vaderenH1, nietH3808 gedaanH6213 hebben; roofH961, en buitH7998, en goederenH7399, zal hij onder hen uitstrooienH967, en hij zal tegenH5921 de vastighedenH4013 zijn gedachtenH4284 denkenH2803, doch totH5704 een zekeren tijdH6256 toe.
Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden zijn gedachten denken, doch tot een zekeren tijd toe.
KJV
He shall enter4
peaceably1
even upon the fattest places2
of the province;3
and he shall do5
that which his fathers9
have not done,8
nor his fathers'10
fathers;11
he shall scatter16
among them the prey,12
and spoil,13
and riches:14
yea, and he shall forecast19
his devices20
against the strong holds,18
even for a time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En hij zal zijn krachtH3581 en zijn hartH3824 verwekkenH5782 tegenH5921 den koningH4428 van het ZuidenH5045, met een grote heirkrachtH2428; en de koningH4428 van het ZuidenH5045 zal zich in den strijdH4421 mengenH1624 met een grote en zeerH3966 machtigeH6099 heirkrachtH2428; doch hij zal nietH3808 bestaanH5975, want zij zullen gedachtenH4284 tegenH5921 hem denkenH2803.
En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.
KJV
And he shall stir up1
his power2
and his courage3
against the king5
of the south6
with a great8
army;7
and the king9
of the south10
shall be stirred up11
to battle12
with a very17
great14
and mighty15
army;13
but he shall not stand:19
for they shall forecast21
devices
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En die de stukken zijner spijzeH6598 zullen etenH398, zullen hem brekenH7665, en de heirkrachtH2428 deszelven zal overstromenH7857, en veleH7227 verslagenenH2491 zullen vallenH5307.
En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht deszelven zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.
KJV
Yea, they that feed1
of the portion of his meat2
shall destroy4
him, and his army5
shall overflow:6
and many9
shall fall7
down slain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
En het hartH3824 van beideH8147 deze koningenH4428 zal wezen om kwaadH4827 te doen, en aanH5921 eenH259 tafelH7979 zullen zij leugenH3577 sprekenH1696; en het zal nietH3808 gelukkenH6743, wantH3588 het zal nogH5750 een eindeH7093 hebben ter bestemder tijdH4150.
En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.
KJV
And both1
these kings'2
hearts3
shall be to do mischief,4
and they shall speak9
lies8
at one7
table;6
but it shall not prosper:11
for yet the end14
shall be at the time appointed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En hij zal in zijn landH776 wederkerenH7725 met grootH1419 goedH7399, en zijn hartH3824 zal zijn tegenH5921 het heiligH6944 verbondH1285; en hij zal het doenH6213, en wederkerenH7725 in zijn landH776.
En hij zal in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en wederkeren in zijn land.
KJV
Then shall he return1
into his land2
with great4
riches;3
and his heart5
shall be against the holy8
covenant;7
and he shall do9
exploits, and return10
to his own land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Ter bestemder tijdH4150 zal hij wederkerenH7725, en tegen het ZuidenH5045 komenH935, doch het zal nietH3808 zijnH1961 gelijk de eersteH7223, noch gelijk de laatsteH314 reize.
Ter bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize.
KJV
At the time appointed1
he shall return,2
and come3
toward the south;4
but it shall not be as the former,7
or as the latter.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Want er zullen schepenH6716 van ChittimH3794 tegen hem komenH935, daarom zal hij met smart bevangenH3512 worden, en hij zal wederkerenH7725, en gramH2194 worden tegenH5921 het heiligH6944 verbondH1285, en hij zal het doenH6213; want wederkerendeH7725 zal hij achtH995 geven opH5921 de verlatersH5800 des heiligenH6944 verbondsH1285.
Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal wederkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds.
KJV
For the ships3
of Chittim4
shall come1
against him: therefore he shall be grieved,5
and return,6
and have indignation7
against the holy10
covenant:9
so shall he do;11
he shall even return,12
and have intelligence13
with them that forsake15
the holy17
covenant.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En er zullen armenH2220 uitH4480 hem ontstaanH5975, en zij zullen het heiligdomH4720 ontheiligenH2490, en de sterkteH4581, en zij zullen het gedurigeH8548 offer wegnemenH5493, en een verwoestendenH8074 gruwelH8251 stellenH5414.
En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.
KJV
And arms1
shall stand3
on his part, and they shall pollute4
the sanctuary5
of strength,6
and shall take away7
the daily8
sacrifice, and they shall place9
the abomination10
that maketh desolate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En die goddelooslijkH7561 handelen tegen het verbondH1285, zal hij doen huichelenH2610 door vleierijenH2514; maar het volkH5971, die hun GodH430 kennenH3045, zullen zij grijpenH2388, en zullen het doenH6213.
En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.
KJV
And such as do wickedly1
against the covenant2
shall he corrupt3
by flatteries:4
but the people5
that do know6
their God7
shall be strong,8
and do
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
En de leraarsH7919 des volksH5971 zullen er velenH7227 onderwijzenH995, en zij zullen vallenH3782 door het zwaardH2719 en door vlamH3852, door gevangenisH7628 en door berovingH961, vele dagenH3117.
En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.
KJV
And they that understand1
among the people2
shall instruct3
many:4
yet they shall fall5
by the sword,6
and by flame,7
by captivity,8
and by spoil,9
many days.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Als zij nu zullen vallenH3782, zullen zij met een kleineH4592 hulpH5828 geholpenH5826 worden; doch velenH7227 zullen zich door vleierijenH2519 tot hen vervoegenH3867.
Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.
KJV
Now when they shall fall,1
they shall be holpen2
with a little4
help:3
but many7
shall cleave5
to them with flatteries.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
En vanH4480 de leraarsH7919 zullen er sommigen vallenH3782, om hen te louterenH6884 en te reinigenH1305, en witH3835 te maken, totH5704 den tijd van het eindeH7093 toe; wantH3588 het zal nogH5750 zijn voor een bestemden tijd.
En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.
Ook in dit vers
tijdH4150
tijdH6256
KJV
And some of them of understanding2
shall fall,3
to try4
them, and to purge,6
and to make them white,7
even to the time9
of the end:10
because it is yet for a time appointed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
En die koningH4428 zal doen naar zijn welgevallenH7522, en hij zal zichzelven verheffenH7311, en grootH1431 maken bovenH5921 allenH3605 GodH410, en hij zal tegenH5921 den GodH410 der godenH410 wonderlijkeH6381 dingen sprekenH1696; en hij zal voorspoedigH6743 zijn, totdatH5704 de gramschapH2195 voleindH3615 zij, wantH3588 het is vastelijk beslotenH2782, het zal geschiedenH6213.
En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.
KJV
And the king3
shall do1
according to his will;2
and he shall exalt4
himself, and magnify5
himself above every god,8
and shall speak12
marvellous things13
against the God10
of gods,11
and shall prosper14
till the indignation17
be accomplished:16
for that that is determined19
shall be done.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En opH5921 de godenH430 zijner vaderenH1 zal hij geenH3808 achtH995 geven, noch opH5921 de begeerteH2532 der vrouwenH802; hij zal ook opH5921 geenH3808 GodH433 achtH995 geven, maarH3588 hij zal zich bovenH5921 allesH1431 groot maken.
En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.
KJV
Neither shall he regard5
the God2
of his fathers,3
nor the desire7
of women,8
nor regard13
any god:11
for he shall magnify
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
En hij zal den godH433 MauzzimH4581 in zijn standplaatsH3653 erenH3513; namelijk den godH433, welkenH834 zijn vadersH1 nietH3808 gekendH3045 hebben, zal hij erenH3513 met goudH2091, en met zilverH3701, en met kostelijkH3368 gesteenteH68, en met gewensteH2532 dingen.
En hij zal den god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.
KJV
But in his estate4
shall he honour5
the God1
of forces:2
and a god6
whom his fathers10
knew9
not shall he honour11
with gold,12
and silver,13
and with precious15
stones,14
and pleasant things.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
En hij zal de vastighedenH4581 der sterktenH4013 makenH6213 metH5973 den vreemdenH5236 godH433; dengenen, dieH834 hij kennenH5234 zal, zal hij de eerH3519 vermenigvuldigenH7235, en hij zal ze doen heersenH4910 over velenH7227, en hij zal het landH127 uitdelenH2505 om prijsH4242.
En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs.
KJV
Thus shall he do1
in the most strong3
holds2
with a strange6
god,5
whom he shall acknowledge8
and increase9
with glory:10
and he shall cause them to rule11
over many,12
and shall divide14
the land13
for gain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
En opH5921 den tijdH6256 van het eindeH7093, zal de koningH4428 van het ZuidenH5045 tegen hem metH5973 hoornen stotenH5055; en de koningH4428 van het NoordenH6828 zal tegen hem aanstormenH8175, met wagenenH7393, en met ruiterenH6571, en met veleH7227 schepenH591; en hij zal in de landenH776 komenH935, en hij zal ze overstromenH7857 en doortrekkenH5674.
En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.
KJV
And at the time1
of the end2
shall the king5
of the south6
push3
at him: and the king9
of the north10
shall come against him like a whirlwind,7
with chariots,11
and with horsemen,12
and with many14
ships;13
and he shall enter15
into the countries,16
and shall overflow17
and pass over.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En hij zal komenH935 in het landH776 des sieraadsH6643, en veleH7227 landen zullen ter nedergeworpenH3782 worden; doch dezeH428 zullen zijn handH3027 ontkomenH4422, EdomH123 en MoabH4124, en de eerstelingenH7225 der kinderenH1121 AmmonsH5983.
En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons.
KJV
He shall enter1
also into the glorious3
land,2
and many4
countries shall be overthrown:5
but these shall escape7
out of his hand,8
even Edom,9
and Moab,10
and the chief11
of the children12
of Ammon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
En hij zal zijnH1961 handH3027 aan de landenH776 leggenH7971, ook zal het landH776 van EgypteH4714 nietH3808 ontkomenH6413.
En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.
KJV
He shall stretch forth1
his hand2
also upon the countries:3
and the land4
of Egypt5
shall not escape.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
En hij zal heersenH4910 over de verborgen schattenH4362 des goudsH2091 en des zilversH3701, en over alH3605 de gewensteH2532 dingen van EgypteH4714; en die van LibyeH3864, en de MorenH3569 zullen in zijn gangenH4703 wezen.
En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.
KJV
But he shall have power1
over the treasures2
of gold3
and of silver,4
and over all the precious
things of Egypt:7
and the Libyans8
and the Ethiopians9
shall be at his steps.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
Maar de geruchtenH8052 van het OostenH4217 en van het NoordenH6828 zullen hem verschrikkenH926; daarom zal hij uittrekkenH3318 met groteH1419 grimmigheidH2534 om velenH7227 te verdelgenH8045 en te verbannenH2763.
Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.
KJV
But tidings1
out of the east3
and out of the north4
shall trouble2
him: therefore he shall go forth5
with great7
fury6
to destroy,8
and utterly to make away9
many.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
En hij zal de tentenH168 van zijn paleisH643 plantenH5193 tussenH996 de zeeenH3220 aan den bergH2022 des heiligenH6944 sieraadsH6643; en hij zal totH5704 zijn eindeH7093 komenH935, en zal geenH369 helperH5826 hebben.
En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeen aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.
KJV
And he shall plant1
the tabernacles2
of his palace3
between the seas5
in the glorious7
holy8
mountain;6
yet he shall come9
to his end,11
and none shall help
nu,
Dit spreekt nog de engel, die in het Dan 10 had aangevangen met Daniël te spreken.
Hertaald:
nu,
Dit spreekt nog steeds de engel die in Dan. 10 begonnen was met Daniël te spreken.
stond in het eerste jaar van Darius den Meder,
Hebreeuws, mijn staan was.
Hertaald:
stond in het eerste jaar van Darius den Meder,
Hebreeuws: mijn staan was.
om hem te versterken en te stijven
Te weten om Darius bijstand te doen en zijn rijk vast staande te houden.
Hertaald:
om hem te versterken en te stijven
Namelijk om Darius bij te staan en zijn rijk vast te houden.
de waarheid te kennen geven;
De rechte en ware vertelling van den toekomenden stand van het Perzische rijk en van uw volk.
Hertaald:
de waarheid te kennen geven;
De juiste en ware weergave van de toekomstige staat van het Perzische rijk en van uw volk.
nog drie koningen in Perzië
Te weten na Cores. Deze drie zijn [gelijk sommigen menen] Cambyzes, Smerdis, Darius Hystaspes en de vierde is Xerxes. Anderen [die Smerdis voorbijgaan, omdat hij onwettelijk onder den valsen naam van Smerdis den zoon van Cambyzes het koninkrijk ingenomen en maar zeven maanden geregeerd heeft] tellen deze koningen aldus: Cambyzes, Darius, Xerxes, die de laatste is van de drie, de vierde van Cyrus af te rekenen, die de eerste monarch in Perzië was.
Hertaald:
nog drie koningen in Perzië
Namelijk na Kores. Volgens sommigen zijn deze drie Cambyses, Smerdis en Darius Hystaspes, en is Xerxes de vierde. Anderen laten Smerdis buiten beschouwing, omdat hij het koninkrijk onwettig innam onder de valse naam van Smerdis, de zoon van Cambyses, en maar zeven maanden geregeerd heeft; zij tellen deze koningen zo: Cambyses, Darius en Xerxes, van wie de laatste de derde is en, gerekend vanaf Kores — de eerste monarch van Perzië — de vierde.
opstaan,
Dat is, met macht regeren over de gehele monarchie. De engel wil niet zeggen dat er geen koningen meer in Perzië zouden volgen, maar dat de koningen, die na die vier zouden komen, van tijd tot tijd kleiner van moed en macht zouden zijn, en dat Alexander het leed, door Xerxes Griekenland aangedaan, zou wreken.
Hertaald:
opstaan,
Dat is: met macht regeren over de hele monarchie. De engel wil niet zeggen dat er na die vier geen koningen meer in Perzië zouden volgen, maar dat de koningen die daarna kwamen van tijd tot tijd geringer in moed en macht zouden zijn, en dat Alexander het leed zou wreken dat Xerxes Griekenland aangedaan had.
de vierde
Te weten Xerxes, de zoon van Darius Hystaspes, die al de koningen der Perzen in rijkdom is teboven gegaan; eerst genoemd een schrik, daarna een spot van Griekenland.
Hertaald:
de vierde
Namelijk Xerxes, de zoon van Darius Hystaspes, die alle koningen van de Perzen in rijkdom overtroffen heeft; eerst een schrik en daarna een spot van Griekenland genoemd.
al de anderen;
Te weten koningen van Perzië.
Hertaald:
al de anderen;
Namelijk de koningen van Perzië.
allen verwekken
Te weten al zijne onderzaten, onder zich hebbende honderd zeven en twintig provinciën, Est. 1:1 .
Hertaald:
allen verwekken
Namelijk al zijn onderdanen, want hij had honderdzevenentwintig provincies onder zich, Est. 1:1.
een geweldig koning opstaan,
Te weten Alexander de Grote, die de Perzische monarchie onder zijn gebied gebracht heeft, mitsgaders nog andere koninkrijken meer.
Hertaald:
een geweldig koning opstaan,
Namelijk Alexander de Grote, die de Perzische monarchie en nog andere koninkrijken onder zijn gezag gebracht heeft.
hij zal doen naar zijn welgevallen
Dat is hij zal gelukkig en voorspoediglijk uitrichten alles wat hij in handen nemen zal, want God was met hem, besloten hebbende hem tot een monarch te verheffen. Zie Dan. 7:6 , en Dan. 8:5 .
Hertaald:
hij zal doen naar zijn welgevallen
Dat is: hij zal alles wat hij ter hand neemt met geluk en voorspoed uitvoeren, want God was met hem, omdat Hij besloten had hem tot monarch te verheffen. Zie Dan. 7:6 en Dan. 8:5.
staan,
Dat is, als hij zal gekomen zijn tot zijn hoogste geweld en bloei.
Hertaald:
staan,
Dat is: wanneer hij op het toppunt van zijn macht en bloei gekomen zal zijn.
in de vier winden des hemels verdeeld worden,
Zie boven Dan. 8:8 .
Hertaald:
in de vier winden des hemels verdeeld worden,
Zie Dan. 8:8.
maar niet aan zijn nakomelingen,
Dat is, niet aan zijne kinderen, noch bloedverwanten of nakomelingen. Alexander de Grote heeft twee zonen nagelaten, te weten Alexander uit zijne huisvrouw Roxane, en Hercules uit Barsine, welke beiden door Cassander gedood zijn, opdat hij het rijk van Macedonië, na den dood van Alexander den Grote, mocht innemen.
Hertaald:
maar niet aan zijn nakomelingen,
Dat is: niet aan zijn kinderen, bloedverwanten of nakomelingen. Alexander de Grote heeft twee zonen nagelaten, namelijk Alexander uit zijn vrouw Roxane en Hercules uit Barsine; die zijn allebei door Cassander gedood, opdat hij na de dood van Alexander de Grote het rijk van Macedonië zou kunnen innemen.
niet naar zijn heerschappij,
Dat is, niet met zulke macht en heerschappij als hij geheerst en geregeerd heeft.
Hertaald:
niet naar zijn heerschappij,
Dat is: niet met zo'n macht en heerschappij als waarmee hij geheerst en geregeerd heeft.
uitgerukt worden,
Het is in vier delen verscheurd geworden.
Hertaald:
uitgerukt worden,
Het is in vier delen verscheurd.
voor anderen dan deze
De zin is dat de monarchie van Alexander, na zijn dood zou verscheurd en verdeeld worden, en dat zijne kinderen of nakomelingen, gelijk in het voorgaande gezegd is, geen deel daarvan krijgen zouden, maar vier vorsten, die van zijnen bloede niet waren, zouden het onder zich delen.
Hertaald:
voor anderen dan deze
De betekenis is dat de monarchie van Alexander na zijn dood verscheurd en verdeeld zou worden, en dat zijn kinderen of nakomelingen daarvan geen deel zouden krijgen, zoals hierboven gezegd is, maar dat vier vorsten die niet van zijn bloed waren het onder elkaar zouden verdelen.
de koning van het Zuiden,
Dat is, de koning van Egypte, te weten Ptolomeus, de zoon van Lagus.
Hertaald:
de koning van het Zuiden,
Dat is: de koning van Egypte, namelijk Ptolemeüs, de zoon van Lagus.
een van zijn vorsten is,
Te weten een der vorsten van Alexander den Grote. En versta hier door vorsten landvoogden of stadhouders.
Hertaald:
een van zijn vorsten is,
Namelijk een van de vorsten van Alexander de Grote. Versta hier onder vorsten: landvoogden of stadhouders.
een ander
Te weten Seleucus Nicanor, koning van Syrië en Babylonië.
Hertaald:
een ander
Namelijk Seleucus Nicator, koning van Syrië en Babylonië.
dan hij,
Te weten van Ptolomeus Lagus.
Hertaald:
dan hij,
Namelijk dan Ptolemeüs Lagus.
Op het einde nu van sommige jaren,
Te weten nadat zij enige jaren tegen elkander zullen geoorloogd hebben; te weten omtrent zeventig jaren na den dood van Alexander den Grote, naar sommiger rekening.
Hertaald:
Op het einde nu van sommige jaren,
Namelijk nadat zij enkele jaren tegen elkaar oorlog gevoerd zullen hebben, volgens sommigen ongeveer zeventig jaar na de dood van Alexander de Grote.
zij zich met elkander bevrienden,
Te weten de koning van Egypte Ptolomeus Filadelfus, de zoon van Ptolomeus Lagus, en de koning van Syrië, Antiochus Theos, de neef of zoonszoon van Seleucus Nicanor.
Hertaald:
zij zich met elkander bevrienden,
Namelijk de koning van Egypte, Ptolemeüs Filadelfus, de zoon van Ptolemeüs Lagus, en de koning van Syrië, Antiochus Theos, de kleinzoon van Seleucus Nicator.
de dochter des konings van het Zuiden
Genaamd Berenice, de dochter van Ptolomeus Filadelfus.
Hertaald:
de dochter des konings van het Zuiden
Zij heette Berenice en was de dochter van Ptolemeüs Filadelfus.
zal komen tot den koning van het Noorden,
Dat is, zal trouwen met Antiochus Theos; dat is Antiochus de god, koning van het noorden; dat is, van Azië, en van Syrië, aan het noorden gelegen, ten aanzien van het Joodse land.
Hertaald:
zal komen tot den koning van het Noorden,
Dat is: zal trouwen met Antiochus Theos, dat is: Antiochus de god, koning van het noorden, dat is: van Azië en Syrië, die ten opzichte van het Joodse land in het noorden liggen.
om billijke voorwaarden te maken;
Hebreeuws, om billijkheden, of richtigheden te maken; dat is, om de zaken te beslechten en effen te maken. Anderen nemen het op het huwelijk van Berenice en Antiochus Theos, waarvan de engel zou spreken naar hunlieder mening, hoewel het inderdaad geen billijk werk was, maar een gruwelijke bloedschande, want de huisvrouw, die Antiochus Theos toen al had, was de zuster van Berenice, bij welke hij twee kinderen had, daarom heeft de Heere dit huwelijk vervloekt, en in stede van vrede is er een bloedige oorlog uit ontstaan.
Hertaald:
om billijke voorwaarden te maken;
Hebreeuws: om billijkheden of rechtmatigheden te maken; dat is: om de zaken bij te leggen en glad te strijken. Anderen betrekken het op het huwelijk van Berenice en Antiochus Theos, waarover de engel naar hun mening zou spreken — hoewel het in werkelijkheid geen billijke zaak was maar een gruwelijke bloedschande. Want de vrouw die Antiochus Theos toen al had, was de zuster van Berenice, bij wie hij twee kinderen had. Daarom heeft de HEERE dit huwelijk vervloekt, en in plaats van vrede is er een bloedige oorlog uit voortgekomen.
zij zal de macht des arms niet behouden,
Dat is, Berenice zal niet zijn als een sterke arm, om te maken dat de vrede tussen die beide koningen bestendig blijve. Anders: Doch de arm zal de kracht niet behouden. Zie boven Dan. 2:43 .
Hertaald:
zij zal de macht des arms niet behouden,
Dat is: Berenice zal niet als een sterke arm zijn om de vrede tussen die twee koningen duurzaam te maken. Anders: maar de arm zal de kracht niet behouden. Zie Dan. 2:43.
hij, noch zijn arm,
Te weten Ptolomeus, koning van het zuiden met Berenice zijne dochter, die hij gebruikt als een arm, om een vasten vrede te maken. Anderen verstaan door hij, Antiochus Theos, en door zijn arm zijne kracht.
Hertaald:
hij, noch zijn arm,
Namelijk Ptolemeüs, de koning van het zuiden, met zijn dochter Berenice, die hij als een arm gebruikt om een vaste vrede te sluiten. Anderen verstaan onder hij: Antiochus Theos, en onder zijn arm: zijn kracht.
zij zal overgegeven worden,
Te weten Berenice, en het gezelschap dat met haar gekomen was, mitsgaders haar vader en haar man, die haar gesterkt en groot gemaakt heeft, verstotende haar zuster Laodice, die hij tevoren getrouwd had; zij zullen altemaal van den Heere gestraft en in de handen van hunne vijanden overgeleverd worden. Laodice heeft haren zoon Seleucus Callinicus opgeruid, dat hij de stad, in welke Berenice was, belegerd heeft; die overwonnen hebbende, heeft hij Berenice met al haar gezelschap gedood. Ook is Antiochus Theos door venijn van Laodice ellendig omgebracht. Zie Appianus van de Syrische oorlogen.
Hertaald:
zij zal overgegeven worden,
Namelijk Berenice, met het gezelschap dat met haar meegekomen was, en ook haar vader en haar man, die haar gesterkt en groot gemaakt had door haar zuster Laodice te verstoten, die hij eerder getrouwd had. Zij zullen allemaal door de HEERE gestraft en in de handen van hun vijanden overgeleverd worden. Laodice heeft haar zoon Seleucus Callinicus opgestookt, zodat hij de stad belegerde waarin Berenice was; toen hij die veroverd had, heeft hij Berenice met haar hele gezelschap gedood. Ook Antiochus Theos is jammerlijk omgebracht door vergif van Laodice. Zie Appianus, De Syrische oorlogen.
die haar gegenereerd heeft,
Anders: en die van haar geboren is, te weten haar jongste zoon, die toen nog een kind was, maar hij is evenwel mede omgebracht.
Hertaald:
die haar gegenereerd heeft,
Anders: en die uit haar geboren is, namelijk haar jongste zoon, die toen nog een kind was maar toch mede omgebracht is.
die haar gesterkt heeft in die tijden
Te weten Antiochus Theos, die Berenice verheven heeft tot de koninklijke macht en grootheid, verstotende haar zuster Laodice, zijn eerste huisvrouw, die hem daarom heeft doen vergeven.
Hertaald:
die haar gesterkt heeft in die tijden
Namelijk Antiochus Theos, die Berenice tot koninklijke macht en grootheid verheven had door haar zuster Laodice, zijn eerste vrouw, te verstoten — waarom zij hem heeft laten vergiftigen.
uit de spruit van haar wortelen
De zin is: In den staat, dat is in het rijk van Ptolomeus Filadelfus, zal Ptolomeus Euergetes zijn zoon opvolgen als een spruit of tak uit zijnen stronk, uit welke Berenice ook gesproten is, want Ptolomeus Euergetes was de broeder van Berenice, die in zijns vaders Ptolomeus Filadelfus staat opgevolgd zijnde, zijns zusters dood gewroken heeft aan Seleucus Callinicus, den koning in Syrië.
Hertaald:
uit de spruit van haar wortelen
De betekenis is: in de staat, dat is: in het rijk van Ptolemeüs Filadelfus, zal zijn zoon Ptolemeüs Euergetes hem opvolgen als een spruit of tak uit zijn stam, waaruit ook Berenice voortgekomen is. Want Ptolemeüs Euergetes was de broer van Berenice, en toen hij zijn vader Ptolemeüs Filadelfus opgevolgd was, heeft hij de dood van zijn zuster gewroken op Seleucus Callinicus, de koning van Syrië.
met heirkracht komen,
Om te wreken den dood van zijn zuster Berenice.
Hertaald:
met heirkracht komen,
Om de dood van zijn zuster Berenice te wreken.
konings van het Noorden,
Te weten van Seleucus Callinicus, die koning van Syrië was.
Hertaald:
konings van het Noorden,
Namelijk van Seleucus Callinicus, die koning van Syrië was.
zal tegen dezelve doen,
Dat is, hij zal uitrichten hetgeen hij voornemen zal te doen; hij zal den dood van zijn zuster Berenice wreken aan den koning van Syrië, hem afnemende het grootste deel van zijn koninkrijk.
Hertaald:
zal tegen dezelve doen,
Dat is: hij zal uitvoeren wat hij zich voorneemt te doen; hij zal de dood van zijn zuster Berenice wreken op de koning van Syrië door hem het grootste deel van zijn koninkrijk af te nemen.
hun goden,
Te weten, de afgoden der Syriërs. Meermalen wordt het woord goden gebruikt voor afgoden, of beelden der afgoden. Vergelijk Ex. 12:12 .
Hertaald:
hun goden,
Namelijk de afgoden van de Syriërs. Het woord goden wordt vaker gebruikt voor afgoden of afgodsbeelden. Vergelijk Ex. 12:12.
hun gewenste vaten
Hebreeuws, vaten hunner begeerten.
Hertaald:
hun gewenste vaten
Hebreeuws: vaten van hun begeerten.
staande blijven
Groter en machtiger zijnde dan de koning tegen het noorden. Zie het volbrengen dezer voorzeggingen in Polyb. in het 5 boek Appian. van de Syrische oorlogen, en JosEf. in het 5 boek tegen Appian. Anders: hij zal enige jaren langer bestendig blijven dan de koning van het noorden. Eenigen schrijven dat deze Ptolomeus geregeerd heeft zes en twintig jaren lang.
Hertaald:
staande blijven
Omdat hij groter en machtiger was dan de koning van het noorden. Zie de vervulling van deze voorzeggingen bij Polybius, boek 5, Appianus in De Syrische oorlogen, en Josefus in zijn vijfde boek tegen Appion. Anders: hij zal enkele jaren langer standhouden dan de koning van het noorden. Sommigen schrijven dat deze Ptolemeüs zesentwintig jaar geregeerd heeft.
de koning van het Zuiden
Ptolomeus Euergetes.
Hertaald:
de koning van het Zuiden
Ptolemeüs Euergetes.
in het koninkrijk komen,
Te weten in het koninkrijk van Seleucus Callinicus, den koning van het noorden.
Hertaald:
in het koninkrijk komen,
Namelijk in het koninkrijk van Seleucus Callinicus, de koning van het noorden.
hij zal wederom
Daartoe genoodzaakt zijnde door oproeren, die in zijn land opgerezen waren; anderszins was er grote mogelijkheid dat hij het gehele koninkrijk van Syrië zou hebben in genomen gehad. Inst. lib. 27. Anderen zetten vs.9 aldus over: En men zal in het koninkrijk des konings van het zuiden komen, weshalve hij wederkeren zal.
Hertaald:
hij zal wederom
Doordat hij daartoe gedwongen werd door oproeren die in zijn eigen land ontstaan waren; anders was er grote kans dat hij het hele koninkrijk van Syrië ingenomen zou hebben. Justinus, boek 27. Anderen vertalen vers 9 zo: en men zal in het koninkrijk van de koning van het zuiden komen, waarna hij zal terugkeren.
zijn zonen
Te weten de zonen van Seleucus Callinicus, koning van het noorden. De zonen van dezen waren Seleucus Ceraunus en Antiochus de Grote.
Hertaald:
zijn zonen
Namelijk de zonen van Seleucus Callinicus, de koning van het noorden. Dat waren Seleucus Ceraunus en Antiochus de Grote.
in strijd mengen,
Tegen Ptolomeus Euergetes. Het woord strijd, hetwelk hier ingevoegd is, is genomen uit vs.25.
Hertaald:
in strijd mengen,
Tegen Ptolemeüs Euergetes. Het woord strijd, dat hier ingevoegd is, is ontleend aan vers 25.
een van hen
Te weten Antiochus de Grote, nadat zijn broeder Seleucus Ceraunus zou omgekomen zijn door vergif in het tweede jaar zijner regering, gelijk sommigen schrijven.
Hertaald:
een van hen
Namelijk Antiochus de Grote, nadat zijn broer Seleucus Ceraunus in het tweede jaar van zijn regering door vergif omgekomen zou zijn, zoals sommigen schrijven.
zal snellijk komen,
Hebreeuws, zal komende komen; te weten om tegen Ptolomeus Euergetes te oorlogen, als hij het minst dat vermoedde. Appian.
Hertaald:
zal snellijk komen,
Hebreeuws: zal komende komen; namelijk om tegen Ptolemeüs Euergetes oorlog te voeren wanneer die daar het minst op bedacht was. Appianus.
overstromen en doortrekken;
Dat is, doorbreken, overstromen, te weten tot aan Egypteland trekkende door Syrië en het Joodse land tot Rafiam toe, weder innemende die plaatsen, die zijnen vader door den koning van Egypte waren afgenomen geweest.
Hertaald:
overstromen en doortrekken;
Dat is: doorbreken en overstromen, namelijk door Syrië en het Joodse land tot aan Egypte trekken, tot Rafia toe, en de plaatsen heroveren die zijn vader door de koning van Egypte ontnomen waren.
hij zal wederom komen,
Te weten in Egypte, tegen Ptolomeus Filopator, den zoon van Ptolomeus Euergetes. Hij is met een machtig heirleger weder te velde gekomen, en nadat hij den koning van Egypte geslagen had, is er geschied hetgeen hier volgt op het einde van vs.10.
Hertaald:
hij zal wederom komen,
Namelijk in Egypte, tegen Ptolemeüs Filopator, de zoon van Ptolemeüs Euergetes. Hij is met een machtig leger opnieuw te velde getrokken, en nadat hij de koning van Egypte verslagen had, is gebeurd wat aan het einde van vers 10 volgt.
zijn sterke plaats toe
Te weten de vaste stad van den koning van Egypte genoemd Rabbattamessana of Rafiam aan de grenzen van Egypte gelegen, welke vaste stad hij Ptolomeus zal afnemen. Polyb. lib.5.
Hertaald:
zijn sterke plaats toe
Namelijk de vesting van de koning van Egypte, Rabbattamessana of Rafia genoemd, die aan de grens van Egypte lag en die hij Ptolemeüs zal afnemen. Polybius, boek 5.
de koning van het Zuiden
Ptolomeus Filopator de zoon van Euergetes, zal tegen Antiochus den Grote met bitteren toorn ontstoken worden.
Hertaald:
de koning van het Zuiden
Ptolemeüs Filopator, de zoon van Euergetes, zal in bittere toorn tegen Antiochus de Grote ontsteken.
ook een grote menigte oprichten zal,
Dat is, die ook een groot heirleger te velde brengen zal.
Hertaald:
ook een grote menigte oprichten zal,
Dat is: die ook een groot leger te velde zal brengen.
die menigte
De menigte van Antiochus, of het krijgsheir zal door Filopator overwonnen worden. Lees Polyb. in het 5 boek, Strab. in het 16 boek Geogra.
Hertaald:
die menigte
De menigte van Antiochus, dat is: zijn leger, zal door Filopator overwonnen worden. Lees Polybius, boek 5, en Strabo, boek 16 van zijn Aardrijkskunde.
Als die menigte
Dat is, als de heirkracht van Antiochus den Grote zal verslagen zijn. Zie het derde boek der Maccabeën, en JosEf. in het 12 boek van de Joodse oudheid, hoofdstuk 3. Deze slag, in welken Antiochus overwonnen is, is geschied bij Rafiam, Polyb. lib. 5.
Hertaald:
Als die menigte
Dat is: wanneer de krijgsmacht van Antiochus de Grote verslagen zal zijn. Zie het derde boek van de Makkabeeën, en Josefus in het twaalfde boek van de Joodse oudheden, hoofdstuk 3. Deze slag waarin Antiochus overwonnen is, vond plaats bij Rafia; Polybius, boek 5.
zijn hart zich verheffen,
Te weten het hart van Ptolomeus Filopator.
Hertaald:
zijn hart zich verheffen,
Namelijk het hart van Ptolemeüs Filopator.
enige tien duizenden nedervellen;
Dat is, vele duizenden, zo van het heirleger zijns vijands, alsook van de Joden.
Hertaald:
enige tien duizenden nedervellen;
Dat is: vele duizenden, zowel uit het leger van zijn vijand als uit de Joden.
zal hij niet gesterkt worden
Overmits hij uit hoogmoed zijnen vijand Antiochus verachten en de overwinning niet vervolgen zal. Ook zal hij kort daarna sterven.
Hertaald:
zal hij niet gesterkt worden
Omdat hij uit hoogmoed zijn vijand Antiochus zal verachten en de overwinning niet zal doorzetten. Ook zal hij kort daarna sterven.
de koning van het Noorden
Antiochus de Grote.
Hertaald:
de koning van het Noorden
Antiochus de Grote.
aan het einde van de tijden der jaren,
Dat is, na die tijden, na enige jaren, te weten als Ptolomeus Filopator zal gestorven zijn, en zijn zoon Epifanes, nog een kind zijnde, in zijne plaats zal gekomen zijn, welken hij in zijn land vallen zal.
Hertaald:
aan het einde van de tijden der jaren,
Dat is: na die tijden, na enkele jaren, namelijk wanneer Ptolemeüs Filopator gestorven zal zijn en zijn zoon Epifanes, die nog een kind was, in zijn plaats gekomen zal zijn; in diens land zal hij binnenvallen.
zal hij snellijk komen
Anders, zal hij elke reis komen, of nu en dan komen, of dikwijls komen. Hebreeuws, zal hij komende komen.
Hertaald:
zal hij snellijk komen
Anders: zal hij telkens komen, of nu en dan komen, of vaak komen. Hebreeuws: zal hij komende komen.
velen opstaan
Te weten Joden, of andere omliggende koningen en volken met Antiochus aanspannende.
Hertaald:
velen opstaan
Namelijk Joden, of andere omliggende koningen en volken die met Antiochus samenspannen.
tegen den koning van het Zuiden;
Tegen Ptolomeus, zich voegende bij Antiochus.
Hertaald:
tegen den koning van het Zuiden;
Tegen Ptolemeüs, terwijl zij zich bij Antiochus voegen.
de scheurmakers uws volks
Hebreeuws, de kinderen des verbrekers; of doorbrekers van uw volk; o Daniël, dat is, uit de Joden, die met hunne handelingen de republied als in stukken scheuren. Sommigen verstaan dit van den priester Onias en zijn aanhang, die naar Egypte zijn getrokken, en hebben aldaar een tempel en altaar opgericht, voorgevende dat zij dat deden om te bevestigen het gezicht of de profetie van Jesaja, Jes. 19:19 , Jes. 19:21 :Te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, enz.
Hertaald:
de scheurmakers uws volks
Hebreeuws: de kinderen van de verbreker of doorbreker van uw volk, o Daniël; dat is: Joden die door hun handelwijze de staat als het ware in stukken scheuren. Sommigen verstaan dit van de priester Onias en zijn aanhang, die naar Egypte getrokken zijn en daar een tempel en altaar opgericht hebben, met het voorwendsel dat zij dat deden om het gezicht of de profetie van Jesaja te bevestigen, Jes. 19:19, Jes. 19:21: te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, enzovoort.
zullen verheven worden,
Namelijk tot eer, of zullen zich verheffen, dat is, opwerpen, om scheuring aan te richten.
Hertaald:
zullen verheven worden,
Namelijk tot eer; of: zij zullen zich verheffen, dat is: opwerpen om scheuring te veroorzaken.
om het gezicht
Dat is, opdat God aldus deze profetie van Daniël bevestigt, de harten zijner uitverkorenen des te meer van de overige delen derzelve verzekerd worden. Anderen verstaan het van hun voornemen om de profetie van Jes. 19:19 , Jes. 19:21 naar hunne beduiding te vervullen.
Hertaald:
om het gezicht
Dat is: opdat God door deze bevestiging van de profetie van Daniël de harten van Zijn uitverkorenen des te zekerder maakt van de overige delen daarvan. Anderen verstaan het van hun voornemen om de profetie van Jes. 19:19, Jes. 19:21 naar hun eigen uitleg te vervullen.
te bevestigen,
Hebreeuws, te doen staan.
Hertaald:
te bevestigen,
Hebreeuws: te doen staan.
zij zullen vallen
Hebreeuws, struikelen, aanstoten; dat is, zij zullen teniet komen.
Hertaald:
zij zullen vallen
Hebreeuws: struikelen, aanstoten; dat is: zij zullen tenietgaan.
de koning van het Noorden
Antiochus de Grote zal komen tegen Ptolomeus Epifanes. En hier wordt gesproken van den tweeden tocht van Antiochus tegen Epifanes.
Hertaald:
de koning van het Noorden
Antiochus de Grote zal tegen Ptolemeüs Epifanes optrekken. Hier wordt gesproken over de tweede veldtocht van Antiochus tegen Epifanes.
een wal opwerpen,
Zie de aantekening 2 Sam. 20:15 ; Jer. 32:24 , en Jer. 33:4 . De zin is, hij zal ze belegeren en innemen.
Hertaald:
een wal opwerpen,
Zie de aantekening bij 2 Sam. 20:15; Jer. 32:24 en Jer. 33:4. De betekenis is: hij zal ze belegeren en innemen.
en vaste steden innemen;
Hebreeuws, ene stad der vastigheden; dat is, enige stad hoe vast ze zij, zal hij innemen.
Hertaald:
en vaste steden innemen;
Hebreeuws: een stad van de vestingen; dat is: elke stad, hoe sterk ook, zal hij innemen.
armen van het Zuiden
Dat is, de kloeke veldoversten en kapiteins van den koning van het zuiden, dat is van Egypte. Van het woord [ armen ] voor oversten; zie Ezech. 31:17 , enz.
Hertaald:
armen van het Zuiden
Dat is: de dappere veldheren en aanvoerders van de koning van het zuiden, dat is: van Egypte. Over het woord armen voor oversten, zie Ezech. 31:17, enzovoort.
noch zijn uitgelezen volk,
Hebreeuws, noch het volk zijner uitgelezenen.
Hertaald:
noch zijn uitgelezen volk,
Hebreeuws: en het volk van zijn uitgelezenen.
ja,
De zin is: Dat noch de oversten noch de soldaten van den koning van Egypte, zullen iets tegen Antiochus den Grote vermogen.
Hertaald:
ja,
De betekenis is dat noch de aanvoerders noch de soldaten van de koning van Egypte iets tegen Antiochus de Grote zullen vermogen.
hij,
Te weten Antiochus, de koning van het noorden.
Hertaald:
hij,
Namelijk Antiochus, de koning van het noorden.
hem komt,
Tegen Ptolomeus Epifanes.
Hertaald:
hem komt,
Tegen Ptolemeüs Epifanes.
in het land des sieraads,
Dat is, in het Joodse land. Zie de aantekening boven Dan. 8:9 . Anderen: in het land Zebi. Daniël geeft met deze woorden te verstaan dat Antiochus niet alleen Egypte zou aantasten, maar ook Judea, hetwelk hij den Joden tevoren zegt, opdat zij zouden weten dat het alles geschiedt door de voorzienigheid van God.
Hertaald:
in het land des sieraads,
Dat is: in het Joodse land. Zie de aantekening bij Dan. 8:9. Anderen: in het land Zebi. Daniël geeft met deze woorden te kennen dat Antiochus niet alleen Egypte zou aanvallen maar ook Judea; dat zegt hij de Joden tevoren, opdat zij zouden weten dat dit alles door Gods voorzienigheid gebeurt.
de verderving zal in zijn hand wezen
Dat is, hij zal het gehele Joodse land kunnen verderven. Of de zin is: Hij zal kunnen doen en volbrengen wat hij wil. Alzo wordt het woord voleinding somtijds genomen voor vervulling en volbrenging, maar meest betekent het een uiterste verderving. Zie Gen. 18:21 . Zie de vervulling dezer profetie bij Josefus lib.12. Antiq.cap.3, en Polyb.lib.11.
Hertaald:
de verderving zal in zijn hand wezen
Dat is: hij zal het hele Joodse land kunnen verwoesten. Of de betekenis is: hij zal kunnen doen en volbrengen wat hij wil. Zo wordt het woord voleinding soms opgevat als vervulling en volbrenging, maar meestal betekent het een uiterste verwoesting. Zie Gen. 18:21. Zie de vervulling van deze profetie bij Josefus, Oudheden, boek 12, hoofdstuk 3, en Polybius, boek 11.
te komen,
Te weten tegen Ptolomeus Epifanes, den koning van Egypte.
Hertaald:
te komen,
Namelijk tegen Ptolemeüs Epifanes, de koning van Egypte.
hij zal billijke voorwaarden medebrengen,
Hebreeuws: En billijkheden met hem; of: en daar zal gerechtigheid met hem zijn. Zie voren vs.6.
Hertaald:
hij zal billijke voorwaarden medebrengen,
Hebreeuws: en billijkheden met hem; of: en er zal gerechtigheid met hem zijn. Zie hierboven vers 6.
hij zal het doen;
Hij zal het doen, of hij zal ze doen; dat is, hij zal ze voltrekken, te weten de beloofde voorwaarden, doch niet oprecht, maar arglistig, totdat hij gelegenheid zou vinden om zijn bedrog in het werk te stellen.
Hertaald:
hij zal het doen;
Hij zal het doen, of: hij zal ze doen; dat is: hij zal ze uitvoeren, namelijk de beloofde voorwaarden — maar niet oprecht, maar arglistig, totdat hij gelegenheid zou vinden om zijn bedrog uit te voeren.
hem
Te weten Ptolomeus Epifanes, den koning van Egypte.
Hertaald:
hem
Namelijk Ptolemeüs Epifanes, de koning van Egypte.
een dochter der vrouwen geven,
Dat is, ene huisvrouw onder de vrouwen in schoonheid uitstekende, te weten zijn eigen dochter Cleopatra. Anders: ene dochter [zijne] vrouwen; dat is, ene dochter van ene van zijne vrouwen, dat is, ene van zijne dochters.
Hertaald:
een dochter der vrouwen geven,
Dat is: een vrouw die onder de vrouwen in schoonheid uitblinkt, namelijk zijn eigen dochter Cleopatra. Anders: een dochter van zijn vrouwen, dat is: een dochter van een van zijn vrouwen, dat is: een van zijn dochters.
om haar te verderven,
Dat was wel eigenlijk zijn voornemen niet, maar het zou er wel lichtelijk uit ontstaan zijn, indien zij haars vaders raad gevolgd en haren man door vergif of anderszins omgebracht had. Anders: haar arglistiglijk verdervende, namelijk haar bevelende dat zij haren man moest van kant helpen; opdat hij dan, als voogd over zijne dochter, Egypte mocht innemen.
Hertaald:
om haar te verderven,
Dat was eigenlijk zijn bedoeling niet, maar het zou er gemakkelijk uit voortgekomen zijn als zij de raad van haar vader gevolgd had en haar man door vergif of anderszins omgebracht had. Anders: haar arglistig verdervende, namelijk door haar te bevelen haar man uit de weg te ruimen, opdat hij dan als voogd over zijn dochter Egypte zou kunnen innemen.
zij zal niet vast staan,
Zij zal in dat boos voornemen, hetwelk haar vader van haar begeerde, en hetwelk zij, zo het schijnt, hem eerst beloofd had, niet voortvaren; zodat Antiochus van zijne eigen dochter is bedrogen geworden.
Hertaald:
zij zal niet vast staan,
Zij zal niet voortgaan met dat boze voornemen dat haar vader van haar verlangde en dat zij hem, naar het schijnt, eerst beloofd had; zo is Antiochus door zijn eigen dochter bedrogen.
zij zal voor hem niet zijn
Dat is, zij zal Antiochus den Grote, haars vaders, bozen wil niet doen, maar zij al haren man getrouw blijven. Dit alles alzo geschied te zijn, betuigt Livinus in het derde boek. Decad.4.
Hertaald:
zij zal voor hem niet zijn
Dat is: zij zal de boze wil van haar vader Antiochus de Grote niet uitvoeren, maar haar man trouw blijven. Dat dit alles zo gebeurd is, getuigt Livius in het derde boek van zijn vierde decade.
tot de eilanden keren,
Die het Romeinse gebied onderworpen waren, als Cyprus, Phocea, Samus, Rhodus, Colofon, Eubea, enz.; of, eilanden kan hier ook wel betekenen vergelegen landen over zee.
Hertaald:
tot de eilanden keren,
De eilanden die aan het Romeinse gezag onderworpen waren, zoals Cyprus, Phocea, Samos, Rhodus, Colofon, Euboea, enzovoort. Of: eilanden kan hier ook ver weg gelegen landen over zee betekenen.
een overste
Te weten een van de veldoversten der Romeinen, genoemd Marcus Acilius, alsook Lucius Scipio Nasica. Van het woord overste zie Richt. 11:6 ; hier betekent het een consul der Romeinen.
Hertaald:
een overste
Namelijk een van de veldheren van de Romeinen, Marcus Acilius geheten, en ook Lucius Scipio Nasica. Over het woord overste, zie Richt. 11:6; hier duidt het een consul van de Romeinen aan.
zijn smaad
Versta, dien smaad, dien Antiochus den Romeinen aangedaan heeft, vallende in hun land, en enige plaatsen van hetzelve innemende; ook enigen van hunne bondgenoten beschadigende.
Hertaald:
zijn smaad
Versta daaronder de smaad die Antiochus de Romeinen aangedaan heeft door in hun gebied binnen te vallen, enkele plaatsen daarvan in te nemen en ook enkele van hun bondgenoten schade toe te brengen.
tegen hem doen ophouden,
Dat is, tegen het volk van Rome, hetwelk deze overste vertegenwoordigde.
Hertaald:
tegen hem doen ophouden,
Dat is: tegen het volk van Rome, dat deze veldheer vertegenwoordigde.
zijn smaad op hem zal doen wederkeren
Dat is, de Romeinse overste zal daarmede niet tevreden zijn, dat hij zal doen ophouden den smaad, dien Antiochus het volk van Rome en het ganse Romeinse rijk, mitsgaders hunnen vrienden, heeft aangedaan, hem weder afgenomen hebbende die landen, die hij van de Romeinen en hunne vrienden genomen had; maar hij zal nog daarenboven dien smaad over Antiochus brengen, dat hij hem van een groot deel van zijn rijk berovende, en een zware belasting hem opleggende, hem dwingen zal dat hij zich binnen zijne grenzen zal moeten houden, namelijk aan gene zijde van den berg Taurus. Zie hiervan breder Liv.lib.8. Decat.4. Appia. in Syriacis en Memmon in het 13e en 14e boek.
Hertaald:
zijn smaad op hem zal doen wederkeren
Dat is: de Romeinse veldheer zal er niet mee tevreden zijn dat hij een einde maakt aan de smaad die Antiochus het volk van Rome, het hele Romeinse rijk en hun bondgenoten aangedaan heeft, door hem de landen weer af te nemen die hij van de Romeinen en hun vrienden genomen had. Hij zal die smaad bovendien op Antiochus doen terugkeren door hem van een groot deel van zijn rijk te beroven, hem een zware schatting op te leggen en hem te dwingen zich binnen zijn grenzen te houden, namelijk aan de andere zijde van het Taurusgebergte. Zie hierover uitvoeriger Livius, boek 8 van de vierde decade, Appianus in De Syrische oorlogen en Memnon in het dertiende en veertiende boek.
zijns lands,
Te weten naar Syrië, waarheen hij vluchten zal, en zich onthouden binnen zijne sterkten, uit vrees der Romeinen, die hem dapper vervolgden met hunne heirlegers.
Hertaald:
zijns lands,
Namelijk naar Syrië, waarheen hij zal vluchten om zich binnen zijn vestingen op te houden, uit vrees voor de Romeinen die hem met hun legers hardnekkig achtervolgden.
vallen,
Hij zal van zijn eigen onderzaten, ja boeren omgebracht worden, willende een tempel van den afgod Bel in Elam beroven, of zo anderen schrijven, den tempel van Dyndimeus Jovis, of Jovis Dodoneus. Deze geschiedenissen worden breder beschreven door Justinus in het 32e boek, en door Polyb. in het 5e, Strabo in het 16e Geogra. Vergelijk den schandelijken ondergang van Antiochus den Grote met hetgeen er geschreven staat Ps. 52:9 , en Jes. 14:16 , enz.
Hertaald:
vallen,
Hij zal door zijn eigen onderdanen, ja door boeren omgebracht worden, wanneer hij een tempel van de afgod Bel in Elam wil beroven — of, zoals anderen schrijven, de tempel van Zeus Dindymenos of Zeus Dodonaeus. Deze gebeurtenissen worden uitvoeriger beschreven door Justinus in het tweeëndertigste boek, door Polybius in het vijfde en door Strabo in het zestiende boek van zijn Aardrijkskunde. Vergelijk de schandelijke ondergang van Antiochus de Grote met wat geschreven staat in Ps. 52:9 en Jes. 14:16, enzovoort.
in zijn staat
Zie boven vs.7.
Hertaald:
in zijn staat
Zie hierboven vers 7.
een opstaan,
Te weten Seleucus Filopator, anders Soter genaamd, een zoon van den voorgaanden Antiochus den Grote.
Hertaald:
een opstaan,
Namelijk Seleucus Filopator, ook wel Soter genoemd, een zoon van de eerder genoemde Antiochus de Grote.
een geldeiser doortrekken,
Of, geldvorderaar, pander, schatter, Hebreeuws, drijver. Dat is geweest Heliodorus, die het ganse Joodse land doortrekkende, den onderzaten veel geld, voor zijn koning, heeft afgeperst. Zie 2 Mach.3:.
Hertaald:
een geldeiser doortrekken,
Of: geldvorderaar, pandnemer, belastinginner; Hebreeuws: drijver. Dat is Heliodorus geweest, die het hele Joodse land doortrok en de onderdanen veel geld voor zijn koning afperste. Zie 2 Makk. 3.
in koninklijke heerlijkheid;
Of, voor de koninklijke majesteit.
Hertaald:
in koninklijke heerlijkheid;
Of: voor de koninklijke majesteit.
in enige dagen
Of, in weinige dagen. Hij is gebroken, dat is omgekomen, kort nadat hij had gepoogd den tempel te Jeruzalem te beroven, 2 Mach.4:.
Hertaald:
in enige dagen
Of: in weinig dagen. Hij is gebroken, dat is: omgekomen, kort nadat hij geprobeerd had de tempel in Jeruzalem te beroven, 2 Makk. 4.
niet door toornigheden,
Niet door openbaren toorn, maar door heimelijke lagen van Heliodorus, die hem behendiglijk vergeven heeft, zijnen broeder Antiochus Epifanes ten gevalle.
Hertaald:
niet door toornigheden,
Niet door openlijke toorn, maar door heimelijke aanslagen van Heliodorus, die hem behendig vergiftigd heeft ten gunste van zijn broer Antiochus Epifanes.
een verachte
Antiochus Epifanes, die te Rome in gijzeling zijnde, heimelijk ontlopen is. Hij werd van de vleiers genoemd Antiochus Epifanes; dat is, de edele; maar anderen noemden hem met meerdere reden Epimanes; dat is, de dolle, of, razende. Zie zijne zotte daden in de historie van Polybius.
Hertaald:
een verachte
Antiochus Epifanes, die als gijzelaar in Rome verbleef en heimelijk ontsnapt is. Door de vleiers werd hij Antiochus Epifanes genoemd, dat is: de edele; maar anderen noemden hem met meer recht Epimanes, dat is: de dolle of razende. Zie zijn dwaze daden in het geschiedwerk van Polybius.
niet zal geven;
Of, niet zou geven; niet had behoren te geven, want het rijk kwam niet hem toe, maar Demetrius den zoon van zijn verstorven broeder Seleucus. Anders: denwelken zij [te weten de staten van het rijk] de eer van het koninkrijk niet gegeven hebben.
Hertaald:
niet zal geven;
Of: niet zou geven, niet had behoren te geven; want het rijk kwam niet hem toe, maar Demetrius, de zoon van zijn overleden broer Seleucus. Anders: aan wie zij — namelijk de staten van het rijk — de eer van het koninkrijk niet gegeven hebben.
in stilheid komen,
Niet met geweld als een vijand, maar als een vriend, om als voogd het rijk te regeren, totdat Demetrius, de zoon van zijn verstorven broeder Seleucus Filopator, zou groot geworden zijn.
Hertaald:
in stilheid komen,
Niet met geweld als een vijand, maar als een vriend, om als voogd het rijk te regeren totdat Demetrius, de zoon van zijn overleden broer Seleucus Filopator, volwassen zou zijn.
door vleierijen bemachtigen
Of, met gladde woorden, gelijk onder vs.32, 34. Zie de aantekening Ps. 35:6 , en Ps. 73:18 , en Jer. 23:12 .
Hertaald:
door vleierijen bemachtigen
Of: met gladde woorden, zoals vers 32 en 34. Zie de aantekening bij Ps. 35:6, Ps. 73:18 en Jer. 23:12.
de armen der overstroming
Of, de overstromende armen; dat is, de veldoversten en kapiteins van den koning in Egypte, die als een vloed in Syrië plachten te vallen, zullen van Antiochus Epifanes in den strijd verslagen worden. Sommigen verstaan de armen van de rivier de Nijl.
Hertaald:
de armen der overstroming
Of: de overstromende armen; dat is: de veldheren en aanvoerders van de koning van Egypte, die als een vloed in Syrië plachten binnen te vallen, zullen door Antiochus Epifanes in de strijd verslagen worden. Sommigen verstaan er de armen van de rivier de Nijl onder.
overstroomd worden
Dat is, overwonnen worden.
Hertaald:
overstroomd worden
Dat is: overwonnen worden.
de vorst des verbonds
Dat is, de vorst met wien het verbond gemaakt was, te weten Trifon, een van de voornaamste heren van Egypte, die met Antiochus Epifanes een verbond gemaakt heeft, en hem raad gaf dat hij zijne heirlegers zou achterlaten, en met de kroon van Egypte [alzo de koning Ptolomeus Filometro toen nog een kind was] in een verbond treden en de voogdij over Filometor, de zoon van zijne zuster Cleopatra, aannemen zou; maar hij, dit teweeggebracht hebbende, heeft onder dat deksel zelf het rijk ingenomen, eerst den voornoemden Trifon van kant geholpen hebbende. Anderen vertalen en verklaren deze woorden alzo: Daartoe zal hij een wederpartijder des verbonds zijn, hij, te weten Antiochus. Het Hebreeuwse woord wordt, naar sommiger gevoelen, somtijds in deze betekenis genomen. Zie Dan. 10:13 .
Hertaald:
de vorst des verbonds
Dat is: de vorst met wie het verbond gesloten was, namelijk Trifon, een van de voornaamste heren van Egypte. Hij sloot een verbond met Antiochus Epifanes en raadde hem aan zijn legers achter te laten. Hij moest met de kroon van Egypte een verbond sluiten — koning Ptolemeüs Filometor was toen nog een kind — en de voogdij op zich nemen over Filometor, de zoon van zijn zuster Cleopatra. Maar toen hij dat bereikt had, heeft hij onder dat voorwendsel het rijk zelf ingenomen, nadat hij eerst de genoemde Trifon uit de weg geruimd had. Anderen vertalen en verklaren deze woorden zo: bovendien zal hij een tegenstander van het verbond zijn — hij, namelijk Antiochus. Het Hebreeuwse woord wordt volgens sommigen soms in die betekenis gebruikt. Zie Dan. 10:13.
met hem
Te weten met denzelfden Trifon; of, gelijk anderen dat nemen, met Ptolomeus Filometor, den koning van Egypte.
Hertaald:
met hem
Namelijk met diezelfde Trifon; of, zoals anderen het opvatten, met Ptolemeüs Filometor, de koning van Egypte.
zal hij bedrog plegen,
Nemende wel met zich weinig krijgsvolk, maar kloeke, getrouwe, welgeoefende helden, en door hen zich van de voornaamste sterkten van Egypte verzekerende.
Hertaald:
zal hij bedrog plegen,
Doordat hij wel weinig krijgsvolk meenam, maar dappere, trouwe en goed geoefende helden, en zich met hen van de voornaamste vestingen van Egypte verzekerde.
hij zal optrekken,
Te weten dieper en verder in Egypte.
Hertaald:
hij zal optrekken,
Namelijk dieper en verder Egypte in.
hij zal met weinig volks
Of, hij zal zich met weinig volks versterken. Dit heeft Antiochus uit arglistigheid gedaan, om de Egyptenaars des te behendiger te bedriegen, en alzo met gemak, zonder groot geweld, dagelijks dieper en dieper in te kruipen, en zowel de sterkten als de onderzaten aan de hand te krijgen; hij voor zijn persoon te Memfis blijvende, hetwelk de koninklijke stad was, vanwaar hij het oog overal kon hebben.
Hertaald:
hij zal met weinig volks
Of: hij zal zich met weinig volk versterken. Dat heeft Antiochus uit arglistigheid gedaan, om de Egyptenaren des te behendiger te bedriegen en zo zonder veel geweld dagelijks dieper en dieper binnen te dringen en zowel de vestingen als de onderdanen aan zijn kant te krijgen; zelf bleef hij in Memfis, de koninklijke stad, vanwaar hij overal het oog op kon houden.
des landschaps komen,
Te weten van Egypte.
Hertaald:
des landschaps komen,
Namelijk van Egypte.
hij zal doen,
Te weten het land van Egypte onder zijn geweld brengende.
Hertaald:
hij zal doen,
Namelijk door het land Egypte onder zijn macht te brengen.
roof, en buit, en goederen,
Anders: hij zal roven en buiten, en hij zal goederen of rijkdommen onder hen uitstrooien.
Hertaald:
roof, en buit, en goederen,
Anders: hij zal roven en buit maken, en hij zal goederen of rijkdommen onder hen uitstrooien.
onder hen
Te weten onder degenen, die hij in de voornaamste steden en sterkten des lands zal leggen om alzo dezelve tot zich te trekken en aan zijne zijde te houden.
Hertaald:
onder hen
Namelijk onder hen die hij in de voornaamste steden en vestingen van het land zal legeren, om die zo aan zich te binden en aan zijn kant te houden.
uitstrooien,
Dat is, met groten overvloed genieten laten.
Hertaald:
uitstrooien,
Dat is: hun in grote overvloed laten genieten.
de vastigheden zijn gedachten denken,
Die hij nog niet genoegzaam bezitten, of in zijne verzekering zal hebben in Egypteland. Hetgeen wat hier van Antiochus voorzegd wordt, is geschied omtrent het honderd zeven en dertigste jaar van de regering der Seleuciden.
Hertaald:
de vastigheden zijn gedachten denken,
Vestingen die hij in Egypte nog niet voldoende in bezit of onder controle zal hebben. Wat hier over Antiochus voorzegd wordt, is omstreeks het honderdzevenendertigste jaar van de regering van de Seleuciden gebeurd.
tot een zekeren tijd toe
Te weten totdat Filometor, de wettelijke koning, tot zijn mannelijke jaren zal gekomen zijn, want alstoen hebben de Egyptenaars het krijgsvolk en de garnizoenen van dezen Antiochus uit hun land verdreven, en hebben zichzelven in vrijdom gesteld.
Hertaald:
tot een zekeren tijd toe
Namelijk totdat Filometor, de wettige koning, volwassen zou zijn; toen hebben de Egyptenaren de troepen en garnizoenen van deze Antiochus uit hun land verdreven en zich in vrijheid gesteld.
tegen den koning van het Zuiden,
Te weten tegen Ptolomeus Filometor, den koning van Egypte. Dit is nu de tweede tocht, dien Antiochus Epifanes tegen Egypte doen zou, welks beleid en voortgang de engel hier te kennen geeft.
Hertaald:
tegen den koning van het Zuiden,
Namelijk tegen Ptolemeüs Filometor, de koning van Egypte. Dit is de tweede veldtocht die Antiochus Epifanes tegen Egypte zou ondernemen; het verloop daarvan geeft de engel hier te kennen.
zal zich in den strijd mengen
Dat is, hij zal krijg voeren, te weten tegen Antiochus; zie Livius in het 45e boek.
Hertaald:
zal zich in den strijd mengen
Dat is: hij zal oorlog voeren, namelijk tegen Antiochus; zie Livius, boek 45.
hij zal niet bestaan,
Te weten Filometor.
Hertaald:
hij zal niet bestaan,
Namelijk Filometor.
zij zullen gedachten tegen hem denken
De zin is: zijne raadsheren en hovelingen, vs.26, [door geschenken en beloften van grote dingen, door Antiochus ingenomen zijnde] zullen Filometor, hun jongen onbedreven koning, door hun trouwelozen raad bedriegen, en zij zullen Antiochus aanhangen, uit vrees dat hij, meester geworden zijnde, hen niet te schande make en verdelge.
Hertaald:
zij zullen gedachten tegen hem denken
De betekenis is: zijn raadsheren en hovelingen (vers 26), die door Antiochus met geschenken en beloften van grote dingen gewonnen zijn, zullen Filometor — hun jonge, onervaren koning — met hun trouweloze raad bedriegen en zich bij Antiochus aansluiten, uit vrees dat hij hen te schande zou maken en verdelgen wanneer hij meester geworden was.
de stukken
Zie Dan. 1:5 . Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en daar gevonden. Zie de aantekening aldaar. De zin is: Die zijn brood eten, te weten zijne raadsheren en dienaars.
Hertaald:
de stukken
Zie Dan. 1:5. Het Hebreeuwse woord komt maar op enkele plaatsen voor. Zie de aantekening daar. De betekenis is: zij die zijn brood eten, namelijk zijn raadsheren en dienaars.
zijner spijze zullen eten,
Te weten Ptolomeus Filometor.
Hertaald:
zijner spijze zullen eten,
Namelijk van Ptolemeüs Filometor.
breken,
Dat is, onderdrukken, te weten door kwaden raad.
Hertaald:
breken,
Dat is: onderdrukken, namelijk door kwade raad.
deszelfs heirkracht
Te weten Antiochus tegen Filometor.
Hertaald:
deszelfs heirkracht
Namelijk die van Antiochus tegen Filometor.
zal overstromen,
Of, zal overvloeien, of als een vloed inbreken.
Hertaald:
zal overstromen,
Of: zal overvloeien, of als een vloed binnenbreken.
vele verslagenen zullen vallen
In het leger van den koning Filometor, 1 Mach.1:19.
Hertaald:
vele verslagenen zullen vallen
In het leger van koning Filometor, 1 Makk. 1:19.
beider dezer koningen
Te weten nadat zij tezamen zullen vrede gemaakt hebben voor de tweede reis.
Hertaald:
beider dezer koningen
Namelijk nadat zij voor de tweede keer samen vrede gesloten zullen hebben.
leugen spreken;
Zij zullen wel elkander uiterlijk veel grote vriendschap bewijzen, en alle goede diensten beloven, inzonderheid over tafel zijnde en goede sier makende, maar zij zullen het niet menen, het zal uit een geveinsd hart komen.
Hertaald:
leugen spreken;
Zij zullen elkaar uiterlijk wel veel vriendschap betonen en allerlei goede diensten beloven, vooral aan tafel bij het feestvieren; maar zij zullen het niet menen, het zal uit een geveinsd hart komen.
het zal niet gelukken,
Hunne beloften zullen ijdel en van gene waarde zijn. De beloften en contracten van vrede zullen niet bestendig zijn. Of, het zal geen voortgang hebben, dat zij listiglijk tegen elkander bedacht hebben, want God zal een anderen weg ingaan.
Hertaald:
het zal niet gelukken,
Hun beloften zullen ijdel en waardeloos zijn. De beloften en vredesverdragen zullen niet duurzaam zijn. Of: wat zij listig tegen elkaar bedacht hebben zal geen voortgang hebben, want God zal een andere weg inslaan.
ter bestemder tijd
Te dien tijde, dien God bestemd en verordineerd heeft, die door menselijken wil niet kan veranderd worden. Zie vs.29.
Hertaald:
ter bestemder tijd
Op de tijd die God bepaald en verordend heeft, die door menselijke wil niet veranderd kan worden. Zie vers 29.
hij zal in zijn land wederkeren
Te weten de koning Antiochus Epifanes.
Hertaald:
hij zal in zijn land wederkeren
Namelijk koning Antiochus Epifanes.
met groot goed,
Te weten met groten buit en geroofde goederen, zo in Egypte als elders.
Hertaald:
met groot goed,
Namelijk met grote buit en geroofde goederen, zowel uit Egypte als van elders.
tegen het heilig verbond;
Dat is, tegen de Joden, met welken God een heilig verbond gemaakt heeft. Hebreeuws, tegen het verbond der heiligheid.
Hertaald:
tegen het heilig verbond;
Dat is: tegen de Joden, met wie God een heilig verbond gesloten heeft. Hebreeuws: tegen het verbond van de heiligheid.
hij zal het doen,
Te weten dat hij voorhad; dat is, hij zal de Joden plagen. Zie 1 Mach.1:22-23, enz., en 2 Mach.5:11, enz.
Hertaald:
hij zal het doen,
Namelijk wat hij voorgenomen had; dat is: hij zal de Joden plagen. Zie 1 Makk. 1:22-23, enzovoort, en 2 Makk. 5:11, enzovoort.
in zijn land
Te weten in Syrië.
Hertaald:
in zijn land
Namelijk in Syrië.
Ter bestemder tijd
Te weten, gelijk enigen menen, na twee jaren, als Filometor met zijn broeder Physcon verzoend was en hulp van de Romeinen verkregen had.
Hertaald:
Ter bestemder tijd
Namelijk (zoals sommigen menen) na twee jaar, toen Filometor met zijn broer Fyskon verzoend was en hulp van de Romeinen verkregen had.
tegen het Zuiden komen,
Te weten tegen Ptolomeus Filometor, den koning in Egypte, dien hij belegeren zal.
Hertaald:
tegen het Zuiden komen,
Namelijk tegen Ptolemeüs Filometor, de koning van Egypte, die hij zal belegeren.
het zal niet zijn gelijk de eerste,
Dat is, het zal Antiochus niet gelukken, gelijk het hem de eerste en laatst voorgaande reis gelukt is. Zie boven vs.22, 25, de reden als volgt vs.30. De zin is, Antiochus zal over Ptolomeus Filometor zulke overwinningen in Egypte niet meer bevechten, gelijk hij in twee voorgaande ondernemingen gedaan heeft.
Hertaald:
het zal niet zijn gelijk de eerste,
Dat is: het zal Antiochus niet lukken zoals het hem de eerste en de vorige keer gelukt is. Zie vers 22 en 25; de reden volgt in vers 30. De betekenis is: Antiochus zal in Egypte niet meer zulke overwinningen op Ptolemeüs Filometor behalen als bij zijn twee vorige ondernemingen.
Chittim
Dat is, van Cilicië, waar de Romeinen gewoonlijk een vloot schepen hielden om over de Middellandse zee te heersen. Zie van Chittim, Gen. 10:4 , en Num. 24:24 . Ptolomeus Filometor, van Antiochus overheerd zijnde, heeft hulp aan de Romeinen verzocht en verkregen.
Hertaald:
Chittim
Dat is: uit Cilicië, waar de Romeinen gewoonlijk een vloot hielden om over de Middellandse Zee te heersen. Over Chittim, zie Gen. 10:4 en Num. 24:24. Ptolemeüs Filometor, die door Antiochus overheerst werd, heeft de Romeinen om hulp gevraagd en die gekregen.
tegen hem komen,
Te weten tegen Antiochus.
Hertaald:
tegen hem komen,
Namelijk tegen Antiochus.
daarom zal hij met smart bevangen worden,
Omdat hij door de Romeinen zal gedwongen worden met zijn leger uit Egypte te trekken. C. Popilius Laenas, veldoverste der Romeinen, heeft Antiochus zover gebracht, dat hij hem harde voorwaarden heeft voorgeslagen, en rondom hem met zijn staf in het zand een ring makende, belastte hem te besluiten en ronduit te antwoorden, of hij Egypte verlaten wilde of niet, eer hij uit dien ring of cirkel treden zou.
Hertaald:
daarom zal hij met smart bevangen worden,
Omdat hij door de Romeinen gedwongen zal worden met zijn leger uit Egypte te vertrekken. Gaius Popilius Laenas, de Romeinse veldheer, heeft Antiochus zover gebracht dat hij hem harde voorwaarden stelde: hij trok met zijn staf een kring in het zand rondom hem en beval hem te besluiten en ronduit te antwoorden of hij Egypte wilde verlaten of niet, voordat hij uit die kring zou stappen.
wederkeren,
Te weten naar Syrië, zijn land, als hij Egypte zal moeten verlaten.
Hertaald:
wederkeren,
Namelijk naar Syrië, zijn eigen land, wanneer hij Egypte zal moeten verlaten.
het heilig verbond,
Zie boven vs.28.
Hertaald:
het heilig verbond,
Zie vers 28.
hij zal het doen;
Te weten dat hij voorgenomen en in zijn toorn besloten had te doen, namelijk hij zal Jeruzalem overvallen, den tempel en de stad uitplunderen en den godsdienst afschaffen. Zie hiervan breder Josefus in het eerste boek van de Joodse oorlogen, hoofdstuk 1.
Hertaald:
hij zal het doen;
Namelijk wat hij voorgenomen en in zijn toorn besloten had te doen, namelijk Jeruzalem overvallen, de tempel en de stad plunderen en de godsdienst afschaffen. Zie hierover uitvoeriger Josefus, De Joodse oorlog, boek 1, hoofdstuk 1.
wederkerende
Niet in eigen persoon, maar hij zal er Apollinius henen schikken; zie 1 Mach.1:30, en 2 Mach.5:24.
Hertaald:
wederkerende
Niet in eigen persoon, maar hij zal Apollonius daarheen sturen; zie 1 Makk. 1:30 en 2 Makk. 5:24.
hij acht geven
Dat is, hij zal hen tot zich trekken, versterken en helpen, om alzo de macht der vrome Joden te breken door de trouweloze Joden, gelijk daar waren Jason, Menelaus, en hunne aanhangers.
Hertaald:
hij acht geven
Dat is: hij zal hen aan zich binden, versterken en helpen, om zo door de trouweloze Joden de macht van de vrome Joden te breken — zoals Jason, Menelaüs en hun aanhangers.
armen
Dat is, krijgsoversten met hunne soldaten, gelijk boven vs.22, om door dezen de Joden te dwingen. Anders: en de armen zullen hem bijstaan.
Hertaald:
armen
Dat is: legeraanvoerders met hun soldaten, zoals vers 22, om daardoor de Joden te dwingen. Anders: en de armen zullen hem bijstaan.
uit hem ontstaan,
Dat is, uit zijn bevel ontstaan; dat is, gesteld worden, of gezonden worden binnen Jeruzalem en het Joodse land.
Hertaald:
uit hem ontstaan,
Dat is: op zijn bevel opkomen, dat is: aangesteld of gezonden worden naar Jeruzalem en het Joodse land.
de sterkte,
Dat is, de sterke stad Jeruzalem. Anders: zij zullen ontwijden [Jeruzalem] de sterkte; dat is, Jeruzalem, hetwelk de sterkte van het Joodse volk is. Zie 1 Mach.1:23, en 2 Mach.5:15-16.
Hertaald:
de sterkte,
Dat is: de sterke stad Jeruzalem. Anders: zij zullen Jeruzalem, de sterkte, ontwijden; dat is: Jeruzalem, dat de sterkte van het Joodse volk is. Zie 1 Makk. 1:23 en 2 Makk. 5:15-16.
het gedurige offer wegnemen,
Dat is, het dagelijkse offer. Alzo is ook te verstaan, hetgeen de apostel zegt: Wees gedurig in het gebed, hetwelk niet te zeggen is, dat men niet anders doen moet dan bidden, maar dat men de dagelijkse oefening van het gebed nimmermeer moet verlaten. Zie boven Dan. 8:11 .
Hertaald:
het gedurige offer wegnemen,
Dat is: het dagelijkse offer. Zo moet men ook verstaan wat de apostel zegt: weest volhardend in het gebed — wat niet betekent dat men niets anders zou moeten doen dan bidden, maar dat men de dagelijkse oefening van het gebed nooit mag nalaten. Zie Dan. 8:11.
een verwoestenden gruwel
Dat is, soldaten, die alles verwoesten en de Joden tot afgoderij dwingen zullen. Zie hiervan breder 1 Mach.1:23, enz., en JosEf. Anderen verstaan hierdoor, een afgodisch beeld, hetwelk Antiochus op het altaar Gods heeft laten stellen; 1 Mach.1:58,63.
Hertaald:
een verwoestenden gruwel
Dat is: soldaten die alles verwoesten en de Joden tot afgoderij zullen dwingen. Zie hierover uitvoeriger 1 Makk. 1:23, enzovoort, en Josefus. Anderen verstaan hieronder een afgodsbeeld dat Antiochus op het altaar van God heeft laten plaatsen; 1 Makk. 1:58, 1 Makk. 1:63.
stellen
Hebreeuws, geven; versta, dat Antiochus' krijgsoversten dit doen zouden.
Hertaald:
stellen
Hebreeuws: geven; versta dat de legeraanvoerders van Antiochus dit zouden doen.
die goddelooslijk handelen
Of, de overtreders des verbonds, namelijk de afvallige Joden, die het verbond Gods zullen verachten, welken de engel vs.30 genoemd heeft verlaters van het heilige verbond.
Hertaald:
die goddelooslijk handelen
Of: de overtreders van het verbond, namelijk de afvallige Joden die Gods verbond zullen verachten, die de engel in vers 30 verlaters van het heilige verbond genoemd heeft.
doen huichelen
Of, doen veinzen, opdat alzo door hen de vromen mochten ontdekt en in het net gebracht worden. Anders: zal hij ontheiligen; dat is, hij zal hen ten enenmale slecht en goddeloos maken, hen dagelijks meer en meer in hunne huichelarij versterkende.
Hertaald:
doen huichelen
Of: doen veinzen, opdat de vromen door hen ontdekt en in het net gebracht zouden worden. Anders: hij zal hen ontheiligen; dat is: hij zal hen volkomen slecht en goddeloos maken door hen dagelijks meer en meer in hun huichelarij te versterken.
hun God kennen,
Dat is, die den waren God kennen en eren, gelijk velen ten tijde van Judas Machabeus en zijne broeders geweest zijn.
Hertaald:
hun God kennen,
Dat is: die de ware God kennen en eren, zoals er velen geweest zijn in de tijd van Judas de Makkabeeër en zijn broers.
grijpen,
Versta hierbij, en den tirannen overleveren.
Hertaald:
grijpen,
Vul hierbij aan: en aan de tirannen overleveren.
zullen het doen
Dat is, zij zullen het uitrichten naar hunnen wil. Of, zij zullen naar hunnen wil met hen handelen. Zie 1 Mach.1:55.
Hertaald:
zullen het doen
Dat is: zij zullen het naar hun wil uitvoeren. Of: zij zullen naar hun wil met hen handelen. Zie 1 Makk. 1:55.
de leraars des volks
Of, de verstandigen onder het volk, gelijk onder Dan. 12:3 . De zin is: Ofschoon er velen, zelfs ook enige priesters, van den waren godsdienst afwijken, zo zullen er nochtans altijd enige leraars en godvruchtige, in Gods Woord ervaren personen zijn, die de zwakken zullen onderwijzen en versterken in het midden der zware vervolgingen.
Hertaald:
de leraars des volks
Of: de verstandigen onder het volk, zoals Dan. 12:3. De betekenis is: hoewel velen — zelfs enkele priesters — van de ware godsdienst zullen afwijken, zullen er toch altijd enkele leraars en godvruchtige, in Gods Woord ervaren personen zijn die de zwakken zullen onderwijzen en versterken te midden van de zware vervolgingen.
onderwijzen,
Te weten in de ware religie, uit de boeken der Heilige Schriftuur.
Hertaald:
onderwijzen,
Namelijk in de ware godsdienst, uit de boeken van de Heilige Schrift.
zullen vallen door het zwaard en door vlam,
Dat is, zo de leraars als hunne discipelen, die volstandig bij de ware religie blijven, zullen van Antiochus en zijne aanhangers wredelijk vervolgd worden. Zie 1 Mach.1:40, enz., en 1 Mach.2:, 1 Mach.3:, 1 Mach.4:, en 2 Mach.5:, 2 Mach.6:, 2 Mach.7:, 2 Mach.8:. Josefus lib.12, Antiq. Judaci, hoofdstuk 6,7. Vergelijk Hebr. 11:35-38 .
Hertaald:
zullen vallen door het zwaard en door vlam,
Dat is: zowel de leraars als hun leerlingen, die standvastig bij de ware godsdienst blijven, zullen door Antiochus en zijn aanhangers wreed vervolgd worden. Zie 1 Makk. 1:40, enzovoort, en 1 Makk. 2, 3 en 4, en 2 Makk. 5, 6, 7 en 8; Josefus, Oudheden, boek 12, hoofdstuk 6 en 7. Vergelijk Hebr. 11:35-38.
vele dagen
Of, enige dagen, alzo Dan. 8:27 . Dat is, een tijdlang van God verordineerd.
Hertaald:
vele dagen
Of: enkele dagen, zoals Dan. 8:27. Dat is: een tijd die door God bepaald is.
Als zij nu zullen vallen,
Dat is, als de vervolging op het heetst zal wezen.
Hertaald:
Als zij nu zullen vallen,
Dat is: wanneer de vervolging op haar hevigst zal zijn.
met een kleine hulp geholpen worden;
Te weten door de Machabeën. Zie 1 Mach.2:39, enz., en 1 Mach.3:, 1 Mach.4:, 1 Mach.5:, en 2 Mach.8:, en Josefus lib.12, Antiq. Judaci hoofdstuk 7, 8, 9, 10, 11, 12. Die kloeke helden hebben met weinig volk de kerk Gods gered uit de handen van Antiochus en andere tirannen.
Hertaald:
met een kleine hulp geholpen worden;
Namelijk door de Makkabeeën. Zie 1 Makk. 2:39, enzovoort, en 1 Makk. 3, 4 en 5, en 2 Makk. 8, en Josefus, Oudheden, boek 12, hoofdstuk 7 tot en met 12. Die dappere helden hebben met weinig volk Gods kerk gered uit de handen van Antiochus en andere tirannen.
door vleierijen
Gelijk boven vs.21, 32. Zie de aantekening vs.21. Doch hier betekent het huichelarij, geveinsdheid, schoon gelaat.
Hertaald:
door vleierijen
Zoals vers 21 en 32. Zie de aantekening bij vers 21. Maar hier betekent het huichelarij, geveinsdheid, schone schijn.
tot hen vervoegen
Te weten wanneer het den Joden wederom zal beginnen wel te gaan.
Hertaald:
tot hen vervoegen
Namelijk wanneer het de Joden weer voor de wind zal beginnen te gaan.
vallen,
Zie boven vs.33.
Hertaald:
vallen,
Zie hierboven vers 33.
om hen te louteren en te reinigen,
Dit is het oogmerk dat de Heere zal voorhebben. Anders: opdat hen [God] smelte; dat is beproeve, gelijk men het goud en zilver beproeft in den smeltoven; zie Dan. 12:10 .
Hertaald:
om hen te louteren en te reinigen,
Dit is het doel dat de HEERE daarmee heeft. Anders: opdat God hen smelte, dat is: beproeve, zoals men goud en zilver in de smeltoven beproeft; zie Dan. 12:10.
tot den tijd van het einde toe;
Dat is, totdat de tijd der vervolging, van God bestemd, zal vervuld wezen.
Hertaald:
tot den tijd van het einde toe;
Dat is: totdat de tijd van de vervolging die God bepaald heeft vervuld zal zijn.
want het zal nog zijn voor een bestemden tijd
Anders: want nog ter bestemder tijd [zal het einde wezen]. Anders: want de bestemde tijd zal nog komen. Vergelijk Matt. 24:6 , en de volgende tot Matt. 24:14 , en zie boven de aantekening vs.27.
Hertaald:
want het zal nog zijn voor een bestemden tijd
Anders: want het einde zal pas op de bepaalde tijd zijn. Anders: want de bepaalde tijd zal nog komen. Vergelijk Matth. 24:6 en het vervolg tot Matth. 24:14, en zie hierboven de aantekening bij vers 27.
En die koning
Van hier af tot het einde van dit hfdst. verstaan enigen dat de engel spreekt van den Antichrist van het Nieuwe Testament, of immers van Antiochus Epifanes, aangemerkt als een voorbeeld van den Antichrist, in zijn opkomst, hoogmoed, handelingen, afgoderij en tirannie. Want vele dingen, die hierna verhaald worden, inzonderheid vs.42,43, passen naar sommiger gevoelen niet op den koning Antiochus; want nadat hij door den Roomsen gezant Popilius gedwongen werd uit Egypte te vertrekken, boven vs.30, heeft hij naderhand nooit in Egypte durven komen. Eenigen duiden het op den Turk, anderen op het Romeinse Rijk, en menen dat de dingen, die hier gezegd worden te verstaan zijn, sommigen van de Romeinse keizers, sommigen van de Roomse pausen, die, in het Romeinse Rijk opgerezen zijnde, mettertijd den keizers zelf vreeslijk geworden zijn.
Hertaald:
En die koning
Sommigen verstaan dat de engel vanaf hier tot het einde van dit hoofdstuk spreekt over de antichrist van het Nieuwe Testament, of in elk geval over Antiochus Epifanes als een voorafbeelding van de antichrist, in zijn opkomst, hoogmoed, handelwijze, afgoderij en tirannie. Want veel van wat hierna verteld wordt, vooral in vers 42 en 43, past volgens sommigen niet op koning Antiochus; nadat hij door de Romeinse gezant Popilius gedwongen was uit Egypte te vertrekken (vers 30), heeft hij daarna nooit meer in Egypte durven komen. Sommigen betrekken het op de Turk, anderen op het Romeinse rijk, en menen dat sommige dingen die hier gezegd worden op de Romeinse keizers slaan en andere op de pausen van Rome, die binnen het Romeinse rijk opgekomen zijn en mettertijd zelfs de keizers vrees hebben aangejaagd.
boven allen God,
Zie 2 Thess. 2:4 , waar de apostel deze woorden aldus uitdrukt: Boven al dat God of goddelijke majesteit genoemd wordt.
Hertaald:
boven allen God,
Zie 2 Thess. 2:4, waar de apostel deze woorden zo weergeeft: boven al wat God of goddelijke majesteit genoemd wordt.
tegen den God der goden
Die alleen is de enige ware God. Anders: ook boven den God der goden, hij zal wonderlijke dingen spreken.
Hertaald:
tegen den God der goden
Die als enige de ware God is. Anders: ook boven de God der goden zal hij wonderlijke dingen spreken.
totdat de gramschap voleind zij,
Dat is, totdat de toorn Gods tegen zijn volk ophoude, of totdat hij zal gedaan hebben hetgeen God in zijn toorn door hem zijn volk wil aangedaan hebben.
Hertaald:
totdat de gramschap voleind zij,
Dat is: totdat Gods toorn tegen Zijn volk ophoudt, of totdat hij gedaan zal hebben wat God in Zijn toorn door hem Zijn volk wil aandoen.
want het is vastelijk besloten,
Of, want dat juist besloten is, zal geschieden; niemand kan het besluit of voornemen Gods verhinderen of terughouden.
Hertaald:
want het is vastelijk besloten,
Of: want wat vast besloten is, zal gebeuren; niemand kan Gods besluit of voornemen verhinderen of tegenhouden.
het zal geschieden
Hebreeuws, het is geschied; dat is, het zal zekerlijk geschieden; de verleden tijd voor den toekomenden, om te tonen de zekerheid dezer profetie. Anderen: Als hetgeen wat precies bestemd is, zal geschied zijn.
Hertaald:
het zal geschieden
Hebreeuws: het is gebeurd; dat is: het zal zeker gebeuren — de verleden tijd voor de toekomende, om de zekerheid van deze profetie te tonen. Anderen: wanneer wat nauwkeurig bepaald is, gebeurd zal zijn.
op de goden zijner vaderen
Verachtende de religie zijner voorvaderen, zal hij alle man belasten zijne instellingen aan te nemen. Verstaat men dit op Antiochus te passen, zo zie 1 Mach.1:43; indien op den paus, zo is het openbaar.
Hertaald:
op de goden zijner vaderen
Door de godsdienst van zijn voorouders te verachten zal hij iedereen opleggen zijn eigen instellingen aan te nemen. Wanneer men dit op Antiochus betrekt, zie 1 Makk. 1:43; wanneer op de paus, dan is het duidelijk genoeg.
op de begeerte der vrouwen;
Verstaat men dit van Antiochus, zo is dit de zin: Hij zal zelf zijne vrouwen [van welke ene den God Israëls op hare wijze eerde] niet toelaten dat zij enigen anderen god zullen eren dan zijn Jupiter Olimpius, of de begeerte der vrouwen; dat is, de gewenste en begeerlijkste vrouwen. Of, hij heeft wel willen schijnen niet te vragen naar vrouwen, maar ondertussen gruwelijke hoererij bedreven. Maar verstaat men dit van den Antichrist, zo is dit de zin, dat hij zijne geestelijkheid het huwelijk verbieden zal, en geenszins toelaten de kloosterbeloften te breken, bedrijvende ondertussen allerlei schandelijke onreinheid. Zie 1 Tim. 4:3 .
Hertaald:
op de begeerte der vrouwen;
Wanneer men dit van Antiochus verstaat, is dit de betekenis: hij zal zelfs zijn vrouwen — van wie er een de God van Israël op haar manier eerde — niet toestaan enige andere god te eren dan zijn Zeus Olympios. Of: de begeerte van de vrouwen, dat is: de meest gewenste en begeerlijke vrouwen; hij heeft wel de schijn willen wekken dat hij niet naar vrouwen omzag, maar heeft intussen gruwelijke hoererij bedreven. Maar wanneer men dit van de antichrist verstaat, is dit de betekenis: dat hij zijn geestelijkheid het huwelijk zal verbieden en het breken van kloostergeloften volstrekt niet zal toestaan, terwijl hij intussen allerlei schandelijke onreinheid bedrijft. Zie 1 Tim. 4:3.
hij zal ook op geen God acht geven,
Alsof de engel zeide: Hij zal gans goddeloos zijn; hij zal zo hovaardig zijn dat hij zichzelven zal verheffen boven alle mensen, ja ook boven alles wat God is of genoemd wordt; doende alles wat hij doet tot zijn eigen eer en voordeel. Dit past ook bekwamelijker op den paus. Vergelijk 2 Thess. 2:3-4 .
Hertaald:
hij zal ook op geen God acht geven,
Alsof de engel zei: hij zal volstrekt goddeloos zijn; hij zal zo hoogmoedig zijn dat hij zichzelf boven alle mensen zal verheffen, ja boven alles wat God is of genoemd wordt, en alles wat hij doet zal hij doen tot zijn eigen eer en voordeel. Dit past ook beter op de paus. Vergelijk 2 Thess. 2:3-4.
den god Maüzzim
De zin is: Antiochus zal vast overal een nieuwen godsdienst invoeren; en wat aangaat den God der sterkten, [vergelijk Jer. 16:19 ] , of, den God van grote kracht, den God van Israël, hij zal in zijne plaats, te weten in den tempel te Jeruzalem, eren een god, te weten dien god, welken zijne vaders niet gekend hebben, namelijk Jovis Olympius, dien zal hij eren met goud, enz.; zie 2 Mach.6:2. Wil men dit op den Antichrist passen [wiens voorbeeld Antiochus geweest is], dat kan ook bekwamelijk geschieden. Anderen: en wat aangaat den God der sterkten, in zijne plaats zal hij eren, zal hij eren, zeg ik, een God welken zijne vaders, enz. Wat den God der sterkten belangt, zie boven vs.31; voor den God der sterkten hebben enigen het Hebreeuwse woord Maüzzim, of Maozim in den tekst gehouden.
Hertaald:
den god Maüzzim
De betekenis is: Antiochus zal overal een nieuwe godsdienst invoeren; en wat de God van de sterkten betreft (vergelijk Jer. 16:19), of de God van grote kracht, de God van Israël — in Zijn plaats, namelijk in de tempel in Jeruzalem, zal hij een god eren die zijn vaderen niet gekend hebben, namelijk Zeus Olympios; die zal hij eren met goud, enzovoort; zie 2 Makk. 6:2. Men kan dit ook goed op de antichrist toepassen, van wie Antiochus een voorafbeelding geweest is. Anderen: en wat de God van de sterkten betreft, in Zijn plaats zal hij een god eren die zijn vaderen niet gekend hebben, enzovoort. Over de God van de sterkten, zie vers 31; sommigen houden voor de God van de sterkten het Hebreeuwse woord Maüzzim of Maozim in de tekst aan.
zijn vaders niet gekend hebben,
Antiochus' voorouders hebben Jovis Olympius niet geëerd, maar Apollinus, Diana, Atargatides, gelijk Strabo getuigt in het zestiende boek Geogra. Alzo heeft ook de paus, in de plaats, dat is in de kerk of gemeente, van den waren God ingevoerd te eren een valsen god, dien zijne voorouders niet geëerd hebben, namelijk een versierden Christus, een hostie of een stukje brood, hetwelk hij versiert met goud, zilver en kostelijke paarlen.
Hertaald:
zijn vaders niet gekend hebben,
De voorouders van Antiochus hebben Zeus Olympios niet vereerd, maar Apollo, Diana en Atargatis, zoals Strabo getuigt in het zestiende boek van zijn Aardrijkskunde. Zo heeft ook de paus in de plaats — dat is: in de kerk of gemeente — van de ware God een valse god ingevoerd die zijn voorouders niet vereerd hebben, namelijk een verzonnen Christus, een hostie of stukje brood, dat hij versiert met goud, zilver en kostbare parels.
met gewenste dingen
Dat is, met allerlei kleinodiën.
Hertaald:
met gewenste dingen
Dat is: met allerlei kostbaarheden.
zal de vastigheden
Of, hij zal de zeer sterke vastigheden een vreemden god bevelen. De zin is: Antiochus' meeste vastigheid en sterkte zal gelegen zijn om te doen eren dien vreemden god, te weten Jovis Olympius, als zijnde patroon of beschermer der stad Jeruzalem en het Joodse land. Dit wordt gesteld tegen het begin van vs.38, waar de ware God genoemd wordt de God der sterkten, hier en ook daar is het woord Maüzzim.
Hertaald:
zal de vastigheden
Of: hij zal de zeer sterke vestingen aan een vreemde god toewijzen. De betekenis is: de grootste vastheid en sterkte van Antiochus zal erin liggen dat hij die vreemde god laat vereren, namelijk Zeus Olympios, als beschermheer van de stad Jeruzalem en van het Joodse land. Dit staat tegenover het begin van vers 38, waar de ware God de God van de sterkten genoemd wordt; hier en daar staat het woord Maüzzim.
dengenen,
Dat is, degenen, die hij weten zal hem en zijnen afgod toegedaan te zijn; die hij voor zijne vrienden kennen zal; hij meent de afvalligen, die het heidendom zullen bijvallen, indien men dit op Antiochus duidt. Van den Roomsen Antichrist is de zaak klaar. Anders, die [dien], te weten afgod, kennen, dat is, aannemen en eren.
Hertaald:
dengenen,
Dat is: van wie hij weet dat zij hem en zijn afgod toegedaan zijn, die hij als zijn vrienden erkent. Hij bedoelt de afvalligen die het heidendom zullen bijvallen, wanneer men dit op Antiochus betrekt; bij de Roomse antichrist is de zaak duidelijk. Anders: die hem — namelijk die afgod — kennen, dat is: aannemen en eren.
over velen,
Of, overtreffelijken, overvoortreffelijken. De zin is: Hij zal hen tot hoge staten bevorderen en hun het gebied over vele anderen geven.
Hertaald:
over velen,
Of: aanzienlijken, zeer voortreffelijken. De betekenis is: hij zal hen tot hoge ambten bevorderen en hun het gezag over veel anderen geven.
om prijs
Of, om winst, of om loon; dat is, dengenen, die hem geschenken en gaven geven. Al het voorgaande kan bekwamelijk op den paus gepast worden, gelijk ook de volgende verzen.
Hertaald:
om prijs
Of: om winst, of om loon; dat is: aan hen die hem geschenken en gaven geven. Al het voorgaande kan goed op de paus toegepast worden, evenals de volgende verzen.
op den tijd van het einde,
Dat is, als de tijd, van God bestemd, zal verschenen wezen. Vergelijk boven vs.35. Sommigen verstaan hier door den tijd van het einde het einde van het rijk van Antiochus, of de vervolging van het volk Gods. Doch zie boven Dan. 9:27 .
Hertaald:
op den tijd van het einde,
Dat is: wanneer de door God bepaalde tijd gekomen zal zijn. Vergelijk vers 35. Sommigen verstaan hier onder de tijd van het einde het einde van het rijk van Antiochus, of van de vervolging van Gods volk. Maar zie Dan. 9:27.
de koning van het Zuiden
De Saracenen, die eerst op het Romeinse rijk geweld gedaan hebben. Anderen duiden het op Ptolomeus Filometor koning in Egypte.
Hertaald:
de koning van het Zuiden
De Saracenen, die als eersten het Romeinse rijk geweld aangedaan hebben. Anderen betrekken het op Ptolemeüs Filometor, de koning van Egypte.
met hoornen stoten;
Gelijk de stieren, bokken en andere gehoornde beesten doen. Vergelijk Dan. 8:6-7 . De zin is: Hij zal een harden krijg tegen hem voeren.
Hertaald:
met hoornen stoten;
Zoals stieren, bokken en andere gehoornde dieren doen. Vergelijk Dan. 8:6-7. De betekenis is: hij zal een harde oorlog tegen hem voeren.
de koning van het Noorden
Sommigen verstaan hier den Turk, die het Saraceense rijk onder zich gebracht hebbende, met nog veel meerder geweld op het Romeinse rijk aangevallen is. Anderen duiden het op Antiochus Epifanes.
Hertaald:
de koning van het Noorden
Sommigen verstaan hier de Turk, die het Saraceense rijk onderworpen had en met nog veel meer geweld het Romeinse rijk aangevallen heeft. Anderen betrekken het op Antiochus Epifanes.
tegen hem aanstormen,
Dat is, als een stormwind op hem aankomen, of overkomen, of op hem aanlopen.
Hertaald:
tegen hem aanstormen,
Dat is: als een stormwind op hem afkomen, of op hem aanstormen.
overstromen
Dat is, als met een watervloed haastiglijk wegspoelen.
Hertaald:
overstromen
Dat is: als met een watervloed haastig wegspoelen.
doortrekken
Of, voorbijgaan, gelijk vs.10 en elders.
Hertaald:
doortrekken
Of: voorbijgaan, zoals vers 10 en elders.
in het land des sieraads,
Of, in het sierlijke land; dat is, in het Joodse land, dat is, in de kerk Gods, door hetzelve afgebeeld. Zie de aantekening Dan. 8:9 . Dit voorzegt de engel den Joden tot hun best, opdat zij indachtig zijnde dat hun dit alles overkwam door Gods voorzienige regering, zich daarin des te beter zouden kunnen schikken; en desgelijks de kerk van het Nieuwe Testament in de vervolging van den Antichrist.
Hertaald:
in het land des sieraads,
Of: in het sierlijke land; dat is: in het Joodse land, dat is: in Gods kerk, die daardoor afgebeeld wordt. Zie de aantekening bij Dan. 8:9. De engel voorzegt dit de Joden tot hun bestwil, opdat zij zich er des te beter in zouden kunnen schikken wanneer zij eraan dachten dat dit alles hun door Gods voorzienige regering overkwam. Evenzo geldt dat voor de kerk van het Nieuwe Testament in de vervolging door de antichrist.
vele landen
Zie hetgeen er volgt vs.42,43.
Hertaald:
vele landen
Zie wat volgt in vers 42 en 43.
zijn hand ontkomen,
Dat is van Antiochus, gelijk sommigen dit nemen, niet verdorven worden, maar zij zullen van hem vriendelijk aangenomen worden, namelijk daarom, omdat zij vijanden van de Joden waren en hun telkens krijg aandeden. Sommigen verstaan dit van enige kerken van het Nieuwe Testament, die het geweld van den Antichrist zouden ontgaan, of hem niet onderworpen worden.
Hertaald:
zijn hand ontkomen,
Dat is: zij zullen door Antiochus niet verwoest worden, zoals sommigen dit opvatten, maar door hem vriendelijk ontvangen worden — namelijk omdat zij vijanden van de Joden waren en hun telkens oorlog aandeden. Sommigen verstaan dit van enkele kerken van het Nieuwe Testament die aan het geweld van de antichrist zouden ontkomen of niet aan hem onderworpen zouden worden.
de eerstelingen der kinderen Ammons
Anders: de voornaamste. Hebreeuws, het beginsel van de kinderen van Ammon.
Hertaald:
de eerstelingen der kinderen Ammons
Anders: de voornaamsten. Hebreeuws: het begin van de kinderen van Ammon.
aan de landen leggen,
Om die met geweld zich te onderwerpen.
Hertaald:
aan de landen leggen,
Om die met geweld aan zich te onderwerpen.
niet ontkomen
Hebreeuws, het zal niet zijn ter ontkoming. De zin is: Het zal ook al zijn moedwil en wrevel onderworpen wezen, gelijk vs.43 breder volgt.
Hertaald:
niet ontkomen
Hebreeuws: het zal niet zijn tot ontkoming. De betekenis is: ook dat land zal aan zijn moedwil en wrevel onderworpen zijn, zoals in vers 43 uitvoeriger volgt.
die van Libyë,
Hebreeuws, Lubbim en Cushim.
Hertaald:
die van Libyë,
Hebreeuws: Lubbim en Kusjim.
zullen in zijn gangen wezen
Of, zullen zijne gangen vergezelschappen; doch naar de letter is het: Zullen in zijne gangen wezen; dat is, zij zullen hem ten dienste staan en alle gehoorzaamheid bewijzen. De manier van spreken is genomen van de slaven en dienstknechten, die achter of omtrent hunne heren gaan en staan, om bij alle gelegenheid op hun bevel te passen. Die volken hebben van allen kanten met Antiochus [op wien sommigen dit duiden] Egypte aangevallen, van hem met grote bezoldigingen daartoe gekocht zijnde, want daar tevoren hadden zij Ptolomeus Filometor hulp gedaan. Of, in zijne gangen; dat is, hij zal door derzelver land passeren, hij zal voorrgaan, of zijne voortgangen zullen zijn in zijne landen, waardoor sommigen Oost en West-Indië verstaan, omdat het kennelijk is dat de Moren eertijds wijd en breed in Oost-Indië geregeerd hebben, en ook van Afrika lichtelijk in Amerika tegenover liggende, hebben kunnen overtrekken.
Hertaald:
zullen in zijn gangen wezen
Of: zullen hem op zijn tochten vergezellen; maar naar de letter staat er: zullen in zijn gangen zijn, dat is: zij zullen hem ten dienste staan en hem in alles gehoorzamen. De manier van spreken is ontleend aan slaven en dienstknechten, die achter of naast hun heren lopen en staan om bij elke gelegenheid op hun bevel klaar te staan. Die volken hebben van alle kanten samen met Antiochus — op wie sommigen dit betrekken — Egypte aangevallen, doordat hij hen met grote betalingen daartoe gekocht had; want daarvóór hadden zij Ptolemeüs Filometor juist geholpen. Of: in zijn gangen, dat is: hij zal door hun land trekken; of: zijn tochten zullen door hun landen gaan, waaronder sommigen Oost- en West-Indië verstaan, omdat het bekend is dat de Moren vroeger wijd en zijd in Oost-Indië geregeerd hebben en ook gemakkelijk van Afrika naar het daartegenover liggende Amerika hebben kunnen oversteken.
de geruchten van het Oosten
De vervulling dezer zaak zal van God te zijner tijd worden geopenbaard. Sommigen duiden het op Antiochus Epifanes als een voorbeeld van den Antichrist. Doch velen verstaan het eigenlijk van den Antichrist.
Hertaald:
de geruchten van het Oosten
De vervulling hiervan zal God te zijner tijd openbaren. Sommigen betrekken het op Antiochus Epifanes als een voorafbeelding van de antichrist. Maar velen verstaan het eigenlijk van de antichrist.
verbannen
Zie de aantekening Deut. 2:34 .
Hertaald:
verbannen
Zie de aantekening bij Deut. 2:34.
hij zal de tenten
De zin is: Als hij bezig zal zijn om het volk Gods uit te roeien, zo zal zijn ondergang komen, en niemand zal hem kunnen redden, maar hij zal een ellendig einde hebben.
Hertaald:
hij zal de tenten
De betekenis is: wanneer hij bezig zal zijn Gods volk uit te roeien, zal zijn ondergang komen; en niemand zal hem kunnen redden, maar hij zal een ellendig einde hebben.
zijn paleis planten
Dat is, van zijn hof. Doch sommigen duiden dit op het afgodisch efodstuig van den Antichrist. Vergelijk Richt. 17:5 , enz. en Hos. 3:4 , met de aantekening. Verstaande zijn afgodische geestelijkheid en onreine afgoderij, waarvan Antiochus met zijn heidense afgoderij een voorbeeld was.
Hertaald:
zijn paleis planten
Dat is: van zijn hof. Maar sommigen betrekken dit op het afgodische efodgerei van de antichrist. Vergelijk Richt. 17:5, enzovoort, en Hos. 3:4 met de aantekening, waarbij zij zijn afgodische geestelijkheid en onreine afgoderij verstaan, waarvan Antiochus met zijn heidense afgoderij een voorafbeelding was.
aan den berg des heiligen sieraads;
Of, op den berg, of tegen den berg, te weten den berg Zion, dat is Gods kerk.
Hertaald:
aan den berg des heiligen sieraads;
Of: op de berg, of tegen de berg, namelijk de berg Sion, dat is: Gods kerk.
tot zijn einde komen,
Te weten tot het einde van zijn staat, dat over hem van God bestemd is.
Hertaald:
tot zijn einde komen,
Namelijk tot het einde van zijn bestaan, dat door God voor hem bepaald is. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De Meder, die het koninkrijk van de Chaldeen ontving na Belsazars dood, tweeënzestig jaar oud. Hij stelde Daniël aan tot een van de drie hoogste vorsten, maar werd door jaloerse ambtgenoten misleid tot een verbod op gebed, waardoor Daniël in de leeuwenkuil geworpen werd; toen Daniël ongedeerd bleek, liet Darius zijn belagers zelf in de kuil werpen en eerde hij de God van Daniël in het gehele rijk (Dan. 6). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het gezicht begint met een aankondiging: "er zullen nog drie koningen in Perzie staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom" (Dan. 11:2). Dan komt "een geweldig koning", wiens rijk na hem gebroken en verdeeld wordt, "maar niet aan zijn nakomelingen" (Dan. 11:3-4). Er volgt een lange reeks van koningen van het noorden en het zuiden die tegen elkaar optrekken, met huwelijken, verbonden en oorlogen (Dan. 11:5-20). Dan komt er "een verachte", die "in stilheid" en "door vleierijen" aan de macht komt (Dan. 11:21). Hij ontheiligt het heiligdom en neemt het gedurig offer weg (Dan. 11:31, reeds behandeld bij Dan. 8:11). Leraars van het volk houden tegen hem stand, sommigen tot de dood toe, "om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe" (Dan. 11:35). Bijbelse betekenis: Merk op hoe gedetailleerd dit gezicht is: koningen, huwelijken, veldslagen, jaartallen die zich met de geschiedenis laten vergelijken. Juist die nauwkeurigheid maakt duidelijk waarom het register hier geen namen invult: wat één keer als profetie gegeven is, hoort de lezer als profetie te lezen en niet als een geschiedenisboek waar de namen alvast bij staan. Wie hier iets van Perzische en Griekse koningen wil herkennen, kan dat bij een geschiedenisbron doen; het register beschrijft wat de tekst zegt. Let vervolgens op de herhaalde middelen van deze macht: stilte en vleierij, geen open oorlog maar bedrog dat van binnenuit werkt. Let ten slotte op Dan. 11:35: het lijden van de leraars heeft een doel — louteren, reinigen, wit maken — en een grens: tot de bestemde tijd. Lijden dat een doel en een einde heeft, is geen doelloos lijden. Typologie: Wat hier over het gedurig offer en de verwoestende gruwel gezegd wordt, is hetzelfde als bij Dan. 8:11-13 (reeds behandeld) en wordt door de Heere Jezus opnieuw aangehaald (reeds behandeld bij Matt. 24:15). De loutering van de leraars staat naast wat Paulus van de verzoeking zegt: God laat niet toe boven vermogen, maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst (1 Kor. 10:13). Dan. 11:2-4,21,31,35; Dan. 8:11-13; Matt. 24:15; 1 Kor. 10:13 "Die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken" (Dan. 11:36). In datzelfde vers staat een grens: "hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden." Hij eert geen god van zijn vaderen, "maar hij zal zich boven alles groot maken" (Dan. 11:37), en in plaats daarvan een andere god: "hij zal den god Mauzzim in zijn standplaats eren" (Dan. 11:38), letterlijk de god der vestingen — macht zelf wordt zijn godsdienst. Bijbelse betekenis: Merk op de twee richtingen waarin deze koning beweegt. Hij verwerpt elke god boven hem, en tegelijk aanbidt hij iets: sterkte, vestingen, macht als zodanig. Wie geen god boven zich erkent, vindt altijd een andere god onder zich. Let vervolgens op het woordje totdat in Dan. 11:36. Zijn voorspoed heeft een grens die vastligt, ook al lijkt hij oppermachtig; de tekst zegt uitdrukkelijk dat het besloten is. Let ten slotte op wat het register hier niet doet: over de identiteit van deze koning, evenals over die van Dan. 7 en 8, wordt geen naam ingevuld en geen tijdstip aangewezen. Typologie: Paulus tekent in bijna dezelfde woorden "de mens der zonde", die zich verheft "boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt" (2 Thess. 2:3-4, reeds behandeld). Beide teksten laten de tijd van vervulling aan God over. Dan. 11:36-39; 2 Thess. 2:3-4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst uitwerking Daniël 11 is het uitvoerigste profetische hoofdstuk van het Oude Testament. Het beschrijft de koningen van het noorden en het zuiden met een nauwkeurigheid die ongelovige uitleggers ertoe gebracht heeft het boek eeuwen later te dateren dan het zelf aangeeft. Aan het eind springt het vooruit naar een laatste tegenstander. Van die laatste tegenstander wordt gezegd dat hij nergens acht op geeft. Ook niet op wat de Statenvertaling de begeerte der vrouwen noemt. Het gedeelte tekent iemand die zich boven alles groot maakt. Hij spreekt wonderlijke dingen tegen de God der goden, hij geeft geen acht op de goden van zijn vaderen, en hij eert een god van vestingen die zijn vaderen niet gekend hebben. Alles wat gezag over hem zou kunnen hebben, schuift hij opzij. Midden in die opsomming staat een uitdrukking die de aandacht trekt. Er staat dat hij geen acht geeft op de goden van zijn vaderen, noch op de begeerte der vrouwen. Dat laatste is een merkwaardige zinsnede in een rij die verder over goden gaat. Er zijn uitleggers die daar iets in horen dat men gemakkelijk over het hoofd ziet. Zij lezen het als een verwijzing naar Christus: het beloofde Zaad van de vrouw, geboren uit een maagd. En zij verbinden het aan een hoop die in Daniëls dagen bij iedere gelovige vrouw kon leven. Namelijk dat zij misschien de uitverkoren vrouw zou zijn die de Messias baren mocht. Voor mensen die na de eerste komst leven klinkt zoiets vreemd, maar voor wie ervóór leefde was het een natuurlijke verwachting. Dat de Schrift die verwachting kent, staat vast. De allereerste belofte gaat over het zaad van de vrouw. Eva zelf lijkt bij de geboorte van haar oudste te hebben gedacht dat het al zover was: ik heb een man van de HEERE verkregen. Het duurde niet lang voordat zij inzag dat Kaïn dat niet was. En bij Jesaja krijgt de verwachting haar scherpste vorm: de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren. De lezing van dit vers is en blijft een vermoeden, en zij wordt hier ook zo gegeven. Anderen verstaan onder de begeerte der vrouwen een afgod die vooral door vrouwen vereerd werd. En weer anderen lezen er eenvoudig in dat deze man ook aan het huwelijk en de gewone genegenheid voorbijgaat. Wat er hoe dan ook overblijft is dit: van de laatste tegenstander wordt gezegd dat hij niets boven zich duldt, en dat hij zich groot maakt boven alles. Paulus tekent dezelfde man en gebruikt bijna dezelfde woorden — hij verheft zich boven al wat God genaamd wordt, en zet zich in de tempel Gods als een god. En Johannes zegt waaraan men zulke geesten kent: elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God niet. Wie de vleeswording ontkent, ontkent precies datgene waar de verwachting van de vrouwen op uitliep. In het Nieuwe Testament: 2 Thessalonicenzen 2:3-4; 1 Johannes 4:2-3; Genesis 3:15; Jesaja 7:14; Galaten 4:4 Hoever dit reikt: Dit is een mogelijke toepassing en niet meer, en de post geeft haar ook zo. De uitdrukking de begeerte der vrouwen wordt op verschillende manieren verklaard: als een verwijzing naar de verwachte Messias, als de naam van een afgod die vooral door vrouwen vereerd werd, of eenvoudig als het huwelijk en de menselijke genegenheid. Het Nieuwe Testament haalt dit vers niet aan en beslist de vraag niet. Wat wel vaststaat is de verwachting zelf, die vanaf Genesis 3:15 door de Schrift loopt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn. Daniël 11:32 Elke gelovige weet dat God leren kennen het mooiste en hoogste is wat er bestaat; deze geestelijke… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Het volk echter, zij die hun God kennen,… Daniël 11 vers 32 Elke gelovige begrijpt dat God kennen, de meest verheven… Maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen. Daniel 11:32 De HEERE is een krijgsman, 'Jehova is zijn Naam.' Degenen die onder… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 11
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De begeerte der vrouwen — 11:36-39
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
De kracht van geestelijke kennis
God kennen
Dapper voor de waarheid


Daniël 11
Daniël 11:32-33.KruisverwijzingenZacharia 9:13→Micha 5:7→Mattheüs 24:9→Maleachi 2:7→Johannes 16:2→Spreuken 19:5→Johannes 17:3→Zacharia 12:3→
— En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen. En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.
“En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.”
In de Schrift wordt voortdurend van de gelovigen gesproken als van mensen die verlicht zijn en van de HEERE geleerd. Zij worden niet in het donker gehouden opdat zij zouden geloven, maar juist in het licht van God gezet opdat zij geloven zouden. Kennis moet het voedsel van het geloof zijn.
Is de kennis onder God de Heilige Geest werkelijk het voedsel van het geloof, dan moeten wij, om sterk te zijn, veel kennis van de dingen van God verkrijgen. Want het geloof is de zenuw van de kracht van een mens. Het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn in het geloof en grote daden doen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-35.KruisverwijzingenDaniël 8:8→Daniël 8:22→Daniël 8:21→Daniël 11:16→Daniël 11:36→Daniël 11:13→Daniël 9:1→Daniël 5:31→
— Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius den Meder, om hem te versterken en te stijven. En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzie staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland. Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen. En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen dan deze. En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn. Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkander bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot den koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden. Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen. Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven den koning van het Noorden. Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken. Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.
Bij het Perzische rijk wordt de tegen God en Zijn volk vijandig overstaande wereldmacht nog overwonnen en gehouden, zodat de Perzische koningen den goeden geest volgen en Israël toegenegen zijn. Alzo is het niet ouder het Griekse rijk, wanneer het verbondsvolk reeds door de oorlogen der Ptolemeüssen en Seleuciden veel zal te lijden hebben, terwijl er eindelijk uit dit rijk een aartsvijand zal opstaan (vs. 1 en 2). De profetie, die zich hier aansluit, verdeelt zich in drie delen. Zij gaat uit van ene korte schildering der Perzische en Griekse Monarchie (vs. 2-4), zij gaat vervolgens over tot de voorstelling der gewichtigste oorlogen van de Ptolemeüssen en Seleuciden (vs. 5-20 en eindigt met ene uitvoerige en tot in bijzonderheden gaande beschrijving van Antiochus Epifanes en zijne voornaamsten. Het gevolg van diens verdrukking zal zijn, dat hij wel in zijne woede die partij der Joden, die haren God getrouw is zal vertrappen, maar toch daardoor slechts tot hare loutering zal medewerken (vs. 21-35). Luther zegt: “om dezen schelm is voornamelijk het gezicht gekomen tot vertroosting der Joden, die hij met alle plagen zou plagen; ” maar, zo voegen wij daarbij, om daardoor tevens een voorbeeld te hebben voor den laatsten tijd.
Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, den Meder, bij Michaël, die mij nu zo getrouw ter zijde stond, om hem te versterken en te stijven. In het eerste jaar van Darius den Meder, valt de geschiedenis, die in Hoofdst. 6 is meegedeeld; toen was het Israëls vorst, Michaël, die in den Profeet Daniël den geest der getuigenis verwekte, dat hij zich zo gedroeg, als van hem wordt meegedeeld; de Engel des Heeren stond bij hem, om den muil der leeuwen toe te stoppen, en keerde den uitslag der geschiedenis daarheen, dat Darius den God Israëls erkende voor hetgeen Hij is, en Daniël tot grote eer verhief. Onder den Perzischen koning Cyrus en diens opvolgers, was het te doen om den tegenstand onschadelijk te maken, dien de Joden eerst bij den tempelbouw en later bij het opbouwen der muren van Jeruzalem hadden. Hier was het de Engel des Heeren zelf, die den vorst van het koninkrijk in Perzië uit zijne plaats had verdrongen, en Michaël gaf hem daarbij zijne ondersteuning. Dezelfde verhouding bestaat ten opzichte van de bemachtiging van den vorst uit Griekenland, d. i. van dat geestelijk wezen, dat achter de koningen der Macedonische of Griekse Monarchie staat en invloed op hen uitoefent ten nadele der Joden. De strijd met dezen vorst zal zwaar zijn en zonder leed voor het volk Gods zal het niet aflopen (Hoofdst. 11:31 vv.), maar de vorst Michaël zal den Engel des Heeren helpen, het volk zal zijnen God erkennen, moed vatten en grote daden doen (Hoofdst. 11:32 vv.), Wij leren uit onze plaats, dat de strijd der verschillende geestesrichtingen op aarde, der goddelijke en der ongoddelijke, der Christelijke en der Antichristelijke, geenszins alleen een strijd is van principen, zo als men zich uitdrukt, en een strijd van mensen tegen mensen, maar dat achter de verschillende principen en partijen in de hemelse onzichtbare wereld ene macht ter bescherming en ter hulp staat, die het ene of andere principe voor het hare erkent, het aanvoeren van de ene of andere partij op zich neemt, en dat de laatste overwinning daarvan af hangt, welke partij des hemels almacht aan hare zijde heeft. De uitdrukkingen: “tandem bona causa triumphat, ” “eindelijk overwint het goede het kwade, de deugd de ondeugd, ” enz. zijn enkel abstracties; de Heilige Schrift maakt echter de dode begrippen tot levende gestalten. Zo moeten wij ook in 2 Thess. 2:7 bij het “die hem nu wederhoudt, ” namelijk dien boze, dat hij zich openbare in den mens der zonde, het zaad des verderfs, niet aan een bloot abstractum denken (aan iets als: “de zedelijke geest der maatschappij, de staat in zijne hogere betekenis), ” maar aan Christus zelven. Zo lang deze nog enigszins leeft in de wereld, in personen en inrichtingen, of in den Geest, die van Hem uitgaat, kan de Antichrist niet tot volkome openbaring komen. Eens zal echter Zijne hogepriesterlijke betekenis voor de mensheid zo in des mensen harten geschokt worden, dat Hem gene macht over de wereld meer overblijft, en Zijne gelovigen zullen eens zo geheel geplaatst zijn buiten het gehele maatschappelijke leven, dat zij zelfs niet meer kunnen kopen noch verkopen, omdat zij het teken van den Antichrist niet dragen (Openb. 13:16 vv.), dan is elke beperking gevallen, die nog voor een tijd de openbaring der zonde weerhield. Aan den opmerkzamen beschouwer der voorvallen en toestanden van onzen tijd dringt zich onweerstaanbaar de overtuiging op, dat alles de laatste dagen aankondigt; niet alleen in het burgerlijk verkeer gaat alles met stoom, maar ook in het Godsrijk spoedt zich alles naar het einde.
En nu hebt gij de nodige rust verkregen om aan te horen, wat Ik heb mede te delen; Ik zal u nu de waarheid te kennen geven; ziet er zullen na Kores, den nu regerenden vorst (Hoofdst. 10:1), nog drie koningen in Perzië staan, Kambyses, Pseudo-Smerdis en Darius Hystaspes (Ezra 1:4) en de vierde Xerxes I, zal verrijkt worden met groten rijkdom, meer dan al de anderen vóór hem, en nadat hij zich in zijnen rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland 1), zal hij tegen Griekenland ene ontzaglijke krijgsmacht zamenbrengen (Esther 1:4 en 2:16 Es).
De drie koningen zijn: Kambyses, de zoon van Cyrus, (529-522) maakte aan de heerschappij der Faraö’s in Egypte een einde, en het land tot ene Perzische provincie, Pseudo of de valse Smerdis, gaf zich voor een broeder van Kambyses uit en regeerde enige maanden, Darius Hystaspes (522-486) was uit het geslacht der Achemeniden. Hij wordt in Ezra 6:1 genoemd. De vierde koning is zijn zoon Xerxes, die door de veroveringen zijns vaders in het Oosten en Westen tot zo grote macht geraakt was (Esther 1:1), dat hij al zijne voorgangers in rijkdom en aanzien overtrof. Reeds zijn vader had de Grieken willen onderwerpen, doch zijne beide veldheren Darius en Artaphernes waren in het jaar 490, in den slag bij Marathon, door Miltiades, den Atheensen veldheer, totaal verslagen geworden. Xerxes meende door zijne grote macht de Grieken onder het juk te kunnen brengen. In het jaar 481 trok hij met een leger van 1. 700. 000 man over den Hellespont, zodat Macedonië en Griekenland met een stortvloed van krijgslieden werd overstroomd, waardoor de Spartaanse koning Leonides gelegenheid bekwam om bij de engte der Thermopylen, met zijne 300 dapperen voor het vaderland den heldendood te sterven, nadat hij de Perzen twee dagen lang met goed gevolg bestreden had en slechts door verraad viel; doch niet zonder onsterfelijken roem verworven, en der wereld het onmetelijke onderscheid tussen Grieken en Perzen verkondigd te hebben. Xerxes overstroomde Boeötië en Attika, en verwoestte het door zijne inwoneren verlatene Athene met de heiligdommen aldaar, hetwelk door de Grieken werd aangezien als ene misdaad tegen de goden gepleegd, en aan deze oorlogen het karakter van religie-oorlogen mededeelde. Bij het eiland Salamis kwam het nu eerst tot een zeeslag, in welke de Perzische vloot, 1. 000 vaartuigen sterk, door de veel kleinere Griekse, onder aanvoering van den vastberadenen en nietigen Themistokles, 480, op den 23sten Juli zulk ene beslissende nederlaag onderging, dat Xerxes met zijn leger den Hellespont over, naar Azië, waar hij zich veilig waande, terugweek, en slechts 300. 000 man keurtroepen onder Mardonius achterliet. Deze werden toen door een leger van 110. 000 Grieken onder het bevel van den Spartaan Pausanias, op den 25sten September 479 in den slag van Platea, zodanig geslagen, terwijl de Griekse vloot op dien zelfden dag het overblijfsel der Perzische zeemacht bij Mykale uiteenjoeg, dat de Grieken niet alleen het gehele veroveringsplan van dien rijken en trotsen koning door hun dapperheid en vaderlandsliefde verijdelen, maar ook hun voorwaarts streven op het gebied van wetenschap en kunst tot heil van de nawereld rustig voortzetten konden, en het eenmaal aan Mardonius gegeven antwoord tot waarheid maken, dat de Atheners, zo lang de zon haar baan bewandelde, de Perzen bestrijden zouden, totdat deze voor het verbranden der heiligdommen zouden hebben geboet; ofschoon zij deze bedreiging eerst onder Alexander den Grote vermochten gestand te doen, welke als de eigenlijke wreker der Perzische dwingelandij verschijnt, wien Gabriël ook, terwijl hij de verdere Perzische koningen voorbijgaat, tegenover Xerxes plaatst.
Daarna, 129 jaren na Xerxes’ dood zal er, van 336-323 v. Chr. een geweldig, een moedig, krijgshaftig koning in Griekenland opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, Alexander de Grote van Macedonië, en hij zal doen naar zijn welgevallen (1 Makk. 1:4). Het behoeft ons niet te bevreemden, dat de Perzische koningen, die op Xerxes volgen (Artaxerxes I, Xerxes II, Sogdianus, Darius II, Artaxerxes III, Arses, Darius Codomannus) niet genoemd worden. De tijd van Xerxes toch was inderdaad het toppunt der Perzische macht (Herod. VII:27 vv. Justin. II 10) en tevens ook het begin van het na hem steeds toenemend verval. Tot aan zijne regering, en voornamelijk door Darius Hystaspes werd aan de inwendige beschaving van het rijk gearbeid en de vergroting daarvan door nieuwe veroveringen bewerkt. Onder Xerxes zien wij dus het inwendige leven van den staat volkomen ontwikkeld, met zijne in Griekenland geledene nederlagen, na welke hij zich geheel aan het haremleven en aan alle denkbare uitspattingen overgaf, begint het verval, dat reeds bij zijnen dood zich begint te openbaren. Op onze plaats wordt tevens gewezen op het verband, als oorzaak en gevolg, tussen hetgeen in vs. 2 en in vs. 3 gezegd werd; want van de oorlogen af, die Xerxes met de Grieken voerde tot aan de overwinning van het Perzische rijk vond ene voortdurende vijandschap van Westen en Oosten plaats, die voor Alexander mede behoorde tot de voorwendsels, om den veldtocht tegen Perzië te openen (Arrian de exp. II, 14, 4).
En als hij op het toppunt van zijne macht zal staan, zal terwijl hij op nog jeugdigen leeftijd zonder wettige zonen sterft, zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden (vgl. Hoofdst. 8:22), maar niet aan zijne nakomelingenzal de heerschersstaf worden overgegeven, ook zal de macht zijner opvolgers niet zijn naar zijne heerschappij, waarmee hij heerste; want zijn rijk zal even als een boom uit de aarde uitgerukt worden, en dat niet voor zijne lichamelijke nakomelingen, maar voor anderen, dan deze. Alexander hield zich met nieuwe ontwerpen bezig, vooral met het onderzoeken der Kaspische zee, die onderscheid werd met de Zwarte of Indische zeeën gemeenschap te hebben, en met toerustingen tot het onderwerpen van Arabië. In deze belangrijke werkzaamheid werd hij eerst gestoord door het overlijden van Hephestion, degene zijner vrienden, die het best berekend zou geweest zijn, om hem op te volgen en de aangevangene taak in zijnen geest te voltooien. Dit verlies trof hem geweldig, en toen hij, na zich drie dagen lang aan zijne smart te hebben overgegeven, zijne bezigheden weer hervat had, werd hij zelf kort daarop, te Babylon, waar hij zich bevond, om het vaarwater van den Eufraat te onderzoeken, ernstig ziek, en stierf (323) tot grote droefheid van geheel zijn leger. Hij had slechts 33 jaar geleefd en al zijne daden verricht in ene regering van 12 jaar en 8 maanden. Het onverwacht overlijden van Alexander had geen opstand of afval der Aziatische landen ten gevolge, maar dewijl hij niets omtrent de opvolging bepaald had, en er niemand in zijne familie was, die den opengevallen troon met onbetwistbaar recht beklimmen kon, ontstond er onder zijne veldheren een strijd om dezen, die tot een reeks van ingewikkelde gebeurtenissen aanleiding gaf. Uit zijn rijk ontstonden vier rijken “naar de vier winden des hemels”; in het westen dat van Kassander in Macedonië; in het noorden van Antigonus in Opper-Azië; in het zuiden van de Ptolemeüssen in Egypte; in het Oosten van de Seleuciden in Syrië. “Het hoofdstuk zal slechts van twee spreken, dat van het Noorden en het Zuiden in betrekking tot Judea. Palestina zal dan worden ingetrokken in de onderlinge vorsten die ze besturen, beurtelings door hen bezet en vertreden worden, en alzo het onvermijdelijk gevolg ondergaan van gelegen te zijn tussen de strijders. (E. GUERS).
En de koning van het Zuiden (van Palestina, het middelpunt van het Godsrijk uit gerekend) Ptolemeus I van Egypte, die een van zijne, van Alexanders vorsten is, zal sterk worden, doch een anderde Seleuciden zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen, zijne heerschappij zal ene grote heerschappij zijn. Volgens de bij Jes. 14:5 ontwikkelde bestemming der profetie behoeft zij hier gene volledige wereldgeschiedenis uit den tijd na Alexanders dood ons te tekenen; zij trekt haren kring nauwer, en handelt alleen over de beide rijken, die uit Alexanders nalatenschap zijn voortgekomen, in Egypte en Syrië, welke op het lot van het heilige land den grootsten invloed zouden uitoefenen. Tot recht verstand van dit en de volgende verzen moeten wij eerst de namen en de opvolging der koningen in beide rijken ons voorstellen; in de onderstaande tafel zijn de koningen, die in de profetie vermeld worden, met grotere letters aangewezen, de overigen komen later bij het eerste boek der Makkabeën nader in aanmerking. Tijdrekenkundige tafel der voornaamste koningen van: I. Egypte en II. Syrië. Jaren vóór Chr. I. Egypte: 1 Ptolemeus I. (Lagi of Soter). 332-284. 2 Ptolemeus II. (Filadelphus). 284-247. 3 Ptolemeus III. (Euergetes). 246-221. 4 Ptolemeus IV. (Filopator of Trifon) 221-204. 5 Ptolemeus V. (Epifanes). 204-181. 6 Ptolemeus VI. (Filometor). 181-146. (Van 171-165 regeert Ptolemeus VII, deels alleen deels in gemeenschap met Filometor, zodat hij daarna het jaar 146 als het 25ste zijner regering rekende). 7 Ptolemeus VII. (Fyscon). 146-147. (De volgende koningen van Egypte kunnen wij voorbijgaan; wij laten nog alleen volgen:). 12 Ptolemeus XII (Auletes). 59-51. II. Syrië. 1 Seleucus I. (Nikator). 312-281. 2 Antiochus I. (Soter). 281-262. 3 Antiochus II. (Theos). 262-246. 4 Seleukus II. (Kalinicus). 246-227. 5 Seleukus III. (Keraunos). 227-224. 6 Antiochus III. (de Grote). 224-187. 7 Seleukus IV. (Filopator). 187-176. 8 Antiochus IV. (Epifanes). 176-164. 9 Antiochus V. (Eupator). 164-162. 10 Demetrius I. (Soter). 162-151. 11 Alexander I. (Bales). 151-146. 12 Demetrius II. (Nikanor). 146 (in dit jaar krijgt hij eerst in Antiochus VI een tegenkoning en vervolgens in Tryfon, totdat hij door de Parthers wordt gevangen genomen). 13 Antiochus VI. (Epifanes Dionysius). 146-143. 14 Tryfon (de Usurpator). . 143-139. 15 Antiochus VII. (Sidetes). . 139-130. (Na den dood van den laatsten had zijne dochter, de beruchte Cleopatra, eerst met haren anderen broeder Dionysos, vervolgens met den jongeren, Puer of de knaap genoemd, met welke beide zij gehuwd was, de heerschappij in bezit. Zij stond echter in overspeligen omgang eerst met Cesar, vervolgens met Antonius, totdat zij tegenover Octavianus zich van het leven beroofde; nu werd Egypte in het jaar 30 vóór Chr. in het Romeinse rijk ingelijfd). (De in het jaar 141 na Chr. gevangen genomene Demetrius II keert in 130 vóór Chr. terug en heerst na den dood van Antiochus VII, zijnen broeder, nog enigen tijd, doch stierf in 127 vóór Chr. De overige beheersers komen hier niet verder in aanmerking. De laatste Syrische koning was Antiochus XIII, dien Pompejus in het jaar 64 vóór Chr. verdreef en het land tot ene Romeinse provincie maakte). Ons vers bevat in weinige maar zeer karakteristieke trekken de verhouding van Ptolemeus en Seleukus Nikator. De laatste, een der generaals van Alexander van den tweeden rang, en onder hem bevelhebber der olifanten, had bij den dood des konings nog geen aanzien genoeg, om zelf ene provincie als stadhouder te verkrijgen; eerst na den dood van Perdikkas, in het jaar 321, ontving hij van den nieuwen rijksbestuurder de Satrapie Babylon. Hij kon zich daarin echter niet staande houden, toen Antigonus in het jaar 315 door overwinning van Eumenes het overwicht in Azië verkreeg, en vluchtte, om zich niet aan hem te onderwerpen, naar Egypte tot Ptolomeüs. Drie jaren later waren de omstandigheden zo veranderd, dat hij in vertrouwen op de gehechtheid der Babyloniërs het konde wagen naar zijne provincie terug te keren. Sedert dien tijd hield hij zich niet alleen staande, maar vergrootte hij ook steeds zijne macht, zodat men dit jaar 312 v. Chr. voor het begin van het rijk der Seleuciden houdt, en hiermede de Seleucidische Aera (tijdrekening) begint. Ook hij nam na den slag bij Ipsus den koningstitel aan, en stichtte gedurende de 18 jarige rust, die daarop volgde, binnen in zijn rijk, dat zich nu van de Middellandse zee tot aan de Indiën uitstrekte, ene menigte van nieuwe steden; minstens 43 danken aan hem haren oorsprong, vele andere heeft hij verfraaid en verbeterd. De beide beroemdste van die, welke hij nieuw aangelegd heeft, zijn Seleucia aan den Tiger en Antiochia aan den Orontes, de eerste naar hemzelven, de andere naar zijnen zoon genoemd. Seleucia moest in de plaats van Babel gesteld worden, dat door de menigvuldige overstromingen van den Eufraat in moerassen weggezonken en onbewoonbaar geworden was (vgl. Jes. 13:22). In korten tijd telde de stad meer den 600. 000 inwoners en Babylon werd geheel woest, totdat vervolgens in de 8ste eeuw na Chr. Seleucia door de Arabieren verwoest en in de plaats daarvan Bagdad aan den anderen oever van den Tiger gebouwd werd. Op gelijke wijze ontstond Antiochia; want toen na den slag bij Ipsus Syrië met de hoofdstad Antigonias in de handen van Seleukus viel, wilde hij die stad niet tot zijne residentie maken; hij verplaatste de inwoners in de door hem op ene vele schonere plaats aangelegde stad, waarheen hij zijnen zetel verplaatste, hoewel deze residentie te ver van de noordelijke delen van zijn rijk verwijderd was, en daarom het opzicht houden over deze zeer bezwaarlijk maakte. Door den oorlog met Lysimachus, die voor dezen zo ongelukkig uitviel, dat hij in den slag bij Kurupedion aan den Hellespont (282 voor Chr.) rijk en leven verloor, verkreeg Seleukus bij die provincies, die hij had, nog Macedonië en Thracië en een gedeelte van Klein-Azië, zodat hij nu het grootste gedeelte van Alexanders nalatenschap in zijn bezit had. Hiermede was, nadat ongeveer 2 jaren te voren Ptolemeus Lagi in het 83ste jaar van zijn leven gestorven was, ten volle vervuld, wat op onze plaats geschreven staat (vgl. Appian Sys. Cap. 55. Arrian. Cap. Alex. VII 22, 9), doch reeds in het volgende jaar vond Seleukus zelf den dood door de hand van den moordenaar Ptolemeus Keraunos (d. i. de bliksem), den oudsten zoon van dien Ptolemeus, dien deze om zijn hevigen, wilden, ja boosaardigen aard van de troonopvolging had uitgesloten, en die nu eerst bij Lysimachus in Thracië, vervolgens bij Seleukus in Azië zijne toevlucht gezocht had. Hij stierf juist toen hij zich naar de Thracische residentie Lysimachia in den Chersonnesus, wilde begeven, om de aangelegenheden van zijn groot, uitgestrekt wereldrijk te regelen, en onderweg een oud altaar uit den tijd van den Argonautentocht bezichtigde. Zijn zoon Antiochus I, hoewel hij door zijne schitterende overwinning over de in het land gevallen Galliërs (275 v. Chr.), zich den bijnaam van Soter d. i. Redder, verkreeg, was niet in staat onder zijne macht te houden, wat zijn vader in Voor-Azië veroverd had; hij moest Macedonië en Thracië overgeven, zelfs Coele-Syrië en de Fenicische steden gingen verloren, en kwamen aan Egypte. In de voor ons liggende voorspelling wordt hij met stilzwijgen voorbijgegaan, omdat zijne regering voor het volk Gods van gene bijzondere betekenis was. .
Op het einde nu van sommige jaren zullen zij, de koning van het zuiden en de koning van het noorden, zich door huwelijk met elkaar bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden, van Ptolemeus II van Egypte, zal komen tot den koning van het Noorden, tot Antiochus II van Syrië, om billijke voorwaarden te maken, om de onenigheden te doen eindigen en vrede te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, zij zal het doel niet bereiken, waarom het huwelijk gesloten is, noch hare plaats als koningin kunnen behouden, daarom zal hij, Antiochus II, noch zijn arm zijne kracht niet bestaan, maar zij zal overgegeven worden, aan het verderf worden prijs gegeven, en die haar gebracht hebben, de stoet, die haar vergezelde, en die haar gegenereerd heeft(beter: die zij gegenereerd heeft), en die haar (beter, die zij) gesterkt heeft in die tijden, haar gehele aanhang zal in dat verderf delen. Antiochus II, die zijn bijnaam Theos (d. i. God) aan de kruipende vleierij der Milesiërs te danken had, die hij van enen tiran had verlost, had zijne halve zoeter Laodice tot vrouw (zulke onnatuurlijke huwelijken waren toen zeer gewoon; Seleukus Nikator had te voren zijne gemalin Stratonice zelf aan zijnen zoon Antiochus I afgestaan, omdat deze door zulk een hartstocht voor haar aangegrepen was, dat hij dodelijk ziek werd); hij verstiet haar echter met hare zonen in het jaar 252 vóór Chr, toen Ptolemeus Filadelphus (d i. beminnaar van de zuster-zijne eigene lichamelijke zuster namelijk was na de verstoting van Arsinoë zijne tweede vrouw) van Egypte, dien hij op een onbezonnene wijze had aangevallen, en die hem in de volgende oorlogen verscheidene provincies van zijn rijk ontrukt had, dit tot een vredesvoorwaarde maakte, en zijne eigene dochter Berenice hem als gemalin aanbood. De laatste werd hem met een huwelijksgift van onmetelijke schatten en een talrijk Egyptisch gevolg gebracht. Toen echter Ptolemeus (dezen naam dragen evenzo alle Egyptische koningen uit den Macedonisch-Grieksen tijd, als de vroegere Egyptische beheersers gezamenlijk den titel van Faraö gedragen hadden) niet lang daarna (op het einde van het jaar 247) stierf, verstiet Antiochus Berenice weer en riep Laodice met hare zonen terug. Deze vertrouwde echter zijne wankelmoedigheid niet, bracht hem door vergif om het leven; terwijl zij slechts voorgaf, dat hij ziek was, enen zekere Artemon, die zeer op hem geleek, zijne rol liet spelen, verhief zij nu haren oudsten zoon Seleucus II Kallinikus op den troon. In dien tussentijd was Berenice met haar zoontje naar Dafna bij Antiochië (2 Sam. 8:6) ontvlucht; daar liet Seleukus haar door zijne troepen belegeren en voordat haar broeder Ptolemeus III, die haar te hulp snelde, haar kon bereiken, met kind en gevolg ombrengen. Daaruit ontstond ene nieuwe langdurige oorlog tussen beide rijken, op welken de volgende verzen doelen.
Doch uit de spruit harer wortelen zal er een opstaan in zijnen staat, Energetes, even eens behorende tot het huis der Ptolemeüssen, haar broeder, die zal, om haren dood te wreken, met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, van Seleukus, met den bijnaam Kalinikus, d. i. is roemvol overwinnende, en hij zal tegen dezelve doen wat bij zich voorgenomen heeft, en hij zal ze bemachtigen.
Ook zal hij hun goden, de goden der veroverde landen van het Syrische rijk, met hun vorsten, met hun gewenste vaten met hun prachtsieraden van zilver en goud in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven of voor den koning van het Noorden, zich in het bezit van het veroverde handhaven.
Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, 1) en hij zal wederom in zijn land terugtrekken: Ptolemeus zal in het land van Seleukus komen, doch door het gericht van een volksopstand moeten wederkeren naar Egypte.
De Egyptische koning Ptolemeus III (246-222 voor Chr.) zoon uit het eerste huwelijk van Ptolemeus Filadelfus en broeder van Berenice, die in zijns vaders plaats koning was geworden, trok tegen Seleukus II te velde. In enen veldtocht veroverde hij, in 245 v. Chr. nadat hij Antiochië ingenomen en Laodice gedood had, bijna alle Syrische landen. Nog 20 jaren lang bleef er ene bezetting achter in de zeestad Seleucia, die door natuur en kunst zo sterk en beneden aan de zeeëngte van Issus gelegen was. Toen hij ten gevolge van den bovengemelden opstand naar Egypte terugkeerde, bracht hij, gelijk Hiëronymus, bij onze plaats bericht, 40. 000 talenten zilver en vele kostbare vaten en afgodsbeelden tot ene waarde van 2. 500 talenten mede naar zijn land, onder de laatste ook die, welke ene Kambyses na de verovering van Egypte naar Perzië had gevoerd. Uit dankbaarheid voor dat alles gaven de Egyptenaren hem den bijnaam van Euergetes, d. i. weldoener. Later scheen het geluk Seleukus Kalinikus weer gunstiger te worden. Hij ondernam daarom een veldtocht tegen Ptolemeus, leed echter weer ene nederlaag, vluchtte door weinigen vergezeld naar Antiochië terug, en had nog ene lange reeks van moeilijkheden in zijn eigen land door te staan, daar hij zelfs in gevangenschap bij de Parthen geraakte. Enige geschiedschrijvers laten hem ook in deze sterven; volgens anderen vond hij den dood door enen val van het paard, toen hij uit Syrië toesnelde, om Klein-Azië tegen den inval van koning Attalus van Pergamus te beschermen. Beter: “Alzo zal deze in het koninkrijk van den koning van het zuiden komen. In vs. 16 is daarom sprake van denzelfden koning, die in het rijk van Egypte zou vallen.
Doch zijne zonen, eerst Seleukus III en later zijn jongere broeder, die hem in de regering opvolgde, Antiochus III zullen zich in den strijd mengen, ten strijde toerusten, en zij zullen ene menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen Antiochus III. bijgenaamd de Grote, zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken, zonder echter bij dezen eersten aanval iets van betekenis uit te richten, en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen tegen den koning van Egypte, Ptolemeus IV, tot aan zijne sterke plaats toe. Seleukus II was een verwijfd man, zowel naar lichaam als naar geest, zodat de bijnaam Keraunos (de bliksem) hem even zo min toekwam, als zijn vader den bijnaam van Kalinikus (zie vs. 7). Dadelijk bij het begin zijner heerschappij moest hij Klein-Azië aan Attalus overgeven. Toen hij echter, ondersteund door Acheüs, een zoon van den broeder zijner moeder, een krachtig man, drie jaren later weer optrok om zijn land te heroveren, werd hij door twee bevelhebbers van zijn leger in Frygië vergiftigd. Acheüs wees de koninklijke waardigheid, die hem door het leger werd opgedragen van de hand, en bracht in den naam van den 15jarigen broeder des vermoorden, van den in Syrië tot koning uitgeroepen Antiochus III, den krijg tegen Attalus snel en gelukkig ten einde, zodat Klein-Azië nu weer tot het rijk der Seleuciden behoorde; nu drong echter de heerszuchtige en twistzieke raadgever van den jongen koning, Hermeias, dezen tot enen oorlog met Egypte, om ook Coele-Syrië, Fenicië en Palestina weer te winnen. Werkelijk veroverde hij ook Seleucia aan den Orontes, en won hij met hulp van enen verrader Tyrus en Ptolemais. Toen hij nog met ene andere stad aan de Fenicische kusten bezig was, bood Ptolemeus Filopator, een wellustig en wreed vorst, met volle recht “Tryfon” (de zwelger) genoemd, die zich over ‘t algemeen passief tegen de aanvallen van Antiochus gedragen had, hem den wrede aan. In de zekere verwachting, dat ook het overige land bij de onderhandelingen van zelf zou toevallen, en dat van een man als Filopator niets verderfelijke te vrezen was, voerde hij met achterlating van bezettingen in de veroverde steden zijn leger in de winterkwartieren naar Seleucia terug. Nadat de verdere onderhandelingen tot geen resultaat geleid hadden, rustte zich Antiochus op nieuw ten strijde en kwam hij tot de Egyptisch grensvesting Rafija (tussen Gaza en Rhinocoiura).
En de koning, van het Zuiden, Ptolemeus Filopator, zal verbitterd worden, zal uit zijne werkeloosheid tot een krachtigen tegenstand opstaan, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, Antiochus den Grote, die ook ene grote menigtevoetvolk, ruiterij en olifanten oprichten, zamenbrengen zal, doch die menigte zal in zijne hand gegeven worden, het leger van Antiochus zal door Ptolemeus worden overwonnen (volgens ene andere verklaring: “hij zal het opperbevel zelf op zich nemen”).
Als die menigte zal weggenomen zijn, als hij het Syrische leger zal verslagen hebben, zal zijn hart zich verheffen 1), zal hij overmoedig worden, en hij zal er enige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden, de ogenblikkelijke betoning van moed zal spoedig voorbijgaan en de kracht verdrijven.
Beter: Als de menigte zich zal verheffen, zal zijn hart moed vatten. Het gevolg daarvan zal zijn, dat hij tienduizenden zal verslaan.
Na de overwinning over Antiochus den Grote (vgl. bij ‘t volgende vers) verhief zich het hart des Egyptischen konings; hij drong met geweld tot het Heilige der Heiligen in den Jeruzalemsen tempel door, toen hij van Rafia over Jeruzalem terugkeerde. De Joden mishandelden hem bij die gelegenheid zodanig, dat hij half dood uit den voorhof gedragen werd, waarom hij een bitteren haat tegen hen bleef koesteren.
Want de koning of Heer van het Noorden, Antiochus, zal wederkeren, en hij zal ene grotere menigte, dan de eerste was, oprichten, en aan het einde van de tijden der jaren 13 of 14 jaren later, zal hij snellijk komen met ene grotere heirkracht, en met groot goed. Nadat Ptolemeus Filopator al zijn land tot aan de grenzen van Egypte verloren, maar ook Zijne krijgstoerustingen ten einde gebracht had, trok hij met 70. 000 man voetvolk 5. 000 ruiters en 73 olifanten van Alexandrië op, Antiochus tegemoet (217 v. Chr.). Over dit leger had hij zelf het opperbevel op zich genomen; hij sloeg daarmee het bijna even zo sterke leger der Syriërs bij Rafia, en maakte meer den 40. 000 man gevangen. Hij, die gewoon was de dagen met eten en drinken, de nachten in kameren der ontuchtigheid door te brengen, maakte echter van zijne overwinning geen gebruik, en sloot met Antiochus vrede. Deze voerde daarop in de volgende 13 jaren tot aan den dood van Filopator gelukkige oorlogen in het Zuiden, Oosten en Noorden van zijn rijk, hij ondernam zelfs een tocht naar Indië, die hem behalve den bijnaam van den Grote, ook ene menigte olifanten bezorgde. Nu had hij de macht der Seleuciden weer tot zulk een hoog aanzien gebracht, dat, toen in het jaar 204 vóór Chr. de slechts 5 jaren oud zijnde Ptolemeus Epifanes op den troon van Egypte kwam, de koning Filippus II van Macedonië zich gaarne met hem verbond tot ene verdeling van het bezit der Egyptische landen.
Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het Zuiden, en de scheurmakers uws volks, 1) van Daniëls volk, Joden die tot hiertoe den Egyptischen koning onderworpen waren, maar nu opstaan en de zijde van Antiochus kiezen, zullen verheven worden zullen zich verheffen, om het gezicht van de ellenden, die onder de Syrische heerschappij over het volk Gods zullen komen (Hoofdst. 8:9 vv.) zonder het te weten of te willen (Hand. 13:27) te bevestigen, daar zij zelf behulpzaam zijn om deze heerschappij te weeg te brengen, doch zij zullen vallen, 2) zij zullen zichzelve en het land in een ontzaglijk verderf storten.
In het Hebr. Oebenee partsim amko. Beter En gewelddadige zonen van uw volk. Hiermede worden bedoeld, die Joden die zich verheffen buiten de grenzen der wet. Het zijn de afvalligen van de vaderlijke wet.
Over den nog onmondigen Ptolemeus Epifanes had Agathokles de voogdij, die echter op ene zo lage en overmoedige wijze handelde, dat de onderworpene landen tot opstand kwamen, en in Egypte zelf onlusten uitbraken; zo werd het voor Antiochus gemakkelijk, om Coele-Syrië, Fenicië en Palestina voor zich in bezit te nemen. De woordvoerders onder de Joden welke laatste onder Filopators heerschappij veel hadden moeten lijden, gingen daarbij naar de zijde van Antiochus over, voorzagen zijn leger van levensmiddelen, en hielpen de Egyptische bezetting uit den burg van Jeruzalem verdrijven. Naar menselijke mening komt dit gedrag evenzeer verstandig als gerechtvaardigd voor, en van Jozefus af tot op dezen onzen tijd leest men in gewone werken over geschiedenis slechts een goedkeurend oordeel, maar God, de Heere, heeft in de hier den Profeet medegedeelde voorspelling enen anderen maatstaf van beoordeling aan de hand gegeven, en er zo bij tijds voor gezorgd, dat de gelovigen onder Zijn volk, wanneer de profetie verstomd en er geen Profeet meer zijn zou, ene mening zouden hebben, die alleen waar was, en boven alle bloot menselijke en daardoor aan de dwaling onderworpene aanschouwing verheven was, opdat zij zich niet door het dwaallicht des verstands op valse wegen zonden laten lokken. “De profetie dringt hier (in dit gehele hoofdstuk) zo tot in de bijzonderheden der historie in, omdat het er op aankwam, dat het Joodse volk in staat werd gesteld bij den aanvang der voorzegde ontzaglijke verzoeking schrede voor schrede te zien hoe het volgens Gods raad geschiedde, dat zij juist onder die omstandigheden en in dien geschiedkundigen zamenhang hun overkwam.
En de koning van het Noorden, Antiochus III, zal komen, en enen wal rondom de stad, die hij wil innemen, opwerpen, en vaste steden innemen, en de armen, de machten van het Zuiden zullen niet bestaan, zullen niet kunnen verhinderen, dat die steden den belegeraar ten buit worden, noch zijn uitgelezen volk, ja er zal gene kracht zijn om te bestaan, men zal te krachteloos zijn tot een ernstigen tegenstand.
Maar hij, de koning van het noorden, die tegen hem, (hier en in het vorige vers is het land op den voor-, de koning op den achtergrond geplaatst, omdat de Egyptische koning toen geheel onzelfstandig was en nog een knaap van ongeveer 11 jaren) komt, die in de steden, van Ptolemaïs en Fenicië, welke tot dit rijk behoren, valt, hij zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan (Ruth 4:6); hij zal ook staan in het land des sieraads1), in Palestina (Hoofdst. 8:9), en de verderving zal in zijne hand wezen, hij zal het dierbaar land, waarop reeds lang de koningen van het zuiden het oog hadden, in zijne macht krijgen.
Palestina heet bij Daniël het land des sieraads, dewijl het een zeer schoon land was, hetwelk van melk en honing overvloeide, dewijl dit land als woonplaats van het volk Gods het heerlijkste en meest bevoorrechte was. Antiochus behandelde de Joden, die zich vrijwillig aan hem overgaven, met bijzondere verschoning en gunst en verplaatste ook 2. 000 Joodse families uit Mesopotamië, als ene soort van bezetting, naar Klein-Aziatische steden, wier nakomelingen wij, ten tijde van Paulus, in de Joden en Joden-Christenen dier streken aantreffen. Wat hij besliste was, dat de Joden voor goed onder de Syrische heerschappij geraakten.
En hij zal zijn aangezicht stellen, er met allen ernst aan denken, om met de kracht zijns gansen rijks te komen tegen den koning van het zuiden, om ook het overige van diens rijk te bemachtigen, en hij zal in plaats van dit voornemen met geweld ten uitvoer te brengen, liever om politieke redenen list gebruiken, en billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen, hij zal een verdrag van vrede en vriendschap met hem sluiten; want hij zal hem ene dochter der vrouwen geven, de prinses Cleopatra tot bruid, om haar te verderven, haar als een werktuig der verderving te bezigen, om door hare hulp dat land tot zich te trekker, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn, er zal niets komen van alle deze listig beraamde plannen. Na het wegnemen van Coele-Syrië, Fenicië en Palestina in het. jaar 203 v. Chr. kon Antiochus zijne plannen tegen Egypte vooreerst niet verder voortzetten, omdat hij zich in een oorlog met Attalus gewikkeld zag; intussen onderwierp de Egyptische veldheer Skopas die landen weer gedurende den winter van 199 op 198 v. Chr. totdat Antiochus in den daarop volgenden zomer uit Klein-Azië terugkeerde, Skopas aan de bronnen van den Jordaan sloeg en hem met de nog overgeblevene 10. 000 man in de vesting van Sidon terugdrong. Wel werd hem uit Egypte hulp gezonden om hem te ontzetten, maar deze bracht niets te weeg en Skopas zag zich door honger genoodzaakt tegen vrijen aftocht met de zijnen aan Antiochus de stad over te geven. De laatste drong hierop onophoudelijk voort, en nam weer alle vaste steden tot aan Gaza in. Wat hem nu echter bewoog, om aan de grenzen van Egypte, die bij reeds dreigde over te gaan, plotseling stil te houden in plaats van het land werkelijk in te rukken, en om met Ptolemeus Epifanes een verdrag te sluiten, was, dat hij het oog had op den voorspoed, dien de Romeinen juist om dien tijd tegenover zijnen bondgenoot Filippus van Macedonië in den eersten Macedonischen oorlog hadden. Hij moest vrezen, dat na diens overwinning de Romeinen, die reeds langen tijd de voogdijschap over den jongen koning Ptolemeus Epifanes op zich genomen hadden, en de ontwikkeling der Egyptische zaken in het oog hielden, zich tegen hem zouden wenden; hij zocht dit te voorkomen door bloedverwantschap met het Egyptische koningshuis aan te knopen. Alzo zond hij ene boodschap naar Egypte om ene verlossing te bewerken van zijne dochter Cleopatra (of om hare bijzondere jeugd, of om hare bijzondere schoonheid wordt zij hier ene “dochter der vrouwen” genoemd) met den nog jongen koning, als bruidsschat zou deze, zodra de echt kon voltrokken worden, haren gemaal Coele-Syrië, Samaria en Judea, waarom gestreden werd, aanbrengen. Het aanbod werd bereidvaardig aangenomen. Welke plannen Antiochus nu verder op die verbintenis voor de toekomst bouwde, kan niet nauwkeurig worden opgegeven, daar men in elk geval te veel vermoedt, wanneer men aanneemt, dat Cleopatra haren man òf door vergif had moeten uit den weg ruimen, òf door het verwekken van een oproer van den troon had moeten stoten, om het rijk aan haren vader over te leveren; hoe weinig er van die plannen gekomen is leert de verdere geschiedenis.
Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden, de steden van de kusten, en de staten der eilanden, keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijnen smaad tegen hem doen ophouden, 1) behalve dat of, doch hij zijnen smaad op hem zal doen wederkeren; die zal zijn trots, waarin hij ieder versmaadt, verbreken, en hem tot een schandelijken vrede dwingen.
In het Hebr. Wehisbith katsin cherpatho loo. Hij zal tot zwijgen brengen een overste, zijn smaad jegens hem. Het tot zwijgen brengen, moet toch ook hier weer opgevat worden van den koning van het noorden, wien echter zijn honen en smaden zal vergolden worden.
En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden; hij zal gedwongen worden om binnen de grenzen van zijn eigen rijk terug te trekken, waar hij den dood vinden zal. Antiochus had den Macedonischen koning willen ter hulp snellen, toen hij plotseling voor de grenzen van Egypte ophield (zie bij vs. 17); nu vernam hij dat deze bij Cynoscephalae (in het jaar 197) geheel geslagen was en met de Romeinen vrede had gemaakt; intussen liet hij zich daardoor niet terughouden naar het Noordwesten van Klein-Azië voort te rukken, op welken weg hij de landen aan de kusten in Karië en Cilicië, die van Egypte afhankelijk waren, veroverde om zich in Thracië te vestigen, waarop hij beweerde van zijnen overgrootvader Seleukus af recht te hebben. De Romeinen lieten hem door een gezantschap, dat hem in Lysimachia aantrof, hun ongenoegen over zijne ondernemingen te kunnen geven en deden den eis, dat hij daarvan zou afzien. Hij antwoordde daarop, dat Azië den Romeinen niets aanging en zij hem niets hadden te bevelen. De vredebreuk met Rome was volkomen beslist, toen niet lang daarna (in het jaar 195) de uit Carthago verdreven Hannibal bij hem toevlucht zocht. Op diens aandringen besloot hij den strijd tegen de Romeinen zelf, zonder echter tevens den raad te volgen hun in hun eigen land aan te vallen; integendeel besliste hij na een lang twijfelen voor een openen van den krijg in Griekenland, Daarheen brak hij in het jaar 192 v. Chr. op, nadat in den winter te voren het huwelijk van zijne dochter Cleopatra met Ptolemeus Epifanes gevolgd was, zonder dat deze toch het beloofde Coele-Syrië als bruidsschat had ontvangen. Hij trok met een leger van den Thracischen Chersonnesus op, en zetelde zich in Chalcis op het eiland Eubea, om daar te wachten op de aankomst zijner vloot en den gehelen winter in zwelgerij door te brengen. Intussen hadden de Romeinen tijd gewonnen, om zich uit te rusten. Zij wierpen hem het volgende jaar uit Europa en brachten den oorlog naar Azië over. In het jaar 189 kwam het vervolgens tot een slag bij Magnesia in Lydië, na welks voor Antiochus zo ongelukkigen afloop (van zijn leger, dat 70. 000 man voetvolk, 12. 000 ruiters, 56 olifanten en vele sikkelwagens telde, bleven 50. 000 man dood op het slagveld) de Romeinse overwinnaar, Lucius Cornelius Scipio hem de vredesvoorwaarden te Sardes voorschreef. Volgens deze moest Antiochus alle Aziatische landen aan deze zijde van den Taurus afstaan, 15. 000 Eubeïsche talenten (36. 000. 000 gulden) aan Rome en nog andere contributiën binnen de eerste twaalf jaren betalen, bovendien zou hij gene oorlogsschepen en gene krijgs-olifanten meer houden. Zo snel en schandelijk ging zelden ene grote mogendheid ten gronde als het rijk der Seleuciden onder dezen Antiochus den Grote. Hij zelf werd enigen tijd daarna (in het jaar 187 v. Chr.) bij de plundering van den Belustempel in Elymaïs (ten zuiden van de Kaspische zee) met welke schatten hij zijne ledige kasten dacht te vullen, door de inwoners met zijn gevolg gedood; onder de 20 gijzelaars, die hij den Romeinen als onderpand zijner gehoorzaamheid had moeten geven, bevond zich ook zijn zoon Antiochus.
En in zijnen staat, in zijne plaats zal er een, zijn oudste zoon Seleukus IV, bijgenaamd Filopator, opstaan, doende een geldeischer doortrekken, in koninklijke heerlijkheid, enen, die het geld wegneemt en afperst; maar hij zal in enige dagen, nadat hij ook ene schatting op het sieraad van zijn rijk, de heilige stad met haren tempel, door zijnen afgezant, Heliodorus, had laten leggen, gebroken worden; hij zal plotseling om het leven komen, nochthans niet door toornigheden, gelijk zijn vader in een volksoproer omkwam, noch door oorlog maar door de listigheid van denzelfden Heliodorus, van wien hij zich als werktuig tot de ondernomen misdaad tegen Jeruzalem bediend had. De oorlogsschatting die aan Antiochus opgelegd was (zie bij vs. 19) was nog in lang niet volledig betaald, zijn opvolger Seleukus IV, om toch met koninkrijken luister te kunnen regeren, had het in de elf jaren van zijne, uit zwakheid vreedzame en werkeloze regering (absque ullis proeliis in glorius noemt Hiëronymus hem bij onze plaats) bijna uitsluitend met geldafpersingen te doen. Om nu aan zijnen nog jongen zoon Demetrius ene Romeinse opvoeding te laten geven, zond hij dien omtrent het jaar 123 v. Chr naar Rome, en verzocht van den Senaat in plaats van dezen zijnen broeder Antiochus, die zich daar nog steeds als gijzelaar bevond (1 Makk 1:11). Deze was echter nog niet in zijn vaderland teruggekeerd, toen Heliodorus van de afwezigheid van den erfgenaam des troons gebruik maakte, om Seleukus te vergiftigen, en zich zelven van den troon meester te maken.
Daarna zal er een verachte in zijnen staat, in zijne plaats staan, een, die juist het tegendeel is van hetgeen zijn bijnaam zegt; deze toch is Epifanes, de edele, doch in plaats daarvan wordt hij door wereldse geschiedschrijvers Epifanes, d. i. de dolle genoemd, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven, daar eigenlijk niet hij, maar zijn broeder Demetrius het naaste recht tot den troon had; doch hij zal in stilheid komen, onverwacht, als niemand het vermoedt (Dan. 8:25), en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen; op een listige en doortrapte wijze zal hij zich van het rijk meester maken. Antiochus IV, de broeder van Seleukus, was juist op zijne terugreis van Rome (zie bij vs. 20) in Athene aangekomen, toen het bericht van den dood zijns broeders en van de troonsbeklimming van Heliodorus tot hem kwam. Hij snelde aanstonds naar Pergamus en bewoog Attalus (dezen naam dragen alle koningen van Pergamus even als die van de Filistijnen in den Bijbel Abimelech heten (Gen. 26:1). Heliodorus (men lette op de nauwkeurigheid, waarmee in ons vers is aangewezen, hoe Antiochus aan de regering kwam, zodat het den Joden, dien deze profetie bekend was, reeds bij het begin der regering van Antiochus niet twijfelachtig kon zijn, dat van hem het voorzegde onheil over hen zou komen) uit de heerschappij, die hij zich aangematigd had, te verdrijven, in de plaats daarvan hem op den Syrischen troon te verheffen. Hij wist vervolgens door zijne gladde tong de Syriërs voor zich te winnen; hij heeft echter den bijnaam Epifanes, dien hij zich zelven gaf, zozeer tot het tegendeel daarvan doen worden, dat hij bijv. dikwijls dronken en met rozen bekranst alleen op de straten rondliep, en toen het feest van de overwinning der Romeinen over Perseus gevierd werd, stond hij van de tafel op, wierp zijne klederen af en danste naakt voor het aanwezig gezelschap, zodat allen vol afkeer daarvan heengingen. Hij bezocht vlijtig de baden der stad, en gaf zich daar aan kinderachtige dwaasheden over; hij dronk in gaarkeukens met ieder die binnenkwam, en wanneer hij vernam, dat ergens jonge mensen tot een gelag zamen waren, trad hij onaangemeld met zang en muziek onder hen binnen, om mededeelgenoot daarvan te zijn, in het kort, het is ene wijze populariteit, waarop hij zich toelegde, verbonden met ene schaamteloosheid zonder voorbeeld. Daarnevens bezat hij onloochenbaar ook grote bekwaamheden, een krijgsmansmoed en ene bijzondere kunstliefde. Om zijn fanatismus voor den heidensen godsdienst heeft later de Romeinse keizer Julianus Apostata d. i. de afvallige (hij regeerde van 363-361 v. Chr.) hem zo hoog vereerd, dat hij hem zich ten voorbeeld nam. De wereldgebeurtenissen, zo merkt Auberlen ten opzichte van dezen koning op, worden door God en Zijn woord met enen anderen maatstaf gemeten dan door onze profane beschouwing der geschiedenis. Wat hier groot schijnt is daar klein, en omgekeerd. Wat door de wereldgeschiedenis wordt voorbijgezien, wat uit den natuurlijken loop der zaken van zelf schijnt voort te komen, dat is beslissend. Deze beschouwing dringt zich vooral ten opzichte van Antiochus aan ons op; hij was een Syrisch koning midden onder de overigen: in de wereldgeschiedenis trekt hij geen buitengewone aandacht. Ook in de Israëlietische geschiedenis is het desgelijks; de kommervolle tijd der 62 weken (Hoofdst. 9:25) ging daarna even als vroeger voort, de verdrukking door Antiochus sloot zich natuurlijk aan het velerlei lijden en aan de verdrukkingen aan, welke voor de Joden uit de altijd voortdurende oorlogen der Ptolemeërs en der Seleuciden reeds tot hiertoe waren ontstaan. En toch stond in dat korte tijdsbestek het bestaan van het Godsrijk in de wereld op het spel, zo als nooit te voren; om die reden wordt het ook door de profetie zo sterk op den voorgrond gesteld en te voren zo nauwkeurig beschreven, als nauwelijks enige andere tijd. Wij zien dat grote gebeurtenissen in het rijk van God geheel op den gewonen weg der geschiedenis kunnen ontstaan en voorvallen. Ook in dit opzicht is Antiochus een voorbeeld van den Antichrist. De laatste is toch eveneens oorspronkelijk een kleine hoorn, die slecht langzamerhand opwast, totdat hij groter wordt, den zijne genoten (Hoofdst. 7:8, 20; 8:9) (geheel overeenstemmende hiermede schildert het nieuwe Testament den tijd, die aan de toekomst van Christus voorafgaat (Luk. 17:27 vv. 1 Thess. 5:3 16:9, 11). Men eet, men drinkt, men trouwt, men koopt en verkoopt, men bouwt en plant nog voort, de maatschappij gaat haren geregelden gang, welvaart, nering, handel, onderwijs zijn in den hoogsten bloei, men stelt zich veel schoners in de toekomst voor; men zegt: “Er is vrede en geen gevaar. ” En al komen ook de meest opmerkelijke Goddelijke gerichten de ogen worden gehouden, dat men ze niet als gerichten of zelfs niet als voortekenen erkent en tot gene bekering komt. Dan zal het verderf snel overvallen als de smart ene barende vrouw en zij zullen niet ontvlieden.
En de armen der overstroming 1) de Egyptische legerscharen, die het gehele land dreigen te overdekken, zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, als hij met zijne legerscharen hen snel heeft weten te voorkomen, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst des verbonds, koning Ptolemeus VI of Filometor van Egypte, die door zijne moeder Cleopatra in zulk ene nauwe betrekking des bloeds tot hem stond, zal geheel en al afhankelijk gemaakt worden.
In het Hebr. oezeroöoth hasjètef. Dit kan wel letterlijk vertaald worden, de armen der overstroming, maar hier is beter vertaald: De overvloeiende strijdkracht. De Heere God voorspelt hier dat hoe machtig de legers zullen zijn, en met hoeveel strijdkracht men tegen hen zal oprukken, deze toch zullen verbroken worden.
En na de vereniging met hem, na hem de beste toezeggingen van welwillendheid en vriendschap gegeven te hebben, zal hij bedrog plegen, en hij zal van Pelusium, na dit door ene enen koning onwaardige krijgslist ingenomen te hebben, optrekken naar het eigenlijke Egypte, en hij zal met weinig volks gesterkt worden, daar hij op ene listige wijze handelt, en zich als een vriend voordoet.
Met stilheid onvoorziens zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal het werk der onderwerping van Egypte doen, dat zijne vaders, of de vaders zijner vaderen niet gedaan hebben, die bestendig in geldgebrek waren; roof, en buit, en goederen zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden, tegen de vaste steden, tot Alexandrië toe, zijne gedachten denken, doch tot enen zekeren tijd toe; bij de meerderjarigheid van Ptolemeus zal hij het land weer moeten verlaten. In het jaar 195 vóór Chr. had Ptolemeus Epifanes (zie bij vs. 17) de heerschappij zelfstandig overgenomen, en hield daarin stand doordat hij zich met de Romeinen in betrekking stelde en zich zorgvuldig wachtte, zijnen schoonvader Antiochus III tegen hen (vs. 19) te ondersteunen. Maar reeds in zijn 28ste levensjaar stortten zijne buitensporigheden hem in een vroegtijdig graf. Hij liet bij zijnen dood twee zonen achter, van welke later de oudste onder den naam van Ptolemeus VI, met den bijnaam Filometor (liefhebber van zijne moeder), de jongere onder den naam Ptolemeus VII met den bijnaam Fyscon (d. i. vetbuik om zijne buitengewone dikte zo geheten) regeerde. Voor het tegenwoordige voerde echter Cleopatra, de moeder van die beide, de dochter van Antiochus den Grote, het regentschap. Hoewel zij nooit de landen ontving, die haar bij haar huwelijk met Epifanes beloofd waren, namelijk Coele-Syrië, Fenicië en Palestina, liet zij om wijze redenen ook gedurende de 8 jaren, dat zij als voogdes regeerde, hare aanspraken rusten. Toen zij echter ongeveer in het jaar 173 vóór Chr. stierf, en de beide Egyptenaars Elaeus en Lanaeus de voogdijschap over Ptolemeus VI opnamen, eisten deze spoedig daarop die landen. Antiochus Epifanes sloeg dien eis af, daar zij de belofte eens door zijnen vader gedaan niet erkende, en begon, daar de Egyptenaar zich tegen hem uitrustte, zelf den krijg. Hij sloeg ook den vijand westelijk van de Karsische bergen in het jaar 171 v. C. hij liet echter, om voor de Egyptenaren als zacht voor te komen en hun harten voor zich te winnen, het bloedbad, dat de zijnen aanrichtten, ophouden, daar hij overal op het slagveld rondreed en hun verschoning aanbeval. Ene onwaardige krijgslist (Polyb. XXVII, 17), en, zo als het schijnt, ook ene overeenkomst met de Egyptenaren opende hem hierop Pelusium, en spoedig was hij in het bezit van het gehele land. Nu knoopte Ptolemeus Filometor door gezanten, onderhandelingen met hem aan, hij begaf zich ten laatste zelf tot hem naar Memfis. Antiochus behandelde den jongen koning zeer vriendelijk, verzekerde hem van zijne welwillendheid. en liet hem ook voor den robijn de heerschappij, wel wetende, dat hij zelf nu toch de eigenlijke heerser was, terwijl een volledig annexeren van het land noodzakelijk de Romeinen tegen hem zou doen aanrukken. Jegens de inwoners betoonde hij zich zeer mild tot verkwistens toe, gelijk dit zijn aard was; in Naukratis bijv. schonk hij aan elken Griek een goudstuk; toch gelukte het niet Alexandrië, waarheen hij van laatstgenoemde stad over den Nijl heenging, in zijne macht te krijgen, integendeel zeilde bij van daar naar Cilicië, om een opstand der bewoners van Tarsus en Mallus te dempen; vervolgens begaf hij zich naar Tarsus, waar zijne scheepswerven waren, om den veldtocht van het volgende jaar voor te bereiden. In dezen tijd valt de gebeurtenis, welke in 2 Makk. 6:27 vv. bericht is.
En hij zal in de volgende lente zijne kracht en zijn hart, zijn krijgsmoed, verwekken tegen den koning, van het Zuiden, tegen Ptolemeus Fyscon, die gedurende zijne afwezigheid uit Egypte tot de heerschappij zal komen, een jongere broeder van Filometor; hij zal komen met ene grote heirkracht; en de koning van het Zuiden deze Ptolemeus VII, zalom de aangematigde heerschappij te behouden, zich in den strijd mengen, begeven met ene grote en zeer machtige heirmacht; doch hij zal niet bestaantegenover den vijand, want zij zullen in zijn eigen leger verraderlijke gedachten, verraderlijke aanslagen tegen hem denken tegen hem bedenken.
En die de stukken zijner spijze zullen eten, de voornaamsten van zijn hof, wien hij alle gunst betoond heeft, zullen hem, den koning van Egypte, breken, hem helpen verderven, en de heirkracht deszelven zal overstromen zal daarheen vlieten en vele verslagenen zullen vallen, want de koning van het Noorden zal, gelijk hij reeds in den vorigen veldtocht deed, op grote schaal zijn systeem van omkoping volgen (vs. 23 v.), en alzo velen tot zijne zijde weten over te halen.
En het hart van beide deze met elkaar verbondene koningen, namelijk van Antiochus van Egypte, in wiens belang de eerste den gehelen veldtocht begonnen heeft, zal wezen om kwaad te doen, elk zal trachten den ander te bedriegen; daar elk van beide meester van het land zal willen zijn, zal ieder er op peinzen, hoe hij van den schijnbaren vriend en bondgenoot zal los komen, en aan ééne tafel, hoewel zij uiterlijk met elkaar in verbond staan, en gemeenschappelijk tegen Fyscon strijden, zullen zijtegen elkaar leugen spreken; en het zal niet gelukken, geen van beiden zal nu reeds zijn doel bereiken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd, de eindelijke uitslag zal eerst op een anderen tijd blijken.
En hij, de koning van het Noorden, Antiochus Epifanes, hoewel hij zijn voornemen niet bereikt heeft, zal in zijn land wederkeren met groot goed, terwijl hij vroeger bezit had moeten uitdelen (vs. 24), en zijn hart zal zijn, op den weg, die hem naar Syrië terugvoert, tegen het heilig verbond van God met Zijn volk Israël. Dit zal hij naar aanleiding van inmiddels in Judea uitgebroken onlusten met zware straffen bezoeken; alzo zal hij een begin maken met zijne ondernemingen tegen den waren godsdienst, en hij zal het doen, want hij zal de stad innemen, in het heiligdom indringen, den tempel van zijne gereedschappen en schatten beroven, en het huis van Jacob vol van smaadheid en ellende maken, en nadat hij in Jeruzalem een bestuurder heeft aangesteld, die nog woester en wilder is, dan hij zelf, zal hij wederkeren in zijn land. Nadat Antiochus tegen het einde van het jaar 171 vóór Chr. van Alexandrië was afgetrokken (zie bij vs. 24), stonden de inwoners tegen Filometor op, die hun slechts als een werktuig van den Syrischen koning voorkwam; zij verjaagden hem en zetten in zijne plaats zijnen nog jongeren broeder Fyscon op den troon, over wien zij twee voogden stelden. Het grootste gedeelte van Egypte erkende hem, en nu rustte men zich met alle kracht ten strijde tegen Antiochus, wanneer hij mocht willen wederkomen. Deze had daartoe natuurlijk nu een des te beter voorwendsel, omdat hij zichzelven als den beschermer van den wettigen koning, van Filometor beschouwde, en begon werkelijk in de lente van het jaar 170 vóór Chr. enen tweeden veldtocht tegen Egypte. Bij Pelusium behaalde hij ene overwinning over de vijandelijke vloot, sloeg vervolgens in haast ene brug over den Nijl, en rukte nu tot voor Alexandrië. Van welken aard het in vs. 26 vv. genoemde verraad onder de hovelingen van Fyscon geweest is, dat Antiochus het snel voortrukken gemakkelijk maakte, wordt door de geschiedschrijvers nader bericht, alleen in 2 Makk. 10:13 wordt gemeld dat Ptolemeus Makron, die over het eiland Cyprus gesteld was, van hem afviel en tot Antiochus overging. De belegering van Alexandrië duurde langen tijd. Bij Antiochus bevond zich ook Filometor, dien hij voorgaf weer aan zijn koninkrijk te willen helpen (Liv. XLV:11. 8). Deze hield zich, alsof hij de leugen geloofde, doch hij wist zeer goed, wat zijn “heer oom, ” eigenlijk bedoelde, en zou gaarne van hem willen bevrijd zijn, zo hij zich slechts van hem had kunnen ontslaan. Toen kwam het bericht van de overrompeling van Jeruzalem door den verdreven Hogepriester Jason; men had dus daar niet bedacht, wat aan het slot van het 27ste vers van ons hoofdstuk staat, dat het einde nog niet daar was; maar had lichtvaardig het gerucht van ‘s konings dood geloofd en moest daarvoor nu zwaar boeten. Om een afvallen van Judea achter zijnen rug, dat voor zijne ondernemingen tegen Egypte zo gevaarlijk kon worden, te verhinderen, staakte Antiochus voor ‘t ogenblik de belegering van Alexandrië, hoewel de nood in de stad reeds zeer groot was, hij liet Filometor als tegenkoning van zijnen broeder in Memfis achter, waarbij hij Pelusium, den sleutel van het land, door ene sterke bezetting, die hij in de vesting legde, in zijne hand hield, en spoedde naar Judea; hoe hij hier met Jeruzalem handelde is bij de boven aangehaalde plaatsen van het eerste boek der Makkabeën nader beschreven.
Ter bestemder tijd, ongeveer 1 1/2 jaar later, een tijd in Gods raad lang te voren bepaald, zal hij wederkeren, en tegen het land van het Zuiden, tegen Egypte komen, doch het zal bij dezen nieuwen veldtocht niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste 1) reize, toen hij met niet groten buit terugkeerde, den wettigen koning in zijne macht had, en den sleutel des lands behield.
Dit wil zeggen, dat deze laatste veldtocht niet zo gelukkig zal aflopen als de eerste, waarvan vroeger sprake was. De reden waarom wordt in de volgende verzen gemeld.
Want er zullen schepen 1) van Chittim, van gene zijde van Cyprus (Num. 24:24), hier zowel als uit Italië, tegen hem komen; daarom zal hij met smart bevangen worden, dewijl hij zijne hoogdravende plannen tegen het Zuiden niet verder kan voortzetten, en hij zal wederkeren om zich voortaan bij zijn eigen land tegen het Noorden te bepalen, en gram worden tegen het heilig verbond, tegen Israëls godsdienst, en hij zal het doen, hij zal de uitroeiing van dezen godsdienst met nog veel meer nadruk beginnen, en tot zijn levensdoel maken, dan hij vroeger deed, toen hij daarmee een aanvang maakte (vs. 28), want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds, hij zal door beloningen en onderscheidingen de afvalligen ondersteunen, en den Grieksen godsdienst tot godsdienst van het land verheffen. 1).
Men zou in verzoeking geraken, om voor tsijim = schepen, tsirim = gezanten te lezen, om zich daarbij het echt Romeinse gedrag van den gezant Popillius nog levendiger voor ogen te stellen. De geschiedenis meldt ons, dat een gezant van Rome, dat bestemd was om later het vierde wereldrijk te worden, Markus Popillus Lenas, op het zand een kring beschreef rondom den persoon van Antiochus, en dien koning van het Noorden dwong die niet te overschrijden, voordat hij plechtig beloofd had Egypte te zullen ontruimen. (E. GUERS).
Nog gedurende de belegering van Alexandrië door Antiochus in den herfst van het jaar 170 vóór Chr. toen daar de nood op het hoogst gestegen was (zie bij vs. 28) had Ptolemeus Filometor in gemeenschap met zijne zuster Cleopatra gezanten naar Rome gezonden, den senaat om een bevel aan den Syrischen koning laten verzoeken, om de belegering op te heffen en zich van alle verdere vijandelijkheden tegen Egypte te onthouden. Zulk een bevel werd ook werkelijk gegeven, daar de Romeinen zich als beschermheren en voogden van al de landen van de aarde beschouwden, doch Cajus Popilius Lenas, die tot bijlegging van den krijg door Rome was afgezonden, opgehouden bij het eiland Delos, vernam intussen, dat Antiochus Egypte reeds had verlaten en stelde zijne tussenkomst tot op een gelegenen tijd uit. In den daarop volgenden winter van 170-169 v. C. knoopte vervolgens Ptolemeus Filometor, die, gelijk wij boven zagen, gaarne vrij zou geweest zijn van het protectoraat (beschermheerschap) van Antiochus, met zijnen broeder Ptolemeus Fyscon onderhandelingen aan, en de verzoening der beide broeders. ernstig ondersteund door hun zuster Cleopatra, kwam werkelijk tot stand. Filometor werd in Alexandrië opgenomen en deelde voortaan met Physkon de regering. Toen Antiochus dat hoorde rustte hij zich tot den krijg toe tegen de beide koningen. Met het begin der lente van 168 v. C. rukte hij Coele-Syrië binnen, terwijl zijne vloot het eiland Cyprus wegnam, en zette nu zijn leger naar de zijde der Egyptische grenzen in beweging. Bij Rhinocolora kwam hem een gezantschap uit Alexandrië te gemoet, dat in den naam der beide koningen den vrede zou trachten te bewerken. Hij stelde echter zo zware voorwaarden, dat de vijandelijkheden verder gingen, en reeds in het midden van den zomer daalde Antiochus in langzame dagreizen van Memfis naar het dieper gelegene Alexandrië. Nog slechts enige duizende schreden was hij van de stad verwijderd, toen bovengenoemde Romeinse gezant Popilius hem ontmoette, om zijn last te volbrengen. Antiochus was met dezen man van zijn oponthoud in Rome af bevriend geweest; hij wil hem de hand ter begroeting reiken, maar Popilius reikt hem het schriftelijk bevel van den Romeinsen Senaat over. Na het doorlezen van dit stuk, dat hem beveelt alle vijandelijkheden tegen Egypte dadelijk te staken, verzoekt Antiochus een tijd om zich te bedenken, doch Popilius beschrijft met zijnen staf om den koning een kring en verklaart hem, dat hij daaruit niet zal komen, voordat hij antwoord heeft gegeven. Door zulk een aandrang overrompeld, en overwegende, dat hij niet opgewassen was tegen de Romeinen, die juist thans, nu zij door den gelukkigen slag bij Pydna in Macedonië in het jaar 168 v. C. den koning Perseus geheel en al verslagen had, machtiger waren dan ooit, verklaart Antiochus zich tot den aftocht bereid; nu eerst reikt Popillus hem zijne hand. Terwijl nu het Romeinse gezantschap, nadat het de overeenkomst der beide broeders, om gemeenschappelijk over Egypte te willen regeren bevestigd had, zich naar Cyprus begeeft, om de Syrische vloot eveneens naar huis te zenden, voert Antiochus zijn leger naar Syrië terug, detacheert echter op den weg een corps van 22. 000 man onder Apollonius naar Judea, van wiens handelwijze in Jeruzalem ons de plaatsen 1 Makk. 1:30 vv. en 2 Makk. 5:24 vv. verhalen. Even als in vs. 13 zo treedt ook in vs. 30 Rome eerst van verre in den gezichtskring der profetie van het boek van Daniël, maar hierbij is wel op te merken, dat het bij Bileam (Num. 24:24) nog onder den naam Chittim zamengevatte Westerse wereldrijk reeds hier begint zich te verdubbelen tot een Grieks en Romeins rijk, en dus aan Daniël reeds een blik wordt gegeven over het Griekse rijk heen.
En er zullen, terwijl de hoofdmacht zelf naar Syrië terugkeert armen, strijdkrachten (vs. 15, 22) of gedetacheerde corpsen van zijn leger, uit hem ontstaan, en zich in het land vestigen, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, den burg Sion, waarin Antiochus zijne bezetting had, en zij zullen het gedurige, het dagelijks offer wegnemen, en enen verwoestenden gruwel stellen. Antiochus bevestigde den burg Zion en legde aldaar ene bezetting, waardoor hij Jeruzalem in bedwang hield. De stad werd verbrand, het heiligdom, de burcht en toevlucht des Israëlietischen volks werd ontheiligd en verwoest, de Joodse godsdienst afgeschaft en het beeld van den Olympischen Jupiter, hier door Gabriël de gruwel der verwoesting genoemd, op het altaar Gods geplaatst. De afschaffing van het dagelijks of bestendig offer, hetwelk, overeenkomstig de Mozaïsche wet, alle dagen gebracht moest worden, staat gelijk met de afschaffing van den Joodsen godsdienst, De afschaffing van het bestendig offer Dan. 12:11 beduidt ook de afschaffing des Jodendoms, in lateren tijd door den Antichrist, aan welke evenwel de afschaffing des Christendoms voorafgaat. Het beeld van den Olympischen Jupiter verwoestte in zo verre het land als het een zinnebeeld des heidendoms was, waardoor onder de Joden en in hun land ene ontzettende verwoesting werd aangericht. Dit verwoestende Jupitersbeeld is ene type van het beeld van het beest, hetwelk een geest heeft en spreekt Openb. 13:15, en ene type van den Antichrist, die persoonlijk aangebeden zal worden en ene ontzaglijke verwoesting onder de mensheid en op Gods aarde aanrichten zal. Aan het einde van het Boek Daniël heet de gruwel, welke Antiochus, de voorloper van den Antichrist, heeft opgericht, de verwoestende gruwel, of gelijk de Heere in Zijne voorspelling van Jeruzalems val zegt, de gruwel der verwoesting. De tirannieke Epifanes, in zijne ondernemingen tegen Egypte gestuit, liet nu al zijne woede tegen de Joden los. De opperontvanger der schattingen Apollonius werd met een leger van 22. 000 man tegen Jeruzalem gezonden. Slechts twee jaren waren er sinds den tempelroof verlopen. Hij trok als vriend de stad binnen, en wachtte den sabbath af; toen zond hij zijne soldaten op roof en moord uit. De Joden boden op den heiligen dag geen weerstand, en velen hunner werden verslagen of als slaven verkocht. De gebouwen in de nabijheid van den burg Sion werden geslecht, en de berg Sion werd tot een citadel met ene Syrische bezetting gemaakt, van waar men den tempel belegerde, zo dat de burgers die aan de wet verknocht waren, uit Jeruzalem vloden; hun heiligdom woest werd en de dagelijkse offeranden ophielden. Dit begon in de maand Juni des jaars 161 en duurde vierde halfjaar, gedurende welken tijd men gene sabbatten en feesten vierde en het heiligdom verontreinigd in de handen der heidenen bleef. Hierop ging Antiochus nog verder. Door zijn gehele rijk werden bevelschriften afgekondigd, waarbij aan alle besnedene volken, Joden, Samaritanen, Idumeërs bevolen werd die gebruiken af te schaffen, waardoor zij zich tot hiertoe onderscheiden hadden. De Idumeërs of Edomieten, afstammelingen van Ezau, bij wie de besnijdenis noch in gebruik was (Jer. 9:25, 26), gehoorzaamden geredelijk, zo ook de Samaritanen, die zich dit geval nu weer haasten, om het bewijs te geven, dat zij met de Joden niets gemeens hadden, en die, om den tiran te believen, vrijwillig aanboden hunnen tempel op den berg Gerizim aan den Griekse Jupiter Hospitalis (Xenius = de gastvrije) als hun beschermheer, omdat zij vreemdelingen in het land waren, toe te wijden, tot gene geringe ergernis van de goedgezinden onder de Joden, maar tot grote tevredenheid van Antiochus, die hen daarom verder ongemoeid liet. Al de gestrengheid dezer bevelschriften trof dus hoofdzakelijk de Joden. Hun offeranden en feesten werden verboden, afgodsaltaren opgericht, en zij gedwongen daarop onreine dieren te offeren, en hun zielen te bevlekken met gruwel en onreinheid. Wie deze bevelen niet nakwam zou gedood worden, en om voor de uitvoering te waken, werden allerwege opzichters aangesteld. Vele Joden namen hierop, door vroeger voorbeelden daartoe voorbereid, den Syrisch-Grieksen eredienst aan, schandelijk het geloof hunner vaderen verzakende. Het was niet zozeer de eerbied voor zijne afgoden, welke Antiochus tot deze maatregelen bewoog, als wel en vooral de begeerte om al zijne onderdanen tot één volk te zamen te smelten, en het uitzicht om bij deze godsdienstveranderingen zich met de onderscheidene tempelschatten, die deels uit geschenken der vroomheid, deels uit in bewaring gegeven goederen bestonden, te verrijken. De tempel te Jeruzalem werd aan Jupiter Olympius gewijd, en op een groot altaar een afgodsouter opgericht; een oud Atheens, heidens priester kwam om de nieuwe afgoderij te regelen. De ware godsdienst was, even als ten tijde van Achab, onderdrukt; altaren rookten op alle heuvelen, en gruwelen werden in ieder bos uitgeoefend ter ere van godheden, welke de verpersoonlijkte ondeugden van den onwedergeboren, natuurlijken mens waren. De vervolging was algemeen. De Israëlieten werden gedwongen, om aan deze offers en de offermaaltijden deel te nemen. Het was genoeg voor een aanklever van den Joodsen godsdienst bekend te staan om het leven te verliezen. De ouders, die hun kinderen besneden, waarnaar scherp onderzoek werd gedaan, moesten met hun kinderen den marteldood sterven. De wetboeken van Mozes werden aan stukken gesneden en verbrand, en wie ze in huis had en verborg, of zich tegen hun vernieling verzette, moest dit met zijn leven boeten; zelfs afgevallene geloofsgenoten werden aanbrengers der beter gezinden, die nochthans in groten getale gesterkt werden om aan hun geloof getrouw te blijven ten koste van goed en bloed. De weinige gelovigen, die getrouw bleven, zochten veilige schuilplaatsen in het gebergte, alwaar zij aan de onderzoekingen minder bloot stonden, dan in de vlekken, steden en dorpen op de vlakten, en waar zij desnoods beter vluchten konden. Daar waren de rotsen en spelonken hun stille verblijven, en zulke plaatsen, die voor hun vijanden gevaar opleverden, boden hun beschutting aan. De 74ste Psalm mag te dien tijde wel door velen gebeden zijn; hij paste toch zo bijzonder op dien toestand “dat velen dien als ene voorzegging beschouwd hebben. “
En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, diegenen onder de Joden, die zonder dat reeds tot het heidendom geneigd waren, zal hij doen huichelen zal hij tot Heidenen maken door vleijerijen door vleiende reden en schitterende beloften tot volkomen afval bewegen; maar het volk, die hunnen God kennen, zullen zij grijpen en zullen het doen 1) zal doen, wat in zulke omstandigheden moet gedaan worden, zal alles trotseren en aan het verbond met God vasthouden.
Eigenlijk staat er, zal hij tot Heidenen maken, dewijl zij de wet des Heeren op zij stellen en zich gans en al door hem laten beheersen om afgodenoffers te offeren en te eten.
In het Hebr. Weam jodee Elohaw jachazekoe weasoe. Beter: en het volk van hen, die hun God belijden, zullen vasthouden aan het verbond en het uitvoeren. Wij hebben hier een tegenstelling, tussen de afvalligen en degenen, die aan het verbond Gods vasthouden. Wat zij zullen uitvoeren wordt nader gezegd n. l. het volk onderwijzen in de rechten des verbonds. Zij zullen tevens den heidensen koning slag leveren, maar daardoor zullen er vallen door het zwaard. Terwijl de heidens gezinde Joden, voorstanders van Griekse beschaving en leefwijze, door de verlokkingen en beloften des konings vervoerd, gewillig den godsdienst hunner vaderen afzwoeren, bleven anderen aan het gebod hunner vaderen trouw tot in den dood. Ja, juist in dezen tijd van gevaar hielden zij nog meer beslist aan hunnen God vast, en beleden Hem zo onverschrokken, dat zij niet alleen standvastig bleven tot in den dood, maar ook anderen door hun vrijmoedigheid en hun geduld tot getrouwheid opwekten.
En de leraars de wijzen des volks, die door hun roeping als priesters den plicht (Deut. 33:10. Mal. 2:7), van wege hun dieper inzicht ook het vermogen hebben, de gemeente in de wegen Gods te onderwijzen, zullen er velen onderwijzen, en zij zullen met velen dergenen, die zich aan hen aansluiten, vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, gelijk de geschiedenis van den strijd der Makkabeën tonen zal; zulk ene vervolging zal echter niet altijd duren, maar slechts een bepaalden tijd, vele dagen (Hoofdst. 12:11 vv.). Deze belijdenis- en bloedgetuigen, wier woord en voorbeeld anderen zozeer tot beschaming en bemoediging verstrekten, werden met het zwaard gedood of verbrand, of bij levenden lijve geroost, gelijk de zeven broeders met hun moeder; anderen werden naar de gevangenis gesleept en in verre landen als slaven verkocht, lieden, van wie Paulus zegt, dat de wereld hunner niet waardig was. Deze verdrukking der Joden duurde twee jaren tot op de officiële afschaffing van hunnen godsdienst, vervolgens bleef deze gedurende drie jaren verborgen, totdat Judas de Makkabeër hem weer herstelde.
Als zij nu zullen vallen, zullen zij ondanks den zwaren nood, dien zij moeten doorstaan, met ene klein hulp geholpen worden door de overwinning, die den strijd der Makkabeën eindelijk ten gevolge zal hebben; doch velen, aangetrokken door den glans van hunnen roem, of verschrikt door de wraak, die zij aan de afvalligen uitoefenen zullen zich door vleijerijen tot hen vervoegen, zonder het ook in het hart met hen te houden. twqlqlxb komt van qlxglibberig, glad zijn, en betekent metaphorice, zo als in Ps. 55:22 “vleien. ” Van daar is de eerste betekenis van ons woord, gelijk Jer. 23:12. Ps. 35:6 “op glibberige plaatsen, ” de tweede: “door vleierijen, ” gelijk het ook vs. 21 is overgezet. Aan onze Statenoverzetting geven wij hier weer de voorkeur. Velen sloten zich in dien gevaarlijken toestand bij de Makkabese helden aan, zodat zij tegen de vijanden te velde konden trekken en met Gods hulp de overwinning behaalden (Hebr. 11:34). God schonk hun de zege, ofschoon zij, in geloofszaken het zwaard hadden opgevat, dewijl andere alle Joden tot het heidendom zouden zijn overgegaan, en de gelovigen onder hen uitgeroeid zouden zijn geworden. Deze uitkomst is ene afspiegeling van de ontvluchting der vrouw in de woestijn en der Joden, onder goddelijke bescherming ten tijde van den Antichrist. Bij de vertaling onzer Statenoverzetters voegt de verklaring van Lowth: “niet oprechtelijk; ” zodanigen waren Jozef en Azarias, welke in de algemene zaak deel namen uit eerzucht en begeerte om enen naam te maken; zodanigen waren die, welke na hunnen dood bevonden werden met gewijde afgodsbeelden onder de klederen. Zodanig een was Rhodokus, die hun geheimen den vijand bekend maakte.
En van de leraars, de voorgangers, die tot den strijd tegen den tiran oproepen, en de leiding in dezen strijd op zich nemen, zullen er sommigen, gelijk in vs. 33 gezegd is, vallen, om hen (Hebr. door hen) te louteren en te reinigen, en wit te maken, opdat door hun voorbeeld anderen tot gelijken moed en tot godsvrucht worden opgewekt, terwijl het ook openbaar wordt onder de vervolging, wie het niet oprecht met den Heere en Zijne zaak houden. Doch deze tijd van reiniging is slechts een voorbeeld van de louteringen en reinigingen, die het volk van God nog in de toekomst wachten, en welke door alle eeuwen doorgaan tot den tijd van het einde toe, tot het einde van den tegenwoordigen toestand der wereld, wanneer de gemeente hare door zulke reinigingen bewerkte volkomene reinheid en heiligheid verkrijgt; want het zal nog zijn voor enen bestemden tijd, de vervolging van Antiochus eindigt, maar daarom komt ene andere tot aan het einde, waarvan het volgende handelt. Zeer opmerkelijk wordt in vs. 34 de overwinning der Makkabeërs ene “kleine hulp” genoemd. Uit de hand van den Antichrist zal het volk daardoor worden gered, dat het in de eeuwige volmaaktheid wordt overgeplaatst, maar de redding uit de hand van Antiochus zal slechts ene tijdelijke, dus ene kleine hulp zijn, terwijl ook na de tijden van Antiochus het volk Gods nog lang in den druk der tijden zal blijven. Onder het Oude Verbond was ene bijzondere profetie voor den tijd, waarin gene openbaring was, des te noodzakelijker, omdat toen het volk van God in zijn lijden den troost, die ons Christenen is geschonken, namelijk het uitzicht op de onvergankelijke erve in den hemel, nog niet zo volkomen bezat, aan den dood de macht nog niet was ontnomen, en voor den mens de persoonlijke ingang in de hogere wereld van licht en leven nog toegesloten was. De Christelijke gemeente is, wat haren eigenlijken levenskern aangaat, reeds aan den geest dezer wereld ontrukt en in een hemels bestaan overgezet; haar hart en schat, haar wandel en burgerrecht is in den hemel bij haren verheerlijkten Heer, en tevens heeft het kruis van Christus ook het lijden en de beproevingen van dezen tijd eens voor altijd voor haar in het ware Goddelijke licht geplaatst (2 Kor. 4:8 vv. Efeze. 2:6. Fil. 3:20 Col. 3:1 vv.). In ‘t kort, de betrekking tussen de tegenwoordige en toekomstige wereld, die aan deze zijde en aan gene zijde des grafs is voor degenen, die uit God geboren en reeds nu het eeuwige leven deelachtig zijn, juist het ongekeerde, als voor de vóórchristelijke, ook de Israëlietische mensen. Ook Israël was nog niet geplaatst boven de elementen van den geest der wereld, ook het heiligdom des Ouden Verbonds was nog een aards heiligdom (Gal. 4:3, 9. Hebr. 9:1); de blik van Israël moest en kon nog niet op de hemelse, maar slechts op de aardse toekomst gevestigd zijn, daar de verschijning op aarde te wachten was van Hem, in wien al de bedoelingen en voorbereidingen Gods onder Zijn volk zouden vervuld worden. Daarom is de kern der Oud-Testamentische profetie ook de leer van het rijk Gods op aarde. Was echter het hart van Israël nog niet in den hemel, zo moest het tegen de aardse verzoekingen des te beter worden gewapend. Was volgens Gods bedoeling het oog van het volk op de aardse toekomst gericht, zo moest ook deze tot op den tijd, dat de Messias op aarde verscheen, zeer nauwkeurig worden ontsluierd. De specialiteit der profetie van aardse lotgevallen moest aanvullen wat op Oud-Testamentischen bodem nog ontbrak aan het uitzicht in de hemelse heerlijkheid. Daarom worden bij Daniël, en wel juist in het tweede door, die op den vóór Christelijken tijd betrekking hebbende, zo bijzonder gedetailleerde voorzeggingen gevonden, veel meer gedetailleerd dan bij Johannes (in de Openbaring), zowel wat de oud-historische feiten als de chronologische bepalingen aangaat. Ten opzichte van het eerste kennen wij de Openbaring van hoofdstuk II over de Syrisch-Egyptische oorlogen met hun slagen, veroveringen, huwelijken en als de profetie, die van de gehele Heilige Schrift het meest tot in bijzonderheden gaat. Niet minder wonderbaar zijn echter ook de chronologische details, zowel wat den tijd van Antiochus (Hoofdst. 8:14, 12:11 en 12) als wat den Messiaansen (Hoofdst. 9:24 vv.) aangaat. Wat het laatste betreft, zijn voor den gehelen tijd tot op de vervulling der jaren, bij de eerste voor den tijd der vervulling zelfs de dagen nauwkeurig opgegeven. 36. VAN DEN ANTICHRIST, DE LAATSTE TIJDEN, OPSTANDING DER DODEN ENZ.
III. Vs. 36KruisverwijzingenDeuteronomium 10:17→2 Thessalonicenzen 2:4→Jesaja 14:13→Daniël 2:47→Daniël 11:16→Daniël 8:19→Openbaring 13:5→Psalmen 136:2→
— En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.
-Hoofdst 12:3. gelijk vs. 35 reeds aantoonde, gaat de voorspelling van Antiochus nu over tot zijn tegenbeeld, den Antichrist, en de laatste dingen, die op zijnen val zullen volgen. Vooraf wordt een karakteristiek van den Antichrist gegeven (vs. 36-39), vervolgens wordt over zijne daden en zijne geschiedenis geprofeteerd (vs. 40-45), en ten laatste bericht gegeven van de gevolgen, die zijne verschijning voor het volk van God zal hebben. (Hoofdst. 12:1-3).
En die koning, die in Antiochus zijn voorbeeld heeft en in Hoofdst. 7:24 vv. reeds is voorzegd, zal doen naar zijn goddeloos, antichristelijk welgevallen, waartoe hem enigen tijd de macht wordt gelaten, en hij zal zich verre verheffende boven hetgeen Antiochus vóór hem gedaan heeft, zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, daar hij zichzelven stelt in de plaats van God (2 Thess. 2:4), en hij zal tegen den God der godenin satanische vermetelheid wonderlijke, gruwelijke dingen spreken(Hoofdst. 7:8. Openb. 13:5 vv. #Re); en hij zal in hetgeen waartoe zijne antichristelijke en godslasterlijke bedoelingen hem leiden, voorspoedig zijn, totdat de gramschap, de tijd van den laatsten toorn, de laatste straf van God (Matth. 24:21 vv.) voleind zij; want het is vastelijk besloten, het zal geschieden; er is in Gods raad aan het lijden der gemeente, door het handelen en drijven van dezen koning teweeggebracht, ene bepaalde maat van grootte en duur gezet, die niet zal overschreden worden. De verzen 36-39 spreken van den valsen godsdienst, welken de Antichrist in de plaats des Christendoms opricht. In vs 36 schetst Gabriël den Antichrist op dezelfde wijze als Paulus 2 Thess. 2:3-4. Door die plaats wordt ook de onze verklaard. De Antichrist staat op tegen elken God en godsdienst, tegen den godsdienst der Joden en der Christenen, der Katholieken en der Protestanten, der Mahomedanen en der heidenen. Het ongehoorde en ontzettende, hetwelk hij tegen den waren God zal spreken, verklaart Paulus als werkingen des Satans, als duivelse wonderen en inderdaad onbegrijpelijke kunsten, waarmee hij de goddelozen onder Gods toelating zal bedriegen, omdat zij den waren God volstandig de ere weigerden, zodat zij den verleider voor een bovenatuurlijk wezen zullen houden, en met hem op den dag der slachting des Almachtigen omkomen. Hem zal gelukken wat Antiochus niet gelukt is, namelijk de afschaffing van den waren godsdienst, doch slechts zo lang, totdat de maat van Gods toorn vol is, totdat hij zelf, zonder dat hij het zelf weet, de volvoerder der Godsgerichten aan de afvallige Christenheid, bij Armageddon, ten dage van Christus wederverschijning valt. (Dan. 11:45. Openb. 16:16).
En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, maar hij zal zich los maken van alles en zich boven alles plaatsen, wat van het godsdienstige is overgeleverd, noch zal hij, ontoegankelijk en ongevoelig als hij is voor alles, wat overigens op den mens invloed uitoefent, ook over verwilderde en zelfzuchtige harten, op de begeerte der vrouwen1) letten (2 (Sam. 1:25); hij zal ook op genen God acht geven, maar hij zal zich, als degene, die van niets dan van zijn “ik” wil weten (vs. 37) boven alles, boven al het goddelijke en menselijke, groot maken.
De begeerte, d. i. de liefde der vrouwen wordt hier gesteld in de plaats van de liefde voor den mens, van de liefde tot den naaste. De koning waarvan Antiochus het schaduwbeeld is, zal zowel tegen de eerste als tegen de tweede tafel der wet zich stellen. Niet van liefde tot God, noch van de liefde tot den mens zal bij hem spreke zijn. Hij is de verpersoonlijkte zelfzucht, het vlees geworden eigen Ik. Van de liefde der vrouwen is hier sprake, omdat zij op aarde de meest aanhankelijke en afhankelijke liefde is.
En hij zal den god Maüzzim, d. i. der burchten en vestingen, in zijne standplaats in plaats van alles, wat hij niet acht, en waarvoor hij geen eerbied heeft, eren; hij zal alleen in den oorlog belangstellen, en alleen een hart hebben voor de krijgsmachten, en hetgeen daartoe behoort; hij zal ene nieuwe soort van heidendom, een cultus van den krijg oprichtende, zo als die tot hiertoe nog niet bestond, waarin de gehele op oorlog rustende macht der wereld tot enige wet en tot uitsluitenden godsdienst voor de mensheid wordt gesteld, namelijk een god, welken zijne vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente en met gewenste dingen, met kleinodiën, alles zal hij stellen in den dienst van dezen zijnen oorlogsgod. Het woord Maüzzim is geen eigennaam. Wij hebben daaronder Jupiter Capitolinus te verstaan, want geen van beide is twijfelachtig, noch het bijzonder krijgs-karakter van deze godheid, noch ook de bijzondere verering, die Epifanes hem gaf. “Hem toch werden de spolia opima gewijd; hij heet ook Jupiter Stator, omdat hij op het smeken van Romulus de voor de Romeinen vluchtende Sabynen tot staan bracht. De bijnaam Capitolinus past bij “den God der burchten” het best. Het kapitool, de burcht van Rome naast welken zijn tempel stond, was tevens de zetel van het Romeinse rijk, de arx omnium nationum (Cicero Verr. VII. 72). Daar offerden de veldheren en deden hun geloften, en terugkerende van de overwinning werden zij daarheen in triomf gebracht. Dat Antiochus dezen vreemden god eert zal men begrijpelijk vinden, daar hij hem in zijnen cultus te Rome had leren kennen”. Van den Olympischen Zeus der Grieken, dien hij volgens Liv. 41:90; Polyb. 26:10; met bijzonderen ijver vereerde en bijv. in Athene enen prachtigen tempel liet oprichten, hield Antiochus dezen hoofdgod der Romeinen wel niet onderscheiden, hij identificeerde deze als echt-Oosters synkretisch met dien. De prachtvolle tempel, dien hij volgens Liv. 41:20 in zijne hoofdstad Anticohië liet bouwen, maar die niet voltooid is geworden, was zeker aan de hoofdgodheid der Romeinen en der Grieken, den Capitolijnsen en Olympischen Zeus gewijd. Verder ziet dit vers op den Antichrist, van wiens oorlogen de profetieën ons spreken, die voor zich goddelijke ere eist, en die hen, die zijn merkteken niet aannemen laat doden. “De grote macht, welke de Antichrist bezit, zal zijn hoogste wezen of zijn God zijn en zijne prachtige hoofdstad, de “vastigheden der sterkten” het grote Babel, hetwelk Hij zich wel niet gebouwd, maar toch als koningszetel verworven heeft. Ingevolge de uitspraken der Openbaring staat het vast, dat de Antichrist in ene prachtige stad, omgeven van de heerlijkheid, welke hij uit alle delen der aarde zal hebben weggeroofd, zich zal laten aanbidden (en aan andere oorden zijne beeldzuilen) en dat iedereen, die daartoe onwillig is, gedood zal worden.
En hij zal de vastigheden der sterkten, (der Maüzzim) maken met den vreemden god, hij wil alleen deze erkend zien en vereerd, hij richt uitsluitend zijn oogmerk op deze, de vestingen zijn zijne afgoden; dengenen, die hij kennen die hem belijden zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, daar hij de grootste krijgslieden tot de hoogste eer en waardigheden verheft, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs, tot een loon voor hen, als aan onderkoningen en stadhouders. Het is niet te betwijfelen dat Antiochus ook dit middel zal hebben aangewend, en de verbeurd verklaarde goederen dien afvalligen zal hebben gegeven, zo is hij een beeld van den Antichrist, die den zijnen van den buit, die Europa’s verwoesting aanbrengt (Openb. 8) uitdeelt. “De voor hem zich nederbuigenden zijn, in de eerste plaats, de tien koningen, welke hem (Openb. 17:12, 13) hun macht geven, en de koningen van den opvang der zon, welke hij na zijnen eersten tocht in het Morgenland met zich naar Europa meebrengt (Openb. 16:12). Deze zullen de stadhouders van den wereldbeheerser worden, en enkele landen voor hun aandeel bekomen, om die te verwoesten en te plunderen; dan evenwel, wanneer zij onder Gods toelating de maat hunner verwoestingen zullen hebben volgemaakt, zullen zij huns Meesters bevel tot ene tweede heirvaart naar het Oosten, om de Joden in Jeruzalem te vernietigen, gehoorzamen (Openb. 17:14) en bij Armageddon vallen. ” . Dächsel herinnert hier aan Napoleon I, op wien reeds de Hoofdst. 2:45 wezen, en zegt: “door dergelijke verschijningen van den nieuweren tijd verkrijgen wij een voorlopig begrip, hoe dit ten einde der profetie zal plaats hebben. “
En op den tijd van het einde, in het laatste gedeelte van den aan dezen koning toegekenden tijd, die in Hoofdst. 7:25 in een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds verdeeld is geworden, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten, om aan zijne macht een einde te maken; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, om hem zijne heerschappij te ontrukken, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij van zijne zijde den strijd met deze tegenstanders in het bewustzijn van zijne overmacht opnemende, en dien ook zegerijk doorstaande, zal in de landen, dier beide koningen komen, en hij zal ze als een voortbruisende watervloed overstromen en doortrekken, daar zijn doel nog verder gaat, dan om die beide tegenstanders te overweldigen.
En hij zal komen in het land des sieraads, het gewenste land (Hoofdst. 8:9; 11:16) en vele landen zullen ter neer geworpen worden (liever: velen in het land); doch deze, door hem als vrienden en geestverwanten begunstigd, zullen zijne hand ontkomen, en gene verdrukking van hem ondervinden, namelijk Edom en Moab en de eerstelingen, de edelsten, voornaamsten der kinderen Ammons, waarschijnlijk zijn hier de burgers bedoeld van Rabbath-Ammon, de hoofdstad van het land (2 Sam. 11:1 vv.).
En hij zal zijne hand aan de landen leggen, die aan zijnen scepter tot hiertoe nog niet waren onderworpen; ook zal het land van Egypte in het Noord-Oosten van Afrika niet ontkomen.
En hij zal ten gevolge van zijn zegevierenden veldtochtheersen over de verborgene, de opgelegde, de afgeperste schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte, en die vande naburige landen in het Westen en het Zuiden, van Libië, en de Moren, Ethiopië zullen in zijne gangen wezen, zullen zijne voetstappen volgen, zullen in zijn leger zijn.
Maar de geruchten, waarschijnlijk van opstanden en aanvallen, waartoe men zich tegen hem gereed maakte, van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken, wanneer hij zo op het toppunt van zijne heerschappij is gekomen; daarom zal hij van het middelpunt zijner heerschappij uittrekken met grote grimmigheid, om velen te verdelgen en te verbannen, zonder te vermoeden, dat deze veldtocht voor hem zelven ten val zal zijn.
En hij zal de tenten van zijn paleis, van zijn veldheerstentplanten tussen de zeeën, de Middellandse zee in het Westen en de Dode zee in het Oosten (Zach. 14:8) aan den berg des heiligen sieraads, waarop Jeruzalem met Davids koninklijken zetel en de tempel ligt, dus juist die, waar eens Sanherib zijn leger plaatste, niet denkende, dat hij hier zijnen ondergang zou vinden (2 (Kon. 18:13-19 :37); en hij zal tot zijn einde komen, en zal genen helper hebben 1); zijne macht is voor altijd te niet (of: daar, omdat hij de tenten van zijn paleis heeft opgeslagen enz. zal hij enz.).
Daniël profeteert hier ongetwijfeld van de eindelijke overwinning van den Christus Gods over den Antichrist. De Antichrist zal geen helper hebben. Wanneer hij meent op het hoogste toppunt van zijn macht te staan zal hij volkomen overwonnen en zijn heirlegers vernietigd worden. Dächsel zegt bij het laatste gedeelte van Daniël weinig meer, dan dat het niet van Antiochus te verklaren is. en zij, die dit willen doen, bij de bekende veldtochten van Antiochus (vs. 22-39) nog enen laatsten moeten verdichten, waarbij zij zich op de getuigenis van Porphyrius, enen bekenden tegenstander van het Christendom (233-304 na C.) moeten beroepen, die van zijne 15 boeken een geheel boekdeel heeft gevuld met de bestrijding van Daniël, om te bewijzen, dat zij door een Jood ten tijde van Antiochus als ene profetie zijn geschreven. Werkelijk weten dan ook de oude geschiedschrijvers Livius, Polybius en Appianus, niets van een vierden veldtocht van Epifanes tegen Egypte. Wij geloven daarom even als Zöckler met Dereser, v. Lengerke, Maurer, Hitzig, Ewald en Kamphausen, dat in vs. 40-45 ene verkorte mededeling vervat is van hetgeen reeds in vs. 22-39 was gemeld; in deze worden niet meer de veldtochten onderscheiden, maar slechts in het algemeen het karakter der aantallen op dat land en de nadelige werking op Palestina voorgesteld. Dat geen 4de krijg kan bedoeld zijn, blijkt duidelijk uit vs. 40, waar de Egyptische koning voor den koning van het Noorden wordt genoemd, Men zou dan moeten aannemen, dat Ptolemeus Fyskon en Filometor, steunende op hun bondgenootschap met de Romeinen, den oorlog tegen de Romeinen zouden hebben ondernomen, en dat de Romeinse geschiedschrijvers in ‘t bijzonder Livius daarvan niets zouden geweten hebben is niet te geloven. Even als Moab en Ammon zo betoonden zich onder de naburige verwanten van Israël, vooral de Edomieten voortdurend en in ‘t bijzonder ook bij het begin der Chaldeeuwse katastrophe over Juda, de hatelijkste bondgenoten van Israëls verdrukkers, en sedert dien tijd wordt nog heviger dan tegen Babel zelf de klacht en de wens naar wraak over dit trouweloze broedervolk uitgestort (vergl. Obadja. Jes. 49:7-22. Klaagl. 4:21 en 22. Ezech. 25:12-14. Ezech. 35; 36:5. Ps. 137:7 v. Mal. 1:1-3). In zoverre nu juist Edom, Moab en Ammon door banden van verwantschap met Israël verbonden waren, en men ene vriendschappelijke betrekking mocht verwachten, zo staan ook juist zij, deze onnatuurlijke verdrukkers van Israël in de voorstelling van elken Theokraat, en in ‘t bijzonder van de profeten, als de geschiedkundige vertegenwoordigers van alle vijandschap tegen de Theokratie in ‘t algemeen, en gelijk hun overweldiging de Messiaansen, verwachtingen opwekt (Ps. 60:10 Jes. 11:14; 25:10), zo wordt ook de Messiaanse zegetocht onder het beeld van de bloedige vernedering van Edom voorgesteld in Jes. 63:1-6. Nu is dit de aard der profetie, gelijk wij reeds in de Psalmen herhaaldelijk aanwezen, dat de ogen van den Ziener onder zijn voorzeggen hoe langer hoe helderder worden, gelijk de Geest Gods bijv. in de gebeden ons hoe langer hoe sterker kan beginnen te dringen tot smekingen. Heeft Daniël dan nog het oog op Antiochus, het voorbeeld van den Antichrist, langzamerhand begint hij dezen uit het oog te verliezen, omdat hij zijn tegenbeeld ziet. Van hetgeen nog voor ons in de toekomst ligt is natuurlijk niet met juistheid aan te wijzen hoedanig de vervulling zal zijn, toch zal de Openbaring van Johannes nog veel duidelijker maken. Dächsel zegt alleen dit: “voor het tegenwoordige merken wij slechts op, dat Edom, Moab en de eerstelingen der kinderen Ammons (vs. 41) natuurlijk niet in ethnographischen maar in symbolischen zin moet verstaan worden van de erf- en aartsvijanden van Gods volk. Wat het heilige land betreft, zo verklaart ook de overige Bijbelse voorspelling, dat tegen het einde het Israël naar het vlees zich tot Christus zal bekeren, naar zijn land Kanaän zal teruggaan, en daar als een Christenvolk zal leven; daarom zal het zonder twijfel door de macht van den Antichrist nog op bijzondere wijs bedreigd worden, maar ook door onmiddellijk ingrijpen des Heeren van zijne hand worden gered. Uit de zeer uitvoerige verklaringen van Gärtner geven wij het volgende uittreksel: “De hoofdzetel der volksheerschappij of van het beest uit den afgrond, bij zijne eerste verschijning zal Europa zijn en voornamelijk de zuidelijke landen van dat werelddeel; de volken van het Noord-Oostelijk Europa blijven onder een machtigen vorst voortbestaan. Wanneer de volksheerschappij in het Westen haren veldheer uitzendt, om het Oosterse vraagstuk op te lossen, zullen de koning van Noord-Oostelijk Europa en Azië en de koning van het Zuiden en Voor-Azië, de zieke man, zich net elkaar vinden; de koning van het Noorden voert krijg met wagenen en ruiters, en ene talrijke vloot in de wateren van Voor-Azië, de Mohammedaanse wereld brengt alleen landmacht op de been. De volksheerschappij overwint en trekt door. Op dien tocht komt hij in het heilige land (vs. 41) Edom, Moab en Ammon zijn een type der Vóór-Aziatische volken, in het bijzonder der Mohammedanen, en hun bewaring duidt aan, dat God ook nog een overblijfsel der Moslim-wereld zal behouden, hetwelk niet met den Antichrist zal heulen, maar zich tot Hem zal bekeren. Door dezen eersten tocht van den Antichrist in het Morgenland worden Palestina en Jeruzalem van de Mohammedanen bevrijd, zodat de Joden, nadat de Antichrist naar Europa is teruggekeerd, daar, gelijk Zacharia zegt, rouwklagend aankomen. Na die overwinningen heeft de Antichrist zulk ene macht, dat hij (vs. 42) zijne hand over de landen kan uitstrekken om ze te overheersen en te plunderen. Onder deze landen zijn de Aziatische, en wel de meest bij ons bekende te verstaan. Ook Egypte en Noordelijk Afrika zal hij zijne heerschappij laten gevoelen. Hij maakt zich meester van alle schatten van Egypte (43), namelijk van Europa de grote stad, welke geestelijker wijze Egypte heet (Openb. 11:8 #Re). Zodra hij naar Europa is teruggekeerd heeft de staatsgreep plaats: Openb. 17:12, 13. Daarop volgt de vervulling van Openb 17:16-18 en Openb. 18. Met al die kostbaarheden zal hij enen god vereren, dien zijne vaderen niet kenden, namelijk hij zal zich zelven aanbidden. “Libiërs en Cuschieten zullen zijne voetstappen volgen. Deze voorspelling is voor Europa van vreeslijken inhoud (vgl Ezech. 38:5 Openb. 16:12) Cusch betekent eenvoudig de Aziatische volken (Gen. 10:7), de koningen van den opgang der zon bij Johannes en de Libiërs de volken van het Noordelijk Afrika. Deze koningen van den opgang der zon met hun horden van barbaren en de tien, die hem hun macht geven en op ééne ure als koningen met hem macht ontvangen, zullen onder Apollyon en Abaddon (Openb. 9:11), gelijk Attila de Nieuw-Testamentische voorloper van den Antichrist met zijne Hunnen, in het beschaafde Europa huishouden, en daar alzo te werk gaan, dat de drie klassen van weeklagers optreden om zijne verwoesting te bejammeren (Openb. 18) Wanneer hij nu alzo in den tempel Gods zit en zijne wereldheerschappij opgericht, de laatste sporen van het Christendom uitgewist, de Christen en gedood, uitgehongerd en uitgevoerd heeft, dan wordt hij door geruchten uit het Noorden en Oosten verschrikt (vs. 44). Deze geruchten komen van God (Ezechiël 38 en 39) het gerucht uit het Oosten is, dat in Jeruzalem ene Joodse tot Christus bekeerde gemeente verzameld is; het gerucht uit het Noorden, dat een deel der gelovigen uit Europa door de vlucht naar het Noordelijk Europa aan zijn moordend staal is ontkomen, en de vrouw (Openb.
nog in leven is. Deze mare zal als een vuurverspreidende bliksemstraal en als een wereldberoerende donderslag zijne ziel treffen, zodat hij, vol woede, omdat er nog een Christen in leven is, en er nog lieden zijn, die den leugengodsdienst niet willen erkennen, gezwind oprukt, om hen in Jeruzalem, hetwelk hij op zijne schepen spoedig bereikt, te vernietigen. Zo verzamelt onder Gods leiding zijn leger te Armageddon, zonder te weten welk lot op hem wacht en door welke vreeslijke nederlaag hij met zijne scharen den roofvogelen zal worden prijs gegeven (Openb. 19:17, 18. Ezech. 38:18-23. 39 Des duivels oproeping aan de heidenen en het bericht aan den Antichrist schildert Joël 3:14-16. Zo trekt hij vol grimmigheid naar Palestina (vs. 45) om de gemeente van Joden-Christenen te vernietigen. De heilige berg is zoveel als Armageddon, hetwelk “berg der zaamvergadering” betekent, waar de Antichrist alle volken zal bijeenvergaderen, om met Christus te strijden (Openb. 16:16). In het dal van Josafat komt hij met zijne scharen door de hand der Engelen om, die hem, op bevel van den op den Olijfberg wederkomenden Christus doden; uit de hand des hemelsen Konings redt hem niemand. “En het zal geschieden, dat allen, die den naam des Heeren aanroepen, zalig zullen worden, want op den berg Zion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk de Heere gezegd heeft, en bij de ontkoming, welke de Heere roepen zal.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel