Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
In het derdeH7969 jaarH8141 des koninkrijksH4438 van JojakimH3079, den koningH4428 van JudaH3063, kwamH935 NebukadnezarH5019, de koningH4428 van BabelH894, te JeruzalemH3389, en belegerdeH6696 haar.
In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.
KJV
In the third2
year1
of the reign3
of Jehoiakim4
king5
of Judah6
came7
Nebuchadnezzar8
king9
of Babylon10
unto Jerusalem,11
and besieged
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En de HEEREH136 gafH5414 JojakimH3079, den koningH4428 van JudaH3063, in zijn handH3027, en een deelH7117 der vatenH3627 van het huisH1004 GodsH430; en hij brachtH935 ze in het landH776 van SinearH8152, in het huisH1004 zijns godsH430; en de vatenH3627 brachtH935 hij in het schathuisH214 zijns godsH430.
En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.
KJV
And the Lord2
gave1
Jehoiakim5
king6
of Judah7
into his hand,3
with part8
of the vessels9
of the house10
of God:11
which he carried12
into the land13
of Shinar14
to the house15
of his god;16
and he brought19
the vessels18
into the treasure21
house20
of his god.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En de koningH4428 zeideH559 tot AspenazH828, den oversteH7227 zijner kamerlingenH5631, dat hij voorbrengenH935 zou enigen uit de kinderenH1121 IsraelsH3478, te weten, uit het koninklijkH4410 zaadH2233, en uitH4480 de prinsenH6579;
En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israels, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;
KJV
And the king2
spake1
unto Ashpenaz3
the master4
of his eunuchs,5
that he should bring6
certain of the children7
of Israel,8
and of the king's10
seed,9
and of the princes;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
JongelingenH3206, aan dewelkeH834 geenH369 gebrekH3971 ware, maar schoonH2896 van aangezichtH4758, en vernuftigH7919 in alleH3605 wijsheidH2451, en ervarenH3045 in wetenschapH1847, en kloekH995 van verstandH4093, en in dewelkeH834 bekwaamheidH3581 ware, om te staanH5975 in des koningsH4428 paleisH1964; en dat men hen onderweesH3925 in de boekenH5612 en spraakH3956 der ChaldeenH3778.
Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeen.
KJV
Children1
in whom was no blemish,6
but well7
favoured,8
and skilful9
in all wisdom,11
and cunning12
in knowledge,13
and understanding14
science,15
and such as had ability17
in them to stand19
in the king's21
palace,20
and whom they might teach22
the learning23
and the tongue24
of the Chaldeans.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En de koningH4428 verordendeH4487 hun, wat men ze dagH3117 bij dagH3117 geven zou van de stukkenH1697 der spijsH6598 des koningsH4428, en van den wijnH3196 zijns dranksH4960, en dat men hen drieH7969 jarenH8141 alzo optoogH1431, en dat zij ten eindeH7117 derzelve zouden staanH5975 voor het aangezichtH6440 des koningsH4428.
En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.
KJV
And the king3
appointed1
them a daily5
provision4
of the king's9
meat,7
and of the wine10
which he drank:11
so nourishing12
them three14
years,13
that at the end15
thereof they might stand16
before17
the king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Onder dezelve nu warenH1961 uit de kinderenH1121 van JudaH3063: DanielH1840, HananjaH2608, MisaelH4332 en AzarjaH5838.
Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniel, Hananja, Misael en Azarja.
KJV
Now among these were of the children3
of Judah,4
Daniel,5
Hananiah,6
Mishael,7
and Azariah:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En de oversteH8269 der kamerlingenH5631 gaf hun andere namenH8034, en DanielH1840 noemdeH7760 hij BeltsazarH1095, en HananjaH2608 SadrachH7714, en MisaelH4332 MesachH4335, en AzarjaH5838 Abed-negoH5664.
En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.
KJV
Unto whom the prince3
of the eunuchs4
gave1
names:5
for he gave6
unto Daniel7
the name of Belteshazzar;8
and to Hananiah,9
of Shadrach;10
and to Mishael,11
of Meshach;12
and to Azariah,13
of Abednego.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
DanielH1840 nu namH7760 voor in zijn hartH3820, datH834 hij zich nietH3808 zou ontreinigenH1351 met de stukken van de spijsH6598 des koningsH4428, noch met den wijnH3196 zijns dranksH4960; daarom verzochtH1245 hij van den oversteH8269 der kamerlingenH5631, datH834 hij zich nietH3808 mocht ontreinigenH1351.
Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.
KJV
But Daniel2
purposed1
in his heart4
that he would not defile7
himself with the portion8
of the king's9
meat,
nor with the wine10
which he drank:11
therefore he requested12
of the prince13
of the eunuchs14
that he might not defile
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En GodH430 gafH5414 DanielH1840 genadeH2617 en barmhartigheidH7356 voor het aangezichtH6440 van den oversteH8269 der kamerlingenH5631.
En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.
KJV
Now God2
had brought1
Daniel4
into favour5
and tender love6
with7
the prince8
of the eunuchs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Want de oversteH8269 der kamerlingenH5631 zeideH559 tot DanielH1840: IkH589 vrezeH3373 mijn heerH113, den koningH4428, dieH834 ulieder spijsH3978, en ulieder drankH4960 verordendH4487 heeft; want waaromH4100 zou hij ulieder aangezichtenH6440 droevigerH2196 zienH7200, danH4480 der jongelingenH3206, dieH834 in gelijkheidH1524 met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofdH7218 bij den koningH4428 schuldigH2325 maken.
Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.
KJV
And the prince2
of the eunuchs3
said1
unto Daniel,4
I fear5
my lord8
the king,9
who hath appointed11
your meat13
and your drink:15
for why should he see18
your faces20
worse liking21
than the children23
which are of your sort?25
then shall ye make me endanger26
my head28
to the king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Toen zeideH559 DanielH1840 totH413 MelzarH4453, dienH834 de oversteH8269 der kamerlingenH5631 gesteldH4487 had overH5921 DanielH1840, HananjaH2608, MisaelH4332 en AzarjaH5838:
Toen zeide Daniel tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniel, Hananja, Misael en Azarja:
KJV
Then said1
Daniel2
to Melzar,4
whom the prince7
of the eunuchs8
had set6
over Daniel,10
Hananiah,11
Mishael,12
and Azariah,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
BeproefH5254 tochH4994 uw knechtenH5650 tienH6235 dagenH3117 lang, en men geveH5414 ons vanH4480 het gezaaideH2235 te etenH398, en waterH4325 te drinkenH8354.
Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.
KJV
Prove1
thy servants,4
I beseech thee, ten6
days;5
and let them give7
us pulse10
to eat,11
and water12
to drink.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En men zieH7200 voor uw aangezichtH6440 onze gedaantenH4758, en de gedaanteH4758 der jongelingenH3206, die de stukken van de spijsH6598 des koningsH4428 etenH398; en doeH6213 metH5973 uw knechtenH5650, naar datH834 gij zienH7200 zult.
En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw knechten, naar dat gij zien zult.
KJV
Then let our countenances3
be looked upon1
before2
thee, and the countenance4
of the children5
that eat6
of the portion8
of the king's9
meat:
and as thou seest,11
deal12
with thy servants.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Toen hoordeH8085 hij hen in dezeH2088 zaakH1697, en hij beproefdeH5254 ze tienH6235 dagenH3117.
Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.
KJV
So he consented1
to them in this matter,3
and proved5
them ten7
days.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ten eindeH7117 nu der tienH6235 dagenH3117, zagH7200 men dat hun gedaantenH4758 schonerH2896 waren, en zij vetterH1277 waren van vleesH1320 danH4480 alH3605 de jongelingenH3206, die de stukken van de spijzeH6598 des koningsH4428 atenH398.
Ten einde nu der tien dagen, zag men dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten.
KJV
And at the end1
of ten3
days2
their countenances5
appeared4
fairer6
and fatter7
in flesh8
than all the children11
which did eat12
the portion14
of the king's15
meat.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Toen geschieddeH1961 het, dat MelzarH4453 de stukken hunner spijsH6598 wegnamH5375, mitsgaders den wijnH3196 huns dranksH4960, en hij gafH5414 hun van het gezaaideH2235.
Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.
KJV
Thus Melzar2
took away3
the portion of their meat,5
and the wine6
that they should drink;7
and gave8
them pulse.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Aan dezeH428 vierH702 jongelingenH3206 nu gafH5414 GodH430 wetenschapH4093 en verstand in alleH3605 boekenH5612, en wijsheidH2451; maar DanielH1840 gaf Hij verstand in allerleiH3605 gezichtenH2377 en dromenH2472.
Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniel gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.
Ook in dit vers
verstandH995
verstandH7919
KJV
As for these four3
children,1
God6
gave4
them knowledge7
and skill8
in all learning10
and wisdom:11
and Daniel12
had understanding13
in all visions15
and dreams.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ten eindeH7117 nu der dagenH3117, waarvan de koningH4428 gezegdH559 had, datH834 men hen zou inbrengenH935, zo brachtH935 ze de oversteH8269 der kamerlingenH5631 in voor het aangezichtH6440 van NebukadnezarH5019,
Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnezar,
KJV
Now at the end1
of the days2
that the king5
had said4
he should bring6
them in, then the prince8
of the eunuchs9
brought7
them in before10
Nebuchadnezzar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En de koningH4428 sprakH1696 metH854 hen; doch er werd uit hen allenH3605 niemand gevondenH4672, gelijk DanielH1840, HananjaH2608, MisaelH4332 en AzarjaH5838; en zij stondenH5975 voor het aangezichtH6440 des koningsH4428.
En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniel, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.
KJV
And the king3
communed1
with them; and among them all was found5
none like Daniel,7
Hananiah,8
Mishael,9
and Azariah:10
therefore stood11
they before12
the king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En in alleH3605 zakenH1697 van verstandigeH998 wijsheidH2451, dieH834 de koningH4428 hun afvroegH1245, zo vondH4672 hij hen tienmaalH6235 bovenH5921 alH3605 de tovernaars en sterrekijkersH825, dieH834 in zijn ganseH3605 koninkrijkH4438 waren.
En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovernaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren.
Ook in dit vers
tovenaarsH2748
KJV
And in all matters2
of wisdom3
and understanding,4
that the king8
enquired6
of them, he found9
them ten times10
better11
than all the magicians14
and astrologers15
that were in all his realm.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En DanielH1840 bleef totH5704 het eersteH259 jaarH8141 van den koningH4428 KoresH3566 toe.
En Daniel bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.
KJV
And Daniel2
continued even unto the first5
year4
of king7
Cyrus.
het derde jaar
Te weten toen het derde jaar ten einde ging, en het vierde begon, toen Jojakim volstrekt koning wilde zijn, zich onttrekkende aan de gehoorzaamheid, die hij tevoren aan Nebukadnezar beloofd had, Jer. 25:1 . Anders, na het derde jaar. Vergelijk 2 Kon. 24:1 .
Hertaald:
het derde jaar
Namelijk toen het derde jaar ten einde liep en het vierde begon, toen Jojakim volstrekt koning wilde zijn en zich onttrok aan de gehoorzaamheid die hij tevoren aan Nebukadnezar beloofd had, Jer. 25:1. Anders: na het derde jaar. Vergelijk 2 Kon. 24:1.
Jójakim,
Hij is geweest een zoon van Josia, den broeder van Zedekia, den laatsten koning van Juda.
Hertaald:
Jójakim,
Hij was een zoon van Josia en een broer van Zedekia, de laatste koning van Juda.
Nebukadnezar,
Hij wordt door Jozefus en anderen genoemd Nebukadnezar de Grote, vanwege zijn groot koninkrijk en groot gebied. Zijn vader heette ook Nebukadnezar.
Hertaald:
Nebukadnezar,
Hij wordt door Josefus en anderen Nebukadnezar de Grote genoemd, vanwege zijn grote koninkrijk en uitgestrekte gebied. Zijn vader heette ook Nebukadnezar.
Babel,
Zie Jes. 13:19 .
Hertaald:
Babel,
Zie Jes. 13:19.
te Jeruzalem,
Of, voor, of naar Jeruzalem toe, te weten om de belegering te bereiden, doende in het vierde jaar hetgeen Jeremia voorzegd had, Jer 1 , enz.
Hertaald:
te Jeruzalem,
Of: voor Jeruzalem, of naar Jeruzalem toe, namelijk om de belegering voor te bereiden; daarmee deed hij in het vierde jaar wat Jeremia voorzegd had, Jer. 1, enzovoort.
een deel der vaten van het huis Gods;
De rest werd door Gods beschikking in den tempel bewaard tot de wegvoering van den koning Jechonia, Jer. 27:18-20 . Ja, ook bleven er nog enige tot de verwoesting der stad toe.
Hertaald:
een deel der vaten van het huis Gods;
De rest werd door Gods beschikking in de tempel bewaard tot de wegvoering van koning Jechonia, Jer. 27:18-20. Ja, er bleven er zelfs enkele over tot de verwoesting van de stad toe.
bracht ze
Te weten de vaten, die hij naar de wijze der heidenen, eerst zijnen afgod heeft aangeboden, en daarna in het schathuis weggelegd, gelijk volgt. Vergelijk 2 Kron. 36:7 . Anderszins is het waarachtig dat hij ook Jojakim met vele anderen gevankelijk gezonden heeft naar Babel. Zie het volgende, en onder Dan. 2:25 .
Hertaald:
bracht ze
Namelijk de vaten, die hij naar de gewoonte van de heidenen eerst aan zijn afgod heeft aangeboden en daarna in het schathuis heeft weggelegd, zoals volgt. Vergelijk 2 Kron. 36:7. Overigens is het waar dat hij ook Jojakim met veel anderen gevankelijk naar Babel gezonden heeft. Zie het vervolg, en Dan. 2:25.
in het land van Sinear,
Anders: naar het land Sinear, het huis van zijn God. Van Sinear, zie Gen. 10:10 , en Gen. 11:2 .
Hertaald:
in het land van Sinear,
Anders: naar het land Sinear, het huis van zijn god. Over Sinear, zie Gen. 10:10 en Gen. 11:2.
in het schathuis
Hetwelk binnen Babylonië was; zie 2 Kron. 36:7 .
Hertaald:
in het schathuis
Dat lag binnen Babylonië; zie 2 Kron. 36:7.
zijns gods
Te weten van Bel, den groten afgod der Babyloniërs, der Assyriërs en der Perzen. Zie Jes. 46:1 , en Dan. 4:8 .
Hertaald:
zijns gods
Namelijk van Bel, de grote afgod van de Babyloniërs, de Assyriërs en de Perzen. Zie Jes. 46:1 en Dan. 4:8.
den overste
Of, zijn groten hofmeester.
Hertaald:
den overste
Of: zijn opperhofmeester.
kamerlingen,
Of, hovelingen, eigenlijk gesnedenen; zie Gen. 37:36 ; 2 Kon. 20:18 .
Hertaald:
kamerlingen,
Of: hovelingen, eigenlijk: gesnedenen; zie Gen. 37:36; 2 Kon. 20:18.
uit het koninklijk zaad,
Hebreeuws, uit het zaad des rijks; dat is, uit, of van de jongelingen, die uit koninklijk zaad geboren waren; zie Jer. 39:7 ; Jer. 41:1 .
Hertaald:
uit het koninklijk zaad,
Hebreeuws: uit het zaad van het rijk; dat is: uit de jongemannen die uit koninklijk zaad geboren waren; zie Jer. 39:7; Jer. 41:1.
prinsen;
Of, vorsten, of oversten. Eenigen onder de rabbijnen menen dat het woord Parthemin betekent de gouverneurs, wonende en regerende omtrent de rivier Perath, of Frat, (Eufraat). Anderen onder de Joden menen dat dit woord zoveel betekent als grote vorsten en heerschappers.
Hertaald:
prinsen;
Of: vorsten, of oversten. Sommige rabbijnen menen dat het woord parthemin de gouverneurs aanduidt die bij de rivier de Perath of Frat (de Eufraat) woonden en regeerden. Andere Joden menen dat dit woord zoveel betekent als grote vorsten en heersers.
geen gebrek ware,
Te weten geen gebrek noch smet van het lichaam, maar volmaakt van lijf en van leden.
Hertaald:
geen gebrek ware,
Namelijk geen gebrek of smet aan het lichaam, maar volmaakt van lijf en leden.
schoon van aangezicht,
Hebreeuws, goed van aanzien.
Hertaald:
schoon van aangezicht,
Hebreeuws: goed van aanzien.
vernuftig in alle wijsheid,
Of, verstandig in alle wijsheid; niet dat zij toen ten tijde alle wijsheid, enz. moesten hebben, maar zij moesten van goeden aard en verstand wezen, om zulks mettertijd te kunnen begrijpen en leren.
Hertaald:
vernuftig in alle wijsheid,
Of: verstandig in alle wijsheid. Niet dat zij in die tijd al alle wijsheid moesten bezitten, maar zij moesten van goede aard en goed verstand zijn om dat mettertijd te kunnen begrijpen en leren.
in wetenschap,
Of, in kennis. Hebreeuws, kenners der kennis.
Hertaald:
in wetenschap,
Of: in kennis. Hebreeuws: kenners van de kennis.
kloek van verstand,
Hebreeuws, verstand hebbende [in] wetenschap.
Hertaald:
kloek van verstand,
Hebreeuws: verstand hebbend in wetenschap.
bekwaamheid ware,
Hebreeuws, kracht; dat is, aard, vernuft, verstand.
Hertaald:
bekwaamheid ware,
Hebreeuws: kracht; dat is: aard, vernuft, verstand.
om te staan in des konings paleis;
Dat is, om te dienen; zie Deut. 1:38 , en 1 Kon. 10:8 . Dit was van den profeet Jesaja voorzegd, Jes. 39:7 . Voor den koning staan kan hier ook verstaan worden, om voortreffelijke ambten in toekomende tijden te bedienen. Deze jongelingen liet de koning tot dit einde aldus opleiden, op hoop dat hij de Joden door hen, als zij tot hunne jaren zouden gekomen zijn, te beter in gehoorzaamheid zou kunnen houden.
Hertaald:
om te staan in des konings paleis;
Dat is: om te dienen; zie Deut. 1:38 en 1 Kon. 10:8. Dit was door de profeet Jesaja voorzegd, Jes. 39:7. Voor de koning staan kan hier ook betekenen: in de toekomst voorname ambten bekleden. De koning liet deze jongemannen daartoe opleiden in de hoop dat hij de Joden door hen, wanneer zij tot hun jaren gekomen zouden zijn, des te beter in gehoorzaamheid zou kunnen houden.
de boeken
Het Hebreeuwse woord betekent alles, waarin iets geschreven of verhaald wordt, een boek, een brief, een register, enz. Tevoren waren deze jongelingen door hun godzalige ouders en leermeesters onderwezen geweest in Gods wetboek; nu zouden zij onderwezen worden in der Chaldeën boeken, die vol van ijdele kunsten en afgodische bijgelovigheden waren; en alzo werden zij gebracht in het grootste gevaar naar ziel en lichaam.
Hertaald:
de boeken
Het Hebreeuwse woord duidt alles aan waarin iets geschreven of verhaald wordt: een boek, een brief, een register, enzovoort. Tevoren waren deze jongemannen door hun godvruchtige ouders en leermeesters onderwezen in Gods wetboek; nu zouden zij onderwezen worden in de boeken van de Chaldeeën, die vol waren van ijdele kunsten en afgodische bijgelovigheden. Zo werden zij in het grootste gevaar gebracht naar ziel en lichaam.
spraak der Chaldeën
Of, taal. Hebreeuws, tong.
Hertaald:
spraak der Chaldeën
Of: taal. Hebreeuws: tong.
verordende hun,
Of, stelde, verordende, bestelde.
Hertaald:
verordende hun,
Of: stelde vast, bestelde.
wat men ze dag bij dag geven zou
Hebreeuws, het woord, of de zaak des daags op zijnen dag, gelijk Ex. 5:13 .
Hertaald:
wat men ze dag bij dag geven zou
Hebreeuws: het woord of de zaak van de dag op zijn dag, zoals Ex. 5:13.
de stukken der spijs des konings,
Brokken, portie, gerechten, of overschot.
Hertaald:
de stukken der spijs des konings,
Brokken, portie, gerechten, of overschot.
zijns dranks,
Hebreeuws, zijner dranken, of drinkingen; dat is van zulke wijnen of drank, als hij zelf dronk.
Hertaald:
zijns dranks,
Hebreeuws: van zijn dranken; dat is: van zulke wijnen of drank als hij zelf dronk.
drie jaren alzo optoog,
In welken tijd vermoedelijk zij de taal, de religie en de wetten der Chaldeën zouden kunnen leren.
Hertaald:
drie jaren alzo optoog,
In die tijd zouden zij vermoedelijk de taal, de godsdienst en de wetten van de Chaldeeën kunnen leren.
staan voor het aangezicht des konings
Dat is, dienen; zie Deut. 10:8 , en 1 Kon. 17:1 , en de aantekening.
Hertaald:
staan voor het aangezicht des konings
Dat is: dienen; zie Deut. 10:8 en 1 Kon. 17:1, met de aantekening.
gaf hun
Te weten uit bevel des konings, gelijk te zien is onder Dan. 5:12 . Hebreeuws, stelde.
Hertaald:
gaf hun
Namelijk op bevel van de koning, zoals te zien is in Dan. 5:12. Hebreeuws: stelde.
andere namen,
Aldus heeft ook Farao Jozefs naam veranderd, Gen. 41:45 ; en Farao Necho, Eljakim, 2 Kon. 23:24 , en 2 Kon. 24:17 . Het schijnt dat dit placht te geschieden tot een teken van heerschappij over zulke personen; ook schijnt het hier geschied te zijn aan Daniël en zijne metgezellen, uit haat van de namen van den waren God, die in de namen dezer jongelingen waren, te weten El en Jah, en opdat zij alzo den waren God des te eerder vergeten en de namen der afgoden zich algemeen en gemeenzaam zouden maken, hun gevende namen der afgoden in plaats van den waren God. Want naar sommiger gevoelen is Daniël zoveel als God is mijn rechter; Chananjah: God heeft mij genade gedaan; Misael betekent zoveel als een die den Heere aangrijpt; Azarjah: de hulp des Heeren, of, dien God helpt; maar Beltsazar betekent een die Bels schatten weglegt en bewaart; Sadrach, een die invloeiingen krijgt van den koning der planeten; dat is, van de zon; Mesach, een die de godin Sacha toebehoort; Abed-Nego, betekent een dienaar van Nego, den afgod des vuurs. Het heeft, buiten twijfel, dezen godzaligen jongelingen zeer verdroten,
Hertaald:
andere namen,
Zo heeft ook Farao de naam van Jozef veranderd (Gen. 41:45) en Farao Necho die van Eljakim (2 Kon. 23:24 en 2 Kon. 24:17). Het lijkt erop dat dit placht te gebeuren als teken van heerschappij over zulke personen. Hier lijkt het ook gebeurd te zijn uit haat tegen de namen van de ware God die in de namen van deze jongemannen zaten, namelijk El en Jah, en opdat zij de ware God des te eerder zouden vergeten en zich de namen van de afgoden eigen zouden maken — waarbij hun namen van afgoden gegeven werden in plaats van die van de ware God. Want volgens sommigen betekent Daniël: God is mijn Rechter; Hananja: God heeft mij genade bewezen; Misaël zoveel als: iemand die de HEERE aangrijpt; Azarja: de hulp van de HEERE, of: die God helpt. Maar Beltsazar betekent: iemand die de schatten van Bel wegbergt en bewaart; Sadrach: iemand die instromingen ontvangt van de koning van de planeten, dat is: van de zon; Mesach: iemand die de godin Sacha toebehoort; en Abed-Nego betekent: een dienaar van Nego, de afgod van het vuur. Het zal deze godvruchtige jongemannen ongetwijfeld zeer verdroten hebben
andere namen,
dat men hen gedwongen heeft de namen der afgoden te dragen, in plaats van die troostelijke namen van den waren God, die hun godzalige ouders hun gegeven hadden.
Hertaald:
andere namen,
dat men hen gedwongen heeft de namen van de afgoden te dragen in plaats van die troostrijke namen van de ware God die hun godvruchtige ouders hun gegeven hadden. De bron verdeelt deze ene noot over twee stukken met hetzelfde kopwoord.
Daniël
Hebreeuws, hij stelde voor Daniël, en zo in het volgende. Daniël wordt eerst genoemd, als zijnde uit koninklijken stam, òf omdat hij zijne metgezellen in wijsheid en verstand overtrof; òf omdat er in dit boek voornamelijk van hem gesproken wordt.
Hertaald:
Daniël
Hebreeuws: hij stelde voor Daniël, en zo in het vervolg. Daniël wordt als eerste genoemd omdat hij uit koninklijke stam was; óf omdat hij zijn metgezellen in wijsheid en verstand overtrof; óf omdat er in dit boek vooral over hem gesproken wordt.
Beltsazar,
Naar den naam van den afgod Bel; zie Dan. 4:8 ; tussen dezen naam van Daniël en dien van den koning van Babel is maar een letter onderscheid: Daniël werd genoemd Beltschazar, en de koning Belschazar, onder Dan. 5:1 .
Hertaald:
Beltsazar,
Naar de naam van de afgod Bel; zie Dan. 4:8. Tussen deze naam van Daniël en die van de koning van Babel is maar één letter verschil: Daniël werd Beltsazar genoemd en de koning Belsazar, Dan. 5:1.
Daniël nu
Hetgeen Daniël gedaan heeft moet men verstaan, dat zijne metgezellen ook gedaan hebben, gelijk blijkt vs.11,12.
Hertaald:
Daniël nu
Wat Daniël gedaan heeft, moet men zo verstaan dat zijn metgezellen dat ook gedaan hebben, zoals blijkt uit vers 11 en 12.
nam voor in zijn hart,
Hebreeuws, zette, of legde op zijn hart.
Hertaald:
nam voor in zijn hart,
Hebreeuws: zette of legde op zijn hart.
ontreinigen
Dat is, zijne conscientie besmetten met onreine spijs te eten; want de Chaldeën aten van verscheidene spijzen, als van varkens, hazen en verscheidene soorten van vissen en vogels, die den kinderen Israël te eten van God verboden waren, Lev 11 ; Deu 14 . En zij besmetten ook de geoorloofde spijzen met afgodische ceremoniën en aanroepingen hunner goden, Dan. 5:4 ; 1 Kor. 10:7 . Immers kon Daniël zulks niet doen zonder zijne naasten te ergeren. Zie Matt. 18:7 .
Hertaald:
ontreinigen
Dat is: zijn geweten bezoedelen door onreine spijs te eten. Want de Chaldeeën aten allerlei spijzen, zoals varkens, hazen en verschillende soorten vissen en vogels, die God de kinderen Israëls verboden had te eten, Lev. 11 en Deut. 14. Bovendien bezoedelden zij ook de geoorloofde spijzen met afgodische ceremoniën en aanroepingen van hun goden, Dan. 5:4; 1 Kor. 10:7. In elk geval kon Daniël dat niet doen zonder zijn naasten aanstoot te geven. Zie Matth. 18:7.
zijns dranks;
Te weten van den koning, dat is, van den wijn waar de koning zelf van dronk. Doch in het Hebreeuws staat het veelvoudig getal, zijner dranken, waaruit, naar sommiger mening, af te leiden is dat de koning van verscheidene soorten van wijnen dronk, die ook Daniël en zijnen metgezellen voorgesteld werden.
Hertaald:
zijns dranks;
Namelijk van de koning, dat is: van de wijn waarvan de koning zelf dronk. In het Hebreeuws staat echter het meervoud: zijn dranken, waaruit volgens sommigen af te leiden is dat de koning van verschillende soorten wijn dronk, die ook Daniël en zijn metgezellen voorgezet werden.
gaf Daniël genade en barmhartigheid
Hebreeuws, stelde Daniël ter goedertierenheid en ter barmhartigheden. Zie dergelijke manier van spreken, en van dergelijke genade Gods, 1 Kon. 8:50 ; Ps. 106:46 . Zie ook Neh. 1:11 . De zin is: God gaf dat Daniël en zijne metgezellen niet gedwongen werden van des konings spijs te eten; maar Aspenaz zag het door de vingers, als de bottelier of spijsmeester hun moes of hofspijs te eten gaf.
Hertaald:
gaf Daniël genade en barmhartigheid
Hebreeuws: stelde Daniël tot goedertierenheid en tot barmhartigheden. Zie een soortgelijke manier van spreken, en een soortgelijke genade van God, in 1 Kon. 8:50; Ps. 106:46. Zie ook Neh. 1:11. De betekenis is: God gaf dat Daniël en zijn metgezellen niet gedwongen werden van de spijs van de koning te eten, maar dat Aspenaz het door de vingers zag wanneer de bottelier of spijsmeester hun moes of tuinspijs te eten gaf.
Ik vreze mijn heer,
Hij geeft hier te kennen dat hij Daniël en zijnen metgezellen wel zou toelaten hetgeen zij van hem begeerden, tenware dat hij gevreesd had in gevaar van zijn leven te komen, indien de koning gemerkt had dat hunne gestalte ware vervallen, en dat hij de oorzaak daarvan zou onderzocht hebben.
Hertaald:
Ik vreze mijn heer,
Hij geeft hier te kennen dat hij Daniël en zijn metgezellen wel zou toestaan wat zij vroegen. Maar hij vreesde daarmee zijn leven in gevaar te brengen, wanneer de koning zou merken dat hun gestalte achteruitgegaan was en de oorzaak daarvan zou onderzoeken.
want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien,
Alsof hij zeide: Waarom zou ik de oorzaak daarvan zijn, dat de koning zou zien dat uwe aangezichten droeviger, jammerlijker, mismaakter, ontstelder, magerder of treuriger zouden zijn? Vergelijk Gen. 40:6 , en de aantekening aldaar.
Hertaald:
want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien,
Alsof hij zei: waarom zou ik er de oorzaak van zijn dat de koning zou zien dat uw gezichten droeviger, jammerlijker, mismaakter, ontstelder, magerder of treuriger zijn? Vergelijk Gen. 40:6 en de aantekening daar.
die in gelijkheid met ulieden zijn?
Te weten van drie jaren, dat is, die ook, gelijk gijlieden, drie jaren lang aldus moeten opgeleid worden. Anderen verstaan het aldus: Die ulieden in ouderdom gelijk zijn. Hebreeuws, naar uwe gelijkheid, of naar uwe blijdschap, hetwelk zou zijn, die blijde van gelaat zijn, gelijk gij nu zijt en niet droevig.
Hertaald:
die in gelijkheid met ulieden zijn?
Namelijk van drie jaar, dat is: zij die net als u drie jaar lang zo moeten worden opgeleid. Anderen verstaan het zo: die u in leeftijd gelijk zijn. Hebreeuws: naar uw gelijkheid, of: naar uw blijdschap — dat zou betekenen: die blij van gelaat zijn zoals u nu bent en niet droevig.
Alzo zoudt gij
De zin is: Dusdoende zoudt gijlieden maken dat ik van den koning aan het leven zou gestraft worden; anders, wil hij zeggen, zou ik gaarne ulieden uwe begeerte toelaten.
Hertaald:
Alzo zoudt gij
De betekenis is: als u dat doet, zou u maken dat ik door de koning met de dood gestraft word; anders, wil hij zeggen, zou ik u uw verzoek graag toestaan.
mijn hoofd bij den koning
Dat is, mijn leven.
Hertaald:
mijn hoofd bij den koning
Dat is: mijn leven.
schuldig maken
Hebreeuws, verschulden; dat is, mijn leven in gevaar brengen.
Hertaald:
schuldig maken
Hebreeuws: verschulden; dat is: mijn leven in gevaar brengen.
Toen zeide Daniël
Te weten toen hij merkte dat de overste der kamerlingen zulks door de vingers zag, als hij maar buiten gevaar en verwijt mocht blijven.
Hertaald:
Toen zeide Daniël
Namelijk toen hij merkte dat de overste van de kamerlingen dit door de vingers zag, als hij zelf maar buiten gevaar en verwijt bleef.
tot Melzar,
Anders, tot den bezorger, uitdeler, bottelier, keukenmeester, schaffer.
Hertaald:
tot Melzar,
Anders: tot de bezorger, uitdeler, bottelier, keukenmeester of schaffer.
gesteld had
Te weten om hun spijs en drank te geven en zorg te dragen over hunne opvoeding.
Hertaald:
gesteld had
Namelijk om hun spijs en drank te geven en voor hun opvoeding te zorgen.
Beproef toch
Anders: verzoek het toch met uwe knechten.
Hertaald:
Beproef toch
Anders: doe toch een proef met uw knechten.
uw knechten
Dat is, ons, mij Daniël en mijne metgezellen.
Hertaald:
uw knechten
Dat is: ons, mij Daniël en mijn metgezellen.
van het gezaaide
Hebreeuws, van het zaad; dat is, van hetgeen uit gezaaid zaad der aarde voortkomt, als allerlei moeskruid, idem gerst, erwten, bonen, rijst, gierst, enz. Natuurlijkerwijze is vlees en wijn voedzamer dan moes en water, maar vermoedelijk zullen Daniël en zijne metgezellen gezien hebben op hetgeen er geschreven staat, Deut. 8:3 :De mens leeft niet van het brood alleen, maar, enz.
Hertaald:
van het gezaaide
Hebreeuws: van het zaad; dat is: van wat uit gezaaid zaad van de aarde voortkomt, zoals allerlei moeskruid, en ook gerst, erwten, bonen, rijst, gierst, enzovoort. Van nature zijn vlees en wijn voedzamer dan groente en water, maar vermoedelijk hebben Daniël en zijn metgezellen gezien op wat geschreven staat in Deut. 8:3: de mens leeft niet van brood alleen, maar, enzovoort.
eten,
Hebreeuws, en wij zullen eten, enz.
Hertaald:
eten,
Hebreeuws: en wij zullen eten, enzovoort.
naar dat gij zien zult
Dat is, naar gelegenheid van zaken, naardat gij raadzaam zult vinden als gij ene proef aan ons zult gedaan hebben.
Hertaald:
naar dat gij zien zult
Dat is: naar de omstandigheden, naar wat u raadzaam zult vinden wanneer u een proef met ons genomen hebt.
schoner waren
Hebreeuws, goed, of goeder; dat is, levendiger, beter van kleur, schoner.
Hertaald:
schoner waren
Hebreeuws: goed, of beter; dat is: levendiger, beter van kleur, mooier.
dan al de jongelingen,
Dat is, dan de jongelingen, die van de beste en voedzaamste spijs gegeten hadden. Niet de heerlijke spijs en drank, maar Gods zegen maakt schoon en vet; vergelijk Richt. 13:4 . Zie hiervan Gods belofte Ex. 23:25 , en vergelijk verder Ps. 104:13-15 , en Ps. 145:15-16 ; Hebr. 11:37-38 ; Matt. 4:4 .
Hertaald:
dan al de jongelingen,
Dat is: dan de jongemannen die van de beste en voedzaamste spijs gegeten hadden. Niet de heerlijke spijs en drank, maar Gods zegen maakt schoon en welgedaan; vergelijk Richt. 13:4. Zie hierover Gods belofte in Ex. 23:25, en vergelijk verder Ps. 104:13-15 en Ps. 145:15-16; Hebr. 11:37-38; Matth. 4:4.
den wijn huns dranks,
Dat is, dien zij drinken zouden, zie vs.8.
Hertaald:
den wijn huns dranks,
Dat is: die zij zouden drinken, zie vers 8.
wetenschap en verstand
Te weten in de vrije kunsten, in staatkundige zaken en in natuurlijke dingen; maar niet in de kunst van toverij, welke God verboden heeft; Deut. 18:11 .
Hertaald:
wetenschap en verstand
Namelijk in de vrije kunsten, in staatkundige zaken en in natuurlijke dingen; maar niet in de toverkunst, die God verboden heeft; Deut. 18:11.
boeken,
Zie boven vs.4.
Hertaald:
boeken,
Zie hierboven vers 4.
Daniël
Daarom heeft God Daniël enige bijzondere gaven boven zijne metgezellen gegeven, om hem daardoor in aanzien te brengen, want Hij wilde hem boven zijne metgezellen in voortreffelijke zaken gebruiken.
Hertaald:
Daniël
God heeft Daniël enkele bijzondere gaven boven zijn metgezellen gegeven om hem daardoor in aanzien te brengen, want Hij wilde hem boven zijn metgezellen in voortreffelijke zaken gebruiken.
gezichten en dromen
Van gezichten, zie Gen. 15:1 , en Gen. 46:2 ; Num. 12:6 ; en van dromen, Gen. 20:3 ; doch somtijds worden gezichten en dromen voor een genomen, gelijk Job 33:15 .
Hertaald:
gezichten en dromen
Over gezichten, zie Gen. 15:1 en Gen. 46:2; Num. 12:6; en over dromen, Gen. 20:3. Maar soms worden gezichten en dromen voor hetzelfde gebruikt, zoals Job 33:15.
der dagen,
Te weten die drie jaren, waarvan vs.5 gesproken is.
Hertaald:
der dagen,
Namelijk de drie jaar waarover in vers 5 gesproken is.
dat men hen zou inbrengen,
Of, dat hij, te weten de overste der kamerlingen, hen zou inbrengen; te weten in het paleis.
Hertaald:
dat men hen zou inbrengen,
Of: dat hij, namelijk de overste van de kamerlingen, hen zou binnenbrengen, namelijk in het paleis.
En de koning sprak met hen;
Of, als de koning met hen sprak, zo is er niemand, enz.
Hertaald:
En de koning sprak met hen;
Of: toen de koning met hen sprak, was er niemand, enzovoort.
zij stonden voor het aangezicht des konings
Dat is, als de koning hunne wijsheid hoorde, heeft hij geoordeeld dat zij waardig waren in het getal zijner officieren aangenomen te worden en hem in grootwichtige zaken te dienen; zie vs.4.
Hertaald:
zij stonden voor het aangezicht des konings
Dat is: toen de koning hun wijsheid hoorde, oordeelde hij dat zij het waard waren onder zijn ambtenaren opgenomen te worden en hem in gewichtige zaken te dienen; zie vers 4.
van verstandige wijsheid,
Hebreeuws, van wijsheid der verstandigheid.
Hertaald:
van verstandige wijsheid,
Hebreeuws: van wijsheid van het verstand.
tienmaal
Of, veelmaal. Hebreeuws, tien handen. Zie Gen. 43:34 ; zie ook 2 Sam. 19:43 .
Hertaald:
tienmaal
Of: veelmaal. Hebreeuws: tien handen. Zie Gen. 43:34; zie ook 2 Sam. 19:43.
boven al
Dat is, voortreffelijker, verstandiger, dan al de tovenaars.
Hertaald:
boven al
Dat is: voortreffelijker en verstandiger dan alle tovenaars.
tovenaars en sterrekijkers,
Zie Gen. 41:8 , en Ex. 7:11 .
Hertaald:
tovenaars en sterrekijkers,
Zie Gen. 41:8 en Ex. 7:11.
Daniël
Hier wordt Daniël alleen genoemd, niet zijne metgezellen, omdat doorgaans in dit boek zal gesproken worden van hetgeen God door Daniël heeft gedaan en voorzegd.
Hertaald:
Daniël
Hier wordt alleen Daniël genoemd en niet zijn metgezellen, omdat in dit boek doorgaans gesproken zal worden over wat God door Daniël gedaan en voorzegd heeft.
bleef
Hebreeuws, was, alhoewel niet altijd in even groot aanzien en hoogachting in der koningen hoven, gelijk blijkt Dan. 5:13 , Dan. 5:16 .
Hertaald:
bleef
Hebreeuws: was — hoewel niet altijd in even groot aanzien en achting aan de hoven van de koningen, zoals blijkt uit Dan. 5:13, Dan. 5:16.
tot
Het woord tot, sluit niet altijd den toekomenden tijd uit, alzo dat het hier niet te zeggen is, dat hij zulks niet zou gebleven zijn ten tijde van den koning Cores. Wij lezen Dan. 10:1 , dat hem in het derde jaar van dezen koning nog grote dingen van God zijn geopenbaard geworden. In zulk ene betekenis moet ook het woord tot genomen worden, 2 Sam. 6:23 ; Ps. 110:1 ; Matt. 1:25 .
Hertaald:
tot
Het woordje tot sluit niet altijd de tijd daarna uit, zodat hier niet gezegd wil zijn dat hij dat in de tijd van koning Kores niet meer gebleven zou zijn. Wij lezen in Dan. 10:1 dat hem in het derde jaar van deze koning nog grote dingen door God geopenbaard zijn. In diezelfde betekenis moet het woordje tot ook opgevat worden in 2 Sam. 6:23; Ps. 110:1; Matth. 1:25.
het eerste jaar van den koning Kores toe
Daniël heeft over de zeven en zeventig jaren geleefd in het hof der koningen te Babel, eerst onder Nebukadnezar den Grote; daarna onder Evilmerodach zijn zoon, en onder Belsazar. In het eerste jaar van Cores [die koning van Perzië zijnde, ook koning van Babel geworden is], zijn de Joden uit hun zeventig jarige gevangenschap ontslagen. Zolang en nog daarna heeft God Daniël in het leven gespaard, opdat hij zijn volk zou voorstaan, onderwijzen en troosten den gansen tijd hunner gevangenschap; een bewijs van Gods zonderlinge zorg over zijn volk.
Hertaald:
het eerste jaar van den koning Kores toe
Daniël heeft ruim zevenenzeventig jaar aan het hof van de koningen te Babel geleefd: eerst onder Nebukadnezar de Grote, daarna onder zijn zoon Evilmerodach en onder Belsazar. In het eerste jaar van Kores — die als koning van Perzië ook koning van Babel geworden is — zijn de Joden uit hun zeventigjarige gevangenschap ontslagen. Zo lang en nog daarna heeft God Daniël in het leven gespaard, opdat hij zijn volk zou bijstaan, onderwijzen en troosten gedurende de hele tijd van hun gevangenschap — een bewijs van Gods bijzondere zorg over Zijn volk. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een van Daniëls drie metgezellen uit het koninklijk geslacht van Juda, in Babel hernoemd tot Sadrach. Samen met Misael en Azarja weigerde hij zich te verontreinigen met des konings spijs, en weigerde later het gouden beeld van Nebukadnezar te aanbidden; om die reden in de brandende oven geworpen, werd hij daarin door God wonderbaarlijk bewaard (Dan. 1; 3). Een van Daniëls drie metgezellen, in Babel hernoemd tot Mesach; samen met Hananja en Azarja weigerde hij zich te verontreinigen met des konings spijs en het gouden beeld te aanbidden, en werd met hen ongedeerd uit de brandende oven gered (Dan. 1; 3). Een van Daniëls drie metgezellen, in Babel hernoemd tot Abed-nego; samen met Hananja en Misaël weigerde hij zich te verontreinigen met des konings spijs en het gouden beeld te aanbidden, en werd met hen ongedeerd uit de brandende oven gered (Dan. 1; 3). De overste der kamerlingen van Nebukadnezar, aan wie werd opgedragen Daniël, Hananja, Misaël en Azarja, met andere jonge edelen, te selecteren en op te leiden voor 's konings dienst (Dan. 1:3, 7-11). De man die door de overste der kamerlingen was aangesteld over Daniël en zijn drie metgezellen, en die instemde met hun verzoek om hen tien dagen slechts groente en water te laten eten (Dan. 1:11-16). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het boek begint met een belegering: "In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar" (Dan. 1:1). Het vers erna zegt hoe het afliep, en met welk werkwoord: "En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods" (Dan. 1:2). In datzelfde vers staat waar die vaten terechtkwamen: in het huis van de god van Nebukadnezar, in zijn schathuis. De terugkeer van dat gerei is later behandeld (reeds behandeld bij Ezra 1:7-11). Bijbelse betekenis: Merk op wie in Dan. 1:2 het onderwerp van de zin is. Niet Nebukadnezar maar de HEERE: Hij gaf. Wat van buiten af de nederlaag van Israëls God leek, wordt hier Zijn eigen daad genoemd; dat is dezelfde lijn die in de profeten telkens getrokken wordt (reeds behandeld bij Jes. 10:5). Let vervolgens op de plaats waar de vaten neergezet worden. In een afgodstempel, als bewijsstuk van een overwinning; naar de gewoonte van die tijd hoorde daarbij de gedachte dat de ene god de andere verslagen had. Het boek begint dus met een misverstand dat het verder zal weerleggen. Let ten slotte op wat er met die vaten nog komen gaat. Zij duiken in dit boek opnieuw op, wanneer een latere koning eruit drinkt (Dan. 5:2-4); wat als buit werd weggezet, wordt daar het middel van zijn ondergang. Typologie: De Heere Jezus zegt tegen de stadhouder die over Zijn leven meende te beschikken: "Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware" (Joh. 19:11). Dat woord staat ook boven de eerste bladzijde van dit boek. Dan. 1:1-2; Dan. 5:2-4; Ezra 1:7-11; Jes. 10:5; Joh. 19:11 "Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniel, Hananja, Misael en Azarja" (Dan. 1:6). Het vers erna vertelt wat daarmee gebeurt: "En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego" (Dan. 1:7). Van verzet daartegen staat niets. Wat wel gebeurt, staat een vers verder, en dan gaat het over het eten (Dan. 1:8). Bijbelse betekenis: Merk op wat die namen inhielden. De namen die zij van huis uit droegen, spraken alle vier van God; de nieuwe namen deden dat niet. Toch wordt er geen woord van verzet vermeld. Let vervolgens op waar zij wél een grens trokken. Niet bij hun naam, hun opleiding of hun kleding, maar bij de tafel. Zij lieten zich Babylonisch noemen en Babylonisch onderwijzen, en zij weigerden wat hen naar hun overtuiging onrein maakte. Dat onderscheid is de moeite waard: wie overal tegen is, wordt op het beslissende punt niet meer gehoord. Let ten slotte op wat het boek zelf met die namen doet. Het blijft hem Daniël noemen; de opgelegde naam heeft de zijne niet vervangen. Ook Jozef kreeg in Egypte een nieuwe naam, en ook daar bleef hij Jozef heten (Gen. 41:45). Typologie: Wie een naam geeft, laat daarmee zien dat hij zeggenschap opeist. In het laatste boek geeft Christus Zelf een nieuwe naam, en dan is het een gave en geen aanspraak: "Ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven" (Op. 2:17). Dan. 1:6-8; Gen. 41:45; Op. 2:17 "Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks" (Dan. 1:8). In datzelfde vers staat hoe hij het aanpakt: hij verzoekt het van de overste van de kamerlingen. Die durft niet, want hij vreest de koning (Dan. 1:10). Daarop komt Daniël met een voorstel aan een lagere man: "Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken" (Dan. 1:12). Na tien dagen blijkt hun gedaante beter dan die van de anderen (Dan. 1:15), en de proef wordt de regel. Bijbelse betekenis: Merk op wanneer het besluit genomen wordt. Niet op het ogenblik dat de schotel voor hem staat, maar tevoren: hij nam het voor in zijn hart. Wie pas nadenkt wanneer het aanbod er ligt, is meestal te laat. Let vervolgens op de manier waarop hij het brengt. Hij maakt geen ophef en hij eist niets; hij vraagt het, en wanneer het niet kan, komt hij met een proef die de ander uit de wind houdt. Vastheid en beleefdheid sluiten elkaar niet uit. Let ten slotte op de grens van deze geschiedenis. Wat Daniël weigerde, hing samen met de spijswetten die aan Israël gegeven waren (reeds behandeld bij Lev. 11:1-8). Voor de gemeente geldt daarin uitdrukkelijk een andere regel: de Heere Jezus verklaarde alle spijzen rein (Mark. 7:19), en Petrus kreeg te horen dat hij niet gemeen mocht noemen wat God gereinigd had (Hand. 10:15). Dit hoofdstuk is dus geen voorschrift over eten, maar een voorbeeld van standhouden. Typologie: Paulus schrijft dat alle schepsel Gods goed is "en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde" (1 Tim. 4:4). Wat blijft staan is niet het menu maar het beginsel: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen" (Hand. 5:29). Dan. 1:8-16; Lev. 11:1-8; Mark. 7:19; Hand. 10:15; 1 Tim. 4:4; Hand. 5:29 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Daniël 1
Daniël 1:1.Kruisverwijzingen2 Kronieken 36:5→2 Koningen 24:1→2 Koningen 24:13→
— In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.
De zonde brengt altijd haar straf mee. Koning Jojakim deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE. Daarom gebruikte God Nebukadnezar, de koning van Babel, als de roede in Zijn hand om Zijn zondige volk en hun goddeloze koning te tuchtigen.
Daniël 1:2.Kruisverwijzingen2 Kronieken 36:7→Zacharia 5:11→Genesis 11:2→Jesaja 42:24→Jeremia 51:44→Jeremia 27:19→Jesaja 11:11→Richteren 16:23→
— En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.
Het was niet enkel dat Nebukadnezar sterk genoeg was om de Joden te overwinnen. God gaf Zijn volk in de hand van Nebukadnezar over. De vijand kan de kerk van God niet aanraken zonder goddelijk verlof.
Zie hoe heilige voorwerpen, die eens voor de edelste doeleinden gebruikt werden, van geen enkel nut meer zijn zodra de Geest van God uit de kerk geweken is. U weet dat toen de Filistijnen de ark van God buitmaakten en haar in de tempel van Dagon zetten, die vissengod voor de ark neerviel en brak. In Babel gebeurde niets van dien aard. De heilige vaten werden in de heidense tempel gezet, en er volgde geen enkel wonder. Want God geeft op zichzelf niets om gouden vaten. Heeft de zonde Zijn volk verontreinigd, dan zijn hun kostbaarheden Hem niets waard. Ze mogen gaan waar de mensen ze maar heen willen dragen. Heel hun waarde ligt erin dat God de dienst aanneemt die ermee bewezen wordt.
Zo kunt ook u, broeder, uw gang naar het avondmaal volhouden, en uw prediking en uw samenkomsten. Maar het zal alles niets zijn zonder de Geest van God. Zie hoe het avondmaal in het offer van de mis veranderd wordt. Zie hoe de doop wordt voorgesteld als het kanaal of het middel van de wedergeboorte, zodra de Geest van God uit de door God ingestelde inzettingen geweken is.
Behalve deze heilige vaten nam Nebukadnezar ook de besten van het volk van het land mee en voerde hen gevankelijk weg. Hij zocht de rijken en de edelen uit, wie opvoeding en andere gaven bezaten, en liet de armsten van het land achter. Soms hebben juist de meest verhevenen het meeste te lijden.
Daniël 1:4.KruisverwijzingenHandelingen 7:22→2 Samuël 14:25→Daniël 5:11→Leviticus 21:18→Leviticus 24:19→Spreuken 22:29→Daniël 2:20→Daniël 1:17→
— Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeen.
Nebukadnezar was in veel opzichten een verlicht heerser. Hij zag dit als een van de beste dingen die hij voor zijn hof en zijn uitgestrekte rijk doen kon. Hij zocht de besten van de jongelingen van elk volk uit, die hun eigen landskennis meebrachten. Zij waren kwiek van lichaam en vlug van geest, en zij zouden opgeleid worden tot raadslieden van het hof of klaargemaakt worden om belangrijke ambten te vervullen zodra die vrijkwamen.
Daniël 1:5.KruisverwijzingenDaniël 1:19→1 Samuël 16:22→Daniël 1:8→Genesis 41:46→1 Koningen 10:8→Lukas 21:36→Jeremia 15:19→Mattheüs 6:11→
— En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.
Hij behandelde hen buitengewoon goed. Misschien dacht hij dat juist het voedsel dat zij aten hun geest zou stemmen voor het werk waartoe hij hen geroepen had. Hij wilde hen tot echte Chaldeeën maken, en daarom bepaalde hij dat zij moesten eten van het vlees dat híj at en drinken van de wijn die híj dronk. Hij stuurde hen als het ware drie jaar naar de hogeschool.
Daniël 1:7.KruisverwijzingenDaniël 2:49→Daniël 5:12→Daniël 4:8→2 Koningen 23:34→2 Koningen 24:17→Daniël 1:3→Genesis 41:45→Daniël 1:10→
— En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.
Dit moest hen tot Chaldeeën maken en alles wat Joods was van hen wegnemen. In de Joodse namen van deze jongemannen was namelijk in elk de naam van God ingeweven. Ik hoef dat niet uit te werken, maar in elke naam ligt een betekenis die met God verbonden is. In twee ervan hoort u de klank El, een naam van God; en in de andere twee de uitgang Ja, waarin de naam HEERE doorklinkt. De nieuwe namen die hun gegeven werden, blijken met afgoden samen te hangen; in elk geval geldt dat voor Beltsazar en Abed-nego. De bedoeling was Babyloniërs van hen te maken.
Daniël 1:8.KruisverwijzingenHosea 9:3→Leviticus 11:45→Ezechiël 4:13→Psalmen 141:4→1 Korinthe 10:18→Psalmen 119:115→2 Korinthe 9:7→Ruth 1:17→
— Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.
Ik houd er wel van een “maar” tegen te komen wanneer er zo’n plan gaande is. Wanneer het erop uitloopt mensen van het rechte pad te verleiden, dan is het een gelukkige zaak als er een maar komt: “Daniel nu nam voor in zijn hart” — besloten, vast, uitgemaakt.
Daniël noemt hier alleen zichzelf. Maar de drie anderen waren één met hem in dat besluit en in dat verzoek. Hij was de leider. Soms zou er geen Sadrach, Mesach en Abed-nego zijn als er geen Daniël was. De andere drie hadden misschien nooit de kracht van geest gehad, als er geen Daniël geweest was die alleen durfde te staan. Maar met zo’n moedige leider durfden zij naast hem te gaan staan. Wij zijn vaak veel verschuldigd aan geestelijk gezinde mensen die anderen kunnen helpen de rechte weg te kiezen.
Daniël 1:9.KruisverwijzingenSpreuken 16:7→Psalmen 106:46→Genesis 39:21→1 Koningen 8:50→Nehemia 2:4→Psalmen 4:3→Handelingen 7:10→Genesis 32:28→
— En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.
Het lijkt op het geval van Jozef en Potifar. De zachtaardigheid van Daniël, zijn liefdevolle omgang en zijn open en vrijmoedige geest hadden de overste van de kamerlingen voor hem gewonnen. Die zag hem niet alleen met gunst aan, maar had zelfs een tedere liefde voor hem. God heeft de harten van alle mensen in Zijn macht, en Hij kan Zijn volk gunst geven waar zij die het minst verwachten.
Daniël 1:10.KruisverwijzingenSpreuken 29:25→Mattheüs 6:16→Johannes 12:42→
— Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.
Wat een schrikbewind heerst er in een land waar de koning doen kan wat hij wil! Om het kleinste vergrijp kan iemands hoofd in gevaar zijn.
Daniël 1:11-12.KruisverwijzingenDaniël 1:16→Romeinen 14:2→Deuteronomium 8:3→Genesis 1:29→
— Toen zeide Daniel tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniel, Hananja, Misael en Azarja: Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.
Ik vind het mooi dat de Heilige Geest hun oude namen gebruikt telkens wanneer dat gepast is. Mochten wij onze oude namen nooit verliezen! Ik bedoel: onze níeuwe namen, want die zijn bij sommigen van ons inmiddels oud geworden. Mochten wij altijd bekendstaan als de knechten van God, en niet als Chaldeeën!
De overste van de kamerlingen had Daniël een wenk gegeven. Wilde de beambte onder hem de verantwoordelijkheid voor een verandering van eten en drinken op zich nemen, dan mocht dat; de overste zou de proef niet tegenhouden. Zo wendt Daniël zich tot Melzar en zegt: beproef uw knechten een geschikte tijd lang. Laat ons van het gezaaide eten en water drinken. Hij stelde zijn verzoek zo uiterst voor om volstrekt zeker te zijn dat niets wat hem gebracht werd van de tafel van de koning kwam.
Daniël 1:13.
— En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw knechten, naar dat gij zien zult.
“Vallen wij werkelijk af, worden wij mager en zien wij bleek en ziek van dit grove voedsel, zoals u het noemt, verander het dan. Maar zijn wij even gezond als zij die het vlees van de koning gegeten en zijn wijn gedronken hebben, laat ons dan bij ons gezaaide en ons water blijven.”
Daniël 1:14.
— Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.
Een rond getal, dat staat voor een tijd die lang genoeg is om een eerlijke proef te geven.
Daniël 1:15.KruisverwijzingenExodus 23:25→Spreuken 10:22→Maleachi 2:2→2 Koningen 4:42→Mattheüs 4:4→Psalmen 37:16→Markus 6:41→Hagai 1:9→
— Ten einde nu der tien dagen, zag men dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten.
Ik twijfel er niet aan dat de voldoening van hart die zij hadden bij het zich onbesmet bewaren, hun een goede spijsvertering gaf. En dus was de kans groter dat zij er goed uitzagen dan de anderen.
Daniël 1:17.KruisverwijzingenJakobus 1:5→1 Koningen 3:12→Daniël 2:23→Job 32:8→Daniël 2:21→Spreuken 2:6→Daniël 10:1→Kolossenzen 1:9→
— Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniel gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.
God kan ons helpen in onze studie. Wij mogen evenveel bidden over wat wij te léren hebben als over wat wij te dóen hebben. Ik geloof dat een moeilijk vraagstuk vaak het best door gebed opgelost wordt. Alle ware kennis en alle bekwaamheid in geleerdheid en wijsheid zijn gaven van God.
Daniël 1:19.KruisverwijzingenGenesis 41:46→Daniël 1:5→Spreuken 22:29→Jeremia 15:19→1 Koningen 17:1→
— En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniel, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.
Zij werden zijn dienaren en zijn raadslieden gemaakt. Juist deze mannen waren zo dwaas geweest het voedsel van de koninklijke tafel niet te eten, en zo hardnekkig dat zij meenden zich daarmee te verontreinigen. Het zijn deze dwaze en hardnekkige mensen die niet te buigen zijn maar recht móéten blijven: de oprechten, die voor koningen zullen staan, want God is met hen.
Daniël 1:20.Kruisverwijzingen1 Koningen 4:29→Daniël 2:13→Exodus 8:19→Job 19:3→Nehemia 4:12→Genesis 41:8→Exodus 8:7→Exodus 7:22→
— En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovernaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren.
Zij hadden gemeenschap met God, en dat was beter dan tovenaar of sterrenkijker te zijn. Mannen van God zijn tien keer beter dan dat hele gezelschap bij elkaar.
Daniël 1:21.KruisverwijzingenDaniël 6:28→Daniël 10:1→
— En Daniel bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.
Die paar woorden vatten heel de geschiedenis van Daniël samen: Daniël blééf. God geve ieder van ons de genade om te volharden zoals Daniël deed!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
In Hoofdst. 1-6 hebben wij vooreerst een boek der geschiedenis, dat ons in de levensgeschiedenissen van Daniël inleidt, voor zoverre die voor zijne profetische roeping en het doel daarvan van betekenis zijn. Is nu het conflict (vijandige aanraking) van het volk Gods met het rijk der wereld een conflict, dat met de overwinning van het eerste over het laatste eindigt, hetgeen Daniël in zijn persoon moet voorstellen en in zijne voorzeggingen uit elkaar leggen, zo vernemen wij vooreerst (Hoofdst. 1 en 2), hoe Daniël er toe kwam, de voorsteller en Profeet van dit conflict te worden; daarop (Hoofdst. 3-5) karakteriseert zich voor ons de gehele gezindheid en geest van de macht der wereld als de geest van zelfverheffing en van zelfvergoding, en dit haar karakter verloochent de macht der wereld, gelijk verder (Hoofdst.
aangewezen wordt, zelfs dan niet wanneer de tijdelijke drager of vertegenwoordiger daarvan, een den God van Israël en Zijnen vereerders vriendelijk gezind heerser is. Hare gezindheid drijft haar met geweld daartoe, om den God van Israël Zijne aanspraak, om de alleen ware God van hemel en aarde te zijn, te bestrijden, en diegenen, die Hem met getrouwheid dienen, te vervolgen; toch weet de Heere altijd de overwinning te verkrijgen, en de Zijnen te redden.
I. Vs. 1-21.Kruisverwijzingen2 Kronieken 36:5→2 Koningen 24:1→2 Koningen 24:13→2 Kronieken 36:7→Jesaja 39:7→Daniël 2:49→Hosea 9:3→Spreuken 16:7→
— In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar. En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods. En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israels, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen; Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeen. En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings. Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniel, Hananja, Misael en Azarja. En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego. Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen. Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.
Daniël, een jong Israëliet van edele af komst, wordt aanstonds bij den eersten inval van Nebukadnezar in Juda, met andere voorname jongelingen naar Babel gevoerd, en daar aan het hof van den Babylonischen koning, onder den naam van Beltsazar, in Chaldeeuwse wijsheid en wetenschap voor den dienst aan het hof opgevoed. Getrouw aan den God zijner vaderen en aan de wet van zijn volk, onthoudt hij zich met zijne drie medegevangenen, die de namen van Sadrach, Mesach en Abed-nego ontvangen hebben gedurende dezen tijd van voorbereiding, gestreng van alle ontreiniging van het heidendom; hij wordt door den Heere ter beloning voor zijne vroomheid met hoge wijsheid begiftigd. Hij wordt om die wijsheid door den koning onder de Magiërs opgenomen, en beleeft nog het einde van de zeventigjarige dienstbaarheid van Israël onder Babel, met wier begin hij in ballingschap was weggevoerd.
In het derde jaar des koninkrijks, der regering van Jojakim, den koning van Juda, d. i. in het jaar 606 v. C. (2 Kon. 24:1), kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, toen nog wel niet alleen koning, maar mederegent van zijnen vader Nabopolassar, te Jeruzalem, en belegerde haar (volgens ene andere berekening in het vierde jaar van Jojakim (Jer. 20:1 vv.).
En de Heere gaf, volgens een rechtvaardig vonnis over Juda en het huis van David den zo even genoemden Jojakim, den koning van Juda, in zijne hand, en een deel der vaten van het huis Gods (2 Kron. 36:6 v.). en hij bracht ze in het land van Sinear, in Babylonië (Gen. 10:10; 11:2), in het huis zijns gods Bel of Baäl (Hoofdst. 4:2 en de vaten bracht bij in het schathuis zijns gods (Ezra 1:7). Jojakim daarentegen, hoewel hij hem eerst eveneens naar Babel wilde voeren, liet hij tegen het stellen van gijzelaars en onder oplegging van een jaarlijksen cijns weer vrij, zodat hij nog langer in Juda mocht regeren. Ene overwinning over een vreemd land was volgens de mening der heidenen tevens ene overwinning over den god van dat land, gelijk Jojakim een vazal van Nebukadnezar geworden was, zo was de God van Israël nu een vazal van den god van Nebukadnezar, van Bel geworden; daarom gaat een gedeelte van de aan Jehova gewijde tempelvaten in het bezit van Bel over. Deze vaten zonden echter later voor het koninklijk huis van Babel van grote gevolgen worden (Hoofdst. 5). Jeruzalem word voor de eerste maal aan de volken overgeleverd, en de wereldheerschappij, die het volk Gods toekwam, werd overgebracht op de heidenen, die haar ontvingen uit de hand van den Heerser over de ganse aarde, in den persoon van hun eersten koning Nebukadnezar (Dan. 2:37, 38. Ezra 1:2) Toen begon het tijdvak, dat de tijden der heidenen genoemd wordt (Luk. 21:24). Dat zijn de tijden, gedurende welke de grote machten der aarde over de beschaafde wereld heersen, en het volk Gods meer of minder dienstbaar houden. De koningen van Israël zijn alsdan niet anders dan vazallen. De tijden der heidenen, begonnen met de inneming van Jeruzalem door koning Nebukadnezar, zullen eerst eindigen, wanneer Jeruzalem zal opgehouden hebben door de heidenen vertreden te worden; alsdan zullen de tijden van Israël hunnen loop hernemen. Van den oorsprong af tot aan het einde houden de tijden der heidenen enen gelijken tred met de vernedering van de stad Gods. (E. GUERS).
En de koning Nebukadnezar, toen hij de door Jojakim overgeleverde gijzelaars met de overige krijgsgevangenen naar Babel zond, voordat hij zijnen veldtocht naar Egypte, bij welke gelegenheid hij naar Jeruzalem was gekomen, verder vervolgde, zei tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dien hij te huis gelaten had, en voor wien hij nu een schriftelijk bevel mede gaf, dat hij voorbrengen zou, enigen uit de kinderen Israëls, uit het getal der jeugdige gijzelaars en de overige krijgsgevangenen, te weten uit het koninklijke zaad en uit de prinsen, uit de kinderen van het koninklijk huis (2 (Kon. 20:18) en van de voornamen. Als twee der aanzienlijkste ambten bij de Babyloniërs als ook bij de Perzen, komen in den Bijbel voor 1) de hofmeester, of gelijk wij zouden zeggen, de hofmaarschalk (1 (Kon. 4:6; 17:3 Jer. 22:15; 36:3) d. i. die beambte, die het opzicht over het huis des konings, over zijne goederen, uitgaven, klederen en meubelen had (gelijk aan den magister palatii in de middeleeuwen); vervolgens 2) de overste der kamerlingen, of der gesnedenen, wien eigenlijk slechts het oppertoezicht over den harem of het paleis der vrouwen toekwam, doch ten gevolge daarvan, daar hij bestendig den persoon des konings omgaf, en zich groten invloed kon verschaffen, het hoofd der overige aan het hof fungerende beambten, waarom wij hen ook bij oorlogen in het gevolg des konings en zelfs als veldheren zien (Jes. 36:2. Jer. 39:3).
Jongelingen van ongeveer 14 jaren, aan dewelke geen gebrek ware in gezondheid of gedaante, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, met bijzondere geestesgaven, ene snelle bevatting; en leerzaamheid in elk gebied van kennis, en in dewelke volgens hun eigenschappen naar lichaam en geest, bekwaamheid ware, na een tijd van drie jaren voorbereid te zijn, om te staan in des konings paleis als edelknapen; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeën 1) in de Chaldeeuwse literatuur en conversatie.
Aan ‘t koninklijk hof werd Chaldeeuws, de taal van den Medo-Perzischen stam gesproken, in plaats van het Aramees en Syrisch, die daar te huis behoorden; bovendien moesten zij ingewijd worden in de wijsheid en wetenschap der Magiërs (Matth. 2:1), waarin de jongelingen zouden worden opgenomen en die eigene inrichtingen voor onderwijs te Babylon, Borsippa en Hipparene had. “Daniël werd met de wijsheid der Chaldeën toegerust opdat de Chaldeeuwse wijzen niets boven hem, den pleitbezorger der goddelijke wijsheid zouden vooruit hebben. ” .
En de koning verordende hun, die Aspenaz volgens den gegeven last zou uitkiezen, opdat zij lichamelijk des te meer zouden vooruitgaan (Esth. 2:9) wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, opvoedde, en dat zij ten einde derzelve jaren zouden staan voor het aangezicht des konings.
Onder deze nu waren uit de kinderen van Juda, terwijl de andere jongelingen (vs. 15) uit andere stammen van Israël waren, Daniël 1) (= mijn God is rechter), Hananja (= de Heere begenadigt, Misaël (= wie is aan God gelijk) en Azarja (= de Heere helpt).
Volgens Josefus was Daniël uit koninklijk bloed en een aanverwant van koning Jojakim. Daar de opleiding tot een stand in Perzië bij voorname jongelingen met hun 14e jaar begon, en de intrede in den dienst des konings in het 17e jaar geschiedde (Plato Aleib õ 37 Xen. Cyrop. 1, 2 õ 8 vv.), zo kan men hieruit tot den toenmaligen ouderdom van hem en zijne medegezellen besluiten. Met alle recht heeft men Daniël met Jozef vergeleken. De een leefde in het begin, de andere aan het einde van de Israëlietische openbaringsgeschiedenis, doch beide waren aan het hof van een heidensen koning als vertegenwoordigers van den waren God en Zijn volk, beide als voorbeelden in zuiverheid van zeden voor het aangezicht des Heeren wandelende; beide met de bijzondere gave toegerust om het vermoeden der waarheid in het heidendom tot klaarheid te brengen door hun uitleggingen van goddelijk ingegevene dromen; beide begaafd met ene bijzondere mate van wijsheid en verlichting en daarom ook door de wereldmacht met ere overladen. Alzo stellen zij de roeping van Israël ons voor ogen, om te midden van de volkeren een heilig een priesterlijk volk te zijn. De algemene bedoeling der Oud-Testamentische theokratie treedt in hen duidelijk te voorschijn; daarom zijn zij typen èn van Christus, den waren Israëliet, èn van de nog toekomstige bestemming van het volk van Israël, om een licht der heidenen te zijn, wanneer eenmaal vervuld zal worden Rom. 11:12-15. Gelijk bekend is, heeft Hegel in zijne filosofie der geschiedenis er schoon en geestig op gewezen, hoe de beide jongelingen Achilles en Alexander, de een aan het begin, de ander aan het slot der Griekse geschiedenis staan en hoe in deze twee gedaanten de gehele aard en het leven van het heidense volk wordt afgespiegeld. Alzo is het ook op den heiligen bodem van de geschiedenis van Israël met Jozef en Daniël. Deze vooral, in elk opzicht nog rijker gezegend dan gene, een Alexander tegenover een Achilles, is de schitterendste gedaante en het grootste karakter uit de laatste eeuwen des Ouden Verbonds, de voorname uitdrukking van een echt Israëliet. Zulk een man werd geroepen tot den Apokalypticus des Ouden Verbonds (Hoofdst. 7:1) en wanneer wij nu verder weten, dat de Nieuw-Testamentische Apokalypticus de discipel was, dien Jezus lief had zo moet ons reeds de omstandigheid met eerbied voor de beide Apokalypsen vervullen, dat God twee der beste mannen uit het Oude en uit het Nieuwe Verbond verkoren heeft, om haar te ontvangen en neer te schrijven.
En de overste der kamerlingen gaf hun, in plaats van de zo even genoemde Hebreeuwse, andere, Chaldeeuwse namen, opdat zij hun land en hun afkomst te eer zouden vergeten, en Daniël noemde hij Beltsazar(= vorst van Bel, ons Balthazar), en Hananja Sadrach (aanblazing van de zon), en Misaël Mesach (Van Sach. (de Romeinse Venus)), en Azßrja Abed-nego 1) (dienaar van den god Nego of Mercurius). In drie opzichten moet dus Daniël, die voortaan als het hoofd van deze vier voorkomt, verandering ondergaan; zij moesten heidense wijsheid leren; zij moesten van de tafel eens heidensen konings eten, zij moesten heidense namen dragen. Niet alleen overdacht hij dit met ernst, maar ook helder en juist nam hij zijn besluit. Wat het laatste betrof, daarover sprak hij niet, hij was naar Gods raad in de macht van deze nieuwe meesters overgegeven, en hoe deze hem wilden noemen, dat was hun zaak; hij verdroeg dien naam, doch behoefde daarom gene heidense persoonlijkheid aan te trekken. Ook deed hij gewillig en vlijtig het eerste. Zeker wanneer wij de uitkomst opmerken, was het Gods besturing, dat Daniël, even als Mozes, in den toestand kwam, dat hij heidense wetenschap en beschaving moest deelachtig worden; de heidense wijsheid moest hem het materiaal bezorgen en de Geest van God gaf het rechte begrip; zo verkreeg hij inzicht in den aard van de macht der wereld. Daniël doorzag dezen raad, dien God met hem had en ging vlijtig in de hem aangewezen school; hij behoefde daarom niet inwendig zich over te geven aan het leugenachtige in deze wijsheid. Anders was het echter met den eis dat hij van des konings tafel eten en drinken zou. Dus, ofschoon zij haar niet noodzaakten om van den godsdienst hunner vaderen, tot den godsdienst van hun overwinnaars over te gaan, evenwel deden zij, wat zij door zachte middelen konden doen, om hun omgeving van den eersten te spenen en hen den laatsten in te scherpen. Zie nochthans hoe gunstig er voor hen gezorgd werd. Ofschoon zij in lijden waren, om de zonden hunner vaderen, zij worden evenwel geacht om het goede, dat in hen was. En het land hunner gevangenis werd voor hen zo vergenoegelijk gemaakt, als het land hunner geboorte op dien tijd zou geweest zijn.
Daniël nu nam voor in zijn hart, 1) toen de tijd van voorbereiding begon, en bewoog ook zijne drie vrienden daartoe, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen 2), maar eenvoudig van het gezaaide (vs. 12) mocht eten, dat niet tot afgodenoffer gebruikt was en daarom zonder bedenking kon gegeten worden.
Zij mochten zijn naam veranderd hebben, zijn hart konden zij niet veranderen. Ook met zijn heidensen naam blijft hij een gelovig Israëliet. Hij liet zich onderwijzen in de kunsten en wetenschappen der Chaldeën, maar het ging hem ook als Mozes, die niettegenstaande zijne geleerdheid, liever met het volk Gods kwalijk wilde behandeld worden. Hij weigerde van de tafel des konings te eten, om der conscientie wille.
Het genot van de van des konings tafel hen aangewezen spijzen, was voor hen verontreinigend, alzo naar de wet ongeoorloofd, niet zozeer dewijl de spijze niet naar de Levietische wet was bereid, wellicht ook uit vlees van dieren, die voor de Israëlieten onrein waren, bestond, want in dit geval hadden de jongelingen niet nodig gehad om zich ook van den wijn te onthouden, maar de oorzaak lag daarin, dat de Heidenen bij de gastmalen een deel van de spijze en drank den afgoden offerden en daardoor den maaltijd godsdienstig wijdden, waardoor niet slechts de deelname aan zulk een maal een deelname aan den afgodendienst was, maar de spijze en wijn afgoden-spijze werd, iets werd, welke, naar de uitspraak van den Apostel (1 Kor. 10:20 enz.) in de gemeenschap der demonen zette.
En God gaf Daniël genade en barmhartigheid (1 (Kon. 8:50. Ps. 106:46) voor het aangezicht van den overste der kamerlingen. 1) Gemakkelijk had deze het voor ene belediging kunnen houden, God bestuurde het echter zo, dat hij niet toornig werd, maar dat hij hem om zijne getrouwheid aan den voorvaderlijken godsdienst liefkreeg, en hij het hem gaarne toestond, zo hij dit zonder gevaar zou kunnen toelaten.
Hoe veel beter is niet de staat van dezulken, die onder den last der verdrukking aan hun oprechtheid vasthouden, dan van degenen, die hun ongerechtigheid behouden, in het toppunt van voorspoed.
Want de overste der kamerlingen zei tot Daniël: Ik vrezevoor mijnen heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij, wanneer gij hem zult worden voorgesteld (vs. 18), ulieder aangezichten droeviger, bleker zien, dan der jongelieden, die in gelijkheid van leeftijd met ulieden zijn, hetgeen toch bij minderen kost het geval zou moeten zijn? alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken; ik zou gestraft worden, omdat ik zijn bevel niet volbracht had. Alles is mij echter wel, indien gij, slechts voorspoedig toeneemt. Daniël vindt bij Aspenaz genade, maar niet bij verschillende Christelijke uitleggers; zij zien in zijn verlangen het teken van een overdreven angstigen geest, gelijk zij den Makkabesen tijd karakteriseren, en plaatsen dan den Schrijver van dit Boek in dien tijd. (2 Makk. 5:27), De plaats die men ten bewijze van die Makkabese angstvalligheid aanhaalt, is slecht gekozen, want wanneer daar Judas Makkabeüs in de wildernis vlucht, om niet onder de onreinen te leven, dat hij slechts zou hebben kunnen doen, wanneer hij zelf heidense zeden had aangenomen, zo dringt hem daartoe alleen de getrouwheid, die hij aan zijn God verschuldigd is, Wanneer hij zich daar met kruiden voedt, zo is dit niet uit angstvallige nauwgezetheid, maar omdat hij daar gene andere voedingsmiddelen vond. Het is echter nog veel minder overdrevene angstvalligheid, wanneer Daniël zich voorneemt, niets van de spijs en den wijn des konings te genieten. Van de kostbare spijzen der koninklijke tafel, als ook van den wijn, werd een gedeelte den goden gegeven (Hoofdst 5:4), om daardoor het overige te consacreren (wijden); men bracht zelfs bij de gastmalen afgodenbeelden, zodat daardoor de maaltijd zelf het karakter van een afgodenoffer aannam, terwijl het den Israëliet verboden was daarvan te eten (Ex 34:15). Bovendien werden volgens Lev. 11 ene menigte dieren door de Joden onrein gehouden, die het bij de heidenen niet waren. Wanneer nu Daniël zich met zulk ene spijze niet wilde verontreinigen, staat hij daardoor wel niet op het standpunt der moderne verlichting, maar even zo min op dat der overdrevene angstvalligheid, integendeel juist op dat van Joodsch-wettische vroomheid, waarvan men alleen het recht heeft den godvruchtigen Jood te beoordelen. Zulke Joden zijn er reeds lang vóór den Makkabesen tijd geweest.
Toen Aspenaz geen ander bezwaar had zei Daniëlmet toestemming van hem tot Melzar (den Melzar, den spijsverzorger, opperkeukenmeester), dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniël, Hanßnja, Misaël en Azßrja, om hen te verzorgen.
Beproef toch uwe knechten tien dagen lang, want in dezen tijd zal de koning zeker niet naar ons vragen, en men geve ons van het gezaaide, veld- en tuinvruchten, als erwten, bonen enz. te eten, en water te drinken 1).
Daniël geloofde het woord Gods, dat de mens bij brood niet alleen zal leven, maar bij alle woord, wat uit den mond des Heeren uitgaat (Deut. 8:3). Hij was er van overtuigd, dat God machtig was om ook het water en het gezaaide, genoten in gehoorzaamheid aan Gods wet, dezelfde kracht, zo niet meer te doen uitwerken, als de kostelijke en meest voedzame spijzen des konings. En zijn geloof is niet beschaamd gemaakt.
En men zie, daar men in tien dagen wel enigszins over de uitwerking der voeding kan oordelen, voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe daarna met uwe knechten, naardat gij zien zult, geef hun vervolgens de door den koning voorgeschrevene of de door mij gevraagde spijze, naardat gij in vergelijking met de anderen bij ons zult opgemerkt hebben. Ene ongelooflijke kracht des geloofs, niet alleen ene meerdere welgedaanheid des lichaams te beloven, maar zelfs den tijd te bepalen, binnen welken dit zichtbaar zou zijn! . De vroomheid dezer vier jongelingen was misschien ten dele ene vrucht van het onafgebroken prediken van Jeremia, dat in Jeruzalem zo vruchteloos scheen, en in hen werd die voorzegging van de goede vijgen vervuld, waarvan wij in Jer. 24:4 vv. lezen. De Heere leidt het alzo, dat juist die, in welke het woord zijner dienaren gezegend wordt, niet in hun nabijheid blijven; dikwijls weten zij van hen niet.
Toen hoorde hij, de Melzar, (vs. 11), begerig om te zien, hoe de proef zou aflopen, misschien ook overleggende, hoe die bespaarde spijs tot zijn eigen voordeel kon aangewend worden, hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.
Ten einde nu der tien dagen, toen de in vv. 13 doorgeslagene proef genomen werd, zag men, dat door Gods genade, die hun geloof zegende, hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees, dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten. Gods zegen over geringe spijs geeft dikwijls meer gezond voedsel en sterkte, dan kostelijke spijs aan diegenen, die het vette eten en het aangename drinken.
Toen geschiedde het, dat de Melzar (vs. 11) de stukken hunner spijs ook voor ‘t vervolg wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun voortaan niet anders dan van het gezaaide (vs. 12) en water. Daniël ondervindt hier, dat de leden van het volk Gods, wanneer zij onder de heerschappij van de macht der heidenen gekomen zijn, in gewetensbezwaren kunnen komen, maar dat dan ook, wanneer zij in zulke gevallen getrouw zijn en op God vertrouwen, Hij ter hunner redding handelt, daar Hij zelfs de harten van de mensen met wereldse macht bekleedt, ten hunnen gunste beweegt en hun lotgevallen zo bestuurt, dat zij het kunnen dragen.
Aan deze vier jongelingen nu gaf God niet alleen voorspoed in ‘t lichamelijke, maar ook wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid der Chaldeën (vs. 4), zodat zij deze spoedig leerden en zelfs hun leermeesters overtroffen (vs. 20); maar Daniël gaf Hij, als ene nog aan hem bijzonder toegedachte gave, verstand in allerlei gezichten en dromen, om die uit te leggen en den daarin geopenbaarden wil van God bekend te maken. Daar de Chaldeën zeer veel van droomgezichten hielden, gaf God aan Daniël de gave, om de vreemdste droomgezichten te verklaren. De Chaldeën moesten door dit middel overtuigd worden, dat de God, dien Daniël aanbad, de ware God was, dat Hij de verborgenste gedachten der mensen doorzag, en dat Hij door Zijne macht en wijsheid de lotgevallen der mensen leidde. Daniël en zijne vrienden verwierven grote kennis, maar alle hun vorderingen worden aan God toegeschreven. Hij gaf hun kennis en bekwaamheid om te leren in wijsheid, want alle goede gaven en volmaakte giften zijn van Boven, van den Vader der lichten. Godvrezende jonge mensen moeten zich ernstig toeleggen om hun medeleerlingen te overtreffen in elke nuttige poging, niet om van de mensen geprezen te worden, maar ter ere van het Evangelie en opdat zij in staat gesteld worden om nuttig te zijn. . Duidelijk wordt hier gezien op de boeken der Chaldeën, gemeld in het 4de vers, welke boeken deze jongelingen naarstig moesten lezen, om den inhoud daarvan zich eigen te maken; en buiten twijfel werden hun ook door bekwame lieden nodige onderrichtingen meegedeeld, tot recht verstand daarvan en om daarvan het beoogde gebruik te maken. En door die boeken en dat onderwijs moesten zij trachten te verkrijgen de wijsheid, welke de koning wilde, dat zij zouden bezitten en die bij de Chaldeën in achting was; in zaken van wijsbegeerte, geschiedkunde en anderzins. Om nu deze boeken te verstaan, was buiten twijfel gene kleine schranderheid nodig, zo wegens de zaken zelf, die hun ongewoon, en sommige daarvan in haren aard verheven en duister waren, als ook wegens den verschillenden stijl en de ongewoonheid der taal zelf, welke zij eerst met het begin hunner oefening in die boeken moesten leren. Nochthans verkregen zij met veel voorspoed wetenschap en verstand, zelfs in allerlei boeken van die soort, en om allerlei wijsheid daaruit te halen. Zij verstonden die boeken, en hadden begrip van hunnen inhoud, en daarbij verkregen zij een schrander doorzicht in de zaken zelf, zodat zij bekwaam waren om met grond daarover te spreken, en het ene uit het andere af te leiden, tot meerdere kennis en vordering daarin. En dit gaf hen God zelf; hun verstand door ene bijzondere verlichting opscherpende, hun vermogens versterkende, om met de nodige aanhouding zich te oefenen, en door diepe overdenkingen in het pit der zaken in te dringen, en daarbij ook hun geheugen sterkte gevende, om het aangeleerde wel te bewaren, en dus te eerder en met dubbelen voorspoed, tot het leren en wel begrijpen van meer andere zaken voort te varen. Trouwens, het is in het algemeen waar, dat alle onze bekwaamheid uit God is, als de Apostel zegt (2 Kor. 3:6). Dus konden zij zonder Zijnen zegen in dezen niet voorspoedig zijn, maar die kon dan ook dien voorspoed op ene uitnemende wijze vermeerderen. Maar in het bijzonder was het ook ene grote goedheid van God voor deze jongelingen, dat Hij door dezen zegen den arbeid, dien zij moesten aanwenden, in het leren van die wetenschappen, zo veel lichter maakte, dit gevolg van hun dienstbaarheid dus gunstiglijk verzachtte, en hen in staat stelde om die goede gunst en achting te verkrijgen, welke zij door middel van deze bekomene wetenschap naderhand verkregen hebben. (J. A. VOS).
Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, die hij bepaald had (Hoofdst. 2:1). dat men hen zou inbrengen, in het paleis, na hen behoorlijk te hebben voorbereid, zo bracht ze de overste der kamerlingen, tegelijk met de overige Israëlietische jongelingen, die hij verkoren had (vs. 3 vv.), in voor het aangezicht van Nebukadnezar.
En de koning sprak met hen, om te onderzoeken welke vorderingen zij gedurende dien tijd van leren gemaakt hadden, doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniël, Hanßnja, Misaël en Azàrja, en zij stonden van nu af (604 vóór C.) voor het aangezicht des konings, terwijl de andere jongelingen nog een langeren tijd van lering moesten doorgaan.
En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg ook later bij verschillende gelegenheden, zo vond hij hen tienmaal in verstand verheven boven al de tovenaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren, want naar den raad van God moesten zij de wijsheid dezer wereld door de verborgene Goddelijke wijsheid te schande maken.
En Daniël bleef, nadat hij aan ‘t begin der ballingschap naar Babel was gekomen (vs. 1 vv.) tot aan het einde daarvan, namelijk tot het eerste jaar van den koning Kores toe(2 Kron. 36: 22, zelfs nog langer (Dan. 10:1 vv.) de Schrijver wil echter slechts te kennen geven, dat Daniël een Profeet was zowel der ballingschap als der verlossing, vgl. Jer. 1:3). De Profeten moesten altijd iets van hetgeen zij omtrent een ver verwijderden tijd voorspelden, aan zich zelf en in hunnen tijd ondervinden, gelijk David van het lijden van Christus veel aan zich zelven ondervonden heeft alzo werden zij tevens voorbeelden, en hun profetieën werden recht pathetisch (vol diep gevoel) en niet maar zo koud uitgesproken en neergeschreven, want de aanvechting leerde om op het woord te letten, dat hun van toekomstige dingen gezegd werd. Het Goddelijk woord heeft altijd een geschiedkundig aanknopingspunt dat in hem, aan wien het ten dele valt, een geschikt voorwerp vindt om het op te nemen en te bevatten. De openbaring valt niet uit den hemel als een geschreven boek, dat men slechts op te nemen en te lezen heeft, maar, opdat zij overeenkomstig de behoefte en den gezichtskring der mensen zou wezen, moet een mens, door den Geest bruikbaar en levend gemaakt, haar ontvangen en opschrijven. En opdat hij daartoe in staat zij, moet zijne plaatsing historisch, zodanig wezen, dat hem het woord van boven niet geheel vreemd is, maar dat zijn gehele standpunt als het ware een menselijk vragen wordt, op hetwelk de openbaring van boven het Goddelijk antwoord brengt. Hier toch handelt de openbaring niet meer zo als bij de vroegere Profeten: “over Israël en zijne verhouding tot de wereldheerschappij, ” maar nu is er veel meer sprake: “van de wereldheerschappij en hare verhouding tot Israël. ” Daarom kon de Godsman, die deze profetie ontving, niet onder zijn volk leven; neen, hij moest bij den troon der wereldheerschappij geplaatst zijn: want slechts dßßr alleen kon bij het recht geoefende oog voor haren gehelen aard en hare ontwikkeling bekomen, waaraan voor de Goddelijke openbaring een aanknopingspunt gevormd was. Alzo vinden wij den profetischen wachttoren van Daniël naast den troon van Babel geplaatst. Hij staat in en boven de wereldmonarchie en overziet van daar met een door Gods Geest verlicht profetisch oog de wisselende gedachten en lotgevallen van hun toekomstige koninkrijken in hun betrekking tot het volk van God, zelfs tot in de verste tijden. Daniël is die Israëliet, die de ballingschap van het begin tot het einde doorleefd heeft, en door wien het der wereldmacht, zo dikwijls zij het wilde vergeten, herinnerd werd, dat er iets bijzonders was aan dat volk en iets bijzonders aan den God van Israël. Daniël leerde om de bevrijding van zijn volk uit de ballingschap te zien, en hun terugkeren naar hun eigen land. Ene jeugd, doorgebracht in matigheid en vroomheid, als die van Daniël, strekt tot blijvend nut en brengt later voldoening te weeg. Dat jonge mensen nauwkeurig acht geven op de voorbeelden van dit hoofdstuk; dat wij alle dingen schade achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus en de ervaring van Zijne redding, en ons altijd herinneren, dat God eren zal, die Hem eren, maar dat zij, die Hem verachten, licht geacht zullen worden. .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel