Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
WeeH1945 den gerustenH7600 te SionH6726, en den zekerenH982 op den bergH2022 van SamariaH8111! die de voornaamsteH5344 zijn van de eerstelingenH7225 der volkenH1471, en tot dewelke die van het huisH1004 IsraelsH3478 komenH935.
Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israels komen.
KJV
Woe1
to them that are at ease2
in Zion,3
and trust4
in the mountain5
of Samaria,6
which are named7
chief8
of the nations,9
to whom the house12
of Israel13
came!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gaat over naar KalneH3641, en zietH7200 toe; en gaatH3212 van daarH8033 naar HamathH2574, de grote stad, en trektH3381 af naar GathH1661 der FilistijnenH6430; of zij beterH2896 zijn danH4480 dezeH428 koninkrijkenH4467, ofH518 hun landpaleH1366 groterH7227 dan uw landpaleH1366?
Gaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale?
KJV
Pass1
ye unto Calneh,2
and see;3
and from thence go4
ye to Hamath
the great:16
then go down8
to Gath9
of the Philistines:10
be they better11
than these kingdoms?13
or their border17
greater
than your border?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gij, die den bozenH7451 dagH3117 verre steltH5077, en den stoelH7675 des geweldsH2555 nabij brengtH5066.
Gij, die den bozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt.
KJV
Ye that put far away1
the evil3
day,2
and cause the seat5
of violence6
to come near;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Die daar liggenH7901 opH5921 elpenbenenH8127 bedstedenH4296, en weelderigH5628 zijn opH5921 hun koetsenH6210, en etenH398 de lammerenH3733 van de kuddeH6629, en de kalverenH5695 uit het middenH8432 van den meststalH4770.
Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal.
KJV
That lie1
upon beds3
of ivory,4
and stretch5
themselves upon their couches,7
and eat8
the lambs9
out of the flock,10
and the calves11
out of the midst12
of the stall;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Die opH5921 het geklankH6310 der luitH5035 kwinkelerenH6527, en bedenkenH2803 zichzelven instrumentenH3627 der muziekH7892, gelijk DavidH1732;
Die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David;
KJV
That chant1
to the sound3
of the viol,4
and invent6
to themselves instruments8
of musick,9
like David;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Die wijnH3196 uit schalenH4219 drinkenH8354, en zich zalvenH4886 met de voortreffelijksteH7225 olieH8081, maar bekommerenH2470 zich nietH3808 overH5921 de verbrekingH7667 van JozefH3130.
Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef.
KJV
That drink1
wine3
in bowls,2
and anoint6
themselves with the chief4
ointments:5
but they are not grieved8
for the affliction10
of Joseph.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
DaaromH3651 zullen zij nuH6258 gevankelijkH1540 henengaan onder de voorstenH7218, die in gevangenisH1540 gaan; en het banketH4797 dergenen, die weelderigH5628 zijn, zal wegwijkenH5493.
Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.
KJV
Therefore now shall they go captive3
with the first4
that go captive,5
and the banquet7
of them that stretched8
themselves shall be removed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De HeereH136 HEEREH3069 heeft gezworenH7650 bij ZichzelfH5315 (spreektH5002 de HEEREH3068, de GodH430 der heerscharen): Ik heb een gruwelH8374 van JakobsH3290 hovaardijH1347, en Ik haatH8130 zijn paleizenH759; daarom zal Ik de stadH5892 en haar volheidH4393 overleverenH5462.
De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt de HEERE, de God der heerscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.
Ook in dit vers
heirscharenH6635
KJV
The Lord2
GOD3
hath sworn1
by himself,4
saith5
the LORD6
the God7
of hosts,8
I abhor9
the excellency12
of Jacob,13
and hate15
his palaces:14
therefore will I deliver up16
the city17
with all that is therein.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En het zal geschiedenH1961, zoH518 er tienH6235 mannenH582 in enigH259 huisH1004 zullen overgelatenH3498 zijn, dat zij stervenH4191 zullen.
En het zal geschieden, zo er tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen.
KJV
And it shall come to pass, if there remain3
ten4
men
in one7
house,6
that they shall die.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En de naaste vriendH1730 zal een iegelijk van die opnemenH5375, of die hem verbrandtH5635, om de beenderenH6106 uitH4480 het huisH1004 uit te brengenH3318, en zal zeggenH559 tot dien, dieH834 binnen de zijdenH3411 van het huisH1004 is: Zijn er nogH5750 meer bijH5973 u? En hij zal zeggenH559: NiemandH657. Dan zal hij zeggenH559: ZwijgH2013! wantH3588 zij waren nietH3808 om des HEERENH3068 NaamH8034 te vermeldenH2142.
En de naaste vriend zal een iegelijk van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot dien, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om des HEEREN Naam te vermelden.
KJV
And a man's uncle2
shall take him up,1
and he that burneth3
him, to bring out4
the bones5
out of the house,7
and shall say8
unto him that is by the sides10
of the house,11
Is there yet any with thee? and he shall say,14
No.15
Then shall he say,16
Hold thy tongue:17
for we may not make mention20
of the name21
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantH3588 zietH2009, de HEEREH3068 geeft bevelH6680, en Hij zal het groteH1419 huisH1004 slaanH5221 met inwateringH7447, en het kleineH6996 huisH1004 met spletenH1233.
Want ziet, de HEERE geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten.
KJV
For, behold, the LORD3
commandeth,4
and he will smite5
the great7
house6
with breaches,8
and the little10
house9
with clefts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zullen ook paardenH5483 rennenH7323 op een steenrotsH5553? Zal men ook daarop met runderenH1241 ploegenH2790? WantH3588 gijlieden hebt het rechtH4941 in galH7219 verkeerdH2015, en de vruchtH6529 der gerechtigheidH6666 in alsemH3939.
Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.
KJV
Shall horses3
run1
upon the rock?2
will one plow5
there with oxen?6
for ye have turned8
judgment10
into gall,9
and the fruit11
of righteousness12
into hemlock:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Gij, die blijdeH8056 zijt over een nietigH3808 dingH1697; gij, die zegtH559: Hebben wij ons niet door onze sterkteH2392 hoornenH7161 verkregenH3947?
Gij, die blijde zijt over een nietig ding; gij, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?
KJV
Ye which rejoice
in a thing3
of nought,2
which say,4
Have we not taken7
to us horns9
by our own strength?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WantH3588 zietH2005, Ik zal overH5921 ulieden, o huisH1004 IsraelsH3478! een volkH1471 verwekkenH6965, spreektH5002 de HEEREH3068, de GodH430 der heirscharenH6635; die zullen ulieden drukkenH3905, van daar men komtH935 te HamathH2574, totH5704 aan de beekH5158 der wildernisH6160.
Want ziet, Ik zal over ulieden, o huis Israels! een volk verwekken, spreekt de HEERE, de God der heirscharen; die zullen ulieden drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek der wildernis.
KJV
But, behold, I will raise up3
against you a nation,11
O house5
of Israel,6
saith7
the LORD8
the God9
of hosts;10
and they shall afflict12
you from the entering in14
of Hemath15
unto the river17
of the wilderness.
den
In het veelvoudig getal.
Hertaald:
den
In het meervoud.
gerusten
Of, gemakkelijken, die op hun gemak in weelde leven, verg. Jer. 48:11 , waar van Moab gezegd wordt dat hij van zijne jeugd af gerust, of op zijn gemak in stilte geweest is, geen overlast lijdende, noch vrezende.
Hertaald:
gerusten
Of: gemakkelijken, die op hun gemak in weelde leven; vergelijk Jer. 48:11, waar van Moab gezegd wordt dat hij van zijn jeugd af gerust en op zijn gemak in stilte geleefd heeft, zonder overlast te lijden of te vrezen.
Sion,
Dit ging Juda aan, waarvan Jeruzalem de hoofdstad was, en op Zion het koninklijke slot.
Hertaald:
Sion,
Dit gaat over Juda, waarvan Jeruzalem de hoofdstad was en waar op Sion het koninklijk paleis stond.
zekeren
Dat is, zorgelozen; verg. Richt. 18:27 , waar van Laïs gezegd wordt dat het een stil en zeker volk was; en Ezech. 30:9 , Chus der zekerheid, of des vertrouwens; dat is, dat zekere, of zorgeloze Chus, of den zekeren Chus; dat is, de zekere zorgeloze Moren. Anders: die op den berg van Samaria vertrouwen; of zich verlaten, en daarop zeker zijn en zorgeloos; de zin opeen uitkomende, doch in den tekst is gelet op de samenvoeging der beide leden.
Hertaald:
zekeren
Dat is: zorgelozen; vergelijk Richt. 18:27, waar van Laïs gezegd wordt dat het een stil en gerust volk was, en Ezech. 30:9: Kus van de zekerheid, dat is: dat zorgeloze Kus, de gerust levende Moren. Anders: die op de berg van Samaria vertrouwen en zich daarop verlaten en daardoor zorgeloos zijn. De betekenis komt op hetzelfde neer, maar in de tekst is gelet op de samenhang van beide zinsdelen.
voornaamste zijn
Of, vermaardste, beroemste. Zie van het Hebr. woord Spr. 4:7 . Dir duiden sommigen op de beide bergen van Zion em Samaria, maar het voorgaande slaat op de hoofden van Juda en Israël, die op deze bergen hunne residentie hadden, in de beide hoofdsteden, zijnde de voornaamste onder de hoofden van het volk.
Hertaald:
voornaamste zijn
Of: vermaardste, beroemdste. Zie over het Hebreeuwse woord Spr. 4:7. Sommigen betrekken dit op de beide bergen van Sion en Samaria, maar het voorgaande slaat op de hoofden van Juda en Israël, die op deze bergen in de beide hoofdsteden hun residentie hadden en de voornaamsten waren onder de hoofden van het volk.
eerstelingen der volken,
De twaalf stammem, die God van alle andere volken afgezonderd en tot zijn volk had aangenomen. Zie Ex. 19:5 ; Jer. 2:3 .
Hertaald:
eerstelingen der volken,
De twaalf stammen, die God van alle andere volken afgezonderd en als Zijn volk aangenomen had. Zie Ex. 19:5; Jer. 2:3.
komen
Om aldaar van hunne hoofden raad en daad [gelijk men zegt] te halen, Juda en Benjamin te Jeruzalem, en de tien stammen te Samaria. Hebr. het huis Israël komen, of zullen komen. God spreekt het wee over deze hoofden, omdat zij zich [gelijk volgt] in deze heerlijke plaatsen, [die zij door Gods goedheid bewoonden] en deze grote waardigheid, zo ondankbaar jegens Hem bewezen.
Hertaald:
komen
Om daar bij hun hoofden raad en daad te halen, zoals men zegt: Juda en Benjamin in Jeruzalem en de tien stammen in Samaria. Hebreeuws: het huis Israël komt, of zal komen. God spreekt het wee uit over deze hoofden, omdat zij zich in deze heerlijke plaatsen die zij door Gods goedheid bewoonden, en in deze grote waardigheid, zo ondankbaar jegens Hem gedragen hebben, zoals volgt.
Kalne,
Ee zeer oude vermaarde stad in het land Sinear of Chaldea. Zie Gen. 10:10 , en Jes. 10:9 .
Hertaald:
Kalne,
Een zeer oude, vermaarde stad in het land Sinear of Chaldea. Zie Gen. 10:10 en Jes. 10:9.
grote stad,
Of, machtige, geweldige, heerlijke. Zie van Hamath [ook een vermaarde koninklijke stad] Num. 13:21 , en 2 Sam. 8:9 , enz.
Hertaald:
grote stad,
Of: machtige, geweldige, heerlijke. Zie over Hamath, ook een vermaarde koninklijke stad, Num. 13:21 en 2 Sam. 8:9, enzovoort.
Gath der Filistijnen;
Ook een koninklijke stad. Zie 1 Sam. 21:10 , en 2 Sam. 8:1 .
Hertaald:
Gath der Filistijnen;
Ook een koninklijke stad. Zie 1 Sam. 21:10 en 2 Sam. 8:1.
beter zijn dan deze koninkrijken,
Deze woorden, groter, beter, geven te verstaan, dat God hun wil voor ogen stellen, de heerlijkheid van het land, dat Hij hun had ingegeven, waarvoor zij hem dankbaar behoorden te zijn. Anders: en waren zij niet beter? enz., in deze zin, alsof God hun wilde voorstellen dat groter en heerlijker plaatsen dan de hunne al verwoest waren, zulks dat zij zo zeker en zorgeloos niet moesten zijn, zich maar spiegelen aan zulke voorbeelden en zich bekeren.
Hertaald:
beter zijn dan deze koninkrijken,
Deze woorden groter en beter geven te kennen dat God hun de heerlijkheid wil voorhouden van het land dat Hij hun gegeven had en waarvoor zij Hem dankbaar behoorden te zijn. Anders: en waren zij niet beter, enzovoort — in deze zin, alsof God hun wilde voorhouden dat grotere en heerlijker plaatsen dan de hunne al verwoest waren, zodat zij niet zo zeker en zorgeloos moesten zijn maar zich aan zulke voorbeelden moesten spiegelen en zich bekeren.
bozen dag
Den nakenden tijd der straf Gods, waarvan in Am. 5:18-20 . Versta hierop, wee u, uit het voorgaande.
Hertaald:
bozen dag
De naderende tijd van Gods straf, waarover Amos 5:18-20. Vul hierbij aan: wee u, uit het voorgaande.
verre stelt,
Als hebbende, òf gans niet òf immers bij uwen tijd, daarvoor niet te vrezen. Verg. Ezech. 12:22 , en in Am. 9:10 ; ja gij houdt de redenen van des Heeren dag als een onrein, afschuwelijk en vervoeilijk ding; waarop het Hebr. woord schijnt te zien.
Hertaald:
verre stelt,
Alsof u daar óf helemaal niet, óf in elk geval niet in uw eigen tijd voor hoeft te vrezen. Vergelijk Ezech. 12:22 en Amos 9:10. Ja, u houdt het spreken over de dag van de HEERE voor iets onreins, afschuwelijks en weerzinwekkends; daarop lijkt het Hebreeuwse woord te zien.
nabij brengt
Alsof God zeide: Is dat niet een grote dwaasheid, dat gij op de rechterstoelen uwe goddeloosheid pleegt, zulks dat allerlei onrecht nabij u, ja onder en in u is en u aankleeft, en dat gij u evenwel wijsmaakt dat de straffen verre zijn, of uitblijven zullen?
Hertaald:
nabij brengt
Alsof God zei: is het geen grote dwaasheid dat u op de rechterstoelen uw goddeloosheid bedrijft, zodat allerlei onrecht dicht bij u is, ja onder en in u is en u aankleeft, en dat u zichzelf toch wijsmaakt dat de straffen ver weg zijn of wel zullen uitblijven?
elpenbenen bedsteden,
Hebr. tands. Zie 1 Kon. 10:18 . Verg. de beschrijving der koninklijke pracht, Est. 1:6 .
Hertaald:
elpenbenen bedsteden,
Hebreeuws: tanden. Zie 1 Kon. 10:18. Vergelijk de beschrijving van de koninklijke praal in Est. 1:6.
weelderig zijn
Of, overdadig, overvloedig. Anders: die zich weeldelijk uitstrekken, uitbreiden, [gelijk een weelderige wijnstok. Ezech. 17:6 ] , alzo in vs.7.
Hertaald:
weelderig zijn
Of: overdadig, overvloedig. Anders: die zich weelderig uitstrekken en uitbreiden, zoals een weelderige wijnstok, Ezech. 17:6; zo ook vers 7.
lammeren van de kudde,
Te weten, de beste, uit het volgende.
Hertaald:
lammeren van de kudde,
Namelijk de beste, blijkens het vervolg.
midden van den meststal
Kiezende de vetste, uit de plaats waar men gewoon was te mesten.
Hertaald:
midden van den meststal
Terwijl zij de vetste uitkiezen uit de plaats waar men gewoonlijk mestte.
geklank
Hebr. op, of naar den mond; dat is, naar de wijze en aanleiding van het luiten of psalterspel, hunne stem op het fijnste en vaardigste weten te breken, dat men noemt kwinkeleren, of kwinken, kwinkelen, kwedelen, en bij de muzikanten [recht naar het Hebr. woord] heet verminderen.
Hertaald:
geklank
Hebreeuws: op of naar de mond; dat is: zij weten hun stem naar de wijze en de aanleiding van het luit- of harpspel op het fijnst en vaardigst te breken — wat men kwinkeleren of kwedelen noemt, en wat bij de musici, geheel naar het Hebreeuwse woord, verminderen heet.
gelijk David;
Passende [naar de wijze van ijdele wereldse mensen] het geestelijk heilig werk van den koninklijken profeet David op hun vleselijke weelde en dartelheid.
Hertaald:
gelijk David;
Terwijl zij, naar de gewoonte van ijdele wereldse mensen, het geestelijke en heilige werk van de koninklijke profeet David toepassen op hun vleselijke weelde en dartelheid.
uit schalen drinken,
Anders: in, of met bekers van den wijn; dat is, die zich niet laten genoegen met gemene drinkbekers, schalen of koppen, maar grote wijde bekkens of kommen [gelijk sprengbekkens] vol wijn storten en uitzuipen.
Hertaald:
uit schalen drinken,
Anders: in of met bekers wijn; dat is: zij nemen geen genoegen met gewone drinkbekers, schalen of koppen, maar gieten grote, wijde bekkens of kommen — als sprengbekkens — vol wijn en zuipen die leeg.
voortreffelijkste olie,
Hebr. de eerstelingen, het eerste, voorste van de oliën; dat is, de allerbeste en kostelijkste olie. Zie Ruth 3:3 ; Ps. 23:5 ; Spr. 21:17 , met de aantekening.
Hertaald:
voortreffelijkste olie,
Hebreeuws: de eerstelingen, het eerste en voorste van de oliën; dat is: de allerbeste en kostbaarste olie. Zie Ruth 3:3; Ps. 23:5; Spr. 21:17 met de aantekening.
bekommeren zich niet
Of, hebben geen smart, weedom, hartzeer. Het Hebr. woord wordt gebruikt van krankheid van het lichaam, en ook smart en bekommering van den geest, beide kan hier plaatshebben, alzo het ene gemeenlijk op het andere volgt.
Hertaald:
bekommeren zich niet
Of: hebben geen smart, pijn of hartzeer. Het Hebreeuwse woord wordt gebruikt voor ziekte van het lichaam en ook voor smart en bekommernis van de geest; hier kan het allebei betekenen, aangezien het een gewoonlijk op het ander volgt.
verbreking
De bijzondere verdrukkingen hunner broeders, en de algemene, o verledene als aanstaande, ellenden van Gods volk. Zie Jer. 4:6 .
Hertaald:
verbreking
De bijzondere verdrukkingen van hun broeders, en de algemene ellenden van Gods volk, zowel de reeds geleden als de nog komende. Zie Jer. 4:6.
Jozef
Gelijk in Am. 5:6 .
Hertaald:
Jozef
Zoals Amos 5:6.
nu gevankelijk henengaan
Dat is, al haast. Zie Hos. 10:3 .
Hertaald:
nu gevankelijk henengaan
Dat is: heel spoedig. Zie Hos. 10:3.
onder de voorsten,
Hebr. in, of onder het hoofd; dat is, vooraan, in de spits der gevangenen zult gij de eerste en voorste zijn, gelijk gij in hoogheid en boosheid den voorgang hebt gehad. De voorste in straffen.
Hertaald:
onder de voorsten,
Hebreeuws: in of onder het hoofd; dat is: vooraan, in de spits van de gevangenen zult u de eersten en voorsten zijn, zoals u in hoogheid en boosheid de eersten geweest bent. De voorsten dus ook in de straf.
banket dergenen,
Anders: rouwmaaltijden, die zij met grote pracht, overdaad en wonderlijk bestuur plegen te houden. Zie Jer. 16:4 .
Hertaald:
banket dergenen,
Anders: rouwmaaltijden, die zij met grote praal, overdaad en opmerkelijk vertoon plachten te houden. Zie Jer. 16:4.
weelderig zijn,
Gelijk in vs.4.
Hertaald:
weelderig zijn,
Zoals vers 4.
wegwijken
Alle vreugde, dartelheid, pracht en overdaad zal ophouden en hen verlaten, en inplaats van die zal hen ellende en jammer aankleven en volgen.
Hertaald:
wegwijken
Alle vreugde, dartelheid, praal en overdaad zal ophouden en hen verlaten; in plaats daarvan zullen ellende en jammer hen aankleven en volgen.
Zichzelf
Hebr. bij zijne ziel; dat is, bij zichzelven. Zie Gen. 22:16 , menselijk van God gesproken, ten aanzien van het woord ziel.
Hertaald:
Zichzelf
Hebreeuws: bij Zijn ziel; dat is: bij Zichzelf. Zie Gen. 22:16; op menselijke wijze over God gesproken, wat het woord ziel betreft.
Jakobs hovaardij,
Dat is, Israël, der Israëlieten.
Hertaald:
Jakobs hovaardij,
Dat is: van Israël, van de Israëlieten.
volheid
Alles waarmede Ik de stad vervuld, verrijkt en versierd heb. Verg. Deut. 33:16 ; Ps. 24:1 , enz.
Hertaald:
volheid
Alles waarmee Ik de stad gevuld, verrijkt en versierd heb. Vergelijk Deut. 33:16; Ps. 24:1, enzovoort.
overleveren
In de hand van den vijand.
Hertaald:
overleveren
In de hand van de vijand.
overgelaten zijn,
Van den vijand.
Hertaald:
overgelaten zijn,
Door de vijand.
sterven zullen
Door de pestilentie, of honger, brand, aardbeving, enz., gelijk van God gedreigd was dat, die de ene plaag ontging, in de andere zou vallen. Zie Am. 5:19 , enz.
Hertaald:
sterven zullen
Door de pest, of door honger, brand, aardbeving, enzovoort — zoals God gedreigd had dat wie de ene plaag ontkwam in de andere zou vallen. Zie Amos 5:19, enzovoort.
de naaste vriend
Of, neef, bloedverwant, vriend; naar het gebruikt van het Hebr. woord.
Hertaald:
de naaste vriend
Of: neef, bloedverwant, vriend, naar het gebruik van het Hebreeuwse woord.
een iegelijk van die opnemen,
Hebr. hem; dat is, een voorzeide verstorvene, de een na den ander.
Hertaald:
een iegelijk van die opnemen,
Hebreeuws: hem; dat is: elk van de genoemde gestorvenen, de een na de ander.
hem
Het lichaam van den vertorvene, om de beenderen uit te brengen, ter begrafenis of om weg te werpen. Verg. Am. 8:3 .
Hertaald:
hem
Namelijk het lichaam van de gestorvene, om de beenderen naar buiten te brengen voor de begrafenis of om ze weg te werpen. Vergelijk Amos 8:3.
verbrandt,
Hetwelk niet gebruikelijk was, dan in buitengewone toevallen en om bijzondere redenen, gelijk te zien is 1 Sam. 31:12 . Doch naar sommiger mening, ook in tijden van zware pest, hetwelk op deze plaats niet kwalijk zou passen.
Hertaald:
verbrandt,
Wat niet gebruikelijk was behalve in buitengewone omstandigheden en om bijzondere redenen, zoals te zien is in 1 Sam. 31:12. Maar volgens sommigen gebeurde het ook in tijden van zware pest, wat hier goed zou passen.
binnen de zijden van het huis is
Hebr. in; de zin is, in het binneste van het huis.
Hertaald:
binnen de zijden van het huis is
Hebreeuws: in; de betekenis is: in het binnenste van het huis.
meer bij u?
Doden in het huis?
Hertaald:
meer bij u?
Namelijk doden in het huis?
Niemand
Of, het einde [is er]; dat is, zij zijn nu altemaal weg, daar is geen meer behouden.
Hertaald:
Niemand
Of: het is het einde; dat is: zij zijn nu allemaal weg, er is er geen meer in leven.
Zwijg
Murmureer niet tegen Gods oordelen, want de verstorvenen waren goddeloos. Verg. Am. 5:13 , met de aantekening.
Hertaald:
Zwijg
Mopper niet tegen Gods oordelen, want de gestorvenen waren goddeloos. Vergelijk Amos 5:13 met de aantekening.
zij waren niet om des HEEREN Naam te vermelden
De verstorvenen. Anders: des HEEREN naam is niet te vermelden, of men moet dien niet vermelden. Waarmede te kenne zou gegeven worden de uiterste goddeloosheid dezer mensen, als die op het zwaarste geplaagd zijnde, evenwel niet zouden mogen lijden dat men des Heeren gedacht. Sommigen verstaan het van de algemene gewoonte van rouwklagen, of klaagliederen te gebruiken over de doden, in welke de naam des Heeren mocht gedacht worden. Verg. Am. 8:3 .
Hertaald:
zij waren niet om des HEEREN Naam te vermelden
Namelijk de gestorvenen. Anders: de naam van de HEERE mag niet vermeld worden, of: men moet die niet vermelden — waarmee de uiterste goddeloosheid van deze mensen te kennen gegeven zou worden: dat zij, terwijl zij op het zwaarst geplaagd werden, toch niet zouden dulden dat men de HEERE noemde. Sommigen verstaan het van de algemene gewoonte om over de doden rouwklachten of klaagliederen te gebruiken, waarin de naam van de HEERE genoemd kon worden. Vergelijk Amos 8:3.
geeft bevel,
Of, zal gebieden, bevel geven; dat is, door zijne regering beschikken, dat de vijand [als op zijn bevel] aankome en sla, enz. Zie vs.14, en Am. 9:9 .
Hertaald:
geeft bevel,
Of: zal gebieden, bevel geven; dat is: door Zijn bestuur beschikken dat de vijand als op Zijn bevel aankomt en slaat, enzovoort. Zie vers 14 en Amos 9:9.
inwatering,
Hebr. druppen, of droppelen; dat is, inwatering, zodat de straffen gaan zullen over hogen en lagen, groten en kleinen, als een doordringende en steeds druipende regen, die niet zal zijn te keren. Verg. Am. 5:24 . Sommigen duiden het op beide koninkrijken, van Israël en Juda, waarvan Israël door Assyriërs en Juda door de Babyloniërs zou bedorven en verwoest worden. Verg. Jes. 8:14 .
Hertaald:
inwatering,
Hebreeuws: druppels; dat is: inwatering, zodat de straffen over hoog en laag, groot en klein zullen gaan als een doordringende en gestaag druipende regen die niet te keren is. Vergelijk Amos 5:24. Sommigen betrekken het op beide koninkrijken, van Israël en Juda, waarvan Israël door de Assyriërs en Juda door de Babyloniërs verwoest zou worden. Vergelijk Jes. 8:14.
Zullen ook paarden rennen op een steenrots?
Dit vers kan men met sommigen alzo verstaan dat, gelijk zulks op steenrotsen niet past noch wel kan gelukken, Israël ook alzo niet wel kon varen, omdat zij verkeerd liepen en ploegden, of omdat al het vermanen en bestraffen aan hen niet dan vergeefs rennen en ploegen op steenrotsen was, want zij bleven verkeerd, gelijk volgt; of, gelijk zulks ene omkering zou zijn van alle natuurlijke orde en redegebruik, en niets anders den loutere en zeer schandelijke dwaasheid, alzo was ook hun doen; dewijl zij de heilige en zeer lieflijke ordinantiën Gods van recht en gerechtigheid omkeerden in enkel vergif en bitterheid.
Hertaald:
Zullen ook paarden rennen op een steenrots?
Dit vers kan men met sommigen zo verstaan: zoals dat op steenrotsen niet past en niet kan lukken, zo kon het ook Israël niet goed gaan, omdat zij verkeerd liepen en ploegden; of: omdat al het vermanen en bestraffen aan hen niet meer was dan vergeefs rennen en ploegen op steenrotsen, want zij bleven verkeerd, zoals volgt. Of: zoiets zou een omkering zijn van alle natuurlijke orde en van het gezond verstand, en niets dan louter, zeer schandelijke dwaasheid. Zo was ook hun doen, omdat zij Gods heilige en zeer liefelijke verordeningen van recht en gerechtigheid omkeerden in enkel vergif en bitterheid.
Want gijlieden
Of, dat gij het recht verkeerd hebt, enz.
Hertaald:
Want gijlieden
Of: dat u het recht verkeerd hebt, enzovoort.
gal verkeerd,
Zie Ps. 69:22 , en verg. Am. 5:7 .
Hertaald:
gal verkeerd,
Zie Ps. 69:22 en vergelijk Amos 5:7.
nietig ding;
Als daar is, met rijkdom en macht, waarvan gij u dwaselijk beroemt; want zij zijn u van mij gegeven, en, vermits uwe zonden, tegen mijn toorn niet zullen helpen.
Hertaald:
nietig ding;
Zoals rijkdom en macht, waarop u zich dwaas beroemt; want die zijn u door Mij gegeven en zullen u vanwege uw zonden tegen Mijn toorn niet helpen.
hoornen verkregen?
Heerlijkheid en macht. Zie Deut. 33:17 , en Job 16:15 .
Hertaald:
hoornen verkregen?
Heerlijkheid en macht. Zie Deut. 33:17 en Job 16:15.
volk verwekken,
De Assyriërs, gelijk de Babyloniërs over Juda.
Hertaald:
volk verwekken,
De Assyriërs, zoals de Babyloniërs over Juda.
drukken,
Of, dringen. Verg. Am. 2:13 .
Hertaald:
drukken,
Of: dringen. Vergelijk Amos 2:13.
Hamath,
Gelegen aan de noordelijke landpale van Kanaän, gelijk de beek of rivier van Egypte of Sichor, in het zuiden. Zie Num. 34:5 , Num. 34:8 ; Joz. 13:3 . De zin is: zij zullen u plagen van het ene einde des lands tot het andere.
Hertaald:
Hamath,
Dat lag aan de noordgrens van Kanaän, zoals de beek of rivier van Egypte, de Sichor, in het zuiden. Zie Num. 34:5, Num. 34:8; Joz. 13:3. De betekenis is: zij zullen u van het ene einde van het land tot het andere plagen.
wildernis
Of, van het vlakke veld.
Hertaald:
wildernis
Of: van het vlakke veld. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria!" (Amos 6:1). Dan volgt een opsomming van die weelde: liggen op elpenbenen bedsteden, eten van de beste lammeren en kalveren, muziek maken op instrumenten "gelijk David", wijn drinken uit schalen en zich zalven met de beste olie (Amos 6:4-6a). Het vers sluit met de aanklacht die alles verklaart: "maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef" (Amos 6:6b). Bijbelse betekenis: Merk op hoe lang de lijst van weelde is, en hoe kort de aanklacht aan het eind. Zes verzen beschrijven bedsteden, vlees, muziek, wijn en olie; één zinnetje zegt waarom dat verkeerd is. Niet de weelde zelf wordt veroordeeld, maar de doofheid ervoor: men leeft alsof er niets aan de hand is, terwijl Jozef — het noordelijke rijk — instort. Let vervolgens op het woord gerust. Het is geen rust die uit vertrouwen op God komt, maar een rust die de werkelijkheid niet meer ziet. Let ten slotte op de vergelijking met David in Amos 6:5. Zelfs iets dat op zichzelf goed is — muziek zoals David maakte — wordt hier een teken van onverschilligheid, omdat het op het verkeerde moment en met de verkeerde bedoeling gebeurt. Typologie: De Heere Jezus tekent dezelfde zelfgenoegzaamheid in de gelijkenis van de rijke man die zijn schuren wil vergroten en tot zijn ziel zegt: "neem rust, eet, drink, wees vrolijk" — terwijl zijn ziel dienzelfde nacht van hem geëist wordt (Luk. 12:19-20, reeds behandeld). Amos 6:1,4-6; Luk. 12:19-20 "Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen?" (Amos 6:12a). Beide vragen verwachten hetzelfde antwoord: nee, dat kan niet. Dan volgt de toepassing: "Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem" (Amos 6:12b). Het hoofdstuk vervolgt met een zelfgenoegzame uitspraak van het volk: "Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?" (Amos 6:13). Bijbelse betekenis: Merk op wat de twee vragen in Amos 6:12a gemeen hebben: beide vragen naar iets dat tegen de natuur van de zaak ingaat. Rennen op een rots en ploegen op steen zijn geen vergissingen die men kan verbeteren; het gaat gewoonweg niet. Zo tekent Amos wat er met recht en gerechtigheid gebeurd is: zij zijn niet een beetje beschadigd, maar omgekeerd in hun tegendeel — gal in plaats van vrucht, alsem in plaats van iets goeds. Let vervolgens op de uitspraak in Amos 6:13. Het volk schrijft zijn overwinningen toe aan de eigen sterkte, terwijl heel het boek tot dan toe heeft laten zien dat de HEERE het is Die handelt, ten goede en ten kwade. Typologie: Dezelfde omkering noemt Jesaja: "Wee dengenen die het kwade goed heten, en het goede kwaad" (reeds behandeld bij Jes. 5:20). Waar recht in zijn tegendeel verandert, is er geen weg meer naar boven zonder dat er eerst iets wordt rechtgezet. Amos 6:12-13; Jes. 5:20 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Amos 6
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Amos 6
Amos 6:1.KruisverwijzingenJesaja 32:9→Jakobus 5:5→Amos 4:1→Exodus 19:5→Sefanja 1:12→Lukas 12:17→Richteren 18:7→Lukas 6:24→
— Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israels komen.
Het was een tijd van grote zonde en ook van groot oordeel. En toch waren er in Sion mensen die zich onder dat alles volkomen gerust voelden. Geen besef van zonde bedroefde hen, geen gedachte aan het komende oordeel verontrustte hen. Wat kon het hun schelen of het volk te gronde ging? Wat betekende het voor hen dat God toornig was op Zijn volk? Zij waren godloochenaars, of gedroegen zich in elk geval zo. Wat er ook gebeuren mocht, zij namen het risico. Wee, zegt God, tot al zulke mensen. En zegt de HEERE tot iemand “wee”, dan is het ook werkelijk wee, want Hij spreekt zo nooit zonder oorzaak.
Op zichzelf is het geen fout om gerust te zijn. Het is een grote zegen om in Sion gerust te zijn in de gezonde zin van dat woord. Is het niet een van de uitnodigingen van Christus: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven”? En is dit niet een van de beloften aan de gelovige: “Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven”?
Maar er blijkt ook een andere zin te zijn waarin het woord gerustheid gebruikt kan worden. Dat is een vleselijke gerustheid, een vleselijke zekerheid. Het is niet het vertrouwen van iemand die vergeven is, maar de gerustheid van een verharde ellendeling die de galg heeft leren verachten. Het is niet de verzekerdheid van iemand die op de rots staat. Het is de gerustheid van een redeloze dronkaard wiens huis op zijn zanderige grondslag staat te wankelen, terwijl hij in volle vaart doorbrast. Het is niet de kalmte van een ziel die vrede met God heeft. Het is de gerustheid van een waanzinnige die meent dat hij zijn zonde ook voor God verborgen heeft, omdat hij haar voor zijn eigen ogen verborgen heeft.
Het is de gerustheid en de vrede van iemand die ongevoelig geworden is, verhard, verdierlijkt, stomp, nors en zorgeloos. Hij is aan een slaap begonnen die spoedig verbroken kan worden, of die hem anders zeker daar zal brengen waar hij zijn bed in de hel maken zal.
Amos 6:2.KruisverwijzingenNahum 3:8→Genesis 10:10→2 Koningen 18:34→2 Kronieken 26:6→Jesaja 10:9→1 Samuël 17:4→1 Samuël 17:23→Ezechiël 31:2→
— Gaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale?
De HEERE wijst op andere steden die verwoest waren: Kalne, Hamath en Gath, die Hij geslagen had om de zonde van de mensen die er woonden. En Hij zegt: u die in Jeruzalem woont en u die in Samaria leeft, verbeeld u niet dat u aan de gevolgen van uw zonde ontkomen zult. Ik kon de inwoners van die trotse steden bereiken, ondanks hun sterke vestingwerken en hun machtige legers; en Ik kan ook ú bereiken.
Zien wij dus terug op de oordelen van God over schuldige mensen, dan mogen wij besluiten dat geen zondaar enig recht heeft te denken dat híj ontkomen zal. De trotsten en machtigsten zijn door God neergehaald, en zo zal het gaan met alle mensen die de Allerhoogste durven weerstaan. Blijf ootmoedig, tot het einde van de wereld toe.
Amos 6:3.KruisverwijzingenAmos 9:10→Ezechiël 12:27→Jesaja 56:12→Amos 6:12→Prediker 8:11→Ezechiël 12:22→Mattheüs 24:48→Amos 3:10→
— Gij, die den bozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt.
U die zegt: er is nog tijd genoeg; laten wij eerst nog wat meer van het leven zien; waarom zouden wij ons haasten om de zaligheid te zoeken?
Mensen trachten de gedachten aan het oordeel dat na de dood volgt uit te stellen. Dan zijn zij gewoonlijk des te begeriger om zich aan de zonde over te geven. Zij zeggen dat er nog tijd genoeg is, omdat zij een langere tijd willen hebben om zich meer aan hun zondige wegen te goed te doen. De HEERE zegt “wee” tot al zulke mensen.
Amos 6:4.KruisverwijzingenJakobus 5:5→Amos 3:12→Ezechiël 34:2→Lukas 12:19→Psalmen 73:7→Jesaja 5:11→1 Samuël 25:36→Jesaja 22:13→
— Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal.
Het waren mannen van rijkdom, die hun geld aan allerlei weelde besteedden terwijl de armen van het land van gebrek omkwamen.
Het was, zoals ik zei, een tijd van gevaar, waarin de oorlog voor de poorten stond. Maar het volk was zo zorgeloos dat zij leefden alsof de vrede voor eeuwig gevestigd was en de vijand hen nooit zou kunnen raken. Hun uitgaven waren hoog, en alleen voor de zelfzucht.
Amos 6:5.KruisverwijzingenJesaja 5:12→Amos 5:23→1 Kronieken 23:5→1 Petrus 4:3→Job 21:11→Amos 8:3→Genesis 31:27→Prediker 2:8→
— Die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David;
Maar niet met hetzelfde doel als waarmee David speelde en zong. Zijn muziekinstrumenten werden gebruikt tot geestelijke vertroosting en tot de aanbidding van God. Maar deze mensen zetten hun vernuft aan het werk om uit te vinden hoe hun muziek hun begeerten kon aanwakkeren. Zij moest een voertuig zijn voor het uitdrukken van hun wellustige verlangens.
Amos 6:6.KruisverwijzingenGenesis 49:22→Jeremia 30:7→1 Timotheüs 5:23→Genesis 37:25→Mattheüs 26:7→Genesis 42:21→1 Korinthe 12:26→Johannes 12:3→
— Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef.
Want zelden kan een zorgeloos mens het gebouw van zijn zonde bekronen zonder zich aan de dronkenschap over te geven. Hij moet het zinnelijke genot hebben dat hij in de vloeiende beker vindt.
Het is niet verkeerd wanneer iemand aan wie God veel van de goede dingen van dit leven gegeven heeft, daarvan op een gepaste en redelijke wijze geniet. De zonde van deze mensen bestond hierin, dat zij, terwijl anderen verdrukt werden, juist die gelegenheid aangrepen om zich in alle geneugten van het vlees te goed te doen. Terwijl de roede van God tot kastijding gebruikt werd, gingen zij door met hun zondige vrolijkheid, om te tonen hoe weinig zij zich ervan aantrokken.
Misschien spreek ik wel tot sommigen die op dit ogenblik een zware ziekte in huis hebben. Of misschien is een geliefde vrouw nauwelijks koud in haar graf, of heeft een lief kind zich juist in zijn doodsslaap gesnikt. En toch lopen de nabestaanden wilder dan ooit achter vermaak en genot en dwaasheid aan. Het is alsof zij de stem van het geweten willen doen zwijgen en de slagen van Gods roede willen vergeten. Och, mocht dit zeer plechtige hoofdstuk hun een waarschuwing brengen!
Amos 6:7.KruisverwijzingenAmos 7:11→1 Koningen 20:16→Daniël 5:4→Amos 5:5→Amos 5:27→Jesaja 21:4→Amos 7:17→Esther 5:8→
— Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.
Wanneer God uittrekt om het oordeel over de goddelozen te voltrekken, zoekt Hij eerst hen uit die Hem het meest getrotseerd hebben. Wie de trotste geest en het hardste hart hebben, zullen als eersten de slagen van Zijn roede voelen.
Amos 6:8.KruisverwijzingenJeremia 51:14→Amos 4:2→Amos 3:11→Jeremia 22:5→Amos 8:7→Psalmen 47:4→Psalmen 106:40→Ezechiël 24:21→
— De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt de HEERE, de God der heerscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.
Het volgende hoofdstuk laat zien dat er, ook toen God zeer toornig was op de goddelozen, nog altijd een wonderlijke kracht in het gebed lag.
Amos 6:12.KruisverwijzingenAmos 5:7→Hosea 10:4→Amos 5:11→Jesaja 59:13→1 Koningen 21:7→Jeremia 6:29→Hosea 10:13→Psalmen 94:20→
— Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.
“Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.”
De profeet is het oneens met de goddelozen over hun jacht op het geluk daar waar het nooit te vinden is. Zij trachtten rijk en groot en sterk te worden door verdrukking. Zij hadden de rechterstoel veranderd in een plaats waar het recht gekocht en verkocht werd, en het wetboek gemaakt tot een werktuig van bedrog en van hooghartige oplichterij.
Maar, zegt de profeet, langs die weg valt er niets te winnen: geen werkelijke winst, geen waar geluk. En het is ook zo. Zijn er mensen die zich met deze wereld trachten tevreden te stellen, en die hopen midden in hun zaken en hun gezin een hemel te vinden zonder omhoog te zien? Dan arbeiden zij tevergeefs.
Beproeft iemand genot in de zonde te vinden? Denkt hij dat het hem goed zal gaan als hij de wet van God veracht en zijn genot zoekt door de natuurlijke wetten van zijn lichaam te overtreden? Dan zal hij bemerken dat hij zich zeer vergist heeft. Hij kon net zo goed rozen zoeken in de grotten van de zee, of naar parels zoeken op de kale straatstenen van de stad. Wat zijn ziel behoeft, zal hij nergens vinden dan in God. Het geluk zoeken in boze daden is ploegen op een granieten rots. Zwoegen om ware voorspoed langs oneerlijke weg is even nutteloos als het bewerken van het zandige strand.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VIII. Vs. 1-14.KruisverwijzingenNahum 3:8→Genesis 10:10→Amos 9:10→Jesaja 5:12→Jeremia 51:14→2 Koningen 18:34→Amos 5:23→Amos 4:2→
— Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israels komen. Gaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale? Gij, die den bozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt. Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal. Die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David; Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef. Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken. De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt de HEERE, de God der heerscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren. En het zal geschieden, zo er tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen. En de naaste vriend zal een iegelijk van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot dien, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om des HEEREN Naam te vermelden.
Thans wordt het woord in ‘t bijzonder gericht tot de groten in het rijk van Juda en Israël. De Profeet roept een tweede “wee” over hen, de zorgeloze, weelderige vorsten, die verre er van om met die farizees gezinden den dag des Heeren nabij te wensen, in hun zelfzuchtige tevredenheid met het tegenwoordige aan geen Godsgericht geloven, en, onbekommerd over den naar hun mening nog verwijderden dag des Heeren in hunnen rijkdom zwelgen. Aan deze Sadducese reinheid kondigt hij ondergang en algemene verwoesting van het rijk aan, daar haar gehele zoeken, vooral haar vertrouwen op hare eigene sterkte dwaas en verkeerd is.
Wee den gerusten te Zion 1), die God vergetende zich veilig wanen in het rijk van Juda, en den zekeren, die zorgeloos voortleven op den berg van Samaria; die de voornaamste, de stamvorsten zijn van de a) eerstelingen, de verhevensten der volken, van het volk, dat de Heere Zich tot een eigendom heeft verkoren, en tot dewelke die van het huis Israëls komen, om raad en beslissing in den strijd te verkrijgen; die dus als opvolgers van de eerste stamvorsten ten tijde van Mozes waren geroepen, als voorbeelden van ware godsvrucht het volk voor te gaan.
Exod. 19:5. Jer. 2:3. Zij, die te Zion woonden, dachten dat ere en bescherming genoeg was voor hen, en dat zij daar gerust konden zijn van alle vreze des kwaads, omdat het een sterke stad was, wel bevestigd zo door de natuur als door de kunst. Wij lezen van Zions sterkten en hare bolwerken en omdat het ene koninklijke stad was, waar de stoelen des gerichts des Huizes Davids waren. Zij die te Samaria woonden, hoewel het geen heilige berg was, als Zion, vertrouwden nochthans daarop, omdat het de hoofdstad was van een machtig koninkrijk, en mogelijk ware het in nabootsing van Jeruzalem de hoofdplaats van deszelfs godsdienst en bij verloop van tijd kwam de berg Cherizim bij hen in al zo grote achting als de berg Zion ooit was. Deze profetische redevoering van Amos is bepaald tot de aanzienlijken in Israël gericht, die, bouwende op de vastigheid en sterkte der door hen benauwde steden, van ramp noch gevaar wilden horen, of weten. De ijdelheid van hun vertrouwen blijkt in de heenwijzing op de steden der heidense volken, die niet minder groot en welvoorzien waren. Die groten onder het volk, die, allerlei wellusten dienende, den bozen dag verre stelden, zouden ervaren dat de Heere een gruwel heeft van hun hovaardij, en ze door gevankelijke wegvoering zal vernederen. Ja ook de zeisen des doods zal in die elpenbenen huizen op het ontroerendst woeden, zodat ze, hoe bevolkt ook, ten enenmale zouden uitsterven. En al vleide zich menigeen met de valse inbeelding, dat het zover wel niet komen zou. Amos snijdt die verwachting ten enenmale af met de beeldrijke vragen: “zullen ook paarden rennen op ene steenrots, wier punt loodrecht omhoog steekt?” “Zal men daarop; ” enkel steen als Hij is, “met runderen ploegen?” Zo onmogelijk het eerste, en zo hopeloos het laatste is, zo zeker is Israëls behoud ene afgesnedene zaak. Wie het waagt tegen God te strijden en het hart te verharden, kan noch zal vrede hebben, maar ondervindt vroeger of later dat de Heilige in den hemel een rechtvaardige Wreker is. (J. D. B. BROUWER).
Gaat over den Eufraat naar Kalne of Stisifon aan den Tiger, in het land van Mesopotamië, de grote en bloeiende hoofdstad van het rijk van dien naam (Jes. 10:9. Gen. 10:10 en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath aan den Orontes in Syrië, de grote en bloeiende hoofdstad van een zelfstandig rijk (Gen. 10:18. Num. 34:8), en trekt af naar Gath, die grote hoofdstad van het gehele land der Filistijnen, of zij wel beter zijn dan deze koninkrijken Israël en Juda, wier stamhoofden gij zijt, of hun landpale groter is dan uwe landpale 1). Ziet toch over welk een groot, heerlijk en hoog begenadigd volk gij tot vorsten zijt gesteld.
Een ontkennend antwoord wordt hier verwacht. De Profeet noemt drie beroemde en bij Israël bekende steden op, om daarmee op Israëls voorrechten en sterke positie te wijzen, maar ook om daarmee aan te tonen, dat al de sterkte en vastigheid, en uitgebreidheid niets zal baten en niet zal helpen, indien de Heere God de fiolen van Zijn toorn over zijn volk zal uitgieten. Er zijn er die menen, dat de Profeet op deze steden als reeds verwoest, wijst, maar dit ligt niet in het verband der zin en bovendien is het niet te bewijzen, dat een der hier genoemde steden reeds in de dagen van Amos verwoest was.
Gij, die ter geruststelling van uw geweten in uwe goddeloosheid den {a} bozen dag, den dag des gerichts en der straf van God b), verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt 1) die hoe langer hoe meer ene heerschappij van geweld en ongerechtigheid opricht, die het oordeel Gods natuurlijk tengevolge hebben moet. {a} (Amos 5:18. b) Ezech. 12:27.
Men wilde er niet aan, dat de dag des toorns zou komen en ondertussen bedreef men allerlei geweld en onrecht, daardoor den dag des toorns verhaastende.
Die betonen God vergeten te zijn door hun zorgeloze zwelgerij en dronkenschap, en daar liggen op elpenbenen (met elpenbeen ingelegde Hoofdst. 3:15. 1 Kon. 10:18) bedsteden, en weelderig zijn, lang uitgestrekt liggen op hun koetsen, hun divans, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal. In ouderen tijd waren de Hebreën gewoon bij den maaltijd te zitten (Gen. 27:19. Richt. 19:6. 1 Sam. 20:5, 24. 1 Kon. 13:19), desgelijks de oude Romeinen en Grieken in den heldentijd, en de oude Egyptenaren. Kinderen en vrouwen hielden die gewoonte, toen de mannen haar reeds verlaten hadden. Liggend te eten hielden de Romeinen voor vrouwen onwellevend, en ook bij de Israëlieten schijnt het niet te zijn voorgekomen. Daarentegen lagen bij de Perzen, gelijk uit Esther 7:8 blijkt, ook de vrouwen bij maaltijden aan de tafel aan. Eerst in lateren tijd werd het bij de Israëlieten onder de mannen gewoonte om aan tafel te liggen, in den beginne bij feestmaaltijden, later ook bij gewone. Men lag daarbij op kussens of divans (anakeisyai, anaklinesyai) waarbij spoedig grote weelde in zwang kwam. Daar gewoonlijk 3 tot 5 personen op een kussen lagen, zodat zij op den linkerarm leunden, de voeten naar achteren uitstrekten, kwam de rechts liggende met zijn achterhoofd aan de borst van den buurman ter linkerzijde, welke plaats aan den geliefden vriend of gunsteling werd aangewezen (vandaar anakeisyai en tw kolw Joh 13:23; 21:20). De kussens voor drie personen heten triclinia, welke naam later meestal de bij elkaar voeging van drie kussens voor een gezelschap, dat middagmaal houdt en ook de eetkamer zelf betekent.
Die op het geklank der luit (1 Sam. 6:16) kwinkeleren, waarmee men gewoonlijk het wilde, hartstochtelijke gezang van allerlei lichtzinnige liederen begeleidt, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David, maar niet om den Heere in den hemel met muziek en heilige gezangen te vereren (1 Kron. 23:5), maar om zichzelven tot nieuwen lust op te winden.
De voorvaderen brachten ten tijde van Mozes ter betoning van hunnen ijver voor den dienst des Heeren bij de inwijding van het altaar zilveren offerschalen (Num. 7:84) maar deze zijn het, die wijn uit schalen drinken, ter ere van hunnen afgod, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef, over de bestaande ellende en het dreigende verderf van volk en rijk (Hoofdst. 5:6). Verbreking van Jozef werd toen alles genoemd, wat den zegen, de genade, liefde en weldaden Gods omtrent Israël kon ophouden, verhinderen of wegnemen. En dit is het nog wat aan een land, ja aan elke ziel in ‘t bijzonder schade kan veroorzaken, namelijk de zonde. Alles wat de ware, godzalige welvaart, rust en blijdschap in God hinderlijk is, is zeker ene grote verbreking. Ach hoe velen zouden het zonder twijfel bij God in Zijne liefde beter hebben, dan zij het werkelijk genieten! Dat is toch ene grote verbreking, wanneer men zich daarom niet eens bekommert! Wie waarlijk voor zichzelven tot waar berouw begint te komen, bij dien komt zeker de ene droefheid na de andere; met ziet ook gaarne anderen gered, omdat men ondervonden heeft, hoe zwaar Gods toorn is. Van waar komt het dan nu, dat aan de minsten de gewone straffen en plagen ter harte gaan, en dat zo zeldzaam iemand er over denkt, hoe het algemene kwaad zou kunnen uitgeroeid worden? Van waar anders, dan omdat men voor zichzelven zo slecht zorg draagt. Daarom leeft alles zo gerust, alsof er geen gevaar ware. Zij vernederen zich niet onder Gods slaande hand, en nemen niet ter harte de Goddelijke oordelen, die gebracht zijn over het koninkrijk van Israël, genoemd met den naam van Jozef of huis van Israël. De woorden zinspelen op den verdrukten staat van Jozef, toen hij door zijne broederen verkocht en naar Egypte gebracht werd.
Daarom zullen zij, die goddeloze vorsten, die nu het volk in zwelgerij voorgaan, nu ook zeer spoedig gevankelijk henengaan onder de vorsten, die in de gevangenis gaan, en het banket, het gejuich dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken; de gastmalen dier dartelen zullen ophouden.
De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelven, bij Zijne heiligheid (Hoofdst. 4:2. Jer 51:14)(spreekt de HEERE, de God der heirscharen) Ik heb enen gruwel van Jakobs hovaardij, van alles, waarop het volk der beide rijken zich verheft, van zijne ingebeelde grootheid en macht, en Ik haat in ‘t bijzonder zijne paleizen, waarin de vorsten zwelgen; daarom zal Ik de stad Samaria en hare volheid, al wat daarin is, overleveren aan de vijanden, die Mijn oordeel, de verwoesting, aan haar zullen volbrengen. Op de paleizen zagen al de herhaalde bedreigingen in Hoofdst. 1 en 2. Amos is voornamelijk een boetprediker voor de hogere standen. Het is hem niet alleen te doen om den rijken en machtigen van zijnen tijd enen spiegel voor te houden, maar hij spreekt met het oog op deze de algemene wet van de goddelijke gerechtigheid uit. Wanneer de bewoners van schone, grote huizen in onze dagen zich aan gelijke zonden schuldig maken, zo zijn zij in een zelfde oordeel als Jakob en Jozef. Men behoeft slechte de namen te veranderen, en in plaats van Jakob Duitsland en in plaats van Jozef Oostenrijk of Pruisen of Beieren enz. te plaatsen. Nu is echter de schuld veel groter dan toen, want de eersteling der volken in Amos tijd kende Christus nog niet gelijk wij. Wat van het oordeel over Samaria waar is, dat kan ook op Jeruzalem worden toegepast, en is naar den profetischen geest waar van alle grote steden, die het land in zonde voorgaan. Het is de algemene waarheid, die de Profeet op het oog heeft, de waarheid, die hare geldigheid heeft voor alle tijden. Wat Samaria en Jeruzalem, wat Nineve en Babel hebben ondervonden, toen hare ure gekomen was, dat zullen op haren tijd alle andere grote steden, Londen, Parijs, Petersburg, Berlijn, New-york enz. op haren tijd ook ondervinden.
En het zal geschieden bij de verovering der stad, zo er enig aanzienlijk getal, bijvoorbeeld tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij allen te zamen tot den laatsten sterven zullen.
En de naaste vriend van hem, die in een huis door het zwaard of de pest gestorven is, zijn naaste bloedverwant, op wien de plicht der begraving rust, zal een iegelijk van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, opdat zij niet door de gewone wijze van begraven de lucht door de grote menigte van lijken verpest worde (1 Sam. 31:12), en alsdan zal zeggen tot dien, die als de laatst overgeblevene bewoner van het huis binnen de zijden in de uiterste hoek van het huis is, waarheen hij gevlucht is, of hij zijn leven nog mocht redden: Zijn er nog meer bij u, die in leven zijn gebleven? En hij zal zeggen: Neen niemand. Zij zijn allen weg. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om des HEEREN naam te vermelden (liever: vermeld den naam des Heeren niet; roept Hem niet aan, opdat niet het oog van Zijnen toorn zich op mij vestige, en ook ik aan het oordeel des doods worde overgegeven).
De Profeet stelt hier den gruwel der verwoesting zeer aanschouwelijk voor. Allen schier zullen gedood worden. Een enkele zal slechts overblijven, en wanneer dan de naaste bloedverwant of de lijkbezorger komt om de lijken weg te nemen of te verbranden, dan zal deze tot degene, die zich ergens verschuild heeft, zeggen, hem vragen of er nog maar zijn overgelaten. De lijken te verbranden was bij Israël geen gewoonte; maar er wordt hier van gesproken, dewijl er geen tijd zou zijn om te begraven, van wege de veelheid der verslagenen, en deze de lucht zouden verpesten, indien ze onbegraven bleven liggen.
Want ziet, Mijn volk! zegt God, de HEERE geeft bevelaan de vijanden, de werktuigen Zijner wraak, en Hij zal het grote huis, de paleizen slaan met inwatering, met scheuren, en het kleine huis met spleten. Het gehele volk, van allerlei rang, zal in de algemene rampen delen.
Hoe dwaas is het daarom, dat gij meent door uwe macht dit gericht te kunnen verhinderen; daar toch is alleen ware macht, waar ook recht en gerechtigheid is. Zullen ook paarden rennen op ene steenrots? Even zo min kan uit goddeloosheid ene macht voortkomen, die van de straffende gerechtigheid Gods redt. Zal men ook daarop, op de steenrots met runderen ploegen? Evenmin zal er bij u behoudenis zijn, want gijlieden hebt het recht in gal, in vergif, het beeld der dodende ongerechtigheid, verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid, namelijk de onpartijdige rechtspleging, ingiftigen alsem. Deze zinneprenten vertonen ons de hardnekkige onbekeerlijkheid der Israëlieten in weerwil van alle waarschuwingen en vermaningen. Hun harten waren als een rotssteen. Wanneer de profeten het volk waarschuwden en vermaanden deden zij even vergeefsen arbeid als dat iemand met paarden wilde rennen op steenrotsen, of ploegen op klippen.
Gij, die in uwe dwaasheid hij de heersende ongerechtigheid blijde zijt over hetgeen in Gods ogen een nietig dingis, namelijk over uwe sterkte, door welke, gelijk gij meent, uw koning Jerobeam II onlangs de Syriërs geslagen en de oude grenzen van het rijk versierd heeft; gij die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterke hoornen verkregen; zijn wij niet door ons beleid en onze schranderheid, door onze soldaten en paarden (1 Kon. 22:11) zo ver verheven dat wij ons wel tegenover onze vijanden kunnen verdedigen? Een hoorn betekent dikwijls in de Schrift macht of gezag: de spreekwijze is ontleend aan de hoornen van ossen of stieren, waarin hun kracht bestaat. Die hun vertrouwen in zichzelven stellen vertrouwen op een niets, daar zij in zich niets hebben, dat van enige betekenis is. De mens is desalniettemin zo dwaas en ijdel, dat hij meent, alles wat hij doet te doen door eigen kracht, terstond, zorgvuldigheid en bekwaamheid. Deze verblinding, die inzonderheid de wijzen van dezen tijd begeert, is bijna de gehele schuld van al het kwade, dat hun bejegent. (MAD. GUYON).
Want ziet (vs. 11), Ik zaluwen goddelozen hoogmoed spoedig te niet doen; Ik zal over ulieden, o huis Israëls! een volk, namelijk de Assyriërs als werktuig van Mijnen toorn verwekken, spreekt de HEERE, de God der heirscharen, wien alle legers tot vernietiging Zijner tegenstanders ten dienste staan; die zullen ulieden, zowel Israël als Juda, daar gij even schuldig zijt, drukken en geweldig benauwen, van daar men komt te Hamath, de uiterste grens van uw land in het noorden, tot aan de beek der wildernis, de zogenaamde Arabah el Ahsy, die het land der Edomieten van Moab scheidt, in het uiterste zuiden (Num. 20:17 #Nu 2 Kon. 14:25). Men zij gewaarschuwd de harten niet te verharden, want hen die in hoogmoed wandelen, weet God te straffen. . Hij die de last over hen brengt is de Heere God der heirscharen, die mag en kan doen, wat Hem behaagt, die alle schepselen tot Zijn bevel heeft, en die, als Hij werk te doen heeft, geen gebrek zal hebben aan werktuigen om het werk te doen, hoewel zij het huis Israëls zijn, nochthans zal Hij tegen hen een volk verwekken, dat zij niet vreesden, maar vergeefs op gehoopt hadden. Het ganse volk had deel gehad in de ongerechtigheid, en daarom moest het delen in de rampen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel