Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De ouderlingG4245 aan den geliefdenG27 GajusG1050, welkenG3739 ikG1473 inG1722 waarheidG225 liefhebG25.
De ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb.
KJV
The elder2
unto the wellbeloved5
Gaius,3
whom6
I7
love8
in9
the truth.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
GeliefdeG27, voor alleG3956 dingen wensG2172 ik, dat gijG4771 welvaartG2137 enG2532 gezondG5198 zijt, gelijk uw zielG5590 welvaartG2137.
Geliefde, voor alle dingen wens ik, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart.
KJV
Beloved,1
I wish4
above2
all things3
that thou
mayest prosper6
and7
be in health,8
even as9
thy
soul13
prospereth.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 ik ben zeer verblijdG5463 geweest, als de broedersG80 kwamenG2064, enG2532 getuigdenG3140 van uw waarheidG225, gelijk gijG4771 inG1722 de waarheidG225 wandeltG4043.
Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt.
KJV
For2
I rejoiced1
greatly,3
when the brethren5
came4
and6
testified7
of the truth10
that is in thee,
even as11
thou8
walkest15
in13
the truth.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ik hebG2192 geenG3756 meerdereG3186 blijdschapG5479 dan hierin, dat ik hoorG191, dat mijnG1699 kinderenG5043 inG1722 de waarheidG225 wandelenG4043.
Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.
KJV
I have4
no3
greater
joy5
than to6
hear7
that my9
children10
walk13
in11
truth.12
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
GeliefdeG27, gij doet trouwelijkG4103, in al hetgeenG3739 gij doet aanG1519 de broederenG80 enG2532 aanG1519 de vreemdelingenG3581,
Geliefde, gij doet trouwelijk, in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen,
KJV
Beloved,1
thou doest3
faithfully2
whatsoever4
thou doest6
to7
the brethren,9
and10
to11
strangers;13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DieG3739 getuigdG3140 hebben van uw liefdeG26, in de tegenwoordigheidG1799 der GemeenteG1577; welkenG3739 indien gij geleideG4311 doetG4160, gelijk het GodeG2316 waardig is, zo zult gij weldoen.
Die getuigd hebben van uw liefde, in de tegenwoordigheid der Gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zo zult gij weldoen.
KJV
Which1
have borne witness2
of thy
charity5
before6
the church:7
whom8
if thou bring forward on their journey11
after12
➔ a godly14
sort,
thou shalt do10
well:9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 zijG846 zijn voor Zijn NaamG3686 uitgegaanG1831, nietsG3367 nemendeG2983 vanG575 de heidenenG1484.
Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen.
KJV
Because that2
for1
➔ his7
name's4
sake
they went forth,9
taking11
nothing10
of12
the Gentiles.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WijG2249 danG3767 zijn schuldigG3784 de zodanigenG5108 te ontvangenG618, opdatG2443 wij medearbeidersG4904 mogenG1096 worden der waarheidG225.
Wij dan zijn schuldig de zodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid.
KJV
We
therefore2
ought3
to receive4
such,6
that7
we might be9
fellowhelpers8
to the truth.11
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
IkG1473 heb aan de GemeenteG1577 geschrevenG1125; maarG235 DiotrefesG1361, die onder henG846 zoekt de eersteG5383 te zijn, neemtG1926 ons nietG3756 aan.
Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan.
KJV
I wrote1
unto the church:3
but4
Diotrephes,8
who2
loveth to have the preeminence6
among them,7
receiveth10
us
not.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Daarom, indien ik komG2064, zo zal ik in gedachtenisG5279 brengen zijn werkenG2041, die hij doetG4160, met bozeG4190 woordenG3056 snaterendeG5396 tegen ons; enG2532 hiermedeG1909 nietG3361 vergenoegdG714 zijnde, zo ontvangtG1926 hij zelfG846 de broedersG80 niet, enG2532 verhindertG2967 degenen, die het willenG1014 doen, enG2532 werptG1544 ze uitG1537 de GemeenteG1577.
Daarom, indien ik kom, zo zal ik in gedachtenis brengen zijn werken, die hij doet, met boze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de Gemeente.
KJV
Wherefore,1
if3
I come,4
I will remember5
his6
deeds8
which9
he doeth,10
prating against13
us
with11
malicious words:12
and15
not16
content17
therewith,18
neither20
doth22
➔ he himself21
receive
the brethren,24
and25
forbiddeth28
them that would,27
and29
casteth33
them out of30
the church.32
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
GeliefdeG27, volgtG3401 het kwadeG2556 niet na, maar het goedeG18. Die goedG15 doet, isG1510 uitG1537 GodG2316; maar die kwaadG2554 doet, heeft GodG2316 niet gezienG3708.
Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.
KJV
Beloved,1
follow3
not2
that which is evil,5
but6
that which is good.8
He that doeth good10
is
of11
God:13
but16
he that doeth evil17
hath19
➔ not18
seen
God.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Aan DemetriusG1216 wordt getuigenis gegevenG3140 vanG5259 allenG3956, en vanG5259 de waarheidG225 zelveG846; en wijG2249 getuigenG3140 ookG2532, en gij weetG1492, datG3754 onze getuigenisG3141 waarachtigG227 isG1510.
Aan Demetrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen ook, en gij weet, dat onze getuigenis waarachtig is.
KJV
Demetrius1
hath good report2
of3
all4
men, and5
of6
the truth9
itself:7
yea,12
and10
we
also bear record;13
and14
ye know15
that16
our
record18
is
true.20
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Ik hadG2192 veelG4183 te schrijvenG1125, maarG235 ik wilG2309 uG4771 nietG3756 schrijvenG1125 met inktG3188 enG2532 pen;
Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen;
KJV
I had2
many things1
to write,3
but4
I will6
not5
with7
ink8
and9
pen10
write12
unto thee:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 ik hoopG1679 uG4771 haastG2112 te zienG1492, en wij zullen mondG4750 totG4314 mondG4750 sprekenG2980.
Maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken.
KJV
But2
I trust1
I shall
➔ shortly3
see
thee,
and6
we shall speak10
face7
to8
face.9
Peace12
be to thee.
Our friends17
salute14
thee.
Greet18
the friends20
by21
name.22
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
VredeG1515 zij uG4771. De vriendenG5384 groetenG782 uG4771. GroetG782 de vriendenG5384 met nameG3686.
Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name.
ouderling
Waarom Johannes zichzelf zo noemt, zie 2 Joh. 1:1.
Hertaald:
ouderling
Waarom Johannes zichzelf zo noemt, zie 2 Joh. 1:1.
Gajus,
Wie deze Gajus geweest is wordt nergens elders verklaard tenzij hij een van die is geweest waarvan men leest Hand. 19:29, en Hand. 20:4; Rom. 16:23; 1 Kor. 1:14.
Hertaald:
Gajus,
Wie deze Gajus geweest is, wordt nergens anders verklaard, tenzij hij een van de mannen is over wie men leest in Hand. 19:29 en Hand. 20:4; Rom. 16:23; 1 Kor. 1:14.
welken ik in
Zie 2 Joh. 1:1.
Hertaald:
welken ik in
Zie 2 Joh. 1:1.
voor alle dingen
Of in alles.
Hertaald:
voor alle dingen
Of: in alles.
gelijk uw ziel welvaart
Namelijk daar zij begaafd is met de kennis der zaligmakende en gezonde leer, en met velerlei christelijke deugden; dat, gelijk gij ene gezonde ziel hebt, gij zo ook een gezond lichaam moogt hebben.
Hertaald:
gelijk uw ziel welvaart
Namelijk omdat uw ziel begiftigd is met de kennis van de zaligmakende en gezonde leer en met allerlei christelijke deugden; dat u dus, net zoals u een gezonde ziel hebt, ook een gezond lichaam mag hebben.
waarheid, gelijk
Dat is, oprechtheid; 1 Joh. 3:18.
Hertaald:
waarheid, gelijk
Dat is: oprechtheid; 1 Joh. 3:18.
in de waarheid wandelt
Zie 2 Joh. 1:4.
Hertaald:
in de waarheid wandelt
Zie 2 Joh. 1:4.
mijn kinderen in
Dat is, discipelen, die ik door de prediking van het Evangelie heb geboren, gelijk Paulus spreekt van de Corinthiërs, 1 Kor. 4:15.
Hertaald:
mijn kinderen in
Dat is: discipelen, die ik door de prediking van het Evangelie voortgebracht heb, zoals Paulus over de Korinthiërs spreekt in 1 Kor. 4:15.
trouwelijk,
Dat is, gelijk een getrouw uitdeler der goederen, die u de Heere daartoe verleend heeft, betaamt. Zie Luc. 12:42; 1 Kor. 4:2.
Hertaald:
trouwelijk,
Dat is: zoals het een trouwe uitdeler past van de goederen die de Heere u daarvoor gegeven heeft. Zie Luk. 12:42; 1 Kor. 4:2.
in al hetgeen
Dat is, dat gij hen in uw huis ontvangt, herbergt en onderhoudt.
Hertaald:
in al hetgeen
Dat is: dat u hen in uw huis ontvangt, herbergt en onderhoudt.
de vreemdelingen,
Dat is, die behalve dat zij broeders en gelovigen zijn, ook om des Evangelies wil in vreemde landen zich moeten ophouden.
Hertaald:
de vreemdelingen,
Dat is: zij die niet alleen broeders en gelovigen zijn, maar die ook om het Evangelie in vreemde landen moeten verblijven.
uw liefde,
Dat is, uw milddadigheid, die gij uit liefde aan hen betoond hebt.
Hertaald:
uw liefde,
Dat is: uw mildheid, die u hun uit liefde bewezen hebt.
in de tegenwoordigheid
Dat is, openlijk in de vergadering der gemeente, waarin ik mij nu ophoud; welke vele oude leraars menen geweest te zijn de gemeente van Efeze.
Hertaald:
in de tegenwoordigheid
Dat is: openlijk in de bijeenkomst van de gemeente waar ik mij nu ophoud; veel oude leraars menen dat het de gemeente van Efeze geweest is.
geleide doet,
Dat is, niet alleen hen uitgeleide doet, een eind van den weg met hen gaande, maar hen ook verzorgende van hetgeen hun tot de reis zal nodig zijn. Zie Hand. 27:3, en Hand. 28:10.
Hertaald:
geleide doet,
Dat is: dat u hen niet alleen uitgeleide doet door een eind van de weg met hen mee te gaan, maar dat u hen ook voorziet van wat zij voor de reis nodig hebben. Zie Hand. 27:3 en Hand. 28:10.
gelijk het Gode
Grieks Gode waardig. Zie Kol. 1:10; 1 Thess. 2:12.
Hertaald:
gelijk het Gode
Grieks: God waardig. Zie Kol. 1:10; 1 Thess. 2:12.
voor Zijn Naam
Dit kan verstaan worden, òf dat deze broeders uit hun vaderland gegaan zijn in vreemde landen, om daar het Evangelie te prediken onder de heidenen; òf, dat zij om den dienst van God en de belijdenis der christelijke leer, uit hun vaderland hebben moeten gaan en vluchten in vreemde landen. Het eerste is het waarschijnlijkst, naar het volgende vs.8.
Hertaald:
voor Zijn Naam
Dit kan op twee manieren verstaan worden. Deze broeders zijn uit hun vaderland naar vreemde landen gegaan om daar het Evangelie onder de heidenen te prediken. Of zij hebben, om de dienst van God en om de belijdenis van de christelijke leer, uit hun vaderland moeten gaan en naar vreemde landen moeten vluchten. Het eerste is het waarschijnlijkst, gezien het volgende vers 8.
niets nemende
Namelijk voor hun dienst, maar voor niet het Evangelie predikende, om geen verhindering te geven aan het Evangelie van Christus, gelijk Paulus ook gedaan heeft; 1 Kor. 9:12.
Hertaald:
niets nemende
Namelijk niets nemende voor hun dienst, maar het Evangelie om niets predikend, om het Evangelie van Christus geen hindernis in de weg te leggen, zoals Paulus ook gedaan heeft; 1 Kor. 9:12.
de zodanigen
Namelijk gelijk in het voorgaande vers vs.7 beschreven worden.
Hertaald:
de zodanigen
Namelijk zoals zij in het voorgaande vers 7 beschreven worden.
te ontvangen,
Namelijk in onze huizen, te herbergen en verzorgen van hun lichamelijke nooddruft.
Hertaald:
te ontvangen,
Namelijk in onze huizen te ontvangen, te herbergen en van hun lichamelijke behoeften te voorzien.
medearbeiders mogen
Daarmee ook mogen helpen bevorderen de verbreiding der ware leer van het Evangelie.
Hertaald:
medearbeiders mogen
Namelijk medearbeiders die daarmee ook de verbreiding van de ware leer van het Evangelie mogen helpen bevorderen.
aan de Gemeente
Namelijk waarvan Gajus òf een leraar, òf een voortreffelijk lidmaat was. Wie deze gemeente geweest is, wordt nergens aangewezen.
Hertaald:
aan de Gemeente
Namelijk de gemeente waarvan Gajus óf een leraar, óf een voortreffelijk lid was. Welke gemeente dat geweest is, wordt nergens aangewezen.
geschreven;
Namelijk aangaande deze zaak, om deze broeders aan hun aan te bevelen. Hoewel wij dezen brief niet hebben, daaruit kan niet besloten worden, dat er iets zou ontbreken aan de volmaaktheid der heilige Schrift; dewijl het maar een brief is geweest van aanbeveling, en zo er iets in dien brief geschreven is geweest ter zaligheid nodig, dat wordt in andere boeken der heilige Schrift genoeg gevonden; en Johannes zelft getuigt dat zijn Evangelie genoegzaam is, om te geloven en zalig te worden; Joh. 20:31.
Hertaald:
geschreven;
Namelijk geschreven over deze zaak, om deze broeders bij hen aan te bevelen. Hoewel wij deze brief niet hebben, kan daaruit niet besloten worden dat er iets aan de volmaaktheid van de Heilige Schrift zou ontbreken. Want het is maar een brief van aanbeveling geweest, en als er in die brief iets geschreven is dat tot zaligheid nodig is, dan wordt dat in de andere boeken van de Heilige Schrift voldoende gevonden. Johannes zelf betuigt dat zijn Evangelie genoeg is om te geloven en zalig te worden; Joh. 20:31.
zoekt de eerste
Dat is, die uit eergierigheid boven zijn medebroeders zich verheffende, tracht om deze te overheersen en al het gezag aan zich alleen te trekken.
Hertaald:
zoekt de eerste
Dat is: iemand die zich uit eerzucht boven zijn medebroeders verheft en die probeert over hen te heersen en al het gezag alleen naar zich toe te trekken.
neemt ons niet aan
Dat is, acht mij, noch mijn schrijven en voorspreken niet.
Hertaald:
neemt ons niet aan
Dat is: hij acht mij niet, en ook mijn schrijven en mijn voorspraak niet.
indien ik kom,
Namelijk tot u, gelijk ik hoop dat haast geschieden zal, vs.14.
Hertaald:
indien ik kom,
Namelijk als ik naar u toe kom, zoals ik hoop dat binnenkort gebeuren zal, vers 14.
in gedachtenis brengen
Dat is, hemzelf voor ogen stellen en de gemeente bekend maken, dat zij het moge weten en bedenken.
Hertaald:
in gedachtenis brengen
Dat is: hem dat zelf voor ogen stellen en het aan de gemeente bekendmaken, opdat zij het mag weten en overdenken.
zijn werken, die
Namelijk die hij hier beschrijft.
Hertaald:
zijn werken, die
Namelijk de werken die hij hier beschrijft.
boze woorden
Dat is, lasterlijke.
Hertaald:
boze woorden
Dat is: lasterlijke woorden.
snaterende tegen
Dat is, beuzelingen voortbrengende.
Hertaald:
snaterende tegen
Dat is: beuzelpraat voortbrengend.
ons; en hiermede
Dat is, mij, gelijk ook in het voorgaande vers, vs.9.
Hertaald:
ons; en hiermede
Dat is: tegen mij, zoals ook in het voorgaande vers 9.
de broeders niet,
Namelijk die beschreven worden, vs.7.
Hertaald:
de broeders niet,
Namelijk de broeders die beschreven worden in vers 7.
verhindert degenen,
Of verbiedt.
Hertaald:
verhindert degenen,
Of: verbiedt.
die het willen doen,
Dat is, die deze broeders willen ontvangen.
Hertaald:
die het willen doen,
Dat is: die deze broeders willen ontvangen.
werpt ze uit de Gemeente
Namelijk door den kerkelijken ban.
Hertaald:
werpt ze uit de Gemeente
Namelijk door de kerkelijke ban.
kwade niet na,
Dat is, zo in het algemeen allerlei kwaad als in het bijzonder dit kwaad voorbeeld van Diotrefes.
Hertaald:
kwade niet na,
Dat is: zowel in het algemeen allerlei kwaad, als in het bijzonder dit slechte voorbeeld van Diótrefes.
goed doet, is
Dit kan ook verstaan worden zo in het algemeen van allerlei goed als in het bijzonder van het goede der weldadigheid jegens de broeders, dat hij hierin Gajus prijst.
Hertaald:
goed doet, is
Dit kan ook zowel in het algemeen van allerlei goed verstaan worden als in het bijzonder van het goede van de weldadigheid tegenover de broeders, waarin hij Gajus hier prijst.
die kwaad doet,
Dat is, die zijn werk maakt van kwaaddoen. Want anderszins doen de wedergeborenen ook soms wel iets dat kwaad is, uit zwakheid.
Hertaald:
die kwaad doet,
Dat is: die van het kwaaddoen zijn werk maakt. Want overigens doen ook de wedergeborenen soms wel iets dat kwaad is, uit zwakheid.
niet gezien
Namelijk met de ogen van het ware geloof, of Hem niet recht gekend. Zie 1 Joh. 3:6.
Hertaald:
niet gezien
Namelijk niet gezien met de ogen van het ware geloof, of Hem niet goed gekend. Zie 1 Joh. 3:6.
wordt getuigenis
Namelijk van bijzondere godzaligheid, liefde en getrouwheid.
Hertaald:
wordt getuigenis
Namelijk getuigenis van bijzondere godvrezendheid, liefde en trouw.
van allen, en
Namelijk gelovigen die hem kennen.
Hertaald:
van allen, en
Namelijk van alle gelovigen die hem kennen.
van de waarheid
Dat is, deze getuigenis is gans waarachtig, daar hij het ook met de daad en waarheid dagelijks betoont.
Hertaald:
van de waarheid
Dat is: dit getuigenis is volkomen waar, omdat hij het ook met de daad en in waarheid dagelijks betoont.
wij getuigen ook,
Dat is, ik Johannes; gelijk ook vs.9,10.
Hertaald:
wij getuigen ook,
Dat is: ik, Johannes, zoals ook in vers 9 en 10.
dat onze getuigenis
Dat is, dat ik niet placht te getuigen dan wat waarachtig is; Joh. 19:35.
Hertaald:
dat onze getuigenis
Dat is: dat ik gewoonlijk niets anders getuig dan wat waar is; Joh. 19:35.
veel te schrijven,
Namelijk aangaande deze zaken. Zie 2 Joh. 1:12.
Hertaald:
veel te schrijven,
Namelijk over deze zaken. Zie 2 Joh. 1:12.
u haast te zien,
Dat is, haast bij u te zijn of tot u te komen.
Hertaald:
u haast te zien,
Dat is: binnenkort bij u te zijn of naar u toe te komen.
mond tot mond spreken
Zie de aantekeningen 2 Joh. 1:12.
Hertaald:
mond tot mond spreken
Zie de aantekeningen bij 2 Joh. 1:12.
Vrede zij u
Dit was de gewone wijze van groeten onder de Joden of Hebreën. Zie hiervan Joh. 20:19.
Hertaald:
Vrede zij u
Dit was de gewone manier van groeten onder de Joden of Hebreeën. Zie hierover Joh. 20:19.
De vrienden
Dat is, de gelovigen die hier zijn.
Hertaald:
De vrienden
Dat is: de gelovigen die hier zijn.
de vrienden
Dat is, de gelovigen die bij u zijn.
Hertaald:
de vrienden
Dat is: de gelovigen die bij u zijn.
met name.
Dat is, elk in het bijzonder.
Hertaald:
met name.
Dat is: ieder persoonlijk. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een gelovige aan wie Johannes deze brief richt, geprezen om zijn gastvrijheid aan rondreizende broeders en vreemdelingen (3 Joh. 1, 5-8); of hij dezelfde is als een van de andere Gajussen die in het Nieuwe Testament genoemd worden (Hand. 19; 1 Kor. 1; Rom. 16), is onzeker. Een man die er in een gemeente naar streefde de eerste te zijn; hij erkende Johannes en zijn gezanten niet, sprak kwaad van hen, en wierp gelovigen die vreemdelingen wilden ontvangen uit de gemeente (3 Joh. 9-10). Een gelovige aan wie door allen, en door de waarheid zelf, goede getuigenis gegeven wordt (3 Joh. 12); een andere persoon dan de zilversmid Demetrius uit Efeze (Hand. 19). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Aan Gajus schrijft Johannes: "Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan" (3 Joh. 1:9). De aanklacht is scherp en concreet. Diotrefes spreekt kwaad over de apostel "met boze woorden" (3 Joh. 1:10). Hij ontvangt zelf de rondreizende broeders niet, hij verhindert wie het wél willen doen, en hij werpt hen die zich er niet naar richten "uit de Gemeente" (3 Joh. 1:10). Naast hem staat Demetrius, aan wie getuigenis wordt gegeven "van allen, en van de waarheid zelve" (3 Joh. 1:12). Bijbelse betekenis: Het opvallende is de volgorde van de aanklacht. De wortel is niet de leer maar de plaats — Diotrefes "zoekt de eerste te zijn". Uit die begeerte komen achtereenvolgens het weerstaan van het apostolisch gezag, de kwade woorden, het weigeren van gastvrijheid en tenslotte het uitwerpen uit de gemeente. Waar 2 Johannes de gastvrijheid begrensde ten opzichte van dwaalleraars, laat 3 Johannes zien dat diezelfde gastvrijheid binnen de gemeente misbruikt kan worden om macht uit te oefenen. Eerzucht in het ambt bederft de eenvoudigste plichten van de gemeente en scheidt haar ten slotte. Typologie: Christus stelt Zijn discipelen in de school van het tegenovergestelde: "zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar", en wie de eerste wil zijn, moet aller dienstknecht zijn (Matt. 20:26-27, reeds behandeld bij Rantsoen). Petrus vermaant de opzieners de kudde te weiden "noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde" (1 Petr. 5:3, reeds aangehaald bij Opziener/ouderling). Paulus tekent Christus Zelf als het volmaakte tegendeel: Hij, "in de gestaltenis Gods zijnde", heeft "de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen" (Fil. 2:6-7, reeds behandeld bij Kenosis). 3 Joh. 1:9-12; Matt. 20:26-27; Fil. 2:6-7; 1 Petr. 5:3 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Het kortste boek van de Bijbel gaat over gastvrijheid. Johannes schrijft aan Gajus, een man die reizende broeders in huis nam, en hij zet daar iemand tegenover die dat juist weigerde. Rondtrekkende predikers nemen niets aan van wie zij bezoeken, en dus moet de gemeente hen dragen. De brief begint zo hartelijk als een brief maar beginnen kan: geliefde, ik wens dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart. En dan de zin die verraadt wat Johannes het meest bezighoudt: ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor dat mijn kinderen in de waarheid wandelen. De aanleiding is heel praktisch. Gajus heeft broeders ontvangen die hij niet kende, en zij hebben daarvan getuigd voor de gemeente. Johannes vraagt hem hen verder te helpen op hun reis, en hij geeft er een reden bij die het gewone tot iets bijzonders maakt: want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen. De kanttekening geeft twee mogelijke lezingen van dat uitgaan. Zij kunnen uit hun vaderland naar vreemde landen gegaan zijn om daar het Evangelie onder de heidenen te prediken; of zij hebben om de belijdenis van de christelijke leer moeten vertrekken. En bij het niets nemen: niets nemende voor hun dienst, maar het Evangelie om niet predikend, om het geen hindernis in de weg te leggen — zoals Paulus ook deed. Daarom volgt de gevolgtrekking: wij dan zijn schuldig zulken te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid. Wie hen onderdak geeft, doet mee aan hetzelfde werk. Daartegenover staat Diótrefes, die onder hen de eerste wil zijn. Hij ontvangt de broeders niet en werpt zelfs uit de gemeente wie het wél doen. En dan de maatstaf die Johannes eraan verbindt: geliefde, volgt het kwade niet na maar het goede. Die goed doet is uit God; maar die kwaad doet heeft God niet gezien. Zo gaat dit kortste boek over iets heel eenvoudigs — een bed en een maaltijd voor een reiziger — en zegt het dat men daarmee medearbeider der waarheid wordt. Christus had het zelf al gezegd: die u ontvangt, ontvangt Mij. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 10:40-42; Mattheüs 25:34-40; 1 Korinthe 9:11-15; Hebreeën 13:2 Hoever dit reikt: Niveau 2. Deze brief spreekt niet rechtstreeks over Christus' werk. De lijn loopt over Zijn Naam, waarvoor de broeders uitgegaan zijn, en over Zijn eigen woord dat wie hen ontvangt Hemzelf ontvangt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Velen die beter behoorden te weten, achten zich bij uitstek gezegend wanneer hun kinderen rijk worden, een goed huwelijk sluiten, winstgevende ondernemingen beginnen of aanzien in hun beroep verwerven. Geen grotere vreugde voor ouders dan te horen dat hun kinderen in de waarheid wandelen en groeien in genade. Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.… Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen. 3 Johannes 1:4 Ik heb enkele zeer gelukkige dagen in mijn… Johannes wenste voor Gaius dat zijn lichaam net zo gezond zou zijn, als dat zijn ziel was (zie 3 Johannes 1:2). Stel nu dat onze lichamen zouden zijn… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
3 Johannes 1
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Voor Zijn Naam uitgegaan — 1:1-14
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
De vreugde van ouders en predikant
Breng uw kinderen tot Jezus
Hemel op aarde
Het welzijn van de ziel


3 Johannes 1
Spurgeon heeft dit hoofdstuk niet doorlopend uitgelegd. Wel liet hij bij vers 4 een uitspraak na.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
A. Het opschrift “de ouderling” is hier hetzelfde als is de tweede brief. Het adres “aan de geliefde Gajus” verschilt van dat in de vorigen door bepaald noemen van de ontvanger van de brief en door vermelding van de persoonlijke betrekking van de briefschrijver op hem. Werd in de vorige brief het “die ik in waarheid liefheb” ook reeds over de uitverkoren vrouw en haar kinderen gezegd, hier wordt het niet nader uiteengezet en daardoor verkrijgt het, in vergelijking met het meer algemene aldaar, een meer individueel, onmiddellijk persoonlijk karakter.
De ouderling Johannes (vgl. bij 2 Joh. 1) schrijft deze brief aan de geliefde (Fil. 1) Gajus (Griekse schrijfwijze voor de Latijnse “Cajus” Hand. 16: 29), die ik in waarheid als een, die uit de waarheid is, liefheb.
Dat de apostel met het “geliefde” een bijzondere betrekking tot deze Gajus wil aanduiden, blijkt daaruit, dat hij later bij elk gedeelte van zijn schrijven de aanspraak “geliefde” herhaalt (vs. 2. 5 en 11) en daardoor het nieuwe gedeelte zelf aanduidt (vgl. MATTHEUS. 3: 17; 12: 18; 17: 5. Luk. 20: 13 Kol. 4: 14 Efeziers 6: 21 Rom. 16: 5 en 8. 1 Kor. 4: 14 Het is nu echter de vraag, of over de overigens geheel onbekende man niet iets naders zou kunnen worden opgemerkt. Men heeft vermoed, dat aan de Corinthi?r Gajus, van wie Paulus in 1 Kor. 1: 14 spreekt en die hij in Rom. 16: 23 als gastheer van zich en van de hele gemeente voorstelt, hier zou moeten worden gedacht, omdat ook die Gajus, van wie hier wordt gesproken, in vs. 5 vv. om zijn gastvrijheid zozeer door de apostel wordt geprezen. Het zou echter zeer raadselachtig blijven, hoe de Corinthi?r opeens naar Klein-Azi? was gekomen, om in een van de gemeenten aldaar het ambt van ouderling te bekleden. In de Aanm. bij Hand. 19: 34 Ac 19: 34 hebben wij daarentegen getracht, het tweede vermoeden voor te staan, dat Gajus uit Macedoni?, nadat hij in het daar medegedeelde, tegen Paulus gerichte oproer was gewikkeld, toen deze apostel omstreeks Pinksteren van het jaars 57 na Christus Efeze verliet, door hemzelf zou zijn achtergelaten en later bij een van de verschillende gemeenten, die tot het kerkelijk ressort van Efeze behoorden, ouderling geworden zou zijn. Misschien moeten wij hierbij in het bijzonder denken aan de gemeente te Pergamus. Bij deze was, sinds Johannes in het jaar 64 de leiding van de Efezische gemeente op zich had genomen, Timotheus door hem als apostolisch delegaat, of zoals wij liever zouden zeggen, als bisschoppelijk bestuurder geplaatst, maar zoals uit de verklaring van de naam “Antipas” in Openbaring 2: 13 blijkt, omstreeks de tijd, dat de apostel naar Patmos werd verbannen, de marteldood gestorven. Nu schijnt die Diotr?fes in vs. 9 vv. ernaar te hebben gestaan, om de macht van oppertoezicht of bisschop onder de ouderlingen te verkrijgen en gedroeg zich de ook snel als zodanig in geheel zijn handelen, zoals wij daarvan reeds in de Aanm. bij 2 Joh. 1 2Jo 1: 1 spraken. Verder ligt het vermoeden voor de hand, dat Johannes, toen hij op het einde van het jaar 68 of in het begin van 69 naar Efeze was teruggekeerd, zich verzet heeft tegen het drijven van deze man en Gajus, die bevonden was in de waarheid te wandelen, en in beoefening van de Christelijke liefde uit te munten tot opperste leidsman van de gemeente van Pergamus heeft gemaakt. En werkelijk bespreken de “apostolische constituties”, die voor de geschiedenis van de kerkinrichting en de Christelijke archeologie zo belangrijk zijn, in het zevende boek van een Gajus, die door de apostel te Pergamus als opziener was aangesteld.
B. Het hoofddeel van deze derde brief is niet als van de tweeden een aaneengeschakeld voortgaand geheel, maar scheidt zich volgens de vroeger gemaakte opmerking in drie kleine afdelingen, die kenbaar zijn aan het “geliefde”.
I. Vs. 2-4.Kruisverwijzingen2 Johannes 1:4→2 Petrus 1:3→2 Petrus 3:18→Jakobus 5:12→Galaten 4:19→Filemon 1:10→Psalmen 20:1→3 Johannes 1:3→
— Geliefde, voor alle dingen wens ik, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart. Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt. Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.
De eerste afdeling brengt, in plaats van de zegenwens, die anders in brieven de gewone is, ook in 2 Joh. 3 voorkomt en op het geestelijke leven betrekking heeft, een zegenwens van de apostel met betrekking tot de uitwendige welvaart van Gajus, vooral ook tot diens gezondheid. In geestelijk opzicht is er bij hem een gewenste toestand, door Christelijke broeders, die tot Johannes zijn gekomen, hem bekend gemaakt en door werken, die Gajus heeft gedaan, bij deze openbaar geworden, zodat de apostel in dat opzicht alle reden tot blijdschap heeft. Degene, aan van wie de brief gericht is, schijnt dus in een gedrukte toestand geweest te zijn, wellicht hem door Diotrefes (vs. 9 vv.) bereid en waarschijnlijk ook ziek. Nu komt tot hem de vaderlijke deelneming van de schrijver van de brief, die wat de inhoud aangaat, in nauw verband staat met Ps. 41: 2-4 Deze zal hem zeker hebben goed gedaan en veel hebben bijgedragen tot verkwikking van zijn gemoed.
Geliefde! voor alle dingen, die het uitwendig leven aangaan, wens ik, dat u wat het lichaam betreft, welvaart en gezond bent (vgl. 1 Tim. 5: 23), zoals in geestelijk opzicht uw ziel welvaart.
Is de Heilige Schrift als het glansrijk diadeem rondom het hoofd van de kerk, de uitverkoren bruid van de Heere, in dat hoofdsieraad trekken naast kostbare hoofddiamanten ook kleiner juwelen ons oog. Daartoe behoren die korte, kernachtige geschriften van sommige Godsmannen, die niet zo meteen in het oog vullen, maar niettemin onschatbare bijdragen bevatten tot kennis van de schrijvers niet alleen, maar van geheel de geest van de apostolische eeuw. Dat geldt bijvoorbeeld voor Paulus? brief aan Filemon, maar geldt het niet ook voor Johannes? schrijven aan de geliefde Gajus, dat voor ons ligt? Bij oppervlakkige beschouwing slechts een vluchtig gelegenheidsschrift; en toch, hoe rijk aan belangrijke trekken, hoe echt menselijk en echt Christelijk tevens reeds in de eenvoudige aanhef! Mogelijk zou iemand van ons aan een meer geestelijke heilgroet de voorkeur geven, maar toch, wat genot zou Gajus gesmaakt hebben van “genade en vrede”, hadden ziekte van lichaam en geest hem daarvoor onvatbaar gemaakt? De grijze apostel van de liefde is zo eenzijdig geestelijk niet, als sommige dwepers van later tijd, die het lichaam verachtten en verwaarloosden, om uitsluitend aan hogere belangen te denken. Zeker heeft hij ook bij ervaring geweten, hoe nauw lichaam en geest zijn verbonden en hoe de toestand van het eerste de laatste beletten kan de vleugels uit te slaan. Daarom wenst hij voor zijn vriend, wat ook de oude Romeinen bij uitnemendheid wenselijk keurden “een gezonde ziel in een gezond lichaam”, of liever nog een welstand van het lichaam, aan de zielsgezondheid gelijk, waarin zich reeds deze voortreffelijke broeder verheugde. Gezond naar ziel en lichaam, u acht dit toch geen onbereikbaar ideaal, al geven wij dadelijk toe, dat het een even zeldzame, als begeerlijke zegen is? Zeker, van nature zijn wij allen ziek door de zonde en ook wanneer ons van de hemelse Zielarts de genezende handen zijn opgelegd, zodat de kracht van de ziekte gebroken is, verder dan tot de klasse van de aanvankelijk herstellenden brengen wij in dit Bethesda het niet. Menig Christen heeft daarbij nog de pijn van een scherpe doorn in het vlees, zoals Timotheus last had van zijn maag en zijn menigvuldige zwakheden. Lang na de bekering doen zich soms de gevolgen van vroegere zonden op gevoelige wijze gelden en ook waar de geest zich gemakkelijk tot de woonstede in de hemel verheft, moet menigeen met Paulus in de aardse tabernakel zuchten, bezwaard zijnde. Toch is het van de andere zijde even waarachtig, dat een kalme vrede van de ziel weldadig op het lichaam terugwerkt en dat oprechte godsvrucht de mens vooral in de gevaarlijkste en beste jaren van het leven voor niet weinig bewaart, dat voor de welstand van ziel en lichaam beide verderfelijk is. “De vreze van de Heere vermeerdert de dagen, maar de jaren van de goddelozen worden verkort” (Spr. 10: 27)”. Zeker, ook daar, waar het tot ons als tot de herstelden lijder gezegd kan worden, ten aanzien van onze inwendige mens: Zie u bent gezond geworden, daar is het er, helaas, nog ver van verwijderd, dat de Christen zich altijd even welvarend naar de ziel zou voelen en tonen. Er zijn in het geestelijk leven kleine kinderziekten van de gelovigen, soms lastig genoeg voor hen zelf en anderen; er zijn jeugdige misstappen van de jongeling in Christus, die de geestelijke welstand een tijd lang belemmeren en terugzetten kunnen, er zijn mannelijke ziektetoestanden en kwalen van de oude dag, ook op het gebied van het zielenleven, gemakkelijker betreurd dan gestuit. Nochtans, waar de Heere een goed werk heeft begonnen, daar voltooit Hij dat op Zijn tijd ook zeker en de genade, die ons herenigd met God, herstelt ook is de kleine wereld daarbinnen het verbroken evenwicht van vermogens, krachten en gaven en doet allen harmonisch samenwerken tot dagelijkse verheerlijking van God. En als nu langs die weg een geheiligd verstand bestuurd mag worden door een krachtige wil; als een gezuiverd gevoel onder de tucht mag staan van een sprekend geweten, als een levendige verbeelding in de dienst mag treden van een wel verzekerd geloof en het rein bewaarde lichaam bij dat alles tot een woon- en werkplaats van de Heilige Geest mag strekken, ziet dan mogen wij aanvankelijk danken, dat de wens van Johannes aan Gajus ook aan ons in vervulling gegaan is en bij al, wat ook in dat opzicht ten dele is, mogen wij met stil vertrouwen het volmaakte van de dag van de toekomst verwachten. Hoe is het echter heden met ons, die ons een ogenblik in stil gepeins tegenover deze zinrijke vriendengroet plaatsen? In vierderlei toestand kan hij ons vinden; het komt er slechts op aan, zichzelf te kennen, of wij zijn innerlijk ziek, zowel naar lichaam en ziel. Deerniswaarde broeders of zusters, uw toestand zou hopeloos zijn, was u de weg tot de Hemelse Medicijnmeester afgesneden! Of lichamelijk gezond, maar geestelijk ziek door de macht van de zonde. Och of die kloeke krachten nog eens aan iets beters, dan aan de dienst van de wereld gewijd waren of omgekeerd, welvarend naar de ziel, maat mat en ziek naar het lichaam. Dank God, dat het niet omgekeerd is en bid Hem, dat de beproeving geheiligd wordt! Of, als Gajus, welvarend naar lichaam en geest. Gezegende! wees als hij tot een zegen en stel de gezondheid van uw ziel op geen enkele proef, waaraan u die van uw lichaam niet wagen zou.
Als ik zo schrijf “zoals uw ziel welvaart”, dan ben ik zonder twijfel tot zo?n antwoord gerechtigd; want ik ben door berichten, die ik over u ontving, zeer verblijd geweest, als de broeders, van wie vervolgens (vs. 5 vv.) sprake zal zijn, tot mij kwamen, en voor mij getuigden (vgl. vs. 6) van uw waarheid, van uw goede Christelijke staat, dat namelijk de waarheid in u is (1 Joh. 1: 8 en 10; 2: 4, zoals u, zoals blijkt uit hetgeen u doet, in onderscheiding van anderen, met wie het niet anders is (vs. 9 vv.), ook met uw werken (1 Joh. 3: 18) in de waarheid wandelt en dus niet alleen met de mond Christus belijdt (2 Joh. 4).
Al is het, dat men zijn werkzame liefde voor de mensen in het gezicht toont, om door hen gezien te worden, zo is zij toch een licht, dat niet verborgen blijft; en een getuigenis van anderen heeft ook iets opwekkends.
De waarheid was in Gajus en Gajus wandelde in de waarheid, als het eerste niet het geval was geweest, dan had het tweede nooit plaats kunnen hebben en als het tweede niet van hem gezegd had kunnen worden, dan was het eerste niets dan een voorgeven geweest. De waarheid moet in de ziel binnentreden, haar doordringen en vervullen, anders heeft zij geen waarde. Wanneer de waarheid als leerstelling wordt beschouwd, dan is zij zoals brood in de hand, zij voedt het lichaam niet, maar wanneer de waarheid door het hart wordt aangenomen, dan is zij als voedsel, dat ??n met het lichaam wordt en het zo onderhoudt en versterkt. De waarheid moet in ons een levende kracht zijn, een werkzaam beginsel een inwonende heerlijkheid, een gedeelte van het merg en been van ons wezen. Zo het zo in ons is, dan kunnen wij er niet meer van scheiden. Een man kan zijn kleren of zijn ledematen verliezen, maar zijn inwendige delen, zijn levensdelen, deze kunnen niet uitgerukt worden zonder een geheel verlies van het leven. Een Christen kan sterven, maar hij kan de waarheid niet verloochenen. Nu is het een natuurwet, dat het inwendige invloed heeft op het uitwendige, zoals het licht uit het middelpunt van de lantaarn door het glas schijnt. Wanneer de waarheid dus van binnen woont, dan verspreidt zij snel haar glas in het leven en de wandel. Men zegt dat het voedsel van zekere zijwormen de kleur geeft aan de zijde, die zij spinnen en juist zo geeft het voedsel van het inwendig leven van de mensen een tint aan elk woord, aan elke daad, die van hem uitgaat. In de waarheid te wandelen heeft tot gevolg een leven van oprechtheid, heiligheid, getrouwheid en eenvoudigheid het natuurlijk voortbrengsel van die beginselen. die het Evangelie ons leert en die wij door de invloed van de Heilige Geest kunnen ontvangen. De geheimen van de ziel openbaren zich vaak in het uitwendig leven van de mensen en mochten wij heden, o genadige Geest, door Uw goddelijk gezag beheerst en geleid worden, zodat niets onwaars of zondigs in onze harten heerst en een schadelijke invloed op onze dagelijkse wandel onder de mensen uitoefent.
Ik heb dan ook in mijn leven in de ballingschap (Openbaring 1: 9) geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen, de leden van de gemeenten, die met hun ouderlingen en opzieners onder mijnvaderlijke leiding staan, in de waarheid wandelen en zo zult u begrijpen, hoezeer ik mij verheugd heb over de berichten over u ontvangen (1 Kor. 13: 6).
Predikers hebben in hun ambtsbediening moeite en arbeid, haat en nijd, bestrijding en vervolging, spot en hoon; maar de vreugde over de vrucht van hun arbeid overwint alles.
De grootste vreugde van de dienaren van Christus is, dat zij niet tevergeefs aan hun gemeenten moeten arbeiden, als ook maar tevergeefs.
Een gezonde ziel in een gezond lichaam, dat is het hoogste, dat wij wensen kunnen. Gelukkig, driewerf gelukkig hij, die beide, een gezond lichaam en een gezonde ziel bezit! Het eerste schijnt Gajus weleens gemist te hebben, omdat Johannes hem het v??r alle dingen toewenst en als wij een zwak, ziekelijk lichaam omdragen, ach, hoe makkelijk wordt dan onze geest neer gedrukt en in zijn werkzaamheid belemmerd. Maar het laatste bezat Gajus. Zijn ziel voer wel. De waarheid was in hem, en hij wandelde in haar. Zij was het element, waarin hij zich bewoog, zij de leidsvrouw, die hij volgde. Dat had de apostel van geloofwaardige getuigen met grote blijdschap vernomen; want Gajes was een van zijn kinderen in de Heere en hij kende geen grotere vreugde, dan deze, dat zijn kinderen in de waarheid wandelden.
II. Vs. 5-10.Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 2:12→Titus 3:13→Handelingen 15:3→Mattheüs 24:45→Kolossenzen 3:17→Galaten 6:10→Lukas 16:10→1 Petrus 4:10→
— Geliefde, gij doet trouwelijk, in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen, Die getuigd hebben van uw liefde, in de tegenwoordigheid der Gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zo zult gij weldoen. Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen. Wij dan zijn schuldig de zodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid. Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. Daarom, indien ik kom, zo zal ik in gedachtenis brengen zijn werken, die hij doet, met boze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de Gemeente.
De tweede afdeling verklaart ons nu nader op welke voorvallen de apostel het oog had, toen hij voor Gajus zo?n bijzonder getuigenis neerschreef. Intussen zijn het altijd slechts enkele uitdrukkingen, slechts korte aanwijzingen, waaruit wij besluiten moeten tot de toestand van de zaak en daarbij blijft toch nog zoveel onbepaald of twijfelachtig. In hoofdzaak schijnt het volgende de toedracht te zijn: Van een van de verwijderde gemeenten, misschien van die, waaraan de beide brieven van Petrus zijn gericht hadden zich Christelijke reizigers opgemaakt, om het rijk van God onder de heidenen uit te breiden en Johannes had gelegenheid gevonden, om deze met een aanbevelend schrijven aan de gemeenten van het Efezische kerkelijk resort te voorzien. Daardoor zouden zij, omdat hun weg hen naar het westen, dus in de nabijheid van deze gemeente voerde, bij deze graag opname en rijkelijk ondersteuning vinden, terwijl zij de heidenen geenszins tot last wilden zijn. Nu is Gajus, wellicht een van de ouderlingen van de gemeente Pergamus, dienstvaardig en gastvrij geweest, tot hulp voor die zendelingen. Een ander ouderling, zo het schijnt van diezelfde gemeente, heeft zich daarentegen onbetamelijke uitlatingen over de autoriteit van de apostel veroorloofd. Dat gezag van de apostel beschouwde hij als door diens verbanning teniet gedaan en in eergierigheid zocht hij voor zichzelf naar grotere macht dan van een eenvoudig ouderling. Zijn eigen macht wilde hij dus in de plaats van die van de apostel stellen. Hij had bovendien zo weinig naar het verlangen van de apostel gedaan, dat hij integendeel die boden van God niet alleen zelf de deur gewezen had, maar ook diegenen in de gemeente, die hen wilden opnemen, met excommunicatie gedreigd had. Deze eer- en heerszuchtige ouderling heet Diotrefes. Wil Johannes ook de belediging, hem persoonlijk aangedaan ongestraft laten, hij moet toch, als hij tot zijn gemeente terugkeert, het onwaardig gedrag van de man in het hem toevertrouwde ambt zeer beslist tot een voorwerp van kerkelijke censuur maken, om het verderf, dat in de kerk ingedrongen is, weer eruit te verwijderen.
Geliefde! u doet trouw, u handelt als een edel, vroom Christen in al hetgeen u doet aan de broeders en aan de vreemdelingen, aan de broeders, die als gasten bij u komen (Hebr. 13: 2 Rom. 12: 13).
Die, wat in het bijzonder hen aangaat, over wie in dit geval wordt gehandeld, getuigd hebben van uw liefde, waarmee u hen behandeld heeft, niet alleen voor mij (vs. 3), maar ook in de tegenwoordigheid van de gemeente, die ik hier om mij verzameld heb (vs. 12 en 15). Zij hebben ons meegedeeld, welke grote dingen God met hen heeft gedaan (Hand. 14: 27) en tevens wie u voor hen bent geweest, die als u, toen zij op hun terugreis weer tot u komen, geleide doet, zoals het voor God waardig is, zo zult u weldoen (Tit. 3: 13 v).
Het is iets anders om iets te doen, uit schaamte, bijna gedwongen, iets anders, het waardig voor God te doen, ook dat men als Gods wil heeft leren kennen en er op let dat de Heere God de geringen verkiest en met hoop op het rijk van God, waarin de vergelding zal worden verkregen.
Die de dienaren van Christus opneemt, neemt Hemzelf op. Moeten wij nu niet begerig zijn Hem in Zijn leden op te nemen. Hij zal Zijn herberg rijkelijk betalen.
De gastvrijheid was een schone deugd van de eerste Christenen en Paulus noemt die onder de eigenschappen van een onberispelijke opziener (1 Tim. 3: 2 Tit. 1: 8). Het huis van iedere opziener, ja van elke Christen was een huis, waar de broeders, die als evangelisten reisden, gastvrij werden opgenomen en het behoorde vooral tot de getuigenis van goede werken van de weduwen, tot het gekozen worden als diakonessen, dat zij gastvrij waren en de voeten van de heiligen hadden gewassen (1 Tim. 5: 9 v.). De broeders, over wie Johannes spreekt, hadden van Gajus? liefde getuigd ook voor de gemeente. Zo slaan wij een blik in het liefelijke gemeenteleven van de eerste kerk. Johannes had zijn gasten in de vergadering ingeleid en zij hadden de gemeente verkwikt door de mededeling, dat de wijnstok, waaraan zij allen ranken waren, een groene en vruchtbare tak kweekte in Gajus, de geliefde. Is de brief geschreven uit de plaats van de verbanning van de Apostel, uit Patmos, zoals men mag aannemen, dan had zich daar rondom hem een kleine gemeente verzameld en zonder dat hem er dank voor toekwam had de keizer van Rome of diens stadhouder dat arme eiland rijk gemaakt.
De daad van Gajus zal echter pas volkomen zijn, als hij de uitrusting en het geleiden van de broeders tot het einde zal hebben tot stand gebracht, dat de apostel dan ook met vertrouwen van hem wacht.
Want zij zijn voor het Koninkrijk van God, om Zijn naam bekend te maken daar, waar men nog slechts vreemde afgoden dient (Matth. 19: 29 Hand. 14: 15 vv. ; 17: 23 vv.), uit de plaats van hun woning (Hand. 15: 40), uitgegaan, niets nemend van de heidenen. Volgens de regel van Paulus (1 Kor. 9: 15 en 18. 2Kor. 11: 7 vv. 1 Thessalonicenzen. 2: 9) willende degenen, aan wie zij tot bekering werkzaam zijn, niet tot last zijn, zij willen zich niet door deze laten onderhouden en verzorgen (MATTHEUS. 10: 8).
Wij dan, die Christenen zijn, zijn schuldig dezen te ontvangen en hun alle goede diensten te betonen (2 Joh. 10. Hand. 28: 10), opdat wij medearbeiders mogen worden van de waarheid, mee deel mogen hebben aan hun werk tot uitbreiding van het werk van God (Fil. 1: 11 Kol. 4: 11. 1 Thessalonicenzen. 3: 2.
Die dwaalleraars groet en opneemt heeft gemeenschap aan hun boze werken (2 Joh. 11). Maar die belijders van Jezus Christus groet en opneemt, die de naam aller zaligheid bekend maken, die heeft deel aan het werk voor de waarheid, dat zij doen. Een schone zendingstekst! In onze plaats dienen de zendelingen onder de heidenen, en vergoeden ons gebrek (1 Kor. 16: 17). Niemand moet echter denken, dat hij alleen door een geldelijke bijdrage als het ware zou kunnen loskopen, zijn persoon, die hij aan God schuldig is, de gemeenschap van de leden brengt integendeel mee, dat ik zelf tot de heidenen ga, als ik een broeder help uitzenden.
Ik heb aan de gemeente, waar zij zouden kunnen komen, ook geschreven in een bijzonder aanbevelend schrijven, dat ik die broeders op hun weg had meegegeven, dat wij zo liefderijk jegens die reizende evangelisten en zo behulpzaam behoren te zijn; maar Diotrefes (= Jupiters voedsterling), die onder hen, onder de leden van de gemeente, probeert de eerste te zijn en zich gedraagt als was hij de eerste opziener, neemt ons in ons apostolisch woord niet aan, maar verheft er zich boven, alsof wij niets meer over hem hadden te zeggen.
III. Vs. 11 KruisverwijzingenJesaja 1:16→Psalmen 37:27→1 Johannes 2:29→Psalmen 34:14→1 Petrus 3:11→Johannes 3:20→Efeze 5:1→2 Timotheüs 3:10→
— Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.
en 12. De apostel wendt zich, nu de broeders in vs. 3 en 6 genoemd, op het punt zijn om terug te keren, tot Gajus met de vermaning, om niet het kwade na te volgen, maar het goede en daarom deze broeders niet te behandelen op de wijze van Diotrefes, maar ze te behandelen zoals het betamelijk is en zich verder in alle dingen te gedragen als een, die uit God geboren is. Vervolgens geeft hij over Demetrius, die aan het hoofd van het gezelschap staat, een drievoudig getuigenis, dat voor zijn bekwaamheid en betrouwbaarheid borg stelt, opdat deze ook vertrouwen heeft bij hen, die de brief ontvangen, evenals hij dat heeft bij de schrijver van de brief.
Geliefde! (vs. 2 en 5) a) volg ook in andere zaken, als de broeders, van wie ik spreek, nu weer tot u terugkeren en dan weer, opname en ondersteuning nodig hebben, het kwade niet na, zoals Diotrefes u daarin een voorbeeld heeft gegeven, maar het goede, zoals u dat ook heeft gedaan. Handel verder met hen waardig voor God (vs. 6. 1 Petrus 3: 11 Die goed doet, u weet het, en ik houd dat ook (1 Joh. 2: 29; 3: 6, 9; 4: 7 v 1Jo 2. 29 3. 6, 9), aan de hele gemeente voor, is uit God, maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.
Ps. 37: 27 Jes. 1: 16
Met het oog op de leden van de gemeente, die Diotrefes tot zich heeft getrokken, spreekt Johannes deze vermaning uit, die ook voor een Gajus nodig is. De natuur is makkelijk geneigd tot navolging, maar het goede na te volgen vereist een rechtschapen ijver en geestelijke opgewektheid.
Aan Demetrius, de voornaamste onder die broeders, in wiens hand wij deze en de beide andere brieven leggen, ter bezorging aan hen, voor wie ze bestemd zijn, wordt een goed (Hand. 6: 3; 10: 22; 16: 2 getuigenis gegeven van allen, die tot de Christenen behoren (2 Joh. 1) en van de waarheid zelf, waarin hij wandelt en die daardoor hemzelf voor een oprechte discipel verklaart. En wij getuigen ook van onze zijde, opdat het drietal vol wordt (1 Joh. 5: 7 v.), door ons van hem te bedienen voor u als van een vertrouwd man en u weet, dat onze getuigenis waarachtig is (Joh. 19: 35; 21: 24).
Welke aanleiding de apostel had om Demetrius aan te bevelen, is niet met zekerheid op te maken, echter ligt de gissing voor de band, dat deze de leidsman geweest is van de broeders, die nu weer tot Gajus kwamen, dus aan wie deze reeds vroeger goed had gedaan en verder dat hij bestemd was om het schrijven over te brengen. De woorden van Johannes bevatten in elk geval een grote lof, als hij in de eerste plaats van Demetrius zegt, dat alle Christenen, die met hem in aanraking waren gekomen een goede getuigenis van hem gaven.
Hij hetgeen verder volgt “en van de waarheid zelf” moet men denken aan de levenswandel van Demetrius, zodat de waarheid, die in hem woont, zich betoont als levend (door de gevolgen, die hij met zijn Christelijke werkzaamheid op het oog heeft) en voor hem getuigend. Hij is in zijn karakter en wandel een beeld van de waarheid, die in hem gepersonifieerd is.
Demetrius is zo trouw en eenvoudig, dat de waarheid zelf hem aanbeveelt, doordat zij uit hem spreekt.
Ten derde voegt de apostel zijn eigen getuigenis erbij en in het goed vertrouwen, dat ook hij bij zijn kinderen getuigenis van de waarheid zelf heeft, zegt hij, “u weet dat onze getuigenis waarachtig is”. Het getuigenis van de ogen, die gewoon waren aan het zien van de heerlijkheid van de Zoon van Gods en van zijn waarachtige wandel (Joh. 1: 14) mocht men vast vertrouwen.
C. Op dezelfde wijze als in 2 Joh. 12 zegt de apostel, zich haastend naar het slot, tot de schrijver van de brief, dat hij eigenlijk nog veel te schrijven had, dat hij de drang van zijn hart wilde volgen, maar hier liever afbrak, omdat hij toch hopen mocht snel zelf te komen en van mond tot mond met hem te kunnen spreken. Daarop beperkt hij zich tot het bijvoegen van een vrede-wens, tot het overbrengen van de groeten hem door vrienden opgedragen en tot groeten aan de broeders aldaar.
Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen (in 2 Joh. 12 staat “door papier en inkt.
Maar ik hoop u haast te zien en wij zullen mond tot mond spreken.
Vrede zij u (1 Petrus 5: 14)! De vrienden, die ik hier tot mijn verzorging (Hand. 27: 3) bij mij heb (“2Jo 1: 13), groeten u. Groet de vrienden, met name elk in het bijzonder, als had ik hier al de namen in het bijzonder opgeteld (Joh. 10: 3).
Onder de broeders, die elders aan het slot van de brieven gegroet worden (1 Kor. 16: 20 1Co Fil. 4: 21 Efeziers 6: 23), wilde Johannes Diotrefes nog opnemen, omdat hij zich slechts als een eergierig en heerszuchtig man had gedragen en het volgens vs. 10 voorgenomen “in gedachtenis brengen” wellicht nog een omkering bij hem teweeg zou brengen. Een eigenlijke dwaalleraar, die de komst van Christus in het vlees loochende, was hij toch niet, zodat de apostel niet alle gemeenschap met hem hoefde te verbreken (2 Joh. 10). Hij behoorde echter ook niet tot de vrienden van de apostel en nog was het niet te bepalen, of hij weer een kind van de vrede worden zou, zodat een vredegroet bij hem ingang zou vinden (Luk. 10: 5 v). Johannes bepaalt er zich daarom toe, alleen de vrienden te laten, groeten, zoals hij ook alleen van de vrienden, die zich in zijn onmiddellijke omgeving bevinden en die zeker alleen van zijn schrijven aan Gajus kennis droegen, niet van de gemeente als geheel (vs. 6) groeten had over te brengen; van deze brachten zeker de terugkerende broeders de groeten mondeling over.
SLOTWOORD OP DE DRIE BRIEVEN VAN JOHANNES
Het is zeker een misslag van de schriftverklaring van de tegenwoordige tijd, dat van de drie brieven van onze apostel in de regel alleen de eerste een nadere opmerkzaamheid ondervindt, de tweede en derde daarentegen zo goed als terzijde gesteld worden. Wij hebben daarom door onze verklaring er opmerkzaam op proberen te maken, hoeveel plaatsen van de eerste brief eerst door de beide andere het juiste licht ontvangen, terwijl de laatsten pas in verband met de
eersten ons tot die helderheid doen komen, die het mogelijk is te bereiken. Maar ook zal de gewone schriftverklaring meer en meer, zoals ons voorkomt, los moeten worden van die verkeerde veronderstelling, dat de die brieven tot de latere leeftijd van de apostel behoren en eveneens, wat zijn verbanning naar Patmos in de laatste tijd van zijn leven, in de tijd van de vervolging van de Christenen onder Domitianus zou vallen. Nog berust veel van datgene, waaruit men de geschiedenis van de apostolische tijd, voornamelijk in zijn tweede helft, pleegt te construeren, op meningen, die met de dag veranderen; een objectieve zekerheid over zeer belangrijke punten is er niet. Daarom mochten wij ons gerechtigd houden, om in al deze opzichten onze eigen mening te volgen en wellicht is onder hetgeen wij als onze gedachte hebben meegedeeld het een en ander, dat wel nadere overweging waardig is.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel