Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
DezenG5026 tweedenG1208 zendbriefG1992, geliefdenG27, schrijfG1125 ik nu aan uG4771, inG1722 welkeG3739 beide ik doorG1722 vermaningG5280 uw oprechtG1506 gemoedG1271 opwekkeG1326;
Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwekke;
KJV
This
second4
epistle,7
beloved,3
I6
➔ now2
write
unto you;
in8
both which9
I stir up10
your
pure15
minds16
by way12
of remembrance:13
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Opdat gij gedachtigG3415 zijt aan de woordenG4487, die vanG5259 de heiligeG40 profetenG4396 te voren gesproken zijn, enG2532 aan ons gebodG1785, die des HeerenG2962 enG2532 ZaligmakersG4990 apostelenG652 zijn;
Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers apostelen zijn;
KJV
That ye may be mindful
of the words4
which were spoken before
by5
the holy7
prophets,8
and9
of the commandment14
of us
the apostles12
of the Lord16
and17
Saviour:18
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DitG3778 eerstG4412 wetendeG1097, dat in het laatsteG2078 der dagenG2250 spottersG1703 komenG2064 zullen, die naarG2596 hunG846 eigenG2398 begeerlijkhedenG1939 zullen wandelenG4198,
Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
KJV
Knowing3
this
first,2
that4
there shall come5
in6
the last7
days9
scoffers,10
walking16
after11
their14
own13
lusts,15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 zeggenG3004: Waar isG1510 de belofteG1860 Zijner toekomstG3952? WantG1063 vanG575 dienG3739 dag, dat de vadersG3962 ontslapenG2837 zijn, blijven alleG3956 dingen alzoG3779 gelijk vanG575 het beginG746 der scheppingG2937.
En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.
KJV
And1
saying,2
Where3
is
the promise6
of his9
coming?8
for12
since10
the fathers14
fell asleep,15
all things16
continue17
as they were from19
the beginning20
of the creation.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Want willensG2309 is ditG3778 hunG846 onbekendG2990, dat doorG1223 het woordG3056 GodsG2316 de hemelenG3772 van over langG1597 geweest zijn, enG2532 de aardeG1093 uitG1537 het waterG5204 enG2532 in het waterG5204 bestaandeG4921;
Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;
KJV
For2
this
they3
willingly5
are ignorant of,1
that6
by the word21
of God20
the heavens7
were
of old,9
and10
the earth11
standing out17
of12
the water13
and14
in15
the water:16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DoorG1223 welke de wereldG2889, die toen was, met het waterG5204 van den zondvloed bedektG2626 zijnde, vergaanG622 is.
Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.
KJV
Whereby1
the world5
that then was,4
being overflowed7
with water,6
perished:8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Maar de hemelenG3772, die nu zijn, en de aardeG1093, zijn door hetzelfde woordG3056 als een schat weggelegdG2343, en worden ten vureG4442 bewaardG5083 tegen den dagG2250 des oordeelsG2920, en der verdervingG684 der goddelozeG765 mensenG444.
Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.
KJV
But2
the heavens4
and5
the earth,7
which are now,3
by the same9
word14
are
kept in store,15
reserved18
unto fire17
against19
the day20
of judgment21
and22
perdition23
of ungodly25
men.26
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
DochG1161 dezeG3778 ene zaakG5124 zij uG4771 nietG3361 onbekendG2990, geliefdenG27, dat eenG1520 dagG2250 bij den HeereG2962 is alsG5613 duizendG5507 jarenG2094, en duizendG5507 jarenG2094 alsG5613 eenG1520 dagG2250.
Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
KJV
But,2
beloved,7
be5
➔ not4
ignorant
of this one1
thing,
that8
one
day10
is with11
the Lord12
as13
a thousand14
years,15
and16
a thousand17
years18
as19
one
day.20
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De HeereG2962 vertraagtG1019 de belofteG1860 niet (gelijkG5613 enigenG5100 dat traagheid achtenG2233), maarG235 is lankmoedigG3114 over ons, niet willendeG1014, dat enigen verlorenG622 gaan, maarG235 dat zij allenG3956 totG1519 bekeringG3341 komenG5562.
De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
KJV
The Lord4
is2
➔ not1
slack
concerning his promise,6
as7
some men8
count10
slackness;9
but11
is longsuffering12
to13
us-ward,
not15
willing16
that any17
should perish,18
but19
that all20
should come23
to21
repentance.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
MaarG1161 de dagG2250 des HeerenG2962 zal komenG2240 alsG5613 een diefG2812 inG1722 den nachtG3571, inG1722 welkenG3739 de hemelenG3772 metG1722 een gedruisG4500 zullen voorbijgaanG3928, en de elementenG4747 brandenG2741 zullen en vergaanG3089, en de aardeG1093 en de werkenG2041, die daarin zijn, zullen verbrandenG2618.
Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
KJV
But2
the day4
of the Lord5
will come1
as6
a thief7
in8
the night;9
in10
the which11
the heavens13
shall pass away15
with a great noise,14
and17
the elements16
shall melt19
with fervent heat,18
the earth21
also20
and22
the works26
that are therein24
shall be burned up.27
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Dewijl danG3767 dezeG3778 dingen alleG3956 vergaanG3089, hoedanigenG4217 behoortG1163 gijG4771 te zijn inG1722 heiligenG40 wandelG391 enG2532 godzaligheidG2150!
Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid!
KJV
Seeing then2
that all3
these things
shall be dissolved,4
what manner5
of persons ought6
ye
to be7
in9
all holy10
conversation11
and12
godliness,13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
VerwachtendeG4328 enG2532 haastendeG4692 tot de toekomstG3952 van den dagG2250 GodsG2316, in welkenG3739 de hemelenG3772, doorG1223 vuur ontstokenG4448 zijnde, zullen vergaanG3089, enG2532 de elementenG4747 brandendeG2741 zullen versmeltenG5080.
Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.
KJV
Looking for1
and2
hasting3
unto the coming5
of the day9
of God,8
wherein10
the heavens12
being on fire13
shall be dissolved,14
and15
the elements16
shall melt18
with fervent heat?17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
MaarG1161 wij verwachtenG4328, naarG2596 Zijn belofteG1862, nieuweG2537 hemelenG3772 en een nieuweG2537 aardeG1093, inG1722 dewelke gerechtigheidG1343 woontG2730.
Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.
KJV
Nevertheless2
we,11
➔ according to7
his10
promise,9
look for
new1
heavens3
and4
a new6
earth,5
wherein12
dwelleth15
righteousness.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Daarom, geliefdenG27, verwachtendeG4328 deze dingen, benaarstigtG4704 u, dat gij onbevlektG784 enG2532 onbestraffelijkG298 van HemG846 bevondenG2147 moogt worden inG1722 vredeG1515;
Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;
KJV
Wherefore,1
beloved,2
seeing that ye look for4
such things,
be diligent5
that ye may be found10
of him9
in11
peace,12
without spot,6
and7
blameless.8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En achtG2233 de lankmoedigheidG3115 onzes HeerenG2962 voor zaligheidG4991; gelijkerwijsG2531 ookG2532 onze geliefdeG27 broederG80 PaulusG3972, naarG2596 de wijsheidG4678, die hemG846 gegevenG1325 is, ulieden geschrevenG1125 heeft;
En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft;
KJV
And1
account8
that the longsuffering6
of our
Lord4
is salvation;7
even as9
our
beloved12
brother14
Paul15
also10
according to16
the wisdom20
given19
unto him18
hath written21
unto you;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
GelijkG5613 ookG2532 inG1722 alleG3956 zendbrievenG1992, daarin vanG4012 dezeG3778 dingen sprekendeG2980; inG1722 welkeG3739 sommigeG5100 dingen zwaarG1425 zijnG1510 om te verstaanG1425, die de ongeleerdeG261 enG2532 onvasteG793 mensen verdraaienG4761, gelijkG5613 ookG2532 de andereG3062 SchriftenG1124, totG4314 hunG846 eigenG2398 verderfG684.
Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
KJV
As1
also2
in3
all4
his epistles,6
speaking7
in8
them9
of10
these things;
in12
which13
are
some things16
hard to be understood,15
which17
they that are unlearned19
and20
unstable21
wrest,22
as23
they do also24
the other26
scriptures,27
unto28
their31
own30
destruction.32
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
GijG4771 danG3767, geliefdenG27, zulks te voren wetende, wachtG5442 u, datG2443 gij nietG3361 door de verleidingG4106 der gruwelijkeG113 mensen mede afgeruktG4879 wordt, en uitvaltG1601 van uw vastigheidG4740;
Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid;
Ook in dit vers
tevoren wetendeG4267
KJV
Ye
therefore,2
beloved,3
seeing ye know these things before,4
beware5
lest
ye also,13
➔ being led away12
with the error11
of the wicked,10
fall from
your own15
stedfastness.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
MaarG1161 wastG837 op in de genadeG5485 en kennisG1108 van onzen HeereG2962 en ZaligmakerG4990 JezusG2424 ChristusG5547. HemG846 zij de heerlijkheidG1391, beideG3568 nu en in de dagG2250 der eeuwigheidG165. AmenG281.
Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid. Amen.
KJV
But2
grow1
in3
grace,4
and5
in the knowledge6
of our
Lord8
and10
Saviour11
Jesus12
Christ.13
To him14
be glory16
both17
now18
and19
for20
ever.22
Amen.23
beide ik
Dit woord moet daarbij gedaan worden, omdat de apostel spreekt in het meervoud, van beide zijn zendbrieven.
Hertaald:
beide ik
Dit woord moet erbij gevoegd worden, omdat de apostel in het meervoud spreekt, over zijn beide brieven.
door vermaning
Grieks in vermaning of indachtigmaking.
Hertaald:
door vermaning
Grieks: in aansporing of in indachtigmaking.
oprecht
Namelijk in de leer van het Evangelie.
Hertaald:
oprecht
Namelijk oprecht in de leer van het Evangelie.
gemoed opwekke;
Of verstand.
Hertaald:
gemoed opwekke;
Of: verstand.
te voren gesproken zijn,
Namelijk van den Messias èn den staat van Zijn rijk in het Nieuwe Testament.
Hertaald:
te voren gesproken zijn,
Namelijk tevoren gesproken over de Messias en over de staat van Zijn rijk in het Nieuwe Testament.
gebod, die des
Dat is, aan onze leer, die wij u geleerd hebben, niet naar ons eigen goeddunken of gezag, maar als apostelen van onzen Heere Christus. Zie 2 Petr. 1:21. Beide deze worden zeer geschikt bijeengesteld, als zijnde tezamen de grond der christelijke leer. Zie dergelijke Ef. 2:20.
Hertaald:
gebod, die des
Dat is: aan onze leer, die wij u geleerd hebben, niet naar ons eigen goeddunken of gezag, maar als apostelen van onze Heere Christus. Zie 2 Petr. 1:21. Deze twee worden zeer treffend bij elkaar gezet, omdat zij samen de grond van de christelijke leer zijn. Zie iets dergelijks in Ef. 2:20.
eerst wetende,
Dat is, vooral.
Hertaald:
eerst wetende,
Dat is: vooral.
in het laatste der
Dat is, in de laatste dagen. Zie 2 Tim. 3:1.
Hertaald:
in het laatste der
Dat is: in de laatste dagen. Zie 2 Tim. 3:1.
spotters komen zullen,
Namelijk die spotten zullen zo met de voorzegging van God in Zijn Woord, vooral van het laatste oordeel en van het einde der wereld, als met degenen, die deze geloven, houdende hen voor slecht en al te licht gelovende lieden. Zie van deze Ps. 1:1; Jes. 22:13.
Hertaald:
spotters komen zullen,
Namelijk spotters die zowel met de voorzegging van God in Zijn Woord zullen spotten — vooral over het laatste oordeel en het einde van de wereld — als met hen die dat geloven, die zij voor eenvoudige en al te lichtgelovige mensen houden. Zie over hen Ps. 1:1; Jes. 22:13.
naar hun eigene
Dat is, volgende de kwade lusten van hun vlees, in alle ongebondenheid des levens. Gelijk de Nikolaïten en huns gelijke deden.
Hertaald:
naar hun eigene
Dat is: de kwade lusten van hun vlees volgend, in alle ongebondenheid van leven, zoals de Nikolaïeten en dergelijke mensen deden.
zeggen
Waar Namelijk spottenderwijze.
Hertaald:
zeggen
Namelijk zeggen zij bij wijze van spot.
is de belofte
Dat is, blijft de vervulling dezer belofte en voorzegging? Dit vragen is zoveel als ontkennen.
Hertaald:
is de belofte
Dat is: blijft de vervulling van deze belofte en voorzegging uit? Deze vraag stellen komt neer op ontkennen.
Zijner toekomst?
Namelijk om te oordelen de levenden en de doden en de wereld te vernieuwen.
Hertaald:
Zijner toekomst?
Namelijk Zijn komst om de levenden en de doden te oordelen en om de wereld te vernieuwen.
de vaders
Dat is, de voorouders.
Hertaald:
de vaders
Dat is: de voorouders.
ontslapen zijn,
Dat is, gestorven. Zie Matt. 9:24; 1 Kor. 11:30; 1 Thess. 4:13. Dit woord schijnen zijn ook spottenderwijze te gebruiken, alsof het wel tijd ware dat de vaders uit den slaap zouden opgewekt worden, zo er een opstanding der doden en een laatste oordeel zou zijn.
Hertaald:
ontslapen zijn,
Dat is: gestorven zijn. Zie Matth. 9:24; 1 Kor. 11:30; 1 Thess. 4:13. Ook dit woord lijken zij bij wijze van spot te gebruiken, alsof het wel tijd zou zijn dat de vaders uit de slaap opgewekt zouden worden, als er een opstanding van de doden en een laatste oordeel zou zijn.
alzo gelijk
Of alzo gelijk het van het begin der schepping aan geweest is. Dit is hun rede, die zij stellen tegen de zekerheid der voorzeggingen van het laatste oordeel en voleinding der wereld, dewijl men ziet dat nu zo lange jaren, nadat de voorzeggingen geschied zijn, men geen vervulling derzelve verneemt; maar dat alles blijft gelijk het altijd geweest is, dat het dan niet gelofelijk is, dat deze immermeer zullen vervuld worden.
Hertaald:
alzo gelijk
Of: zo, gelijk het vanaf het begin van de schepping geweest is. Dit is hun argument tegen de zekerheid van de voorzeggingen over het laatste oordeel en de voleinding van de wereld. Men ziet, zeggen zij, dat er nu zoveel jaren na die voorzeggingen nog geen vervulling daarvan te bemerken is, maar dat alles blijft zoals het altijd geweest is; en dat het dan niet aannemelijk is dat die ooit vervuld zullen worden.
willens is dit
Dat is, zij willen dit niet weten en aanmerken.
Hertaald:
willens is dit
Dat is: zij willen dit niet weten en er niet op letten.
door het woord
Dat is, door zijn kracht en bevel; zie Gen. 1:3; Ps. 33:6, Ps. 33:9; Hebr. 1:3. Daarmede beantwoordt en wederlegt Petrus het voorgeven van de spotters, en bewijst dat het bestaan en vergaan van hemel en aarde alleen staat aan den wil, het bevel en de kracht van God, waardoor, gelijk hij ze geschapen heeft zo onderhoudt hij ze ook zo lang het hem belieft, en kan ze ook teniet maken door hetzelfde woord, als het Hem belieft.
Hertaald:
door het woord
Dat is: door Zijn kracht en Zijn bevel; zie Gen. 1:3; Ps. 33:6, Ps. 33:9; Hebr. 1:3. Daarmee antwoordt Petrus op de bewering van de spotters en weerlegt hij die. Hij bewijst dat het bestaan en het vergaan van hemel en aarde alleen afhangt van de wil, het bevel en de kracht van God: zoals Hij ze geschapen heeft, zo onderhoudt Hij ze ook zolang het Hem behaagt, en Hij kan ze door hetzelfde woord ook tenietdoen wanneer het Hem behaagt.
uit het water en
Namelijk uitstekende, waar ze eerst mede bedekt was; Gen. 1:9.
Hertaald:
uit het water en
Namelijk uitstekend boven het water, waarmee zij eerst bedekt was; Gen. 1:9.
in het water bestaande;
Grieks door. Hetwelk ook soms in betekent, gelijk 1 Tim. 2:15, zo ook hier, dewijl de wateren zijn als de vastigheid waarin de aarde is en vaststaat. Zie Ps. 24:2.
Hertaald:
in het water bestaande;
Grieks: door. Dat betekent soms ook in, zoals in 1 Tim. 2:15, en zo ook hier, omdat de wateren zijn als de vaste grond waarin de aarde staat en vaststaat. Zie Ps. 24:2.
Door welke
Namelijk hemel en aarde. Want die hebben beide hunne wateren tot den zondvloed gebracht, gelijk uitdrukkelijk getuigd wordt Gen. 7:11.
Hertaald:
Door welke
Namelijk hemel en aarde. Want die hebben beide hun wateren tot de zondvloed samengebracht, zoals uitdrukkelijk betuigd wordt in Gen. 7:11.
de wereld,
Dat is, de mensen en beesten, die toen in de wereld waren en leefden, uitgenomen die in de ark behouden werden.
Hertaald:
de wereld,
Dat is: de mensen en de dieren die toen in de wereld waren en leefden, uitgezonderd zij die in de ark behouden werden.
bedekt zijnde,
Namelijk door het Woord en bevel van God. En de apostel wil daarmee bewijzen, dat gelijk God, als het Hem belieft heeft, door Zijn kracht de eerste wereld heeft doen vergaan met het water, dat Hij ook de tweede en tegenwoordige wereld met het vuur kan en zal doen vergaan, wanneer het Hem zal believen, gelijk in vs.7 verklaard wordt.
Hertaald:
bedekt zijnde,
Namelijk door het Woord en het bevel van God. De apostel wil daarmee bewijzen dat God, zoals Hij toen het Hem behaagd heeft door Zijn kracht de eerste wereld door het water heeft doen vergaan, ook de tweede en tegenwoordige wereld door het vuur kan en zal doen vergaan wanneer het Hem zal behagen, zoals in vers 7 verklaard wordt.
als een schat weggelegd,
Dat is, bewaard, gelijk men een schat weglegt in de schatkamer, om te zijner tijd, als het ons belieft, uitgegeven en besteed te worden.
Hertaald:
als een schat weggelegd,
Dat is: bewaard, zoals men een schat wegbergt in de schatkamer om die te Zijner tijd, wanneer het ons behaagt, uit te geven en te besteden.
ten vure bewaard
Namelijk om daardoor verbrand te worden; zie Ps. 50:3; 2 Thess. 1:8.
Hertaald:
ten vure bewaard
Namelijk om daardoor verbrand te worden; zie Ps. 50:3; 2 Thess. 1:8.
des oordeels,
Dat is, van het laatste algemene oordeel; of der verdoemenis, gelijk de volgende woorden verklaren.
Hertaald:
des oordeels,
Dat is: van het laatste, algemene oordeel; of van de verdoemenis, zoals de volgende woorden verklaren.
dat een dag bij den
En dat derhalve wij ons niet moeten verwonderen, dat de Heere, naar onze mening, zo lang vertoeft met het volbrengen Zijner belofte, alzo Hij de tijden niet rekent kort of lang naar ons dunken, daar Hij eeuwig en aan de tijden niet gebonden is.
Hertaald:
dat een dag bij den
En daarom moeten wij ons er niet over verwonderen dat de Heere naar ons oordeel zo lang wacht met het volbrengen van Zijn belofte, omdat Hij de tijden niet naar onze maatstaf kort of lang rekent; Hij is eeuwig en niet aan de tijden gebonden.
vertraagt de belofte
Of vertraagt niet aangaande de belofte; dat is, stelt de volbrenging van de belofte niet uit boven den tijd, dien Hij daartoe bestemd heeft.
Hertaald:
vertraagt de belofte
Of: is niet traag met betrekking tot de belofte; dat is: Hij stelt de vervulling van de belofte niet uit boven de tijd die Hij daarvoor bestemd heeft.
traagheid achten),
Dat is, uitstel, boven den bestemden tijd.
Hertaald:
traagheid achten),
Dat is: als uitstel boven de bestemde tijd.
over ons, niet willende,
Namelijk die geroepen zijn tot de kennis van Christus en in Hem geloven; voor hoedanigen Hij naar het oordeel der liefde houdt al degenen aan wie Hij schrijft; zie 2 Petr. 1:1.
Hertaald:
over ons, niet willende,
Namelijk over ons die geroepen zijn tot de kennis van Christus en die in Hem geloven. Voor zulke mensen houdt hij naar het oordeel van de liefde allen aan wie hij schrijft; zie 2 Petr. 1:1.
enigen verloren gaan,
Namelijk uit ons, die krachtig geroepen zijn en nog zullen worden. Want alzo God al wat Hij wil doen kan en ook doet, zo kan dit niet verstaan worden van ale en een ieder mens, dewijl de Schrift en de ervaring zelf getuigen, dat niet alle mensen zalig worden, maar velen verloren gaan.
Hertaald:
enigen verloren gaan,
Namelijk uit ons, die krachtig geroepen zijn en nog geroepen zullen worden. Want omdat God alles kan doen wat Hij wil en dat ook doet, kan dit niet verstaan worden van alle mensen en van ieder afzonderlijk, omdat de Schrift en de ervaring zelf betuigen dat niet alle mensen zalig worden, maar dat velen verloren gaan.
allen
Namelijk uitverkorenen, van wie Hij hier spreekt; Openb. 6:11.
Hertaald:
allen
Namelijk alle uitverkorenen, over wie hij hier spreekt; Openb. 6:11.
tot bekering komen
Namelijk dat hun daartoe tijd gegeven worde.
Hertaald:
tot bekering komen
Namelijk dat hun daarvoor tijd gegeven wordt.
de dag des Heeren
Dat is, de jongste of laatste dag, als de Heere komen zal ten oordeel.
Hertaald:
de dag des Heeren
Dat is: de jongste of laatste dag, wanneer de Heere ten oordeel zal komen.
als een dief
Dat is, onvoorziens. Zie de aantekeningen 1 Thess. 5:2.
Hertaald:
als een dief
Dat is: onverwacht. Zie de aantekeningen bij 1 Thess. 5:2.
in welken de hemelen
Namelijk dag des Heeren.
Hertaald:
in welken de hemelen
Namelijk op die dag van de Heere.
met een gedruis
Namelijk gelijk in een groot onweder of grote storting van water gehoord wordt.
Hertaald:
met een gedruis
Namelijk zoals bij een groot onweer of bij een grote stortvloed gehoord wordt.
zullen voorbijgaan,
Hoe dit voorbijgaan of vergaan van hemel en aarde geschieden zal, zijn er verschillende meningen, zo van oude als van nieuwe leraars. Sommigen menen, dat de substantie of het wezen zelf der wereld ten enenmale zal vergaan en vernietigd worden; anderen, dat alleen de hoedanigheden derzelve zullen vergaan en veranderd worden, en de substantie of wezen blijven. Welke mening wel de algemene en waarschijnlijkste is. Zie Ps. 102:26-27; Rom. 8:19.
Hertaald:
zullen voorbijgaan,
Over de manier waarop dit voorbijgaan of vergaan van hemel en aarde zal gebeuren, zijn er verschillende meningen, zowel bij oude als bij nieuwere leraars. Sommigen menen dat de substantie of het wezen zelf van de wereld helemaal zal vergaan en vernietigd worden; anderen dat alleen de hoedanigheden daarvan zullen vergaan en veranderd worden en dat de substantie of het wezen zal blijven. Die laatste mening is de meest gangbare en de meest aannemelijke. Zie Ps. 102:26-27; Rom. 8:19.
de elementen branden
Namelijk waaruit alle lichamelijke schepselen bestaan, dat is, het vuur, de lucht, het water en de aarde.
Hertaald:
de elementen branden
Namelijk de elementen waaruit alle lichamelijke schepselen bestaan, dat is: het vuur, de lucht, het water en de aarde.
vergaan, en de aarde
Grieks los gemaakt of ontbonden worden.
Hertaald:
vergaan, en de aarde
Grieks: losgemaakt of ontbonden worden.
de werken, die daarin zijn,
Namelijk die de aarde uit zich voortbrengt of die de mensen op de aarde gemaakt en gebouwd hebben.
Hertaald:
de werken, die daarin zijn,
Namelijk de werken die de aarde uit zichzelf voortbrengt, of die de mensen op de aarde gemaakt en gebouwd hebben.
verbranden
Namelijk door het vuur, waarvan gesproken is vs.17.
Hertaald:
verbranden
Namelijk door het vuur, waarover in vers 17 gesproken is.
vergaan,
Dat is, vergaan zullen. Zie vs.10.
Hertaald:
vergaan,
Dat is: vergaan zullen. Zie vers 10.
hoedanigen behoort
Dat is, hoe grote vlijt behoort gij dan aan te wenden, om zodanigen te zijn in ware godzaligheid, dat gij in dien verschrikkelijken dag moogt bestaan en plaats vinden in de toekomende wereld.
Hertaald:
hoedanigen behoort
Dat is: hoe grote inzet behoort u dan aan te wenden om in ware godvrezendheid zulke mensen te zijn dat u op die verschrikkelijke dag staande kunt blijven en een plaats mag vinden in de toekomende wereld.
Verwachtende en
Namelijk met lijdzaamheid.
Hertaald:
Verwachtende en
Namelijk met volharding.
haastende tot de
Namelijk met verlangen.
Hertaald:
haastende tot de
Namelijk met verlangen.
Gods,
Dat is, van den Heere Jezus Christus, gelijk Tit. 2:13; of van God den Vader, die Zijn gericht houden zal door den Zoon; Hand. 17:31.
Hertaald:
Gods,
Dat is: van de Heere Jezus Christus, zoals in Tit. 2:13; of van God de Vader, Die Zijn gericht door de Zoon zal houden; Hand. 17:31.
in welken de hemelen,
Of door welke, namelijk toekomst van den dag Gods.
Hertaald:
in welken de hemelen,
Of: door welke, namelijk door de komst van de dag van God.
door vuur ontstoken
Zie hiervan vs.7, 10.
Hertaald:
door vuur ontstoken
Zie hierover vers 7 en 10.
nieuwe hemelen
Namelijk of van ene nieuwe substantie en wezen, of met nieuwe hoedanigheden versierd, en daardoor als vernieuwd. Zie de aantekeningen vs.10.
Hertaald:
nieuwe hemelen
Namelijk hemelen die óf van een nieuwe substantie en een nieuw wezen zijn, óf met nieuwe hoedanigheden versierd en daardoor als vernieuwd. Zie de aantekeningen bij vers 10.
in dewelke
Namelijk nieuwe hemelen en aarde. Want Hij spreekt in het meervoud.
Hertaald:
in dewelke
Namelijk in deze nieuwe hemelen en aarde. Want hij spreekt in het meervoud.
gerechtigheid
Dat is, mensen die van de zonde gerechtvaardigd zijn, en anders niet dan gerechtigheid zullen plegen; daar deze aarde vol is van boze en ongerechtige mensen.
Hertaald:
gerechtigheid
Dat is: mensen die van de zonde gerechtvaardigd zijn en die niets anders dan gerechtigheid zullen doen, terwijl deze aarde vol is van boze en onrechtvaardige mensen.
woont
Dat is, wonen zal; dat is, waar de rechtvaardige mensen een vaste plaats zullen hebben en altijd daarin blijven en gerechtigheid oefenen.
Hertaald:
woont
Dat is: wonen zal; dat is: waar de rechtvaardige mensen een vaste plaats zullen hebben, daar altijd zullen blijven en gerechtigheid zullen beoefenen.
onbevlekt en onbestraffelijk
Namelijk van de zonden en besmettingen der wereld. Want anderszins leeft niemand zonder enige vlek, 1 Kon. 8:46; Ps. 19:13; Spr. 20:9; Jak. 3:2; 1 Joh. 1:8; maar den gelovigen wordt de onbevlektheid van Christus als hun eigene toegerekend, Ef. 5:26-27; en zij wachten zich dat de zonden over hen niet heersen; Rom. 6:12.
Hertaald:
onbevlekt en onbestraffelijk
Namelijk onbevlekt van de zonden en de besmettingen van de wereld. Want overigens leeft niemand zonder enige vlek, 1 Kon. 8:46; Ps. 19:13; Spr. 20:9; Jak. 3:2; 1 Joh. 1:8. Maar de onbevlektheid van Christus wordt de gelovigen als hun eigen toegerekend, Ef. 5:26-27, en zij waken ervoor dat de zonden niet over hen heersen; Rom. 6:12.
van Hem
Namelijk van den Heer Jezus Christus.
Hertaald:
van Hem
Namelijk door de Heere Jezus Christus.
bevonden moogt worden
Namelijk als Hij zal komen om te oordelen. Want gelijk iemand dan zal worden gevonden, zo zal hij geoordeeld worden; Pred. 11:3; Matt. 24:46.
Hertaald:
bevonden moogt worden
Namelijk wanneer Hij zal komen om te oordelen. Want zoals iemand dan bevonden wordt, zo zal hij geoordeeld worden; Pred. 11:3; Matth. 24:46.
in vrede;
Dat is, hebbende een gerust gemoed en een goed geweten voor God, en met de mensen in vrede levende.
Hertaald:
in vrede;
Dat is: met een rustig gemoed en een goed geweten voor God, en in vrede levend met de mensen.
de lankmoedigheid
Namelijk die Hij gebruikt, Zijn komst ten oordeel uitstellende, om den mensen tijd te geven tot bekering.
Hertaald:
de lankmoedigheid
Namelijk de lankmoedigheid die Hij gebruikt door Zijn komst ten oordeel uit te stellen, om de mensen tijd tot bekering te geven.
voor zaligheid;
Dat is, voor een zaak, die zeer dienstig is tot bevordering uwer zaligheid.
Hertaald:
voor zaligheid;
Dat is: als een zaak die zeer dienstig is om uw zaligheid te bevorderen.
ulieden geschreven
Namelijk gelovige Joden, hetwelk hij gedaan heeft door den zendbrief aan de Hebreën. Zie Hebr. 6:2, en Hebr. 10:36-37.
Hertaald:
ulieden geschreven
Namelijk aan u, gelovige Joden; dat heeft hij gedaan door de brief aan de Hebreeën. Zie Hebr. 6:2 en Hebr. 10:36-37.
van deze dingen
Namelijk van welke ik u nu onderwezen en vermaand heb, namelijk van de komst van Christus ten oordeel, van de voleinding der wereld, van de valse leraars en spotters, die opstaan zullen, enz.
Hertaald:
van deze dingen
Namelijk de dingen waarover ik u nu onderwezen en aangespoord heb: over de komst van Christus ten oordeel, over de voleinding van de wereld, over de valse leraars en spotters die zullen opstaan, enzovoort.
in welke dingen
Of onder welke dingen.
Hertaald:
in welke dingen
Of: onder welke dingen.
sommige zwaar zijn
Namelijk dingen, of spreuken. Hij zegt dan niet dat al wat in de Schrift geleerd wordt zwaar zou zijn om te verstaan, maar alleen sommige dingen, vooral die van toekomende zaken of van den raad Gods over toekomende dingen spreken, welke, hoewel zij zwaar zijn om begrepen te worden, nochtans klaar genoeg voorgesteld worden, zo veel den gelovigen daarvan ter zaligheid nodig is te weten; gelijk ook alles wat ter zaligheid nodig is te weten, in de Heilige Schrift klaar genoeg geleerd en uitgedrukt wordt. Zie Deut. 29:29, en Deut. 30:11; Ps. 19:8, en Ps. 119:105; Spr. 6:23; 2 Kor. 4:3; 2 Petr. 1:19.
Hertaald:
sommige zwaar zijn
Namelijk sommige dingen of uitspraken. Hij zegt dus niet dat alles wat in de Schrift geleerd wordt moeilijk te verstaan zou zijn, maar alleen sommige dingen, vooral die over toekomstige zaken of over de raad van God over toekomstige zaken spreken. Hoewel die moeilijk te begrijpen zijn, worden zij toch duidelijk genoeg voorgesteld, voor zover het voor de gelovigen tot zaligheid nodig is die te weten. Zo wordt ook alles wat tot zaligheid nodig is te weten in de Heilige Schrift duidelijk genoeg geleerd en uitgedrukt. Zie Deut. 29:29 en Deut. 30:11; Ps. 19:8 en Ps. 119:105; Spr. 6:23; 2 Kor. 4:3; 2 Petr. 1:19.
de ongeleerde en
Of onervaren; namelijk in Goddelijke dingen.
Hertaald:
de ongeleerde en
Of: onervaren, namelijk in de goddelijke dingen.
onvaste mensen
Of, onbevestigde, die in den rechten grond der christelijke leer niet zijn bevestigd.
Hertaald:
onvaste mensen
Of: onbevestigde mensen, die niet bevestigd zijn in de juiste grond van de christelijke leer.
verdraaien, gelijk
Namelijk met valse uitleggingen daarop te maken, en slechte gevolgtrekkingen daaruit te maken. Zie Rom. 3:5, Rom. 3:8, en Rom. 9:19, en Rom. 11:1.
Hertaald:
verdraaien, gelijk
Namelijk door er valse uitleggingen op te maken en er onjuiste gevolgtrekkingen uit te trekken. Zie Rom. 3:5, Rom. 3:8 en Rom. 9:19, en Rom. 11:1.
tot hun eigen verderf
Waarmede aangewezen wordt, niet het oogmerk, dat zij daarmee voorhebben, maar de uitkomst die daarop volgen zal.
Hertaald:
tot hun eigen verderf
Daarmee wordt niet het doel aangewezen dat zij daarmee voor ogen hebben, maar de uitkomst die daarop zal volgen.
zulks te voren wetende,
Namelijk dat er zulke verleiders en spotters zullen opstaan en dat hun en hunner navolgers uitkomst zodanig zal zijn.
Hertaald:
zulks te voren wetende,
Namelijk dat er zulke verleiders en spotters zullen opstaan en dat de uitkomst voor hen en voor hun navolgers zo zal zijn.
wacht u, dat gij
Grieks bewaart.
Hertaald:
wacht u, dat gij
Grieks: bewaart.
der gruwelijke
Namelijk van de valse leraars en spotters, die aan geen wetten onderworpen willen zijn.
Hertaald:
der gruwelijke
Namelijk van de valse leraars en spotters, die zich aan geen enkele wet willen onderwerpen.
afgerukt wordt, en
Of afgeleid.
Hertaald:
afgerukt wordt, en
Of: afgeleid.
uitvalt
Namelijk verlatende de gezonde leer en zulke dwalingen aannemende. Want, hoewel het zeker is, dat het onmogelijk is, dat de uitverkorenen zo zullen kunnen verleid worden, dat zij geheel uitvallen, Matt. 24:24; zo hebben zij nochtans dusdanige vermaningen en waarschuwingen van node, om daardoor als gewone middelen, opgewekt en staande gehouden te worden, dat zij niet uitvallen. Zie 1 Kor. 10:12-13.
Hertaald:
uitvalt
Namelijk doordat u de gezonde leer verlaat en zulke dwalingen aanneemt. Want hoewel het zeker is dat het onmogelijk is dat de uitverkorenen zo verleid zullen kunnen worden dat zij geheel uitvallen, Matth. 24:24, hebben zij toch zulke aansporingen en waarschuwingen nodig om daardoor als door de gewone middelen opgewekt en staande gehouden te worden, zodat zij niet uitvallen. Zie 1 Kor. 10:12-13.
van uwe vastigheid;
Dat is, van den vasten grond van uw geloof, dien gij eenmaal gelegd hebt.
Hertaald:
van uwe vastigheid;
Dat is: van de vaste grond van uw geloof, die u eenmaal gelegd hebt.
wast op
Dat is, neemt dagelijks meer en meer toe in de christelijke leer; een gelijkenis, genomen van kinderen, die allengs opwassen tot volkomen grootte en mannelijken ouderdom. Zie van deze Ef. 4:13-14.
Hertaald:
wast op
Dat is: neem dagelijks meer en meer toe in de christelijke leer. Dit is een vergelijking, genomen van kinderen, die geleidelijk opgroeien tot volle grootte en volwassen leeftijd. Zie hierover Ef. 4:13-14.
Hem zij de heerlijkheid,
Namelijk den Heere Jezus Christus; en daar deze lofzegging alleen toekomt den enigen waren God, zo is dit een klaar bewijs van de Godheid van Christus.
Hertaald:
Hem zij de heerlijkheid,
Namelijk de Heere Jezus Christus. En omdat deze lofzegging alleen aan de enige ware God toekomt, is dit een duidelijk bewijs van de godheid van Christus.
nu en
Dat is, in dit leven.
Hertaald:
nu en
Dat is: in dit leven.
in de dag der
Dat is, in den tijd na dit leven, die eeuwiglijk duren zal.
Hertaald:
in de dag der
Dat is: in de tijd na dit leven, die eeuwig zal duren. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Tegenover spotters die vragen waar de belofte van Zijn komst blijft, herinnert Petrus eraan dat "een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag" (2 Petr. 3:8), en dat de vertraging geen traagheid is maar lankmoedigheid: God "is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen" (2 Petr. 3:9). Maar de dag zal komen "als een dief in den nacht" (2 Petr. 3:10, reeds behandeld bij Dag des Heeren, 1 Thess. 5), "in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden" (2 Petr. 3:10). Daartegenover staat de hoop: "wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont" (2 Petr. 3:13). De brief sluit met de oproep: "wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus" (2 Petr. 3:18). Bijbelse betekenis: Dit voegt een kosmischer, letterlijker accent toe aan wat bij Dag des Heeren (1 Thess. 5) al kort behandeld was: niet alleen de onvoorspelbare plotselingheid van die dag, maar de vernietiging en vernieuwing van de schepping zelf. De vertraging van die dag is geen zwakte van God maar juist een uiting van Zijn lankmoedigheid, gericht op de bekering van zondaren. Typologie: Petrus rekent hier met Ps. 90:4 ("duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren"); de belofte van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde was al door Jesaja aangekondigd ("Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde", Jes. 65:17) en wordt in de Openbaring vervuld: "ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan" (Op. 21:1). 2 Petr. 3:8-10,13,18; Ps. 90:4; Jes. 65:17; Op. 21:1 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Petrus schrijft zijn laatste brief, kort voor zijn dood. Hij weet dat er gespot wordt met de verwachting van de wederkomst, en hij herhaalt daarom waarop die verwachting rust. De spot gaat over uitblijven; het antwoord gaat over geduld. **De spot.** Zij komen met een redenering die er goed uitziet: “Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.” Er verandert niets, dus er komt niets. Het is een argument uit gewoonte. **Het eerste antwoord: de tijd.** “Dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.” Wat lang lijkt, is dat alleen van deze kant gezien. **Het tweede antwoord, en dat is het eigenlijke.** “De Heere vertraagt de belofte niet, maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.” De kanttekening scherpt dat aan: vertragen betekent hier niet uitstellen boven de tijd die Hij ervoor bestemd heeft. Het uitblijven is dus geen traagheid maar ruimte — de tussentijd waarin mensen nog tot bekering komen. **Wat er dan komt.** Het beeld is dat van een dief in de nacht: onaangekondigd. En wat volgt is groot en kort beschreven: de hemelen gaan met gedruis voorbij, de elementen branden, de aarde en de werken die daarin zijn verbranden. **Waartoe het gezegd wordt.** Niet om te rekenen maar om te leven: “Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid!” Er staat zelfs bij dat men die dag verwachten én haasten moet. **En waar het op uitloopt.** Niet op as, maar op iets nieuws: “Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.” Dat is dezelfde belofte waarmee Jesaja eindigt. De koningslijn houdt hier dus niet op bij een troon in een stad; zij loopt door tot een aarde waarop het recht woont — niet op bezoek komt, maar woont. In het Nieuwe Testament: Jesaja 65:17; Jesaja 66:22; Openbaring 21:1; Mattheüs 24:43; Psalm 90:4; Handelingen 3:21 Hoever dit reikt: Petrus haalt de belofte van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde aan; die staat bij Jesaja, en daarop rust het niveau. Over de vraag hoe ver het niet willende dat enigen verloren gaan reikt, wordt verschillend gedacht; de kanttekening betrekt het op hen aan wie hij schrijft. Wanneer de dag komt, wordt uitdrukkelijk niet gezegd.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Door C.H. Spurgeon, uit The Sword and the Trowel. Het is uitsluitend aan Gods genade te danken dat zondige mensen niet onmiddellijk omkomen. De scherpe bijl van… Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als in de dag van de eeuwigheid. 2 Petrus 3:18 De hemel zal vol zijn van een eindeloze lofzang voor Jezus. Zijn… Maar groei in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als in de dag van de eeuwigheid. 2… Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. (Hebreeën 10:31) Lees verder Romeinen 5:6—11. Het is de grootste goedheid om mensen te waarschuwen voor het… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als in de dag van de eeuwigheid. 2 Petrus 3 vers 18 In de hemel… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Maar groei in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als… Wast dan op in de genade en de kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. 2 Petrus 3:18 U zult kunnen opmerken dat dit vers onmiddellijk volgt op… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
2 Petrus 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Waar is de belofte Zijner toekomst? — 3:3-4, 8-13
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Uit genade bent u zalig geworden
Glorie aan God!
Groei in de genade
De toekomstige straf is vreselijk
Hem zij de heerlijkheid
Groei in de genade en kennis
Heiligmaking: opwas in de genade en kennis van de Heere Jezus


2 Petrus 3
2 Petrus 3:1
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:6→2 Petrus 1:12→1 Petrus 1:1→1 Timotheüs 5:22→1 Petrus 1:22→Psalmen 73:1→Psalmen 24:4→2 Korinthe 13:2→— Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwekke;
Ook de zuiverste gemoederen hebben er soms behoefte aan opgewekt te worden. Het zou zeer te betreuren zijn onzuivere gemoederen op te wekken; dat zou alleen maar kwaad doen. Maar zuivere gemoederen mogen zoveel opgewekt worden als u wilt, en hoe meer, hoe beter. Er zijn geheiligde herinneringen in de gemoederen van alle christenen; maar die herinneringen zijn geneigd te sluimeren. Het is goed de alarmbel te luiden, en alle herinneringen in het hart van de gelovige wakker te maken.
2 Petrus 3:2
KruisverwijzingenJudas 1:17→Lukas 1:70→Openbaring 19:10→2 Petrus 2:21→Handelingen 28:23→Lukas 24:27→1 Johannes 4:6→Handelingen 3:18→— Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers apostelen zijn;
Petrus geloofde in de inspiratie van de letterlijke “woorden” van de Schrift; hij was niet een van die kostbare “vooruitstrevende denkers,” die, als zij konden, de ziel zelf uit het Boek zouden scheuren, en ons helemaal niets zouden overlaten.
2 Petrus 3:3
KruisverwijzingenJudas 1:18→2 Petrus 2:10→1 Timotheüs 4:1→Judas 1:16→2 Petrus 1:20→2 Korinthe 4:2→Spreuken 1:22→Spreuken 3:34→— Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
Een profetie die overvloedig vervuld is. U hoeft niet ver te zoeken om hen te vinden; zij komen in de gedaante van levende mensen, en zij wemelen in de gedaante van hun boeken. Zij zijn bijna overal te vinden; als sprinkhanen vullen zij de lucht, en verduisteren zij het licht van de zon.
2 Petrus 3:4
KruisverwijzingenMaleachi 2:17→Jeremia 17:15→Prediker 8:11→Mattheüs 24:48→Prediker 1:9→Markus 10:6→Lukas 12:45→Openbaring 3:14→— En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.
Alleen hebben de moderne spotters geprobeerd hun voorgangers te verbeteren, want zij zeggen: “alle dingen zijn door evolutie ontwikkeld vanaf het begin, dat nooit een begin had, maar dat op de een of andere manier altijd bestaan heeft.” Zo veranderen de spotters hun deuntje, maar zij veranderen nooit hun geest; het is altijd een aanval op de geopenbaarde waarheid.
2 Petrus 3:5-7
KruisverwijzingenHebreeën 11:3→Psalmen 24:2→2 Petrus 3:10→Genesis 1:9→Genesis 1:6→2 Petrus 3:12→Psalmen 136:6→2 Petrus 2:5→— Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande; Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.
Bewonder de kracht van Gods Woord. Door het Woord van God werden de hemelen gemaakt, door het Woord van God werd de aarde verdronken, door het Woord van God is zij sindsdien bewaard gebleven. Zij zal bewaard blijven totdat, door datzelfde Woord, het vuur zal komen om alle werken van mensen te verteren.
2 Petrus 3:8
KruisverwijzingenPsalmen 90:4→Romeinen 11:25→— Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
U hebt haast; u begrijpt de oneindige ruimte van de Eeuwige niet. Het wonderlijke stelsel van de goddelijke genade lijkt nauwelijks ruimte en tijd genoeg te hebben in de weinige jaren die mensen ervoor uittrekken met hun profetische berekeningen. Maar Gods profetieën worden tot op de letter vervuld.
2 Petrus 3:9
Kruisverwijzingen1 Timotheüs 2:4→Habakuk 2:3→Jesaja 30:18→Romeinen 2:4→Hebreeën 10:37→Psalmen 86:15→Lukas 18:7→Romeinen 9:22→— De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
Zo haast Hij Zich niet. Hij geeft de zondaar ruimte en tijd genoeg om zich te bekeren. Mocht de mens zich tot God keren, bewogen door die genadige lankmoedigheid van Hem!
2 Petrus 3:10
KruisverwijzingenMattheüs 24:35→Openbaring 21:1→1 Thessalonicenzen 5:2→2 Petrus 3:7→Openbaring 16:15→Lukas 12:39→Openbaring 3:3→Jesaja 51:6→— Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
Mensen scheppen hoog op over wat zij bouwen, en er zijn vele wonderlijke werken van mensen op het aardoppervlak. Maar de dag zal komen dat er geen spoor van hen zal overblijven, want zij zullen geheel verdwenen zijn. Waarom zou u dan, en waarom zou ik, leven voor deze dingen, voor de dingen die gezien worden, die tijdelijk zijn? O geliefden, leef voor de dingen die niet gezien worden, die eeuwig zijn!
2 Petrus 3:11
Kruisverwijzingen1 Petrus 1:15→2 Petrus 3:12→Jesaja 34:4→1 Timotheüs 6:11→Jakobus 3:13→1 Thessalonicenzen 1:5→Mattheüs 8:27→Hebreeën 13:5→— Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid!
Christus komt terug. De Koning is onderweg, en bijna hier. Hij staat voor de deur. Wat voor mensen behoren wij dan te zijn? Hoe kunnen wij zondigen tegen Iemand Die zo nabij is? Het besef dat alle dingen om ons heen ontbonden zullen worden, doet ons uitzien naar de eeuwige dingen. De drijfveer tot heiligheid wordt sterker, wanneer de gedachte niet alleen is dat ik zal sterven, maar dat alles om mij heen ontbonden zal worden. Het doet ons met een vaster oog naar de eeuwige dingen kijken, en met een strenger voornemen voor God leven. Dit zijn de klederen die wij behoren te dragen in het vooruitzicht van de eeuwigheid. Dit zijn dingen die geen vuur kan aanraken, want heiligheid en godzaligheid zullen zelfs de vlammen van de laatste grote dag overleven.
2 Petrus 3:12-13
Kruisverwijzingen2 Petrus 3:10→Jesaja 65:17→Openbaring 21:1→Jesaja 66:22→Micha 1:4→Psalmen 50:3→Titus 2:13→Jesaja 34:4→— Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.
Wij geloven dat God ten slotte een volkomen overwinning op de zonde zal behalen. Zelfs deze arme wereld van ons zal, gelouterd door het vuur, verheven worden, in een zevenvoudige pracht, om deel te worden van het grote koninkrijk van onze God.
2 Petrus 3:14
Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:58→1 Thessalonicenzen 3:13→1 Thessalonicenzen 5:23→Filippenzen 1:10→1 Johannes 3:3→Mattheüs 24:26→Lukas 12:43→Filippenzen 2:15→— Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;
Wees ijverig om al die vlekken kwijt te raken die de zonde gemaakt heeft. In zekere zin bent u er al van gereinigd; maar in een andere zin moet het reinigingswerk voortdurend doorgaan. U moet uw beklemmende zonde overwinnen, ja, u moet al uw neigingen tot het kwade overwinnen; elke gedachte moet gevangen genomen worden tot de gehoorzaamheid van de Heere.
2 Petrus 3:15-16
Kruisverwijzingen2 Petrus 3:9→2 Petrus 2:14→Handelingen 15:25→Mattheüs 15:6→Hebreeën 5:11→Romeinen 2:4→1 Timotheüs 1:16→Jeremia 23:36→— En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft; Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
Elk touw is goed genoeg voor iemand die zich eraan wil verhangen; en elke leer is voldoende voor iemand die zichzelf ermee wil verderven, als hij dat wil. De leer van de goddelijke barmhartigheid is verdraaid tot een reden om in zonde te leven. De leer van het menselijk vermogen is verdraaid tot deze leugen: “ik kan bekeren wanneer ik wil, of geloven wanneer ik wil; daarom mag ik het tot het allerlaatst uitstellen.” Er is geen enkele mening die niet schadelijk gemaakt kan worden. Het is onze taak het Woord te bestuderen, en het te prediken zoals wij het vinden; en verdraaien mensen het, dan kunnen wij daar niets aan doen.
2 Petrus 3:17-18
KruisverwijzingenKolossenzen 1:10→Efeze 4:15→1 Petrus 2:2→Hebreeën 3:14→1 Petrus 5:10→2 Korinthe 4:6→Johannes 17:3→Filippenzen 3:8→— Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid; Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid. Amen.
De enige manier om vallen te voorkomen, is te groeien; de boom die groeit, zal niet omvallen. Er kan geen genade zijn, dan alleen voor zover wij Christus kennen. En er kan geen groei in de genade zijn, dan alleen voor zover wij groeien in onze kennis van Christus. Wij mogen altijd toetsen of wij groeien, door onszelf deze vraag te stellen: ken ik vandaag meer van Christus dan ik gisteren kende? Leef ik vandaag dichter bij Christus dan ik nog kort geleden deed?
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
b. Vs. 1-16. De tweede helft komt met die van het eerste deel in Hoofdstuk 1: 12-21 2Pe overeen. Deze bevatte een aanmaning tot getrouwheid in de vaste hoop op latere volmaking. Ook deze begint eveneens in enkele verzen tot inleiding met een woord van de apostel over het doel van zijn schrijven, waarbij hij tevens aan zijn vorig schrijven aan diezelfde lezers herinnert en ook de strekking ervan aanwijst (vs. 1 en 2). Daaraan knoopt hij vervolgens een waarschuwing aan, om zich te wachten voor de spotters, die aan het einde van de tijden te wachten zijn, die steunend op het bestaan van de wereld tot op deze tijd, de terugkomst van de Heere en een einde van de dingen loochenen, maar daarmee voor hen het gehele gebouw van de Christelijke hoop en van alle daarmee samenhangende vermaning omverstoten. Hij karakteriseert hen wat hun levenswandel aangaat en laat hen met hun eigen woorden hun mening uitspreken, om dadelijk de verkeerdheid ervan geschiedkundig aan te wijzen en met dat geschiedkundig feit de laatste ondergang van de wereld in parallel te stellen (vs. 3-7). Daarna wendt hij zich van hen af tot zijn lezers, om deze te zeggen, hoe het is met dat schijnbaar uitstel van de jongste dag, op welke wijze die eenmaal zal komen en hoe zij zich nu daarvoor moesten bereid houden, om de grote zaligheid, die die dag naast de eeuwige verdoemenis voor de goddelozen aan de waarheid voorbereiden, zal aanbrengen, deelachtig te worden (vs. 8-13). In voortzetting van zijn vermaning denkt hij aan zijn geliefde broeder Paulus, die de lezers ook reeds heeft vermaand, de lankmoedigheid van de Heere voor zaligheid te achten en verklaart zich tegen de verdraaiing, waarmee ongeleerde en onvaste mensen diens brieven verkeerd uitleggen en komt zo weer op de inhoud van Hoofdstuk 2 terug (vs. 14-16).
Deze tweede zendbrief, geliefden, schrijf ik nu zo snel reeds na de eerste aan u, waarin ik door vermaning uw oprecht gemoed, zoals ik dit toch wel bij u mag veronderstellen, opwek (Hoofdstuk 1: 13).
Opdat u gedachtig bent aan de woorden die met betrekking tot Christus kracht en toekomst (Hoofdstuk 1: 16) van de heilige profeten te voren gesproken zijn en die u altijd weer opnieuw hoort, zo vaak de Schriften van het Oude Testament (Hoofdstuk 1: 19) in uw godsdienstige bijeenkomsten worden gelezen (1 Tim. 4: 13) en gedenk ook ons gebod, die van de Heere en Zaligmakers apostelen zijn (volgens betere lezing: aan het door uw apostelen ontvangen gebod van de Heere en Zaligmaker).
Met de woorden, die in de grondtekst staan: “Deze is reeds de tweede brief, die ik aan u schrijf”, drukt de apostel het korte uit van de tijd, die verlopen is na het schrijven van de eerste brief, om de lezers te doen voelen, hoezeer het doel hem aan het harte ligt, waarmee hij hun nu reeds voor de tweede maal schrijft. Het doel van de beide brieven geeft hij aan met een uitdrukking, zoals aan die in Hoofdstuk 1: 13 en overeenkomstig die in Hoofdstuk 1: 12-21 Zij zijn, om indachtig te maken en dus niet alsof het hun eerst nog moest geleerd worden hun oprecht gemoed, dat hij dus veronderstelt, daartoe op te wekken, dat zij datgene, wat de heilige profeten te voren hebben gesproken en de aanwijzing van de Heere en Zaligmaker, hun door de apostelen bekend gemaakt, wel indachtig zijn. Als hij schrijft: “opdat u gedachtig bent aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn”, dan plaatst hij met dat “te voren” het door de profeten gezegde tegenover hetgeen de lezers uit de mond van hun apostelen vernomen hebben als het nu gegeven bevel van Jezus Christus
(Hebr. 1: 1 vv. b) Met de apostelen van de lezers bedoelt hij dezelfden, waarvan hij in 1 Petrus 1: 12 had gezegd, dat zij de lezers door de Heilige Geest het Evangelie hadden verkondigd, hen herinnerende aan Paulus en Silas.
Het gebod van deze hun apostelen is niet het gebod van hen, van de apostelen, maar het gebod van de Heer en Zaligmaker; daarop vooral berust de plicht, om er aan te denken. De Geest van Christus voorspelt door de heilige profeten (1 Petrus 1: 11), door de apostelen beveelt de Heere en Zaligmaker.
Oprecht is het gemoed van de Christenen, zoals Petrus bij zijn lezers veronderstelt, als dat, om zo te spreken, verdragen kan om ter beproeving tegen het heldere zonnelicht te worden gehouden, als het, zonder door iets vreemds bezoedeld te zijn, geheel en alleen datgene tot zijn inhoud en tot bepalende macht heeft, wat naar zijn oorspronkelijke natuur, naar zijn idee het wezen ervan moet uitmaken. Hier nu worden de lezers opgewekt om hun oprecht gemoed te openbaren, zodat het blijkt, dat zij zich niet door de verleidende wijsheid van de dwaalleraars in enig opzicht laten meeslepen. Zij moeten zich houden aan de enige waarheid, die voor de Christen bestaat, aan het goddelijk woord, dat Petrus naar zijn twee geschiedkundige vormen op twee wijzen noemt. Zoals hij boven (Hoofdstuk 1: 16 vv.) in verband met de overeenkomstige verklaring over het doel van zijn brief ten opzichte van de terugkomst van de Heere, de lezers heeft gewezen op de apostolische leer, gewaarborgd door geschiedkundige feiten en op het woord van de profetie, dat door diezelfde feiten opnieuw bekrachtigd is, zo geeft hij ook hier als doel van zijn brieven aan, het opwekken van de lezers, om getrouw vast te houden aan de Oud Testamentische profetie van deze toekomst van het heil en aan het gebod, hun door de Heere zelf gedaan. Onder dat gebod kan volgens het verband niet goed iets anders worden verstaan, dan de verschillende reden van de Heere, waarin hij op geheel overeenstemmende wijze, in onmiddellijke aansluiting aan de profetie van het Oude Verbond een eindelijke vervulling van het daar aangekondigde voorspelt, die slechts het noodzakelijk besluit is van het einde, dat met zijn persoon en zijn geschiedenis reeds is aangevangen in het kort de in de Evangelien zo uitvoerig aangewezen nadrukkelijke geboden van de Heere, om Zijn toekomst te verwachten, zowel in onwrikbaar geloof daaraan en aan de volmaking van de zaligheid, die daarmee geschiedt, als ook in het streven naar heiligmaking, die alleen die dag van Zijn toekomst kan maken tot een dag van zo’n heerlijke voltooiing van de zaligheid.
Waren er reeds in de dagen van de apostelen spotters, die het heilige durfden aanranden; zegt Petrus, dat men er rekening op maken moest, dat zij onder de bedeling van het Nieuwe Testament zouden opstaan, dan voegt ook ons toe te zien, of zij in onze tijd niet gevonden worden en dan is het alleszins nodig op de losheid en ijdelheid van hun spottaal acht te geven, omdat toch de zaken zo blijven en voortgaan, zoals zij sinds eeuwen, van de schepping af, geweest zijn en het een en ander zich gedurig afwisselt. Terwijl er van oude tijden af van een dag des oordeels en van de rechtvaardige vergelding gesproken is en deze nog niet verschijnt, zo leiden de ongelovige spotters daaruit af, dat deze verwachting van de gelovigen ongegrond is, slechts een hersenschim, een dwaze verbeelding van de mensen was, die nooit verwezenlijkt zal worden, en leven daarom in zorgeloze gerustheid en brooddronkenheid voor zichzelf voort, terwijl zij anderen ook proberen af te trekken en tot de zonde trachten te verleiden. Verderfelijk inderdaad zijn deze mensen; des te verderfelijker daarom, omdat zij enigen schijn van waarheid weten voor te geen en op de zinnelijkheid van de natuur werken, om die tot zorgeloosheid te verleiden en in slaap te wiegen, zoals ook het ongeloof en de twijfelzucht zo geredelijk ingang vinden in het gemoed van de mensen.
EPISTEL OP DE ZESENTWINTIGSTE ZONDAG NA TRINITATIS
(“1Th 5: 1” en “2Th 1: 3
Het einde van de wereld: de apostel geeft ons daarover 1) waarschuwingen, 2) leringen, 3) vermaningen.
Het bereid zijn voor de dag van de Heere; het bestaat daarin, dat wij 1) ons niet op een dwaalspoor laten brengen door de spotters, die het komen van deze dag loochenen, 2) de genadige bedoelingen erkennen, die de Heere met het uitstel van deze dag heeft, 3) de heerlijkheid van deze dag tegemoet zien en wachten, 4) met heilige zin versierd, onstraffelijk in vrede voor Hem bevonden worden.
Petrus? woord over de jongste dag, hoe hij 1) de zekerheid ervan beweert en 2) tot voorbereiding vermaant.
De ondergang van de wereld: 1) de wereld zal zeker ten onder gaan; 2) waarom is die ondergang nog niet begonnen? 3) op welke wijze zal zij plaats hebben? 4) wie zal daarbij behouden blijven?
Waarom toeft de Heere met Zijn terugkomst? opdat 1) ons geloof bevestigd wordt, 2) Zijn liefde zich in haar heerlijkheid openbaart, 3) Zijn oordeel over alle volken rechtvaardig is.
Over het wereldgericht: 1) het komt zeker; 2) dat het nog niet gekomen is, is Gods genade; 3) het komt echter als een dief in de nacht; 4) wees daarom bereid, opdat u uw zielen redden mag.
Het laatste oordeel: 1) laat het op zich wachten, het komt toch zeker; 2) als u het met ernst verwacht, gaat u veilig.
a) Dit eerste wetende, dit bij uw zien op de toekomst van de Heere als een hoofdzaak vasthoudende (Hoofdstuk 1: 20) dat in het laatste van de dagen, als de wereld en de tijd van de wereld ten einde spoedt, spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen, waarom zij van een einde van de dingen, dat ook aan hun begeerlijkheden een einde maakt, niets willen weten (Judas 1: 18).
1 Tim. 4: 1. 2 Tim. 3: 1
Dezen spotten ermee en zeggen: a) “Waar is nu toch die dag, die de belofte bevestigt (Luk. 8: 25) van Zijn toekomst, zoals die door u wordt aangenomen? Want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, in wier tijd reeds het begin van die toekomst mocht worden verwacht, zonder dat het ertoe kwam (MATTHEUS. 24: 34) blijven tot op onze dagen alle dingen zo gelijk van het begin van de schepping onveranderd en daarom zullen ze ook in alle eeuwigheid zo blijven.
Ezechi ël. 12: 22
Even als in Hoofdstuk 1: 20 de woorden “dit eerst wetende” de lezers over het acht geven op het profetische woord nog iets bijzonders te overdenken gaven, zo is het ook hier in vs. 2 de woorden “opdat u gedachtig bent. ” Ook hier is het de schrijver, die uit zichzelf deze vermanende opmerking erbij voegt, maar daarmee moet niet iets van datgene, waaraan zij moeten denken, met name worden bijgevoegd, evenals was het “in het laatste van de dagen zullen spotters komen” enz. als een bestanddeel van het apostolisch gebod behandeld, zoals het in Judas 1: 17 vv. voorkomt als inhoud van een apostolische profetie. Petrus geeft hier deze profetie als zijn eigen woord (zoals hij zeker wel bij zijn vroeger arbeiden in Syrie en Mesopotamie (1 Petrus 1: 13) het optreden van spotters met de toekomst van Christus en de laatste dagen had voorspeld, zodat Judas in zijn brief ook daarop kon doelen. De lezers moeten vooruit het optreden van de spotters weten, opdat hun aanval tegen het woord van de apostelen hen niet verrast en bevreemdt, maar integendeel voorbereid vindt.
Er zijn twijfelaars, die zelf nog niet alle hoop hebben verloren en spotters, die inwendig door de waarheid zijn aangegrepen en door God onder die schare zijn opgetekend, die Hem nog vol berouw, belijdende en gelovig te voet vallen en tot Zijn rust zullen ingaan. Menige twijfelaar en spotter is het inwendig om waarheid te doen. Daarom is het vaak goed een spotter of twijfelaar krachtig en vol hoop aan te grijpen en zich door zijn stoute woorden van spot en twijfel niet al te zeer in de war te laten brengen. Van die hoop gevende soort van twijfelaars is echter de schare van hen zeer onderscheiden, die Petrus hier schildert; zij lasteren en spotten niet alleen, maar zij wandelen naar hun eigen begeerlijkheden; hun twijfel en spot komt dus niet voort uit bestrijding, waarbij het hart vol droefheid is en vol verlangen naar waarheid, maar het is alleen een uitwas van de afval en van zedelijk verloren zijn.
Petrus waarschuwt voor spotters, die de tekenen van de tijden niet kennen, die niet bedenken, waarom de Heere met Zijn openbaring vertraagt, die zich niet bekommeren over de voorspellingen van de profeten, die alles zuiver leggen, noch om de verklaringen van de apostelen, omdat zij hun eigen begeerlijkheden na wandelen, waarvan zij voordeel of genot menen te hebben. Zeer naar waarheid merkt Bengel op: “Dit (dat zij naar hun eigen begeerlijkheden wandelen) is de oorzaak van hun dwaling, de wortel van hun libertinismus. ” Het boze hart, dat voor zijn zonden wil leven, dringt er hen toe, dat zij niet geloven, doet hen de profetie ën van de Schrift verachten, maakt dat zij het heiligste bespotten. Die niet gelooft, die wil zeker niet geloven, die spot, die wil door zijn spotten zijn begeerlijkheden vrij spel geven.
Uit de woorden, die de apostel de spotters in de mond legt, spreekt het verachtend ongeloof; de belofte van Zijn toekomst heeft geen waarde; zij is niet te vinden, waar zij zich moest openbaren; de vervulling blijft uit. Hij schrijft “van Zijn toekomst” om het oneerbiedige van de sprekers uit te drukken, die evenmin geven om Hem, die komen zal, als om de belofte, die zal komen; en dat die niets betekent, omdat die anders reeds vervuld zou moeten zijn, geven zij aan met het feit, dat alles blijft in de staat, waarin het sinds het begin van de wereld bestaat, zonder dat in die lange tijd een verandering heeft plaats gehad, sinds de vaderen, in wier dagen de belofte is gegeven en door wie zij is overgeleverd, ontslapen zijn. Sinds die tijd, zo rekenen zij, is toch reeds een lange tijd verlopen, zodat het intussen reeds anders had moeten worden, als die belofte waarheid behelsde.
Want willens is dit hun onbekend, als zij zeggen, dat alles blijft zoals het van het begin van de schepping geweest is, omdat toch het bericht in Gen. 1 en 7 dat door het woord van God (Ps. 33: 6 Hebr. 1: 3) de hemelen, lucht- en sterrenhemel, van overlang geweest zijn, omdat sinds de schepping van de wereld omstreeks 1655 jaren zijn verlopen (Gen. 7: 6) en de aarde uit het water, waarin zij in de beginne als begraven lag (Gen. 1: 2), is opgerezen (Gen. 1: 6 vv.) en in het water bestaande (Ps. 104: 5 vv.).
Ps. 24: 2
Waardoor hemel en aarde, omdat de sluizen van de hemel werden geopend en de fonteinen van de grote afgrond werden opengebroken (Gen. 7: 11 v.), de wereld, die toen was (Hoofdstuk 2: 5), met het water van de zondvloed bedekt zijnde, vergaan is, zodat zij geheel ten onderging (Gen. 7: 21 vv.). Zo is het bewijs gegeven, dat het niets betekent, hoe alles van het begin van de schepping was, toch kan er verandering komen, als Gods woord de vroegere toestand wil opheffen, en een andere wil doen aanvangen.
a) Maar de hemelen, die nu zijn, die zich over ons welven en de aarde gelijk deze ons draagt, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd. Evenals de oude hemel en aarde bewaard werden tot de dagen van de zondvloed, om de mensen met hun wateren te verdelgen, zo is het ook met deze, die nu zijn, zodat zij in zekere zin een eeuwig bestaan hebben (Ps. 104: 5 Pred. 1: 4), zo worden zij dan behouden (Gen. 8: 22; 9: 11 Ge 8. 22), om weer tot een stof te dienen en wel worden zij nu ten vure bewaard, waardoor hun eigen bestaan zal worden vernietigd (1 Kor. 3: 13. 2 Thessalonicenzen. 1: 8 v., tegen de dag des oordeels in de verderving van de goddeloze mensen, om dan voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde plaats te maken (vs. 10 vv.).
Ps. 102: 27 Jes. 51: 6 Hebr. 1: 11. 2 Petrus 3: 10
De nadruk ligt op “willens” in vs. 5 : zij willen het ware niet zien, zij willen moedwillig vergeten, voorbijzien en niet weten wat zich meteen en vanzelf aan hun bewustzijn opdringt. Zij willen het aldus, omdat zij de waarheid niet willen betrachten, maar hun eigen boze begeerlijkheden willen navolgen, Petrus houdt nu de spotters de zogenaamde zondvloed “Ge 6: 17 voor, om hun aan te tonen, dat niet alles blijft, zoals het van het begin van de wereld geweest is, dat veranderingen, ontzettende catastrofen plaats hebben, die de spotter van het aangezicht van de aarde wegvagen.
Als deze spotters zeggen, dat alles in zijn staat blijft, waarin het van het begin van de wereld is, dan is het hun niet zozeer te doen om de schepping zelf, maar om de mensen, dat zij, eenmaal geschapen, zo blijft voortbestaan. De apostel nu wijst op datgene, waarvoor zij de ogen sluiten, dat namelijk te midden van een sinds lang bestaande schepping voor het mensdom reeds een einde is gekomen en wel een einde, dat de schepping, die sinds lang bestond, zelf teweeg moest brengen.
Toen was de hemel ook zo goed geordend en de aarde had evenals nu de afwisseling van de jaargetijden; maar dat heeft het gericht van God niet teruggehouden. Door hemel en aarde en de wateren, die uit beide voortkwamen, is alles wat een adem van het leven had verdelgd. Ook nu, zegt de apostel verder, hebben de hemel en de aarde, voor wier eeuwige duur de spotters strijden, de grond van hun bestaande orde niet in zichzelf, maar God draag alles door Zijn woord, door Zijn wil. In dit woord en in Zijn wil heeft dit sparen en bewaren reeds zijn doel. Het is dus niet nodig, dat aan hemel en aarde een afnemen van krachten wordt gezien, zoals ons leven in het algemeen naar het einde neigt, maar zij worden door Gods woord gedragen en bewaard tot datgene, waartoe zij gespaard zijn.
In de beschouwing (vs. 4): “alle dingen blijven zo gelijk van het begin van de schepping”, is zeker iets waars, als men van de catastrofe in vs. 6 afziet; hemel en aarde zelf bevinden zich in het stadium van de bewaring: maar dat is een bewaring voor het vuur van de oordeelsdag.
De zondvloed kon de oppervlakte van de aarde slechts uitwendig verwoesten, en de mensen daarop verdelgen; het vuur van het oordeel daarentegen zal haarzelf versmelten en verheerlijken.
Die spotters beroepen zich (vs. 4) op het ontslapen van de vaderen, aan wie de toekomst van de Heere reeds beloofd werd als een nabij zijnde, terwijl nu toch reeds zo lange tijd is verlopen, zonder dat de vervulling van zodanige belofte ook maar van verre gezien is. Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden! hierop moet vooral worden gelet, dat een dag bij de Heere God (Hoofdstuk 2: 9) is als duizend jaren naar onze maatstaf gemeten en omgekeerd duizend jaren voor Hem zijn als een dag; voor Hem worden zij tot zo’n korte tijdruimte (Ps. 90: 4).
In vs. 5 heeft de apostel gewezen op het punt, dat die spotters bij hun bewering voorbijzien. In vs. 8 wijst hij nu op het hoofdpunt, dat zijn lezers in deze zaak niet mogen vergeten. En als vs. 5-7 dient tot weerlegging van de bewering: “alle dingen blijven zo als van het begin van de schepping, “dan dienen vs. 8 en 9 tot weerlegging van “die dag, dat de vaders ontslapen zijn”, van waar de vraag van de bespotting: “waar is de belofte van Zijn toekomst? ” haar uitgangspunt voornamelijk heeft. De apostel geeft toe, dat naar menselijke verwachting een talmen plaats heeft; dit te verklaren, is vooral zijn doel. Hij wil niet zozeer de spotters weerleggen, maar zijn lezers bevestigen. Daarom schrijft hij “maar deze zaak zij u niet onbekend, broeders! ” omdat hij datgene hun wil voorstellen, in welks juiste betekenis de sleutel ligt van het geheel.
Die spotters vergeten moedwillig een zaak, die zij niet moesten vergeten. Zij, die Petrus met het “broeders” aanspreekt, waarmee hij de gelovigen bedoelt, die deze spotredenen van de spotters moeten aanhoren, en niet goed weten wat zij daarop moeten zeggen en hoe zij daarentegen de waarheid en zekerheid van de hoop, die zij hebben, moeten verdedigen, mogen een ding niet eveneens voorbijzien, zij moeten een zaak bedenken. Als zij maar dat ene vasthouden, dan zullen alle spotwoorden niets tegen hen kunnen doen. En dit een is dit, dat een dag voor de Heere, in de ogen van God, of volgens Gods beschouwing, is als duizend jaren en omgekeerd, duizend jaren als een dag zijn. In geen geval wordt hiermee uitgedrukt, dat het begrip van tijd voor God in het geheel niet bestaat, alleen een menselijke voorstelling is; hoe kan van een goddelijk wereldregeren sprake zijn, als voor God de perioden van tijd niet bestaan? Hoe kan van een heilige geschiedenis worden gesproken, als God de tijd niet kent, niet voor Zijn aangezicht duldt. God zelf staat voor Zijn persoon boven de tijd, maar in Zijn werken ten opzichte van de wereld erkent Hij de tijd wel, neemt Hij die in acht, sluit Hij Zich daaraan aan. Onze zinsnede, die zich hecht aan het woord van Mozes in Ps. 90: 4, wil dus, zoals Gerhard het uitdrukt, niets anders zeggen, dan dat bij ons een groot onderscheid en een zeer lange tijdsruimte is tussen een dag en duizend jaren, omdat wij onderworpen zijn aan de tijd en naar dezen afmeten, maar bij God, die aan het op elkaar volgen in de wisseling van de tijd niet onderworpen is, voor wie al het verleden en al wat toekomstig is, gelijk staat met het tegenwoordige, een dag en duizend jaren, naar de maatstaf van de onbegrensde eeuwigheid gemeten, in niets van elkaar onderscheiden zijn. God beschouwt de tijd anders dan wij, de maat, waarmee wij meten, is niet de goddelijke. Wat ons lang voorkomt, is voor God vaak kort en wat ons kort voorkomt, noemt God vaak lang.
Duizend jaren zijn voor de Heere als een dag, evenals bij een rijk man duizend gulden als een penning zijn.
God beschouwt de tijd niet in de lengte, maar dwars; evenals wanneer u een lange boom, die voor u ligt, dwars beziet, u dan beide einden tegelijk in het oog kunt hebben.
De kerkvaders hebben, zoals bekend is, uit onze plaats afgeleid, dat de wereld 6000 jaren zou bestaan, waarop dan de sabbat, in Hebr. 4: 9 voorspeld, volgen zou. Ook de oude Etruriers leerden reeds, dat de wereld 6000 jaren zou bestaan en na het zesde duizendtal het grote jaar zou komen.
De Heere vertraagt de belofte niet, zodat Hij die later zou vervullen, dan Hij oorspronkelijk besloten en bepaald zou hebben (Hab. 2: 3), a) zoals enigen, die zich door het spreken van de spotters daartoe latenbrengen, dat traagheid achten, als zij Zijn doen naar hun menselijke maat metend, beweren, dat Hij die reeds lang in vervulling had moeten brengen, als ze ooit vervuld zou worden. Het is niet zo, maar als de Heere in plaats van de tientallen, die wij Hem voorschrijven, zo vele duizenden stelt, dan is Hij lankmoedig over ons (volgens andere lezing”over u, die toch de beslissing van eeuwige verdoemenis of van eeuwige zaligheid aangaat. Hij stelde die tijd zo lang, niet willend, dat enigen van hen, die ter verdoemenis zouden gaan, als God naar onze afrekening van tijd handelde, verloren gaan, maar daarom geeft Hij een tijd, die ons zo lang voorkomt (Gen. 6: 3), omdat Zijn welbehagen is, dat zij allen tot bekering komen, en zo nog menigeen, die zoals nu zijn toestand is, verloren zou gaan, toch nog het leven en de zaligheid mocht verkrijgen (Ezechiel. 18: 23; 33: 11 1 Tim. 2: 4).
1 Petrus 3: 20. 2 Petrus 3: 15 b) Jes. 30: 18 Rom. 2: 4
Het “vertraagt” in de zin: “de Heere vertraagt de belofte niet” is niet hetzelfde als in 1 Tim. 3: 15 (“Maar zo ik vertoef ten opzichte van een bepaald tijdpunt van de menselijke verwachting, maar ten opzichte van het doel en raadsbesluit opgevat. In het eerste opzicht gaf Petrus wel een later komen toe, maar hij ontkende volgens vs. 8 het recht tot die verwachting, omdat God een andere beschouwing van tijd heeft (evenals andere gedachten en wegen Jes. 55: 8) dan de mens.
Die “enigen” zullen wij niet op de banken van de spotters, maar in de gemeente van de vromen als zwakken moeten zoeken; zij zullen gesproken hebben van een vertragen van God, alsof God de komst van de laatste dag later dan de rechtmatige tijd liet komen. Petrus spreekt van de lankmoedigheid van God als de oorzaak, waarom het zolang uitblijft. “God heeft geduld met u”, zo schrijft hij aan de lezers; zij, van wie sommigen klagen, dat God zo lang wacht, moeten bedenken, dat om hen alles zo lang duurt, want God weet, dat onder hen enigen zijn, die verloren zouden moeten gaan, als nu het einde reeds daar was.
Wel gaat het gezegde niet uitsluitend de lezers aan, maar het wordt in het bijzonder van hen gezegd (vgl. het “omwille van u” in 1 Petrus 1: 20), omdat hun daardoor een verplichting op het hart moet worden gedrukt, namelijk de verplichting om niet een bewijs van Gods liefde voor hen te verklaren als een vertragen, maar het aan te wenden tot datgene, waartoe het moet dienen.
De lezing “over ons”, die zonder twijfel tederder is dan de andere “over u” en daarom in de plaats is gesteld, omdat men er zich mee kon verenigen, dat de apostel zichzelf ook had ingesloten, heeft ook haar goed recht. Petrus kan het namelijk niet vergeten, wat een lankmoedigheid de Heere eens aan hem heeft bewezen. Als dood en oordeel over hem waren gekomen op het ogenblik dat hij zijn Heere driemaal verloochende, hij was niet bereid geweest. Ten gevolge van deze ervaring schrijft hij de dierbare woorden: “God wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. “
God talmt niet en vertraagt niet als een mens, die talmen gaat, als hij iets moet doen, maar Zijn goedheid, die graag allen zonder onderscheid tot bekering zag komen, maakt de tijd, die voor Hemzelf, de boven de tijd verheven, niet kan worden uitgebreid, zo, dat niemand daardoor verloren gaat, omdat het hem aan tijd zou ontbreken, om tot bekering te komen.
Deze plaats is veelvuldig aangehaald tegen de leer van de predestinatie. Calvijn verklaart die voor de in het Evangelie geopenbaarde wil van God, waardoor hij zeker aan allen zonder onderscheid de hand ter redding biedt; maar naar Zijn verborgen raadsbesluit grijpt Hij in werkelijkheid alleen hen aan, om ze tot Zich te trekken, die Hij van eeuwigheid daartoe verkoren heeft.
Maar de dag van de Heere (vs. 9 en 12) zal, als die nu werkelijk eens komt, komen als een dief in de nacht, zoals Christus zelf van Zijn komst zegt (MATTHEUS. 24: 43 v. Openbaring 3: 3; 16: 15), in welke tijd, zoals ik dat reeds in vs. 7 gaf, de hemelen (vs. 5 en 7) met een gedruis als van een huis, dat in brand staat (MATTHEUS. 24: 35), voorbij zullen gaan en de elementen, de grondstoffen, waaruit de aarde is samengesteld (Wijsh. 7: 17, branden zullen en vergaan en de aarde en de mensen, die daarin zijn, zullen, hetzij ze door God zelf (Openbaring 10: 6 mensen zijn voortgebracht (1 Kor. 3: 13, verbranden (Mal. 4: 1 Jes. 51: 6 Habakuk. 2: 13. 2 Thessalonicenzen. 1: 8.
Het wachten van Gods lankmoedigheid (vs. 9) zal een einde nemen en het zal daarmee eindigen, dat Zijn dag voor hen, die Hem niet wachten, zo onverwacht, zo ongedacht hun overkomt als een dief (de verdere bepaling “in de nacht” is waarschijnlijk hier uit 1 Thessalonicenzen. 5: 2 overgebracht). De dag “van de Heere” is hetzelfde wat in het Oude Testament “dag van Jehova” is. Als de Christen zich in zijn Heiland verblijdt, hoopt hij voor alle dingen daarop, dat de Christus, die nu in God verborgen is, in de wereld openbaar zal worden (Kol. 3: 3 v.). Als daarentegen de spotter de hoop van de Christenen hoont, dan is het hem daarom te doen, dat er geen einde van de dingen is, dat de tegenwoordige toestand van de wereld oplost en tegenover deze moet nu worden vastgehouden, dat God aan deze wereld een einde zal maken, om een andere te doen worden, die alles wat tegen God is buitensluit. Zo spreekt dan ook Petrus over die spotters, niet van de openbaring van Jezus, maar van de dag, die het Oude Testament de dag van Jehova noemt en beschrijft die als de dag, die aan deze wereld, die naar de mening van de spotters altijd zal blijven zoals zij is, een einde maakt, om een nieuwe te scheppen, waarin gerechtigheid woont.
Met de gebeurtenissen, die de apostel van de dag van de Heere uitspreekt, wil hij de vernietigende macht van die dag, die zich uitstrekt tot alles wat de stoffelijke wereld aangaat, voor ogen stellen vgl. in vs. 11 : “omdat dan deze dingen vergaan. “
Beginnend met de hemel, daalt hij door de elementen, als daar tussen liggende, tot de aarde af.
Zoals de waterdoop van Johannes tot de vuurdoop van het oordeel Uit 3: 11, zo staat de zondvloed in verhouding tot de verwoesting van de wereld door vuur. Daarbij blijft niets bestaan, wat de vuurproef niet kan uithouden. Toch volgt uit deze woorden niet, dat er een vernietiging, maar wel een loutering van de wereld te wachten zij, zoals de zuivering van edel metaal in de oven. Opmerkelijk is het, dat ook de hemel, dus de gehele zichtbare wereld, vergaan zal. Door de verlossing van Christus zal ook ten slotte de hemel veranderd worden, omdat door de vernieuwing van het menselijk geslacht ook de hemelse geesten in een nieuwe en andere betrekking tot God zullen staan. Vgl. Efeziers 1: 10 en “Col 1: 20”
Hij is gekomen, toen de dag van het Pinksterfeest vervuld was en toen Jeruzalem in puinhopen neerzonk; Hij is gekomen, toen de kruisbanier in het heidens Rome geplant werd en toen de dageraad van de hervorming de nacht van de middeleeuwen verving: Hij komt nog in elk heidens land, waar de grondslag van Zijn kerk wordt gelegd en houdt er als Koning Zijn intocht; en wie kan de felle stormen ook van onze tijd horen ruisen, zonder zich met de hoop te vertroosten, dat op hun uitgespreide wieken de Koning van het Godsrijk steeds glorie-en glansrijker komt? Zoals de steen in het water geworpen, steeds breder kringen beschrijft, tot de laatste zich in de ruimte verliest, zo komt de Heere steeds nader, steeds grootser, steeds klaarder. Maar al dat geestelijk komen, het is de voorbode van een nog meer rechtstreekse, nog meer persoonlijke toekomst, die wij, naar luid van Zijn eigen beloften, aan het einde van de eeuwen verbeiden. Vraag mij niet, in welke vorm ik die toekomst mij eigenlijk denk, ik moet op menig punt het antwoord u schuldig blijven, Maar verg nog minder, dat wij om het onzekere van het hoe, het dat als onzin verwerpen, want al gaan hemel en aarde voorbij, dit woord kan geenszins voorbijgaan: “de dag van de Heere zal komen. ” Zeker het zal geen dag van onze bekrompe tijdmaat zijn, maar een profetische dag, naar de stondenwijzer van de Geest berekend. Zacharia zou mogelijk zeggen: “een geheel enige dag, die de Heere bekend zal zijn”. Maar genoeg, alle profeten en apostelen steunen, van Henoch, de eersten van de profeten, tot Johannes, de laatsten van de zieners; in oneindige rijkdom van vormen verenigen zij zich, om een dag aan de wereld te spellen, waarop het eindgericht voltrokken staat te worden en de volle, de laatste, de beslissende openbaring van Gods heerlijkheid in Christus gezien wordt. Als een felbewogen zee spoedt de tijdstroom rusteloos voort en de gezichtseinder is door een sluier gedekt, maar als die sluier een ogenblik scheurt, ziet het oog aan de andere zijde een vriendelijke gestalte, de Zoon des mensen gelijk, die nog wacht, maar reeds schijnt te wenken: Ik kom. Ja, nog eenmaal zal de aarde Hem zien, de Koning in al Zijn schoonheid, zoals zij de man van smart in Zijn kruisgestalte aanschouwd heeft; Maran-atha, de Heere komt! zo herhaalt de ene eeuw tot de andere. En waarom zou Hij niet komen, Hij, die immers persoonlijk leeft en heerst in de hemel, die nog de oude betrekking op dit stipje van de schepping niet opgaf, die van de Vader macht heeft ontvangen om gericht te houden, omdat Hij de zoon des mensen is? Het uitstel van tijd ontneemt op zichzelf volstrekt niets van de zekerheid van het stellig aangekondigd feit van Zijn toekomst. De morgen van Zijn dag is verrezen, de middag heeft eeuwen geduurd, maar teken op teken verkondigt, dat de avond reeds is begonnen te vallen. Straks zal het middernacht zijn en te middernacht weerklinkt het geroep: “Zie de bruidegom komt, ga uit Hem tegemoet! ” Zelden of nooit braken er buitengewone gebeurtenissen in de Christenheid aan, of men meende, dat het einde van de tijd voor de deur was en bij voorkeur moest de Openbaring van Johannes het heiligdom zijn, waarin de sleutel van het raadsel gezocht werd. Maar altijd bleek de sleutel weer vals en de uitkomst staafde telkens opnieuw het eigen woord van de Heere: het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijn macht gesteld heeft. ” Hier schiet het vernuft van een godvruchtige Bengel, zo goed als dat van ieder ander te kort; de nacht daalt wel neer, maar wie noemt mij het uur van de dief? Dit een weten wij alleen: voor een ieder van onze komt in zekere zin de dag des Heren in het uur van ons sterven, maar dit tweede niet minder zeker: de dief klopt niet aan om te worden binnengelaten. Hij is een rekenaar, ja, maar hij is reeds aan het aftrekken bezig, u vraagt nog bij u zelf: van wie zal wat ik bereid heb toch zijn, als hij reeds antwoordt: “voor mij”. O, als wij op gindse Godsakker de graven openen en de gestorvenen oproepen konden, om te vragen, hoe de dood ver de meesten gevonden heeft, hoe groot meent u zou het cijfer wel zijn, van hen, die antwoorden: “onverwacht”, als maar niet onbereid. Welnu, zoals vroeger of later de ervaring van de meesten van onze, zo zal eens die van de wereld zijn in de dag van de toekomst van Christus. Lang was hij voorbereid en toch onverwacht nog verschenen; vaak vertraagd, naar het scheen en toch, waar het komt, nog altijd voor velen te vroeg. Heeft niet de Heere zelf de dag van Zijn toekomst vergeleken met de dagen van Lot en de zondvloed. U kent dat eenvoudig en toch zo hoog tragisch verhaal: zij aten en dronken en bouwden en plantten en namen ten huwelijk en gaven ten huwelijk, totdat de zondvloed kwam. Zo toen, zo telkens, zo eens! Ach, de mensen zijn altijd aan zichzelf gelijk, maar ook de Heere breekt niet met Zijn eigen voorleden, wanneer Hij Zijn gerichten komt uitvoeren. Zo wordt alles geleidelijk voorbereid, maar eindelijk zoals de bliksem van het een einde van de hemel tot het andere bliksemt, zodat niemand hoeft te vragen, waar Hij is. De wereld gaat haar oude gang en droomt haar oude dromen en “nog is het einde niet”. daar is het: hoe nu reeds”, vragen allen, die het zien, om strijd verrukt of ontzet. Ontzaglijke voorstelling, juist door haar geheimzinnigheid zo ontzaglijk met zoveel zekerheid verenigd! Wanneer Hij komt, het is niet te ontkennen, de dag van heerlijkheid voor Christus zal tegelijk voor de wereld een dag zijn van schrik. Reeds heeft de aarde, gedurende en voor haar ons bekende geschiedenis meer verandering ondergaan dan wij ons voorstellen kunnen. Petrus spreekt van de zondvloed; wat voor het water niet bestand bleek, hoe zou het de vuurproef doorstaan? Iedere aardschudding is een wenk, dat u op een ondermijnde grond ligt te slapen; iedere lavastroom een teken, wat daar in het verborgene schuilt. Ontzettende krachten tijdelijk beteugeld, sluimeren in de donkere diepte, waarom zouden zij niet ontkluisterd en tot bereiking van Gods wereldplan gebruikt kunnen worden, wanneer Zijn ure gekomen is? Nee, het verwondert mij niet, dat hier de wetenschap tot zekere hoogte de hand aan het geloof heeft te bieden; dat ook heidense wijsgeren, dichters en redenaars in allerlei vorm van een verwachting, als die van Petrus doen blijken; dat in schier alle godsdiensten van enige betekenis sporen van een voorstelling van de ondergang van de aardse, huishouding voorkomen. Wat daar schemert, klaar is het hier uitgesproken, om geen ander te noemen dan de dichter van Ps. 102, in dat woord: “Heere, U heeft voormaals de aarde gegrond en de hemelen zijn het werk van uw handen. Deze zullen vergaan en als een kleed veranderen en als een dekkleed zult U ze in een rollen en zij zullen veranderd zijn. ” Wat zeg ik, de aarde zelf, geeft zij niet nu en dan ons willekeurig de indruk, als was zij veranderd en van de verdwijning nabij? Zij heeft haar voorjaarskleed, maar ook haar wintergelaat en ook het droevig aangezicht van de najaarshemel draagt op menige dag de stempel van de vergankelijkheid, als was het zijn Oktober-maand reeds. Soms breekt het innerlijke verderf uit de schoonste dingen hier beneden te voorschijn, men weet zelfs schier niet hoe, als een worm uit een bloeiende vrucht. Het heerlijke lichaam van de aarde vertoont overal leven, maar inwendig draagt het de dood in de leden. Geen wonder, voor het oog van de Alwetende en Heilige ligt zij als onder de vloek van de zonde bedolven en als een akker, die doornen en distels draagt, op sikkel en vuur van de grote oogstdag te wachten. De tarwe en het onkruid groeien op, maar als de laatste schoof is binnengebracht, dan wordt de dorsvloer gereinigd. Zij, deze stoffelijke wereld, moet de heilige zaak van het Godsrijk dienen; maar als nu dat Godsrijk ten volle gekomen en de diensttijd tot de laatsten stond is verstreken, wat wacht het uitgediend en uitgesleten tapijt, dan dat het weggerold wordt van voor de voeten van de koning, die komt en een verterend vuur van voor zijn aangezicht zal zijn! “Dag van toorn, dag van rouw”, dus klonk reeds het kerklied van de middeleeuwen; maar nee, ik waag geen poging, om zelfs in brede trekken te schetsen, hoe het zijn zal, als Hij, die te komen staat, in volle nadruk het vuur tot Zijn Bode zal maken. “De aarde met al de werken, die daarop zijn”, geen enkele uitzondering lees ik in het vonnis, door Petrus geveld. Berg en dal, bos en veld, paleis en hut, kerk en kerker, de monumenten van de kunst en de schatkamers van de wetenschap, Gods vurige adem blaast en het is voor altijd verdwenen. Het feestgewaad verschroeit, de erekroon smelt weg, het praalgesticht verstuift, het grootste en laatste orakel zinkt neer. Als een uitgedord blad van de stam ontvalt de wereld aan de breedgetakte boom van het heelal. En wanneer na die jongste nacht de Heere van de heirschaar Zijn leger bij name roept en Zijn werelden geteld te voorschijn brengt, dan wordt er geen gemist!
In zo’n toestand verwachtend en met innig verlangen haastend (2 Tim. 4: 8 Openbaring 22: 17 en 20) tot de toekomst van de dag van God (Joel 1: 15 Zef. 1: 7 Jak. 5: 7 Tit. 2: 13), a) waarin de hemelen door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan en de elementen brandend zullen versmelten (Jes. 34: 4).
Ps. 50: 3. 2 Thessalonicenzen. 1: 8
Wat de apostel hier zegt van het bereid zijn voor de dag van de toekomst, is het tegenovergestelde van die spotters, die in hun begeerlijkheden wandelend, hun hoop stellen op het uitblijven van de toekomst van de Heere (vs. 3 v.) en dan wordt hij niet moe om de verpletterende ernst van die dag voor te stellen, terwijl hij daarvan, evenals aan het begin van het 11de vers, zo ook aan het slot van het 12de vers spreekt. De gedachte aan de verterende vlammen van het oordeel moet tot een inwendige vlam worden, die al het onheilige verteert.
De heilige wandel en godzaligheid van de Christenen heeft tot een kloppend hart de levende hoop, waartoe God ons heeft wedergebaard naar Zijn grote barmhartigheid (1 Petrus 1: 3); daarom wachten en haasten wij naar de toekomst van de dag van de Heere.
Het wachten geschiedt door hoop, geduld; het haasten door ernstig wensen en bidden; bij het wachten is men zeker van de zaak en ook daarmee ingenomen; omdat men echter tevens van de tijd onzeker en toch door woord en werk vaker wordt gedrongen, gaat het over tot een jagen, dat echter ook in geen ongeduldig inroepen van de Rechter door onderling zuchten ontaardt, maar meer werkzaam is met opruimen en in orde brengen bij zichzelf, opdat men in vrede wordt bevonden. Zodra men bedenkt, dat men God tot het grote werk, waarom Hij hemel en aarde heeft geschapen, ook tijd moet laten, voordat Hij weer iets nieuws maakt, dan heeft men overvloedig reden om geduldig te wachten; zo vaak men echter ook uitziet, hoe men bij deze grote verandering niets te verliezen, maar oneindig veel te winnen heeft, dan is men daardoor tot een haasten naar de Schrift gebracht.
Daarom geliefden! verwachtend deze dingen, namelijk het ten ondergaan van de oude wereld en aan de andere zijde het ontstaan van de nieuwe wereld, waarin gerechtigheid woont (vs. 11 vv.); benaarstig u, zoals ik mij benaarstig om u daartoe te vermanen (vs. 1; 1: 15) dat u in tegenstelling tot hen, die vlekken en smetten zijn (Hoofdstuk 2: 13), onbevlekt en onbestraffelijk (1 Kor. 1: 8. 1 Thessalonicenzen. 3: 13), wat uw wandel aangaat, van Hem, van onze Heere Jezus Christus (Hoofdstuk 1: 1), in die dag (vs. 12) bevonden mag worden en wat de inwendige toestand van uw hart aangaat (Rom. 14: 17) in vrede.
“Daarom, verwachtende deze dingen” d. i. : niet alleen op de nieuwe wereld van de gerechtigheid, maar op de dag van de Heere in tweevoudige zin, om die als de verderf aanbrengende dag te ontkomen en als de verheerlijkende deelachtig te worden, dat alleen mogelijk is onder voorwaarde van een waarachtige heiligheid, bestaanbaar voor het gericht. Daarom moeten zij reeds nu zich benaarstigen om onbevlekt en onstraffelijk in vrede voor de Heere bevonden te worden.
a) En acht de lankmoedigheid van onze Heere, waarin Hij het laatste oordeel nog uitstelt (vs. 9), niet voor een vertragen van Zijn belofte, zoals enigen het daarvoor houden, maar voor
zaligheid 1). Zo toch wordt u voldoende tijd gegeven, om zo’n in- en uitwendige toestand voor de Heere aan te kweken, als ik u zo-even beschreef; zoals ook onze geliefde broeder Paulus 2Pe 1: 1 naar de wijsheid, die hem gegeven is, zo duidelijk en stellig (Gal. 6: 7-10, vgl. met Gal. 5: 16 vv.) jullie geschreven heeft 2).
Rom. 2: 4
Dat God zo lankmoedig is, moest in hun ogen zaligheid zijn, die Hij geeft en hiernaar moet zich ook in deze tijd van wachten hun wandel richten. In plaats van ongeduldig te worden over het wachten op de Heere, moeten zij dankbaar zijn voor de tijd van de genade, hun daarin gegeven, vooral ook omwille van zichzelf en zo, dat zij die tot hun zaligheid aanwenden.
Alhoewel de diepste beweegreden tot heiligmaking de dankbare liefde jegens de Heere Jezus is, die Zijn leven voor ons tot een zoenoffer heeft gegeven, moet toch volgens de Schrift ook de gedachte aan dood, oordeel, eeuwigheid en einde van de wereld een sterke drang zijn tot ontwaken, tot ernst, tot nuchter zijn, tot waakzaamheid tegenover de geruste wereld.
Met deze uitdrukking “onze geliefde broeder” wordt Paulus niet alleen voorgesteld als vriend of als mede-christen, maar als iemand, met wie Petrus, wat het ambt aangaat (Efez. 6: 21 Kol. 4: 7) zich ten nauwste verbonden voelde.
Zegt hij echter “onze” dan sluit hij, evenals in Hoofdstuk 1: 1 door “met ons”, hen ook in, die tegenover de Christenen uit de heidenen zijn Christelijke medegenoten waren, de Christenen uit de Joden. Zo geeft hij te kennen, dat de apostel van de heidenen evenals voor hem zelf, zo ook voor hen een geliefde broeder is, waardoor hij hen, voor wie hij het misschien niet was, van zich uitsluit.
Overal wordt in het Evangelie de jongste dag voorgesteld als het einde van de tijd van de genade. Maar zo is het dan ook duidelijk, met elke eeuw, dat het bevelwoord tot de aarde langer wordt uitgesteld: “Keer tot verbrijzeling weer”, wordt tegelijk de gelegenheid tot behoudenis en bekering verlengd voor een overspelig en zondig geslacht. Stel u voor, dat die dag u geheel onverwacht overviel; u, inhalige, terwijl u bezig bent met sparen en schrapen; u, lichtzinnige, op het ogenblik, dat u zwelgt aan de beker van de zondige vreugde; u, liefdeloze, op de plek, waar u de broeder verdrukt, wiens geroep tot de oren van de Heere Zebaoth opklimt; o, hoe menigeen had nauwelijks de tijd om sidderend uit te roepen: “bergen val op ons, heuvelen bedek ons. ” Hoe menige akker van het hart, waarin het zaad pas is gestrooid, maar waarvan de opbrengst lang nog niet geschikt zou zijn voor de schuren van de hemel en wat al onkruid, dat in busselen zou moeten worden samengelezen! Of twijfelt u? Slaat uw oog op de onstuimige wereld rondom u! Hoe zou het haar zijn, als nu de eeuw van de vergelding genaakte, juist nu het onrecht zo hoog zich verheft, de afval van God zo openbaar wordt, de opstandingskreet tegen Christus zo luid weerklinkt: “Laat ons Zijn banden verscheuren en Zijn touwen van ons werpen! ” Ik moet sterker spreken: dat uitstel is tevens een proeve van Gods verdraagzaamheid, ook over dat deel van de wereld, waar de naam van Christus nog nooit gehoord is geworden. Hij laat de wereldakker in elke richting bezaaien, maar al worden hier en daar de velden al wit om te oogsten, Hij houdt de sikkel terug en is lankmoedig over het nog tere gewas, totdat het de vroege en de spaden regen ontvangen zal hebben, opdat de vrucht te voller en te overvloediger zal zijn. Met iedere eeuw worden duizenden verlosten gewonnen, die tot even zoveel bewijzen verstrekken, hoe ernstig Zijn liefde verlangt, dat niemand verloren gaat, maar dat zij allen tot bekering komen.
Zoals ook a) in alle zendbrieven daarin van deze dingen, van een heilige Christelijke wandel met het oog op het einde aller dingen en de toekomst van de Heeresprekend; in welke dingen, namelijk in zijn uitspraken over het rechtvaardig worden zonder de werken van de wet alleen door het geloof, over de voorbeschikking van God en de vrijheid van de Christen (Rom. 3: 28 Gal. 2: 16; 4: 22 vv. ; 5: 1, 2-4 enz. en andere waarheden sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen, waarvan ik in Hoofdstuk 2: 14 sprak, verdraaien, zodat ze een geheelandere zin verkrijgen dan waarin zij bedoeld zijn (Gal. 5: 13. 1 Petrus 2: 16, zoals zij ook op dezelfde wijze de andere schriften van de heilige mannen van God, die in de boeken van het Oude Testament worden gevonden (vgl. Hoofdstuk 2: 1), tot hun eigen verderf verdraaien. Zij nemen toch de vrijheid, daarin gepredikt, tot een deksel van hun boosheid (1 Petrus 2: 16); zij verschuilen zich achter eigen onmacht, zij verklaren zich onschuldig met een beroep op de zalige leer van de voorbeschikking en leven nu voort in vleselijke begeerlijkheden, zodat ook zij een snelle verdoemenis zich op de hals halen, evenals hun verleiders dit doen (Hoofdstuk 2: 1 v.).
Rom. 8: 19. 1 Kor. 15: 24. 1 Thessalonicenzen. 4: 15
Petrus noemt hem niet alleen zijn mede-apostel, maar stelt hem ook voor als een, die in het bijzonder met wijsheid begaafd is. Hij neemt hem dus zo vooraf in bescherming, als hij vervolgens zegt, dat in zijn brieven sommige dingen moeilijk te verstaan zijn (vs. 16), alsof daardoor enige schuld op hem drukte. Zeker zijn deze brieven, omdat zij uit diepe apostolische wijsheid voortkomen, ook wat de inhoud aangaat, diep en daarom moeilijk te verstaan, maar daarom mogen zij nog niet verdraaid worden, zoals door ongeleerde en onvaste mensen geschiedt. Het gaat intussen met al zijn brieven, zo merkt Petrus verder op, maar ook met andere heilige schriften een bewijs, dat de aanleiding tot misverstand niet in henzelf ligt (vgl. Ps. 18: 27).
Hoe schoon is het, dat Petrus hier aanwijst, hoe hij jegens hem, door wie hij eens hard berispt was (Gal. 2: 11 vv.) en die hem, in hetgeen hij voor het rijk van God (vooral ook in de kennis van het door hem in Efeze. 2: 11-3: 12 uiteengezette geheim) overtrof Joh 21: 18, niet het minst in het hart had en met blijdschap zijn apostolische roeping en zijn wijsheid erkent.
Als de uitleggers bij de woorden “zoals ook onze geliefde broeder Paulus jullie geschreven heeft”, meestal veronderstellen, dat op de brief aan de Efeziers wordt gedoeld, omdat die een rondgaande brief is aan de gemeenten in Klein-Azie, dan zien zij voorbij, dat deze brief alleen gericht is aan de gemeenten in het voorste deel (proconsularisch) van Klein-Azie. De brief van Petrus is echter aan de gemeenten, in 1 Petrus 1: 1 genoemd en beter kan men nu denken aan de brief aan de Galaten, waarin de woorden: “zo dan, terwijl wij tijd hebben enz” (Gal. 6: 10), wel overeenstemmen met datgene, waarvan hier gesproken wordt, met het: acht de lankmoedigheid van onze Heere voor zaligheid. ” Met de dingen “zwaar om te verstaan” en de overige brieven van Paulus kan door Petrus bezwaarlijk iets anders worden verstaan, dan wij daarbij hebben geschreven en waarbij ook in het bijzonder de brief aan de Romeinen in aanmerking komt. Juist deze punten maakten de eigenaardige hoofdzaak uit van de Paulinische evangelie-prediking en aan deze kon het gemakkelijkst zich een schriftverklaring aansluiten, om een wandel, die met de vermaning in vs. 14 in strijd was, een wandelen in de begeerlijkheden van het vlees, als geoorloofd, ja gerechtvaardigd voor te stellen, in weerwil van de uitdrukkelijke waarschuwing van de apostels tegen zo’n misbruiken van zijn leer in Gal. 5: 13
c. Nadat de apostel reeds in vs. 16 het oog teruggeslagen heeft op het verhandelde in dit hoofdstuk en van de toestanden van de laatste tijd zijn blik heeft teruggewend op het heden, dat voor een moeilijk op handen zijnde toekomst de weg baant, let hij nu tot besluit van zijn brief met nog meer bepaalde woorden op deze naaste toekomst. Hij waarschuwt de lezers voor de verleiding van de valse leraars, van wier optreden en werken zij vooraf reeds zoveel weten, dat zij zich kunnen bewaren. Hij vermaant hen tevens, om toe te nemen in de genade en kennis van de Heere en Heiland Jezus Christus, op wiens lof Zijn woord uitloopt. Met deze vermaning en die lof sluit hij zijn brief, waardoor het einde als in een ring, die de gehele brief vormt, samenvalt met de vermaning aan het begin in Hoofdstuk 1: 3 v. en de wens in Hoofdstuk 1: 2
U dan, geliefden, die niet tot die ongeleerden en onvasten (vs. 16) gerekend kunt worden (Judas 1: 17 en 20), zulks te voren wetend, dat volgens Hoofdstuk 2: 1 vv. valse leraars onder u zullen zijn en dat velen hun verderf zullen navolgen, wacht u, dat u niet door de verleiding van de gruwelijke mensen u laat verschrikken als zij tot u komen, dat u niet ook tot dat zelfde zedelijk verderf, waarin zij wandelen, afgerukt wordt en uitvalt (Gal. 5: 4) van uw vastigheid, uit de vaste staat van het geloof, die u nu voor uw personen in onderscheiding van de lichtzinnigen nog bezit (Hoofdstuk 1: 12).
Zij, die de apostel met “geliefden” aanspreekt, als al de gemeenten te samen, zijn in die tijd nog degenen, die tegenover die enige ongeleerden en onvasten de Christelijke waarheid gelovig erkennen en daarin vaststaan. Zij moeten uit het misbruik van het geschreven woord van God voor spiritualistische dwalingen, dat tegenwoordig reeds plaats heeft, nu zij de heilloze voortgang van deze dwaling reeds vooruit weten, de noodzakelijkheid afleiden, om zich zorgvuldig in acht te nemen, opdat zij niet door de dwaling van die ongeregelden, door de ongebondenheid, die in woord en daad optreedt en in zijn grondstelling vleselijk is, als die reeds vooruit bekende toeneming van de dwaling zal gekomen zijn, zich mee laten voortslepen en zo uit hun vaste staat van Christelijk geloof en leven vervallen. Met de uitdrukking “uw vastigheid” wil de apostel de staat van het Christelijk geloof en van het leven voorstellen als een goed, dat zij voor zich nu werkelijk bezitten.
Maar groei op, om tegenover de gevaren van de verleiding, die nog veel zwaarder zullen worden dan zij nu reeds zijn, bestand te wezen, in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid beide nu en in de dag van de eeuwigheid (Judas 1: 25). Amen.
Nadat de apostel tegen de verleidende dwaalleraars gewaarschuwd heeft, en de goddelijke waarheden, daartegenover gesteld, heeft uitgesproken, komt hij op het begin terug. De beste bewaring is voortdurende oefening in het geloof, voortgaande groei in genade en kennis; dan zijn wij tegen alle aanvechtingen ontoegankelijk.
Valse kennis doet Gods genade in Christus, de vergeving van de zonden vergeten en de Heere verloochenen, die ons heeft gekocht; de ware kennis is verenigd met de genade. Die in de kennis van Jezus Christus opgroeit, groeit ook op in de genade van Jezus Christus en bij het opgroeien behoudt hij zijn schat en zijn kroon. Wat tot opwassen in genade en kennis behoort, heeft Petrus ons geleerd; wij kunnen het in deze beide samenvatten: Vlijtig zijn in het acht geven op Gods woord, op het heldere woord, schijnend op een duistere plaats en vlijtig zijn in het brengen van ware vruchten van het geloof.
Als de apostel tenslotte onze Heer en Heiland Jezus Christus dezelfde eer geeft, die in 1 Petr. 4: 11; 5: 11 vooral in Judas 1: 25 voor God wordt gegeven, dan ligt daarin een bewijs voor de Godheid van Christus.
SLOTWOORD OP DE BEIDE BRIEVEN VAN PETRUS
Toen omstreeks het midden van de apostolische tijd de wegen van de apostel van de voorhuid en die van de apostelen van de besnijdenis in gevaar waren uiteen te gaan, toen was het Petrus, die ze samen hield, dezelfde Petrus, die de grond had gelegd zowel tot de Christelijke gemeente uit de Joden, als tot die uit de heidenen (Hand. 2: 14 vv. 10: 1 vv. 15: 7 vv.). Nu zijn die beide wegen meer dan een vol tiental jaren slechts naast elkaar voortgegaan (Gal. 2: 7 vv.); en de apostelen van de besnijdenis, ook Petrus, hebben niet altijd dezelfde kracht van de Geest laten blijken, om dit “naast elkaar” streng vast te houden (Gal. 2: 11 vv. Hand. 21: 18 vv.). Nu echter de apostolische tijd zijn einde tegemoet gaat, omdat nu duidelijk geworden is, dat naar de raad van God voor de donkere toekomst van de kerk de eerste lijn in de tweede moet overgaan en ten slotte de Christelijke gemeente uit de Joden in die uit de heidenen moest opgaan, terwijl de stichter van de laatste, Paulus, reeds bijna zijn loop ge?indigd heeft, is het weer haar stichter Petrus, die het “in elkaar” van de beide lijnen teweeg brengt door zijn beide brieven aan Christelijke gemeenten uit de heidenen in Klein-Azi?, van waar eens vele Joden en Jodengenoten zijn Pinksterprediking ook hebben aangehoord (Hand. 2: 9 v.). Evenals zijn eerste brief met die van Paulus aan de Efezi?rs aan de ene en aan die van Jakobus aan de andere zijde verwant is, zo staat zijn tweede brief in zekere betrekking tot die van Paulus aan de Kolossensen aan de ene en meer bepaald tot die van Judas aan de andere zijde. Evenals vroeger de apostel Johannes de trouwe hulp van Petrus geweest is en hem op zijn wegen heeft bijgestaan (Hand. 3: 1 vv.), zo sluiten nu aan Petrus? brieven zich die van Johannes aan en helpen voortzetten wat de eerste begonnen, terwijl in deze bij de gemeenten van Pontus, Galati? enz. ook die te Efeze enz. komen en zo de Klein Aziatisch-Oosterse kerk als draagster van het Evangelie voor de eerstvolgende eeuwen geheel in de plaats treedt van het oude verbondsvolk, dat voor het oordeel van de verwerping reeds rijp is geworden. In deze brieven is echter reeds geen sprake meer van dat overgaan van de ene lijn in de andere. Het opgaan van de Christelijke kerk uit de Joden in die uit de Heidenen is reeds een volbracht feit. Daartegenover staat op de voorgrond van de beschouwing het antichristendom, dat uit de Christelijke kerk uit de heidenen voortkomt en dat in zijn beginselen reeds openbaar is geworden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel