Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Bestraf een oudenG4245 man nietG3361 hardelijkG1969, maarG235 vermaanG3870 hem alsG5613 een vaderG3962; de jongeG3501 alsG5613 broedersG80;
Bestraf een ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders;
KJV
Rebuke3
not2
an elder,1
but4
intreat5
him as6
a father;7
and the younger men8
as9
brethren;10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De oudeG4245 vrouwen alsG5613 moedersG3384; de jongeG3501 alsG5613 zustersG79, inG1722 alleG3956 reinheidG47.
De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid.
KJV
The elder women1
as2
mothers;3
the younger4
as5
sisters,6
with7
all8
purity.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EerG5091 de weduwenG5503, die waarlijkG3689 weduwenG5503 zijn.
Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn.
KJV
Honour2
widows1
that are widows5
indeed.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
MaarG1161 zoG1487 enigeG1536 weduweG5503 kinderenG5043 heeftG2192, of kindskinderenG1549, dat die lerenG3129 eerstG4412 aan hun eigenG2398 huisG3624 godzaligheid oefenenG2151, en den voorouderenG4269 wedervergeldingG287 te doen; wantG1063 dat isG1510 goedG2570 en aangenaamG587 voor GodG2316.
Maar zo enige weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en den voorouderen wedervergelding te doen; want dat is goed en aangenaam voor God.
KJV
But2
if any
widow4
have8
children5
or6
nephews,7
let them learn9
first10
to shew piety14
at home,12
and15
to requite16
their parents:19
for21
that
is
good23
and24
acceptable25
before26
God.28
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Die nuG1161 waarlijkG3689 weduweG5503 is, en alleen gelatenG3443, die hooptG1679 opG1909 GodG2316, en blijftG4357 in smekingenG1162 en gebedenG4335 nachtG3571 en dagG2250.
Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag.
KJV
Now2
she that is a widow4
indeed,3
and5
desolate,6
trusteth7
in8
God,10
and11
continueth12
in supplications14
and15
prayers17
night18
and19
day.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
MaarG1161 die haar wellust volgtG4684, die is levendeG2198 gestorvenG2348.
Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.
KJV
But2
she that liveth in pleasure3
is dead5
while she liveth.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 beveelG3853 ditG3778, opdatG2443 zij onberispelijkG423 zijn.
En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn.
KJV
And1
these things
give in charge,3
that4
they may be
blameless.5
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Doch zoG1487 iemandG1536 de zijnen, en voornamelijkG3122 zijn huisgenotenG3609, nietG3756 verzorgtG4306, die heeft het geloofG4102 verloochendG720, en isG1510 ergerG5501 dan een ongelovigeG571.
Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.
KJV
But2
if any
provide11
not10
for his own,5
and6
specially7
for those of his own house,9
he hath denied14
the faith,13
and15
is
worse than18
an infidel.17
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dat eenG1520 weduweG5503 gekozenG2639 worde nietG3361 minderG1640 dan van zestigG1835 jarenG2094, welke eens mansG435 vrouwG1135 geweest zij;
Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke eens mans vrouw geweest zij;
KJV
Let2
➔ not3
a widow1
be taken into the number
under4
threescore6
years old,5
having been7
the wife10
of one8
man,9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
GetuigenisG3140 hebbende van goedeG2570 werkenG2041: zoG1487 zij kinderen opgevoedG5044 heeft, zoG1487 zij gaarne heeft geherbergdG3580, zoG1487 zij der heiligenG40 voetenG4228 heeft gewassenG3538, zoG1487 zij den verdruktenG2346 genoegzame hulpG1884 gedaan heeft, zoG1487 zij alleG3956 goedG18 werkG2041 nagetrachtG1872 heeft.
Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij gaarne heeft geherbergd, zo zij der heiligen voeten heeft gewassen, zo zij den verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij alle goed werk nagetracht heeft.
KJV
Well reported of4
for1
good3
works;2
if5
she have brought up6
children, if7
she have lodged strangers,8
if9
she have washed12
the saints'10
feet,11
if13
she have relieved15
the afflicted,14
if16
she have diligently followed20
every17
good19
work.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
MaarG1161 neem de jongeG3501 weduwenG5503 niet aan; wantG1063 als zij weelderigG2691 geworden zijn tegen ChristusG5547, zo willenG2309 zij huwelijkenG1060;
Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zo willen zij huwelijken;
KJV
But2
the younger1
widows3
refuse:4
for6
when5
they have begun to wax wanton against7
Christ,9
they will11
marry;10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Hebbende haar oordeelG2917, omdatG3754 zij haar eersteG4413 geloofG4102 hebben te niet gedaan.
Hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan.
KJV
Having1
damnation,2
because3
they have cast off7
their first5
faith.6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En meteenG260 ookG2532 lerenG3129 zij ledigG692 omgaanG4022 bij de huizenG3614; en zijn niet alleen ledigG692, maar ookG2532 klapachtigG5397, en ijdeleG4021 dingen doende, sprekendeG2980, hetgeen niet betaamtG1163.
En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, hetgeen niet betaamt.
KJV
And2
withal1
they learn5
to be idle,4
wandering about6
from house to house;8
and11
not9
only10
idle,12
but13
tattlers15
also3
and14
busybodies,17
speaking18
things which7
they ought21
not.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ik wilG1014 danG3767, dat de jongeG3501 weduwen huwelijkenG1060, kinderen telenG5041, het huis regerenG3616, geen oorzaakG874 van lasteringG3059 aan de wederpartijG480 gevenG1325.
Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven.
KJV
I will1
therefore2
that the younger women3
marry,4
bear children,5
guide the house,6
give9
none7
occasion8
to the adversary11
to13
speak reproachfully.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantG1063 enigenG5100 hebben zich alredeG2235 afgewendG1624 achterG3694 den satanG4567.
Want enigen hebben zich alrede afgewend achter den satan.
KJV
For2
some3
are4
➔ already1
turned aside
after5
Satan.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
ZoG1487 enigG1536 gelovigG4103 man, of gelovigeG4103 vrouw weduwenG5503 heeftG2192, dat die haar genoegzame hulpG1884 doe, enG2532 dat de GemeenteG1577 nietG3361 bezwaardG916 worde, opdat zij degenen, die waarlijkG3689 weduwenG5503 zijn, genoegzame hulpG1884 doen moge.
Zo enig gelovig man, of gelovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de Gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen, die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge.
KJV
If any
man3
or4
woman that believeth5
have6
widows,7
let them relieve8
them,9
and10
let12
➔ not11
the church14
be charged;
that15
it may relieve19
them that are widows18
indeed.17
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Dat de ouderlingenG4245, die wel regerenG4291, dubbeleG1362 eerG5092 waardig geachtG515 worden, voornamelijkG3122 die arbeidenG2872 inG1722 het WoordG3056 enG2532 de leerG1319.
Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.
KJV
Let7
➔ the elders4
that rule3
well2
be counted worthy
of double5
honour,6
especially8
they who labour10
in11
the word12
and13
doctrine.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantG1063 de SchriftG1124 zegtG3004: Een dorsendenG248 osG1016 zult gij nietG3756 muilbandenG5392; enG2532: De arbeiderG2040 is zijn loonG3408 waardigG514.
Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult gij niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waardig.
KJV
For2
the scripture4
saith,1
Thou shalt8
➔ not7
muzzle
the ox5
that treadeth out the corn.6
And,9
The labourer12
is worthy10
of his15
reward.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Neem tegen een ouderlingG4245 geenG3361 beschuldigingG2724 aanG1909, andersG1508 danG2228 onder tweeG1417 of drieG5140 getuigenG3144.
Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen.
KJV
Against1
an elder2
receive5
not4
an accusation,3
but6
before9
two10
or11
three12
witnesses.13
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
BestrafG1651 die zondigenG264 in tegenwoordigheidG1799 van allenG3956, opdatG2443 ookG2532 de anderenG3062 vrezeG5401 mogenG2192 hebben.
Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.
KJV
Them that sin2
rebuke5
before3
all,4
that6
others9
also7
may11
fear.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Ik betuigG1263 voor GodG2316, enG2532 den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, enG2532 de uitverkorenG1588 engelenG32, dat gij dezeG3778 dingen onderhoudtG5442, zonder vooroordeelG4299, nietsG3367 doendeG4160 naarG2596 toegenegenheidG4346.
Ik betuig voor God, en den Heere Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat gij deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid.
KJV
I charge1
thee before2
God,4
and5
the Lord6
Jesus7
Christ,8
and9
the elect11
angels,12
that13
thou observe15
these things
without16
preferring one before another,17
doing19
nothing18
by20
partiality.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
LegG2007 niemandG3367 haastelijkG5030 de handenG5495 op, en heb geen gemeenschapG2841 aan andererG245 zondenG266; bewaarG5083 uzelven reinG53.
Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein.
KJV
Lay4
➔ hands1
suddenly2
on
no man,3
neither5
be partaker6
of other8
men's sins:7
keep11
thyself9
pure.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
DrinkG5202 niet langerG3371 waterG5202 alleen, maarG235 gebruikG5530 een weinigG3641 wijnG3631, omG1223 uw maagG4751 enG2532 uw menigvuldigeG4437 zwakhedenG769.
Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.
KJV
Drink2
➔ no longer1
water,
but3
use6
a little5
wine4
for7
thy
stomach's sake9
and11
thine
often13
infirmities.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Van sommigeG5100 mensenG444 zijn de zondenG266 te voren openbaarG4271, en gaan voor totG1519 hun veroordelingG2920; en in sommigenG5100 ookG2532 volgenG1872 zij na.
Van sommige mensen zijn de zonden te voren openbaar, en gaan voor tot hun veroordeling; en in sommigen ook volgen zij na.
KJV
Some1
men's2
sins4
are
open beforehand,5
going before7
to8
judgment;9
and11
some10
men they follow after.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Desgelijks ookG2532 de goedeG2570 werkenG2041 zijnG1510 te voren openbaarG4271, enG2532 daar het andersG247 mede gelegenG2192 is, kunnen nietG3756 verborgenG2928 worden.
Desgelijks ook de goede werken zijn te voren openbaar, en daar het anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden.
KJV
Likewise1
also2
the good4
works5
of some are
manifest beforehand;6
and8
they that are11
otherwise10
cannot13
be hid.12
ouden man
Dat het Griekse woord presbyteros hier in het algemeen moet genomen worden voor alle oude mannen, blijkt uit de volgende tegenstellingen.
Hertaald:
ouden man
Dat het Griekse woord presbyteros hier in het algemeen opgevat moet worden voor alle oude mannen, blijkt uit de tegenstellingen die volgen.
bestraf niet hardelijk,
Het Griekse woord betekent eigenlijk iemand met woorden slaan.
Hertaald:
bestraf niet hardelijk,
Het Griekse woord betekent eigenlijk iemand met woorden slaan.
Eer de weduwen,
Dat is, bevorder haar, doet haar alle hulp en bijstand, gelijk het navolgende vers vs.4 vereist. Zie ook vs.17.
Hertaald:
Eer de weduwen,
Dat is: bevorder haar, geef haar alle hulp en bijstand, zoals het volgende vers 4 vraagt. Zie ook vers 17.
waarlijk weduwen zijn
Dat is, zonder kinderen of vrienden die haar kunnen helpen, of die van alle menselijke hulp ontbloot zijn, gelijk vs.5 wordt verklaard.
Hertaald:
waarlijk weduwen zijn
Dat is: zonder kinderen of verwanten die haar kunnen helpen, of die van alle menselijke hulp ontbloot zijn, zoals in vers 5 verklaard wordt.
kinderen heeft, of
Namelijk die tot hunne jaren zijn gekomen en middelen hebben om haar te helpen.
Hertaald:
kinderen heeft, of
Namelijk kinderen die de jaren van volwassenheid bereikt hebben en middelen hebben om haar te helpen.
die leren eerst aan
Namelijk kinderen of kindskinderen. Anderen verstaan het van de weduwen, doch het getal van velen en het woord leren [hetwelk in het Grieks niet onderwijzen, maar zich laten onderwijzen betekent] en de Griekse woorden wedervergelding doen, strijden daartegen.
Hertaald:
die leren eerst aan
Namelijk de kinderen of kindskinderen. Anderen verstaan het van de weduwen, maar het meervoud, het woord leren — dat in het Grieks niet onderwijzen betekent, maar zich laten onderwijzen — en de Griekse woorden voor wedervergelding doen, strijden daartegen.
hun eigen huis godzaligheid
Dat is, hun eigen geslacht en navrienden.
Hertaald:
hun eigen huis godzaligheid
Dat is: hun eigen familie en naaste verwanten.
wedervergelding doen;
Dat is, haar wederom helpen en voeden, gelijk zij de kinderen in hunne jonkheid hebben gedaan.
Hertaald:
wedervergelding doen;
Dat is: haar op haar beurt helpen en voeden, zoals zij dat aan de kinderen in hun jeugd gedaan heeft.
alleen gelaten
Dat is, zonder middelen of vrienden, die haar kunnen of willen helpen.
Hertaald:
alleen gelaten
Dat is: zonder middelen of verwanten die haar kunnen of willen helpen.
hoopt op God,
Namelijk alleen, die een vader is van weduwen en wezen; Ps. 68:6.
Hertaald:
hoopt op God,
Namelijk alleen op God, Die een Vader van weduwen en wezen is; Ps. 68:6.
blijft in smekingen
Namelijk gelijk van Anna de profetes wordt verhaald; Luc. 2:36, enz.
Hertaald:
blijft in smekingen
Namelijk zoals van Anna de profetes verteld wordt; Luk. 2:36, enzovoort.
levende gestorven
Dat is, al leeft zij naar het lichaam, zo is zij geestelijk dood, gelijk Matt. 8:22.
Hertaald:
levende gestorven
Dat is: al leeft zij naar het lichaam, geestelijk is zij dood, zoals in Matth. 8:22.
zo iemand de zijnen,
Namelijk gezondheid en middel daartoe hebbende.
Hertaald:
zo iemand de zijnen,
Namelijk terwijl hij gezondheid en middelen daartoe heeft.
verloochend, en is
Namelijk inderdaad, al belijdt hij het nog met den mond. Zie Tit. 1:16.
Hertaald:
verloochend, en is
Namelijk verloochend in de praktijk, ook al belijdt hij het nog met de mond. Zie Tit. 1:16.
dan een ongelovige
Namelijk daar die ook naar de wet der natuur dit plegen te doen.
Hertaald:
dan een ongelovige
Namelijk omdat ook de ongelovigen dit naar de wet van de natuur plegen te doen.
gekozen worde niet minder dan van zestig jaren,
Namelijk tot het ambt ener diakones welke in de eerste Kerk der gemeente diende onder zieke, vreemde en arme lieden, en die daarvoor door de gemeente, in den nood zijnde, werden onderhouden.
Hertaald:
gekozen worde niet minder dan van zestig jaren,
Namelijk gekozen worde tot het ambt van diacones. Zij dienden in de eerste kerk de gemeente onder zieke, vreemde en arme mensen, en werden daarvoor, als zij in nood waren, door de gemeente onderhouden.
ééns mans vrouw
Niet dat de vrouwen veel mannen te gelijk hadden, maar dat door de echtscheiding, die in gebruik was, de vrouwen veel mannen, de een na den ander dikwijls hadden, die nog te zamen in leven waren, hetwelk door Christus wordt bestraft, Matt. 5:32; Marc. 10:12. Anderen nemen het voor ééne die maar eens getrouwd is geweest, doch dit strijdt met hetgeen Paulus zegt Rom. 7:1, enz., en 1 Kor. 7:39.
Hertaald:
ééns mans vrouw
Niet dat de vrouwen veel mannen tegelijk hadden, maar dat zij door de echtscheiding, die toen in gebruik was, dikwijls veel mannen na elkaar hadden gehad die nog samen in leven waren. Dat wordt door Christus bestraft, Matth. 5:32; Mark. 10:12. Anderen vatten het op als een vrouw die maar eenmaal getrouwd geweest is, maar dat strijdt met wat Paulus zegt in Rom. 7:1, enzovoort, en 1 Kor. 7:39.
voeten heeft gewassen,
Gelijk dit in die warme landen veel gebruik was, waar de mensen blootvoets en alleen op zolen gingen, en derhalve vermoeid zijnde of van stof vervuild, zulke diensten tot verkwikking veel pleegden te gebruiken. Zie Joh. 13:5, Joh. 13:14. en hierdoor wordt een voorbeeld van beleefdheid, allerlei zorg en dienst verstaan.
Hertaald:
voeten heeft gewassen,
Dat gebeurde in die warme landen veel, waar de mensen op blote voeten of alleen op zolen gingen; wanneer zij vermoeid waren of onder het stof zaten, gebruikte men zulke diensten dikwijls tot verkwikking. Zie Joh. 13:5, Joh. 13:14. Hiermee wordt een voorbeeld van hartelijkheid, van allerlei zorg en dienst bedoeld.
nagetracht heeft
Grieks nagevolgd.
Hertaald:
nagetracht heeft
Grieks: nagevolgd.
neem niet aan;
Of, verwerp, weiger. Namelijk te verkiezen in het getal der diakonessen. Want anderszins werden zij van het getal der leden van de gemeente niet verworpen, wanneer zij goed waren van leven, gelijk uit vs.14 blijkt, en ook uit Rom. 7:3; 1 Kor. 7:39; tevoren aangetekend; en zelfs ook niet van de hulp der gemeente, wanneer zij die nodig hadden, en geen kinderen of vrienden hadden, die haar konden helpen, gelijk Paulus vs.16 besluit.
Hertaald:
neem niet aan;
Of: verwerp, weiger; namelijk weiger haar te kiezen in het getal van de diaconessen. Want overigens werden zij niet verworpen uit het getal van de leden van de gemeente, wanneer zij goed van leven waren, zoals uit vers 14 blijkt en ook uit Rom. 7:3; 1 Kor. 7:39, die hiervoor aangetekend zijn. Zij werden zelfs niet uitgesloten van de hulp van de gemeente wanneer zij die nodig hadden en geen kinderen of verwanten hadden die haar konden helpen, zoals Paulus in vers 16 besluit.
weelderig geworden zijn
Dat is, in den dienst en onderhouding der gemeente nu wel gevoed en vleselijk gezind geworden zijn. Zie Openb. 18:7, Openb. 18:9.
Hertaald:
weelderig geworden zijn
Dat is: in de dienst en het onderhoud van de gemeente nu goed gevoed en vleselijk gezind geworden zijn. Zie Openb. 18:7, Openb. 18:9.
tegen Christus,
Dat is, zonder aanzien van den dienst, dien zij Christus en Zijne gemeente beloofd hebben.
Hertaald:
tegen Christus,
Dat is: zonder te letten op de dienst die zij Christus en Zijn gemeente beloofd hebben.
Hebbende haar oordeel,
Of, hebbende schuld, dat is, hebbende een daad begaan die bestraffelijk is, en waarover zij te misprijzen of te blameren zijn. Anderen nemen het woord oordeel, voor veroordeling, of verdoemenis, en het eerste geloof voor het christelijke geloof, dat zij tevoren in den doop hadden beleden. Dan, waar Paulus hier van het huwelijk spreekt, hetwelk niemand in den doop verzegt, noch verlooft, zo wordt het hier bekwamelijk wat zachter genomen, voor misprijzen of blameren, gelijk uit vs.14 ook af te leiden is.
Hertaald:
Hebbende haar oordeel,
Of: schuld hebbende; dat is: een daad begaan hebbende die berispelijk is en waarover zij af te keuren of te bekritiseren zijn. Anderen vatten het woord oordeel op als veroordeling of verdoemenis, en het eerste geloof als het christelijke geloof dat zij eerder bij de doop beleden hadden. Maar omdat Paulus hier over het huwelijk spreekt, dat niemand bij de doop afzweert of belooft, wordt het hier terecht iets milder opgevat als afkeuren of bekritiseren, zoals ook uit vers 14 op te maken is.
haar eerste geloof
Dat is, hare eerste belofte of trouw; namelijk van zich zelf tot den dienst der gemeente te laten gebruiken, waartoe zij zich met haar ontijdig huwelijk onbekwaam maken. Want dat hierdoor gene bepaalde belofte van niet te trouwen verstaan wordt, blijkt uit hetgeen gezegd wordt vs.14.
Hertaald:
haar eerste geloof
Dat is: haar eerste belofte of toezegging, namelijk om zich voor de dienst van de gemeente te laten gebruiken. Daarvoor maken zij zich met hun ontijdige huwelijk ongeschikt. Dat hiermee geen bepaalde belofte om niet te trouwen bedoeld wordt, blijkt uit wat in vers 14 gezegd wordt.
meteen ook leren zij
Namelijk enige anderen van deze jonge weduwen, die ten dienste der gemeente waren verkoren, onder den schijn van den een of den ander te gaan bezoeken, zijn tot zulke ijdelheid vervallen.
Hertaald:
meteen ook leren zij
Namelijk sommigen van deze jonge weduwen die voor de dienst van de gemeente gekozen waren, zijn onder de schijn van de een of de ander te gaan bezoeken tot zulke ijdelheid vervallen.
Ik wil dan, dat
Dat is, gebied, namelijk zo zij de gave van onthouding niet hebben; 1 Kor. 7:7, 1 Kor. 7:9.
Hertaald:
Ik wil dan, dat
Dat is: gebied ik, namelijk als zij de gave van onthouding niet hebben; 1 Kor. 7:7, 1 Kor. 7:9.
aan de wederpartij geven
Dat is, die vreemd zijn van het geloof en maar oorzaken van lasteren zoeken. Anderen nemen het voor den satan zelf.
Hertaald:
aan de wederpartij geven
Dat is: aan hen die vreemd zijn van het geloof en die alleen maar aanleiding tot lasteren zoeken. Anderen vatten het op als de satan zelf.
enigen hebben zich
Namelijk van deze jonge weduwen, die daarover worden misprezen en van de gemeente min geacht.
Hertaald:
enigen hebben zich
Namelijk sommigen van deze jonge weduwen, die daarom afgekeurd en door de gemeente minder geacht worden.
afgewend achter den satan
Dat is, zijn van het geloof afgeweken, en weder tot den satan gekeerd, dien zij tevoren dienden, namelijk uit spijt en schaamte, die zij vanwege hare verkeerde handeling in de gemeente leden. Anderen nemen het voor: de verzoeking des satans te hebben gehoor gegeven, en tot onkuischheid te zijn vervallen.
Hertaald:
afgewend achter den satan
Dat is: zij zijn van het geloof afgeweken en weer tot de satan gekeerd, die zij eerder dienden; namelijk uit spijt en schaamte die zij vanwege hun verkeerde gedrag in de gemeente leden. Anderen vatten het op als: aan de verzoeking van de satan gehoor gegeven hebben en tot onkuisheid vervallen zijn.
weduwen heeft, dat die haar
Namelijk in hun geslacht of onder hunne voorouders; versta, zo zij de middelen hebben om zulks te kunnen doen.
Hertaald:
weduwen heeft, dat die haar
Namelijk weduwen in zijn familie of onder zijn voorouders; en versta het zo: als hij de middelen heeft om dat te kunnen doen.
zij degenen, die
Namelijk de gemeente.
Hertaald:
zij degenen, die
Namelijk de gemeente.
waarlijk weduwen zijn,
Dat is, zonder volwassen kinderen of kindskinderen, en van alle vrienden en hulp verlaten, gelijk vs.5.
Hertaald:
waarlijk weduwen zijn,
Dat is: zonder volwassen kinderen of kindskinderen, en van alle verwanten en hulp verlaten, zoals in vers 5.
dubbele eer waardig
Dat is, meerder of overvloediger. Onder welke eer ook hun onderhoud verstaan wordt, gelijk de volgende verzen uitwijzen, en het woord eer bij de Hebreën zo gebruikelijk is. Zie Matt. 7:10-11, enz.
Hertaald:
dubbele eer waardig
Dat is: meer of overvloediger eer. Daaronder wordt ook hun onderhoud verstaan, zoals de volgende verzen aanwijzen en zoals het woord eer bij de Hebreeën zo gebruikelijk is. Zie Matth. 7:10-11, enzovoort.
voornamelijk die arbeiden
Hieruit blijkt klaarlijk, dat er toen twee soorten van ouderlingen in de gemeente waren, namelijk enigen die in het woord arbeidden, en anderen die alleen tot de regering der gemeente gebruikt werden, gelijk die ook voorstaanders of regeerders worden genoemd; Rom. 12:8; 1 Kor. 12:28, en elders. Want dat sommigen dit alzo willen uitleggen, dat degenen die zich boven anderen wel kweten en naarstig waren in hunnen dienst met moeite en groten arbeid, verstaan zouden worden door de woorden arbeiden in het woord, is ongegrond, dewijl Paulus zulke leraars die zich niet geheel wel kweten, of slapper waren in hunnen dienst dan anderen, nimmer heeft geprezen, noch gezegd dat zij wel regeren, evenmin dat zij dubbele eer waardig waren.
Hertaald:
voornamelijk die arbeiden
Hieruit blijkt duidelijk dat er toen twee soorten ouderlingen in de gemeente waren, namelijk sommigen die in het Woord arbeidden en anderen die alleen voor het bestuur van de gemeente gebruikt werden; die worden ook voorstanders of regeerders genoemd, Rom. 12:8; 1 Kor. 12:28, en elders. Want sommigen willen dit zo uitleggen dat met de woorden arbeiden in het Woord degenen bedoeld worden die zich boven anderen goed van hun taak kweten en met moeite en grote arbeid nauwgezet waren in hun dienst. Maar dat is ongegrond, omdat Paulus zulke leraars die zich niet helemaal goed van hun taak kweten of slapper waren in hun dienst dan anderen, nooit geprezen heeft; hij heeft ook nooit gezegd dat zij goed regeren, en nog minder dat zij dubbele eer waardig waren.
Een dorsenden os
Zie hiervan de aantekeningen 1 Kor. 9:9.
Hertaald:
Een dorsenden os
Zie hierover de aantekeningen bij 1 Kor. 9:9.
De arbeider is zijn
Deze woorden worden gevonden Matt. 10:10.
Hertaald:
De arbeider is zijn
Deze woorden zijn te vinden in Matth. 10:10.
neem geen beschuldiging aan
Dat is, veroordeel hem niet alleen niet zonder genoegzame getuigen, hetwelk aan niemand mocht geschieden, volgens de wet van Mozes, Deut. 19:15, maar neem zelfs geen beschuldiging aan om daarover te oordelen. De reden is, omdat zulken, die in dezen openbaren dienst der regering der gemeente zijn, daar zij een ieder moeten vermanen, en de ongeregelden bestraffen, licht tegen zich tegenzin en kwaadwilligheden kunnen verwekken, en dat zelfs het aannemen van de beschuldigingen om daarover te oordelen, een man verdacht maakt, en derhalve tot ergernis der gemeente en tot opspraak van dezelve strekt.
Hertaald:
neem geen beschuldiging aan
Dat is: veroordeel hem niet alleen niet zonder voldoende getuigen, wat volgens de wet van Mozes bij niemand mocht gebeuren, Deut. 19:15, maar neem zelfs geen beschuldiging aan om daarover te oordelen. De reden is dat mensen die deze openbare dienst van het bestuur van de gemeente hebben, waarin zij ieder moeten aansporen en de ongeregelden moeten bestraffen, gemakkelijk tegenzin en kwaadwilligheid tegen zich kunnen wekken. Bovendien maakt zelfs het aannemen van beschuldigingen om daarover te oordelen een man verdacht, en dat leidt tot aanstoot in de gemeente en tot kwade praat over haar.
Die zondigen
Namelijk onder de ouderlingen, als zij openbaar zondigen, of, wanneer zij genoegzaam overtuigd zijn. Want van dezen had hij pas gesproken; hetwelk nochtans op anderen ook kan en moet geduid worden, daar de redenen des apostels niet minder tegen die gelden. Zie Matt. 18:17.
Hertaald:
Die zondigen
Namelijk onder de ouderlingen, wanneer zij openlijk zondigen of wanneer zij voldoende overtuigd zijn. Want over hen had hij net gesproken. Toch kan en moet het ook op anderen toegepast worden, omdat de redenen van de apostel voor hen niet minder gelden. Zie Matth. 18:17.
deze dingen onderhoudt,
Namelijk die tevoren gezegd zijn, en hierna nog gezegd zullen worden; omdat zij de dienaren der gemeente aangaan gebruikt de apostel hier bij Timotheüs een zo hoge betuiging.
Hertaald:
deze dingen onderhoudt,
Namelijk de dingen die eerder gezegd zijn en die hierna nog gezegd zullen worden. Omdat zij de dienaars van de gemeente betreffen, gebruikt de apostel hier tegenover Timotheüs zulk een sterke betuiging.
zonder vooroordeel,
Of zonder dat gij den een hierin meer voordeel doet dan den ander, gelijk het Griekse woord prokrima meest betekent.
Hertaald:
zonder vooroordeel,
Of: zonder dat u de een hierin meer voordeel geeft dan de ander, zoals het Griekse woord prokrima meestal betekent.
toegenegenheid
Of, toeneiging; ene gelijkenis, genomen van de balans of weegschaal, waarin de ene schaal meer uitslaat dan de andere.
Hertaald:
toegenegenheid
Of: overhelling. Dit is een vergelijking, genomen van de balans of weegschaal, waarin de ene schaal verder doorslaat dan de andere.
haastelijk de handen
Dat is, zonder behoorlijke en genoegzame beproeving van den persoon, zijn leven en zijn leer gedaan te hebben.
Hertaald:
haastelijk de handen
Dat is: zonder de persoon, zijn leven en zijn leer behoorlijk en voldoende beproefd te hebben.
aan anderer zonden;
Dit kan verstaan worden òf van degenen die een onbekwaam persoon tot den dienst willen kiezen, òf van den persoon, die, onbekwaam zijnde, gekozen wordt.
Hertaald:
aan anderer zonden;
Dit kan verstaan worden van hen die een ongeschikt persoon tot de dienst willen kiezen, of van de persoon die ongeschikt is en toch gekozen wordt.
rein
Dat is, vrij van zulke zonden, of zonder schuld, gelijk dit Griekse woord hagnos ook gebruikt wordt 2 Kor. 7:11.
Hertaald:
rein
Dat is: vrij van zulke zonden, of zonder schuld, zoals dit Griekse woord hagnos ook gebruikt wordt in 2 Kor. 7:11.
alleen, maar
Het woord alleen, is wel in den Grieksen tekst niet, maar moet noodwendig daarbij verstaan worden, gelijk het vervolg uitwijst. Want Paulus verbiedt hem niet water te drinken, maar niet alleen water.
Hertaald:
alleen, maar
Het woord alleen staat niet in de Griekse tekst, maar het moet daar noodzakelijk bij verstaan worden, zoals het vervolg aanwijst. Want Paulus verbiedt hem niet water te drinken, maar wel om alleen water te drinken.
zwakheden
Namelijk waar gij soms in vervalt bij gebrek vaan genoegzaam steunsel, of voedsel.
Hertaald:
zwakheden
Namelijk zwakheden waarin u soms vervalt door een gebrek aan voldoende steun of voedsel.
te voren openbaar,
Namelijk eer zij tot den dienst verkoren worden, gelijk van Simon den tovenaar gezegd wordt; Hand. 8:18.
Hertaald:
te voren openbaar,
Namelijk openbaar voordat zij tot de dienst gekozen worden, zoals van Simon de tovenaar gezegd wordt; Hand. 8:18.
tot hun veroordeling;
Of, om hen te veroordelen; namelijk als onbekwaam tot den kerkedienst, dat is, om hen te verwerpen, of tot den dienst der gemeente niet te verkiezen.
Hertaald:
tot hun veroordeling;
Of: om hen te veroordelen, namelijk als ongeschikt voor de kerkelijke dienst; dat is: om hen af te wijzen en niet tot de dienst van de gemeente te kiezen.
volgen zij na
Dit verstaan enigen aldus, dat sommiger ergerlijk leven of kwade leer tevoren genoeg bekend is, zelfs eer men daarover onderzoek doet, en zij derhalve zonder zwarigheid kunnen voorbij gegaan worden; maar sommigen zouden navolgen, dat is, eerst bekend worden, nadat behoorlijk onderzoek daarover gedaan is, en derhalve dat men naarstig onderzoek moet doen eer men verkiest. Anderen nemen voor bekend worden nadat zij al verkoren zijn, dewijl zij van tevoren zich, gelijk de geveinsden plegen te doen, voor enen tijd wel hebben geschikt, en dat daarom degenen die hen verkoren hebben aan zulke geheime zonden, als maar behoorlijk onderzoek gedaan is, gene schuld hebben.
Hertaald:
volgen zij na
Sommigen verstaan dit zo, dat van sommigen het aanstootgevende leven of de verkeerde leer al voldoende bekend is, zelfs voordat men daarnaar onderzoek doet, en dat zij daarom zonder moeite voorbijgegaan kunnen worden; maar dat andere zonden zouden navolgen, dat is: pas bekend worden nadat er behoorlijk onderzoek naar gedaan is, en dat men dus nauwgezet onderzoek moet doen voordat men kiest. Anderen vatten het op als bekend worden nadat zij al gekozen zijn, omdat zulke mensen zich tevoren, zoals geveinsden plegen te doen, een tijdlang goed voorgedaan hebben; en dan hebben zij die hen gekozen hebben aan zulke verborgen zonden geen schuld, als er maar behoorlijk onderzoek gedaan is.
daar het anders mede gelegen is,
Grieks die anders hebben; dat is, wier goede werken en bekwaamheid tot den dienst nog niet bekend zijn, maar bij gebrek aan gelegenheid, of vanwege kwade mensen verduisterd, die zal God te Zijner tijd wel aan het licht brengen. Zo wil dan de apostel dat men hierin ook naarstig onderzoek doe.
Hertaald:
daar het anders mede gelegen is,
Grieks: die het anders hebben; dat is: zij van wie de goede werken en de geschiktheid voor de dienst nog niet bekend zijn, maar door gebrek aan gelegenheid of door kwade mensen verduisterd zijn. Die zal God te Zijner tijd wel aan het licht brengen. De apostel wil dus dat men ook hierin nauwgezet onderzoek doet. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Houd weduwen die werkelijk weduwen zijn, in ere. 1 Timotheüs 5:3 We hebben het over de kinderen in het weeshuis gehad, maar hoe zit het met de ouderen? We… En toen Jezus opgestaan was, ’s morgens vroeg op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij zeven demonen uitgedreven had.… Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; En die wenen, als niet wenende; en die… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Timotheüs 5
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Verdiepende artikelen
Hoe zit het met de ouderen?
Jezus’ verschijning aan Maria
Het gezin


1 Timotheüs 5
1 Timotheüs 5:22
KruisverwijzingenEfeze 5:11→1 Timotheüs 3:10→Handelingen 6:6→2 Johannes 1:11→1 Timotheüs 3:6→1 Timotheüs 4:14→Openbaring 18:4→Handelingen 20:26→— Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein.
Wij hebben allen alle reden om naar onszelf te kijken, en ons zorgen te maken over onze eigen zonden. Zoals ons spreekwoord het zegt: “Liefdadigheid begint thuis,” zo behoort ook kritiek dat te doen. En kritiek op iemands karakter kan daar maar beter blijven. Er ligt zoveel vuil wasgoed in ons eigen huis dat gewassen moet worden, dat niemand van ons de was van zijn buurman hoeft over te nemen. De apostel Paulus werd geïnspireerd om aan de Thessalonicenzen te schrijven: “Dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen.” Hij, en ook Petrus, veroordeelden streng hen die zich als bemoeials met de zaken van anderen ophielden. Niets kan onzinniger zijn dan dat een man zijn schoffel neemt om ieders andere tuin te wieden. Ondertussen laat hij alle distels en doornen op zijn eigen stuk grond welig tieren.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
V. Vs. 1-25.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:5→Leviticus 19:32→Jakobus 5:5→Titus 3:8→1 Timotheüs 6:18→Lukas 2:37→Openbaring 3:1→1 Timotheüs 4:11→
— Bestraf een ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders; De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid. Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn. Maar zo enige weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en den voorouderen wedervergelding te doen; want dat is goed en aangenaam voor God. Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag. Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven. En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige. Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke eens mans vrouw geweest zij; Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij gaarne heeft geherbergd, zo zij der heiligen voeten heeft gewassen, zo zij den verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij alle goed werk nagetracht heeft.
In de vorige afdeling had de apostel Timotheus het gevaar doen kennen van het handelen en zoeken van hen, die anders leren en de onnadenkendheid van anderen, die op hun ijdel gepraat acht sloegen en zich daardoor in hun Christelijk leven lieten besturen. Hij had dit gedaan door te wijzen op die dwaalleer, die naar de uitspraken van de profetische geest in de toekomst zich uit de tegenwoordige beginselen zou ontwikkelen. In de beide afdelingen, die nu volgen, kan hij zijn aanwijzingen en beschikkingen zo richten, dat van de toekomst een lichtstraal valt op de tegenwoordige toestanden en deze op zo’n manier kunnen worden beoordeeld en behandeld, dat die zoveel mogelijk worden schadeloos gemaakt en men ten minste niet ook schuldig behoeft te worden aan het verderf, dat zij teweeg brengen. In de eerste plaats geschiedt dit bij de aanwijzingen en beschikkingen in deze afdeling, die in de eerste plaats te kennen geven, hoe Timotheus zich tegenover de gemeenteleden naar onderscheid van ouderdom en geslacht moet gedragen (vs. 1 en 2), vervolgens hoe hij de verzorging van de weduwen en de opname in de klasse van de weduwen van de eer moest handhaven, om misbruiken af te wenden van de inrichtingen van de gemeente (vs. 3-16). Wordt nu hier nog niet gedacht aan de gevaren van de toekomst en de moeilijkheden van het ogenblik, dan ligt dat toch ten grondslag bij hetgeen over de oudsten van de gemeente gezegd wordt, tot wie hij ook later in zijn afscheidsrede (Hand. 20: 30) zegt: “uit uzelf zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen om de discipelen af te trekken achter zich. ” (vs. 17-25).
Bestraf een oude man in de gemeente, als hij enige verkeerdheid doet, niet hard, niet met toornige woorden, maar vermaan hem als een vader (Lev. 19: 32); vermaan de jongen evenmin met harde woorden, maar als broeders.
De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters en denk eraan, dat bij deze nog iets anders in het oog moet worden gehouden, namelijk dat u dit doet in alle reinheid, zonder verdenking wekkende vertrouwelijkheid; dit is om meer dan een reden nodig.
Hier begint een nieuwe afdeling, waarin Paulus aan Timotheus aanwijzing geeft hoe hij zich tegenover elk in het bijzonder moet gedragen. Hier bestond geen aanleiding om aan te wijzen wat hij naar verschil van ouderdom en geslacht moest inprenten, zoals in de brief aan Titus (Hoofdstuk 2: 2 vv.) door de toestand van de Cretensische Christenen geëist werd. De apostel stelt zich tevreden met Timotheus in zeer weinige woorden te herinneren hoe hij, als hij iemand iets in het bijzonder te zeggen heeft, dat altijd meer of min een terechtwijzing zal zijn, naar het onderscheid van ouderdom en geslacht te handelen heeft. Als hij, die nog jeugdig is (Hoofdstuk 4: 12) zich bevindt tegenover een man van gevorderde leeftijd, dan past het hem het allerminst die met harde woorden aan te vallen; hij moet tot die spreken als een zoon tot zijn vader; en eveneens tot een vrouw van gevorderde leeftijd als een zoon tot zijn moeder. Als verder wordt gezegd dat hij tot mannen en vrouwen, die evenals hij jonger zijn, moest spreken als een broeder tot broeders en zusters, dan wordt ook tegenover deze een uitvaren met hevigheid, dat tegenover anderen volstrekt niet past, uitgesloten. Tot het bijvoegen van “in alle reinheid” kon de apostel alleen aanleiding vinden ten opzichte van het persoonlijk verkeer met de jongere van het vrouwelijk geslacht; hierbij moest elke, ook de minste onreinheid worden vermeden.
De jonge herder moet over de jongere vrouwen de grootste ingetogenheid in acht nemen, ten eerste om de openbare mening, vervolgens om zijn eigen zwakheid en ten derde en hoofdzakelijk om de grote zwakheid van de jonge vrouwen. De jonge herder verovert de harten van de jonge vrouwen, hij weet niet hoe; maar hij moet in die zin geen harten veroveren.
Eer de weduwen met verzorging door de gemeente (Hand. 6: 1; 28: 10), die echt weduwen, d. i. werkelijk beroofde, zoals het Griekse woord zegt, dus verlaten, alleenstaande vrouwen zijn (vgl. vs. 5 v. en 16).
Maar als enige weduwe kinderen heeft of kindskinderen, dat die, voordat zij van de gemeente bewijzen van godzaligheid verlangen tot verzorging van die weduwen, leren uit het woord van Christus (MATTHEUS. 15: 4 vv.)eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, a) en de ouders en voorouderen wedervergelding doen: want dat is goed en aangenaam voor God (Hoofdstuk 2: 3) naar het vijfde gebod (Efeze 6: 1 v.).
Gen. 45: 10 en 11 Mark. 7: 10
Volgens Hand. 6: 1 waren weduwen de eerste voorwerpen van Christelijke weldadigheid geweest en ook blijkt uit verschillende getuigenissen bij Justinus, Ignatius, Eusebius en anderen, dat zij reeds zeer vroeg met bijzondere liefde behandeld werden. Toch schijnt die weldadigheid reeds snel misbruikt te zijn door de traagheid van hen, die onder hun naaste bloedverwanten weduwen hadden, maar zich slechts probeerden te onttrekken aan de verzorging van deze, door hun weduwen aan de kas van de gemeente over te dragen. Zo gebeurde het dat de gemeente boven haar krachten bezwaard en de Christelijke liefde tot schade van de natuurlijke bloedverwantschap beoefend werd. Tegen die verkeerdheid nu richt de apostel zijn voorschrift, waardoor de gemeente van de verplichting wordt ontheven om ook in de behoeften te voorzien van die weduwen, die nog bloedverwanten bezaten. Zij, zo zegt hij, die nog kinderen of andere naastbestaanden hebben, die de verzorging van haar op zich kunnen en moeten nemen, zijn nog geen weduwen in de volle kracht en betekenis van het woord. Het is voor de Christelijke armverzorging voortdurend van belang dat de beperking, die Paulus voor de weldadigheid van de gemeente stelt, niet minder dan haar betamelijke uitbreiding in het oog wordt gehouden. Het Christendom keert de oorspronkelijke orde van de dingen niet om en bevrijdt niemand van de verplichtingen die hem de natuurlijke betrekkingen hebben opgelegd.
Die nu echt weduwe is en alleen gelaten, die noch kinderen, noch kindskinderen heeft op wie de plicht van de verzorging rust, die hoopt, omdat zij onder mensen geen helper meer heeft, op God als haar enige Verzorger (Jer. 49: 11) en blijft, zich nu ook in geestelijke zin een echte weduwe betonend (Luk. 2: 37), in smekingen en gebeden nacht en dag en aan deze komt dan de eer toe, waarvan ik in vs. 3 sprak.
1 Kor. 7: 32
Maar die tegenover zo’n veronderstelling, die men bij een geheel verlatene wel mag maken, haar wellust volgt (Jak. 5: 5), die is levend gestorven (MATTHEUS. 8: 22).
Nadat de apostel in vs. 5 gezegd heeft wat een weduwe, die alleen gelaten is, doet als zij handelt overeenkomstig haar staat, merkt hij op dat een weduwe ook echt weduwe, geheel verlaten kan zijn en toch daarbij zich geheel anders kan gedragen, zodat zij, in plaats van een biddend leven te leiden, zich met eten en drinken tegoed doet. Zo iemand, zegt hij, is levend dood, niet alleen verlaten en eenzaam. Alleen voor zichzelf levende, deugt zij nergens meer toe; zij heeft geen roeping in de wereld en vervult er geen: zo iemand heeft op de eer van de staat van een weduwe geen aanspraak. Als dus vs. 4 van de weduwen, waarover de vermaning aan Timotheus in vs. 3 gegeven wordt, zij, die kinderen of kleinkinderen hebben, niet in zoverre uitzonderde, alsof zij geen eer waardig waren, maar alleen in zoverre haar weduwenstaat nog geen volkomen is, zondert vs. 6 diegenen uit, die de eer als weduwen niet waardig zijn, omdat zij er niet naar leven, maar haar weduwenstaat misbruiken, zodat zij alleen leven om goed te eten en te drinken.
Dat zo’n weduwe geen aanspraak kan maken op ondersteuning, ligt noch direct noch indirect in de woorden; die zijn slechts uitgesproken om af te schrikken en aan Timotheus voor voorkomende gevallen ten gebruike gegeven (vooral bij hetgeen hem in vs. 7 ten plicht is gesteld).
En beveel dit, zoals ik het in vs. 4 en vervolgens in vs. 5 v. gezegd heb. Houd het die personen in de gemeente voor, opdat zij van beide kanten onberispelijk zijn, de kinderen en kleinkinderen, van wie in vs. 4 sprake was, opdat zij de godzaligheid van hun eigen huis in beoefening brengen en moeder of grootmoeder wedervergelding doen en de verlaten weduwen (vs. 5), dat zij niet in wellusten proberen te leven, maar een leven leiden als ware weduwen.
Een ander geval als het in vs. 4 vermelde zou het zijn, als een weduwe kinderen heeft, die zelf nog verzorging nodig hebben, in plaats dat zij haar zouden kunnen verzorgen. Het mag eigenlijk in de Christelijke gemeente slechts zelden voorkomen, dat zij dan geheel zonder middelen is; het mag toch worden verwacht dat Christelijke echtgenoten nog bij hun leven al het mogelijke doen voor het geval dat zij vroegtijdig sterven. Maar als iemand, geheel tegen deze verwachting in, een huisvader, die tot de Christelijke gemeente behoort, de zijnen, die door de band van het geloof met hem zijn verbonden (Gal. 6: 10) en voornamelijk zijn huisgenoten, die hem het naaste zijn, namelijk, vrouw en kind, niet verzorgt met datgene, waarvan zij na zijn dood kunnen leven, die heeft het geloof verloochend, de heiligste band, die hem met deze verbindt en is erger dan een ongelovige, een heiden, omdat hij zelfs de banden van de natuur verloochent, die reeds een heiden weet te eren (MATTHEUS. 5: 46).
Als van iemand wordt gezegd dat hij de zijnen en zijn naasten bloedverwanten, zijn huisgenoten, de nodige verzorging niet geeft, kan niet bedoeld zijn, waaraan de uitleggers hier veelal denken, wat kinderen aan hun moeder, of kleinkinderen aan hun grootmoeder schuldig zijn (vs. 4). Men moet hier denken aan een huisvader, die niet voor vrouw en kinderen zorgt, dat zij na zijn dood kunnen leven, van zo een wordt gezegd, dat hij het geloof heeft verloochend, omdat toch reeds de gemeenschap van het geloof hem moest dringen te zorgen voor de zijnen, die door de band van het geloof met hem verbonden zijn. Verder wordt van hem gezegd dat hij minder is dan een ongelovige, omdat een niet-Christen, die niet zo’n band, als die van het Christelijk geloof met de zijnen verbindt, reeds om de natuurlijke verwantschap voor hen zorgt. Hier wordt dus gedoeld op dat geval, dat iemand vrouw en kinderen onverzorgd achterlaat, terwijl hij wel voor die had kunnen zorgen. De apostel wil voorkomen dat een weduwe door de schuld van hem, die voor haar had kunnen zorgen, hulpeloos achterblijft en zonder noodzakelijkheid van de gemeente tot last worde.
Ook daarom heeft God de eenheid geregeld door verwantschap, opdat wij velerlei aanleiding zouden hebben om elkaar goed te doen.
Dat een weduwe in de klasse van de presbyteressen of ere-weduwen gekozen wordt niet minder dan van zestig jaren en altijd slechts iemand die vrouw van één man geweest is 1Ti 3: 2.
Die getuigenis heeft van goede werken (Tit. 3: 14). Om de goede werken, die ik bedoel, door enkele voorbeelden aan te wijzen: als zij kinderen opgevoed heeft en zich daardoor behalve de eer van huisvrouw ook die van moeder verworven heeft (vs. 14; 2: 15; 3: 4, 12, als zij graag heeft geherbergd (Rom. 12: 13 Hebr. 13: 2. 1 Petrus 4: 9, a) als zij de voeten van de heiligen heeft gewassen Joh 13: 15, als zij de verdrukten genoeg hulp gedaan heeft, degenen, die in nood waren, hulpvaardig heeft bijgestaan, als zij alle goed werk nagetracht heeft, zich in haar vroeger leven op al wat goed is heeft toegelegd, het dienen van de liefde tot haar werk heeft gesteld en het niet maar nu en dan, als zij zin had, ter hand heeft genomen.
Gen. 18: 4; 19: 2
“Laat geen weduwe gekozen worden, of op de lijst worden geplaatst” – op welke? Niet op die van hen, die uit de kas van de gemeente ondersteund moesten worden, zoals vele uitleggers aannemen. Van dezen is reeds in vs. 3-8 gesproken en bij de voldoende voorwaarde vs. 3 : “die echt weduwen zijn”, zouden dan hier nieuwe zeer bemoeielijkend bijkomen, ja, nauwkeurig beschouwd, onbillijke, welke met de Christelijke barmhartigheid in strijd waren, omdat bijvoorbeeld een weduwe beneden 60 jaren de ondersteuning evenzo zou kunnen behoeven en waardig zijn. Ook konden de verdiensten in vs. 10 genoemd, die overigens voor een deel een zeker welvaren veronderstellen, niet van alle weduwen, die ondersteund werden, geëist worden. Tenslotte kan het: “neem de jonge weduwen niet aan” in vs. 11 onmogelijk gezegd zijn met het oog op de ondersteuning. Ook niet, zo als anderen willen, van het werk van diakonessen (Hoofdstuk 3: 11). Voor deze dienst is de 60jarige leeftijd ongepast; ook nam men daartoe niet alleen weduwen, maar ook maagden. Ten slotte wordt in vs. 12 verondersteld dat de weduwen van die soort, waarvan sprake is, beloofden, niet weer te huwen, dat van geen toepassing was op de diakonessen. Daarom moeten wij met Chrysostomus en anderen het “verkozen worden” verklaren van de opname in de orde van de ere-weduwen, in de klasse van de presbyteressen (oudste, in Tit. 2: 3 presbutidai “oude vrouwen” genaamd) d. i. zodanige weduwen, die enigermate voor haar geslacht waren, wat de presbyters of oudsten waren, die in de vergadering van de gemeente op een bijzondere plaats zaten naast die en wel ongedekt (vgl. 1 Kor. 11: 10) en een soort van opzicht hadden over het vrouwelijk deel van de gemeente, in het bijzonder over weduwen en wezen. Zij legden bij de opname de belofte af van voortdurende weduwenstaat, werden met de vestis vidualis (weduwenkleed) bekleed en door handoplegging gewijd. Deze instelling is voldoende bevestigd door Chrysostomus. Epiphanius en het eerst door Tertullianus aan het einde van de 2de eeuw.
De eerste eis aan een weduwe gesteld, om onder de geëerde weduwen van de gemeente te worden opgenomen is, dat zij minstens zestig jaren oud zij; waarom dat? Ten eerste, omdat men de ereplaats aan geen weduwe wilde toekennen, die niet reeds door haar ouderdom eerwaardig was en in de tweede plaats, omdat men niet wenste, dat zo’n weduwe nog eens zou huwen.
Verder lezen wij dat iemand, die onder deze zou mogen worden opgenomen, uit de huwelijksstaat moest zijn gekomen, waarin zij de vrouw van één man geweest was en dat zij de getuigenis moest hebben van een leven in goeddoen doorgebracht. Omdat de apostel in vs. 14 geheel in het algemeen als zijn wil voorstelt dat jongere weduwen weer huwen, kan hij met de uitdrukking “vrouw van een mand” niet hebben bedoeld dat zij, die kon worden opgenomen slechts eenmaal getrouwd mocht zijn geweest, maar hij kan het alleen in die zin hebben bedoeld, waarin wij het “een man van een vrouw” in Hoofdstuk 3: 2 en 12 verstonden. Hij stelt iets tot voorwaarde, wat met de andere eis, dat zij de getuigenis heeft van een leven in weldoen doorgebracht, gelijksoortig is en wel in zo verre van gelijke aard, dat het niet meer is dan hetgeen van een rechtschapen Christin verlangd moet worden.
Ook hier ziet men deze uitdrukking bepaald (want het hebben van vele mannen kwam noch bij de Joden, noch bij de Grieken of Romeinen voor) op de toen zo gewone, lichtzinnige echtscheidingen. Een vrouw, die met meer dan één man in echtelijke betrekking staat, die dus ook na de dood van de laatste man, nog aan de vroegere verbonden is, mag in geen geval onder de weduwen van de gemeente worden opgenomen, een verordening, waarvan de noodzakelijkheid bij de eerste oogopslag blijkt, omdat zulke betrekking de oneerbaarheid kweekt.
Maar neem de jonge weduwen niet aan, laat dezen niet worden opgenomen (vs. 9), want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zodat haar het leven in uitsluitende dienst van de Heere Jezus niet meer behaagt, maar zij naar zinnelijk genot terugverlangen, dan willen zij huwen.
Hebbende, als zij de eerste de beste gelegenheid aangrijpen om uit de ere-staat van de weduwen uit te treden, haar oordeel, zodat met recht haar een verwijt treft, omdat zij haar eerste geloof, toen zij bij haar intreden in die erestaat beloofde Christus alleen te leven en te dienen, teniet hebben gedaan.
En meteen ook leren zij ledig, zonder lust om haar plicht te doen, in lusten leven en ten gevolge daarvan omgaan bij de huizen ter verdrijving van de tijd, om wat nieuws te horen en te zeggen; en zij zijn dan niet alleen ledig, maar ook naar het karakter van haar geslacht a) klapachtig en ijdele dingen doende en zoals het bij dat praatzieke noodzakelijk het geval wordt, veeleer sprekende hetgeen niet betaamt, omdat zij wat hier plaats heeft, daar uitbreiden en omgekeerd, bovendien veel onbetamelijks over de lippen laten gaan.
Tit. 2: 3
Men ziet, de apostel oordeelt streng over de jonge weduwen; de staat van diegenen is zeker een bijzonder gevaarlijke en vol verzoekingen. De schilderij is zo uit het leven genomen, dat men nauwelijks kan geloven dat de schrijver alles slechts hypothetisch zegt: hij heeft hier zonder twijfel bepaalde, concrete ervaringen op het oog. Het zal op de volgende manier zich hebben toegedragen: een jonge weduwe denkt in de eerste hevige smart over de dood van haar man, van de wereld geheel afgestorven te zijn; zij verbindt zich tot het ascetische leven van de geëerde weduwen van de gemeente (vs. 5) en belooft daarmee niet meer te huwen, omdat een weder huwen haar geheel onmogelijk schijnt. Nu verzacht echter langzamerhand de smart, de vreugde van het leven ontwaakt weer, zij vindt zich in de staat van de weduwen te benauwd. zij wordt ontevreden en mismoedig. Eindelijk verbreekt zij de boeien en huwt weer, misschien op minder passende wijze. Zo is zij in de gemeente veracht en zelf niet gelukkig.
Ik wil dan (Hoofdstuk 2: 8), dat de jonge weduwen, die de gave van de onthouding niet hebben, huwen, als zij daartoe goede gelegenheid vinden (1 Kor. 7: 9), kinderen telen (Hoofdstuk 2: 15), het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij van het Christelijke geloof (Fil. 1: 28) geven en dus een roeping vervullen, die beter met haar jaren overeenkomt, dan de weduwenstaat, die met zoveel gevaren voor haar verbonden is.
Want enigen, die uitwendig zich aan de weduwenstaat vast wilden houden, zonder de gave daartoe te bezitten, hebben zich al afgewend van de juiste weg achter de satan, die met zijn verleidingen tot zinnelijke begeerlijkheden haar ertoe gebracht heeft om haar staat door ontuchtige wandel te schandvlekken.
Uit noodzakelijkheid en welmenend zegt de apostel over jonge weduwen: “ik wil, dat zij huwelijken enz. ” Men ziet echter voldoende, dat het hem daarbij meer te doen is om een juk voor haar tot het breken van de begeerte en van haar macht, dan om voldoening aan de begeerte.
De schijnbare tegenspraak, die daarin gelegen is, dat de apostel op deze plaats aan de jonge weduwen de raad geeft een tweede huwelijk te sluiten, terwijl hij in 1 Kor. 7: 32 vv. op gehele andere manier spreekt, heeft (volgens vs. 16) zijn grond in bepaalde omstandigheden, waarvoor maatregelen van orde en tucht noodzakelijker waren dan het voorhouden van een verheven Christelijk ideaal, dat voor velen in de gemeente geheel onbereikbaar was.
Als enig gelovig man of gelovige vrouw, een mannelijk of vrouwelijk lid van de gemeente, in zijn huis weduwen heeft, dat die haar genoeg hulp doet en dat de gemeente niet bezwaard wordt, alsof die verplicht was haar te verzorgen, opdat zij degenen, die echt weduwen zijn, zoals die in vs. 5 worden voorgesteld, genoeg hulp doen mag en deze door de gemeente voldoende verzorgd kunnen worden.
Dit vers staat in een gelijke betrekking tot vs. 9-15 als vs. 8 tot 3-7.
Waarschijnlijk heeft de apostel hier jonge weduwen op het oog en geeft tot de vermaning, dat haar naastbestaanden voor haar onderhoud moeten zorgen, aanleiding dat vele dergelijke weduwen de opname in de kerkelijke weduwenstand in economische redenen zochten. De betrekking bij “gelovig man of gelovige vrouw” is daarom zeker een andere, dan bij vs. 4 namelijk die van vader of moeder, van oom of tante, niet die van kinderen tot moeders of grootmoeders.
Men ziet uit de gehele afdeling, hoe in die tijd de behoefte aan organisatie van de gemeenten reeds zeer levendig werd gevoeld. Er moesten bepalingen in het leven worden geroepen die verhinderden dat een verlaten weduwe gebrek leed en bewerkten dat aan elke ware weduwe de haar toekomende eer werd gegeven. In de broedergemeente is zo’n organisatie op voorbeeldige manier voortgezet.
a) Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, zodat bij de eer, die aan hun ambt reeds toekomt, nu ook die wegens goede ambtsbediening wordt toegevoegd. Voornamelijk wordt die gegeven aan die oudsten, die arbeiden in het woord en de leer, die door prediking van het woord van God en door onderwijzing in de Christelijke waarheid (Hand. 13: 1. 2 Tim. 2: 2 vv. en 8 vv.) zich nog in het bijzonder verdienstelijk over de gemeente maken.
Rom. 15: 27. 1 Kor. 9: 11 1 Thessalonicenzen. 5: 12
Bij deze vergeet men dan niet voor hun levensonderhoud te zorgen, wat eveneens tot de hun toekomende eer behoort (vs. 3. Gal. 6: 6); want de Schrift zegt (Deut. 25: 4): “Een dorsende os zult u niet muilbanden” en in dat spreekwoord, waarvan de Heere zelf Zich in Luk. 10: 27 bedient, wordt gezegd: a) “De arbeider is zijn loon waard” (vgl. 1 Kor. 9: 9 en 14).
Lev. 19: 13 Deut. 24: 14 MATTHEUS. 10: 10
De apostel gaat over tot een nieuwe onderrichting, die echter met de vorige ten nauwste verbonden is. Zullen de behoeftigen in de gemeente op de juiste manier ondersteund worden, dan is het van belang dat de gemeente op de juiste manier wordt geleid en weer kan het laatste onmogelijk geschieden, zolang niet de waardige opzieners in haar midden worden geëerd, de onwaardigen uit haar midden verwijderd worden. Zo ziet Paulus zich vanzelf de gelegenheid aangeboden om aan Timotheus ook hierover belangrijke wenken te geven, waarbij het in de aard van de zaak ligt dat voorschriften als die, die hier volgen, hoewel die direct aan Timotheus zelf gericht zijn, toch, ten minste gedeeltelijk, bij voorkomende gelegenheden door hem van de gemeente moeten worden ingescherpt.
Wat de apostel wil zeggen met de woorden: “dat de ouderlingen, die goed regeren, dubbele eer waardig geacht worden”, is dit: Is reeds het ambt van ouderling op zichzelf eerwaardig, dan is een man, wie het heilige ernst is met zijn ambt, niets slechts om zijn ambt, maar ook om zijn persoonlijke arbeid te eren. En is dit niet een zeer juist woord? De geestelijke heeft aanspraak op achting om zijn ambt. Hij moet zijn ambt niet laten verachten, het allerminst in een verkeerd begrepen vrijzinnigheid, die in frivoliteit ontaardt, aan de verachting overgeven. Hij moet er echter met alle vlijt naar streven zo te zijn, dat hem ook persoonlijke achting kan worden betoond; dat bereikt hij het best door nauwgezette plichtsbetrachting.
Wat de roeping van de oudsten was, geven de namen: “arbeider, herder, opziener” te kennen. Die bestond in het acht geven op de gemeente, in het weiden van de kudde van Christus, d. i. vooral in de algemene en bijzondere zorg voor de zielen en in verband daarmee in de leiding van de belangen van de gemeente in het algemeen. Het openbare leraarsambt was in de apostolische tijd niet hun bijzondere roeping, omdat het toen nog niet de vorm had verkregen van een geordend ambt, maar nog voor ieder lid van de gemeente, dat de gave daartoe had, openstond en daarom voornamelijk werd waargenomen door hen, die men om hun bijzondere gaven profeten en leraars noemde. Toch moest deels het indringen van dwaalleraars, dat door het algemeen recht tot prediking gemakkelijker was, vroeg de wens opwekken, dat ook het predikambt in de regel door de oudsten werd waargenomen. Deze plaats leert evenzeer, dat de dienst in het woord oorspronkelijk en wezenlijk geen zaak was van de oudsten, als ook dat die het hoe langer hoe meer werd, omdat de behoefte aan een vaste regeling ook hiervoor werd gevoeld.
De eis om de vererende erkenning van de taak van de oudsten, bijzonder van hen, die arbeiden in het woord en de leer, onder zekere omstandigheden in het schenken van gaven te laten bestaan, wordt gegrond op een woord van de Schrift en op een spreekwoord. Als een spreekwoord is namelijk de zin achter “en” aan het voorgaande aangesloten, dat aangehaald woord met de woorden “de Schrift zegt” en niet als een tweede woord van de Schrift, zoals velen gemeend hebben, bij die aanhalingsformule geplaatst. Het woord van het Oude Testament biedt niet zo’n plaats aan en de spreuk in MATTHEUS. 10: 10 Luk. 10: 7 wordt niet als woord van de Schrift, maar als een uitspraak van de Heere (Hand. 20: 35. 1 Kor. 9: 14) aangewezen.
Christus zelf schijnt het woord op de aangehaalde plaatsen te gebruiken als een spreekwoord, als een reeds bestaande en bekende uitdrukking.
Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen (Deut. 19: 15 MATTHEUS. 18: 16. 2 Kor. 13: 1).
Bestraf die zondigen, die op verkeerde wegen gaan, zodat het bij hen niet meer een enkele misslag is, maar een doorgaand slechte wandel, in tegenwoordigheid van allen, voor al de andere oudsten, opdat ook de anderen vrees mogen hebben, waarvan deze en anderen wellicht reeds tot verkeerde wegen neigen (Deut. 17: 13).
Nadat Paulus Timotheus heeft geleerd, hoe hij zich over waardige presbyters of oudsten moest gedragen, gaat hij er nu toe over, om diens houding ten opzichte van onwaardigen nader te bepalen.
Tegen een opziener van de gemeente moest Timotheus, die in die tijd in de plaats van de apostel over het gehele leven van de gemeente moest waken, een aanklacht niet anders aannemen dan in tegenwoordigheid van twee of drie getuigen. Deze moeten tegenwoordig zijn bij het aannemen van de aanklacht, niet om te bevestigen wat die inhield, maar om te horen wat de aanklager zei. Zo iemand moest dus weten dat hij, bij hetgeen hij Timotheus aanbracht, niet met hem onder vier ogen te doen had. Daardoor moest voorkomen worden dat boze aanklachten, waardoor men een oudste bij Timotheus in verdenking wilde brengen, achterwege bleven. En aan de andere kant moesten de oudsten niet bezorgd zijn, dat hij door aanklachten in het geheim, die hij bedekt zou hebben kunnen houden, tegen hen ingenomen zou zijn. In vs. 20 wordt er verder over gehandeld dat Timotheus het niet onder vier ogen mag opmaken. Hij moet namelijk die oudsten, die op verkeerde wegen gaan, wat iets anders is dan een enkele misslag, niet onder vier ogen, maar in tegenwoordigheid van al de oudsten bestraffen.
Omdat omwille van de gehele gemeente alsmede met het oog op persoonlijke verdienste, de presbyter in zijn aanzien en zijn invloed bijzonder moest worden in bescherming genomen, was het doelmatig elke verdachtmaking zoveel mogelijk te voorkomen. In een zo talrijke, gemengde gemeente nu als die te Efeze was, kon makkelijk het geval voorkomen, dat de een of ander, hetzij uit gekrenkt eergevoel, of uit partijzucht, of uit andere zelfzuchtige belangen, de presbyter leed wilde veroorzaken en hem van zijn invloed wilde beroven. Daartegen gaf het voorschrift van de apostel, om tegen een oudste een aanklacht alleen voor twee of drie getuigen aan te nemen het beste verzekeringsmiddel.
Ten opzichte van de behoorlijke tucht, die volgens Gods woord ook over de opzieners van de gemeente moet worden uitgeoefend, moeten dadelijk twee klippen ten zeerste worden vermeden. Het spioneren, het intimideren, verdachtmaking en veroordeling, ook om de geringste kleinigheden, heeft ten allen tijde bittere vruchten gedragen; maar evenmin kon een zegen rusten op dat morele latitudinarisme en die verkeerde toegeeflijkheid, die aan de andere kant op dit gebied niet zelden voorkomen.
Even omzichtig als Timotheus moest zijn bij het aannemen van beschuldigingen tegen de oudsten, zo scherp moest hij te werk gaan bij hun bestraffing. Niet daardoor wordt de waardigheid van het ambt opgehouden, dat het falen van de geestelijken worden bedekt en verschoond, maar dat zij vooral ernstig worden bestraft. Daardoor ontvangen ook de overige Christenen een te diepere indruk van de ernst van de goddelijke waarheid en van de heiligheid van de kerkelijke tucht.
Men heeft gevraagd of Timotheus niet verplicht was, de regels ten opzichte van de oudsten hem gegeven, ook op de andere leden van de gemeente toe te passen. Daarop moet worden geantwoord dat aanklachten tegen andere leden van de gemeente zeker niet dadelijk voor Timotheus gebracht zijn, maar door de oudsten ten einde werden gebracht. Het behoorde tot zijn ambt de leiding van de presbyters ter harte te nemen.
a) Ik betuig, bezweer u (2 Tim. 4: 1; 2: 14) voor God en de Heere Jezus Christus en de uitverkoren engelen, die voor Zijn troon zijn (Openbaring 5: 11 Dan. 7: 10), dat u deze dingen, die ik u in de voorgaande verzen heb gezegd, onderhoudt b) zonder vooroordeel, zonder u enigszins door eigen oordeel tot afwijking van deze regels te laten vervoeren, niets doende naar toegenegenheid, naar genot, maar alles naar de u gegeven voorschriften.
Rom. 1: 9; 9: 1. 2 Kor. 1: 23; 11: 31 1 Thessalonicenzen. 2: 5; 5: 27. 1 Tim. 6: 13 b) Deut. 17: 4. 19: 18
Zoals uit meer aanwijzingen kan worden opgemaakt, was Timotheus angstvallig en vreesachtig van karakter, als hij tegenover anderen moest optreden (1 Kor. 16: 10). Daarbij kwam zijn jeugd (Hoofdstuk 4: 12 en “1Th 3: 5. Daarom moest het hem zeer moeilijk voorkomen zo’n voorschrift op te volgen, als de apostel in vs. 20 hem geeft. Het was hem aangenamer te verontschuldigen en te verzachten, dan te straffen, bovenal in aller tegenwoordigheid. Daarom laat Paulus hier een bezwering volgen, om van het voorschrift toch niet af te wijken en zijn eigen goeddunken te volgen. Timotheus was de plaatsbekleder van Paulus en nu moest hij werkelijk diens plaats innemen en handelen, zoals deze zou handelen als hij zelf tegenwoordig was. Dat de apostel nu ook met de manier, waarop Timotheus zijn werk heeft volbracht, in hoofdzaak tevreden was, blijkt daaruit, dat hij later het opzicht over de gemeente te Efeze hem nogmaals heeft opgedragen 2Ti 1: 2, bovendien ook daaruit, dat hij in Hand. 20: 31 van drie jaren van zijn werkzaamheid te Efeze spreekt en dus hetgeen Timotheus als zijn plaatsvervanger gedurende de afwezigheid van vijf maanden (“Ac 19: 10” en “Ac 19: 20 heeft gedaan als zijn eigen ambtsbediening in rekening brengt en wel als een in zo grote getrouwheid ook de ouderlingen betoond, dat hij dag en nacht niet heeft opgehouden een ieder met tranen te vermanen. Zo verkrijgt onze mening over de tijd, waarin deze eerste brief aan Timotheus is geschreven een getuigenis voor haar juistheid, al is het ook op indirecte wijze, door het eigen woord van de apostel.
a) Leg niemand haastig de handen op, zodat u bij slechts oppervlakkige kennis en alleen in goed vertrouwen, dat iemand het goed zal maken, hem tot ouderling zou aanstellen, zonder dat u voor de getrouwe vervulling van die roeping enigen waarborg heeft en heb geen gemeenschap aan zonden van anderen, doordat u zich naar gedrag van anderen zou richten, of voor hun kwaad de ogen zou sluiten, al is het ook nog niet openbaar geworden (vs. 24). Bewaar uzelf rein van schuld (2 Kor. 7: 11), wanneer u ook niet teweeg kunt brengen dat ook anderen zichzelf eveneens rein bewaren.
Hand. 6: 6; 8: 17; 13: 3; 19: 6. 1 Tim. 4: 4. 2 Tim. 1: 6
Drink niet langer, zoals u tot hiertoe deed, water alleen, zodat u zich in al te grote strengheid voor uzelf alleen tot het genot van deze drank zou beperken, maar gebruik ook bij uw dagelijkse maaltijd een beetje wijn, a) om uw maag, die zo’n versterking nodig heeft en om uw menigvuldige zwakheden. U bent om uw ambt verplicht te trachten die zwakheid van het lichaam te boven te komen, omdat deze u niet zelden in het krachtig uitoefenen van uw werkzaamheden verhindert.
Ps. 104: 15
Van sommige mensen zijn de zonden van te voren, voordat Gods gericht aan het licht brengt wat in het duistere geschied is, a) openbaar en gaan vóór, komen eerder aan het licht, tot hun veroordeling en in sommigen, vooral bij die, tot wier ontdekking een scherp geestelijk oog nodig is, volgen zij na, worden de zonden dan pas openbaar, als de Heere gericht houdt, of ze uit de kwade gevolgen voor de wereld kenbaar maakt.
Gal. 5: 19
Zo ook de goede werken zijn van te voren openbaar, zij moeten reeds in deze tijd door de mensen opgemerkt worden en daar het anders mee gelegen is, die door miskenning en verkleining worden verduisterd, of door leugen en laster tot het tegengestelde gemaakt, kunnen niet verborgen worden, moeten toch eens in hun waarde worden erkend.
Omdat de apostel hier zonder enige nadere bepaling spreekt van het opleggen van de handen (Hand. 6: 6; 8: 17; 13: 3 “Ge 48: 4” en “Le 1: 4 ligt het voor de hand, in verband met het voorafgaande te denken aan de inwijding van het ouderlingschap. De handoplegging was niet alleen het middel tot mededeling van de geestelijke gaven, maar tevens een erkenning en van de kant van hen, die de handen oplegden, tevens een verklaring voor de geordende verantwoordelijk te willen zijn. Was nu deze een onwaardige, dan trad de ander in gemeenschap van de schuld, die de geordende zich op de hals haalde door nalatigheid, door het geven van ergernis enz. Zo zou reeds hieruit de waarschuwing, die volgt op: “leg niemand haastig de handen op”, namelijk “heb geen gemeenschap aan zonden van anderen”, te verklaren zijn. Gaf namelijk Timotheus door het opleggen van de handen een getuigenis van waardigheid en achtbaarheid en als het nu later bleek, dat hij zich door overijling in de persoon vergist had, dan had hij zichzelf te wijten dat hij enigermate voor de gevolgen van diens zonde verantwoordelijk was. Intussen kunnen wij toch met deze opvatting, die wij hier met van Oosterzee’s woorden hebben wedergegeven, niet tevreden zijn. Niet zonder reden heeft Luther vertaald: “heb ook geen en” in plaats van “en heb geen en; ” want het woord, dat in de grondtekst staat geeft te kennen dat de apostel tot iets anders overgaat, al is het ook iets verwante. Zo zou de zin willen zeggen, dat Timotheüs niet in verkeerde collegialiteit zich zonder onderscheid als een mede-ouderling van de door handoplegging geordende ouderling moest beschouwen (1 Petr. 5: 1) en zonder eigen scherp onderzoek hun gedrag daarom voor onaanstotelijk en als door hem navolgbaar moest aanzien, omdat er niets verkeerds van in het oog viel en de corpsgeest eiste zich aan ambtgenoten in alle geoorloofde zaken gelijk te stellen. Er kan toch wel in een schijnbaar onaanstotelijke handeling, die men zonder bedenking zou menen te kunnen volgen, iets zondigs verborgen liggen, zodat, als men hetzelfde gedrag volgt, men zich zonden van anderen ook deelachtig zou maken. Daarop doelt de apostel met hetgeen hij in vs. 24 ter overdenking geeft: “van sommige mensen zijn de zonden van te voren openbaar en gaan voor tot hun veroordeling; en in sommigen ook volgen zij na. ” In hoeverre hij dat met het oog op het gedrag van de oudsten te Efeze kan hebben gezegd, blijkt uit hetgeen hij in vs. 23 Timotheüs voorschrijft: “drink niet langer water alleen”, maar gebruik een beetje wijn om uw maag en uw menigvuldige zwakheden. ” Zoals wij dat reeds uit Hoofdstuk 4: 7 v. konden besluiten, was de neiging om aan lichamelijke kastijding een valse waarde te hechten, hem niet vreemd. Bij de apostel had hij dat niet geleerd, maar deze bedoelde het anders, als hij zijn lichaam bedwong en het tot dienstbaarheid bracht (1 Kor. 9: 27); waarschijnlijk hebben zij onder de Efezische ouderlingen, die acht gaven op fabelen en geslachtsregister van hen, die anders leerden (Hoofdstuk 1: 3 v.), zich op lichamelijke oefening (Hoofdstuk 4: 8) toelegden, hem door hun handelwijze medegesleept. Timotheus wilde bij hen niet achterblijven, wat de ingetogenheid en het onthouden van onheilige zaken van deze wereld aangaat, wellicht wilde hij zelfs boven hen uitsteken, als hij bepaald alleen water dronk en zich geheel onthield van het genot van wijn; hij werd echter daardoor in gemeenschap met de ascetisch gezinde Christenen slechts een voorganger voor hen, die later naar Hoofdstuk 4: 1 vv. zouden handelen. Dat nu die ouderlingen zich aan zo’n weg bereiden schuldig maken, zal hij niet kunnen verhinderen, ja hij zal ze niet eens kunnen overtuigen, dat hun lichamelijke oefening reeds een begin is van het kwaad, dat later zal komen. De zonden van sommige mensen worden juist pas daarna openbaar, of, zoals er woordelijk staat enigen volgen hun zonden na en brengen hun vrucht op een tijd tot rijpheid, wanneer zij zelf niet meer in leven zijn. Maar hij mag zich aan deze zonden, die voor de toekomst rijpen, niet deelachtig maken, maar moet zichzelf rein houden van medeplichtigheid. Daarom raadt de apostel hem een andere levenswijze aan dan de tot dusver gevolgde, die ten opzichte van hem zelf alleen daartoe dient, dat hij om de lichamelijke oefening een middel verzuimt dat God heeft gegeven om zijn krachten te sterken tot het werk van zijn bediening, dat hem was opgedragen, ten opzichte van de gemeente de grond hielp voorbereiden, waarop dan de latere dwaalleraars, die de wijn voor duivelsbloed verklaarden en in de gehele onthouding daarvan een noodzakelijke voorwaarde zouden zien tot verkrijging van de zaligheid, het zaad van onkruid zouden kunnen uitstrooien. Is hetgeen wij hier als de zin van vs. 22-24 hebben ontwikkeld, juist, dan zou vs. 24 beter na vs. 22 geplaatst zijn en vs. 23 zou dan op de laatste plaats komen te staan; maar Paulus wil in het gezegde in vs. 24 bijvoegen ten opzichte van de goede werken, die niet in nader verband staat met hetgeen hij zo-even Timotheus heeft voorgehouden, maar waarmee hij in die omstandigheid zichzelf troost, waarin hij zich bevindt, tijdens hij de brief schrijft. Hij schrijft onder de indruk van de treurige omstandigheden, die hij in Corinthiërs heeft gevonden en die hij toch voor het ogenblik niet kan veranderen Ac 19: 20. En wat hij schrijft stemt te zeer overeen met hetgeen wij in 1 Kor. 4: 1 vv. lezen, dan dat wij zouden kunnen nalaten eraan te denken, dat de eerste brief van Timotheus en de eerste aan Corinthiërs niet lang na elkaar zullen geschreven zijn. Terwijl wij de verklaringen van latere uitleggers over deze moeilijke plaats onbevredigend bevonden, heeft daarentegen tot deze opvatting Luthers kanttekening ons goede diensten gedaan. “Van enige ketters en boze mensen is het wezen zo openbaar, dat zij niemand met huichelen kunnen bedriegen, enigen bedriegen een poos, maar ten slotte komt het toch aan het licht. Omgekeerd, sommigen leren en leven godzalig, zodat het openbaar is en ieder het erkent, het spreken en handelen van enigen kan men niet goed achten, tot later de tijd openbaar maakt, dat het goed geweest is.”
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel