Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Voorts, broedersG80, ik maakG1107 uG4771 bekendG1107 het EvangelieG2098, datG3739 ik u verkondigdG2097 heb, hetwelkG3739 gij ookG2532 aangenomenG3880 hebt, inG1722 hetwelkG3739 gij ookG2532 staatG2476;
Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;
KJV
Moreover,2
brethren,4
I declare1
unto you
the gospel6
which7
I preached8
unto you,
which10
also11
ye have received,12
and15
wherein13
ye stand;16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DoorG1223 hetwelkG3739 gij ookG2532 zaligG4982 wordt, indienG1487 gij het behoudtG2722 op zodanigeG5101 wijzeG3056, als ik het uG4771 verkondigdG2097 heb; tenzijG1622 dan dat gij tevergeefsG1500 geloofdG4100 hebt.
Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.
KJV
By1
which2
also3
ye are saved,4
if9
ye keep10
in memory what5
I preached7
unto you,
unless11
ye have believed15
in vain.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Want ik heb ulieden ten eersteG4413 overgegevenG3860, hetgeenG3739 ik ookG2532 ontvangenG3880 heb, dat ChristusG5547 gestorvenG599 is voor onze zondenG266, naarG2596 de SchriftenG1124;
Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
KJV
For2
I delivered1
unto you
first of all4
that which6
I8
➔ also7
received,
how9
that Christ10
died11
for12
our
sins14
according16
to the scriptures;18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En dat Hij is begravenG2290, enG2532 datG3754 Hij is opgewektG1453 ten derdenG5154 dageG2250, naarG2596 de SchriftenG1124;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;
KJV
And1
that2
he was buried,3
and4
that5
he rose again6
the third8
day9
according10
to the scriptures:12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG2532 datG3754 Hij is van CefasG2786 gezienG3708, daarna van de twaalvenG1427.
En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.
KJV
And1
that2
he was seen
of Cephas,4
then5
of the twelve:7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Daarna is Hij gezienG3708 van meer danG1161 vijfhonderdG4001 broedersG80 op eenmaalG2178, vanG1537 welkenG3739 het merenG4119 deel nog over is, en sommigenG5100 ookG2532 zijn ontslapenG2837.
Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren deel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.
KJV
After that,1
he was seen
of above3
five hundred4
brethren5
at once;6
of7
whom8
the greater part
remain11
unto12
this present,13
but15
some14
are fallen asleep.17
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarna is Hij gezienG3708 van JakobusG2385, daarna van alG3956 de apostelenG652.
Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.
KJV
After that,1
he was seen
of James;3
then4
of all7
the apostles.6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG1161 ten laatsteG2078 van allenG3956 is Hij ook van mij, als van een ontijdig geboreneG1626, gezienG3708.
En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.
KJV
And2
last1
of all3
he was seen
of me also,8
as4
of one born out of due time.6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantG1063 ikG1473 benG1510 de minsteG1646 van de apostelenG652, dieG3739 nietG3756 waardigG2425 benG1510 een apostelG652 genaamdG2564 te worden, daarom dat ik de GemeenteG1577 GodsG2316 vervolgdG1377 heb.
Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.
KJV
For2
I1
am3
the least5
of the apostles,7
that8
am10
not9
meet11
to be called12
an apostle,13
because14
I persecuted15
the church17
of God.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Doch door de genadeG5485 GodsG2316 benG1510 ik, datG3739 ik benG1510; en Zijn genadeG5485, die aanG1519 mij bewezen is, is nietG3756 ijdelG2756 geweestG1096, maar ik heb overvloedigerG4054 gearbeidG2872 danG1161 zij allenG3956; doch niet ik, maar de genadeG5485 GodsG2316, Die met mij is.
Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.
KJV
But2
by the grace1
of God3
I am4
what5
I am:6
and7
his10
grace9
which was bestowed upon12
me
was16
not14
in vain;15
but17
I laboured21
more abundantly
than they19
all:20
yet24
not22
I,13
but25
the grace27
of God29
which8
was with31
me.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Hetzij danG3767 ikG1473, hetzij zijliedenG1565, alzoG3779 predikenG2784 wij, enG2532 alzoG3779 hebt gij geloofdG4100.
Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.
KJV
Therefore2
whether1
it were I3
or4
they,5
so6
we preach,7
and8
so9
ye believed.10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
IndienG1487 nuG1161 ChristusG5547 geprediktG2784 wordt, datG3754 Hij uitG1537 de dodenG3498 opgewektG1453 is, hoeG4459 zeggenG3004 sommigenG5100 onderG1722 uG4771, datG3754 er geenG3756 opstandingG386 der dodenG3498 isG1510?
Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?
KJV
Now2
if1
Christ3
be preached4
that5
he rose8
from6
the dead,7
how9
say10
some11
among12
you
that14
there is
no17
resurrection15
of the dead?16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG1161 indien er geen opstandingG386 der dodenG3498 is, zo is ChristusG5547 ook niet opgewektG1453.
En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.
KJV
But2
if1
there be
no5
resurrection3
of the dead,4
then7
➔ is9
➔ Christ8
not
risen:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En indienG1487 ChristusG5547 nietG3756 opgewektG1453 is, zo is danG1161 onze predikingG2782 ijdelG2756, en ijdelG2756 is ookG2532 uw geloofG4102.
En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.
KJV
And2
if1
Christ3
be5
➔ not4
risen,
then7
is our
preaching9
vain,6
and13
your
faith15
is12
also
vain.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En zo worden wij ookG2532 bevondenG2147 valse getuigenG5575 GodsG2316; wantG3754 wij hebben van GodG2316 getuigdG3140, dat Hij ChristusG5547 opgewektG1453 heeft, DienG3739 Hij nietG3756 heeft opgewektG1453, zo namelijk de dodenG3498 nietG3756 opgewektG1453 worden.
En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden.
KJV
Yea,2
and3
we are found1
false witnesses4
of God;6
because7
we have testified8
of9
God11
that12
he raised up13
Christ:15
whom16
he raised18
➔ not17
up,23
if19
so be20
that the dead21
rise
not.22
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 indien de dodenG3498 nietG3756 opgewektG1453 worden, zo is ook ChristusG5547 niet opgewektG1453.
Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt.
KJV
For2
if1
the dead3
rise5
not,4
then is8
➔ not6
Christ7
raised:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG1161 indienG1487 ChristusG5547 nietG3756 opgewektG1453 is, zo is uw geloofG4102 tevergeefsG3152, zo zijtG1510 gijG4771 nog inG1722 uw zondenG266.
En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.
KJV
And2
if1
Christ3
be5
➔ not4
raised,
your
faith8
is vain;6
ye are
yet10
in12
your
sins.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Zo zijn dan ookG2532 verlorenG2837, die inG1722 ChristusG5547 ontslapenG622 zijn.
Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
KJV
Then1
they also2
which are fallen asleep4
in5
Christ6
are perished.7
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Indien wij alleenlijk in ditG3778 levenG2222 op ChristusG5547 zijnG1510 hopendeG1679, zo zijnG1510 wij de ellendigsteG1652 van alleG3956 mensenG444.
Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.
KJV
If1
in2
this
life4
only10
we have hope6
in8
Christ,9
we are
of all12
men13
most miserable.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Maar nu, ChristusG5547 is opgewektG1453 uitG1537 de dodenG3498, en is de EerstelingG536 gewordenG1096 dergenen, die ontslapenG2837 zijn.
Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.
KJV
But2
now1
is4
➔ Christ3
risen
from5
the dead,6
and become10
the firstfruits7
of them that slept.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantG1063 dewijl de doodG2288 doorG1223 een mensG444 is, zo is ookG2532 de opstandingG386 der dodenG3498 doorG1223 een MensG444.
Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.
KJV
For2
since1
by3
man4
came death,6
by8
man9
came also7
the resurrection10
of the dead.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
WantG1063 gelijk zij allenG3956 inG1722 AdamG76 stervenG599, alzoG3779 zullen zij ookG2532 inG1722 ChristusG5547 allenG3956 levendG2227 gemaakt worden.
Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
KJV
For2
as1
in3
Adam5
all6
die,7
even9
so8
in10
Christ12
shall14
➔ all13
be made alive.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
MaarG1161 een iegelijkG1538 inG1722 zijn ordeG5001: de eerstelingG536 ChristusG5547, daarna die van ChristusG5547 zijn, inG1722 Zijn toekomstG3952.
Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.
KJV
But2
every man1
in3
his own5
order:6
Christ8
the firstfruits;7
afterward9
they that are4
Christ's11
at12
his15
coming.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Daarna zal het eindeG5056 zijn, wanneer Hij het KoninkrijkG932 aan GodG2316 enG2532 den VaderG3962 zal overgegevenG3860 hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alleG3956 heerschappijG746, enG2532 alleG3956 machtG1849 enG2532 krachtG1411.
Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
KJV
Then1
cometh the end,3
when4
he shall have delivered up5
the kingdom7
to God,9
even10
the Father;11
when12
he shall have put down13
all14
rule15
and16
all17
authority18
and19
power.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WantG1063 Hij moetG1163 als Koning heersenG936, totdat Hij alG3956 de vijandenG2190 onderG5259 Zijn voetenG4228 zal gelegdG302 hebben.
Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
KJV
For2
he3
must1
reign,4
till5
he hath put7
all9
enemies11
under12
his15
feet.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
De laatsteG2078 vijandG2190, die te niet gedaan wordt, is de doodG2288.
De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.
KJV
The last1
enemy2
that shall be destroyed3
is death.5
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Want Hij heeft alle dingen Zijn voetenG4228 onderworpenG5293. DochG1161 wanneer Hij zegtG2036, datG3754 Hem alleG3956 dingen onderworpenG5293 zijn, zo is het openbaarG1212, datG3754 Hij uitgenomenG1622 wordt, Die Hem alleG3956 dingen onderworpenG5293 heeft.
Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.
KJV
For2
he hath put3
all things1
under4
his7
feet.6
But9
when8
he saith11
all things12
are put under13
him, it is manifest14
that15
he is excepted,16
which did put18
➔ all things21
under
him.19
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpenG5293 zijn, danG1161 zal ookG2532 de ZoonG5207 ZelfG846 onderworpenG5293 worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpenG5293 heeft, opdatG2443 GodG2316 zijG1510 allesG3956 inG1722 allen.
En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
KJV
And2
when1
all things6
shall be subdued3
unto him,4
then7
shall12
➔ the Son11
also8
himself9
be subject14
unto him that put
➔ all things17
under
him,15
that18
God21
may be
all23
in24
all.25
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
AndersG1893, watG5101 zullen zij doenG4160, die voor de dodenG3498 gedooptG907 worden, indienG1487 de dodenG3498 ganselijkG3654 nietG3756 opgewektG1453 worden? WaaromG5101 worden zij voor de dodenG3498 ookG2532 gedooptG907?
Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?
KJV
Else1
what2
shall they do3
which are baptized5
for6
the dead,8
if9
the dead11
rise13
not12
at all?10
why14
are they then baptized16
for17
the dead?19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
WaaromG5101 zijn ookG2532 wij alleG3956 ureG5610 in gevaarG2793?
Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?
KJV
And2
why1
stand4
➔ we
in jeopardy
every5
hour?6
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Ik sterfG599 alle dagenG2596, hetwelk ik betuig bij onzen roemG2251, dienG3739 ik hebG2192 inG1722 ChristusG5547 JezusG2424, onzen HeereG2962.
Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere.
Ook in dit vers
[betuig]G5212
KJV
I protest by4
your9
rejoicing7
which12
I have13
in14
Christ15
Jesus16
our
Lord,18
I die3
daily.1
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
ZoG1487 ik, naar den mensG444, tegen de beestenG2341 gevochten heb te EfezeG2181, watG5101 nuttigheidG3786 is het mij, indienG1487 de dodenG3498 nietG3756 opgewektG1453 worden? Laat ons etenG5315 enG2532 drinkenG4095, wantG1063 morgenG839 stervenG599 wij.
Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
KJV
If1
after the manner2
of men3
I have fought with beasts4
at5
Ephesus,6
what7
advantageth it10
me,
if11
the dead12
rise14
not?13
let us eat15
and16
drink;17
for19
to morrow18
we die.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
DwaaltG4105 nietG3361, kwadeG2556 samensprekingenG3657 verdervenG5351 goedeG5543 zedenG2239.
Dwaalt niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden.
KJV
Be2
➔ not1
deceived:
evil7
communications6
corrupt3
good5
manners.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
WaaktG1594 op rechtvaardiglijkG1346, enG2532 zondigtG264 nietG3361. WantG1063 sommigenG5100 hebbenG2192 de kennisG56 van GodG2316 niet. Ik zegG3004 het uG4771 totG4314 schaamteG1791.
Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.
KJV
Awake1
to righteousness,2
and3
sin5
not;4
for7
some9
have10
not the knowledge6
of God:8
I speak14
this to11
your
shame.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Maar, zal iemandG5100 zeggenG2046: HoeG4459 zullen de dodenG3498 opgewektG1453 worden, enG1161 met hoedanigG4169 een lichaamG4983 zullen zij komenG2064?
Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?
KJV
But1
some3
man will say,2
How4
are5
➔ the dead7
raised up?
and9
with what8
body10
do they come?11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Gij dwaasG878, hetgeenG3739 gij zaaitG4687, wordt niet levendG2227, tenzijG3362 dat het gestorvenG599 is;
Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;
KJV
Thou fool,1
that which3
thou2
sowest4
is6
➔ not5
quickened,
except
it die:9
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
EnG2532 hetgeenG3739 gij zaaitG4687, daarvan zaaitG4687 gij het lichaamG4983 nietG3756, dat wordenG1096 zal, maarG235 een blootG1131 graanG2848, naar het voorvaltG5177, van tarweG4621, of van enigG5100 der andereG3062 granen.
En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen.
KJV
And1
that which2
thou sowest,3
thou sowest9
not4
that body6
that shall be,8
but10
bare11
grain,12
it may chance13
of wheat,15
or16
of some17
other19
grain:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
MaarG1161 GodG2316 geeftG1325 hetzelveG846 een lichaamG4983, gelijk Hij wilG2309, en aan een iegelijkG1538 zaadG4690 zijn eigenG2398 lichaamG4983.
Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.
KJV
But2
God3
giveth5
it4
a body6
as7
it hath pleased him,8
and9
to every10
seed12
his own14
body.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
AlleG3956 vleesG4561 is nietG3756 hetzelfde vleesG4561; maar een anderG243 is het vleesG4561 der mensenG444, en een anderG243 is het vleesG4561 der beestenG2934, en een anderG243 der vissenG2486, en een anderG243 der vogelenG4421.
Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen.
KJV
All2
flesh3
is not1
the same5
flesh:6
but7
there is one8
kind of flesh10
of men,11
another12
flesh14
of beasts,15
another16
of fishes,18
and13
another19
of birds.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
En er zijn hemelseG2032 lichamenG4983, en er zijn aardseG1919 lichamenG4983; maar een andere is de heerlijkheidG1391 der hemelseG2032, en een andere der aardseG1919.
En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse.
KJV
There are also1
celestial3
bodies,2
and4
bodies5
terrestrial:6
but7
the glory13
of the celestial12
is one,8
and15
the glory of the terrestrial18
is another.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
Een andere is de heerlijkheidG1391 der zonG2246, enG2532 een andere is de heerlijkheidG1391 der maanG4582, enG2532 een andere is de heerlijkheidG1391 der sterrenG792; wantG1063 de ene sterG792 verschiltG1308 inG1722 heerlijkheidG1391 van de andere sterG792.
Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.
KJV
There is one1
glory2
of the sun,3
and4
another5
glory6
of the moon,7
and8
another9
glory10
of the stars:11
for13
one star12
differeth from15
another star14
in16
glory.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
AlzoG3779 zal ookG2532 de opstandingG386 der dodenG3498 zijn. Het lichaam wordt gezaaidG4687 inG1722 verderfelijkheidG5356, het wordt opgewektG1453 inG1722 onverderfelijkheidG861;
Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
KJV
So1
also2
is the resurrection4
of the dead.6
It is sown7
in8
corruption;9
it is raised10
in11
incorruption:12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Het wordt gezaaidG4687 inG1722 oneerG819, het wordt opgewektG1453 inG1722 heerlijkheidG1391; het wordt gezaaidG4687 inG1722 zwakheidG769, het wordt opgewektG1453 inG1722 krachtG1411.
Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
KJV
It is sown1
in2
dishonour;3
it is raised4
in5
glory:6
it is sown7
in8
weakness;9
it is raised10
in11
power:12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
Een natuurlijkG5591 lichaamG4983 wordt er gezaaidG4687, een geestelijkG4152 lichaamG4983 wordt er opgewektG1453. Er isG1510 een natuurlijkG5591 lichaamG4983, enG2532 er isG1510 een geestelijkG4152 lichaamG4983.
Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.
KJV
It is sown1
a natural3
body;2
it is raised4
a spiritual6
body.5
There is
a natural9
body,8
and10
there is
a spiritual13
body.12
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
AlzoG3779 is er ookG2532 geschrevenG1125: De eersteG4413 mensG444 AdamG76 is gewordenG1096 totG1519 een levendeG2198 zielG5590; de laatsteG2078 AdamG76 totG1519 een levendmakendenG2227 GeestG4151.
Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.
KJV
And2
so1
it is written,3
The first6
man7
Adam8
was made4
a living11
soul;10
the last13
Adam14
was made9
a quickening17
spirit.16
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
DochG235 het geestelijkeG4152 is nietG3756 eerstG4412, maarG235 het natuurlijkeG5591, daarna het geestelijkeG4152.
Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.
KJV
Howbeit1
that was not2
first3
which is spiritual,5
but6
that which is natural;8
and afterward9
that which is spiritual.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
De eersteG4413 mensG444 is uitG1537 de aardeG1093, aardsG5517; de tweedeG1208 MensG444 is de HeereG2962 uitG1537 den hemelG3772.
De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.
KJV
The first2
man3
is of4
the earth,5
earthy:6
the second8
man9
is the Lord11
from12
heaven.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
HoedanigG3634 de aardseG5517 is, zodanigeG5108 zijn ookG2532 de aardsenG5517; enG2532 hoedanigG3634 de hemelseG2032 is, zodanigeG5108 zijn ookG2532 de hemelsenG2032.
Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.
KJV
As1
is the earthy,3
such4
are they also5
that are earthy:7
and8
as is9
the heavenly,11
such12
are they15
➔ also13
that are heavenly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
EnG2532 gelijkerwijsG2531 wij het beeldG1504 des aardsenG5517 gedragenG5409 hebben, alzo zullen wij ookG2532 het beeldG1504 des hemelsenG2032 dragenG5409.
En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen.
KJV
And1
as2
we have borne3
the image5
of the earthy,7
we shall8
➔ also9
bear
the image11
of the heavenly.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50
DochG1161 ditG3778 zegG5346 ik, broedersG80, dat vleesG4561 en bloedG129 het KoninkrijkG932 GodsG2316 nietG3756 beervenG2816 kunnen, en de verderfelijkheidG5356 beerftG2816 de onverderfelijkheidG861 niet.
Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beerven kunnen, en de verderfelijkheid beerft de onverderfelijkheid niet.
KJV
Now2
this
I say,3
brethren,4
that5
flesh6
and7
blood8
cannot12
inherit11
the kingdom9
of God;10
neither14
doth19
➔ corruption16
inherit
incorruption.18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51
ZietG3708, ik zegG3004 uG4771 een verborgenheidG3466: wij zullen wel nietG3756 allen ontslapenG2837, maarG1161 wij zullen allen veranderdG236 worden;
Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
KJV
Behold,
I shew4
you
a mystery;2
We shall8
➔ not7
all5
sleep,
but10
we shall11
➔ all9
be changed,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
52
In een puntG823 des tijds, in een ogenblikG4493, met de laatsteG2078 bazuin; wantG1063 de bazuin zal slaan, enG2532 de dodenG3498 zullen onverderfelijkG862 opgewektG1453 worden, enG2532 wij zullen veranderdG236 worden.
In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.
Ook in dit vers
[tijds]G1722
bazuinG4536
bazuinG4537
KJV
In1
a moment,2
in3
the twinkling4
of an eye,5
at6
the last8
trump:9
for11
the trumpet shall sound,10
and12
the dead14
shall be raised15
incorruptible,16
and17
we
shall be changed.19
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
53
WantG1063 dit verderfelijkeG5349 moetG1163 onverderfelijkheidG861 aandoenG1746, enG2532 ditG3778 sterfelijkeG2349 moet onsterfelijkheidG110 aandoenG1746.
Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
KJV
For2
this
corruptible4
must1
put on6
incorruption,7
and8
this
mortal10
must put on12
immortality.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
54
En wanneer dit verderfelijkeG5349 zal onverderfelijkheidG861 aangedaanG1746 hebben, en dit sterfelijkeG2349 zal onsterfelijkheidG110 aangedaanG1746 hebben, alsdanG5119 zal het woordG3056 geschiedenG1096, dat geschrevenG1125 is: De doodG2288 is verslondenG2666 totG1519 overwinningG3534.
En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.
KJV
So2
when1
this
corruptible4
shall have put on6
incorruption,7
and8
this
mortal10
shall have put on12
immortality,13
then14
shall be brought to pass15
the saying17
that is written,19
Death22
is swallowed up20
in23
victory.24
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
55
DoodG2288, waar is uw prikkelG2759? HelG86, waar is uw overwinningG3534?
Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?
KJV
O death,3
where1
is thy
sting?5
O grave,8
where6
is thy
victory?10
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
56
De prikkelG2759 nuG1161 des doodsG2288 is de zondeG266; enG1161 de krachtG1411 der zondeG266 is de wetG3551.
De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.
KJV
The sting3
of death5
is sin;7
and2
the strength10
of sin12
is the law.14
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
57
MaarG1161 GodeG2316 zij dankG5485, Die ons de overwinningG3534 geeftG1325 doorG1223 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547.
Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.
KJV
But2
thanks4
be to God,3
which1
giveth6
us
the victory9
through10
our
Lord12
Jesus14
Christ.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
58
Zo dan, mijn geliefdeG27 broedersG80! Zijt standvastigG1476, onbewegelijkG277, altijdG3842 overvloedigG4052 zijndeG1096 inG1722 het werkG2041 des HeerenG2962, als die weetG1492, datG3754 uw arbeidG2873 nietG3756 ijdelG2756 isG1510 inG1722 den HeereG2962.
Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.
KJV
Therefore,1
my
beloved4
brethren,2
be ye6
stedfast,5
unmoveable,7
always14
abounding8
in9
the work11
of the Lord,13
forasmuch as ye know15
that16
your
labour18
is
not20
in vain22
in23
the Lord.24
ik maak u bekend
Dat is, ik breng u wederom in gedachtenis.
Hertaald:
ik maak u bekend
Dat is: ik breng u opnieuw in herinnering.
verkondigd heb,
Gr. geëvangeliseerd.
Hertaald:
verkondigd heb,
Grieks: geëvangeliseerd.
aangenomen hebt,
Namelijk tot het geloof.
Hertaald:
aangenomen hebt,
Namelijk tot het geloof.
staat;
Dat is, tot nog toe standvastig zijt gebleven.
Hertaald:
staat;
Dat is: waarin u tot nu toe standvastig gebleven bent.
zalig wordt, indien
Of, zalig zult worden.
Hertaald:
zalig wordt, indien
Of: zalig zult worden.
behoudt op zodanige
Of, onthoudt met wat reden, of woorden.
Hertaald:
behoudt op zodanige
Of: onthoudt met welke redenering of in welke woorden.
tevergeefs geloofd heb
Namelijk hetwelk geschiedt als men in het geloof niet volhardt, hetwelk dan een bewijs zou zijn van geen oprecht geloof; zie Gal. 3:4 .
Hertaald:
tevergeefs geloofd heb
Namelijk wat gebeurt wanneer men niet in het geloof volhardt — wat dan een bewijs zou zijn dat het geen oprecht geloof was; zie Gal. 3:4.
ten eerste
Dat is, voornamelijk als de eerste en voornaamste hoofdstukken van onzen Christelijken godsdienst, 1 Kor. 2:2 ; 2 Tim. 2:8 . Of, onder de eerste, namelijk hoofdstukken des Evangelies; Hebr. 6:2 .
Hertaald:
ten eerste
Dat is: als de eerste en voornaamste hoofdstukken van onze christelijke godsdienst, 1 Kor. 2:2; 2 Tim. 2:8. Of: onder de eerste hoofdstukken van het Evangelie; Hebr. 6:2.
overgegeven
Namelijk met leren en prediken.
Hertaald:
overgegeven
Namelijk door te onderwijzen en te prediken.
hetgeen ik ook
Namelijk van God en onzen Heere Jezus Christus. Zie 1 Kor. 11:23 . Zodat dit niet is ene leer door mij of enige mensen bedacht, maar van God gekomen en ons van Hem gegeven om den mensen te verkondigen.
Hertaald:
hetgeen ik ook
Namelijk van God en van onze Heere Jezus Christus. Zie 1 Kor. 11:23. Dit is dus geen leer die door mij of door enige mensen bedacht is, maar die van God gekomen is en die Hij ons gegeven heeft om aan de mensen te verkondigen.
voor onze zonden,
Namelijk om voor dezelve daardoor te voldoen, tot onze verzoening; 1 Petr. 3:18 .
Hertaald:
voor onze zonden,
Namelijk om daardoor voor onze zonden te voldoen, tot onze verzoening; 1 Petr. 3:18.
de schriften;
Namelijk des Ouden Testaments. Zie Hand. 26:22 ; Rom. 1:2 ; Ef. 2:20 .
Hertaald:
de schriften;
Namelijk de Schriften van het Oude Testament. Zie Hand. 26:22; Rom. 1:2; Ef. 2:20.
Cefas gezien,
Dat is, van Petrus. Zie van dezen naam Joh. 1:43 ; 1 Kor. 1:12 ; Gal. 2:9 .
Hertaald:
Cefas gezien,
Dat is: door Petrus. Zie over deze naam Joh. 1:43; 1 Kor. 1:12; Gal. 2:9.
twaalven
Namelijk apostelen, die, hoewel zij toen maar elf waren, door Judas' uitvallen het getal verminderd zijnde, nochtans den naam van dat getal behielden, alzo het kort daarna wederom vervuld werd. Zie Joh. 20:24 ; Hand. 1:25 .
Hertaald:
twaalven
Namelijk de twaalf apostelen. Hoewel zij er toen maar elf waren, aangezien het getal door het wegvallen van Judas verminderd was, behielden zij toch de naam van dat getal, omdat het kort daarna weer aangevuld werd. Zie Joh. 20:24; Hand. 1:25.
van meer dan
Wanneer dit geschied is, wordt van de evangelisten niet beschreven. Sommigen menen dat het geschied is op den Olijfberg, als Hij ten hemel opgevaren is; Luc. 24:50 ; Hand. 1:9 . Anderen menen dat dit geschied is in Galilea, waar Hij vele discipelen had. Zie Matt. 28:7 .
Hertaald:
van meer dan
Wanneer dit gebeurd is, wordt door de evangelisten niet beschreven. Sommigen menen dat het op de Olijfberg gebeurd is, toen Hij ten hemel voer; Luk. 24:50; Hand. 1:9. Anderen menen dat het in Galilea gebeurd is, waar Hij veel discipelen had. Zie Matth. 28:7.
nog overig is,
Gr. tot nu toe blijven; dat is, nog in het leven zijn.
Hertaald:
nog overig is,
Grieks: tot nu toe blijven; dat is: nog in leven zijn.
ontslapen
Dat is, gestorven zijn. Zie Ps. 13:4 ; Dan. 12:2 ; Matt. 9:24 , en Matt. 27:52 ; Hand. 7:60 ; 1 Kor. 7:39 , en 1 Kor. 11:30 , en ook hier vs.18, 20, 51.
Hertaald:
ontslapen
Dat is: gestorven zijn. Zie Ps. 13:4; Dan. 12:2; Matth. 9:24 en Matth. 27:52; Hand. 7:60; 1 Kor. 7:39 en 1 Kor. 11:30, en ook hier vers 18, 20 en 51.
van Jakobus,
Onder de apostelen zijn er twee geweest, die Jakobus genaamd zijn. Een die een zoon van Zebedeus was en een broeder van Johannes, Matt. 4:21 , en Matt. 10:2 , van Herodes gedood, Hand. 12:2 ; en een, die een zoon van Alfeus was, toegenaamd de kleine, Marc. 15:40 , en de broeder des Heeren, Gal. 1:19 , omdat hij een zoon was van de zuster der moeder onzes Heeren. Zie de aantekeningen Marc. 15:40 ; Hand. 12:2 , Hand. 12:17 , en Hand. 15:13 . Van wien van beiden dit verstaan moet worden, is onzeker, alzo de Evangelisten van deze verschijning ook geen gewag maken.
Hertaald:
van Jakobus,
Onder de apostelen zijn er twee geweest die Jakobus heetten. De ene was een zoon van Zebedeüs en een broer van Johannes, Matth. 4:21 en Matth. 10:2, die door Herodes gedood is, Hand. 12:2. De andere was een zoon van Alfeüs, toegenaamd de kleine, Mark. 15:40, en de broeder van de Heere, Gal. 1:19, omdat hij een zoon was van de zuster van de moeder van onze Heere. Zie de aantekeningen bij Mark. 15:40; Hand. 12:2, Hand. 12:17 en Hand. 15:13. Op wie van beiden dit slaat is onzeker, aangezien de evangelisten van deze verschijning ook geen melding maken.
van al de apostelen
Waardoor sommigen verstaan de apostelen, of al de elf tezamen zijnde bijeenvergaderd, en dat vs.5 dezelve ook verstaan worden, toen zij zonder Thomas waren vergaderd; Joh. 20:24 . Doch anderen verstaan het niet alleen van de twaalven, vs.5, maar ook van al de anderen, die van hem uitgezonden waren, om het Evangelie te prediken; Luc. 10:1 ; Rom. 16:7 .
Hertaald:
van al de apostelen
Sommigen verstaan daaronder de apostelen, of alle elf samen bijeenvergaderd, en menen dat ook in vers 5 dezelfden bedoeld worden, toen zij zonder Thomas vergaderd waren; Joh. 20:24. Maar anderen vatten het niet alleen op van de twaalf uit vers 5, maar ook van alle anderen die door Hem uitgezonden waren om het Evangelie te prediken; Luk. 10:1; Rom. 16:7.
van een ontijdig-geborene,
De apostel vergelijkt zichzelf hierbij, ten aanzien van zijn plotselinge en onverwachte bekering en beroeping, die beschreven wordt Hand. 9, en geschied is nadat de Heere Christus ten hemel gevaren was, en omdat hij Christus tevoren had vervolgd.
Hertaald:
van een ontijdig-geborene,
De apostel vergelijkt zichzelf hiermee, met het oog op zijn plotselinge en onverwachte bekering en roeping, die beschreven wordt in Hand. 9 en die gebeurd is nadat de Heere Christus ten hemel gevaren was — en ook omdat hij Christus daarvoor vervolgd had.
niet waardig ben
Gr. niet genoegzaam.
Hertaald:
niet waardig ben
Grieks: niet toereikend ben.
dat ik ben;
Namelijk een gelovig Christen en bovendien een apostel des Heeren.
Hertaald:
dat ik ben;
Namelijk een gelovig christen en bovendien een apostel van de Heere.
die aan mij
Of, in mij, tegen mij.
Hertaald:
die aan mij
Of: in mij, aan mij.
niet ijdel geweest,
Dat is, niet zonder vele vruchten voort te brengen.
Hertaald:
niet ijdel geweest,
Dat is: niet zonder veel vruchten voort te brengen.
gearbeid dan
Namelijk zo in het bedienen van het apostelschap, als in het verdragen van allerlei verdrukking en vervolging, die hij beschrijft 2Co 11 .
Hertaald:
gearbeid dan
Namelijk zowel in het bedienen van het apostelschap als in het verdragen van allerlei verdrukking en vervolging, die hij beschrijft in 2 Kor. 11.
zij allen
Namelijk de andere apostelen, die vóór de hemelvaart van Christus beroepen zijn geweest en met Hem op de aarde verkeerd hebben, gelijk ook in vs.11.
Hertaald:
zij allen
Namelijk de andere apostelen, die vóór de hemelvaart van Christus geroepen zijn en met Hem op de aarde omgegaan hebben, zoals ook in vers 11.
niet ik, maar de
Namelijk als door mijn eigen krachten dat werkende, overmits ik daarvan maar een instrument ben.
Hertaald:
niet ik, maar de
Namelijk niet ik alsof ik dat door mijn eigen krachten zou werken, aangezien ik daarvan slechts een werktuig ben.
die met mij is
Dat is, die God mij heeft bewezen en waardoor Hij mijnen arbeid zegent.
Hertaald:
die met mij is
Dat is: de genade die God mij bewezen heeft en waardoor Hij mijn arbeid zegent.
zijlieden,
Namelijk de andere apostelen. Zie vs.10.
Hertaald:
zijlieden,
Namelijk de andere apostelen. Zie vers 10.
alzo prediken wij,
Namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, begraven, en opgestaan van de doden. Zie vs.3,4.
Hertaald:
alzo prediken wij,
Namelijk dat Christus voor onze zonden gestorven is, begraven is en opgestaan is uit de doden. Zie vers 3 en 4.
gepredikt wordt,
Namelijk van mij en van de andere apostelen.
Hertaald:
gepredikt wordt,
Namelijk door mij en door de andere apostelen.
hoe zeggen
Dat is, hoe kan dan bestaan hetgeen sommigen zeggen? Deze vraag brengt mede ene berisping en aanwijzing van de ongerijmdheid dezer dwaling.
Hertaald:
hoe zeggen
Dat is: hoe kan dan standhouden wat sommigen zeggen? Deze vraag houdt tegelijk een bestraffing in en een aanwijzing van de ongerijmdheid van deze dwaling.
sommigen onder u
Zo was dan deze dwaling niet der gehele gemeente gemeen, maar sommigen alleen, wier namen niet uitgedrukt worden, gelijk 2 Tim. 2:17 , opdat hij hen door hen te beschamen van de bekering niet zou afschrikken.
Hertaald:
sommigen onder u
Deze dwaling was dus niet gemeenschappelijk aan de hele gemeente, maar alleen aan sommigen, van wie de namen niet genoemd worden, zoals in 2 Tim. 2:17 — opdat hij hen niet door hen te beschamen van de bekering zou afschrikken.
is?
Dat is, wezen zal in de laatste toekomst van Christus.
Hertaald:
is?
Dat is: zijn zal bij de laatste komst van Christus.
zo is Christus ook
Dat is, zo zal deze ongerijmdheid daaruit moeten volgen, dat Christus niet opgewekt is uit de doden. De reden hiervan is, omdat Christus het hoofd is en de gelovigen Zijne leden zijn, die tezamen een lichaam maken. Zo de leden niet levend zouden gemaakt worden, zo zou het hoofd ook niet levend zijn. Want het zou een wanschapen lichaam zijn, waarvan het hoofd zou leven en de leden dood zijn en blijven.
Hertaald:
zo is Christus ook
Dat is: dan zou deze ongerijmdheid daaruit moeten volgen, dat Christus niet uit de doden opgewekt is. De reden daarvan is dat Christus het Hoofd is en de gelovigen Zijn leden zijn, die samen één lichaam vormen. Wanneer de leden niet levend gemaakt zouden worden, zou het Hoofd ook niet levend zijn. Want het zou een wanstaltig lichaam zijn waarvan het hoofd zou leven terwijl de leden dood zijn en blijven.
onze prediking
Dat is, mijne en der andere apostelen.
Hertaald:
onze prediking
Dat is: mijn prediking en die van de andere apostelen.
ijdel, en
Dat is, vals, onwaarachtig.
Hertaald:
ijdel, en
Dat is: vals, onwaarachtig.
ijdel is ook uw
Dat is, uw geloof heeft geen vasten grond, en het zal het einde deszelven niet bekomen, hetwelk is de zaligheid der zielen.
Hertaald:
ijdel is ook uw
Dat is: uw geloof heeft geen vaste grond, en het zal zijn einddoel niet bereiken, namelijk de zaligheid van de zielen.
want wij hebben
Of, omdat wij tegen God getuigd hebben.
Hertaald:
want wij hebben
Of: omdat wij tegen God getuigd hebben.
zo is ook Christus
De reden van dit gevolg, zie de aantekenigen, vs.13.
Hertaald:
zo is ook Christus
Zie de reden van deze gevolgtrekking in de aantekeningen bij vers 13.
tevergeefs,
Namelijk overmits gij gelooft, dat Christus om uwer zonden wil overgeleverd is in den dood, en om uwer rechtvaardiging is opgewekt, Rom. 4:25 , hetwelk tevergeefs zou geloofd worden zo Hij niet opgewekt ware. Zie vs.14.
Hertaald:
tevergeefs,
Namelijk aangezien u gelooft dat Christus om uw zonden in de dood overgeleverd is en om uw rechtvaardiging opgewekt is, Rom. 4:25 — wat tevergeefs geloofd zou worden wanneer Hij niet opgewekt was. Zie vers 14.
zo zijt gij nog
Dat is, om uwer zonden wil de verdoemenis nog onderworpen, alzo het een bewijs zou wezen dat door Christus voor uwe zonden niet zou voldaan zijn, indien Hij in den dood gebleven ware.
Hertaald:
zo zijt gij nog
Dat is: dan bent u om uw zonden nog aan de verdoemenis onderworpen, aangezien het een bewijs zou zijn dat er door Christus voor uw zonden niet voldaan was wanneer Hij in de dood gebleven was.
verloren
Dat is, eeuwig verdoemd.
Hertaald:
verloren
Dat is: eeuwig verdoemd.
in Christus
Dat is in het geloof van Christus, en in de hoop der zalige opstanding door Christus; 1 Thess. 4:14 ; Openb. 14:13 .
Hertaald:
in Christus
Dat is: in het geloof in Christus, en in de hoop op de zalige opstanding door Christus; 1 Thess. 4:14; Openb. 14:13.
ontslapen zijn
Dat is, gestorven. Zie vs.6.
Hertaald:
ontslapen zijn
Dat is: gestorven. Zie vers 6.
alleenlijk in dit leven
Dat is, ziende alleenlijk op die dingen, of alleen om die dingen, die dit leven aangaan, en die ons in dit leven zouden kunnen toekomen; hetwelk zou zijn indien er gene opstanding der doden zou wezen.
Hertaald:
alleenlijk in dit leven
Dat is: terwijl wij alleen letten op de dingen die dit leven betreffen, of alleen op die dingen hopen die ons in dit leven zouden kunnen toekomen — wat het geval zou zijn wanneer er geen opstanding van de doden was.
ellendigsten van alle mensen
Gr. ellendiger. Want de Christenen verzaken niet alleen de wereldse wellusten, maar zijn ook om de belijdenis der waarheid veel kruis, verdrukking en vervolging onderworpen.
Hertaald:
ellendigsten van alle mensen
Grieks: ellendiger. Want de christenen verzaken niet alleen de wereldse genoegens, maar zij zijn om de belijdenis van de waarheid ook aan veel kruis, verdrukking en vervolging onderworpen.
is opgewekt uit de
Dat is, uit de voorgaande bewijsredenen blijkt dat het zeker is, dat Christus van de doden is opgewekt.
Hertaald:
is opgewekt uit de
Dat is: uit de voorgaande bewijsredenen blijkt dat het zeker is dat Christus uit de doden opgewekt is.
is de eersteling
Dat is, dewijl Hij eerst opgestaan is, volgt daaruit dat ook degenen, die in Hem ontslapen zijn, zullen opgewekt worden, gelijk door de eerstelingen der vruchten, Gode opgeofferd zijnde, de ganse massa derzelve geheiligd werd; Ex. 22:29 ; Deut. 26:1 ; Rom. 11:16 .
Hertaald:
is de eersteling
Dat is: aangezien Hij het eerst opgestaan is, volgt daaruit dat ook zij die in Hem ontslapen zijn opgewekt zullen worden — zoals door de eerstelingen van de vruchten, wanneer die aan God geofferd waren, de hele oogst geheiligd werd; Ex. 22:29; Deut. 26:1; Rom. 11:16.
die ontslapen zijn
Namelijk in Christus. Zie vs.18.
Hertaald:
die ontslapen zijn
Namelijk in Christus. Zie vers 18.
een mens is,
Namelijk Adam, vs.22.
Hertaald:
een mens is,
Namelijk Adam, vers 22.
zo is ook de
Dat is, zo heeft ook God geordineerd dat de opwekking der doden door een mens zou gedaan worden.
Hertaald:
zo is ook de
Dat is: zo heeft God ook verordend dat de opwekking van de doden door een mens zou gebeuren.
een mens
Namelijk Christus, vs.22.
Hertaald:
een mens
Namelijk Christus, vers 22.
in Adam
Of, door Adam; dat is, door de zonde die Adam heeft gedaan, en al zijne nakomelingen in hem, als zijnde in zijne lenden; Rom. 5:12 .
Hertaald:
in Adam
Of: door Adam; dat is: door de zonde die Adam gedaan heeft, en al zijn nakomelingen in hem, aangezien zij in zijn lendenen waren; Rom. 5:12.
sterven, alzo zullen
Dat is, de schuld en noodzakelijkheid van te sterven, of van den tijdelijken dood [want van deze wordt hier alleen gesproken] over zich gehaald en gebracht hebben.
Hertaald:
sterven, alzo zullen
Dat is: de schuld en de noodzaak om te sterven, of de tijdelijke dood — want alleen daarover wordt hier gesproken — over zich gehaald en gebracht hebben.
in Christus
Of, door Christus.
Hertaald:
in Christus
Of: door Christus.
allen
Namelijk gelovigen, die in Christus zijn ontslapen; gelijk de tegenstelling hier vereist. Want hoewel Christus alle mensen in het algemeen zal opwekken, ook de goddelozen en ongelovigen, als hun rechtvaardige rechter, om hen aan lichaam en ziel eeuwiglijk te straffen, Matt. 25:32 ; Joh. 5:28 ; Hand. 24:15 ; 2 Kor. 5:10 ; Openb. 20:12-13 , zo worden hier nochtans verstaan degenen, die van Christus zijn en die Hij opwekken zal als hun hoofd, waarvan hij de eersteling is, vs.23.
Hertaald:
allen
Namelijk alle gelovigen die in Christus ontslapen zijn, zoals de tegenstelling hier vereist. Want hoewel Christus alle mensen in het algemeen zal opwekken, ook de goddelozen en ongelovigen, als hun rechtvaardige Rechter, om hen naar lichaam en ziel eeuwig te straffen, Matth. 25:32; Joh. 5:28; Hand. 24:15; 2 Kor. 5:10; Openb. 20:12-13, worden hier toch zij bedoeld die van Christus zijn en die Hij als hun Hoofd zal opwekken, van wie Hij de Eersteling is, vers 23.
levend gemaakt worden
Dat is, opgewekt uit de doden. Want daarvan wordt hier gesproken, niet van de geestelijke levendmaking.
Hertaald:
levend gemaakt worden
Dat is: opgewekt uit de doden. Want daarover wordt hier gesproken, niet over de geestelijke levendmaking.
in zijne orde;
Namelijk van den tijd van God daartoe bestemd.
Hertaald:
in zijne orde;
Namelijk op de tijd die God daarvoor bestemd heeft.
de eersteling Christus
Dat is, gelijk tussen de opoffering der eerstelingen en het inzamelen der vruchten enigen tijd tussenbeiden was, Ex. 23:16 , en Ex. 34:22 , alzo is er ook tijd tussen de opstanding van Christus en der gelovigen.
Hertaald:
de eersteling Christus
Dat is: zoals er tussen het offeren van de eerstelingen en het inzamelen van de vruchten enige tijd lag, Ex. 23:16 en Ex. 34:22, zo is er ook tijd tussen de opstanding van Christus en die van de gelovigen.
die van Christus zijn,
Dat is, die Hem toebehoren, die Zijne lidmaten zijn, Hem door een waar geloof ingelijfd. Zie de aantekeningen op vs.22.
Hertaald:
die van Christus zijn,
Dat is: zij die Hem toebehoren, die Zijn leden zijn en door een waar geloof in Hem ingelijfd. Zie de aantekeningen bij vers 22.
in Zijn toekomst
Namelijk om te oordelen de levenden en doden, ten uitersten dage.
Hertaald:
in Zijn toekomst
Namelijk om op de laatste dag de levenden en de doden te oordelen.
het einde zijn,
Namelijk van deze tegenwoordige eeuw of wereld, of van deze regering van Christus, die hij nu als Middelaar bedient.
Hertaald:
het einde zijn,
Namelijk het einde van deze tegenwoordige eeuw of wereld, of van deze regering van Christus die Hij nu als Middelaar bedient.
Hij
Namelijk Christus.
Hertaald:
Hij
Namelijk Christus.
het koninkrijk
Namelijk dat Hij nu als Middelaar bedient, door de predikatie des Woords Zijne kerk vergaderende, door Zijnen Geest haar wederbarende, en door Zijne kracht tegen de vijanden beschermende. Want dat zal alsdan niet meer nodig zijn.
Hertaald:
het koninkrijk
Namelijk het Koninkrijk dat Hij nu als Middelaar bedient, doordat Hij door de prediking van het Woord Zijn kerk vergadert, haar door Zijn Geest wederbaart en haar door Zijn kracht tegen de vijanden beschermt. Want dat zal dan niet meer nodig zijn.
Gode en den Vader
Dat is, Gode, die daar is Vader, namelijk van Christus, en ook der gelovigen; Joh. 20:17 .
Hertaald:
Gode en den Vader
Dat is: aan God, Die de Vader is, namelijk van Christus en ook van de gelovigen; Joh. 20:17.
teniet gedaan hebben
Dat zij niet alleen de overhand niet hebbe, maar ook niet meer is.
Hertaald:
teniet gedaan hebben
Zo dat zij niet alleen niet meer de overhand heeft, maar ook niet meer bestaat.
alle heerschappij, en alle
Dit verstaan sommigen van alle overheden, ook wettige en goede, want die zullen alsdan niet meer van node zijn; anderen, van alle heerschappij en macht, hetzi der onreine geesten, of der mensen, die zich tegen Christus' rijk gesteld hebben.
Hertaald:
alle heerschappij, en alle
Sommigen verstaan dit van alle overheden, ook de wettige en goede, want die zullen dan niet meer nodig zijn. Anderen verstaan het van alle heerschappij en macht, hetzij van de onreine geesten, hetzij van de mensen, die zich tegen het rijk van Christus gesteld hebben.
als koning heersen,
Dat is, zijn koninklijk ambt als Middelaar volvoeren. Dat dan Ps. 110:1 gezegd wordt [waarop de apostel hier ziet], dat Hij zou zitten ter rechterhand Gods, wordt hier uitgelegd van den apostel, heersende als koning, gelijk ok in denzelfden Ps. 110:2 , heers in het midden van uwe vijanden.
Hertaald:
als koning heersen,
Dat is: Zijn koninklijk ambt als Middelaar volbrengen. Waar in Ps. 110:1, waarop de apostel hier doelt, gezegd wordt dat Hij aan de rechterhand van God zou zitten, wordt dat hier door de apostel uitgelegd als heersen als koning — zoals ook in Ps. 110:2: heers in het midden van uw vijanden.
totdat Hij al
Daarom, zolang dit niet is volvoerd, zal Christus de gelovigen uit den dood niet opwekken. En daarna zal Hij ophouden te regeren of heersen, op zulke wijze gelijk Hij nu als Middelaar doet.
Hertaald:
totdat Hij al
Daarom zal Christus, zolang dit niet volbracht is, de gelovigen niet uit de dood opwekken. En daarna zal Hij ophouden te regeren of te heersen op de wijze waarop Hij dat nu als Middelaar doet.
de vijanden
Namelijk Zijns koninkrijks, en voornamelijk de duivel en al zijne instrumenten, die zich tegen Hem stellen, of niet willen dat Hij over hen zal heersen; Luc. 19:27 .
Hertaald:
de vijanden
Namelijk de vijanden van Zijn Koninkrijk, en vooral de duivel en al zijn werktuigen, die zich tegen Hem stellen of niet willen dat Hij over hen heerst; Luk. 19:27.
onder Zijn voeten
Dat is, ten enenmale overwonnen en vernield zal hebben. Zie Joz. 10:24 .
Hertaald:
onder Zijn voeten
Dat is: volkomen overwonnen en vernietigd zal hebben. Zie Joz. 10:24.
De laatste
Dat is, die laatst zal overwonnen en teniet gedaan worden.
Hertaald:
De laatste
Dat is: die als laatste overwonnen en tenietgedaan zal worden.
vijand, die
Namelijk des levens en de zaligheid der mensen. Want de dood vernielt het leven, en is daardoor als een vijand der natuur.
Hertaald:
vijand, die
Namelijk een vijand van het leven en van de zaligheid van de mensen. Want de dood vernietigt het leven en is daardoor als een vijand van de natuur.
teniet gedaan wordt
Dat is, weggenomen wordt, en in plaats van dien het leven wederom door de opstanding gegeven. Zie vs.54.
Hertaald:
teniet gedaan wordt
Dat is: weggenomen wordt, en dat in plaats daarvan het leven door de opstanding weer gegeven wordt. Zie vers 54.
de dood
Namelijk de tijdelijke en lichamelijke dood; want daarvan wordt hier gesproken.
Hertaald:
de dood
Namelijk de tijdelijke en lichamelijke dood; want daarover wordt hier gesproken.
Hij heeft
Namelijk God de Vader.
Hertaald:
Hij heeft
Namelijk God de Vader.
alle dingen
En dienvolgens ook alle vijanden, waaronder ook de tijdelijke dood is.
Hertaald:
alle dingen
En dientengevolge ook alle vijanden, waaronder ook de tijdelijke dood.
Zijnen
Namelijk Christus. Zie van deze plaats bredere verklaring Hebr. 2:6 .
Hertaald:
Zijnen
Namelijk van Christus. Zie voor een uitvoeriger verklaring van deze plaats Hebr. 2:6.
voeten onderworpen
Dat is, onder Hem gesteld, om al wat vijandig is teniet te doen, dat het zijn Rijk niet meer beschadige.
Hertaald:
voeten onderworpen
Dat is: onder Hem gesteld, om alles wat vijandig is teniet te doen, zodat het Zijn rijk niet meer schaadt.
Hij uitgenomen wordt,
Namelijk God de Vader. Of, dat het is zonder dien.
Hertaald:
Hij uitgenomen wordt,
Namelijk God de Vader. Of: dat het zonder Hem is.
Hem alle dingen onderworpen heeft
Namelijk Christus.
Hertaald:
Hem alle dingen onderworpen heeft
Namelijk aan Christus.
onderworpen worden
Namelijk afgelegd hebben, niet Zijn goddelijke natuur en macht, maar deze wijze van bediening van Zijn Middelaarsambt, welke Hij, als een gezant des Vaders, alsdan volkomen volbracht en uitgevoerd zal hebben.
Hertaald:
onderworpen worden
Namelijk nadat Hij afgelegd zal hebben — niet Zijn goddelijke natuur en macht, maar deze wijze van bediening van Zijn Middelaarsambt, die Hij als een gezant van de Vader dan volkomen volbracht en uitgevoerd zal hebben.
God zij
Namelijk de Vader.
Hertaald:
God zij
Namelijk de Vader.
alles in allen
Dat is, zijne gemeente voorts door Hem zelf, als ware God met den Zoon en den Heiligen Geest zonder middel verheerlijke.
Hertaald:
alles in allen
Dat is: dat Hij Zijn gemeente voortaan door Zichzelf verheerlijkt, als ware God samen met de Zoon en de Heilige Geest, zonder tussenkomst van een middel.
wat zullen zij doen,
Dat is, wat nut en voordeel zullen zij voor dat doen verkrijgen?
Hertaald:
wat zullen zij doen,
Dat is: welk nut en voordeel zullen zij daarvan hebben?
voor de doden
Of, over de doden.
Hertaald:
voor de doden
Of: over de doden.
gedoopt worden,
Of, doping gebruiken. Dit wordt verscheidenlijk uitgelegd. Sommigen verstaan het van het sacrament des doops, door hetwelk wij gemeenschap hebben aan den dood van Christus, en openlijk betuigen dat wij als voor doden en der wereld afgestorvenen willen gehouden zijn; Rom. 6:2-3 . Anderen verstaan het van degenen, die met kruis en vervolging alzo worden gedoopt, dat zij gelijk als in een gedurigen dood zijn. Want alzo wordt het woord dopen altemet genomen; Marc. 10:38 ; Luc. 12:50 . Eenigen verstaan het van degenen, die de lichamen der doden wiessen, alzo de woorden, voor de doden gedoopt worden, ook wel kunnen overgezet worden, over de doden dopen, dat is, wassen; welke wijze van doen ten tijde der apostelen gebruikelijk was, Hand. 9:37 , en het woord dopen altemet ook wassen betekent, Marc. 7:4 ; Luc. 11:38 ; Hebr. 9:10 , hetwelk met het oogmerk des apostels ook niet kwalijk overeenkomt.
Hertaald:
gedoopt worden,
Of: doping gebruiken. Dit wordt op verschillende manieren uitgelegd. Sommigen verstaan het van het sacrament van de doop, waardoor wij gemeenschap hebben aan de dood van Christus en openlijk betuigen dat wij als doden en als de wereld afgestorvenen gehouden willen worden; Rom. 6:2-3. Anderen verstaan het van hen die met kruis en vervolging zo gedoopt worden dat zij als het ware in een voortdurende dood zijn — want zo wordt het woord dopen soms opgevat; Mark. 10:38; Luk. 12:50. Sommigen verstaan het van hen die de lichamen van de doden wassen, aangezien de woorden voor de doden gedoopt worden ook vertaald kunnen worden met over de doden dopen, dat is: wassen. Die gewoonte was in de tijd van de apostelen gebruikelijk, Hand. 9:37, en het woord dopen betekent soms ook wassen, Mark. 7:4; Luk. 11:38; Hebr. 9:10 — wat ook niet slecht overeenkomt met het doel van de apostel.
wij
Namelijk apostelen, leraars, en ook alle gelovigen.
Hertaald:
wij
Namelijk wij apostelen, leraars, en ook alle gelovigen.
in gevaar?
Namelijk van niet alleen onze goederen en goeden naam, maar ook ons leven te verliezen om Christus' wil. Dit zou van ons tevergeefs gedaan worden zo er gene opstanding ware.
Hertaald:
in gevaar?
Namelijk in gevaar om niet alleen onze goederen en onze goede naam, maar ook ons leven te verliezen om Christus. Dat zouden wij tevergeefs doen wanneer er geen opstanding was.
Ik sterf alle dagen,
Dat is, ik ben niet alleen in gevaar des levens, maar word ook dagelijks met zoveel verdrukkingen overvallen, dat mijn leven meer een gedurige dood is dan een leven; 2 Kor. 11:23 . Zie hiervan 1Co 4 , en 2Co 11 , 12.
Hertaald:
Ik sterf alle dagen,
Dat is: ik verkeer niet alleen in levensgevaar, maar word ook dagelijks door zoveel verdrukkingen overvallen dat mijn leven meer een voortdurende dood is dan een leven; 2 Kor. 11:23. Zie hierover 1 Kor. 4 en 2 Kor. 11 en 12.
bij onzen roem,
Dat is, bij de getrouwheid, die ik in Christus' zaak altijd heb getoond, waarvan ik met recht mag roemen. Anders, bij uwen roem; dat is bij den roem, dien ik heb van u, dat ik u door mijn dienst tot het geloof gebracht heb. Zie 2 Kor. 7:4 .
Hertaald:
bij onzen roem,
Dat is: bij de trouw die ik in de zaak van Christus altijd betoond heb en waarop ik terecht mag roemen. Anders: bij uw roem; dat is: bij de roem die ik over u heb, dat ik u door mijn dienst tot het geloof gebracht heb. Zie 2 Kor. 7:4.
naar den mens
Dat is, gelijk somtijds bij de mensen geschiedt. Of, opdat ik ook van mijzelven wat zeg, gelijk de mensen plegen te doen; Rom. 3:5 ; 2 Kor. 11:16-17 , 2 Kor. 11:21 .
Hertaald:
naar den mens
Dat is: zoals soms bij de mensen gebeurt. Of: opdat ik ook iets over mijzelf zeg, zoals de mensen plegen te doen; Rom. 3:5; 2 Kor. 11:16-17, 2 Kor. 11:21.
tegen de beesten gevochten
Dit kan verstaan worden eigenlijk, dat de apostel te Efeze in de schouwplaats den wilden beesten zou voorgeworpen zijn geweest, om van hen verscheurd te worden, zijnde nochtans van God wonderbaar daarvan verlost. Dan, alzo Lukas, beschrijvende hetgeen hem binnen Efeze overkomen is, Hand. 19, hiervan geen gewag maakt, zo verstaan sommigen dit oneigenlijk van den strijd, dien de apostel binnen Efeze gehad heeft met zijne tegenpartijen, die hij bij wilde beesten vergelijkt, omdat zij hem zochten te verscheuren en vernielen, gelijk hij den keizer Nero ook vergelijkt bij een leeuw; 2 Tim. 4:17 .
Hertaald:
tegen de beesten gevochten
Dit kan letterlijk opgevat worden: dat de apostel in Efeze in de schouwplaats aan de wilde dieren voorgeworpen zou zijn om door hen verscheurd te worden, terwijl hij daarvan toch door God op wonderbare wijze verlost is. Maar aangezien Lukas daarvan geen melding maakt waar hij beschrijft wat hem in Efeze overkomen is, Hand. 19, verstaan sommigen dit oneigenlijk van de strijd die de apostel in Efeze gehad heeft met zijn tegenstanders, die hij met wilde dieren vergelijkt omdat zij hem probeerden te verscheuren en te vernietigen — zoals hij keizer Nero ook met een leeuw vergelijkt; 2 Tim. 4:17.
indien de doden niet
Dit kan ook bekwamelijk gevoegd worden met de volgende woorden.
Hertaald:
indien de doden niet
Dit kan ook heel goed bij de volgende woorden gevoegd worden.
Laat ons eten en drinken,
Dat is, laat ons in wellusten leven en goede sier alle dagen maken. De apostel verhaalt de woorden, die de Epicuristen plegen te gebruiken, zijnde ook verhaald Jes. 22:13 , en wil zeggen dat zij daarin gelijk zouden hebben indien er gene opstanding zou zijn.
Hertaald:
Laat ons eten en drinken,
Dat is: laten wij in wellust leven en elke dag goede sier maken. De apostel haalt de woorden aan die de epicuristen plachten te gebruiken, die ook in Jes. 22:13 vermeld worden, en wil zeggen dat zij daarin gelijk zouden hebben wanneer er geen opstanding was.
morgen
Dat is, zeer haast.
Hertaald:
morgen
Dat is: zeer spoedig.
sterven wij
Dat is, zullen wij door den dood uit dit leven weggenomen worden.
Hertaald:
sterven wij
Dat is: zullen wij door de dood uit dit leven weggenomen worden.
Dwaalt niet
Dat is laat u door zulke redenen der Epicuristen niet verleiden.
Hertaald:
Dwaalt niet
Dat is: laat u door zulke redeneringen van de epicuristen niet verleiden.
Kwade
Of, kwade omgang. Dit is een vers genomen uit een heidensen poëet Menander, met hetwelk Paulus de voorgaande rede der Epicuristen weerlegt, tonende de schade, die zulke redenen medebrengen.
Hertaald:
Kwade
Of: slechte omgang. Dit is een versregel die ontleend is aan de heidense dichter Menander, waarmee Paulus de voorgaande redenering van de epicuristen weerlegt en de schade laat zien die zulke redeneringen meebrengen.
Waakt op
Namelijk uit den slaap der zorgeloosheid.
Hertaald:
Waakt op
Namelijk uit de slaap van de zorgeloosheid.
rechtvaardiglijk
Dat is, waarlijk, ernstig. Of, om rechtvaardig te wandelen.
Hertaald:
rechtvaardiglijk
Dat is: werkelijk, ernstig. Of: om rechtvaardig te wandelen.
en zondigt niet
Dat is, wacht u, dat gij niet vervalt in de gruwelijkste zonde van Epicuristerij en zorgeloosheid.
Hertaald:
en zondigt niet
Dat is: hoed u ervoor dat u niet vervalt in de gruwelijkste zonde van epicurisme en zorgeloosheid.
sommigen hebben
Namelijk van uwe gemeente, gelijk vs.12.
Hertaald:
sommigen hebben
Namelijk sommigen uit uw gemeente, zoals vers 12.
de kennis Gods niet
Namelijk de rechte kennis, hoedanigen zijn degenen, die de opstanding der doden loochenen.
Hertaald:
de kennis Gods niet
Namelijk de juiste kennis. Zo zijn zij die de opstanding van de doden loochenen.
tot schaamte
Dat is, opdat gij u moogt schamen dat er onder u zijn, die zulke grove en schadelijke dwalingen volgen, en daardoor te beter bewogen worden om zulke dwalingen te vlieden.
Hertaald:
tot schaamte
Dat is: opdat u zich mag schamen dat er onder u mensen zijn die zulke grove en schadelijke dwalingen volgen, en daardoor des te meer bewogen wordt om zulke dwalingen te mijden.
iemand
Namelijk van die Epicuristen.
Hertaald:
iemand
Namelijk een van die epicuristen.
zeggen
Dat is, hier tegenwerpen.
Hertaald:
zeggen
Dat is: hier tegenwerpen.
Hoe zullen de
Gr. hoe worden de doden opgewekt? dat is, hoe is het mogelijk, dat de doden, wier lichaam vergaan, verrot, van de beesten gegeten of met vuur verbrand zijn, enz. weder zouden levend worden?
Hertaald:
Hoe zullen de
Grieks: hoe worden de doden opgewekt? Dat is: hoe is het mogelijk dat de doden, van wie het lichaam vergaan, verrot, door de dieren gegeten of met vuur verbrand is, weer levend zouden worden?
met hoedanig een
Deze vraag wordt beantwoord vs.37, enz.
Hertaald:
met hoedanig een
Deze vraag wordt beantwoord in vers 37 en volgende.
Gij dwaas,
Dit zegt de apostel niet, om te scheiden, Matt. 5:22 , maar om aan te wijzen hun onverstand in deze zaak; Gal. 3:1 .
Hertaald:
Gij dwaas,
Dit zegt de apostel niet om te schelden, Matth. 5:22, maar om hun onverstand in deze zaak aan te wijzen; Gal. 3:1.
wordt niet levend,
Gr. wordt niet levend gemaakt; dat is, wast niet op en brengt gene vruchten voort; want ook het gewas der aarde heeft zijn leven.
Hertaald:
wordt niet levend,
Grieks: wordt niet levend gemaakt; dat is: het groeit niet op en brengt geen vruchten voort. Want ook het gewas van de aarde heeft zijn leven.
gestorven zij;
Dat is, verrotte in de aarde. Zo het dan niet onmogelijk is dat een verrot zaad of graan weder opwast en groeit, gelijk wij dagelijks zien op onze akkers en in onze tuinen, zo is het ook niet onmogelijk dat God de verrotte lichamen wederom levend maakt.
Hertaald:
gestorven zij;
Dat is: verrot is in de aarde. Wanneer het dus niet onmogelijk is dat een verrot zaad of graan weer opgroeit, zoals wij dagelijks op onze akkers en in onze tuinen zien, dan is het ook niet onmogelijk dat God de verrotte lichamen weer levend maakt.
dat worden zal,
Dat is, dat voortkomen en wassen zal uit het gezaaide zaad.
Hertaald:
dat worden zal,
Dat is: wat uit het gezaaide zaad zal voortkomen en opgroeien.
een bloot graan,
Namelijk dat dor en verstorven schijnt te zijn.
Hertaald:
een bloot graan,
Namelijk een graan dat dor en verstorven lijkt te zijn.
naar het voorvalt,
Dat is, gelijk bijvoorbeeld.
Hertaald:
naar het voorvalt,
Dat is: zoals het zich voordoet, bijvoorbeeld.
der andere granen
Of, der andere zaden.
Hertaald:
der andere granen
Of: van de andere zaden.
God geeft het een lichaam
Dat is, hoewel God in de eerste schepping de aarde kracht gegeven heeft om kruiden, granen en vruchten voort te brengen, zo is het nochtans, dat Hij zelf door Zijne almachtigheid zodanige gewassen ook dagelijks voortbrengt, naar Zijn believen; Ps. 104:13-14 enz; 1 Kor. 3:7 .
Hertaald:
God geeft het een lichaam
Dat is: hoewel God bij de eerste schepping aan de aarde de kracht gegeven heeft om kruiden, granen en vruchten voort te brengen, brengt Hij zulke gewassen toch ook dagelijks Zelf door Zijn almacht voort, naar Zijn welbehagen; Ps. 104:13-14, enzovoort; 1 Kor. 3:7.
zijn eigen lichaam
Dat is, van dezelfde soort zijnde waar het zaad van is, uit hetwelk het voortkomt.
Hertaald:
zijn eigen lichaam
Dat is: van dezelfde soort als het zaad waaruit het voortkomt.
Alle vlees is niet
Dewijl tegen geworpen zij kunnen worden: Nademaal het vlees van andere dieren niet opgewekt wordt, dat alzo het vlees der mensen ook niet zal opgewekt worden, aangezien het enerlei schijnt te zijn, zo antwoordt de apostel dat er onderscheid tussen het vlees der mensen en van andere dieren. De reden wordt niet uitgedrukt, maar is deze de voornaamste, omdat het vlees der mensen door een redelijke en onsterflijke ziel levendgemaakt is geweest, en het lichaam der andere dieren door een onredelijke ziel, die met het vlees sterft en vergaat, en ook omdat God aan de redelijke mensen, niet aan de onredelijke dieren, Zijne genade en rechtvaardigheid, naar lichaam en ziel, eeuwig wil betonen.
Hertaald:
Alle vlees is niet
Men zou kunnen tegenwerpen: aangezien het vlees van de andere dieren niet opgewekt wordt, zal het vlees van de mensen ook niet opgewekt worden, want het lijkt hetzelfde te zijn. Daarop antwoordt de apostel dat er onderscheid is tussen het vlees van de mensen en dat van de andere dieren. De reden wordt niet uitgedrukt, maar de voornaamste is deze: dat het vlees van de mensen levend gemaakt is door een redelijke en onsterfelijke ziel, terwijl het lichaam van de andere dieren dat is door een onredelijke ziel, die met het vlees sterft en vergaat — en ook omdat God Zijn genade en gerechtigheid naar lichaam en ziel eeuwig wil betonen aan de redelijke mensen en niet aan de onredelijke dieren.
hetzelfde vlees;
Dat is, van enerlei gehalte; alzo dat het met het ene vlees zou moeten gaan gelijk met het andere.
Hertaald:
hetzelfde vlees;
Dat is: van dezelfde aard, zo dat het met het ene vlees zou moeten gaan zoals met het andere.
hemelse lichamen,
Dat is, die in den hemel zijn, of met hemelse hoedanigheden begaafd; gelijk er zijn de sterren des hemels, en gelijk wezen zullen de verheerlijkte lichamen der gelovigen.
Hertaald:
hemelse lichamen,
Dat is: lichamen die in de hemel zijn, of die met hemelse eigenschappen begiftigd zijn — zoals de sterren van de hemel, en zoals de verheerlijkte lichamen van de gelovigen zullen zijn.
aardse lichamen;
Dat is, die òf van de aarde voortgekomen zijn, òf op de aarde zijn, en aan aardse hoedanigheden onderworpen.
Hertaald:
aardse lichamen;
Dat is: lichamen die óf uit de aarde voortgekomen zijn, óf op de aarde zijn en aan aardse eigenschappen onderworpen.
de heerlijkheid der
Dat is, de glans en hoedanigheid.
Hertaald:
de heerlijkheid der
Dat is: de glans en de gesteldheid.
Een andere is de heerlijkheid
Dat is, zelfs ook is er onderscheid onder de lichamen, die in den hemel zijn, aangaande hun glans.
Hertaald:
Een andere is de heerlijkheid
Dat is: zelfs onder de lichamen die in de hemel zijn is er verschil in glans.
sterren; want
Dat is, der andere sterren. Want ook de zon en de maan zijn sterren.
Hertaald:
sterren; want
Dat is: van de andere sterren. Want ook de zon en de maan zijn sterren.
Alzo zal ook
Dat is, gelijk er onderscheid is tussen vlees en vlees, en tussen lichamen en lichamen, in heerlijkheid, zo zal ook in de opstanding onderscheid zijn tussen de hoedanigheden onzer lichamen, die wij nu hebben op de aarde en die wij hebben zullen na de opstanding in den hemel.
Hertaald:
Alzo zal ook
Dat is: zoals er onderscheid is tussen vlees en vlees en tussen lichaam en lichaam in heerlijkheid, zo zal er in de opstanding ook onderscheid zijn tussen de eigenschappen van onze lichamen. Wat wij nu op de aarde hebben verschilt van wat wij na de opstanding in de hemel zullen hebben.
Het lichaam wordt
Dat is, deze onze lichamen, die wij nu op de aarde hebben, worden afgelegd, zijnde nu de verderflijkheid onderworpen; maar opgewekt zijnde, zullen zij voortaan onverderflijk zijn; blijvende wel dezelfde lichamen, maar begaafd met andere hoedanigheden.
Hertaald:
Het lichaam wordt
Dat is: deze lichamen die wij nu op de aarde hebben worden afgelegd, aangezien zij nu aan de vergankelijkheid onderworpen zijn. Maar wanneer zij opgewekt zijn, zullen zij voortaan onvergankelijk zijn — het blijven wel dezelfde lichamen, maar dan begiftigd met andere eigenschappen.
in oneer, het wordt
Dat is, zijnde een dood lichaam, dat lelijk en onaangenaam is om te zien en te handelen. Zie Fil. 3:21 .
Hertaald:
in oneer, het wordt
Dat is: als een dood lichaam, dat lelijk en onaangenaam is om te zien en aan te raken. Zie Filipp. 3:21.
in heerlijkheid;
Dat is, schoon en blinkende, gelijk de sterren en de zon; Matt. 13:43 , en Matt. 17:2 .
Hertaald:
in heerlijkheid;
Dat is: mooi en blinkend, zoals de sterren en de zon; Matth. 13:43 en Matth. 17:2.
in zwakheid,
Dat is, zijnde allerlei zwakheid, krankheid en mismaaktheid onderworpen.
Hertaald:
in zwakheid,
Dat is: onderworpen aan allerlei zwakheid, ziekte en misvorming.
kracht
Namelijk om alle verderlijkheid tegen te staan en te weren, en om zichzelven krachtig en haastig te bewegen gelijk de mens zal willen.
Hertaald:
kracht
Namelijk kracht om alle vergankelijkheid te weerstaan en af te weren, en om zichzelf krachtig en snel te bewegen zoals de mens zal willen.
Een natuurlijk lichaam wordt er
Gr. ziellijk, dat is, dat van de ziel bewogen wordt in alle natuurlijke werkingen, tot voedsel, beweging, voortteling en dergelijke, strekkende.
Hertaald:
Een natuurlijk lichaam wordt er
Grieks: ziellijk; dat is: een lichaam dat door de ziel bewogen wordt in alle natuurlijke werkingen die strekken tot voeding, beweging, voortplanting en dergelijke.
een geestelijk lichaam wordt er
Dat is, niet ten aanzien van het wezen, maar alleen ten aanzien van de geestelijke hoedanigheden, waarmede het versierd zal wezen, en omdat het door den Geest Gods zal bewogen worden, de ziel met het licht des Geestes vervuld zijnde.
Hertaald:
een geestelijk lichaam wordt er
Dat is: geestelijk niet naar het wezen, maar alleen met het oog op de geestelijke eigenschappen waarmee het gesierd zal zijn, en omdat het door de Geest van God bewogen zal worden, terwijl de ziel met het licht van de Geest vervuld is.
er is een natuurlijk lichaam,
Dat is, zo blijkt dan dat de mens tweeërlei lichaam toegeschreven wordt, niet ten aanzien van het wezen, maar vanwege de hoedanigheden, zijnde hier een natuurlijk lichaam, en zal hiernamaals zijn een geestelijk lichaam.
Hertaald:
er is een natuurlijk lichaam,
Dat is: zo blijkt dan dat aan de mens tweeërlei lichaam toegeschreven wordt — niet met het oog op het wezen, maar vanwege de eigenschappen: hier een natuurlijk lichaam, en hierna een geestelijk lichaam.
geschreven
De eerste Namelijk Gen. 2:7 .
Hertaald:
geschreven
Namelijk in Gen. 2:7.
tot een levende ziel;
Dat is, nadat God zijn lichaam geschapen had uit het stof der aarde, heeft Hij hem een redelijke en onsterflijke ziel ingeblazen, waardoor het lichaam levend is gemaakt en bewogen wordt, en alzo heeft hij boven het verstand, ook een dierlijk of natuurlijk leven, gelijk andere dieren, ontvangen.
Hertaald:
tot een levende ziel;
Dat is: nadat God zijn lichaam uit het stof van de aarde geschapen had, heeft Hij hem een redelijke en onsterfelijke ziel ingeblazen, waardoor het lichaam levend gemaakt wordt en bewogen wordt. Zo heeft hij naast het verstand ook een dierlijk of natuurlijk leven ontvangen, zoals de andere dieren.
de laatste Adam
Namelijk Jezus Christus, die ook tegen den eersten Adam gesteld wordt, Rom. 5:17-19 . Deze woorden worden hier verhaald gelijk daar of ergens elders geschreven, maar worden van den apostel gesteld tegen hetgeen van den eersten Adam gezegd is, dat namelijk gelijk wij van den eersten Adam een natuurlijk of dierlijk lichaam ontvangen hebben, wij ook alzo door den tweeden Adam, namelijk Christus, een geestelijk lichaam zullen verkrijgen.
Hertaald:
de laatste Adam
Namelijk Jezus Christus, Die ook tegenover de eerste Adam gesteld wordt, Rom. 5:17-19. Deze woorden worden hier niet aangehaald alsof zij daar of ergens anders geschreven stonden, maar zij worden door de apostel gesteld tegenover wat over de eerste Adam gezegd is: dat wij namelijk, zoals wij van de eerste Adam een natuurlijk of dierlijk lichaam ontvangen hebben, zo ook door de tweede Adam, namelijk Christus, een geestelijk lichaam zullen verkrijgen.
tot een levendmakenden geest
Dat is, door de vereniging der menselijke natuur met de eeuwige goddelijke natuur, die een levendmakende geest is, is Hij ons geworden een vorst des levens, Hand. 3:15 . En gelijk Hij nu na de opstanding een geestelijk lichaam heeft, dat onsterflijk en onverderflijk is, zo zal Hij ook zodanige lichamen geven aan al degenen, die van Hem afkomstig zijn, niet door een natuurlijke voortteling, maar door een bovennatuurlijke wedergeboorte. Want elke Adam deelt zijnen nakomelingen mede zulks als hij heeft.
Hertaald:
tot een levendmakenden geest
Dat is: door de vereniging van de menselijke natuur met de eeuwige goddelijke natuur, die een levendmakende geest is, is Hij voor ons een Vorst van het leven geworden, Hand. 3:15. En zoals Hij nu na de opstanding een geestelijk lichaam heeft dat onsterfelijk en onvergankelijk is, zo zal Hij ook zulke lichamen geven aan allen die van Hem afstammen — niet door een natuurlijke voortplanting, maar door een bovennatuurlijke wedergeboorte. Want elke Adam deelt aan zijn nakomelingen mee wat hijzelf heeft.
het geestelijke is
Namelijk lichaam. Zie vs.44.
Hertaald:
het geestelijke is
Namelijk het geestelijke lichaam. Zie vers 44.
niet eerst
De apostel beantwoordt hiermede hetgeen iemand zou mogen tegenwerpen: Waarom geeft ons Christus zodanige geestelijke lichamen niet zo haast wij wedergeboren zijn? en zegt, dat alles op orde moet geschieden, dat het natuurlijke moet voorgaan en daarna het geestelijke volgen, gelijk het volmaakte volgt op het onvolmaakte.
Hertaald:
niet eerst
Hiermee beantwoordt de apostel wat iemand zou kunnen tegenwerpen: waarom geeft Christus ons zulke geestelijke lichamen niet zodra wij wedergeboren zijn? Hij zegt dat alles op zijn orde moet gebeuren: het natuurlijke moet voorgaan en het geestelijke moet daarna volgen, zoals het volmaakte op het onvolmaakte volgt.
De eerste mens is
Namelijk Adam.
Hertaald:
De eerste mens is
Namelijk Adam.
uit de aarde,
Namelijk ten aanzien van de stof, waaruit zijn lichaam geschapen is; Gen. 2:7 .
Hertaald:
uit de aarde,
Namelijk met het oog op de stof waaruit zijn lichaam geschapen is; Gen. 2:7.
aards;
Dat is, hebbende een lichaam, dat aars is en na den val sterflijk en verderflijk is geworden; Gen. 3:19 . Gr. van stof; namelijk der aarde.
Hertaald:
aards;
Dat is: met een lichaam dat aards is en dat na de val sterfelijk en vergankelijk geworden is; Gen. 3:19. Grieks: van stof, namelijk van de aarde.
de tweede mens is
Namelijk Christus, die een waarachtig mens is en de tweede genaamd wordt vanwege den tijd, omdat Hij na den eersten gekomen is, gelijk Matt. 3:11 ; Joh. 1:27 ; en een tegenbeeld des eersten is geworden; Rom. 5:14 .
Hertaald:
de tweede mens is
Namelijk Christus, Die een waarachtig mens is en Die de tweede genoemd wordt vanwege de tijd, omdat Hij na de eerste gekomen is, zoals Matth. 3:11; Joh. 1:27 — en Die een tegenbeeld van de eerste geworden is; Rom. 5:14.
de Heere uit den hemel
Dat is, de hemelse Heere, gelijk in de volgende verzen uitgelegd wordt. Anderen lezen: is hemels uit den hemel, om de tegenstelling hare volle betekenis te beter te geven. Maar alle Griekse boeken lezen: de Heere uit den hemel, en dat past ook wel op de tegenstelling, alzo de apostel hier tegen elkander stelt niet den oorsprong der lichamen, maar de afkomst en waardigheid van beide deze personen, die elk zodanig lichamen aan degenen, die van hen afkomstig zijn, mededelen als zij zelf hebben, vs.48. En Hij wordt gezegd uit den hemel te zijn, niet ten aanzien dat zijn menselijke natuur uit enige hemelse stof zou zijn voortgebracht, maar ten aanzien dat Hij, mens zijnde, ook waarachtig God is in een persoon, en die nu, in den hemel zijnde, een verheerlijkt lichaam heeft, dat met hemelse en geestelijke hoedanigheden versierd is.
Hertaald:
de Heere uit den hemel
Dat is: de hemelse Heere, zoals in de volgende verzen uitgelegd wordt. Anderen lezen: is hemels uit de hemel, om de tegenstelling haar volle betekenis te geven. Maar alle Griekse handschriften lezen: de Heere uit de hemel, en dat past ook goed bij de tegenstelling, aangezien de apostel hier niet de oorsprong van de lichamen tegenover elkaar stelt, maar de afkomst en de waardigheid van deze beide personen, die elk zulke lichamen meedelen aan hen die van hen afstammen als zij zelf hebben, vers 48. En van Hem wordt gezegd dat Hij uit de hemel is, niet omdat Zijn menselijke natuur uit enige hemelse stof voortgebracht zou zijn, maar omdat Hij, terwijl Hij mens is, in één persoon ook waarachtig God is, en omdat Hij nu, terwijl Hij in de hemel is, een verheerlijkt lichaam heeft dat met hemelse en geestelijke eigenschappen gesierd is.
Hoedanig de aardse is,
Dat is, hoedanig lichaam Adam na den val gehad heeft, namelijk sterflijk en verderflijk.
Hertaald:
Hoedanig de aardse is,
Dat is: zoals het lichaam was dat Adam na de val had, namelijk sterfelijk en vergankelijk.
zodanigen zijn ook de aardsen;
Dat is, zulk een lichaam hebben ook alle mensen, natuurlijkerwijze van Hem afkomstig, zolang zij op de aarde zijn.
Hertaald:
zodanigen zijn ook de aardsen;
Dat is: zo'n lichaam hebben ook alle mensen die langs natuurlijke weg van hem afstammen, zolang zij op de aarde zijn.
hoedanig de hemelse is,
Dat is, zulk een lichaam als Christus nu in den hemel heeft, namelijk verheerlijkt, onsterflijk, onverderflijk, enz.
Hertaald:
hoedanig de hemelse is,
Dat is: zo'n lichaam als Christus nu in de hemel heeft, namelijk verheerlijkt, onsterfelijk, onvergankelijk, enzovoort.
zodanigen zijn ook de hemelsen
Zulke lichamen zullen ook hebben alle gelovigen, nadat zij van de doden opgewekt en in den hemel zullen opgenomen zijn. En hieruit blijkt klaarlijk dat de apostel niet spreekt van enige verscheidenheid in het wezen der lichamen, maar alleen in de hoedanigheden.
Hertaald:
zodanigen zijn ook de hemelsen
Zulke lichamen zullen ook alle gelovigen hebben, nadat zij uit de doden opgewekt en in de hemel opgenomen zullen zijn. Hieruit blijkt duidelijk dat de apostel niet spreekt over enig verschil in het wezen van de lichamen, maar alleen in de eigenschappen.
het beeld des aardsen
Dat is, Adam hier gelijkvormig zijn in sterflijkheid en verderflijkheid; Gen. 5:3 .
Hertaald:
het beeld des aardsen
Dat is: hier aan Adam gelijkvormig zijn in sterfelijkheid en vergankelijkheid; Gen. 5:3.
alzo zullen
Dat is, zo zullen wij ook Christus gelijkvormig zijn in heerlijkheid en onsterflijkheid; Rom. 8:17 , Rom. 8:29 ; Fil. 3:21 ; 1 Joh. 3:2 .
Hertaald:
alzo zullen
Dat is: zo zullen wij ook aan Christus gelijkvormig zijn in heerlijkheid en onsterfelijkheid; Rom. 8:17, Rom. 8:29; Filipp. 3:21; 1 Joh. 3:2.
vlees en bloed
Dat is, zulke lichamen, die verderflijk zijn, gelijk het vlees en bloed in dit leven is, en dat ten aanzien dat zij zodanig zijn gelijk in het volgende verklaard wordt. Zie Gal. 1:16 ; Ef. 6:12 ; Hebr. 2:14 .
Hertaald:
vlees en bloed
Dat is: zulke lichamen die vergankelijk zijn, zoals vlees en bloed in dit leven zijn — en dat met het oog erop dat zij zo zijn als in het vervolg verklaard wordt. Zie Gal. 1:16; Ef. 6:12; Hebr. 2:14.
niet beërven kunnen,
Dat is, verkrijgen als bij erfenis, dat is, uit genade en niet uit verdienste. Zie Matt. 25:34 .
Hertaald:
niet beërven kunnen,
Dat is: verkrijgen als bij erfenis, dat is: uit genade en niet uit verdienste. Zie Matth. 25:34.
de verderflijkheid
Dat is, een lichaam dat der verderflijkheid onderworpen is. De apostel drukt alleen de hoedanigheid uit, om te tonen dat hij spreekt niet van het wezen, maar van de hoedanigheden der lichamen. Zie vs.48.
Hertaald:
de verderflijkheid
Dat is: een lichaam dat aan de vergankelijkheid onderworpen is. De apostel drukt alleen de eigenschap uit, om te laten zien dat hij niet spreekt over het wezen maar over de eigenschappen van de lichamen. Zie vers 48.
de onverderflijkheid
Dat is, het eeuwige leven, dat onverderflijk en onvergankelijk is. Hetwelk, dewijl de gelovigen zullen bezitten, beide naar ziel en lichaam, zo volgt dat hunne lichamen ook onsterflijk moeten zijn. Want sterflijkheid en onsterflijkheid strijden tegen elkander en kunnen tezamen niet bestaan.
Hertaald:
de onverderflijkheid
Dat is: het eeuwige leven, dat onvergankelijk en onverderfelijk is. Aangezien de gelovigen dat zullen bezitten, zowel naar ziel als naar lichaam, volgt daaruit dat ook hun lichamen onsterfelijk moeten zijn. Want sterfelijkheid en onsterfelijkheid strijden met elkaar en kunnen niet samengaan.
ene verborgenheid
Dat is, ene zaak, die alle mensen, ook de profeten en apostelen tot nog toe onbekend is geweest.
Hertaald:
ene verborgenheid
Dat is: een zaak die alle mensen, ook de profeten en apostelen, tot nu toe onbekend geweest is.
Wij zullen wel niet allen
Namelijk mensen die alsdan zullen leven; 1 Thess. 4:17 . Want de dag der toekomst van Christus is onzeker.
Hertaald:
Wij zullen wel niet allen
Namelijk de mensen die dan zullen leven; 1 Thess. 4:17. Want de dag van de komst van Christus is onzeker.
ontslapen,
Dat is, sterven; hetwelk niet strijd met hetgeen staat Hebr. 9:27 . Want aldaar wordt gesproken van de gewone wet der natuur, en niet van hetgeen in het laatst van de wereld God aan sommigen zal willen doen. Ook zal deze verandering denzulken wezen in plaats van den dood.
Hertaald:
ontslapen,
Dat is: sterven. Dat strijdt niet met wat er staat in Hebr. 9:27. Want daar wordt gesproken over de gewone wet van de natuur, en niet over wat God aan het einde van de wereld met sommigen zal willen doen. Ook zal deze verandering voor hen in de plaats van de dood komen.
veranderd worden;
Dat is, van sterflijk onsterflijk worden. Hetwelk niet alleen den gelovigen zal geschieden, maar ook den ongelovigen, doch tot verscheiden doeleinden; dezen om den eeuwigen dood onderworpen te zijn, en genen om de eeuwige gelukzaligheid te genieten; en ook op verscheidene wijzen: der gelovigen lichamen bekleed met heerlijkheid, en die der ongelovigen met smaadheid; Dan. 12:2 ; Joh. 5:29 . En deze verandering zal geschieden niet in het wezen der lichamen, maar in hunne hoedanigheden, vs.48.
Hertaald:
veranderd worden;
Dat is: van sterfelijk onsterfelijk worden. Dat zal niet alleen met de gelovigen gebeuren, maar ook met de ongelovigen — maar met verschillende doelen: dezen om aan de eeuwige dood onderworpen te zijn, en genen om de eeuwige gelukzaligheid te genieten. Ook op verschillende wijze: de lichamen van de gelovigen bekleed met heerlijkheid en die van de ongelovigen met smaad; Dan. 12:2; Joh. 5:29. En deze verandering zal niet gebeuren in het wezen van de lichamen, maar in hun eigenschappen, vers 48.
In een punt des tijds,
Dat is, gans haastig en snel.
Hertaald:
In een punt des tijds,
Dat is: heel snel en plotseling.
de laatste bazuin;
Dat is, met een groot en verschrikkelijk geluid, gelijk daar is der bazuinen of trompetten. Dit geluid wordt genaamd de stem des Zoons van God, Joh. 5:28 ; een geschrei en stem des Archangels en bazuin Gods, 1 Thess. 4:16 .
Hertaald:
de laatste bazuin;
Dat is: met een groot en verschrikkelijk geluid, zoals dat van bazuinen of trompetten. Dit geluid wordt de stem van de Zoon van God genoemd, Joh. 5:28, en een geroep en de stem van de aartsengel en de bazuin van God, 1 Thess. 4:16.
de doden zullen
Dat is, die vóór dien tijd zullen gestorven zijn.
Hertaald:
de doden zullen
Dat is: zij die vóór die tijd gestorven zullen zijn.
wij zullen veranderd
Namelijk die alsdan leven zullen; zie vs.51.
Hertaald:
wij zullen veranderd
Namelijk wij die dan zullen leven; zie vers 51.
dit verderflijke
Namelijk lichaam, dat wij nu hebben en dragen; Job 19:26-27 .
Hertaald:
dit verderflijke
Namelijk dit vergankelijke lichaam, dat wij nu hebben en dragen; Job 19:26-27.
moet onverderflijkheid
De reden van deze noodwendigheid wordt aangewezen vs.50.
Hertaald:
moet onverderflijkheid
De reden van deze noodzaak wordt aangewezen in vers 50.
aandoen
Namelijk als een nieuw kleed. Zie 2 Kor. 5:2-3 . Hetzelfde wezen der lichamen dan zal blijven, maar zij zullen hun ouden sterflijken toestand afleggen en de onsterflijkheid als een nieuw kleed en sieraad aandoen. En dit zal zijn de verandering, waarvan tevoren is gesproken.
Hertaald:
aandoen
Namelijk als een nieuw kleed. Zie 2 Kor. 5:2-3. Het wezen van de lichamen zal dus blijven, maar zij zullen hun oude sterfelijke toestand afleggen en de onsterfelijkheid als een nieuw kleed en sieraad aandoen. En dat zal de verandering zijn waarover tevoren gesproken is.
geschieden,
Dat is, volkomenlijk vervuld worden.
Hertaald:
geschieden,
Dat is: volkomen vervuld worden.
dat geschreven is
Namelijk Jes. 25:8 .
Hertaald:
dat geschreven is
Namelijk in Jes. 25:8.
De dood
Dit wordt verstaan van den tijdelijken dood, ten aanzien van de gelovigen; en kan ook verstaan worden van den eeuwigen dood. Doch de apostel past dit hier op den tijdelijken dood, gelijk uit het voorgaande blijkt.
Hertaald:
De dood
Dit wordt opgevat van de tijdelijke dood, met het oog op de gelovigen; het kan ook opgevat worden van de eeuwige dood. Maar de apostel past het hier toe op de tijdelijke dood, zoals uit het voorgaande blijkt.
is verslonden
Namelijk van Christus, vs.57. Dat is, ganselijk weggenomen, dat er geen dood of sterven meer onder de mensen zal wezen. Zie dergelijke wijze van spreken 2 Kor. 5:4 .
Hertaald:
is verslonden
Namelijk door Christus, vers 57. Dat is: volkomen weggenomen, zodat er onder de mensen geen dood of sterven meer zal zijn. Zie een soortgelijke manier van spreken in 2 Kor. 5:4.
tot overwinning
Dat is, dat Hij gans overwonnen, weggenomen en teniet gedaan is; Openb. 21:4 . Het Hebreeuwse woord, dat Jesaja hier gebruikt kan ook overgezet worden in eeuwigheid.
Hertaald:
tot overwinning
Dat is: zo dat hij volkomen overwonnen, weggenomen en tenietgedaan is; Openb. 21:4. Het Hebreeuwse woord dat Jesaja hier gebruikt kan ook vertaald worden met: in eeuwigheid.
Dood, waar is uw
Dat is als een triomflied, dat de apostel zingt over de overwinning van den dood, genomen, zo het schijnt, uit den profeet Hosea, Hos. 13:14 , hoewel met enige verandering en bijvoeging van woorden.
Hertaald:
Dood, waar is uw
Dat is als een triomflied dat de apostel zingt over de overwinning op de dood, naar het schijnt ontleend aan de profeet Hosea, Hos. 13:14, hoewel met enige verandering en toevoeging van woorden.
prikkel?
Namelijk waarmede gij ons mensen den doodsteek pleegt te geven.
Hertaald:
prikkel?
Namelijk de prikkel waarmee u ons mensen de doodsteek pleegt te geven.
Hel, waar is
Of graf, want het Hebreeuwse woord Scheol, en het Griekse Hades, welke van den profeet en van den apostel hier gebruikt worden, betekent beide. Het schijnt dat het hier voornamelijk het graf betekent, dewijl de apostel hier handelt van de wegdoening des tijdelijken doods.
Hertaald:
Hel, waar is
Of: graf. Want het Hebreeuwse woord sjeool en het Griekse hades, die door de profeet en door de apostel hier gebruikt worden, betekenen beide. Het lijkt erop dat het hier vooral het graf betekent, aangezien de apostel hier handelt over het wegdoen van de tijdelijke dood.
overwinning?
Namelijk waardoor gij de doden onder uw geweld tot nog toe gehouden hebt, die gij alsdan weder zult moeten geven, en niet langer onder uw geweld kunnen behouden. Zie Openb. 20:13-14 .
Hertaald:
overwinning?
Namelijk de overwinning waardoor u de doden tot nu toe in uw macht gehouden hebt, die u dan weer zult moeten teruggeven en niet langer in uw macht zult kunnen houden. Zie Openb. 20:13-14.
de zonde;
Want om der zonde wil heeft de dood macht over ons, en is overzulks gelijk als het wapen om ons te doden; Rom. 5:12 , en Rom. 6:23 .
Hertaald:
de zonde;
Want om de zonde heeft de dood macht over ons, en zij is daarom als het wapen om ons te doden; Rom. 5:12 en Rom. 6:23.
is de wet
Want de zonde wordt niet gekend noch toegerekend dan door de wet; en als de wet iets gebiedt, zo streeft ons verdorven vlees daartegen des te meer, om te doen wat verboden is. Zie Rom. 5:13 , en Rom. 7:7-8 , Rom. 7:13 .
Hertaald:
is de wet
Want de zonde wordt alleen gekend en toegerekend door de wet. En wanneer de wet iets gebiedt, verzet ons verdorven vlees zich daar des te meer tegen, om te doen wat verboden is. Zie Rom. 5:13 en Rom. 7:7-8, Rom. 7:13.
die ons de overwinning
Namelijk van deze voorgenoemde en alle andere vijanden.
Hertaald:
die ons de overwinning
Namelijk de overwinning over de zojuist genoemde en alle andere vijanden.
door onzen Heere Jezus Christus
Die deze overwinning heeft te weeggebracht, niet voor zichzelven maar voor ons, als Hij door Zijnen dood volkomen voor de zonden, naar eis der wet, betaald heeft, en door kracht Zijner opstanding onze zielen wederbaart, en onze lichamen ten uitersten dage zal opwekken in heerlijkheid.
Hertaald:
door onzen Heere Jezus Christus
Die deze overwinning tot stand gebracht heeft, niet voor Zichzelf maar voor ons, toen Hij door Zijn dood volkomen voor de zonden betaald heeft naar de eis van de wet, en Die door de kracht van Zijn opstanding onze zielen wederbaart en onze lichamen op de laatste dag in heerlijkheid zal opwekken.
standvastig
Of, wel gegrond, namelijk in het geloof.
Hertaald:
standvastig
Of: goed gegrond, namelijk in het geloof.
onbewegelijk, altijd
Namelijk tegen de stormwinden of watervloeden van verzoekingen.
Hertaald:
onbewegelijk, altijd
Namelijk onbeweeglijk tegen de stormwinden of watervloeden van verzoekingen.
overvloedig zijnde
Dat is, met een ernstigen ijver en vlijt altijd voortgaande en toenemende.
Hertaald:
overvloedig zijnde
Dat is: altijd voortgaand en toenemend met ernstige ijver en vlijt.
in het werk des Heeren,
Dat is, in het werk, dat de Heere door den dienst der apostelen in uwe harten gewrocht heeft, of dat Hij ons gebiedt dat wij doen zullen; Joh. 6:29 .
Hertaald:
in het werk des Heeren,
Dat is: in het werk dat de Heere door de dienst van de apostelen in uw harten gewerkt heeft, of dat Hij ons gebiedt te doen; Joh. 6:29.
weet
Dat is, verzekerd zijn door de beloften Gods.
Hertaald:
weet
Dat is: verzekerd zijn door de beloften van God.
niet ijdel is
Dat is, niet zonder vrucht en genadige vergelding zal zijn.
Hertaald:
niet ijdel is
Dat is: niet zonder vrucht en zonder genadige vergelding zal zijn. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Paulus herhaalt eerst het fundament van het Evangelie: "Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften" (1 Kor. 15:3-4). Daarna noemt hij Hem "de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn" (1 Kor. 15:20). Zijn opstanding is dus niet alleen bewijs, maar de eerste vrucht en de garantie van een grotere oogst: "gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden" (1 Kor. 15:21-22, reeds aangehaald bij Erfzonde, Rom. 5). Op de vraag hoe de doden opstaan, antwoordt Paulus met een reeks tegenstellingen. Gezaaid in verderfelijkheid, opgewekt in onverderfelijkheid; gezaaid in oneer, opgewekt in heerlijkheid. Gezaaid in zwakheid, opgewekt in kracht; een natuurlijk lichaam gezaaid, een geestelijk lichaam opgewekt (1 Kor. 15:42-44). Bij de laatste bazuin "de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden" (1 Kor. 15:52), en dan is het woord vervuld: "De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?" (1 Kor. 15:54-55). Bijbelse betekenis: Dit is uitdrukkelijk geen leer over de onsterfelijkheid van een onstoffelijke ziel alleen, maar over de opstanding van het lichaam zelf. Het is hetzelfde lichaam, maar zo omgevormd dat het past bij de eeuwige heerlijkheid — zoals een zaadkorrel en de plant die eruit opgroeit één en dezelfde zijn en toch geheel verschillend van gedaante (1 Kor. 15:36-38, niet apart aangehaald). Dit is te onderscheiden van Opstanding en het Leven (Joh. 11), dat over Christus Zelf als de bron en de macht van alle opstanding gaat; hier gaat het om de toekomstige opstanding van de gelovige zelf, gegrond in die bron. Typologie: Filippenzen tekent het resultaat: Christus zal "ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam" (Fil. 3:21). 1 Kor. 15:3-4,20-22,42-44,51-55; Fil. 3:21 In zijn onderwijs over het opstandingslichaam grijpt Paulus terug op Genesis: "De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest" (1 Kor. 15:45). Daarna zet hij de herkomst naast elkaar: "De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel" (1 Kor. 15:47). En hij trekt de gevolgtrekking voor allen die bij de een of de ander horen: "gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen" (1 Kor. 15:49). Het opstandingslichaam zelf is reeds behandeld bij 1 Kor. 15:42-44. Bijbelse betekenis: De aanduiding laatste Adam zegt twee dingen tegelijk. Zij zegt dat Christus met Adam vergelijkbaar is, want ook Hij is een hoofd in wie anderen begrepen zijn; en zij zegt dat er na Hem geen derde komt. Twee dingen volgen daaruit. Het eerste is dat de mens altijd bij een van beiden hoort; er is geen plaats buiten deze twee. Het tweede is het verschil in richting: de eerste Adam ontving leven, de laatste Adam geeft het. Daar ligt ook de begrenzing van de vergelijking, want zij loopt niet gelijk op. Wat Adam verspeelde, geeft Christus niet alleen terug maar overtreft Hij, want Hij is de Heere uit de hemel. Typologie: Paulus werkt dezelfde tegenstelling breed uit in de brief aan Rome: door de ongehoorzaamheid van de een zijn velen tot zondaars gesteld, en door de gehoorzaamheid van de Een zullen velen tot rechtvaardigen gesteld worden (Rom. 5:19). En de belofte van Gen. 3:15 wees al vooruit naar een Zaad dat de kop zou vermorzelen (reeds behandeld). 1 Kor. 15:45; 1 Kor. 15:47-49; 1 Kor. 15:42-44; Rom. 5:19; Gen. 3:15 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe In Korinthe zeggen sommigen dat er geen opstanding der doden is. Paulus gaat daar niet omheen praten maar zet eerst neer wat hij ontvangen en doorgegeven heeft — de oudste samenvatting van het Evangelie die wij bezitten. Christus is gestorven, begraven en opgewekt — en twee keer voegt Paulus eraan toe: naar de Schriften. De samenvatting is kort: dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften. Dat woordje twee keer is niet terloops. Het sterven was geen ongeluk en de opstanding geen verrassing; beide stonden geschreven. Op de Emmaüsweg had Christus zelf gezegd dat de Christus deze dingen moest lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan. Daarna somt Paulus de getuigen op, en eindigt bij zichzelf: als een ontijdig geborene. Hij is de minste der apostelen, omdat hij de gemeente vervolgd heeft. Het middendeel is genadeloos eerlijk. Als er geen opstanding is, dan is ook Christus niet opgewekt; dan is de prediking ijdel, het geloof ijdel, zijn wij nog in onze zonden, en zijn de ontslapenen verloren. Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. Paulus biedt geen halve troost aan. En dan de omslag: maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. Dat woord Eersteling komt uit Leviticus 23: de eerste garf van de oogst, bewogen daags na de sabbat, terwijl het veld nog vol staat. Een eersteling is geen uitzondering maar een aankondiging. Het slot brengt Adam en Christus opnieuw bijeen: gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden — en het laatste dat teniet gedaan wordt, is de dood zelf. In het Nieuwe Testament: Lukas 24:26-27; Handelingen 2:24-32; Romeinen 4:25; Openbaring 1:18
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Christus ís opgewekt uit de doden. 1 Korinthe 15:20 Het hele geloof van de christen draait om dit ene feit: “Christus is opgewekt uit de doden.”Want, zoals de… Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. 1 Korinthe 15:51-52 Tussen hemel… Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. 1 Korinthe 15:22 Denk er eens over na: nog vóór deze aarde haar… Toen zij Het gezien hadden, maakten zij overal het woord bekend dat hun over dit Kind verteld was. En allen die het hoorden, verwonderden zich over wat door… De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood. (1 Korinthe 15:26) Lees verder Romeinen 8:35—39. Goed leven is de manier om goed te sterven. De dood is niet… De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. Maar God zij dank Die ons de overwinning geeft door onze Heere… Maar nu, Christus ís opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn. (1 Korinthe 15:20) Lees verder Romeinen 6:5—11. Waarom is de opstanding… Ik zal hun bloed zuiveren, dat Ik niet gezuiverd had. (Joel 3:21, EV) Lees verder 1 Korinthe 15:51—58. Als het ons beloofd is dat onze oude natuur weggedaan zal… Als wij alleen voor dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen. (1 Korinthe 15:19) Lees verder Titus 2:11—14. Het meest… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" De laatste Adam… 1 Korinthe 15:45 Jezus is het Hoofd van Zijn gemeente en het Hoofd van het verbond. Iedere mens… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelse mensen. 1 Korinthe 15 vers 48 Het hoofd en de lichaamsdelen hebben… Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. 1 Korinthe 15:19 Het meest nuttige in dit leven is… Want ik heb u ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften. 1 Korinthe 15:3 De apostel wil… Wanneer we op een begrafenis het beroemde hoofdstuk in de brief aan de Korintiërs lezen, vinden we daarin geen troost met betrekking tot de onsterfelijke ziel, want die… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden. 1 Korinthe 15:20 Het hele huis van het Christendom rust op het feit… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
1 Korinthe 15
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Naar de Schriften — 15:1-28
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De opgestane Christus
Een oogwenk
Jouw relatie met Christus
Wat je met Kerst moet doen
De laatste vijand vernietigd
Gedachten over het laatste gevecht
Christus, de Eersteling
Volmaakte zuivering
Leven na de dood
De laatste Adam
Ik leef en u zult leven
Leven na de dood
De climax van het liefdeoffer
Herkenning in de hemel
Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden


1 Korinthe 15
1 Korinthe 15:1-2
KruisverwijzingenRomeinen 5:2→Hebreeën 3:6→1 Petrus 5:12→Galaten 1:6→2 Korinthe 1:24→Romeinen 2:16→Hebreeën 3:14→Galaten 3:4→— Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat; Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.
Wat was dan dit Evangelie dat Paulus gepredikt had, en dat de christenen te Korinthe hadden aangenomen? Het was het Evangelie waarvan Paulus verklaarde dat het hen zou zalig maken als zij het waarachtig geloofden. Was het een Evangelie dat enkel uit leerstukken bestond? Nee, het was een Evangelie van feiten.
1 Korinthe 15:3
Kruisverwijzingen1 Petrus 2:24→Handelingen 26:22→1 Korinthe 11:23→Jesaja 53:1→Galaten 1:4→Galaten 1:12→Zacharia 13:7→1 Petrus 1:11→— Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
Dat is het eerste fundamentele feit in het Evangelie: dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften. Gezegend is de mens die dit gelooft en zijn ziel daarop laat rusten. De prediker van Christus mag geen nieuwe leerstukken maken. Hij is niet zijn eigen leermeester; hij moet de waarheid eerst ontvangen, en haar dan doorgeven. De christelijke dienaar neemt de lamp uit Gods hand, en geeft haar door aan de handen van Zijn volk. Denk niet dat er in de kansel enige oorspronkelijkheid nodig is. Het enige wat vereist wordt, is dat de heraut de boodschap van zijn Meester getrouw doorgeeft, precies zoals zijn Meester ze hem gegeven heeft.
1 Korinthe 15:4
KruisverwijzingenHandelingen 26:22→Hosea 6:2→Mattheüs 12:40→Psalmen 16:10→Jesaja 53:9→Romeinen 6:4→Mattheüs 27:63→Lukas 18:32→— En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;
Dat grote feit van Christus’ opstanding uit de doden staat terecht direct na Zijn plaatsvervangend offer, want het is de hoeksteen van ons heilig geloof. Het is een van de wezenlijke leerstukken die wij moeten aannemen, want wij kunnen het Evangelie niet waarachtig geloven zonder de grote waarheid van Christus’ opstanding te aanvaarden. Dit was nodig als bewijs van Zijn dood, en als grondslag voor Zijn opstaan.
1 Korinthe 15:5-8
KruisverwijzingenMarkus 16:14→1 Korinthe 9:1→1 Korinthe 1:12→Handelingen 10:41→Mattheüs 28:16→Mattheüs 28:10→Lukas 24:50→Handelingen 9:17→— En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren deel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen. Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen. En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.
Wij mogen misschien mensen tegenkomen die betwijfelen of er ooit een Julius Caesar of een Napoleon Bonaparte heeft bestaan. Pas wanneer alle betrouwbare geschiedschrijving in de wind wordt geslagen, mogen zij beginnen te betwijfelen of Jezus Christus uit de doden is opgestaan. Want dit historische feit is beter gestaafd dan bijna enig ander feit dat in de geschiedenis, heilig of profaan, is vastgelegd. De opgestane Christus werd gezien door velen die Hem van nabij kenden voordat Hij stierf, door hen die Zijn dood hadden gezien en die Hem dood hadden gezien. Hij werd, bij verschillende gelegenheden, in het klein gezien, door één, door twee, door twaalf van hen die jarenlang Zijn metgezellen waren geweest. Op andere momenten werd Hij in het openbaar gezien, door grote aantallen mensen die niet allemaal bedrogen konden zijn geweest. Deze mannen waren er zo zeker van dat dit inderdaad dezelfde Christus was Die geleefd had en gestorven was. Hoewel het hun aanvankelijk moeilijk viel te geloven dat Hij was opgestaan, was het daarna onmogelijk hen eraan te laten twijfelen. Het merendeel van hen stierf om van dit feit te getuigen; zij werden gemarteld omdat zij beleden dat Jezus werkelijk was opgestaan. Er is geen feit in de geschiedenis, van de dagen van Adam tot nu toe, dat beter gestaafd is dan deze grote centrale waarheid van Christus’ opstanding. Laten wij haar dus aannemen, en met blijdschap ontvangen. Paulus besluit zijn lijst van getuigen door zichzelf erbij te noemen als een van hen. Zijn bekering was voor hemzelf zo’n wonderlijke openbaring van goddelijke genade, dat hij was als “een ontijdig geborene.”
1 Korinthe 15:9
KruisverwijzingenHandelingen 8:3→2 Korinthe 12:11→1 Timotheüs 1:13→Efeze 3:7→Handelingen 22:4→Galaten 1:13→Handelingen 26:9→2 Korinthe 11:5→— Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.
“God heeft mij vergeven,” zei eens een godvruchtig man, “maar ikzelf zal het mij nooit vergeven.” Zo was het ook met de apostel Paulus. Hij wist dat God hem vergeven had, en hem geëerd had door hem tot apostel te maken, maar hij kon het zichzelf niet vergeven. Ongetwijfeld welden de tranen in zijn ogen toen hij deze woorden schreef, dat hij niet waardig was een apostel genaamd te worden, omdat hij de gemeente van God vervolgd had.
1 Korinthe 15:10
Kruisverwijzingen2 Korinthe 3:5→Galaten 2:8→Filippenzen 2:13→Efeze 3:7→Efeze 2:7→Romeinen 12:3→2 Korinthe 10:12→2 Korinthe 12:11→— Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.
Hoe nederig spreekt Paulus! Hij ontkent niet wat de genade in en door hem gedaan heeft, maar hij schrijft het geheel toe aan die genade. Broeders, u hoeft niet uw ogen te sluiten voor de genadige verandering die Gods Heilige Geest in u heeft aangebracht. U mag ervan spreken, en er vaak van spreken. Maar wees er altijd voor op uw hoede geen eer aan uzelf toe te schrijven, en let er vooral op de kroon op het juiste hoofd te zetten.
1 Korinthe 15:11-14
KruisverwijzingenHandelingen 23:8→2 Timotheüs 2:18→1 Thessalonicenzen 4:14→1 Korinthe 15:17→Jakobus 2:20→1 Korinthe 15:3→1 Korinthe 2:2→2 Thessalonicenzen 2:17→— Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd. Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is? En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.
Al de apostelen, alle eerste christenen predikten de opstanding van Christus; en de Korinthiërs geloofden dit toen zij christen werden. Werd Christus dan gepredikt als opgewekt uit de doden, hoe konden sommigen onder hen zeggen dat er geen opstanding van de doden is? Hadden zij het zo ver gebracht, zichzelf christen te noemen, en toch de waarheid van de opstanding van de doden te betwijfelen? Zij hadden haar weggeredeneerd, er een soort mythe of fabel van gemaakt, en toch noemden zij zich christenen. Was Jezus Christus niet opgestaan uit de doden, dan prediken wij een leugen; dan gelooft u een leugen, en zijn onze prediking en uw geloof niets dan ijdelheid. Deze waarheid is de sluitsteen van de boog: neem haar weg, en het hele geheel stort in. Het hele christelijke stelsel rust hierop.
1 Korinthe 15:15-17
KruisverwijzingenRomeinen 4:25→Handelingen 2:24→1 Korinthe 15:14→1 Petrus 1:3→Hebreeën 10:4→1 Korinthe 15:20→Handelingen 2:32→Romeinen 3:7→— En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden. Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.
U kunt dus geen christen zijn als u de opstanding van Christus loochent. U moet het christendom geheel opgeven, en bekennen dat uw geloof erin een dwaling was. Dat is zo, tenzij u gelooft dat Jezus Christus uit de doden is opgestaan, en dat er daarom een opstanding van de doden is voor de mensenkinderen. Laat het volkomen duidelijk zijn: wat Christus is, dat zijn Zijn mensen. Er is een onverbreekbare eenheid tussen het Hoofd en de leden, zodat, leeft Hij, zij leven; en leeft Hij niet, dan leven zij niet. Jezus en zij voor wie Hij stierf zijn zo innig verbonden, dat zij werkelijk één zijn, en niets hen ooit kan scheiden.
1 Korinthe 15:18-19
KruisverwijzingenOpenbaring 14:13→2 Timotheüs 3:12→1 Korinthe 15:6→Johannes 16:33→1 Korinthe 6:3→1 Petrus 1:21→1 Thessalonicenzen 4:16→1 Thessalonicenzen 4:13→— Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.
Was onze hoop voor de toekomst enkel een leugen, dan zouden wij vreselijk bedrogen zijn. Verloren wij een hoop zo schitterend als deze voor ons geweest is, dan zou ons een gevoel van verlies treffen zo groot, dat niemand in de wereld zo ellendig zou kunnen zijn als wij. Bovendien, verkeerden de apostelen voortdurend in levensgevaar, en leden zij armoede, vervolging en de vrees voor een marteldood, allemaal voor een leugen? Dan waren zij van alle mensen het meest misleid en het meest ellendig. Maar de Korinthiërs zouden dat niet toegeven, en wij ook niet.
1 Korinthe 15:20
Kruisverwijzingen1 Petrus 1:3→Openbaring 1:5→1 Korinthe 15:23→Handelingen 26:23→Kolossenzen 1:18→Romeinen 8:11→1 Korinthe 15:6→— Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.
Hij moet altijd de eerste zijn, opdat Hij in alle dingen de voorrang zou hebben. Zoals men altijd een deel van de oogst naar de tabernakel en de tempel van Israël bracht, ten teken dat de oogst begonnen was, zo was Christus’ hemelvaart het binnenbrengen van de eerste schoof in Gods grote schuur. Al de rest moet volgen.
1 Korinthe 15:21-28
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 1:10→Daniël 7:27→Daniël 7:14→Openbaring 20:14→Openbaring 21:4→Psalmen 110:1→Psalmen 8:6→Filippenzen 3:21→— Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
Niet dat allen zalig zullen worden, maar allen zullen uit de doden opgewekt worden. Ofwel betekent de tekst dit: zoals allen die in de eerste Adam waren, stierven als gevolg van Adams zonde, zo zullen ook allen die in de tweede Adam zijn, dat is Christus, leven als gevolg van Zijn gerechtigheid. De vraag is: zijn wij in de tweede Adam? Het geloof is wat ons met Christus verenigt. Vertrouwen wij op Hem met een levend geloof, dan waarborgt Zijn opstanding uit de doden onze opstanding uit de doden. Dit is een zeer moeilijk gedeelte, maar ik veronderstel dat de betekenis deze is. Jezus Christus werd, om het grote onheil van de zonde te herstellen, aangesteld tot een middelaarskoningschap over alle werelden. Dat koningschap zal voortduren totdat al Zijn vijanden vernietigd zijn en de zonde onder Zijn voeten vertreden is. Dan zal Christus, als Middelaar, let wel, niet als Heere, Zijn middelaarskoningschap overgeven aan Zijn Vader, en dan zal die grote lofzang gehoord worden: “Halleluja! Halleluja! Halleluja! De Heere God, de Almachtige, regeert!” Christus als God, als een van de Personen van de eeuwig gezegende Drie-eenheid, zal even heerlijk blijven als altijd. Maar Zijn middelaarsregering zal dan voorbij zijn, aangezien Hij al haar doeleinden volbracht heeft.
1 Korinthe 15:29
KruisverwijzingenRomeinen 6:3→Mattheüs 20:22→1 Korinthe 15:16→1 Korinthe 15:32→— Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?
Dit is opnieuw een zeer moeilijk gedeelte, en er zijn vele betekenissen aan gegeven. De meest waarschijnlijke lijkt mij deze: zodra een lid van de vroege christelijke gemeente aan de leeuw was prijsgegeven of verbrand, zou een andere bekeerling naar voren treden en zeggen: laat mij zijn naam en plaats innemen. Het was bijna zeker dat ook zij spoedig ter dood gebracht zouden worden. Toch waren er altijd personen dapper genoeg om zich naar voren te begeven om gedoopt te worden, om de plaats van de gestorvene in te nemen. Wat voor nut heeft dit alles, zegt de apostel, als de doden niet opstaan?
1 Korinthe 15:30-32
KruisverwijzingenJesaja 22:13→Lukas 12:19→Jesaja 56:12→2 Korinthe 4:10→1 Thessalonicenzen 2:19→1 Korinthe 15:31→2 Korinthe 6:9→Galaten 5:11→— Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar? Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere. Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
Waarom stelden de apostelen zich altijd bloot aan wrede vervolging? Paulus werd zo overal opgejaagd, dat er geen dag was waarop hij zich veilig van zijn leven voelde. Daarom vraagt hij: waarom zou ik dit verdragen, als er geen toekomende wereld is? Het is heel wel mogelijk dat Paulus in het theater te Efeze voor de leeuwen werd geworpen, en dat hij met hen vocht en er als overwinnaar uit kwam. Maar waarom, zegt hij, zou ik mijn leven proberen te sparen voor toekomstige arbeid en toekomstig lijden, als de doden niet opstaan? Dit is de beste wijsbegeerte ter wereld, als er geen toekomend leven is.
1 Korinthe 15:50-51
KruisverwijzingenFilippenzen 3:21→Mattheüs 16:17→1 Thessalonicenzen 4:14→Efeze 4:17→Galaten 5:16→1 Korinthe 6:13→Johannes 3:3→Galaten 3:17→— Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beerven kunnen, en de verderfelijkheid beerft de onverderfelijkheid niet. Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
Wij zullen niet allen sterven; sommigen zullen nog in leven zijn wanneer Christus wederkomt op deze aarde. Maar wij zullen allen veranderd worden, zo niet door het proces van sterven en opstaan, dan toch op een andere wijze.
1 Korinthe 15:52
KruisverwijzingenMattheüs 24:31→Johannes 5:25→Zacharia 9:14→Jesaja 27:13→Openbaring 8:2→Jesaja 18:3→1 Thessalonicenzen 4:16→Openbaring 8:13→— In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.
Op de een of andere manier moet zo’n verandering plaatsvinden voordat wij de hemel kunnen binnengaan, want “vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven.”
1 Korinthe 15:53-58
KruisverwijzingenGalaten 6:9→2 Kronieken 15:7→Hebreeën 6:10→2 Petrus 3:17→Kolossenzen 1:23→Filippenzen 2:16→1 Korinthe 3:8→Psalmen 55:22→— Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.
Dat behoort de praktische uitkomst te zijn van het aannemen van de grote waarheden die wij gelezen hebben. God geve dat het zo mag zijn! In dit hoofdstuk behandelde Paulus het feit van de opstanding en verdedigde hij het met argumenten. Toch besluit hij met deze woorden: “zijt standvastig, onbewegelijk.” Dit is een les voor ons.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
D. Nadat Paulus in de acht voorgaande Hoofdstukken vier vragen hem gedaan, over het huwelijk, over het eten van afgodenoffer, over het sluieren van biddende of profeterende vrouwen en over het spreken met talen beantwoord heeft, voegt hij nu aan de beide overige delen in Hoofdstuk 15 nog een derde toe. Dit heeft ten doel die gemeenteleden terecht te wijzen, die loochenden dat er een opstanding van de doden was. Dit Hoofdstuk staat echter niet in verband met enig gedeelte van de brief van de Corinthische gemeente, noch hangt samen met mededelingen, die de apostel over hun gevoelens ten deel waren geworden, zoals dat bij de zes eerste hoofdstukken het geval was, maar met hetgeen de apostel in zijn onmiddellijke omgeving te Efeze (2 Tim. 2: 17 v. Vgl. 1 Tim. 1: 20) opmerkte. Nu wist hij dat datzelfde in beginselen ook bij de Corinthiërs was en hij probeert die twijfel nu dadelijk hij het eerste opkomen in de kiem te verstikken.
I. Vs. 1-11.Kruisverwijzingen2 Korinthe 3:5→1 Petrus 2:24→Galaten 2:8→Filippenzen 2:13→Handelingen 26:22→1 Korinthe 11:23→Jesaja 53:1→Markus 16:14→
— Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat; Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften; En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren deel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen. Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen. En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb. Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.
Hier leggen voor de volgende uiteenzetting de grondslag, door de aanwijzing van de historische zekerheid van de opstanding van de Heere. Deze is een voornaam stuk van het Evangelie en zo van alle kanten door alle apostelen en de gelovigen van de eersten tijd, die voor een groot deel nog leven, verzekerd, dat het in geen deel kan worden aangetast, zonder de gehelen grondslag van de kerk te ondermijnen. De apostel mag zich verzekerd houden, dat ook zij, die de opstanding loochenen en die hij wil bestrijden, datgene, wat hij hier zegt, als juist zullen erkennen. Voordat hij er echter mee begint om te bewijzen, dat de loochening van een opstanding van de doden in haar wezen een loochening van de opstanding van Christus zelf is, laat hij hen eerst gevoelen, hoeveel bij die verloochening op het spel staat en van hoeveel zij zich beroven, die begonnen zijn die mening aan te kleven.
EPISTEL OP DE ELFDE ZONDAG NA TRINITATIS
Dat dit epistel voor deze zondag bepaald is, schijnt daarom geschied te zijn, dat het laatste stuk overeenkomt met het Evangelie van de zondag (Luk. 18: 9 vv.), omdat Paulus, hoewel hij een verheven apostel was en in zijn ambt meer had gearbeid dan al de anderen, toch niet roemt op zijn eigen werk als de trotse Farizeeër; als de arme zondaar belijdt hij zijn zonde en onwaardigheid en wat hij is schrijft hij alleen aan Gods genade toe, die hem, de vervolger, gemaakt heeft tot een christen en apostel.
Evangelie en epistel beantwoorden tezamen een en dezelfde vraag, als men ze bij elkaar neemt; beide teksten wijzen de weg tot de eeuwige zaligheid en wel op drievoudige wijze. Ten eerste wordt in de farizeeër een valse weg aangetoond, dat is de weg van de ijdele, opgeblazen eigengerechtigheid, die men liever een zekere weg tot eeuwige rampzaligheid moet noemen. Vervolgens wordt in het voorbeeld van de tollenaar de juiste weg tot zaligheid gehoord, nog wel eerst slechts in het algemeen, wat de hoofdzaak aangaat. Dat is de weg van de genade. Verlangen naar genade, honger naar genade, zoals bij de tollenaar wordt gevonden, is een morgenschemering van de eeuwigheid en een schoon begin, dat voortgang en een zalig einde profeteert. Het hoofdstuk toont ons de grote daden van God ter zaligheid en vervolgens hoe wij ons uit deze de zaligheid kunnen toe-eigenen en daarna de verhouding van onze werken tot de zaligheid. Zo stelt zij ons de weg van de zaligheid volkomen en duidelijk voor ogen.
Het zijn drie schitterende sterren, die onze tekst laat schijnen in het duister van de aarde: 1) De Schrift, de enige bron van alle openbaring; 2) Christus, de enige Heiland van de zielen; 3) genade, de enige weg tot redding.
De heerlijkheid van het Evangelie; wij zien die: 1) uit de grootheid van zijn gave; 2) uit de volheid van zijn inhoud; 3) uit de zekerheid van zijn getuigenissen.
Een herinnering aan drie grote weldaden van God; namelijk een herinnering daaraan hoe het gesteld is: 1) met het Evangelie; 2) met de prediking van het Evangelie; 3) met het geloof in de prediking van het Evangelie.
De levende Christus: 1) de inhoud van ons geloof; 2) de kracht van ons leven.
Herinneringen aan het Evangelie: 1) zij hebben betrekking op zijn belangrijke inhoud; 2) op zijn geloofwaardigheid; en 3) op onze verhouding er toe.
Door Gods genade ben ik dat ik ben: Ik ben 1) een mens en Zijn genade zal niet tevergeefs aan mij zijn, ik wil mijn zegen niet met voeten treden; 2) een Christen en Zijn genade zal niet tevergeefs aan mij zijn, ik zal mijn Christelijke staat niet voor een linzengerecht verkopen; 3) een arbeider in de wijngaard van de Heere en Zijn genade zal niet tevergeefs aan mij zijn, ik wil steeds toenemen in het werk van de Heere.
Voorts broeders, ik maak u, voordat ik overga tot de uiteenzetting, die dit hoofdstuk bevat, bekend het Evangelie, a) dat ik u bij mijn werkzaamheid te Corinthiërs verkondigd heb, dat u ook, toch u Christenen werd, elk voorzijn deel, aangenomen heeft, in hetwelk u ook nog in deze tijd staat.
Gal. 1: 11.
a) Waardoor u ook zalig wordt, als die tijd komt, waarin u het einde van uw geloof zult verkrijgen, als u het namelijk behoudt op zodanige manier als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat u tevergeefs geloofd heeft, als u het u ten minste niet weer gedeeltelijk heeft laten ontnemen, in welk geval u zeker niet meer bekwaam zou zijn, om het door mij gepredikte u juist voor te stellen.
Rom. 1: 16. 1 Kor. 1: 21.
Onder Evangelie moeten wij niet slechts verstaan de bekendmaking van de dood en opstanding van de Heere, maar in het algemeen de bekendmaking van de zaligheid in Christus, waaruit dan het “ten eerste” in vs. 2. de inhoud hier bedoeld, op de voorgrond plaatst.
De woorden: “dat ik u verkondigd heb, dat u ook aangenomen heeft, in hetwelk u ook staat, door hetwelk u ook zalig wordt”, bevatten een trapsgewijs voortgaande opklimming van de verkondiging tot de aanneming, van deze tot standvastig vasthouden daarvan en hiervan tot de daardoor gewaarborgde zaligheid, even zo vele redenen voor de lezers, om het ontvangene niet weer los te laten, nadat het zo nauw met hen verenigd was.
Wat daarop verder in de tekst volgt, zijn harde en scherpe woorden en toch vriendelijk en zoet gesproken, zodat men ziet, hoe getrouw en vaderlijk hij het met hen meent en voor hen zorg draagt. Hij wil zeggen: “u weet toch wat ik u gepredikt heb, als u zich dat maar herinneren en u daaraan houden wilde en niet door anderen u daarvan liet afvoeren. Hoor ook wat anderen prediken en u kunt daarmee vergelijken, hoe en in welke vorm ik het u gepredikt heb, tenzij dan dat u het niet bewaard heeft, maar het reeds heb laten varen en dus tevergeefs geloofd heb, wat ik toch niet hoop. ” Hij spreekt als een vroom prediker, die het beste van hen wil hopen en toch bovendien bezorgd moet zijn. Hij wil hen dus tegelijk vertroosten, dat zij niet wanhopig worden en alhoewel zij bestreden worden en verleid om af te vallen, er zich weer aan vast houden; en tevens wil hij hen ook waarschuwen, dat zij niet zorgeloos mogen zijn, maar denken moeten, wat een gevaar en wat een schade hun wacht, als zij niet vasthouden aan hetgeen zij van hem hebben ontvangen. Als u zich niet aan het Evangelie houdt, zo verzekert hij hun en naar anderen luistert, dan heb ik tevergeefs gepredikt en u tevergeefs geloofd en alles is tevergeefs en verdorven, wat u te voren heeft gehad, doop en Christus, zodat u geen zaligheid te hopen heeft.
Men kan het zaligmakend Evangelie niet behouden, als men het niet behoudt zoals de apostelen het hebben verkondigd. Men kan niet in het evangelisch staatsie- en erekleed voor God bestaan, als men zijn geloof samenraapt uit lappen van het Evangelie en uit lompen van het oude verstandskleed.
Ten eerste wil ik u de hoofdpunten van mijn verkondiging, die voor hetgeen ik u in dit hoofdstuk wil voorhouden, van bijzonder gewicht zijn, in het kort noemen. Want ik heb jullie ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook van degenen, die daarmee bekend waren, in het bijzonder van Ananias en de overige discipelen te Damascus (Hand. 9: 10 vv.), ontvangen heb, a) dat Christus gestorven is tot een verzoening voor onze zonden (Rom. 3: 23 vv. Gal. 3: 13. Hebr. 10: 12) naar de Schriften (Gen. 3: 15. Num. 21: 8 vv. Jes. 53: 4 v. Dan. 9: 26. Zach. 12: 10. Luk. 24: 25 vv.).
1 Kor. 5: 7. 1 Petrus 2: 24.
En dat Hij is begraven (Jes. 53: 9. Hand. 13: 29) en dat Hij is opgewekt op de derde dag naar de Schriften (Joh. 2: 22; 20: 9. Jona 2: 1 v. Hos. 6: 2).
De apostel heeft de Corinthiërs vóór alles datgene meegedeeld wat tot de belangrijkste leerstukken behoort, namelijk de feiten van de dood en van de opstanding van Christus. Daarbij wordt door Lassenius opgemerkt: “Het allervoornaamste, dat geleerd kan worden, is Christus. Hij is het centrum van de hele Heilige Schrift en het gehele fundament van ons geloof, in het bijzonder Zijn dood voor onze zonde en Zijn opstanding tot onze gerechtigheid. Weet iemand alles en niet dit, dan is alle wijsheid dwaasheid en alle wetenschap onwetendheid.”
De bijvoeging: “hetwelk ik ook ontvangen heb”, geeft de inhoud te kennen van zijn onderricht als een dat op dezelfde weg van geschiedkundige mededeling tot hem gekomen is, als waarop de Corinthiërs het hebben ontvangen. Er wordt toch hier gesproken over een geschiedkundig feit, dat hij niet door middel van menselijke verkondiging, maar door middel van wonderbare zelfopenbaring van Christus heeft leren kennen, zodat hij de door hem gepredikte boodschap van de genade, in zoverre die een boodschap is van de door hem erkende en aangenomene zaligheid, niet van mensen heeft overgenomen (Gal. 1: 11 vv.), maar waarvan de geschiedkundige gang van hen geleerd is, die vóór hem discipelen van Jezus zijn geweest. Evenals nu bij hen, op de getuigenissen van deze, die geschiedkundige feiten de inhoud zijn geworden van zijn geloof aan de Heere, dat door wonderbare openbaring is teweeggebracht,
zo kunnen ook de Christenen te Corinthiërs niet in het geloof aan de Heere staan, dan door Zijn getuigenis, waardoor zij gelovig waren geworden, de inhoud van hun geloof te laten blijven.
Dat Paulus tussen dood en opstanding uitdrukkelijk noemt, dat Christus ook begraven is, moet een bepaalde reden hebben. Het graf komt hier echter niet voor als de plaats van de dood, maar als de geheime plaats, waar het nieuwe leven ontkiemt. Aan het begraven worden, aan dat, wat in het graf met het lijk geschiedt, ergerden de Corinthiërs zich wel. Zij dachten dat de verrotting van het graf iedere hoop van de opstanding vernietigde; nu drukt Paulus er op, dat ook Christus vóór Zijn opstanding in het graf had gelegen. En zoals hij nu te voren er op gedrukt had, dat Christus om onze zonden was gestorven, zo zegt hij nu, in betrekking tot de opstanding, niet daarop de nadruk, dat zij tot onze gerechtigheid, maar dat zij op de derde dag geschied was. Daarmee wil hij zonder twijfel doen opmerken, dat Christus niet dadelijk van de dood was opgewekt, maar pas na verloop van een bepaalde tijd. En als nu al de tussentijd tussen dood en opstanding bij ons, met deze tijdruimte van drie dagen bij de Heere, als men met offers rekent, zeer weinig overeenkomst heeft, zo zijn toch die beide tussenruimten daarin volkomen gelijk, dat voor beide een dag voor God is gesteld, waarop zij eindigen.
En dat Hij na Zijn opstanding en wel op dezelfde dag Uit 28: 15 door Cefas a) is gezien, daarna door de twaalf (Luk. 24: 33 vv. Joh. 20: 19 vv.).
Hand. 10: 41.
Met dit vers eindigt de reeks van gezegden, die van de woorden in vs. 3 : “ik heb u ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb”, afhangen en het is niet toevallig of onverschillig voor de zin, dat de verdere optelling van de verschijningen van de Opgestanen in zelfstandige zinnen geschiedt. Die, die nu worden gemeld, moeten niet worden genomen, zoals de vroeger genoemde, die bij de opstanding van Jezus, als bekendmaking ervan, behoren, als waren het bestanddelen van dat feit, die door de woorden: “hetwelk ik ook ontvangen heb” als een eenheid is voorgesteld. De apostel denkt niet aan deze als aan de feiten bij zijn evangelieverkondiging bericht; hij heeft het bij die eerstgenoemde verschijningen toen laten blijven, waardoor zij, die de Heere had geroepen om het fundament van Zijn gemeente te vormen, hetgeen toch van Cefas nog weer in het bijzonder kon worden gezegd, van Zijn opstanding verzekerd waren geworden.
De apostel zwijgt geheel van de vrouwen, alsmede van de Emmaüsgangers, die niet tot het getal van de apostelen behoren (Mark. 16: 9-13). Hij wil toch niet alle, maar alleen de hoofdklassen van de verschijningen en de hoofdgetuigen van de opstanding aanvoeren en zo spreekt hij ook verder niet van de openbaring aan de zee (Joh. 21: 1 vv.). Dat hij niet van de vrouwen sprak, daarin blijft hij aan zijn stelling getrouw (Hoofdstuk 14: 34 vrouwen in de gemeente zwijgen. ” Is het een onbillijkheid jegens de vrouwen, als haar het optreden in het openbaar wordt ontzegd? Geschiedt dat niet om haar des te meer ongeschonden haar eigen en hoogst belangrijke werkkring te laten behouden, waarvan geen man haar plaats kan innemen? Ik bedoel de werkkring in het verborgen heiligdom van het huis, het eenvoudige en toch zo onmisbare bestuur in de schoot van het huisgezin. Wie kan, zoals zij, door op de juiste tijd te zwijgen en te spreken, met stille voorbede en fijne opmerkzaamheid, met een handelen zonder zich op te dringen, op het juiste uur doen, wat goed is? Zij zorgt voor haar huis, zo beschrijven reeds de Spreuken van Salomo (Spr. 31: 23) het werk van de deugdzame vrouw; zij zorgt voor haar huis, opdat haar man geprezen wordt in de poorten. En in de paasgeschiedenis hebben de vrouwen haar belangrijk ambt in de familiekring van de discipelen van Christus; onder het volk en de volkeren treden echter alleen deze als getuigen op.
Daarna is Hij in Galilea op een berg Uit 28: 20 gezien door meer dan vijfhonderd broeders opeens (MATTHEUS. 28: 16 vv.), waarvan het meerderdeel nog over is en omdat sinds die tijd bijna 27 jaar zijn voorbijgegaan, sommigen ook zijn ontslapen ingeloof in de Opgestane en in de hoop van hun eigen toekomstige opstanding (MATTHEUS. 9: 24).
Daarna is Hij gezien door Jakobus 1) de ouderen, in een verschijning hem in het bijzonder ten deel geworden (MATTHEUS. 28: 20 No. 8), daarna door al de apostelen 2) te Jeruzalem, ten tijde van Zijn hemelvaart (Mark. 16: 14 vv. Luk. 24: 44 vv. Hand. 1: 4 vv. Mark. 16: 19 v.).
Hoogst waarschijnlijk hebben wij hier aan dezelfde Jakobus te denken, door wie de eerste van de algemene zendbrieven opgesteld is, de broer van de Heere, in de Apostolische kerk in hoge eer gehouden, met de bijnaam van de Rechtvaardige begroet en als martelaar van het ongeloof van de vijandige Joden gestorven. Hij was zo een van die broeders, die vroeger niet in Jezus geloofden (Joh. 7: 5), maar hoogst waarschijnlijk door deze afzonderlijke ontmoeting tot het geloof werd gebracht. Uit de vermelding van deze verschijning na die aan de vijfhonderd broeders en vóór die aan al de Apostelen, die laatste op de veertigste dag gesteld schijnt te moeten worden, heeft men niet zonder grond afgeleid, dat deze openbaring van de opgewekte Heer niet lang vóór zijn heengaan plaats gehad en zo mogelijk mee gestrekt heeft om de samenkomst van al de Apostelen aan de Hemelvaartsmorgen in stilte voor te bereiden. Hoe dit zij, ook hier treedt de verrezen Heiland in het beminnelijkst licht voor ons oog, waar Hij de levenslange miskenning door zijn broeders naar het vlees met een afzonderlijke openbaring aan de oudsten van hun vergeldt. Wat daarbij tussen Hem en Jakobus heeft plaats gehad moge met de sluier van het geheim zijn omtogen, genoeg, ook hier werpt Hij de eerlijke twijfelaar aan Zijn voeten neer en doet hem straks als getuige van Zijn verrijzenis opstaan. Aan dat éne ogenblik heeft Jakobus zelf, heeft het Godsrijk, heeft de hemel een winst te danken gehad, waarvan het volle bedrag zich alleen bij gissing berekenen laat. Het is slechts een enkele straal van de opstandingszon, die hier onze ogen verkwikt, maar ook bij dat nevelig licht treedt weer de gestalte van de Verheerlijkte in uitlokkende glans voor ons oog en wordt het ons vergund te aanschouwen, wie Hij is voor twijfelmoedigen, maar oprechten van hart.
De evangeliën berichten ons niets van de verschijning, die aan meer dan 500 discipelen op eenmaal ten deel geworden is. Men mag echter aannemen, dat de plechtige openbaring op de berg in Galilea bedoeld is. Alhoewel Paulus door de hemelse verschijning, die hem ten deel gevallen is, gewijd was tot een getuige van de Opgestane, heeft hij het toch niet versmaad nauwkeurig onderzoek te doen bij hen, die het van het begin zelf gezien hebben (Luk. 1: 2 v.) en zo weet hij nog zeker, dat de meesten van die meer dan 500 broeders nog leefden. Een Andronikus en een Junius (Rom. 16: 7) kunnen onder dit getal van broeders geweest zijn en het is de vreugde van Paulus geweest, op zijn reizen in het Joodse land en in de landen van de heidenen deze ooggetuigen van de opstanding die nog leefden, op te zoeken, door hen verkwikt te worden, terwijl hij tevens hen, die door vervalsers van het Evangelie op een dwaalspoor gebracht waren, op die krachtige getuigen wees, die God niet zonder liefdevolle bedoeling zolang in leven liet.
Een latere verschijning van de opgestanen Heer, die nergens elders in het Nieuwe Testament vermeld wordt, werd Jakobus ten deel. Omdat in de daarop volgende zin niet gezegd wordt: “daarna door de apostelen”, maar “door alle apostelen” is Jakobus een van de apostelen geweest. Hem werd pas een afzonderlijke openbaring ten deel, bij die verschijning, die bovendien de apostelen ten dele werd was hij ook tegenwoordig. Zeker was ook daar Matthias wel tegenwoordig, die toch volgens Hand. 1: 21 v. ook een getuige van de opstanding met de overige apostelen moest zijn als een zodanige, die al de tijd bij hen was geweest, die de Heere Jezus onder hen uit- en ingegaan was, van de doop van Johannes tot op de dag, dat hij in de hemelvaart van hen werd genomen. Daarom wordt hier de uitdrukking “apostelen” gebruikt, terwijl in vs. 5 sprake was van de “twaalf”, waaraan Judas Iskarioth ontbrak en waarvan bij de daar bedoelde verschijning ook Thomas zich had afgezonderd gehouden; maar de uitdrukking is daar de ambtsnaam van de engere discipelenkring (Luk. 18: 31), zonder er op te letten of het eigenlijke getal vol was of niet, terwijl nu de apostelnaam gebruikt moet worden, die ook nog twee andere omvat dan de oorspronkelijke twaalf. Trad Matthias in de kring van de laatsten in de plaats van Judas, dan staat Paulus zelf buiten die kring als dertiende apostel, die voor de heidenwereld bestemd is. Over de openbaring hem ten deel geworden gaat hij dan in het volgende spreken.
En ten slotte door allen, door alle apostelen, is Hij, nadat Hij reeds enige jaren in de hemel verhoogd was, ook a) door mij als van een ontijdig geboren, op de weg naar Damascus, gezien (Hand. 9: 3 vv. ; 22: 6 vv. ; 26: 13 vv.).
Hand. 23: 11. 1 Kor. 9: 1. 2 Kor. 12: 2.
Een ontijdige geboorte nu noem ik mij in vergelijking met de overige apostelen opzettelijk. Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden, evenals een ontijdige geboorte in vergelijking meteen gewoon voldragen kind eigenlijk nog niet waard is een mens te heten. Ik ben niet waard die erenaam te dragen, a) omdat ik de gemeente van God vervolgd heb (Efeze 3: 8. 1 Tim. 1: 15).
Hand. 8: 3; 9: 1; 22: 4; 26: 9.
Paulus voert de hemelvaart van Christus wel niet woordelijk aan, maar toch is zij wat de kracht aangaat vervat in de verschijning, die hemzelf ten deel viel; want evenals Stefanus de hemel geopend zag en de Zoon des mensen staande ter rechterhand van God (Hand. 7: 55), zo omscheen hem een licht van de hemel.
Het gevoel van het groot geluk: verwaardigd te zijn met een verschijning van de Opgestane, wekt bij de apostel diepe ootmoed op, die steeds gevoed werd door het smartelijk bewustzijn eens de gemeente te hebben vervolgd. Hij spreekt daarom het sterk gevoel van zijn onwaardigheid uit, zeggende dat hij als een ontijdige geboorte was. Wat hij daarmee wilde zeggen blijkt duidelijk uit het volgende vers, dat hij namelijk in diezelfde mate geringer, onwaardiger was dan de andere apostelen, als het te vroeg geboren kind bij het voldragene achterstaat.
Hoe dieper Paulus zich buigt, zodat geen tegenstander hem meer vernederen kon, des te sterker laat hij ook nu vervolgens de andere kant op de voorgrond treden, de heerlijke werking van de genade in hem en door hem.
Hij wil zijn apostolisch ambt onverkleind hebben, omdat God door hem meer heeft gewerkt; om die partijhoofden moet hij hier zijn roeping verheffen.
De meerdere werkzaamheid van Paulus heeft voor een groot deel haar grond in de omstandigheid, dat de Joden zich verhardden tegen hun roeping; terwijl toch de twaalf voor deze bestemd waren, moest daardoor hun werkkring beperkt worden Joh 21: 18.
Maar door de genade van God ben ik dat ik ben, namelijk ook een apostel van Jezus Christus, de Opgestane (Gal. 1: 15 v.) en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is, wat het begeerde gevolg aangaat, niet ijdel geweest, maar integendeel zeer vrucht aanbrengend en werkzaam. Ik heb het licht niet onder een korenmaat gesteld, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen, dan alle apostelen tezamen; maar niet ik door mijn eigen kracht heb zoveel vruchten gedragen (Rom. 15: 18), maar de genade van God, die met mij is. Zo is een miskenning van mijn apostelschap, zoals velen van u zich daaraan hebben schuldig gemaakt (Hoofdstuk 4: 3), niet zozeer een verlaging van mijn persoon als wel van de genade van God, die mij ten deel is geworden en die met mij is.
De genade van God aan hem bewezen is niet zonder uitwerking gebleven. Meer dan de andere apostelen heeft hij als apostel van de heidenen gearbeid, meer, niet wat betreft de aangewende inspanning en de betoonden ijver, maar wat betreft de verkregen vrucht.
Ik heb geen zo dwaze ootmoed, dat ik de mij verleende gaven van God zou verloochenen. Van mijzelf heb ik zeker genoeg, wat mij kan verootmoedigen en in het stof buigen, maar over en in God moet ik roemen, over Zijn gaven blij zijn, juichen, triomferen en roemen.
De heilige Paulus is volgens onze tekst gelijk aan de tollenaar en aan de farizeeër in het zondagsevangelie schijnbaar gelijk en kan toch ook weer met geen van beiden vergeleken worden, als men hem nauwkeurig beschouwt. Als hij zegt: “ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb”, de klinkt dat toch altijd nog zo, dat men hoort, Paulus is en blijft een groot apostel. Hij belijdt grote en zware zonden en noemt ze meer met name dan de tollenaar. Hij slaat ook geestelijk op zijn borst en acht zijn hele vorige leven, reeds om die éne zonde, dat hij de gemeente van God vervolgd heeft, als zonder waarde en veroordelingswaardig. Paulus staat daarmee naast de tollenaar, nog voordat wij uit zijn mond hebben vernomen hoe hij de goddelijke genade prijst, waarop zich toch ook de tollenaar beroept. De gelijkheid van Paulus met de tollenaar is duidelijk zichtbaar, maar klinkt het ook niet weer farizees, als hij zich met de andere heilige apostelen, dus niet zoals de Farizeeër met dieven, rovers, echtbrekers en tollenaars vergelijkt en dan als resultaat van zijn vergelijking verkrijgt, dat hij meer gearbeid had dan zij allen, dat hij dus de grootste, verhevenste, gezegendste mensen in vrucht en zegen en goede werken overtrof? Dat schrijft hij zo rondweg aan de gemeente, aan het praatzieke volk van de Corinthiërs, vanwaar het wel verder en de twaalf zelfs ter ore zal komen, wat de apostel van de heidenen van zichzelf in vergelijking met hen oordeelt! Waarlijk Paulus zegt meer van zichzelf dan de Farizeeër van zichzelf zei en zijn eigen roem overtreft bijna de eigen roem van alle mensen. Ook is zoals bekend is, deze plaats, waar Paulus zich beroemt, niet de enige. In 2 Kor. 11 kan men vinden, hoe hij na enige tijd, dus na een tijd van nadenken en zonder berouw iets dergelijks van zich zegt. En toch is Paulus geen Farizeeër meer, ook niet met de Farizeeër te vergelijken. De gelijkheid met de tollenaar blijft hem bij, al is de tollenaar hem niet gelijk, omdat wij van diens werk en lijden in het rijk van God niets weten. De gelijkheid met de Farizeeër valt toch, hoe onmogelijk dat een ogenblik scheen, geheel en al weg, ja volkomen en tot het laatste en wel door een enkel woordje, namelijk door het woordje, dat tollenaars en apostelen, arme zondaars en geheiligde discipelen van Christus in gelijke mate prijzen, door het woordje genade: “door Gods genade ben ik dat ik ben en Zijn genade aan mij is niet ijdel geweest”. De Farizeeër pronkt met een gelaat bleek van het vasten en met de rijke tiendenwagen, die hij zelf opzettelijk brengt, niet anders dan in treurige eigengerechtigheid. De tollenaar gevoelt zich arm en zonder eigen gerechtigheid, maar ook arm aan Gods gunst en verlangt naar genade, naar de genade van de vergeving. De apostel daarentegen komt met het dankoffer van een heerlijk rijk leven vol van lijden zonder vergelijking, maar – het is niet de roem van de hoogmoed, die u van hem hoort, maar een ware, diepgevoelde belijdenis van een dankbaar hart. Niet opgeblazen, maar neergebogen door genade, niet hovaardig en vol trotsheid, maar met ootmoedige tranen van berouw, in het aandenken aan onvergetelijke zonden, vergelijkt hij zich met de grootste mensen en geeft God de eer, die hem, de grootste zondaar, uit genade tot de grootste heilige heeft gemaakt, opdat niet alleen de prediking van Paulus, maar ook het leven en het werk van Paulus aan alle Joden en heidenen de weg van de zaligheid mocht aanprijzen, waarop men van zo’n diepte tot zo’n hoogte van leven, werken en heiligheid kan komen.
Hetzij dan ik, die als dienaar van het Evangelie optreed, hetzij hen, de andere apostelen, zo, zoals boven (vs. 3 v.) is gezegd, prediken wij en zo, dat u onze prediking heeft vernomen en aangenomen, heeft u geloofd.
Nadat Paulus tussen zichzelf en de apostelen de vergelijking gemaakt heeft, zich in vs. 8 en 9 achter en in vs. 10 echter vóór hen geplaatst heeft, verenigt hij zich met hen in het bezitten van hetzelfde recht en in het een object en de ene inhoud van hun roeping.
Of hij of de overige apostelen prediken, wat de feiten in vs. 8 vv. meegedeeld aangaat, predikt de een zoals de ander en op grond van deze prediking hebben zij het geloof aangenomen. Dat zij het echter hebben aangenomen, is zelf reeds een beweegreden, om het nu niet lichtzinnig op te geven en te verloochenen.
II. Vs. 12-31.KruisverwijzingenRomeinen 4:25→Handelingen 2:24→Openbaring 1:5→1 Korinthe 15:23→Handelingen 26:23→1 Korinthe 15:14→Openbaring 14:13→2 Timotheüs 3:12→
— Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is? En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof. En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden. Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.
Uitgaande van het feit, dat Christus van de dood was opgestaan, spreekt de apostel nu dadelijk over de bewering in de gemeente te Corinthiërs, dat er geen opstanding van de doden zou zijn. Hij wijst aan, hoe deze bewering, als zij recht had, het feit zelf zou vernietigen en daarmee alle Evangelieprediking; dat dit het daardoor te schande zou maken (vs. 12-19). Daarop handelt hij verder over de noodzakelijkheid, dat op de opstanding van Christus een opstanding van de doden volgen moet, alsook over de orde, waarin dat feit zal plaats hebben en hoe dat het einde aller dingen het laatste doel heeft (vs. 20-28). Vervolgens leert hij nog de Corinthiërs, wat een invloed het wegvallen van het uitzicht op de opstanding van de doden op het Christelijk leven zou moeten uitoefenen, terwijl hij deze afdeling sluit met een ernstige waarschuwing (vs. 29-34).
Als nu, zoals dat, volgens hetgeen zo-even opgemerkt is (vs. 11) een uitgemaakte zaak is, Christus overal waar het Evangelie van Hem wordt gehoord, gepredikt wordt, in het bijzonder in dit opzicht, dat Hij uit de dood opgewekt is (Hand. 1: 22; 2: 24; 3: 13 vv. ; 4: 2, 10; 5: 30; 10: 39vv. ; 10: 30 vv. ; 17: 3, 31; 23: 6; 26: 8, 23), waarom zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding van de doden is, dat er onmogelijk zo een zou kunnen bestaan?
En als er geen opstanding van de doden is, zodat het werkelijk zo was als die enkelen beweren, dan is Christus ook niet opgewekt. Dit is een besluit, dat zij zelf wel niet trekken, omdat zij integendeel aan dat feit vasthouden, maar dat ik nu tegenover hen trek, opdat u ziet welke gevolgtrekkingen uit die bewering van u voortvloeien.
En als, zo besluit ik verder, Christus niet opgewekt is, dan is onze prediking, die van de apostelen en dienaren van het Evangelie, zoals ik dat woord vroeger (vs. 3 vv.) in zijn voornaamsten inhoud herhaald heb, ijdel, zodat wij beter hadden gedaan ons de moeite te besparen en ijdel is ook uw geloof, waarmee u onze prediking heeft aangenomen (vs. 1), zo geheel zonder grond, dat u beter had gedaan u daarmee volstrekt niet in te laten.
En zo worden wij Apostelen met ons prediken van onze kant ook bevonden valse getuigen van God, dat nog veel erger is dan dat wij nietige, ijdele woorden zouden spreken (Hand. 17: 18). Wij worden dat, want wij hebben van God getuigd en Hem in dat geval iets onzinnigs laten zeggen, dat Hij Christus opgewekt heeft, die Hij toch, als de zaak zo was, als sommigen zeggen, niet heeft opgewekt, als namelijk (vs. 12) de doden in het algemeen niet opgewekt worden.
Want, dit is zeker, als de doden niet opgewekt worden, dan is, volgens de natuurlijke gevolgtrekking in vs. 13 reeds gemaakt, ook Christus niet opgewekt.
En als Christus niet opgewekt is, dan is, om u ten opzichte van uw toestand eveneens nog iets ergers dan het in vs. 14 gezegde te doen gevoelen, uw geloof tevergeefs, omdat het u niet alleen niets heeft aangebracht, maar u zelfs schade door valse vertroosting heeft berokkend (vgl. het “ijdel” in Tit. 3: 9). Heb ik u de vergeving van uw misdaden verzekerd, het is ijdel geweest, als mijn prediking leugen was, dan bent u nog in uw zonden.
Zo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn in de hoop, door Hem weer uit de doodsslaap opgewekt te worden. Zij zijn verloren, in zoverre zij om de zondeschuld, die nog altijd op hen kleeft een prooi van de eeuwige dood zijn geworden.
Als wij, Christenen, alleen in dit leven op Christus hopend zijn en niet van een andere wereld de vervulling van onze hoop te wachten hebben, dan zijn wij de ellendigste van alle mensen. Om hetgeen wij hoopten hebben wij zoveel moeten ontberen, dat anderen genieten en aan de andere kant hebben wij zoveel van anderen moeten verdragen en zouden wij van geen beter deel dan zij verkrijgen, maar eveneens een prooi worden van het verderf van de dood?
De hele rede van de apostel wijst aan, dat het feit van Christus opstanding geen zaak was, die te Corinthiërs bestreden werd. Daarom kan hij van die zo goed verzekerde inhoud van de apostolische prediking, waarvan hij vroeger sprak, uitgaan en de tegenstanders daarmee weerleggen, dat hun bewering consequent leiden moest tot ontkenning van dat feit en daarmee tot opheffing van de helen staat van de Christen.
De loochening van de opstanding uit de dood, waaraan sommigen onder de Corinthiërs zich schuldig maakten, kan zeker niet uit het Sadduceïsme worden afgeleid, want anders zou Paulus die uit het Oude Testament hebben weerlegd, evenals de Heere in MATTHEUS. 22: 23 vv Zij hing samen met het Grieks-filosofische scepticisme (vgl. Hand. 7: 32) en het gnostisch spiritualisme was misschien verwant met de bewering van Hymeneüs en Filetus in Klein-Azië een bewering, die als de kanker voortvreet (2 Tim. 2: 17 vv.), dat de opstanding van de doden reeds geschied was.
Zij, die een gnostisch-spiritualistische richting waren toegedaan, konden zich gemakkelijk ergeren aan de opstanding van het vlees, waarin zij meenden, dat een grof materialisme gelegen was. Zij namen nu evenals Hymeneüs en Filetus de opstanding in geestelijke zin, terwijl zij de geestelijke levendmaking van de wereld, door Christus teweeggebracht, voor de beloofde opstanding beschouwden, de lichamelijke opstanding voor Joods-materialistisch en zij geloofden alleen in een voortleven van de geest zonder materiële omkleding, in welke verbinding met de geest zij waarschijnlijke een bezoedeling zagen.
Terwijl nu Paulus de verderfelijke gevolgen ontwikkelt, die uit zo’n loochening van de opstanding voortvloeien, treedt als de voornaamste dadelijk op de eerste plaats: die de opstanding van de doden loochent, die loochent ook de opstanding van Christus, die vernietigt echter evenzeer het geloof in de gehele verlossing, als het de getuigenis van de apostelen in het algemeen van kracht berooft. (V.).
Van vs. 13 af leidt de apostel die mensen door een rij van slotredenen, die door het verder leidende “maar” worden ingeleid en aan elkaar verenigd worden, met hun bewering ad absurdum. De eerste gevolgtrekking berust op de grondstelling: heft men het algemene op, dan is ook het bijzondere opgeheven. Christus was toch ook een dode geworden en was naar zijn wezen van de overige mensen niet onderscheiden (vs. 21). Zo zou het dan onmogelijk zijn geweest, dat, nadat Zijn lichaam, het lichaam van Zijn vlees (Kol. 1: 22) was gedood, Hij weer was opgestaan, als lichamelijk herleven van lichamelijk gestorvenen een onmogelijkheid was. Zonder de opstanding van Christus, zo zet Paulus de reeks van gevolgtrekkingen van vs. 14 voort, wat zijn wij, de apostelen, dan met onze prediking en wat bent u met uw geloof! (vs. 11). Over het eerste spreekt dan vs. 15 en 16 nader, over het laatste vs. 17-19.
Waarom de Christenen in het geval, vs. 19 gesteld, waar de woorden eigenlijk luiden: “zijn wij slechts mensen, die in dit leven op Christus hopen en onze hoop daarmee eindigt en in de dood blijkt dwaling te zijn”, ellendiger zijn dan alle mensen, blijkt uit plaatsen als Rom. 8: 18. 2 Kor. 5: 17. 1 Petrus 4: 12 vv. Een leven vol zelfverloochening en daarna een sterven, dat alle hoop uitblust, is nog treuriger dan het leven van de wereld, wier kinderen zich ten minste deze dagen op aarde zo aangenaam maken als zij kunnen. Daarmee is niet, zoals een spottend dichter zegt, al het geluk van de Christen in de toekomst verplaatst, terwijl hij voor deze tijd zonder iets is; het Christendom heeft in deze tijd zijn verheven goederen, die de wereld niet kent. Dat die echter in zo nauw verband staan met de toekomst, waarop men hoopt, dat als die toekomst wegvalt ook deze goederen zelf aangetast zijn en niet kunnen worden behouden, blijft even zeker. De gehele redevoering in vs. 12-19 heeft de bedoeling om, was het mogelijk, de dwaling weg te nemen, alsof het mogelijk was van het Christelijk geloof en van de Christelijke belijdenis een stuk vast te honden, als men de opstanding loochende, de grondsteen, waarop het gebouwd is. (Rom. 1: 4). Daarin juist vergisten zich de bestrijders van de opstanding te Corinthiërs en anderen, dat zij ondanks hun dwaling meenden het Christendom te kunnen vasthouden. Paulus wijst aan, hoe volstrekt onmogelijk dit is.
Omdat ieder Christen moet geloven en belijden, dat Christus is opgestaan, is hij er snel toe te brengen, dat hij ook de opstanding van de doden moet aannemen, of hij moet het hele Evangelie en alles, wat men van Christus en van God predikt, tezamen verloochenen; want alles hangt als een keten tezamen, dat, als een artikel blijft, alle blijven.
Tot het allertreurigste heeft in vs. 19 de keten geleid, die aan de zin hangt: er is geen opstanding van de doden. Daarentegen draait nu de apostel de zaak om en besluit hij uit de opstanding van Christus, die werkelijk heeft plaats gehad, triomferende tot de opstanding van de Christenen.
Maar nu is het niet aldus, dat wij Christenen alleen in dit leven op Christus hopend zijn en dat zij, die in Hem ontslapen zijn, verloren zouden zijn. Het tegendeel is waar, a) Christus is, volgens de zekere en eenstemmige getuigenis van die velen, aan wie Hij Zich heeft geopenbaard (vs. 5 vv.) opgewekt uit de doden; en is daardoor de eersteling (vgl. Hand. 26: 23. Kol. 1: 18. Openbaring 1: 5) geworden van degenen, die ontslapen zijn, zodat ook deze op hun tijd uit de doodsslaap zullen ontwaken en zich tot een nieuw leven uit het graf zullen verheffen.
1 Petrus 1: 3.
Het hele gebouw van het Christendom rust op het feit, dat Christus is opgewekt uit de doden, want als Christus niet opgewekt is, dan is onze prediking ijdel en ijdel is ook uw geloof; dan bent u nog in uw zonden. De Godheid van Christus heeft haar zekerste bewijs in Zijn opstanding, omdat Hij krachtig bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden. Het zou niet onredelijk zijn om aan Zijn Godheid te twijfelen, was Hij niet opgewekt uit de doden. Daarenboven hangt de soevereiniteit van Christus van Zijn opstanding af; want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weer levend geworden, opdat Hij over doden en levenden beiden heersen zou. Ook is onze rechtvaardigmaking, deze kostbare zegening van het verbond, met Christus’ glorierijke overwinning over dood en graf nauw verbonden; want Hij werd overgeleverd om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Nog meer zelfs: onze wedergeboorte is verbonden aan Zijn opstanding, want wij zijn wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. En onze opstanding op de laatste dag rust zeer zeker daarop, want als de Geest van degene, die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, dan zal Hij, die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, die in u woont. Als Christus niet is opgestaan, dan zullen wij ook niet opstaan; maar als Hij is opgestaan, dan zijn wij, die in Christus zijn ontslapen, niet verloren, maar zullen uit het vlees God aanschouwen. Aldus gaat de zilveren draad van de opstanding door al de zegeningen van de gelovigen heen, van zijn wedergeboorte af naar boven, tot zijn eeuwige heerlijkheid en verbindt ze tezamen. Op welke hoge waarde zal hij dit heerlijk feit schatten en hoe zal hij zich verheugen dat het boven allen twijfel vaststaat, dat nu Christus is opgewekt uit de doden.
Want omdat a) de dood door een mens is (Gen. 3: 19), zo is ook volgens de orde van het heil door God gesteld, de opstanding van de doden door een mens (Rom. 5: 12-18). Het kwaad, door een menselijke bewerker ontstaan, moest ook weer door een worden weggenomen en in het tegendeel veranderd.
Gen. 2: 17; 3: 6.
En deze door God gestelde orde, die reeds in beginsel is volbracht, zal op zijn tijd tot volle vervulling komen. Want zoals zij allen in Adam, ten gevolge van hun verwantschap met hem, sterven, zo zullen zij, bij wie een dergelijke gemeenschap met de Heere gevonden wordt, ook in Christus allen levend gemaakt worden. Dit heeft zeker voor hen, die Zijn zaligheid hebben verworpen, ook een keerzijde, namelijk een opstanding ten oordeel (Joh. 5: 28 v.).
De apostel heeft aangetoond welke gevolgen het hebben zou, als de opstanding van Christus niet werkelijk had plaats gehad, aan de ene kant voor de apostolische prediking en het Christelijk geloof wat de inhoud aangaat en dienvolgens voor de getuigenis van de eerste; en aan de andere kant voor de waarde van de Christelijke staat. Hij keert nu tot de vroeger bewezen werkelijkheid van de opstanding van Christus terug om aan te tonen, dat met haar een opstanding van de doden is gegeven, die dus moet geloofd worden door ieder, die in de opstanding van Christus gelooft. Was hij tot hiertoe uitgegaan van de stelling, dat Christus opstanding niet kon hebben plaats gehad, als de opstanding van de doden een onmogelijkheid was, zo stelt hij nu als uitgangspunt voor het volgende in vs. 20 de stelling, dat de opstanding van Christus, die werkelijk en waarachtig gebeurd is, de opstanding is van een eersteling van de ontslapenen. Aan het begrip van een eersteling is dat van een oogst verbonden, van hetgeen volgen moet. Is nu Christus als eersteling van de ontslapenen van de doden opgestaan, dan is een opstanding van de doden te wachten, die tot de Zijnen in betrekking staat als de gehele opbrengst tot de eerste vrucht, waarmee die oogst begint. Dat het nu zo gelegen is met de opstanding van Christus, wordt in vs. 21 verklaard. Met een “want omdat” begint de apostel te wijzen naar het feit, dat het een mens was, door wie de dood aanwezig was en hij voegt er bij, dat het eveneens een mens is, waardoor de opstanding van de doden wordt teweeg gebracht. Hierdoor licht hij de zaak toe op een wijze, dat men ziet hoe het in de orde van zaken lag, als de opstanding van de doden met de opstanding van de mens Christus was begonnen. De zin in vs. 22 begonnen met “want”, toont dan de werkelijkheid van hetgeen zo-even was aangewezen als liggende in de orde van de zaken en wel zo, dat werkelijk door Christus een overeenkomstige levendmaking van allen te wachten is, die in Hem haar grond heeft, evenals het sterven van allen door Adam is. Het eerste is een feit, dat niet alleen met het tweede te vergelijken is (Rom. 5: 12), maar de verhouding van Adam en van Christus, de eerstgeschapen en de Middelaar, de eerste en de Vernieuwer van de mensheid, brengt het mee, dat van de laatste een gelijksoortige werking tot zaligheid uitgaat, als van de eerste tot ellende. Als nu in de persoon van de ene een sterven van allen zijn grond heeft, hoe zou dan niet aan de kant van de anderen dit ermee overeenkomen, dat een levend maken van allen plaats heeft, dat in Zijn persoon zijn grond heeft? Het is toch ook op zichzelf niet wonderbaarder, dat een dode levend wordt, dan dat een wezen met leven geschapen sterft! Het “allen” kan hier geen moeilijkheid veroorzaken, als werd daarmee een opstanding tot zaligheid aan alle mensen zonder onderscheid beloofd; want er wordt niet gezegd dat de algemene levendmaking een levendmaking van allen in Christus zal zijn, maar dat in Christus de grond is tot een levendmaking van allen, die dan, zoals vanzelf spreekt, alleen in zoverre allen geldt, als Christus ze in Zich en met Zich verenigd heeft.
De uitdrukking “eersteling van degenen, die ontslapen zijn”, is een treffend beeld van de oogst en zijn eerstelingen, waarmee de opstanding als een nieuwe, meer volkomen levensontwikkeling uit de schoot van de aarde vergeleken is. Het beeld geeft niet slechts te kennen de eersten van de opgestanen wat de tijd betreft, maar ook wat de waarde en werking aangaat. Denkt men aan de eerstelinggarve op het Paasfeest, die op de dag na de eersten Paassabbat de Heere bewogen werd, om daardoor de zegen van de oogst te wijden (Lev. 23: 10 vv.), dan ligt in die uitdrukking tevens het begrip van het door God geheiligde en gezegende, maar ook van het heiligende en zegenende onderpand in de eerstelinggarve voor de verdere oogst, van de broeders, die met en na Christus opstaan. Daar de brief geschreven werd omstreeks Pascha (Hoofdstuk 5: 6 vv.) lag de toespeling voor de hand.
Als Paulus zegt: “allen zullen in Christus levend gemaakt worden”, dan kan daarmee alleen gezegd zijn, dat de kracht, die van Christus uitgaat, even ver reikt als de werking van Adam. Er is in Christus geen gebrek, de band van de gemeenschap met Hem is niet zwakker, zodat de overwinning in Hem zich niet zover zou kunnen uitstrekken, als de nederlaag in Adam. Bij Adam wordt de kring, tot zoverre de werking van de dood, die van hem uitgaat, reikt, gesloten door het natuurlijk verband van de vleselijke afkomst en die omvat alle mensen zonder uitzondering. Bij Christus wordt die daarentegen gesloten door de band van het geloof, die ons tot leden maakt van Hem, die het Hoofd is.
Maar een ieder in de lange rij van degenen, die tot de opstanding komen, in zijn orde, die orde een drievoudige is; de eersteling Christus opent natuurlijk de rij (Kol. 1: 18). Zijn opstanding is reeds een feit. Daarna komt de afdeling van degenen, die van Christus in een geheel bijzondere zin (Openbaring 20: 4 v.) zijn, in Zijn toekomst, als Hij zal komen om Zijn rijk op aarde in heerlijkheid op te richten (Hand. 1: 6; 3: 20 v.).
Daarna, na een tussenruimte zal het einde zijn van het gehele ontwikkelingsproces van de gehele geschiedenis (1 Petrus 4: 7), wanneer Hij het koninkrijk aan God en de Vader (Rom. 15: 6) zal overgegeven hebben; en dat doet Hij, a) wanneer Hij zal teniet gedaan hebben alle God vijandige heerschappij en alle God tegenstrevende macht en kracht in de hogere zowel als in de lagere geestenwereld (Openbaring 20: 7 v.)
1 Kor. 2: 6.
Uitgaande van het successief plaats hebben van de opstanding opent de apostel de blik in de laatste voltooiing van de goddelijke oekonomie, in het einde van de wegen van God. In de eerste plaats worden de verschillende momenten van de levendmaking van allen, die in Christus haar grond heeft, voorgesteld en worden zij, die opgewekt zullen worden in de verschillende punten van de tijd, als onderscheiden afdelingen voorgesteld, terwijl ieder zich in een van deze bevindt. Christus gaat vooraan, die als eersteling van degenen die ontslapen zijn, het eerste lid of de eerste afdeling vormt in de rijen van hen, die levend gemaakt moeten worden en ze als Heer geleidt. De eerstvolgende afdeling na Christus maken zij uit, die Christus toebehoren. Het tijdpunt, waarop zij levend gemaakt worden is de paroesie van Christus (“Zijn toekomst, als Hij Zijn macht zal openbaren tot oprichting van Zijn rijk na vernietiging van de anti-christelijke macht, want met deze openbaring van macht is de eerste opstanding verbonden (Openb. 20: 5). “Het einde” moet niet gedacht worden als onmiddellijk zich aansluitend aan deze gebeurtenis. Onder “het einde” moet in dit verband bepaald het slot van de opstanding worden verstaan, een moment, dat overigens samenvalt met het einde van de wereld, met het hele opheffen van deze ontwikkeling van de wereld, met het intreden van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Bij dit einde heeft de overgave van het rijk door Christus aan God de Vader plaats. De indirect heerschappij van God, het bestuur van de Zoon, de Godmenselijke Koning, de volkomen plaatsbekleder van God, dat een voortdurende strijd met vijandige machten en een voortgaand inleiden in de onderdanigheid onder God in de kracht van de teweeg gebrachte verzoening en verlossing meebrengt, houdt dan op. De absolute, onmiddellijke Godsregering, wanneer de Zoon het universum de Vader overgeeft, als dat Hem zonder enige tegenstand onderworpen is, een rijk waarin Hij rustig besturen kan, nadat de Zoon, die in de ontwikkeling in de strijd zich heeft begeven, zich van al wat tegenstreefde heeft meester gemaakt, nadat Hij vernietigd heeft alle heerschappij en alle macht en alle kracht d. i. alle macht, die anti-christelijk en anti-goddelijk is. Daaronder is zeker bedoeld het rijk van de satan met alles wat als heersende macht uitoefenende en kracht openbarende daarmee verbonden is, hetzij het demonisch is (Efeze. 6: 12 Kol. 2: 15), of menselijke, dat aan de demonische machten zich heeft overgegeven en aan deze ten prooi is geworden.
Terwijl de heerschappij van de dood, waarvan in vs. 22 sprake was, sinds Adam, zowel aan hemzelf, als ook aan al zijn kinderen reeds openbaar is geworden, vertoont zich in de andere kring, waarvan Christus het middelpunt is, nog niet de heerschappij van het leven; ja juist dat ook zij, die in Christus geloven, voor de dood bezwijken, kon de mening steunen, dat er geen opstanding van de doden was. Vs. 23 nu stelt zich tegenover deze bedenking. In Christus worden levend allen, die Hem toebehoren; maar in de volvoering van dit werk, wat de orde aangaat, volgens welke die plaats heeft, vindt een onderscheid plaats tegenover de kring, die door Adam wordt geleid. Christus gaat vooraan als de eersteling, de Zijnen volgen Hem pas bij Zijn wederkomst en aan het einde.
Christus is en blijft de eersteling, de eerste uit de opstanding van de doden (Hand. 26: 23); want die voor Hem en door Hemzelf zijn opgewekt, alsmede die door de apostelen werden opgewekt, werden niet tot het onsterfelijk leven opgewekt; Henoch en Elia (Gen. 5: 24. 2 Kon. 2: 11 stierven in het geheel niet.
Tussen de wederkomst van Christus en het einde, waarvan de apostel spreekt, ligt duidelijk een tijdruimte (al is het ook geen lange, evenals tussen de opstanding van Christus als de Eersteling onder degenen, die ontslapen zijn en de opstanding van degenen, die Hem toebehoren, waarom in de grondtekst het tweede “daarna” door een korter woord is uitgedrukt dan het eerste); want als Christus komt dan komt hij niet om de heerschappij over te geven, zoals aan het einde geschiedt, maar om die pas echt te beginnen; Hij komt, om het rijk van de genade, dat Hij tot hiertoe bezat, te veranderen in een rijk van de heerlijkheid: Zijn openbaring is tegelijk die van Zijn rijk. Is dat buiten strijd, is de wederkomst van Christus veeleer de overname dan de overgave van de heerschappij, is daarentegen het einde, waarin Paulus spreekt, de overgave van de heerschappij, dan zijn niet de wederkomst en het einde één, maar zij zijn van elkaar in tijd gescheiden.
Zo heeft vóór de paroesie of wederkomst de genadige voorrang plaats van een eerste opstanding, zoals die in de Openbaring van Johannes wordt geleerd. Dat deze plaats een chiliastische betekenis heeft, werd reeds door de Chiliastisch-Montanische Tertullianus terecht erkend.
De laatste overgave van de heerschappij van de Zoon aan de Vader spreekt vanzelf, want evenals de werkzaamheid van Christus, die haar grond in het verlossingswerk heeft en bepaald doel tegemoet gaat, zo zal zij noodzakelijk een einde vinden, als dit doel bereikt is.
a) Want om ten opzichte van het zo-even gezegde in de eerste plaats te verklaren, waarom niet vroeger het einde komt, dan dat de overgave van de heerschappij aan God en de Vader van de kant van Christus kan plaats hebben, overeenkomstig de taak Hem in Ps. 110: 1 gegeven – Hij moet als Koning heersen, de heerschappij als Messiaans Koning voeren, totdat Hij, Christus, al de vijanden van het Messiaanse rijk onder Zijn voeten gelegd zal hebben (Matth. 22: 44. Hand. 2: 34. Hebr. 1: 13; 10: 12 v.
Efez. 1: 20. Kol. 3: 1.
De laatste vijand, die teniet gedaan wordt, is de dood en kan nu ook deze door Hem worden geworpen in de poel van het vuur (Openb. 20: 13 v.), dan pas heeft Hij Zijn taak geheel volbracht.
Dat ook de dood zelf door Hem zal worden teniet gedaan, is buiten allen twijfel. a) Want Hij, God de Vader, heeft volgens Psalm 8: 7 vgl. Efeze. 1: 22. Hebr. 2: 8, alle dingen aan Zijn voeten onderworpen, alle weerstrevende en vijandigemachten en van deze kan het allerminst juist de laatste en zwaarste, de dood, zijn uitgezonderd. Maar wanneer Hij, die in het algemeen de Schrift (Hoofdstuk 6: 16) en dus ook de psalmist de woorden heeft ingegeven, zegt, dat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, bestemd zijn om aan Hem, de Heere Jezus Christus, onderworpen te worden, zo is het openbaar, dat van zo’n onderwerping Hij uitgenomenwordt, die Hem alle dingen onderworpen heeft, namelijk de Vader. Bij deze heeft dus het heerschappij hebben van Christus een grens, waarover Hij niet gaan kan.
Matth. 11: 27; 28: 18.
En wanneer aan Hem, namelijk Christus, alle dingen onderworpen zullen zijn, dan zal (en hier komen wij tot het tweede in vs. 24 genoemde punt, op het overgaan van de heerschappij op de Vader, die aan het einde zal plaats hebben en stellen wij ons voor, in welk een omvang die plaats heeft), ook de Zoon zelf, gewillig het einde van Zijn heerschappij ziende, onderworpen worden aan Die, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat voortaan, zoals tot die tijd Christus (Kol. 3: 11), God zij alles in allen, overeenkomstig de eer, die Hem als Vader toekomt (Fil. 2: 11. Rom. 11: 36).
Deze gehele plaats is te merkwaardiger, omdat zij alleen staat in de Heilige Schrift. Zelfs de Openbaring van Johannes bevat aan haar einde zo’n wenk niet als Paulus die hier geeft. Daar wordt slechts de stichting van de nieuwe hemel en van de nieuwe aarde vermeld, zonder dat wordt uiteen gezet, waarin verhouding de Verlosser tot de nieuwe toestand staat.
Daartoe was de Zoon in de wereld gekomen en daartoe was Hij mens geworden en daartoe werd Hij door God verhoogd op Zijn troon en zal Hij wederkomen in de wereld, opdat Hij de van God vervreemde wereld weer mocht winnen en tot God terugleiden. Dat is Zijn roeping als Middelaar, die ook met Zijn wederkomst nog niet geëindigd is, maar op de weg van machtsopenbaring voortgaat. Als nu de gehele wereld weer van God zal zijn en geen aan God vijandige macht en kracht meer in de wereld tegenover God zal staan, maar deze geheel terzijde gesteld en uit de wereld uitgesloten zal zijn, dan is het werk van de Middelaar ten einde, dan zal de Zoon de wereld, die de Vader Hem heeft onderworpen, opdat Hij ze wint, aan de voeten van Zijn Vader leggen en Zijn kroon, die de Vader Hem bij Zijn verhoging op het hoofd heeft gezet en die Hij tot hiertoe droeg als de Koning aller koningen en als de Heer aller heren, zal Hij van het hoofd nemen en in de handen van Zijn Vader teruggeven, want de tijd van Zijn bijzondere heerschappij is ten einde. Want wat zou Hij verder doen? Alles toch is van God geworden. Er zijn geen zonden meer, die verzoend moeten worden; er zijn geen kinderen van de dood meer, die zouden moeten worden verlost; het is alles heiligheid, leven en heerlijkheid geworden. Daarmee is de Middelaar gekomen tot het doel van Zijn Middelaarschap en dus ook aan het einde van Zijn werk. Zo wil Hij uittreden uit die plaats tussen God en de wereld, die Hij tot zolang heeft ingenomen en van de heerschappij, die Hij tot die tijd heeft gevoerd, afstand doen en Zich de Vader onderwerpen. Hij blijft de eeuwige God gelijke Zoon, Hij blijft de tweede persoon in de Triniteit; maar Hij houdt op de plaats in te nemen, die Hij tot daartoe innam. Tot die tijd had Hij een bijzondere geschiedenis, ten eerste van vernedering, vervolgens van heerlijkheid. Dan zal Hij Zijn afzonderlijke geschiedenis hebben. Hij treedt, als wij zo mogen spreken, als het ware weer in God terug, zonder toch op te houden de Zoon te zijn, zoals Hij ten behoeve van Zijn werk uit God is uitgetreden, zonder toch op te houden in God te zijn. Dit betekent het Zich de Vader onderwerpen! Hij treedt uit Zijn bijzondere geschiedkundige plaats in het Goddelijk wezen terug, opdat God de Vader zij alles in allen; want zoals de Vader de laatste oorsprong van alle dingen is, zo moet Hij ook het laatste einde zijn. In Hem loopt de stroom van de geschiedenis uit; de Zoon heeft die geleid door de tijd (welke ook het duizendjarig rijk mee omvat, met de opstand van Gog en Magog en de daarop volgende algemene opstanding, het laatste oordeel en het einde van de wereld); bij de Vader is Hij aangekomen in de eeuwigheid. Het leven van de eeuwigheid, dat de bron is, waaruit de stroom van de tijd is ontsprongen en de wijde zee, waarin het uitloopt, kan de mens zich niet voorstellen; van Christus’ wereldheerschappij kunnen wij enige gedachte hebben, want wij kennen reeds de beginselen ervan; het leven van de eeuwigheid daarentegen is te groot en te rijk, dan dat ons klein hart dat zou kunnen bevatten.
Ik keer nu terug tot de bewering, in vs. 12-19 bestreden en waarvan is aangetoond, hoe nadelig zij voor het Christelijk geloof is. Ik moet toch ook aanwijzen, hoe nadelig die is voor de Christelijke wandel. U zult mij dit bij enig nadenken zelf toestemmen, anders vraagik in de eerste plaats ter uwer overtuiging: wat zullen zij doen, welk voordeel zullen zij van hun handelwijze hebben, die voor de doden gedoopt worden, als de doden geheel niet opgewekt worden? Waarom worden zij, die de dood zo onmiddellijk voor ogen hebben, zodat bij hen de doop nog slechts een inlijving is in de gemeente van de gestorvenen en niet meer van de levenden, voor de doden ook gedoopt? Als de zaligmakende en zegenende kracht van Christus zich niet uitstrekte tot de gestorvenen, om hen eenmaal op te wekken, dan was het immers beter, als zij geheel nalieten zich nog te laten dopen.
Wat de apostel tot bevestiging van de stelling: “Christus is opgestaan”, wilde zeggen, is in het te voren verklaarde gedeelte (vs. 20-28) afgehandeld. Hij heeft nu weer te doen met het woord van hen, die beweerden, dat de opstanding van de doden niets betekende en wijst die nog in een ander opzicht af, dan hij reeds in vs. 14-19 gedaan heeft, als hoogst nadelig, namelijk als vernietigende alle Christelijke blijdschap om te sterven en alle Christelijke moed tot zelfopoffering. Nu vinden wij echter dadelijk boven aan deze nieuwe afdeling een vers, zo moeilijk ter verklaring, dat reeds Calovius, de beroemde schriftverklaarder van de 17de eeuw, niet minder dan 23 verschillende opvattingen optelt. Luther heeft vertaald “over de graven” hetgeen zoveel is als boven de graven van de doden. Hij heeft hier niet juist gezegd, omdat een dergelijk gebruik alle geschiedkundige bevestiging uit de apostolische tijd mist. Geheel te verwerpen is de in de laatste tijd veelvuldig aangenomen verklaring, dat het zoveel betekent als “ten beste van de doden. ” Men brengt daarmee een gebruik, dat later bij haeretici werd gevonden, op de apostolische tijd over, evenalsof men zich ter wille van ongedoopt, maar gelovig gestorvenen nog eens had laten dopen, in de mening, dat dit hun als een eigen doop en als de nog noodzakelijke aanvulling van de bekering, die reeds inwendig had plaats gehad, zou worden toegerekend. Maar hoe kan men geloven, dat de apostel zo’n bijgelovig gebruik ongestraft zou hebben gelaten en gebruikt om een bewijs te leveren? Of hoe kan men met Neander zichzelf wijs maken: als in gevallen, dat iemand tot het geloof gekomen was en zich wilde laten dopen, maar hij, voordat het ten uitvoer werd gebracht, stierf, een bloedverwant zich in de plaats liet dopen, in de overtuiging, dat hij slechts deed wat hij zou hebben gedaan als hij in leven was gebleven, dat niet iets bijgelovigs was? Wij willen ons er niet lang bij ophouden, hoe zowel het artikel, dat in de grondtekst bij “doden” staat, als ook de vorm van het werkwoord, het futurum “wat zullen zij doen”, d. i. wat voor een voordeel zullen zij ervan hebben, die zich laten dopen? met zo’n verklaring volstrekt niet overeenkomt, waarbij de doden iets moeten winnen, terwijl toch de gedoopten het zijn, over wier voordeel bij de gehele bewijsvoering gehandeld wordt, maar tevens die bedoeling ontwikkelen, waarin de apostel het “voor” hier heeft gebruikt. Het is hetzelfde als in 2 Kor. 1: 7, waar het zoveel betekent als in betrekking tot Terwijl toch anders gewoonlijk de doop een opname was in de gemeente van de levende Christenen, is hier sprake van degenen, bij wie zij werd tot een opname in de gemeente van de doden, die Christus toebehoorden, omdat zij zich nog op hun sterfbed lieten dopen. Clinici of bedlegerige patiënten, die niets anders dan de dood te wachten hadden, namen toch nog de doop aan, ja men haastte zich bij hen zelfs ermee, alhoewel zij ook nog niet de hele cursus van de catechumenen hadden doorlopen en wellicht kwamen soortgelijke gevallen juist toen te Corinthiërs menigvuldiger voor, omdat, volgens Hoofdstuk 11: 30, de sterfgevallen daar menigvuldiger waren. Zulke dopelingen nu werden niet gedoopt voor de levenden, om in de gemeente te worden ingelijfd, maar voor de doden in Christus (1 Thess. 4: 16); met deze wilden zij, als zij uit de wereld gingen, verbonden zijn, om een zeker aandeel te hebben aan de hoop van deze, om door Christus tot het eeuwige leven te worden opgewekt. Deze daad van hen, die op de toekomst zag, zou echter niet dan een illusie zijn geweest, als er geen opstanding van de doden was. Dat is het wat de apostel de Corinthiërs wil doen voelen. Evenals nu deze gedachte verwant is met die, die in vs. 17 en 18 is voorgedragen, zo is het ook die in vs. 30-32 met hetgeen in vs. 19 geschreven is.
Met die eerste vraag verbind ik een tweede, namelijk deze: “Waarom zijn ook wij, de apostolische verkondigers van het Evangelie, alle uur in gevaar (Rom. 8: 36. 2 Kor. 4: 11; 11: 23)?”
Elk uur in gevaar, zeggen allen; en wat doet menigeen? De gevaren vermeerderen, de uren verminderen, het grootste van alle gevaren en het enige, dat men ontvluchten kan, afwachten. Wij zijn elk uur in gevaar. Menigeen vermeerdert de gevaren. Menigeen stelt er zich nodeloos roekeloos aan bloot. Dit is openbare goddeloosheid. De Heere uw God zult u niet verzoeken. Men waagt het leven, vermaakshalve uit nietige eerzucht, uit dartele brooddronkenheid, of heeft een welgevallen aan, ja betaalt hen, die het doen! Men heeft God te loven; omdat men op een ontzaglijke manier wonderbaar gemaakt is en men stelt de fijnheid, de tederheid, de rekkelijkheid van zijn inwendig samenstel op gedurige proeven, door het inwilligen van lusten en begeerlijkheden, zondig en misdadig in zichzelf en om die reden te zondiger en te misdadiger. Men verwoest de inwendige mens door de ongeregeldheden, de uitspattingen, de overprikkeling van de uitwendigen; immers door de onmatigheden van de ziel, zowel als van het lichaam. Elk uur in gevaar. Hoe schrikkelijk zou ons de verzuimde behartiging van deze waarheid in de ogen springen als de woorden Kibrâth Thaäva, lustgraven geschreven stonden op al die doodsverblijven, waarin slachtoffers van de onmatigheid neerliggen, wier mond misschien de ontzaglijke spreuk heeft nagebauwd, maar zich nooit of zelden iets weigeren kon, dat schaadde, dat verdierf, dat voor de dood rijp maakte. Elk uur in gevaar. Wie het waarlijk gevoelt, hij kan niet leven in de openbaarste verachting van de les van de wijsheid: Zie de wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in de beker zijn verve geeft, als hij rechtop gaat; in zijn einde zal hij als een slang bijten en steken als een adder. Wat hebben wij dan te denken van die honderden, die zich aan dronkenschap, aan zwelgerij overgeven, dan dat ook deze ander hen toefluistert: U zult niet sterven! Elk uur in gevaar. Nochtans gaat de onkuise de vreemde vrouw na, de onbekende, die met haar redenen vleit, zoals een vogel zich haast naar de strik, onbewust, dat die tegen zijn leven is. Elk uur in gevaar. En het late uur van menige winternacht ziet vele honderden van ten dode opgeschrevenen, van in deze zelfde nacht sterfelijken, bijeen, in bewegingen en vermaken, verderfelijk voor ziel en lichaam beide, nauwelijks gekleed, met vergiften verkwikt, terwijl zij het beeld van de dood als onder een bevallige sluier en met bloemen bedekken. Elk uur in gevaar. En het verterend spel van de hartstochten gaat zijn gang en de zenuwoverspannende verbeelding wordt niet gebreideld maar geprikkeld door allerlei vertoning en door allerlei geschrift en het teder werktuig krijgt schok op schok en moet eindelijk wel bezwijken onder de tegenstrijdige bewegingen, waaraan het beurtelings wordt overgegeven. Hebben wij het voorrecht, dat wij als Christenen met Christelijke ernst, berusting, ja blijdschap dat woord uitspreken: elk uur in gevaar, het zal bij ons geen doelloos, maar een vruchtbaar woord zijn. Een woord vruchtbaar tot dankbaarheid aan God; vruchtbaar in zegen voor de naaste; vruchtbaar voor onszelf tot onze oefening en heiligmaking in geloof. Vruchtbaar tot dankbaarheid aan God. Als wij waarlijk Christenen zijn, verachten wij de gave van het leven niet met de gemaaktheid van een hoogmoedige wijsbegeerigheid, maar zien wij in de bewaring en verlenging ervan een bewijs van Gods genade. De gedachte dat wij elk uur in gevaar zijn, doet ons temeer die bewarende goedheid erkennen, waardoor wij dag aan dag en tot heden toe gespaard bleven, doet ons met een dankbaar hart gedurig overleggen, hoe wij de overige tijd van ons leven voorzichtiglijk en voor God behaaglijk zullen wandelen. Ziende de doodsangst, waarmee zich zo velen de dagelijkse gevaren van het leven ontveinzen, of ook zich haasten die te erkennen, opdat niet misschien anderen ze hun ietwat nadrukkelijker voorhouden dan hun lichtzinnig gemoed welkom is, klopt ons hart van erkentelijke vreugd, dat wij deze doodsangst bij de Vorst van het Leven ontvlucht zijn, bij wie wij ten allen tijde de moed vinden om al de gevaren van het leven te trotseren en alle zeeën, waarop Hij de voet leert zetten. De gerustheid van alle geziene en ongeziene gevaren, de dankbaarheid aan Hem, die deze gerustheid geeft, zal ons te getrouwer doen optreden in de weg van onze roeping, al is die ook als bij de apostel Paulus van allerlei gevaren bezet en doorsneden; de gedachte, de overtuiging, dat niets ons zal scheiden van de liefde van God, verdrukking, noch benauwdheid, noch honger, noch gevaar, noch zwaard, dood noch leven, tegenwoordige noch toekomende dingen zal ons niets van dat alles doen ontzien, waar het er op aankomt God te verheerlijken en de naaste ten zegen te zijn en de bewustheid, dat elk ogenblik het laatste wezen kan, waarin het ons vergund is op deze aarde iets te zijn voor de aarde, voor onze broeders in Adam, voor onze broeders in Christus, zal ons te ijveriger maken in het bedenken en ten uitvoer brengen van al wat liefelijk is en lof heeft. Geen uitstel, geen vertraging, geen verslapping in het goede, geen overlaten aan anderen, wat door ons gedaan kan worden, misschien is het het enige, is het alles wat wij nog doen kunnen. O hoe teder, hoe nauwgezet wordt daar het leven, door de omgang met Christen en on-Christen, waar de gedachte in het hart leeft: deze dag, dit uur, deze daad, dit woord kan het laatste zijn; ben ik niet elk uur in gevaar! Nee, daar zal geen liefdewerk ongedaan blijven, geen woord van vertroosting, van vermaning, van waarschuwing ongezegd; nee, daar zal de zon niet ondergaan over onze toornigheid. En als wij iemand hebben verongelijkt, als daar bitterheid in onze mond is geweest tegen een broeder, tegen een medezondaar, geen ogenblik zal er kunnen verlopen tussen het inzien van onze schuld en het belijden, het herstellen. Elk uur in gevaar! Gelijk vruchtbaar in dankbaarheid voor God, vruchtbaar voor het leven met onze naasten, zo ook vruchtbaar voor ons inwendig leven zal ons die gedachte wezen, als wij ermee verzoend zijn, door onze verzoening met God in Jezus Christus, onze Heer. Dan toch verstaan wij het leven als een oefening in heiligmaking en wij zullen voelen, hoe nodig het is daarvoor de tijd uit te kopen, afleiding te vermijden, opleiding te zoeken, ons te sterken tegen de dag van het kwaad niet inwendige sterkte, die uit het geloof is, winst te doen met elke ondervinding, elke beproeving, elke kastijding, in het gebed te waken, gedurig onszelf te beproeven en alle middelen te baat te nemen, die ons in het geloof in onze Zaligmaker bevestigen kunnen en onze gemeenschap met Hem inniger doen zijn. Elk uur in gevaar! daarom te aller ure wakende, zoals wij te aller ure bewaakt worden! Elk uur in gevaar! Daarom te aller uur in de gehele wapenrusting van God. Elk uur in gevaar! Daarom te aller ure het oog op Christus en de arm geslagen om Zijn kruis.
Ik sterf elke dag, dagelijks moet ik mij tot sterven voorbereid houden, dat ik betuig bij onze roem, die ik met de overige apostelen gemeen heb in Christus Jezus, onze Heere.
Dit is niet te begrijpen in een geestelijke zin als het sterven aan de zonde; hij was van de zonde dood, ten aanzien van haar verdoemende kracht door de dood van Christus en ten aanzien van haar heersende kracht, door de Geest in de genade van Christus; maar het is te verstaan in een lichamelijke zin; hij bekrachtigt het straks gezegde door zijn eigen bijzonder voorbeeld, als die elk uur in gevaar of gevaar van zijn leven was; hij droeg altijd in zijn lichaam de doding van de Heere Jezus en werd gedurig aan de dood overgegeven om Jezus’ wil; de dood werkte altijd in hem, hij verwachtte die iedere dag en was tot die bereid, hij hield zijn leven niet dierbaar voor zichzelf, maar was zeer gewillig om het om Christus en Zijn Evangelie af te zeggen; dat hij nooit zou hebben gedaan, als hij geen goede en overtuigelijke reden had gehad om de leer van de opwekking van de doden te geloven.
Als ik, naar de mens, op menselijke wijze, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, omdat die woedende Joden zonder ophouden mijn leven zochten en mij smartelijke strijd veroorzaakten (Hand. 20: 19. Rom. 16: 4. 2Kor. 1: 8 vv., welk nut heeft het voor mij, als de doden niet opgewekt worden? Was het werkelijk zoals die enkelen (vs. 12) zeggen, dan deden wij, apostelen, toch veel verstandiger, als wij in plaats van ons om het Evangelie aan zoveel noden en gevaren bloot te stellen, ons leven genoten zolang als wij het hebben en de spreuk van de lichtzinnige kinderen van deze wereld ook voor ons kozen: a) Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij” (Jes. 22: 13. Wijsh. 2: 1 vv.). Maar hoe zou het dan gaan met de wereld, wat haar bekering tot Christus, de enige Zaligmaker aangaat? (Hoofdstuk 12: 2).
Jes. 56: 12.
Volgens de zo-even gegeven verklaring van vs. 29) sluit zich, zoals v. juist opmerkt. vs. 20 onmiddellijk aan. De apostel wil iets gelijksoortige aanhalen uit zijn leven en uit dat van alle apostelen. Hij wil met de doop die in het gezicht van de dood plaats heeft, om in te treden in de gemeente van de gestorvenen, de lijdensdood (MATTHEUS. 20: 22. Luk. 12: 50) verbinden, waarbij de Christen van een wereldse hoop ontheven en als in de stroom van gevaren ondergedompeld wordt, om gereinigd en verheerlijkt aan de andere kant weer te voorschijn te komen. Nadat hij in de eerste plaats over de apostolische verkondigers van het Evangelie in het algemeen heeft gesproken, gaat hij in de beide volgende verzen: in het bijzonder handelen over zijn eigen persoon en stelt hij de Corinthiërs voor, deels (vs. 31) wat zij uit zijn ervaringen te Corinthiërs reeds vanzelf moesten weten, in welke toestand hij zijn dagen doorbracht, namelijk in doodsgevaar, dat hem bestendig omringde, deels (vs. 32) wat zij uit het tot hen doorgedrongen bericht hadden vernomen, hoe hij op zijn tegenwoordige verblijfplaats te Efeze tegenover de meest verbitterde en onverzoenlijkste tegenstanders, de ongelovige Joden, stond, die hem dagelijks wilden aangrijpen, om zijn vlees te eten (Ps. 27: 2). Dagelijks stierf hij, zoals uit de mededelingen in Hand. 18: 5-18 blijkt, reeds te Corinthiërs in zoverre, als hij op iedere dag in het bijzonder, die hij daar doorbracht, moest denken, dat die dag hem de dood kon veroorzaken door degenen, die hem naar het leven stonden en dat hij alleen door de buitengewone bewaring van de Heere kon worden gered. De vertaling van vs. 31 is hij ons minder goed, of liever is genomen naar een minder goede lezing. De vraag in vs. 32 past daarbij niet echt. Liever moeten wij lezen: “bij uw roem, die ik heb in Christus Jezus, onze Heere, ik sterf elke dag”, d. i. bij de roem, die ik in u heb, lieve broeders, daarin, dat ik u tot het geloof gebracht heb en van u door de kracht van de genade, die in mij werkt (vs. 10) een zo aanzienlijke, rijk begaafde gemeente in Christus gemaakt heb, mag ik verzekeren, dat ik dagelijks sterf. U zou niet zijn wat u bent, als ik mijn leven niet bij u in zo bestendig doodsgevaar had willen brengen, maar na het voorval in Hand. 18: 12 vv. mij zodra mogelijk uit de voeten had gemaakt. Evenals het nu bij dat oproer en ook later de ongelovige Joden waren, die de apostel naar het leven stonden, zo heeft hij met deze nog een veel zwaardere en gevaarlijker strijd te Efeze gehad, waar hij zich in die tijd bevond (vgl. Hoofdstuk 16: 9); daarvan spreekt hij ook in Hand. 20: 19 Hij noemt die vervolgende Joden in beeldspraak wilde dieren. Daartoe had hij volle recht, omdat de Heilige Schrift van het Oude Testament voor gelijke omstandigheden zich van dezelfde naam bedient (Ps. 27: 2; 22: 13 v.) en ook de Heere in zo’n uitdrukkingen spreekt (MATTHEUS. 7: 6; 10: 16 Vgl. verder 2 Tim. 4: 17, waar bij de “leeuw” eveneens moet worden gedacht aan het fanatisme van de vijandige Joden.
De historiën, die Nicephorus en Theodoretus ons geven van een gevecht, dat de heilige Paulus tegen de wilde beesten in de schouwburg te Efeze heeft gehad, hebben zoveel ingang bij de heer Whitby, dat hij de letterlijke verklaring van deze woorden beweert, tot begunstiging waarvan zo aangedrongen wordt, dat als de apostel van verbeeste, onredelijke mensen gesproken had, hij dan veel eerder gesproken zou hebben van hetgeen hem te Lystre bejegende, daar hij gestenigd en voor dood weggesleept werd. Maar mogelijk was het daarom in stukken gereten te worden groter te Efeze; dit was zeer onlangs gebeurd en zo dit voorval veel nader bij Corinthiërs gebeurde, zo was het veel natuurlijker dit hier ter plaatse te melden. Het stilzwijgen van de heilige Lukas, in zijn geschiedenis van zo’n merkwaardige gebeurtenis, als een gevecht tegen wilde beesten zou zijn geweest en Paulus uitlating daarvan in zijn brede optelling van al zijn lijden, 2 Kor. 11: 2 en 3, gevoegd bij zijn bekend voorrecht als een Romeins burger dat, als het wezenlijk wettig was, waarschijnlijk hem bevrijd zou hebben van zo’n aanranding, begunstigen allen, zoals Cladach en anderen aanmerken, de figuurlijke verklaring. En de uitdrukking, naar de manier van de mensen, of menselijk gesproken zijnde, heeft op deze veronderstelling een eigenlijkheid, die ze op de andere veronderstelling niet kan hebben en schijnt ten enen male beslissend te wezen.
Dwaal niet (Hoofdstuk 6: 9. Gal. 6: 7. Efeze. 5: 6. Jak. 1: 16): kwade samensprekingen, of gezelschappen verderven, zoals het woord van de Griekse dichter zegt, goede zeden (vgl. Hand. 17: 28. Tit. 1: 12).
Nadat de apostel op de zedelijke kant van de bestreden dwaalleer opmerkzaam had gemaakt, gaat hij van de toon van de onderwijzing over tot die van de ernstige en dringende waarschuwing en bestraffing. Het is voor hem niet maar een vraag over de leer, zoals men soms vraagstukken noemt, waarvan men beweert, dat zij geen praktische betekenis hebben. Hij kent dergelijke Christelijke vragen niet, die alleen het onderwerp zijn van ijdele speculatie; als zulke worden opgeworpen, behandelt hij ze geheel anders (1 Tim. 1: 4; 6: 4; 5: 20. 2 Tim. 2: 16, 23). Maar de leerstellingen van de zaligheid, waartoe die van de opstanding behoort, zijn zaken van het geloof en zijn zo regels, die het leven aangaan. Die aan te tasten is nooit slechts een onschadelijke dwaling, het hangt altijd samen met zondige afdwaling. De apostel stelt deze kant niet sterk op de voorgrond, als hij de Corinthiërs toeroept: “Dwaal niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden. ” De laatste nu is een soort van spreekwoord, aan een Griekse dichter ontleend (Menander, een Athener, leefde omstreeks 320 voor Christus), uit het geheugen aangehaald als een woord, dat bij het volk in gebruik, maar toch juist was; het wordt ter behartiging aanbevolen (“Ac 17: 29 en houdt een waarschuwing in voor ongeroepen omgang met mensen, die zulke woorden spreken, als door de apostel in ons hoofdstuk bestraft zijn en die ook nog na ontvangen waarschuwing niet willen nalaten.
Waak rechtvaardig, wordt goed nuchter uit de toestand van bedwelming, die u reeds tot op zekere hoogte heeft bevangen (Joël 1: 5) en zondig niet, onthoud u van de zonde, die zich door middel van de dwaalleer van u meester wil maken; geeft aan die leugenleer geen gehoor. Want sommigen hebben de kennis van God niet, zoals zij door de opstanding te loochenen (vs. 12) tonen (MATTHEUS. 22: 29). Ik zeg het u tot schaamte, opdat u zich over zulke mensen in uw midden schaamt, in plaats van u door hen te laten misleiden (Hoofdstuk 5: 6; 6: 5).
Paulus vergelijkt de toestand, die de Corinthiërs mogelijk maakte, aan zulke woorden, als die loochenaars van de opstanding voerden, ook maar ter halverwege het oor te lenen, met een soort van bedwelming, voor welke het tijd was er zich moedig aan te ontrukken, omdat zij, zondig in zichzelf, ook alleen maar aanleiding en drang kon geven tot zondigen. Alleen een verduistering van de Godskennis, zo verklaart hij verder, kon een dwaling als de bestrafte, teweeg brengen. Hij beperkt dat tot die enkelen, van wie de dwaalleer uitging, openbaart echter daardoor nogmaals, hoe treurig en noodlottig het is en hoe het niet te verontschuldigen is, dat men naar haar hoort en zich door haar laat blinddoeken, waarvoor reeds de beginselen van Christelijke kennis voldoende moesten bewaren. Daarom is het ook voor de gehele gemeente tot beschaming, dat iets dergelijks in haar midden mogelijk was en niet dadelijk erkend en voldoende gevoeld werd.
Het vergif van elke dwaalleer is bedwelmend en wij laten ons bedwelmen, omdat aan ons vlees menselijke wijsheid zoeter smaakt dan Gods Woord. Het is goed voor ons, als wij rechtvaardig opwaken, zolang de stem van de waarheid ons wekt, opdat wij het vergif van de zonde uitspuwen, voordat wij daaraan sterven.
III. Vs. 35-58.KruisverwijzingenJohannes 12:24→Ezechiël 37:3→Mattheüs 13:43→Daniël 12:3→Kolossenzen 3:4→Romeinen 8:21→Markus 12:24→Filippenzen 3:10→
— Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen? Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is; En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen. Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen. En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse. Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.
De apostel heeft uit het feit van de opstanding van Christus, waarvoor zo vele getuigen waren en dat de voorwaarde en de grond was van alle Christelijke zegen, in de beide vorige afdelingen het geloof in de opstanding van de doden verdedigd en het verkeerde van het tegendeel nog op andere gronden aangetoond. Nu beantwoordt hij de tegenwerpingen, die deels betrekking hebben op de toestand van de lichamen van de opgestanen, deels op de opstanding zelf. Het proces van de opwekking licht hij toe door de analogie van het plantenleven; de gesteldheid van de lichamen van de opgestanen, verschillende van dit lichaam, dat wij nu omdragen, heldert hij op door analogieën uit verschillende gebied van de schepping, deels leidt hij het af uit het onderscheid van de eerste en tweede Adam (vs. 35-50). Als hij nu bij deze uiteenzetting er zo sterk op drukte, dat zonder een verandering aan ons lichaam te ondervinden, wij het rijk van de heerlijkheid niet kunnen beërven, dan lag de vraag voor de hand wat dan zou gebeuren met hen, die tijdens de laatste bazuin, als de doden tot die verandering uit hun graven zullen opstaan, nog in deze tegenwoordige lichamen op aarde zijn. Vervolgens wijst hij er op, dat buiten de verandering door opwekking er ook een zodanige door overkleding is. Hebben beide plaats gehad, opwekking van de doden en overkleding van de levenden, dan heeft de heerschappij van de dood haar einde bereikt en het woord van de Schrift, dat van deze profeteert, is vervuld. Als Paulus zich in de geest in die zalige toekomst verplaatst, heft hij vooraf een zege- en triomflied aan, terwijl hij deze gehele verhandeling sluit met een hartelijke en dringende vermaning aan de Corinthiërs (vs. 51-58).
Maar ik meen een tegenwerping te horen, die ondanks mijn tot hiertoe gevoerde bewijsvoering voor de opstanding van de doden, toch tegen deze leer wordt verheven. Wellicht zal iemand zeggen: a) Hoe zullen de doden opgewekt worden? Hoe zal ik mij in het algemeen die zaak als mogelijk denken? ” en vervolgens, wat evenzeer hier vooral in aanmerking komt: “Met wat voor lichaam zullen zij uit hun verborgenheid in het graf te voorschijn komen? “
Ezechiël. 37: 3.
Dwaas, die niet bedenkt wat jaar in jaar uit onder uw eigen handen plaats heeft, zo moet ik op dergelijke ondoordachte vragen antwoorden. Ziet toch, hetgeen u zaait wordt niet levend om zich tot een nieuw gewas te ontwikkelen, tenzij dat het gestorven is, in de aarde door vertering teniet gaat (Joh. 12: 24). Hoe dwaas is het, als u meent, dat het weer levend worden niet mogelijk is, omdat de lichamen van de mensen in de aarde geborgen, daar tot verrotting overgaan.
En hetgeen u zaait, daarvan zaait u het lichaam, de nieuwe, levende plant niet, niet dat wat worden zal maar een zuiver graan, een korrel, nog vrij onaanzienlijk en weinig verradend wat ervan zal worden, naar het voorvalt van tarwe, of van enig van de andere tranen, want het is bij al de soorten hetzelfde.
Deze gelijkenis schijnt veel in gebruik te zijn geweest bij de Joden, om dit leerstuk op te helderen en wij vinden daarvan nog enige bewijzen in de schriften. Cleopatra de koningin vroeg aan R. Meir: ik weet dat doden weer zullen leven, want er is geschreven, die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde, Ps. 72: 16, maar als zij opstaan zullen zij naakt opstaan, of zullen zij opstaan in hun kleren? Waarop hij antwoordde: veel meer dan de tarwe, want als de tarwe begraven wordt naakt, komt zij voort, of spruit zij uit, met vele kleren; en hoeveel temeer dan de rechtvaardigen, die in hun kleren begraven worden. En nog eens, R. Eliezer zegt, alle doden zullen in de opwekking van de doden staan en zullen met hun kleren aan verrijzen, waaruit leert u dit? Van het zaad van de aarde, bijzonder van de tarwe, want als de tarwe naakt begraven wordt en met vele bekleedselen voortkomt, veel meer dan de rechtvaardigen, die in hun kleren begraven worden.
Maar God geeft het zaad, dat door u is uitgezaaid, bij het ontkiemen en opgroeien een lichaam, zoals Hij wil en in de orde van Zijn natuur heeft bepaald (Hoofdstuk 12: 18) en wel aan een ieder zaad zijn eigen lichaam, dus niet willekeurig en onzeker, maar zoals het overeenstemt met de natuur van het uitgezaaide (Gen. 1: 11), zodat u als u tarwe heeft gezaaid (vs. 37), daaruit ook weer een gewas van tarwe te voorschijn komt.
De apostel voert in vs. 35 de tegenstanders sprekend in als degenen, die door de vorige bewijsvoering niet bevredigd zijn en nu pas aankomen met hun twijfelingen.
De tegenwerping is tweeledig, de eerste vraag heeft niet dezelfde betekenis als de tweede; het: “hoe zullen de doden opgewekt worden? ” doelt op het proces en de acte van de opstanding, op haar mogelijkheid; de tweede vraag: “met wat voor lichaam zullen zij komen? ” op het factum en het resultaat, op de toestand van de opstandingslichamen. De vragen zijn overigens niet alleen op te vatten als vragen om onderwijzing, maar als sceptische (twijfelaars) en scoptische (bespieders) vragen van de tegenstanders aan te merken, zoals Luther ze voorstelt: “het zijn scherpzinnige personen geweest, die Paulus hier laat spreken, die niet alleen dit punt op fijne manier draaien en winden, maar ook meesterlijk konden spotten zoals zij menen. Eilieve, hoe zal het dan toegaan, zeggen zij, als alle mensen zullen opstaan? Wat zullen zij voor lichamen hebben, of wat zullen het voor wezens worden? De apostel begint daarom in vs. 36 zijn antwoord met een hard woord. Hoe wijzer die verstandigsten zich met hun twistvragen achten, met des te minder verschoning stelt hij zich tegenover hun beperktheid en zwakheid van geest.
Hoe meer die vrager zich, zoals te voren gezegd, op zijn verstand verhief, des te gevoeliger moest hem de uitroep: “dwaas! ” treffen (evenals hier staat ook in Luk. 12: 20 in de grondtekst een ander woord dan in MATTHEUS. 5: 22 ; het woord op de laatste plaats gebruikt vinden wij ook in MATTHEUS. 23: 17 en 19); en inderdaad, hoezeer lag het voor de hand, dat hij zijn vragen zelf beantwoordde. Het woordje “u” wordt in de grondtekst bijzonder gedrukt en gebruikt om vooral op het gemoed te drukken, hoe hij het zelf had kunnen begrijpen, als hij gelet had op hetgeen hij zelf deed en op de in het oog lopende verandering, die daarmee gepaard ging. Hij wil hem met beschaming overtuigen, dat hij bij beter nadenken zijn vragen achterwege had kunnen laten.
De vragen, zoals de tegenstanders die voorbrachten, zijn altijd die, tot welke de leer van de opstanding aanleiding geeft en wel te meer, naarmate ze zinnelijker wordt opgevat (vgl. MATTHEUS. 22: 23 vv.); want des te eerder kan men daartegen moeilijkheden uit de naturalistische opvatting opwerpen. De apostel gaat over dat gebied van de natuur handelen en toont aan, hoe juist dit op hogere mogelijkheden van de meest menigvuldigen aard ons wijst. Als nu met het: “hoe zullen de doden opgewekt worden? ” ten eerste moet worden gewezen op de moeilijkheid van een nieuw leven, dat uit de dood was voortgekomen, dan geeft Paulus met de aanspraak van vs. 36 : dwaas, hetgeen u zaait wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is, den tegenstanders die in het wilde schermt, te bedenken, hoe de levendmaking van het gezaaide, waarop men bij zijn eigen zaaien altijd hoopte, niet anders plaats heeft, dan nadat het tevoren gestorven is; hoe kan nu die dit weet en daarom met vertrouwen ziet dat het door hem uitgestrooide zaad in de aarde zich ontbindt, er zich aan ergeren, dat de menselijke lichamen ten grave worden gebracht, om daar te verteren en om zo’n vergaan een opstaan uit de toestand van de dood voor onmogelijk verklaren. ” Evenals hier voor ontkiemen van het zaad wordt gezegd: “levend worden” en voor “in de staat van oplossing komen” staat “sterven” om beeld en zaak meer tot elkaar te brengen, zo vinden wij om dezelfde reden in het volgende 37e vers de uitdrukking “lichaam” voor het plantengewas, dat uit het zaad opschiet. Evenals de zaaier wel weet – deze zijn de gedachten, die de apostel in deze beide verzen de loochenaars voorhoudt – dat hij niet de vrucht zaait, maar het zaad, dat verteren moet, zo weten wij Christenen wel, dat het menselijk lichaam, dat bij de begraving in de aarde is geborgen, nog niet het opstandings-lichaam zelf is en daarom ook het vergaan van het eerste en de mogelijkheid van het laatste niet kan opheffen. Integendeel leeft en beweegt dadelijk bij het uitzaaien in de korrel iets, dat later uit de schoot van de vruchtbare aarde wordt ontbonden en als een nieuw gewas te voorschijn komt en zo ook heeft het ter aarde bestelde menselijk lichaam een opstandingskiem in zich. Het zal echter – en daarmee wendt zich de beschouwing reeds tot de tweede van die beide vragen: “met wat voor lichaam zullen zij komen? ” – niet een geheel vreemdsoortig, een niet menselijk lichaam zijn, dat bij de opstanding te voorschijn treedt, maar evenals het tarwegraan slechts de kiem voor een tarwegewas en voor geen ander in zich draagt, zo zal ook het menselijk lichaam, in de aarde gezaaid, slechts zodanig een bij de opstanding weergeven. Maar wat de aard, niet wat de soort aangaat, is het daarvan verschillende; in hoeverre dit onderscheid gaat moet worden aangewezen uit nadere analogieën uit hetgeen in de natuur voorvalt en die in vs. 40 vv. worden genoemd. Nog moeten wij opmerken, dat Paulus in vs. 38 opzettelijk God zo vooraan plaatst in tegenstelling tot de vroeger beschreven werkzaamheid van de mensen en evenzo met bepaalde bedoeling de wil van God voorstelt als die sinds lang vaststaat en bepaald is. Bij de leer van de opstanding komt het er toch op aan, dat men Gods almacht in rekening brengt en zijn kracht niet opzettelijk loochent, dat men op Zijn welbehagen, in Zijn woord ons bekend gemaakt, net zo vast vertrouwt, als de zaaier op het welbehagen van God, dat zich in de orde van de natuur uitspreekt, vertrouwende zijn zaad met het oog daarop kiest, wat voor een gewas hij wenst te verkrijgen en reeds vooraf bepaald weet, dat de akker hem die vruchten zal opleveren, als waarom hij het zaaien heeft doen plaats hebben.
Alle vlees van de op aarde levende wezens, is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees van de mensen en een ander is het vlees van de beesten en een ander van de vissen en een ander van de vogels.
En er zijn, als wij onze blik van hier beneden tegelijk naar boven wenden en de schepping boven ons beschouwen, hemelse lichamen en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid van de hemelse en een andere van de aardse.
En zelfs onder de hemellichamen, wat een menigvuldigheid! Een andere is de heerlijkheid van de zon en een andere is de heerlijkheid van de maan en een andere is de heerlijkheid van de sterren; en ook onder de laatsten weer zo grote verscheidenheid: want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.
In drie rijen is hier het veelvoudige van de wereld van de lichamen geschilderd. Ten eerste vallen in het oog de levende lichamen, die alle vlees zijn, maar niet enerlei vlees; want van de mens af trapsgewijze omlaag tot vee en vogels en vissen heeft elk zijn bijzonder vlees. Verder ziet u hemelse lichamen en aardse lichamen, gene en deze in verschillende heerlijkheid. Aan lichamen van engelen, ook als de engelen een lichaam hadden (wat echter niet het geval is: “Uit 18: 14, is hier zeker niet te denken, omdat toch de apostel in zaken, die ieder voor ogen heeft, de mogelijkheid wil laten zien, dat de doden met veranderd lichaam opstaan; hoe zou hij dan op engelenlichamen wijzen, die nooit iemand gezien heeft? Daarentegen zien wij de hemellichamen, zon, maan en sterren voor onze ogen en merken wij op, dat zij in hun onveranderlijke glans een andere heerlijkheid hebben, dan wat op aarde wordt aanschouwd en waarvan de heerlijkheid heden in heerlijke pracht of in liefelijke bekoorlijkheid, in grootse kracht of in sierlijke fijnheid voorkomt, maar morgen verbleekt en verdort. En ten derde, niet alleen zijn de hemelse lichamen van de aardse verschillende, maar ook onder elkaar: een andere heerlijkheid heeft de zon, een andere heerlijkheid heeft de maan, een andere heerlijkheid hebben de sterren; en weer in veelvoudig licht schittert de talloze menigte van sterren, want “de ene ster overtreft de andere in heerlijkheid. ” In de eerste plaats doelt deze gelijkenis niet op de verschillende heerlijkheid van de lichamen van de opgestanen onder elkaar, maar op het onderscheid tussen dit lichaam en het toekomstige. Is er, wil Paulus zeggen, reeds op het natuurlijk gebied van hemel en aarde een zo rijke menigvuldigheid en zo’n verschil van lichamelijk bestaan, waarom zou het dan de Schepper van alle schepsels onmogelijk zijn, aan de opgewekte doden zo’n lichaam te geven, als dat aan erfgenamen van het eeuwige leven past? Verkeerd is de gevolgtrekking van de gesteldheid van het aardse, sterfelijke menselijke lichaam op het lichamelijke in het algemeen, even vals als wanneer iemand zei: omdat het vlees van het vee zwaar is en op de aardbodem blijft, kunnen de vogels in de lucht geen vlees hebben; of: omdat het lichaam van de aarde duister is, kan de lichtgevende zon geen lichaam zijn; of omdat het gesternte van de Orion in roodachtige klank fonkelt, kan de witachtig flikkerende melkweg niet uit sterren bestaan.
a) Zo zal ook de opstanding van de doden zijn; het is met deze zo gesteld, dat ook bij haar een verscheidenheid van het lichaam, dat dan opstaat, in vergelijking met dit menselijk lichaam, gezien wordt. Het lichaam, om hier het beeld in vs. 36-38 1Co gebruikt, weer op te vatten, van de mens, die ten grave wordt gebracht, wordt gezaaid in verderfelijkheid; het wordt op de jongste dag, als God de doden roept, opdat zij weer leven, opgewekt in onverderfelijkheid.
Dan. 12: 3. MATTHEUS. 13: 43.
Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
Met vs. 42 volgt de toepassing, die de slotsom van de analogie en van vs. 36-41 samenvat, daar die op beide, de gelijkheid van de zaak met de zaadkorrel en het verschillende van de lichamen tevens rust. “Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. ” Daar heeft weer plaats, wat het aardse zaad overkomt, namelijk, dat de kiem van iets nieuws, dat daarin besloten ligt, ontbonden wordt; en niet alleen dit, maar daarmee heeft dezelfde verandering tot een geheel andere soort van lichaam plaats, hetgeen bij het zaad nog niet het geval is, waartoe echter de mogelijkheid voor de goddelijke almacht door het heen wijzen op de reeds door haar geschapen verschillende lichamen voldoende bewezen is.
De beschrijving van het onderscheid tussen dit lichaam en dat van de opstanding beweegt zich in schone symmetrie, in zachte volgorde van de hoofdleden en haar tegenstellingen en verbindt de beeldrijke en eigenlijke uitdrukkingen (gezaaid, opgestaan) overeenkomstig hun inwendige verwantschap betekenisvol samen. Het “in verderfelijkheid” moet niet alleen worden verklaard van het gestorven, maar ook van het sterfelijk lichaam in het algemeen. Dit is het eerste teken van het aardse lichaam, daar tegenover treedt de sterkste tegenstelling, de onvergankelijkheid, dat grootste wonder en diepste raadsel voor het verstand, dat alleen aards-materiële en dus oplosbare lichamen kent. Ook het “in oneer” doelt op het onvolmaakte van de hele aardse toestand, dat in de dood tot zijn toppunt komt. Daarin zijn de verootmoedigende onvolmaaktheden en gebreken gelegen, waaraan het lichaam als een lichaam van de dood is blootgesteld (vgl. Fil. 3: 21). Die oneer komt het allersterkst te voorschijn in de afschuw en de afkeer opwekkende staat van het werkelijk ontzield zijn en van de verrotting en de wegberging onder de aarde. De tegenstelling “heerlijkheid” geeft zichtbare volmaaktheid, de schoonheid en waardigheid, die de adel van de geest, de heerlijkheid van het goddelijk evenbeeld en van het goddelijk inwonen afstraalt. In de derde plaats is genoemd de “zwakheid” van dit lichaam; deze bevat alle beperking van de wil; ook zij is ten toppunt gestegen in de toestand en onder de onverwinbare macht van de dood, die de absolute verzwakking is. De hoogste verheffing van vernieuwde en verhoogde levenskracht treedt in de opstanding op de voorgrond en begeleidt de vernieuwde lichamen op deze hoogste trap van het leven, dat ze vervult.
Aan deze drie stellingen, die met de drie vergelijkingen in vs. 39-41 overeenkomen, willen wij nog een nieuwe toevoegen. Een natuurlijk (Hoofdstuk 2: 14) lichaam, een waarin de ziel, de zinnelijke kant van het inwendige leven, de boventoon heeft, wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt, een lichaam, dat georganiseerd is voor de heerschappij van de Geest. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam. Evengoed als men nu een natuurlijk lichaam heeft, waarin de ziel de staat van het lichaam bepaalt, evengoed kan men ook later een geestelijk lichaam hebben overeenkomstig de aard van de Geest. De tegenwoordige gesteldheid van ons lichaam sluit een toekomstige van andere aard zo weinig uit, dat die integendeel zeer zeker in de plaats van de vorige zal treden, als de heerschappij van de geest eenmaal in de plaats getreden is van de tegenwoordige heerschappij van de ziel.
Zo is er ook in Gen. 2: 7 geschreven: “De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel. ” Bij dit woord van de Schrift kunnen wij vervolgens als parallellid de tweede stelling voegen, waardoor de gedachte volledig wordt: “de laatste Adam is geworden tot een levendmakende geest.”
Wat bij ons “natuurlijk” is vertaald is naar de grondtekst “psychisch” en dit is in zoverre juist als het zielelichaam dat is, wat nu voor ons het natuurlijke is, maar het eigenaardige van het gezegde is daardoor uitgewist, omdat tegenover “ziel” “geest” gesteld wordt. Een zielelichaam nu is zo een, als overeenstemt met het leven van de mens, die nog psychisch is, terwijl het geestelijk lichaam overeenkomt met de aard van de mens, die nu geestelijk is geworden. Wat is nu echter een mens van de ziel en wat is een mens van de Geest? Paulus beroept zich op de woorden uit de scheppingsgeschiedenis: “en zo werd de mens tot een levende ziel. ” Volgens deze woorden is de mens in de wel goede, maar enigermate nog onbesliste toestand geschapen, dat de ziel, die band van vereniging tussen geest en lichaam, de besturende macht over beide was. Die staat daarentegen, waarin de Geest, die in de God van zijn oorsprong leeft en zich beweegt, de persoonlijke macht vormt, de macht, die lichaam en ziel bestuurt en ze verenigt, was nog slechts het doel van zijn roeping. Dit doel is nu zo weinig bereikt, dat de mens, in plaats van geestelijk te worden, veelmeer psychisch en vleselijk is geworden, d. i. geheel en al ontzonken aan zijn geest, terwijl de zich tegenover haar bestemming zelfheersend optrad en het vlees van de geest gescheiden en van materieel tot grof materialistisch vlees was geworden. De geest is daar niet wat die moest zijn, de persoonlijke macht van het hele leven, maar alleen nog bewustzijn van het afzonderlijke leven, dat door de ziel wordt bewaard. Daarom heeft nu God de mens niet aan zijn bestemming onttrokken, Hij heeft die integendeel volkomen in de tweede Adam, in Christus Jezus vervuld. Deze heeft Hij gemaakt tot een levendmakende geest, omdat in Hem het Woord, dat in het begin bij God was, mens is geworden en daarmee dadelijk de met God verenigde Geest de besturende macht is geweest, die over ziel en lichaam gebied voerde, om ze in het geestelijk leven in te leiden. In de opstanding nu heeft de Geest van Christus alle beperkingen vernietigd, die veroorzaakten, dat Hij Zich nog niet als levendmakende Geest openbaarde en is in de hemelvaart met de Heilige Geest tot een Geest geworden, die Hij vandaar als Zijn Geest meedeelt, om onze geest tot zijn waarachtig wezen te hervormen, daarna de overmacht over het psychische en vleselijke in ons te geven en ten slotte ook ons nietig lichaam te verheerlijken, dat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt. Het menselijk lichaam, dat door de band van God is gevormd, schrijft Delitzsch, is, sinds het materieel is geworden, een mysterie met onreinheid overdekt. Dat dit niet tot blijdschap van alle wezens eens openbaar zal worden, is geheel ondenkbaar, de opstanding zal het eens in het helderste licht stellen. Maar wij zijn niet in staat ons reeds nu een duidelijke voorstelling te maken van de geestelijke lichamen van de herrezenen en wij moeten het ook niet beproeven, als wij niet meteen onze onmacht en beperktheid tot onze schade willen gewaar worden.
Maar het geestelijke is niet eerst, dat daarmee meteen de geschiedenis van de mensheid bij de schepping van Adam zou hebben kunnen beginnen, maar het natuurlijke (“psychische is eerst en pas daarna, namelijk, als de geschiedenis van de mensheid tot haar einde en doel komt, kan het geestelijke lichaam volgen. Dat zij hierover nadenken, die meenden in te brengen dat, als voor de mens het geestelijk lichaam als hoogste trap bestemd was (vs. 44); het beter zou geweest zijn, als God hem dadelijk daarmee overkleed had, en in het geheel geen natuurlijk lichaam had geschapen.
Zo’n tegenspraak is des te ongerijmder, als men de persoon aanziet van hem, die tegenover de eerste mens de tweede gaf (vs. 4). De eerste mens is uit de aarde en aards. Hij ontving zijn oorsprong uit de aarde en kon nu in de gesteldheid van zijn lichaam slechts de aard van het aardse bezitten. De tweede mens is de Heere uit de hemel, de Zoon van God, die van daar is nedergedaald, die wel voor een zekere tijd mens kon worden, maar niet naar Zijn eigenlijk wezen vanaf het begin mens kon zijn, omdat Hij reeds iets anders was.
Is dan ook niet de geest van de eerste mens, omdat God Zijn adem in hem blies, van hemelse oorsprong en is dan ook niet het lichaam van Christus, omdat Hij uit Maria werd geboren, van aardse oorsprong? Beide zijn waar. De eerste mens had een hemelse en de tweede mens heeft een aardse kant van zijn wezen. Ook het lichamelijke van de Verhoogde, hoewel hemels geworden en in de Godheid opgenomen, is toch, op haar oorsprong gezien, geen andere dan die in Maria aangenomen is. De tegenstelling van de apostel bestaat echter toch in al haar scherpte, zij gaat de beginselen aan van die beiden, die de eersten van de mensheid waren, die beginselen in grond en wezen verschillende waren. De één had, omdat God, de Schepper, eerst stof van de aarde tot een menselijk lichaam vormde, een aards begin, de ander daarentegen een persoonlijk, een hemels begin, doordat God de Verlosser uit vrije wil en door eigen kracht in de schoot van de maagd neerdaalde. De eerste werd persoon, doordat de geschapen geest zich met het lichaam, zonder zijn toedoen ontstaan, verenigde, de ander was reeds persoon, als Hij Zich tot subject maakte van een menselijke natuur, die niet zonder Zijn wil was ontstaan. Terwijl dus de een de taak was gegeven om de aardse beginselen van zijn bestaan, die vóór zijn weten en willen waren geworden, met de geest te overmeesteren (een roeping, die hij kon vervullen of ook niet kon vervullen en in werkelijkheid niet vervuld heeft), is de ander dadelijk van het begin de Heere over het menselijk wezen, waartoe Hij Zich vernederd had, toen Hij van de hemel was neergedaald en wel met Zijn vrije, wel bewuste wil, zonder Zichzelf te verliezen. En alhoewel Zijn Geest het lichaam niet dadelijk verheerlijkt, is Hij toch in de kracht van het goddelijke hemelse Ik, dat Zich in hem op menselijke manier bewust werd, dadelijk de kracht en de waarborg van de verheerlijking, die niet uitblijven kan.
Nu deze echter eenmaal Zich begeven heeft in de rijen van de mensheid en het tweede hoofdlid van de hele keten vormt, zodat Hij, als een tweede stamvader en wel eengeestelijke, is, zo moet ook dit nog worden teweeggebracht, dat wij eveneens van Zijn vlees en been zijn (Efeze. 5: 30), als wij vlees en been zijn van de eerste Adam. Daaruit kunt u nog een meer bepaald antwoord afleiden op de vraag (vs. 35): “met wat voor lichaam zullen de doden komen? ” Hoe de aardse is, zo zijn ook de aardsen, die naar het lichaam van hem afstammen; en hoe de hemelse is, Hij, die van de hemel neerdaalde en nu weer in de hemel verhoogd is, zo zijn ook de hemelsen, die uit Hem zijn geboren (Joh. 2: 20) en in het sterven tot Hem verheven worden (2 Kor. 5: 8), als het tot hun volle wording in de opstanding komt.
Het hoofd en de leden zijn van één en dezelfde natuur: zij zijn niet zoals het afschuwelijk beeld, dat Nebukadnezar in zijn droom zag. Het hoofd was van fijn goud, maar de buik en de dijen waren van koper, de benen van ijzer en de voeten gedeeltelijk van ijzer en gedeeltelijk van leem. Het geestelijke lichaam van Christus is geen dwaze vereniging van tegenstrijdigheden; de leden waren sterfelijk en daarom stierf Jezus: het verheerlijkte hoofd is onsterfelijk en daarom is het lichaam ook onsterfelijk; want er staat geschreven: Ik leef en u zult leven. Zoals ons dierbaar Hoofd is, zo is ook het lichaam en elk lid in het bijzonder. Een uitverkoren Hoofd en uitverkoren leden, een aangenomen Hoofd en aangenomen leden, een levend Hoofd en levende leden. Als het hoofd van zuiver goud is, dan zijn ook al de leden van het lichaam van zuiver goud. Zo is er een dubbele vereniging van natuur als grondslag voor de nauwste gemeenschap. Sta hier stil, mijn godvruchtige van deze en zie of u zonder verrukte bewondering de oneindige neerbuigende liefde van de Zoon van God kunt aanschouwen, die uw ellende tot zo’n gezegende vereniging met Zijn heerlijkheid wil verhogen. U bent zo gering, dat u met het oog op uw sterfelijkheid tot de groeve kunt zeggen: U bent mijn vader en tot het gewormte: U bent mijn zusters en toch in Christus bent u zo hoog geëerd, dat u tot de Almachtige kunt zeggen: Abba, Vader en tot Hem, die in het vlees gekomen is: U bent mijn Bruidegom en mijn Broeder. Zeker, als verwantschap tot oud-adelijke geslachten mensen hoge gedachten over zichzelf doet koesteren, dan hebben wij stof om ons boven hen allen te beroemen. Laat de armste en meest verachte gelovige deze voorrechten aangrijpen; een onzinnige traagheid mag hem niet beletten deze adelbrief te doen gelden en een dwaze gehechtheid aan de ijdelheden van deze tegenwoordige tijd mag zijn gedachten niet aftrekken van deze heerlijke hemelse eer van met Christus verenigd te zijn.
En zoals wij, zolang wij in dit lichaam woonden (2 Kor. 5: 6), het beeld van de aardse stamvaders gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen, want ons toekomstig lichaam zal aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijk zijn (Fil. 3: 21).
Maar dit zeg ik, broeders, om, nu ik bij de voltooiing van het Godsrijk ben gekomen, u nog uitdrukkelijk opmerkzaam te maken op het groot gewicht van de leer van de opstanding, a) dat vlees en bloed, ons gehele tegenwoordige wezen, waarin wij niet alleen vlees en bloed aan ons hebben, maar ook zo veelvuldig erdoor worden geleid, het koninkrijk van God niet beërven kunnen en de verderfelijkheid, waarin wij nog verkeren, ook al zoeken wij het eeuwige, beërft de onverderfelijkheid niet, maar eerst moet een veranderings- en verheerlijkingsproces met ons plaats hebben, zoals dat door de opstanding wordt teweeggebracht.
Joh. 1: 13.
Evenmin als vlees en bloed, waaruit onze Adams-natuur bestaat, in Christus kunnen geloven (MATTHEUS. 16: 17) kunnen deze het rijk van God beërven. Vlees en bloed van de verdoemden kunnen en zullen opstaan, echter niet om het koninkrijk te beërven, maar tot pijniging in het eeuwige vuur. Opdat echter vlees en bloed opstaan tot het beërven van het koninkrijk moet de tegenwoordige aard van vlees en bloed worden opgeheven, eerst door de geestelijke wedergeboorte, vervolgens door de verandering van het lichaam in het graf van de aarde, opdat daaruit een geestelijk vlees en bloed ontstaan, naar de manier van het vlees en het bloed van onze Heere Jezus Christus.
Binnen de eens geschapen wereld wordt geen enkele atoom de vernietiging ooit ten prooi. De grondstoffen, waaruit het verteerde lichaam bestond, zijn dus nog aanwezig en de Alwetende weet waar zij zijn en de Almachtige kan ze weer vergaderen. Zij hebben intussen tegelijk met de aarde, waarin zij bewaard zijn, het vuurproces doorlopen, waaruit hemel en aarde in verheerlijking te voorschijn treden. Uit deze wereld van de verheerlijking brengt Hij, die in de beginne het lichaam van de mensen uit aarde van Eden gevormd heeft, de grondstoffen van onze lichamen weer tezamen bij gelijke bestemming van de krachten, die ze doortrekken en gelijke vermenging van de werkelijke bestanddelen, zoverre deze bestemming en vermenging nodig zijn voor de individualiteit van de persoon, die na wegneming van de zonde met haar beginselen en gevolgen overblijft. De ziel, met dat lichaam weer samen gebracht, neemt daarvan bezit, als een koningin van haar troon, doordringt het met haar hemels licht, maakt het tot een omkleedsel van haar geestelijk wezen en sluit zich daarmee aaneen als het doel van haar verlangen tot voltooiing van haar persoonlijkheid.
Het woord “opstanding van het vlees” in de apostolische geloofsbelijdenis, wil alleen zeggen dat hetzelfde lichaam, dat wij hier als vlees hebben gedragen, wordt opgewekt, maar niet dat het dan ook nog vlees zal zijn.
Wij zouden zeggen: met één woord, broeders, een lichaam zoals ons tegenwoordige, dat uit vlees en bloed bestaat, is niet geschikt voor de staat van de heerlijkheid in het toekomstig koninkrijk van God. Het lichaam, dat wij nu omdragen, is uit zijn aard vergankelijk, aan behoeften en zwakheden onderworpen. Hoe zouden wij daarin een onvergankelijke geluksstaat genieten kunnen? (V. D. PALM).
Uitnemend schoon en helder is de ontwikkeling en oplossing, die de apostel ons van het stuk van de opstanding geleverd heeft. In de eerste plaats toont ons Paulus door vergelijking van het zaad, dat gezaaid wordt, dat wij wel met onze eigen lichamen kunnen opstaan, maar niet met dezelfde. Zoals toch het zaad, dat men zaait, wanneer het onder de grond ligt, ontbolsterd wordt en vergaat, maar dan ook tegelijk door de almacht van God ontkiemt en nieuwe halmen voortbrengt, zo keren onze lichamen tot stof van de aarde terug, welk stof met de wind verwaait en tot andere lichamen overgaat, maar uit deze zullen in de dag van de verrijzenis geheel nieuwe lichamen voortkomen, die aan onze aardse omkleedsels geheel en al het verschillende graan, dat gezaaid wordt, gelijkvormig zullen zijn, zodat elk zijn eigen lichaam hebben zal (vs. 35-38). Maar zoals nu niet alle graan hetzelfde is, zo is ook niet alle vlees hetzelfde, zoals dat in de dierenwereld ook zeer uiteen loopt; daarom leert de apostel in de tweede plaats, dat hoewel alle gelovigen verrijzen zullen, hun nieuwe lichamen net zo verschillend in glans en heerlijkheid zullen zijn als de heerlijkheid van de zon, maan en sterren zeer verschillend is, zodat hij aan verschillende rangen en standen in de toekomende wereld denken doet (vs. 39-42). Maar terwijl hij bezig is dit stuk uiteen te zetten, zo maakt hij niet slechts de vergelijking tussen onze tegenwoordige en toekomende lichamen, maar geeft ook in de derde plaats de wenk, dat de lichamen van de gelovigen dan enigszins van een andere geaardheid zullen zijn, namelijk niet alleen ontdaan van al het zondige en gebrekkige, maar ook minder grof stoffelijk en meer verfijnd geestelijk. Onverklaarbaar moge ons de uitdrukking zijn “een geestelijk lichaam” te hebben, terwijl wij zeggen zouden, dat stof niet geestelijk kan zijn, maar als wij wel opmerken, dat Paulus ons wenken geeft, dat onze lichamen door de heerschappij van de zonde meer grof stoffelijk geworden en wij zelf aan de zinnelijkheid onderworpen zijn, dat wij in Christus een volkomen herstelling vinden van alles wat wij in Adam verloren hebben, ja zelfs meer dan dat en daarbij niet vergeten, dat het lichaam van de verrezen Verlosser gans verschillende eigenschappen bezat en vertoonde dan voorheen en op de ene tijd zichtbaar en op de andere tijd weer verdwenen was en zelfs zonder opening van de deuren in het gezelschap zich verplaatsen kon, dan gevoelen wij er iets van hoe het in het volgend leven zijn zal; maar dan hechten wij toch voornamelijk daarop, dat het voor ons niet genoeg is door onze betrekking op de eerste Adam een levende ziel deelachtig te zijn, maar veelmeer door onze vereniging met Christus als de tweede Adam en het vertegenwoordigend Hoofd van Zijn verlosten een levendmakende geest moeten bezitten (vs. 45); dat de nieuwe natuur, die wij in zijn gemeenschap ontvangen, van een geestelijke geaardheid is, zoals onze Heer op aarde zijnde, bezat (vs. 47) en eindelijk, dat wij daarom dan ook het beeld van onze Heer uit de hemel moeten dragen, zoals wij in onze zondige natuurstaat het beeld van onze eerste vader gedragen hebben (vs. 49). En het is om die reden, dat wij ook, zowel als de Corinthiërs, in herinnering aan Paulus ter harte moeten nemen, dat vlees en bloed het koninkrijk van God niet beërven zullen, opdat wij daaruit leren mogen, niet voor onze stoffelijke en zondige lichamen alleen en hoofdzakelijk te leven, maar meer in de aankleving en navolging van Hem, in wie wij het geestelijk en eeuwig leven deelachtig zijn, opdat onze hoop ons in geen deel beschaamt en wij onbelemmerd in deze leven mogen (vs. 42b-50).
Zie, ik zeg u een verborgenheid, die mij door goddelijke openbaring is bekend geworden (Rom. 11: 25): a) wij zullen wel niet allen in de dood ontslapen en dus niet door de wederopwekking tot een geestelijk lichaam komen, maar wij zullen allen, die dit proces niet doormaken, veranderd worden, om daardoor tot gelijke trap met hen te worden verheven.
1 Thessalonicenzen. 4: 16.
Dat veranderd worden zal plaats hebben in een punt van de tijd, in een ogenblik, met a) de laatste bazuin, die het einde aankondigt van deze loop van de wereld (Jes. 27: 13); want de bazuin zal slaan, zal klinken en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden en wij, die dan nog in leven zijn, zullen veranderd worden, zodat uit ons dan nog natuurlijk lichaam, het geestelijke ontstaat, of het leven, het sterfelijke aan ons verslindt (1 Thessalonicenzen. 4: 15 vv. 2 Kor. 5: 4).
MATTHEUS. 24: 31.
Is het vroeger gezegde juist, wat zal er dan plaats hebben met hen, die de dag van de Heere niet als gestorvenen maar als nog levenden aantreft, zodat zij niet opgewekt kunnen worden? Dit punt was de inhoud van de vraag in vs. 35 niet, maar de apostel wil hen echter ook hierover niet zonder inlichting laten; nu deelt hij hen dit mee als een geheim, d. i. niet als een leer, die geheim moet worden gehouden, maar als een zodanige, die door Goddelijke openbaring bekend wordt.
Dit geheim heeft werkelijk de inhoud, dat met hen, die de toekomst des Heren beleven een verandering zal plaats hebben, waardoor zij tot deelname aan het rijk van God, evenals de opgewekten uit de dode, geschikt worden, zodat dus ook op hen het in vs. 49 v gezegde zijn betekenis heeft. Onder het veranderd worden nu verstaat hij de onmiddellijke overgang uit de toestand van het aardse en lichamelijke in die van het hemelse, zonder het proces van sterven en opgewekt worden uit de dood, dat dit teweeg brengt. Dit veranderd worden volgt zo onmiddellijk, dat een sterven niet kan plaats hebben. Hierdoor is zeker een voorafgaande bekwaammaking een voorbereiding van deze verheerlijking door de werking van de Geest van Christus niet uitgesloten; alleen wordt gezegd, dat deze verheerlijking ogenblikkelijk zal plaats hebben.
Of hij zelf, Paulus, onder de ontslapenen, die opstaan, of onder de overblijvenden, die zonder opstanding veranderd worden, de dag des Heren zou zien, laat hij aan God over; hier vat hij zichzelf samen met deze, evenals in Hoofdstuk 6: 14 onder gene.
Hij rekent zichzelf bij hen, die de klank van de laatste bazuin levend vernemen, omdat hij tot de levende gemeente spreekt, die met hem het einde van deze tegenwoordige tijd steeds moet wachten, zodat zij, die uit haar wegsterven, slechts als enkelen voorkomen, die het einde van de tijd van hun wachten (Hoofdstuk 7: 29), dat niet ver is, niet meebeleven.
In hoeverre zij, die bij de openbaring van Christus uit de hemel een plotselinge omkering uit de ene levenstoestand, waarin zij zich nog bevinden, in de andere door verandering zullen ervaren, hiertoe reeds zijn voorbereid, blijkt daaruit, dat Christus openbaring uit de hemel volgens de staat van de laatste dingen, zoals die in Openbaring 19: 11-21: 8 wordt beschreven, niet onmiddellijk na de val van de antichrist en diens rijk volgt, maar tussen haar en deze gebeurtenis ligt eerst de oprichting van het duizendjarig rijk, dat het binden van de satan, de opwekking van de uitverkorenen en hun heerschappij met Christus in zich sluit; dat zijn alle momenten, die zowel voor de aarde zelf als voor de gemeente, die nog op haar leeft, een verheerlijking van haar tegenwoordig wezen op gelijke wijze voorbereiden, ja gedeeltelijk reeds laten plaats hebben, als eens de Heere zo iets voorlopig op de berg ondervond (MATTHEUS. 17: 1 vv.).
Want dit verderfelijke, dat wij in het aardse leven aan ons hebben, moet onverderfelijkheid aandoen, hetzij na een voorafgegane ontkleding, hetzij na een dadelijk plaats hebbende overkleding (2 Kor. 5: 2 vv.) en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen, anders kan het rijk van God niet tot zijn voltooiing komen.
Ten duidelijkste is Paulus daarvan zeker, dat een Christen, die vlees en bloed heeft, tot een geheel ander, nieuw wezen moet worden hervormd, om in te gaan in het heerlijk rijk van God; maar even zeker weet hij, dat juist dit sterfelijke en dit vergankelijke het onderpand van de verheerlijking tot onvergankelijkheid en onsterfelijkheid bezit (vgl. 2 Kor. 5: 5).
Als wij niet Jezus Christus en de nieuwe mens van dag tot dag aantrekken, dan kunnen het verderfelijke en de nieuwe onverderfelijke mensheid niet zo snel met elkaar verenigd worden. Hij, die de gewenste verandering deelachtig wil worden, moet zijn hart hier laten veranderen.
En wanneer dit verderfelijke onverderfelijkheid aangedaan zal hebben en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan zal hebben, dan zal het woord geschieden; dan wordt de profetie, die in eerste instantie nog slechts als een belofte luidt, veranderd in een volbracht, ook geschiedkundig feit, het woord, dat geschreven is: “De dood is verslonden tot overwinning” (Jes. 25: 8).
Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?
De prikkel nu van de dood, datgene, waardoor de dood macht had te doden (Rom. 5: 12 vv.), is de zonde en de kracht, of hetgeen machtig maakt, de kracht van de zonde, is de wet (Rom. 7: 7 vv.), zoals mijn prediking van het Evangelie u dit reeds vroeger heeft uiteengezet.
a) Maar, om u ook te herinneren aan hetgeen de inhoud van mijn Evangelie zelf uitmaakt, God zij dank, die ons, door de zonde teniet te doen en de wet, die ze opwekt en ten slotte ook de dood en de hel, die zich in zijn gevolg bevindt, op te heffen, de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.
1 Joh. 5: 5.
De geest ziet terug van de hoogte van de volle zaligheid naar de belemmeringen, naar het tegenovergestelde van de zaligheid en zijn voornaamste punten. Daardoor wordt hij steeds weer opnieuw opgewekt tot het prijzen van Gods genade, die door Jezus Christus deze beletsels wegruimt en de overwinning geeft, waarin de volle zaligheid, de vervulling van de hele belofte berust. Door drie onafscheidelijke samenhangende trappen gaat de verwezenlijking van de zaligheid heen: wegneming van de wet, van de zonde, van de dood. De wet wordt, als die de tegenstand tegen God te voorschijn roept en klimmen doet, weggenomen door de betoning of openbaring van de volmaakte liefde van God, die de eengeboren Zoon, de Heilige en Rechtvaardige bestemde de vloek van de wet, de toorn en de straf op Zich te nemen en te dragen en zo ons te verlossen van vloek en oordeel en om de gerechtigheid voor God aan te brengen, daar alles vergeven en daardoor een gemeenschap van de liefde hersteld is, die de deelname aan de goddelijke heerlijkheid meebrengt. In de kracht van deze openbaring van de liefde wordt de wet van een som van strenge geboden en verboden met verschrikkelijke bedreiging voor overtreders tot een bekendmaking van de wil van de in Christus genadige Vader, die erkend is als degene, die het in alles goed meent, ons dus niets weigert dan wat ons schadelijk en verderfelijk is, ons niets beveelt te doen, dan wat nodig en heilzaam is, ons niets oplegt om te lijden dan wat tot ons welzijn dient, daarom ons kastijdt, omdat Hij ons liefheeft. Daarmee is de kracht van de zonde gebroken en een steeds sterker wordende liefdedrang, die de tegenovergestelde gevoelens en opwellingen altijd volkomener meester wordt en het hele leven met zijn organen en krachten meer en meer beslist en onverdeeld gewillig en blij in de dienst van de heilige liefde overgeeft, leidt tot heiliging van de helen mens. Juist daardoor wordt ook aan de dood zijn prikkel ontnomen; hij is voor de gelovigen en hen, die de heiligmaking najagen, niet meer de oplossing van het leven, die smart en afkeer verwekt, eenzaamheid en vernietiging met zich voert, maar een ingaan in de rust van Christus, dat tot een heerlijke levensvernieuwing leidt, waarin dan de volkomen overwinning over de dood en daarmee de voltooiing van de zaligheid openbaar wordt.
Dit triomflied is volkomen rechtmatig en daarbij onuitputtelijk rijk. Zeker, alleen het wel verzekerd geloof kan zo spreken en zelfs dit niet ten allen tijde, maar dan slechts als daar binnen werkelijk de klare bewustheid leeft en werkt van wat God hem in Zijn Zoon heeft geschonken. Maar dan ook mag het, al is het niet zonder beving, zo juichen; immers het roemt niet in de overwinning, die het zelf behaald, maar in die, die God het geschonken heeft: “door Jezus Christus onze Heer. ” Dat is de enige sleutel tot het raadsel, maar deze is ook volkomen voldoende, want juist omdat Christus de Zijnen èn van de vloek van de wet èn van de heerschappij van de zonde verlost heeft, is voor hen ook de overwinning over de dood reeds in beginsel beslist. Als dood, als vijand, die ons het leven komt afeisen, bestaat voor de verloste de koning van de verschrikking niet meer, wat waarlijk in ons leeft is voor zijn vermogen te sterk. Het is hier eenvoudig, om dus te spreken een kwestie van tijd; de dood heerst en woedt nog maar als een vazal in een onmetelijk rijk, wiens vonnis reeds lang is getekend en wiens troon, hem alleen bij genade vergund, zal instorten, zodra zijn overwinnaar het slechts wenst. Zijn prikkel is in het bloed van Christus verstompt en de schaduwen van het graf zijn door een zachte lichtglans vervangen, waarbij het oog geen kerker aanschouwt, maar een wijd geopende poort, waardoor de lichtglans reeds schemert. Hebben wij ze niet gezien, die de dood nog voor zich en toch in zeker opzicht reeds achter en beneden zich zagen en in wier half gebroken oog het woord scheen te lezen: ik heb het onbeschrijfelijk goed? Heeft u nooit die betuiging van vege lippen vernomen, die meer voor de goddelijkheid van het Evangelie dan menig boekdeel bewijst: meer dan overwinnaar door Hem, die ons lief gehad heeft? Maar immers wordt nog altijd het liefelijk beeld uit de “Christen pelgrim” bewaarheid, als Christen dreigt te zinken, dan houdt broeder Hoop hem het matte hoofd boven de golven en waar opnieuw het hoofd van de belofte verstaan is, daar wordt de vaste grond door de wankelende voet weer herwonnen. Nee, heerlijk triomflied, u bent evenmin een ijdele klank, als een roekeloos spel. U kunt niet verstommen, of eerst moet het geloof in de opgewekten Levensvorst sterven. Wat een onuitsprekelijke dankstof aan Hem, die op lippen, zo onrein als de onze, straks zwijgend in het stof van de dood, reeds hier zo’n juichtoon heeft willen leggen! Wat een grenzeloze genade, die in Christus ons, dood- en doemwaardigen, zo’n overwinning wil geven! Wat een onschatbare troost, als wij onze vrome doden bewenen, zij zijn grafwaarts gedreven, maar met een staf zonder prikkel. Wat een verrukkende hoop vooral, die dit triomflied ons instort, te schoon en te stout om haar waarde onder woorden te brengen. Wereldberoemd is het slotkoor uit de Messias van Händel juist in deze woorden vervat; maar wat zal het volle koor van de Messias daarboven zijn, gezongen als op het graf van de dood? Die tonen, ach of ons oor ze reeds hoorde, die schare ach, of ons oog haar reeds zag?
Zo dan, mijn geliefde broeders, bent in hartelijke dankbaarheid voor hetgeen God, door Jezus Christus voor ons en aan ons heeft gedaan vs. 57), standvastig in het geloof (vs. 1). Wees verder onbeweeglijk in de hoop van het Evangelie; laat die noch uit eigen beweging varen, noch laat die door de woorden van anderen tot twijfel brengen, altijd overvloedig zijnde en toenemende in het werk van de Heere, in de werkzaamheid voor de Heere, wiens dienaars u bent (Hoofdstuk 16: 10; 12: 5). Weet dat, als die uit hetgeen het Evangelie belooft en naar de inzichten, die dit in de toekomst opent, weet dat uw arbeid, uw werk, dat aan het rijk van de Heere gewijd is, niet ijdel is in de Heere, in wiens gemeenschap u staat en die nu door u en in u alles heerlijk volbrengt wat tot voltooiing van Zijn rijk nog moet geschieden (2 Kron. 15: 7).
De hymnetoon gaat, overeenkomstig de profetische geest van de apostel en de leer van de opstanding, ten slotte nog over in de paraenetische en de profetische blik in de ethischen. Deze eindvermaning eist echter het ware dankoffer van hart en leven.
Men wordt standvastig, men wordt onbeweeglijk, als men zich maar altijd aan het centrum vasthoudt.
Zolang als men niet zoekt in het Christendom tot vastheid te komen, wel gegrond in het geloof op de rotssteen Christus en onbeweeglijk tegen de stormwinden van de verzoekingen (Efeze. 4: 14), zolang is de arbeid in beoefening van het Christendom grotendeels tevergeefs, niet eerst een ernstige arbeid, maar veelmeer traagheid en slaperigheid.
Hij daarentegen, die de beginselen van het eeuwige leven door de kennis van de Heere Jezus Christus in zich bewaart, kan tegen de inwendige slingeringen vaststaan, bij uitwendige verzoekingen onbeweeglijk zijn en de afmatting ontgaan, daarentegen toenemen in het werk van de Heere waarvan het geloof de drijfveer is tot al het andere.
Het werk van de Heere: a) wat het in ons werkt; b) wat wij in Zijn kracht volbrengen. Het werk van de Heere nu gelukt in ons zeker; Hij laat ook de Christen zijn werk nooit mislukken.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel