Welzalig de man die tot Hem de toevlucht neemt! Psalm 34:8
Lang geleden kocht ik een klein boekje met de laatste woorden van beroemde mensen vlak voordat ze stierven. Eerst stonden er woorden in van mensen die niet in God geloofden. Hun laatste woorden waren vaak verdrietig en eng. Zo zei Cesare Borgia: “Helaas, ik sterf zonder voorbereid te zijn.” Koning Charles IX van Frankrijk zei: “Ik weet het zeker, ik ben verloren.” En Thomas Hobbes zei: “Ik maak een angstaanjagende sprong in het donker.” Een ander zei zelfs: “Wat ben ik toch dom geweest!”
Maar de laatste woorden van christenen waren heel anders. Zij spraken vaak met rust en vertrouwen. Wat denken jullie dat zij gezegd hebben? Laten we kijken naar de laatste woorden van Charles Spurgeon. Spurgeon was in Menton, een plaatsje aan de Franse Rivièra. Soms leek het alsof hij weer beter werd, en dan kregen de mensen hoop. Maar op andere dagen ging het juist slechter en vroegen mensen zich af of hij nog wel zou herstellen. Zijn vrouw Susannah was steeds bij hem, en dat gaf hem veel troost. Eind januari 1892 werd hij erg ziek. Vaak was hij bewusteloos en zat Susannah naast zijn bed om voor hem te zorgen. Ze waren toen al 36 jaar getrouwd. Weet jij hoe lang jouw ouders al getrouwd zijn?
Spurgeon voelde dat hij niet lang meer zou leven. Toch was hij niet bang, want hij wist dat hij veilig was bij de Heere Jezus. Vlak voor zijn sterven fluisterde hij: “Susie!” Zijn vrouw boog zich naar hem toe en pakte zijn hand vast. Toen sprak hij zijn laatste woorden uit: “O, vrouwtje, wat heb ik een heerlijke tijd gehad met mijn Heere!” Wat bijzonder hè? Spurgeon keek terug op zijn leven. Hij had goede dagen gehad en moeilijke dagen. Soms werd hij geprezen, soms uitgelachen. Soms was hij gezond en soms erg ziek. Maar door alles heen wist hij één ding zeker: de Heere was altijd bij hem geweest en had hem nooit verlaten. Zou het niet geweldig zijn als wij later ook zo kunnen terugkijken op ons leven? De Bijbel zegt: “Gelukkig is de jongen of het meisje dat op Hem vertrouwt!” (Psalm 34:8)

