De eeuwig levende Christus
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Een preek, bedoeld om te worden voorgelezen op zondag 26 augustus 1900.
Uitgesproken op zondagavond 24 juli 1881 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
En Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 1:18
Soms verlangen we ernaar Christus in Zijn heerlijkheid te aanschouwen. Het is zeker een van onze heerlijkste verwachtingen dat we Hem zullen zien zoals Hij is. Elke ware gelovige kan met Job zeggen: ‘Ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde’ (Job 19:25-27). Maar broeders en zusters, zoals we nu gesteld zijn, zijn we volstrekt niet in staat de heerlijkheid van onze Meester te aanschouwen.
Het was goed dat Hij Zich op aarde verborg in de gedaante van een mens. Want toen Hij de sluier een klein beetje optilde, zoals op de berg der verheerlijking, was dat gezicht te veel voor Petrus, Jakobus en Johannes, ook al was het maar een glimp. Ze werden erdoor overweldigd! Ze vielen op die heilige berg in slaap, en zelfs toen ze wakker waren, wisten ze niet wat ze moesten zeggen. Zoals we nu zijn, zou het voor ons ook te veel zijn als het ons gegeven werd Christus in Zijn heerlijkheid te zien. Het was zelfs te veel voor Johannes, en wij staan ver beneden hem. Onze ogen zijn niet zo helder en sterk als de zijne waren, en toch kon hij dat wonderlijke gezicht niet verdragen! De grijze, oude heilige op Patmos was al meer jaren met zijn Meester vertrouwd dan de meesten van ons Hem kennen. Hij had zijn hoofd aan de borst van de Zaligmaker gelegd, een voorrecht dat niemand anders ooit had. Hij had bij het kruis gestaan en het bloed en het water zien vloeien uit dat dierbare hart dat hem zo liefhad.
Maar hoewel hij ‘de discipel was die Jezus liefhad’, viel hij als dood aan Zijn voeten toen hij zijn verheerlijkte Meester zag! De volle heerlijkheid van Christus is te veel voor ons zolang we hier op aarde zijn. Vraag er dus nog niet om, lieve vrienden. Straks, als u ervoor bereid bent en Christus een plaats voor u heeft bereid, zal Zijn gebed in uw blijde ervaring vervuld worden: ‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt’ (Joh. 17:24). Hij zou tegen ieder van u kunnen zeggen: ‘Nog niet, Mijn kind, nog niet kunt u Mij zien zoals Ik ben. Uw ogen zijn nog niet geschikt voor zo’n gezicht.’
Geliefden, let erop hoe de Zaligmaker Johannes troostte toen hij door de overweldigende heerlijkheid van het gezicht van zijn Heere bezweek en als dood was. Eerst legde Hij Zijn rechterhand op hem. En daar moet uw en mijn troost altijd vandaan komen: van de hand die voor ons gekruisigd werd. Uit die doorboorde hand stroomt een wonderlijke kracht, die de zwakste sterk maakt. Een aanraking ervan bewijst hoe dicht Christus bij ons is. Als Hij ons aanraakt, weten we dat Hij zowel Mens als God is. En die vertrouwde aanraking, die ons zo bewust maakt van Zijn nabijheid, maakt ons blij en vrolijk, en we worden weer sterk. En als het feit van Zijn menswording, de waarheid dat Christus vlees van ons vlees en been van onze benen is, nog niet genoeg is om ons te bemoedigen, voegt Hij daaraan toe, zoals Hij bij Johannes deed: ‘Vrees niet.’
De Meester zegt dat tegen ieder van u die in Hem gelooft, maar vooral tegen degenen onder u die heel zwak en krachteloos zijn en voelen dat ze spoedig zullen sterven. Hij komt dicht bij u, broeders en zusters, die binnenkort de broze tent van dit sterfelijke lichaam zult afleggen. De glans en de stralen van de heerlijkheid die nog geopenbaard zal worden, overweldigen u, maar Hij fluistert u in het oor: ‘Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; en Die leeft, en Ik ben dood geweest.’ Al deze woorden zijn vol bemoediging voor zielen die bezwijken van verwachting naar de komst van de Koning, en voor harten die vervuld zijn van verlangen naar de nabijheid van hun Welbeminde. ‘Vrees niet’, zegt Hij. En opdat wij niet vrezen, laten we nu kijken naar wat hier bekendgemaakt wordt en wat ons tot kracht en troost moet zijn. Het lijken mij drie zaken te zijn. Er zijn er nog veel meer, maar deze drie treffen mij het meest.
I. De eerste is de identiteit van Christus. Hoe heerlijk Hij ook is, en al is Zijn aangezicht als de zon wanneer zij schijnt in haar kracht, Hij is toch dezelfde Christus als toen Hij hier op aarde was: ‘Die leeft, en Ik ben dood geweest.’ Deze woorden bewijzen ons de identiteit van Christus.
II. De tweede grond voor zoete troost, wanneer we aan Christus in Zijn heerlijkheid denken, is de volmaaktheid van Zijn werk, die besloten ligt in de woorden: ‘en Ik ben dood geweest.’ Nu heeft Hij niets meer met de dood te maken. Wat Hemzelf betreft, is dat allemaal voorbij. U ziet dat de woorden in de verleden tijd staan: ‘Die leeft, en Ik ben dood geweest.’
III. En ten derde is de grote bron van blijdschap voor elke gelovige die beeft in de tegenwoordigheid van zijn verheerlijkte Meester het feit van Christus’ eeuwige bestaan: ‘Ik ben levend in alle eeuwigheid.’ Nooit meer zal Hij de dode Christus van Golgotha zijn: ‘Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen.’
I. Laten we dan beginnen met de eerste grote waarheid die ik noemde; ik moet over elk punt noodzakelijk wat haastig spreken. De identiteit van onze gezegende Meester moet ons zeer troosten als we aan Zijn heerlijkheid denken.
Christus in de hemel is Dezelfde als Hij hier was. Er is een grote verandering over Hem gekomen, maar geen verandering in Zijn identiteit of Zijn natuur, en zeker geen verandering in Zijn liefdevolle hart voor ons. Want ‘Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid’ (Hebr. 13:8), volstrekt Dezelfde! Hij Die nu de hele hemel verlicht met Zijn tegenwoordigheid, is dezelfde Christus Die in Bethlehem geboren werd, Die over de golven van het stormachtige meer van Galilea liep, Die aan het kruis hing, in doodsdoeken werd gewikkeld en in het graf van Jozef van Arimathea werd gelegd. Diezelfde Jezus is uit de dood opgestaan en zit nu aan de rechterhand van God, waar Hij regeert over alle werelden! Ik wil deze ene gedachte in het bijzonder onder uw aandacht brengen: toen Christus hier was gedurende de veertig dagen na Zijn opstanding, was Hij duidelijk dezelfde Jezus als tijdens Zijn aardse leven. We kunnen niet veronderstellen, we kunnen ons niet indenken dat er sindsdien enige verandering in Hem heeft plaatsgevonden. De veertig dagen van Zijn heerlijkheid op aarde waren een getrouw beeld van wat Hij nu is, en Hij was toen dezelfde Jezus Die de discipelen gekend hadden voordat Hij gekruisigd werd.
Er waren bepaalde punten waarin Hij heel duidelijk liet zien dat Hij Dezelfde was. Het eerste was Zijn tederheid. Hij was altijd zachtmoedig en nederig, vriendelijk en goed, en nadat Hij uit de dood was opgestaan, was Hij precies Dezelfde. Markus vertelt ons: ‘En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had’ (Mark. 16:9). Er ligt een fijne trek van tederheid in de vermelding van die zeven duivelen in verband met de verschijning van Christus aan Maria Magdalena. Zij had Hem veel lief. Ze was een van de laatsten geweest die bij het graf waakten, en nu mocht zij de eerste zijn die haar Heere ontmoette nadat Hij uit de dood was opgestaan. Het was echt iets voor Christus om Zich eerst aan haar te openbaren: om een van de zwakste van Zijn volgelingen op te zoeken, een van hen die Hem het meest liefhadden, en een voor wie Hij al het meest had gedaan.
Ook was het echt iets voor Hem om Zijn engel met deze boodschap naar de vrouwen te sturen: ‘Gaat heen, zegt Zijnen discipelen’, juist tegen de mannen die Hem allemaal hadden verlaten en gevlucht waren! De lafaards die Hem in het uur van Zijn grootste nood in de steek hadden gelaten: ‘zegt Zijnen discipelen’. En dan volgt die tedere trek, zo echt iets van Christus: ‘zegt Zijnen discipelen, en Petrus’. De arme, eigenzinnige Petrus, die zei dat hij liever zou sterven dan zijn Heere te verloochenen, en die Hem toch verloochende, terwijl hij zich vervloekte en zwoer! Toch stuurde Christus hem een bijzondere, persoonlijke boodschap: ‘zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft’ (Mark. 16:7). Ik weet heel zeker dat dit dezelfde Christus is Die tegen Petrus zei: ‘Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude’ (Luk. 22:31-32).
Let verder, lieve broeders en zusters, op Christus’ tederheid tegenover Thomas. Zelfs toen Christus al een hele week uit het graf was opgestaan, was Thomas nog steeds ongelovig. Hij had gezegd dat hij niet zou geloven dat zijn Heere was opgestaan, tenzij hij in Zijn handen het teken van de nagels zag, zijn vinger in het teken van de nagels kon steken en zijn hand in de wond in Christus’ zijde kon leggen. Op de tweede sabbat kwam de Meester opnieuw bij Zijn discipelen. Nadat Hij tegen hen had gezegd: ‘Vrede zij ulieden’, sprak Hij tegen Thomas geen woord van toorn, maar zei Hij eenvoudig: ‘Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig’ (Joh. 20:27). Er waren in die gedenkwaardige periode noodzakelijk wel enkele bestraffingen, want de liefde moet bestraffen wat niet juist is. Maar die bestraffingen waren als de bestraffing waarvan David zei: ‘het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken’ (Ps. 141:5). Het waren precies zulke bestraffingen als altijd van Jezus komen, en alleen van Jezus. Daarom weten we zeker dat het dezelfde Man was Die gestorven en ook weer opgestaan was.
En als er nog een voorbeeld nodig is om het bewijs te voltooien en te bekronen, kijk dan naar onze Heere toen Hij de discipelen bij het meer uitnodigde om met Hem vis te eten. Daarna zei Hij tegen Petrus: ‘Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen?’ Driemaal herhaalde Hij de vraag: ‘Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief?’ En toen gaf Hij hem de opdracht Zijn lammeren te weiden en als onderherder voor Zijn schapen te zorgen. Dat was precies Christus; aan zo’n daad was niets nagemaakt! Hij had daar ter plekke kunnen zeggen: ‘Die leeft, en Ik ben dood geweest.’ De discipelen zouden de klank van Zijn stem, Zijn manier van spreken en de geest van Zijn bestraffing herkend hebben. Alles was zo teder dat het niet nagebootst kon zijn, en we zeggen direct, zoals Johannes tegen Petrus zei: ‘Het is de Heere!’ We roepen met Thomas uit: ‘Mijn Heere en mijn God!’
Een tweede kenmerk dat, samen met andere zaken, de identiteit van Christus bewijst, is Zijn kracht en ijver. Als Christus na de opstanding heel traag, dof, zwaar en lusteloos was geweest, zouden we gezegd hebben: ‘Dit is niet Hij Die verteerd werd door de ijver van Gods huis. Dit is niet de Christus Die met ijver bekleed was als met een mantel.’ Maar op de dag van de opstanding van onze Heere verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena en daarna aan Simon Petrus. Toen het avond werd, voegde Hij Zich bij de twee discipelen die naar Emmaüs gingen. Nadat Hij Zich aan hen had geopenbaard, hadden zij Jeruzalem nog maar nauwelijks bereikt of Hij stond daar al in het midden van de elf en zei: ‘Vrede zij ulieden.’
We hebben geen volledig verslag van alles wat er in die veertig dagen gebeurde, maar we hebben genoeg om te zien dat onze Heere druk bezig was, nu hier, dan daar. Soms liet Hij Zich zien aan kleine groepjes van twee of drie, en eens zelfs aan vijfhonderd broeders tegelijk. En we zien dat Zijn onvermoeibare kracht onverminderd bleef in die dagen van Zijn verheerlijkte leven, terwijl Hij nog hier beneden woonde.
Er is in de verslagen van die veertig dagen nog een ander punt dat in het bijzonder opvalt. Dat is het voortdurend Schriftuurlijke karakter van wat de gezegende Meester zei. U weet dat in Zijn dagen zelfs de godsdienstige mensen de Schrift niet aanhaalden zoals Hij dat deed. De rabbi’s zeiden: ‘Rabbi Johanan heeft gezegd’, of: ‘Rabbi Simeon heeft gezegd’, of: ‘Rabbi Levi heeft dit of dat gezegd.’ Maar Christus haalde niets van de rabbi’s aan. Op weg naar Emmaüs ‘begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was’ (Luk. 24:27). Dat was altijd Zijn gewoonte, en vaak leek Hij er moeite voor te doen iets te doen of te zeggen ‘opdat de Schrift vervuld zou worden’. Hij zorgde er altijd voor dat Hij door een daad of een woord een profetie vervulde die we misschien nooit begrepen zouden hebben als Hij haar niet vervuld had.
Als Hij dus na Zijn opstanding uit de dood geen Christus was geweest Die de Bijbel liefhad, hadden we ons kunnen afvragen of Hij wel dezelfde Christus was. Ik heb u eraan herinnerd wat Hij tegen de twee discipelen op weg naar Emmaüs zei. En toen Hij terug was in Jeruzalem bij de elf, zei Hij tegen hen: ‘Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen. Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage’ (Luk. 24:44-46). Zijn voortdurende verwijzing naar het Woord, Zijn duidelijke vreugde in het aanhalen ervan, het Schriftuurlijke karakter van al Zijn spreken: dat alles is een helder en overtuigend bewijs dat Hij dezelfde Christus was Die Zijn hele leven lang, van de verzoeking in de woestijn tot Zijn dood aan het kruis, voortdurend de Schriften aanhaalde! Er was in Zijn dagen geen andere leraar die zijn onderwijs voortdurend uit het geschreven Woord putte. Hij was de enige Man Die machtig was in de Schriften en ze voortdurend aanhaalde. En omdat Hij daarmee na Zijn opstanding doorging, was ook dit een bewijs van Zijn identiteit! Hij was dezelfde Christus, daar kunt u van op aan.
Er is nog een trek in Zijn karakter die we niet mogen vergeten. Dat is Zijn liefde voor de zielen van mensen. Komt die na Zijn opstanding ook naar voren? Ja zeker, niet alleen in de voorvallen die ik al genoemd heb, maar ook in Zijn verklaring dat ‘in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem’ (Luk. 24:47). Ik zie veel in deze woorden: ‘beginnende van Jeruzalem’. Wees ervan verzekerd: ze werden gesproken door de Man Die over Jeruzalem weende en uitriep: ‘Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?’ (Luk. 13:34). ‘Geef hun nog één gelegenheid om tot Mij te komen’, zegt Hij, ‘predik bekering en vergeving van zonden in Mijn Naam onder alle volken, en begin bij Jeruzalem.’ Ik ben er zeker van dat dit de Man is van Wie geschreven staat: ‘En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen’ (Luk. 15:1). De Farizeeën en de Schriftgeleerden zeiden over Hem: ‘Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.’
Daarom zei Hij tegen Zijn apostelen: ‘Begin eerst met de grootste zondaars; begin bij Jeruzalem.’ Ik weet dat Hij het is; het moet Christus Zelf zijn. Want voordat Hij stierf, bad Hij voor Zijn moordenaars: ‘Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen’ (Luk. 23:34). En toen Hij uit de dood was opgestaan, gaf Hij juist voor die moordenaars Zijn opdracht van genade en ontferming! Zijn zorg voor mensen, ook voor de allerergsten onder hen, en Zijn liefde voor zielen, vooral voor hen die Zijn medelijden en vergeving het meest nodig hadden, bewijzen dat Hij dezelfde Christus was Die ‘innerlijk met ontferming bewogen’ werd over de scharen, ‘omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben’ (Matth. 9:36).
Nog één ding wil ik opmerken, want het helpt de identiteit van Christus te bewijzen. Dat is dat Hij de Geest noemt. In die tijd was er niemand behalve Christus die over de Geest van God preekte. Ik vrees zeer dat er ook nu niet zo veel zijn die dat doen. O, wat wordt de Geest van God in veel preken verwaarloosd! Ik hoorde van een prediker van wie gezegd werd dat de mensen die naar hem luisterden niet wisten of er wel een Heilige Geest was. Ze hadden zo lang niets over Hem gehoord dat ze dachten dat Hij vast opgehouden was met werken! Maar onze Heere sprak voortdurend over de Geest.
‘Op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. (En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.)’ (Joh. 7:37-39). In dat gezegende hoofdstuk waarin Hij ons vertelt over de Trooster, Die de Vader in Zijn Naam tot ons zou zenden, liet Hij zien dat Hij Zelf met de Geest bekleed was, en Hij sprak veel over de Geest.
Zie nu hoe Hij sprak nadat Hij uit de dood was opgestaan. Kan iets duidelijker zijn dan dit: ‘En ziet, Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte’ (Luk. 24:49)? In Zijn laatste woorden aan Zijn discipelen is er steeds deze verwijzing naar en dit ontzag voor de Geest; dit getuigenis van de noodzaak van Zijn werking; deze waarschuwing aan Zijn volgelingen dat ze zonder Hem niets kunnen doen en het Evangelie niet met vrucht kunnen prediken als de Geest van God niet met hen is. Dat is dezelfde Christus op Wie de Geest zonder mate rustte! Ik weet zeker dat Hij het is. En als Hij zegt: ‘Die leeft, en Ik ben dood geweest’, dan bewijzen alle kenmerken van de veertig dagen dat de opgestane Christus Dezelfde is als de Christus Die aan het kruis stierf!
Laten we nog even bij die gedachte stilstaan voordat we verdergaan. Christus in de heerlijkheid is niemand anders dan Hij Die hier was. Niemand verliest ooit iets door naar de hemel te gaan; een gewoon mens wint er veel bij. Daarom weet ik zeker dat mijn Heere er niet op achteruit is gegaan door Zijn heerlijkheid in te gaan. Hij is niet minder teder, niet minder ijverig, niet minder machtig om te redden! En zoals we graag naar Hem toe gesneld zouden zijn toen Hij hier was, zo mogen we nu met blijdschap naar Hem toe gaan, want Hij is precies Dezelfde.
II. Nu moet ik heel kort spreken over het tweede punt, al zou ik het bijna onbeperkt kunnen uitbreiden, want het gaat over het volbrachte werk van Christus.
Toen onze Heere de woorden ‘Ik ben dood geweest’ tegen Johannes op Zichzelf toepaste, bedoelde Hij dat Hij het beslissende deel van de verzoening had volbracht. De kern van de verzoening was de dood. Er was geen andere weg om verzoening voor de zonde te doen dan door het vergieten van het dierbare bloed van Jezus, als van een Lam zonder gebrek en zonder vlek. Er moest leven zijn om voor de zonde te verzoenen, en dat leven moest geofferd worden; daarom ‘is Christus dood geweest’. Het was geen droom, geen inbeelding, geen slaap, geen bezwijming, geen bewusteloosheid. Hij ‘is dood geweest’. Hoewel het niet mogelijk was dat onze gezegende en heerlijke Zaligmaker door de banden van de dood vastgehouden werd, ‘is Hij toch dood geweest’.
Dit betekent verder dat Christus’ werk af was, voor altijd voltooid. Er zijn mensen die spreken over het voortdurend opdragen van het offer van de ‘mis’. Er is onder de hemel misschien geen grovere godslastering dan de gedachte dat wij het lichaam en bloed van Christus opnieuw kunnen offeren. Jezus is ‘eenmaal’ voor altijd gestorven, maar Hij is nu geen dode Christus! Afbeeldingen van de dode Christus, kruisbeelden en al dat soort zaken kunnen tot op zekere hoogte laten zien wat Hij was, maar ze laten niet zien wat Hij is. Ik zou in mijn huis niet graag de afbeelding van een overleden vriend ophangen die hem toont zoals hij eruitzag toen hij dood was, zeker niet als hij weer tot leven was gewekt.
Ik zou liever op een portret van hem wachten tot ik er een kon krijgen van toen hij leefde, want de afbeelding van een dode is helemaal geen gelijkenis van de man! Onlangs zag ik in het huis van een vriend de afbeelding van een predikant, en ik zei: ‘O jee, wat ziet hij er akelig uit!’ De heer antwoordde: ‘Mij is verteld dat de foto genomen is nadat hij gestorven was.’ ‘Nou’, zei ik, ‘berg hem dan onmiddellijk op, alstublieft, berg hem op! Dat is helemaal geen gelijkenis van de man, want de man was al heengegaan toen hij genomen werd.’
Lieve vrienden, koester dus geen enkele eerbied voor afbeeldingen van de dode Christus. Hij is niet dood, en we behoren niet aan Hem te denken alsof Hij dood is. Ik heb in rooms-katholieke landen beelden van de Zaligmaker aan het kruis gezien tot ik er misselijk van werd, en sommigen van u zullen ze ook gezien hebben. U hebt gezegd: ‘Als iets me ervan zou kunnen weerhouden christen te zijn, dan zijn het wel die volstrekt afschuwelijke karikaturen van Christus die sommige mensen op elke straathoek neerzetten.’ Christus is niet dood! Hij ‘is dood geweest’. Dat staat in de verleden tijd, vergeet dat nooit, maar nu is Hij niet dood. ‘Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft’ (Matth. 28:6). Ons vertrouwen is niet op een dode Christus, maar op de eeuwig levende Christus, Die nog altijd ‘volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden’ (Hebr. 7:25).
Bedenk ook, lieve vrienden, dat bij het werk waarop onze Heere Zijn hart had gezet, het werk om mensen te redden, de liefde die Hem deed sterven een levende liefde is. Hij heeft eens en voor altijd en boven alle twijfel bewezen hoeveel Hij Zijn volk liefheeft! ‘Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden’ (Joh. 15:13). Dat heeft Hij gedaan, en daarmee heeft Hij Zijn liefde voor schuldige mensen bewezen op een manier die volstrekt onweerlegbaar is. En:
Al regeert Hij nu hoog verheven,
Zijn liefde is nog even groot.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Bedenk vervolgens dat het doel waarmee Christus stierf zeker bereikt zal worden, nu Hij Zijn leven voor Zijn volk heeft afgelegd en het weer heeft aangenomen. Ik hoor niet bij hen die denken dat de uitkomst van Christus’ dood ook maar één moment op het spel heeft gestaan. Ik geloof dat alles wat Hij door Zijn dood wilde doen, ook gedaan zal worden, en dat er niet één ziel voor wie Hij als Borg is ingetreden, ooit verloren zal gaan. Hij heeft de schuld van al Zijn uitverkorenen betaald, en hun schulden zullen hun nooit meer worden aangerekend; ze zijn weg, voor altijd weg. Als de Zoon van God werkelijk Zijn leven heeft afgelegd om een bepaald doel te bereiken, kan ik niet aannemen dat Hij verhinderd zal worden dat doel te bereiken. Ik kan me voorstellen dat ik zelf voor een bepaald doel leef en sterf en toch faal, want ik ben maar een mens.
Maar ik ben niet in staat tot de godslastering die erin zou liggen als ik geloofde dat de Zoon van God ooit geboren kon worden, voor een vastgesteld doel kon leven en sterven om dat doel uit te voeren, en het dan toch niet zou bereiken! ‘Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden’ (Jes. 53:11). Hij ‘is dood geweest’, en daarom heeft Hij al Zijn kracht ingezet om het doel te bereiken dat Hij voor ogen had, en dat doel zal zeker bereikt worden!
Bedenk ook dat de verdienste van Zijn dood leeft. Hij ‘is dood geweest’, maar heel de verdienste van die dood is vandaag nog even krachtig als wanneer Hij pas vandaag gestorven was. Stel u een ogenblik voor dat het vandaag de morgen van Christus’ opstanding was, dat ik hier stond om u te vertellen dat ik met Maria Magdalena was meegegaan en Zijn lege graf had gezien, en dat Hij tot mij had gesproken zoals tot haar. Met welke frisheid en kracht zou ik dan tot u spreken over Zijn dierbare wonden, over de betekenis van Zijn dood en over het offer dat Hij had gebracht! Nu, hoewel er sinds Zijn opstanding meer dan achttienhonderd jaar voorbijgegaan zijn, is het voor God nog even fris en even aangenaam als het ooit was! Nog altijd heeft Hij welbehagen in het verzoenend offer van de Welbeminde, en de verdienste ervan stijgt voortdurend voor Hem op als de geur van liefelijk reukwerk.
Dit is een blij, vreugdevol onderwerp waarbij ik graag zou blijven stilstaan: te bedenken dat Christus’ werk helemaal gedaan is, helemaal volbracht, helemaal voltooid, en dat er voor de verlossing van Zijn volk niets meer gedaan hoeft te worden! Zoals Hij Zelf zei voordat Hij de geest gaf: ‘Het is volbracht!’ Die uitdrukking ‘Ik ben dood geweest’ klinkt mij in de oren als een klokkenspel dat de dood van de dood luidt en het jubeljaar inluidt van allen die in Jezus geloven! Hij ‘is dood geweest’, maar Hij is niet langer dood! Hij leeft nu en is ‘levend in alle eeuwigheid’!
III. Met dat derde woord van troost wil ik besluiten. Het eeuwige bestaan van Christus moet ons altijd troosten wanneer we aan Zijn heerlijkheid denken. Hij Die dood is geweest, is ‘levend in alle eeuwigheid’.
Hier is dan, strijders van het kruis, een uniek leiderschap. Nooit eerder hadden mensen zo’n Leider als Hij, Die Zijn vurige toewijding aan Zijn doel bewezen heeft door ervoor te sterven, en Die nu leeft om erop toe te zien dat dat doel volledig bereikt wordt! Toen Mohammed nog leefde, wekte hij, valse profeet die hij was, buitengewone geestdrift bij zijn volgelingen toen hij een handvol stof van de weg greep en dat zijn tegenstanders in het gezicht wierp, terwijl hij uitriep: ‘Laten zij verblind worden.’
Zijn volgelingen geloofden dat er werkelijk een wonder zou gebeuren. Daarom stormden ze op hun vijanden af en vaagden hen weg als kaf voor de wervelwind. Maar nu Mohammed dood en begraven is, taant zijn godsdienst, en mettertijd moet die uitsterven. Maar onze Meester is niet dood, onze Leider leeft! Hij rijdt nog steeds aan het hoofd van het leger van het kruis en roept ons op tot de strijd voor waarheid en recht. De goddelozen horen Hem niet, maar allen die in Hem geloven, horen nog steeds Zijn heldere stem het bevel uitroepen: ‘Voorwaarts, legers van God! Voorwaarts naar de strijd! “Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen” (Mark. 16:15), totdat Ik kom.’
We putten troost uit het feit dat we door de levende Christus geleid worden. Toen de Cid, Rodrigo Díaz, in de strijd gesneuveld was, wisten zij die zijn machtige zwaard altijd gevreesd hadden een tijdlang niet dat hij dood was. Zijn volgelingen zetten de dode Cid op zijn paard, en alleen al zijn aanblik, hoewel het slechts zijn lijk was dat ze zagen, deed zijn tegenstanders voor hem vluchten. Wij zetten geen dode Christus in de voorhoede van ons leger; het is de levende Christus Die voor ons uit trekt. Daarom zijn we zeker van de overwinning, want nooit werd een leger zo aangevoerd als door Hem Die kan zeggen: ‘Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.’
Vervolgens is hier een bijzondere waarborg. Hij Die dood is geweest, leeft nu. Dan zal Hij, broeders en zusters, Zijn werk ook voortzetten! Als Hij na Zijn dood nooit was opgestaan, maar Zijn zaak in onze nietige handen had achtergelaten, zou die al snel mislukt zijn. Maar Hij is opgestaan, en ‘Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten’ (Jes. 42:4). Zijn Koninkrijk zal zich uitstrekken tot de uiterste grenzen van de aarde: ‘De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken’ (Ps. 72:9). Weet dit zeker, geliefden: in het feit dat Christus nog leeft, ligt een waarborg van de overwinning!
In deze sombere tijden waarin wij leven, vertellen mensen ons dat het christendom heeft gefaald, dat het Evangelie een waanidee is, en ik weet niet wat er al niet zal gebeuren. Ja, ja, maar er is één heel belangrijke zaak die ze vergeten te noemen. Hij leeft, Hij leeft, Hij leeft, Die nooit opnieuw gekruisigd kan worden! De Heere heeft Hem als Koning gezalfd over Sion, de berg van Zijn heiligheid. En al ‘stellen de koningen der aarde zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten’ (Ps. 2:2-4). Want de Heere regeert, en Hij zal regeren in alle eeuwigheid. Halleluja!
Naast dit unieke leiderschap en deze bijzondere waarborg van succes hebben we hier ook een bijzondere bemoediging voor zondaars. Ik geloof werkelijk dat als mijn Meester vanavond lichamelijk hier was, sommigen van u die Hem gezocht hebben naar voren zouden komen en aan Zijn voeten zouden vallen. Ja, u zou maar al te blij zijn als u Zijn voeten met uw tranen mocht wassen en ze met het haar van uw hoofd mocht afdrogen. Nu, Hij leeft en Hij is hier. U kunt Hem niet zien of aanraken, maar u mag tot Hem komen! U hoeft niet met vermoeide voeten een lange reis te maken om bij Hem te komen. Uw geest kan Hem onmiddellijk bereiken!
Vergeet uw ogen een poosje; het zijn maar armzalige, wazige werktuigen die het ware zien in de weg staan. Dat lijkt misschien een vreemde beschrijving van onze ogen, maar het is waar. En als we ervan verlost zijn, zullen we veel beter zien dan nu. Maar o, geloof nu eens zonder te zien! Geloof dat Jezus Christus dicht bij u is en vraag Hem u te redden. Kom tot Hem en raak door het geloof de zoom van Zijn kleed aan, alsof Hij hier lichamelijk aanwezig was. Roep tot Hem: ‘Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!’ Hij zal u horen en uw verzoek inwilligen! Zeg: ‘Heere! dat ik ziende mag worden’, en Hij zal nu uw ogen geestelijk openen, zoals Hij in de dagen van Zijn vlees de ogen van blinden letterlijk opende! U mag gerust tot Hem komen, want Hij is precies dezelfde Jezus als toen Hij zei: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Matth. 11:28). Hij leeft, Hij leeft, Hij leeft! Ga daarom naar huis en vind Hem daar! Ga naar uw slaapkamer en zeg Hem dat u Hem nodig hebt! Werp uzelf voor Hem neer in nederig berouw en oprecht geloof, en Hij zal u redden! Hij zal u zegenen, want Hij leeft nog altijd om te bidden voor allen die door Hem tot God gaan.
Tot slot wijs ik erop dat er in deze tekst ook een ernstige waarschuwing ligt. Christus leeft, en omdat Hij leeft: wee hun die Zijn volk vervolgen! Wee hun die de spot met Hem drijven, die lichtvaardig met Zijn waarheid omgaan, Zijn Evangelie veronachtzamen en het zoeken van hun eigen behoud tot morgen uitstellen! O, mijn lieve hoorders, als Christus dood was, zouden we Zijn nagedachtenis moeten eren. Maar nu Hij leeft, bedenk dan dat Hij kennisneemt van elke smaad die Zijn zaak wordt aangedaan. Hij is altijd bereid te vergeven, maar als uw oren weigeren te luisteren naar de nodigingen van Zijn genade en als u blijft weerstaan aan Zijn waarschuwingen en smeekbeden, dan zal Hij zeker terugkomen. En als Hij komt, zal er op dat aangezicht vol liefde iets zijn wat u meer zult vrezen dan alle bliksems en donderslagen van die laatste, ontzaglijke dag!
Wat denkt u dat het meest vreselijke zal zijn op de dag van het oordeel? Het schoonste wat ooit door sterfelijke mensen werd aanschouwd: het aangezicht dat de heilige engelen doet zingen en dat voor de heiligen de hemel is; het aangezicht van Christus, waarin liefde en gerechtigheid, zachtmoedigheid en waarheid, Godheid en mensheid samenkomen in dat onvergelijkelijke gelaat. Terwijl Zijn heiligen bij het zien van Hem in de handen klappen van jubelende vreugde, zal voor de goddelozen dat aangezicht het meest ontzettende in heel de wereld zijn.
Want als zij erin kijken en de lijnen van lijden zien, van versmaad lijden; als zij de tekenen zien van liefde, van afgewezen liefde; van majesteit, van gesmade majesteit, dan zullen zij tot de bergen en de steenrotsen roepen: ‘Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?’ (Openb. 6:16-17). O mensen, het moet wel iets vreselijks zijn dat het beste wat de hemel heeft, verandert in iets wat de grootste schrik aanjaagt! Geef daarom die zonde van u op, smeek ik u.
Geef dat ongeloof op! Geef die eigengerechtigheid op! Geef alles op wat als het ware de liefde van Christus zelf zou doen stremmen, totdat zelfs Zijn grote liefde in ijverzucht verandert. Want feller dan een leeuw bij zijn prooi is de liefde wanneer zij eenmaal in toorn is omgeslagen! ‘Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen’ (Ps. 2:12). Want hun vertrouwen is op Hem Die nog altijd zegt: ‘Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.’ God zegene u, omwille van Zijn dierbare Naam!
Amen.
Preek nr. 2689 · Gehouden te Newington, Londen, zondagavond 24 juli 1881, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 46. Oorspronkelijke titel: “The Ever-Living Christ”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
